Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
15 DECEMBER 1980. - Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-07-1991 en tekstbijwerking tot 08-08-2025)
Titre
15 DECEMBRE 1980. - Loi sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 26-07-1991 et mise à jour au 08-08-2025)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN. HOOFDSTUK I. (DEFINITIES). HOOFDSTUK Ibis. [1 - Indiening van een verblijf... HOOFDSTUK Iter. [1 - Algemene bepalingen met be... HOOFDSTUK II. [1 - Toegang tot het grondgebied,... HOOFDSTUK III. - VERBLIJF VAN MEER DAN DRIE MAA... HOOFDSTUK IV. [1 - Vestiging en status van EU-l... HOOFDSTUK IVbis. - (Opgeheven) HOOFDSTUK V. - AFWEZIGHEID EN TERUGKEER VAN DE ... HOOFDSTUK VI. [1 - Einde van het verblijf van m... HOOFDSTUK VIbis. [1 - Veiligheidsmaatregelen [2... HOOFDSTUK VII. - AANVULLENDE VEILIGHEIDSMAATREG... HOOFDSTUK VIIbis. - Afname van biometrische geg... HOOFDSTUK VIII. - ADVIESORGANEN VOOR VREEMDELIN... TITEL IBIS. - De Raad voor Vreemdelingenbetwist... HOOFDSTUK 1. - Instelling en rechtsmacht van de... HOOFDSTUK 2. - De inrichting van de Raad Afdeling I. - De samenstelling van de Raad Afdeling II. - De kamers Afdeling III. [1 - De algemene vergadering en d... Afdeling IV. - Het taalgebruik Onderafdeling 1. - Gebruik van de talen in de d... Onderafdeling 2. - Gebruik van de talen door de... Onderafdeling 3. - Gebruik van de talen door de... HOOFDSTUK 3. - Het ambt Afdeling I. - De benoemingsvoorwaarden voor de ... Afdeling II. - De aanwijzing en uitoefening van... Onderafdeling 1. - De mandaten Onderafdeling 2. - Procedure van aanwijzing van... Onderafdeling 3. - Over de uitoefening van het ... Afdeling III. [1 - De evaluatie van de ambtsdra... Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Onderafdeling 2. [1 - De evaluatiecriteria]1 Onderafdeling 3. [1 - Het verloop van de evalua... Afdeling IV. Onderafdeling 1. Onderafdeling 2. Afdeling V. - Uitoefening van het ambt Afdeling VI. - Wedden, inrustestelling en pensi... Afdeling VII. - Onverenigbaarheden en tucht HOOFDSTUK 4. - De beheerder en het administrati... HOOFDSTUK 5. - De rechtspleging Afdeling I. - Gemeenschappelijke bepalingen. Afdeling II. - Specifieke bepalingen die gelden... Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen van toep... Onderafdeling 2. - De gewone procedure. Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen. Onderafdeling 3. - Het administratief kort geding HOOFDSTUK I. - (Vreemdelingen, burgers van de U... Art.40. § 1. Onverminderd de meer voordelige be... HOOFDSTUK II. - (Vluchtelingen en personen die ... Art.48. Kan als vluchteling worden erkend de vr... AFDELING III. - DE VASTE BEROEPSCOMMISSIE VOOR ... AFDELING I. [1 Algemene bepalingen ]1 Art.58.[1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk ... Art. 61/1/9 [1 § 1. Na de voltooiing van zijn s... Art. 61/1/12 [1 § 1. De minister of zijn gemach... Art. 61/1/14 [1 De minister of zijn gemachtigde... HOOFDSTUK IV. - Vreemdelingen die het slachtoff... Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen.]1 Onderafdeling 1. [1 - Bepalingen met betrekking... Afdeling 3. [1 - Mobiliteit binnen de Europese ... Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen.]1 HOOFDSTUK VIter. [1 - Vrijwilligers in het kade... Hoofdstuk VIIbis. [1 Onderdanen van derde lande... HOOFDSTUK VIII. [1 - HOOGGEKWALIFICEERDE WERKNE... Afdeling 1. [1 - Toepassingsgebied en definitie... Onderafdeling 1. [1 - Bepalingen met betrekking... HOOFDSTUK VIIIter. [1 - Binnen een onderneming ... Onderafdeling 1. [1 - Bepalingen met betrekking... Afdeling 3. [1 - Mobiliteit binnen de Europese ... HOOFDSTUK I. [1 - Recht om te worden gehoord, m... Art.62.[1 § 1. Wanneer er wordt overw ogen om h... HOOFDSTUK Ibis. - DRINGEND BEROEP BIJ DE COMMIS... Art.64. (Opgeheven) Art.68.(De vreemdeling die het voorwerp is van ... HOOFDSTUK IV. - BEROEP TOT NIETIGVERKLARING. (O... Art. 70bis.(Opgeheven) TITEL IIIsexies. [1 - Verplichtingen van de vre... Art.75.[1 § 1. Onder voorbehoud van artikel 53,... Art. N. - Ziekten die de volksgezondheid kunnen...
Table des matières
TITRE I. - DISPOSITIONS GENERALES. CHAPITRE I. - (DEFINITIONS). CHAPITRE Ierbis. [1 - Introduction d'une demand... CHAPITRE Ierter. [1 - Dispositions générales re... CHAPITRE II. [1 - Accès au territoire, court sé... CHAPITRE III. - SEJOUR DE PLUS DE TROIS MOIS. CHAPITRE IV. [1 - Etablissement et statut de ré... CHAPITRE IVbis. - (Abrogé) CHAPITRE V. - ABSENCES ET RETOURS DE L'ETRANGER. CHAPITRE VI. [1 - Fin du séjour de plus de troi... CHAPITRE VIbis. [1 - Mesures de sûreté [2 et si... CHAPITRE VII. - MESURES DE SURETE COMPLEMENTAIRES. CHAPITRE VIIbis. - Prise de données biométriques. CHAPITRE VIII. - ORGANES CONSULTATIFS DES ETRAN... TITRE IBIS. - Le Conseil du Contentieux des étr... CHAPITRE 1ER. - Institution et juridiction du C... CHAPITRE 2. - De l'organisation du Conseil Section Ire. - La composition du Conseil Section II. - Les chambres Section III. [1 - L'assemblée générale et les c... Section IV. - L'emploi des langues Sous-section 1re. - L'emploi des langues dans l... Sous-section 2. - L'emploi des langues par les ... Sous-section 3. - L'emploi des langues par les ... CHAPITRE 3. - La fonction Section Ire. - Les conditions de nomination des... Section II. - La désignation et l'exercice des ... Sous-section 1re. - Les mandats Sous-section 2. - Procédure de désignation des ... Sous-section 3. - De l'exercice du mandat Section III. [1 - L'évaluation des titulaires d... Sous-section 1re. - Dispositions générales Sous-section 2. [1 - Les critères d'évaluation]1 Sous-section 3. [1 - Le déroulement de l'évalua... Section IV. Sous-section 1re. Sous-section 2. Section V. - L'exercice de la fonction Section VI. - Traitements, retraite et pensions Section VII. - Des incompatibilités et de la di... CHAPITRE 4. - L'administrateur et le personnel ... Section II. - Dispositions spécifiques applicab... Sous-section 1re. - Dispositions générales appl... Sous-section 2. La procédure ordinaire. Sous-section 3. - La procédure accélérée Section III. - Le recours en annulation Sous-section 1re. - Dispositions générales. Sous-section 2. - La procédure en annulation. Sous-section 3. - Le référé administratif § 1er. La suspension. § 2. Les mesures provisoires. TITRE II. - DISPOSITIONS COMPLEMENTAIRES ET DER... CHAPITRE I. - (Etrangers, citoyens de l'Union e... CHAPITRE Ibis. [1 - Autres membres de la famill... Art. 47/1. [1 Sans préjudice des dispositions d... Art. 47/2. [1 Sont considérés comme autres memb... Art. 47/3. [1 § 1er. Les autres membres de la f... Art. 47/4. [1 A moins qu'ils soient eux-mêmes c... CHAPITRE Iter. [1 - Bénéficiaires de l'accord d... CHAPITRE II. - (Réfugiés et personnes pouvant b... SECTION I. - (Le statut de réfugié et le statut... SECTION II. - DU COMMISSARIAT GENERAL AUX REFUG... SECTION III. - DE LA COMMISSION PERMANENTE DE R... SECTION IIIBIS. - DU HAUT COMMISSARIAT DES NATI... SECTION IV. - DISPOSITIONS COMPLEMENTAIRES. CHAPITRE IIbis- Bénéficiaires de la protection ... CHAPITRE IIter. [1 - Apatrides.]1 CHAPITRE III. - ETUDIANTS. SECTION I. [1 Dispositions générales ]1 SECTION II. [1 Mobilité ]1 SECTION III. [1 Séjour après les études en vue ... Art. 61/1/9. [1 § 1er. Après l'achèvement de se... Art. 61/1/10. [1 § 1er. Après réception de la d... Art. 61/1/11 [1 Le ministre ou son délégué p... Art. 61/1/12 [1 § 1er. Le ministre ou son dé... Art. 61/1/13 [1 Le ministre ou son délégué pe... Art. 61/1/14 [1 Le ministre ou son délégué pe... Art. 61/1/15 [1 La présente section s'appliqu... CHAPITRE IV. - Des étrangers qui sont victimes ... CHAPITRE V. - Bénéficiaires du statut de réside... CHAPITRE VI. - Chercheurs. Section 1re. [1 - Dispositions générales.]1 Section 2. [1 - Permis pour chercheur.]1 Sous-section 1re. [1 - Dispositions relatives à... Sous-section 2. [1 - Dispositions relatives à l... Section 3. [1 - Mobilité au sein de l'Union eur... Sous-section 1re. [1 - Mobilité de courte durée.]1 Sous-section 2. [1 - Permis pour mobilité de lo... Section 4. [1 - Séjour après l'achèvement de la... CHAPITRE VIbis. [1 - Stagiaires.]1 Section 1re. [1 - Dispositions générales.]1 Section 2. [1 - Permis pour stagiaire.]1 CHAPITRE VIter. [1 - Volontaires dans le cadre ... Section 1re. [1 - Dispositions générales.]1 Section 2. [1 - Permis pour volontaire.]1 Chapitre VII. - [1 Mineurs étrangers non accomp... CHAPITRE VIIbis [1 Ressortissants de pays tiers... SECTION I. [1 - Dispositions relatives à la pro... Section 2. [1 Dispositions relatives à l'autori... CHAPITRE VIII. [1 - Travailleurs hautement qual... Section 1re. [1 - Champ d'application et défini... Section 2. [1 - Dispositions relatives à la pro... Section 3. [1 - Dispositions relatives à l'auto... CHAPITRE VIIIbis . [1 - Travailleurs saisonnier... Section 1re. [1 - Champ d'application et défini... Section 2. [1 - Accès au territoire et court sé... Section 3. [1 - Permis pour travailleur saisonn... Sous-section 1re. [1 - Dispositions relatives à... Sous-section 2. [1 - Dispositions relatives à l... CHAPITRE VIIIter. [1 - Transferts temporaires i... Section 1re. [1 - Champ d'application et défini... Section 2. [1 - Permis pour personne faisant l'... Sous-section 1re. [1 - Dispositions relatives à... Sous-section 2. [1 - Dispositions relatives à l... Section 3. [1 - Mobilité au sein de l'Union eur... Sous-section 1re. [1 - Mobilité de courte durée.]1 Sous-section 2. [1 - Permis pour mobilité de lo... TITRE III. [1 - Garanties procédurales et voies... CHAPITRE I. [1 - Droit d'être entendu, motivati... CHAPITRE Ibis. - (RECOURS URGENT AUPRES DU COMM... CHAPITRE II. - DEMANDE EN REVISION. CHAPITRE III. - DEMANDES DE LEVEE DE CERTAINES ... CHAPITRE IV. - RECOURS EN ANNULATION. (Abrogé) CHAPITRE V. - RECOURS AUPRES DU POUVOIR JUDICIA... CHAPITRE VI. [1 - Représentation]1 TITRE IIIbis. - OBLIGATIONS DES TRANSPORTEURS R... TITRE IIIter. - DISPOSITIONS PARTICULIERES REL... TITRE IIIquater. [1 - Dispositions applicables ... TITRE IIIquinquies. [1 - FRAUDE.]1 TITRE IIIsexies. [1 - Obligations de l'étranger... Chapitre Ier. [1 L'obligation de coopérer]1 Chapitre II. [1 Le trajet d'accompagnement inte... Chapitre III. [1 Les mesures préventives et les... TITRE IV. - DISPOSITIONS PENALES. TITRE V. - DISPOSITIONS MODIFICATIVES, TRANSITO... Annexe. Chapitre 5. - La procédure Section Ire. - Dispositions communes.
Tekst (655)
Texte (655)
TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
TITRE I. - DISPOSITIONS GENERALES.
HOOFDSTUK I. (DEFINITIES).
CHAPITRE I. - (DEFINITIONS).
Artikel 1. <W 1996-07-15/33, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 22-10-1996> [5 § 1.]5 Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
  1° vreemdeling : al wie het bewijs niet levert dat hij de Belgische nationaliteit bezit;
  2° de Minister : de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  [1 3° onderdaan van een derde land : eenieder die geen burger van de Unie is en die geen persoon is die onder het gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer valt, als bepaald in artikel 2, punt 5, van de Schengen grenscode;
   4° illegaal verblijf : de aanwezigheid op het grondgebied, van een vreemdeling die niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor de toegang tot of het verblijf op het grondgebied;
   5° terugkeer : het feit dat een onderdaan van een derde land, hetzij op vrijwillige basis nadat hij het voorwerp heeft uitgemaakt van een beslissing tot verwijdering, hetzij gedwongen, terugkeert naar zijn land van herkomst of een land van doorreis overeenkomstig communautaire of bilaterale overnameovereenkomsten of naar een ander derde land waarnaar de betrokken onderdaan besluit vrijwillig terug te keren en waar deze wordt gemachtigd of toegelaten tot het verblijf;
   6° beslissing tot verwijdering : de beslissing die de illegaliteit van het verblijf van een vreemdeling vaststelt en een terugkeerverplichting oplegt;
   7° verwijdering : de tenuitvoerlegging van de beslissing tot verwijdering, namelijk de fysieke verwijdering van het grondgebied;
   8° [4 inreisverbod : de beslissing die kan samengaan met een beslissing tot verwijdering en waarbij de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van het Rijk of het grondgebied van alle lidstaten, met inbegrip van het grondgebied van het Rijk, voor een bepaalde termijn verboden wordt;]4
   9° vrijwillig vertrek : het feit dat het grondgebied wordt verlaten binnen de termijn die daarvoor is vastgesteld in de beslissing tot verwijdering;
   10° vrijwillige terugkeer : terugkeer van een persoon naar zijn land van herkomst of een derde land waar hij toegelaten is om te verblijven op het grondgebied, tengevolge van een autonoom genomen beslissing om beroep te doen op een programma voor bijstand aan terugkeer uitgewerkt door de overheid van het gastland;
   11° [5 risico op onderduiken : het feit dat er redenen bestaan om aan te nemen dat een vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een verwijderingsprocedure, een procedure voor toekenning van internationale bescherming of een procedure tot vaststelling van of tot overdracht naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, met het oog op de criteria die opgesomd worden in § 2 zal onderduiken.]5
   12° kwetsbare persoon : zowel de begeleide als de niet-begeleide minderjarigen, personen met een handicap, bejaarden, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen en personen die gefolterd of verkracht zijn of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld hebben ondergaan;
   13° beschikking 2004/573/EG : de beschikking van de Raad van 29 april 2004 inzake het organiseren van gezamenlijke vluchten voor de verwijdering van onderdanen van derde landen tegen wie individuele verwijderingsmaatregelen zijn genomen van het grondgebied van twee of meer lidstaten;
   14° geïdentificeerde vreemdeling : iedere vreemdeling
   - die in het bezit is van een geldig reisdocument, een geldig paspoort of een geldig identiteitsdocument, of
   - die werd erkend als onderdaan door de nationale overheid van zijn land, die zich bereid verklaarde een doorlaatbewijs af te leveren, of
   - die valt onder de categorie nationaliteiten waarvoor de minister zelf een doorlaatbewijs kan afleveren;]1

  [2 15° [7 ...]7]2
  [3 16° internationale bescherming : de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus;
   17° [6 SIS: het Schengeninformatiesysteem zoals bedoeld in [10 ...]10 de verordening (EU) nr. 2018/1860 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende het gebruik van het Schengeninformatiesysteem voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen en de verordening (EU) nr. 2018/1861 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van grenscontroles, tot wijziging van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen en tot wijziging en intrekking van Verordening (EG) nr. 1987/2006;]6]3

  [4 18° Algemene Nationale Gegevensbank : de politionele gegevensbank bedoeld in artikel 44/7 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;]4
  [5 19° definitieve beslissing in het kader van een verzoek om internationale bescherming : een beslissing of de vreemdeling de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus wordt verleend en waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat in het kader van Titel Ibis, ongeacht of dit rechtsmiddel tot gevolg heeft dat de verzoeker op het grondgebied mag blijven in afwachting van het resultaat;
   20° volgend verzoek om internationale bescherming : elk later verzoek om internationale bescherming dat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen, met inbegrip van de beslissingen genomen op basis van artikel 57/6/5, § 1, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 7° en 8°;]5

  [7 21° "luchthaventransitvisum" : het visum dat krachtens de Visumcode vereist is voor een transit door de internationale transitzone van de luchthavens op het grondgebied en dat overeenkomstig de genoemde Code afgegeven wordt;
   22° "visum kort verblijf" : het visum dat, krachtens de verordening (EU) 2018/1806 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld, vereist is om gedurende een maximale duur van negentig dagen op het grondgebied door te reizen of erop te verblijven en dat overeenkomstig de Visumcode afgegeven wordt;
   23° "visum lang verblijf" : het visum dat overeenkomstig artikel 18 van de Schengenovereenkomst vereist is om meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven en dat zijn houder in staat stelt om aan te tonen dat hij gemachtigd of toegelaten werd om, in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen, meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven;
   24° "Visumcode" : de verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode);
   25° "Schengengrenscode" : verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode);
   26° "Schengenovereenkomst" : overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen;]7

  [8 27° samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 : het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest, de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
   28° samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 : het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
   29° bevoegde regionale overheid : de gewest- of gemeenschapsoverheid die, overeenkomstig de gewestelijke of communautaire decreten, verordeningen en besluiten, bevoegd is voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;]8

  [9 30° het terugtrekkingsakkoord: het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (2019/C 384 I/01);
   31° begunstigde van het terugtrekkingsakkoord: de persoon bedoeld in artikel 10 van het terugtrekkingsakkoord]9
;
  [12 32° EES: het inreis-uitreissysteem zoals bedoeld in Verordening (EU) 2017/2226 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2017 tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van de overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EU) nr. 1077/2011 (hierna: Verordening (EU) 2017/2226)]12;
  [11 33° gesloten centrum: de plaats zoals bedoeld in artikel 74/8, §§ 1 en 2, beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken en gericht op de opvang van vreemdelingen die het voorwerp uitmaken van een administratieve vasthoudingsmaatregel;
   34° woonunit: de plaats zoals bedoeld in artikel 74/8, §§ 1 en 2, beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken, aangepast aan de noden van gezinnen met minderjarige kinderen, die onder door de Koning bepaalde voorwaarden mag worden verlaten, en die bestemd is voor de opvang van gezinnen met minderjarige kinderen die het voorwerp uitmaken van een administratieve vasthoudingsmaatregel.]11

  [5 § 2. Het in paragraaf 1, 11°, bedoelde risico op onderduiken moet actueel en reëel zijn. Het wordt na een individueel onderzoek en op basis van een of meer volgende objectieve criteria vastgesteld, rekening houdend met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval :
   1° de betrokkene heeft na zijn illegale binnenkomst of tijdens zijn illegaal verblijf geen verblijfsaanvraag ingediend, of heeft zijn verzoek om internationale bescherming niet binnen de door deze wet voorziene termijn gedaan;
   2° de betrokkene heeft in het kader van een procedure voor internationale bescherming, verblijf, verwijdering of terugdrijving valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt;
   3° de betrokkene werkt niet mee of heeft niet meegewerkt in het kader van zijn betrekkingen met de overheden die belast zijn met de uitvoering van en/of het toezicht op de naleving van de reglementering inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   4° de betrokkene heeft duidelijk gemaakt dat hij zich niet aan een van de volgende maatregelen wil houden of heeft zich reeds niet aan een van deze maatregelen gehouden :
   a) een overdrachts-, terugdrijvings- of verwijderingsmaatregel;
   b) een inreisverbod dat noch opgeheven, noch opgeschort is;
   c) een minder dwingende maatregel dan een vrijheidsberovende maatregel die erop gericht is om zijn overdracht, terugdrijving of zijn verwijdering te garanderen, ongeacht of het om een vrijheidsbeperkende maatregel of een andere maatregel gaat;
   d) een vrijheidsbeperkende maatregel die erop gericht is om de openbare orde of de nationale veiligheid te garanderen;
   e) een door een andere lidstaat genomen maatregel die gelijkwaardig is aan de maatregelen bedoeld in a), b), c) of d);
   5° de betrokkene maakt het voorwerp uit van een inreisverbod in het Rijk en/of in een andere lidstaat dat noch opgeheven, noch opgeschort werd;
   6° de betrokkene heeft onmiddellijk na het voorwerp te hebben uitgemaakt van een beslissing tot weigering van binnenkomst of verblijf of een beslissing die een einde heeft gemaakt aan zijn verblijf, of onmiddellijk na het voorwerp te hebben uitgemaakt van een terugdrijvings- of verwijderingsmaatregel, een nieuwe verblijfsaanvraag of een nieuw verzoek om internationale bescherming ingediend;
   7° terwijl hij in verband met dat punt ondervraagd werd, heeft de betrokkene verborgen dat hij zijn vingerafdrukken reeds heeft gegeven in een andere Staat die gebonden is door de Europese reglementering met betrekking tot de bepaling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, na een verzoek om internationale bescherming te hebben ingediend;
   8° de betrokkene heeft in het Rijk of in een of meerdere andere lidstaten meerdere verzoeken om internationale bescherming en/of verblijfsaanvragen ingediend, die aanleiding hebben gegeven tot een negatieve beslissing of die niet tot de afgifte van een verblijfstitel hebben geleid;
   9° terwijl hij in verband met dat punt ondervraagd werd, heeft de betrokkene verborgen dat hij vroeger reeds een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in een andere staat die gebonden is door de Europese reglementering met betrekking tot de bepaling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming;
   10° de betrokkene heeft verklaard of uit zijn dossier blijkt dat hij voor andere doeleinden dan de doeleinden waarvoor hij een verzoek om internationale bescherming of een verblijfsaanvraag heeft ingediend naar het Rijk gekomen is;
   11° de betrokkene maakt het voorwerp uit van een geldboete omdat hij een kennelijk onrechtmatig beroep heeft ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.]5

  
Article 1. <L 1996-07-15/33, art. 3, 012; En vigueur : 22-10-1996> [5 § 1er.]5 Pour l'application de la présente loi, il faut entendre par :
  1° étranger : quiconque ne fournit pas la preuve qu'il possède la nationalité belge;
  2° le Ministre : le Ministre qui a l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers dans ses compétences;
  [1 3° ressortissant d'un pays tiers : toute personne qui n'est ni un citoyen de l'Union, ni une personne jouissant du droit communautaire à la libre circulation tel que défini à l'article 2, point 5, du Code frontières Schengen;
   4° séjour illégal : la présence sur le territoire d'un étranger qui ne remplit pas ou ne remplit plus les conditions d'accès au territoire ou de séjour;
   5° retour : le fait pour le ressortissant d'un pays tiers de rentrer, que ce soit par obtempération volontaire après avoir fait l'objet d'une décision d'éloignement ou en y étant forcé, dans son pays d'origine ou dans un pays de transit conformément à des accords de réadmission communautaires ou bilatéraux ou dans un autre pays tiers dans lequel le ressortissant concerné décide de retourner volontairement et sur le territoire duquel il est autorisé ou admis au séjour;
   6° décision d'éloignement : la décision constatant l'illégalité du séjour d'un étranger et imposant une obligation de retour;
   7° éloignement : l'exécution de la décision d'éloignement, à savoir le transfert physique hors du territoire;
   8° [4 interdiction d'entrée : la décision qui peut accompagner une décision d'éloignement et qui interdit, pendant une durée déterminée, l'entrée et le séjour, soit sur le territoire du Royaume, soit sur le territoire de tous les Etats membres, en ce compris celui du Royaume;]4
   9° départ volontaire : le fait de quitter le territoire dans le délai imparti fixé à cette fin dans la décision d'éloignement;
   10° retour volontaire : retour d'une personne dans son pays d'origine ou dans un pays tiers sur le territoire duquel elle est admise à séjourner, suite à une décision autonome de faire appel à un programme d'assistance au retour mis en place par les autorités du pays d'accueil;
   11° [5 risque de fuite : le fait qu'il existe des raisons de croire qu'un étranger qui fait l'objet d'une procédure d'éloignement, d'une procédure pour l'octroi de la protection internationale ou d'une procédure de détermination de ou de transfert vers l'Etat responsable du traitement de la demande de protection internationale, prendra la fuite, eu égard aux critères énumérés au § 2;]5
   12° personne vulnérable : les mineurs accompagnés, les mineurs non accompagnés, les personnes handicapées, les personnes âgées, les femmes enceintes, les parents isolés accompagnés d'enfants mineurs et les personnes qui ont été victimes de torture, de viol ou d'une autre forme grave de violence psychologique, physique ou sexuelle;
   13° décision 2004/573/CE : la décision du Conseil du 29 avril 2004 relative à l'organisation de vols communs pour l'éloignement, à partir du territoire de deux Etats membres ou plus, de ressortissants de pays tiers faisant l'objet de mesures d'éloignement sur le territoire de deux Etats membres ou plus;
   14° étranger identifié : tout étranger
   - titulaire d'un document de voyage valable, d'un passeport valable ou d'une pièce d'identité valable, ou
   - qui a été reconnu comme ressortissant par l'autorité nationale de son pays, qui s'est déclarée prête à délivrer un laissez-passer, ou
   - qui relève de la catégorie de nationalités pour lesquelles le ministre peut lui-même délivrer un laissez-passer;]1

  [2 15° [7 ...]7]2
  [3 16° protection internationale : le statut de réfugié et le statut de protection subsidiaire;
   17° [6 SIS: le système d'information Schengen visé par [10 ...]10 le règlement (UE) 2018/1860 du Parlement européen et du Conseil du 28 novembre 2018 relatif à l'utilisation du système d'information Schengen aux fins du retour des ressortissants de pays tiers en séjour irrégulier et le règlement (UE) 2018/1861 du Parlement européen et du Conseil du 28 novembre 2018 sur l'établissement, le fonctionnement et l'utilisation du système d'information Schengen (SIS) dans le domaine des vérifications aux frontières, modifiant la convention d'application de l'accord de Schengen et modifiant et abrogeant le règlement (CE) n° 1987/2006;]6]3

  [4 18° Banque de données Nationale Générale : la banque de données policière visée à l'article 44/7, de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;]4
  [5 19° décision finale dans le cadre d'une demande de protection internationale : toute décision établissant si l'étranger se voit accorder le statut de réfugié ou le statut conféré par la protection subsidiaire et qui n'est plus susceptible d'un recours formé dans le cadre du Titre Ibis, que ce recours ait ou n'ait pas pour effet de permettre au demandeur de demeurer sur le territoire en attendant son aboutissement;
   20° demande ultérieure de protection internationale : toute demande ultérieure de protection internationale présentée après qu'une décision finale a été prise sur une demande précédente, en ce compris les décisions prises sur la base de l'article 57/6/5, § 1er, 1 °, 2 °, 3 °, 4 °, 5 °, 7 ° et 8 °;]5

  [7 21° "visa de transit aéroportuaire" : le visa qui est requis en vertu du Code des visa pour passer par la zone internationale de transit des aéroports situés sur le territoire et qui est délivré conformément audit Code;
   22° "visa de court séjour" : le visa qui est requis pour transiter ou pour séjourner sur le territoire pendant une durée maximale de nonante jours, en vertu du règlement (UE) 2018/1806 du Parlement européen et du Conseil du 14 novembre 2018 fixant la liste des pays tiers dont les ressortissants sont soumis à l'obligation de visa pour franchir les frontières extérieures des Etats membres et la liste de ceux dont les ressortissants sont exemptés de cette obligation, et qui est délivré conformément au Code des visas ;
   23° "visa de long séjour" : le visa qui, conformément à l'article 18, de la Convention de Schengen, est requis pour séjourner plus de nonante jours sur le territoire et qui permet à son titulaire d'attester qu'il a été autorisé ou admis à séjourner plus de nonante jours sur le territoire, conformément aux dispositions légales et réglementaires applicables ;
   24° "Code des visas" : le règlement (CE) n° 810/2009 du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 établissant un code communautaire des visas (code des visas);
   25° "Code frontières Schengen" : règlement (UE) 2016/399 du parlement européen et du conseil du 9 mars 2016 concernant un code de l'Union relatif au régime de franchissement des frontières par les personnes (code frontières Schengen);
   26° "Convention de Schengen" : la convention d'application de l'accord de Schengen du 14 juin 1985 entre les gouvernements des Etats de l'Union économique Benelux, de la République fédérale d'Allemagne et de la République française relatif à la suppression graduelle des contrôles aux frontières communes;]7

  [8 27° l'accord de coopération du 2 février 2018 : l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers;
   28° l'accord de coopération du 6 décembre 2018 : l'accord de coopération du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant exécution de l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers;
   29° autorité régionale compétente : l'autorité régionale ou communautaire qui, conformément aux décrets, ordonnances et arrêtés régionaux ou communautaires, a l'occupation des travailleurs étrangers dans ses attributions;]8

  [9 30° l'accord de retrait : l'accord sur le retrait du Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord de l'Union européenne et de la Communauté européenne de l'énergie atomique (2019/C 384 I/01) ;
   31° bénéficiaire de l'accord de retrait : la personne visée à l'article 10 de l'accord de retrait;]9

  [12 32° EES: le système d'entrée/de sortie prévu dans le règlement (UE) 2017/2226 du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2017 portant création d'un système d'entrée/de sortie (EES) pour enregistrer les données relatives aux entrées, aux sorties et aux refus d'entrée concernant les ressortissants de pays tiers qui franchissent les frontières extérieures des Etats membres et portant détermination des conditions d'accès à l'EES à des fins répressives, et modifiant la convention d'application de l'accord de Schengen et les règlements (CE) n° 767/2008 et (UE) n° 1077/2011 (ci-après: règlement (UE) 2017/2226)]12;
  [11 33° centre fermé: le lieu visé à l'article 74/8, §§ 1er et 2, géré par l'Office des Etrangers et destiné à l'accueil des étrangers qui font l'objet d'une mesure de maintien administratif;]11
  [11 34° lieu d'hébergement: le lieu visé à l'article 74/8, §§ 1er et 2, géré par l'Office des Etrangers, adapté aux besoins des familles avec enfants mineurs, qui peut être quitté dans les conditions déterminées par le Roi, et qui est destiné à l'accueil des familles avec enfants mineurs qui font l'objet d'une mesure de maintien administratif.]11
  [5 § 2. Le risque de fuite visé au paragraphe 1er, 11°, doit être actuel et réel. Il est établi au terme d'un examen individuel et sur la base d'un ou plusieurs critères objectifs suivants, en tenant compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas :
   1° l'intéressé n'a pas introduit de demande de séjour à la suite de son entrée illégale ou durant son séjour illégal ou n'a pas présenté sa demande de protection internationale dans le délai prévu par la présente loi;
   2° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux dans le cadre d'une procédure de protection internationale, de séjour, d'éloignement ou de refoulement ;
   3° l'intéressé ne collabore pas ou n'a pas collaboré dans ses rapports avec les autorités chargées de l'exécution et/ou de la surveillance du respect de la réglementation relative à l'accès au territoire, au séjour, à l'établissement et à l'éloignement des étrangers;
   4° l'intéressé a manifesté sa volonté de ne pas se conformer ou a déjà contrevenu à l'une des mesures suivantes :
   a) une mesure de transfert, de refoulement ou d'éloignement;
   b) une interdiction d'entrée ni levée ni suspendue;
   c) une mesure moins coercitive qu'une mesure privative de liberté visant à garantir son transfert, son refoulement ou son éloignement, qu'elle soit restrictive de liberté ou autre;
   d) une mesure restrictive de liberté visant à garantir l'ordre public ou la sécurité nationale;
   e) une mesure équivalente aux mesures visées aux a), b), c) ou d), prise par un autre Etat membre;
   5° l'intéressé fait l'objet d'une interdiction d'entrée dans le Royaume et/ou dans un autre Etat membre, ni levée ni suspendue;
   6° l'intéressé a introduit une nouvelle demande de séjour ou de protection internationale immédiatement après avoir fait l'objet d'une décision de refus d'entrée ou de séjour ou mettant fin à son séjour ou immédiatement après avoir fait l'objet d'une mesure de refoulement ou d'éloignement;
   7° alors qu'il a été interrogé sur ce point, l'intéressé a dissimulé avoir déjà donné ses empreintes digitales dans un autre Etat lié par la réglementation européenne relative à la détermination de l'Etat responsable de l'examen d'une demande de protection internationale à la suite de l'introduction d'une demande de protection internationale;
   8° l'intéressé a introduit plusieurs demandes de protection internationale et/ou de séjour, dans le Royaume ou dans un ou plusieurs autres Etats membres, qui ont donné lieu à une décision négative ou qui n'ont pas donné lieu à la délivrance d'un titre de séjour;
   9° alors qu'il a été interrogé sur ce point, l'intéressé a dissimulé avoir déjà introduit précédemment une demande de protection internationale dans un autre Etat lié par la réglementation européenne relative à la détermination de l'Etat responsable de l'examen d'une demande de protection internationale;
   10° l'intéressé a déclaré ou il ressort de son dossier qu'il est venu dans le Royaume à des fins autres que celles pour lesquelles il a introduit une demande de protection internationale ou de séjour;
   11° l'intéressé fait l'objet d'une amende pour avoir introduit un recours manifestement abusif auprès du Conseil du Contentieux des Etrangers.]5

  
HOOFDSTUK Ibis. [1 - Indiening van een verblijfsaanvraag.]1
CHAPITRE Ierbis. [1 - Introduction d'une demande de séjour.]1
Art. 1/1. [1 § 1. Op straffe van niet-ontvankelijkheid van de in paragraaf 2 bedoelde aanvraag voor machtiging of toelating tot het verblijf betaalt de vreemdeling een retributie die de administratieve kosten dekt.
   Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad stelt de Koning het bedrag van de retributie en de wijze waarop ze wordt geïnd vast.
   Elk jaar wordt het bedrag aangepast volgens de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen.
§ 2. De aanvragen voor machtiging en toelating tot het verblijf bedoeld in paragraaf 1 zijn de aanvragen die zijn ingediend op grond van:
   1° artikel 9, met uitzondering van de aanvragen ingediend door de begunstigden van de associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije getekend op 12 september 1963;
   2° artikel 9bis;
   3° artikel 10 met uitzondering van de aanvragen ingediend door de begunstigden van de associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije getekend op 12 september 1963 [10 , door de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, en door de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, voor zover de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam]1
0;]9;
   4° artikel 10bis met uitzondering van de aanvragen ingediend door de begunstigden van de associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije getekend op 12 september 1963 [2 ...]2;
   5° artikel 19, § 2, met uitzondering van de aanvragen ingediend door de begunstigden van de associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije getekend op 12 september 1963 en door de begunstigden van de status van vluchteling en hun gezinsleden;
   6° artikel 40ter met uitzondering van de aanvragen ingediend door de familieleden van een Belg die zijn recht op vrij verkeer, overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, heeft uitgeoefend;
   7°[7 artikel 60;]7;
   8° artikel 61/7;
   9° [8 artikel 61/12;]8
   10° [5 artikel 61/26]5;
  [4 11° artikel 61/25-1;]4
  [5 12° artikel 61/29-4;]5
  [6 13° artikel 61/34;
   14° artikel 61/45;]6

  [8 15° artikel 61/13/8;
   16° artikel 61/13/12;
   17° artikel 61/13/18;
   18° artikel 61/13/27.]8
]1
Art. 1er /1.[1 § 1er. Sous peine d'irrecevabilité de la demande d'autorisation ou d'admission au séjour visée au paragraphe 2, l'étranger s'acquitte d'une redevance couvrant les frais administratifs.
   Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le montant de la redevance ainsi que les modalités de sa perception.
   Chaque année, le montant est adapté en fonction de l'évolution de l'indice des prix à la consommation.
§ 2. Les demandes d'autorisation et d'admission au séjour visées au paragraphe 1er sont les demandes introduites sur la base de:
   1° l'article 9 à l'exception des demandes introduites par les bénéficiaires de l'accord créant une association entre la Communauté économique européenne et la Turquie signé le 12 septembre 1963;
   2° l'article 9bis;
   3° l'article 10 à l'exception des demandes introduites par les bénéficiaires de l'accord créant une association entre la Communauté économique européenne et la Turquie signé le 12 septembre 1963 [10 , par les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, et par les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 5°, pour autant que les liens familiaux existaient déjà avant l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume]1
0]9;
   4° l'article 10bis à l'exception des demandes introduites par les bénéficiaires de l'accord créant une association entre la Communauté économique européenne et la Turquie signé le 12 septembre 1963 [2 ...]2;
   5° l'article 19, § 2, à l'exception des demandes introduites par les bénéficiaires de l'accord créant une association entre la Communauté économique européenne et la Turquie signé le 12 septembre 1963 et par les bénéficiaires du statut de réfugié et les membres de leur famille;
   6° l'article 40ter à l'exception des demandes introduites par les membres de la famille d'un Belge qui a exercé [3 son droit à la libre circulation]3, conformément au Traité sur l'Union Européenne et au Traité sur le fonctionnement de l'Union Européenne;
   7° [7 l'article 60]7;
   8° l'article 61/7;
   9° [8 l'article 61/12;]8
   10° [5 l'article 61/26]5;
  [4 11° l'article 61/25-1;]4
  [5 12° l'article 61/29-4;
  [6 13° l'article 61/34;
   14° l'article 61/45;]6
]5

  [8 15° l'article 61/13/8;
   16° l'article 61/13/12;
   17° l'article 61/13/18;
   18° l'article 61/13/27.]8
]1
(NOTA : bij arrest nr. 18/2018 van 22-02-2018 (B.St. 23-03-2018, p. 28996), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 1/1, § 2 vernietigd, in zoverre het niet voorziet in een vrijstelling voor de aanvragen voor een verblijfsvergunning die uitgaan van erkende staatlozen ten aanzien van wie wordt vastgesteld dat zij hun nationaliteit buiten hun wil hebben verloren en die aantonen dat zij geen wettige en duurzame verblijfstitel kunnen verkrijgen in een andere Staat waarmee zij banden zouden hebben.)
  
(NOTE : par son arrêt n° 18/2018 du 22-02-2018 (M.B. 23-03-2018, p. 28996), la Cour constitutionnelle a annulé le § 2 du présent article, en ce qu'il ne prévoit pas d'exonération pour les demandes de permis de séjour introduites par des apatrides reconnus dont il est établi qu'ils ont perdu leur nationalité contre leur gré et qui démontrent qu'ils ne peuvent obtenir aucun titre de séjour légal et durable dans un autre Etat avec lequel ils auraient des liens.)
  
Art. 1/2. [1 § 1. De vreemdeling die een aanvraag indient teneinde gemachtigd of toegelaten te worden langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te verblijven, wordt op de hoogte gebracht van het feit dat zijn inspanningen tot integratie zullen worden gecontroleerd en ondertekent een verklaring waarbij hij te kennen geeft dat hij de fundamentele waarden en normen van de samenleving begrijpt en er naar zal handelen.
   Het eerste lid is niet van toepassing op verzoeken om internationale bescherming, op vreemdelingen die erkend zijn als vluchtelingen of die de subsidiaire bescherming genieten, op aanvragen om machtiging of toelating tot verblijf die zijn ingediend door een door de bevoegde Belgische autoriteiten als staatloze erkende vreemdeling of door de begunstigden van de associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije getekend op 12 september 1963 of op aanvragen die zijn ingediend op grond van:
   1°[8 ]8;artikel 10, § 1, eerste lid, 4° en 5
   2° [8 ...]8
   3° artikel 19, § 2, tweede lid;
   4° artikel 40;
   5° artikel 40bis;
   6° artikel 40ter voor zover het gaat over de familieleden van een Belg die zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend, overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ;
  [7 6° /1 artikel 57/37]7;
   7°[4 de artikelen 60 en 61/1/9]4;
   8° de artikelen 61/2 tot 61/4;
   9° artikel 61/7;
  [2 10° artikel 61/26;
   11° artikel 61/29-4;
   12° [5 artikel 10bis, §§ 4 tot 6;]5
  [3 13° artikel 61/34;
   14° artikel 61/45;]3

  [5 15° artikel 61/12;
   16° artikel 61/13/8;
   17° artikel 61/13/12;
   18° artikel 61/13/18;
   19° artikel 61/13/27;]5

  [6 20° artikel 47/5.]6
   De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het model van de in het eerste lid bedoelde verklaring waarvan de inhoud wordt bepaald door een samenwerkingsakkoord dat wordt gesloten met de Gemeenschappen met toepassing van artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
   De Koning voorziet in de vertaling van die verklaring in een taal die de vreemdeling begrijpt. Hij bepaalt de nadere regels van de ondertekening ervan.
   § 2. Op straffe van niet-ontvankelijkheid van de in § 1, eerste lid, bedoelde aanvraag, wordt de door de vreemdeling ondertekende verklaring overgezonden met zijn aanvraag.
   § 3. De in § 1, eerste lid bedoelde vreemdeling, levert binnen de eerste termijn van zijn voor een beperkte duur toegekend verblijf het bewijs dat hij bereid is zich in de samenleving te integreren.
   Binnen vier jaar vanaf het verstrijken van een termijn van een jaar na de toekenning van de machtiging tot beperkt of onbeperkt verblijf, of vanaf het verstrijken van een termijn van een jaar na de toelating tot het verblijf, kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan het verblijf indien hij ook vaststelt dat de vreemdeling bedoeld in § 1, eerste lid, geen redelijke inspanning tot integratie heeft geleverd. De minister of zijn gemachtigde kan zich daartoe door de vreemdeling alle nuttige inlichtingen en bewijzen doen voorleggen.
   De minister of zijn gemachtigde beoordeelt de inspanningen tot integratie van de vreemdeling in de samenleving, rekening houdend in het bijzonder met de volgende criteria:
   - een inburgeringscursus waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van zijn hoofdverblijfplaats volgen;
   - een activiteit uitoefenen als werknemer, als ambtenaar of als zelfstandige;
   - een diploma, getuigschrift of bewijs van inschrijving uitgereikt door een georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstelling voorleggen;
   - een door een bevoegde overheid erkende beroepsopleiding volgen;
   - kennis hebben van de taal van de plaats van inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister;
   - het strafrechtelijk verleden;
   - de actieve deelname aan verenigingsleven.
   Wanneer de minister of zijn gemachtigde overweegt een beslissing tot beëindiging van verblijf zoals bedoeld in het tweede lid te nemen, houdt hij rekening met de aard en de hechtheid van de familiebanden van de betrokkene, met de duur van zijn verblijf in het Rijk alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.
   § 4. De minderjarige vreemdeling, de in de artikelen 388, 491 en 492 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde personen en de ernstig zieken worden vrijgesteld van de in de paragrafen 1 tot 3 opgelegde verplichtingen.]1
Art. 1er /2.[1 § 1er. L'étranger qui introduit une demande afin d'être autorisé ou admis à séjourner dans le Royaume au-delà du terme fixé à l'article 6, est informé du fait que ses efforts d'intégration seront contrôlés et signe une déclaration par laquelle il indique comprendre les valeurs et les normes fondamentales de la société et qu'il agira en conformité avec celles-ci.
   L'alinéa 1er ne s'applique pas aux demandes de protection internationale aux étrangers reconnus réfugiés ou bénéficiaires de la protection subsidiaire, aux demandes d'autorisation ou d'admission au séjour introduites par un étranger reconnu apatride par les autorités belges compétentes ou par les bénéficiaires de l'accord créant une association entre la Communauté économique européenne et la Turquie signé le 12 septembre 1963 ou aux demandes introduites sur la base de :
   1° [8 l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° et 5°]8;
   2° [8 ...]8;
   3° l'article 19, § 2, alinéa 2;
   4° l'article 40;
   5° l'article 40bis;
   6° l'article 40ter pour autant qu'il s'agisse des membres de la famille d'un Belge qui a exercé son droit à la libre circulation, conformément au Traité sur l'Union européenne et au Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne;
  [7 article 57/37]7;
   7° [4 les articles 60 et 61/1/9]4;
   8° les articles 61/2 à 61/4;
   9° l'article 61/7;
  [2 10° l'article 61/26;
   11° l'article 61/29-4;
   12° [5 l'article 10bis, §§ 4 à 6;]5
  [3 13° l'article 61/34;
   14° l'article 61/45;]3

  [5 15° l'article 61/12;
   16° l'article 61/13/8;
   17° l'article 61/13/12;
   18° l'article 61/13/18;
   19° l'article 61/13/27;]5

  [6 20° l'article 47/5.]6
   Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le modèle de déclaration visée à l'alinéa 1er, et dont le contenu est défini dans un accord de coopération conclu avec les Communautés, en application de l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
   Le Roi prévoit la traduction de cette déclaration dans une langue que l'étranger comprend. Il fixe les modalités de signature de celle-ci.
   § 2. Sous peine d'irrecevabilité de la demande visée au § 1er, alinéa 1er, la déclaration signée par l'étranger est transmise avec sa demande.
   § 3. L'étranger visé au § 1er, alinéa 1er apporte dans le premier délai de son séjour accordé pour une durée limitée, la preuve qu'il est prêt à s'intégrer dans la société.
   Dans les quatre années à compter de l'expiration d'un délai d'un an après l'octroi de l'autorisation de son séjour limité ou illimité ou à compter de l'expiration d'un délai d'un an après l'admission au séjour, le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour s'il constate aussi que l'étranger visé au § 1er, alinéa 1er n'a pas fourni d'efforts raisonnables d'intégration. Le ministre ou son délégué peut, à cet effet, se faire communiquer par l'étranger tous les renseignements et preuves utiles.
   Le ministre ou son délégué apprécie les efforts d'intégration de l'étranger dans la société en tenant compte en particulier des critères suivants :
   - suivre un cours d'intégration prévu par l'autorité compétente de sa résidence principale;
   - exercer une activité en tant que travailleur salarié, fonctionnaire ou travailleur indépendant;
   - produire un diplôme, un certificat ou une preuve d'inscription, délivré par un établissement d'enseignement organisé, reconnu ou subventionné;
   - suivre une formation professionnelle reconnue par une autorité compétente;
   - connaître la langue du lieu de l'inscription au registre de la population ou au registre des étrangers;
   - le passé judiciaire;
   - la participation active à la vie associative.
   Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une décision de fin de séjour telle que visée à l'alinéa 2, il tient compte de la nature et de la solidité des liens familiaux de l'intéressé, de la durée de son séjour dans le Royaume ainsi que de l'existence d'attaches familiales, culturelles ou sociales avec son pays d'origine.
   § 4. Le mineur étranger, les personnes visées aux articles 388, 491 et 492 du Code civil et les personnes gravement malades sont dispensés des obligations imposées aux paragraphes 1er à 3.]1
(NOTA : bij arrest nr.126/2018 van 04-10-2018 (B.St. 22-10-2018, p. 80121), vernietigt het Grondwettelijk Hof de in artikel 1/2, § 3, derde lid, zesde streepje, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 18 december 2016, vervatte woorden « het strafrechtelijk verleden »)
(NOTE : par son arrêt n° 126/2018 du 04-10-2018 (M.B. 22-10-2018, p. 80121), la Cour constitutionnelle a annulé les mots « le passé judiciaire », contenus dans l'article 1/2, § 3, alinéa 3, sixième tiret, inséré par l'article 4 de la loi du 18 décembre 2016)
HOOFDSTUK Iter. [1 - Algemene bepalingen met betrekking tot de indiening van een verblijfsaanvraag en van een verzoek om internationale of tijdelijke bescherming.]1
CHAPITRE Ierter. [1 - Dispositions générales relatives à l'introduction d'une demande de séjour et d'une demande de protection internationale ou temporaire.]1
Art. 1/3. [1 De indiening van een verblijfsaanvraag of van een verzoek om internationale of tijdelijke bescherming door een vreemdeling die reeds het voorwerp is van een maatregel tot verwijdering of terugdrijving, tast het bestaan van deze maatregel niet aan.
   Indien de betrokkene overeenkomstig de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten voorlopig op het grondgebied mag blijven, in afwachting van een beslissing inzake deze verblijfsaanvraag of dit verzoek om internationale of tijdelijke bescherming, wordt de uitvoerbaarheid van de maatregel tot verwijdering of terugdrijving opgeschort.]1

  
Art. 1er /3. [1 L'introduction d'une demande de séjour ou d'une demande de protection internationale ou de protection temporaire par un étranger qui fait déjà l'objet d'une mesure d'éloignement ou de refoulement, ne modifie en rien l'existence de cette mesure.
   Si, conformément aux dispositions de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution, l'intéressé peut rester provisoirement sur le territoire dans l'attente d'une décision relative à cette demande de séjour ou cette demande de protection internationale ou de protection temporaire, le caractère exécutoire de la mesure d'éloignement ou de refoulement est suspendu.]1

  
HOOFDSTUK II. [1 - Toegang tot het grondgebied, kort verblijf en illegaal verblijf.]1
CHAPITRE II. [1 - Accès au territoire, court séjour et séjour illégal.]1
Art.2. <W 1996-07-15/33, art. 5, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996> Wordt toegelaten het Rijk binnen te komen de vreemdeling die houder is :
  1° hetzij van de documenten die vereist zijn krachtens een internationaal verdrag, een wet of een koninklijk besluit;
  2° hetzij van een geldig paspoort of van een daarmee gelijkgestelde reistitel, voorzien van een visum of van een visumverklaring, geldig voor België, aangebracht door een Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger of door een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt.
  De Minister of zijn gemachtigde kan een vreemdeling die geen enkele van de in het voorgaande lid bepaalde documenten bezit, toestaan België binnen te komen, zulks op grond van bij koninklijk besluit vastgestelde regelen.
Art.2. <L 1996-07-15/33, art. 5, 012; En vigueur : 16-12-1996> Est autorisé à entrer dans le Royaume, l'étranger porteur :
  1° soit des documents requis en vertu d'un traité international, d'une loi ou d'un arrêté royal;
  2° soit d'un passeport valable ou d'un titre de voyage en tenant lieu, revêtu d'un visa ou d'une autorisation tenant lieu de visa, valable pour la Belgique, apposé par un représentant diplomatique ou consulaire belge ou par celui d'un Etat partie à une convention internationale relative au franchissement des frontières extérieures, liant la Belgique.
  Le Ministre ou son délégué peut autoriser à pénétrer en Belgique l'étranger qui n'est porteur d'aucun des documents prévus par l'alinéa précédent, sur la base de modalités déterminées par arrêté royal.
Art. 2/1. [1 Er zijn verschillende soorten visa, met name in functie van het doel van de beoogde reis en de beoogde duur van het verblijf.
   Visa kort verblijf en luchthaventransitvisa worden overeenkomstig de Visumcode afgegeven.
   Visa lang verblijf worden afgegeven wanneer de vereiste machtiging tot verblijf of de toelating tot verblijf voor een verblijf van meer dan negentig dagen op het grondgebied, overeenkomstig de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen, werd toegekend.
   Onverminderd de relevante bepalingen van het Schengenacquis kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de regels met betrekking tot de afgifte van visa, met inbegrip van de regels met betrekking tot hun opheffing en nietigverklaring, preciseren.]1

  
Art. 2/1. [1 Il existe différents types de visas en fonction notamment de l'objet du voyage envisagé et de la durée envisagée du séjour.
   Des visas de court séjour et des visas de transit aéroportuaire sont délivrés conformément au Code des visas.
   Des visas de long séjour sont délivrés lorsque l'autorisation de séjour requise ou l'admission au séjour requise pour un séjour de plus de nonante jours sur le territoire a été accordée, conformément aux dispositions légales et réglementaires applicables.
   Sans préjudice des dispositions pertinentes de l'acquis de Schengen, le Roi peut préciser, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les règles relatives à la délivrance des visas, en ce compris celles relatives à leur abrogation et à leur annulation.]1

  
Art. 2/2. [1 § 1. De volgende autoriteiten hebben toegang tot het EES :
   1° de met de grenscontrole belaste overheden, voor het invoeren, wijzigen en verwijderen van gegevens, evenals voor het raadplegen met het oog op de doeleinden bedoeld in de artikelen 23, 24, 25 en 27 van de Verordening (EU) 2017/2226;
   2° de Dienst Vreemdelingenzaken, voor het invoeren, wijzigen en verwijderen van gegevens, evenals voor het raadplegen met het oog op de doeleinden bedoeld in de artikelen 24, 25, 26 en 27 van deze Verordening;
   3° de Belgische diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen, voor het raadplegen met het oog op de doeleinden bedoeld in de artikelen 24 en 25 van deze Verordening;
   4° de politiediensten zoals bedoeld in artikel 2, 2°, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, voor het raadplegen met het oog op de doeleinden bedoeld in de artikelen 26, 27 en 29 van deze Verordening.
   Voor zover deze of andere dan de in het eerste lid bedoelde autoriteiten beschouwd kunnen worden als grensautoriteiten, visumautoriteiten of immigratieautoriteiten in de zin van artikel 9 van de Verordening (EU) 2017/2226 of als autoriteiten bevoegd om terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten te voorkomen, op te sporen en te onderzoeken in de zin van artikel 29 van deze Verordening, kan de Koning deze eveneens machtigen om het EES te raadplegen of de doeleinden van deze raadpleging uitbreiden.
   De in het eerste en het tweede lid bedoelde autoriteiten bepalen welke van hun personeelsleden toegang hebben voor welke van de vermelde doeleinden. Deze personeelsleden hebben enkel toegang tot de persoonsgegevens die zij dienen te kennen naar gelang van de dienst waartoe zij behoren en van hun takenpakket.
   § 2. De geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, is het centraal toegangspunt, bedoeld in artikel 29, lid 3, van Verordening (EU) 2017/2226.
   § 3. Voor de verwerkingen van gegevens opgeslagen in het EES, bedoeld in § 1, eerste lid, 1° en 4°, is de minister van Binnenlandse Zaken de verwerkingsverantwoordelijke.
   Voor de verwerkingen van gegevens opgeslagen in het EES, uitgevoerd door andere autoriteiten dan deze bedoeld in § 1, eerste lid, 1° en 4°, is de minister onder wiens bevoegdheden de desbetreffende autoriteit handelt de verwerkingsverantwoordelijke.
   De in deze paragraaf bedoelde ministers kunnen zich als verwerkingsverantwoordelijke laten vertegenwoordigen door hun respectieve administratie. De contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijken worden gepubliceerd overeenkomstig de nadere regels bepaald door de Koning.]1

  
Art. 2/2. [1 § 1er. Les autorités suivantes ont accès à l'EES :
   1° les autorités chargées du contrôle aux frontières, aux fins d'introduction, de modification et d'effacement des données ainsi que de consultation pour les finalités visées aux articles 23, 24, 25 et 27 du règlement (UE) 2017/2226;
   2° l'Office des étrangers, aux fins d'introduction, de modification et d'effacement des données ainsi que de consultation pour les finalités visées aux articles 24, 25, 26 et 27 de ce règlement;
   3° les représentations diplomatiques et consulaires belges, aux fins de consultation pour les finalités visées aux articles 24 et 25 de ce règlement;
   4° les services de police tels que visés à l'article 2, 2°, de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, aux fins de consultation pour les finalités visées aux articles 26, 27 et 29 de ce règlement.
   Dans la mesure où ces autorités ou d'autres autorités que celles visées à l'alinéa 1er peuvent être considérées comme des autorités frontalières, des autorités chargées des visas ou des autorités chargées de l'immigration au sens de l'article 9 du règlement (UE) 2017/2226 ou comme des autorités compétentes pour la prévention et la détection des infractions terroristes et des autres infractions pénales graves, et pour les enquêtes en la matière, au sens de l'article 29 de ce règlement, le Roi peut également les habiliter à consulter l'EES ou étendre les finalités de cette consultation.
   Les autorités visées aux alinéas 1er et 2 déterminent quels membres de leur personnel ont accès au système et pour quelles finalités parmi celles mentionnées. Ces membres du personnel ont uniquement accès aux données à caractère personnel qu'ils doivent connaître en fonction du service dont ils font partie et de leurs tâches.
   § 2. La police intégrée, structurée à deux niveaux, est le point d'accès central visé à l'article 29, paragraphe 3, du règlement (UE) 2017/2226.
   § 3. Pour les traitements de données stockées dans l'EES, visés au § 1er, alinéa 1er, 1° et 4°, le ministre de l'Intérieur est le responsable du traitement.
   Pour les traitements de données stockées dans l'EES, effectués par d'autres autorités que celles visées au § 1er, alinéa 1er, 1° et 4°, le responsable du traitement est le ministre sous la compétence duquel l'autorité concernée est placée.
   Les ministres visés dans ce paragraphe peuvent se faire représenter en tant que responsable du traitement par leurs administrations respectives. Les coordonnées des responsables du traitement sont publiées conformément aux modalités définies par le Roi.]1

  
Art.3. [1 Behoudens de in een internationaal verdrag of in de wet bepaalde afwijkingen, kan de toegang worden geweigerd aan de vreemdeling die zich in een van de volgende gevallen bevindt :
   1° wanneer hij aangetroffen wordt in de luchthaventransitzone zonder in het bezit te zijn van de bij artikel 2 vereiste documenten;
   2° wanneer hij het Rijk poogt binnen te komen zonder in het bezit te zijn van de bij artikel 2 vereiste documenten;
   3° wanneer hij, zo nodig, geen documenten kan overleggen ter staving van het doel en de verblijfsomstandigheden van het voorgenomen verblijf;
   4° wanneer hij niet over voldoende middelen van bestaan beschikt, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van oorsprong of voor de doorreis naar een derde Staat waar zijn toelating is gewaarborgd, en hij niet in staat is die middelen wettelijk te verwerven;
   5° wanneer hij ter fine van weigering van toegang [2 en verblijf gesignaleerd staat in het SIS]2 of in de Algemene Nationale Gegevensbank;
   6° wanneer hij geacht wordt de internationale betrekkingen van België of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, te kunnen schaden;
   7° wanneer hij geacht wordt de openbare rust, de openbare orde [3 , de nationale veiligheid of de volksgezondheid]3 te kunnen schaden;
   8° wanneer hij sedert minder dan tien jaar uit het Rijk werd teruggewezen of uitgezet, zo de maatregel niet werd opgeschort of ingetrokken;
   9° wanneer hij het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod dat noch opgeschort noch opgeheven is;
   10° wanneer hij lijdt aan een van de ziekten opgesomd in de bijlage bij deze wet;
   De beslissing wordt genomen door de minister of, behalve in het geval bedoeld in het eerste lid, 6°, door zijn gemachtigde. In de in het eerste lid, 1° of 2°, bedoelde gevallen, kunnen de met de grenscontrole belaste overheden de beslissing zelf nemen.
   Wanneer overwogen wordt om de toegang te weigeren aan een vreemdeling die in het bezit is van een geldig visum, beslist de bevoegde overheid eveneens of het visum moet worden nietig verklaard of ingetrokken.
   De met de grenscontrole belaste overheden drijven de vreemdeling aan wie de toegang geweigerd wordt terug en, in voorkomend geval, verklaren zij het visum nietig of trekken zij het in.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden en regels voor de toepassing van dit artikel vaststellen.]1

  
Art.3. [1 Sauf dérogations prévues par un traité international ou par la loi, l'entrée peut être refusée à l'étranger qui se trouve dans l'un des cas suivants :
   1° s'il est appréhendé dans la zone de transit aéroportuaire sans être porteur des documents requis par l'article 2;
   2° s'il tente de pénétrer dans le Royaume sans être porteur des documents requis par l'article 2;
   3° s'il ne peut pas présenter, le cas échéant, les documents justifiant l'objet et les conditions du séjour envisagé;
   4° s'il ne dispose pas des moyens de subsistance suffisants, tant pour la durée du séjour envisagé que pour le retour dans le pays de provenance ou le transit vers un Etat tiers dans lequel son admission est garantie, et n'est pas en mesure d'acquérir légalement ces moyens;
   5° s'il est signalé aux fins de non-admission [2 et d'interdiction de séjour dans le SIS]2 ou dans la Banque de données Nationale Générale;
   6° s'il est considéré comme pouvant compromettre les relations internationales de la Belgique ou d'un Etat partie à une convention internationale relative au franchissement des frontières extérieures, liant la Belgique;
   7° s'il est considéré comme pouvant compromettre la tranquillité publique, l'ordre public [3 , la sécurité nationale ou la santé publique]3;
   8° s'il a été renvoyé ou expulsé du Royaume depuis moins de dix ans, lorsque la mesure n'a pas été suspendue ou rapportée;
   9° s'il fait l'objet d'une interdiction d'entrée ni levée ni suspendue;
   10° s'il est atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi;
   La décision est prise par le ministre ou, sauf dans le cas visé à l'alinéa 1er, 6°, par son délégué. Les autorités chargées du contrôle aux frontières peuvent prendre la décision elles-mêmes dans les cas visés à l'alinéa 1er, 1° ou 2°.
   Lorsqu'il est envisagé de refuser l'entrée à un étranger qui est porteur d'un visa valable, l'autorité compétente décide également s'il y a lieu de l'annuler ou de l'abroger.
   Les autorités chargées du contrôle aux frontières refoulent l'étranger auquel l'entrée est refusée et, le cas échéant, annulent ou abrogent le visa.
   Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, préciser les conditions et les modalités d'application du présent article.]1

  
Art. 3 TOEKOMSTIG RECHT. 1 Behoudens de in een internationaal verdrag of in de wet bepaalde afwijkingen, kan de toegang worden geweigerd aan de vreemdeling die zich in een van de volgende gevallen bevindt :
   1° wanneer hij aangetroffen wordt in de luchthaventransitzone zonder in het bezit te zijn van de bij artikel 2 vereiste documenten;
   2° wanneer hij het Rijk poogt binnen te komen zonder in het bezit te zijn van de bij artikel 2 vereiste documenten;
   3° wanneer hij, zo nodig, geen documenten kan overleggen ter staving van het doel en de verblijfsomstandigheden van het voorgenomen verblijf;
   4° wanneer hij niet over voldoende middelen van bestaan beschikt, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van oorsprong of voor de doorreis naar een derde Staat waar zijn toelating is gewaarborgd, en hij niet in staat is die middelen wettelijk te verwerven;
   5° wanneer hij ter fine van weigering van toegang [2 en verblijf gesignaleerd staat in het SIS]2 of in de Algemene Nationale Gegevensbank;
   6° wanneer hij geacht wordt de internationale betrekkingen van België of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, te kunnen schaden;
   7° wanneer hij geacht wordt de openbare rust, de openbare orde [3 , de nationale veiligheid of de volksgezondheid]3 te kunnen schaden;
   8° wanneer hij sedert minder dan tien jaar uit het Rijk werd teruggewezen of uitgezet, zo de maatregel niet werd opgeschort of ingetrokken;
   9° wanneer hij het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod dat noch opgeschort noch opgeheven is;
   10° wanneer hij lijdt aan een van de ziekten opgesomd in de bijlage bij deze wet;
  [4 11° wanneer hij weigert biometrische gegevens te verstrekken indien die nodig zijn voor het aanmaken van het persoonlijk dossier in het EES of voor het verrichten van de grenscontroles.]4
   De beslissing wordt genomen door de minister of, behalve in het geval bedoeld in het eerste lid, 6°, door zijn gemachtigde. In de in het eerste lid, 1° of 2°, bedoelde gevallen, kunnen de met de grenscontrole belaste overheden de beslissing zelf nemen.
   Wanneer overwogen wordt om de toegang te weigeren aan een vreemdeling die in het bezit is van een geldig visum, beslist de bevoegde overheid eveneens of het visum moet worden nietig verklaard of ingetrokken.
  [4 Wanneer beslist wordt om de toegang te weigeren aan een vreemdeling die onder het toepassingsgebied van het EES valt, maken de met de grenscontrole belaste overheden een notitie van weigering van toegang aan in het EES, conform artikel 18 van Verordening (EU) 2017/2226. Indien voor deze vreemdeling niet eerder een dossier in het EES is geregistreerd, leggen de met de grenscontrole belaste overheden tevens een persoonlijk dossier in het EES aan voor deze vreemdeling.]4
   De met de grenscontrole belaste overheden drijven de vreemdeling aan wie de toegang geweigerd wordt terug en, in voorkomend geval, verklaren zij het visum nietig of trekken zij het in.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden en regels voor de toepassing van dit artikel vaststellen.]1  
Art. 3 DROIT FUTUR. 1 Sauf dérogations prévues par un traité international ou par la loi, l'entrée peut être refusée à l'étranger qui se trouve dans l'un des cas suivants :
   1° s'il est appréhendé dans la zone de transit aéroportuaire sans être porteur des documents requis par l'article 2;
   2° s'il tente de pénétrer dans le Royaume sans être porteur des documents requis par l'article 2;
   3° s'il ne peut pas présenter, le cas échéant, les documents justifiant l'objet et les conditions du séjour envisagé;
   4° s'il ne dispose pas des moyens de subsistance suffisants, tant pour la durée du séjour envisagé que pour le retour dans le pays de provenance ou le transit vers un Etat tiers dans lequel son admission est garantie, et n'est pas en mesure d'acquérir légalement ces moyens;
   5° s'il est signalé aux fins de non-admission [2 et d'interdiction de séjour dans le SIS]2 ou dans la Banque de données Nationale Générale;
   6° s'il est considéré comme pouvant compromettre les relations internationales de la Belgique ou d'un Etat partie à une convention internationale relative au franchissement des frontières extérieures, liant la Belgique;
   7° s'il est considéré comme pouvant compromettre la tranquillité publique, l'ordre public [3 , la sécurité nationale ou la santé publique]3;
   8° s'il a été renvoyé ou expulsé du Royaume depuis moins de dix ans, lorsque la mesure n'a pas été suspendue ou rapportée;
   9° s'il fait l'objet d'une interdiction d'entrée ni levée ni suspendue;
   10° s'il est atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi;
  [4 11° lorsqu'il refuse de fournir des données biométriques si celles-ci sont nécessaires pour créer le dossier individuel dans l'EES ou pour procéder aux vérifications aux frontières.]4
   La décision est prise par le ministre ou, sauf dans le cas visé à l'alinéa 1er, 6°, par son délégué. Les autorités chargées du contrôle aux frontières peuvent prendre la décision elles-mêmes dans les cas visés à l'alinéa 1er, 1° ou 2°.
   Lorsqu'il est envisagé de refuser l'entrée à un étranger qui est porteur d'un visa valable, l'autorité compétente décide également s'il y a lieu de l'annuler ou de l'abroger.
  [4 Lorsqu'il est décidé de refuser l'entrée à un étranger qui relève du champ d'application de l'EES, les autorités chargées du contrôle aux frontières créent une fiche de refus d'entrée dans l'EES conformément à l'article 18 du règlement (UE) 2017/2226. Si aucun dossier antérieur n'a été enregistré dans l'EES pour cet étranger, les autorités chargées du contrôle aux frontières créent également un dossier individuel dans l'EES pour celui-ci.]4
   Les autorités chargées du contrôle aux frontières refoulent l'étranger auquel l'entrée est refusée et, le cas échéant, annulent ou abrogent le visa.
   Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, préciser les conditions et les modalités d'application du présent article.]1  
Art. 3bis. <INGEVOEGD bij W 1996-07-15/33, art. 7, Inwerkingtreding : 17-01-1997> Onverminderd andere bepalingen van deze wet, kan het bewijs van voldoende middelen van bestaan worden geleverd door het overleggen van een attest van tenlasteneming, waarin een natuurlijke persoon die over voldoende middelen beschikt en die de Belgische nationaliteit bezit of die gemachtigd of toegelaten is om voor onbepaalde duur in België te verblijven, zich gedurende een termijn van twee jaar ten opzichte van de vreemdeling, de Belgische Staat en elk bevoegd openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, ertoe verbindt de kosten van gezondheidszorgen, verblijf en repatriëring van de vreemdeling te zijnen laste te nemen.
  De persoon die de verbintenis tot tenlasteneming ondertekend heeft, is samen met de vreemdeling hoofdelijk aansprakelijk voor het betalen van diens kosten van gezondheidszorgen, verblijf en repatriëring.
  De burgemeester, of zijn gemachtigde, van de gemeente waar de persoon die de verbintenis tot tenlasteneming ondertekend heeft, is ingeschreven in het bevolkingsregister of vreemdelingenregister, is ertoe gehouden de handtekening onder de verbintenis tot tenlasteneming te legaliseren, indien de voorwaarden tot het bekrachtigen van de handtekening vervuld zijn.
  De burgemeester of zijn gemachtigde kan in een advies gericht aan de Minister of zijn gemachtigde aangeven of de persoon die de verbintenis tot tenlasteneming ondertekend heeft, over voldoende middelen beschikt. Dit advies is niet bindend.
  [1 De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de regels die op de verbintenis tot tenlasteneming van toepassing zijn bepalen of aanvullen, namelijk :
   1° de nadere regels voor de terugvordering van de bedragen ten laste van de persoon die de verbintenis heeft aangegaan;
   2° de voorwaarden die de persoon die een verbintenis tot tenlasteneming aangaat moet vervullen en de wijze waarop het bewijs van het vervullen van deze voorwaarden wordt geleverd;
   3° de gevallen waarin de persoon die de verbintenis tot tenlasteneming heeft aangegaan, vervroegd van zijn verantwoordelijkheid wordt ontlast;
   4° de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de geldigheid van de verbintenis tot tenlasteneming afhankelijk is van de verplichting om een geldsom te storten in de Deposito- en consignatiekas of om een bankwaarborg te geven.]1

  [1 ...]1
  
Art. 3bis. Sans préjudice d'autres dispositions de la présente loi, la preuve des moyens de subsistance suffisants peut être apportée par la production d'une attestation de prise en charge, dans laquelle une personne physique qui dispose de ressources suffisantes et qui possède la nationalité belge ou qui est autorisée ou admise à séjourner en Belgique pour une durée illimitée, s'engage à l'égard de l'étranger, de l'Etat belge et de tout centre public d'aide sociale compétent, à prendre en charge pendant un délai de deux ans les soins de santé, les frais de séjour et de rapatriement de l'étranger.
  La personne qui a signé l'engagement de prise en charge est, avec l'étranger, solidairement responsable du paiement des frais de soins de santé, de séjour et de rapatriement de ce dernier.
  Le bourgmestre de la commune dans le registre de la population ou des étrangers de laquelle la personne qui a signé l'engagement de prise en charge est inscrite, ou son délégué, est tenu de légaliser la signature apposée au bas de l'engagement de prise en charge, si les conditions de l'authentification de la signature sont remplies.
  Le bourgmestre ou son délégué peut indiquer, dans un avis adressé au Ministre ou à son délégué, si la personne qui a signé l'engagement de prise en charge dispose de ressources suffisantes. Cet avis n'est pas contraignant.
  [1 Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, peut préciser ou compléter les règles applicables à l'engagement de prise en charge dont notamment :
   1° les modalités de la récupération des sommes à charge de la personne qui a souscrit l'engagement;
   2° les conditions que doit remplir la personne qui souscrit l'engagement de prise en charge et les modalités de preuve de ces conditions;
   3° les cas dans lesquels la personne qui a souscrit l'engagement de prise en charge est déchargée de sa responsabilité anticipativement;
   4° les cas dans lesquels et les conditions auxquelles la validité de l'engagement de prise en charge est subordonnée à l'obligation de verser une somme auprès de la Caisse des dépôts et consignations ou de fournir une garantie bancaire.]1

  [1 ...]1
  
Art.4. De beslissing tot terugdrijving (...), vermeldt de bepaling van artikel 3 die werd toegepast. <W 1996-07-15/33, art. 8, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
Art.4. La décision de refoulement (...) indique la disposition de l'article 3 qui est appliquée. <L 1996-07-15/33, art. 8, 012; En vigueur : 1996-12-16>
Art. 4bis. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/49, art. 3, Inwerkingtreding : 01-06-2008> § 1. Aan de buitengrenzen in de zin van de internationale overeenkomsten betreffende de overschrijding van de buitengrenzen die België binden of van de Europese regelgeving, dient het binnenkomen en het verlaten van het Rijk plaats te grijpen via een toegelaten doorlaatpost, dit gedurende de vastgestelde openingstijden, zoals aangegeven bij deze doorlaatposten.
  § 2. De vreemdeling is verplicht om zowel bij het binnenkomen als bij het verlaten van het Rijk uit eigen beweging zijn reisdocumenten te tonen.
  § 3. Een administratieve geldboete van 200 euro kan door de minister of zijn gemachtigde worden opgelegd aan de vreemdeling die de verplichting bedoeld in § 1 niet naleeft.
  Indien de schending, van de verplichting, bedoeld in § 1, te wijten is aan een nalatigheid van de vervoerder, is deze hoofdelijk aansprakelijk met de vreemdeling voor het betalen van de opgelegde boete.
  De beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd is onmiddellijk uitvoerbaar, niettegenstaande hoger beroep.
  De rechtspersoon is burgerlijk aansprakelijk voor het betalen van de administratieve geldboete die aan zijn bestuurders, zijn leden van het leidinggevend en uitvoerend personeel, zijn aangestelden of lasthebbers wordt opgelegd.
  De administratieve geldboete kan betaald worden door middel van de consignatie van het verschuldigde bedrag bij de Deposito- en Consignatiekas.
  § 4. De vreemdeling of vervoerder die de beslissing van de minister of van diens gemachtigde betwist, stelt binnen een termijn van één maand te rekenen van de kennisgeving van de beslissing, bij wege van een verzoekschrift, beroep in bij de rechtbank van eerste aanleg.
  Indien de rechtbank van eerste aanleg het beroep ontvankelijk en gegrond verklaart, wordt de betaalde of in consignatie gegeven som teruggegeven.
  De rechtbank van eerste aanleg moet uitspraak doen binnen een maand te rekenen van de indiening van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift.
  De tekst van het eerste lid wordt opgenomen in de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd.
  § 5. Indien de vreemdeling of vervoerder in gebreke blijft de geldboete te betalen, wordt de beslissing van de bevoegde ambtenaar of de in kracht van gewijsde gegane beslissing van de rechtbank van eerste aanleg ter kennis gebracht van de administratie van het Kadaster, Registratie en Domeinen, met het oog op de invordering van het bedrag van de administratieve geldboete.
  § 6. Indien de vreemdeling of de vervoerder of diens vertegenwoordiger de som van de administratieve geldboete heeft geconsigneerd bij de Deposito- en Consignatiekas en indien hij binnen de hierboven vermelde termijn geen beroep heeft ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg, komt de in consignatie gegeven som ten goede aan de Staat.
Art. 4bis. § 1er. Aux frontières extérieures au sens des conventions internationales relatives au franchissement des frontières extérieures liant la Belgique, ou de la réglementation européenne, l'entrée et la sortie du Royaume doivent avoir lieu par un point de passage autorisé, pendant les heures d'ouvertures fixées, telles qu'indiquées par ces points de passage autorisés.
  § 2. L'étranger est tenu de présenter spontanément ses documents de voyage tant à l'entrée qu'à la sortie du Royaume.
  § 3. Le ministre ou son délégué peut infliger une amende administrative de 200 euros à l'étranger qui ne respecte pas l'obligation prévue au § 1er.
  Si la violation de l'obligation visée au § 1er est due à une négligence du transporteur, celui-ci est solidairement tenu avec l'étranger de payer l'amende infligée.
  La décision imposant l'amende administrative est exécutable immédiatement, nonobstant tout recours.
  La personne morale est civilement responsable du paiement de l'amende administrative imposée à ses dirigeants, à ses membres de la direction et à son personnel exécutif, à ses préposés ou à ses mandataires.
  L'amende administrative peut être payée au moyen de la consignation du montant dû à la Caisse des Dépôts et Consignations.
  § 4. L'étranger ou le transporteur qui conteste la décision du ministre ou de son délégué, introduit dans un délai d'un mois à compter de la notification de la décision, un recours auprès du tribunal de première instance, par une requête.
  Si le tribunal de première instance déclare le recours recevable et fondé, la somme payée ou consignée est remboursée.
  Le tribunal de première instance doit statuer dans un délai d'un mois à compter de l'introduction de la demande écrite visée à l'alinéa 1er.
  Le texte de l'alinéa 1er est repris dans la décision imposant l'amende administrative.
  § 5. Si l'étranger ou le transporteur reste en défaut de paiement de l'amende, la décision de l'agent compétent ou la décision passée en force de chose jugée du tribunal de première instance est portée à la connaissance de l'administration du Cadastre, de l'Enregistrement et des Domaines, en vue du recouvrement du montant de l'amende administrative.
  § 6. Si l'étranger, le transporteur ou son représentant a consigné la somme de l'amende administrative à la Caisse des Dépôts et Consignations et s'il n'a pas introduit de recours auprès du tribunal de première instance dans le délai précité, la consignation donnée revient à l'Etat.
Art.5. De vreemdeling die niet logeert in een logementenhuis dat onderworpen is aan de wetgeving betreffende de controle der reizigers, moet zich, binnen (drie werkdagen) nadat hij het Rijk is binnengekomen, laten inschrijven bij het gemeentebestuur van de plaats waar hij logeert, tenzij hij behoort tot een der categorieыn van vreemdelingen die de Koning van deze verplichting heeft vrijgesteld.
Inwerkingtreding : 16-12-1996> De Koning bepaalt de wijze van inschrijving en het model van het attest dat bij de inschrijving wordt afgegeven en daarvan bewijs levert.  Art. 5 TOEKOMSTIG RECHT.1 § 1. De onderdaan van een derde land die naar België komt voor een verblijf van ten hoogste negentig dagen en die niet logeert in een logementenhuis dat onderworpen is aan de wetgeving betreffende de controle der reizigers, meldt binnen drie werkdagen na binnenkomst in het Rijk zijn verblijfsadres, ofwel via elektronische weg aan de Dienst Vreemdelingenzaken ofwel persoonlijk bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats. De Koning kan bepaalde categorieën van vreemdelingen vrijstellen van deze verplichting.
   De onderdaan van een derde land bedoeld in het eerste lid, die in het bezit is van een verblijfsvergunning of een visum lang verblijf afgeleverd door een andere lidstaat, meldt binnen de drie werkdagen na binnenkomst in het Rijk zijn verblijfsadres persoonlijk bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats.
   De Koning bepaalt de wijze van melding aan de Dienst Vreemdelingenzaken, evenals de wijze van melding bij het gemeentebestuur en het model van het attest dat daarvan bewijs levert. Wanneer het gemeentebestuur een dergelijk attest ten bewijze van de melding aflevert aan de vreemdeling deelt het de hierin opgenomen persoonsgegevens mee aan de Dienst Vreemdelingenzaken.
   § 2. De Dienst Vreemdelingenzaken kan de persoonsgegevens die verkregen worden overeenkomstig paragraaf 1 verwerken voor de doeleinden vermeld in artikel 2/2, § 1, eerste lid, 2°, en met name met het oog op de toepassing van artikel 7.
   De administratieve bewaartermijn van deze gegevens door de Dienst Vreemdelingenzaken of door de gemeente bedraagt vijf jaar. Hun definitieve bestemming wordt bepaald overeenkomstig artikel 5 van de archiefwet van 24 juni 1955.]1  
Art.5. L'étranger qui ne loge pas dans une maison d'hébergement soumise à la législation relative au contrôle des voyageurs est tenu de se faire inscrire à l'administration communale du lieu où il loge, dans les (trois jours ouvrables) de son entrée dans le Royaume, à moins qu'il n'appartienne à l'une des catégories d'étrangers que le Roi a dispensées de cette obligation. En vigueur : 1996-12-16>   Le Roi détermine le mode d'inscription et le modèle de l'attestation délivrée au moment de l'inscription et faisant foi de celle-ci.  Art. 5 DROIT FUTUR.1 § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui vient en Belgique pour un séjour n'excédant pas nonante jours et qui ne loge pas dans une maison d'hébergement soumise à la législation relative au contrôle des voyageurs communique son adresse de résidence dans les trois jours ouvrables de son entrée dans le Royaume, soit par voie électronique à l'Office des étrangers, soit en personne auprès de l'administration communale de son lieu de résidence. Le Roi peut dispenser certaines catégories d'étrangers de cette obligation.
   Le ressortissant d'un pays tiers visé à l'alinéa 1er, qui possède un titre de séjour ou un visa de longue durée délivré par un autre Etat membre, communique son adresse de résidence en personne auprès de l'administration communale de son lieu de résidence dans les trois jours ouvrables de son entrée dans le Royaume.
   Le Roi détermine les modalités de notification à l'Office des étrangers, ainsi que les modalités de notification auprès de l'administration communale et le modèle de l'attestation faisant foi de celle-ci. Quand l'administration communale délivre à l'étranger une telle attestation comme preuve de la notification, elle communique les données à caractère personnel qui y sont contenues à l'Office des étrangers.
   § 2. L'Office des étrangers peut traiter les données à caractère personnel obtenues conformément au paragraphe 1er pour les finalités mentionnées dans l'article 2/2, § 1er, alinéa 1er, 2°, et notamment en vue de l'application de l'article 7.
   La durée de conservation administrative de ces données par l'Office des étrangers ou par la commune est de cinq ans. Leur destination finale est déterminée conformément à l'article 5 de la loi du 24 juin 1955 relative aux archives.]1  
Art.6. [1 Behoudens de in een internationaal verdrag, in de wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, mag de vreemdeling die legaal het Rijk is binnengekomen, niet langer dan negentig dagen in het Rijk verblijven, tenzij het visum of de visumverklaring dat of die in zijn paspoort of in een daarmee gelijkgestelde reistitel werd aangebracht, een andere duur bepaalt.
   Wordt beschouwd als een persoon die meer dan negentig dagen in het Rijk verblijft, de vreemdeling die meer dan negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen op het grondgebied van de Staten die partij zijn bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen die België bindt, verblijft, waarbij voor iedere dag van het verblijf de honderdtachtig voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen.
   Voor de toepassing van het tweede lid geldt de inreisdatum als de eerste dag van verblijf op het grondgebied van de overeenkomstsluitende Staten en de uitreisdatum als de laatste dag van verblijf op het grondgebied van de overeenkomstsluitende Staten. Perioden van verblijf die zijn toegestaan op grond van een verblijfsvergunning of een visum voor lang verblijf worden bij de berekening van de verblijfsduur op het grondgebied van de overeenkomstsluitende Staten niet in aanmerking genomen.]1

  
Art.6. [1 Sauf dérogations prévues par un traité international, par la loi ou par un arrêté royal, l'étranger qui est entré régulièrement dans le Royaume ne peut y séjourner plus de nonante jours, à moins que le visa ou l'autorisation tenant lieu de visa, apposé sur son passeport ou sur le titre de voyage en tenant lieu, ne fixe une autre durée.
   Est considéré comme séjournant plus de nonante jours dans le Royaume, l'étranger qui séjourne plus de nonante jours sur toute période de cent-quatre-vingt jours, ce qui implique d'examiner la période de cent-quatre-vingt jours précédant chaque jour de séjour, sur le territoire des Etats parties à une convention internationale relative au franchissement des frontières extérieures, liant la Belgique.
   Pour l'application de l'alinéa 2, la date d'entrée est considérée comme le premier jour de séjour sur le territoire des Etats contractants et la date de sortie est considérée comme le dernier jour de séjour sur le territoire des Etats contractants. Les périodes de séjour autorisées sur base d'un titre de séjour ou d'un visa de long séjour ne sont pas prises en considération pour le calcul de la durée du séjour sur le territoire des Etats contractants.]1

  
Art. 6/1 TOEKOMSTIG RECHT. 1 § 1. Een in het Rijk aanwezige vreemdeling, die onder het toepassingsgebied van het EES valt en voor wie geen persoonlijk dossier in het EES is aangemaakt of van wie geen meest recente relevante inreis-uitreisnotitie voorhanden is, wordt vermoed niet of niet langer te voldoen aan de voorwaarden met betrekking tot de duur van het toegestane verblijf in het Rijk, tenzij de vreemdeling het tegendeel bewijst.
   De vreemdeling kan een aanvraag tot weerleggen van dit vermoeden indienen via het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats. De minister of zijn gemachtigde beslist over deze aanvraag overeenkomstig artikel 12 van de Schengengrenscode. De Koning bepaalt het model van het attest dat uitgereikt wordt als bewijs van de weerlegging van dit vermoeden.]1
  [2 § 2. In bijzondere omstandigheden kan de vreemdeling die vrijgesteld is van de visumplicht in het geval bedoeld in artikel 14, lid 8, van de Verordening (EU) 2017/2226 verzoeken om een persoonlijk dossier in het EES aan te leggen en de inreis-uitreisnotitie te maken. Deze vreemdeling dient de aanvraag in bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats en voor het einde van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning. De minister of zijn gemachtigde beslist en handelt overeenkomstig dit artikel 14, lid 8, van de Verordening (EU) 2017/2226. De Koning bepaalt het model van het attest dat in voorkomend geval uitgereikt wordt.]2  
Art. 6/1 DROIT FUTUR 1 § 1er. Un étranger présent sur le territoire du Royaume qui relève du champ d'application de l'EES et pour lequel aucun dossier individuel n'a été créé dans l'EES ou pour lequel il n'y a pas de dernière fiche pertinente d'entrée/de sortie, est présumé ne pas ou ne plus remplir les conditions de durée du séjour autorisé dans le Royaume, sauf si l'étranger apporte la preuve contraire.
   L'étranger peut introduire une demande de renversement de cette présomption auprès de l'administration communale de son lieu de résidence. Le ministre ou son délégué statue sur cette demande conformément à l'article 12 du Code frontières Schengen. Le Roi détermine le modèle de l'attestation qui est délivrée comme preuve du renversement de cette présomption.]1
   [2 § 2. Dans des circonstances particulières, l'étranger dispensé de l'obligation de visa dans le cas visé à l'article 14, paragraphe 8, du règlement (UE) 2017/2226 peut demander la création d'un dossier individuel dans l'EES et de la fiche d'entrée/de sortie. Cet étranger introduit la demande auprès de l'administration communale de son lieu de résidence avant l'échéance de la durée de validité de son titre de séjour. Le ministre ou son délégué statue et agit conformément à l'article 14, paragraphe 8, du règlement (UE) 2017/2226. Le Roi détermine le modèle de l'attestation qui est délivrée le cas échéant.]2  
Art. 6/2 TOEKOMSTIG RECHT. 1 De vreemdeling kan een verlenging van zijn kort verblijf aanvragen, overeenkomstig artikel 20, leden 2 tot 2quater, van de Schengenovereenkomst of artikel 33 van de Visumcode. Onverminderd artikel 20, lid 2bis, van de Schengenovereenkomst wordt deze aanvraag ingediend bij het gemeentebestuur van de plaats waar hij verblijft en voor het einde van zijn toegelaten verblijfsduur.
   De minister of zijn gemachtigde kan het verblijf verlengen met een periode van maximaal negentig dagen. De Koning bepaalt de procedure en het model van het attest dat in voorkomend geval uitgereikt wordt als bewijs van de verlenging.]1  
Art. 6/2 DROIT FUTUR. 1 L'étranger peut demander une prolongation de son court séjour conformément à l'article 20, paragraphes 2 à 2quater, de la Convention de Schengen ou à l'article 33 du Code des visas. Sans préjudice de l'article 20, paragraphe 2bis, de la Convention de Schengen, cette demande est introduite auprès de l'administration communale du lieu où il séjourne et avant l'échéance de la durée autorisée de son séjour.
   Le ministre ou son délégué peut prolonger le séjour pour une période de maximum nonante jours. Le Roi détermine la procédure et le modèle de l'attestation qui, le cas échéant, sera délivrée comme preuve de la prolongation.]1  
Art.7. <W 1996-07-15/33, art. 11, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996> [3 Onverminderd meer voordelige bepalingen vervat in een internationaal verdrag, kan de minister of zijn gemachtigde of, in de in 1°, 2°, 5°, 9°, 11° of 12° bedoelde gevallen, moet de minister of zijn gemachtigde een bevel om het grondgebied binnen een bepaalde termijn te verlaten afgeven aan de vreemdeling die noch gemachtigd noch toegelaten is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk of om er zich te vestigen :]3
  1° wanneer hij in het Rijk verblijft zonder houder te zijn van de bij artikel 2 vereiste documenten;
  2° wanneer hij langer in het Rijk verblijft dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of er niet in slaagt het bewijs te leveren dat deze termijn niet overschreden werd;
  3° wanneer hij door zijn gedrag geacht wordt de openbare orde of de nationale veiligheid te kunnen schaden;
  4° wanneer hij door de Minister [2 ...]2 geacht wordt de internationale betrekkingen van België of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, te kunnen schaden;
  5° [2 wanneer hij ter fine van weigering van toegang [4 en verblijf gesignaleerd staat in het SIS]4 of in de Algemene Nationale Gegevensbank;]2
  6° wanneer hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van oorsprong of voor de doorreis naar een derde Staat, waar zijn toelating is gewaarborgd, en niet in staat is deze middelen wettelijk te verwerven;
  7° wanneer hij aangetast is door een der ziekten of gebreken opgesomd in de bijlage bij deze wet;
  8° wanneer hij een beroepsbedrijvigheid als zelfstandige of in ondergeschikt verband uitoefent zonder in het bezit te zijn van de daartoe vereiste machtiging;
  9° wanneer hij, met toepassing van de internationale overeenkomsten of akkoorden die België binden, [3 of met toepassing van op 13 januari 2009 geldende bilaterale overeenkomsten tussen de lidstaten van de Europese Unie en België,]3 door de overheden van de overeenkomstsluitende Staten, ter verwijdering van het grondgebied van deze Staten, aan de Belgische overheden wordt overgedragen;
  10° wanneer hij, met toepassing van de internationale overeenkomsten of akkoorden die België binden, [3 of met toepassing van op 13 januari 2009 geldende bilaterale overeenkomsten tussen de lidstaten van de Europese Unie en België,]3 door de Belgische overheden aan de overheden van de overeenkomstsluitende Staten moet overgedragen worden;
  11° wanneer hij sedert minder dan tien jaar uit het Rijk werd teruggewezen of uitgezet, zo de maatregel niet werd opgeschort of ingetrokken;
  [1 12° wanneer een vreemdeling het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod dat noch opgeschort noch opgeheven is;]1
  [4 13° wanneer de vreemdeling het voorwerp uitmaakt van een beslissing die tot gevolg heeft dat hem het verblijf geweigerd wordt of dat er een einde wordt gemaakt aan zijn verblijf.]4
  [1 Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen onder Titel IIIquater, kan de minister of zijn gemachtigde, in de in artikel 74/14, § 3, bedoelde gevallen de vreemdeling naar de grens terugleiden.
   Te dien einde, en tenzij andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, kan de vreemdeling vastgehouden worden voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel, meer in het bijzonder wanneer er een risico op onderduiken bestaat of wanneer de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert, en zonder dat de duur van de vasthouding twee maanden te boven mag gaan.
  [5 ...]5]1

  De Minister of zijn gemachtigde kan echter deze opsluiting telkens met een periode van twee maanden verlengen wanneer de nodige stappen om de vreemdeling te verwijderen werden genomen binnen zeven werkdagen na de opsluiting van de vreemdeling, wanneer zij worden voortgezet met de vereiste zorgvuldigheid en wanneer de effectieve verwijdering van deze laatste binnen een redelijke termijn nog steeds mogelijk is.
  Na een verlenging kan de in het voorgaande lid bedoelde beslissing enkel door de Minister genomen worden.
  Na (vijf) maanden te zijn opgesloten, moet de vreemdeling in vrijheid worden gesteld. <W 1999-04-29/70, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 06-07-1999>
  (In de gevallen waarin dit noodzakelijk is voor de bescherming van de openbare orde of de nationale veiligheid, kan de opsluiting van de vreemdeling, na het verstrijken van de termijn bedoeld in vorig lid, telkens verlengd worden met één maand, zonder dat de totale duur van de opsluiting daardoor evenwel meer dan acht maanden mag bedragen.) <W 1999-04-29/70, art. 3, A, 017; Inwerkingtreding : 06-07-1999>
  
Art.7. <L 1996-07-15/33, art. 11, 012; En vigueur : 1996-12-16> [3 Sans préjudice de dispositions plus favorables contenues dans un traité international, le ministre ou son délégué peut, ou, dans les cas visés aux 1°, 2°, 5°, 9°, 11° ou 12°, le ministre ou son délégué doit donner à l'étranger, qui n'est ni autorisé ni admis à séjourner plus de trois mois ou à s'établir dans le Royaume, un ordre de quitter le territoire dans un délai déterminé ]3 :
  1° s'il demeure dans le Royaume sans être porteur des documents requis par l'article 2;
  2° s'il demeure dans le Royaume au-delà du délai fixé conformément à l'article 6, ou ne peut apporter la preuve que ce délai n'est pas dépassé;
  3° si, par son comportement, il est considéré comme pouvant compromettre l'ordre public ou la sécurité nationale;
  4° s'il est considéré par le Ministre [2 ...]2 comme pouvant compromettre les relations internationales de la Belgique ou d'un Etat partie à une convention internationale relative au franchissement des frontières extérieures, liant la Belgique;
  5° [2 s'il est signalé aux fins de non-admission [4 et d'interdiction de séjour dans le SIS]4 ou dans la Banque de données Nationale Générale;]2
  6° s'il ne dispose pas de moyens de subsistance suffisants, tant pour la durée du séjour envisagé que pour le retour dans le pays de provenance ou le transit vers un Etat tiers dans lequel son admission est garantie, et n'est pas en mesure d'acquérir légalement ces moyens;
  7° s'il est atteint d'une des maladies ou infirmités énumérées à l'annexe de la présente loi;
  8° s'il exerce une activité professionnelle indépendante ou en subordination sans être en possession de l'autorisation requise à cet effet;
  9° si, en application des conventions ou des accords internationaux liant la Belgique, [3 ou en application des accords bilatéraux en vigueur le 13 janvier 2009 entre les Etats membres de l'Union européenne et la Belgique,]3 il est remis aux autorités belges par les autorités des Etats contractants en vue de son éloignement du territoire de ces Etats;
  10° si, en application des conventions ou des accords internationaux liant la Belgique, [3 ou en application des accords bilatéraux en vigueur le 13 janvier 2009 entre les Etats membres de l'Union européenne et la Belgique,]3 il doit être remis par les autorités belges aux autorités des Etats contractants;
  11° s'il a été renvoyé ou expulsé du Royaume depuis moins de dix ans, lorsque la mesure n'a pas été suspendue ou rapportée;
  [1 12° si l'étranger fait l'objet d'une interdiction d'entrée ni suspendue ni levée;]1
  [4 13° si l'étranger fait l'objet d'une décision ayant pour effet de lui refuser le séjour ou de mettre fin à son séjour.]4
  [1 Sous réserve de l'application des dispositions du Titre IIIquater, le ministre ou son délégué peut, dans les cas visés à l'article 74/14, § 3, reconduire l'étranger à la frontière.
   A moins que d'autres mesures suffisantes mais moins coercitives puissent être appliquées efficacement, l'étranger peut être maintenu à cette fin, pendant le temps strictement nécessaire à l'exécution de la mesure, en particulier lorsqu'il existe un risque de fuite ou lorsque l'étranger évite ou empêche la préparation du retour ou la procédure d'éloignement, et sans que la durée de maintien ne puisse dépasser deux mois.
   [5 ...]5]1

  Le Ministre ou son délégué peut toutefois prolonger cette détention par période de deux mois, lorsque les démarches nécessaires en vue de l'éloignement de l'étranger ont été entreprises dans les sept jours ouvrables de la mise en détention de l'étranger, qu'elles sont poursuivies avec toute la diligence requise et qu'il subsiste toujours une possibilité d'éloigner effectivement l'étranger dans un délai raisonnable.
  Après une prolongation, la décision visée à l'alinéa précédent ne peut plus être prise que par le Ministre.
  Après (cinq) mois de détention, l'étranger doit être mis en liberté. <L 1999-04-29/70, art. 2, 017; En vigueur : 06-07-1999>
  (Dans le cas où la sauvegarde de l'ordre public ou la sécurité nationale l'exige, la détention de l'étranger peut être prolongée chaque fois d'un mois, après l'expiration du délai visé à l'alinéa précédent, sans toutefois que la durée totale de la détention puisse de ce fait dépasser huit mois.) <L 1999-04-29/70, art. 3, A, 017; En vigueur : 06-07-1999>
  
Art.8. Het bevel om het grondgebied te verlaten of de beslissing tot terugleiding naar de grens vermeldt de bepaling van artikel 7 die werd toegepast.
Art.8. L'ordre de quitter le territoire ou la décision de remise à la frontière indique la disposition de l'article 7 qui est appliquée.
Art. 8bis. <INGEVOEGD bij W 2004-09-01/56, art. 3, Inwerkingtreding : 12-10-2004> § 1. De Minister of zijn gemachtigde kan een verwijderingsbesluit erkennen dat genomen is ten aanzien van een vreemdeling door de bevoegde administratieve overheid van een Staat die gebonden is door de richtlijn 2001 /40/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 mei 2001 betreffende de onderlinge erkenning van besluiten inzake de verwijdering van onderdanen van derde landen, indien deze vreemdeling zich op het grondgebied van het Koninkrijk bevindt zonder gemachtigd of toegelaten te zijn tot een verblijf van meer dan drie maanden en indien de volgende voorwaarden vervuld zijn :
  1° het verwijderingsbesluit is gesteund op :
  -hetzij een ernstige en daadwerkelijke bedreiging van de openbare orde of de nationale veiligheid en vloeit voort, ofwel uit de veroordeling van de vreemdeling in de Staat die gebonden is door de eerder genoemde richtlijn, die hem dit besluit heeft afgeleverd, voor een strafbaar feit dat met een vrijheidsstraf van ten minste één jaar strafbaar is gesteld, ofwel uit het bestaan van gegronde redenen om aan te nemen dat die vreemdeling ernstige strafbare feiten heeft gepleegd of uit het bestaan van concrete aanwijzingen dat hij overweegt dergelijke feiten te plegen op het grondgebied van een Staat die is gebonden door de eerder genoemde richtlijn;
  - hetzij de niet-naleving van de nationale wetgeving inzake de binnenkomst en het verblijf van vreemdelingen in deze Staat die gebonden is door de eerder genoemde richtlijn;
  2° het verwijderingsbesluit mag noch opgeschort noch ingetrokken zijn door de Staat die het aan de vreemdeling heeft afgeleverd.
  § 2. Indien het in § 1 bedoelde verwijderingsbesluit is gesteund op een ernstige en daadwerkelijke bedreiging van de openbare orde of de nationale veiligheid en indien de vreemdeling ten aanzien van wie het is genomen, toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Koninkrijk of om er zich te vestigen, of beschikt over een verblijfstitel die werd afgeleverd door een Staat die is gebonden door de eerder genoemde richtlijn, consulteert de Minister of zijn gemachtigde de Staat waarvan de bevoegde administratieve overheid het verwijderingsbesluit heeft genomen, evenals, in voorkomend geval, de Staat die een verblijfstitel heeft afgeleverd aan de vreemdeling.
  De in het vorige lid bedoelde vreemdeling die toegelaten of gemachtigd wordt tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Koninkrijk of om er zich te vestigen, mag, in voorkomend geval, slechts verwijderd worden met inachtneming [4 van de artikelen 21 en 22]4.
  De beslissing aangaande de vreemdeling die over een in het vorige lid bedoelde verblijfstitel beschikt die werd afgeleverd door een Staat die gebonden is door de eerder genoemde richtlijn, hangt af van de beslissing van deze Staat aangaande het verblijf van de vreemdeling op zijn grondgebied.
  § 3. De Staten die, op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze bepaling, gebonden zijn door de eerder genoemde richtlijn, zijn de lidstaten van de Europese Unie.
  De Koning brengt het vorige lid in overeenstemming met het resultaat van de door Europese instrumenten bepaalde procedures, waardoor de toepassing van het gemeenschapsrecht op andere Staten mogelijk wordt.
  § 4. [3 Tijdens de in § 1 bedoelde erkenningsprocedure, kan de minister of zijn gemachtigde, onverminderd de bepalingen van Titel IIIquater en tenzij andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, de vreemdeling die ter fine van weigering van toegang [5 en verblijf gesignaleerd staat in het SIS]5 [4 of in de Algemene Nationale Gegevensbank]4, omwille van een in § 1, 1°, bedoelde reden, laten opsluiten zonder dat de duur van de opsluiting langer mag zijn dan een maand.]3
  § 5. De §§ 1 tot 4 zijn niet van toepassing op de verwijderingsbesluiten die ten aanzien van de in artikel 40 [1 , 40bis of 40ter]1 bedoelde vreemdelingen worden genomen.
  
Art. 8bis. § 1er. Le Ministre ou son délégué peut reconnaître une décision d'éloignement prise à l'encontre d'un étranger par une autorité administrative compétente d'un Etat tenu par la directive 2001/40/CE du Conseil de l'Union européenne du 28 mai 2001 relative à la reconnaissance mutuelle des décisions d'éloignement des ressortissants de pays tiers, lorsque cet étranger se trouve sur le territoire du Royaume sans y être admis ou autorisé à séjourner plus de trois mois et lors que les conditions suivantes sont réunies :
  1° la décision d'éloignement est fondée :
  - soit sur une menace grave et actuelle pour l'ordre public ou la sécurité nationale et découle soit de la condamnation de l'étranger dans l'Etat tenu par la directive précitée, qui lui a délivré cette décision, pour une infraction passible d'une peine privative de liberté d'un an au moins, soit de l'existence de raisons sérieuses de croire que cet étranger a commis des faits punissables graves ou de l'existence d'indices réels qu'il envisage de commettre de tels faits sur le territoire d'un Etat tenu par la directive précitée;
  - soit sur le non respect des réglementations nationales relatives à l'entrée ou au séjour des étrangers dans cet Etat tenu par la directive précitée;
  2° la décision d'éloignement ne doit être ni suspendue ni rapportée par l'Etat qui l'a délivrée à l'étranger.
  § 2. Lorsque la décision d'éloignement visée au § 1er est fondée sur une menace grave et actuelle pour l'ordre public ou la sécurité nationale et que l'étranger qui en est l'objet est admis ou autorisé à séjourner plus de trois mois dans le Royaume ou à s'y établir ou dispose d'un titre de séjour délivré par un Etat tenu par la directive précitée, le Ministre ou son délégué consulte l'Etat dont l'autorité administrative compétente a pris la décision d'éloignement ainsi que, le cas échéant, l'Etat qui a délivré le titre de séjour à l'étranger.
  L'étranger visé à l'alinéa précédent qui est admis ou autorisé à séjourner plus de trois mois dans le Royaume ou à s'y établir, ne peut, le cas échéant, être éloigné que dans le respect [4 des articles 21 et 22]4.
  La décision relative à l'étranger qui dispose d'un titre de séjour délivré par un Etat tenu par la directive précitée, visé à l'alinéa précédent, dépend de la décision de cet Etat quant au séjour de l'étranger sur son territoire.
  § 3. Les Etats tenus par la directive précitée au moment de l'entrée en vigueur de la présente disposition sont les Etats membres de l'Union européenne.
  Le Roi met l'alinéa précédent en concordance avec le résultat des procédures, prévues par des instruments européens, permettant l'application du droit communautaire à d'autres Etats.
  § 4. [3 Pendant la procédure de reconnaissance visée au § 1er, le ministre ou son délégué peut, sans préjudice des dispositions du Titre IIIquater et à moins que d'autres mesures suffisantes mais moins coercitives puissent être appliquées efficacement, faire détenir l'étranger qui est signalé aux fins de non-admission [5 et d'interdiction de séjour dans le SIS]5 [4 ou dans la Banque de données Nationale Générale]4, pour un des motifs visés au § 1er, 1°, sans que la durée de la détention puisse dépasser un mois.]3
  § 5. Les §§ 1er à 4 ne s'appliquent pas aux décisions d'éloignement prises à l'encontre des étrangers visés à l'article 40 [1 , 40bis ou 40ter]1.
  
Art. 8ter. [1 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn onverminderd de relevante bepalingen van het Schengenacquis met betrekking tot de grensoverschrijdingen en het kort verblijf, in het bijzonder de Schengengrenscode, de Visumcode en de Schengenovereenkomst, van toepassing.]1
  
Art. 8ter. [1 Les dispositions du présent chapitre s'appliquent sans préjudice des dispositions pertinentes de l'acquis de Schengen relatives aux franchissements des frontières et au court séjour, en particulier le Code frontières Schengen, le Code des visas et la Convention de Schengen.]1
  
HOOFDSTUK III. - VERBLIJF VAN MEER DAN DRIE MAANDEN.
CHAPITRE III. - SEJOUR DE PLUS DE TROIS MOIS.
Art.9. Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in een der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door (de Minister) of zijn gemachtigde. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland.
  (Derde lid opgeheven) <W 2006-09-15/72, art. 3, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art.9. Pour pouvoir séjourner dans le Royaume au-delà du terme fixé à l'article 6 l'étranger qui ne se trouve pas dans un des cas prévus à l'article 10 doit y être autorisé par le (Ministre) ou son délégué. <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  Sauf dérogations prévues par un traité international, par une loi ou par un arrêté royal, cette autorisation doit être demandée par l'étranger auprès du poste diplomatique ou consulaire belge compétent pour le lieu de sa résidence ou de son séjour à l'étranger.
  (Alinéa 3 abrogé) <L 2006-09-15/72, art. 3, 041; En vigueur : 01-06-2007>
Art. 9bis. <W 2006-09-15/72, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007> § 1. In buitengewone omstandigheden en op voorwaarde dat de vreemdeling over een identiteitsdocument beschikt, kan de machtiging tot verblijf worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft. Deze maakt ze over aan de minister of aan diens gemachtigde. Indien de minister of diens gemachtigde de machtiging tot verblijf toekent, zal de machtiging tot verblijf in België worden afgegeven.
  De voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een identiteitsdocument is niet van toepassing op :
  - de asielzoeker wiens asielaanvraag niet definitief werd afgewezen of die tegen deze beslissing een overeenkomstig artikel 20 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toelaatbaar cassatieberoep heeft ingediend en dit tot op het ogenblik [1 waarop een verwerpingsarrest inzake het toegelaten beroep is uitgesproken]1;
  - de vreemdeling die zijn onmogelijkheid om het vereiste identiteitsdocument te verwerven in België, op geldige wijze aantoont.
  § 2. Onverminderd de andere elementen van de aanvraag, kunnen niet aanvaard worden als buitengewone omstandigheden en worden onontvankelijk verklaard :
  1° elementen die reeds aangehaald werden ter ondersteuning van een asielaanvraag in de zin van de artikelen 50, 50bis, 50ter en 51 en die verworpen werden door de asieldiensten, met uitzondering van elementen die verworpen werden omdat ze vreemd zijn aan de criteria van de Conventie van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, en aan de criteria voorzien in artikel 48/4 met betrekking tot de subsidiaire bescherming of omdat de beoordeling ervan niet behoort tot de bevoegdheid van die instanties;
  2° elementen die in de loop van de procedure ter behandeling van de asielaanvraag in de zin van artikel 50, 50bis, 50ter en 51 hadden moeten worden ingeroepen, aangezien zij reeds bestonden en gekend waren voor het einde van deze procedure;
  3° elementen die reeds ingeroepen werden bij een vorige aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf in het Rijk [2 met uitzondering van de elementen die werden aangehaald in het kader van een aanvraag die als onontvankelijk werd beoordeeld wegens het ontbreken van de vereiste identiteitsdocumenten of wegens het niet of niet volledig betalen van de retributie zoals vastgelegd in artikel 1/1 en met uitzondering van de elementen aangehaald in eerdere aanvragen waarvan afstand werd gedaan]2;
  4° elementen die ingeroepen werden in het kader van een aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter;
  [3 5° elementen die reeds ingeroepen werden in het kader van een aanvraag om toelating tot verblijf wegens staatloosheid bedoeld in artikel 57/38, met uitzondering van de elementen die werden aangehaald in het kader van een aanvraag die met toepassing van artikel 57/40 niet in overweging werd genomen.]3
  [2 § 3. De aanvraag om machtiging tot verblijf in het Rijk wordt louter beoordeeld op grond van de laatst ingediende aanvraag die door de burgemeester of zijn gemachtigde werd overgezonden aan de minister of aan zijn gemachtigde. De vreemdeling die een nieuwe aanvraag indient wordt geacht afstand te doen van de eerder ingediende hangende aanvragen.]2
  
Art. 9bis. § 1er. Lors de circonstances exceptionnelles et à la condition que l'étranger dispose d'un document d'identité, l'autorisation de séjour peut être demandée auprès du bourgmestre de la localité où il séjourne, qui la transmettra au ministre ou à son délégué. Quand le ministre ou son délégué accorde l'autorisation de séjour, celle-ci sera délivrée en Belgique.
  La condition que l'étranger dispose d'un document d'identité n'est pas d'application :
  - au demandeur d'asile dont la demande d'asile n'a pas fait l'objet d'une décision définitive ou qui a introduit un recours en cassation administrative déclaré admissible conformément à l'article 20 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, et ce jusqu'au moment [1 où un arrêt de rejet du recours admis est prononcé]1;
  - à l'étranger qui démontre valablement son impossibilité de se procurer en Belgique le document d'identité requis.
  § 2. Sans préjudice des autres éléments de la demande, ne peuvent pas être retenus comme circonstances exceptionnelles et sont déclarés irrecevables :
  1° les éléments qui ont déjà été invoqués à l'appui d'une demande d'asile au sens des articles 50, 50bis, 50ter et 51, et qui ont été rejetés par les instances d'asile, à l'exception des éléments rejetés parce qu'ils sont étrangers aux critères de la Convention de Genève tel que déterminé à l'article 48/3 et aux critères prévus à l'article 48/4 en matière de protection subsidiaire, ou parce qu'ils ne relèvent pas de la compétence de ces instances;
  2° les éléments qui auraient dû être invoqués au cours de la procédure de traitement de la demande d'asile au sens de l'article 50, 50bis, 50ter et 51, dans la mesure où ils existaient et étaient connus de l'étranger avant la fin de la procédure;
  3° les éléments qui ont déjà été invoqués lors d'une demande précédente d'autorisation de séjour dans le Royaume [2 à l'exception des éléments invoqués dans le cadre d'une demande jugée irrecevable en raison de l'absence des documents d'identité requis ou en raison du non-paiement ou du paiement incomplet de la redevance visée à l'article 1er/1 et à l'exception des éléments invoqués dans les demandes précédentes qui ont fait l'objet d'un désistement]2;
  4° les éléments qui ont été invoqués dans le cadre d'une demande d'obtention d'autorisation de séjour sur la base de l'article 9ter;
  [3 5° les éléments qui ont déjà été invoqués dans le cadre d'une demande d'admission au séjour pour apatridie visée à l'article 57/38, à l'exception des éléments invoqués dans le cadre d'une demande qui n'a pas été prise en considération en application de l'article 57/40.]3
  [2 § 3. La demande d'autorisation de séjour dans le Royaume est examinée uniquement sur la base de la dernière demande introduite transmise par le bourgmestre ou son délégué au ministre ou à son délégué. L'étranger qui introduit une nouvelle demande est réputé se désister des demandes pendantes introduites antérieurement.]2
  
Art. 9ter. [1 § 1. De in België verblijvende vreemdeling die zijn identiteit aantoont overeenkomstig § 2 en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, kan een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde.
   De aanvraag moet per aangetekende brief worden ingediend bij de minister of zijn gemachtigde en bevat het adres van de effectieve verblijfplaats van de vreemdeling in België.
   De vreemdeling maakt samen met de aanvraag alle nuttige [2 en recente]2 inlichtingen over aangaande zijn ziekte en de mogelijkheden en de toegankelijkheid tot een adequate behandeling in zijn land van herkomst of in het land waar hij verblijft.
   Hij maakt een standaard medisch getuigschrift over [4 waarvan het model door de Koning wordt bepaald]4. Dit medisch getuigschrift [2 dat niet ouder is dan drie maanden voorafgaand aan de indiening van de aanvraag]2 vermeldt de ziekte, haar graad van ernst en de noodzakelijk geachte behandeling.
   De beoordeling van het in het eerste lid vermelde risico, van de mogelijkheden van en van de toegankelijkheid tot behandeling in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, en van de in het medisch getuigschrift vermelde ziekte, haar graad van ernst en de noodzakelijk geachte behandeling, gebeurt door een ambtenaar-geneesheer of een geneesheer aangeduid door de minister of zijn gemachtigde die daaromtrent een advies verschaft. Deze geneesheer kan, indien hij dit nodig acht, de vreemdeling onderzoeken en een bijkomend advies inwinnen van deskundigen.
  [2 § 1/1. De toekenning van een machtiging tot verblijf in het Rijk bedoeld in dit artikel kan worden geweigerd aan de vreemdeling die zich niet aanmeldt op de in de oproeping vastgestelde datum door de ambtenaar-geneesheer of de geneesheer aangewezen door de minister of zijn gemachtigde of de door de minister of zijn gemachtigde aangestelde deskundige en hiervoor ten laatste binnen de vijftien dagen na het verstrijken van deze datum geen geldige reden opgeeft.]2
   § 2. Bij zijn aanvraag toont de vreemdeling zijn identiteit voorzien in § 1, eerste lid, aan door middel van een identiteitsdocument of een bewijselement dat voldoet aan volgende voorwaarden :
   1° het bevat de volledige naam, de geboorteplaats en -datum en de nationaliteit van betrokkene;
   2° het is uitgereikt door de bevoegde overheid overeenkomstig de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie;
   3° het laat toe een fysieke band vast te stellen tussen de titularis en de betrokkene;
   4° het is niet opgesteld op basis van loutere verklaringen van de betrokkene.
   De vreemdeling kan eveneens zijn identiteit aantonen door verschillende bewijselementen die, samen genomen, de constitutieve elementen van de identiteit bepaald in het eerste lid, 1°, bevatten op voorwaarde dat elk bewijselement minstens voldoet aan de voorwaarden voorzien in het eerste lid, 2° en 4°, en minstens één van de elementen voldoet aan de voorwaarde voorzien in het eerste lid, 3°.
   De verplichting om zijn identiteit aan te tonen is niet van toepassing op de asielzoeker wiens asielaanvraag niet definitief werd afgewezen of die tegen deze beslissing een overeenkomstig artikel 20 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toelaatbaar cassatieberoep heeft ingediend en dit tot op het ogenblik waarop een verwerpingsarrest inzake het toegelaten beroep is uitgesproken. De vreemdeling die van deze vrijstelling geniet, toont dit uitdrukkelijk aan in de aanvraag.
   § 3. De gemachtigde van de minister verklaart de aanvraag onontvankelijk :
   1° indien de vreemdeling zijn aanvraag niet indient per aangetekende brief bij de minister of zijn gemachtigde of wanneer de aanvraag niet het adres van de effectieve verblijfplaats in België bevat;
   2° indien, in de aanvraag, de vreemdeling zijn identiteit niet aantoont op de wijze bepaald in § 2 of wanneer de aanvraag het bewijs voorzien in § 2, derde lid, niet bevat;
   3° indien het standaard medisch getuigschrift niet wordt voorgelegd bij de aanvraag of indien het standaard medisch getuigschrift niet beantwoordt aan de voorwaarden voorzien in § 1, vierde lid;
  [2 4° indien de in § 1, vijfde lid, vermelde ambtenaar-geneesheer of geneesheer aangewezen door de minister of zijn gemachtigde in een advies vaststelt dat de ziekte kennelijk niet beantwoordt aan een ziekte zoals voorzien in § 1, eerste lid, die aanleiding kan geven tot het bekomen van een machtiging tot verblijf in het Rijk;]2
   [2 ]2 in de gevallen bepaald in artikel 9bis, § 2, 1° tot 3°, of wanneer de ingeroepen elementen ter ondersteuning van de aanvraag tot machtiging tot verblijf in het Rijk reeds werden ingeroepen in het kader van een vorige aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf in het Rijk op grond van de huidige bepaling [3 met uitzondering van de elementen die werden aangehaald in het kader van een aanvraag die als onontvankelijk werd beoordeeld op basis van artikel 9ter, § 3, 1°, 2° of 3°, en met uitzondering van de elementen aangehaald in eerdere aanvragen waarvan afstand werd gedaan]3.
   § 4. De vreemdeling wordt uitgesloten van het voordeel van deze bepaling, wanneer de minister of zijn gemachtigde van oordeel is dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de betrokkene handelingen gepleegd heeft bedoeld in artikel 55/4.
   § 5. De in § 1, vijfde lid, vermelde deskundigen worden benoemd door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
   De Koning stelt de procedureregels vast bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en bepaalt eveneens de wijze van bezoldiging van de in het eerste lid vermelde deskundigen.
   § 6. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de gemachtigde van de minister en de leden van zijn dienst, wat betreft de medische gegevens waarvan zij in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen.]1

  [2 § 7. De aanvraag om machtiging tot verblijf in het Rijk bedoeld in dit artikel, afgelegd door een vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd tot een verblijf van onbeperkte duur, wordt, wanneer zij nog in behandeling is bij de Dienst Vreemdelingenzaken ambtshalve zonder voorwerp verklaard, tenzij de vreemdeling, binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf het inwerkingtreden van deze bepaling of vanaf de overhandiging van de titel waaruit het onbeperkt verblijf blijkt, bij een aangetekende brief aan de Dienst Vreemdelingenzaken, de voortzetting van de behandeling vraagt.]2
  [3 § 8. De aanvraag om machtiging tot verblijf in het Rijk wordt louter beoordeeld op grond van de laatst ingediende aanvraag die bij een aangetekende zending werd overgezonden aan de minister of aan zijn gemachtigde. De vreemdeling die een nieuwe aanvraag indient wordt geacht afstand te doen van de eerder ingediende hangende aanvragen.]3
  
Art. 9ter. [1 § 1er. L'étranger qui séjourne en Belgique qui démontre son identité conformément au § 2 et qui souffre d'une maladie telle qu'elle entraîne un risque réel pour sa vie ou son intégrité physique ou un risque réel de traitement inhumain ou dégradant lorsqu'il n'existe aucun traitement adéquat dans son pays d'origine ou dans le pays où il séjourne, peut demander l'autorisation de séjourner dans le Royaume auprès du ministre ou son délégué.
   La demande doit être introduite par pli recommandé auprès du ministre ou son délégué et contient l'adresse de la résidence effective de l'étranger en Belgique.
   L'étranger transmet avec la demande tous les renseignements utiles [2 et récents]2 concernant sa maladie et les possibilités et l'accessibilité de traitement adéquat dans son pays d'origine ou dans le pays où il séjourne.
   Il transmet un certificat médical type [4 dont le modèle est déterminé par le Roi]4. Ce certificat médical [2 datant de moins de trois mois précédant le dépôt de la demande]2 indique la maladie, son degré de gravité et le traitement estimé nécessaire.
   L'appréciation du risque visé à l'alinéa 1er, des possibilités de traitement, leur accessibilité dans son pays d'origine ou dans le pays où il séjourne et de la maladie, son degré de gravité et le traitement estimé nécessaire indiqués dans le certificat médical, est effectuée par un fonctionnaire médecin ou un médecin désigné par le ministre ou son délégué qui rend un avis à ce sujet. Ce médecin peut, s'il l'estime nécessaire, examiner l'étranger et demander l'avis complémentaire d'experts.
  [2 § 1er/1. L'obtention d'une autorisation de séjour dans le Royaume visée au présent article peut être refusée à l'étranger qui ne se présente pas à la date fixée dans la convocation par le fonctionnaire médecin, ou le médecin désigné par le ministre ou son délégué, ou l'expert désigné par le ministre ou son délégué, et qui ne donne pas, au plus tard dans les quinze jours suivant cette date, de motif valable à ce sujet.]2
   § 2. Avec la demande, l'étranger démontre son identité visée au § 1er, alinéa 1er, par un document d'identité ou un élément de preuve qui répond aux conditions suivantes :
   1° il contient le nom complet, le lieu et la date de naissance et la nationalité de l'intéressé;
   2° il est délivré par l'autorité compétente conformément à la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé ou les conventions internationales relatives à la même matière;
   3° il permet un constat d'un lien physique entre le titulaire et l'intéressé;
   4° il n'a pas été rédigé sur la base de simples déclarations de l'intéressé.
   L'étranger peut également démontrer son identité par plusieurs éléments de preuve qui, pris ensemble, réunissent les éléments constitutifs de l'identité prévus par l'alinéa 1er, 1°, à condition que chaque élément de preuve réponde au moins aux conditions visées à l'alinéa 1er, 2° et 4°, et qu'au moins un des éléments réponde à la condition visée à l'alinéa 1er, 3°.
   L'obligation de démontrer son identité n'est pas d'application au demandeur d'asile dont la demande d'asile n'a pas fait l'objet d'une décision définitive ou qui a introduit un recours en cassation administrative déclaré admissible conformément à l'article 20 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, et ce jusqu'au moment où un arrêt de rejet du recours admis est prononcé. L'étranger qui jouit de cette dispense la démontre expressément dans sa demande.
   § 3. Le délégué du ministre déclare la demande irrecevable :
   1° lorsque l'étranger n'introduit pas sa demande par pli recommandé auprès du ministre ou son délégué ou lorsque la demande ne contient pas l'adresse de la résidence effective en Belgique;
   2° lorsque, dans la demande, l'étranger ne démontre pas son identité selon les modalités visées au § 2 ou lorsque la demande ne contient pas la preuve prévue au § 2, alinéa 3;
   3° lorsque le certificat médical type n'est pas produit avec la demande ou lorsque le certificat médical type ne répond pas aux conditions prévues au § 1er, alinéa 4;
  [2 4° lorsque le fonctionnaire médecin ou le médecin désigné par le ministre ou son délégué, visé au § 1er, alinéa 5, constate dans un avis que la maladie ne répond manifestement pas à une maladie visée au § 1er, alinéa 1er, qui peut donner lieu à l'obtention d'une autorisation de séjour dans le Royaume;]2
   [2 ]2 dans les cas visés à l'article 9bis, § 2, 1° à 3°, ou si des éléments invoqués à l'appui de la demande d'autorisation de séjour dans le Royaume ont déjà été invoqués dans le cadre d'une demande précédente d'autorisation de séjour dans le Royaume sur la base de la présente disposition [3 à l'exception des éléments invoqués dans le cadre d'une demande jugée irrecevable sur la base de l'article 9ter, § 3, 1°, 2° ou 3°, et à l'exception des éléments invoqués dans les demandes précédentes qui ont fait l'objet d'un désistement]3.
   § 4. L'étranger est exclu du bénéfice de la présente disposition lorsque le ministre ou son délégué considère qu'il y a de motifs sérieux de considérer qu'il a commis des actes visés à l'article 55/4.
   § 5. Les experts visés au § 1er, alinéa 5,sont désignés par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
   Le Roi fixe les règles de procédure par arrêté délibéré en Conseil des ministres et détermine également le mode de rémunération des experts visés à l'alinéa 1er.
   § 6. L'article 458 du Code pénal est applicable au délégué du ministre et aux membres de son service, en ce qui concerne les données médicales dont ils ont connaissance dans l'exercice de leurs fonctions.]1

  [2 § 7. La demande d'autorisation de séjour dans le Royaume visée au présent article, faite par un étranger qui a été admis ou autorisé au séjour pour une durée illimitée, est déclarée d'office sans objet lorsqu'elle est encore examinée par l'Office des Etrangers, à moins que l'étranger demande dans un délai de soixante jours à partir de l'entrée en vigueur de la présente disposition ou à partir du moment de la remise du titre qui fait preuve du séjour illimité, la poursuite de son examen par lettre recommandée adressée à l'Office des Etrangers.]2
  [3 § 8. La demande d'autorisation de séjour dans le Royaume est examinée uniquement sur la base de la dernière demande introduite transmise par envoi recommandé au ministre ou à son délégué. L'étranger qui introduit une nouvelle demande est réputé se désister des demandes pendantes introduites antérieurement.]3
  
Art. 9quater. [1 § 1. Op het ogenblik van de indiening van een aanvraag voor een machtiging tot verblijf op basis van artikel 9bis of 9ter dient de vreemdeling woonplaats te kiezen in België.
   Als hij geen woonplaats kiest overeenkomstig het eerste lid, wordt de vreemdeling geacht woonplaats te hebben gekozen op de Dienst Vreemdelingenzaken. Indien het een vreemdeling betreft die het voorwerp uitmaakt van een beslissing tot vasthouding, wordt hij geacht woonplaats te hebben gekozen op de plaats waar hij wordt vastgehouden.
   Elke wijziging van de gekozen woonplaats moet worden meegedeeld aan de Dienst Vreemdelingenzaken met een aangetekende brief of door afgifte tegen ontvangstbewijs.
   § 2. [2 ...]2
   § 3. Onverminderd het bepaalde [2 in artikel 62]2, wordt een kopie van elke kennisgeving verzonden per gewone post zowel naar de effectieve woonplaats, indien deze gekend is en van latere datum is dan de door de vreemdeling gekozen woonplaats, als naar de advocaat van de vreemdeling.
   § 4. De oproepingen en de vragen om inlichtingen kunnen eveneens geldig verstuurd worden overeenkomstig [2 artikel 62]2. In voorkomend geval wordt toepassing gemaakt van § 3.]1

  
Art. 9quater. [1 § 1er. Au moment de l'introduction d'une demande d'autorisation de séjour sur la base de l'article 9bis ou 9ter, l'étranger est tenu d'élire domicile en Belgique.
   A défaut d'avoir élu domicile conformément à l'alinéa 1er, l'étranger est réputé avoir élu domicile à l'Office des Etrangers. S'il s'agit d'un étranger faisant l'objet d'une décision de maintien, il est réputé avoir élu domicile à l'adresse du lieu où il est maintenu.
   Toute modification du domicile élu doit être communiquée, sous pli recommandé à la poste ou contre accusé de réception à l'Office des Etrangers.
   § 2. [2 ...]2
   § 3. Sans préjudice [2 de l'article 62]2, une copie de toute notification est envoyé par courrier ordinaire tant à l'adresse effective, si elle est connue et si elle est postérieure au choix du domicile élu, qu'à l'avocat de l'étranger.
   § 4. Les convocations et les demandes de renseignements peuvent également être valablement envoyées conformément [2 à l'article 62]2. Le cas échéant le § 3 est d'application.]1

  
Art.10. [1 § 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 9 en 12, zijn van rechtswege toegelaten om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven:
   1° de vreemdeling wiens recht op verblijf erkend wordt door een internationaal verdrag, door een wet of door een koninklijk besluit;
   2° de vreemdeling die de door het Wetboek van de Belgische nationaliteit voorziene voorwaarden om de Belgische nationaliteit te herkrijgen vervult, zonder dat vereist is dat hij zijn hoofdverblijfplaats al sedert minstens twaalf maanden in België heeft, noch dat hij een verklaring met het oog op het herkrijgen van de Belgische nationaliteit moet doen;
   3° de vrouw die de Belgische nationaliteit verloren heeft door haar huwelijk of ingevolge het verwerven van een vreemde nationaliteit door haar echtgenoot;
   4° de volgende familieleden van een vreemdeling die als begunstigde van een internationale beschermingsstatus dan wel overeenkomstig artikel 57/45 tot een verblijf in het Rijk is toegelaten, die zich in verband met het verzoek om internationale bescherming of de aanvraag om toelating tot verblijf wegens staatloosheid bedoeld in artikel 57/38 op het grondgebied van het Rijk bevinden, maar zelf niet in aanmerking komen voor dergelijke bescherming en voor zover de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die begeleid wordt in het Rijk aankwam en de toelating tot verblijf verenigbaar is met de persoonlijke juridische status van het familielid:
   a) de buitenlandse echtgenoot, die met hem samenleeft, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan achttien jaar;
   b) de vreemdeling met wie hij door een wettelijk geregistreerd partnerschap verbonden is, die met hem samenleeft, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan achttien jaar en voldoen aan de voorwaarden voorzien in het tweede lid;
   c) hun gemeenschappelijke minderjarige kinderen, die met hen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die ongehuwd zijn;
   d) de minderjarige kinderen van de vreemdeling die begeleid wordt, van zijn echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling onder b), die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die ongehuwd zijn en voor zover de vreemdeling die begeleid wordt, zijn echtgenoot of zijn geregistreerde partner het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent en de kinderen ten laste zijn van hem, zijn echtgenoot of geregistreerde partner. Indien het ouderlijk gezag wordt gedeeld, dient de andere houder van het ouderlijk gezag zijn toestemming te hebben gegeven;
   e) het ongehuwd gehandicapt kind dat ouder is dan achttien jaar van de vreemdeling die begeleid wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling onder onder b), voor zover het kind een attest overlegt dat uitgaat van een door de Belgische diplomatieke of consulaire post erkende arts dat aantoont dat het vanwege zijn handicap niet in zijn eigen behoeften kan voorzien;
   f) de ouders dan wel de meerderjarige vreemdeling die overeenkomstig het Belgisch recht verantwoordelijk is voor hem, voor zover de vreemdeling die begeleid wordt, jonger dan achttien jaar en ongehuwd is en op voorwaarde dat zij met hem samenleven alvorens hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
   5° onder voorbehoud van de bepaling onder 4°, de volgende familieleden van een vreemdeling die hetzij als begunstigde van de vluchtelingenstatus dan wel overeenkomstig artikel 57/45 tot een verblijf in het Rijk is toegelaten:
   a) de buitenlandse echtgenoot die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar;
   b) de vreemdeling met wie hij door een wettelijk geregistreerd partnerschap verbonden is, die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar en voldoen aan de voorwaarden voorzien in het tweede lid;
   c) hun gemeenschappelijke minderjarige kinderen, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die ongehuwd zijn;
   d) de minderjarige kinderen van de vreemdeling die vervoegd wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling onder onder b), die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die ongehuwd zijn en voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of zijn geregistreerde partner het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent en de kinderen ten laste zijn van hem, diens echtgenoot of geregistreerde partner. Indien het ouderlijk gezag wordt gedeeld, dient de andere houder van het ouderlijk gezag zijn toestemming te hebben gegeven;
   e) het ongehuwd gehandicapt kind dat ouder is dan achttien jaar van de vreemdeling die vervoegd wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling onder b), voor zover het kind een attest overlegt dat uitgaat van een door de Belgische diplomatieke of consulaire post erkende arts dat aantoont dat het vanwege zijn handicap niet in zijn eigen behoeften kan voorzien;
   f) de ouders, voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, jonger is dan achttien jaar en het Rijk is binnengekomen zonder begeleiding van een krachtens de wet verantwoordelijke meerderjarige vreemdeling en vervolgens niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke persoon gestaan heeft, of zonder begeleiding werd achtergelaten nadat hij het Rijk is binnengekomen en op voorwaarde dat ze met hem komen samenleven alvorens hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
   6° de volgende familieleden van een vreemdeling die over een verblijf van onbeperkte duur beschikt en sedert minimum twee jaar toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk. Deze laatstgenoemde termijn wordt teruggebracht tot een jaar indien de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam of vervalt indien de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door de familieleden bedoeld in de bepalingen onder c) tot e):
   a) de buitenlandse echtgenoot, die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar;
   b) de vreemdeling met wie hij door een wettelijk geregistreerd partnerschap verbonden is, die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar en voldoen aan de voorwaarden voorzien in het tweede lid;
   c) hun gemeenschappelijke minderjarige kinderen, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die ongehuwd zijn;
   d) de minderjarige kinderen van de vreemdeling die vervoegd wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling onder b), die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en ongehuwd zijn en voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of zijn geregistreerde partner het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent en de kinderen ten laste zijn van hem, diens echtgenoot of geregistreerde partner. Indien het ouderlijk gezag wordt gedeeld, dient de andere houder van het ouderlijk gezag zijn toestemming te hebben gegeven;
   e) het ongehuwd gehandicapt kind dat ouder is dan achttien jaar van de vreemdeling die vervoegd wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling onder b), voor zover het kind een attest overlegt dat uitgaat van een door de Belgische diplomatieke of consulaire post erkende arts dat aantoont dat het vanwege zijn handicap niet in zijn eigen behoeften kan voorzien.
   De in het eerste lid, 4°, b), 5°, b) en 6°, b), bedoelde geregistreerde partners moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
   1° bewijzen een naar behoren geattesteerde duurzame en stabiele partnerrelatie te onderhouden. Het duurzaam en stabiel karakter van deze relatie is aangetoond:
   a) indien de partners bewijzen gedurende minstens één jaar, voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken op legale wijze in België of een ander land te hebben samengewoond;
   b) ofwel indien de partners bewijzen dat zij elkaar sedert ten minste twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag, kennen en het bewijs leveren dat zij regelmatig, telefonisch, via briefwisseling of elektronische berichten met elkaar contact onderhielden en dat zij elkaar in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag driemaal ontmoet hebben en dat deze ontmoetingen in totaal 45 of meer dagen betreffen;
   c) ofwel indien de partners een gemeenschappelijk kind hebben;
   2° ongehuwd zijn en geen duurzame en stabiele partnerrelatie hebben met een andere persoon;
   3° geen personen zijn bedoeld in de artikelen 161 tot 163 van het oud Burgerlijk Wetboek;
   4° ten aanzien van geen van beiden is een definitieve beslissing genomen tot weigering van de voltrekking van het huwelijk op basis van artikel 167 van het oud Burgerlijk Wetboek.
   Voor zover de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam, houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de leeftijd die het familielid bedoeld in het eerste lid, 5°, c) en d), dan wel de vreemdeling die vervoegd wordt bedoeld in het eerste lid, 5°, f), had op het moment van de indiening van het verzoek om internationale bescherming dan wel de aanvraag om toelating tot verblijf wegens staatloosheid bedoeld in artikel 57/38. Indien het kind de leeftijd van achttien jaar bereikte gedurende of kort na de procedure tot bekomen van de vluchtelingenstatus of de procedure tot bekomen van de toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45, kan de aanvraag tot gezinshereniging worden ingediend tot drie maanden na de beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus dan wel de beslissing tot toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45. De minister of zijn gemachtigde houdt bij de beoordeling van de laatstgenoemde termijn van drie maanden rekening met bijzondere omstandigheden dewelke de laattijdige indiening van de aanvraag objectief verschoonbaar maken.
   De bepalingen met betrekking tot de kinderen zijn van toepassing, tenzij een internationaal verdrag, dat België bindt, meer voordelige bepalingen bevat.
   § 2. De in paragraaf 1, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde vreemdelingen moeten het bewijs aanbrengen dat ze beschikken over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen ten behoeve van zichzelf en om te voorkomen dat ze ten laste van de openbare overheden vallen.
   De in paragraaf 1, eerste lid, 5°, a) tot e), en 6°, a) tot e), bedoelde familieleden moeten het bewijs leveren dat de vreemdeling die vervoegd wordt over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt alsook over behoorlijke huisvesting beschikt die als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en dewelke voldoet aan de wettelijk geldende criteria inzake veiligheid en hygiëne. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria waaraan het onroerend goed moet voldoen alsook de wijze waarop de vreemdeling bewijst dat het onroerend goed voldoet aan de gestelde voorwaarden.
   De in paragraaf 1, eerste lid, 5°, a) tot e), en 6°, a) tot e), bedoelde familieleden moeten bovendien het bewijs aanbrengen dat de vreemdeling die vervoegd wordt beschikt over toereikende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen, zoals bepaald in paragraaf 5, om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden en om te voorkomen dat zij ten laste van de openbare overheden vallen. Deze voorwaarde is niet van toepassing indien de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door de familieleden bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 5°, c) tot e), of 6° c) tot e).
   Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op de in paragraaf 1, eerste lid, 5°, bedoelde familieleden voor zover de aanvraag tot verblijf op basis van dit artikel werd ingediend binnen de zes maanden na de beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus dan wel de beslissing tot toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45 en de vreemdeling bij de indiening van deze aanvraag minstens een begin van bewijs van zijn identiteit voorlegt evenals een begin van bewijs van de bloed- of aanverwantschapsband en op voorwaarde dat hij uiterlijk tien maanden na de beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus dan wel de beslissing tot toelating tot verblijf overeenkomstig artikel 57/45 zijn aanvraag heeft vervolledigd met alle documenten bedoeld in artikel 12bis, §§ 2 tot 4. De minister of zijn gemachtigde houdt bij de beoordeling van deze termijnen rekening met bijzondere omstandigheden dewelke de laattijdige indiening van de aanvraag objectief verschoonbaar maken. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze van indiening van de aanvraag alsook de wijze waarop het familielid kan bewijzen dat hij aan de voorgaande voorwaarden voldoet.
   In afwijking van het vierde lid kan de minister of zijn gemachtigde, door middel van een met redenen omklede beslissing, echter eisen dat de in het tweede en derde lid bedoelde documenten worden overgelegd indien de gezinshereniging mogelijk is in een ander land, waarmee de vreemdeling die vervoegd wordt of zijn familielid een bijzondere band heeft, waarbij rekening gehouden wordt met de feitelijke omstandigheden, de aan de gezinshereniging gestelde voorwaarden in dat ander land en de mate waarin de betrokken vreemdelingen deze voorwaarden kunnen vervullen.
   Alle in paragraaf 1 bedoelde familieleden moeten bovendien het bewijs aanbrengen dat zij niet lijden aan een van de ziekten die de volksgezondheid in gevaar kunnen brengen en die worden opgesomd in de bijlage bij deze wet.
   § 3. Onder voorbehoud van artikel 11, § 2, en het bepaalde in artikel 42quater, kan, wanneer een onderdaan van een derde land overeenkomstig de artikelen 10, 10bis, 40bis, 40ter of 47/2, 1°, zelf tot een verblijf in de hoedanigheid van echtgenoot of ongehuwde partner toegelaten of gemachtigd werd, het recht om hem op basis van een huwelijk of een partnerschap te vervoegen slechts worden toegekend indien hij kan bewijzen dat hij gedurende twee jaar regelmatig in het Rijk heeft verbleven en voor zover de aan de gezinshereniging gestelde voorwaarden vervuld worden.
   § 4. Een polygame vreemdeling kan zich niet laten vervoegen door zijn echtgenoot bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, a), 5°, a) of 6°, a), indien een andere echtgenoot reeds in het Rijk verblijft.
   § 5. Het bedrag van de bestaansmiddelen bedoeld in paragraaf 2 moet netto ten minste gelijk zijn aan honderdtien procent van het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimuminkomen dat door artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen wordt beoogd. Dit bedrag wordt verhoogd met tien procent voor elk bijkomend familielid ten laste van de vreemdeling die vervoegd wordt.
   Bij het beoordelen van deze bestaansmiddelen:
   1° wordt rekening gehouden met hun aard en regel- matigheid;
   2° worden de middelen verkregen uit de aanvullende bijstandsstelsels, met name het leefloon en de aanvullende gezinsbijslag, alsook de financiële maatschappelijke dienstverlening en de gezinsbijslagen niet in aanmerking genomen;
   3° worden de inschakelingsuitkering en de overbruggingsuitkering niet in aanmerking genomen en wordt de werkloosheidsuitkering enkel in aanmerking genomen voor zover de vreemdeling bij wie men zich voegt, kan bewijzen dat hij actief werk zoekt.
   § 6. Paragraaf 1, eerste lid, 1°, is niet van toepassing op de familieleden van de vreemdeling die gemachtigd is in België te verblijven om er te studeren of die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van beperkte duur ingevolge deze wet of ingevolge de bijzondere omstandigheden eigen aan de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België ]1
.
  
Art.10. [1 § 1er. Sous réserve des dispositions des articles 9 et 12, sont de plein droit admis à séjourner plus de trois mois dans le Royaume:
   1° l'étranger dont le droit de séjour est reconnu par un traité international, par une loi ou par un arrêté royal;
   2° l'étranger qui remplit les conditions prévues par le Code de la nationalité belge pour recouvrer la nationalité belge, sans qu'il soit requis qu'il ait sa résidence principale en Belgique depuis au moins douze mois et sans qu'il doive faire une déclaration de recouvrement de la nationalité belge;
   3° la femme qui, par son mariage ou à la suite de l'acquisition par son mari d'une nationalité étrangère, a perdu la nationalité belge;
   4° les membres de la famille suivants d'un étranger qui est admis à séjourner dans le Royaume, soit en tant que bénéficiaire d'un statut de protection internationale, soit conformément à l'article 57/45, qui sont présents sur le territoire du Royaume en raison de la demande de protection internationale ou de la demande d'admission au séjour pour apatridie visée à l'article 57/38 mais qui, individuellement, ne remplissent pas les conditions nécessaires pour obtenir cette protection, et pour autant que les liens familiaux existaient déjà avant l'arrivée de l'étranger accompagné dans le Royaume et que l'admission au séjour est compatible avec le statut juridique personnel du membre de la famille:
   a) le conjoint étranger qui vit avec lui, à la condition qu'ils soient tous les deux âgés de plus de dix-huit ans;
   b) l'étranger avec lequel il est lié par un partenariat enregistré conformément à une loi, qui vit avec lui, à condition qu'ils soient tous les deux âgés de plus de dix-huit ans et qu'ils remplissent les conditions prévues à l'alinéa 2;
   c) leurs enfants mineurs communs, qui vivent avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et qui sont non mariés;
   d) les enfants mineurs de l'étranger accompagné, ou de son conjoint ou partenaire enregistré visé au b), qui viennent vivre avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et qui sont non mariés, et pour autant que l'étranger accompagné, son conjoint ou son partenaire enregistré exerce l'autorité parentale, y compris le droit de garde, et que les enfants soient à sa charge, à celle de son conjoint ou de son partenaire enregistré. Si l'autorité parentale est partagée, l'autre titulaire de l'autorité parentale doit avoir donné son accord;
   e) l'enfant handicapé non marié âgé de plus de dix-huit ans de l'étranger accompagné, ou de son conjoint ou partenaire enregistré visé au b), pour autant qu'il fournisse une attestation émanant d'un médecin agréé par le poste diplomatique ou consulaire belge indiquant qu'il se trouve, en raison de son handicap, dans l'incapacité de subvenir à ses propres besoins;
   f) les parents ou l'étranger majeur qui en a la charge, conformément à la législation belge, pour autant que l'étranger accompagné soit âgé de moins de dix-huit ans et non marié et à condition qu'ils vivent avec lui avant qu'il ait atteint l'âge de dix-huit ans;
   5° sous réserve du 4°, les membres de la famille suivants d'un étranger qui est admis à séjourner dans le Royaume soit en tant que bénéficiaire du statut de réfugié soit conformément à l'article 57/45:
   a) le conjoint étranger qui vient vivre avec lui, à condition qu'ils soient tous les deux âgés de plus de vingt-et-un ans;
   b) l'étranger avec lequel il est lié par un partenariat enregistré conformément à une loi, qui vient vivre avec lui, à condition qu'ils soient tous les deux âgés de plus de vingt-et-un ans et qu'ils remplissent les conditions prévues à l'alinéa 2;
   c) leurs enfants mineurs communs, qui viennent vivre avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et qui sont non mariés;
   d) les enfants mineurs de l'étranger rejoint, de son conjoint ou du partenaire enregistré visé au b), qui viennent vivre avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et qui sont non mariés, et pour autant que l'étranger rejoint, son conjoint ou son partenaire enregistré exerce l'autorité parentale, y compris le droit de garde, et que les enfants soient à sa charge, à celle de son conjoint ou de son partenaire enregistré. Si l'autorité parentale est partagée, l'autre titulaire de l'autorité parentale doit avoir donné son accord;
   e) l'enfant handicapé non marié âgé de plus de dix-huit ans de l'étranger rejoint, de son conjoint ou du partenaire enregistré visé au b), pour autant qu'il fournisse une attestation émanant d'un médecin agréé par le poste diplomatique ou consulaire belge indiquant qu'il se trouve, en raison de son handicap, dans l'incapacité de subvenir à ses propres besoins;
   f) les parents, pour autant que l'étranger rejoint soit âgé de moins de dix-huit ans et qu'il soit entré dans le Royaume sans être accompagné d'un étranger majeur responsable de lui par la loi et qu'il n'ait pas été pris en charge effectivement par une telle personne par la suite, ou qu'il ait été laissé seul après son arrivée dans le Royaume, et à condition qu'ils viennent vivre avec lui avant qu'il ait atteint l'âge de dix-huit ans;
   6° les membres de la famille suivants d'un étranger qui dispose d'un droit de séjour d'une durée illimitée et qui est admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume depuis au moins deux ans. Ce dernier délai est ramené à un an lorsque les liens familiaux existaient déjà avant l'arrivée dans le Royaume de l'étranger rejoint ou est supprimé si l'étranger se fait uniquement rejoindre par les membres de sa famille visés aux c) à e):
   a) le conjoint étranger qui vient vivre avec lui, à condition qu'ils soient tous les deux âgés de plus de vingt-et-un ans;
   b) l'étranger avec lequel il est lié par un partenariat enregistré conformément à une loi, qui vient vivre avec lui, à condition qu'ils soient tous les deux âgés de plus de vingt-et-un ans et qu'ils remplissent les conditions prévues à l'alinéa 2;
   c) leurs enfants mineurs communs, qui viennent vivre avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et qui sont non mariés;
   d) les enfants mineurs de l'étranger rejoint, de son conjoint ou du partenaire enregistré visé au b), qui viennent vivre avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et qui sont non mariés, et pour autant que l'étranger rejoint, son conjoint ou son partenaire enregistré exerce l'autorité parentale, y compris le droit de garde, et que les enfants soient à sa charge, à celle de son conjoint ou de son partenaire enregistré. Si l'autorité parentale est partagée, l'autre titulaire de l'autorité parentale doit avoir donné son accord;
   e) l'enfant handicapé non marié âgé de plus de dix-huit ans de l'étranger rejoint, de son conjoint ou du partenaire enregistré visé au b), pour autant qu'il fournisse une attestation émanant d'un médecin agréé par le poste diplomatique ou consulaire belge indiquant qu'il se trouve, en raison de son handicap, dans l'incapacité de subvenir à ses propres besoins.
   Les partenaires enregistrés visés à l'alinéa 1er, 4°, b), 5°, b) et 6°, b), doivent répondre aux conditions suivantes:
   1° prouver qu'ils entretiennent une relation de partenaire durable et stable dûment établie. Le caractère durable et stable de cette relation est établi:
   a) si les partenaires prouvent qu'ils ont cohabité de manière légale et ininterrompue en Belgique ou dans un autre pays, pendant au moins un an avant la demande;
   b) ou si les partenaires prouvent qu'ils se connaissent depuis au moins deux ans avant la demande et qu'ils fournissent la preuve qu'ils ont entretenu des contacts réguliers par téléphone, par courrier ordinaire ou électronique, qu'ils se sont rencontrés trois fois durant les deux années précédant la demande et que ces rencontres comptabilisent au total 45 jours ou plus;
   c) ou si les partenaires ont un enfant commun;
   2° être non mariés et ne pas avoir de relation de partenaire durable et stable avec une autre personne;
   3° ne pas être une des personnes visées aux articles 161 à 163 de l'ancien Code civil;
   4° n'avoir fait ni l'un ni l'autre l'objet d'une décision définitive de refus de célébration du mariage sur la base de l'article 167 de l'ancien Code civil.
   Pour autant que les liens familiaux existaient déjà avant l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume, le ministre ou son délégué tient compte de l'âge que le membre de la famille visé à l'alinéa 1er, 5°, c) et d), ou l'étranger rejoint visé à l'alinéa 1er, 5°, f), avait au moment de l'introduction de la demande de protection internationale ou de la demande d'admission au séjour pour apatridie visée à l'article 57/38. Si l'enfant atteint l'âge de dix-huit ans pendant ou peu après la procédure d'obtention du statut de réfugié ou la procédure d'obtention d'une admission au séjour conformément à l'article 57/45, la demande de regroupement familial peut être introduite jusqu'à trois mois après la décision d'octroi du statut de réfugié ou la décision d'admission au séjour conformément à l'article 57/45. Lors de l'appréciation de ce dernier délai de trois mois, le ministre ou son délégué tient compte des circonstances particulières qui rendent objectivement excusable l'introduction tardive de la demande.
   Les dispositions relatives aux enfants s'appliquent à moins qu'un accord international liant la Belgique ne prévoie des dispositions plus favorables.
   § 2. Les étrangers visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° et 3°, doivent apporter la preuve qu'ils disposent de moyens de subsistance stables, suffisants et réguliers pour subvenir à leurs propres besoins et ne pas devenir une charge pour les pouvoirs publics.
   Les membres de la famille visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 5°, a) à e), et 6°, a) à e), doivent apporter la preuve que l'étranger rejoint dispose d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille, ainsi que d'un logement suffisant considéré comme normal pour une famille de taille comparable et qui répond aux critères légaux en vigueur en matière de sécurité et de salubrité. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les critères auxquels l'immeuble doit répondre ainsi que la manière dont l'étranger prouve que l'immeuble répond aux conditions fixées.
   Les membres de la famille visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 5°, a) à e), et 6°, a) à e), doivent en outre apporter la preuve que l'étranger rejoint dispose de moyens de subsistance stables, réguliers et suffisants tels que prévus au paragraphe 5 pour subvenir à ses propres besoins et à ceux des membres de sa famille et pour éviter qu'ils ne deviennent une charge pour les pouvoirs publics. Cette condition n'est pas applicable si l'étranger se fait uniquement rejoindre par les membres de sa famille visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 5°, c) à e), ou 6°, c) à e).
   Les alinéas 2 et 3 ne sont pas applicables aux membres de la famille visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 5°, pour autant que la demande de séjour sur la base du présent article ait été introduite dans les six mois suivant la décision d'octroi du statut de réfugié ou la décision d'admission au séjour conformément à l'article 57/45 et que l'étranger produit un début de preuve de son identité et du lien de parenté ou d'alliance au moment de l'introduction de la demande et à condition qu'il ait complété sa demande avec tous les documents visés à l'article 12bis, §§ 2 à 4, au plus tard dix mois après la décision d'octroi du statut de réfugié ou la décision d'admission au séjour conformément à l'article 57/45. Lors de l'appréciation de ces délais, le ministre ou son délégué tient compte des circonstances particulières qui rendent objectivement excusable l'introduction tardive de la demande. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'introduction de la demande ainsi que la manière dont le membre de la famille peut prouver qu'il remplit les conditions précédentes.
   Par dérogation à l'alinéa 4, le ministre ou son délégué peut cependant exiger, par une décision motivée, la production des documents visés aux alinéas 2 et 3, lorsque le regroupement familial est possible dans un autre pays avec lequel l'étranger rejoint ou le membre de sa famille a un lien particulier, en tenant compte des circonstances de fait, des conditions fixées dans cet autre pays en ce qui concerne le regroupement familial et de la mesure dans laquelle les étrangers concernés peuvent remplir celles-ci.
   Tous les membres de la famille visés au paragraphe 1er doivent en outre apporter la preuve qu'ils ne sont pas atteints d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées dans l'annexe à la présente loi.
   § 3. Sous réserve de l'article 11, § 2, et des dispositions de l'article 42quater, lorsqu'un ressortissant de pays tiers a lui-même été admis ou autorisé à séjourner en qualité de conjoint ou partenaire non marié conformément aux articles 10, 10bis, 40bis, 40ter ou 47/2, 1°, le droit de le rejoindre sur la base d'un mariage ou d'un partenariat ne peut être accordé que s'il peut prouver qu'il réside régulièrement dans le Royaume depuis deux ans et pour autant que les conditions du regroupement familial soient remplies.
   § 4. Un étranger polygame ne peut pas être rejoint par son conjoint visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, a), 5°, a) ou 6°, a), lorsqu'un autre conjoint séjourne déjà dans le Royaume.
   § 5. Le montant net des moyens de subsistance visés au paragraphe 2 doivent être au moins équivalents à cent-dix pour cent du revenu minimum mensuel moyen garanti tel que prévu par l'article 3 de la convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 relative à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen. Ce montant est augmenté de dix pour cent pour chaque membre de la famille supplémentaire à charge de l'étranger rejoint.
   L'évaluation de ces moyens de subsistance:
   1° tient compte de leur nature et de leur régularité;
   2° ne tient pas compte des moyens provenant de régimes d'assistance complémentaires, à savoir le revenu d'intégration et le supplément d'allocations familiales, ni de l'aide sociale financière et des allocations familiales;
   3° ne tient pas compte des allocations d'insertion professionnelle ni de l'allocation de transition et tient uniquement compte de l'allocation de chômage pour autant que l'étranger rejoint puisse prouver qu'il cherche activement du travail.
   § 6. Le paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, n'est pas applicable aux membres de la famille de l'étranger autorisé à séjourner en Belgique pour y faire des études ou autorisé à y séjourner pour une durée limitée, fixée par la présente loi ou en raison de circonstances particulières propres à l'intéressé ou en rapport avec la nature ou la durée de ses activités en Belgique ]1
.
  
Art. 10bis. [1 § 1. Wanneer de [9 in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden]9 [7 van een vreemdeling die gemachtigd is tot verblijf in de hoedanigheid van student op grond van de bepalingen van Titel II, Hoofdstuk III]7 een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden aanvragen, moet die machtiging worden toegekend indien de student of één van de betrokken familieleden het bewijs aanbrengt :
   - [4 dat de student over]4 stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen beschikt zoals bepaald in artikel 10, § 5 om in zijn eigen behoeften en die van zijn familieleden te voorzien en om te voorkomen dat zij ten laste vallen van de openbare overheden;
   - [4 [9 dat de student over behoorlijke huisvesting beschikt die als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en dewelke voldoet aan de wettelijk geldende criteria inzake veiligheid en hygiëne. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria waaraan het onroerend goed moet voldoen alsook de wijze waarop de vreemdeling bewijst dat het onroerend goed voldoet aan de gestelde voorwaarden]9;
   - [4 dat de student over]4
een ziektekostenverzekering beschikt die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt;
   - dat zij zich niet bevinden in één van de in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8° bepaalde gevallen, of niet lijden aan een van de ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en die worden opgesomd in de bijlage bij deze wet.
   De bepalingen van artikel 12bis, § 6, zijn eveneens van toepassing.
   § 2. [6 [9 Wanneer de in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden van een vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd in België te verblijven]9voor een beperkte duur ingevolge deze wet of ingevolge de bijzondere omstandigheden eigen aan de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België, een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden aanvragen, moet die machtiging toegekend worden indien zij het bewijs aanbrengen :
   1° dat de vreemdeling die vervoegd wordt over stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen beschikt zoals bepaald in artikel 10, § 5, om in zijn eigen behoeften en die van zijn familieleden te kunnen voorzien en om te voorkomen dat zij ten laste vallen van de openbare overheden;
   2° [9 dat de vreemdeling die vervoegd wordt over behoorlijke huisvesting beschikt die als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en dewelke voldoet aan de wettelijk geldende criteria inzake veiligheid en hygiëne. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria waaraan het onroerend goed moet voldoen alsook de wijze waarop de vreemdeling bewijst dat het onroerend goed voldoet aan de gestelde voorwaarden]9.
   De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop de vreemdeling bewijst dat het onroerend goed voldoet aan de gestelde voorwaarden;
   3° dat de vreemdeling die vervoegd wordt, over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico`s in België voor hem en zijn familieleden dekt;
   4° dat zij zich niet bevinden in één van de in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8°, bepaalde gevallen, of niet lijden aan een van de ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en die worden opgesomd in de bijlage bij deze wet.
   De bepalingen van artikel 12bis, § 6, zijn eveneens van toepassing.]6

  [9 De machtiging tot verblijf bedoeld in het eerste lid wordt pas toegekend aan de familieleden van een vreemdeling die gemachtigd werd tot een verblijf in het Rijk op basis van artikel 9bis wanneer de vreemdeling die vervoegd wordt sedert minimum twee jaar toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk. Deze laatstgenoemde termijn vervalt indien de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, c) tot e).
   Onverminderd de toepassing van paragraaf 2/1, zijn het eerste, tweede en derde lid niet van toepassing op de familieleden van een vreemdeling die toegelaten werd om in het Rijk te verblijven als begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus of de tijdelijke beschermingsstatus.]9

  [9 § 2/1. Onder voorbehoud van artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, en artikel 57/34, wordt de machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden, aangevraagd door de in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden van een vreemdeling die als begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus of de tijdelijke beschermingsstatus tot een verblijf in het Rijk is toegelaten, toegekend op voorwaarde dat de vreemdeling die vervoegd wordt sedert minimum twee jaar toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk en de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt in het Rijk aankwam, en voor zover de familieleden het bewijs aanbrengen dat:
   1° de vreemdeling die vervoegd wordt over stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen beschikt zoals bepaald in artikel 10, § 5, om in zijn eigen behoeften en die van zijn familieleden te kunnen voorzien en om te voorkomen dat zij ten laste vallen van de openbare overheden. Deze voorwaarde is niet van toepassing wanneer de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, c) tot e);
   2° de vreemdeling die vervoegd wordt over voldoende huisvesting beschikt die als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en dewelke voldoet aan de wettelijk geldende criteria inzake veiligheid en hygiëne. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria waaraan het onroerend goed moet voldoen alsook de wijze waarop de vreemdeling bewijst dat het onroerend goed voldoet aan de gestelde voorwaarden;
   3° de vreemdeling die vervoegd wordt over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico`s in België voor hem en zijn familieleden dekt;
   4° zij zich niet bevinden in een van de in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8°, bepaalde gevallen, of niet lijden aan een van de ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en die worden opgesomd in de bijlage bij deze wet.
   De in het eerste lid bedoelde termijn van twee jaar vervalt indien de vreemdeling zich enkel laat vervoegen door de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, c) tot e).
   De bepalingen van artikel 12bis, § 6, zijn eveneens van toepassing.]9

   § 3. De §§ 1 en 2 zijn ook van toepassing op [9 de in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden]9, van een vreemdeling die de status van langdurig ingezetene geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie, op grond van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, en die gemachtigd is tot verblijf in het Rijk op grond van de bepalingen van titel II, hoofdstuk V, of die deze machtiging aanvraagt.
   Wanneer echter een gezin al is gevormd of opnieuw is gevormd in die andere lidstaat van de Europese Unie, moet de vreemdeling bij wie het gezinslid zich komt voegen, niet het bewijs leveren dat hij beschikt over behoorlijke huisvesting om het gezinslid of de gezinsleden te ontvangen en zal, wat de voorwaarde betreft van de stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen, ook rekening worden gehouden met het bewijs dat het gezinslid persoonlijk over dergelijke middelen beschikt. Om deze bijzondere regeling te kunnen genieten, moeten de betrokken gezinsleden de [3 EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene]3 of de verblijfstitel die hun is afgegeven door een lidstaat van de Europese Unie, samen met het bewijs dat zij in deze Staat hebben verbleven als gezinslid van een langdurig ingezetene, voorleggen.]1

  [2 § 4. Paragraaf 2 is eveneens van toepassing op de [9 in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden]9, van de vreemdeling die in toepassing van [5 artikel 61/27-4]5 gemachtigd werd tot verblijf.
   Wanneer echter een familie al is gevormd of opnieuw is gevormd in een andere lidstaat van de Europese Unie, moet de vreemdeling bij wie het familielid zich komt voegen, niet het bewijs leveren dat hij beschikt over voldoende huisvesting om het familielid of de familieleden te ontvangen en wordt, wat de voorwaarde betreft van de stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen, ook rekening gehouden met het bewijs dat het familielid persoonlijk over dergelijke middelen beschikt. Om van deze bijzondere regeling te kunnen genieten, moeten de betrokken familieleden de verblijfstitel die hun is afgegeven door een lidstaat van de Europese Unie, samen met het bewijs dat zij in deze Staat hebben verbleven als familielid van een houder van een Europese blauwe kaart, voorleggen.]2

  [6 § 5. Paragraaf 2 is eveneens van toepassing op de [9 de in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden]9 van de onderdaan van een derde land die in toepassing van [8 artikel 61/39 of artikel 61/48]8 gemachtigd werd tot verblijf.
  [8 Wanneer een familie echter al is gevormd of opnieuw is gevormd in een andere lidstaat van de Europese Unie, legt het familielid de volgende informatie en documenten voor:
   1° de geldige verblijfstitel afgeleverd door de eerste lidstaat;
   2° het bewijs dat hij in de hoedanigheid van familielid in de eerste lidstaat heeft verbleven.]8

   § 6. [8 Paragraaf 2 is eveneens van toepassing op de [9 "in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden]9 van de vreemdeling die met toepassing van artikel 61/13/3 of artikel 61/13/10 gemachtigd werd tot verblijf.
   Wanneer een familie echter al is gevormd of opnieuw is gevormd in een andere lidstaat van de Europese Unie, legt het familielid van de vreemdeling die met toepassing van artikel 61/13/10 gemachtigd werd tot verblijf, de volgende informatie en documenten voor:
   1° de geldige verblijfstitel afgeleverd door de eerste lidstaat;
   2° het bewijs dat hij in de hoedanigheid van familielid in de eerste lidstaat heeft verbleven.]8
]6

  
Art. 10bis. [1 § 1er. Lorsque les [9 membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e)]9, [7 d'un étranger autorisé au séjour en qualité d'étudiant sur la base des dispositions du Titre II, Chapitre III,]7 introduisent une demande d'autorisation de séjour de plus de trois mois, cette autorisation doit être accordée si l'étudiant ou un des membres de sa famille en question apporte la preuve :
   - [4 que l'étudiant dispose]4 de moyens de subsistance stables, réguliers et suffisants, conformément à l'article 10, § 5, pour subvenir à ses propres besoins et à ceux des membres de sa famille et pour éviter qu'ils ne deviennent une charge pour les pouvoirs publics;
   - [4 [9 que l'étudiant dispose d'un logement suffisant, considéré comme normal pour une famille de taille comparable et qui répond aux critères légaux en vigueur en matière de sécurité et de salubrité. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les critères auxquels l'immeuble doit répondre ainsi que la manière dont l'étranger prouve que l'immeuble répond aux conditions fixées]9;
   - [4 que l'étudiant dispose]4
d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille;
   - que ceux-ci ne se trouvent pas dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 8°, ou ne sont pas atteints d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées dans l'annexe à la présente loi.
   Les dispositions de l'article 12bis, § 6, s'appliquent également.
   § 2. [6 [9 Lorsque les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e), d'un étranger admis ou autorisé à séjourner en Belgique]9 pour une durée limitée, fixée par la présente loi ou en raison de circonstances particulières propres à l'intéressé ou en rapport avec la nature ou la durée de ses activités en Belgique, introduisent une demande d'autorisation de plus de trois mois, cette autorisation doit être accordée s'ils apportent la preuve :
   1° que l'étranger rejoint dispose de moyens de subsistance stables, réguliers et suffisants, conformément à l'article 10, § 5, pour pouvoir subvenir à ses propres besoins et à ceux des membres de sa famille et pour éviter qu'ils ne deviennent une charge pour les pouvoirs publics;
   2° [9 que l'étranger rejoint dispose d'un logement suffisant considéré comme normal pour une famille de taille comparable et qui répond aux critères légaux en vigueur en matière de sécurité et de salubrité. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les critères auxquels l'immeuble doit répondre ainsi que la manière dont l'étranger prouve que l'immeuble répond aux conditions fixées]9;
   Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des ministres, de quelle manière l'étranger apporte la preuve que le bien immeuble satisfait aux conditions prévues;
   3° que l'étranger rejoint dispose d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille;
   4° que ceux-ci ne se trouvent pas dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 8°, ou ne sont pas atteints d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées dans l'annexe à la présente loi.
   Les dispositions de l'article 12bis, § 6, s'appliquent également.]6

  [9 L'autorisation de séjour visée à l'alinéa 1er, est uniquement accordée aux membres de la famille d'un étranger qui a été autorisé à séjourner dans le Royaume sur la base de l'article 9bis lorsque l'étranger rejoint est admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume depuis aux moins deux ans. Ce dernier délai est supprimé si l'étranger se fait uniquement rejoindre par les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, c) à e).
   Sans préjudice de l'application du paragraphe 2/1, les alinéas 1er, 2 et 3, ne s'appliquent pas aux membres de la famille d'un étranger qui est admis à séjourner dans le Royaume en tant que bénéficiaire du statut de protection subsidiaire ou du statut de protection temporaire]9
.
  [9 § 2/1. Sous réserve de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, et de l'article 57/34, l'autorisation de séjour de plus de trois mois demandée par les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e), d'un étranger qui est admis à séjourner dans le Royaume en tant que bénéficiaire du statut de protection subsidiaire ou du statut de protection temporaire, doit être accordée à condition que l'étranger rejoint soit admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume depuis au moins deux ans et que les liens familiaux existaient déjà avant l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume, et pour autant que les membres de la famille apportent la preuve que:
   1° l'étranger rejoint dispose de moyens de subsistance stables, réguliers et suffisants, conformément à l'article 10, § 5, pour pouvoir subvenir à ses propres besoins et à ceux des membres de sa famille et pour éviter qu'ils ne deviennent une charge pour les pouvoirs publics. Cette condition n'est pas applicable si l'étranger se fait uniquement rejoindre par les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, c) à e);
   2° l'étranger rejoint dispose d'un logement suffisant considéré comme normal pour une famille de taille comparable et qui répond aux critères légaux en vigueur en matière de sécurité et de salubrité. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les critères auxquels l'immeuble doit répondre ainsi que la manière dont l'étranger prouve que l'immeuble répond aux conditions fixées;
   3° l'étranger rejoint dispose d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille;
   4° ceux-ci ne se trouvent pas dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 8°, ou ne sont pas atteints d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées dans l'annexe à la présente loi.
   Le délai de deux ans, visé à l'alinéa 1er, est supprimé si l'étranger se fait uniquement rejoindre par les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, c) à e).
   Les dispositions de l'article 12bis, § 6, s'appliquent également.]9

   § 3. Les §§ 1er et 2 sont également applicables [9 aux membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e)]9, d'un étranger bénéficiant du statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, sur la base de la Directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, qui est autorisé à séjourner dans le Royaume sur la base des dispositions du titre II, chapitre V, ou qui demande cette autorisation.
   Toutefois, lorsque la famille est déjà constituée ou reconstituée dans cet autre Etat membre de l'Union européenne, l'étranger rejoint ne doit pas apporter la preuve qu'il dispose d'un logement décent pour recevoir le ou les membres de sa famille et, en ce qui concerne la condition de la possession de moyens de subsistance stables, réguliers et suffisants, la preuve que le membre de la famille dispose de tels moyens à titre personnel sera également prise en compte. Afin de pouvoir bénéficier de ce régime particulier, les membres de la famille concernés doivent produire le [3 permis de séjour de résident de longue durée - UE]3 ou le titre de séjour qui leur a été délivré par un Etat membre de l'Union européenne ainsi que la preuve qu'ils ont résidé en tant que membre de la famille d'un résident de longue durée dans cet Etat.]1

  [2 § 4. Le § 2 est également applicable [9 membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e)]9, de l'étranger qui est autorisé au séjour en application de l'[5 article 61/27-4]5.
   Toutefois, lorsque la famille est déjà constituée ou reconstituée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, l'étranger rejoint ne doit pas apporter la preuve qu'il dispose d'un logement suffisant pour recevoir le ou les membres de sa famille et, en ce qui concerne la condition de la possession de moyens de subsistance stables, réguliers et suffisants, la preuve que le membre de la famille dispose de tels moyens à titre personnel est également prise en compte. Afin de pouvoir bénéficier de ce régime particulier, les membres de la famille concernés doivent produire le titre de séjour qui leur a été délivré par un Etat membre de l'Union européenne ainsi que la preuve qu'ils ont résidé, dans cet Etat, en tant que membre de la famille d'un titulaire d'une carte bleue européenne.]2

  [6 § 5. Le paragraphe 2 est également applicable [9 membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e)]9, du ressortissant d'un pays tiers qui est autorisé au séjour en application de l'[8 article 61/39 ou de l'article 61/48]8.
  [8 Toutefois, si une famille est déjà constituée ou reconstituée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, le membre de la famille fournit les informations et documents suivants:
   1° le titre de séjour en cours de validité délivré par le premier Etat membre;
   2° la preuve qu'il a séjourné en tant que membre de famille dans le premier Etat membre.]8

   § 6. [8 Le paragraphe 2 est également applicable [9 membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e)]9, de l'étranger qui est autorisé au séjour en application de l'article 61/13/3 ou de l'article 61/13/10.
   Toutefois, si une famille est déjà constituée ou reconstituée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, le membre de la famille de l'étranger autorisé au séjour conformément à l'article 61/13/10 doit fournir les informations et documents suivants:
   1° le titre de séjour en cours de validité délivré par le premier Etat membre;
   2° la preuve qu'il a séjourné en tant que membre de famille dans le premier Etat membre.]8
]6

  
Art. 10ter. § 1. De aanvraag tot machtiging tot verblijf wordt ingediend volgens de modaliteiten die worden voorzien door artikel 9 of 9bis.
  De datum voor het indienen van de in artikel 10bis bedoelde aanvraag is die waarop alle bewijzen, [8 bedoeld in artikel 10bis, § 1, eerste lid, § 2, eerste lid, of § 2/1, eerste lid]8]3, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie, worden overgelegd, met inbegrip van een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, indien de aanvrager ouder is dan 18 jaar, alsmede een medisch getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één van de in (...) de bijlage aan deze wet opgesomde ziekten. <W 2007-04-25/49, art. 6, 1°, 045; Inwerkingtreding : onbepaald et au plus tard 01-06-2008>
  § 2. [1 De beslissing met betrekking tot de aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf wordt zo snel mogelijk en ten laatste [5 negen maanden]5 na de datum waarop de aanvraag werd ingediend, zoals bepaald in § 1, getroffen en [4 ter kennis gebracht]4. De beslissing wordt getroffen, rekening houdende met het geheel van de elementen van het dossier.
   [4 Indien aan de voorwaarde van het toereikend karakter van de bestaansmiddelen bedoeld in artikel 10, § 5, niet is voldaan,]4 dient de minister of zijn gemachtigde, op basis van de eigen behoeften van de vreemdeling die vervoegd wordt en van zijn familieleden te bepalen welke bestaansmiddelen zij nodig hebben om in hun behoeften te voorzien zonder ten laste te vallen van de openbare overheden. [8 bedoeld in artikel 10bis, § 1, eerste lid, § 2, eerste lid, of § 2/1, eerste lid]8.
   In bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag, alsook in het kader van een onderzoek naar een huwelijk als bedoeld in artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek of de voorwaarden verbonden aan [8 het partnerschap bedoeld in artikel 10, § 1, tweede lid]8, kan de minister of zijn gemachtigde deze termijn tweemaal met een periode van drie maanden verlengen. Dit wordt gedaan door middel van een met redenen omklede beslissing die ter kennis wordt gebracht van de aanvrager.
   Indien na het verstrijken van de termijn van [5 negen maanden]5 volgend op de datum waarop de aanvraag werd ingediend, die eventueel verlengd werd overeenkomstig het [3 derde lid]3, geen enkele beslissing getroffen werd, moet de machtiging tot verblijf verstrekt worden.
   In het kader van het onderzoek van de aanvraag wordt terdege rekening gehouden met het hoger belang van het kind.]1

  (§ 2bis. In afwijking van de §§ 1 en 2 wordt de beslissing over de aanvraag voor een machtiging tot verblijf van de bij artikel 10bis, § 3, bedoelde gezinsleden ten laatste vier maanden na de indiening van de aanvraag genomen.
  Wanneer de vereiste documenten niet zijn voorgelegd of in uitzonderlijke gevallen die verband houden met het complex karakter van het onderzoek van de aanvraag, kan de minister of zijn gemachtigde deze termijn éénmaal met drie maanden verlengen. Dit wordt gedaan door middel van een gemotiveerde beslissing die ter kennis van de aanvrager wordt gebracht.
  Indien geen enkele beslissing getroffen werd na het verstrijken van de termijn van vier maanden, volgend op de datum waarop de aanvraag werd ingediend, die eventueel verlengd werd overeenkomstig het tweede lid, moet de machtiging tot verblijf worden afgegeven wanneer de vereiste documenten zijn voorgelegd. In het andere geval wordt zij geweigerd.) <W 2007-04-25/49, art. 6, 2°, 045; Inwerkingtreding : onbepaald et au plus tard 01-06-2008>
  [2 § 2ter. In afwijking van § 2, wordt de beslissing over de aanvraag voor een machtiging tot verblijf van de in artikel 10bis, § 4, bedoelde familieleden ten laatste vier maanden na de datum waarop de aanvraag werd ingediend, zoals bepaald in § 1, getroffen en betekend.
   In bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag, alsook in het kader van een onderzoek naar een in artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek bedoeld huwelijk of de voorwaarden verbonden aan [8 het partnerschap bedoeld in artikel 10, § 1, tweede lid"]8, kan de minister of zijn gemachtigde deze termijn eenmaal verlengen met een periode van drie maanden. Dit wordt toegestaan door middel van een gemotiveerde beslissing die ter kennis wordt gebracht van de aanvrager.
   Indien na het verstrijken van de termijn van vier maanden volgend op de datum waarop de aanvraag werd ingediend, die eventueel verlengd werd overeenkomstig het tweede lid, geen enkele beslissing getroffen werd, moet de machtiging tot verblijf verstrekt worden wanneer de vereiste documenten zijn voorgelegd. In het andere geval wordt zij geweigerd.]2

  [6 § 2quater. In afwijking van paragraaf 2, wordt de beslissing over de aanvraag voor een machtiging tot verblijf van de in [7 artikel 10bis, § 5]7 bedoelde familieleden ten laatste binnen negentig dagen volgend op de indiening van de aanvraag zoals in paragraaf 1 wordt gedefinieerd, ter kennis gebracht.
   Wanneer de aanvraag bedoeld in het eerste lid op hetzelfde ogenblik wordt ingediend als de aanvraag ingediend overeenkomstig artikel 61/34 of artikel 61/45 van de onderdaan van een derde land die zij willen vervoegen, behandelt de minister of zijn gemachtigde deze aanvragen tegelijk.]6

  [7 § 2quinquies. In afwijking van paragraaf 2 wordt de beslissing over de aanvraag voor een machtiging tot verblijf van de in artikel 10bis, § 6, bedoelde familieleden ten laatste binnen negentig dagen volgend op de indiening van de aanvraag zoals in paragraaf 1 wordt gedefinieerd, ter kennis gebracht.
   Wanneer de aanvraag bedoeld in het eerste lid op hetzelfde ogenblik wordt ingediend als de aanvraag ingediend overeenkomstig artikel 61/12 of artikel 61/13/8, van de onderdaan van een derde land bij wie zij zich willen vervoegen, behandelt de minister of zijn gemachtigde deze aanvragen tegelijk.]7

  § 3. De minister of zijn gemachtigde kunnen beslissen om de aanvraag tot machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden te verwerpen, hetzij om dezelfde redenen als de redenen bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3°, hetzij indien de vreemdeling de andere voorwaarden van artikel 10bis niet of niet meer vervult, [4 ...]4 hetzij indien vaststaat dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend afgesloten werden opdat hij het Rijk zou kunnen binnenkomen of er verblijven. <W 2007-04-25/49, art. 6, 3°, 045; Inwerkingtreding : onbepaald et au plus tard 01-06-2008>
  
Art. 10ter. § 1er. La demande d'autorisation de séjour est introduite selon les modalités prévues à l'article 9 ou 9bis.
  La date du dépôt de la demande vsée à l'article 10bis est celle à laquelle toutes les preuves [8 visées à l'article 10bis, § 1er, alinéa 1er, § 2, alinéa 1er, ou § 2/1, alinéa 1er]8, conformément à l'article 30 de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé ou aux conventions internationales portant sur la même matière, sont produites, en ce compris un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, si le demandeur est âgé de plus de 18 ans, et un certificat médical d'où il résulte que celui-ci n'est pas atteint d'une des maladies énumérées (à) l'annexe à la présente loi. <L 2007-04-25/49, art. 6, 1°, 045; En vigueur : indéterminée et au plus tard 01-06-2008>
  § 2. [1 La décision relative à la demande d'autorisation de séjour est prise et notifiée dans les plus brefs délais et au plus tard dans les [5 neuf mois]5 suivant la date du dépôt de la demande définie au § 1er. La décision est prise en tenant compte de l'ensemble des éléments du dossier.
   [4 S'il n'est pas satisfait à la condition relative au caractère suffisant des ressources visée à l'article 10, § 5]4, le ministre ou son délégué doit déterminer, sur la base des besoins propres de l'étranger rejoint et des membres de sa famille, quels moyens de subsistance leur sont nécessaires pour subvenir à leurs besoins sans devenir une charge pour les pouvoirs publics. [8 A cette fin, l'étranger fournit, au moment de l'introduction de la demande, tous les documents et renseignements utiles pour déterminer ce montant. Le ministre ou son délégué tient compte, lors de son évaluation, de toutes les preuves valables qui sont produites à cet effet par l'étranger. Le Roi peut déterminer quels documents peuvent, le cas échéant, être produits pour l'évaluation des besoins]8.
   Dans des cas exceptionnels liés à la complexité de l'examen de la demande ainsi que dans le cadre d'une enquête concernant un mariage visé à l'article 146bis du Code civil ou les conditions [8 du partenariat visé à l'article 10, § 1er, alinéa 2]8, le ministre ou son délégué peut, à deux reprises, prolonger ce délai par période de trois mois, par une décision motivée, portée à la connaissance du demandeur.
   A l'expiration du délai de [5 neuf mois]5 suivant la date du dépôt de la demande, éventuellement prolongé conformément à [3 alinéa 3]3, si aucune décision n'a été prise, l'autorisation de séjour doit être délivrée.
   Dans le cadre de l'examen de la demande, il est dûment tenu compte de l'intérêt supérieur de l'enfant.]1

  (§ 2bis. Par dérogation aux §§ 1er et 2, la décision relative à la demande d'autorisation de séjour des membres de la famille visés à l'article 10bis, § 3, est prise au plus tard dans les quatre mois suivant l'introduction de la demande.
  Lorsque les documents requis ne sont pas produits ou dans des cas exceptionnels liés à la complexité de l'examen de la demande, le ministre ou son délégué peut prolonger, à une seule reprise, ce délai d'une période de trois mois, par une décision motivée portée à la connaissance du demandeur.
  A l'expiration du délai de quatre mois suivant l'introduction de la demande, éventuellement prolongé conformément à l'alinéa 2, si aucune décision n'a été prise, l'autorisation de séjour doit être délivrée lorsque les documents visés ont été produits. Elle est refusée dans le cas contraire. ";
  [2 § 2ter. Par dérogation au § 2, la décision relative à la demande d'autorisation de séjour des membres de la famille visés à l'article 10bis, § 4, est prise et notifiée au plus tard dans les quatre mois suivant la date du dépôt de la demande telle que définie au § 1er.
   Dans des cas exceptionnels liés à la complexité de l'examen de la demande, ainsi que dans le cadre d'une enquête concernant un mariage visé à l'article 146bis du Code civil ou les conditions[8 du partenariat visé à l'article 10, § 1er, alinéa 2]8, le ministre ou son délégué peut, par décision motivée portée à la connaissance du demandeur, prolonger, à une seule reprise, ce délai d'une période de trois mois.
   Si à l'expiration du délai de quatre mois suivant la date du dépôt de la demande, éventuellement prolongé conformément à l'alinéa 2, aucune décision n'a été prise, l'autorisation de séjour doit être délivrée lorsque les documents requis ont été produits. Dans le cas contraire, l'autorisation de séjour est refusée.]2

  [6 § 2quater. Par dérogation au paragraphe 2, la décision relative à l'autorisation de séjour des membres de la famille visés à l'[7 article 10bis, § 5,]7 est notifiée au plus tard nonante jours suivant la date du dépôt définie au paragraphe 1er.
   Lorsque la demande visée à l'alinéa 1er est introduite au même moment que la demande introduite conformément à l'article 61/34 ou à l'article 61/45 par le ressortissant d'un pays tiers qu'ils souhaitent rejoindre, le ministre ou son délégué traite ces demandes en même temps.]6

  [7 § 2quinquies. Par dérogation au paragraphe 2, la décision relative à la demande d'autorisation de séjour des membres de la famille visés à l'article 10bis, § 6, est notifiée au plus tard dans les nonante jours suivant l'introduction de la demande telle que définie au paragraphe 1er.
   Lorsque la demande visée à l'alinéa 1er est introduite au même moment que la demande introduite conformément à l'article 61/12 ou à l'article 61/13/8, par le ressortissant d'un pays tiers auquel ils veulent se joindre, le ministre ou son délégué traite ces demandes en même temps.]7

  § 3. Le ministre ou son délégué peut décider de rejeter la demande d'autorisation de séjour de plus de trois mois soit pour les mêmes motifs que ceux visés à l'article 11, § 1er, 1° à 3°, soit lorsque l'étranger ne remplit pas ou plus les autres conditions de l'article 10bis, [4 ...]4 soit lorsqu'il est établi que le mariage, le partenariat ou l'adoption a été conclu uniquement pour lui permettre d'entrer ou de séjourner dans le Royaume. <L 2007-04-25/49, art. 6, 3°, 045; En vigueur : indéterminée et au plus tard 01-06-2008>
  
Art.11. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die verklaart dat hij zich in een van de in artikel 10 bepaalde gevallen bevindt, in een van de volgende gevallen niet het recht heeft het Rijk binnen te komen of in het Rijk te verblijven :
   1° de vreemdeling voldoet niet of niet meer aan de voorwaarden van artikel 10;
   2° de vreemdeling en de vreemdeling die vervoegd wordt, onderhouden niet of niet meer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven;
   3° met uitzondering van afwijkingen, die worden bepaald bij een internationaal verdrag, bevindt de vreemdeling zich in een van de gevallen bepaald in artikel 3, 5° tot 8°, of hij lijdt aan één van de ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en die worden opgesomd in de bijlage bij deze wet;
   4° [2 ...]2 het staat vast dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend afgesloten werden opdat de betrokken vreemdeling het Rijk zou kunnen binnenkomen of er verblijven.
   [6 In het geval van de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, en de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, met wie de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam]6, mag de beslissing niet uitsluitend worden gebaseerd op het ontbreken van de officiële documenten die de bloed- of aanverwantschapsbanden aantonen, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie.
   In voorkomend geval vermeldt de beslissing de bepaling van artikel 3 die werd toegepast.
   In het geval de beslissing genomen wordt op basis [2 van het eerste lid, 2° of 4°, van artikel 74/20 of van artikel 74/21,]2 kunnen de kosten van repatriëring verhaald worden op de vreemdeling of de persoon die hij vervoegd heeft.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die op grond van artikel 10 toegelaten werd tot een verblijf in het Rijk in een van de volgende gevallen niet meer het recht heeft om in het Rijk te verblijven :
   1° de vreemdeling voldoet niet meer aan een van de in artikel 10 bepaalde voorwaarden;
   2° de vreemdeling en de vreemdeling die vervoegd werd, onderhouden niet of niet meer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven;
   3° [6 de vreemdeling die toegelaten werd tot een verblijf in het Rijk op grond van artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, b), 5°, b), of 6°, b), of de vreemdeling die hij vervoegd heeft, is in het huwelijk getreden met een andere persoon of heeft een wettelijk geregistreerd partnerschap afgesloten met een andere persoon]6;
   4° [2 ...]2 het staat vast dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend afgesloten werden opdat de betrokken vreemdeling het Rijk zou kunnen binnenkomen of er verblijven;
  [5 5° er wordt een einde gesteld aan het verblijf van de vreemdeling die vervoegd werd.]5
   De [5 op het eerste lid, 1°, 2°, 3° of 5° gebaseerde beslissing]5 mag enkel getroffen worden gedurende de [2 eerste vijf]2 jaar na de afgifte van de verblijfstitel of, in de gevallen bedoeld in artikel 12bis, §§ 3 of 4, na de afgifte van het document dat bewijst dat de aanvraag werd ingediend.
   De minister of diens gemachtigde kan met het oog op een verlenging of vernieuwing van de verblijfstitel, controles verrichten of laten verrichten om na te gaan of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van artikel 10. Hij kan op elk moment specifieke controles verrichten of laten verrichten in geval dat er gegronde vermoedens zijn van fraude of dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie tot stand is gekomen om voor de betrokken persoon toegang tot of verblijf in het Rijk te verkrijgen.
   De minister of zijn gemachtigde kan, op basis van het eerste lid, 1°, 2°, of 3° geen einde maken aan het verblijf van de vreemdeling die aantoont het slachtoffer te zijn geweest tijdens het huwelijk of het partnerschap van een feit als bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek. In de andere gevallen houdt de minister of zijn gemachtigde in het bijzonder rekening met de situatie van personen die het slachtoffer zijn van geweld in de familie, die niet langer een gezinscel vormen met de persoon die zij vervoegden en die bescherming nodig hebben. In deze gevallen brengt hij de betrokken persoon op de hoogte van zijn beslissing om geen einde te stellen aan zijn verblijf, op basis van het eerste lid, 1°, 2° of 3°.
   Bij de beslissing om een einde te stellen aan het verblijf [5 op basis van het eerste lid, 1°, 2°, 3° of 5°]5, houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon en met de duur van zijn verblijf in het Rijk, alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.
   Indien de beslissing genomen wordt op basis [2 van het eerste lid, 2° of 4°, van artikel 74/20 of van artikel 74/21,]2 kunnen de kosten van repatriëring verhaald worden op de vreemdeling of de persoon die hij vervoegd heeft.]1

  [3 § 3. De minister of zijn gemachtigde kan in één van de volgende gevallen beslissen dat de vreemdeling die op grond van artikel 49, § 1, tweede lid, of artikel 49/2, § 2, als begunstigde van een internationale beschermingsstatus tot een verblijf van beperkte duur in het Rijk werd toegelaten, niet meer het recht heeft om in het Rijk te verblijven en hem een bevel geven om het grondgebied te verlaten :
   1° wanneer de internationale beschermingsstatus door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen werd opgeheven overeenkomstig de artikelen 55/3 of 55/5. De minister of zijn gemachtigde houdt hierbij rekening met de mate van verankering van de vreemdeling in de samenleving;
   2° wanneer de internationale beschermingsstatus door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen werd ingetrokken overeenkomstig de artikelen 55/3/1, § 1, of 55/5/1, § 1.
   De minister of zijn gemachtigde kan te allen tijde beslissen om het verblijf van de vreemdeling die op grond van artikel 49, § 1, tweede of derde lid, of artikel 49/2, §§ 2 of 3, als begunstigde van een internationale beschermingsstatus tot een verblijf van beperkte of onbeperkte duur in het Rijk werd toegelaten, in te trekken of te beëindigen en hem een bevel geven om het grondgebied te verlaten wanneer de internationale beschermingsstatus door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen werd ingetrokken overeenkomstig de artikelen 55/3/1, § 2, of 55/5/1, § 2 of wanneer de vreemdeling afstand heeft gedaan van zijn internationale beschermingsstatus.
   Wanneer de minister of zijn gemachtigde een beslissing, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, overweegt te nemen, houdt hij rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokkene, met de duur van zijn verblijf in het Rijk, alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.
   Onverminderd de toepassing van paragraaf 2, kan de minister of zijn gemachtigde ook een einde stellen aan het recht op verblijf van [5 [6 de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoelde familieleden]6]5 indien het recht op verblijf van de vreemdeling die vervoegd werd, op grond van het eerste of het tweede lid wordt beëindigd of ingetrokken.]3

  
Art.11. [1 § 1er. Le ministre ou son délégué peut décider que l'étranger qui déclare se trouver dans un des cas prévus à l'article 10 n'a pas le droit d'entrer ou de séjourner dans le Royaume, dans un des cas suivants :
   1° l'étranger ne remplit pas ou ne remplit plus les conditions de l'article 10;
   2° l'étranger et l'étranger rejoint n'entretiennent pas ou plus de vie conjugale ou familiale effective;
   3° sauf dérogations prévues par un traité international, l'étranger se trouve dans un des cas prévus à l'article 3, 5° à 8°, ou est atteint d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées à l'annexe à la présente loi;
   4° [2 ...]2 il est établi que le mariage, le partenariat ou l'adoption ont été conclus uniquement pour lui permettre d'entrer ou de séjourner dans le Royaume.
  [6 Dans le cas des membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, et des membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 5°, dont les liens familiaux existaient déjà avant l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume]6, la décision ne peut pas être fondée uniquement sur le défaut de documents officiels prouvant le lien de parenté ou d'alliance conformes à l'article 30 de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé ou aux conventions internationales portant sur la même matière.
   La décision indique, le cas échéant, la disposition de l'article 3 qui est appliquée.
   Dans le cas où la décision a été prise sur la base [2 de l'alinéa 1er, 2° ou 4°, de l'article 74/20 ou de l'article 74/21]2, les frais de rapatriement peuvent être récupérés auprès de l'étranger ou de la personne rejointe.
   § 2. Le ministre ou son délégué peut décider que l'étranger qui a été admis à séjourner dans le Royaume sur la base de l'article 10 n'a plus le droit de séjourner dans le Royaume, dans un des cas suivants :
   1° l'étranger ne remplit plus une des conditions de l'article 10;
   2° l'étranger et l'étranger rejoint n'entretiennent pas ou plus une vie conjugale ou familiale effective;
   3° [6 l'étranger admis à séjourner dans le Royaume sur la base de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, b), 5°, b), ou 6°, b), ou l'étranger qu'il a rejoint, s'est marié avec une autre personne ou est lié à une autre personne par un partenariat enregistré conformément à une loi]6;
   4° [2 ...]2 il est établi que le mariage, le partenariat ou l'adoption ont été conclus uniquement pour lui permettre d'entrer ou de séjourner dans le Royaume;
  [5 5° il est mis fin au séjour de l'étranger qui a été rejoint.]5
   La décision [5 fondée sur l'alinéa 1er, 1°, 2°, 3° ou 5°]5 ne peut être prise qu'au cours des [2 cinq premières]2 années suivant la délivrance du titre de séjour ou, dans les cas visés à l'article 12bis, §§ 3 ou 4, suivant la délivrance du document attestant que la demande a été introduite.
   Le ministre ou son délégué peut procéder ou faire procéder à des contrôles en vue de la prorogation ou du renouvellement du titre de séjour, afin de vérifier si l'étranger remplit les conditions de l'article 10. Il peut à tout moment procéder ou faire procéder à des contrôles spécifiques lorsqu'il existe des présomptions fondées de fraude ou lorsque le mariage, le partenariat ou l'adoption a été conclu pour permettre à la personne concernée d'entrer ou de séjourner dans le Royaume.
   Le ministre ou son délégué ne peut mettre fin au séjour sur la base de l'alinéa 1er, 1°, 2° ou 3°, si l'étranger prouve avoir été victime au cours du mariage ou du partenariat d'un fait visé aux articles 375, 398 à 400, 402, 403 ou 405 du Code pénal. Dans les autres cas, le ministre ou son délégué prend particulièrement en considération la situation des personnes victimes de violences dans leur famille, qui ne forment plus une cellule familiale avec la personne qu'elles ont rejointe et nécessitent une protection. Dans ces cas, il informera la personne concernée de sa décision de ne pas mettre fin à son séjour sur la base de l'alinéa 1er, 1°, 2° ou 3°.
   Lors de sa décision de mettre fin au séjour [5 sur la base de l'alinéa 1er, 1°, 2°, 3° ou 5°]5, le ministre ou son délégué prend en considération la nature et la solidité des liens familiaux de la personne concernée et la durée de son séjour dans le Royaume, ainsi que l'existence d'attaches familiales, culturelles ou sociales avec son pays d'origine.
   Si la décision est prise sur la base [2 de l'alinéa 1er, 2° ou 4°, de l'article 74/20 ou de l'article 74/21]2, les frais de rapatriement peuvent être récupérés auprès de l'étranger ou de la personne qu'il a rejointe.]1

  [3 § 3. Le ministre ou son délégué peut décider dans l'un des cas suivants que l'étranger qui a été admis au séjour dans le Royaume pour une durée limitée en tant que bénéficiaire du statut de protection internationale, en vertu de l'article 49, § 1er, alinéa 2, ou de l'article 49/2, § 2, n'a plus le droit de séjourner dans le Royaume et lui délivrer un ordre de quitter le territoire :
   1° lorsque le statut de protection internationale a été abrogé par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides conformément aux articles 55/3 ou 55/5. Le ministre ou son délégué tient compte du niveau d'ancrage de l'étranger dans la société;
   2° lorsque le statut de protection internationale a été retiré par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides conformément aux articles 55/3/1, § 1er, ou 55/5/1, § 1er.
   Le ministre ou son délégué peut à tout moment décider de retirer le séjour de l'étranger qui a été admis au séjour dans le Royaume pour une durée limitée ou illimitée en tant que bénéficiaire du statut de protection internationale en vertu de l'article 49, § 1er, alinéa 2 ou 3, ou de l'article 49/2, §§ 2 ou 3, ou de mettre fin à ce séjour et lui délivrer un ordre de quitter le territoire lorsque le statut de protection internationale a été retiré par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides conformément aux articles 55/3/1, § 2, ou 55/5/1, § 2 ou lorsque l'étranger a renoncé à son statut de protection internationale.
   Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une décision telle que visée aux alinéas 1er et 2, il prend en considération la nature et la solidité des liens familiaux de l'intéressé, la durée de son séjour dans le Royaume ainsi que l'existence d'attaches familiales, culturelles ou sociales avec son pays d'origine."
   Sans préjudice de l'application du paragraphe 2, le ministre ou son délégué peut également mettre fin au droit de séjour [5 [6 des membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6° ]6]5, s'il a été mis fin au droit de séjour de l'étranger qui a été rejoint ou s'il a été retiré sur la base de l'alinéa 1er ou 2.]3

  
Art.12. De vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, wordt door het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats in het vreemdelingenregister ingeschreven. [Enkel voor de toepassing van de wet van 19 juli 1991 betreffende [1 de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten]1 en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, wordt het vreemdelingenregister beschouwd als integraal deel uitmakende van de bevolkingsregisters.] <W 1994-05-24/39, art. 6, 1°, 009; Inwerkingtreding : 01-02-1995>
  [In afwijking van het eerste lid, wordt de vreemdeling [1 die een asielaanvraag indient]1 ingeschreven in het in artikel 1, [1 § 1,]1 eerste lid, 2°, van de voormelde wet van 19 juli 1991 bedoelde wachtregister.] <W 1994-05-24/39, art. 6, 2°, 009; Inwerkingtreding : 01-02-1995>
  De Koning bepaalt de wijze van inschrijving en het model van de verblijfsvergunning die bij de inschrijving wordt afgegeven en daarvan bewijs levert.
  (De aanvraag tot inschrijving moet door de vreemdeling ingediend worden binnen acht werkdagen nadat hij het Rijk is binnengekomen indien hij de machtiging tot verblijf in het buitenland heeft verkregen of indien het recht op verblijf aan hem werd toegekend in het buitenland. Zij moet worden ingediend binnen acht werkdagen na de ontvangst van die machtiging of toelating, indien deze in het Rijk werd verkregen of toegekend.) <W 2006-09-15/72, art. 10, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit en bij een algemene voorziening, in uitzonderlijke omstandigheden een kortere termijn vaststellen.
  (lid opgeheven) <W 1993-08-06/39, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 01-03-1994>
  
Art.12. L'étranger admis ou autorisé à séjourner plus de trois mois dans le Royaume est inscrit au registre des étrangers par l'administration communale du lieu de sa résidence. [Pour la seule application de la loi du 19 juillet 1991 relative aux [1 registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes d'étranger et aux documents de séjour]1 et modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, le registre des étrangers est considéré comme faisant partie intégrante des registres de la population.] <L 1994-05-24/39, art. 6, 1°, 009; En vigueur : 01-02-1995>
  [Par dérogation à l'alinéa 1er, l'étranger [1 qui introduit une demande d'asile]1 est inscrit au registre d'attente visé à l'article 1er, [1 § 1er,]1 alinéa 1er, 2°, de la loi précitée du 19 juillet 1991.] <L 1994-05-24/39, art. 6, 2°, 009; En vigueur : 01-02-1995>
  Le Roi détermine le mode d'inscription et le modèle du titre de séjour délivré au moment de l'inscription et faisant foi de celle-ci.
  (La demande d'inscription doit être introduite par l'étranger dans les huit jours ouvrables de son entrée dans le Royaume s'il a obtenu l'autorisation de séjour ou s'est vu reconnaître le droit au séjour, à l'étranger. Elle doit être introduite dans les huit jours ouvrables de la réception de cette autorisation ou admission, si celle-ci a été obtenue ou reconnue dans le Royaume.) <L 2006-09-15/72, art. 10, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et par voie de disposition générale, fixer un délai plus court dans des circonstances exceptionnelles.
  (alinéa abrogé) <L 1993-08-06/39, art. 3, 007; En vigueur : 01-03-1994>
  
Art. 12bis. [1 § 1. De vreemdeling die verklaart dat hij zich in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, moet zijn aanvraag indienen bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger die bevoegd is voor zijn woonplaats of zijn verblijfplaats in het buitenland.
   In de volgende gevallen kan hij zijn aanvraag echter indienen bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats :
   1° indien hij al in een andere hoedanigheid toegelaten of gemachtigd werd tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk en indien hij vóór het einde van deze toelating of machtiging alle in § 2 bedoelde bewijzen overlegt;
   2° indien hij tot een verblijf van maximaal drie maanden is gemachtigd, en indien dit wettelijk is vereist, hij beschikt over een geldig visum met het oog op het afsluiten van een huwelijk of partnerschap in België, dit huwelijk of partnerschap effectief werd gesloten vóór het einde van deze machtiging en hij vóór het einde van deze machtiging alle in § 2 bedoelde bewijzen overlegt;
   3° indien hij zich bevindt in buitengewone omstandigheden die hem verhinderen terug te keren naar zijn land om het op grond van artikel 2 vereiste visum te vragen bij de bevoegde Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger en alle in § 2 bedoelde bewijzen overmaakt, evenals een bewijs van zijn identiteit;
   4° [9 indien hij een familielid is bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, c) tot f), of 6°, c) tot e), en gemachtigd is tot een verblijf van maximaal drie maanden, dan wel indien hij een familielid is bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°.]9]7;
  [8 5° [9 ...]9
   § 2. Indien de in § 1 bedoelde vreemdeling zijn aanvraag indient bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger die bevoegd is voor zijn woonplaats of zijn verblijfplaats in het buitenland, moeten samen met de aanvraag documenten worden overgelegd die aantonen dat hij voldoet aan de voorwaarden die worden bedoeld in artikel 10, §§ 1 tot 3, onder meer een medisch getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één van de in de bijlage aan deze wet opgesomde ziekten, evenals, indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document.
   De datum voor het indienen van de aanvraag is die waarop alle bewijzen, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie, worden overgelegd.
   De beslissing met betrekking tot de toelating tot verblijf wordt zo snel mogelijk en ten laatste [6 negen maanden]6 volgend op de datum van indiening van de aanvraag, zoals bepaald in het tweede lid, getroffen en [5 ter kennis gebracht]5. De beslissing wordt getroffen, rekening houdende met het geheel van de elementen van het dossier.
   [5 Indien aan de voorwaarde van het toereikend karakter van de bestaansmiddelen bedoeld in artikel 10, § 5, niet is voldaan,]5 dient de minister of zijn gemachtigde, op basis van de eigen behoeften van de vreemdeling die vervoegd wordt en van zijn familieleden te bepalen welke bestaansmiddelen zij nodig hebben om in hun behoeften te voorzien zonder ten laste te vallen van de openbare overheden. [9 De vreemdeling legt hiervoor bij de indiening van de aanvraag alle documenten en inlichtingen over die voor het bepalen van dit bedrag nuttig zijn. De minister of zijn gemachtigde houdt bij de beoordeling rekening met alle geldige bewijzen die in dit verband door de vreemdeling werden voorgelegd. De Koning kan bepalen welke documenten, in voorkomend geval, kunnen worden voorgelegd ter ondersteuning van de behoefteanalyse]9.
   In bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag, alsook in het kader van een onderzoek naar een huwelijk als bedoeld in artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek of de voorwaarden verbonden aan [9 het partnerschap bedoeld in artikel 10, § 1, tweede lid]9, kan de minister of zijn gemachtigde deze termijn tweemaal, met een periode van drie maanden, verlengen. Dit wordt gedaan door middel van een met redenen omklede beslissing die ter kennis wordt gebracht van de aanvrager.
   Indien geen enkele beslissing getroffen werd na het verstrijken van de termijn van [6 negen maanden]6 volgend op de datum waarop de aanvraag werd ingediend, die eventueel verlengd werd overeenkomstig het [4 vijfde lid]4, moet de toelating tot verblijf verstrekt worden.
   § 3. In de in § 1, tweede lid, 1° en 2°, bedoelde gevallen, wanneer de in § 1 bedoelde vreemdeling zich bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats aanbiedt en verklaart dat hij zich in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, wordt hij, na inzage van de documenten die vereist zijn voor zijn binnenkomst en verblijf en op voorwaarde dat alle bewijzen bedoeld in § 2, eerste lid, werden geleverd, in het bezit gesteld van een ontvangstbewijs van de aanvraag. Het gemeentebestuur brengt de minister of zijn gemachtigde op de hoogte van de aanvraag en levert hem onmiddellijk een kopie ervan.
   [5 Indien de minister of zijn gemachtigde de aanvraag ontvankelijk verklaart, of indien binnen een termijn van vijf maanden volgend op de afgifte van het ontvangstbewijs bedoeld in het eerste lid geen enkele beslissing ter kennis is gebracht van de burgemeester of zijn gemachtigde, wordt de vreemdeling ingeschreven in het vreemdelingenregister en in het bezit gesteld van een document waaruit blijkt dat hij is ingeschreven.]5
   Indien de minister of zijn gemachtigde een gunstige beslissing neemt over de toelating tot verblijf of indien binnen een periode van [6 negen maanden]6 volgend op de afgifte van het ontvangstbewijs bedoeld in het eerste lid geen enkele beslissing ter kennis wordt gebracht van het gemeentebestuur, wordt de vreemdeling toegelaten tot een verblijf.
   In bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag, alsook in het kader van een onderzoek naar een huwelijk als bedoeld in artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek of de voorwaarden verbonden aan [9 het partnerschap bedoeld in artikel 10, § 1, tweede lid]9, kan de minister of zijn gemachtigde deze termijn tweemaal met een periode van drie maanden verlengen. Dit wordt gedaan door middel van een met redenen omklede beslissing die ter kennis wordt gebracht van de aanvrager vóór afloop van de in het derde lid bepaalde termijn.
  [2 § 3bis. In afwijking van § 2, derde, vijfde en zesde lid en van § 3, derde en vierde lid, moet de beslissing met betrekking tot de toelating tot verblijf van [9 de in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden]9 van de vreemdeling die de status van langdurig ingezetene geniet en voormalig houder is van een Europese blauwe kaart, zo snel mogelijk en ten laatste vier maanden volgend op de datum van indiening van de aanvraag, zoals bepaald in § 2, tweede lid, worden getroffen en betekend.
   In bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag, alsook in het kader van een onderzoek naar een in artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek bedoeld huwelijk of de voorwaarden verbonden aan de in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, bedoelde duurzame en stabiele relatie, kan de minister of zijn gemachtigde deze termijn eenmaal, met een periode van drie maanden, verlengen. Dit wordt toegestaan door middel van een gemotiveerde beslissing die ter kennis wordt gebracht van de aanvrager.
   Indien na het verstrijken van de termijn van vier maanden volgend op de datum waarop de aanvraag werd ingediend, die eventueel verlengd werd overeenkomstig het tweede lid, geen enkele beslissing getroffen werd, moet de toelating tot verblijf verstrekt worden wanneer de vereiste documenten zijn voorgelegd. In het andere geval wordt zij geweigerd.]2

   § 4. In de gevallen bedoeld in § 1, tweede lid, 3° [3 en 4°]3, wanneer de vreemdeling bedoeld in § 1 zich aanbiedt bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats en verklaart dat hij zich bevindt in één van de in artikel 10 bedoelde gevallen, moet het gemeentebestuur zich onverwijld vergewissen van de ontvankelijkheid van de aanvraag bij de minister of zijn gemachtigde. Wanneer deze van oordeel is dat de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van § 1, tweede lid, 3° [3 en 4°]3, wordt dit medegedeeld aan het gemeentebestuur, dat de vreemdeling inschrijft in het vreemdelingenregister en hem in het bezit stelt van een document waaruit blijkt dat de aanvraag werd ingediend en van een document waaruit blijkt dat hij in het vreemdelingenregister werd ingeschreven.
   De beoordeling van de medische situatie die in voorkomend geval ingeroepen wordt door de vreemdeling, gebeurt door een ambtenaar-geneesheer of een geneesheer aangeduid door de minister of zijn gemachtigde die daaromtrent een advies verschaft. Hij kan zonodig de vreemdeling onderzoeken en een bijkomend advies inwinnen van deskundigen, aangeduid overeenkomstig [4 artikel 9ter, § 5]4.
   [2 De bepalingen van § 3, derde lid en vierde lid en van § 3bis zijn eveneens van toepassing.]2
   § 5. [9 Wanneer de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, en de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, met wie de gezinsbanden reeds bestonden voordat de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam]9, geen officiële documenten kunnen overleggen die aantonen dat zij voldoen aan de in artikel 10 bedoelde voorwaarden met betrekking tot de bloed- of aanverwantschapsband, wordt rekening gehouden met andere geldige bewijzen die [4 met betrekking tot die band]4 in dit verband worden overgelegd. Bij gebrek hieraan, kunnen de in § 6 voorziene bepalingen worden toegepast.
   § 6. Indien wordt vastgesteld dat de vreemdeling de ingeroepen bloed- of aanverwantschapsbanden niet kan bewijzen door middel van officiële documenten, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie, kan de minister of zijn gemachtigde rekening houden met andere geldige bewijzen die in dit verband worden overgelegd.
   Indien dat niet mogelijk is, kan de minister of zijn gemachtigde overgaan of laten overgaan tot een onderhoud met de vreemdeling en de vreemdeling die vervoegd wordt, of tot elk onderzoek dat noodzakelijk wordt geacht en in voorkomend geval voorstellen om een aanvullende analyse te laten uitvoeren.
   § 7. In het kader van het onderzoek van de aanvraag wordt terdege rekening gehouden met het hoger belang van het kind.]1

  
Art. 12bis. [1 § 1er. L'étranger qui déclare se trouver dans un des cas visés à l'article 10 doit introduire sa demande auprès du représentant diplomatique ou consulaire belge compétent pour le lieu de sa résidence ou de son séjour à l'étranger.
   Il peut toutefois introduire sa demande auprès de l'administration communale de la localité où il séjourne dans les cas suivants :
   1° s'il est déjà admis ou autorisé à séjourner plus de trois mois dans le Royaume à un autre titre et présente toutes les preuves visées au § 2 avant la fin de cette admission ou autorisation;
   2° s'il est autorisé au séjour pour trois mois au maximum et, si la loi le requiert, qu'il dispose d'un visa valable en vue de conclure un mariage ou un partenariat en Belgique, si ce mariage ou partenariat a effectivement été conclu avant la fin de cette autorisation et s'il présente toutes les preuves visées au § 2 avant la fin de cette autorisation;
   3° s'il se trouve dans des circonstances exceptionnelles qui l'empêchent de retourner dans son pays pour demander le visa requis en vertu de l'article 2 auprès du représentant diplomatique ou consulaire belge compétent, et présente toutes les preuves visées au § 2 ainsi qu'une preuve de son identité;
   4° [9 s'il est un membre de la famille visé à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 5°, c) à f), ou 6°, c) à e), et est autorisé au séjour pour trois mois au maximum, ou s'il est un membre de la famille visé à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°]9]7;
  [8 [9 ...]9]8
   § 2. Lorsque l'étranger visé au § 1er introduit sa demande auprès du représentant diplomatique ou consulaire belge compétent pour le lieu de sa résidence ou de son séjour à l'étranger, celle-ci doit être accompagnée des documents qui prouvent qu'il remplit les conditions visées à l'article 10, §§ 1er à 3, dont notamment un certificat médical d'où il résulte qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe à la présente loi ainsi qu'un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, s'il est âgé de plus de dix-huit ans.
   La date du dépôt de la demande est celle à laquelle tous ces documents, conformes à l'article 30 de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé ou aux conventions internationales portant sur la même matière, sont produits.
   La décision relative à l'admission au séjour est prise et notifiée dans les plus brefs délais et au plus tard dans les [6 neuf mois]6 suivant la date du dépôt de la demande définie à l'alinéa 2. La décision est prise en tenant compte de l'ensemble des éléments du dossier.
   [5 S'il n'est pas satisfait à la condition relative au caractère suffisant des ressources visée à l'article 10, § 5]5, le ministre ou son délégué doit déterminer, en fonction des besoins propres de l'étranger rejoint et des membres de sa famille, les moyens d'existence nécessaires pour subvenir à leurs besoins sans devenir une charge pour les pouvoirs publics.[9 A cette fin, l'étranger fournit, au moment de l'introduction de la demande, tous les documents et renseignements utiles pour déterminer ce montant. Le ministre ou son délégué tient compte, lors de son évaluation, de toutes les preuves valables qui sont produites à cet effet par l'étranger. Le Roi peut déterminer quels documents peuvent, le cas échéant, être produits pour l'évaluation des besoins]9.
   Dans des cas exceptionnels liés à la complexité de l'examen de la demande ainsi que dans le cadre d'une enquête concernant un mariage visé à l'article 146bis du Code civil ou les conditions [9 du partenariat visé à l'article 10, § 1er, alinéa 2]9, le ministre ou son délégué peut, à deux reprises, prolonger ce délai par période de trois mois, par une décision motivée, portée à la connaissance du demandeur.
   A l'expiration du délai de [6 neuf mois]6 suivant la date du dépôt de la demande, éventuellement prolongé conformément à l'[4 alinéa 5]4, si aucune décision n'a été prise, l'admission au séjour doit être reconnue.
   § 3. Dans les cas visés au § 1er, alinéa 2, 1° et 2°, lorsque l'étranger visé au § 1er se présente à l'administration communale du lieu de sa résidence et déclare se trouver dans un des cas prévus à l'article 10, il est, au vu des documents requis pour son entrée et son séjour et à la condition que toutes les preuves visées au § 2, alinéa 1er, soient produites, mis en possession d'une attestation de réception de la demande. L'administration communale informe le ministre ou son délégué de la demande et lui transmet sans délai copie de celle-ci.
   [5 Lorsque le ministre ou son délégué déclare la demande recevable ou lorsque dans un délai de cinq mois, suivant la délivrance de l'attestation de réception visée à l'alinéa 1er, aucune décision n'est portée à la connaissance du bourgmestre ou de son délégué, l'étranger est inscrit au registre des étrangers et est mis en possession d'un document attestant qu'il y est inscrit.]5
   En cas de décision favorable du ministre ou de son délégué sur l'admission au séjour ou si, dans un délai de [6 neuf mois]6 suivant la délivrance de l'attestation de réception visée à l'alinéa 1er, aucune décision n'est portée à la connaissance de l'administration communale, l'étranger est admis à séjourner.
   Dans des cas exceptionnels liés à la complexité de l'examen de la demande, ainsi que dans le cadre d'une enquête concernant un mariage visé à l'article 146bis du Code civil ou les conditions [9 du partenariat visé à l'article 10, § 1er, alinéa 2]9, et par une décision motivée, portée à la connaissance du demandeur avant l'expiration du délai prévu à l'alinéa 3, le ministre ou son délégué peut, à deux reprises [5 ...]5, prolonger ce délai d'une période de trois mois.
  [2 § 3bis. Par dérogation au § 2, alinéas 3, 5 et 6 et au § 3, alinéas 3 et 4, la décision relative à l'admission au séjour [9 des membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e),]9 de l'étranger résident longue durée et ancien titulaire d'une carte bleue européenne, est prise et notifiée dans les plus brefs délais et au plus tard dans les quatre mois suivant la date du dépôt de la demande telle que définie au § 2, alinéa 2.
   Dans des cas exceptionnels liés à la complexité de l'examen de la demande, ainsi que dans le cadre d'une enquête concernant un mariage visé à l'article 146bis du Code civil ou les conditions [9 du partenariat visé à l'article 10, § 1er, alinéa 2]9, le ministre ou son délégué peut, par décision motivée, portée à la connaissance du demandeur, prolonger, à une seule reprise, ce délai d'une période de trois mois.
   Si à l'expiration du délai de quatre mois suivant la date du dépôt de la demande, éventuellement prolongé conformément à l'alinéa 2, aucune décision n'a été prise, l'admission au séjour doit être reconnue lorsque les documents requis ont été produits. Dans le cas contraire, l'admission au séjour est refusée.]2

   § 4. Dans les cas visés au § 1er, alinéa 2, 3° [3 et 4°]3, lorsque l'étranger visé au § 1er se présente à l'administration communale du lieu de sa résidence et déclare se trouver dans un des cas prévus à l'article 10, celle-ci s'assure sans délai de la recevabilité de la demande auprès du ministre ou de son délégué. Lorsque celui-ci estime que l'étranger réunit les conditions du § 1er, alinéa 2, 3° [3 et 4°]3, il le communique à l'administration communale qui inscrit l'étranger au registre des étrangers et le met en possession d'un document attestant que la demande a été introduite et d'un document attestant qu'il est inscrit au registre des étrangers.
   L'appréciation de la situation d'ordre médical le cas échéant invoquée par l'étranger est effectuée par un fonctionnaire médecin ou un médecin désigné par le ministre ou son délégué qui rend un avis à ce sujet et peut, si nécessaire, examiner l'étranger et demander l'avis complémentaire d'experts, désignés conformément à [4 l'article 9ter, § 5]4.
   [2 Les dispositions du § 3, alinéas 3 et 4 et du § 3bis sont également applicables.]2
   § 5.[9 Lorsque les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, et les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 5°, dont les liens familiaux existaient déjà avant l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume]9, ne peuvent fournir les documents officiels qui prouvent qu'ils remplissent les conditions relatives au lien de parenté ou d'alliance, visées à l'article 10, il est tenu compte d'autres preuves valables produites au sujet de ce lien. A défaut, les dispositions prévues au § 6 peuvent être appliquées.
   § 6. Lorsqu'il est constaté que l'étranger ne peut apporter la preuve des liens de parenté ou d'alliance invoqués, par des documents officiels conformes à l'article 30 de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé ou aux conventions internationales portant sur la même matière, le ministre ou son délégué peut tenir compte d'autres preuves valables produites au sujet de ce lien.
   A défaut, Ie ministre ou son délégué peut procéder ou faire procéder à des entretiens avec l'étranger et l'étranger rejoint ou à toute enquête jugée nécessaire, et proposer, le cas échéant, une analyse complémentaire.
   § 7. Dans le cadre de l'examen de la demande, il est dûment tenu compte de l'intérêt supérieur de l'enfant.]1

  
Art.13. [1 § 1. Behalve indien dit uitdrukkelijk anders wordt voorzien, wordt de machtiging tot verblijf verleend voor een beperkte tijd, ingevolge deze wet of ingevolge specifieke omstandigheden die betrekking hebben op de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België.
   De machtiging tot verblijf die verstrekt wordt voor beperkte duur op grond van artikel 9ter, wordt van onbeperkte duur bij het verstrijken van een periode van vijf jaar nadat de aanvraag tot machtiging werd aangevraagd.
   De toelating tot verblijf krachtens artikel 10 wordt erkend voor een beperkte duur gedurende een [4 periode van vijf jaar]4 volgend op de afgifte van de verblijfstitel of in de gevallen bedoeld in [2 artikel 12bis, §§ 3, 3bis of 4]2, na de afgifte van het document dat bewijst dat de aanvraag werd ingediend. Na afloop van deze periode [3 geldt]3 de toelating tot verblijf voor onbeperkte duur voorzover de vreemdeling nog steeds voldoet aan voorwaarden van artikel 10. [4 In het tegenovergestelde geval weigert de minister of diens gemachtigde het verblijf van onbeperkte duur en kent een nieuw verblijf van beperkte duur toe, waarvan de vernieuwing onderworpen is aan het bezit van toereikende bestaansmiddelen, om niet ten laste te vallen van de openbare overheden, en van een ziektekostenverzekering die alle risico's dekt, en voor zover de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde en/of de nationale veiligheid.]4
   [7 [8 In afwijking van het derde lid, dienen de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, f), voor de toekenning van een verblijf van onbeperkte duur,]8 eveneens aan te tonen te beschikken over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen zoals bepaald in artikel 10, § 5.
  [8 In afwijking van het derde lid, ontvangen de familieleden van een vreemdeling die tot een verblijf van beperkte duur gemachtigd is, op wie artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, van toepassing is, een verblijfstitel met dezelfde geldigheidsduur als de verblijfstitel van de vreemdeling die vervoegd wordt ]8.
  [8 In afwijking van het derde lid, ontvangen de familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, een verblijfstitel met dezelfde geldigheidsduur als de verblijfstitel van de vreemdeling die begeleid wordt. De toelating tot verblijf wordt van onbeperkte duur wanneer de vreemdeling die begeleid wordt over een verblijf van onbeperkte duur beschikt en voor zover het familielid nog steeds voldoet aan de voorwaarden van artikel 10 en geen gevaar vormt voor de openbare orde en/of de nationale veiligheid.]8
  [4 ...]4 De Koning bepaalt de geldigheidsduur van de verblijfstitel die wordt uitgereikt aan de vreemdeling die gemachtigd is of toegelaten is tot een verblijf van onbeperkte duur.
   De in [5 artikel 10bis, §§ 1 tot 6]5, bedoelde familieleden ontvangen een verblijfstitel met dezelfde geldigheidsduur als de verblijfstitel van de vreemdeling die vervoegd wordt.
   § 2. Op aanvraag van de betrokkene wordt de verblijfstitel door het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats verlengd of vernieuwd, op voorwaarde dat die aanvraag werd ingediend vóór het verstrijken van de titel en dat de minister of zijn gemachtigde de machtiging voor een nieuwe periode heeft verlengd of de toelating tot verblijf niet heeft beëindigd.
   De Koning bepaalt binnen welke termijnen en onder welke voorwaarden de vernieuwing of de verlenging van de verblijfsvergunningen moet worden aangevraagd.
   § 2bis. [4 ...]4
   § 3. De minister of zijn gemachtigde kan in één van de volgende gevallen een bevel om het grondgebied te verlaten afgeven aan de vreemdeling die gemachtigd werd om voor een beperkte tijd in het Rijk te verblijven ingevolge deze wet of ingevolge de bijzondere omstandigheden eigen aan de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België :
   1° indien hij langer dan deze beperkte tijd in het Rijk verblijft;
   2° indien hij niet meer voldoet aan de aan zijn verblijf gestelde voorwaarden.
   3° [4 ...]4
  [4 [7[8 Wanneer de in het eerste lid bedoelde vreemdeling vergezeld of vervoegd werd door een in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, bedoeld familielid]8]7
, houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokkene, de duur van zijn verblijf op het grondgebied van het Rijk, het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van oorsprong.]4
   § 4. De minister of zijn gemachtigde kan in één van de volgende gevallen dezelfde maatregel treffen ten opzichte van [8 de in artikel 10bis, §§ 2 en 2/1, bedoelde familieleden]8:
   1° er wordt [7 ...]7 een einde gesteld aan het verblijf van de vreemdeling die vervoegd werd;
   2° de vreemdeling voldoet niet meer aan de aan zijn verblijf gestelde voorwaarden;
   3° de vreemdeling en de vreemdeling die vervoegd wordt, onderhouden geen of geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven meer;
   4° [8 de vreemdeling die gemachtigd werd tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van wettelijk geregistreerde partner in de zin van artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, b), of de vreemdeling die hij vervoegd heeft, is in het huwelijk getreden met een andere persoon of heeft een wettelijk geregistreerd partnerschap afgesloten met een andere persoon]8;
   5° [4 ...]4 het staat vast dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend afgesloten werden opdat de betrokken vreemdeling het Rijk zou kunnen binnenkomen of er verblijven.
  [6 De minister of zijn gemachtigde kan dezelfde maatregel treffen ten opzichte van de in artikel 10bis, § 1, bedoelde familieleden]6.
   Bij de beslissing om een bevel om het grondgebied te verlaten af te leveren op basis van het eerste lid, 1° tot 4°, houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon en met de duur van zijn verblijf in het Rijk, alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.
   § 5. [4 ...]4
   § 6. Het bevel om het grondgebied te verlaten vermeldt dat de bepalingen van dit artikel werden toegepast.
   De minister of diens gemachtigde kan met het oog op een verlenging of vernieuwing van de verblijfstitel, controles verrichten of laten verrichten, om na te gaan of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van artikel 10bis. Hij kan op elk moment specifieke controles verrichten of laten verrichten in geval dat er gegronde vermoedens zijn [4 ...]4 dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie tot stand is gekomen om voor de betrokken persoon toegang tot of verblijf in het Rijk te bekomen.]1

  
Art.13. [1 § 1er. Sauf prévision expresse inverse, l'autorisation de séjour est donnée pour une durée limitée, soit fixée par la présente loi, soit en raison de circonstances particulières propres à l'intéressé, soit en rapport avec la nature ou la durée des prestations qu'il doit effectuer en Belgique.
   L'autorisation de séjour donnée pour une durée limitée sur la base de l'article 9ter devient illimitée à l'expiration de la période de cinq ans suivant la demande d'autorisation.
   L'admission au séjour en vertu de l'article 10 est reconnue pour une durée limitée pendant la [4 période de cinq ans]4 suivant la délivrance du titre de séjour ou, dans les cas visés à l'[2 article 12bis, §§ 3, 3bis ou 4]2, suivant la délivrance du document attestant que la demande a été introduite, à l'expiration de laquelle elle devient illimitée, pour autant que l'étranger remplisse encore les conditions de l'article 10. [4 Dans le cas contraire, le ministre ou son délégué refuse le séjour illimité, et octroie un nouveau séjour pour une durée limitée dont le renouvellement est subordonné à la possession de ressources suffisantes pour ne pas devenir une charge pour les pouvoirs publics et d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques et pour autant que l'étranger ne constitue pas un danger pour l'ordre public et/ou la sécurité nationale.]4
   [7 [8 Par dérogation à l'alinéa 3, les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 5°, f), doivent, pour l'octroi d'un séjour d'une durée illimitée,-8]7 doivent également prouver qu'ils disposent de moyens de subsistances stables, suffisants et réguliers tels que prévus à l'article 10, § 5.
   [8 Par dérogation à l'alinéa 3, les membres de la famille d'un étranger autorisé au séjour pour une durée limitée, auxquels l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 1°, est applicable, obtiennent un titre de séjour dont la durée de validité est identique à celle du titre de séjour de l'étranger rejoint]8]3.
  [8 Par dérogation à l'alinéa 3, les membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4°, obtiennent un titre de séjour dont la durée de validité est identique à celle du titre de séjour de l'étranger accompagné. L'admission au séjour devient d'une durée illimitée lorsque l'étranger accompagné dispose d'un séjour d'une durée illimitée, pour autant que le membre de la famille remplisse encore les conditions de l'article 10 et qu'il ne constitue pas un danger pour l'ordre public et/ou la sécurité nationale.]8
  [4 ...]4 Le Roi fixe la durée de validité du titre de séjour délivré à l'étranger autorisé ou admis au séjour pour une durée illimitée.
   Les membres de la famille visés à [5 l'article 10bis, §§ 1er à 6]5, obtiennent un titre de séjour dont le terme de validité est identique à celui du titre de séjour de l'étranger rejoint.
   § 2. Le titre de séjour est prorogé ou renouvelé, à la demande de l'intéressé, par l'administration communale du lieu de sa résidence, à la condition que cette demande ait été introduite avant l'expiration du titre et que le ministre ou son délégué ait prorogé l'autorisation pour une nouvelle période ou n'ait pas mis fin à l'admission au séjour.
   Le Roi détermine les délais et les conditions dans lesquels le renouvellement ou la prorogation des titres de séjour doit être demandé.
   § 2bis. [4 ...]4
   § 3. Le ministre ou son délégué peut donner l'ordre de quitter le territoire à l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une durée limitée, fixée par la loi ou en raison de circonstances particulières propres à l'intéressé ou en rapport avec la nature ou de la durée de ses activités en Belgique, dans un des cas suivants :
   1° lorsqu'il prolonge son séjour dans le Royaume au-delà de cette durée limitée;
   2° lorsqu'il ne remplit plus les conditions mises à son séjour;
   3° [4 ...]4
  [4 [7 [8 Lorsque l'étranger visé à l'alinéa 1er s'est fait accompagner ou rejoindre par un membre de la famille visé à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6° ]8°]7, le ministre ou son délégué prend en considération la nature et la solidité des liens familiaux de l'intéressé, la durée de son séjour sur le territoire du Royaume, l'existence d'attaches familiales, culturelles ou sociales avec son pays d'origine.]4
   § 4. Le ministre ou son délégué peut prendre la même mesure à l'égard [8 des membres de la famille visés à l'article 10bis, §§ 2 et 2/1]8, dans un des cas suivants :
   1° il est mis fin au séjour de l'étranger rejoint [7 ...]7;
   2° l'étranger ne remplit plus les conditions mises à son séjour;
   3° l'étranger et l'étranger rejoint n'entretiennent pas ou plus une vie conjugale ou familiale effective;
   4°[8 l'étranger autorisé au séjour dans le Royaume en tant que partenaire enregistré conformément à une loi au sens de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, b), ou l'étranger qu'il a rejoint, s'est marié avec une autre personne ou est lié à une autre personne par un partenariat enregistré conformément à une loi]8;
   5° [4 ...]4 il est établi que le mariage, le partenariat ou l'adoption ont été conclu uniquement pour lui permettre d'entrer ou de séjourner dans le Royaume.
  [6 Le ministre ou son délégué peut prendre la même mesure à l'égard des membres de la famille visés à l'article 10bis, § 1er]6.
   Lors de sa décision de délivrer un ordre de quitter le territoire sur la base de l'alinéa 1er, 1° à 4°, le ministre ou son délégué prend en considération la nature et la solidité des liens familiaux de la personne et la durée de son séjour dans le Royaume, ainsi que l'existence d'attaches familiales, culturelles ou sociales avec son pays d'origine.
   § 5. [4 ...]4
   § 6. L'ordre de quitter le territoire indique qu'il a été fait application des dispositions du présent article.
   Le ministre ou son délégué peut procéder ou faire procéder à des contrôles en vue de la prorogation ou du renouvellement du titre de séjour, afin de vérifier si l'étranger remplit les conditions de l'article 10bis. Il peut à tout moment procéder ou faire procéder à des contrôles spécifiques lorsqu'il existe des présomptions fondées [4 ...]4 que le mariage, le partenariat ou l'adoption a été conclu pour permettre à la personne concernée d'entrer ou de séjourner dans le Royaume.]1

  
HOOFDSTUK IV. [1 - Vestiging en status van EU-langdurig ingezetene".]1
CHAPITRE IV. [1 - Etablissement et statut de résident de longue durée-UE.]1
Art.14. Om zich in het Rijk te vestigen moet de vreemdeling daartoe gemachtigd worden door (de Minister) of zijn gemachtigde. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  (Deze machtiging mag slechts gegeven worden aan de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, voorzover deze toelating of machtiging geen tijdslimiet voorziet, ingevolge deze wet of ingevolge de bijzondere omstandigheden eigen aan de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België.) <W 2006-09-15/72, art. 13, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art.14. Pour s'établir dans le Royaume, l'étranger doit y être autorisé par le (Ministre) ou son délégué. <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  (Cette autorisation ne peut être accordée qu'à l'étranger qui est admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume pour plus de trois mois, pour autant que cette admission ou autorisation ne soit pas donnée pour une durée limitée, fixée par la présente loi ou en raison de circonstances particulières propres à l'intéressé ou en rapport avec la nature et la durée des activités en Belgique.) <L 2006-09-15/72, art. 13, 041; En vigueur : 01-06-2007>
Art.15. <W 2006-09-15/72, art. 14, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007> [3 Onverminderd meer voordelige bepalingen vervat in een internationaal verdrag en behoudens wanneer de vreemdeling die erom verzoekt zich in een van de in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8°, voorziene gevallen bevindt, wordt de machtiging tot vestiging verleend aan de vreemdeling die bewijst dat hij gedurende vijf jaar regelmatig en ononderbroken in het Rijk heeft verbleven ]3.
  De minister of diens gemachtigde kan controles verrichten of laten verrichten om na te gaan of de vreemdeling voldoet aan de gestelde voorwaarden. Hij kan op elk moment specifieke controles verrichten of laten verrichten in geval van gegronde vermoedens [1 ...]1 dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie tot stand is gekomen om voor de betrokken persoon toegang tot of verblijf in het Rijk te bekomen.
  
Art.15. <L 2006-09-15/72, art. 14, 041; En vigueur : 01-06-2007> [3 Sans préjudice de dispositions plus favorables contenues dans un traité international et sauf si l'étranger qui le demande se trouve dans un des cas prévus à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 8°, l'autorisation d'établissement est accordée à l'étranger qui justifie du séjour régulier et ininterrompu de cinq ans dans le Royaume]3.
  Le ministre ou son délégué peut procéder ou faire procéder à des contrôles, afin de vérifier si l'étranger remplit les conditions fixées. Il peut à tout moment procéder ou faire procéder à des contrôles spécifiques lorsqu'il existe des présomptions fondées [1 ...]1 que le mariage, le partenariat ou l'adoption a été conclu pour permettre à la personne concernée d'entrer ou de séjourner dans le Royaume.
  
Art. 15bis. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/49, art. 10, Inwerkingtreding : 01-06-2008> § 1. Behalve indien redenen van openbare orde of nationale veiligheid zich ertegen verzetten, moet de status van langdurig ingezetene worden verleend aan een vreemdeling die geen burger is van de Europese Unie, die voldoet aan de voorwaarden van § 3 [2 ...]2 en die een legaal en ononderbroken verblijf in het Rijk bewijst in de loop van vijf jaar die onmiddellijk voorafgaan aan zijn aanvraag voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene.
  [2 Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die :
   1° gemachtigd is in het Rijk te verblijven om te studeren of om een beroepsopleiding te volgen;
   2° gemachtigd is in het Rijk te verblijven krachtens een tijdelijke bescherming of op deze grond een verblijfsmachtiging heeft aangevraagd en een beslissing over de status afwacht;
   3° gemachtigd is in het Rijk te verblijven krachtens een andere vorm van bescherming dan de internationale bescherming of op deze grond een verblijfsmachtiging heeft aangevraagd en een beslissing over de status afwacht;
   4° een aanvraag tot internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen;
   5° in het Rijk verblijft uitsluitend om redenen van tijdelijke aard;
   6° een juridische status heeft die valt onder de bepalingen van het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer, het Verdrag van Wenen van 24 april 1963 inzake consulaire betrekkingen, het Verdrag van New York van 8 december 1969 inzake de speciale missies, of het Verdrag van Wenen van 14 maart 1975 inzake de vertegenwoordiging van staten in hun betrekkingen met internationale organisaties met een universeel karakter.]2

  § 2. [2 Bij het berekenen van het in § 1, eerste lid, bedoelde verblijf van vijf jaar wordt geen rekening gehouden met de in § 1, tweede lid, 5° en 6°, bedoelde periode of perioden.
   De in § 1, tweede lid, 1°, bedoelde periode of de perioden worden voor de helft in aanmerking genomen.
   Wat de vreemdeling betreft aan wie internationale bescherming werd verleend, wordt de helft van de periode tussen de datum van indiening van de aanvraag tot internationale bescherming op grond waarvan deze internationale bescherming werd verleend en de datum van afgifte van de verblijfstitel in aanmerking genomen, of de hele periode indien die achttien maanden overschrijdt.
   De in het derde lid bedoelde perioden en de perioden van verblijf als persoon die internationale bescherming geniet, worden niet in aanmerking genomen indien de internationale bescherming werd ingetrokken [3 overeenkomstig de artikelen 55/3/1, § 2, of 55/5/1, § 2]3.
   Wat de vreemdeling betreft die met toepassing van artikel 61/27 gemachtigd werd tot verblijf, kunnen de perioden van verblijf in de verschillende lidstaten van de Europese Unie voor de berekening van vereiste periode van vijf jaar gecumuleerd worden mits hij vijf jaar legaal en ononderbroken op het grondgebied van de Unie verblijft als houder van een Europese blauwe kaart waarvan twee jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van de aanvraag in het Rijk.]2

  § 3. De vreemdeling, bedoeld bij § 1, moet bewijzen dat hij voor zichzelf en voor zijn gezinsleden die te zijnen laste zijn, beschikt over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden om te voorkomen dat zij ten laste vallen van de overheden, en dat hij een ziektekostenverzekering heeft die de risico's in België dekt.
  De bestaansmiddelen omschreven in het eerste lid moeten ten minste gelijk zijn aan het inkomstenniveau beneden hetwelk sociale bijstand kan worden toegekend. Bij het beoordelen van die bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met hun aard en regelmatigheid.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het minimumbedrag van de vereiste bestaansmiddelen, gelet op de criteria omschreven in het tweede lid.
  § 4. De termijn van vijf jaar vermeld in § 1 wordt niet onderbroken door afwezigheden die niet langer duren dan zes opeenvolgende maanden en die in totaal een duur van tien maanden over de gehele periode van vijf jaar niet overschrijden.
  [1 Ten aanzien van de vreemdeling die gemachtigd is tot verblijf in toepassing van artikel 61/27 wordt de termijn van vijf jaar niet onderbroken door afwezigheden van het grondgebied van de Unie die niet langer duren dan twaalf opeenvolgende maanden en die in totaal een duur van achttien maanden over de gehele periode van vijf jaar niet overschrijden.]1
  Deze perioden van afwezigheid worden bovendien meegerekend voor de berekening van de termijn
  
Art. 15bis. § 1er. Sauf si des raisons d'ordre public ou de sécurité nationale s'y opposent, le statut de résident de longue durée doit être accordé à l'étranger non citoyen de l'Union européenne qui répond aux conditions fixées au § 3 [2 ...]2 et qui justifie d'un séjour légal et ininterrompu dans le Royaume au cours des cinq ans qui précèdent immédiatement la demande d'acquisition du statut de résident de longue durée.
  [2 L'alinéa 1er ne s'applique pas à l'étranger qui :
   1° est autorisé à séjourner dans le Royaume pour faire des études ou suivre une formation professionnelle;
   2° est autorisé à séjourner dans le Royaume en vertu d'une protection temporaire ou qui a demandé une autorisation de séjour à ce titre et qui attend une décision sur le statut;
   3° est autorisé à séjourner dans le Royaume en vertu d'une forme de protection autre que la protection internationale ou qui a demandé une autorisation de séjour à ce titre et qui attend une décision sur le statut;
   4° a demandé une protection internationale et dont la demande n'a pas encore fait l'objet d'une décision définitive;
   5° séjourne dans le Royaume exclusivement pour des motifs à caractère temporaire;
   6° a un statut juridique régi par les dispositions de la Convention de Vienne du 18 avril 1961 sur les relations diplomatiques, de la Convention de Vienne du 24 avril 1963 sur les relations consulaires, de la Convention de New York du 8 décembre 1969 sur les missions spéciales ou de la Convention de Vienne du 14 mars 1975 sur la représentation des Etats dans leurs relations avec les organisations internationales de caractère universel.]2

  § 2. [2 Pour le calcul du séjour de cinq ans visé au § 1er, alinéa 1er, il n'est pas tenu compte de la ou des périodes visées au § 1er, alinéa 2, 5° et 6°.
   La ou les périodes visées au § 1er, alinéa 2, 1°, sont prises en compte pour moitié.
   En ce qui concerne l'étranger auquel la protection internationale a été accordée, la moitié de la période comprise entre la date de l'introduction de la demande de protection internationale sur la base de laquelle cette protection internationale a été accordée et la date de la délivrance du titre de séjour, ou la totalité de cette période si celle-ci excède dix-huit mois, est prise en considération.
   Les périodes visées à l'alinéa 3 et les périodes de séjour en tant que bénéficiaire de la protection internationale, ne sont pas prises en considération si la protection internationale a été retirée [3 conformément aux articles 55/3/1, § 2, ou 55/5/1, § 2]3.
   En ce qui concerne l'étranger qui a été autorisé au séjour en application de l'article 61/27, les périodes de séjours effectués dans les différents Etats membres de l'Union européenne peuvent être cumulées pour le calcul de la période requise de cinq ans, à condition de justifier de cinq années de séjour légal et ininterrompu sur le territoire de l'Union en tant que titulaire d'une carte bleue européenne, dont deux années précédant immédiatement l'introduction de la demande dans le Royaume.]2

  § 3. L'étranger visé au § 1er doit apporter la preuve qu'il dispose, pour lui-même et les membres de sa famille qui sont à sa charge, de moyens de subsistance stables, réguliers et suffisants pour subvenir à ses propres besoins et à ceux des membres de sa famille afin d'éviter de devenir une charge pour les pouvoirs publics, ainsi que d'une assurance-maladie couvrant les risques en Belgique.
  Les moyens de subsistance vises à l'alinéa 1er doivent au moins correspondre au niveau de ressources en deçà duquel une aide sociale peut être accordée. Dans le cadre de leur évaluation, il est tenu compte de leur nature et leur régularité.
  Le Roi fixe, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres et compte tenu des critères définis dans l'alinéa 2, le montant minimum des moyens de subsistance requis.
  § 4. Le délai de cinq ans visé au § 1er n'est pas interrompu par des absences inférieures à six mois consécutifs et qui ne dépassent pas au total une durée de dix mois sur le délai total de cinq ans.
  [1 A l'égard de l'étranger autorisé au séjour en application de l'article 61/27, les absences du territoire de l'Union n'interrompent pas le délai de cinq ans, si elles ne durent pas plus de douze mois consécutifs et ne dépassent pas au total dix-huit mois sur l'ensemble de la période de cinq ans.]1
  Ces périodes d'absence sont en outre prises en compte dans le calcul du délai.
  
Art.16. [1 § 1. De aanvraag van machtiging tot vestiging wordt gericht aan het gemeentebestuur van de verblijfplaats. Dit gemeentebestuur levert daarvan een ontvangstbewijs af en zendt de aanvraag over aan de minister of zijn gemachtigde, voor zover de vreemdeling voldoet aan de in artikel 14, tweede lid, bedoelde voorwaarde en hij, als zijn identiteit niet is vastgesteld, een kopie van een geldig paspoort voorlegt.
   De Koning bepaalt het model van aanvraag van machtiging tot vestiging.
   § 2. De aanvraag van verkrijging van de status van langdurig ingezetene wordt gericht aan het gemeentebestuur van de verblijfplaats. Dit gemeentebestuur levert daarvan een ontvangstbewijs af en zendt de aanvraag over aan de minister of zijn gemachtigde, voor zover de vreemdeling houder is van een geldige verblijfs- of vestigingsvergunning en hij, als zijn identiteit niet is vastgesteld, een kopie van een geldig paspoort voorlegt. Deze aanvraag moet vergezeld zijn van de bewijsstukken die aantonen dat de in artikel 15bis, § 3, bepaalde voorwaarden zijn vervuld.
   De Koning bepaalt het model van aanvraag van verkrijging van de status van langdurig ingezetene, de regels inzake de behandeling van deze aanvraag, evenals de gevolgen van de afwezigheid van beslissing bij het verstrijken van de vastgestelde termijn.
   § 3. De niet-gevestigde vreemdeling die de in artikel 14, tweede lid, vastgestelde voorwaarde vervult, kan naar keuze de machtiging tot vestiging of de verkrijging van de status van langdurig ingezetene aanvragen. De aanvraag van verkrijging van de status van langdurig ingezetene geldt als aanvraag van machtiging tot vestiging.
   De gevestigde vreemdeling kan te allen tijde de status van langdurig ingezetene aanvragen.]1

  
Art.16. [1 § 1er. La demande d'autorisation d'établissement est adressée à l'administration communale du lieu de résidence. Cette administration communale en délivre un accusé de réception et la transmet au ministre ou à son délégué, pour autant que l'étranger réponde à la condition visée à l'article 14, alinéa 2, et, lorsque son identité n'est pas établie, qu'il produise la copie d'un passeport valable.
   Le Roi fixe le modèle de la demande d'autorisation d'établissement.
   § 2. La demande d'acquisition du statut de résident de longue durée est adressée à l'administration communale du lieu de résidence. Cette administration communale en délivre un accusé de réception et la transmet au ministre ou à son délégué, pour autant que l'étranger soit porteur d'un titre de séjour ou d'établissement valable et, lorsque son identité n'est pas établie, qu'il produise la copie d'un passeport valable. Cette demande doit être accompagnée des preuves attestant de la réunion des conditions fixées à l'article 15bis, § 3.
   Le Roi fixe le modèle de la demande d'acquisition du statut de résident de longue durée, les règles relatives au traitement de cette demande ainsi que les conséquences de l'absence de décision à l'expiration du délai fixé.
   § 3. L'étranger non établi, qui répond à la condition fixée à l'article 14, alinéa 2, peut, à son choix, demander l'autorisation d'établissement ou l'acquisition du statut de résident de longue durée. La demande d'acquisition du statut de résident de longue durée vaut demande d'autorisation d'établissement.
   L'étranger établi peut à tout moment demander l'acquisition du statut de résident de longue durée.]1

  
Art. 16bis. [1 Wanneer de toekenning van de status van langdurig ingezetene wordt geweigerd om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, houdt de minister of zijn gemachtigde mede rekening met de ernst of de aard van de inbreuk die op de openbare orde of de nationale veiligheid is gepleegd, of met het gevaar dat van de persoon in kwestie uitgaat, en let daarbij eveneens op de duur van het verblijf en het bestaan van banden met het Rijk. De redenen mogen niet ingeroepen worden voor economische doeleinden.]1
  
Art. 16bis. [1 Lorsque l'octroi du statut de résident de longue durée est refusé pour des raisons d'ordre public ou de sécurité nationale, le ministre ou son délégué prend en considération la gravité ou la nature de l'infraction contre l'ordre public ou la sécurité nationale, ou le danger que représente la personne concernée, tout en tenant compte également de la durée du séjour et de l'existence de liens avec le Royaume. Les raisons ne peuvent être invoquées à des fi ns économiques.]1
  
Art.17. (§ 1.) De vreemdeling die gemachtigd is tot vestiging in het Rijk wordt ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente van zijn verblijfplaats. <W 2007-04-25/49, art. 12, 045; Inwerkingtreding : onbepaald et au plus tard 01-06-2008>
  De Koning bepaalt de wijze van inschrijving en het model van vestigingsvergunning die bij de inschrijving wordt afgegeven en daarvan het bewijs levert.
  (§ 2. [2 Wanneer aan een vreemdeling]2 de status van langdurig ingezetene wordt verleend, wordt hem een [2 EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene]2 afgegeven.
  Bij deze gelegenheid wordt hem een document overhandigd, gesteld in een van de drie landstalen en in het Engels, waarin hij wordt geïnformeerd over zijn rechten en plichten op grond van de richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.
  De Koning bepaalt het model van de[2 EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene]2. Deze verblijfstitel [2 ...]2 geldt als bewijs van inschrijving in het bevolkingsregister.
  [2 ...]2
  [1 Indien de status van langdurig ingezetene wordt verleend aan de houder van een Europese blauwe kaart, wordt hem een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene gegeven met de bijzondere vermelding " voormalig houder van een Europese blauwe kaart.]1
  [2 § 3. Wanneer de minister of zijn gemachtigde de status van langdurig ingezetene toekent aan de in artikel 61/7 bedoelde vreemdeling, brengt hij deze beslissing ter kennis van de lidstaat van de Europese Unie die aan deze vreemdeling reeds een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene heeft afgegeven op grond van de bovengenoemde Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie.
   § 4. Wanneer de status van langdurig ingezetene wordt verleend aan de houder van een Europese blauwe kaart, wordt hem een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene afgegeven met de bijzondere vermelding "voormalig houder van een Europese blauwe kaart".
   § 5. Wanneer de status van langdurig ingezetene wordt verleend aan een vreemdeling die internationale bescherming geniet in het Rijk of in een andere lidstaat van de Europese Unie, wordt hem een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene afgegeven met de bijzondere vermelding dat internationale bescherming werd verleend door België of door een andere lidstaat van de Europese Unie evenals de datum waarop deze bescherming werd verleend.
   De Koning bepaalt de nadere regels en voorwaarden inzake deze bijzondere vermelding.
   § 6. De minister of zijn gemachtigde beantwoordt verzoeken uitgaande van andere lidstaten overeenkomstig bovengenoemde Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie, waarbij gevraagd wordt of een vreemdeling nog steeds internationale bescherming geniet in het Rijk, binnen de maand na ontvangst van het verzoek.
   De minister of zijn gemachtigde kan hiervoor het advies van de Commissaris-generaal of van één van zijn adjuncten inwinnen.]2

  
Art.17. (§ 1er.) L'étranger autorisé à s'établir dans le Royaume est inscrit au registre de la population de la commune de sa résidence <L 2007-04-25/49, art. 12, 045; En vigueur : indéterminée et au plus tard 01-06-2008>.
  Le Roi détermine le mode d'inscription et le modèle du titre d'établissement délivré au moment de l'inscription et faisant foi de celle-ci.
  (§ 2. [2 Lorsque l'étranger se voit]2, accorder le statut de résident de longue durée, il lui est délivré un [2 permis de séjour de résident de longue durée - UE]2.
  Il lui est remis à cette occasion un document, rédigé dans une des trois langues nationales et en anglais, l'informant de ses droits et obligations sur la base de la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée.
  Le Roi détermine le modèle du [2 permis de séjour de résident de longue durée - UE]2. Ce titre de séjour [2 ...]2 fait foi de l'inscription au registre de la population.
  [2 ...]2
  [1 Lorsque le statut du résident longue durée est accordé au titulaire d'une carte bleue européenne, il lui est délivré un permis de séjour de résident longue durée reprenant la mention spéciale " ancien titulaire d'une carte bleue européenne.]1
  [2 § 3. Lorsque le ministre ou son délégué accorde le statut de résident de longue durée à l'étranger visé à l'article 61/7, il notifie sa décision à l'Etat membre de l'Union européenne qui a déjà délivré à cet étranger un permis de séjour de résident de longue durée - UE sur la base de la Directive 2003/109/CE précitée du Conseil de l'Union européenne.
   § 4. Lorsque le statut du résident de longue durée est accordé au titulaire d'une carte bleue européenne, il lui est délivré un permis de séjour de résident de longue durée - UE reprenant la mention spéciale " ancien titulaire d'une carte bleue européenne ".
   § 5. Lorsque le statut de résident de longue durée est accordé à un étranger qui bénéficie de la protection internationale dans le Royaume ou dans un autre Etat membre de l'Union européenne, il lui est délivré un permis de séjour de résident de longue durée - UE reprenant la mention spéciale que la protection internationale a été accordée par la Belgique ou par un autre Etat membre de l'Union européenne ainsi que la date à laquelle cette protection a été accordée.
   Le Roi détermine les autres modalités et conditions relatives à cette mention spéciale.
   § 6. Le ministre ou son délégué répond aux demandes introduites par d'autres Etats membres conformément à la Directive 2003/109/CE précitée du Conseil de l'Union européenne, visant à savoir si un étranger bénéficie toujours d'une protection internationale dans le Royaume, dans le mois de la réception de la demande.
   A cette fin, le ministre ou son délégué peut recueillir l'avis du Commissaire général ou de l'un de ses adjoints.]2

  
Art.18. <W 2007-04-25/49, art. 13, 045; Inwerkingtreding : onbepaald et au plus tard 01-06-2008> § 1. Onder voorbehoud van artikel 19 is de geldigheidsduur van de machtiging tot vestiging en van de status van langdurig ingezetene onbeperkt.
  De Koning bepaalt de geldigheidsduur van het document dat de machtiging tot vestiging vaststelt en van de [1 EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene]1.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [3 De minister of zijn gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die, als begunstigde van internationale bescherming, gemachtigd werd zich in het Rijk te vestigen op grond van artikel 14 of die de status van langdurig ingezetene heeft verworven op grond van artikel 15bis, niet meer het recht heeft in het Rijk te verblijven en/of deze status verliest wanneer de internationale beschermingsstatus ingetrokken werd overeenkomstig de artikelen 55/3/1, § 2, of 55/5/1, § 2.
   Wanneer de minister of zijn gemachtigde een beslissing tot beëindiging van verblijf zoals bedoeld in het eerste lid, overweegt te nemen, houdt hij rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokkene, met de duur van zijn verblijf in het Rijk, alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.]3

  
Art.18. <L 2007-04-25/49, art. 13, 045; En vigueur : indéterminée et au plus tard 01-06-2008> § 1er. Sous réserve des dispositions de l'article 19, la durée de validité de l'autorisation d'établissement et du statut de résident de longue durée est illimitée.
  Le Roi fixe la durée du titre qui constate l'autorisation d'établissement et du [1 permis de séjour de résident de longue durée - UE]1.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [3 Le ministre ou son délégué peut décider que l'étranger qui a été autorisé à s'établir dans le Royaume sur la base de l'article 14 ou qui a acquis le statut de résident de longue durée sur la base de l'article 15bis, en tant que bénéficiaire de la protection internationale, n'a plus le droit de séjourner dans le Royaume et/ou perd ce statut lorsque le statut de protection internationale a été retirée conformément aux articles 55/3/1, § 2, ou 55/5/1, § 2.
   Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une décision de fin de séjour telle que visée à l'alinéa 1er, il prend en considération la nature et de la solidité des liens familiaux de l'intéressé, la durée de son séjour dans le Royaume ainsi que l'existence d'attaches familiales, culturelles ou sociales avec son pays d'origine.]3

  
HOOFDSTUK IVbis. - (Opgeheven)
CHAPITRE IVbis. - (Abrogé)
Art. 18bis. <W 2007-04-25/49, art. 14, 045; Inwerkingtreding : onbepaald et au plus tard 01-06-2008> De vreemdeling aan wie in het Rijk de status van langdurig ingezetene werd toegekend verliest deze status als dezelfde status hem is toegekend in een andere lidstaat van de Europese Unie, krachtens de richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.
Art. 18bis. <L 2007-04-25/49, art. 14, 045; En vigueur : indéterminée et au plus tard 01-06-2008> L'étranger auquel a été accordé le statut de résident de longue durée dans le Royaume perd ce statut lorsque le même statut lui est accordé dans un autre Etat membre de l'Union européenne, en application de la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée.
HOOFDSTUK V. - AFWEZIGHEID EN TERUGKEER VAN DE VREEMDELING.
CHAPITRE V. - ABSENCES ET RETOURS DE L'ETRANGER.
Art.19. <W 2007-04-25/49, art. 15, 045; Inwerkingtreding : onbepaald et au plus tard 01-06-2008> § 1. Een vreemdeling die houder is van een geldige Belgische verblijfs- of vestigingsvergunning en het land verlaat, heeft gedurende een jaar recht op terugkeer in het Rijk.
  Een vreemdeling die de status van langdurig ingezetene geniet op grond van artikel 15bis verliest daarentegen zijn recht op terugkeer in het Rijk enkel wanneer hij gedurende twaalf opeenvolgende maanden het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie verlaat of wanneer hij het Rijk sinds ten minste zes jaar heeft verlaten.
  [1 Een vreemdeling die gemachtigd werd tot verblijf in toepassing van artikel 61/27 en nadien de status van langdurig ingezetene heeft verkregen, verliest zijn recht op terugkeer in het Rijk alleen wanneer hij gedurende vierentwintig opeenvolgende maanden het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie verlaat. Hetzelfde geldt voor[6 zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e)]6 die de status van langdurig ingezetene hebben verkregen.]1
  [4 De vreemdeling bedoeld in artikel 61/12 en die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op lange-termijnmobiliteit in een andere lidstaat behoudt zijn recht op terugkeer zolang zijn Belgische vergunning voor onderzoeker geldig is.]4
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden en de gevallen waarin de vreemdeling die de status van langdurig ingezetene geniet en die gedurende twaalf [1 of vierentwintig]1 opeenvolgende maanden het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie verlaten heeft, zijn recht van terugkeer naar het Rijk niet verliest.
  Een vreemdeling die voorziet dat zijn afwezigheid uit het Rijk langer zal duren dan de geldigheidsduur van zijn verblijfstitel, kan een vervroegde verlenging of vernieuwing van deze verblijfstitel verkrijgen.
  De toelating om het Rijk terug binnen te komen mag hem slechts worden geweigerd om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, of indien hij de voorwaarden die aan zijn verblijf zijn gesteld, niet naleeft.
  § 2. De vreemdeling, bedoeld in § 1, eerste lid, die langer dan een jaar uit het Rijk afwezig blijft, kan tot terugkeer in het Rijk worden gemachtigd in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  De vreemdeling, bedoeld in § 1, [1 tweede en derde lid]1, die zijn recht op terugkeer is verloren, kan, in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de status van langdurig ingezetene herkrijgen.
  § 3. De Koning regelt de voorwaarden voor de geldigheid en de vernieuwing van de verblijfs- en vestigingsvergunningen of van de [2 EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene]2 van de vreemdeling die na een afwezigheid terugkeert in het Rijk.
  § 4. [2 Zelfs indien de geldigheidsduur van de verblijfstitel uitgereikt in België verstreken is, is de minister of zijn gemachtigde verplicht tot terugname van :
   1° de vreemdeling die houder is van een Belgische EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene en ten aanzien van wie een verwijderingsmaatregel is genomen door de bevoegde overheid van een andere lidstaat van de Europese Unie, als gevolg van een weigering tot verlenging of een intrekking van de verblijfstitel afgegeven door deze andere lidstaat op grond van de bovengenoemde Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie, om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, wanneer de voorwaarden voor zijn verblijf niet meer zijn vervuld of wanneer hij niet legaal in de betrokken lidstaat verblijft, [5 [6 evenals zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6° ]6]5, onder voorbehoud van de toepassing van § 1, tweede lid;
   2° de vreemdeling die internationale bescherming geniet in het Rijk en de status van langdurig ingezetene in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft verworven en ten aanzien van wie de bevoegde overheid van deze lidstaat een verwijderingsmaatregel heeft uitgevaardigd, wegens een [3 werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging]3 voor de openbare orde of de nationale veiligheid, [5 [6 evenals zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6° ]6]5 ;
   3° de vreemdeling die met toepassing van artikel 61/27 werd gemachtigd tot verblijf in het Rijk en ten aanzien van wie een verwijderingsmaatregel werd genomen door de bevoegde overheid van een andere lidstaat van de Europese Unie ten gevolge van een weigering van zijn verblijfsaanvraag op grond van de bepalingen van de Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, [6 evenals zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e) ]6.]2

  [4 § 5. Wanneer de onderdaan van een derde land die gebruikmaakt van het recht op mobiliteit, niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor mobiliteit in de tweede lidstaat of indien de door de minister of zijn gemachtigde afgegeven vergunning tijdens de periode van mobiliteit in de tweede lidstaat is verstreken, beëindigd of ingetrokken, wordt de onderdaan van een derde land door de minister of zijn gemachtigde, op verzoek van de tweede lidstaat, zonder formaliteiten en onverwijld, toegelaten het Rijk opnieuw binnen te komen.
   De Koning kan bepalen:
   1° in welke gevallen een document aan deze onderdaan van een derde land wordt afgegeven;
   2° welk document in voorkomend geval wordt afgeleverd.]4

  
Art.19. <L 2007-04-25/49, art. 15, 045; En vigueur : indéterminée et au plus tard 01-06-2008> § 1er. L'étranger, qui est porteur d'un titre de séjour ou d'établissement belge valable et quitte le pays, dispose d'un droit de retour dans le Royaume pendant un an.
  L'étranger bénéficiant du statut de résident de longue durée sur la base de l'article 15bis, ne perd par contre son droit de retour dans le Royaume que s'il s'absente des territoires des Etats membres de l'Union européenne pendant douze mois consécutifs ou lorsqu'il a quitté le Royaume depuis six ans au moins.
  [1 Un étranger autorisé au séjour en application de l'article 61/27 et ayant obtenu ensuite le statut de résident de longue durée, perd son droit de retour dans le Royaume uniquement s'il quitte le territoire des Etats membres de l'Union européenne pendant vingt quatre mois consécutifs. Cette même disposition s'applique [6 ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6°]6, qui ont obtenu le statut de résident de longue durée.]1
  [4 L'étranger visé à l'article 61/12 et qui a fait usage de son droit à la mobilité de longue durée dans un autre Etat membre, conserve son droit de retour tant que son permis belge pour chercheur est valable.]4
  Le Roi fixe, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, les conditions et les cas dans lesquels l'étranger bénéficiant du statut de résident de longue durée qui était absent des territoires des Etats membres de l'Union européenne pendant douze mois [1 ou vingt-quatre mois]1 consécutifs, ne perd pas son droit de retour dans le Royaume.
  L'étranger qui prévoit que son absence du Royaume se prolongera au-delà du terme de validité du titre de séjour peut en obtenir la prorogation ou le renouvellement anticipé.
  L'autorisation de rentrer dans le Royaume ne peut lui être refusée que pour raisons d'ordre public ou de sécurité nationale, ou s'il ne respecte pas les conditions mises à son séjour.
  § 2. L'étranger visé au § 1er, alinéa 1er, dont l'absence du Royaume est supérieure à un an, peut, dans les conditions et les cas fixés par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, être autorise à revenir dans le Royaume.
  L'étranger visé au § 1er, [1 alinéas 2 et 3]1, qui a perdu son droit de retour, peut, dans les conditions et les cas fixés par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, recouvrer le statut de résident de longue durée.
  § 3. Le Roi règle les conditions de validité et de renouvellement des titres de séjour et d'établissement ou du [2 permis de séjour de résident de longue durée - UE]2 de l'étranger qui, après s'être absenté, revient dans le Royaume.
  § 4. [2 Même si la durée de validité du titre de séjour délivré en Belgique est expirée, le ministre ou son délégué est tenu de reprendre en charge :
   1° l'étranger qui est porteur d'un permis de séjour de résident de longue durée - UE belge et qui fait l'objet d'une décision d'éloignement prise par l'autorité compétente d'un autre Etat membre de l'Union européenne, suite à un refus de prorogation ou suite à un retrait du titre de séjour délivré par cet autre Etat membre sur la base de la Directive 2003/109/CE précitée du Conseil de l'Union européenne, pour des raisons d'ordre public ou de sécurité nationale, lorsque les conditions mises à son séjour ne sont plus remplies ou lorsqu'il séjourne de manière illégale dans l'Etat concerné, [5 [6 ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6°]6]5, sous réserve de l'application du § 1er, alinéa 2;
   2° l'étranger qui bénéficie de la protection internationale dans le Royaume, qui a obtenu le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, et qui fait l'objet d'une décision d'éloignement prise par l'autorité compétente de cet Etat membre, en raison d'une [3 menace réelle, actuelle et suffisamment grave]3 pour l'ordre public ou la sécurité nationale, [5 [6 ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6°]6]5 ;
   3° l'étranger autorisé au séjour en application de l'article 61/27 qui fait l'objet d'une décision d'éloignement prise par l'autorité compétente d'un autre Etat membre de l'Union européenne à la suite du refus de sa demande de séjour sur la base des dispositions de la Directive 2009/50/CE du Conseil du 25 mai 2009 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fi ns d'un emploi hautement qualifié,[6 ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e]6.]2

  [4 § 5. Lorsque le ressortissant d'un pays tiers, qui fait usage du droit à la mobilité, ne remplit pas ou plus les conditions de la mobilité dans le deuxième Etat membre ou lorsque l'autorisation délivrée par le ministre ou son délégué, a expiré ou qu'il y a été mis fin ou qu'elle a été retirée au cours de la période de mobilité dans le deuxième Etat membre, le ministre ou son délégué autorise à nouveau l'entrée du ressortissant de pays tiers dans le Royaume, sans formalités et immédiatement, à la demande du deuxième Etat membre.
   Le Roi peut fixer:
   1° les cas dans lesquels un document est délivré au ressortissant d'un pays tiers;
   2° le document qui est délivré, le cas échéant.]4

  
Art. 19/1. [1 De in artikel 49, § 1, eerste lid, of 49/2, § 1, eerste lid, bedoelde vreemdeling die toegelaten is tot een verblijf van beperkte duur, moet het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats verwittigen wanneer hij van plan is om zich naar zijn land van herkomst, of, in geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, te begeven.
   Het gemeentebestuur geeft deze informatie door aan de minister of zijn gemachtigde, die de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen onmiddellijk op de hoogte brengt.]1

  
Art. 19/1. [1 L'étranger admis au séjour limité visé aux articles 49, § 1er, alinéa 1er, ou 49/2, § 1er, alinéa 1er, est tenu d'avertir l'administration communale du lieu de sa résidence s'il entend se rendre dans son pays d'origine ou, dans le cas d'un apatride, dans le pays dans lequel il avait sa résidence habituelle.
   L'administration communale transmet cette information au ministre ou son délégué qui en informe immédiatement le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides.]1

  
HOOFDSTUK VI. [1 - Einde van het verblijf van meer dan drie maanden om redenen van openbare orde of nationale veiligheid.]1
CHAPITRE VI. [1 - Fin du séjour de plus de trois mois pour des raisons d'ordre public ou de sécurité nationale.]1
Art.20. [1 Onverminderd de meer voordelige bepalingen van een internationaal verdrag en het non-refoulementbeginsel, is dit hoofdstuk van toepassing op de onderdanen van derde landen die zijn toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden op het grondgebied van het Rijk.
   Het is niet van toepassing op de onderdanen van derde landen die de internationale bescherming in het Rijk genieten.]1

  
Art.20. [1 Sans préjudice des dispositions plus favorables contenues dans un traité international et du principe de non-refoulement, le présent chapitre s'applique aux ressortissants de pays tiers admis ou autorisés à séjourner plus de trois mois sur le territoire du Royaume.
   Il ne s'applique pas aux ressortissants de pays tiers qui bénéficient de la protection internationale dans le Royaume.]1

  
Art.21. [1 De minister of zijn gemachtigde kan een einde maken aan het verblijf van een onderdaan van een derde land die voor een beperkte of onbeperkte duur tot verblijf is toegelaten of gemachtigd [2 ...]2, om redenen van openbare orde of nationale veiligheid.
  [2 ...]2]1

  
Art.21. [1 Le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour d'un ressortissant de pays tiers admis ou autorisé au séjour pour une durée limitée ou illimitée [2 ...]2 pour des raisons d'ordre public ou de sécurité nationale.
  [2 ...]2]1

  
Art.22. [1 § 1. De minister kan een einde maken aan het verblijf van de volgende onderdanen van derde landen [2 ...]2 om ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid :
   1° de gevestigde onderdaan van een derde land;
   2° de onderdaan van een derde land die de status van langdurig ingezetene in het Rijk geniet;
   3° de onderdaan van een derde land die gemachtigd of toegelaten is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk sinds ten minste tien jaar en die er sindsdien ononderbroken verblijft.
   § 2. [2 ...]2]1

  
Art.22. [1 § 1er. Le ministre peut mettre fin au séjour des ressortissants de pays tiers suivants [2 ...]2 pour des raisons graves d'ordre public ou de sécurité nationale :
   1° le ressortissant de pays tiers établi;
   2° le ressortissant de pays tiers qui bénéficie du statut de résident de longue durée dans le Royaume;
   3° le ressortissant de pays tiers qui est autorisé ou admis à séjourner plus de trois mois dans le Royaume depuis dix ans au moins et qui y séjourne depuis lors de manière ininterrompue.
  [2 ...]2]1

  
Art.23. [1 § 1. De beslissingen tot beëindiging van het verblijf genomen krachtens de artikelen 21 en 22 zijn uitsluitend gebaseerd op het persoonlijk gedrag van de betrokkene en mogen niet op economische gronden berusten.
   Het gedrag van de betrokkene moet een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving zijn. Motiveringen die los staan van het betrokken individuele geval of met algemene preventieve redenen verband houden, mogen niet worden aangevoerd.
   § 2. Er wordt bij het nemen van de beslissing rekening gehouden met de ernst of de aard van de inbreuk op de openbare orde of de nationale veiligheid die hij heeft begaan, of met het gevaar dat van hem uitgaat, en met de duur van zijn verblijf in het Rijk.
   Er wordt ook rekening gehouden met het bestaan van banden met zijn land van verblijf of met het ontbreken van banden met zijn land van oorsprong, met zijn leeftijd en met de gevolgen voor hem en zijn familieleden.]1

  
Art.23. [1 § 1er. Les décisions de fin de séjour prises en vertu des articles 21 et 22 sont fondées exclusivement sur le comportement personnel de l'intéressé et ne peuvent être justifiées par des raisons économiques.
   Le comportement de l'intéressé doit représenter une menace réelle, actuelle et suffisamment grave pour un intérêt fondamental de la société. Des justifications non directement liées au cas individuel concerné ou tenant à des raisons de prévention générale ne peuvent être retenues.
   § 2. Il est tenu compte, lors de la prise de décision, de la gravité ou de la nature de l'infraction à l'ordre public ou à la sécurité nationale qu'il a commise, ou du danger qu'il représente ainsi que de la durée de son séjour dans le Royaume.
   Il est également tenu compte de l'existence de liens avec son pays de résidence ou de l'absence de lien avec son pays d'origine, de son âge et des conséquences pour lui et les membres de sa famille.]1

  
Art.24. [1 § 1. Wanneer er een einde wordt gemaakt aan het verblijf van een onderdaan van een derde land die met toepassing van artikel 61/7, als begunstigde van de status van langdurig ingezetene in een andere lidstaat, tot een verblijf gemachtigd is, wordt die lidstaat op de hoogte gebracht van het feit dat er een einde werd gemaakt aan het verblijf. In geval van verwijdering wordt de betrokkene met inachtneming van de door artikel 61/8 voorziene grenzen verwijderd.
   § 2. Wanneer er een einde wordt gemaakt aan het verblijf van een onderdaan van een derde land die de status van langdurig ingezetene geniet in het Rijk en die in een andere lidstaat internationale bescherming bekomen heeft, wordt aan die lidstaat gevraagd om te bevestigen of de betrokkene er nog steeds internationale bescherming geniet. In geval van verwijdering wordt de betrokkene naar deze andere lidstaat verwijderd indien hij er nog steeds internationale bescherming geniet.
   In afwijking van het eerste lid, kan de betrokkene worden verwijderd naar een ander land dan de lidstaat die hem internationale bescherming heeft verleend, wanneer er ernstige redenen bestaan om hem te beschouwen als een bedreiging voor de nationale veiligheid of wanneer hij, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf, een bedreiging vormt voor de openbare orde.
   § 3. In geen geval mag de betrokkene verwijderd worden naar een land waar hij blootgesteld wordt aan een schending van het non-refoulementbeginsel.]1

  
Art.24. [1 § 1er. Lorsqu'il est mis fin au séjour d'un ressortissant de pays tiers autorisé au séjour en application de l'article 61/7, en tant que bénéficiaire du statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre, cet Etat membre est informé du fait qu'il a été mis fin à son séjour. En cas d'éloignement, l'intéressé est éloigné dans le respect des limites prévues par l'article 61/8.
   § 2. Lorsqu'il est mis fin au séjour d'un ressortissant de pays tiers bénéficiant du statut de résident de longue durée dans le Royaume et qui a obtenu la protection internationale dans un autre Etat membre, il est demandé à cet Etat membre de confirmer si l'intéressé y bénéficie toujours de la protection internationale. En cas d'éloignement, l'intéressé est éloigné vers cet autre Etat membre s'il y bénéficie toujours de la protection internationale.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, l'intéressé peut être éloigné vers un autre pays que l'Etat membre qui lui a accordé la protection internationale lorsqu'il existe des raisons sérieuses de considérer qu'il constitue une menace pour la sécurité nationale ou lorsque, ayant été condamné définitivement pour une infraction particulièrement grave, il constitue une menace pour l'ordre public.
   § 3. L'intéressé ne peut en aucun cas être éloigné vers un pays où il est exposé à une violation du principe de non-refoulement.]1

  
HOOFDSTUK VIbis. [1 - Veiligheidsmaatregelen [2 en signaleringen]2.]1
CHAPITRE VIbis. [1 - Mesures de sûreté [2 et signalements]2.]1
Art. 24/1. [1 De onderdaan van een derde land die het voorwerp uitmaakt van een beslissing tot verwijdering die gepaard gaat met een verplichting tot terugkeer of van een beslissing tot terugdrijving wordt gesignaleerd in het SIS, overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1860 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende het gebruik van het Schengeninformatiesysteem voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen en de besluiten van de Europese Unie die zijn genomen ter uitvoering van deze verordening. De Koning kan de eventuele afwijkingen vaststellen overeenkomstig artikel 3, leden 2 en 3, van dezelfde verordening.]1
  
Art. 24/1. [1 Le ressortissant d'un pays tiers qui fait l'objet d'une décision d'éloignement assortie d'une obligation de retour ou d'une décision de refoulement est signalé dans le SIS, conformément au règlement (UE) 2018/1860 du Parlement européen et du Conseil du 28 novembre 2018 relatif à l'utilisation du système d'information Schengen aux fins du retour des ressortissants de pays tiers en séjour irrégulier et aux décisions de l'Union européenne prises en exécution de celui-ci. Le Roi peut fixer les dérogations éventuelles conformément à l'article 3, paragraphes 2 et 3, du même règlement.]1
  
Art.25. [1 De vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod krachtens deze wet [3 waarbij de toegang tot en het verblijf op enkel het grondgebied van het Rijk verboden worden,]3 wordt gesignaleerd in de Algemene Nationale Gegevensbank ter fine van weigering van toegang of verblijf op het grondgebied.
  [3 De vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod krachtens deze wet waarbij de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van alle lidstaten, met inbegrip van het grondgebied van het Rijk, verboden worden, wordt gesignaleerd in het SIS met het oog op weigering van toegang en verblijf in het Schengengebied, overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1861 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van grenscontroles, tot wijziging van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen en tot wijziging en intrekking van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en de besluiten van de Europese Unie die zijn genomen ter uitvoering van deze verordening.]3]1

  
Art.25. [1 L'étranger qui fait l'objet d'une interdiction d'entrée en vertu de la présente loi [3 par laquelle l'entrée et le séjour sur le seul territoire du Royaume sont interdits,]3 est signalé dans la Banque de données Nationale Générale aux fins de non-admission ou d'interdiction de séjour sur le territoire.
  [3 L'étranger qui fait l'objet d'une interdiction d'entrée en vertu de la présente loi, par laquelle l'entrée et le séjour sur le territoire de tous les Etats membres, en ce compris celui du Royaume sont interdits, est signalé dans le SIS aux fins de non-admission et d'interdiction de séjour dans l'espace Schengen, conformément au règlement (UE) 2018/1861 du Parlement européen et du Conseil du 28 novembre 2018 sur l'établissement, le fonctionnement et l'utilisation du système d'information Schengen (SIS) dans le domaine des vérifications aux frontières, modifiant la convention d'application de l'accord de Schengen et modifiant et abrogeant le règlement (CE) n° 1987/2006 et aux décisions de l'Union européenne prises en exécution de celui-ci.]3]1

  
Art.26. [1 In de gevallen waarin de vreemdeling de openbare orde of de nationale veiligheid heeft geschaad, kan de minister hem verplichten bepaalde plaatsen te verlaten, ervan verwijderd te blijven of in een bepaalde plaats te verblijven.
   Indien de vreemdeling niet voldoet aan de verplichtingen die krachtens het eerste lid aan hem worden opgelegd kan er een einde worden gemaakt aan zijn verblijf en kan het bevel om het grondgebied te verlaten krachtens deze wet aan hem worden afgegeven.]1

  
Art.26. [1 Dans les cas où l'étranger a porté atteinte à l'ordre public ou à la sécurité nationale, le ministre peut lui enjoindre de quitter des lieux déterminés, d'en demeurer éloigné ou de résider en un lieu déterminé.
   Si l'étranger ne respecte pas les obligations qui lui sont imposées en vertu de l'alinéa 1er, il peut être mis fin à son séjour et l'ordre de quitter le territoire peut lui être donné conformément à la présente loi.]1

  
Art. 26/1. [1 § 1. In de gevallen bedoeld in artikel 24, lid 1, punt a), en lid 2, van Verordening (EU) 2018/1861 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van grenscontroles, tot wijziging van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen en tot wijziging en intrekking van Verordening (EG) nr. 1987/2006 neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing tot weigering van toegang en verblijf die wordt geregistreerd in de gegevensbank van Dienst Vreemdelingenzaken. Dit geldt als nationale signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf in de zin van voormeld artikel 24.
   De betrokken vreemdeling wordt ook gesignaleerd in het SIS met het oog op weigering van toegang en verblijf in het Schengengebied, overeenkomstig de voormelde Verordening (EU) 2018/1861 en de besluiten van de Europese Unie die zijn genomen ter uitvoering van deze verordening.
   § 2. De duur van de beslissing tot weigering van toegang en verblijf, zoals bedoeld in paragraaf 1, mag niet meer bedragen dan vijf jaar, behalve indien de vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Deze duur wordt vastgesteld rekening houdend met de specifieke omstandigheden van elk geval. De duur van de signalering wordt bepaald overeenkomstig artikel 39 van de voormelde Verordening (EU) 2018/1861. § 3. De in paragraaf 1 bedoelde beslissing kan eveneens genomen worden ten aanzien van een vreemdeling die zich niet of niet meer op het grondgebied van het Rijk bevindt. Onverminderd artikel 62, § 3, is in deze gevallen de kennisgeving van deze beslissing tevens rechtsgeldig gedaan via een publicatie in het Belgisch Staatsblad.]1

  
Art. 26/1. [1 § 1er. Dans les cas visés à l'article 24, paragraphe 1, point a), et paragraphe 2, du règlement (UE) 2018/1861 du Parlement européen et du Conseil du 28 novembre 2018 sur l'établissement, le fonctionnement et l'utilisation du système d'information Schengen (SIS) dans le domaine des vérifications aux frontières, modifiant la convention d'application de l'accord de Schengen et modifiant et abrogeant le règlement (CE) n° 1987/2006, le ministre ou son délégué prend une décision de non-admission et d'interdiction de séjour qui est enregistrée dans la base de données de l'Office des étrangers. Ceci constitue un signalement national aux fins de non-admission et d'interdiction de séjour au sens de l'article 24 précité.
   L'étranger concerné est également signalé dans le SIS aux fins de non-admission et d'interdiction de séjour dans l'espace Schengen, conformément au règlement (UE) 2018/1861 précité et aux décisions de l'Union européenne prises en exécution de celui-ci.
   § 2. La durée de la décision de non-admission et d'interdiction de séjour visée au paragraphe 1er ne peut dépasser cinq ans, sauf si l'étranger constitue une menace grave pour l'ordre public ou la sécurité nationale. Cette durée est déterminée en tenant compte des circonstances propres à chaque cas. La durée du signalement est déterminée conformément à l'article 39 du règlement (UE) 2018/1861 précité. § 3. La décision visée au paragraphe 1er peut également être prise à l'égard d'un étranger qui ne se trouve pas ou plus sur le territoire du Royaume. Sans préjudice de l'article 62, § 3, dans ces cas, la notification de cette décision est également valablement faite par publication au Moniteur belge.]1

  
Art. 26/2. [1 De Koning kan de nadere regels bepalen van de signaleringen bedoeld in de artikelen 24/1, 25 en 26/1.]1
  
Art. 26/2. [1 Le Roi peut fixer les modalités des signalements visés aux articles 24/1, 25 et 26/1.]1
  
HOOFDSTUK VII. - AANVULLENDE VEILIGHEIDSMAATREGELEN.
CHAPITRE VII. - MESURES DE SURETE COMPLEMENTAIRES.
Art.27. (§ 1.) [2 De vreemdeling ten aanzien van wie een maatregel tot verwijdering is genomen en die er binnen de gestelde termijn geen gevolg aan heeft gegeven, kan met dwang worden geleid naar de grens van zijn keuze, in principe met uitzondering van de grens met de Staten die partij zijn bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, of worden ingescheept voor een bestemming van zijn keuze, deze Staten uitgezonderd.]2
  (Zo de vreemdeling de nationaliteit bezit van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, of beschikt over een geldige verblijfstitel of een tijdelijke verblijfsvergunning van een Verdragsluitende Staat, kan hij naar de grens van deze Staat teruggeleid worden of met deze Staat als bestemming ingescheept worden.) <W 1996-07-15/33, art. 20, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  (§ 2. Onverminderd de toepassing van de artikelen 51/5 tot 51/7, worden de bepalingen van § 1 toegepast op de vreemdeling die een verwijderingsbesluit heeft ontvangen van een bevoegde administratieve overheid van een Staat die gebonden is door de richtlijn 2001 /40/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 mei 2001 betreffende de onderlinge erkenning van besluiten inzake de verwijdering van onderdanen van derde landen, waaraan hij geen gevolg heeft gegeven en dat door de Minister of zijn gemachtigde overeenkomstig artikel 8bis werd erkend.) <W 2004-09-01/56, art. 4, 033; Inwerkingtreding : 12-10-2004>
  (§ 3.) <W 2004-09-01/56, art. 4, 033; Inwerkingtreding : 12-10-2004> [1 De in §§ 1 en 2 bedoelde vreemdelingen kunnen onverminderd de bepalingen van Titel IIIquater en tenzij andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast te dien einde worden opgesloten, meer in het bijzonder wanneer er een risico op onderduiken bestaat of wanneer de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert tijdens de periode die voor de uitvoering van de maatregel tot verwijdering strikt noodzakelijk is.]1
  De kosten veroorzaakt door de repatriëring van de vreemdeling zijn te zijnen laste.
  (De Staat die het in § 2 bedoelde verwijderingsbesluit heeft afgeleverd, wordt op de hoogte gebracht van het feit dat de vreemdeling werd teruggebracht naar de grens van zijn keuze of, overeenkomstig artikel 28, naar de door de Minister of zijn gemachtigde aangeduide grens.) <W 2004-09-01/56, art. 4, 033; Inwerkingtreding : 12-10-2004>
  
Art.27. (§ 1.) [2 L'étranger qui fait l'objet d'une mesure d'éloignement et qui n'a pas obtempéré dans le délai imparti peut être ramené par la contrainte à la frontière de son choix, à l'exception en principe de la frontière des Etats parties à une convention internationale relative au franchissement des frontières extérieures, liant la Belgique, ou être embarqué vers une destination de son choix, à l'exclusion de ces Etats.]2
  (Si l'étranger possède la nationalité d'un Etat partie à une convention internationale relative au franchissement des frontières extérieures, liant la Belgique, ou s'il dispose d'un titre de séjour ou d'une autorisation de séjour provisoire en cours de validité, délivrés par un Etat partie, il pourra être ramené à la frontière de cet Etat ou être embarqué à destination de cet Etat.) <L 1996-07-15/33, art. 20, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  (§ 2. Sans préjudice de l'application des articles 51/5 à 51/7, les dispositions du § 1er sont appliquées à l'étranger qui a reçu une décision d'éloignement prise à son encontre par une autorité administrative compétente d'un Etat tenu par la directive 2001/40/CE du Conseil de l'Union européenne du 28 mai 2001 relative à la reconnaissance mutuelle des décisions d'éloignement des ressortissants de pays tiers, à laquelle il n'a pas obtempéré et qui a été reconnue par le Ministre ou son délégué, conformément à l'article 8bis.) <L 2004-09-01/56, art. 4, 033; En vigueur : 12-10-2004>
  (§ 3.) <L 2004-09-01/56, art. 4, 033; En vigueur : 12-10-2004> [1 Les étrangers visés aux §§ 1er et 2 peuvent, sans préjudice des dispositions du Titre IIIquater et à moins que d'autres mesures suffisantes mais moins coercitives puissent être appliquées efficacement,être détenus à cette fin, en particulier lorsqu'il existe un risque de fuite ou lorsque l'étranger évite ou empêche la préparation du retour ou la procédure d'éloignement pendant le temps strictement nécessaire pour l'exécution de la mesure d'éloignement.]1
  Les frais occasionnés par le rapatriement de l'étranger sont à sa charge.
  (L'Etat qui a délivré la décision d'éloignement visée au § 2 est informé du fait que l'étranger a été ramené à la frontière de son choix ou, conformément à l'article 28, à la frontière désignée par le Ministre ou son délégué.) <L 2004-09-01/56, art. 4, 033; En vigueur : 12-10-2004>
  
Art.28. (De vreemdeling kan enkel teruggeleid worden naar de grens van zijn keuze of kan enkel gemachtigd worden zich in te schepen voor het land van bestemming dat hij zal kiezen indien hij in het bezit is van de documenten die vereist zijn om er zich naartoe te mogen begeven.) <W 1996-07-15/33, art. 21, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  Weigert de vreemdeling te kiezen of vernielt hij de documenten die hem in staat moeten stellen naar een ander land te gaan, dan wijst (de Minister) of zijn gemachtigde de grens aan waarover hij het land zal verlaten. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
Art.28. (L'étranger ne peut être ramené à la frontière de son choix ou autorisé à s'embarquer pour le pays de destination qu'il choisira qu'à la condition d'être en possession des documents requis pour pouvoir s'y rendre.) <L 1996-07-15/33, art. 21, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  Au cas où l'étranger refuse d'exercer son choix ou détruit les documents qui lui permettraient de pénétrer dans un autre pays, le (Ministre) ou son délégué désigne la frontière par laquelle l'intéressé quittera le pays. <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
Art. 28/1. [1 § 1. Wanneer de vreemdeling zich tegen de tenuitvoerlegging van een overdrachts-, terugdrijvings- of verwijderingsmaatregel verzet of wanneer hij een risico op gevaar vormt, kan worden overgegaan tot de gedwongen tenuitvoerlegging van de maatregel onder escorte met mogelijkheid tot gebruik van dwang.
   § 2. De in paragraaf 1 bedoelde escorte kan worden uitgevoerd door:
   1° de leden van het operationele kader van de Federale Politie die, in het kader van hun functies, belast zijn met de gedwongen tenuitvoerlegging van overdrachts-, terugdrijvings- of verwijderingsmaatregelen;
   2° de personeelsleden van de Dienst Vreemdelingenzaken die, in het kader van hun functies, belast zijn met de gedwongen tenuitvoerlegging van overdrachts-, terugdrijvings- of verwijderingsmaatregelen;
   3° de leden van het permanent korps bedoeld in artikel 54, lid 2, van de Verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2019 betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1052/2013 en Verordening (EU) 2016/1624, die, op vraag van of met akkoord van België, op Belgisch grondgebied worden ingezet.
   Wanneer de overdracht, de terugdrijving of de verwijdering door de lucht wordt uitgevoerd, voeren de in het eerste lid, 2° en 3°, bedoelde escorteurs hun escorteringsopdrachten uit onder het gezag en de operationele leiding en coördinatie van een politieambtenaar. Zij zijn onderworpen aan de bevelen, onderrichtingen en richtlijnen van deze laatste.
   De Koning bepaalt de nadere regels van inzet door de Federale politie van de in het eerste lid, 2°, bedoelde personeelsleden van de Dienst Vreemdelingenzaken die een escorteringsopdracht uitvoeren overeenkomstig het tweede lid.
   De mogelijkheid tot het uitvoeren van de in het tweede lid bedoelde escorteringsopdrachten door de in het eerste lid, 2°, bedoelde personeelsleden van de Dienst Vreemdelingenzaken, houdt van rechtswege op te bestaan vanaf 1 januari 2028. De Koning kan deze datum uitstellen bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad.
   § 3. Wanneer de overdracht, terugdrijving of verwijdering door de lucht wordt uitgevoerd, worden de maatregelen genomen overeenkomstig de gemeenschappelijke richtsnoeren voor verwijdering door de lucht, gevoegd bij beschikking 2004/573/EG.]1

  
Art. 28/1. [1 § 1er. Lorsque l'étranger s'oppose à l'exécution d'une mesure de transfert, de refoulement ou d'éloignement ou lorsqu'il présente un risque de dangerosité, il peut être procédé à l'exécution forcée de la mesure sous escorte avec la possibilité de recourir à la contrainte.
   § 2. L'escorte visé au paragraphe 1er peut être effectuée par:
   1° les membres du cadre opérationnel de la Police fédérale qui, dans le cadre de leurs fonctions, sont chargés de l'exécution forcée des mesures de transfert, de refoulement ou d'éloignement;
   2° les membres du personnel de l'Office des Etrangers qui, dans le cadre de leurs fonctions, sont chargés de l'exécution forcée des mesures de transfert, de refoulement ou d'éloignement;
   3° les membres du contingent permanent visé à l'article 54, paragraphe 2, du règlement (UE) 2019/1896 du Parlement européen et du Conseil du 13 novembre 2019 relatif au corps européen de garde-frontières et de garde-côtes et abrogeant les règlements (UE) n° 1052/2013 et (UE) 2016/1624, qui, à la demande ou avec l'accord de la Belgique, sont déployés sur le territoire belge.
   Lorsque le transfert, le refoulement ou l'éloignement est exécuté par voie aérienne, les escorteurs visés à l'alinéa 1er, 2° et 3°, exécutent leurs missions d'escorte sous l'autorité et la direction et la coordination opérationnelles d'un fonctionnaire de police. Ils sont soumis aux ordres, instructions et directives de ce dernier.
   Le Roi détermine les modalités d'engagement par la Police Fédérale des membres du personnel de l'Office des Etrangers visés à l'alinéa 1er, 2°, qui exécutent une mission d'escorte conformément à l'alinéa 2.
   La possibilité d'exécuter des missions d'escorte visées à l'alinéa 2 par les membres du personnel de l'Office des Etrangers visés à l'alinéa 1er, 2°, cesse de plein droit à partir du 1er janvier 2028. Le Roi peut reporter cette date, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres.
   § 3. Lorsque le transfert, le refoulement ou l'éloignement est exécuté par voie aérienne, les mesures sont prises conformément aux orientations communes d'éloignement par voie aérienne annexées à la décision 2004/573/CE.]1

  
Art. 28/2. [1 De in artikel 28/1, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde personeelsleden van de Dienst Vreemdelingenzaken die een escorteringsopdracht uitvoeren overeenkomstig artikel 28/1, § 2, tweede lid, mogen dwang gebruiken ten aanzien van de vreemdeling, voor zover zij daartoe de vereiste opleiding hebben genoten.
   In het kader van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde escorteringsopdrachten worden de in artikel 28/1, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde personeelsleden van de Dienst Vreemdelingenzaken voor de toepassing van de artikelen 28, § 1, 37, 37bis en 37ter van de wet op het politieambt gelijkgesteld met politieambtenaren.
   De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels en de inhoud van de in het eerste lid bedoelde opleiding.]1

  
Art. 28/2. [1 Les membres du personnel de l'Office des Etrangers visés à l'article 28/1, § 2, alinéa 1er, 2°, qui exécutent une mission d'escorte conformément à l'article 28/1, § 2, alinéa 2, peuvent utiliser la contrainte à l'égard de l'étranger, pour autant qu'ils aient suivi la formation requise à cet effet.
   Dans le cadre de l'exécution des missions d'escorte visées à l'alinéa 1er, les membres du personnel de l'Office des Etrangers visés à l'article 28/1, § 2, alinéa 1er, 2°, sont assimilés aux fonctionnaires de police pour l'application des articles 28, § 1er, 37, 37bis et 37ter de la loi sur la fonction de police.
   Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités et le contenu de la formation visée à l'alinéa 1er.]1

  
Art. 28/3. [1 De Koning wijst, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de instantie aan die belast is met de controle op de gedwongen tenuitvoerlegging van de overdrachts-, terugdrijvings- en verwijderingsmaatregelen, en bepaalt de nadere regels van deze controle.
   Deze instantie is onafhankelijk van de autoriteiten bevoegd voor de overdracht, terugdrijving en verwijdering.
   Deze instantie stelt van iedere overdracht, terugdrijving of verwijdering die zij controleert een chronologisch verslag op. Eveneens stelt zij ieder jaar een jaarverslag op met betrekking tot haar opdrachten van controle op de gedwongen terugkeer. De nadere bepalingen met betrekking tot deze verslagen en de bestemmelingen ervan worden door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vastgesteld. Het jaarverslag wordt gepubliceerd op het voor het publiek toegankelijk informatienetwerk van deze instantie.]1

  
Art. 28/3. [1 Le Roi désigne, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, l'instance chargée d'assurer le contrôle de l'exécution forcée des mesures de transfert, de refoulement et d'éloignement, et détermine les modalités de ce contrôle.
   Cette instance est indépendante des autorités compétentes en matière de transfert, de refoulement et d'éloignement.
   Cette instance établit un rapport chronologique de chaque transfert, refoulement ou éloignement qu'elle contrôle. Elle établit également chaque année un rapport annuel relatif à ses missions de contrôle des retours forcés. Les dispositions détaillées concernant ces rapports et leurs destinataires sont établies par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des ministres. Le rapport annuel est publié sur le réseau d'information accessible au public de cette instance.]1

  
Art.29. De (bij toepassing van artikel 27, § 3, eerste lid), opgesloten vreemdeling die binnen (twee maanden) na zijn aanhouding, (...), niet regelmatig het grondgebied van een ander land heeft kunnen betreden, wordt in vrijheid gesteld, onverminderd een opsluiting hoofdens strafrechtelijke vervolgingen, onder meer wegens overtreding van deze wet. <W 1993-05-06/30, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 31-05-1993; Opheffing : 01-01-1998> <W 2004-09-01/56, art. 5, 033; Inwerkingtreding : 12-10-2004> <W 2006-09-15/72, art. 18, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (De Minister of zijn gemachtigde kan echter deze opsluiting telkens met een periode van twee maanden verlengen, wanneer de nodige stappen om de vreemdeling te verwijderen werden genomen binnen zeven werkdagen na de opsluiting van de vreemdeling, wanneer zij worden voortgezet met de vereiste zorgvuldigheid en wanneer de effectieve verwijdering van deze laatste binnen een redelijke termijn nog steeds mogelijk is.) <W 1996-07-15/33, art. 22, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  (Na een verlenging kan de in het voorgaande lid bedoelde beslissing enkel door de Minister genomen worden.) <W 1996-07-15/33, art. 22, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  (Na (vijf) maanden te zijn opgesloten, moet de vreemdeling in vrijheid worden gesteld.) (Bij de berekening van deze vijf maanden zal rekening gehouden worden met de duur van de opsluiting van de vreemdeling op grond van artikel 8bis, § 4.) <W 1996-07-15/33, art. 22, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996> <W 1999-04-29/70, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 06-07-1999> <W 2004-09-01/56, art. 5, 033; Inwerkingtreding : 12-10-2004>
  (In de gevallen waarin dit noodzakelijk is voor de bescherming van de openbare orde of de nationale veiligheid, kan de opsluiting van de vreemdeling, na het verstrijken van de termijn bedoeld in vorig lid, telkens verlengd worden met één maand, zonder dat de totale duur van de opsluiting daardoor evenwel meer dan acht maanden mag bedragen.) <W 1999-04-29/70, art. 3, A, 017; Inwerkingtreding : 06-07-1999>
Art.29. L'étranger détenu (par application de l'article 27, § 3, alinéa 1er), qui dans (les deux mois) de son arrestation (...) n'a pas pu entrer régulièrement sur le territoire d'un autre Etat, est mis en liberté, sans préjudice d'une détention du chef de poursuites pénales, notamment pour infraction à la présente loi. <L 1993-05-06/30, art. 5, 005; En vigueur : 31-05-1993; Abrogé : 01-01-1998> <L 2004-09-01/56, art. 5, 033; En vigueur : 12-10-2004> <L 2006-09-15/72, art. 18, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  (Le Ministre ou son délégué peut toutefois prolonger cette détention par période de deux mois, lorsque les démarches nécessaires en vue de l'éloignement de l'étranger ont été entreprises dans les sept jours ouvrables de la mise en détention de l'étranger, qu'elles sont poursuivies avec toute la diligence requise et qu'il subsiste toujours une possibilité d'éloigner effectivement l'étranger dans un délai raisonnable.) <L 1996-07-15/33, art. 22, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  (Après une prolongation, la décision visée à l'alinéa précédent ne peut être prise que par le Ministre.) <L 1996-07-15/33, art. 22, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  (Après (cinq) mois de détention, l'étranger doit être mis en liberté.) (Dans le calcul de ces cinq mois, il sera tenu compte de la durée de la détention de l'étranger sur la base de l'article 8bis, § 4.) <L 1996-07-15/33, art. 22, 012; En vigueur : 16-12-1996> <L 1999-04-29/70, art. 2, 017; En vigueur : 06-07-1999> <L 2004-09-01/56, art. 5, 033; En vigueur : 12-10-2004>
  (Dans le cas où la sauvegarde de l'ordre public ou la sécurité nationale l'exige, la détention de l'étranger peut être prolongée chaque fois d'un mois, après l'expiration du délai visé à l'alinéa précédent, sans toutefois que la durée totale de la détention puisse de ce fait dépasser huit mois.) <L 1999-04-29/70, art. 3, A, 017; En vigueur : 06-07-1999>
HOOFDSTUK VIIbis. - Afname van biometrische gegevens.
CHAPITRE VIIbis. - Prise de données biométriques.
Art. 30bis. <INGEVOEGD bij W 2004-12-27/30, art. 450; Inwerkingtreding : 10-01-2005> § 1. [2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "afname van biometrische gegevens" verstaan het nemen van vingerafdrukken en het maken van een gezichtsopname. Onder "gezichtsopname" wordt verstaan de digitale afbeelding van het gezicht met een resolutie en een kwaliteit die voldoende zijn voor gebruik van de afbeelding voor geautomatiseerde biometrische vergelijking.]2
  § 2. Aan de afname van biometrische gegevens kunnen onderworpen worden :
  1° de vreemdeling die een visum, visumverklaring of een machtiging tot een verblijf aanvraagt bij een Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger of bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger die de belangen van België behartigt [1 ...]1; <W 2006-09-15/72, art. 19, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007> <W 2007-04-25/49, art. 17, 045; Inwerkingtreding : onbepaald et au plus tard 01-06-2008>
  2° de vreemdeling die een aanvraag indient in het Rijk om gemachtigd te worden tot een verblijf van maximum drie maanden of een aanvraag indient om toegelaten of gemachtigd te worden tot een verblijf van meer dan drie maanden [1 ...]1; <W 2006-09-15/72, art. 19, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007> <W 2007-04-25/49, art. 17, 045; Inwerkingtreding : onbepaald et au plus tard 01-06-2008>
  3° [1 de vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een maatregel tot verwijdering of terugdrijving.]1
  4° [1 ...]1
  De Koning bepaalt de termijn gedurende welke de biometrische gegevens, die overeenkomstig dit artikel werden afgenomen, dienen bewaard te worden.
  § 3. De biometrische gegevens worden afgenomen op initiatief van de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger of van de minister of zijn gemachtigde. Zij mogen eveneens worden afgenomen op initiatief van een officier van de gerechtelijke politie, met inbegrip van diegene wiens bevoegdheid beperkt is, of van een officier van de bestuurlijke politie.
  § 4. De biometrische gegevens mogen slechts gebruikt worden in de mate dat zij nodig zijn om :
  1° de identiteit van de vreemdeling vast te stellen en/of te verifiëren;
  2° na te gaan of de betrokken vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid;
  3° de verplichtingen na te komen neergelegd in de Europese verordeningen en richtlijnen getroffen door de Raad van de Europese Unie.
  § 5. Het opslaan, verwerken, beheren en doorgeven van de biometrische gegevens gebeurt onder de controle van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
  § 6. Op verzoek van de minister of zijn gemachtigde kunnen de in § 2 bedoelde biometrische gegevens voor de in § 4 bedoelde doeleinden bekomen worden van de gerechtelijke overheden, de politiediensten en de ambtenaren en agenten van openbare diensten die over deze gegevens beschikken.
  
Art. 30bis. § 1er. [2 Pour l'application du présent article, il y a lieu d'entendre par "prise de données biométriques", le relevé d'empreintes digitales et la capture de l'image faciale. Par "image faciale", on entend les images numériques du visage, d'une résolution et d'une qualité suffisantes pour servir à la mise en correspondance biométrique automatique.]2
  § 2. Peuvent être soumis à la prise de données biométriques :
  1° l'étranger qui demande un visa, une autorisation tenant lieu de visa ou une autorisation de séjour auprès d'un représentant diplomatique ou consulaire belge ou d'un représentant diplomatique ou consulaire qui représente les intérêts de la Belgique [1 ...]1; <L 2006-09-15/72, art. 19, 041; En vigueur : 01-06-2007> <L 2007-04-25/49, art. 17, 045; En vigueur : indéterminée et au plus tard 01-06-2008>
  2° l'étranger qui introduit dans le Royaume une demande d'autorisation de séjour de trois mois au maximum ou une demande en vue d'y être admis ou autorisé à un séjour de plus de trois mois [1 ...]1; <L 2006-09-15/72, art. 19, 041; En vigueur : 01-06-2007> <L 2007-04-25/49, art. 17, 045; En vigueur : indéterminée et au plus tard 01-06-2008>
  3° [1 l'étranger qui fait l'objet d'une mesure d'éloignement ou de refoulement.]1
  4° [1 ...]1
  Le Roi détermine le délai durant lequel doivent être conservées les données biométriques qui ont été prises conformément au présent article.
  § 3. Les données biométriques sont prises à l'initiative du représentant diplomatique ou consulaire belge ou du ministre ou de son délégué. Elles peuvent l'être aussi à l'initiative d'un officier de police judiciaire, en ce compris l'officier de police judiciaire dont la compétence est limitée ou d'un officier de la police administrative.
  § 4. Les données biométriques ne peuvent être utilisées que dans la mesure où elles sont nécessaires pour :
  1° établir et/ou vérifier l'identité de l'étranger;
  2° examiner si l'étranger concerné constitue un danger pour l'ordre public ou la sécurité nationale;
  3° respecter les obligations prévues par les règlements et directives européens adoptes par le Conseil de l'Union européenne.
  § 5. L'enregistrement, le traitement, l'exploitation et la transmission des données biométriques sont effectués sous le contrôle de la Commission de la protection de la vie privée, conformément à la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
  § 6. A la requête du ministre ou de son délégué, les données biométriques visées au § 2 peuvent être obtenues, pour les finalités visées au § 4, auprès des autorités judiciaires, des services de police et des fonctionnaires et agents des services publics qui disposent de ces données.
  
HOOFDSTUK VIII. - ADVIESORGANEN VOOR VREEMDELINGEN.
CHAPITRE VIII. - ORGANES CONSULTATIFS DES ETRANGERS.
Art.31. Een Raad van advies voor vreemdelingen wordt opgericht, die gelast is een voorafgaand, met redenen omkleed advies uit te brengen over (alle ontwerpen en voorstellen van wet, decreet of ordonnantie) betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die hem door de Voorzitter van één van beide Wetgevende Kamers of van één der ( (Gemeenschaps- of Gewestparlemeten), dan wel de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie) worden voorgelegd. <W 1993-05-06/30, art. 6, 2°, 005; Inwerkingtreding : 31-05-1993> <W 1993-05-06/30, art. 6, 1°, 005; Inwerkingtreding : 31-05-1993> <W 2006-03-27/35, art. 7, 039; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  De raad is voor de helft samengesteld uit vertegenwoordigers van (de Ministers) en van Binnenlandse Zaken, Tewerkstelling en Arbeid, (Buitenlandse Zaken, Middenstand ,de Minister tot wiens bevoegdheid ontwikkelingssamenwerking behoort en de leden van de (Gemeenschaps- of Gewestregering) tot wier bevoegdheid cultuur, opvoeding, arbeid en tewerkstelling behoren), en voor de andere helft uit Belgische en buitenlandse afgevaardigden van instellingen die zich bezighouden met de verdediging van de belangen van de gastarbeiders, en van erkende studentenverenigingen. <W 1993-05-06/30, art. 6, 3°, 005; Inwerkingtreding : 31-05-1993> <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996> <W 2006-03-27/35, art. 7, 039; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  De Ministers kunnen het advies van de raad inwinnen over elk algemeen vraagstuk betreffende de in het eerste lid bedoelde materies. Op eigen initiatief kan de raad advies aan de Wetgevende Kamers, aan de ( (Gemeenschaps- of Gewestparlementen), dan wel de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie) en aan de Ministers over dezelfde vraagstukken geven. <W 1993-05-06/30, art. 6, 1°, 005; Inwerkingtreding : 31-05-1993> <W 2006-03-27/35, art. 7, 039; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  De Koning bepaalt de rechtspleging en de werkwijzen van de raad.
Art.31. Il est institue un Conseil consultatif des étrangers chargé de donner des avis motivés et préalables sur (tous projets et propositions de lois, de décrets ou d'ordonnances) concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers dont il est saisi par le Président de l'une des deux Chambres législatives ou de l'un des ( (Parlements de Communauté ou de Région) ou de l'Assemblée réunie de la Commission communautaire commune). <L 1993-05-06/30, art. 6, 2°, 005; En vigueur : 31-05-1993> <L 1993-05-06/30, art. 6, 1°, 005; En vigueur : 31-05-1993> <L 2006-03-27/35, art. 7, 039; En vigueur : 21-04-2006>
  Ce conseil est composé par moitié de représentants des (Ministres) et de l'Intérieur, de l'Emploi et du Travail, (des Affaires étrangères, des Classes moyennes, du ministre ayant la coopération au développement dans ses attributions et des membres des (Gouvernements) des Communautés ou des Régions ayant la culture, l'éducation, l'emploi et le travail dans leurs attributions) et pour moitié de représentants belges et étrangers d'organismes s'occupant de la défense des intérêts des travailleurs immigrés et d'organisation d'étudiants reconnues. <L 1993-05-06/30, art. 6, 3°, 005; En vigueur : 31-05-1993> <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996> <L 2006-03-27/35, art. 7, 039; En vigueur : 21-04-2006>
  Les Ministres peuvent consulter le conseil sur toute question générale relative aux matières visées au premier alinéa. Le conseil peut d'initiative donner des avis sur les mêmes questions aux Chambres législatives, aux ( (Parlements) de Communauté ou de Région ou de l'Assemblée réunie de la Commission communautaire commune) et aux Ministres. <L 1993-05-06/30, art. 6, 1°, 005; En vigueur : 31-05-1993> <L 2006-03-27/35, art. 7, 039; En vigueur : 21-04-2006>
  La procédure et le fonctionnement de ce conseil sont déterminés par le Roi.
Art.32. Er wordt een Commissie van advies voor vreemdelingen opgericht, die gelast is (de Minister) van advies te dienen in de gevallen waarin door deze wet of door bijzondere bepalingen wordt voorzien. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  De Minister kan eveneens het advies van de commissie inwinnen alvorens om het even welke beslissing te treffen nopens een vreemdeling.
Art.32. Il est institué une Commission consultative des étrangers, chargée de donner des avis au (Ministre) dans les cas prévus par la présente loi ou par des dispositions particulières. <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  Le Ministre peut également demander l'avis de la commission avant de prendre toute décision concernant un étranger.
Art.33. De Commissie van advies voor vreemdelingen is samengesteld uit :
  1° twee magistraten, in werkelijke dienst, emeriti of ere-magistraten, die door hun diploma doen blijken van de kennis, de ene van het Nederlands, de andere van het Frans;
  2° twee advocaten die sedert ten minste tien jaar op de tabel van de Orde van advocaten zijn ingeschreven en door hun diploma doen blijken van de kennis, de ene van het Nederlands, de andere van het Frans;
  3° personen die de belangen van de vreemdelingen verdedigen in een instelling voor bijstand, een groepering, een beweging of een organisatie en die doen blijken van de kennis van de taal waarin de procedure wordt gevoerd.
  Ieder lid van de commissie heeft één of meerdere plaatsvervangers die, bij verhindering, in zijn vervanging en, in voorkomend geval, in de voltooiing van zijn mandaat voorzien.
  De leden van de commissie en hun plaatsvervangers [1 ...]1 worden door de Koning benoemd voor drie jaar. Hun mandaat kan worden vernieuwd.
  
Art.33. La Commission consultative des étrangers se compose de :
  1° deux magistrats, effectifs, émérites ou honoraires, qui justifient par leur diplôme qu'ils ont la connaissance l'un de la langue française, l'autre de la langue néerlandaise;
  2° deux avocats inscrits depuis dix ans au moins au tableau de l'Ordre des avocats qui justifient par leur diplôme qu'ils ont la connaissance, l'un de la langue française, l'autre de la langue néerlandaise;
  3° personnes s'occupant de la défense des intérêts des étrangers au sein d'une oeuvre d'assistance, d'un groupement, d'un mouvement ou d'une organisation et qui doivent justifier de la connaissance de la langue dans laquelle la procédure a lieu.
  Chaque membre de la commission a un ou plusieurs suppléants qui assurent leur remplacement en cas d'empêchement et, le cas échéant, l'achèvement de leur mandat.
  Les membres de la commission et leurs suppléants [1 ...]1 sont nommés par le Roi pour une durée de trois ans. Leur mandat peut être renouvelé.
  
Art.34. De commissie houdt zitting met drie leden, met name de magistraat, die het voorzitterschap waarneemt, en de advocaat, die doen blijken van de kennis van de taal waarin de rechtspleging wordt gevoerd, alsook een persoon die door de verschijnende vreemdeling is gekozen uit de overige leden van demissie die van de kennis van die taal doen blijken.
  Heeft de verschijnende vreemdeling niet gekozen in de vormen en binnen de termijnen door de Koning vast te stellen, dan wordt de aanwijzing door (de Minister) gedaan en ter kennis van de betrokkene gebracht. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  (De leidend ambtenaar van de Dienst Vreemdelingenzaken of zijn gemachtigde) neemt deel aan de besprekingen voor de commissie, maar niet aan de beraadslaging. <W 1996-07-15/33, art. 23, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  Ten minste acht werkdagen voor de dag van de zitting overhandigt hij het dossier betreffende de zaak aan de voorzitter van de commissie.
Art.34. La commission siège au nombre de trois membres, étant le magistrat qui en assume la présidence et l'avocat qui justifient de la connaissance de la langue dans laquelle la procédure a lieu, ainsi qu'une personne choisie par l'étranger comparant, parmi les autres membres de la commission justifiant de la connaissance de cette langue.
  Si l'étranger comparant n'a pas fait son choix dans les formes et délais qui seront fixés par le Roi, le (Ministre) procède à cette désignation et en informe l'intéressé. <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  (Le fonctionnaire dirigeant de l'Office des étrangers ou son délégué) participe aux débats devant la commission mais non au délibéré. <L 1996-07-15/33, art. 23, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  Huit jours ouvrables au moins avant le jour de l'audience, il remet au président de la commission le dossier relatif à l'affaire.
Art.35. De verschijnende vreemdeling mag zich laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een advocaat van zijn keuze of, indien hij niet over de middelen beschikt om een verdediger te betalen, door een advocaat aangewezen door het Bureau voor consultatie en verdediging.
Art.35. L'étranger comparant peut se faire assister ou se faire représenter par l'avocat qu'il choisit ou, s'il ne possède pas les moyens de rémunérer un défenseur, par un avocat désigné par le Bureau de consultation et de défense.
Art.36. De leden van de commissie, de vreemdeling en de advocaat die hem bijstaat of vertegenwoordigt kunnen (vanaf de achtste werkdag) voor de dag van de zitting kennis nemen van het dossier betreffende de zaak, met uitzondering alleen van de stukken waarvan het vertrouwelijk karakter erkend werd door de voorzitter van de commissie, op voorstel (van de leidend ambtenaar van de Dienst Vreemdelingenzaken of van zijn gemachtigde). <W 1996-07-15/33, art. 24, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
Art.36. Les membres de la commission, l'étranger et l'avocat qui l'assiste ou le représente peuvent, (à partir du huitième jour ouvrable) avant le jour de l'audience, prendre connaissance du dossier relatif à l'affaire, à la seule exception des pièces dont le caractère confidentiel a été reconnu par le président de la commission sur proposition (du fonctionnaire dirigeant de l'Office des étrangers ou de son délégué). <L 1996-07-15/33, art. 24, 012; En vigueur : 16-12-1996>
Art.37. De rechtspleging voor de commissie gebeurt mondeling, in het Nederlands of in het Frans, naar keuze van de verschijnende vreemdeling.
  Wanneer deze geen dezer talen verstaat, stelt de voorzitter hem voor een beroep te doen op een tolk, die de eed aflegt in volgende termen :
  " Ik zweer getrouwelijk de gezegden te vertolken, welke aan personen die verschillende talen spreken, moeten overgezegd worden. "
Art.37. La procédure devant la commission est orale. Elle a lieu en français ou en néerlandais au choix de l'étranger comparant.
  Si celui-ci ne comprend aucune de ces langues le président lui propose de recourir aux services d'un interprète qui prêtera serment dans les termes suivants :
  " Je jure de traduire fidèlement les discours à transmettre entre ceux qui parlent des langages différents. "
Art.38. De commissie kan getuigen horen, die de eed afleggen in volgende termen :
  " Ik zweer in eer en geweten dat ik de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen. "
Art.38. La commission peut entendre des témoins qui prêteront serment dans les termes suivants :
  " Je jure en honneur et conscience de dire toute la vérité, rien que la vérité. "
Art.39. Voor het overige bepaalt de Koning de voordracht van de kandidaten met het oog op de aanwijzing van de personen bedoeld in artikel 33, 3°, alsook de rechtspleging voor en de werkwijze van de commissie.
Art.39. La présentation des candidatures pour la désignation des personnes prévues à l'article 33, 3°, la procédure devant la commission et le fonctionnement de celle-ci, sont, pour le surplus déterminés par le Roi.
TITEL IBIS. - De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
TITRE IBIS. - Le Conseil du Contentieux des étrangers
HOOFDSTUK 1. - Instelling en rechtsmacht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
CHAPITRE 1ER. - Institution et juridiction du Conseil du Contentieux des étrangers
Art. 39/1. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 79; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. Er is een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, verder "De Raad" genoemd.
  De Raad is een administratief rechtscollege en is als enige bevoegd om kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen individuele beslissingen genomen met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
  § 2. De Koning bepaalt de zetel van de Raad die is gevestigd op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  De noodzakelijke kredieten voor de werking van de Raad worden ingeschreven op de begroting van Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken.
Art. 39/1. § 1er. Il est institué un Conseil du Contentieux des étrangers, appelé ci-après "Le Conseil".
  Le Conseil est une juridiction administrative, seule compétente pour connaître des recours introduits à l'encontre de décisions individuelles prises en application des lois sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
  § 2. Le Roi fixe le siège du Conseil qui se trouve sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale.
  Les crédits nécessaires au fonctionnement du Conseil sont inscrits au budget du Service Public Fédéral Intérieur.
Art. 39/2. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 80; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. De Raad doet uitspraak, bij wijze van arresten, op de beroepen die zijn ingesteld tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.
  De Raad kan :
  1° de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bevestigen of hervormen;
  2° de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vernietigen hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de in 1° bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moetenbevelen;
  [2 3° onverminderd het bepaalde in 1° en 2°, de bestreden beslissing [3 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek om internationale bescherming, bedoeld in artikel 57/6, § 3,]3 vernietigen omdat er ernstige aanwijzingen bestaan dat de verzoeker in aanmerking zou komen voor de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling, zoals bepaald in artikel 48/3, of voor de toekenning van de subsidiaire bescherming, zoals bepaald in artikel 48/4.]2
  [3 ...]3
  § 2. De Raad doet uitspraak, bij wijze van arresten als annulatierechter over de overige beroepen wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht.
  
Art. 39/2. § 1er. Le Conseil statue, par voie d'arrêts, sur les recours introduits à l'encontre des décisions du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides.
  Le Conseil peut :
  1° confirmer ou réformer la décision attaquée du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides;
  2° annuler la décision attaquée du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides soit pour la raison que la décision attaquée est entachée d'une irrégularité substantielle qui ne saurait être réparée par le Conseil, soit parce qu'il manque des éléments essentiels qui impliquent que le Conseil ne peut conclure à la confirmation ou à la réformation visée au 1° sans qu'il soit procédé à des mesures d'instruction complémentaires;
  [2 3° sans préjudice du 1° ou du 2°, annuler la décision attaquée du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides [3 d'irrecevabilité de la demande de protection internationale visée à l'article 57/6 § 3,]3 pour le motif qu'il existe des indications sérieuses que le requérant peut prétendre à la reconnaissance de la qualité de réfugié au sens de l'article 48/3 ou à l'octroi de la protection subsidiaire au sens de l'article 48/4.]2
  [3 ...]3
  § 2. Le Conseil statue en annulation, par voie d'arrêts, sur les autres recours pour violation des formes soit substantielles, soit prescrites à peine de nullité, excès ou détournement de pouvoir.
  
Art. 39/3. [1 Jaarlijks wordt op initiatief van de eerste voorzitter een activiteitenverslag opgemaakt en bekendgemaakt waarvan de nadere regels kunnen bepaald worden door de Koning.]1
  
Art. 39/3. [1 A l'initiative du premier président, un rapport d'activité dont les modalités peuvent être fixées par le Roi, est rédigé et publié annuellement.]1
  
HOOFDSTUK 2. - De inrichting van de Raad
CHAPITRE 2. - De l'organisation du Conseil
Afdeling I. - De samenstelling van de Raad
Section Ire. - La composition du Conseil
Art. 39/4. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 83; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De Raad bestaat uit [4 vierendertig leden]4, zijnde een eerste voorzitter, een voorzitter, [2 [4 acht kamervoorzitters]4 en vierentwintig rechters in vreemdelingenzaken]2.
  In de Raad is er een griffie die wordt gehouden door een hoofdgriffier die wordt bijgestaan door [3 veertien griffiers]3.
  Bij de Raad is er een beheerder en administratief personeel.
  
Art. 39/4. Le Conseil est composé de [4 trente-quatre membres]4, à savoir un premier président, un président, [2 [4 huit présidents de chambre]4 et vingt-quatre juges au contentieux des étrangers]2.
  Le Conseil comporte un greffe, qui est tenu par un greffier en chef, assisté de [3 quatorze greffiers]3.
  Au Conseil, il y a un administrateur et du personnel administratif.
  
Art. 39/5. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 84; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De mandaten bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen omvatten het mandaat van korpschef en de adjunct-mandaten.
  Oefent het mandaat uit van korpschef, de titularis van het mandaat van eerste voorzitter.
  Oefenen het adjunct-mandaat uit, de titularissen van de mandaten van voorzitter, kamervoorzitter, hoofdgriffier.
Art. 39/5. Le mandat de chef de corps et les mandats adjoints forment les mandats au Conseil du Contentieux des Etrangers.
  Le titulaire du mandat de premier président exerce le mandat de chef de corps.
  Les titulaires du mandat de président, président de chambre, greffier en chef exercent le mandat adjoint.
Art. 39/6. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 85; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. De eerste voorzitter oefent het mandaat van korpschef uit. Hij staat in voor het opmaken van een beleidsplan. [2 Hij zit de kamer voor waarvan hij deel uitmaakt en oefent ter zake alle bevoegdheden van de houder van een mandaat van kamervoorzitter uit.]2
  De eerste voorzitter verdeelt, in nauw overleg met de voorzitter, de taken en de werkzaamheden tussen de voorzitter en hemzelf volgens hetgeen is bepaald in zijn beleidsplan.
  De aanwijzing van de in artikel 39/4 bepaalde personen en de verdeling van de ter beschikking staande middelen geschiedt door de eerste voorzitter volgens zijn beleidsplan, doch in nauw overleg met de voorzitter.
  De voorzitter oefent een mandaat uit. Hij vervangt de eerste voorzitter wanneer die verhinderd is. De voorzitter zit de kamer voor waarvan hij deel uitmaakt en oefent ter zake alle bevoegdheden van een houder van een mandaat van kamervoorzitter uit.
  Bij achterstand in de behandeling van zaken, geeft de eerste voorzitter aan een of meer kamers opdracht om de vijftien dagen of om de tijdspanne die hij bepaalt, buiten de gewone zittingen een bijkomende zitting te houden. Achterstand bestaat zodra de in artikel 39/76, § 3 en artikel 39/77, § 2 bepaalde termijn is overschreden.
  Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de eerste voorzitter een deel van de aan een kamer toegewezen zaken onder de andere kamers verdelen.
  De eerste voorzitter en de voorzitter waken er over dat de eenheid van de rechtspraak wordt gevrijwaard en nemen de nodige maatregelen om hierin te voorzien.
  § 2. De eerste voorzitter bepaalt de samenstelling van de kamers.
  De kamers worden voorgezeten door een kamervoorzitter [2 of door de eerste voorzitter of de voorzitter wat hun kamers betreft]2. Bij zijn ontstentenis wordt het voorzitterschap waargenomen door het, naar rang van eedaflegging, oudste aanwezige lid van de Raad. De eerste voorzitter houdt volgens de behoeften van de dienst zitting in de kamers in welk geval hij deze voorzit.
  § 3. De kamervoorzitter oefent een mandaat uit. Hij neemt de leiding van en is belast met de organisatie van de kamer. Hij brengt hierover geregeld verslag uit bij de eerste voorzitter of voorzitter naar gelang het geval.
  De kamervoorzitter waakt er over dat de eenheid van de rechtspraak wordt gevrijwaard en neemt de nodige maatregelen om hierin te voorzien.
  Wanneer hij oordeelt dat, om de eenheid van de rechtspraak in de kamer te verzekeren [1 of met het oog op de rechtsontwikkeling]1 , een zaak met drie rechters dient te worden behandeld, beveelt hij de verwijzing naar een aldus samengestelde zetel.
  [3 Hij deelt onverwijld aan de eerste voorzitter en de voorzitter de zaken mee die, naar zijn mening, door de verenigde kamers dienen te worden behandeld teneinde de eenheid van de rechtspraak te verzekeren of met het oog op de rechtsontwikkeling en die waarvoor een partij de verwijzing vraagt naar de verenigde kamers in het belang van de eenheid van rechtspraak.]3
  
Art. 39/6. § 1er. Le premier président exerce le mandat de chef de corps. Il est chargé de l'élaboration du plan de gestion. [2 Il préside la chambre dont il fait partie et exerce toutes les compétences du titulaire du mandat de président de chambre.]2
  Le premier président répartit, en étroite concertation avec le président, les tâches et activités entre le président et lui-même en fonction de son plan de gestion.
  Le premier président désigne les personnes visées à l'article 39/4 et répartit les moyens disponibles conformément à son plan de gestion et en étroite concertation avec le président.
  Le président exerce un mandat. Il remplace le premier président lorsque celui-ci est empêché. Le président préside la chambre dont il fait partie et exerce toutes les compétences du titulaire du mandat de président de chambre.
  En cas d'arriéré dans le traitement des affaires, le premier président donne instruction à une ou plusieurs chambres de tenir en dehors des séances ordinaires, une séance extraordinaire dans les quinze jours ou dans la période qu'il détermine. Il y a arriéré lorsque le délai fixé à l'article 39/76, § 3 et à l'article 39/77, § 2 est dépassé.
  Lorsque les besoins du service le justifient, le premier président peut répartir une partie des affaires attribuées à une chambre, parmi les autres chambres.
  Le premier président et le président veillent à préserver l'unité de la jurisprudence et prennent les mesures nécessaires à cet effet.
  § 2. Le premier président détermine la composition des chambres.
  Les chambres sont présidées par un président de chambre [2 ou par le premier président ou le président en ce qui concerne leurs chambres]2. En cas d'absence, la présidence est exercée par le membre du Conseil présent le plus ancien en fonction de l'ordre de prestation de serment. Le premier président siège dans les chambres selon les besoins du service, auquel cas ils les préside.
  § 3. Le président de chambre exerce un mandat. Il est chargé de l'organisation de la chambre et prend sa direction. Il en fait régulièrement rapport au premier président ou au président, selon le cas.
  Le président de chambre veille à la préservation de l'unité de la jurisprudence et prend les mesures nécessaires à cet effet.
  Lorsqu'il estime que, afin d'assurer l'unité de jurisprudence dans la chambre [1 ou en vue du développement du droit]1 , une affaire doit être traitée par trois juges, il ordonne le renvoi à un tel siège.
  [3 Il communique sans délai au premier président et au président les affaires qui, selon lui, doivent être traitées par les chambres réunies afin d'assurer l'unité de la jurisprudence ou en vue du développement du droit et celles pour lesquelles une partie demande le renvoi devant les chambres réunies dans l'intérêt de l'unité de la jurisprudence.]3
  
Art. 39/7. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 86; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De hoofdgriffier is belast met de leiding van de griffie en staat daarbij onder leiding en toezicht van de eerste voorzitter. De eerste voorzitter wijst, in nauw overleg met de voorzitter en na advies van de hoofdgriffier en de betrokken kamervoorzitter, de leden van de griffie aan die de kamervoorzitter bijstaan.
Art. 39/7. Le greffier en chef est chargé de la direction du greffe et est placé sous la direction et le contrôle du premier président. Le premier président désigne, en étroite concertation avec le président et après avis du greffier en chef et du président de chambre concerné, les membres du greffe qui assistent le président de chambre.
Art. 39/8. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 87; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De beheerder is, onder het gezag en leiding van de eerste voorzitter, belast met het administratieve beheer van de Raad en zijn infrastructuur, met uitsluiting van de bevoegdheden die krachtens artikel 39/7 toekomen aan de hoofdgriffier. Hij oefent eveneens, wat deze bevoegdheden betreft, het dagelijks beheer uit. Onverminderd deze bevoegdheid kan de eerste voorzitter de door hem bepaalde bevoegdheden inzake het administratief beheer van het personeel aan hem opdragen.
  De beheerder pleegt overleg met de hoofdgriffier indien de in het eerste lid bepaalde bevoegdheden een weerslag kunnen hebben op de bevoegdheden van de laatstgenoemde.
  [1 ...]1
  
Art. 39/8. Sous l'autorité et la direction du premier président, l'administrateur est chargé de la gestion administrative du Conseil et de son infrastructure, à l'exception des compétences qui incombent au greffier en chef en vertu de l'article 39/7. Il en assure également, en ce qui concerne ces compétences, la gestion quotidienne. Sans préjudice de cette compétence, le premier président peut lui confier les compétences qu'il a déterminées en matière de gestion administrative du personnel.
  L'administrateur se concerte avec le greffier en chef lorsque les compétences déterminées dans l'alinéa 1er peuvent avoir une incidence sur les compétences de ce dernier.
  [1 ...]1
  
Afdeling II. - De kamers
Section II. - Les chambres
Art. 39/9. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 89; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. [1 De Raad heeft negen kamers, waarvan één wordt voorgezeten door de eerste voorzitter, één door de voorzitter, drie kennis nemen van de zaken in het Nederlands, drie van de zaken in het Frans en één van de tweetalige zaken.]1
  De eerste voorzitter kan aanvullende kamers samenstellen indien het aantal ingediende zaken dit vereist.
  De Nederlandstalige kamers, samengesteld uit leden die bewijzen het Nederlands machtig te zijn, nemen kennis van alle zaken die in het Nederlands moeten worden behandeld. De Franstalige kamers, samengesteld uit leden die bewijzen het Frans machtig te zijn, nemen kennis van alle zaken die in het Frans moeten worden behandeld. De tweetalige kamer, samengesteld uit leden die bewijzen het Nederlands en het Frans machtig te zijn, neemt kennis van de zaken die artikel 39/15 haar speciaal opdraagt.
  [1 De kamers van de eerste voorzitter en van de voorzitter, die respectievelijk bestaan uit leden die het bewijs leveren dat zij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten hebben afgelegd in dezelfde taal, Nederlands of Frans, als de eerste voorzitter of de voorzitter nemen kennis van de zaken die in de taal van zijn diploma moeten worden behandeld.]1
  Elke kamer bestaat uit ten minste drie leden.
  De eerste voorzitter wijst de leden aan die deel uitmaken van de tweetalige kamer, na nauw overleg met de voorzitter.
  In de kamer die op grond van het in § 2 bepaalde reglement van orde kennis neemt van zaken in het Duits, houdt een rechter zitting die overeenkomstig het artikel 39/21, § 3, het bewijs levert van een voldoende kennis van het Duits.
  § 2. Het reglement van orde dat door de algemene vergadering wordt vastgesteld en door de Koning wordt goedgekeurd, bepaalt inzonderheid de bevoegdheid van elke kamer en het aantal rechters in vreemdelingenzaken dat er aan verbonden is. Het bepaalt tevens welke kamer kennis neemt van zaken in het Duits of van tweetalige zaken alsook hun samenstelling.
  Het reglement ligt ter inzage op de griffie en wordt bekendgemaakt op de wijze bepaald door de Koning.
  
Art. 39/9. § 1er. [1 Le Conseil est composé de neuf chambres dont une est présidée par le premier président, une par le président, trois prennent connaissance des affaires en langue néerlandaise, trois des affaires en langue française et une des affaires bilingues.]1
  Le premier président peut composer des chambres supplémentaires si le nombre d'affaires introduites le requiert.
  Les chambres francophones, composées de membres justifiant de la connaissance de la langue française, prennent connaissance de toutes les affaires qui doivent être traitées en français. Les chambres néerlandophones, composées de membres justifiant de la connaissance de la langue néerlandaise, ont connaissance de toutes les affaires qui doivent être traitées en néerlandais. La chambre bilingue, composée de membres justifiant de la connaissance des langues française et néerlandaise, prend connaissance des affaires que l'article 39/15 lui confie en particulier.
  [1 Les chambres du premier président et du président, respectivement composées de membres qui apportent la preuve qu'ils ont passé l'examen de docteur, de licencié ou de master en droit dans la même langue que le premier président ou le président, soit le français ou le néerlandais, prennent connaissance des affaires qui doivent être traitées dans la langue de son diplôme.]1
  Chaque chambre est composée d'au moins trois membres.
  Après étroite concertation avec le président, le premier président désigne les membres qui composent la chambre bilingue.
  Dans la chambre qui, sur la base du règlement d'ordre visé au § 2, prend connaissance des affaires en allemand, siège un juge qui, conformément à l'article 39/21, § 3, fournit la preuve d'une connaissance suffisante de l'allemand.
  § 2. Le règlement d'ordre fixé par l'assemblée générale et approuvé par le Roi, détermine notamment la compétence de chaque chambre et le nombre de juges au contentieux des étrangers qui y est attache. Il détermine également la chambre qui a connaissance des affaires en langue allemande ou des affaires bilingues ainsi que sa composition.
  Le règlement peut être consulté au greffe et est publié selon le mode déterminé par le Roi.
  
Art. 39/10. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 90; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De kamers houden zitting met één lid.
  Zij houden evenwel zitting met drie leden :
  1° in de zaken die aan de tweetalige kamer zijn opgedragen;
  2° [1 wanneer de kamervoorzitter het noodzakelijk acht om de eenheid van de rechtspraak of de rechtsontwikkeling te verzekeren.]1
  3° [1 ...]1
  De kamervoorzitter kan, als de verzoeker daarom op gemotiveerde wijze vraagt in zijn verzoekschrift of ambtshalve, bevelen dat een zaak wordt verwezen naar een kamer met drie leden wanneer de juridische moeilijkheid of het belang van de zaak dan wel bijzondere omstandigheden daartoe grond opleveren.
  
Art. 39/10. Les chambres siègent à un seul membre.
  Toutefois, elles siègent à trois membres :
  1° dans les affaires qui sont attribuées à la chambre bilingue;
  2° [1 lorsque le président de chambre l'estime nécessaire afin d'assurer l'unité de la jurisprudence ou le développement du droit.]1
  3° [1 ...]1
  Le président de chambre peut, lorsque le requérant le demande de manière motivée dans sa requête ou d'office, ordonner que l'affaire soit attribuée à une chambre siégeant à trois membres lorsque la difficulté juridique, l'importance de l'affaire ou des circonstances particulières le requièrent. ".
  
Afdeling III. [1 - De algemene vergadering en de verenigde kamers]1
Section III. [1 - L'assemblée générale et les chambres réunies]1
Art. 39/11. [1 De algemene vergadering van de Raad is samengesteld uit de in artikel 39/4, eerste lid, bedoelde leden van de Raad. De algemene vergadering houdt terechtzitting in even getal en met ten minste tien leden, de voorzitter daaronder begrepen.
   Ze bestaat uit een gelijk aantal leden van de Raad die door hun diploma bewezen hebben dat zij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten enerzijds in het Nederlands en anderzijds in het Frans hebben afgelegd.
   De algemene vergadering wordt voorgezeten door de eerste voorzitter of, bij ontstentenis, door de voorzitter. Bij ontstentenis van beiden wordt het voorzitterschap waargenomen door de kamervoorzitter met de meeste anciënniteit of, in voorkomend geval, door de aanwezige rechter in vreemdelingenzaken met de meeste anciënniteit.
   Met uitzondering van de in artikel 39/12, § 1, vierde lid, bedoelde zittingen, woont de beheerder de algemene vergaderingen bij telkens wanneer onderwerpen met betrekking tot zijn bevoegdheden op de agenda staan. Wat deze onderwerpen betreft, heeft hij een raadgevende stem.
   Bij staking van stemmen is de stem van degene die de algemene vergadering voorzit beslissend.]1

  
Art. 39/11. [1 L'assemblée générale du Conseil est composée des membres du Conseil visés à l'article 39/4, alinéa 1er . Elle siège en nombre pair qui ne peut être inférieur à dix, y compris celui qui la préside.
   Elle est composée en nombre égal de membres du Conseil ayant justifié par leur diplôme qu'ils ont passé l'examen de docteur, de licencié ou de master en droit dans la langue française d'une part et dans la langue néerlandaise d'autre part.
   L'assemblée générale est présidée par le premier président ou, à défaut, par le président. A défaut, la présidence est exercée par le président de chambre présentant avec le plus d'ancienneté, ou, le cas échéant, par le juge au contentieux des étrangers présent avec le plus d'ancienneté.
   A l'exception des audiences visées à l'article 39/12, § 1er, alinéa 4, l'administrateur assiste aux assemblées générales chaque fois que des sujets ayant trait à ses compétences figurent à l'ordre du jour. En ce qui concerne ces sujets, il a une voix consultative.
   En cas de parité de voix, la voix de celui qui préside l'assemblée générale est prépondérante.]1

  
Art. 39/12. [2 § 1. Wanneer de eerste voorzitter of de voorzitter, na het advies te hebben ingewonnen van de rechter in vreemdelingenzaken belast met het ter terechtzitting te geven verslag, oordeelt dat het noodzakelijk is met het oog op de eenheid van de rechtspraak of de rechtsontwikkeling dat een zaak door de verenigde kamers behandeld wordt, beveelt hij de verwijzing naar deze kamers.
   Indien de eerste voorzitter en de voorzitter het niet nodig achten de verenigde kamers bijeen te roepen, dan licht de kamervoorzitter de kamers die van deze betwistingen kennis nemen in. Indien een van deze kamers, na beraadslaging, om bijeenroeping van de verenigde kamers verzoekt, is de eerste voorzitter gehouden daarop in te gaan of de zaak te verwijzen naar de algemene vergadering.
   De eerste voorzitter of de voorzitter is tevens gehouden om in te gaan op een verzoek tot verwijzing naar de verenigde kamers met het oog op de eenheid van rechtspraak, wanneer de beide partijen dit verzoeken.
   Indien hij meent dat het belang van de zaak dit vereist, kan de eerste voorzitter of de voorzitter, in afwijking van het voorgaande, beslissen de zaak te verwijzen naar de algemene vergadering.
   § 2. De verenigde kamers bestaan uit zes leden van de Raad waarvan drie die door hun diploma bewezen hebben dat zij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten in het Frans hebben afgelegd en drie in het Nederlands.
   De eerste voorzitter en de voorzitter wijzen elk voor hun taalrol de leden van de Raad aan waaruit de verenigde kamers zijn samengesteld. Voor de in artikel 39/2, § 1, bedoelde beroepen worden de leden waaruit de verenigde kamers zijn samengesteld gekozen uit diegenen die gewoonlijk deze betwisting behandelen. Voor de in artikel 39/2, § 2, bedoelde beroepen worden de leden waaruit de verenigde kamers zijn samengesteld gekozen uit diegenen die gewoonlijk deze betwisting behandelen.
   De verenigde kamers worden voorgezeten door de eerste voorzitter of door de voorzitter indien de zaak behoort tot een betwisting die hij gewoonlijk behandelt. Bij ontstentenis, worden zij voorgezeten door de kamervoorzitter met de meeste anciënniteit die gewoonlijk deze betwisting behandelt of, bij ontstentenis, door het aanwezige lid van de Raad met de meeste anciënniteit die gewoonlijk deze betwisting behandelt.
   Bij staking van stemmen is de stem van degene die de verenigde kamers voorzit beslissend.]2

  
Art. 39/12. [2 § 1er. Lorsque le premier président ou le président, après avoir recueilli l'avis du juge au contentieux des étrangers chargé du rapport d'audience, estime qu'il est nécessaire, en vue de l'unité de la jurisprudence ou du développement du droit, qu'une affaire soit traitée par les chambres réunies, il en ordonne le renvoi vers celles-ci.
   Si le président et le premier président n'estiment pas nécessaire de convoquer les chambres réunies, le président de chambre en informe les chambres qui connaissent du contentieux concerné. Si l'une de ces chambres, après délibération, demande la convocation des chambres réunies, le premier président est tenu d'y donner suite ou de renvoyer l'affaire à l'assemblée générale.
   Le premier président ou le président est également tenu de donner suite à une demande de renvoi devant les chambres réunies en vue de l'unité de la jurisprudence lorsqu'elle est formulée par les deux parties.
   S'il estime que l'intérêt de l'affaire l'exige, le premier président ou le président peut, par dérogation à ce qui précède, décider de renvoyer l'affaire à l'assemblée générale.
   § 2. Les chambres réunies sont composées de six membres du Conseil dont trois justifient par leur diplôme qu'ils ont passé l'examen de docteur, de licencié ou de master en droit dans la langue française et trois dans la langue néerlandaise.
   Le premier président et le président désignent chacun pour leur rôle linguistique les membres du Conseil qui constituent les chambres réunies. Pour les recours visés à l'article 39/2, § 1er, les membres qui composent les chambres réunies sont choisis parmi ceux qui traitent habituellement ce contentieux. Pour les recours visés à l'article 39/2, § 2, les membres qui composent les chambres réunies sont choisis parmi ceux qui traitent habituellement ce contentieux.
   Les chambres réunies sont présidées par le premier président ou par le président si l'affaire relève d'un contentieux qu'il traite habituellement. A défaut, elles sont présidées par le président de chambre avec le plus d'ancienneté qui traite ce contentieux habituellement ou, à défaut, par le membre du Conseil présent avec le plus d'ancienneté qui traite ce contentieux habituellement.
   En cas de parité de voix, la voix de celui qui préside les chambres réunies est prépondérante.]2

  
Afdeling IV. - Het taalgebruik
Section IV. - L'emploi des langues
Onderafdeling 1. - Gebruik van de talen in de diensten van de Raad
Sous-section 1re. - L'emploi des langues dans les services du Conseil
Art. 39/13. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 95; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De administratieve werkzaamheden van de Raad en de organisatie van zijn diensten zijn onderworpen aan de bepalingen van de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, die gelden voor de diensten waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt.
Art. 39/13. Les activités administratives du Conseil et l'organisation de ses services sont régies par les dispositions de la législation sur l'emploi des langues en matière administrative qui sont applicables aux services dont l'activité s'étend à tout le pays.
Onderafdeling 2. - Gebruik van de talen door de organen van de Raad betrokken bij de rechtspleging
Sous-section 2. - L'emploi des langues par les organes du Conseil concernés par la procédure
Art. 39/14. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 97; Inwerkingtreding : 01-12-2006> Behoudens wanneer de taal van de procedure is bepaald overeenkomstig artikel 51/4, worden de beroepen behandeld in de taal die de diensten waarvan de werking het ganse land bestrijkt krachtens de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, moeten gebruiken in hun binnendiensten.
  Indien die wetgeving het gebruik van een bepaalde taal niet voorschrijft, geschiedt de behandeling in de taal van de akte waarbij de zaak bij de Raad werd ingediend.
Art. 39/14. A moins que la langue de la procédure ne soit déterminée conformément à l'article 51/4, les recours sont traités dans la langue dont la législation sur l'emploi des langues en matière administrative impose l'emploi dans leurs services intérieurs aux services dont l'activité s'étend à tout le pays.
  Si cette législation n'impose pas l'emploi d'une langue déterminée, l'affaire sera traitée dans la langue de l'acte par lequel elle a été introduite devant le Conseil.
Art. 39/15. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 98; Inwerkingtreding : 01-12-2006> Naar de tweetalige kamer bedoeld bij artikel 39/9, § 1, worden de verknochte zaken verwezen waarvan de behandeling in een verschillend taalstelsel moet geschieden.
  Wanneer de zaak naar de tweetalige kamer wordt verwezen, moeten de geschreven akten uitgaande van de organen van de Raad in het Nederlands en in het Frans gesteld zijn. De uitspraken worden in die twee talen verleend.
Art. 39/15. Sont dévolues à la chambre bilingue visée à l'article 39/9, § 1er, les affaires connexes dont l'une requiert pour la traiter une langue différente de celle qui est requise pour les autres.
  Lorsque l'affaire est dévolue à la chambre bilingue, les actes écrits émanant des organes du Conseil doivent être établis en langue française et en langue néerlandaise. Les décisions sont rendues dans ces deux langues.
Onderafdeling 3. - Gebruik van de talen door de partijen die voor de Raad verschijnen
Sous-section 3. - L'emploi des langues par les parties qui comparaissent devant le Conseil
Art. 39/16. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 100; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De partijen die onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gebruiken voor hun akten en verklaringen de taal welke hun opgelegd is door die wetgeving in hun binnendiensten.
Art. 39/16. Les parties soumises à la législation sur l'emploi des langues en matière administrative font usage dans leurs actes et déclarations de la langue dont l'emploi leur est imposé par cette législation dans leurs services intérieurs.
Art. 39/17. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 101; Inwerkingtreding : 01-12-2006> Nietig is ieder verzoekschrift dat en iedere memorie die door een aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken onderworpen partij aan de Raad is gericht in een andere taal dan die haar bij die wetgeving is opgelegd.
  De nietigheid wordt ambtshalve uitgesproken.
  De nietige akte stuit echter de termijnen van de verjaring en van de procedure; deze termijnen lopen niet gedurende de instantie.
Art. 39/17. Sont nuls, toute requête et tout mémoire adressés au Conseil par une partie soumise à la législation sur l'emploi des langues en matière administrative dans une autre langue que celle dont l'emploi lui est imposé par cette législation.
  La nullité est prononcée d'office.
  Toutefois, l'acte frappé de nullité interrompt les délais de prescription et de procédure; ces délais ne courent pas durant l'instance.
Art. 39/18. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 102; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De partijen die niet onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, mogen voor hun akten en verklaringen de taal gebruiken welke zij verkiezen.
  [1 Behoudens in het geval de in artikel 51/4, § 3 voorziene taalregeling van toepassing is en de verzoekende partij bij haar asielaanvraag heeft aangegeven geen hulp van een tolk nodig te hebben, kan zij om de bijstand van een tolk ter terechtzitting verzoeken]1 ; de kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat.
  In afwijking van het eerste lid, moet op straffe van niet-ontvankelijkheid, (de asielzoeker) het verzoekschrift en de overige procedurestukken indienen in de taal die is bepaald bij het indienen van de asielaanvraag overeenkomstig artikel 51/4. <W 2006-12-27/33, art. 114, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  [1 Behoudens in het geval de verzoekende partij, overeenkomstig het tweede lid, bijgestaan wordt door een tolk, dient zij, indien artikel 51/4 van toepassing is, de overeenkomstig voormelde bepaling vastgestelde proceduretaal te gebruiken voor haar mondelinge toelichtingen ter terechtzitting.]1
  
Art. 39/18. Les parties qui ne sont pas soumises à la législation sur l'emploi des langues en matière administrative peuvent établir leurs actes et déclarations dans la langue de leur choix.
  [1 Sauf dans le cas où le régime linguistique prévu à l'article 51/4, § 3, est d'application et où la partie requérante a indiqué, lors de sa demande d'asile, qu'elle n'a pas besoin de l'assistance d'un interprète, elle peut demander l'assistance d'un interprète à l'audience]1 ; les frais de traduction sont à charge de l'Etat.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le (demandeur d'asile) doit, sous peine d'irrecevabilité, introduire la requête et les autres pièces de procédure dans la langue déterminée au moment de l'introduction de la demande d'asile conformément à l'article 51/4. <L 2006-12-27/33, art. 114, 042; En vigueur : 01-12-2006>
  [1 Sauf dans le cas où la partie requérante est assistée d'un interprète conformément à l'alinéa 2, elle doit, si l'article 51/4 est d'application, utiliser la langue de la procédure déterminée conformément à la disposition précitée pour ses remarques orales à l'audience.]1
  
HOOFDSTUK 3. - Het ambt
CHAPITRE 3. - La fonction
Afdeling I. - De benoemingsvoorwaarden voor de leden van de Raad en van de griffie
Section Ire. - Les conditions de nomination des membres du Conseil et du greffe
Art. 39/19. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 104; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. De rechters in vreemdelingenzaken worden door de Koning benoemd uit een uitdrukkelijk gemotiveerde lijst met drie namen, voorgedragen door de Raad, nadat hij de ontvankelijkheid van de kandidaturen heeft onderzocht en de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten heeft vergeleken.
  De algemene vergadering van de Raad kan een selectieproef organiseren waarvan zij de modaliteiten bepaalt. Zij beslist vooraf of er een reserve van geslaagden wordt aangelegd. De geldigheid van de wervingsreserve wordt bepaald op twee jaar.
  De algemene vergadering van de Raad hoort de kandidaten ambtshalve of op hun verzoek. Als een selectieproef wordt georganiseerd, dan wordt dit horen beperkt tot de geslaagde kandidaten. Zij kan daartoe ten minste drie van haar leden aanwijzen, die bij haar verslag uitbrengen over het horen van de kandidaten.
  De Raad deelt zijn voordracht alsook alle kandidaturen en de beoordeling hiervan mee aan de Minister.
  De kandidaat die door de algemene vergadering van de Raad eenparig als eerste is voorgedragen, kan tot rechter in vreemdelingenzaken worden benoemd, tenzij de Minister weigert omdat niet aan de in § 2 vastgestelde voorwaarden voldaan is.
  In geval van weigering van de Minister doet de algemene vergadering van de Raad een nieuwe voordracht.
  Indien er geen eenparigheid van stemmen is bij een voordracht, kan de rechter in vreemdelingenzaken enkel worden benoemd uit de personen die voorkomen op de voorgedragen lijst.
  De Minister maakt, op initiatief van de Raad, de vacante betrekkingen bekend in het Belgisch Staatsblad.
  In de bekendmaking worden het aantal vacante betrekkingen vermeld, de benoemingsvoorwaarden, de termijn voor het indienen van de kandidaturen, die ten minste een maand bedraagt en de overheid waaraan deze moeten worden gezonden.
  Iedere voordracht wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt; de benoeming mag niet vroeger dan vijftien dagen na die bekendmaking geschieden.
  § 2. Niemand kan tot rechter in vreemdelingenzaken worden benoemd tenzij hij Belg, [1 volle dertig jaar]1 oud en doctor, licentiaat of master in de rechten is, en een nuttige juridische beroepservaring van tenminste 5 jaar kan doen gelden.
  § 3. [2 De rechters in vreemdelingenzaken worden voor het leven benoemd. Zij kunnen enkel om tuchtrechtelijke redenen zoals bedoeld in artikel 39/53, van ambtswege worden ontslagen of uit hun ambt worden ontzet.]2
  De eerste voorzitter en de voorzitter en de kamervoorzitters worden in deze functies aangewezen onder de voorwaarden en op de wijze bij deze wet bepaald.
  
Art. 39/19. § 1er. Les juges au contentieux des étrangers sont nommés par le Roi sur une liste de trois noms formellement motivée, présentée par le Conseil, après que celui-ci a examiné la recevabilité des candidatures et comparé les titres et mérites respectifs des candidats.
  L'assemblée générale du Conseil peut organiser une épreuve de sélection selon les modalités qu'elle détermine. Elle décide préalablement si une réserve de lauréats doit être constituée. La validité de la réserve de recrutement est fixée à deux ans.
  L'assemblée générale du Conseil entend les candidats d'office ou à leur demande. Si une épreuve de sélection est organisée, cette audition est limitée aux seuls lauréats. Elle peut, à cette fin, designer au moins trois membres qui lui feront rapport sur l'audition de ces candidats.
  Le Conseil communique sa présentation ainsi que l'ensemble des candidatures et l'appréciation de celles-ci, au Ministre.
  Le candidat présenté en premier à l'unanimité par l'assemblée générale du Conseil, peut être nommé juge au contentieux des étrangers, sauf si le Ministre refuse cette présentation parce que les conditions fixées au § 2 ne sont pas respectées.
  En cas de refus du Ministre, l'assemblée générale du Conseil procède à une nouvelle présentation.
  En l'absence d'unanimité lors d'une présentation, le juge au contentieux des étrangers ne peut être nommé que parmi les personnes qui figurent sur la liste présentée.
  Le Ministre publie les vacances au Moniteur belge, à l'initiative du Conseil.
  La publication mentionne le nombre de places vacantes, les conditions de nomination, le délai d'introduction des candidatures, d'un mois au moins, et l'autorité à laquelle celles-ci doivent être adressées.
  Toute présentation est publiée au Moniteur belge; : il ne peut être procédé à la nomination que quinze jours après cette publication.
  § 2. Nul ne peut être nommé juge au contentieux des étrangers, s'il n'a [1 trente ans accomplis]1, s'il n'est Belge, docteur, licencié ou master en droit, et s'il ne peut justifier d'une expérience professionnelle utile de nature juridique de cinq ans au moins.
  § 3. [2 Les juges au contentieux des étrangers sont nommés à vie. Ils ne peuvent être démis d'office ou destitués que pour les raisons disciplinaires visées à l'article 39/53.]2
  Le premier président et le président et les présidents de chambre sont désignés dans ces fonctions sous les conditions et selon le mode déterminé par cette loi.
  
Art. 39/20. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 105; Inwerkingtreding : 01-12-2006> [1 De griffiers worden door de Koning benoemd uit een lijst die hun plaats vermeldt in de rangschikking voor een vergelijkend examen. Een jury legt de modaliteiten van dit vergelijkend examen vast en onderzoekt de kandidaturen. Deze jury bestaat uit twee leden van de Raad, de hoofdgriffier en de beheerder. In geval de hoofdgriffier of de beheerder verhinderd is, duidt de eerste voorzitter een vervanger aan. De uitslag van het vergelijkend examen blijft drie jaar geldig.
   Om tot griffier te kunnen worden benoemd dient men:
   1° doctor in de rechten, of houder van een diploma licentiaat of master in de rechten te zijn; of
   2° enerzijds houder te zijn van een diploma dat toegang verleent tot de betrekkingen van minstens niveau B in het openbaar ambt of een dergelijke betrekking uit te oefenen en anderzijds vijf jaar nuttige ervaring aan te tonen.]1

  In afwijking van de in het [1 tweede lid, 2°,]1 bepaalde [1 voorwaarde van vijf jaar nuttige ervaring]1, kan de griffier die overeenkomstig artikel 39/21, § 3, het bewijs moet leveren van een voldoende kennis van de Duitse taal, worden benoemd indien hij :
  1° getuigt van ten minste één jaar nuttige ervaring [1 en]1;
  2° het bewijs kan leveren van een voldoende kennis van de Duitse taal.
  [1 Aan de voorwaarden van het tweede en derde lid dient voldaan te zijn op het ogenblik van de kandidatuurstelling voor het ambt.]1
  
Art. 39/20. [1 Les greffiers sont nommés par le Roi sur une liste indiquant l'ordre de leur classement à un concours. Un jury fixe les modalités de ce concours et examine les candidatures. Ce jury comprend deux membres du Conseil, le greffier en chef et l'administrateur. En cas d'empêchement du greffier en chef ou de l'administrateur, le premier président désigne un remplaçant. La durée de validité du concours est de trois ans.
   Pour être nommé greffier, il convient:
   1° d'être docteur en droit ou titulaire d'un diplôme de licencié ou master en droit; ou
   2° d'une part, être titulaire d'un diplôme donnant au moins accès aux emplois de niveau B dans la fonction publique ou d'exercer un tel emploi et d'autre part, justifier d'une expérience utile de cinq ans.]1

  Par dérogation à la condition [1 d'une expérience utile de cinq ans,]1 fixée à [1 l'alinéa 2, 2°,]1 le greffier qui doit fournir, conformément à l'article 39/21, § 3, la preuve d'une connaissance suffisante de la langue allemande, peut être nommé s'il :
  1° a apporté la preuve d'au moins un an d'expérience utile [1 et]1;
  2° peut fournir la preuve d'une connaissance suffisante de la langue allemande.
  [1 Les conditions des alinéas 2 et 3 doivent être remplies au moment de la candidature pour la fonction.]1
  
Art. 39/21. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 106; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. De voorzitter moet door zijn diploma het bewijs leveren dat hij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten heeft afgelegd in de andere taal, Nederlands of Frans, dan die van de eerste voorzitter.
  De helft van de kamervoorzitters en de helft van de rechters in vreemdelingenzaken moeten door hun diploma het bewijs leveren dat zij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten in het Nederlands hebben afgelegd; de andere helft van elke groep dat zij het in het Frans hebben afgelegd.
  De helft van de griffiers moeten behoren tot de Nederlandse taalrol, de andere helft tot de Franse taalrol.
  § 2. Ten minste drie leden van de Raad, de hoofdgriffier van de Raad en ten minste twee griffiers dienen het bewijs te leveren van de kennis van de andere taal dan die waarin hun diploma is gesteld. Bij het opleggen van de kennis van de andere taal dan die waarin het diploma gesteld is, dient er over te worden gewaakt dat niet allen tot dezelfde taalgroep behoren.
  Het bewijs van de kennis van de andere taal wordt geleverd overeenkomstig artikel 73, § 2, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
  De leden van de Raad, van de griffie, de beheerder, alsook de personeelsleden van de Raad kunnen dat bewijs ook leveren hetzij door te slagen in het in artikel 73, § 2, vijfde lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 bedoelde examen, hetzij door te slagen voor een bijzonder examen. Dat examen wordt afgelegd voor een commissie die wordt voorgezeten door een lid van de Raad. De Koning regelt de samenstelling van deze commissie, de organisatie van het examen en bepaalt de examenstof met inachtneming van de eigen behoeften van de werkzaamheden van de Raad. Dit examen wordt gelijkgesteld met het in artikel 73, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 bedoelde examen.
  [1 De leden van de Raad en van de griffie alsook de beheerder worden ook geacht de in het eerste lid bepaalde kennis van de andere taal dan die waarin hun diploma is gesteld te hebben geleverd, indien ze het bewijs leveren van de in artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1966, of van de in de artikelen 5 en 7 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger, bedoelde kennis van de Nederlandse of Franse taal.]1
  § 3. Een rechter in vreemdelingenzaken en een lid van de griffie moeten bovendien het bewijs leveren van een voldoende kennis van de Duitse taal. Het bewijs van de kennis van deze taal wordt geleverd op de wijze bepaald in artikel 73 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, dan wel door te slagen voor een bijzonder examen dat overeenkomstig § 2, laatste lid is georganiseerd. Dit examen wordt gelijkgesteld met het in artikel 73, § 3, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 bedoelde examen. ".
  [1 Een lid van de Raad of van de griffie wordt ook geacht de in het eerste lid bepaalde kennis van de Duitse taal te hebben geleverd, indien het het bewijs levert van de door artikel 15, § 1, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1966, bepaalde kennis van de Duitse taal voor het niveau A, of aantoont dat het, om tot ambtenaar te worden benoemd, overeenkomstig artikel 43, § 4, derde lid, van de voornoemde wetten zijn toelatingsexamen tot dit ambt in het Duits heeft afgelegd.]1
  Indien geen griffier van de Raad voldoet aan artikel 39/20, derde lid, wordt dit ambt uitgeoefend door de griffier van de Raad van State die het bewijs levert van een voldoende kennis van de Duitse taal. Deze wordt aangewezen door de eerste voorzitter van de Raad van State die dit meedeelt aan de eerste voorzitter van de Raad.
  
Art. 39/21. § 1er. Le président doit justifier par son diplôme qu'il a passé l'examen de docteur, de licencié ou de master en droit dans la langue, française ou néerlandaise, autre que celle du premier président.
  La moitié des présidents de chambre et la moitié des juges au contentieux des étrangers doivent justifier, par leur diplôme, qu'ils ont passé l'examen de docteur, licencié ou master en droit en langue française : l'autre moitié de chaque groupe, en langue néerlandaise.
  La moitié des greffiers doivent appartenir au rôle linguistique français et l'autre moitié au rôle linguistique néerlandais.
  § 2. Trois membres du Conseil au moins, le greffier en chef du Conseil et deux greffiers au moins, doivent justifier de la connaissance de la langue autre que celle de leur diplôme. Lorsque la connaissance de la langue autre que celle du diplôme est imposée, il doit être veillé à ce qu'ils n'appartiennent pas tous au même rôle linguistique.
  La justification de la connaissance de cette langue est apportée conformément à l'article 73, § 2, alinéa 4, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
  Les membres du Conseil, du greffe, l'administrateur et les membres du personnel administratif du Conseil peuvent également fournir cette preuve soit en réussissant l'examen visé à l'article 73, § 2, alinéa 5, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, soit en réussissant un examen spécial. Cet examen est passé devant une commission qui est présidée par un membre du Conseil. Le Roi règle la composition de cette commission, l'organisation de l'examen et en détermine la matière en tenant compte des exigences propres des activités du Conseil. Cet examen est assimilé à l'examen visé à l'article 73, § 2, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
  [1 Les membres du Conseil et du greffe ainsi que l'administrateur sont également censés avoir justifié de la connaissance de la langue autre que celle de leur diplôme visée à l'alinéa 1er, s'ils justifient de la connaissance de la langue française ou néerlandaise, visée à l'article 43, § 3, alinéa 3, des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées par l'arrêté royal du 18 juillet 1966, ou aux articles 5 et 7 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée.]1
  § 3. Un juge au contentieux des étrangers et un membre du greffe doivent en outre justifier de la connaissance suffisante de la langue allemande. La preuve de la connaissance de cette langue est apportée selon le mode déterminé à l'article 73 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, ou en réussissant un examen spécial organisé conformément au § 2, dernier alinéa. Cet examen est assimilé à l'examen visé à l'article 73, § 3, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973. ".
  [1 Un membre du Conseil ou du greffe est également censé avoir justifié de la connaissance de la langue allemande visée à l'alinéa 1er, s'il justifie de la connaissance de la langue allemande pour le niveau A, visée à l'article 15, § 1er, alinéa 3, des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées par l'arrêté royal du 18 juillet 1966, ou s'il prouve que, pour être nommé fonctionnaire conformément à l'article 43, § 4, alinéa 3, des lois précitées, il a passé son examen d'admission à cette fonction en allemand.]1
  Lorsqu'aucun greffier du Conseil ne satisfait à ce qui est prévu dans l'article 39/20, alinéa 3, cette fonction est exercée par le greffier du Conseil d'Etat qui fournit la preuve d'une connaissance suffisante de la langue allemande. Ce dernier est désigné par le premier président du Conseil d'Etat, qui communique sa décision au premier président du Conseil.
  
Art. 39/22. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 107; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De eerste voorzitter legt, in persoon of schriftelijk, in handen van de Eerste voorzitter van de Raad van State de eed af die voorgeschreven is bij het decreet van 20 juli 1831.
  De overige leden van de Raad en van de griffie leggen die eed af in handen van de eerste voorzitter.
Art. 39/22. Le premier président prête entre les mains du Premier président du Conseil d'Etat, en personne ou par écrit, le serment prescrit par le décret du 20 juillet 1831.
  Les autres membres du Conseil et du greffe prêtent ce serment entre les mains du premier président.
Afdeling II. - De aanwijzing en uitoefening van mandaten
Section II. - La désignation et l'exercice des mandats
Onderafdeling 1. - De mandaten
Sous-section 1re. - Les mandats
Art. 39/23. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 109; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. De eerste voorzitter en voorzitter worden aangewezen uit de leden van de Raad die tenminste vijf jaar benoemd zijn als rechter in vreemdelingenzaken of uit de ambtsdragers van de Raad van State bedoeld in artikel 69, 1° tot 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, die ten minste vijf jaar benoemd zijn in voornoemde hoedanigheid.
  Op het ogenblik dat het mandaat van korpschef of het adjunct-mandaat van voorzitter daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 39/38. Deze leeftijdsgrens geldt niet in het geval van een hernieuwing van het mandaat of van het adjunct-mandaat. "
  § 2. De kamervoorzitters worden aangewezen uit de leden van de Raad die tenminste drie jaar benoemd zijn als rechter in vreemdelingenzaken.
  Op het ogenblik dat het adjunct-mandaat daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste drie jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 39/38. Deze leeftijdsgrens geldt niet in het geval van een hernieuwing van het adjunct-mandaat.
  § 3. [1 De hoofdgriffier is ten minste de volle vijfendertig jaar oud en wordt aangewezen uit:
   1° de griffiers van de Raad voor Vreemdelingen-betwistingen, bedoeld in artikel 39/20, die ten minste drie jaar benoemd zijn als griffier; of
   2° de griffiers van de Raad van State bedoeld in artikel 69, 4°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, die ten minste drie jaar benoemd zijn in voornoemde hoedanigheid; of
   3° zij die een betrekking van niveau A in het openbaar ambt uitoefenen en die vijf jaar nuttige ervaring kunnen aantonen.]1

  [1 Aan deze voorwaarden dient voldaan te zijn op het ogenblik van de kandidatuurstelling voor het ambt.]1
  Op het ogenblik dat het adjunct-mandaat daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste drie jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 39/38. Deze leeftijdsgrens geldt niet in het geval van een hernieuwing van het adjunct-mandaat.
  
Art. 39/23. § 1er. Le premier président et le président sont désignés parmi les membres du Conseil nommés depuis cinq ans au moins en tant que juge au contentieux des étrangers ou parmi les titulaires de fonction au Conseil d'Etat visés à l'article 69, 1° à 3°, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, nommés depuis cinq ans au moins dans la qualité précitée.
  Au moment de la vacance effective du mandat de chef de corps ou du mandat adjoint de président, le candidat doit avoir au moins cinq ans de moins que la limite d'âge visée à l'article 39/38. Cette limite d'âge ne s'applique pas en cas de renouvellement du mandat ou du mandat adjoint.
  § 2. Les présidents de chambre sont désignés parmi les membres du Conseil nommés depuis trois ans au moins en tant que juge au contentieux des étrangers.
  Au moment de la vacance effective du mandat adjoint, le candidat doit avoir au moins trois ans de moins que la limite d'âge visée à l'article 39/38. Cette limite d'âge ne s'applique pas en cas de renouvellement du mandat adjoint.
  § 3. [1 Le greffier en chef est âgé d'au moins trente-cinq ans accomplis et est désigné parmi:
   1° les greffiers du Conseil du contentieux des étrangers visés à l'article 39/20, nommés depuis trois ans au moins en tant que greffiers; ou
   2° les greffiers du Conseil d'Etat visés à l'article 69, 4°, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, nommés depuis trois ans au moins dans la qualité précitée; ou
   3° ceux qui exercent un emploi de niveau A dans la fonction publique et qui peuvent justifier d'une expérience utile de cinq ans.]1

  [1 Ces conditions doivent être remplies au moment de la candidature pour le mandat.]1
  Au moment de la vacance effective du mandat adjoint, le candidat doit avoir au moins trois ans de moins que la limite d'âge visée à l'article 39/38. Cette limite d'âge ne s'applique pas en cas de renouvellement du mandat adjoint.
  
Onderafdeling 2. - Procedure van aanwijzing van mandaten
Sous-section 2. - Procédure de désignation des mandats
Art. 39/24. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 111; Inwerkingtreding : 01-12-2006>§ 1. De titularis van het mandaat van korpschef en van het adjunct-mandaat van voorzitter wordt door de Koning aangewezen voor een mandaat van vijf jaar dat eenmaal kan worden hernieuwd.
  Na het verstrijken van elke periode van tien jaar wordt het ambt van korpschef en van voorzitter van rechtswege vacant verklaard. Op straffe van onontvankelijkheid kunnen uitsluitend hun kandidatuur indienen, de kandidaten die door hun diploma het bewijs leveren dat zij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten hebben afgelegd in de andere taal, Nederlands of het Frans, dan die van naargelang het geval de vorige zittende korpschef of de voorzitter. De zittende korpschef of voorzitter kan meedingen voor het vacant verklaarde ambt van zijn taalrol.
  De eerste voorzitter en de voorzitter nemen hun mandaat dezelfde dag op. De in het tweede lid bedoelde periode van tien jaar gaat voor die mandaten op die dag in.
  § 2. Bij hun kandidaatstelling voegen de kandidaten voor het mandaat van eerste voorzitter een beleidsplan. De Koning kan het voorwerp van dit beleidsplan bepalen.
  De algemene vergadering van de Raad hoort de kandidaten ambtshalve.
  De algemene vergadering van de Raad doet, na de ontvankelijkheid van de kandidaturen te hebben onderzocht en de respectievelijke aanspraken en verdiensten van de kandidaten te hebben vergeleken, een uitdrukkelijk gemotiveerde voordracht van één kandidaat voor het vacante mandaat. Zij deelt deze gemotiveerde voordracht, alsook alle kandidaturen en hun beoordeling mee aan de Minister.
  De kandidaat die door de algemene vergadering van de Raad wordt voorgedragen, kan door de Koning als korpschef worden aangewezen.
  De Koning neemt een beslissing binnen de twee maanden na ontvangst van de voordracht. In geval van weigering beschikt de algemene vergadering van de Raad vanaf de ontvangst van deze beslissing over een termijn van vijftien dagen om een nieuwe voordracht te doen overeenkomstig de hiervoor bepaalde regels.
  Volgt een tweede weigeringsbeslissing van de Koning binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van deze nieuwe voordracht, dan wordt gehandeld overeenkomstig het vorige lid, tenzij een zelfde kandidaat werd voorgedragen. In dit laatste geval dient de Raad een andere kandidaat voor te stellen dan wel te beslissen (de procedure van aanwijzing) van voren af aan te herbeginnen. <W 2006-12-27/33, art. 114, 2°, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  § 3. Tussen de derde en de tweede maand voor het beëindigen van het mandaat van korpschef of van het adjunct-mandaat van voorzitter kan de korpschef of voorzitter de algemene vergadering om een hernieuwing verzoeken van het mandaat. De korpschef voegt bij dit verzoek zijn beleidsplan alsook een rapport omtrent de uitoefening van het voorbije mandaat. De houder van het mandaat van voorzitter voegt een rapport omtrent de uitoefening van het voorbije mandaat.
  De algemene vergadering van de Raad beoordeelt het verzoek tot hernieuwing en beslist of het mandaat van korpschef of van het adjunct-mandaat van voorzitter wordt hernieuwd. De beslissing tot niet hernieuwing houdt van rechtswege de vacantverklaring van het mandaat in.
  Bij niet-hernieuwing van het mandaat van korpschef of van het adjunct-mandaat van voorzitter neemt de betrokkene bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt of het mandaat weer op waarin hij het laatst werd benoemd of aangewezen. In voorkomend geval geschiedt dit in overtal. Indien betrokkene niet is benoemd in het terug opgenomen mandaat, dan geldt deze heropneming als een aanwijzing voor de gehele termijn waarvoor het mandaat is verleend.
  Betreft het een ambtsdrager van de Raad van State, dan neemt deze zijn ambt in de Raad van State terug op, ongeacht het aantal plaatsen bepaald in artikel 69 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Op zijn uitdrukkelijk schriftelijk verzoek uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van het mandaat, kan hij evenwel, in voorkomend geval in overtal, worden benoemd in de Raad zonder dat artikel 39/19, § 1, van toepassing is. Deze benoeming houdt van rechtswege het ontslag in de Raad van State in. Hij behoudt in dit geval de wedde, de verhogingen, de weddebijslagen en de vergoedingen die aan het ambt van ambtsdrager van de Raad van State zijn verbonden tenzij aan het ambt dat hij opneemt een hogere wedde is verbonden.
  Het mandaat van korpschef of het adjunct-mandaat van voorzitter dat niet wordt hernieuwd of dat met toepassing van § 1, tweede lid van rechtswege vacant wordt verklaard, wordt evenwel slechts beëindigd op het ogenblik dat de eerste voorzitter of voorzitter het mandaat opneemt, zonder dat deze termijn meer dan negen maanden mag bedragen te rekenen vanaf de betekening van de beslissing tot niet hernieuwing dan wel vanaf de datum van de vacantverklaring.
  Indien de mandaathouder tweemaal opeenvolgend het zelfde mandaat van korpschef of van voorzitter heeft uitgeoefend, geniet hij gedurende de twee jaren volgend op de beëindiging van de tweede mandaattermijn de overeenkomstige wedde van korpschef of voorzitter met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen, tenzij hij een mandaat opneemt waaraan een hogere wedde is verbonden.
  § 4. De mandaathouder kan zijn mandaat van korpschef of zijn adjunct-mandaat van voorzitter voortijdig ter beschikking stellen bij ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs gericht aan de Minister.
  Het mandaat van korpschef of het adjunct-mandaat van voorzitter wordt evenwel slechts beëindigd op het ogenblik dat de nieuwe korpschef of voorzitter het mandaat opneemt, zonder dat deze termijn meer dan negen maanden mag bedragen te rekenen vanaf de ontvangst van de terbeschikkingstelling.
  De bepalingen van § 3, derde lid en vierde lid, zijn van toepassing op de korpschef of de voorzitter die zijn mandaat voortijdig ter beschikking stelt.
  De korpschef of de voorzitter die zijn mandaat voortijdig ter beschikking stelt kan zich gedurende een termijn van twee jaar nadat hij zijn mandaat effectief neerlegde, niet opnieuw kandidaat stellen voor een mandaat van korpschef of een adjunct-mandaat van voorzitter. Voor de toepassing van deze bepaling wordt niet beschouwd als een voortijdige ter beschikkingstelling van het adjunct-mandaat, de voorzitter die aangewezen wordt voor een mandaat van korpschef.
  § 5. Indien het mandaat van korpschef of het adjunct-mandaat van voorzitter openvalt vóór het verstrijken van de in § 1, tweede lid bepaalde termijn, dan kunnen, op straffe van onontvankelijkheid, uitsluitend diegenen die voldoen aan dezelfde taalvoorwaarden als naar gelang het geval de korpschef of de voorzitter wiens mandaat voortijdig een einde nam, hun kandidatuur indienen.
  De duur van het mandaat van diegene die met toepassing van het eerste lid tot korpschef of voorzitter wordt aangewezen, is in afwijking van § 1 beperkt tot de nog resterende duur van het mandaat dat voortijdig een einde nam.
  Indien op het ogenblik van het daadwerkelijk openvallen van het mandaat van korpschef men nog minder dan een jaar is verwijderd van het einde van de in § 1, eerste lid bepaalde periode, dan vervangt de voorzitter de eerste voorzitter voor de nog resterende termijn van het lopende mandaat.
  Heeft het in het vorig lid bedoelde daadwerkelijk openvallen van het mandaat betrekking op dat van voorzitter, dan wordt deze vervangen door de kamervoorzitter van dezelfde taalrol, naar orde van dienstanciënniteit. De vervanging neemt van rechtswege een einde bij het aanwijzen van een nieuwe mandaathouder.
  De in het derde en vierde lid bedoelde vervanging neemt van rechtswege een einde bij het aanwijzen van een nieuwe mandaathouder.
Art. 39/24. § 1er. Le titulaire de mandat de chef de corps et du mandat adjoint de président sont désignés par le Roi pour un mandat de cinq ans qui peut être renouvelé une fois.
   Après l'expiration de chaque période de dix ans, les fonctions de chef de corps et de président sont déclarées vacantes de plein droit. Sous peine d'irrecevabilité, peuvent exclusivement introduire leur candidature, les candidats qui ont apporté la preuve, par leur diplôme, qu'ils ont passé l'examen de docteur, licencié ou master en droit dans l'autre langue, le français ou le néerlandais, que celle du chef de corps siégeant précédemment ou du président, selon le cas. Le chef de corps ou le président siégeant peut concourir pour le mandat déclaré vacant de son rôle linguistique.
  Le premier président et le président entament leur mandat le même jour. La période de dix ans visée dans l'alinéa 2 prend cours, pour ces mandats, ce jour-là.
  § 2. Le candidat au mandat de premier président joint un plan de gestion à sa candidature. Le Roi peut fixer l'objet de ce plan de gestion.
  L'assemblée générale du Conseil entend les candidats d'office.
  L'assemblée générale du Conseil procède, après avoir examiné la recevabilité des candidatures et avoir comparé (les titres et mérites respectifs ",) des candidats, à la présentation motivée explicite d'un seul candidat pour le mandat vacant. Elle communique cette présentation motivée ainsi que toutes les candidatures et leur (appréciation) au Ministre. <L 2006-12-27/33, art. 115, 1°, 042; En vigueur : 01-12-2006>
  Le candidat présenté par l'assemblée générale du Conseil, peut être désigné par le Roi en tant que chef de corps.
  Le Roi prend une décision dans les deux mois après la réception de la présentation. En cas de refus, l'assemblée générale du Conseil dispose, dès la réception de cette décision, d'un délai de quinze jours pour faire une nouvelle présentation, conformément aux règles visées ci-dessus.
  Si le Roi prend une deuxième décision de refus dans le délai de deux mois à compter de la réception de cette nouvelle présentation, il est procédé conformément à l'alinéa précédent, à moins que le même candidat ait été présenté. Dans ce dernier cas, le Conseil doit présenter un autre candidat ou décider de recommencer la (procédure de désignation) depuis le début. <L 2006-12-27/33, art. 115, 2°, 042; En vigueur : 01-12-2006>
  § 3. Entre le troisième et le deuxième mois avant la fin du mandat de chef de corps ou du mandat adjoint de président, le chef de corps ou le président peut demander à l'assemblée générale de renouveler le mandat. Le chef de corps joint à cette demande son plan de gestion ainsi qu'un rapport concernant l'exercice du (mandat écoulé). Le titulaire du mandat de président joint un rapport sur l'exercice du mandat écoulé. <L 2006-12-27/33, art. 115, 3°, 042; En vigueur : 01-12-2006>
  L'assemblée générale du Conseil évalue la demande de renouvellement et décide si le mandat du chef de corps ou du mandat adjoint de président doit être renouvelé. La décision de non-renouvellement implique de plein droit la déclaration de vacance du mandat.
  En cas de non renouvellement du mandat de chef de corps ou du mandat adjoint de président, l'intéresse reprend, à l'expiration de celui-ci, l'exercice de sa fonction ou du mandat auquel il a été nommé ou désigné en dernier lieu, le cas échéant, en surnombre. Lorsque l'intéressé n'a pas été nommé au mandat dont il reprend l'exercice, il est censé avoir été désigné à cet effet pour l'entièreté du délai pour lequel le mandat avait été octroyé.
  S'il s'agit d'un titulaire d'une fonction au Conseil d'Etat, il reprend sa fonction au Conseil d'Etat, peu importe le nombre de postes prévus dans l'article 69 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat. Sur demande écrite expresse au plus tard deux mois avant l'expiration du mandat, il peut néanmoins, le cas échéant en surnombre, être nommé au Conseil sans que l'article 39/19, § 1er, soit d'application. Cette nomination implique de plein droit la démission au Conseil d'Etat. Dans ce cas, il conserve le traitement, les augmentations, les compléments de traitement et les indemnités liés à la fonction de titulaire de fonction au Conseil d'Etat, à moins qu'il ne reprenne une fonction à laquelle est liée un traitement plus élevé.
  Le mandat de chef de corps ou le mandat adjoint de président qui n'est pas renouvelé ou qui, en application du § 1er, alinéa 2, est déclaré vacant de plein droit, ne cesse toutefois qu'au moment ou le premier président ou le président reprend le mandat sans que ce délai puisse compter plus de neuf mois, à compter de la notification de la décision de non-renouvellement ou de la date de la déclaration de vacance.
  Si le titulaire du mandat a exercé le mandat de chef de corps ou celui de président à deux reprises, il bénéficie durant les deux années qui suivent la fin du deuxième terme du mandat, de la rémunération allouée au chef de corps ou au président, en ce compris les augmentations et avantages qui y sont liés, à moins qu'il ne reprenne un mandat auquel est lié un traitement plus élevé.
  § 4. Avant l'expiration du terme, le titulaire du mandat peut mettre son mandat de chef de corps ou son mandat adjoint de président à disposition par lettre recommandée à la poste ou contre accusé de réception, adressée au Ministre.
  Il n'est toutefois mis fin au mandat de chef de corps ou au mandat adjoint de président qu'au moment où le nouveau chef de corps ou président reprend le mandat sans que ce délai puisse excéder neuf mois à compter de la réception de la mise à disposition.
  Les dispositions du § 3, alinéas 3 et 4, sont d'application au chef de corps ou au président qui met son mandat à disposition de manière anticipée.
  Le chef de corps ou le président qui met son mandat à disposition avant l'expiration du terme ne peut plus poser sa candidature pour un mandat de chef de corps ou un mandat adjoint de président pendant un délai de deux ans à compter du jour où il a effectivement renoncé à son mandat. Pour l'application de la présente disposition, la désignation d'un président pour un mandat de chef de corps n'est pas considérée comme une mise à disposition anticipée du mandat adjoint.
  § 5. Lorsque le mandat de chef de corps ou le mandat adjoint de président est à pourvoir avant l'expiration du délai fixé au § 1er, alinéa 2, seules les personnes qui répondent aux mêmes conditions linguistiques que le chef de corps ou le président, selon le cas, dont le mandat a pris fin anticipativement, peuvent, sous peine d'irrecevabilité, présenter leur candidature.
  La durée du mandat de la personne qui, en application de l'alinéa 1er, est désignée chef de corps ou président, est, par dérogation au § 1er, limitée à la durée restante du mandat qui a pris fin avant l'expiration du terme.
  Si, au moment de la vacance effective du mandat de chef de corps, moins d'une année doit encore s'écouler jusqu'à la fin de la période visée au § 1er, alinéa 1er, le président remplace le premier président dans l'exercice de son mandat pour la période restante du mandat en cours.
  S'il s'agit de la vacance effective du mandat de président, il sera remplacé par le président de chambre appartenant au même rôle linguistique, par ordre d'ancienneté de service. Le remplacement prend fin de plein droit lors de la désignation d'un nouveau titulaire de mandat.
  Le remplacement visé aux alinéas 3 et 4 prend fin de plein droit lors de la désignation d'un nouveau titulaire de mandat.
Art. 39/25. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 112; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. De titularissen van een adjunct-mandaat worden aangewezen als volgt :
  1° de kamervoorzitters door de algemene vergadering;
  2° de hoofdgriffier wordt aangewezen door de Koning, op advies van de eerste voorzitter en voorzitter.
  § 2. [1 De aanwijzingen van de in paragraaf 1 bepaalde adjunct-mandaten gelden voor een termijn van drie jaar die van rechtswege wordt verlengd behalve in geval van een evaluatie die tot de vermelding "onvoldoende" leidt. Na negen jaar ambtsvervulling worden de betrokken mandaathouders van rechtswege vast aangewezen in dat mandaat behalve in geval van een evaluatie onvoldoende.]1
  § 3. Bij niet-hernieuwing van het adjunct-mandaat neemt de betrokkene bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt weer op waarin hij het laatst werd benoemd. In voorkomend geval geschiedt dit in overtal.
  [1 Indien voor het mandaat van hoofdgriffier geen ambtsdrager werd aangewezen, dan wordt bij niet hernieuwing de betrokkene benoemd, in voorkomend geval in overtal, als griffier zonder dat artikel 39/20 van toepassing is.]1
  § 4. De mandaathouder kan zijn adjunct-mandaat voortijdig ter beschikking stellen bij ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs gericht aan de Minister. Het mandaat wordt evenwel slechts beëindigd na negen maanden te rekenen vanaf de ontvangst van de terbeschikkingstelling. Deze termijn kan door de Koning, op gemotiveerd verzoek van betrokkene worden ingekort.
  De bepalingen van § 3 zijn van toepassing op de mandaathouder die zijn mandaat voortijdig ter beschikking stelt en geen ander mandaat opneemt.
  
Art. 39/25. § 1er. Les titulaires d'un mandat adjoint sont désignés comme suit :
  1° les présidents de chambre sont désignes par l'assemblée générale;
  2° le greffier en chef est désigné par le Roi, sur avis du premier président et du président.
  § 2. [1 Les désignations aux mandats adjoints visés au paragraphe 1er sont valables pour une période de trois ans, qui est prolongée de plein droit sauf en cas d'évaluation donnant lieu à la mention "insuffisant". Après neuf ans d'exercice de fonction, les titulaires de mandat concernés sont, sauf en cas d'évaluation "insuffisant", désignés de plein droit à titre définitif dans ce mandat.]1
  § 3. En cas de non renouvellement du mandat adjoint, l'intéressé reprend à l'expiration de celui-ci l'exercice de la fonction à laquelle il a été nommé en dernier lieu, le cas échéant, en surnombre.
  [1 Si aucun titulaire de fonction n'a été désigné au mandat de greffier en chef, l'intéressé est, en cas de non-renouvellement, nommé en tant que greffier, le cas échéant en surnombre, sans que l'article 39/20 ne soit d'application.]1
  § 4. Avant l'expiration du terme du mandat adjoint, le titulaire de mandat peut le mettre à disposition par lettre recommandée à la poste ou contre accusé de réception adressée au Ministre. Il n'est toutefois mis fin au mandat qu'à l'expiration d'un délai de neuf mois à compter de la réception de la mise à disposition. Ce délai peut être réduit par le Roi sur demande motivée de l'intéressé.
  Les dispositions du § 3 sont d'application au titulaire de mandat qui met son mandat à disposition avant l'expiration du terme et qui n'assume pas d'autre mandat.
  
Art. 39/26. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 113; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De uitoefening van een mandaat van korpschef is onverenigbaar met de uitoefening van een adjunct-mandaat. De uitoefening van het adjunct-mandaat van voorzitter is onverenigbaar met de uitoefening van het adjunct-mandaat van kamervoorzitter.
  Indien de houder van een adjunct-mandaat in de loop van zijn mandaat een mandaat van korpschef of van voorzitter opneemt, dan valt diens adjunct-mandaat daadwerkelijk open op de dag waarop het mandaat van korpschef of voorzitter wordt opgenomen.
Art. 39/26. L'exercice d'un mandat de chef de corps est incompatible avec l'exercice d'un mandat adjoint. L'exercice du mandat adjoint de président est incompatible avec l'exercice du mandat adjoint de président de chambre.
  Si le titulaire d'un mandat adjoint accède, au cours de son mandat, à un mandat de chef de corps ou de président, son mandat adjoint devient effectivement vacant le jour de la reprise du mandat de chef de corps ou de président. ".
Onderafdeling 3. - Over de uitoefening van het mandaat
Sous-section 3. - De l'exercice du mandat
Afdeling III. [1 - De evaluatie van de ambtsdragers van de Raad]1
Section III. [1 - L'évaluation des titulaires de fonction du Conseil]1
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 39/28. [1 § 1. Met uitzondering van de houders van het mandaat van korpschef of van voorzitter worden de leden van de Raad, de hoofdgriffier en de griffiers onderworpen aan een periodieke evaluatie die om de drie jaar plaatsvindt.
   Deze evaluatie wordt opgemaakt in de loop van de laatste vier maanden van de evaluatieperiode.
   De evaluatieperiode van drie jaar vangt aan bij de eedaflegging in het ambt waarin de betrokkene moet beoordeeld worden. Indien de betrokkene een adjunct-mandaat opneemt, wordt de lopende evaluatie vervroegd afgesloten met een evaluatiegesprek en vangt een nieuwe periode aan vanaf de aanstelling in het adjunct-mandaat.
   § 2. De evaluatiedossiers worden bewaard bij de eerste voorzitter wat de leden van de Raad en de hoofdgriffier betreft en bij de hoofdgriffier wat de griffiers betreft. De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen te allen tijde door de betrokkenen ingekeken worden. Ze worden gedurende ten minste tien jaar bewaard.
   Bij elke benoeming, elke voordracht of hernieuwing van een mandaat wordt het evaluatiedossier van de laatste zes jaar van de betrokkene gevoegd ter attentie van de benoemende overheid.]1

  
Art. 39/28. [1 § 1er. A l'exception des titulaires du mandat de chef de corps ou de président, les membres du Conseil, le greffier en chef et les greffiers sont soumis à une évaluation périodique qui a lieu tous les trois ans.
   Cette évaluation est effectuée au cours des quatre derniers mois de la période d'évaluation.
   La période d'évaluation de trois ans débute dès la prestation de serment pour la fonction dans laquelle l'intéressé doit être évalué. Au cas où l'intéressé assume un mandat adjoint, la période d'évaluation en cours est clôturée anticipativement par un entretien d'évaluation. La nouvelle période d'évaluation débute dès la nomination au mandat adjoint.
   § 2. Les dossiers d'évaluation sont conservés par le premier président en ce qui concerne les membres du Conseil et le greffier en chef et par le greffier en chef en ce qui concerne les greffiers. Les évaluations sont confidentielles et peuvent être consultées à tout moment par les intéressés. Elles sont conservées pendant au moins dix ans.
   Lors de chaque nomination, présentation ou renouvellement de mandat, le dossier d'évaluation des six dernières années de l'intéressé est joint à l'attention de l'autorité investie du pouvoir de nomination.]1

  
Onderafdeling 2. [1 - De evaluatiecriteria]1
Sous-section 2. [1 - Les critères d'évaluation]1
Art. 39/29. [1 De evaluatie is gebaseerd op criteria met betrekking tot de persoonlijkheid en de organisatorische en professionele vaardigheden van de ambtsdrager, met inbegrip van de kwaliteit van de geleverde diensten en het op peil houden van de kennis inzake de behandelde materies, zonder afbreuk te doen aan zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid.
   De Koning bepaalt, na advies van de eerste voorzitter en van de voorzitter, de algemene vergadering gehoord, de evaluatiecriteria, waarbij rekening wordt gehouden met de specificiteit van de ambten en mandaten.]1

  
Art. 39/29. [1 L'évaluation se base sur des critères portant sur la personnalité et les capacités organisationnelles et professionnelles du titulaire de fonction, en ce compris la qualité des prestations fournies et le maintien à niveau des connaissances dans les matières traitées, et ce sans porter atteinte à son indépendance ni à son impartialité.
   Le Roi détermine, après avis du premier président et du président, l'assemblée générale entendue, les critères d'évaluation, compte tenu de la spécificité des fonctions et mandats.]1

  
Onderafdeling 3. [1 - Het verloop van de evaluatie]1
Sous-section 3. [1 - Le déroulement de l'évaluation]1
Art 39/30. [1 § 1. De evaluatie wordt voorafgegaan door een planningsgesprek dat plaats heeft bij aanvang van de evaluatieperiode. Dit planningsgesprek strekt ertoe om in onderling overleg tussen de evaluator en de geëvalueerde, de doelstellingen voor de komende evaluatieperiode vast te stellen, op grond van de concrete functiebeschrijving en rekening houdend met de organisatorische context. Deze doelstellingen moeten specifiek, meetbaar, aanvaardbaar en realiseerbaar zijn.
   Van het planningsgesprek wordt een schriftelijk verslag gemaakt. Dit verslag wordt ondertekend door de evaluator en de geëvalueerde en wordt door de evaluator overgemaakt aan de eerste voorzitter of de hoofdgriffier, al naargelang het geval, die het toevoegt aan het evaluatiedossier.
   § 2. Tijdens de evaluatieperiode vinden minstens eenmaal per jaar functioneringsgesprekken plaats. Deze gesprekken hebben plaats, hetzij wanneer er redenen zijn om de doelstellingen zoals vastgesteld tijdens het planningsgesprek aan te passen, hetzij op initiatief van de evaluator, hetzij op verzoek van de geëvalueerde.
   Deze gesprekken geven aanleiding tot het formuleren van conclusies vervat in een bondig verslag. Dit verslag wordt ondertekend door de evaluator en de geëvalueerde. Indien de conclusies van het functioneringsgesprek de goedkeuring niet wegdragen van de geëvalueerde, kan deze zijn opmerkingen aan het verslag toevoegen. Het verslag wordt door de evaluator overgemaakt aan de eerste voorzitter of de hoofdgriffier, al naargelang het geval, die het toevoegt aan het evaluatiedossier.
   § 3. De plannings-, functionerings- en evaluatiegesprekken vinden tussen de volgende personen plaats:
   1° indien het een lid van de Raad betreft, tussen het betrokken lid en de voorzitter van de kamer waartoe hij behoort;
   2° indien het een kamervoorzitter betreft, tussen de betrokken kamervoorzitter, de eerste voorzitter en de voorzitter;
   3° indien het een griffier betreft, tussen de betrokken griffier en de hoofdgriffier;
   4° indien het de hoofdgriffier betreft, tussen de betrokken hoofdgriffier, de eerste voorzitter en de voorzitter.
   § 4. Met het oog op het functioneringsgesprek of het evaluatiegesprek van een griffier, vraagt de hoofdgriffier voorafgaandelijk advies bij de voorzitter van de kamers waaraan de griffier werd toegewezen.]1

  
Art 39/30. [1 § 1. L'évaluation est précédée d'un entretien de planification qui a lieu au début de la période d'évaluation. Cet entretien de planification vise à fixer, de commun accord entre l'évaluateur et l'évalué, les objectifs pour la période d'évaluation à venir, sur la base d'une description concrète de la fonction et en tenant compte du contexte organisationnel. Ces objectifs doivent être spécifiques, mesurables, acceptables et réalisables.
   L'entretien de planification fait l'objet d'un rapport écrit. Ce rapport est signé par l'évaluateur et l'évalué, et remis par l'évaluateur au premier président ou, selon le cas, au greffier en chef, qui le joint au dossier d'évaluation.
   § 2. Pendant la période d'évaluation, des entretiens de fonctionnement ont lieu au moins une fois par an. Ces entretiens ont lieu soit lorsqu'il existe des raisons d'adapter les objectifs fixés lors de l'entretien de planification, soit à l'initiative de l'évaluateur, soit à la demande de l'évalué.
   Ces entretiens donnent lieu à la formulation de conclusions dans un rapport sommaire. Ce rapport est signé par l'évaluateur et l'évalué. Si les conclusions de l'entretien de fonctionnement n'emportent pas l'adhésion de l'évalué, celui-ci peut ajouter ses observations au rapport. Le rapport est remis par l'évaluateur au premier président ou, selon le cas, au greffier en chef, qui le joint au dossier d'évaluation.
   § 3. Les entretiens de planification, de fonctionnement et d'évaluation ont lieu entre les personnes suivantes:
   1° s'agissant d' un membre du Conseil, entre le membre concerné et le président de la chambre à laquelle il appartient;
   2° s'agissant d'un président de chambre, le président de chambre concerné, le premier président et le président;
   3° s'agissant d' un greffier, entre le greffier concerné et le greffier en chef;
   4° s'agissant du greffier en chef, entre le greffier en chef concerné, le premier président et le président.
   § 4. En vue de l'entretien de fonctionnement ou d'évaluation d'un greffier, le greffier en chef sollicite au préalable l'avis du président des chambres à laquelle le greffier est assigné.]1

  
Afdeling IV.
Section IV.
Onderafdeling 1.
Sous-section 1re.
Art. 39/31. [1 § 1. Voorafgaand aan de evaluatie vindt een evaluatiegesprek plaats. De evaluatie steunt tevens op de verslagen van het planningsgesprek en de functioneringsgesprekken.
   § 2. Na het evaluatiegesprek stelt de evaluator een evaluatie op. De evaluatie leidt tot de vermelding, "goed", "te ontwikkelen" of "onvoldoende". De vermelding "onvoldoende" kan enkel worden toegekend wegens kennelijk ondermaats functioneren. Indien de evaluator van mening is dat de geëvalueerde de vermelding "goed" verdient, dan is deze evaluatie dadelijk definitief en wordt een afschrift van de evaluatie binnen vijftien dagen na het evaluatiegesprek aan de betrokkene overgemaakt. Indien de evaluator van mening is dat de geëvalueerde de vermelding "te ontwikkelen" of "onvoldoende" verdient, is de evaluatie slechts voorlopig.
   § 3. In geval van voorlopige evaluatie bezorgt de eerste voorzitter aan de betrokkene een kopie van de voorlopige evaluatie, tegen gedagtekend ontvangstbewijs of per aangetekende brief met ontvangstbewijs.
   De betrokkene kan, op straffe van verval, binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de voorlopige evaluatie, zijn schriftelijke opmerkingen bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij aangetekende brief met ontvangstbewijs bezorgen aan de eerste voorzitter, die het origineel bij het evaluatiedossier voegt en er een afschrift van bezorgt aan de evaluator. Deze evaluator stelt binnen vijftien dagen na ontvangst van het afschrift van deze opmerkingen een definitieve schriftelijke evaluatie op waarin hij deze opmerkingen beantwoordt. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van de definitieve evaluatie zendt de eerste voorzitter een afschrift ervan bij gedagtekend ontvangstbewijs of bij aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de betrokkene.]1

  
Art. 39/31. [1 § 1. Un entretien d'évaluation a lieu avant l'évaluation. L'évaluation est également basée sur les rapports des entretiens de planification et de fonctionnement.
   § 2. Après l'entretien d'évaluation, l'évaluateur rédige une évaluation. L'évaluation donne lieu à la mention "bien", "à développer" ou "insuffisant". La mention "insuffisant" peut uniquement être attribuée en cas de fonctionnement manifestement insuffisant. Si l'évaluateur estime que l'évalué mérite la mention "bien", cette évaluation est immédiatement définitive et une copie de l'évaluation est transmise à l'intéressé dans les quinze jours de l'entretien effectué dans le cadre de l'évaluation. Si l'évaluateur estime que l'évalué mérite la mention "à développer" ou "insuffisant", l'évaluation n'est que provisoire.
   § 3. En cas d'évaluation provisoire, le premier président envoie une copie de l'évaluation provisoire à l'intéressé, contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée avec accusé de réception.
   L'intéressé peut, sous peine de déchéance, dans un délai de quinze jours à compter de la notification de l'évaluation provisoire, adresser ses remarques écrites, contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée avec accusé de réception, au premier président, lequel joint l'original au dossier d'évaluation et en transmet une copie à l'évaluateur. Dans les quinze jours de la réception de la copie de ces observations, celui-ci rédige une évaluation écrite et définitive dans laquelle il répond à ces observations. Dans les quinze jours de la réception de l'évaluation définitive, le premier président en transmet une copie à l'intéressé, contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée avec accusé de réception.]1

  
Onderafdeling 2.
Sous-section 2.
Art. 39/32. [1 § 1. De betrokkene die met toepassing van artikel 39/31 een vermelding "onvoldoende" heeft gekregen en die toepassing heeft gemaakt van artikel 39/31, § 3, tweede lid, kan beroep instellen tegen de definitieve evaluatie bij de beoordelingscommissie, binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de definitieve evaluatie, op straffe van verval.
   De beoordelingscommissie bestaat uit drie personen die behoren tot dezelfde taalrol als de betrokkene en die in eerste aanleg geen evaluatie hebben uitgebracht. De beoordelingscommissie wordt naargelang het geval als volgt samengesteld:
   1° indien het gaat om een lid van de Raad of een griffier, bestaat de beoordelingscommissie uit de eerste voorzitter of de voorzitter, naargelang het geval, en twee kamervoorzitters. Indien de eerste voorzitter of de voorzitter in eerste aanleg als evaluator is opgetreden, wordt hij vervangen door een andere kamervoorzitter of het lid van de Raad met de hoogste ancienniteit;
   2° indien het gaat om een kamervoorzitter, bestaat de beoordelingscommissie uit minstens twee kamervoorzitters, aangevuld door het lid van de Raad met de hoogste ancienniteit, dat niet behoort tot de kamer van de betrokken kamervoorzitter;
   3° indien het gaat om de hoofdgriffier, bestaat de beoordelingscommissie uit minstens twee kamervoorzitters, aangevuld door het lid van de Raad met de hoogste ancienniteit.
   Indien één van de leden van de beoordelingscommissie verhinderd is of bovenstaande samenstelling niet mogelijk zou blijken, wordt het ontbrekende lid van de commissie vervangen door het lid van de Raad met de daaropvolgende hoogste anciënniteit.
   Het beroep wordt tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij aangetekende brief met ontvangstbewijs ingediend bij de eerste voorzitter. Een tijdig ingesteld beroep schorst de uitvoering van de definitieve evaluatie.
   De in het eerste lid bedoelde beoordelingscommissie hoort de betrokkene indien hij daarom in zijn beroepsschrift heeft verzocht. Indien de betrokkene vraagt om te worden gehoord, doch in de onmogelijkheid is om te verschijnen, laat hij zich vertegenwoordigen door zijn raadsman. De beoordelingscommissie beschikt over een termijn van zestig dagen vanaf de ontvangst door de eerste voorzitter van het beroepsschrift, om een met redenen omklede eindbeslissing over de evaluatie te nemen.
   § 2. Indien een kamervoorzitter of de hoofdgriffier een vermelding "onvoldoende" ontvangt voor één van de eerste drie periodieke evaluaties, neemt hij bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt weer op waarin hij het laatst is benoemd, in voorkomend geval in overtal. In het tegenovergestelde geval wordt zijn mandaat vernieuwd en bezorgt de eerste voorzitter aan de minister een bevestiging van de vernieuwing van het mandaat. Voor de houders van een mandaat die definitief zijn benoemd is het tweede lid van toepassing.
   Indien een ander lid van de Raad of de griffie naar aanleiding van de periodieke evaluatie de vermelding "onvoldoende" krijgt, leidt dit met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving van deze definitieve evaluatie gedurende zes maanden tot de inhouding van de laatste driejaarlijkse verhoging bedoeld in artikel 3, § 1bis, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State en de magistraten en de leden van de griffie van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen.
   Onverminderd de mogelijke toepassing van artikel 39/53, wordt in geval van een vermelding "onvoldoende" de betrokkene opnieuw geëvalueerd na verloop van een termijn van zes maanden. Indien dit opnieuw leidt tot een vermelding "onvoldoende", is onverminderd de mogelijke toepassing van artikel 39/53, het tweede lid van toepassing gedurende een nieuwe periode van zes maanden.]1

  
Art. 39/32. [1 § 1. L'intéressé qui, en application de l'article 39/31, a obtenu une mention "insuffisant" et qui a fait application de l'article 39/31, § 3, alinéa 2, peut introduire un recours contre l'évaluation définitive auprès de la commission d'évaluation, dans un délai de quinze jours à compter de la notification de l'évaluation définitive, sous peine de déchéance.
   La commission d'évaluation est composée de trois personnes faisant partie du même rôle linguistique que l'intéressé et n'ayant pas émis d'évaluation en première instance. La commission d'évaluation est composée, selon le cas, de la manière suivante:
   1° s'agissant d'un membre du Conseil ou d'un greffier, la commission d'évaluation est composée, selon le cas, du premier président ou du président, et de deux présidents de chambre. Si le premier président ou le président est intervenu en tant qu'évaluateur en première instance, il est remplacé par un autre président de chambre ou par le membre du conseil disposant de la plus grande ancienneté;
   2° s'agissant d'un président de chambre, la commission d'évaluation est composée d'au moins deux présidents de chambre, ainsi que du membre du Conseil disposant de la plus grande ancienneté et n'appartenant pas à la chambre du président de chambre concerné;
   3° s'agissant du greffier en chef, la commission d'évaluation est composée d'au moins deux présidents de chambre, ainsi que du membre du Conseil disposant de la plus grande ancienneté.
   Si un des membres de la commission d'évaluation est empêché, ou s'il appert que la composition susvisée n'est pas possible, le membre manquant de la commission est remplacé par le membre du Conseil suivant, disposant de la plus grande ancienneté.
   Le recours est introduit auprès du premier président, contre accusé de réception daté ou par lettre recommandée contre accusé de réception. Un recours introduit en temps utile suspend l'exécution de l'évaluation définitive.
   La commission d'évaluation visée à l'alinéa 1er entend l'intéressé si ce dernier en a formulé la demande dans son recours. Si l'intéressé demande à être entendu mais se trouve cependant dans l'impossiblité de se présenter, il se fait représenter par son conseil. La commission d'évaluation dispose d'un délai de soixante jours à partir de la réception du recours par le premier président, pour prendre une décision finale motivée sur l'évaluation.
   § 2. Si un président de chambre ou le greffier en chef obtient une mention "insuffisant" pour l'une des trois premières évaluations périodiques, il reprend, à l'expiration de son mandat, l'exercice de la fonction dans laquelle il a été nommé en dernier lieu, le cas échéant en surnombre. Dans le cas contraire, son mandat est renouvelé et le premier président transmet au ministre une confirmation du renouvellement du mandat. Les titulaires d'un mandat qui sont nommés à titre définitif sont soumis à l'application de l'alinéa 2.
   Si un autre membre du Conseil ou du greffe obtient, lors de l'évaluation périodique, la mention "insuffisant", celle-ci entraîne, à compter du premier jour du mois suivant la notification de cette évaluation définitive, la perte durant six mois de la dernière majoration triennale, visée à l'article 3, § 1bis, de la loi du 5 avril 1955 relative aux traitements des titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat, des magistrats et des membres du greffe du Conseil du contentieux des étrangers.
   Sans préjudice de l'éventuelle application de l'article 39/53, en cas de mention "insuffisant", l'intéressé fait l'objet d'une nouvelle évaluation après un délai de six mois. S'il obtient une nouvelle mention "insuffisant", l'alinéa 2 est d'application pour une nouvelle période de six mois, sans préjudice de l'éventuelle application de l'article 39/53.]1

  
Afdeling V. - Uitoefening van het ambt
Section V. - L'exercice de la fonction
Art. 39/34. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 127; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De Koning stelt, na gemotiveerd advies van de eerste voorzitter, de wijze vast waarop de werklast van de ambtsdrager wordt geregistreerd, alsook de wijze waarop deze geregistreerde gegevens worden geëvalueerd.
Art. 39/34. Le Roi détermine, après avis motivé du premier président, la manière dont est enregistrée la charge de travail du titulaire d'une fonction, ainsi que la manière dont ces données enregistrées sont évaluées.
Art. 39/35. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 128; Inwerkingtreding : 01-12-2006> Indien de afwezigheid van een lid van de Raad of van de griffie te wijten is aan ziekte, kan onderscheidenlijk de eerste voorzitter of de voorzitter, of de hoofdgriffier, de regelmatigheid van deze afwezigheid afhankelijk stellen van een medische controle door de Administratieve gezondheidsdienst die deel uitmaakt van het Bestuur van de Medische Expertise zoals bepaald in het administratief reglement van die dienst.
Art. 39/35. Si l'absence d'un membre du Conseil ou du greffe est due à la maladie, la régularité de cette absence peut être subordonnée par le premier président ou le président, ou le greffier en chef à un contrôle effectué par le Service de santé administratif qui fait partie de l'Administration de l'expertise médicale selon les modalités fixées dans le règlement administratif de ce service.
Art. 39/36. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 129; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De Koning bepaalt de ambtskledij die de leden van de Raad en van de griffie bij het uitoefenen van hun ambt en op openbare plechtigheden dragen.
  De Koning regelt de voorrang en eerbewijzen.
Art. 39/36. Le Roi prescrit le costume porté aux audiences et dans les cérémonies officielles par les membres du Conseil et du greffe.
  Le Roi règle la préséance et les honneurs.
Afdeling VI. - Wedden, inrustestelling en pensioenen
Section VI. - Traitements, retraite et pensions
Art. 39/37. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 131; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De wedden, verhogingen en vergoedingen, toe te kennen aan de leden van de Raad en van de griffie worden bij de wet vastgesteld.
Art. 39/37. <L 2006-12-27/33, art. 123, 042; En vigueur : 01-12-2006> Les traitements, majorations et indemnités alloués aux membres du Conseil et du greffe sont fixés par la loi.
Art. 39/38. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 132; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. De leden van de Raad worden in ruste gesteld wanneer zij wegens zware en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen of wanneer zij de leeftijd van zevenenzestig jaar hebben bereikt.
  De artikelen 391, 392, 393, 395, 396 en 397 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de leden van de Raad.
  § 2. De leden van de griffie worden in ruste gesteld wanneer zij wegens zware en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen of wanneer zij 65 jaar oud zijn. De algemene wet op de burgerlijke pensioenen is op hen toepasselijk.
  De griffiers die bij het bereiken van de leeftijd van volle 65 jaar niet de wettelijke voorwaarden inzake dienst vervullen om een rustpensioen te verkrijgen, worden in disponibiliteit geplaatst volgens de regelen die voor het rijkspersoneel gelden. Zij die geen vijf jaar dienst tellen, worden echter in dienst gehouden, tot zij de wettelijke minimumdiensttijd hebben.
  § 3. De griffiers kunnen, op voorstel van de Raad bij uitzondering in dienst worden gehouden boven de § 2 gestelde grens, ingeval de Raad bij hun verdere medewerking bijzonder belang heeft en zij, als zij in ruste werden gesteld, zouden moeten vervangen worden.
  De Koning beslist over het in dienst houden van leden van de griffie, op advies van de in Raad vergaderde Ministers.
  De indiensthouding geldt slechts voor één jaar; zij kan worden vernieuwd.
  § 4. Voor de toepassing van het tweede en vierde lid van artikel 8, § 1, van de algemene wet van 21 juni 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen worden de in artikel 39/23 bedoelde aanwijzingen gelijkgesteld met vaste benoemingen.
Art. 39/38. § 1er. Les membres du Conseil sont mis à la retraite si, en raison d'une infirmité grave et permanente, ils ne sont plus à même de remplir dûment leur fonction, ou s'ils ont atteint l'âge de soixante-sept ans.
  Les articles 391, 392, 393, 395, 396 et 397 du Code judiciaire sont applicables aux membres du Conseil.
  § 2. Les membres du greffe sont mis à la retraite lorsqu'une infirmité grave et permanente ne leur permet plus de remplir convenablement leurs fonctions ou lorsqu'ils ont atteint l'âge de 65 ans. La loi générale sur les pensions civiles leur est applicable.
  Les greffiers qui, à l'âge de soixante-cinq ans accomplis, ne réunissent pas les conditions légales de service pour obtenir une pension de retraite, sont placés (en disponibilité) selon le même régime que celui qui est prévu pour les agents de l'Etat. Ceux qui n'ont pas cinq années de service, sont maintenus en activité jusqu'à ce qu'ils aient atteint l'ancienneté de service minimale légalement requise. <L 2006-12-27/33, art. 124, 1°, 042; En vigueur : 01-12-2006>
  § 3. Les greffiers peuvent, sur la proposition du Conseil, être exceptionnellement maintenus en activité au-delà des limites fixées au § 2, dans le cas où le Conseil a un intérêt particulier à conserver leur concours, alors qu'ils devraient être remplacés s'ils étaient mis à la retraite.
  (Le Roi décide du maintien en activité des membres du greffe, sur avis du Conseil des ministres.) <L 2006-12-27/33, art. 124, 2°, 042; En vigueur : 01-12-2006>
  Le maintien en activité n'a effet que pour un an; il peut être renouvelé.
  § 4. Pour l'application des aliènes 2 et 4 de l'article 8, § 1er, de la loi générale du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques, les désignations visées à l'article 39/23 sont assimilées à des nominations définitives.
Art. 39/39. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 133; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De leden van de Raad en van de griffie die door een zware en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen en niet om hun inrustestelling hebben verzocht, worden bij ter post aangetekende brief ambtshalve gewaarschuwd door de eerste voorzitter. Betreft het de eerste voorzitter dan waarschuwt de voorzitter of omgekeerd.
Art. 39/39. (Les membres du Conseil et du greffe qui, atteints d'une infirmité grave et permanente, ne sont plus en mesure de remplir convenablement leur fonction et qui n'ont pas demandé leur mise à la retraite, sont avertis d'office par le premier président, par lettre recommandée à la poste). S'il s'agit du premier président, l'avertissement est donné par le président, ou l'inverse. <L 2006-12-27/33, art. 125, 042; En vigueur : 01-12-2006>
Art. 39/40. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 134; Inwerkingtreding : 01-12-2006> Heeft het lid van de Raad of van de griffie dat binnen een maand na de waarschuwing niet om zijn inrustestelling verzocht, dan komt de Raad in de raadkamer in algemene vergadering bijeen om uitspraak te doen over de inrustestelling van betrokkene.
  Ten minste vijftien dagen voor de datum waarop de algemene vergadering van de Raad is vastgesteld, wordt aan betrokkene kennis gegeven van de dag en het uur van de zitting waarop hij zal worden gehoord en wordt hij tegelijk verzocht zijn opmerkingen schriftelijk naar voren te brengen
  Die kennisgeving en dat verzoek worden hem toegezonden bij aangetekende brief met ontvangstmelding.
Art. 39/40. Si, dans le mois de l'avertissement, le membre du Conseil ou du greffe (n'a pas demande sa mise à la retraite), le Conseil se réunit en assemblée générale en chambre du conseil pour statuer sur la mise à la retraite de l'intéressé. <L 2006-12-27/33, art. 126, 042; En vigueur : 01-12-2006>
  Quinze jours au moins avant la date qui a été fixée pour l'assemblée générale du Conseil, l'intéressé est informé du jour et l'heure de la séance lors de laquelle il sera entendu et est en même temps invité à soumettre ses observations par écrit.
  Cette information et cette demande lui sont envoyées par lettre recommandée avec accusé de réception.
Art. 39/41. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 135; Inwerkingtreding : 01-12-2006> (Van de in artikel 39/40 bedoelde beslissing) wordt aan de betrokkene terstond kennis gegeven. Heeft deze zijn schriftelijke opmerkingen niet naar voren gebracht, dan gaat de beslissing eerst in kracht van gewijsde nadat daartegen binnen vijf dagen, te rekenen van de kennisgeving, niet in verzet is gekomen. <W 2006-12-27/33, art. 127, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Betrokkene kan geen verzet aantekenen in het geval waar hij door de algemene vergadering van de Raad werd gehoord, maar geen schriftelijke opmerkingen heeft ingediend.
  Het verzet is slechts ontvankelijk zo dit geschiedt bij aangetekende brief. De akte van verzet bevat, op straffe van nietigheid, de middelen van de eiser in verzet.
  Wanneer de eiser in verzet een tweede maal verstek laat gaan, is een nieuw verzet niet meer ontvankelijk.
Art. 39/41. (La décision visée à l'article 39/40 est) immédiatement notifiée à l'intéressé. Si celui-ci n'a pas fourni d'observations par écrit, la décision ne passe en force de chose jugée que s'il n'a pas été formé d'opposition dans les cinq jours à dater de la notification. <L 2006-12-27/33, art. 127, 042; En vigueur : 01-12-2006>
  L'intéressé ne peut pas faire opposition lorsqu'il a été entendu par l'assemblée générale du Conseil mais n'a pas fourni d'observations par écrit.
  L'opposition n'est recevable que si elle est introduite par lettre recommandée. L'acte d'opposition contient, sous peine de nullité, les moyens du demandeur en opposition.
  Lorsque le demandeur en opposition fait défaut une seconde fois, une nouvelle opposition n'est plus recevable.
Art. 39/42. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 136; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De beslissing gewezen op de opmerkingen van het betrokken lid van de Raad of van de griffie, of op zijn verzet, is in laatste aanleg. ".
Art. 39/42. La décision rendue soit, sur les observations du membre concerné du Conseil ou du greffe, soit sur son opposition, est en dernière instance.
Art. 39/43. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 137; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De kennisgevingen worden gedaan door de hoofdgriffier van de Raad, die daarvan bij proces-verbaal moet doen blijken.
Art. 39/43. Les notifications sont faites par le greffier en chef du Conseil qui est tenu de les constater par un procès-verbal.
Art. 39/44. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 138; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De beslissing bedoeld in artikel 39/42 wordt aan de Minister toegezonden binnen vijftien dagen nadat zij in kracht van gewijsde is gegaan.
Art. 39/44. <L 2006-12-27/33, art. 128, 042; En vigueur : 01-12-2006> La décision visée à l'article 39/42 est envoyée au ministre dans les quinze jours qui suivent le moment où elle a acquis force de chose jugée.
Afdeling VII. - Onverenigbaarheden en tucht
Section VII. - Des incompatibilités et de la discipline
Art. 39/45. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 140; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De ambten van lid van de Raad en van de griffie zijn onverenigbaar met de rechterlijke ambten, met de uitoefening van een bij verkiezing verleend openbaar mandaat, met enige bezoldigde openbare functie of openbaar ambt van politieke of administratieve aard, met het ambt van notaris of van gerechtsdeurwaarder, met het beroep van advocaat, met de militaire stand en met de geestelijke stand.
  Van het eerste lid kan worden afgeweken :
  1° wanneer het gaat om de uitoefening van het ambt van hoogleraar of leraar, docent, lector of assistent in een inrichting voor hoger onderwijs, voorzover dat ambt gedurende niet meer dan vijf uur per week en gedurende niet meer dan twee halve dagen per week wordt uitgeoefend;
  2° wanneer het gaat om de uitoefening van het ambt van lid van een examencommissie;
  3° wanneer het gaat om de deelneming aan een commissie, een raad of comité van advies, voor zover het aantal bezoldigde opdrachten of ambten beperkt blijft tot twee en het geheel van de bezoldiging niet hoger is dan het tiende deel van de jaarlijkse brutowedde van het hoofdambt in de Raad.
  Deze afwijkingen worden door de Koning of door de Minister toegestaan, naargelang het gaat om een afwijking bepaald in het 1/ dan wel in het 2/ en het 3/. Zij worden toegestaan na eensluidend advies van de eerste voorzitter.
Art. 39/45. Les fonctions de membre du Conseil et du greffe sont incompatibles avec les fonctions judiciaires, avec l'exercice d'un mandat public conféré par élection, avec toute fonction ou charge publique rémunérée d'ordre politique ou administratif, avec les charges de notaire et d'huissier de justice, avec la profession d'avocat, avec l'état militaire et l'état ecclésiastique.
  Il peut être dérogé à l'alinéa 1er :
  1° lorsqu'il s'agit de l'exercice de fonctions de professeur, chargé de cours, maître de conférence ou assistant dans les établissements d'enseignement supérieur, pour autant que ces fonctions ne s'exercent pas pendant plus de cinq heures par semaine ni plus de deux demi-journées par semaine;
  2° lorsqu'il s'agit de l'exercice de fonctions de membre d'un jury d'examen;
  3° lorsqu'il s'agit de la participation à une commission, à un Conseil ou comité consultatif, pour autant que le nombre de charges ou fonctions rémunérées soit limité à deux et que l'ensemble de leurs rémunérations ne soit pas supérieur au dixième du traitement brut annuel de la fonction principale au Conseil.
  Ces dérogations sont accordées par le Roi ou par le Ministre, selon qu'elles sont prévues au 1/ ou aux 2/ et 3/. Elles sont accordées sur avis conforme du premier président.
Art. 39/46. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 141; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De leden van de Raad en van de griffie, mogen niet voor enige andere openbare dienst worden opgevorderd, behoudens de gevallen die de wet bepaalt. ".
Art. 39/46. Les membres du Conseil et du greffe ne peuvent être requis pour aucun autre service public, sauf les cas prévus par la loi.
Art. 39/47. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 142; Inwerkingtreding : 01-12-2006> Het is hun verboden :
  1° mondeling of schriftelijk de verdediging van de belanghebbenden te voeren of hun consult te geven;
  2° in een scheidsgerecht op te treden tegen bezoldiging;
  3° hetzij persoonlijk, hetzij door een tussenpersoon, enige handel te drijven, als zaakwaarnemer op te treden, deel te nemen aan de leiding of het beheer van of aan het toezicht op handelsvennootschappen of nijverheids- of handelsverrichtingen.
  In afwijking van het eerste lid, 3/, kan de Koning, in bijzondere gevallen, de deelneming in het toezicht op industriële vennootschappen of inrichtingen toestaan.
Art. 39/47. Ils ne peuvent :
  1° assumer la défense des intéressés, ni verbalement, ni par écrit, ni leur donner des consultations;
  2° faire d'arbitrage rémunéré;
  3° soit personnellement, soit par personne interposée, n'exercer aucune espèce de commerce, être agent d'affaires, participer à la direction, à l'administration ou à la surveillance de sociétés commerciales ou d'établissements industriels ou commerciaux.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, 3/, le Roi peut, dans des cas particuliers, autoriser la participation à la surveillance de sociétés ou d'établissements industriels.
Art. 39/48. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 143; Inwerkingtreding : 01-12-2006> Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de leden van de Raad en van de griffie voor wat de inlichtingen betreft waarvan zij in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen.
Art. Art. 39/48. L'article 458 du Code pénal est applicable aux membres du Conseil et du greffe en ce qui concerne les renseignements dont ils ont connaissance dans l'exercice de leur fonction.
Art. 39/49. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 144; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De leden van de Raad en van de griffie kunnen met hun instemming en op het advies van de eerste voorzitter door de Koning tijdelijk belast worden met het vervullen van een opdracht of het uitoefenen van een ambt bij een nationale instelling. Indien de taken die hun aldus worden opgedragen hun niet meer toelaten hun ambt in de Raad te vervullen, worden zij gedetacheerd.
  De detachering mag voor niet langer dan één jaar worden toegestaan. Onder de in het eerste lid bepaalde voorwaarden kan de detachering evenwel telkens voor ten hoogste één jaar worden verlengd, zonder dat de totale duur van de detachering zes jaar mag overtreffen.
  Indien betrokkene bij het verstrijken van de detacheringstermijn zijn ambt in de Raad niet opnieuw heeft opgenomen, wordt hij geacht ontslag te hebben genomen.
  De gedetacheerde leden behouden hun plaats op de ranglijst. De in de stand van detachering doorgebrachte tijd wordt als een periode van werkelijke dienst beschouwd. Zij blijven de aan hun ambt in de Raad verbonden wedde genieten. Geen enkele aanvullende bezoldiging, noch vergoeding mag hun worden verleend, buiten diegene welke de werkelijke lasten verbonden aan de toevertrouwde opdrachten of ambten dekken en diegene welke door de Koning in ieder bijzonder geval worden bepaald.
  De houder van een mandaat van korpschef of van een adjunct-mandaat van voorzitter kan niet worden gedetacheerd. De houder van een adjunct-mandaat van kamervoorzitter of hoofdgriffier kan worden gedetacheerd voor een beperkte periode die de termijn van een jaar niet mag overschrijden.
  Indien de beheerder een lid van de Raad of van de griffie is, geschiedt in afwijking van het tweede lid, de detachering voor de duur van het mandaat van beheerder.
  Niet meer dan vier leden van de Raad of de griffie mogen worden gedetacheerd. Niet meer dan drie van de gedetacheerde leden mogen tot dezelfde taalrol behoren.
Art. 39/49. Les membres du Conseil ou du greffe peuvent moyennant leur consentement et sur avis du premier président être chargés temporairement par le Roi d'accomplir des missions ou d'exercer des fonctions auprès d'institutions nationales. Au cas où les tâches qui leur sont attribuées ne leur permettent plus de s'acquitter de leurs fonctions au Conseil, ils font l'objet d'une mesure de détachement.
  La durée du détachement ne peut excéder un an. Des prorogations peuvent toutefois être accordées aux conditions fixées à l'alinéa 1er, pour des périodes d'un an au plus, sans que la durée totale du détachement puisse excéder six ans.
  Si, à l'expiration du détachement, l'intéressé n'a pas repris ses fonctions au Conseil, il est réputé démissionnaire.
  (Les membres détachés) conservent leur place sur la liste de rang. (la période de) détachement est considéré comme une période de service effectif. Ils continuent à percevoir le traitement attaché à leurs fonctions au Conseil. Aucune rétribution complémentaire ne peut leur être accordée, ni aucune indemnité en dehors de celles qui couvrent des charges réelles inhérentes aux missions ou aux fonctions confiées et de celles qui sont fixées par le Roi dans chaque cas particulier. <L 2006-12-27/33, art. 129, 042; En vigueur : 01-12-2006>
  Le titulaire d'un mandat de chef de corps ou d'un mandat adjoint de président ne peut être détaché. Le titulaire d'un mandat adjoint de président de chambre ou de greffier en chef peut être détaché pour une période limitée, qui ne peut excéder un an.
  Si l'administrateur est un membre du Conseil ou du greffe, le détachement est effectué, par dérogation à l'alinéa 2, pour la durée du mandat de l'administrateur.
  Ne peuvent pas être détachés plus de quatre membres du Conseil ou du greffe. Pas plus de trois des membres détachés ne peuvent appartenir au même rôle linguistique.
Art. 39/50. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 145; Inwerkingtreding : 01-12-2006> Met uitsluiting van de houder van een mandaat van korpschef kunnen de leden van de Raad en van de griffie, op het advies van de eerste voorzitter, door de Koning worden gemachtigd om een opdracht te vervullen of een ambt uit te oefenen, bij supranationale, internationale of vreemde instellingen.
  Ingeval de hun aldus toegewezen taak hen in de onmogelijkheid stelt hun ambt bij de Raad uit te oefenen worden zij buiten kader gesteld.
  De totale duur van de buitenkaderstelling mag niet langer zijn dan de periode van werkelijke dienst bij de Raad.
  De betrokkenen die buiten kader gesteld zijn, ontvangen niet langer de wedde die aan hun ambt bij de Raad verbonden is en komen niet meer in aanmerking voor bevorderingen. Zij behouden hun recht om wederopgenomen te worden in hun vroeger ambt bij de Raad ongeacht het aantal plaatsen bepaald in artikel 39/4.
  Indien de betrokkenen bij het verstrijken van de duur van de buitenkaderstelling hun ambt in de Raad niet opnieuw hebben opgenomen, worden zij geacht ontslag te hebben genomen.
  De personen bedoeld in het tweede lid mogen de duur van hun opdracht doen gelden voor de berekening van hun pensioen, voor zover deze niet reeds voor die berekening in aanmerking is genomen. Het aldus berekend pensioen wordt verminderd met het netto bedrag van het pensioen dat aan de betrokkene uit hoofde van zijn opdracht wordt toegekend door de buitenlandse regering, het buitenlandse bestuur of de supranationale of internationale instelling waarbij hij ze heeft vervuld. Die vermindering wordt slechts toegepast op de pensioenverhoging voortvloeiend uit de tenlasteneming door de Schatkist van de duur van die opdracht.
Art. 39/50. A l'exception du titulaire d'un mandat de chef de corps les membres du Conseil ou du greffe peuvent être autorisés par le Roi, (sur l'avis) du premier président, à accomplir des missions ou à exercer des fonctions auprès d'institutions supranationales, internationales ou étrangères. <L 2006-12-27/33, art. 130, 042; En vigueur : 01-12-2006>
  Au cas où les tâches qui leur sont ainsi attribuées ne leur permettent plus de s'acquitter de leur fonction au Conseil, ils sont placés hors cadre.
  La durée totale de la mise hors cadre ne peut excéder les périodes d'exercice effectif de fonctions au Conseil.
  Les intéressés mis hors cadre cessent de percevoir le traitement attaché à leurs fonctions au Conseil et de participer à l'avancement. Ils conservent le droit de réintégrer leurs fonctions antérieures au Conseil nonobstant le nombre de places fixé par l'article 39/4.
  Si, à l'expiration de la durée de la mise hors cadre, les intéressés n'ont pas réintégré leur fonction au Conseil, ils sont réputés démissionnaires.
  Les personnes visées à l'alinéa 2 sont autorisées à compter la durée de leur mission dans le calcul de leur pension, pour autant qu'elle n'ait pas déjà été prise en considération pour ce calcul. La pension ainsi calculée est diminuée du montant net de la pension octroyée à l'intéressé, du chef de la mission lui attribuée par le gouvernement étranger, l'administration étrangère ou l'organisme supranational ou international auprès duquel il l'a accomplie. Cette réduction ne s'applique qu'à l'accroissement de pension résultant de la prise en charge, par le Trésor, de la durée de cette mission.
Art. 39/51. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 146; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De leden van de Raad of van de griffie die gedetacheerd zijn of buiten kader zijn gesteld, kunnen niettegenstaande het in artikel 39/4, bepaalde aantal plaatsen worden vervangen, maar dan tot ten hoogste twee leden van de Raad en één lid van de griffie.
  Voor de toepassing van artikel 39/4 worden benoemingen om in een vervanging te voorzien als benoemingen in nieuwe plaatsen beschouwd.
  Zij aan wie een ambt wordt begeven om in een vervanging te voorzien, worden vast benoemd. Van rechtswege bezetten zij de in artikel 39/4 bedoelde plaatsen naargelang deze vrijkomen en voor zover zij het bewijs leveren van de talenkennis die voor het bekleden van de vrijgekomen plaats vereist is.
Art. 39/51. Les membres du Conseil ou du greffe qui sont détachés ou placés hors cadre peuvent être remplacés nonobstant le nombre de places fixé par l'article 39/4, tout au plus à raison de deux membres du Conseil et d'un membre du greffe.
  Pour l'application de l'article 39/4 les nominations faites en vue d'assurer des remplacements sont considérées comme des nominations à de nouvelles places.
  Les titulaires des fonctions conférées pour assurer des remplacements sont nommés définitivement. Ils accèdent de plein droit, au fur et à mesure des vacances, aux places prévues par l'article 39/4, pour autant qu'ils justifient des connaissances linguistiques requises pour la place devenue vacante.
Art. 39/52. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 147; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De bloed- en aanverwanten, tot en met de graad van oom en neef, mogen, tenzij de Koning dit verbod heeft opgeheven, niet tegelijkertijd van de Raad deel uitmaken; zij mogen niet tegelijkertijd zetelen, behalve op de algemene vergaderingen.
Art. 39/52. Les parents et alliés, jusqu'au degré d'oncle et de neveu inclus, ne peuvent être membres du Conseil simultanément sans une dispense du Roi; ils ne peuvent siéger simultanément, sauf aux assemblées générales.
Art. 39/53. [1 De ambtsdragers van de Raad die hun ambtsplichten verzuimen of door hun gedrag afbreuk doen aan de waardigheid van hun ambt, kunnen het voorwerp uitmaken van de tuchtmaatregelen bepaald in artikel 39/53-1.
   Deze tuchtmaatregelen kunnen tevens worden opgelegd aan hen die de taken van hun ambt verwaarlozen en zodoende afbreuk doen aan de goede werking van de Raad of aan het vertrouwen in die instelling.]1

  
Art. 39/53. [1 Les titulaires de fonction du Conseil qui manquent aux devoirs de leur charge, ou qui portent, par leur conduite, atteinte à la dignité de leur fonction, peuvent faire l'objet des mesures disciplinaires visées à l'article 39/53-1.
   Ces mesures disciplinaires peuvent également être infligées à ceux qui négligent les tâches de leur charge et qui portent ainsi atteinte au bon fonctionnement du Conseil ou à la confiance dans cette institution.]1

  
Art. 39/53-1. [1 § 1. De volgende lichte tuchtmaatregelen kunnen worden opgelegd:
   1° terechtwijzing;
   2° blaam.
   De volgende zware tuchtmaatregelen kunnen worden opgelegd:
   1° inhouding van wedde;
   2° tuchtschorsing;
   3° beëindiging van het mandaat als bedoeld in artikel 39/5;
   4° ontslag van ambtswege;
   5° ontzetting uit het ambt of afzetting.
   § 2. De inhouding van wedde wordt toegepast gedurende ten minste vijftien dagen en ten hoogste een jaar en mag niet hoger zijn dan 20 % van de brutowedde.
   § 3. De tuchtschorsing wordt uitgesproken voor een periode van ten minste een maand en ten hoogste een jaar.
   De tuchtschorsing heeft zolang zij duurt een inhouding van de wedde tot gevolg, die niet hoger mag zijn dan 50 % van de brutowedde.
   Gedurende de tuchtschorsing kan de betrokkene geen aanspraak maken op een weddeverhoging of op de weddenbijslag als bedoeld in artikel 3ter, eerste en tweede lid, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State en de magistraten en de leden van de griffie van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen. Hij kan evenmin aangesteld worden voor een mandaat tijdens die periode.
   § 4. De beëindiging van het in artikel 39/5 bedoelde mandaat heeft tevens tot gevolg dat de betrokkene zich niet langer kandidaat kan stellen voor een in dat artikel bedoeld mandaat, behoudens in het geval van ambtshalve uitwissing of herziening, zoals bedoeld in artikel 39/53-8.
   § 5. Het ontslag van ambtswege heeft het verlies van de hoedanigheid van lid van de Raad of lid van de griffie van de Raad tot gevolg.
   § 6. De ontzetting uit het ambt en de afzetting hebben naast het verlies van de hoedanigheid van lid van de Raad of lid van de griffie van de Raad tevens het verlies van het rustpensioen en het verbod op de uitoefening van een ambt bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot gevolg.
   § 7. Het tuchtcollege of de Raad van State kan de uitspraak van de maatregel opschorten en de uitvoering van de uitgesproken maatregel uitstellen, in voorkomend geval onder de bijzondere voorwaarden die het bepaalt.]1

  
Art. 39/53-1. [1 § 1. Les mesures disciplinaires mineures suivantes peuvent être infligées:
   1° le rappel à l'ordre;
   2° le blâme.
   Les mesures disciplinaires majeures suivantes peuvent être infligées:
   1° la retenue de traitement;
   2° la suspension disciplinaire;
   3° la fin du mandat visé à l'article 39/5;
   4° la démission d'office;
   5° la destitution ou la révocation.
   § 2. La retenue de traitement s'applique pendant quinze jours au moins et un an au plus, et ne peut pas être supérieure à 20 % du traitement brut.
   § 3. La suspension disciplinaire est prononcée pour une période d'au moins un mois et d'un an au plus.
   La suspension disciplinaire entraîne, pendant sa durée, une retenue de traitement qui ne peut être supérieure à 50 % du traitement brut.
   Durant les périodes de suspension disciplinaire, l'intéressé ne peut prétendre à une augmentation de traitement ou au supplément de traitement tel que visé à l'article 3ter, alinéas 1er et 2, de la loi du 5 avril 1955 relative aux traitements des titulaires d'une fonction au Conseil d'Etat et des magistrats et membres du greffe du Conseil du Contentieux des étrangers. Il ne peut pas non plus être désigné dans un mandat durant cette période.
   § 4. La fin du mandat visé à l'article 39/5 a également pour effet que l'intéressé ne peut plus se porter candidat pour le mandat visé audit article, sauf en cas d'effacement d'office ou de révision, tels que visés à l'article 39/53-8.
   § 5. La démission d'office fait perdre la qualité de membre du Conseil ou de membre du greffe du Conseil.
   § 6. Outre la perte de la qualité de membre du Conseil ou de membre du greffe du Conseil, la destitution et la révocation emportent également la perte de la pension de retraite et l'interdiction d'exercer une fonction au Conseil du Contentieux des étrangers.
   § 7. Le collège disciplinaire ou le Conseil d'Etat peut suspendre le prononcé de la mesure et surseoir à l'exécution de la mesure prononcée, le cas échéant, moyennant les conditions particulières qu'il fixe.]1

  
Art. 39/53-2. [1 Wanneer de betrokkene verscheidene tuchtrechtelijke tekortkomingen worden toegerekend, wordt tegen hem een enkele tuchtprocedure gevoerd die slechts aanleiding kan geven tot een enkele tuchtmaatregel.
   Wanneer hem tijdens de tuchtprocedure een nieuwe tekortkoming wordt toegerekend, wordt een nieuwe tuchtprocedure ingeleid evenwel zonder dat de reeds lopende procedure wordt onderbroken.
   In geval van samenhang wordt deze nieuwe tekortkoming evenwel behandeld en berecht tijdens de lopende procedure.]1

  
Art. 39/53-2. [1 Lorsque plusieurs manquements disciplinaires sont imputés à l'intéressé, une seule procédure est engagée à sa charge qui ne peut déboucher que sur une seule mesure disciplinaire.
   Si un nouveau manquement lui est imputé au cours de la procédure disciplinaire, une nouvelle procédure est engagée, sans que la procédure déjà engagée ne soit interrompue pour autant.
   En cas de connexité, ce nouveau manquement est toutefois instruit et jugé lors de la procédure en cours.]1

  
Art. 39/53-3. [1 § 1.De tuchtprocedure ten aanzien van een kamervoorzitter, een lid van de Raad, de hoofdgriffier of een griffier, wordt opgestart door de eerste voorzitter van de Raad, in nauw overleg met de voorzitter van de Raad.
   De eerste voorzitter licht, bij aangetekende zending, de betrokkene in over het opstarten van de tuchtprocedure en over de precieze feiten die hiertoe aanleiding hebben gegeven. Hij geeft de betrokkene inzage in het dossier en hoort hem binnen vijftien dagen. Het gehoorverslag wordt onverwijld toegevoegd aan het dossier. De betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om, binnen de dertig dagen te rekenen van de dag volgend op het horen, zijn schriftelijke opmerkingen over te maken, die worden toegevoegd aan het dossier.
   De tuchtprocedure ten aanzien van de eerste voorzitter of de voorzitter van de Raad, wordt opgestart door de algemene vergadering. Hiertoe wordt de algemene vergadering bijeengeroepen en voorgezeten, naar gelang het geval, door de eerste voorzitter dan wel de voorzitter.
   De eerste voorzitter of de voorzitter, naargelang het geval, licht de betrokken eerste voorzitter of voorzitter, bij aangetekende zending, in over het bijeenroepen van de algemene vergadering, over de opgestarte tuchtprocedure en over de precieze feiten die hiertoe aanleiding hebben gegeven. De algemene vergadering geeft de betrokkene inzage in het dossier en hoort hem binnen vijftien dagen. Het gehoorverslag wordt onverwijld toegevoegd aan het dossier. De betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om, binnen dertig dagen te rekenen van de dag volgend op het horen, zijn schriftelijke opmerkingen over te maken, die worden toegevoegd aan het dossier.
   § 2. Indien de eerste voorzitter of de algemene vergadering van oordeel is dat er geen tuchtmaatregel moet worden opgelegd, wordt de betrokkene hier onverwijld tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een aangetekende zending, van op de hoogte gebracht.
   Indien de eerste voorzitter of de algemene vergadering, naar gelang het geval, van oordeel is dat een lichte tuchtmaatregel gerechtvaardigd is, wordt deze bij een met redenen omklede beslissing opgelegd. De beslissing wordt onverwijld tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een aangetekende zending meegedeeld aan de betrokkene, aan de hoofdgriffier indien het een griffier betreft, aan de kamervoorzitter indien het lid van zijn kamer betreft en aan de bevoegde minister.
   De betrokkene kan tegen de in het tweede lid bedoelde tuchtbeslissingen, overeenkomstig artikel 39/53-7 beroep instellen bij de Raad van State.
   § 3. Indien de eerste voorzitter of de algemene vergadering, naar gelang het geval, van oordeel is dat een zware tuchtmaatregel gerechtvaardigd is, wordt een verzoek tot het opleggen van een zware tuchtmaatregel ingediend bij het tuchtcollege als bedoeld inartikel 39/53-4. Het verzoek vermeldt de naam, de hoedanigheid en het adres van de betrokkene en omvat een motivering van de reden waarom een zware tuchtmaatregel vereist wordt geacht. Het verzoek wordt naar gelang het geval, ondertekend door de eerste voorzitter of door de voorzitter van de algemene vergadering. Het dossier wordt samen met het verzoek aan het tuchtcollege overgemaakt. Er wordt tevens een afschrift van het verzoek tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een aangetekende zending overgemaakt aan de betrokkene.
   Tegen de beslissing om de zaak bij het tuchtcollege aanhangig te maken, kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.
   Een zaak wordt bij het tuchtcollege aanhangig gemaakt binnen negentig dagen, na de verzending van het aangetekend schrijven waarbij de betrokkene op de hoogte wordt gesteld van het instellen van de tuchtprocedure.
   De tuchtvordering staat los van de strafvordering en van de burgerlijke rechtsvordering. Wanneer dezelfde feiten aanleiding geven tot een strafvordering, kan de termijn van negentig dagen worden gestuit tot de kennisgeving van de definitieve rechterlijke beslissing.
   De bevoegde minister wordt onverwijld op de hoogte gebracht van de aanhangigmaking bij het tuchtcollege, al naar gelang het geval door de eerste voorzitter of de voorzitter van de algemene vergadering.
   § 4. Zodra een tuchtprocedure is ingesteld, kan het onderzoek van het door de betrokken ambtsdrager ingediende verzoek tot ontslag geschorst worden tot de tuchtprocedure is beëindigd.]1

  
Art. 39/53-3. [1 § 1. La procédure disciplinaire visant un président de chambre, un membre du Conseil, le greffier en chef ou un greffier, est initiée par le premier président du Conseil en étroite concertation avec le président du Conseil.
   Le premier président informe l'intéressé, par envoi recommandé, du lancement d'une procédure disciplinaire et des faits précis qui y ont donné lieu. Il donne à l'intéressé accès au dossier et l'entend dans les quinze jours. Le rapport d'audition est joint au dossier sans délai. Dans les trente jours à compter du jour suivant l'audition, il est donné à l'intéressé la possibilité de présenter ses observations écrites, qui sont jointes au dossier.
   La procédure disciplinaire visant le premier président ou le président du Conseil est initiée par l'assemblée générale. L'assemblée générale est convoquée à cette fin et présidée, selon le cas, par le premier président ou le président.
   Selon le cas, le premier président ou le président, informe le premier président ou le président concerné, par envoi recommandé, de la convocation de l'assemblée générale, du lancement de la procédure disciplinaire et des faits précis qui y ont donné lieu. L'assemblée générale donne à l'intéressé accès au dossier et l'entend dans les quinze jours. Le rapport de l'audition est joint au dossier sans délai. Dans les trente jours à compter du jour suivant l'audition, il est donné à l'intéressé la possibilité de présenter ses observations écrites, qui sont jointes au dossier.
   § 2. Si le premier président ou l'assemblée générale estime qu'aucune mesure disciplinaire ne doit être infligée, l'intéressé en est informé sans délai, contre accusé de reception daté ou par envoi recommandé.
   Si le premier président ou, selon le cas, l'assemblée générale estime qu'une mesure disciplinaire mineure est justifiée, celle-ci est infligée par voie de décision motivée. La décision est communiquée, sans délai, contre accusé de réception daté ou par envoi recommandé, à l'intéressé, au greffier en chef en ce qui concerne les greffiers, et au président de chambre en ce qui concerne un membre de sa chambre, ainsi qu'au ministre compétent.
   L'intéressé peut, conformément à l'article 39/53-7, introduire un recours auprès du Conseil d'Etat contre les décisions disciplinaires visées à l'alinéa 2.
   § 3. Si le premier président ou l'assemblée générale, selon le cas, estime qu'une mesure disciplinaire majeure est justifiée, une demande de mesure disciplinaire majeure est introduite auprès du collège disciplinaire, visé à l'article 39/53-4. La demande mentionne le nom, la qualité et l'adresse de l'intéressé et contient une motivation de la raison pour laquelle une mesure disciplinaire majeure est jugée nécessaire. La demande est, selon le cas, signée par le premier président ou le président de l'assemblée générale. Le dossier ainsi que la demande sont transmis au collège disciplinaire. Une copie de la demande est également transmise à l'intéressé, contre accusé de réception daté ou par envoi recommandé.
   La décision de saisir le collège disciplinaire n'est pas susceptible de recours.
   La saisine est effectuée auprès du collège disciplinaire dans les nonante jours suivant l'envoi du courrier recommandé informant l'intéressé du lancement de la procédure disciplinaire.
   L'action disciplinaire est indépendante de l'action pénale et de l'action civile. Lorsque les mêmes faits donnent lieu à une action pénale, le délai de nonante jours peut être interrrompu jusqu'à la notification de la décision judiciaire définitive.
   Le ministre compétent est informé sans délai de la saisine du collège disciplinaire, par le premier président ou le président de l'assemblée générale, selon le cas.
   § 4. Dès qu'une procédure disciplinaire est initiée, l'examen de la demande de démission introduite par le titulaire de fonction concerné peut être suspendue jusqu'à la fin de la procédure disciplinaire.]1

  
Art. 39/53-4. [1 § 1. Het tuchtcollege is een rechtscollege, dat bevoegd is ten aanzien van de ambtsdragers van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, inzake de in artikel 39/53 bedoelde tuchtmaatregelen en de in artikel 39/53-9 bedoelde ordemaatregelen.
   § 2. Het tuchtcollege is samengesteld uit drie leden, behorende tot dezelfde taalrol als de betrokken ambtsdrager.
   Het tuchtcollege wordt voorgezeten door een lid van de Raad van State, dat wordt bijgestaan door de twee leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met de hoogste ancienniteit. Indien een lid gewraakt werd of verhinderd is, wordt het vervangen door het daaropvolgende lid met de hoogste ancienniteit.
   Het ambt van griffier bij het tuchtcollege wordt uitgeoefend door een griffier van de Raad van State.
   Voor de aanwijziging van de voorzitter en de griffier, wijzen de eerste voorzitter in overleg met de voorzitter en de hoofdgriffier, bij de jaarlijkse opmaak van de interne vaststelling van de dienstregeling voor elke taalrol een lid en een griffier aan. Tevens stellen zij een regeling op voor de plaatsvervangingen in geval van verhindering of wraking. Bij het opstellen van de lijst wordt rekening gehouden met de noodwendigheden van de dienst, de werklast van de kamers, de beschikbaarheden en eventuele specialisatiegraad in de materie. De lijst is voor het publiek voor inzage ter beschikking op de griffie.
   § 3. Een dossier wordt bij het tuchtcollege aanhangig gemaakt, via aangetekend schrijven, bij de eerste voorzitter van de Raad van State, die het onverwijld overmaakt aan het door hem aangewezen lid dat als voorzitter van het tuchtcollege zal optreden. Deze aanwijzing gebeurt aan de hand van de in paragraaf 2, vierde lid, vermelde lijst. In het geval er op het ogenblik van de aanwijzing geen van de vooraf aangewezen leden beschikbaar zijn, wijst hij het eerste beschikbare lid met de hoogste ancienniteit aan.
   De voorzitter van het tuchtcollege stelt binnen tien dagen en naargelang de taalrol van het dossier, de zetel samen.
   § 4. Het tuchtcollege behandelt de zaak in openbare terechtzitting.
   De betrokkene kan het tuchtcollege reeds voor de eerste terechtzitting verzoeken om de zaak met gesloten deuren te behandelen. Het tuchtcollege gaat in op dit verzoek, tenzij het dit strijdig acht met het algemeen belang.
   Het tuchtcollege kan tevens met gesloten deuren zitting houden gedurende de hele procedure of een gedeelte ervan, in het belang van de goede zeden of van de openbare orde, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van de persoon tegen wie een procedure is ingesteld zulks vereisen, of, in de mate dat dit door het tuchtcollege strikt noodzakelijk wordt geacht, wanneer in bepaalde omstandigheden de openbaarheid de belangen van de rechtsbedeling zou schaden.
   Tegen de beslissing van het tuchtcollege om de zaak al dan niet met gesloten deuren te behandelen, staat geen rechtsmiddel open.
   § 5. Alle arresten van het tuchtcollege worden, onder voorbehoud van depersonalisatie, gepubliceerd in de taal waarin zij werden uitgesproken op het voor het publiek toegankelijke informatienetwerk van de Raad van State in uitvoering van artikel 28, derde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
   De voorzitter van het tuchtcollege kan, in afwijking van het eerste lid bij een met redenen omklede beslissing die in het arrest wordt opgenomen, beslissen dat bepaalde onderdelen van de in het arrest opgenomen motivering weggelaten worden uit de opname in de voor het publiek toegankelijke informatienetwerk wanneer de opname ervan onevenredig het recht van de partijen of andere personen betrokken in de zaak op de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer aantast.]1

  
Art. 39/53-4. [1 § 1. Le collège disciplinaire est une juridiction compétente pour les mesures disciplinaires visées à l'article 39/53, et les mesures d'ordre visées à l'article 39/53-9, à l'égard des titulaires de fonction du Conseil du Contentieux des étrangers.
   § 2. Le collège disciplinaire est composé de trois membres appartenant au même rôle linguistique que le titulaire de fonction concerné.
   Le collège disciplinaire est présidé par un membre du Conseil d'Etat, assisté par les deux membres du Conseil du Contentieux des étrangers disposant de la plus grande ancienneté. Si un membre est récusé ou empêché, il sera remplacé par le membre suivant disposant de la plus grande ancienneté.
   La fonction de greffier auprès du collège disciplinaire est exercée par un greffier du Conseil d'Etat.
   Pour la désignation du président et du greffier, le premier président, en concertation avec le président et le greffier en chef, désigne lors de l'établissement annuel de l'ordre de service, un membre et un greffier pour chaque rôle linguistique. Ils établissent également une liste de suppléances en cas d'empêchement ou de récusation. Lors de l'établissement de la liste, il est tenu compte des nécessités du service, de la charge de travail des chambres, des disponibilités et du degré de spécialisation éventuel en la matière. La liste est mise à la disposition du public pour consultation au greffe.
   § 3. Le collège disciplinaire est saisi d'un dossier par lettre recommandée adressée au premier président du Conseil d'Etat qui le transmet sans délai au membre qu'il désigne pour présider le collège disciplinaire. Cette désignation est faite sur la base de la liste visée au paragraphe 2, alinéa 4. Si aucun des membres désignés au préalable n'est disponible au moment de la désignation, il désigne le premier membre disponible ayant la plus grande ancienneté.
   Le président du collège disciplinaire compose le siège, selon le rôle linguistique du dossier, dans les dix jours.
   § 4. Le collège disciplinaire instruit l'affaire en audience publique.
   L'intéressé peut demander, et ce, dès avant la première audience, au collège disciplinaire d'instruire l'affaire à huis clos. Le collège disciplinaire fait droit à cette demande, à moins qu'il n'estime que l'intérêt général s'y oppose.
   Le collège disciplinaire peut également siéger à huis clos pendant la totalité ou une partie de la procédure, dans l'intérêt de la moralité ou de l'ordre public, lorsque les intérêts de mineurs ou la protection de la vie privée de la personne contre laquelle une procédure a été intentée, l'exigent, ou dans la mesure jugée strictement nécessaire par le collège disciplinaire, lorsque dans certaines circonstances, la publicité serait de nature à porter atteinte aux intérêts de l'administration de la justice.
   La décision du collège disciplinaire d'examiner l'affaire à huis clos ou non n'est susceptible d'aucun recours.
   § 5. Tous les arrêts du collège disciplinaire sont publiés, sous réserve de dépersonnalisation, dans la langue dans laquelle ils ont été prononcés, sur le réseau d'information accessible au public du Conseil d'Etat, en exécution de l'article 28, alinéa 3, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
   Le président du collège disciplinaire peut, par dérogation à l'alinéa 1er et par décision motivée incluse dans l'arrêt, décider d'omettre certaines parties de la motivation de l'arrêt dans l'enregistrement figurant dans le réseau d'information accessible au public si l'enregistrement de ces éléments porte atteinte de manière disproportionnée au droit à la protection de la vie privée des parties ou d'autres personnes impliquées dans l'affaire.]1

  
Art. 39/53-5. [1 § 1. De voorzitter van het tuchtcollege, maakt het verzoek tot het opleggen van een zware tuchtmaatregel als bedoeld in artikel 39/53-3, § 3, eerste lid, bij aangetekende zending over aan de betrokken ambtsdrager. Hij voegt hierbij de oproeping voor de terechtzitting. De zitting heeft plaats binnen zestig dagen na de aanhangigmaking bij het tuchtcollege.
   De oproepingsbrief vermeldt de plaats, de datum en het uur van de zitting, de samenstelling van de zetel, alsook de mogelijkheid tot inzage van het dossier en het adres waarop de procedurestukken aan het tuchtcollege mogen worden toegestuurd. De betrokken ambtsdrager wordt in dit schrijven tevens op de hoogte gesteld dat hij, binnen dertig dagen na de ontvangst ervan, zijn opmerkingen op het verzoek tot het opleggen van een zware tuchtmaatregel, bij aangetekend schrijven, kan overmaken.
   Het tuchtcollege maakt een afschrift van deze opmerkingen over aan de eerste voorzitter van de Raad of aan de voorzitter van de Raad indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de tuchtvordering.
   De betrokken ambtsdrager verschijnt in persoon. Hij kan zich laten bijstaan door zijn raadsman.
   § 2. Binnen acht dagen na de kennisgeving van de beschikking waarin de samenstelling van de zetel wordt vermeld, kan bij gewettigde verdenking, de persoon tegen wie de tuchtvervolging is ingesteld, de leden van de kamer wraken middels een aan de Raad van State gericht met redenen omkleed verzoek. Het wrakingsverzoek wordt in laatste aanleg beoordeeld door de Raad van State.
   § 3. Het tuchtcollege kan de eerste voorzitter van de Raad of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van een orde of tuchtmaatregel, en getuigen horen.
   § 4. Het arrest wordt uitgesproken binnen dertig dagen na de zitting en ter kennis gebracht aan de betrokkene, alsook aan de eerste voorzitter van de Raad desgevallend de voorzitter van de Raad en aan de bevoegde minister.
   Bij strafrechtelijke vervolging kan het tuchtcollege haar beslissing echter opschorten tot de definitieve rechterlijke beslissing.
   Het arrest is van rechtswege uitvoerbaar.
   Na de uitspraak van het arrest wordt het dossier onverwijld terugbezorgd aan de eerste voorzitter van de Raad of aan de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de tuchtmaatregel.]1

  
Art. 39/53-5. [1 § 1. Le président du collège disciplinaire transmet, par envoi recommandé, la demande de mesure disciplinaire majeure, visée à l'article 39/53-3, § 3, alinéa 1er, au titulaire de fonction concerné. Il y joint la convocation à l'audience. L'audience a lieu dans les soixante jours suivant la saisine du collège disciplinaire.
   Le courrier de convocation mentionne le lieu, la date et l'heure de l'audience, la composition du siège, ainsi que la possibilité de consultation du dossier et l'adresse à laquelle les pièces de procédure peuvent être adressées au collège disciplinaire. Le titulaire de fonction concerné est également informé par le biais de cette lettre qu'il peut, dans les trente jours suivant sa réception, par lettre recommandée, transmettre ses observations relatives à la demande de mesure disciplinaire majeure sollicitée.
   Le collège disciplinaire transmet une copie de ces observations au premier président du Conseil ou au président du Conseil, si le premier président fait lui-même l'objet de l'action disciplinaire.
   Le titulaire de fonction concerné comparaît en personne. Il peut se faire assister par son conseil.
   § 2. Dans les huit jours suivant la notification de l'ordonnance mentionnant la composition du siège, la personne faisant l'objet de poursuites disciplinaires peut, en cas de suspicion légitime, récuser les membres de la chambre, par une demande motivée adressée au Conseil d'Etat. La demande de récusation est jugée en dernier ressort par le Conseil d'Etat.
   § 3. Le collège disciplinaire peut entendre le premier président du Conseil ou le président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure disciplinaire ou d'ordre, et des témoins.
   § 4. L'arrêt est rendu dans les trente jours suivant l'audience et est notifié à l'intéressé, ainsi qu'au premier président, ou le cas échéant, au président du Conseil, ainsi qu'au ministre compétent.
   En cas de poursuites pénales, le collège disciplinaire peut toutefois surseoir à statuer jusqu'à la décision judiciaire définitive.
   L'arrêt est exécutoire de plein droit.
   Suite au prononcé de l'arrêt, le dossier est renvoyé sans délai au premier président du Conseil ou au président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure disciplinaire.]1

  
Art. 39/53-6. [1 § 1. De ambtsdrager die een als ordemaatregel verhulde tuchtmaatregel betwist, die op grond van artikel 39/53-9 ten aanzien van hem werd genomen, kan hiertegen een beroep tot nietigverklaring instellen bij het tuchtcollege, binnen de dertig dagen na de kennisgeving. Dit beroep wordt ingediend middels een aangetekend schrijven gericht aan de eerste voorzitter van de Raad van State. Dit beroep heeft geen schorsende werking.
   Naast de naam, de hoedanigheid en het adres van de verzoeker en een kopie van de bestreden beslissing bevat het ondertekende verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en de middelen.
   De voorzitter van het tuchtcollege, brengt de eerste voorzitter of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de ordemaatregel, onverwijld op de hoogte van de aanhangigmaking bij het college. Hij voegt bij deze kennisgeving een afschrift van het verzoekschrift en verzoekt de eerste voorzitter of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de ordemaatregel, hem binnen vijftien dagen het dossier en een eventuele nota met opmerkingen te bezorgen. Een afschrift van de nota met opmerkingen wordt overgemaakt aan de verzoeker.
   § 2. De eerste voorzitter van de Raad of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de ordemaatregel en de verzoeker worden opgeroepen om voor het tuchtcollege te verschijnen, binnen de vijftien dagen na afloop van de voor de neerlegging van de nota met opmerkingen vastgestelde termijn. De oproeping vermeldt de mogelijkheid tot inzage van het dossier.
   § 3. Het tuchtcollege kan getuigen horen.
   § 4. Het arrest wordt uitgesproken binnen de vijftien dagen na de zitting en wordt ter kennis gebracht aan de betrokkene, alsook aan de eerste voorzitter van de Raad desgevallend de voorzitter van de Raad en aan de bevoegde minister.
   Dit arrest is van rechtswege uitvoerbaar.
   Dit arrest is vatbaar voor een administratief cassatieberoep in de zin van artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
   Na de uitspraak van het arrest van het tuchtcollege of in voorkomend geval van de Raad van State wordt het dossier onverwijld terugbezorgd aan de eerste voorzitter van de Raad of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de ordemaatregel.]1

  
Art. 39/53-6. [1 § 1. Le titulaire de fonction qui conteste une mesure disciplinaire déguisée en mesure d'ordre, prise à son encontre en application del'article 39/53-9 peut introduire un recours en annulation contre cette mesure auprès du collège disciplinaire, dans les trente jours suivant la notification de la décision. Ce recours est introduit par lettre recommandée adressée au premier président du Conseil d'Etat. Ce recours n'est pas suspensif.
   Outre l'identité, la qualité et l'adresse du requérant, ainsi qu'une copie de la décision attaquée, la requête signée contient un exposé des faits et des moyens.
   Le président du collège disciplinaire informe sans délai le premier président ou le président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure d'ordre, de la saisine du collège. A cette notification, il joint une copie de la requête et demande au premier président ou au président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure d'ordre, de lui transmettre, dans les quinze jours, le dossier administratif et une éventuelle note d'observation. Une copie de la note d'observation est transmise au requérant.
   § 2. Le premier président du Conseil ou le président, dans le cas où le premier président fait lui-même l'objet d'une mesure d'ordre et le réquérant, sont convoqués devant le collège disciplinaire dans les quinze jours suivant la fin du délai prévu pour le dépôt de la note d'observation. La convocation mentionne la possibilité de consulter le dossier.
   § 3. Le collège disciplinaire peut entendre des témoins.
   § 4. L'arrêt est prononcé dans les quinze jours suivant l'audience et est notifié à l'intéressé, ainsi qu'au premier président du Conseil ou, le cas échéant, au président, ainsi qu' au ministre compétent.
   L'arrêt est exécutoire de plein droit.
   L'arrêt est susceptible d'un recours en cassation administrative au sens de l'article 14, § 2, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
   Suite au prononcé de l'arrêt du collège disciplinaire ou le cas échéant du Conseil d'Etat, le dossier est renvoyé sans délai au premier président du Conseil ou au président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure d'ordre.]1

  
Art. 39/53-7. [1 § 1. Zowel tegen de in artikel 39/53-3, § 2, tweede lid, bedoelde beslissing van de eerste voorzitter van de Raad of de algemene vergadering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, als tegen het in artikel 39/53-5, § 4, bedoelde arrest van het tuchtcollege, kan binnen dertig dagen na de kennisgeving ervan, een beroep worden ingesteld bij de Raad van State met toepassing van artikel 16, eerste lid, 8°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
   Dit beroep schorst de uitvoering van de tuchtmaatregel.
   § 2. De hoofdgriffier informeert de bevoegde minister aangaande het ingestelde beroep en maakt het verzoekschrift en de bijlagen onverwijld over aan de verwerende partij, die binnen de vijftien dagen een memorie van antwoord, samen met vier afschriften kan overmaken aan de griffie.
   De hoofdgriffier verzoekt de eerste voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen of de voorzitter wanneer het beroep werd ingeleid door de eerste voorzitter, het dossier over te maken.
   Na ontvangst van het dossier, stelt het aangewezen lid van het auditoraat dadelijk een verslag op over de zaak.
   Het verslag en in voorkomend geval de memorie van antwoord, worden aan de partijen ter kennis gebracht. Elke partij beschikt over een termijn van vijftien dagen om een laatste memorie samen met vier afschriften, in te dienen.
   De beschikking tot vaststelling van de zitting, die op korte termijn plaatsvindt, wordt samen met de laatste memories aan de partijen ter kennis gebracht.
   § 3. De Raad van State spreekt zich binnen zestig dagen nadat het beroep op de rol werd ingeschreven uit, in verenigde kamers.
   Het lid van de Raad van State die het tuchtcollege heeft voorgezeten, mag geen deel uitmaken van deze verenigde kamers.
   Bij strafrechtelijke vervolging kan de uitspraak worden opgeschort tot de definitieve rechterlijke beslissing.
   Het arrest wordt ter kennis gebracht aan de betrokkene, alsook aan de eerste voorzitter van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen desgevallend de voorzitter en aan de bevoegde minister.
   Na de uitspraak van het arrest wordt het dossier onverwijld terugbezorgd aan de eerste voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de tuchtmaatregel.]1

  
Art. 39/53-7. [1 § 1. En application de l'article 16, alinéa 1er, 8°, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, un recours peut être introduit auprès du Conseil d'Etat contre la décision du premier président ou de l'assemblée générale du Conseil du contentieux des étrangers, visée à l'article 39/53-3, § 2, alinéa 2, ainsi que contre l'arrêt du collège disciplinaire, visé à l'article 39/53-5, § 4, dans les trente jours suivant la notification de la décision ou de l'arrêt.
   Le recours suspend l'exécution de la mesure disciplinaire.
   § 2. Le greffier en chef informe le ministre compétent du recours introduit et transmet, sans délai, la requête et les annexes à la partie adverse qui peut, dans un délai de 15 jours, transmettre un mémoire en réplique avec quatre copies au greffe.
   Le greffier en chef demande au premier président du Conseil du Contentieux des étrangers ou au président, lorsque le recours est introduit par le premier président, de transmettre le dossier.
   Dès réception du dossier, le membre désigné de l'auditorat rédige sans délai un rapport sur l'affaire.
   Le rapport et, le cas échéant, le mémoire en réplique, sont notifiés aux parties. Chaque partie dispose d'un délai de quinze jours pour déposer un dernier mémoire, auquel sont jointes quatre copies.
   L'ordonnance de fixation d'audience, qui se tient à brève échéance, est notifiée aux parties avec les derniers mémoires.
   § 3. Le Conseil d'Etat se prononce en chambres réunies, dans les soixante jours suivant l'inscription au rôle du recours.
   Le membre du Conseil d'Etat qui a présidé le collège disciplinaire, ne peut siéger au sein de ces chambres réunies.
   En cas de poursuites pénales, le prononcé peut être suspendu jusqu'à la décision judiciaire définitive.
   L'arrêt est notifié à l'intéressé, ainsi qu'au premier président, ou le cas échéant, au président du Conseil du Contentieux des étrangers, ainsi qu'au ministre compétent.
   Suite au prononcé de l'arrêt, le dossier est renvoyé sans délai au premier président du Conseil du Contentieux des étrangers ou au président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure disciplinaire.]1

  
Art. 39/53-8. [1 § 1. Met uitzondering van de in artikel 39/53-1, § 1, tweede lid, 4° en 5°, bepaalde maatregelen, worden de tuchtmaatregelen ambtshalve uitgewist na:
   1° drie jaar voor de lichte tuchtmaatregelen;
   2° zes jaar voor de zware tuchtmaatregelen.
   De uitwissing geldt voor de toekomst.
   § 2. De betrokkene aan wie een tuchtmaatregel werd opgelegd door de eerste voorzitter of door de algemene vergadering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, door het tuchtcollege of door de Raad van State, kan het in artikel 31 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, bedoelde verzoek tot herziening indienen bij de Raad van State op de volgende gronden:
   1° hij toont aan dat de beslissing of het arrest werd genomen op basis van valse stukken;
   2° hij toont aan dat degene die de tuchtvordering heeft ingesteld en onderzocht stukken heeft achtergehouden;
   3° hij toont aan dat hij voor dezelfde feiten als die doorslaggevend waren voor de tuchtmaatregel, in laatste aanleg ten gronde werd vrijgesproken op strafrechtelijk vlak.
   Het arrest wordt ter kennis gebracht aan de betrokkene, alsook aan de eerste voorzitter van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen desgevallend de voorzitter en aan de bevoegde minister.
   Na de uitspraak wordt het dossier onverwijld terugbezorgd aan de eerste voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen of de voorzitter indien de eerste voorzitter zelf het voorwerp is van de tuchtmaatregel.
   In geval van een herziening van een ontslag van ambtswege, van een ontzetting uit het ambt of een afzetting, neemt de betrokkene zijn ambt bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opnieuw op, in voorkomend geval in overtal.]1

  
Art. 39/53-8. [1 § 1. A l'exception des mesures prévues à l'article 39/53-1, § 1er, alinéa 2, 4° et 5°, l'effacement des mesures disciplinaires a lieu d'office après:
   1° trois ans pour les mesures disciplinaires mineures;
   2° six ans pour les mesures disciplinaires majeures.
   L'effacement vaut pour l'avenir.
   § 2. La personne ayant fait l'objet d'une mesure disciplinaire infligée par le premier président ou par l'assemblée générale du Conseil du Contentieux des étrangers, par le collège disciplinaire ou par le Conseil d'Etat, peut introduire une requête en révision visée à l'article 31 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, pour les motifs suivants:
   1° elle démontre que la décision ou l'arrêt a été pris sur la base de fausses pièces;
   2° elle démontre que celui qui a initié et examiné l'action disciplinaire a retenu des pièces;
   3° elle démontre qu'elle a été acquittée au niveau pénal en dernière instance sur le fond pour les mêmes faits que ceux qui ont été déterminants pour la mesure disciplinaire.
   L'arrêt est notifié à l'intéressé, ainsi qu'au premier président, ou le cas échéant, au président du Conseil du Contentieux des étrangers, ainsi qu'au ministre compétent.
   Après le prononcé, le dossier est renvoyé sans délai au premier président du Conseil du contentieux des étrangers ou au président, si le premier président fait lui-même l'objet de la mesure disciplinaire.
   En cas de révision d'une démission d'office, d'une destitution ou d'une révocation, l'intéressé est réinstallé dans sa fonction au Conseil du Contentieux des étrangers, le cas échéant en surnombre.]1

  
Art. 39/53-9. [1 § 1. Ingeval een ambtsdrager wordt vervolgd wegens een misdaad of een wanbedrijf of het voorwerp uitmaakt van een tuchtrechtechtelijke procedure, kan de eerste voorzitter in het belang van de Raad, de betrokkene op grond van een ordemaatregel uit zijn ambt schorsen voor de duur van de vervolging of van de tuchtrechtelijke procedure en tot de eindbeslissing is genomen.
   Indien het eerste lid zou worden toegepast ten aanzien van de eerste voorzitter van de Raad of de voorzitter, wordt de ordemaatregel opgelegd door de algemene vergadering. Hiertoe wordt de algemene vergadering samengeroepen en voorgezeten, naargelang het geval door de eerste voorzitter of voorzitter van de Raad.
   De ordemaatregel wordt uitgesproken voor hoogstens drie maanden en kan worden verlengd voor periodes van hoogstens drie maanden tot de eindbeslissing. De maatregel kan een inhouding van 20 % van de brutowedde met zich meebrengen.
   Een ordemaatregel of de verlenging van deze maatregel kan enkel worden uitgesproken nadat de betrokkene is gehoord of, wanneer het horen onmogelijk is, nadat hij zijn verweermiddelen schriftelijk heeft kunnen doen gelden of zich heeft kunnen laten vertegenwoordigen.
   De beslissing tot het nemen van een ordemaatregel wordt tegen ontvangstbewijs of bij een aangetekende zending kennis gegeven aan de betrokkene. De kennisgeving maakt melding van het recht om beroep in te stellen, alsook van de in acht te nemen vormen en termijn.
   De beslissing is onmiddellijk uitvoerbaar.
   § 2. Wanneer een tuchtmaatregel met inhouding van wedde wordt uitgesproken tegen een persoon die het voorwerp is geweest van een ordemaatregel met vermindering van wedde, heeft de tuchtmaatregel ten vroegste uitwerking op de dag waarop de ordemaatregel is ingegaan.
   Het tijdens de duur van de ordemaatregel ingehouden bedrag van wedde wordt afgetrokken van het bedrag van verlies van wedde dat voortvloeit uit de tuchtmaatregel met inhouding van wedde. Als het bedrag van de ingehouden wedde hoger is dan het bedrag van het verlies van wedde dat voortvloeit uit de tuchtmaatregel met inhouding van wedde, wordt het verschil aan de betrokkene uitbetaald.
   De ingehouden bedragen worden aan de betrokkene uitbetaald wanneer de ordemaatregel niet gevolgd wordt door een tuchtmaatregel of een strafrechtelijke veroordeling wegens dezelfde feiten, of wanneer de strafvordering vervallen is, dan wel aanleiding heeft gegeven tot een beschikking van buitenvervolgingstelling of tot een seponering.]1

  
Art. 39/53-9. [1 § 1. Lorsqu'un titulaire de fonction est poursuivi pour un crime ou un délit ou lorsqu'il fait l'objet d'une procédure disciplinaire, le premier président peut, dans l'intérêt du Conseil, suspendre l'intéressé de sa fonction, sur la base d'une mesure d'ordre, pendant la durée des poursuites ou de la procédure disciplinaire et jusqu'à la décision finale.
   En cas d'application de l'alinéa 1er au premier président du Conseil ou au président, la mesure d'ordre est infligée par l'assemblée générale. L'assemblée générale est convoquée à cette fin et présidée, selon le cas, par le premier président ou le président du Conseil.
   La mesure d'ordre est prononcée pour trois mois au plus, et peut être prorogée pour des périodes de trois mois au plus, jusqu'à la décision définitive. La mesure peut entraîner une retenue de 20 % du traitement brut.
   Aucune mesure d'ordre ou prorogation d'une telle mesure ne peut être prononcée sans que l'intéressé ait été entendu ou, lorsque l'audition est impossible, sans qu'il ait pu faire valoir ses moyens de défense par écrit ou se faire représenter.
   La décision de prise d'une mesure d'ordre est notifiée, contre accusé de réception ou par envoi recommandé, à l'intéressé. La notification fait mention du droit d'introduire un recours, du délai et des formes à respecter.
   La décision est immédiatement exécutoire.
   § 2. Lorsqu'une mesure disciplinaire entraînant une retenue de traitement est prise à l'encontre d'une personne qui a fait l'objet d'une mesure d'ordre avec réduction de traitement, la mesure disciplinaire produit ses effets au plus tôt le jour où la mesure d'ordre a pris cours.
   Le montant du traitement retenu pendant la durée de la mesure d'ordre est déduit du montant de la perte de traitement liée à la mesure disciplinaire entraînant une retenue de traitement. Si le montant du traitement retenu est plus important que le montant de la perte de traitement liée à la mesure disciplinaire entraînant une retenue de traitement, la différence est liquidée à l'intéressé.
   Les sommes retenues sont liquidées à l'intéressé lorsque la mesure d'ordre n'est pas suivie par une mesure disciplinaire ou une condamnation pénale pour les mêmes faits, ou si l'action pénale est éteinte ou en cas d'ordonnance de non-lieu ou de classement sans suite.]1

  
HOOFDSTUK 4. - De beheerder en het administratief personeel.
CHAPITRE 4. - L'administrateur et le personnel administratif.
Art. 39/54. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 150; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De Minister stelt aan de Raad het personeel en de middelen ter beschikking die nodig zijn voor het vervullen van hun opdracht.
  De vaste en de tijdelijke personeelsformatie van de Raad, ingedeeld bij het centraal bestuur van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, wordt door de Koning vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd besluit.
Art. 39/54. Le Ministre met à la disposition du Conseil le personnel et les moyens nécessaires à la réalisation de sa mission.
  La composition permanente et temporaire du personnel du Conseil incorporé dans l'administration centrale du Service Public Fédéral Intérieur, est fixée par le Roi par arrête délibéré en Conseil des Ministres.
Art. 39/55. [1 De Koning benoemt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de eerste voorzitter en de voorzitter van de Raad, een beheerder. Deze benoeming gebeurt voor een periode van vijf jaar en kan worden hernieuwd na een met redenen omklede positieve evaluatie door de eerste voorzitter en de voorzitter.
   Na vijftien jaar ambtsvervulling wordt de betrokken mandaathouder na een positieve evaluatie vast benoemd door de Koning.]1

  Niemand kan benoemd worden tot beheerder indien hij :
  1° niet de leeftijd van 30 jaar heeft bereikt;
  2° geen houder is van een diploma dat toegang verleent tot de betrekkingen van niveau A in de Rijksbesturen of een dergelijke betrekking uitoefent;
  3° niet het bewijs levert van ten minste 3 jaar ervaring in het domein van de te begeven functie.
  Onverminderd de bepalingen van deze wet zijn de bepalingen tot regeling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de Ministeries van toepassing op de beheerder. De Koning bepaalt de weddenschaal van het personeel van niveau A van de federale overheidsdiensten die aan de beheerder wordt toegekend, zonder dat die hoger mag zijn dan die welke is toegekend aan de beheerder van de Raad van State. De beheerder moet het bewijs leveren van de kennis van de andere taal, Nederlands of Frans, dan die van zijn diploma.
  
Art. 39/55. [1 Le Roi nomme, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis du premier président et du président du Conseil, un administrateur. Cette nomination est prévue pour une période de cinq ans et peut être renouvelée après une évaluation positive motivée par le premier président et le président.
   Après quinze ans d'exercice de fonction, suivant une évaluation positive, le titulaire de mandat est nommé à titre définitif dans ce mandat par le Roi.]1

  (Nul ne peut) être nommé administrateur s'il :    1° n'a pas 30 ans accomplis;   2° n'est pas titulaire d'un diplôme donnant accès aux emplois de niveau A dans les administrations de l'Etat ou qui exerce un tel emploi;   3° ne justifie pas d'une expérience de 3 ans au moins dans le domaine de la fonction à conférer.  Sans préjudice des dispositions de la présente loi, les dispositions réglant le régime administratif et pécuniaire du personnel des ministères sont applicables à l'administrateur. Le Roi fixe l'échelle barémique du personnel de niveau A des services publics fédéraux qui est affecté à l'administrateur, sans que celui-ci puisse être plus élevé celui affecté à l'administrateur du Conseil d'Etat. L'administrateur doit justifier de la connaissance de l'autre langue, française ou néerlandaise, que celle de son diplôme.  

Modifications

[2]  <L 2021-12-23/46, art. 26, 115; En vigueur : 20-02-2022>   Chapitre 5. - La procédure <Inséré par L 2006-09-15/71, art. 152; En vigueur : 01-12-2006>  Section Ire. - Dispositions communes. <Insérée par L 2006-09-15/71, art. 152; En vigueur : 01-12-2006>  Art. 39/56. <Inséré par L 2006-09-15/71, art. 153; En vigueur : 01-12-2006> Les recours visés à l'article 39/2 peuvent être portés devant le Conseil par l'étranger justifiant d'une lésion ou d'un intérêt.  Le Ministre ou son délégué peut introduire un recours à l'encontre d'une décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, s'il l'estime contraire à la loi ou aux arrêtés royaux qui y sont afférents.  Les parties peuvent se faire représenter ou assister par des avocats inscrits au tableau de l'Ordre des Avocats ou sur la liste des stagiaires ainsi que, selon les dispositions du Code judiciaire, par les ressortissants d'un Etat membre de l'Union européenne qui sont habilités à exercer la profession d'avocat.  Sans préjudice de cette possibilité, lorsqu'un recours est introduit contre une décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, cette partie est représentée par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, par un des adjoints ou par un délégué que le Commissaire général désigne à cette fin.  Art. 39/57.[2 § 1er.[1 Les recours visés à l'article 39/2 sont introduits par requête, dans les trente jours suivant la notification de la décision contre laquelle ils sont dirigés.   [5 La requête est introduite dans les [6 dix joursde la notification de la décision contre laquelle il est dirigé :   1° lorsque le recours est introduit par un étranger qui se trouve, au moment de la notification de la décision, dans un lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou qui est mis à la disposition du gouvernement;   2° lorsque le recours est dirigé [6 contre une décision visée à l'article 57/6/1, § 1er, alinéas 2 en 3;   3° [6 lorsque le recours est dirigé contre une décision d'irrecevabilité visée à l'article 57/6, § 3, alinéa 1er. La requête est toutefois introduite dans les cinq jours suivant la notification de la décision contre laquelle elle est dirigée lorsqu'il s'agit d'une décision d'irrecevabilité prise sur la base de l'article 57/6, § 3, alinéa 1er, 5°, et que l'étranger se trouve, au moment de sa demande, dans un endroit déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou qu'il est mis à la disposition du gouvernement.  [4 La demande visée à l'article 39/82, § 4, alinéa 2, est introduite, par requête, dans les dix jours suivant la notification de la décision contre laquelle elle est dirigée. Lorsque qu'il s'agit d'une deuxième mesure d'éloignement ou de refoulement, le délai est réduit à cinq jours.  [2 § 2. Les délais de recours visés au § 1er commencent à courir :   1° lorsque la notification est effectuée par pli recommandé contre accusé de réception, le premier jour qui suit celui où le courrier a été présenté au domicile du destinataire, ou, le cas échéant, à sa résidence ou à son domicile élu;   2° lorsque la notification est effectuée par pli recommandé ou par courrier ordinaire, le troisième jour ouvrable qui suit celui où le courrier a été remis aux services de la poste, sauf preuve contraire du destinataire;   3° lorsque la notification est effectuée contre accusé de réception, le premier jour qui suit la délivrance ou le refus de réception;   4° lorsque la notification est effectuée par télécopieur [3 ou par toute autre voie de notification autorisée par la présente loi et non prévue dans le présent alinéa, le premier jour qui suit celui de l'envoi.   Le jour de l'échéance est compris dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable.   Pour l'application de la présente disposition, sont considérés comme jours ouvrables, tous les jours, excepté le samedi, le dimanche ou les jours fériés.  ----------  <L 2009-05-06/04, art. 5, 049; En vigueur : 29-05-2009>   <L 2010-12-29/02, art. 35, 056; En vigueur : 10-01-2011>   <L 2013-05-08/17, art. 10, 071; En vigueur : 01-09-2013>   <L 2014-04-10/68, art. 4, 077; En vigueur : 31-05-2014>   <L 2014-04-10/68, art. 17, 077; En vigueur : 31-05-2014>   <L 2017-12-17/28, art. 4, 101; En vigueur : 22-03-2018>   Art. 39/57-1. [4 § 1er.[1 Les pièces de procédure, ainsi que les notifications, avis et convocations sont envoyés par le Conseil sous pli recommandé à la poste, par porteur contre accusé de réception ou par tout autre mode de signification admis par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres par lequel la date de la notification peut être constatée de manière certaine.   Pour autant qu'il ne s'agisse pas d'une convocation, les envois peuvent néanmoins se faire par pli ordinaire [5 ...lorsque leur réception ne fait courir aucun délai. [5 ...  [5 ...   Par dérogation à l'alinéa 1er, la notification visée à l'article 39/69 peut avoir lieu par porteur contre accusé de réception [2 [5 ...ou à l'adresse électronique du ministre ou de son délégué.  [4 § 2. Toutes les pièces de procédure sont transmises au Conseil selon des modalités déterminées par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres. L'arrêté royal prévoit, entre autres, un mode d'envoi électronique qui garantit la confidentialité et l'efficacité de la communication.  ----------  <Inséré par L 2010-12-29/02, art. 36, 056; En vigueur : 10-01-2011>   <L 2013-05-08/17, art. 11, 071; En vigueur : 01-09-2013>   <L 2015-12-18/16, art. 2, 085; En vigueur : 01-01-2016, voir aussi art 7>   <L 2021-07-30/20, art. 2,4°, 114; En vigueur : 10-12-2021>   <L 2021-07-30/20, art. 2, 114; En vigueur : 01-03-2022>   Art. 39/58.[1 A l'exception des autorités administratives belges, toute partie à une procédure élit domicile en Belgique dans le premier acte de procédure qu'elle accomplit, sans préjudice de l'article 39/69, § 1er, alinéa 7.   Toutes notifications, communications et convocations du greffe, sont valablement faites au domicile élu.   Cette élection de domicile vaut pour tout acte de procédure subséquent.   Toute modification de domicile élu doit être expressément formulée et communiquée séparément pour chaque recours [2 et de la manière prévue à l'article 39/57-1, § 2,au greffier en chef, en indiquant la référence complète du numéro de rôle du recours concerné par la modification.   En cas de décès d'une partie, et sauf reprise d'instance, toutes communications et notifications émanant du Conseil sont valablement faites au domicile élu du défunt aux ayants droit collectivement, et sans désignation des noms et qualités.  ----------  <L 2013-05-08/17, art. 12, 071; En vigueur : 01-09-2013>   <L 2021-07-30/20, art. 3, 114; En vigueur : 10-12-2021>   Art. 39/59.<Inséré par L 2006-09-15/71, art. 156; En vigueur : 01-12-2006> § 1er. Lorsque la partie défenderesse ne transmet pas le dossier administratif dans le délai fixé, (les faits cités par la partie requérante sont réputés prouvés, à moins que ces faits soient manifestement inexacts). <L 2006-12-27/33, art. 134, 1°, 042; En vigueur : 01-12-2006>  Cette présomption ne s'applique pas en cas d'intervention sur la base de l'article 39/72, § 2.  La note introduite par la partie défenderesse est écartée d'office des débats lorsqu'elle n'est pas introduite [1 dans le délai fixé .  § 2. Toutes les parties comparaissent ou sont représentées à l'audience.  Lorsque la partie requérante ne comparaît pas, ni n'est représentée, la requête est rejetée. Les autres parties qui ne comparaissent ni ne sont représentées sont censées acquiescer à la demande ou au recours. (Toute notification) d'une ordonnance de fixation d'audience fait mention du présent paragraphe. <L 2006-12-27/33, art. 134, 2°, 042; En vigueur : 01-12-2006>  ----------  <L 2009-12-23/05, art. 2, 053; En vigueur : 10-01-2010>   Art. 39/60. <Inséré par L 2006-09-15/71, art. 157; En vigueur : 01-12-2006> La procédure est écrite.  Les parties et leur avocat peuvent exprimer leurs remarques oralement à l'audience. Il ne peut être invoqué d'autres moyens que ceux exposés dans la requête ou dans la note.  Art. 39/61. <Inséré par L 2006-09-15/71, art. 158; En vigueur : 01-12-2006> Les parties et leurs avocats peuvent consulter le dossier au greffe durant le délai fixé dans l'ordonnance de fixation d'audience.  Art. 39/62. <Inséré par L 2006-09-15/71, art. 159; En vigueur : 01-12-2006>Le Conseil correspond directement avec les parties.  Il est habilité à se faire remettre par ces parties toutes les pièces et informations concernant les affaires sur lesquelles il doit se prononcer.  Art. 39/63. <Inséré par L 2006-09-15/71, art. 160; En vigueur : 01-12-2006> Lorsque le Conseil fait appel à l'assistance d'un interprète, celui-ci prête serment dans les termes suivants : "Je jure de traduire fidèlement les discours à transmettre entre ceux qui parlent des langages différents".  Art. 39/64. <Inséré par L 2006-09-15/71, art. 161; En vigueur : 01-12-2006> Les audiences du Conseil sont publiques.  Lorsque celles-ci se tiennent en application de l'(article 39/77, § 1er, alinéa 3) à l'endroit déterminé où l'étranger se trouve ou à l'endroit où il est mis à la disposition du Gouvernement, la publicité est garantie dans les limites permises par la disposition des lieux. <L 2006-12-27/33, art. 135, 1°, 042; En vigueur : 01-12-2006>  Le président de chambre ou le juge au contentieux des étrangers peut ordonner d'office ou à la demande d'une des parties que l'audience ait lieu à huis clos.  Il peut également ordonner le huis clos lorsque le dossier administratif contient des pièces dont il a reconnu, d'office ou à la demande des parties, le caractère confidentiel.  Art. 39/65.<Inséré par L 2006-09-15/71, art. 162; En vigueur : 01-12-2006> Les décisions du Conseil sont motivées. Elles sont signées par le président et un membre du greffe.  La décision interlocutoire ou définitive est portée à la connaissance des parties [1 et du ministre ou de son déléguéselon les modalités fixées par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres. Cet arrêté royal peut également déterminer les cas dans lesquels une notification du dispositif et de l'objet de la décision aux autorités administratives à la cause suffit, ainsi que la forme et les conditions selon lesquelles cette notification limitée peut avoir lieu et la manière dont ces décisions sont accessibles à cette partie en version intégrale.  Les décisions du Conseil sont accessibles au public dans les cas, la forme et selon les conditions fixés par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.  Le Conseil en assure la publication dans les cas, la forme et les conditions fixés par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.  ----------  <L 2009-05-06/04, art. 6, 049; En vigueur : 29-05-2009>   Art. 39/66. <Inséré par L 2006-09-15/71, art. 163; En vigueur : 01-12-2006>L'article 258 du Code pénal relatif au déni de justice est applicable aux membres du Conseil.  Les principes régissant la récusation des juges et conseillers de l'ordre judiciaire sont applicables aux membres du Conseil.  Art. 39/67. <Inséré par L 2006-09-15/71, art. 164; En vigueur : 01-12-2006>Les décisions du Conseil ne sont susceptibles ni d'opposition, ni de tierce opposition, ni de révision. Elles sont uniquement susceptibles du pourvoi en cassation prévu à l'article 14, § 2, des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat.  Art. 39/68.<Inséré par L 2006-09-15/71, art. 165; En vigueur : 01-12-2006> La procédure devant le Conseil du Contentieux des étrangers est fixée par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.  Cet arrêté royal détermine notamment les délais de prescription, qui ne peuvent être inférieurs aux délais fixés dans la présente loi; [1 ...; l'octroi du bénéfice du pro deo aux personnes insolvables. Il peut fixer des règles de procédure particulières pour l'examen des requêtes sans objet, ainsi que pour l'examen des requêtes qui ne nécessitent que débats succincts.  ----------  <L 2010-12-29/02, art. 37, 056; En vigueur : 10-01-2011>   Art. 39/68-1.[1 § 1er. Un droit de rôle de [3 251 eurosest dû lorsque les conditions cumulatives suivantes sont remplies :   1° la partie requérante ne jouit pas du bénéfice du pro deo;   2° il s'agit :   -soit, d'un recours introduit à l'encontre d'une décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou de l'un de ses adjoints,   - soit, d'un recours en annulation introduit à l'encontre d'une décision individuelle prise en application des lois sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, ainsi que des demandes de suspension de l'exécution d'une telle décision, dans les conditions fixées par l'alinéa 2.   Lorsque la suspension de l'exécution d'une décision est demandée, le droit, fixé à l'alinéa 1er, n'est dû immédiatement que pour la demande de suspension. Dans ce cas, le droit n'est dû pour la requête en annulation que lors de l'introduction d'une demande de poursuite de la procédure, visée à l'article 39/82, § 6, et est acquittée par la ou les personnes qui demandent la poursuite de la procédure, sans préjudice du § 3.   Les requêtes en intervention visées à l'article 39/72, § 2, donnent lieu au paiement d'un droit de rôle de [3 180 euros.   § 2. Si le greffier en chef ou le greffier qu'il désigne constate que la partie requérante demande dans la requête l'application du bénéfice du pro deo, sans qu'elle ait joint à la requête les pièces prévues à l'article 39/69, § 1er, alinéa 2, 8°, il adresse à la partie requérante une lettre qui indique les pièces qui manquent et qui demande à cette partie de régulariser sa requête dans les huit jours.   La partie requérante qui régularise sa requête dans les huit jours après la réception de la demande visée à l'alinéa 1er, est censée avoir joint les pièces requises à la requête à la date de l'envoi de la requête.   Une requête qui n'est pas régularisée ou qui est régularisée de manière incomplète ou tardive , est censée impliquer que, sans préjudice de l'application de l'article 39/69, § 1er, alinéa 3, la partie requérante renonce à sa demande de bénéficier du pro deo. (NOTE : par son arrêt n° 88/2012 du 12-07-2012 (non encore publié au M.B), la Cour constitutionnelle a annulé dans cet article, les mots en italique)   § 3. Le président de chambre ou le juge qu'il a désigné décide par ordonnance que le droit de rôle est dû et en détermine le montant.   L'appréciation des conditions déterminées au § 1er, alinéa 1er, s'effectue sur la base de la requête et des pièces y jointes en vertu de l'article 39/69, § 1er, alinéa 1er.   La décision relative au droit de rôle est prise sans procédure et n'est pas susceptible d'aucun recours.   § 4. Les requêtes collectives donnent lieu au paiement du droit autant de fois qu'il y a de requérants et de décisions attaquées. (NOTE : par son arrêt n° 88/2012 du 12-07-2012 (non encore publié au M.B), la Cour constitutionnelle a annulé dans cet article, les mots en italique)   § 5. Le droit de rôle est avancé par la partie requérante. Le paiement est effectué dans un délai de huit jours, qui prend cours le jour où le greffier en chef informe la personne concernée que le droit de rôle est dû et où cette personne est également informée du montant dû.   Si le montant n'est pas versé dans le délai fixé à l'alinéa 1er, le recours n'est pas inscrit au rôle. Le paiement tardif ne peut être régularisé. Si le paiement est effectué à temps, le recours est inscrit au rôle et le délai visé à l'article 39/76, § 3, prend cours.   Par dérogation à l'alinéa 2, le droit de rôle dû doit, lorsque l'extrême urgence est invoquée dans la demande de suspension, accompagnée d'un recours en annulation, être payé au moment où la poursuite de la procédure est demandée, étant bien entendu que la demande de suspension en soi ne donne pas lieu à la quittance du droit au cas où la suspension est accordée.   Si, en application de l'article 39/82, § 3, alinéa 1er, la demande de suspension se limite uniquement à une demande de suspension d'extrême urgence et si la demande de suspension n'est pas accordée, le droit de rôle pour cette demande de suspension est dû lors de l'introduction d'une requête en annulation.   § 6. Le Conseil détermine le droit de rôle et se prononce sur la contribution au paiement de celui-ci. Si le recours en annulation est accompagné ou précédé d'une demande de suspension, le droit dû pour la requête en annulation est mis à charge de la partie qui succombe au fond.   § 7. Le Roi adapte les montants visés au § 1er en fonction de l'évolution de l'indice des prix à la consommation.   § 8. Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le mode de recouvrement des droits fixés par la présente disposition.  ----------  <Inséré par L 2010-12-29/02, art. 38, 056; En vigueur : 01-04-2011 (voir AR 2011-03-16/01, art. 3)   <AR 2015-06-19/04, art. 1, 081; En vigueur : 09-07-2015>   <AR 2025-06-21/05, art. 1, 130; En vigueur : 01-09-2025>   Art. 39/68-1bis DROIT FUTUR.   [1 § 1er. Sauf si elle en est dispensée, la partie requérante est tenue de payer la contribution visée à l'article 4, § 4, de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne.
Lorsque la suspension de l'exécution d'une décision est demandée, la contribution visée à l'alinéa 1er n'est due immédiatement que pour la demande de suspension. Dans ce cas, la contribution n'est due pour la requête en annulation que lors de l'introduction d'une demande de poursuite de la procédure, visée à l'article 39/82, § 6, et est acquittée par la ou les personnes qui demandent la poursuite de la procédure, sans préjudice du paragraphe 3.
§ 2. Si le greffier en chef ou le greffier qu'il désigne constate que la partie requérante demande dans la requête à être dispensée du paiement de la contribution, prévue à l'article 4, § 4, alinéa 4, de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne, sans qu'elle ait joint à la requête les pièces prévues à l'article 39/69, § 1er, alinéa 2, 9°, il adresse à la partie requérante une lettre qui indique les pièces manquantes et qui demande à cette partie de régulariser sa requête dans les huit jours.
La partie requérante qui régularise sa requête dans les huit jours suivant la réception de la demande visée à l'alinéa 1er est réputée avoir joint les pièces requises à la requête à la date de l'envoi de la requête.
La partie requérante qui ne régularise pas sa requête dans les huit jours suivant la réception de la demande visée à l'alinéa 1er ou qui la régularise de manière incomplète est réputée avoir renoncé à sa demande d'être dispensée du paiement de la contribution, sans préjudice de l'application de l'article 39/69, § 1er, alinéa 3.
§ 3. Le président de chambre ou le juge qu'il a désigné décide par ordonnance si une contribution est due et en détermine le montant.
L'appréciation des conditions déterminées à l'article 4, § 4, de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne s'effectue sur la base de la requête et des pièces y jointes en vertu de l'article 39/69, § 1er, alinéa 2.
La décision relative à la contribution est prise sans procédure et n'est susceptible d'aucun recours.
§ 4. Le paiement est effectué dans un délai de huit jours, qui prend cours le jour où le greffier en chef informe la personne concernée que la contribution visée à l'article 4, § 4, de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne est due et où cette personne est également informée du montant dû.
Si ce montant n'est pas versé dans le délai fixé à l'alinéa 1er, le recours n'est pas inscrit au rôle. Le paiement tardif ne peut être régularisé. Sans préjudice de l'application de l'article 39/68-1, § 5, alinéa 2, le recours est inscrit au rôle et le délai visé à l'article 39/76, § 3, prend cours si le paiement est effectué à temps.
Par dérogation au paragraphe 2 et au paragraphe 4, alinéa 1er, la preuve de la dispense ou du paiement doit être déposée au plus tard à l'audience lorsqu'il est fait application des procédures accélérées prévues aux articles 39/77 et 39/77/1.
Par dérogation à l'alinéa 2, le montant doit, lorsque l'extrême urgence est invoquée dans la demande de suspension, accompagnée d'un recours en annulation, être payé au moment où la poursuite de la procédure est demandée.
Si, en application de l'article 39/82, § 3, alinéa 1er, la demande de suspension se limite uniquement à une demande de suspension d'extrême urgence, le montant pour cette demande de suspension est dû lors de l'introduction d'une requête en annulation.
§ 5. Le Roi fixe les modalités de recouvrement de la contribution au fonds d'aide juridique de deuxième ligne.  ----------
HOOFDSTUK 5. - De rechtspleging
Art. 39/68-2. [1 Lorsqu'une partie requérante a introduit plusieurs requêtes recevables à l'encontre du même acte attaqué, ces recours sont joints d'office. Dans ce cas, le Conseil statue sur la base de la dernière requête introduite, à moins que la partie requérante n'indique expressément au Conseil, au plus tard à l'audience, la requête sur la base de laquelle il doit statuer. La partie requérante est réputée se désister des autres requêtes introduites.
Afdeling I. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Art. 39/68-3.[1 § 1er. Lorsqu'une partie requérante introduit une requête recevable à l'encontre d'une décision prise sur la base de l'article 9bis, alors qu'un recours contre une décision prise antérieurement à son encontre sur la base de l'article 9bis est encore pendant, le Conseil statue sur la base de la dernière requête introduite. La partie requérante est réputée se désister du recours introduit antérieurement, sauf si elle démontre son intérêt.
Art. 39/56. De beroepen bedoeld in artikel 39/2 kunnen voor de Raad worden gebracht door de vreemdeling die doet blijken van een benadeling of van een belang.
Section II. - Dispositions spécifiques applicables aux recours de pleine juridiction contre les décisions du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides
Art. 39/57.[2 § 1.]2 [1 De in artikel 39/2 bedoelde beroepen worden ingediend bij verzoekschrift binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen ze zijn gericht.
Sous-section 1re. - Dispositions générales applicables à la procédure ordinaire et à la procédure accélérée.
Art. 39/57-1. [4 § 1.]4 [1 De processtukken, alsook de betekeningen, kennisgevingen en oproepingen worden door de Raad verzonden bij ter post aangetekende brief, per bode met ontvangstbewijs of via elke andere bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.
   Op voorwaarde dat het geen oproeping betreft, mogen de verzendingen echter bij gewone brief [5 ...]5 worden gedaan wanneer de ontvangst ervan geen termijn doet ingaan. [5 ...]5
  [5 ...]5
   In afwijking van het eerste lid, kan de kennisgeving bedoeld in artikel 39/69 geschieden per bode tegen ontvangstbewijs [2 [5 ...]5 of op het elektronisch adres van de minister of zijn gemachtigde.]2 ]1

  [4 § 2. Alle processtukken worden aan de Raad toegezonden op een bij koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalde wijze. Het koninklijk besluit voorziet hierbij onder meer een wijze van elektronische verzending, waarbij de vertrouwelijkheid en effectiviteit van de communicatie worden verzekerd.]4
  
Art. 39/69. § 1er. La requête est signée par la partie ou par un avocat qui satisfait aux conditions fixées dans l'article 39/56.
  La requête doit contenir, sous peine de nullité :
  1° le nom, nationalité, domicile de la partie requérante et la référence de son dossier auprès de la partie adverse, indiquée sur la décision contestée;
  2° l'élection de domicile en Belgique;
  3° l'indication de la décision contre laquelle le recours est introduit;
  4° l'exposé des faits et des moyens invoqués à l'appui du recours [3 ...]3;
  5° la langue déterminée pour l'audition à l'audience selon l'article 39/60;
  6° être introduite en langue néerlandaise ou française, selon la langue de la procédure déterminée en application de l'article 51/4;
  7° être signée par le requérant ou son avocat.
  [2 8° le cas échéant, la demande de bénéficier du pro deo et les pièces qui font apparaître ce droit. Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les pièces que le demandeur doit déposer à l'appui de sa demande de pro deo.]2
  Ne sont pas inscrits au rôle :
  1° les recours non accompagnés d'une copie de l'acte attaqué ou du document qui l'a porté à la connaissance de la partie requérante;
  2° les recours non accompagnés de [3 quatre]3 copies de ceux-ci;
  3° les recours pour lesquels le droit de rôle imposé n'est pas acquitté.
  [1 4° les requêtes qui ne sont pas signées;
   5° les requêtes qui ne contiennent pas d'élection de domicile en Belgique;
   6° les requêtes auxquelles n'est pas joint un inventaire des pièces qui doivent toutes être numérotées conformément à cet inventaire;]1

  [4 7° [6 ...]64
  [1 En cas d'application de [2 l'alinéa 3, 1°, 2°, 4°, 5°, 6°]2 [6 ...]6 , le greffier en chef adresse à la partie requérante un courrier précisant la raison de la non-inscription au rôle et l'invitant à régulariser sa requête dans les huit jours.
   La partie requérante qui régularise sa requête dans les huit jours de la réception de l'invitation visée à l'alinéa 4, est censée l'avoir introduite à la date de son premier envoi.
   Une requête non régularisée ou régularisée de manière incomplète ou tardive est réputée ne pas avoir été introduite.]1

  [5 Sauf dans le cas où une autre adresse en Belgique est indiquée expressément comme domicile élu, la première adresse en Belgique mentionnée dans la requête est censée être le domicile élu au sens du § 1er, alinéa 2, 2°.]5
  § 2. Dans les cas où le requérant est mis à la disposition du gouvernement ou se trouve dans un lieu déterminé visé [5 aux articles 74/8 et 74/9]5 , la requête peut également être introduite par sa remise, sur place, au directeur de l'établissement pénitentiaire ou au directeur du lieu déterminé dans lequel il se trouve, ou à un de leurs délégués, qui mentionne sur la requête la date à laquelle celle-ci a été introduite, en délivre un accusé de réception au requérant ou à son avocat et la transmet immédiatement au Conseil.
  § 3. [2 Après réception des recours inscrits au rôle ou, si un droit de rôle est dû, à partir de la date où le recours est inscrit au rôle, le greffier en chef ou le greffier désigné par celui-ci les porte immédiatement à la connaissance du ministre ou de son délégué, sauf lorsque le recours a été remis au délégué du ministre en application du § 2.]2
  
Art. 39/58. [1 Onverminderd artikel 39/69, § 1, zevende lid, kiest elke partij in een procedure, met uitzondering van de Belgische administratieve overheden, in haar eerste proceshandeling woonplaats in België.
   Alle kennisgevingen, mededelingen en oproepingen door de griffie worden rechtsgeldig op de gekozen woonplaats gedaan.
   Die woonplaatskeuze geldt voor alle daaropvolgende proceshandelingen.
   Elke wijziging van de gekozen woonplaats moet uitdrukkelijk worden geformuleerd en voor elk beroep afzonderlijk en [2 op de wijze als bepaald in artikel 39/57-1, § 2,]2 ter kennis gebracht van de hoofdgriffier, met vermelding van het volledige rolnummer van het beroep waarop de wijziging betrekking heeft.
   Bij overlijden van een partij, en behalve bij hervatting van het geding, worden alle mededelingen en kennisgevingen van de Raad rechtsgeldig gedaan op de gekozen woonplaats van de overledene ter attentie van de gezamenlijke rechtverkrijgenden, zonder vermelding van de namen en hoedanigheden.]1

  
Art. 39/69 DROIT FUTUR.    § 1er. La requête est signée par la partie ou par un avocat qui satisfait aux conditions fixées dans l'article 39/56.
  La requête doit contenir, sous peine de nullité :
  1° le nom, nationalité, domicile de la partie requérante et la référence de son dossier auprès de la partie adverse, indiquée sur la décision contestée;
  2° l'élection de domicile en Belgique;
  3° l'indication de la décision contre laquelle le recours est introduit;
  4° l'exposé des faits et des moyens invoqués à l'appui du recours [3 ...]3;
  5° la langue déterminée pour l'audition à l'audience selon l'article 39/60;
  6° être introduite en langue néerlandaise ou française, selon la langue de la procédure déterminée en application de l'article 51/4;
  7° être signée par le requérant ou son avocat.
  [2 8° le cas échéant, la demande de bénéficier du pro deo et les pièces qui font apparaître ce droit. Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les pièces que le demandeur doit déposer à l'appui de sa demande de pro deo.]2
  [6 9° le cas échéant, la demande de bénéficier d'une dispense de paiement de la contribution au fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne et les pièces qui font apparaître ce droit.]6
  Ne sont pas inscrits au rôle :
  1° les recours non accompagnés d'une copie de l'acte attaqué ou du document qui l'a porté à la connaissance de la partie requérante;
  2° les recours non accompagnés de [3 quatre]3 copies de ceux-ci;
  3° les recours pour lesquels le droit de rôle imposé n'est pas acquitté.
  [1 4° les requêtes qui ne sont pas signées;
   5° les requêtes qui ne contiennent pas d'élection de domicile en Belgique;
   6° les requêtes auxquelles n'est pas joint un inventaire des pièces qui doivent toutes être numérotées conformément à cet inventaire;]1

  [4 [7 ...]7]4
  [6 8° les recours pour lesquels la contribution imposée au fonds d'aide juridique de deuxième ligne n'est pas acquittée.]6
  [1 En cas d'application de [2 l'alinéa 3, 1°, 2°, 4°, 5°, 6°]2 [7 ...]7 , le greffier en chef adresse à la partie requérante un courrier précisant la raison de la non-inscription au rôle et l'invitant à régulariser sa requête dans les huit jours.
   La partie requérante qui régularise sa requête dans les huit jours de la réception de l'invitation visée à l'alinéa 4, est censée l'avoir introduite à la date de son premier envoi.
   Une requête non régularisée ou régularisée de manière incomplète ou tardive est réputée ne pas avoir été introduite.]1

  [5 Sauf dans le cas où une autre adresse en Belgique est indiquée expressément comme domicile élu, la première adresse en Belgique mentionnée dans la requête est censée être le domicile élu au sens du § 1er, alinéa 2, 2°.]5
  § 2. Dans les cas où le requérant est mis à la disposition du gouvernement ou se trouve dans un lieu déterminé visé [5 aux articles 74/8 et 74/9]5 , la requête peut également être introduite par sa remise, sur place, au directeur de l'établissement pénitentiaire ou au directeur du lieu déterminé dans lequel il se trouve, ou à un de leurs délégués, qui mentionne sur la requête la date à laquelle celle-ci a été introduite, en délivre un accusé de réception au requérant ou à son avocat et la transmet immédiatement au Conseil.
  § 3. [2 Après réception des recours inscrits au rôle [6 ou, si un droit de rôle ou une contribution au fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne sont dus, à]6 partir de la date où le recours est inscrit au rôle, le greffier en chef ou le greffier désigné par celui-ci les porte immédiatement à la connaissance du ministre ou de son délégué, sauf lorsque le recours a été remis au délégué du ministre en application du § 2.]2
Art. 39/59. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 156; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. Wanneer de verwerende partij het administratief dossier niet binnen de vastgestelde termijn toestuurt, (worden de door de verzoekende partij vermelde feiten als bewezen geacht, tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn). <W 2006-12-27/33, art. 134, 1°, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Dit vermoeden is niet van toepassing in het geval van tussenkomst bedoeld in artikel 39/72, § 2.
  De nota ingediend door de verwerende partij wordt ambtshalve uit de debatten geweerd wanneer zij niet is ingediend [1 binnen de vastgestelde termijn]1.
  § 2. Alle partijen verschijnen ter terechtzitting of zijn er vertegenwoordigd.
  Wanneer de verzoekende partij noch verschijnt noch vertegenwoordigd is, wordt het beroep verworpen. De andere partijen die niet zijn verschenen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering of het beroep. In elke kennisgeving van een beschikking tot vaststelling van de rechtsdag wordt melding gemaakt van deze paragraaf.
  
Art. 39/70. Sauf accord de l'intéressé, aucune mesure d'éloignement du territoire ou de refoulement ne peut être exécutée de manière forcée à l'égard de l'étranger pendant le délai fixé pour l'introduction du recours et pendant l'examen de celui-ci.
  [1 L'alinéa 1er ne s'applique pas lorsque une décision de retour n'entraîne pas de refoulement direct ou indirect comme déterminé [2 en application de l'article 57/6/2, § 2]2 et :
   1° [2 l'intéressé a introduit une première demande ultérieure de protection internationale dans l'année suivant la décision finale concernant sa demande de protection internationale précédente, alors qu'il se trouvait dans un lieu déterminé visé aux articles 74/8 ou 74/9;]2 ou
   2° l'intéressé a introduit une [2 nouvelle demande ultérieure de protection internationale]2 à la suite d'une décision finale sur une [2 première demande ultérieure de protection internationale]2.]1

  
Art. 39/60. De procedure is schriftelijk.
Sous-section 2. La procédure ordinaire.
Art. 39/61. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 158; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De partijen en hun advocaat kunnen gedurende de in de beschikking tot vaststelling van de rechtsdag bepaalde termijn ter griffie inzage nemen van het dossier.
Art. 39/71. Le greffier transmet sans délai une copie du recours à la partie défenderesse [2 ...]2 et, lorsqu'il s'agit d'un recours introduit par le Ministre à l'étranger qui a intérêt au jugement de l'affaire [2 ...]2. [1 ...]1.
  
Art. 39/62. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 159; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De Raad voert rechtstreeks briefwisseling met de partijen.
  Hij is gerechtigd alle bescheiden en inlichtingen omtrent de zaken waarover hij zich uit te spreken heeft, door deze partijen te doen overleggen.
Art. 39/72. § 1er. [1 La partie défenderesse transmet le dossier administratif au greffier dans les huit jours suivant la notification du recours. Elle peut joindre une note d'observation au plus tard avec le dossier administratif, à moins qu'avant l'expiration du délai de huit jours précité, elle n'informe le greffe qu'elle communiquera cette note dans les quinze jours suivant la notification du recours.]1 [3 La faculté pour la partie défenderesse d'introduire la note d'observation dans les quinze jours suivant la notification du recours n'est pas applicable aux recours examinés dans les délais visés à l'article 39/76, § 3, alinéa 3.]3
  [4 ...]4
  § 2. L'étranger auquel est (notifié) un recours du Ministre contre une décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, peut introduire une demande d'intervention dans les quinze jours suivant cette (notification). A défaut de (notification), la chambre saisie de l'affaire peut admettre une intervention ultérieure. <L 2006-12-27/33, art. 137, 1°, 042; En vigueur : 01-12-2006>
  Lorsqu'un droit doit être acquitté pour la demande d'intervention, celle-ci n'est examinée que lorsque (ce droit) est acquitté. <L 2006-12-27/33, art. 137, 2°, 042; En vigueur : 01-12-2006>
  
Art. 39/63. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 160; Inwerkingtreding : 01-12-2006> Wanneer de Raad een beroep doet op de hulp van een tolk, legt deze de eed af in de volgende termen : "Ik zweer getrouwelijk de gezegden te vertolken welke aan personen die verschillende talen spreken, moeten overgezegd worden".
Art. 39/64. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 161; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De terechtzittingen van de Raad zijn openbaar.
  Indien deze met toepassing van (artikel 39/77, § 1, derde lid) gehouden worden op de welbepaalde plaats waar de vreemdeling zich bevindt of op de plaats waar hij ter beschikking gesteld wordt van de Regering, is er openbaarheid binnen de perken dat de plaatsgesteldheid dit toelaat. <W 2006-12-27/33, art. 135, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  De kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken kan ambtshalve of op verzoek van een van de partijen bevelen dat de zaak met gesloten deuren wordt behandeld.
  Hij kan dat eveneens bevelen wanneer het administratief dossier stukken bevat die hij, ambtshalve of op vraag van een van de partijen, als vertrouwelijk heeft erkend.
Art. 39/73. [1 § 1er. Le président de chambre ou le juge [3 qu'il a désigné]3 examine en priorité les recours pour lesquels il considère qu'il n'est pas nécessaire que les parties exposent encore oralement leurs remarques.
   § 2. Par ordonnance, le président de chambre ou le juge [3 qu'il a désigné]3 notifie aux parties que la chambre statuera sans audience, à moins que, dans un délai de quinze jours après l'envoi de l'ordonnance, une des parties demande à être entendue. L'ordonnance communique le motif sur lequel le président de chambre ou le juge [3 qu'il a désigné]3 se fonde pour juger que le recours peut être suivi ou rejeté selon une procédure purement écrite. Si une note d'observation a été déposée, cette note est communiquée en même temps que l'ordonnance.
   § 3. Si aucune des parties ne demande à être entendue, celles-ci sont censées donner leur consentement au motif indiqué dans l'ordonnance et, selon le cas, [2 le recours est suivi ou rejeté]2.
   § 4. Si une des parties a demandé à être entendue dans le délai, le président de chambre ou le juge [3 qu'il a désigné]3 fixe, par ordonnance et sans délai, le jour et l'heure de l'audience.
   § 5. Après avoir entendu les répliques des parties, le président de chambre ou le juge [3 qu'il a désigné]3 statue sans délai.]1

  
Art. 39/65. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 162; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De uitspraken van de Raad zijn met redenen omkleed. Ze worden ondertekend door de voorzitter en een lid van de griffie.
  Een tussen- of een einduitspraak wordt aan de partijen [1 en aan de minister of zijn gemachtigde ]1 ter kennis gebracht volgens de modaliteiten bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Dit koninklijk besluit kan eveneens de gevallen bepalen waarin kan worden volstaan met een kennisgeving aan de in het geding zijnde administratieve overheden van het dispositief en het voorwerp, alsook de vorm waarin en de voorwaarden waaronder deze beperkte kennisgeving geschiedt en de wijze waarop deze uitspraken voor deze partij in hun totaalversie toegankelijk zijn.
  De uitspraken van de Raad zijn toegankelijk voor het publiek in de gevallen, in de vorm en onder de voorwaarden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  De Raad zorgt voor de publicatie ervan in de gevallen, in de vorm en onder de voorwaarden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  
Art. 39/73-1. [1 Lorsque des indices font apparaître que le recours introduit est manifestement abusif, le Conseil inclut d'office ce constat dans les discussions lors de l'examen de ce recours. Il permet aux parties présentes à l'audience de faire valoir leurs observations en la matière et peut, à cette fin, suspendre l'audience s'il échet. Le Conseil peut, au besoin, également se prononcer sur le recours introduit et, dans son arrêt, fixer une nouvelle date d'audience en vue de poursuivre les débats sur le caractère manifestement abusif du recours.
   Dans la notification d'une ordonnance de fixation d'audience, il est attiré l'attention sur la possible ouverture d'une enquête quant au caractère non abusif du recours par la mention du présent article.
   Le Conseil peut imposer une amende chaque fois qu'il estime qu'un recours manifestement abusif a été introduit.
   L'arrêt qui prononce l'amende est en tout cas réputé contradictoire.
   Le montant de l'amende, s'élevant au minimum à 125 euros et au maximum à 2.500 euros, est déterminé par le Conseil.
   Chaque année au 1er janvier, les montants visés à l'alinéa 5 sont adaptés de plein droit à l'évolution de l'indice des prix à la consommation selon la formule suivante: le montant de base, multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ. Le nouvel indice est l'indice des prix à la consommation du mois de décembre de l'année précédant l'année dans laquelle les montants conformément à l'alinéa 5 sont adaptés. L'indice de départ est l'indice du mois de novembre 2017. Le résultat obtenu est arrondi à l'euro supérieur si la partie décimale est supérieure ou égale à cinquante cents. Il est arrondi à l'euro inférieur si la partie décimale est inférieure à cinquante cents.
   Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des ministres les modalités de perception de l'amende.
   L'arrêt prononçant le caractère manifestement abusif du recours et imposant éventuellement une amende est, si la partie requérante était assistée d'un avocat, également notifié au bâtonnier compétent et au président du bureau d'aide juridique.]1

  
Art. 39/66. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 77; Inwerkingtreding : 01-12-2006> 163tikel 258 van het Strafwetboek betreffende de rechtsweigering is toepasselijk op de leden van de Raad.
  De beginselen die de wraking van rechters en raadsleden van de rechterlijke orde regelen, zijn toepasselijk op de leden van de Raad.
Art. 39/73-2. [1 § 1er. Chaque partie peut demander au Conseil de recourir à une procédure purement écrite, selon les cas, dans la requête, dans la note d'observations, dans la notification qu'elle ne souhaite pas déposer de mémoire de synthèse ou dans le mémoire de synthèse.
   En cas d'application de l'alinéa 1er, l'intitulé de la pièce de procédure porte également la mention "demande de traitement au moyen de la procédure purement écrite".
   § 2. Le greffe informe sans délai la partie adverse de la demande de traitement au moyen d'une procédure purement écrite, en même temps qu'il lui communique, selon le cas, une copie de la requête, de la note d'observations, de la notification que la partie requérante ne déposera pas de mémoire de synthèse ou du mémoire de synthèse. Si la partie adverse ne s'oppose pas à la demande de traitement au moyen d'une procédure purement écrite dans les quinze jours suivant l'envoi du greffe, elle est présumée y acquiescer. Dans ce cas, le président de chambre ou le juge qu'il a désigné examine en priorité le recours et statue sur la base du dossier administratif et des pièces de procédure, sauf s'il estime nécessaire d'entendre les remarques orales des parties, auquel cas l'article 39/74 s'applique.
   § 3. Lorsque le président de chambre ou le juge qu'il a désigné acquiesce à la demande de traitement au moyen d'une procédure purement écrite, il en informe les parties et fixe, par ordonnance, la date de la clôture des débats. Cette date est fixée au moins huit jours après la date de l'envoi de l'ordonnance. Les parties peuvent déposer une note de plaidoirie jusqu'au jour fixé pour la clôture des débats.
   Si une note de plaidoirie est déposée, le greffe la notifie sans délai à la partie adverse. Dans ce cas, l'arrêt est rendu au plus tôt huit jours après la date de clôture des débats.]1

  
Art. 39/67. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 164; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De uitspraken van de Raad zijn niet vatbaar voor verzet, derdenverzet of herziening. Ze zijn enkel vatbaar voor het cassatieberoep voorzien bij artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
Art. 39/73-3. [1 § 1er. Lorsque des circonstances exceptionnelles limitent significativement la tenue des audiences, le Roi peut décider par un arrêté délibéré en Conseil des ministres que durant une période qu'Il détermine, qui n'excède pas six mois, renouvelable de la même manière, la possibilité de demander à être entendu, suite à une ordonnance telle que visée à l'article 39/73, § 2, est remplacée par la possibilité d'adresser une note de plaidoirie.
   § 2. Si aucune des parties n'a communiqué de note de plaidoirie dans les quinze jours suivant l'envoi de l'ordonnance, elles sont censées donner leur consentement au motif indiqué dans l'ordonnance et, selon le cas, le recours est suivi ou rejeté.
   § 3. Si une des parties a adressé une note de plaidoirie dans les quinze jours suivant l'envoi de l'ordonnance, le président de chambre ou le juge qu'il a désigné la prend en considération et statue sans délai ou ordonne la réouverture des débats.
   S'il ordonne la réouverture des débats, il invite la partie qui n'a pas déposé de note de plaidoirie à en déposer une dans les quinze jours de l'envoi de l'ordonnance, en joignant une copie de la note de plaidoirie déjà déposée. A l'expiration de ce délai, il clôt les débats et prend l'affaire en délibéré.
   § 4. Pendant la période prévue par le Roi conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, le président de chambre ou le juge qu'il a désigné, peut, par dérogation à des dispositions contraires, traiter les recours et les demandes visés aux articles 39/77, 39/77/1, 39/82, § 4, alinéa 2, 39/84 et 39/85 sans audience publique, après que toutes les parties aient pu communiquer leur note d'observations ou leur note complémentaire telle que visée à l'article 39/76, § 1, alinéa 2.
   En cas d'application de l'alinéa 1er, le président de chambre ou le juge qu'il a désigné organise, par ordonnance, les délais d'échange de pièces. Il prévoit également la possibilité de répliquer à la note d'observations.]1

  
Art. 39/68. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 165; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt vastgesteld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Dit koninklijk besluit bepaalt onder meer de verjaringstermijnen die niet minder dan de in deze wet bepaalde termijnen mogen bedragen; [1 ...]1; het voorziet in het verlenen van het voordeel van het pro deo aan de onvermogenden. Het kan bijzondere procedureregels vaststellen voor de behandeling van de verzoekschriften die doelloos zijn, alsook voor de behandeling van de verzoekschriften die enkel korte debatten met zich meebrengen.
  
Art. 39/74. [1 Lorsqu'il n'est pas fait application d'une procédure visée dans les articles 39/73, 39/73-2 ou 39/73-3,]1 le président de chambre ou le juge qu'il a désigné, fixe par ordonnance le jour et l'heure de l'audience à laquelle le recours sera examiné.
  
Art. 39/68-1. [1 § 1. Een rolrecht van [3 251 euros]3 is verschuldigd indien voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden :
   1° de verzoekende partij geniet niet van het voordeel van de pro deo;
   2° het betreft :
   - hetzij een beroep dat is ingeleid tegen een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of van één van zijn adjuncten,
   - hetzij een beroep tot nietigverklaring tegen een individuele beslissing genomen met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, alsook de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging, onder de in het tweede lid bepaalde voorwaarden.
   Wanneer de schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing wordt gevorderd, wordt het recht, vastgesteld in het eerste lid, slechts onmiddellijk betaald voor de vordering tot schorsing. In dit geval is het recht van het verzoekschrift tot nietigverklaring slechts verschuldigd bij het instellen van een vordering tot voortzetting van de procedure, bedoeld bij artikel 39/82, § 6, en wordt het gekweten door de persoon of de personen die de voortzetting van de procedure vorderen, onverminderd § 3.
   De verzoekschriften tot tussenkomst bedoeld in artikel 39/72, § 2, geven aanleiding tot de betaling van een rolrecht van [3 180 euros]3.
   § 2. Indien de hoofdgriffier of de door hem aangewezen griffier vaststelt dat de verzoekende partij in het verzoekschrift de toepassing van het voordeel van de pro deo vraagt, zonder dat die bij het verzoekschrift de in artikel 39/69, § 1, tweede lid, 8°, bepaalde stukken heeft gevoegd, dan richt hij aan de verzoekende partij een brief waarbij wordt meegedeeld welke stukken ontbreken en waarbij die partij wordt verzocht binnen acht dagen haar verzoekschrift te regulariseren.
   De verzoekende partij die haar verzoekschrift regulariseert binnen acht dagen na de ontvangst van het in het eerste lid bedoelde verzoek, wordt geacht de vereiste stukken te hebben gevoegd bij het verzoekschrift op de datum van de verzending van het verzoekschrift.
   Een verzoekschrift dat niet, onvolledig of laattijdig is geregulariseerd, wordt onverminderd de toepassing van artikel 39/69, § 1, derde lid, geacht in te houden dat de verzoekende partij afstand doet van zijn verzoek van de pro deo te genieten. (NOTA : bij arrest nr 88/ van 12-07-2012 (nog niet gepubliceerd in het B.St.), heeft het Grondwettelijk Hof de woorden in cursief vernietigd)
   § 3. De kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter beslist bij beschikking tot het verschuldigd zijn van het rolrecht en bepaalt het bedrag ervan.
   De beoordeling van de in § 1, eerste lid, bepaalde voorwaarden geschiedt op basis van het verzoekschrift en de er op grond van artikel 39/69, § 1, eerste lid, bijgevoegde stukken.
   De uitspraak over het rolrecht geschiedt zonder rechtspleging en is niet vatbaar voor enig beroep.
   § 4. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er verzoekers en bestreden beslissingen zijn. (NOTA : bij arrest nr 88/ van 12-07-2012 (nog niet gepubliceerd in het B.St.), heeft het Grondwettelijk Hof de woorden in cursief vernietigd)
   § 5. Het rolrecht wordt door de verzoekende partij voorgeschoten. De betaling wordt verricht binnen een termijn van acht dagen, die ingaat op de dag dat de hoofdgriffier de betrokkene ter kennis brengt dat het rolrecht verschuldigd is en waarbij hij tevens op de hoogte wordt gesteld van het verschuldigde bedrag.
   Indien het bedrag niet binnen de in het eerste lid bepaalde termijn is gestort, wordt het beroep niet op de rol geplaatst. De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd. Bij tijdige kwijting wordt het beroep op de rol geplaatst en gaat de termijn bedoeld in artikel 39/76, § 3, in.
   In afwijking van het tweede lid, moet, wanneer in de vordering tot schorsing, die gepaard gaat met een beroep tot nietigverklaring, de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, het verschuldigde rolrecht betaald worden op het ogenblik dat de voortzetting van de procedure wordt gevraagd, met dien verstande dat de vordering tot schorsing op zich geen aanleiding geeft tot de kwijting van het recht indien de schorsing wordt toegestaan.
   Als met toepassing van artikel 39/82, § 3, eerste lid, de vordering tot schorsing zich uitsluitend beperkt tot een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en indien de vordering tot schorsing niet werd toegestaan, dan is het rolrecht voor deze vordering tot schorsing verschuldigd bij het indienen van een verzoekschrift tot nietigverklaring.
   § 6. De Raad begroot het rolrecht en doet uitspraak over de bijdrage in de betaling ervan. Gaat het beroep tot nietigverklaring samen met of is het voorafgegaan door een vordering tot schorsing, dan wordt het recht verschuldigd voor het verzoekschrift tot nietigverklaring ten laste gelegd van de partij die ten gronde in het ongelijk wordt gesteld.
   § 7. De Koning past de in § 1 bepaalde bedragen aan aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen.
   § 8. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze van inning van de in deze bepaling bepaalde rechten.]1

  
Art. 39/75. Le greffier en chef ou le greffier qu'il a désigné notifie sans délai l'ordonnance fixant le jour de l'audience aux parties à l'instance.
  Les parties sont averties au moins huit jours à l'avance de la date de l'audience.
  Les pièces de la procédure non encore communiquées aux parties, sont jointes à la convocation. Le cas échéant, il est mentionné dans la notification si le dossier administratif a été introduit.
Art. 39/68-1bis TOEKOMSTIG RECHT.    [1 . § 1. De verzoekende partij is, behoudens in het geval zij hiervan vrijgesteld is, de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand verschuldigd.
   Wanneer de schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing wordt gevorderd, wordt de bijdrage bedoeld in het eerste lid, slechts onmiddellijk betaald voor de vordering tot schorsing. In dit geval is de bijdrage van het verzoekschrift tot nietigverklaring slechts verschuldigd bij het instellen van een vordering tot voortzetting van de procedure, bedoeld in artikel 39/82, § 6, en wordt het gekweten door de persoon of de personen die de voortzetting van de procedure vorderen, onverminderd paragraaf 3.
   § 2. Indien de hoofdgriffier of de door hem aangewezen griffier vaststelt dat de verzoekende partij in het verzoekschrift vraagt te worden vrijgesteld van het betalen van de bijdrage, zoals voorzien in artikel 4, § 4, vierde alinea, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, zonder dat die bij het verzoekschrift de in artikel 39/69, § 1, tweede lid, 9°, bepaalde stukken heeft gevoegd, dan richt hij aan de verzoekende partij een brief waarbij wordt meegedeeld welke stukken ontbreken en waarbij die partij wordt verzocht binnen acht dagen haar verzoekschrift te regulariseren.
   De verzoekende partij die haar verzoekschrift regulariseert binnen acht dagen na de ontvangst van het in het eerste lid bedoelde verzoek, wordt geacht de vereiste stukken te hebben gevoegd bij het verzoekschrift op de datum van de verzending van het verzoekschrift.
   Indien de verzoekende partij het verzoekschrift niet of onvolledig regulariseert binnen acht dagen na de ontvangst van het in het eerste lid bedoelde verzoek, dan wordt zij, onverminderd de toepassing van artikel 39/69, § 1, derde lid, geacht afstand te hebben gedaan van haar verzoek tot vrijstelling van het betalen van de bijdrage.
   § 3. De kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter bepaalt in een beschikking of een bijdrage verschuldigd is, alsmede het bedrag van de bijdrage.
   De beoordeling van de in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, bepaalde voorwaarden geschiedt op basis van het verzoekschrift en de er op grond van artikel 39/69, § 1, tweede lid, bijgevoegde stukken.
   De uitspraak over de bijdrage geschiedt zonder rechtspleging en is niet vatbaar voor enig beroep.
   § 4. De betaling wordt verricht binnen een termijn van acht dagen, die ingaat op de dag dat de hoofdgriffier de betrokkene ter kennis brengt dat de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand verschuldigd is en waarbij hij tevens op de hoogte wordt gesteld van het verschuldigde bedrag.
   Indien dit bedrag niet binnen de in het eerste lid bepaalde termijn is gestort, wordt het beroep niet op de rol geplaatst. De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd. Onverminderd de toepassing van artikel 39/68-1, § 5, tweede lid, wordt bij tijdige kwijting het beroep op de rol geplaatst en gaat de termijn bedoeld in artikel 39/76, § 3, in.
   In afwijking van paragraaf 2 en paragraaf 4, eerste lid, moet, wanneer toepassing wordt gemaakt van de versnelde procedures zoals bepaald in artikel 39/77 en 39/77/1, het bewijs van vrijstelling of betaling ten laatste op de zitting worden neergelegd.
   In afwijking van het tweede lid, moet, wanneer in de vordering tot schorsing, die gepaard gaat met een beroep tot nietigverklaring, de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, het bedrag betaald worden op het ogenblik dat de voortzetting van de procedure wordt gevraagd.
   Als met toepassing van artikel 39/82, § 3, eerste lid, de vordering tot schorsing zich uitsluitend beperkt tot een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, dan is het bedrag voor deze vordering tot schorsing verschuldigd bij het indienen van een verzoekschrift tot nietigverklaring.
   § 5. De Koning bepaalt de nadere regels van invordering van de bijdrage aan het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.]1
  
Art. 39/76. § 1er. [3 Le président de chambre saisi ou le juge au contentieux des étrangers désigné examine toujours s'il peut confirmer ou réformer la décision attaquée [4 , sauf s'il s'agit d'une décision [5 d'irrecevabilité visée à l'article 57/6, § 3, alinéa 1er]5]4. [5 ...]5
   Les parties peuvent lui communiquer des éléments nouveaux jusqu'à la clôture des débats par le biais d'une note complémentaire. Sans préjudice de l'interdiction visée à l'article 39/60, la note complémentaire se limite à ces éléments nouveaux, sous peine d'écartement des débats pour le surplus. Les éléments nouveaux qui ne sont pas repris dans la note complémentaire sont écartés d'office des débats.
   Si le président de chambre saisi ou le juge désigné estime que les éléments nouveaux invoqués par la partie requérante ou intervenante augmentent de manière significative la probabilité que l'étranger remplisse les conditions requises pour la reconnaissance de la qualité de réfugié au sens de l'article 48/3 ou pour la protection subsidiaire au sens de l'article 48/4, et si, en outre, il constate de manière cumulative que, conformément à l'article 39/2, § 1er, alinéa 2, 2°, il doit annuler la décision attaquée parce qu'il ne peut pas conclure à la confirmation ou à la réformation de la décision attaquée sans mesures d'instruction complémentaires de ces éléments nouveaux, il ordonne au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, selon le cas, soit à l'audience, soit après l'audience par le biais d'une ordonnance succinctement motivée, d'examiner les éléments nouveaux qu'il indique et de lui transmettre un rapport écrit dans les huit jours, selon le cas, soit de l'audience, soit de la notification de l'ordonnance.
   Si le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides renonce expressément à ce droit d'examen, ou si le rapport écrit visé à l'alinéa 3 n'est pas introduit ou l'est tardivement, la décision attaquée est annulée sans procédure ou audience ultérieures.
   Si le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides a déposé un rapport écrit dans le délai imparti, celui-ci est communiqué par le greffe à la partie requérante ou intervenante. Celle-ci introduit une note en réplique dans les huit jours de la notification de ce rapport.
   Si la partie requérante ou intervenante omet d'introduire une note en réplique dans le délai de huit jours fixé à l'alinéa 5, elle est censée souscrire au point de vue adopté par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides dans son rapport.
   Si le président de chambre saisi ou le juge désigné estime que les éléments nouveaux invoqués par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides augmentent de manière significative la probabilité de constater sans plus que l'étranger ne remplit pas les conditions requises pour la reconnaissance de la qualité de réfugié au sens de l'article 48/3 ou pour la protection subsidiaire au sens de l'article 48/4, il demande à la partie requérante ou intervenante, soit à l'audience, soit après l'audience par le biais d'une ordonnance succinctement motivée, de communiquer dans les huit jours ses observations concernant les éléments nouveaux qu'il indique et le point de vue du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides relatif à l'impact que ces éléments nouveaux ont sur la possibilité de reconnaissance ou de maintien de la qualité de réfugié ou du statut de protection subsidiaire.
   Si la partie requérante ou intervenante omet d'introduire une note en réplique dans le délai de huit jours fixé à l'alinéa 7, elle est censée souscrire au point de vue adopté par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides dans sa note ou à l'audience concernant les éléments nouveaux indiqués.
   Si le président de chambre saisi ou le juge désigné estime que les éléments nouveaux invoqués par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides augmentent de manière significative la probabilité que l'étranger remplisse les conditions requises pour la reconnaissance de la qualité de réfugié au sens de l'article 48/3 ou pour la protection subsidiaire au sens de l'article 48/4, et si, en outre, il constate de manière cumulative que, conformément à l'article 39/2, § 1er, alinéa 2, 2°, il doit annuler la décision attaquée parce qu'il ne peut pas conclure à la confirmation ou à la réformation de la décision attaquée sans mesures d'instruction complémentaires de ces éléments nouveaux, ce constat entraîne l'annulation d'office de la décision attaquée.]3

  § 2. Si le président de chambre ou le juge au contentieux des étrangers saisi ne peut examiner l'affaire au fond pour la raison prévue à l'article 39/2, § 1er, alinéa 2, 2°, il le motive dans sa décision et annule la décision attaquée. Dans ce cas, le greffier en chef ou le greffier désigné par lui renvoie immédiatement l'affaire au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides.
  § 3. Le président de chambre ou le juge au contentieux des étrangers saisi prend une décision dans les trois mois suivant la réception du recours [1 ou, si la requête a été régularisée en application de l'article 39/69, § 1er, après réception de la régularisation]1 [2 , ou si un droit de rôle doit être acquitté, à partir de l'inscription au rôle]2.
  S'il s'agit d'un recours relatif à une affaire que le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides a examinée en priorité conformément [5 à l'article 57/6, § 2,]5 ce recours est également examiné en priorité par le Conseil. [5 ...]5
  [4 Le président de chambre saisi ou le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne prend une décision [5 dans les deux mois]5 suivant la réception du recours contre [5 les décisions d'irrecevabilité du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides visées à l'article 57/6, § 3, alinéa 1er, ou les décisions du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides visées à l'article 57/6/1, § 1er, alinéas 2 et 3,]5 ou si la requête a été régularisée en application de l'article 39/69, § 1er, après réception de la régularisation, ou si un droit de rôle doit être acquitté, à partir de l'inscription au rôle.]4
  
Art. 39/68-2. [1 Indien een verzoekende partij meerdere ontvankelijke verzoekschriften heeft ingediend tegen dezelfde bestreden beslissing dan worden deze beroepen van rechtswege gevoegd. In dit geval oordeelt de Raad op grond van het als laatste ingediende verzoekschrift, tenzij de verzoekende partij uitdrukkelijk aan de Raad en ten laatste ter terechtzitting, het verzoekschrift aanduidt op grond waarvan hij dient te oordelen. De verzoekende partij wordt geacht afstand te doen van de overige ingediende verzoekschriften.
   Betreft het een collectief beroep, dan oordeelt de Raad op grond van het als laatste ingediende verzoekschrift, tenzij alle verzoekende partijen uitdrukkelijk en collectief aan de Raad en ten laatste ter terechtzitting, het verzoekschrift aanduiden op grond waarvan hij dient te oordelen. De verzoekende partijen worden geacht afstand te doen van de overige ingediende verzoekschriften.]1

  
Art. 39/76 DROIT FUTUR.    § 1er. [3 Le président de chambre saisi ou le juge au contentieux des étrangers désigné examine toujours s'il peut confirmer ou réformer la décision attaquée [4 , sauf s'il s'agit d'une décision de non prise en considération visée à l'article 57/6/1, alinéa 1er, ou à l'article 57/6/2, alinéa 1er]4. Il peut à cet effet se fonder en particulier sur les critères d'appréciation déterminés dans l'article 57/6/1, alinéas 1er à 3.
   Les parties peuvent lui communiquer des éléments nouveaux jusqu'à la clôture des débats par le biais d'une note complémentaire. Sans préjudice de l'interdiction visée à l'article 39/60, la note complémentaire se limite à ces éléments nouveaux, sous peine d'écartement des débats pour le surplus. Les éléments nouveaux qui ne sont pas repris dans la note complémentaire sont écartés d'office des débats.
   Si le président de chambre saisi ou le juge désigné estime que les éléments nouveaux invoqués par la partie requérante ou intervenante augmentent de manière significative la probabilité que l'étranger remplisse les conditions requises pour la reconnaissance de la qualité de réfugié au sens de l'article 48/3 ou pour la protection subsidiaire au sens de l'article 48/4, et si, en outre, il constate de manière cumulative que, conformément à l'article 39/2, § 1er, alinéa 2, 2°, il doit annuler la décision attaquée parce qu'il ne peut pas conclure à la confirmation ou à la réformation de la décision attaquée sans mesures d'instruction complémentaires de ces éléments nouveaux, il ordonne au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, selon le cas, soit à l'audience, soit après l'audience par le biais d'une ordonnance succinctement motivée, d'examiner les éléments nouveaux qu'il indique et de lui transmettre un rapport écrit dans les huit jours, selon le cas, soit de l'audience, soit de la notification de l'ordonnance.
   Si le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides renonce expressément à ce droit d'examen, ou si le rapport écrit visé à l'alinéa 3 n'est pas introduit ou l'est tardivement, la décision attaquée est annulée sans procédure ou audience ultérieures.
   Si le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides a déposé un rapport écrit dans le délai imparti, celui-ci est communiqué par le greffe à la partie requérante ou intervenante. Celle-ci introduit une note en réplique dans les huit jours de la notification de ce rapport.
   Si la partie requérante ou intervenante omet d'introduire une note en réplique dans le délai de huit jours fixé à l'alinéa 5, elle est censée souscrire au point de vue adopté par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides dans son rapport.
   Si le président de chambre saisi ou le juge désigné estime que les éléments nouveaux invoqués par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides augmentent de manière significative la probabilité de constater sans plus que l'étranger ne remplit pas les conditions requises pour la reconnaissance de la qualité de réfugié au sens de l'article 48/3 ou pour la protection subsidiaire au sens de l'article 48/4, il demande à la partie requérante ou intervenante, soit à l'audience, soit après l'audience par le biais d'une ordonnance succinctement motivée, de communiquer dans les huit jours ses observations concernant les éléments nouveaux qu'il indique et le point de vue du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides relatif à l'impact que ces éléments nouveaux ont sur la possibilité de reconnaissance ou de maintien de la qualité de réfugié ou du statut de protection subsidiaire.
   Si la partie requérante ou intervenante omet d'introduire une note en réplique dans le délai de huit jours fixé à l'alinéa 7, elle est censée souscrire au point de vue adopté par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides dans sa note ou à l'audience concernant les éléments nouveaux indiqués.
   Si le président de chambre saisi ou le juge désigné estime que les éléments nouveaux invoqués par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides augmentent de manière significative la probabilité que l'étranger remplisse les conditions requises pour la reconnaissance de la qualité de réfugié au sens de l'article 48/3 ou pour la protection subsidiaire au sens de l'article 48/4, et si, en outre, il constate de manière cumulative que, conformément à l'article 39/2, § 1er, alinéa 2, 2°, il doit annuler la décision attaquée parce qu'il ne peut pas conclure à la confirmation ou à la réformation de la décision attaquée sans mesures d'instruction complémentaires de ces éléments nouveaux, ce constat entraîne l'annulation d'office de la décision attaquée.]3

  § 2. Si le président de chambre ou le juge au contentieux des étrangers saisi ne peut examiner l'affaire au fond pour la raison prévue à l'article 39/2, § 1er, alinéa 2, 2°, il le motive dans sa décision et annule la décision attaquée. Dans ce cas, le greffier en chef ou le greffier désigné par lui renvoie immédiatement l'affaire au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides.
  § 3. Le président de chambre ou le juge au contentieux des étrangers saisi prend une décision dans les trois mois suivant la réception du recours [1 ou, si la requête a été régularisée en application de l'article 39/69, § 1er, après réception de la [5 régularisation, ou si un droit de rôle ou une contribution au fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne doivent être acquittés, à]5 partir de l'inscription au rôle]2.
  S'il s'agit d'un recours relatif à une affaire que le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides a examinée en priorité conformément à l'article 52, § 5, 52/2, § 1er ou § 2, 3° 4° ou 5°, ce recours est également examiné en priorité par le Conseil. Le délai fixé à l'alinéa 1er est réduit à deux mois.
  [4 Le président de chambre saisi ou le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne prend une décision dans les trente jours suivant la réception du recours contre la décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides de non prise en considération de la demande d'asile visée à l'article 57/6/1, alinéa 1er, ou à l'article 57/6/2, alinéa 1er, ou si la requête a été régularisée en application de l'article 39/69, § 1er, après réception de la [5 régularisation, ou si un droit de rôle ou une contribution au fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne doivent être acquittés, à]5 partir de l'inscription au rôle.]4
Art. 39/68-3.[1 § 1. Indien een verzoekende partij een ontvankelijk verzoekschrift indient tegen een beslissing genomen op basis van artikel 9bis terwijl een beroep tegen een eerdere tegen hem getroffen beslissing op basis van artikel 9bis nog hangende is, oordeelt de Raad op grond van het laatst ingediende verzoekschrift. De verzoekende partij wordt geacht afstand te doen van het eerder ingediende beroep, tenzij zij haar belang aantoont.
Sous-section 3. - La procédure accélérée
Afdeling II. - Specifieke bepalingen die gelden voor de beroepen met volle rechtsmacht tegen beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen
Art. 39/77. § 1er. Lorsque le recours est introduit par un étranger qui se trouve dans un lieu déterminé visé [2 aux articles 74/8 et 74/9]2 ou qui est mis à la disposition du gouvernement, le greffier en chef ou le greffier qu'il désigne en envoie copie, immédiatement et au plus tard dans le jour ouvrable c'est-à-dire ni un samedi, ni un dimanche, ni un jour férié, suivant la réception du recours [3 ...]3, au Commissaire général aux réfugies et aux apatrides. (Ce greffier) lui demande de déposer le dossier au greffe, dans le délai qu'il fixe et qui ne peut dépasser trois jours ouvrables, à partir de (la notification).
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen van toepassing op de gewone en op de versnelde procedure.
Art. 39/77/1.[1 § 1er. Lorsque le recours [3 contre la décision d'irrecevabilité visée à l'article 57/6/2, § 1er]3 est introduit par un étranger qui se trouve dans un lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou qui est mis à la disposition du gouvernement, le greffier en chef ou le greffier qu'il désigne en envoie copie, immédiatement et au plus tard dans le jour ouvrable c'est-à-dire ni un samedi, ni un dimanche, ni un jour férié, suivant la réception du recours [2 ...]2, au Commissaire général aux réfugies et aux apatrides. Ce greffier lui demande de déposer le dossier au greffe, dans le délai qu'il fixe et qui ne peut dépasser deux jours ouvrables, à partir de la notification.
Art. 39/69. § 1. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de partij of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 39/56.
Section III. - Le recours en annulation
Art. 39/69 TOEKOMSTIG RECHT.
Sous-section 1re. - Dispositions générales.
Art. 39/70. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 168; Inwerkingtreding : 01-12-2006> Behoudens mits toestemming van betrokkene, kan tijdens de voor het indienen van het beroep vastgestelde termijn en tijdens het onderzoek van dit beroep, ten aanzien van de vreemdeling geen enkele maatregel tot verwijdering van het grondgebied of terugdrijving gedwongen worden uitgevoerd.
  [1 Het eerste lid is niet van toepassing wanneer een terugkeerbesluit niet leidt tot direct of indirect refoulement zoals vastgesteld [2 in toepassing van artikel 57/6/2, § 2]2 en :
   1° [2 betrokkene een eerste volgend verzoek om internationale bescherming heeft ingediend binnen het jaar na de definitieve beslissing met betrekking tot zijn voorgaand verzoek om internationale bescherming, terwijl hij zich in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 of 74/9 bevond]2; of
   2° betrokkene een [2 nieuw volgend verzoek om internationale bescherming]2 indient na een definitieve beslissing over een [2 eerste volgend verzoek om internationale bescherming]2.]1

  
Art. 39/78. Le recours est introduit selon les modalités déterminées à l'article 39/69, étant entendu que [1 , sauf dans les cas prévus à l'article 51/4, § 3,]1 les dispositions prévues à l'article 39/69, § 1er, alinéa 2, [1 ...]1 et 6°, ne sont pas applicables.
  Sans préjudice de l'article 39/69, § 1er, alinéa 3, ne sont pas inscrites au rôle les demandes pour lesquelles le droit exigé n'a pas été acquitté.
  
Onderafdeling 2. - De gewone procedure.
Art. 39/79. (§ 1er. [1 Sous réserve du paragraphe 3 et sauf accord de l'intéressé,]1 aucune mesure d'éloignement du territoire ne peut être exécutée de manière forcée à l'égard de l'étranger pendant le délai fixé pour l'introduction du recours introduit contre les décisions visées à l'alinéa 2 ni pendant l'examen de celui-ci, et de telles mesures ne peuvent être prises à l'égard de l'étranger en raison de faits qui ont donné lieu à la décision attaquée.
Art. 39/71. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 170; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De griffier zendt onverwijld een afschrift van het beroep aan de verwerende partij [2 ...]2 en, indien het een beroep betreft dat door de Minister werd aanhangig gemaakt, aan de vreemdeling die een belang heeft bij de beslechting van de zaak [2 ...]2. [1 ...]1
  
Art. 39/80. Lorsqu'un recours en annulation d'une décision relative à l'entrée ou au séjour est lié à un recours contre une décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, l'examen de ce dernier recours est prioritaire. Le cas échéant, le Conseil peut toutefois, dans l'intérêt d'une bonne administration de la justice, décider soit que les deux recours seront examinés et clôturés simultanément, soit que l'examen du recours en annulation sera suspendu jusqu'à la décision définitive sur le recours de pleine juridiction.
Art. 39/72. § 1. [1 De verwerende partij bezorgt de griffier binnen acht dagen na de kennisgeving van het beroep, het administratief dossier. Ten laatste bij dit administratief dossier kan zij een nota met opmerkingen voegen, tenzij ze voor het verstrijken van de voornoemde termijn van acht dagen, de griffie in kennis stelt van het feit dat ze deze nota zal mededelen binnen vijftien dagen na de kennisgeving van het beroep.]1 [3 De mogelijkheid voor de verwerende partij om de nota met opmerkingen binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van het beroep in te dienen, is niet van toepassing op de beroepen die worden behandeld binnen de termijnen bedoeld in artikel 39/76, § 3, derde lid.]3
Sous-section 2. - La procédure en annulation.
Art. 39/81. La procédure en annulation se déroule de la manière prévue dans les articles :
  - 39/71;
  - [1 ...]1;
  - 39/73, § 1er [2 ...]2; (NOTE : par son arrêt n° 88/2012 du 12-07-2012 (non encore publié au M.B), la Cour constitutionnelle a annulé dans cet alinéa, les mots en italique)
  [2 - 39/73-1;]2
  [10 - 39/73-2;
   - 39/73-3;]10

  - 39/74;
  - 39/75;
  - [3 39/76, § 3 alinéa 1er [9 ...]9;]3
  - (39/77, § 1er, alinéa 3). <L 2007-05-04/34, art. 4, 1°, 047; En vigueur : 01-06-2007>
  [1 La partie défenderesse transmet au greffier, dans les huit jours suivant la notification du recours, le dossier administratif, auquel elle peut joindre une note d'observation.]1 [10 ...]10
  [2 [4 Par dérogation à l'alinéa 1er [7 et [10 si ni les articles 39/73, 39/73-2 ou 39/73-3,]10 ni les règles de procédure particulières visées à l'article 39/68, alinéa 2, ne s'appliquent]7, le greffe envoie en temps utile, le cas échéant une copie de la note d'observation à la partie requérante et informe en même temps celle-ci du dépôt au greffe du dossier administratif.
   La partie requérante dispose, à compter de la notification visée à l'alinéa 3, de huit jours pour notifier au greffe quelle souhaite ou pas soumettre un mémoire de synthèse. Si la partie requérante n'a pas introduit de notification dans ce délai, le Conseil statue sans délai après avoir entendu les parties qui en ont fait la demande, tout en constatant l'absence de l'intérêt requis.
   Si la partie requérante a introduit dans le délai une notification qu'elle souhaite soumettre un mémoire de synthèse, elle dispose, à compter de la notification visée à l'alinéa 3, de quinze jours pour faire parvenir un mémoire de synthèse qui résume tous les moyens invoqués.
   Si la partie requérante n'a pas introduit de mémoire de synthèse, comme visée à l'alinéa 5, le Conseil statue sans délai après avoir entendu les parties qui en ont fait la demande, tout en constatant l'absence de l'intérêt requis.
   Si la partie requérante a introduit un mémoire de synthèse, comme visée à l'alinéa 5, dans le délai prévu, le Conseil statue sur la base du mémoire de synthèse sauf en ce qui concerne la recevabilité du recours et des moyens et sans préjudice de l'article 39/60.
  [10 ...]10
  
Art. 39/73.[1 § 1. De kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter onderzoekt bij voorrang de beroepen met betrekking tot dewelke hij van oordeel is dat het niet vereist is dat de partijen nog mondelinge opmerkingen voordragen.
Sous-section 3. - Le référé administratif
Art. 39/73-1.[1 Wanneer er aanwijzingen zijn dat het ingestelde beroep kennelijk onrechtmatig is dan brengt de Raad deze vaststelling, bij de behandeling van dit beroep, ambtshalve in de debatten. Zij stelt de ter terechtzitting aanwezige partijen in staat om hun bemerkingen hieromtrent te laten gelden en kan hiertoe, zo nodig, de zitting schorsen. De Raad kan, zo nodig, ook uitspraak doen over het ingestelde beroep en in haar arrest een nieuwe zittingsdatum bepalen met het oog op verdere debatten inzake het kennelijk onrechtmatig karakter van het beroep.
§ 1er. La suspension.
Art. 39/73-3. [1 § 1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden het houden van een zitting, op aanzienlijke wijze beperken, kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepalen dat gedurende een door Hem vastgestelde periode, die niet langer is dan zes maanden, verlengbaar op dezelfde wijze, de mogelijkheid om te vragen om te worden gehoord, ingevolge een beschikking als bedoeld in artikel 39/73, § 2, vervangen wordt door de mogelijkheid om een pleitnota over te maken.
   § 2. Indien geen der partijen een pleitnota heeft overgemaakt binnen de vijftien dagen volgend op de verzending van de beschikking, dan worden zij geacht in te stemmen met de in de beschikking opgenomen grond en wordt naargelang het geval het beroep ingewilligd of verworpen.
   § 3. Indien één der partijen een pleitnota heeft overgemaakt binnen de vijftien dagen volgend op de verzending van de beschikking, dan neemt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter deze mee in overweging en doet hij onverwijld uitspraak of beveelt hij de heropening van de debatten.
   In het geval hij de heropening van de debatten beveelt, nodigt hij de partij die geen pleitnota heeft ingediend uit er één neer te leggen binnen de vijftien dagen na de verzending van de beschikking, waarbij een afschrift van de reeds ingediende pleitnota wordt gevoegd. Bij het verstrijken van deze termijn, sluit hij de debatten en neemt hij de zaak in beraad.
   § 4. Gedurende de in de eerste paragraaf, eerste lid door de Koning vastgelegde periode, kan de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter, in afwijking van andersluidende bepalingen de beroepen en de vorderingen bedoeld in de artikelen 39/77, 39/77/1, 39/82, § 4, tweede lid, 39/84 en 39/85 zonder openbare terechtzitting behandelen, nadat alle partijen, hun nota met opmerkingen of hun aanvullende nota als bedoeld in artikel 39/76, § 1, tweede lid, hebben kunnen overmaken.
   Indien toepassing wordt gemaakt van het eerste lid, organiseert de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter via een beschikking het tijdskader voor de uitwisseling van de stukken. Hij voorziet hierbij ook een repliekmogelijkheid op de nota met opmerkingen.]1

  
Art. 39/82. § 1er. Lorsqu'un acte d'une autorité administrative est susceptible d'annulation en vertu de l'article 39/2, le Conseil est seul compétent pour ordonner la suspension de son exécution.
  La suspension est ordonnée, les parties entendues ou dûment convoquées, par décision motivée du président de la chambre saisie ou du juge au contentieux des étrangers qu'il désigne à cette fin.
  En cas d'extrême urgence, la suspension peut être ordonnée à titre provisoire sans que les parties ou certaines d'entre elles aient été entendues.
  Lorsque le requérant demande la suspension de l'exécution, il doit opter soit pour une suspension en extrême urgence, soit pour une suspension ordinaire. Sous peine d'irrecevabilité, il ne peut ni simultanément, ni consécutivement, soit faire une nouvelle fois application de l'alinéa 3, soit demander une nouvelle fois la suspension dans la requête visée au § 3.
  Par dérogation à l'alinéa 4 et sans préjudice du § 3, le rejet de la demande de suspension selon la procédure d'extrême urgence n'empêche pas le requérant d'introduire ultérieurement une demande de suspension selon la procédure ordinaire, lorsque cette demande de suspension en extrême urgence a été rejetée au motif que l'extrême urgence n'est pas suffisamment établie.
  § 2. La suspension de l'exécution ne peut être ordonnée que si des moyens sérieux susceptibles de justifier l'annulation de l'acte contesté sont invoqués et à la condition que l'exécution immédiate de l'acte risque de causer un préjudice grave difficilement réparable. [3 Cette dernière condition est entre autre remplie si un moyen sérieux a été invoqué sur la base des droits fondamentaux de l'homme, en particulier des droits auxquels aucune dérogation n'est possible en vertu de l'article 15, alinéa 2, de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales.]3
  Les arrêts par lesquels la suspension a été ordonnée sont susceptibles d'être rapportés ou modifiés à la demande des parties.
  § 3. Sauf en cas d'extrême urgence, la demande de suspension et la requête en annulation doivent être introduits par un seul et même acte.
  Dans l'intitulé de la requête, il y a lieu de mentionner qu'est introduit soit un recours en annulation soit une demande de suspension et un recours en annulation. Si cette formalité n'est pas remplie, il sera considéré que la requête ne comporte qu'un recours en annulation.
  Une fois que le recours en annulation est introduit, une demande de suspension introduite ultérieurement n'est pas recevable, sans préjudice de la possibilité offerte au demandeur d'introduire, de la manière visée ci-dessus, un nouveau recours en annulation assorti d'une demande de suspension, si le délai de recours n'a pas encore expiré.
  La demande comprend un exposé des moyens et des faits qui, selon le requérant, justifient que la suspension ou, le cas échéant, des mesures provisoires soient ordonnées.
  La suspension et les autres mesures provisoires qui auraient été ordonnées avant l'introduction de la requête en annulation de l'acte seront immédiatement levées par le président de la chambre ou par le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne, qui les a prononcées, s'il constate qu'aucune requête en annulation invoquant les moyens qui les avaient justifiées n'a été introduite dans le délai prévu par le règlement de procédure.
  § 4. Le président de la chambre ou le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne statue dans les trente jours sur la demande de suspension. Si la suspension est ordonnée, il est statué sur la requête en annulation dans les quatre mois du prononcé de la décision juridictionnelle.
  [3 Lorsque l'étranger fait l'objet d'une mesure d'éloignement ou de refoulement dont l'exécution est imminente, en particulier lorsqu'il est maintenu dans un lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou est mis à la disposition du gouvernement, il peut, s'il n'en a pas encore demandé la suspension par la voie ordinaire, demander la suspension de l'exécution en extrême urgence de cette mesure dans le délai visé à l'article 39/57, § 1er, alinéa 3.
   Si la demande apparaît manifestement tardive, le président de la chambre saisie ou le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne l'indique dans son ordonnance et convoque sans délai les parties à comparaître dans les vingt-quatre heures de la réception de la demande.
   Le président de la chambre ou le juge au contentieux des étrangers procède à un examen attentif et rigoureux de tous les éléments de preuve portés à sa connaissance, en particulier ceux qui sont de nature à indiquer qu'il existe des motifs de croire que l'exécution de la décision attaquée exposerait le requérant au risque d'être soumis à la violation des droits fondamentaux de l'homme auxquels aucune dérogation n'est possible en vertu de l'article 15, alinéa 2, de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, qui fait l'objet d'un contrôle attentif et rigoureux.
   La demande en suspension en extrême urgence est examinée dans les quarante-huit heures suivant sa réception par le président de la chambre ou par le juge au contentieux des étrangers. Ce délai est toutefois étendu à cinq jours suivant celui de la réception par le Conseil de cette demande, lorsque l'éloignement ou le refoulement effectif de l'étranger est prévu à une date ultérieure au délai de huit jours.
   Si le président de la chambre ou le juge au contentieux des étrangers ne se prononce pas dans le délai, il doit en avertir le premier président ou le président. Celui-ci prend les mesures nécessaires pour qu'une décision soit rendue, selon le cas, soit, au plus tard septante-deux heures suivant la réception de la requête, soit, dans les meilleurs délais. Dans les deux cas, il peut notamment évoquer l'affaire et statuer lui-même.
   Par dérogation aux alinéas qui précèdent, le président de la chambre saisie ou le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne se prononce en priorité sur la recevabilité de la demande, au besoin sans convoquer les parties lorsque les conditions suivantes sont réunies :
   1° il s'agit d'une deuxième mesure d'éloignement ou de refoulement, et
   2° la demande est manifestement tardive, et
   3° la demande est introduite moins de douze heures avant le moment prévu pour l'exécution de la mesure, et
   4° le requérant et, le cas échéant, son avocat sont informés au moins quarante-huit heures avant le moment prévu pour l'exécution de la mesure.
   S'il déclare la demande irrecevable, l'arrêt met fin à la procédure. S'il déclare la demande recevable, la procédure est poursuivie comme prévu aux alinéas 3 à 6.]3

  (NOTE : art. 39/82, § 4, alinéa 2, dernière phrase, les mots " Si le Conseil ne s'est pas prononcé dans le délai précité de septante-deux heures ou " sont annules par l'extrait de l'arrêt de la Cour constitutionnelle n° 81/2008 du 27-05-2008; M.B. 02-07-2008, p. 33554-39574)
  § 5. Le Conseil peut, suivant une procédure accélérée fixée par le Roi, annuler l'acte dont la suspension est demandée si, dans les huit jours à compter de la notification de l'arrêt qui ordonne la suspension, la partie adverse n'a pas introduit de demande de poursuite de la procédure.
  § 6. Il existe dans le chef de la partie requérante une présomption de désistement d'instance lorsque, la demande de suspension d'un acte ou d'un règlement ayant été rejetée, celle-ci n'introduit aucune demande de poursuite de la procédure dans un délai de huit jours à compter de la notification de la décision.
  § 7. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la procédure relative aux demandes visées par le présent article. Des règles spécifiques peuvent être fixées concernant l'examen des demandes de suspension de l'exécution manifestement irrecevables et manifestement non fondées. Une procédure spécifique pour l'examen au fond des cas dans lesquels la suspension de l'exécution est ordonnée, peut également être fixée.
  Dans le cas où la suspension de l'exécution serait ordonnée pour détournement de pouvoir, l'affaire est renvoyée à l'assemblée générale du Conseil.
  Si l'assemblée générale n'annule pas l'acte qui fait l'objet du recours, la suspension cesse immédiatement de produire ses effets. Dans ce cas, l'affaire est renvoyée, pour examen d'autres moyens éventuels, à la chambre qui en était initialement saisie.
  § 8. Si la chambre compétente pour statuer au fond n'annule pas l'acte qui fait l'objet du recours, elle peut lever ou rapporter la suspension ordonnée.
  
Art. 39/73-3. [1 § 1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden het houden van een zitting, op aanzienlijke wijze beperken, kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepalen dat gedurende een door Hem vastgestelde periode, die niet langer is dan zes maanden, verlengbaar op dezelfde wijze, de mogelijkheid om te vragen om te worden gehoord, ingevolge een beschikking als bedoeld in artikel 39/73, § 2, vervangen wordt door de mogelijkheid om een pleitnota over te maken.
   § 2. Indien geen der partijen een pleitnota heeft overgemaakt binnen de vijftien dagen volgend op de verzending van de beschikking, dan worden zij geacht in te stemmen met de in de beschikking opgenomen grond en wordt naargelang het geval het beroep ingewilligd of verworpen.
   § 3. Indien één der partijen een pleitnota heeft overgemaakt binnen de vijftien dagen volgend op de verzending van de beschikking, dan neemt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter deze mee in overweging en doet hij onverwijld uitspraak of beveelt hij de heropening van de debatten.
   In het geval hij de heropening van de debatten beveelt, nodigt hij de partij die geen pleitnota heeft ingediend uit er één neer te leggen binnen de vijftien dagen na de verzending van de beschikking, waarbij een afschrift van de reeds ingediende pleitnota wordt gevoegd. Bij het verstrijken van deze termijn, sluit hij de debatten en neemt hij de zaak in beraad.
   § 4. Gedurende de in de eerste paragraaf, eerste lid door de Koning vastgelegde periode, kan de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter, in afwijking van andersluidende bepalingen de beroepen en de vorderingen bedoeld in de artikelen 39/77, 39/77/1, 39/82, § 4, tweede lid, 39/84 en 39/85 zonder openbare terechtzitting behandelen, nadat alle partijen, hun nota met opmerkingen of hun aanvullende nota als bedoeld in artikel 39/76, § 1, tweede lid, hebben kunnen overmaken.
   Indien toepassing wordt gemaakt van het eerste lid, organiseert de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter via een beschikking het tijdskader voor de uitwisseling van de stukken. Hij voorziet hierbij ook een repliekmogelijkheid op de nota met opmerkingen.]1

  
Art. 39/83. [3 Sauf accord de l'intéressé, il ne sera procédé à l'exécution forcée de la mesure d'éloignement ou de refoulement dont l'étranger fait l'objet, qu'après l'expiration du délai de recours visé à l'article 39/57, § 1er, alinéa 3, ou, lorsque la demande de suspension en extrême urgence de l'exécution de cette mesure a été introduite dans ce délai, qu'après que le Conseil a rejeté la demande.]3
  
Art. 39/75. De hoofdgriffier of de door deze aangewezen griffier geeft onverwijld kennis van de beschikking waarbij de rechtsdag wordt bepaald aan de partijen in het geding.
§ 2. Les mesures provisoires.
Art. 39/76. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 175; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. [3 De geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken onderzoekt steeds of hij de bestreden beslissing kan bevestigen of hervormen [4 , behoudens wat de beslissing tot [5 niet-ontvankelijkheid betreft bedoeld in artikel 57/6, § 3, eerste lid]5]4. [5 ...]5
   De partijen kunnen hem tot de sluiting der debatten door middel van een aanvullende nota nieuwe elementen ter kennis brengen. Onverminderd het in artikel 39/60 bedoelde verbod, beperkt de aanvullende nota zich tot deze nieuwe elementen, op straffe van het uit de debatten weren van de aanvullende nota wat het overige betreft. Niet in de aanvullende nota vervatte nieuwe elementen worden ambtshalve uit de debatten geweerd.
   Indien de geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter van oordeel is dat de door de verzoekende of tussenkomende partij aangebrachte nieuwe elementen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor de erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor de subsidiaire bescherming, in de zin van artikel 48/4 en indien hij bovendien cumulatief vaststelt dat hij overeenkomstig artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, de bestreden beslissing moet vernietigen omdat hij niet kan komen tot bevestiging of hervorming van de bestreden beslissing zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen van deze nieuwe elementen, dan beveelt hij, naargelang het geval, hetzij ter terechtzitting, hetzij na de terechtzitting middels een bondig gemotiveerde beschikking, de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een onderzoek te doen van de door hem aangewezen nieuwe elementen en hem daarover schriftelijk verslag te doen binnen acht dagen na, naargelang het geval, de terechtzitting of de kennisgeving van de beschikking.
   Verzaakt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen uitdrukkelijk aan dit recht op onderzoek, of wordt het in het derde lid bedoelde schriftelijk verslag niet of laattijdig ingediend, dan wordt zonder verdere rechtspleging of terechtzitting, de bestreden beslissing vernietigd.
   Indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen tijdig een schriftelijk verslag heeft neergelegd, dan wordt dit door de griffie ter kennis gebracht aan de verzoekende of tussenkomende partij. Deze dient een replieknota in binnen acht dagen na de kennisgeving van het verslag.
   Indien de verzoekende of tussenkomende partij nalaat om binnen de in het vijfde lid bepaalde termijn van acht dagen een replieknota in te dienen, dan wordt zij geacht in te stemmen met het door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in zijn verslag ingenomen standpunt.
   Indien de geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter van oordeel is dat de door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen aangebrachte nieuwe elementen de kans aanzienlijk groter maken om zonder meer vast te stellen dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor de erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor de subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4, dan verzoekt hij, hetzij ter terechtzitting, hetzij na de terechtzitting middels een bondig gemotiveerde beschikking de verzoekende partij of de tussenkomende partij om binnen acht dagen haar bemerkingen mee te delen inzake de door hem aangewezen nieuwe elementen en het standpunt van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen omtrent de weerslag die deze nieuwe elementen hebben op de mogelijkheid tot de toekenning of het behoud van de hoedanigheid van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus.
   Indien de verzoekende of tussenkomende partij nalaat om binnen de in het zevende lid bepaalde termijn van acht dagen een replieknota in te dienen, dan wordt zij geacht in te stemmen met het door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in zijn nota of ter terechtzitting inzake de aangewezen nieuwe elementen ingenomen standpunt.
   Indien de geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter van oordeel is dat de door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen aangebrachte nieuwe elementen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor de erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor de subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 en indien hij bovendien cumulatief vaststelt dat hij overeenkomstig artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2° de bestreden beslissing moet vernietigen omdat hij niet kan komen tot bevestiging of hervorming van de bestreden beslissing zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen van deze nieuwe elementen, dan leidt deze vaststelling tot de vernietiging van rechtswege van de bestreden beslissing.]3

  § 2. Kan de geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken om de reden bepaald in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, de zaak niet ten gronde onderzoeken, dan motiveert hij dit in zijn beslissing en vernietigt hij de bestreden beslissing. In dit geval zendt de hoofdgriffier of de door deze aangewezen griffier de zaak onmiddellijk terug naar de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen.
  § 3. De geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken neemt een beslissing binnen de drie maanden na de ontvangst van het beroep [1 of, indien met toepassing van artikel 39/69, § 1, het verzoekschrift geregulariseerd werd, na ontvangst van de regularisatie]1 [2 , of indien een rolrecht dient te worden gekwijt, vanaf de inschrijving op de rol]2.
  Betreft het een beroep in een zaak die de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen overeenkomstig [5 artikel 57/6, § 2]5 met voorrang heeft behandeld, dan worden deze beroepen eveneens bij voorrang behandeld door de Raad. [5 ...]5
  [4 De geadieerde kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken die hij aanwijst, neemt een beslissing [5 binnen de twee maanden]5 na de ontvangst van het beroep tegen [5 de beslissingen tot niet-ontvankelijkheid van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bedoeld in artikel 57/6, § 3, eerste lid, of de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bedoeld in artikel 57/6/1, § 1, tweede en derde lid,]5 of, indien met toepassing van artikel 39/69, § 1, het verzoekschrift geregulariseerd werd, na ontvangst van de regularisatie, of, indien een rolrecht dient te worden gekwijt, vanaf de inschrijving op de rol.]4
  
Art. 39/84. Lorsque le Conseil est saisi d'une demande de suspension d'un acte conformément à l'article 39/82, il est seul compétent, au provisoire et dans les conditions prévues à l'article 39/82, § 2, alinéa 1er, pour ordonner toutes les mesures nécessaires à la sauvegarde des intérêts des parties ou des personnes qui ont intérêt à la solution de l'affaire, à l'exception des mesures qui ont trait à des droits civils.
  Ces mesures sont ordonnées, les parties entendues ou dûment convoquées, par arrêt motivé du président de la chambre compétente pour se prononcer au fond ou par le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne à cette fin.
  En cas d'extrême urgence, des mesures provisoires peuvent être ordonnées sans que les parties ou certaines d'entre elles aient été entendues.
  L'article 39/82, § 2, alinéa 2, s'applique aux arrêts prononcés en vertu du présent article.
  Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la procédure relative aux mesures visées par le présent article.
Art. 39/76 TOEKOMSTIG RECHT.    <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 175; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. [3 De geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken onderzoekt steeds of hij de bestreden beslissing kan bevestigen of hervormen [4 , behoudens wat de beslissing tot niet-inoverwegingneming betreft bedoeld in artikel 57/6/1, eerste lid, of in artikel 57/6/2, eerste lid]4. Hij kan zich hierbij inzonderheid steunen op de beoordelingsgronden bepaald in artikel 57/6/1, eerste tot derde lid.
   De partijen kunnen hem tot de sluiting der debatten door middel van een aanvullende nota nieuwe elementen ter kennis brengen. Onverminderd het in artikel 39/60 bedoelde verbod, beperkt de aanvullende nota zich tot deze nieuwe elementen, op straffe van het uit de debatten weren van de aanvullende nota wat het overige betreft. Niet in de aanvullende nota vervatte nieuwe elementen worden ambtshalve uit de debatten geweerd.
   Indien de geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter van oordeel is dat de door de verzoekende of tussenkomende partij aangebrachte nieuwe elementen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor de erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor de subsidiaire bescherming, in de zin van artikel 48/4 en indien hij bovendien cumulatief vaststelt dat hij overeenkomstig artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, de bestreden beslissing moet vernietigen omdat hij niet kan komen tot bevestiging of hervorming van de bestreden beslissing zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen van deze nieuwe elementen, dan beveelt hij, naargelang het geval, hetzij ter terechtzitting, hetzij na de terechtzitting middels een bondig gemotiveerde beschikking, de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een onderzoek te doen van de door hem aangewezen nieuwe elementen en hem daarover schriftelijk verslag te doen binnen acht dagen na, naargelang het geval, de terechtzitting of de kennisgeving van de beschikking.
   Verzaakt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen uitdrukkelijk aan dit recht op onderzoek, of wordt het in het derde lid bedoelde schriftelijk verslag niet of laattijdig ingediend, dan wordt zonder verdere rechtspleging of terechtzitting, de bestreden beslissing vernietigd.
   Indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen tijdig een schriftelijk verslag heeft neergelegd, dan wordt dit door de griffie ter kennis gebracht aan de verzoekende of tussenkomende partij. Deze dient een replieknota in binnen acht dagen na de kennisgeving van het verslag.
   Indien de verzoekende of tussenkomende partij nalaat om binnen de in het vijfde lid bepaalde termijn van acht dagen een replieknota in te dienen, dan wordt zij geacht in te stemmen met het door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in zijn verslag ingenomen standpunt.
   Indien de geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter van oordeel is dat de door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen aangebrachte nieuwe elementen de kans aanzienlijk groter maken om zonder meer vast te stellen dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor de erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor de subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4, dan verzoekt hij, hetzij ter terechtzitting, hetzij na de terechtzitting middels een bondig gemotiveerde beschikking de verzoekende partij of de tussenkomende partij om binnen acht dagen haar bemerkingen mee te delen inzake de door hem aangewezen nieuwe elementen en het standpunt van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen omtrent de weerslag die deze nieuwe elementen hebben op de mogelijkheid tot de toekenning of het behoud van de hoedanigheid van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus.
   Indien de verzoekende of tussenkomende partij nalaat om binnen de in het zevende lid bepaalde termijn van acht dagen een replieknota in te dienen, dan wordt zij geacht in te stemmen met het door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in zijn nota of ter terechtzitting inzake de aangewezen nieuwe elementen ingenomen standpunt.
   Indien de geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter van oordeel is dat de door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen aangebrachte nieuwe elementen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor de erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor de subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 en indien hij bovendien cumulatief vaststelt dat hij overeenkomstig artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2° de bestreden beslissing moet vernietigen omdat hij niet kan komen tot bevestiging of hervorming van de bestreden beslissing zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen van deze nieuwe elementen, dan leidt deze vaststelling tot de vernietiging van rechtswege van de bestreden beslissing.]3

  § 2. Kan de geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken om de reden bepaald in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2°, de zaak niet ten gronde onderzoeken, dan motiveert hij dit in zijn beslissing en vernietigt hij de bestreden beslissing. In dit geval zendt de hoofdgriffier of de door deze aangewezen griffier de zaak onmiddellijk terug naar de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen.
  § 3. De geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken neemt een beslissing binnen de drie maanden na de ontvangst van het beroep [1 of, indien met toepassing van artikel 39/69, § 1, het verzoekschrift geregulariseerd werd, na ontvangst van de regularisatie]1 [2 , of indien een rolrecht [5 of een bijdrage aan het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand]5 dient te worden gekwijt, vanaf de inschrijving op de rol]2.
  Betreft het een beroep in een zaak die de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen overeenkomstig artikel 52, § 5, (52/2, § 1 of § 2, 3° of 4°) met voorrang heeft behandeld, dan worden deze beroepen eveneens bij voorrang behandeld door de Raad. De in het eerste lid bepaalde termijn wordt ingekort tot twee maanden. <W 2006-12-27/33, art. 138, 4°, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  [4 De geadieerde kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken die hij aanwijst, neemt een beslissing binnen dertig dagen na de ontvangst van het beroep tegen de beslissing tot niet-inoverwegingneming van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bedoeld in artikel 57/6/1, eerste lid, of in artikel 57/6/2, eerste lid, of, indien met toepassing van artikel 39/69, § 1, het verzoekschrift geregulariseerd werd, na ontvangst van de regularisatie, of, indien een rolrecht [5 of een bijdrage aan het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand]5 dient te worden gekwijt, vanaf de inschrijving op de rol.]4
Art. 39/85. [2 § 1er. Lorsque l'étranger fait l'objet d'une mesure d'éloignement ou de refoulement dont l'exécution devient imminente, en particulier lorsqu'il est par la suite maintenu dans un lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou est mis à la disposition du gouvernement, l'étranger peut, par voie de mesures provisoires au sens de l'article 39/84, demander que le Conseil examine dans les meilleurs délais une demande de suspension ordinaire préalablement introduite, à condition qu'elle ait été inscrite au rôle et que le Conseil ne se soit pas encore prononcé à son égard. Cette demande de mesures provisoires doit être introduite dans le délai visé à l'article 39/57, § 1er, alinéa 3.
   Si la demande apparaît manifestement tardive, le président de la chambre saisie ou le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne l'indique dans son ordonnance et convoque sans délai les parties à comparaître dans les vingt-quatre heures de la réception de la demande.
   Le président de la chambre ou le juge au contentieux des étrangers procède à un examen attentif et rigoureux de tous les éléments de preuve portés à sa connaissance, en particulier ceux qui sont de nature à indiquer qu'il existe des motifs de croire que l'exécution de la décision attaquée exposerait le requérant au risque d'être soumis à la violation des droits fondamentaux de l'homme auxquels aucune dérogation n'est possible en vertu de l'article 15, alinéa 2, de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales.
   Sous peine d'irrecevabilité de la demande introduite par voie de mesures provisoires, tendant à l'examen de la demande de suspension de l'exécution d'un autre acte susceptible d'annulation en vertu de l'article 39/2, la mesure d'éloignement ou de refoulement, visée à l'alinéa 1er, doit, simultanément faire l'objet, selon le cas, d'une demande de mesures provisoires ou d'une demande de suspension d'extrême urgence de son exécution.
   Par dérogation aux alinéas qui précèdent, le président de la chambre saisie ou le juge au contentieux des étrangers qu'il désigne se prononce en priorité sur la recevabilité de la demande, au besoin sans convoquer les parties, lorsque les conditions suivantes sont réunies :
   1° il s'agit d'une deuxième mesure d'éloignement ou de refoulement, et
   2° la demande est manifestement tardive, et
   3° la demande est introduite moins de douze heures avant le moment prévu pour l'exécution de la mesure, et
   4° le requérant et, le cas échéant, son avocat sont informés au moins quarante-huit heures avant le moment prévu pour l'exécution de la mesure.
   S'il déclare la demande irrecevable, l'arrêt met fin à la procédure. S'il déclare la demande recevable, la procédure est poursuivie comme prévu aux §§ 2 à 4.
   § 2. La demande de mesures provisoires et la demande de suspension sont examinées conjointement et traitées dans les quarante-huit heures suivant la réception par le Conseil de la demande de mesures provisoires. Ce délai est toutefois étendu à cinq jours suivant celui de la réception par le Conseil de la demande de mesures provisoires, lorsque l'éloignement ou le refoulement effectif de l'étranger est prévu à une date ultérieure au délai de huit jours.
   Si le président de la chambre saisie ou le juge au contentieux des étrangers saisi ne se prononce pas dans le délai, il en avertit le premier président ou le président. Celui-ci prend les mesures nécessaires pour qu'une décision soit rendue, selon le cas, soit au plus tard septante-deux heures suivant la réception de la requête, soit, dans les meilleurs délais. Il peut dans les deux cas notamment évoquer l'affaire et statuer lui-même.
   § 3. Sans préjudice du § 1er, il ne peut, dès la réception de la demande de mesures provisoires, être procédé à l'exécution forcée de la mesure d'éloignement ou de refoulement jusqu'à ce que le Conseil se soit prononcé sur la demande introduite. Si la suspension n'a pas été accordée, l'exécution forcée de la mesure est à nouveau possible.
   § 4. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le contenu de la demande visée dans le présent article, la façon dont elle doit être introduite ainsi que la procédure.]2

  
Art. 39/76 TOEKOMSTIG RECHT.
TITRE II. - DISPOSITIONS COMPLEMENTAIRES ET DEROGATOIRES RELATIVES A CERTAINES CATEGORIES D'ETRANGERS.
Art. 39/77. § 1. Indien het een beroep betreft ingediend door een vreemdeling die zich bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in [2 de artikelen 74/8 en 74/9]2 of die ter beschikking is gesteld van de Regering, dan zendt de hoofdgriffier of de door hem aangewezen griffier onmiddellijk en ten laatste binnen de werkdag zijnde geen zaterdag, zondag of feestdag, na de ontvangst van het beroep [3 ...]3, een afschrift ervan aan de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Deze griffier verzoekt hem om het dossier ter griffie neer te leggen binnen de door hem gestelde termijn die ten hoogste drie werkdagen bedraagt, te rekenen vanaf de kennisgeving.
CHAPITRE I. - (Etrangers, citoyens de l'Union et membres de leur famille et étrangers, membres de la famille d'un Belge).
Art. 39/77. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 177; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. Indien het een beroep betreft ingediend door een vreemdeling die zich bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in [2 de artikelen 74/8 en 74/9]2 of die ter beschikking is gesteld van de Regering, dan zendt de hoofdgriffier of de door hem aangewezen griffier onmiddellijk en ten laatste binnen de werkdag zijnde geen zaterdag, zondag of feestdag, na de ontvangst van het beroep [3 ...]3, een afschrift ervan aan de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Deze griffier verzoekt hem om het dossier ter griffie neer te leggen binnen de door hem gestelde termijn die ten hoogste drie werkdagen bedraagt, te rekenen vanaf de kennisgeving.
  Bij de neerlegging van het administratief dossier of, indien geen is neergelegd binnen de gestelde termijn, stelt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter in vreemdelingenzaken dit beroep onmiddellijk vast en roept de partijen op om voor hem te verschijnen binnen ten hoogste vijf [1 werkdagen]1 volgend op de dag van de ontvangst van de dagstelling.
  De kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter kan de partijen bij beschikking eventueel op de welbepaalde plaats zoals bedoeld in [2 de artikelen 74/8 en 74/9]2 waar de vreemdeling zich bevindt of op de plaats waar hij ter beschikking gesteld wordt van de regering, oproepen, op de door hem bepaalde dag en uur, zelfs op zon- en feestdagen.
  De oproeping bepaalt de dag vanaf wanneer het administratief dossier ter griffie kan worden ingezien door de partijen en hun advocaat.
  Indien de verwerende partij het administratief dossier niet van te voren tijdig heeft overgezonden, overhandigt ze het ter terechtzitting aan de voorzitter die de nodige maatregelen neemt om aan de overige partijen in het geding de gelegenheid te geven er inzage van te nemen.
  § 2. De kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken beslist overeenkomstig artikel 39/76, §§ 1 en 2.
  De geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken neemt een beslissing binnen de vijf werkdagen die volgen op de sluiting van de debatten. Hij kan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing bevelen.
  § 3 Het aanhangige beroep ten aanzien van een vreemdeling die in de loop van de procedure wordt opgenomen in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in [2 de artikelen 74/8 en 74/9]2 of die ter beschikking is gesteld van de regering wordt van rechtswege afgehandeld volgens de versnelde procedure. Tenzij het beroep reeds is vastgesteld, verloopt in dat geval de procedure overeenkomstig dit artikel ongeacht de stand waarin die zich bevindt met dien verstande dat (de in § 1, tweede lid, bepaalde termijn) ten minste drie werkdagen bedraagt. <W 2006-12-27/33, art. 139, 2°, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  § 4. De overeenkomstig artikel 74/5, § 6 van rechtswege gelijkgestelde beslissing wordt behandeld overeenkomstig de in deze onderafdeling bepaalde versnelde procedure.
  
Art.40. <L 2007-04-25/49, art. 19, 046; En vigueur : 01-06-2008> § 1er. Sans préjudice de dispositions plus favorables contenues dans les lois ou les règlements européens dont le citoyen de l'Union pourrait se prévaloir, les dispositions ci-après lui sont applicables.
  § 2. Pour l'application de la présente loi, un citoyen de l'Union est un étranger qui possède la nationalité d'un Etat membre de l'Union européenne et qui séjourne ou se rend dans le Royaume.
  § 3. Tout citoyen de l'Union a le droit de séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois au maximum sans autres conditions ou formalités que celles mentionnées à l'article 41, alinéa 1er.
  § 4. Tout citoyen de l'Union a le droit de séjourner dans le Royaume pour une période de plus de trois mois s'il remplit la condition prévue à l'article 41, alinéa 1er et :
  1° s'il est un travailleur salarié ou non salarié dans le Royaume ou s'il entre dans le Royaume pour chercher un emploi, tant qu'il est en mesure de faire la preuve qu'il continue à chercher un emploi et qu'il a des chances réelles d'être engagé;
  2° ou s'il dispose pour lui-même de ressources suffisantes afin de ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour, et d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques dans le Royaume;
  3° ou s'il est inscrit dans un établissement d'enseignement organise, reconnu ou subsidié pour y suivre à titre principal des études, en ce compris une formation professionnelle, et s'il dispose d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques dans le Royaume et assure par déclaration ou par tout autre moyen équivalent de son choix, qu'il dispose de ressources suffisantes afin de ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour.
  Les ressources suffisantes visées à l'alinéa 1er, 2° et 3°, doivent au moins correspondre au niveau de revenus sous lequel la personne concernée peut bénéficier d'une aide sociale. Dans le cadre de l'évaluation des ressources, il est tenu compte de la situation personnelle du citoyen de l'Union, qui englobe notamment la nature et la régularité de ses revenus et le nombre de membres de la famille qui sont à sa charge.
  Le Roi fixe les cas dans lesquels le citoyen de l'Union est considéré comme remplissant la condition de ressources suffisantes visée à l'alinéa 1er, 2°.
Art. 39/77/1. [1 § 1. Indien het een beroep [3 tegen de in artikel 57/6/2, § 1, bedoelde beslissing tot niet-ontvankelijkheid]3 betreft, ingediend door een vreemdeling die zich bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of die ter beschikking is gesteld van de regering, zendt de hoofdgriffier of de door hem aangewezen griffier onmiddellijk en ten laatste binnen de werkdag, zijnde geen zaterdag, zondag of feestdag, na de ontvangst van het beroep [2 ...]2, een afschrift ervan aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Deze griffier verzoekt hem om het dossier ter griffie neer te leggen binnen de door hem gestelde termijn die ten hoogste twee werkdagen bedraagt, te rekenen vanaf de kennisgeving.
   Onmiddellijk en ten laatste binnen de werkdag, zijnde geen zaterdag, zondag of feestdag, na de ontvangst van het beroep [2 ...]2, stelt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter in vreemdelingenzaken dit beroep vast en roept de partijen op om voor hem te verschijnen binnen ten hoogste drie werkdagen volgend op de dag van de ontvangst van de dagstelling.
   De kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter kan de partijen bij beschikking eventueel op de welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 waar de vreemdeling zich bevindt of op de plaats waar hij ter beschikking gesteld wordt van de regering, oproepen, op de door hem bepaalde dag en uur, zelfs op zon- en feestdagen.
   De oproeping bepaalt de dag vanaf wanneer het administratief dossier ter griffie kan worden ingezien door de partijen en hun advocaat.
   Indien de verwerende partij het administratief dossier niet van te voren tijdig heeft overgezonden, overhandigt ze het ter terechtzitting aan de voorzitter die de nodige maatregelen neemt om aan de overige partijen in het geding de gelegenheid te geven er inzage van te nemen.
   § 2. De kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken beslist overeenkomstig artikel 39/76, §§ 1 en 2.
   De geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken neemt een beslissing [3 binnen de vijf werkdagen]3 die volgen op de sluiting van de debatten. Hij kan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing bevelen.
   § 3. Het aanhangige beroep ten aanzien van een vreemdeling die in de loop van de procedure wordt opgenomen in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of die ter beschikking is gesteld van de regering, wordt van rechtswege afgehandeld volgens deze versnelde procedure. Tenzij het beroep reeds is vastgesteld, verloopt in dat geval de procedure overeenkomstig dit artikel ongeacht de stand waarin die zich bevindt met dien verstande dat de in § 1, tweede lid, bepaalde termijn ten minste drie werkdagen bedraagt.]1

  
Art. 40bis. [1 § 1er. Sans préjudice de dispositions plus favorables contenues dans les lois ou les règlements européens dont les membres de famille du citoyen de l'Union pourraient se prévaloir, les dispositions ci-après leur sont applicables.
   § 2. Sont considérés comme membres de famille du citoyen de l'Union :
   1° le conjoint ou l'étranger avec lequel il est lié par un partenariat enregistré considéré comme équivalent à un mariage en Belgique, qui l'accompagne ou le rejoint;
   2° le partenaire auquel le citoyen de l'Union est lié par un partenariat enregistré conformément à une loi, et qui l'accompagne ou le rejoint.
   Les partenaires doivent répondre aux conditions suivantes :
   a) prouver qu'ils entretiennent une relation de partenariat durable et stable dûment établie.
   Le caractère durable et stable de cette relation est démontré :
   - si les partenaires prouvent qu'ils ont cohabité en Belgique ou dans un autre pays de manière ininterrompue pendant au moins un an avant la demande;
   - ou bien si les partenaires prouvent qu'ils se connaissent depuis au moins deux ans précédant la demande et qu'ils fournissent la preuve qu'ils ont entretenu des contacts réguliers par téléphone, par courrier ordinaire ou électronique, et qu'ils se sont rencontrés trois fois durant les deux années précédant la demande et que ces rencontres comportent au total 45 jours ou davantage;
   - ou bien si les partenaires ont un enfant commun;
   b) venir vivre ensemble;
   c) [3 être tous les deux âgés de plus de vingt et un ans. L'âge minimum des partenaires est ramené à dix-huit ans lorsqu'ils apportent la preuve d'une cohabitation d'au moins un an avant l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume;]3
   d) être célibataires et ne pas avoir une relation de partenariat durable et stable avec une autre personne;
   e) ne pas être une des personnes visées aux articles 161 à 163 du Code civil;
   f) [3 n'avoir fait ni l'un ni l'autre l'objet d'une décision définitive de refus de célébration du mariage sur la base de l'article 167 du Code civil.]3
   3° [4 les descendants directs ainsi que ceux du conjoint ou du partenaire visé au 1° ou 2°, âgés de moins de vingt et un ans ou qui sont à leur charge dans le pays d'origine ou de provenance, qui les accompagnent ou les rejoignent, pour autant que l'étranger rejoint, son conjoint ou le partenaire enregistré visé en ait le droit de garde et, en cas de garde partagée, à la condition que l'autre titulaire du droit de garde ait donné son accord;]4
   4° [4 les ascendants directs ainsi que ceux du conjoint ou du partenaire visé au 1° ou 2°, qui sont à leur charge dans le pays d'origine ou de provenance et qui les accompagnent ou les rejoignent;]4
  [2 [4 les ascendants directs au premier degré qui exercent l'autorité parentale y compris le droit de garde sur un citoyen de l'Union mineur visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 2°, dans la mesure où ils accompagnent le citoyen de l'Union mineur sur le territoire belge et s'en occupent effectivement.]4]2
   Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les cas dans lesquels un partenariat enregistré sur la base d'une loi étrangère doit être considéré comme équivalent à un mariage en Belgique.
   § 3. Les membres de famille visés au § 2 qui sont citoyens de l'Union ont le droit d'accompagner ou de rejoindre le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 3, pour autant qu'ils remplissent la condition énoncée à l'article 41, alinéa 1er. Les membres de famille qui ne sont pas citoyens de l'Union doivent remplir la condition fixée à l'article 41, alinéa 2.
   § 4. [4 Les membres de la famille visés au § 2 ont le droit d'accompagner ou de rejoindre le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 1° et 2°, pour une période de plus de trois mois, pour autant qu'ils remplissent, selon le cas, les conditions visées à l'article 41, §§ 1er ou 2.]4
   [4 Le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 2° et 3°,]4 doit également apporter la preuve qu'il dispose de ressources suffisantes afin que les membres de sa famille visés au § 2 ne deviennent pas une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de leur séjour, et d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques pour les membres de sa famille dans le Royaume. Dans le cadre de l'évaluation des ressources, il est tenu compte de la situation personnelle du citoyen de l'Union, qui englobe notamment la nature et la régularité de ses revenus et le nombre de membres de la famille qui sont à sa charge.
  [4 Le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 3°, ne peut être accompagné ou rejoint que par les membres de la famille visés au § 2, alinéa 1er, 1° et 2°, ainsi que par ses enfants ou par les enfants de son conjoint ou partenaire pour autant que l'étranger rejoint, son conjoint ou son partenaire dispose de l'autorité parentale, y compris le droit de garde, et que les enfants sont à sa charge, à celle de son conjoint ou de son partenaire et pour autant qu'ils remplissent, le cas échéant, les conditions visées à l'article 41, §§ 1er ou 2.]4]1
.
  [2 [4 Le membre de la famille visé au § 2, alinéa 1er, 5°, pour autant que le citoyen de l'Union mineur ne dispose pas encore d'un droit de séjour permanent tel que visé à l'article 42quinquies, § 1er, doit apporter la preuve qu'il dispose de ressources suffisantes pour subvenir à ses propres besoins et à ceux de son enfant, citoyen de l'Union, afin de ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume, et d'une assurance maladie couvrant tous les risques en Belgique.]4 Dans le cadre de l'évaluation des ressources, il est tenu compte notamment de leur nature et de leur régularité.]2
  (NOTE : par son arrêt n° 121/2013 du 26-09-2013, la Cour constitutionnelle a annulé l'article 40bis,§2,alinéa 1,2°,c et 40bis,§2,alinéa 2).
  
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 40ter.[1 § 1er. Est considéré comme un Belge ayant fait usage de son droit de libre circulation et de séjour: le Belge qui, après avoir séjourné effectivement dans un autre Etat membre de l'Union européenne conformément à l'article 21 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, revient s'établir sur le territoire du Royaume.
Art. 39/78. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 179; Inwerkingtreding : 01-12-2006> Het beroep wordt ingediend op de wijze bepaald in artikel 39/69 met dien verstande dat [1 , behoudens in de in artikel 51/4, § 3 voorziene gevallen,]1 het bepaalde in artikel 39/69, § 1 tweede lid, [1 ...]1 6° geen toepassing vindt.
  Onverminderd het bepaalde in artikel 39/69, § 1, derde lid, worden niet op de rol geplaatst, vorderingen waarvoor een recht is vereist dat niet is betaald.
  
Art.41. [1 § 1er. Le droit d'entrée est reconnu au citoyen de l'Union sur présentation d'une carte d'identité ou d'un passeport, en cours de validité ou s'il peut faire constater ou prouver d'une autre façon sa qualité de bénéficiaire du droit de circuler ou de séjourner librement.
   Lorsque le citoyen de l'Union ne dispose pas des documents requis, le ministre ou son délégué lui accorde tous les moyens raisonnables afin de lui permettre d'obtenir ou de se procurer, dans un délai raisonnable, les documents requis ou de faire confirmer ou prouver par d'autres moyens sa qualité de bénéficiaire du droit de circuler et de séjourner librement, avant de procéder à son refoulement.
   § 2. Le droit d'entrée est reconnu aux membres de la famille d'un citoyen de l'Union visés à l'article 40bis, § 2, qui ne sont pas citoyens de l'Union sur présentation d'un passeport en cours de validité revêtu, le cas échéant, d'un visa d'entrée en cours de validité, conformément au [2 règlement (UE) 2018/1806 du Parlement européen et du Conseil du 14 novembre 2018 fixant la liste des pays tiers dont les ressortissants sont soumis à l'obligation de visa pour franchir les frontières extérieures des Etats membres et la liste de ceux dont les ressortissants sont exemptés de cette obligation]2.
   Le Roi détermine les modalités de délivrance du visa.
   La possession d'une carte de séjour de membre de la famille d'un citoyen de l'Union ou d'une carte de séjour permanent de membre de la famille d'un citoyen de l'Union, délivrée sur la base de la Directive 2004/38/CE du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relative au droit des citoyens de l'Union et des membres de leurs familles de circuler et de séjourner librement sur le territoire des Etats membres, dispense le membre de la famille de l'obligation d'obtenir le visa d'entrée visé à l'alinéa 1er.
   Lorsque le membre de la famille d'un citoyen de l'Union ne dispose pas des documents requis, le ministre ou son délégué lui accorde tous les moyens raisonnables afin de lui permettre d'obtenir ou de se procurer, dans un délai raisonnable, les documents requis ou de faire confirmer ou prouver par d'autres moyens sa qualité de bénéficiaire du droit de circuler et de séjourner librement, avant de procéder à son refoulement.
   § 3. Le titulaire d'une carte d'identité ou d'un passeport délivré par les autorités belges, est admis sans formalité sur le territoire du Royaume même si sa nationalité est contestée ou si ce document est périmé.
   § 4. Lorsque le citoyen de l'Union n'est pas en possession d'une carte d'identité ou d'un passeport national, en cours de validité, ou lorsque le membre de famille d'un citoyen de l'Union, qui n'est pas citoyen de l'Union, n'est pas en possession d'un passeport national en cours de validité revêtu, le cas échéant, d'un visa d'entrée conformément au [2 règlement (UE) 2018/1806]2 précité, en cours de validité, le ministre ou son délégué peut lui infliger une amende administrative de 200 euros. Cette amende est perçue conformément à l'article 42octies.]1

  
Art. 39/79. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 180; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. [1 Onder voorbehoud van paragraaf 3 en behalve mits toestemming van betrokkene,]1 kan tijdens de voor het indienen van het beroep vastgestelde termijn en tijdens het onderzoek van dit beroep, gericht tegen de in het tweede lid bepaalde beslissingen, ten aanzien van de vreemdeling geen enkele maatregel tot verwijdering van het grondgebied gedwongen worden uitgevoerd en mogen geen zodanige maatregelen ten opzichte van de vreemdeling worden genomen wegens feiten die aanleiding hebben gegeven tot de beslissing waartegen dat beroep is ingediend.
  De in het eerste lid bedoelde beslissingen zijn :
  1° de beslissing tot weigering van de machtiging tot verblijf van de in artikel 10 bis bedoelde vreemdelingen, op voorwaarde dat de vreemdeling die vervoegd werd, nog steeds in het Rijk verblijft, niet langer in het Rijk verblijft dan de beperkte duur van zijn machtiging tot verblijf of niet het voorwerp uitmaakt van een bevel om het grondgebied te verlaten;
  2° de beslissing tot weigering van de erkenning van het recht op verblijf of die een einde maakt aan het recht op verblijf, genomen in toepassing van (artikel 11, § 1 of 2); <W 2006-12-27/33, art. 140 , 2°, 043; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  3° het bevel om het grondgebied te verlaten, afgeleverd [3 aan de in artikel 10bis, §§ 2, 2/1 of 3, bedoelde familieleden]3 op basis van artikel 13, § 4, eerste lid, of aan de in artikel 10bis, § 1, bedoelde familieleden, om dezelfde redenen, op voorwaarde dat de vreemdeling die vervoegd werd, nog steeds in het Rijk verblijft, niet langer in het Rijk verblijft dan de beperkte duur van zijn machtiging tot verblijf of niet het voorwerp uitmaakt van een bevel om het grondgebied te verlaten"; <W 2007-05-04/34, art. 3, 1°, 047; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  4° [1 ...]1
  5° het verwerpen van een aanvraag om machtiging tot vestiging (of de status van langdurig ingezetene); <W 2007-05-04/34, art. 3, 2°, 047; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  6° [1 ...]1
  7° elke beslissing tot weigering van erkenning van een verblijfsrecht aan (een burger van de Unie of zijn familielid bedoeld in artikel 40bis) op grond van toepasselijke Europese regelgeving alsmede iedere beslissing waarbij een einde gemaakt wordt aan het verblijf van (een burger van de Unie of zijn familielid bedoeld, in artikel 40bis) (...); <W 2007-05-04/34, art. 3, 3°, 047; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  8° (elke beslissing tot weigering van een erkenning van het verblijfsrecht van een vreemdeling bedoeld in artikel 40ter;) <W 2007-05-04/34, art. 3, 4°, 047; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  9° [2 ...]2
  § 2. De EU-vreemdeling zal bij een betwisting bedoeld in ( § 1, tweede lid, 7° en 8°) desgevallend gemachtigd worden door de Minister of zijn gemachtigde om zijn verdediging in persoon te voeren, behalve wanneer zijn verschijning kan leiden tot ernstige verstoring van de openbare orde of de openbare veiligheid of wanneer het beroep betrekking heeft op een weigering van de toegang tot het grondgebied. <W 2006-12-27/33, art. 140, 3°, 043; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Deze bepaling is eveneens van toepassing voor de Raad van State, optredend als cassatierechter tegen een uitspraak van de Raad.
  [1 § 3. Dit artikel is niet van toepassing wanneer de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde beslissingen steunen op dwingende redenen van nationale veiligheid.]1
  
Art. 41bis. < En vigueur : 01-06-2008>> Le citoyen de l'Union qui vient en Belgique pour un séjour n'excédant pas trois mois et les membres de sa famille qui l'accompagnent ou le rejoignent, qui ne logent pas dans une maison d'hébergement soumise à la législation relative au contrôle des voyageurs, sont tenus de signaler leur présence sur le territoire à l'administration communale du lieu où ils résident dans les dix jours ouvrables de leur entrée dans le Royaume, à moins qu'ils n'appartiennent à l'une des catégories d'étrangers que le Roi a dispensées de cette obligation.   Le Roi détermine le modèle de l'attestation qui est délivrée en tant que preuve de cette déclaration de présence. Si la présence n'est pas signalée dans le délai prévu à l'alinéa 1er, le ministre ou son délégué peut infliger une amende administrative de 200 euros. Cette amende est perçue conformément à l'article 42octies.  Art. 41bis DROIT FUTUR.1 § 1er. Le citoyen de l'Union qui vient en Belgique pour un séjour n'excédant pas trois mois et les membres de sa famille qui l'accompagnent ou le rejoignent, qui ne logent pas dans une maison d'hébergement soumise à la législation relative au contrôle des voyageurs, communiquent leur adresse de résidence dans les dix jours ouvrables de leur entrée dans le Royaume, soit par voie électronique à l'Office des étrangers, soit en personne auprès de l'administration communale de leur lieu de résidence. Le Roi peut dispenser certaines catégories d'étrangers de cette obligation.
   Le Roi détermine les modalités de notification à l'Office des étrangers, ainsi que les modalités de notification à l'administration communale et le modèle de l'attestation faisant foi de celle-ci. Quand l'administration communale délivre à l'étranger une telle attestation comme preuve de la notification, elle communique les données à caractère personnel qui y sont contenues à l'Office des étrangers.
   § 2. L'Office des étrangers peut traiter les données à caractère personnel obtenues conformément au paragraphe 1er pour les finalités mentionnées dans l'article 2/2, § 1er, alinéa 1er, 2°, et notamment en vue de l'application des articles 44ter et 44septies.
   La durée de conservation administrative de ces données par l'Office des étrangers ou par la commune est de cinq ans. Leur destination finale est déterminée conformément à l'article 5 de la loi du 24 juin 1955 relative aux archives.]1  
Art. 39/79. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 180; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. [1 Onder voorbehoud van paragraaf 3 en behalve mits toestemming van betrokkene,]1 kan tijdens de voor het indienen van het beroep vastgestelde termijn en tijdens het onderzoek van dit beroep, gericht tegen de in het tweede lid bepaalde beslissingen, ten aanzien van de vreemdeling geen enkele maatregel tot verwijdering van het grondgebied gedwongen worden uitgevoerd en mogen geen zodanige maatregelen ten opzichte van de vreemdeling worden genomen wegens feiten die aanleiding hebben gegeven tot de beslissing waartegen dat beroep is ingediend.
  De in het eerste lid bedoelde beslissingen zijn :
  1° de beslissing tot weigering van de machtiging tot verblijf van de in artikel 10 bis bedoelde vreemdelingen, op voorwaarde dat de vreemdeling die vervoegd werd, nog steeds in het Rijk verblijft, niet langer in het Rijk verblijft dan de beperkte duur van zijn machtiging tot verblijf of niet het voorwerp uitmaakt van een bevel om het grondgebied te verlaten;
  2° de beslissing tot weigering van de erkenning van het recht op verblijf of die een einde maakt aan het recht op verblijf, genomen in toepassing van (artikel 11, § 1 of 2); <W 2006-12-27/33, art. 140 , 2°, 043; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  3° het bevel om het grondgebied te verlaten, afgeleverd [3 aan de in artikel 10bis, §§ 2, 2/1 of 3, bedoelde familieleden]3 op basis van artikel 13, § 4, eerste lid, of aan de in artikel 10bis, § 1, bedoelde familieleden, om dezelfde redenen, op voorwaarde dat de vreemdeling die vervoegd werd, nog steeds in het Rijk verblijft, niet langer in het Rijk verblijft dan de beperkte duur van zijn machtiging tot verblijf of niet het voorwerp uitmaakt van een bevel om het grondgebied te verlaten"; <W 2007-05-04/34, art. 3, 1°, 047; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  4° [1 ...]1
  5° het verwerpen van een aanvraag om machtiging tot vestiging (of de status van langdurig ingezetene); <W 2007-05-04/34, art. 3, 2°, 047; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  6° [1 ...]1
  7° elke beslissing tot weigering van erkenning van een verblijfsrecht aan (een burger van de Unie of zijn familielid bedoeld in artikel 40bis) op grond van toepasselijke Europese regelgeving alsmede iedere beslissing waarbij een einde gemaakt wordt aan het verblijf van (een burger van de Unie of zijn familielid bedoeld, in artikel 40bis) (...); <W 2007-05-04/34, art. 3, 3°, 047; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  8° (elke beslissing tot weigering van een erkenning van het verblijfsrecht van een vreemdeling bedoeld in artikel 40ter;) <W 2007-05-04/34, art. 3, 4°, 047; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  9° [2 ...]2
  § 2. De EU-vreemdeling zal bij een betwisting bedoeld in ( § 1, tweede lid, 7° en 8°) desgevallend gemachtigd worden door de Minister of zijn gemachtigde om zijn verdediging in persoon te voeren, behalve wanneer zijn verschijning kan leiden tot ernstige verstoring van de openbare orde of de openbare veiligheid of wanneer het beroep betrekking heeft op een weigering van de toegang tot het grondgebied. <W 2006-12-27/33, art. 140, 3°, 043; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Deze bepaling is eveneens van toepassing voor de Raad van State, optredend als cassatierechter tegen een uitspraak van de Raad.
  [1 § 3. Dit artikel is niet van toepassing wanneer de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde beslissingen steunen op dwingende redenen van nationale veiligheid.]1
  
Art. 41ter. § 1er. Sauf en ce qui concerne le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 1°, le ministre ou son délégué peut mettre fin au droit de séjour du citoyen de l'Union qui lui est reconnu sur la base de l'article 40, § 3, lorsqu'il constitue une charge déraisonnable pour le système d'aide sociale du Royaume.
  § 2. Sauf en ce qui concerne le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 1° et les membres de sa famille, le ministre ou son délégué peut mettre fin au droit de séjour du citoyen de l'Union qui lui est reconnu sur la base de l'article 40, § 3, et au droit de séjour des membres de sa famille qui leur est reconnu sur la base de l'article 40bis, § 3, lorsque ceux-ci constituent une charge déraisonnable pour le système d'aide sociale du Royaume.
Art. 39/80. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 181; Inwerkingtreding : 01-12-2006> Indien een beroep tot nietigverklaring van een beslissing tot toegang of tot verblijf samenhangt met een beroep tegen een beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, heeft de behandeling van het laatstgenoemde beroep voorrang. In voorkomend geval kan de Raad evenwel in het belang van een goede rechtsbedeling beslissen dat hetzij beide beroepen samen worden behandeld en afgedaan, hetzij beslissen dat het onderzoek van het beroep tot nietigverklaring wordt opgeschort totdat een definitieve beslissing over het beroep in volle rechtsmacht is genomen.
Art.42. <L 2007-04-25/49, art. 25, 046; En vigueur : 01-06-2008> § 1er. [1 Le droit de séjour de plus de trois mois dans le Royaume est reconnu le plus rapidement possible et au plus tard six mois après la date de la demande telle que prévue au § 4, alinéa 2, au citoyen de l'Union et aux membres de sa famille qui sont dans les conditions et pour la durée déterminées par le Roi, conformément aux règlements et directives européens. La reconnaissance tient compte de l'ensemble des éléments du dossier.
   [2 S'il n'est pas satisfait à la condition relative au caractère suffisant des ressources visée aux articles 40bis, § 4, alinéa 2 et 40ter, § 2, alinéa 2, 1°,]2 le ministre ou son délégué doit déterminer, en fonction des besoins propres du citoyen de l'Union rejoint et des membres de sa famille, les moyens de subsistance nécessaires pour permettre de subvenir à leurs besoins sans devenir une charge pour les pouvoirs publics.[3 A cette fin, l'étranger fournit, au moment de l'introduction de la demande, tous les documents et renseignements utiles pour déterminer ce montant. Le ministre ou son délégué tient compte, lors de son évaluation, de toutes les preuves valables qui sont produites à cet effet par l'étranger. Le Roi peut déterminer quels documents peuvent, le cas échéant, être produits pour l'évaluation des besoins]3.]1

  § 2. Le droit de séjour de plus de trois mois des citoyens de l'Union est constaté par une déclaration d'inscription. Ils sont inscrits, selon le cas, dans le registre des étrangers ou dans le registre de la population.
  § 3. Le droit de séjour des membres de famille du citoyen de l'Union, qui ne sont pas eux-mêmes citoyens de l'Union, est constaté par un titre de séjour. Ils sont inscrits au registre des étrangers. La durée de validité du titre de séjour est égale à la durée prévue du séjour du citoyen de l'Union qu'ils accompagnent ou rejoignent, et n'excède pas cinq ans à partir de la date de sa délivrance.
  § 4. La déclaration d'inscription et le titre de séjour sont délivrés selon les modalités fixées par le Roi, conformément aux règlements et directives européens.
  Ils doivent être demandes au plus tard à l'expiration de la période de trois mois suivant la date d'entrée, auprès de l'administration communale du lieu de leur résidence. Lorsqu'à l'expiration de cette période, aucune déclaration d'inscription ou aucun titre de séjour n'a été demandé, le ministre ou son délégué peut infliger une amende administrative de 200 euros. Cette amende est perçue conformément à l'article 42octies.
  
Art. 39/81. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 183; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De annulatieprocedure verloopt op dezelfde wijze als bepaald in de artikelen :
  - 39/71;
  - [1 ...]1;
  - 39/73, § 1, [2 ...]2; (NOTA : bij arrest nr 88/2012 van 12-07-2012 (nog niet gepubliceerd in het B.St.), heeft het Grondwettelijk Hof de woorden in cursief vernietigd)
  [2 - 39/73-1;]2
  [10 - 39/73-2;
   - 39/73-3;]10

  - 39/74;
  - 39/75;
  - [3 39/76, § 3, eerste lid [9 ...]9;]3
  - (39/77, § 1, derde lid). <W 2007-05-04/34, art. 4, 1°, 047; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  [1 De verwerende partij bezorgt de griffier, binnen acht dagen na de kennisgeving van het beroep, het administratief dossier, waarbij ze een nota met opmerkingen kan voegen.]1 [10 ...]10
  [2 [4 In afwijking van het eerste lid en [10 indien de artikelen 39/73, 39/73-2 of 39/73-3 niet worden toegepast,]10 [7 noch de in artikel 39/68 bedoelde bijzondere procedureregels]7, zendt de griffie zodra het nuttig is, desgevallend een afschrift van de nota met opmerkingen aan de verzoekende partij en stelt deze tevens in kennis van de neerlegging ter griffie van het administratief dossier.
   De verzoekende partij beschikt, te rekenen vanaf de in het derde lid bedoelde kennisgeving, over een termijn van acht dagen om de griffie in kennis te stellen of zij al dan niet een synthesememorie wenst neer te leggen. Indien de verzoekende partij geen kennisgeving heeft ingediend binnen deze termijn, doet de Raad nadat de partijen die daarom verzocht hebben gehoord zijn, onverwijld uitspraak, waarbij het ontbreken van het vereiste belang wordt vastgesteld.
   Indien de verzoekende partij tijdig een kennisgeving heeft ingediend dat zij een synthesememorie wenst neer te leggen, beschikt zij, te rekenen vanaf de in het derde lid bedoelde kennisgeving, over een termijn van vijftien dagen om een synthesememorie neer te leggen waarin alle aangevoerde middelen worden samengevat.
   Indien de verzoekende partij geen synthesememorie, zoals bedoeld in het vijfde lid, heeft ingediend, doet de Raad nadat de partijen die daarom verzocht hebben gehoord zijn, onverwijld uitspraak, waarbij het ontbreken van het vereiste belang wordt vastgesteld.
   Indien de verzoekende partij een synthesememorie, zoals bedoeld in het vijfde lid, heeft ingediend binnen de voorziene termijn, doet de Raad uitspraak op basis van de synthesememorie behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft en zonder afbreuk te doen aan artikel 39/60.
  [10 ...]10
  
Art. 42bis. § 1er. Le ministre ou son délégué peut mettre fin au droit de séjour du citoyen de l'Union lorsqu'il ne satisfait plus aux conditions fixées à l'article 40, § 4, et à l'article 40bis, § 4, alinéa 2, ou, dans les cas vises à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 2° et 3°, lorsqu'il constitue une charge déraisonnable pour le système d'aide sociale du Royaume. Le ministre ou son délégué peut, si nécessaire, vérifier si les conditions pour l'exercice du droit de séjour sont respectées.
  [1 Pour l'application de l'alinéa 1er, afin de déterminer si le citoyen de l'Union constitue une charge déraisonnable pour le système d'aide sociale du Royaume, il est tenu compte du caractère temporaire ou non de ses difficultés, de la durée de son séjour dans le Royaume, de sa situation personnelle et du montant de l'aide qui lui est accordée.
   Lors de la décision de mettre fin au séjour, le ministre ou son délégué tient compte de la durée du séjour de l'intéressé dans le Royaume, de son âge, de son état de santé, de sa situation familiale et économique, de son intégration sociale et culturelle dans le Royaume et de l'intensité de ses liens avec son pays d'origine.]1

  § 2. Un citoyen de l'Union conserve cependant le droit de séjour prévu à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 1°, dans les cas suivants :
  1° s'il a été frappé par une incapacité de travail temporaire résultant d'une maladie ou d'un accident;
  2° s'il se trouve en chômage involontaire dûment constaté après avoir été employé au moins un an et s'est fait enregistrer en qualité de demandeur d'emploi auprès du service de l'emploi compétent;
  3° s'il se trouve en chômage involontaire dûment constaté à la fin de son contrat de travail à durée déterminée inférieure à un an ou après avoir été involontairement au chômage pendant les douze premiers mois et s'est fait enregistrer en qualité de demandeur d'emploi auprès du service de l'emploi compétent. Dans ce cas, il conserve le statut de travailleur pendant au moins six mois;
  4° s'il entreprend une formation professionnelle. A moins que l'intéressé ne se trouve en situation de chômage involontaire, le maintien de la qualité de travailleur suppose qu'il existe une relation entre la formation et l'activité professionnelle antérieure.
  
Art. 39/81. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 183; Inwerkingtreding : 01-12-2006> De annulatieprocedure verloopt op dezelfde wijze als bepaald in de artikelen :
  - 39/71;
  - [1 ...]1;
  - 39/73, § 1, [2 ...]2; (NOTA : bij arrest nr 88/2012 van 12-07-2012 (nog niet gepubliceerd in het B.St.), heeft het Grondwettelijk Hof de woorden in cursief vernietigd)
  [2 - 39/73-1;]2
  [10 - 39/73-2;
   - 39/73-3;]10

  - 39/74;
  - 39/75;
  - [3 39/76, § 3, eerste lid [9 ...]9;]3
  - (39/77, § 1, derde lid). <W 2007-05-04/34, art. 4, 1°, 047; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  [1 De verwerende partij bezorgt de griffier, binnen acht dagen na de kennisgeving van het beroep, het administratief dossier, waarbij ze een nota met opmerkingen kan voegen.]1 [10 ...]10
  [2 [4 In afwijking van het eerste lid en [10 indien de artikelen 39/73, 39/73-2 of 39/73-3 niet worden toegepast,]10 [7 noch de in artikel 39/68 bedoelde bijzondere procedureregels]7, zendt de griffie zodra het nuttig is, desgevallend een afschrift van de nota met opmerkingen aan de verzoekende partij en stelt deze tevens in kennis van de neerlegging ter griffie van het administratief dossier.
   De verzoekende partij beschikt, te rekenen vanaf de in het derde lid bedoelde kennisgeving, over een termijn van acht dagen om de griffie in kennis te stellen of zij al dan niet een synthesememorie wenst neer te leggen. Indien de verzoekende partij geen kennisgeving heeft ingediend binnen deze termijn, doet de Raad nadat de partijen die daarom verzocht hebben gehoord zijn, onverwijld uitspraak, waarbij het ontbreken van het vereiste belang wordt vastgesteld.
   Indien de verzoekende partij tijdig een kennisgeving heeft ingediend dat zij een synthesememorie wenst neer te leggen, beschikt zij, te rekenen vanaf de in het derde lid bedoelde kennisgeving, over een termijn van vijftien dagen om een synthesememorie neer te leggen waarin alle aangevoerde middelen worden samengevat.
   Indien de verzoekende partij geen synthesememorie, zoals bedoeld in het vijfde lid, heeft ingediend, doet de Raad nadat de partijen die daarom verzocht hebben gehoord zijn, onverwijld uitspraak, waarbij het ontbreken van het vereiste belang wordt vastgesteld.
   Indien de verzoekende partij een synthesememorie, zoals bedoeld in het vijfde lid, heeft ingediend binnen de voorziene termijn, doet de Raad uitspraak op basis van de synthesememorie behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft en zonder afbreuk te doen aan artikel 39/60.
  [10 ...]10
  
Art. 42ter. [1 § 1er. A moins que les membres de famille d'un citoyen de l'Union qui sont eux-mêmes citoyens de l'Union, bénéficient eux-mêmes d'un droit de séjour tel que visé à l'article 40, § 4, ou satisfassent à nouveau aux conditions visées à l'article 40bis, § 2, le ministre ou son délégué peut mettre fin à leur droit de séjour [2 dans les cinq années]2 suivant la reconnaissance de leur droit de séjour en tant que membre de la famille du citoyen de l'Union, dans les cas suivants :
   1° il est mis fin au droit de séjour du citoyen de l'Union qu'ils ont accompagné ou rejoint;
   2° le citoyen de l'Union qu'ils ont accompagné ou rejoint quitte le Royaume;
   3° le citoyen de l'Union qu'ils ont accompagné ou rejoint décède;
   4° le mariage avec le citoyen de l'Union qu'ils ont accompagné ou rejoint est dissous ou annulé, il est mis fin au partenariat enregistré visé à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 1° ou 2°, ou il n'y a plus d'installation commune;
   5° les membres de la famille d'un citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 2° ou 3°, constituent une charge déraisonnable pour le système d'aide sociale du Royaume;
  [5 6° le ministre ou son délégué retire au citoyen de l'Union accompagné ou rejoint son séjour conformément à l'article 44;]5
  [6 7° l'ascendant direct au premier degré visé à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 5°, ne s'occupe plus effectivement du citoyen de l'Union mineur;
   8° le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 2° ou 3°, qu'ils ont accompagné ou rejoint ne dispose plus de ressources suffisantes et/ou d'une assurance maladie visées à l'article 40bis, § 4, alinéa 2.]6

   [3 Pour l'application de l'alinéa 1er, 5°, afin de déterminer si les membres de la famille d'un citoyen de l'Union constituent une charge déraisonnable pour le système d'aide sociale du Royaume, il est tenu compte du caractère temporaire ou non de leurs difficultés, de la durée de leur séjour dans le Royaume, de leur situation personnelle et du montant de l'aide qui leur est accordée.]3
   Lors de la décision de mettre fin au séjour, le ministre ou son délégué tient compte de la durée du séjour de l'intéressé dans le Royaume, de son âge, de son état de santé, de sa situation familiale et économique, de son intégration sociale et culturelle [4 dans le Royaume"]4 et de l'intensité de ses liens avec son pays d'origine.
   § 2. Les cas visés au § 1er, alinéa 1er, 2° et 3°, ne sont pas applicables aux enfants du citoyen de l'Union qui séjournent dans le Royaume et sont inscrits dans un établissement d'enseignement ni au parent qui a la tutelle effective des enfants jusqu'à la fin de leurs études.
   § 3. Le ministre ou son délégué peut si nécessaire vérifier si les conditions de l'exercice du droit de séjour sont respectées.]1

  
Onderafdeling 3. - Het administratief kort geding
Art. 42quater.[1 § 1er. Dans les cas suivants, le ministre ou son délégué peut mettre fin, [2 dans les cinq années]2 suivant la reconnaissance de leur droit de séjour, au droit de séjour des membres de famille d'un citoyen de l'Union qui ne sont pas eux-mêmes citoyens de l'Union et qui séjournent en tant que membres de la famille du citoyen de l'Union :
Art. 39/82. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 185; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1.Wanneer een akte van een administratieve overheid vatbaar is voor vernietiging krachtens artikel 39/2, dan kan de Raad als enige de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan bevelen.
  Nadat de partijen gehoord zijn of behoorlijk opgeroepen, wordt de schorsing bevolen bij gemotiveerde uitspraak van de voorzitter van de geadieerde kamer of van de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst.
  In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de schorsing bij voorraad worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord.
  De verzoeker dient, wanneer hij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert, te opteren hetzij voor een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid, hetzij voor een gewone schorsing. Hij kan op straffe van niet-ontvankelijkheid noch gelijktijdig noch opeenvolgend hetzij opnieuw toepassing maken van het derde lid, hetzij in zijn in § 3 bedoeld verzoekschrift andermaal de schorsing vorderen.
  In afwijking van het vierde lid en onverminderd het bepaalde in § 3, belet de verwerping van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet dat de verzoeker nadien een vordering tot schorsing volgens de gewone procedure instelt indien deze vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd verworpen omdat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet afdoende werd aangetoond.
  § 2. De schorsing van de tenuitvoerlegging kan alleen worden bevolen als ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte kunnen verantwoorden en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. [3 Deze laatste voorwaarde is onder andere vervuld indien een ernstig middel werd aangevoerd gesteund op de grondrechten van de mens, in het bijzonder de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.]3
  De uitspraken waarbij de schorsing is bevolen, kunnen worden ingetrokken of gewijzigd op verzoek van de partijen.
  § 3. Behoudens in het geval van uiterst dringende noodzakelijkheid moeten in één en dezelfde akte zowel de vordering tot schorsing al het beroep tot nietigverklaring worden ingesteld.
  In het opschrift van het verzoekschrift dient te worden vermeld dat hetzij een beroep tot nietigverklaring wordt ingesteld, hetzij een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring. Is aan deze pleegvorm niet voldaan, dan wordt het verzoekschrift geacht enkel een beroep tot nietigverklaring te bevatten.
  Eenmaal een beroep tot nietigverklaring is ingediend, is een navolgende vordering tot schorsing niet ontvankelijk, onverminderd de mogelijkheid in hoofde van de verzoeker om, indien de beroepstermijn nog niet is verstreken, een nieuw beroep tot nietigverklaring in te stellen waar een vordering tot schorsing is bijgevoegd op de wijze bepaald als hiervoor.
  De vordering bevat een uiteenzetting van de middelen en de feiten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing of, in voorkomend geval, van voorlopige maatregelen rechtvaardigen.
  De schorsing en de andere voorlopige maatregelen die zouden zijn bevolen voor het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring van de akte wordt door de voorzitter van de kamer of door de rechter in vreemdelingenzaken die hij aanwijst die ze heeft uitgesproken onmiddellijk opgeheven als hij vaststelt dat binnen de in de procedureregeling vastgestelde termijn geen enkel verzoekschrift tot nietigverklaring is ingediend waarin de middelen worden aangevoerd die ze gerechtvaardigd hadden.
  § 4. De voorzitter van de kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij aanwijst doet binnen dertig dagen uitspraak over de vordering tot schorsing. Indien de schorsing is bevolen, wordt binnen vier maanden na de uitspraak van de rechterlijke beslissing uitspraak gedaan over het verzoekschrift tot nietigverklaring.
  [3 Indien de vreemdeling het voorwerp is van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is, in het bijzonder indien hij is vastgehouden in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of ter beschikking is gesteld van de regering, en hij nog geen gewone vordering tot schorsing heeft ingeleid tegen de bedoelde verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, kan hij binnen de in artikel 39/57, § 1, derde lid, bedoelde termijn de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze maatregel vorderen bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
   Indien de vordering manifest laattijdig voorkomt, geeft de voorzitter van de geadieerde kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst, dit aan in zijn beschikking en roept de partijen onverwijld op te verschijnen binnen vierentwintig uur vanaf de ontvangst van de vordering.
   De kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken doet een zorgvuldig en nauwgezet onderzoek van alle bewijsstukken die hem worden voorgelegd, inzonderheid die welke van dien aard zijn dat daaruit blijkt dat er redenen zijn om te geloven dat de uitvoering van de bestreden beslissing de verzoeker zou blootstellen aan het risico te worden onderworpen aan de schending van de grondrechten van de mens ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
   De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt afgedaan door de kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken binnen achtenveertig uur na de ontvangst ervan. Deze termijn wordt evenwel uitgebreid tot vijf dagen volgend op de dag van ontvangst door de Raad van de ingeleide vordering, wanneer de effectieve verwijdering of terugdrijving van de vreemdeling voorzien is voor een datum die de acht dagen te boven gaat.
   Indien de kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken niet binnen de termijn tot een uitspraak komt, dan moet hij de eerste voorzitter of de voorzitter daarvan op de hoogte brengen. Deze neemt de nodige maatregelen opdat een uitspraak wordt gewezen, al naargelang het geval, ofwel ten laatste binnen tweeënzeventig uur na de ontvangst van het verzoekschrift, ofwel zo snel mogelijk. Inzonderheid kan hij daartoe de zaak evoceren en er zelf uitspraak over doen.
   In afwijking van de vorige leden, doet de voorzitter van de geadieerde kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst, bij voorrang uitspraak over de ontvankelijkheid van de vordering, indien nodig zonder de partijen op te roepen, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn :
   1° het betreft een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, en
   2° de vordering is manifest laattijdig, en
   3° de vordering werd minder dan twaalf uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel ingediend, en
   4° de verzoeker en desgevallend zijn advocaat werden minstens achtenveertig uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel ingelicht.
   Indien hij de vordering onontvankelijk verklaart, sluit het arrest de procedure af. Indien hij de vordering ontvankelijk verklaart, wordt de procedure verdergezet zoals voorzien in het derde tot het zesde lid.]3

  (NOTA : art. 39/82, § 4, tweede lid, laatste zin, zijn de woorden " Indien de Raad zich evenwel niet heeft uitgesproken binnen de voormelde 72 uur of " vernietigd bij uittreksel uit arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 81/2008 van 27-05-2008; B.S. 02-07-2008, p. 33532-33553)
  § 5. De Raad kan, volgens een versnelde rechtspleging vastgesteld door de Koning, de akte nietig verklaren waarvan de schorsing gevorderd wordt, indien de tegenpartij binnen acht dagen te rekenen van de kennisgeving van de uitspraak waarbij de schorsing bevolen wordt, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend.
  § 6. Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand van geding wanneer de verzoekende partij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement afgewezen is, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van acht dagen die ingaat met de kennisgeving van de uitspraak.
  § 7. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de procedure betreffende de in dit artikel bedoelde vorderingen. Voor het behandelen van kennelijk onontvankelijke en kennelijk ongegronde vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging kunnen specifieke regels worden bepaald. Voor de gevallen waarin de schorsing van de tenuitvoerlegging is bevolen kan eveneens in een specifieke procedure voor de behandeling ten gronde worden voorzien.
  In het geval dat de schorsing van de tenuitvoerlegging wordt bevolen wegens machtsafwending, wordt de zaak verwezen naar de algemene vergadering van de Raad.
  Indien de algemene vergadering de akte waartegen het beroep is gericht niet vernietigt, houdt de schorsing onmiddellijk op gevolg te hebben. In dit geval wordt de zaak voor de behandeling van eventuele andere middelen verwezen naar de kamer waarbij zij oorspronkelijk werd ingeleid.
  § 8. Indien de kamer die bevoegd is om uitspraak te doen over de grond van de zaak, de akte waartegen het beroep gericht is niet vernietigt, kan ze de bevolen schorsing opheffen of intrekken.
  
Art. 42quinquies. § 1er. Sans préjudice de l'article 42sexies et pour autant qu'il n'y ait pas de procédure en cours auprès du Conseil du Contentieux des étrangers conformément à l'article 39/79, un droit de séjour permanent est reconnu au citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, [1 ...]1, et aux membres de sa famille, pour autant qu'ils aient séjourné [2 ...]2 dans le Royaume pendant une période ininterrompue de [1 cinq]1 ans [2 et ce conformément aux instruments juridiques de l'Union européenne]2.
  Le droit de séjour permanent visé à l'alinéa 1er n'est reconnu aux membres de la famille du citoyen de l'Union qui ne sont pas citoyens de l'Union, que pour autant qu'il y ait eu installation commune pendant cette période avec le citoyen de l'Union. Cette condition d'installation commune n'est pas applicable aux membres de la famille qui remplissent les conditions visées à l'article 42quater, §§ 3 et 4, ni aux membres de la famille qui conservent leur séjour sur la base de l'article 42quater, § 1er, alinéa 2.
  § 2. [1 ...]1
  § 3. La continuité du séjour n'est pas affectée par des absences temporaires ne dépassant pas au total six mois par an, ni par des absences plus longues pour l'accomplissement d'obligations militaires ou par une absence de douze mois consécutifs au maximum pour des raisons importantes, telles qu'une grossesse et un accouchement, une maladie grave, des études ou une formation professionnelle, ou le détachement pour raisons professionnelles hors du Royaume.
  § 4. Lorsqu'une procédure est en cours devant le Conseil du Contentieux des étrangers conformément à l'article 39/79, la reconnaissance du droit de séjour permanent est suspendue en attendant la conclusion de cette procédure et la décision définitive du ministre ou de son délégué.
  § 5. [3 Le droit de séjour permanent des citoyens de l'Union européenne est constaté par la délivrance d'un document attestant de la permanence du séjour. Ce document est délivré selon les modalités fixées par le Roi.]3
  § 6. Le droit de séjour permanent des membres de familles qui ne sont pas citoyens de l'Union est constate par la délivrance d'une carte de séjour. Ils sont inscrits dans le registre de la population.
  Cette carte de séjour est délivrée selon les modalités fixées par le Roi conformément aux règlements et directives européens.
  Elle doit être demandée avant l'expiration de la durée de validité du titre de séjour visé à l'article 42, § 3. Lorsque cette carte de séjour n'est pas demandée à temps, le ministre ou son délégué peut infliger une amende administrative de 200 euros. Cette amende est perçue conformément à l'article 42octies.
  § 7. Une fois acquis, le droit de séjour permanent ne se perd que par des absences du Royaume d'une durée supérieure à deux ans consécutifs.
  
Art. 39/82. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 185; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1.Wanneer een akte van een administratieve overheid vatbaar is voor vernietiging krachtens artikel 39/2, dan kan de Raad als enige de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan bevelen.
  Nadat de partijen gehoord zijn of behoorlijk opgeroepen, wordt de schorsing bevolen bij gemotiveerde uitspraak van de voorzitter van de geadieerde kamer of van de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst.
  In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de schorsing bij voorraad worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord.
  De verzoeker dient, wanneer hij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert, te opteren hetzij voor een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid, hetzij voor een gewone schorsing. Hij kan op straffe van niet-ontvankelijkheid noch gelijktijdig noch opeenvolgend hetzij opnieuw toepassing maken van het derde lid, hetzij in zijn in § 3 bedoeld verzoekschrift andermaal de schorsing vorderen.
  In afwijking van het vierde lid en onverminderd het bepaalde in § 3, belet de verwerping van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet dat de verzoeker nadien een vordering tot schorsing volgens de gewone procedure instelt indien deze vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd verworpen omdat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet afdoende werd aangetoond.
  § 2. De schorsing van de tenuitvoerlegging kan alleen worden bevolen als ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte kunnen verantwoorden en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. [3 Deze laatste voorwaarde is onder andere vervuld indien een ernstig middel werd aangevoerd gesteund op de grondrechten van de mens, in het bijzonder de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.]3
  De uitspraken waarbij de schorsing is bevolen, kunnen worden ingetrokken of gewijzigd op verzoek van de partijen.
  § 3. Behoudens in het geval van uiterst dringende noodzakelijkheid moeten in één en dezelfde akte zowel de vordering tot schorsing al het beroep tot nietigverklaring worden ingesteld.
  In het opschrift van het verzoekschrift dient te worden vermeld dat hetzij een beroep tot nietigverklaring wordt ingesteld, hetzij een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring. Is aan deze pleegvorm niet voldaan, dan wordt het verzoekschrift geacht enkel een beroep tot nietigverklaring te bevatten.
  Eenmaal een beroep tot nietigverklaring is ingediend, is een navolgende vordering tot schorsing niet ontvankelijk, onverminderd de mogelijkheid in hoofde van de verzoeker om, indien de beroepstermijn nog niet is verstreken, een nieuw beroep tot nietigverklaring in te stellen waar een vordering tot schorsing is bijgevoegd op de wijze bepaald als hiervoor.
  De vordering bevat een uiteenzetting van de middelen en de feiten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing of, in voorkomend geval, van voorlopige maatregelen rechtvaardigen.
  De schorsing en de andere voorlopige maatregelen die zouden zijn bevolen voor het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring van de akte wordt door de voorzitter van de kamer of door de rechter in vreemdelingenzaken die hij aanwijst die ze heeft uitgesproken onmiddellijk opgeheven als hij vaststelt dat binnen de in de procedureregeling vastgestelde termijn geen enkel verzoekschrift tot nietigverklaring is ingediend waarin de middelen worden aangevoerd die ze gerechtvaardigd hadden.
  § 4. De voorzitter van de kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij aanwijst doet binnen dertig dagen uitspraak over de vordering tot schorsing. Indien de schorsing is bevolen, wordt binnen vier maanden na de uitspraak van de rechterlijke beslissing uitspraak gedaan over het verzoekschrift tot nietigverklaring.
  [3 Indien de vreemdeling het voorwerp is van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is, in het bijzonder indien hij is vastgehouden in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of ter beschikking is gesteld van de regering, en hij nog geen gewone vordering tot schorsing heeft ingeleid tegen de bedoelde verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, kan hij binnen de in artikel 39/57, § 1, derde lid, bedoelde termijn de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze maatregel vorderen bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
   Indien de vordering manifest laattijdig voorkomt, geeft de voorzitter van de geadieerde kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst, dit aan in zijn beschikking en roept de partijen onverwijld op te verschijnen binnen vierentwintig uur vanaf de ontvangst van de vordering.
   De kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken doet een zorgvuldig en nauwgezet onderzoek van alle bewijsstukken die hem worden voorgelegd, inzonderheid die welke van dien aard zijn dat daaruit blijkt dat er redenen zijn om te geloven dat de uitvoering van de bestreden beslissing de verzoeker zou blootstellen aan het risico te worden onderworpen aan de schending van de grondrechten van de mens ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
   De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt afgedaan door de kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken binnen achtenveertig uur na de ontvangst ervan. Deze termijn wordt evenwel uitgebreid tot vijf dagen volgend op de dag van ontvangst door de Raad van de ingeleide vordering, wanneer de effectieve verwijdering of terugdrijving van de vreemdeling voorzien is voor een datum die de acht dagen te boven gaat.
   Indien de kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken niet binnen de termijn tot een uitspraak komt, dan moet hij de eerste voorzitter of de voorzitter daarvan op de hoogte brengen. Deze neemt de nodige maatregelen opdat een uitspraak wordt gewezen, al naargelang het geval, ofwel ten laatste binnen tweeënzeventig uur na de ontvangst van het verzoekschrift, ofwel zo snel mogelijk. Inzonderheid kan hij daartoe de zaak evoceren en er zelf uitspraak over doen.
   In afwijking van de vorige leden, doet de voorzitter van de geadieerde kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst, bij voorrang uitspraak over de ontvankelijkheid van de vordering, indien nodig zonder de partijen op te roepen, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn :
   1° het betreft een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, en
   2° de vordering is manifest laattijdig, en
   3° de vordering werd minder dan twaalf uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel ingediend, en
   4° de verzoeker en desgevallend zijn advocaat werden minstens achtenveertig uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel ingelicht.
   Indien hij de vordering onontvankelijk verklaart, sluit het arrest de procedure af. Indien hij de vordering ontvankelijk verklaart, wordt de procedure verdergezet zoals voorzien in het derde tot het zesde lid.]3

  (NOTA : art. 39/82, § 4, tweede lid, laatste zin, zijn de woorden " Indien de Raad zich evenwel niet heeft uitgesproken binnen de voormelde 72 uur of " vernietigd bij uittreksel uit arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 81/2008 van 27-05-2008; B.S. 02-07-2008, p. 33532-33553)
  § 5. De Raad kan, volgens een versnelde rechtspleging vastgesteld door de Koning, de akte nietig verklaren waarvan de schorsing gevorderd wordt, indien de tegenpartij binnen acht dagen te rekenen van de kennisgeving van de uitspraak waarbij de schorsing bevolen wordt, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend.
  § 6. Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand van geding wanneer de verzoekende partij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement afgewezen is, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van acht dagen die ingaat met de kennisgeving van de uitspraak.
  § 7. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de procedure betreffende de in dit artikel bedoelde vorderingen. Voor het behandelen van kennelijk onontvankelijke en kennelijk ongegronde vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging kunnen specifieke regels worden bepaald. Voor de gevallen waarin de schorsing van de tenuitvoerlegging is bevolen kan eveneens in een specifieke procedure voor de behandeling ten gronde worden voorzien.
  In het geval dat de schorsing van de tenuitvoerlegging wordt bevolen wegens machtsafwending, wordt de zaak verwezen naar de algemene vergadering van de Raad.
  Indien de algemene vergadering de akte waartegen het beroep is gericht niet vernietigt, houdt de schorsing onmiddellijk op gevolg te hebben. In dit geval wordt de zaak voor de behandeling van eventuele andere middelen verwezen naar de kamer waarbij zij oorspronkelijk werd ingeleid.
  § 8. Indien de kamer die bevoegd is om uitspraak te doen over de grond van de zaak, de akte waartegen het beroep gericht is niet vernietigt, kan ze de bevolen schorsing opheffen of intrekken.
  
Art. 42sexies. § 1er. Par dérogation à l'article 42quinquies, le droit de séjour permanent est accordé, avant l'expiration de la période ininterrompue de [1 cinq]1 ans, aux catégories suivantes de travailleurs salariés ou non salariés visés à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 1° :
  1° le travailleur salarié ou non salarié qui cesse d'exercer son activité à la suite d'une incapacité permanente de travail, à la condition :
  a) qu'il séjourne d'une façon continue dans le Royaume depuis plus de deux ans;
  b) ou que l'incapacité permanente de travail résulte d'un accident de travail ou d'une maladie professionnelle ouvrant le droit à une prestation entièrement ou partiellement à charge d'une institution du Royaume;
  c) ou que son conjoint ou partenaire visé à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 1°, soit Belge;
  2° le travailleur salarié ou non salarié qui, lorsqu'il cesse d'exercer son activité, a atteint l'âge prévu par la législation pour faire valoir ses droits à une pension de vieillesse ou le travailleur qui cesse d'exercer une activité salariée à la suite d'une mise à la retraite anticipée, à condition que son conjoint ou partenaire vise à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 1°, soit Belge.
  Les périodes de chômage involontaire, dument constatées par le service d'emploi compétent et durant lesquelles l'intéressé n'a pas travaillé pour des raisons qui ne lui sont pas imputables, ou les périodes d'absence ou d'interruption de travail pour maladie ou pour accident, sont considérées comme des périodes d'activité.
  § 2. Les membres de famille du citoyen de l'Union visé au § 1er obtiennent également un droit de séjour permanent.
  § 3. Lorsque le travailleur salarié ou non salarié visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 1°, décède au cours de sa carrière professionnelle avant d'avoir acquis le droit de séjour permanent sur la base du § 1er, les membres de sa famille séjournant avec lui dans le Royaume acquièrent un droit de séjour permanent à la condition que :
  1° le travailleur salarié ou non salarié ait séjourné dans le Royaume durant deux ans de façon ininterrompue, au moment de son décès;
  2° ou que le décès du travailleur salarié ou non salarié soit la conséquence d'un accident de travail ou d'une maladie professionnelle.
  
Art. 39/83. [3 Behoudens toestemming van de betrokkene, zal ten aanzien van een vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, slechts tot gedwongen tenuitvoerlegging van deze maatregel worden overgegaan na het verstrijken van de in artikel 39/57, § 1, derde lid, bedoelde beroepstermijn of, wanneer de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze maatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd ingeleid binnen deze termijn, nadat de Raad deze vordering heeft verworpen.]3
  
Art. 39/84. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/71, art. 188; Inwerkingtreding : 01-12-2006> Wanneer bij de Raad overeenkomstig artikel 39/82 een vordering tot schorsing van een akte aanhangig wordt gemaakt, kan hij als enige, bij voorraad en onder de in artikel 39/82, § 2, eerste lid, bepaalde voorwaarden, alle nodige maatregelen bevelen om de belangen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op de burgerlijke rechten.
  Die maatregelen worden, nadat de partijen gehoord zijn of behoorlijk zijn opgeroepen, bij een gemotiveerde uitspraak bevolen door de voorzitter van de kamer die bevoegd is om uitspraak ten gronde te doen of van de rechter in vreemdelingenbetwistingen die hij daartoe aanwijst.
  In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kunnen voorlopige maatregelen worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen gehoord, worden.
  Artikel 39/82, § 2, tweede lid, vindt toepassing op de krachtens dit artikel uitgesproken rechterlijke beslissingen.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de procedure met betrekking tot de in dit artikel bedoelde maatregelen.
Art. 42octies. § 1er. La décision imposant l'amende administrative, visée aux articles 41, alinéa 4, 41bis, alinéa 2, 42, § 4, alinéa 2, et 42quinquies, § 6, alinéa 3, est exécutable immédiatement, nonobstant tout recours.
  L'amende administrative peut être payée au moyen de la consignation du montant dû à la Caisse des Dépôts et Consignations.
  § 2. Le citoyen de l'Union, ou, le cas échéant, le membre de sa famille, qui conteste la décision du ministre ou de son délégué, introduit par une demande écrite un recours auprès du tribunal de première instance dans un délai d'un mois à compter de la notification de la décision, sous peine de déchéance.
  Si le tribunal de première instance déclare le recours recevable et fondé, la somme payée ou consignée est remboursée.
  Le tribunal de première instance doit statuer dans un mois à compter de l'introduction de la demande écrite visée à l'alinéa 1er.
  Le texte de l'alinéa 1er est repris dans la décision imposant l'amende administrative.
  § 3. Si le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille reste en défaut de paiement de l'amende, la décision de l'agent compétent ou la décision passée en force de chose jugée du tribunal de première instance est portée à la connaissance de l'Administration du Cadastre, de l'Enregistrement et des Domaines, en vue du recouvrement du montant de l'amende administrative.
  § 4. Si le citoyen de l'Union, le membre de sa famille ou son représentant a consigné la somme de l'amende administrative à la Caisse des Dépôts et Consignations et s'il n'a pas introduit de recours auprès du tribunal de première instance dans le délai précité, la consignation donnée revient à l'Etat.
Art. 39/85. [2 § 1. Indien de vreemdeling het voorwerp is van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent wordt, in het bijzonder indien hij naderhand wordt vastgehouden in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of naderhand ter beschikking wordt gesteld van de regering, dan kan hij, bij wege van voorlopige maatregelen in de zin van artikel 39/84, verzoeken dat de Raad een eerder ingediende gewone vordering tot schorsing zo snel mogelijk behandelt, op voorwaarde dat deze vordering werd ingeschreven op de rol en dat de Raad er zich nog niet over heeft uitgesproken. Deze vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen dient te worden ingediend binnen de in artikel 39/57, § 1, derde lid, bedoelde termijn.
   Indien de vordering manifest laattijdig voorkomt, geeft de voorzitter van de geadieerde kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst, dit aan in zijn beschikking en roept de partijen op onverwijld te verschijnen binnen vierentwintig uur vanaf de ontvangst van de vordering.
   De kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken doet een zorgvuldig en nauwgezet onderzoek van alle bewijsstukken die hem worden voorgelegd, inzonderheid die welke van dien aard zijn dat daaruit blijkt dat er redenen zijn om te geloven dat de uitvoering van de bestreden beslissing de verzoeker zou blootstellen aan het risico te worden onderworpen aan de schending van de grondrechten van de mens ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
   Op straffe van onontvankelijkheid van de vordering waarbij de Raad bij wege van voorlopige maatregelen verzocht wordt zo snel mogelijk de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een andere beslissing te behandelen die vatbaar is voor vernietiging op grond van artikel 39/2, dient de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, bedoeld in het eerste lid, gelijktijdig, al naargelang het geval, het voorwerp te zijn van een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen of van een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ervan bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
   In afwijking van de vorige leden, doet de voorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst bij voorrang uitspraak over de ontvankelijkheid van de vordering, indien nodig zonder de partijen op te roepen, indien de volgende voorwaarden zijn vervuld :
   1° het betreft een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, en
   2° de vordering is manifest laattijdig, en
   3° de vordering werd ingediend minder dan twaalf uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel, en
   4° de verzoeker en desgevallend zijn advocaat werden minstens achtenveertig uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel ingelicht.
   Indien hij de vordering onontvankelijk verklaart, sluit het arrest de procedure af. Indien hij de vordering ontvankelijk verklaart, wordt de procedure verdergezet zoals voorzien in §§ 2 tot 4.
   § 2. De vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen en de vordering tot schorsing worden samen behandeld en afgedaan door de Raad binnen achtenveertig uur na de ontvangst van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen. Deze termijn wordt evenwel uitgebreid tot vijf dagen volgend op de dag van ontvangst van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wanneer de effectieve verwijdering of terugdrijving van de vreemdeling voorzien is voor een datum die de acht dagen te boven gaat.
   Indien de geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken niet binnen de termijn tot een uitspraak komt, brengt hij de eerste voorzitter of de voorzitter daarvan op de hoogte. Deze neemt de nodige maatregelen opdat een uitspraak wordt gewezen, al naargelang het geval, ofwel ten laatste binnen de tweeënzeventig uur na de ontvangst van het verzoekschrift, ofwel zo snel mogelijk. Inzonderheid kan hij daartoe de zaak evoceren en er zelf uitspraak over doen.
   § 3. Onverminderd § 1 kan er vanaf de ontvangst van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen niet overgegaan worden tot een gedwongen tenuitvoerlegging van de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel totdat de Raad zich heeft uitgesproken over de ingeleide vordering. Indien de schorsing niet werd toegestaan, wordt de dwanguitvoering van de maatregel opnieuw mogelijk.
   § 4. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de inhoud van de in dit artikel bedoelde vordering, de wijze waarop ze moet worden ingediend en de procedure.]2

  
Art. 42octies DROIT FUTUR. § 1er. La décision imposant l'amende administrative, visée aux articles 41, alinéa 4, [1 ...]1 42, § 4, alinéa 2, et 42quinquies, § 6, alinéa 3, est exécutable immédiatement, nonobstant tout recours.
  L'amende administrative peut être payée au moyen de la consignation du montant dû à la Caisse des Dépôts et Consignations.
  § 2. Le citoyen de l'Union, ou, le cas échéant, le membre de sa famille, qui conteste la décision du ministre ou de son délégué, introduit par une demande écrite un recours auprès du tribunal de première instance dans un délai d'un mois à compter de la notification de la décision, sous peine de déchéance.
  Si le tribunal de première instance déclare le recours recevable et fondé, la somme payée ou consignée est remboursée.
  Le tribunal de première instance doit statuer dans un mois à compter de l'introduction de la demande écrite visée à l'alinéa 1er.
  Le texte de l'alinéa 1er est repris dans la décision imposant l'amende administrative.
  § 3. Si le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille reste en défaut de paiement de l'amende, la décision de l'agent compétent ou la décision passée en force de chose jugée du tribunal de première instance est portée à la connaissance de l'Administration du Cadastre, de l'Enregistrement et des Domaines, en vue du recouvrement du montant de l'amende administrative.
  § 4. Si le citoyen de l'Union, le membre de sa famille ou son représentant a consigné la somme de l'amende administrative à la Caisse des Dépôts et Consignations et s'il n'a pas introduit de recours auprès du tribunal de première instance dans le délai précité, la consignation donnée revient à l'Etat.
  
Art. 39/85. [2 § 1. Indien de vreemdeling het voorwerp is van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent wordt, in het bijzonder indien hij naderhand wordt vastgehouden in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of naderhand ter beschikking wordt gesteld van de regering, dan kan hij, bij wege van voorlopige maatregelen in de zin van artikel 39/84, verzoeken dat de Raad een eerder ingediende gewone vordering tot schorsing zo snel mogelijk behandelt, op voorwaarde dat deze vordering werd ingeschreven op de rol en dat de Raad er zich nog niet over heeft uitgesproken. Deze vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen dient te worden ingediend binnen de in artikel 39/57, § 1, derde lid, bedoelde termijn.
   Indien de vordering manifest laattijdig voorkomt, geeft de voorzitter van de geadieerde kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst, dit aan in zijn beschikking en roept de partijen op onverwijld te verschijnen binnen vierentwintig uur vanaf de ontvangst van de vordering.
   De kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken doet een zorgvuldig en nauwgezet onderzoek van alle bewijsstukken die hem worden voorgelegd, inzonderheid die welke van dien aard zijn dat daaruit blijkt dat er redenen zijn om te geloven dat de uitvoering van de bestreden beslissing de verzoeker zou blootstellen aan het risico te worden onderworpen aan de schending van de grondrechten van de mens ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
   Op straffe van onontvankelijkheid van de vordering waarbij de Raad bij wege van voorlopige maatregelen verzocht wordt zo snel mogelijk de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een andere beslissing te behandelen die vatbaar is voor vernietiging op grond van artikel 39/2, dient de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, bedoeld in het eerste lid, gelijktijdig, al naargelang het geval, het voorwerp te zijn van een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen of van een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ervan bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
   In afwijking van de vorige leden, doet de voorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst bij voorrang uitspraak over de ontvankelijkheid van de vordering, indien nodig zonder de partijen op te roepen, indien de volgende voorwaarden zijn vervuld :
   1° het betreft een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, en
   2° de vordering is manifest laattijdig, en
   3° de vordering werd ingediend minder dan twaalf uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel, en
   4° de verzoeker en desgevallend zijn advocaat werden minstens achtenveertig uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel ingelicht.
   Indien hij de vordering onontvankelijk verklaart, sluit het arrest de procedure af. Indien hij de vordering ontvankelijk verklaart, wordt de procedure verdergezet zoals voorzien in §§ 2 tot 4.
   § 2. De vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen en de vordering tot schorsing worden samen behandeld en afgedaan door de Raad binnen achtenveertig uur na de ontvangst van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen. Deze termijn wordt evenwel uitgebreid tot vijf dagen volgend op de dag van ontvangst van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wanneer de effectieve verwijdering of terugdrijving van de vreemdeling voorzien is voor een datum die de acht dagen te boven gaat.
   Indien de geadieerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken niet binnen de termijn tot een uitspraak komt, brengt hij de eerste voorzitter of de voorzitter daarvan op de hoogte. Deze neemt de nodige maatregelen opdat een uitspraak wordt gewezen, al naargelang het geval, ofwel ten laatste binnen de tweeënzeventig uur na de ontvangst van het verzoekschrift, ofwel zo snel mogelijk. Inzonderheid kan hij daartoe de zaak evoceren en er zelf uitspraak over doen.
   § 3. Onverminderd § 1 kan er vanaf de ontvangst van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen niet overgegaan worden tot een gedwongen tenuitvoerlegging van de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel totdat de Raad zich heeft uitgesproken over de ingeleide vordering. Indien de schorsing niet werd toegestaan, wordt de dwanguitvoering van de maatregel opnieuw mogelijk.
   § 4. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de inhoud van de in dit artikel bedoelde vordering, de wijze waarop ze moet worden ingediend en de procedure.]2

  
Art.43. [1 § 1er. Le ministre ou son délégué peut refuser l'entrée et le séjour aux citoyens de l'Union et aux membres de leurs familles [2 ...]2 :
   1° lorsqu'ils ont eu recours à des informations fausses ou trompeuses ou à des documents faux ou falsifiés, ou lorsqu'ils ont eu recours à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour;
   2° pour des raisons d'ordre public, de sécurité nationale ou de santé publique.
   § 2. Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une décision visée au paragraphe 1er, il tient compte de la durée du séjour du citoyen de l'Union ou du membre de sa famille sur le territoire du Royaume, de son âge, de son état de santé, de sa situation familiale et économique, de son intégration sociale et culturelle dans le Royaume et de l'intensité de ses liens avec son pays d'origine.]1

  
HOOFDSTUK I. - (Vreemdelingen, burgers van de Unie en hun familieleden en vreemdelingen, familieleden van een Belg.)
Art.44.[1 § 1er. Le ministre ou son délégué peut retirer le séjour aux citoyens de l'Union et aux membres de leurs familles [2 ...]2 lorsqu'ils ont fait usage d'informations fausses ou trompeuses ou de documents faux ou falsifiés, ou lorsqu'ils ont eu recours à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour.
Art.40. § 1. Onverminderd de meer voordelige bepalingen vervat in wetten of Europese verordeningen waarop de burger van de Unie zou kunnen aanspraak maken, zijn de hiernavolgende bepalingen op hem van toepassing.
Art. 44bis.[1 § 1er. Sans préjudice des paragraphes 2 et 3, le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour des citoyens de l'Union et des membres de leurs familles [2 ...]2 pour des raisons d'ordre public, de sécurité nationale ou de santé publique.
Art. 40bis. [1 § 1. Onverminderd de meer voordelige bepalingen vervat in wetten of Europese verordeningen waarop de familieleden van de burger van de Unie zouden kunnen aanspraak maken, zijn de hiernavolgende bepalingen op hen van toepassing.
   § 2. Als familielid van de burger van de Unie worden beschouwd :
   1° de echtgenoot of de vreemdeling waarmee een geregistreerd partnerschap werd gesloten dat beschouwd wordt als zijnde gelijkwaardig met het huwelijk in België, die hem begeleidt of zich bij hem voegt;
   2° de partner, die hem begeleidt of zich bij hem voegt, met wie de burger van de Unie overeenkomstig een wet een geregistreerd partnerschap heeft gesloten.
   De partners moeten aan de volgende voorwaarden voldoen :
   a) bewijzen een naar behoren geattesteerde duurzame en stabiele partnerrelatie te onderhouden.
   Het duurzaam en stabiel karakter van deze relatie is aangetoond :
   - indien de partners bewijzen gedurende minstens één jaar, voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken in België of een ander land te hebben samengewoond;
   - ofwel indien de partners bewijzen dat zij elkaar sedert ten minste twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag, kennen en het bewijs leveren dat zij regelmatig, telefonisch, via briefwisseling of elektronische berichten met elkaar contact onderhielden en dat zij elkaar in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag drie maal ontmoet hebben en dat deze ontmoetingen in totaal 45 of meer dagen betreffen;
   - ofwel indien de partners een gemeenschappelijk kind hebben;
   b) met elkaar komen samenleven;
   c) [3 beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar. De minimumleeftijd van de partners wordt teruggebracht tot achttien jaar wanneer zij het bewijs leveren van een samenwoning van ten minste een jaar voordat de vreemdeling bij wie men zich voegt, in het Rijk aankwam;]3
   d) ongehuwd zijn en geen duurzame en stabiele partnerrelatie hebben met een andere persoon;
   e) geen personen zijn bedoeld in artikelen 161 tot 163 van het Burgerlijk Wetboek.
   f) [3 ten aanzien van geen van beiden is een definitieve beslissing genomen tot weigering van de voltrekking van het huwelijk op basis van artikel 167 van het Burgerlijk Wetboek.]3
   3° [4 de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner bedoeld onder 1° of 2°, beneden de leeftijd van eenentwintig jaar of die in het land van oorsprong dan wel herkomst te hunnen laste zijn, die hen begeleiden of zich bij hen voegen, voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of de bedoelde geregistreerde partner over het recht van bewaring beschikt en, indien het recht van bewaring wordt gedeeld, op voorwaarde dat de andere houder van het recht van bewaring zijn toestemming heeft gegeven;]4
   4° [4 de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner bedoeld onder 1° of 2°, die in het land van oorsprong dan wel herkomst te hunnen laste zijn en die hen begeleiden of zich bij hen voegen;]4
  [2 [4 de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn in de eerste graad die het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring over een minderjarige burger van de Unie, bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2°, uitoefenen, voor zover zij de minderjarige burger van de Unie op het Belgische grondgebied begeleiden en de daadwerkelijke zorg over hem dragen.]4.]2
   De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gevallen waarbij een partnerschap dat geregistreerd werd op basis van een vreemde wet, moet beschouwd worden als zijnde gelijkwaardig met een huwelijk in België.
   § 3. De in § 2 bedoelde familieleden die burger van de Unie zijn, hebben het recht de in artikel 40, § 3, bedoelde burger van de Unie te begeleiden of zich bij hem te voegen voorzover zij de in artikel 41, eerste lid, bedoelde voorwaarde vervullen. Indien het familieleden betreft die geen burger van de Unie zijn, moeten zij de in artikel 41, tweede lid, bedoelde voorwaarde vervullen.
   § 4. [4 De in § 2 bedoelde familieleden, hebben het recht de in artikel 40, § 4, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde burger van de Unie te begeleiden of zich bij hem te voegen voor een periode van meer dan drie maanden mits zij, al naar gelang het geval, voldoen aan de in artikel 41, §§ 1 of 2, bedoelde voorwaarden.]4
   [4 De in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde burger van de Unie]4 moet dan tevens het bewijs leveren dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt op te voorkomen dat de in § 2 bedoelde familieleden tijdens zijn verblijf ten laste komen van het sociale zekerheidsstelsel van het Rijk, en dat hij over een verzekering beschikt die de ziektekosten van zijn familieleden in het Rijk volledig dekt. In het kader van de evaluatie van de bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de burger van de Unie, waarbij ondermeer rekening gehouden wordt met de aard en de regelmaat van diens inkomsten en met het aantal familieleden die te zijnen laste zijn.
  [4 De in artikel 40, § 4, eerste lid, 3°, bedoelde burger van de Unie kan zich enkel laten begeleiden of vervoegen door de in § 2, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde familieleden, alsmede door zijn kinderen of door de kinderen van zijn echtgenoot of partner voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of zijn partner het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent en de kinderen ten laste zijn van hem, diens echtgenoot of partner en mits zij, al naar gelang het geval, voldoen aan de in artikel 41, §§ 1 of 2, bedoelde voorwaarden.]4]1

  [2 [4 Het in § 2, eerste lid, 5°, bedoelde familielid moet, voor zover de minderjarige burger van de Unie nog niet over een duurzaam verblijfsrecht zoals bedoeld in artikel 42quinquies, § 1, beschikt, het bewijs leveren dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt om in zijn eigen behoeften en die van zijn kind, burger van de Unie, te voorzien, om niet ten laste te komen van het sociale zekerheidsstelsel van het Rijk, en over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt.]4 In het kader van de evaluatie van de bestaansmiddelen wordt met name rekening gehouden met hun aard en hun regelmaat.]2
  (NOTA : bij arrest nr 121/2013 van 26-09-2013, heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 40bis,§2,eerste lid,2°,c en 40bis,§2, tweede lid vernietigd).
  
Art. 44ter. [2 § 1er. Lorsqu'un citoyen de l'Union ou un membre de sa famille n'a pas ou n'a plus le droit de séjourner sur le territoire, le ministre ou son délégué peut lui donner un ordre de quitter le territoire, en application de l'article 7, alinéa 1er.
   Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre un ordre de quitter le territoire, il tient compte de la durée du séjour du citoyen de l'Union ou du membre de sa famille sur le territoire du Royaume, de son âge, de son état de santé, de sa situation familiale et économique, de son intégration sociale et culturelle dans le Royaume et de l'intensité de ses liens avec son pays d'origine.]2

  [2 § 2.]2 [1 L'ordre de quitter le territoire délivré à un citoyen de l'Union ou à un membre de sa famille indique le délai endéans lequel il doit quitter le territoire du Royaume. Sauf en cas d'urgence dûment justifié, ce délai ne peut pas être inférieur à un mois à compter de la notification de la décision.
   Le délai visé à l'alinéa 1er peut être prolongé par le ministre ou son délégué lorsque :
   1° le retour volontaire ne peut se réaliser dans ledit délai; ou
   2° les circonstances propres à la situation de l'intéressé le justifient.
   La demande visant à obtenir une prolongation du délai pour quitter le territoire du Royaume doit être introduite par le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille auprès du ministre ou de son délégué.]1

  
Art. 40ter. [1 § 1. Als Belg die gebruik heeft gemaakt van het recht van vrij verkeer en verblijf wordt beschouwd: de Belg die, na een daadwerkelijk verblijf in een andere lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, terugkeert om zich op het grondgebied van het Rijk te vestigen.
   De familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, en de andere familieleden bedoeld in artikel 47/2 van een Belg die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer en verblijf, zijn onderworpen aan dezelfde bepalingen als de familieleden van een burger van de Unie zoals bedoeld in hoofdstuk I dan wel hoofdstuk Ibis, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:
   1° het gezinsleven werd opgebouwd dan wel bestendigd tijdens het daadwerkelijke verblijf van de Belg en het familielid in een andere lidstaat van de Europese Unie; en
   2° de familieleden begeleiden of vervoegen de Belg op het grondgebied van het Rijk; en
   3° het gezinsleven werd niet beëindigd voor de binnenkomst van het familielid op het grondgebied van het Rijk dan wel voor de indiening van het verzoek om toekenning van een verblijfsrecht krachtens dit artikel.
   § 2. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de volgende familieleden van een Belg die geen gebruik maakte van zijn recht van vrij verkeer en verblijf overeenkomstig artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dan wel niet voldoen aan de voorwaarden zoals voorzien in § 1:
   1° de familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 2°, mits zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent begeleiden of zich bij hem voegen;
   2° de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn van de Belg of van diens echtgenoot of geregistreerde partner bedoeld in het eerste lid, 1°, beneden de leeftijd van achttien jaar of die in het land van oorsprong dan wel herkomst te hunnen laste zijn, mits zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent begeleiden of zich bij hem voegen. De rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn die de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt heeft, dient aan te tonen dat de Belg, diens echtgenoot of geregistreerde partner, het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring over hem uitoefent. Indien het ouderlijk gezag wordt gedeeld, dient hij aan te tonen dat de andere houder van het ouderlijk gezag zijn toestemming heeft gegeven. Indien de Belg, diens echtgenoot of de registreerde partner het ouderlijk gezag niet kan bewijzen door middel van officiele documenten, overeenkomstig artikel 35 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie, houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met andere geldige bewijzen die in dit verband worden voorgelegd;
   3° de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn in de eerste graad, die het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring over een minderjarige Belg uitoefenen, voor zover zij de minderjarige Belg op het grondgebied begeleiden of zich bij hem voegen en de daadwerkelijke zorg over hem dragen en op voorwaarde dat zij hun identiteit aantonen door middel van een geldig identiteitsdocument.
   De familieleden bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, moeten bewijzen dat de Belg:
  [2 1° beschikt over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen. Aan die voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan indien het bedrag van de bestaansmiddelen netto ten minste gelijk is aan honderdtien procent van het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimuminkomen dat door artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen wordt beoogd. Dit bedrag wordt verhoogd met tien procent voor elk bijkomend familielid ten laste van de Belg. Bij het beoordelen van deze bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met hun aard en regelmatigheid. Er wordt daarentegen geen rekening gehouden met de middelen verkregen uit het leefloon, de financiële maatschappelijke dienstverlening, de kinderbijslagen en toeslagen, de inschakelingsuitkeringen en de overbruggingsuitkering. De werkloosheidsuitkering komt alleen in aanmerking indien de Belg bewijst dat hij actief werk zoekt. De voorwaarde inzake de bestaansmiddelen is niet van toepassing indien alleen zijn minderjarige familieleden bedoeld in het eerste lid, 2°, de Belg begeleiden of zich bij hem voegen;]2
   [2 2° beschikt over behoorlijke huisvesting die als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en dewelke voldoet aan de wettelijk geldende criteria inzake veiligheid en hygiëne. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria waaraan het onroerend goed moet voldoen alsook de wijze waarop de vreemdeling bewijst dat het onroerend goed voldoet aan de gestelde voorwaarden]2;
   3° beschikt over een ziektekostenverzekering die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt.
   Als een attest van geen huwelijksbeletsel is afgegeven, wordt er naar aanleiding van het onderzoek van een aanvraag tot gezinshereniging gebaseerd op het voltrokken huwelijk, waarvoor het attest is afgegeven, geen nieuw onderzoek uitgevoerd, tenzij er nieuwe gegevens zijn.
   Wat de personen betreft bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° en 2°, moeten de echtgenoten of de partners beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar. [2 ...]2.
   § 3. Wanneer de minister of zijn gemachtigde overweegt om een beslissing tot weigering van verblijf te nemen in hoofde van een familielid bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, die niet aantoont dat hij de daadwerkelijke zorg draagt voor de minderjarige Belg die hij begeleidt, houdt deze rekening met de aard en de hechtheid van de familiebanden en de afhankelijkheidsverhouding die er bestaat tussen het familielid en de minderjarige Belg alsook met de gevolgen die een eventuele beslissing tot weigering van verblijf met zich zouden meebrengen voor het recht van vrij verkeer en verblijf in hoofde van de minderjarige Belg.
   Bij de beoordeling of er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding zoals bedoeld in het eerste lid, worden alle voorgelegde stukken en relevante omstandigheden mee in rekening gebracht.
   § 4. Onverminderd de artikelen 42ter en 42quater, kan er binnen vijf jaar na de erkenning van hun recht op verblijf in de hoedanigheid van familielid van een Belg, ook een einde worden gesteld aan het verblijfsrecht van de familieleden beoogd in § 2, wanneer niet meer is voldaan aan de voorwaarden voorzien in de voorgaande paragrafen. Wanneer de minister of zijn gemachtigde overweegt om een beslissing tot einde van verblijf te nemen in hoofde van een familielid bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, houdt deze rekening met de aard en de hechtheid van de familiebanden en de afhankelijkheidsverhouding die er bestaat tussen het familielid en de minderjarige Belg alsook met de gevolgen die een eventuele beslissing tot beëindiging van verblijf met zich zouden meebrengen voor het recht van vrij verkeer en verblijf in hoofde van de minderjarige Belg.]1

  
Art. 44quater. [1 Aussi longtemps que le délai [2 visé à l'article 44ter, § 2]2 court, le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille ne peut pas faire l'objet d'un éloignement forcé.
   Pour éviter tout risque de fuite pendant le délai [2 visé à l'article 44ter, § 2]2, [3 le ministre ou son délégué peut contraindre le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille]3 à remplir des mesures préventives. [3 ...]3]1

  
Art. 40ter. [1 § 1. Als Belg die gebruik heeft gemaakt van het recht van vrij verkeer en verblijf wordt beschouwd: de Belg die, na een daadwerkelijk verblijf in een andere lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, terugkeert om zich op het grondgebied van het Rijk te vestigen.
   De familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, en de andere familieleden bedoeld in artikel 47/2 van een Belg die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer en verblijf, zijn onderworpen aan dezelfde bepalingen als de familieleden van een burger van de Unie zoals bedoeld in hoofdstuk I dan wel hoofdstuk Ibis, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:
   1° het gezinsleven werd opgebouwd dan wel bestendigd tijdens het daadwerkelijke verblijf van de Belg en het familielid in een andere lidstaat van de Europese Unie; en
   2° de familieleden begeleiden of vervoegen de Belg op het grondgebied van het Rijk; en
   3° het gezinsleven werd niet beëindigd voor de binnenkomst van het familielid op het grondgebied van het Rijk dan wel voor de indiening van het verzoek om toekenning van een verblijfsrecht krachtens dit artikel.
   § 2. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de volgende familieleden van een Belg die geen gebruik maakte van zijn recht van vrij verkeer en verblijf overeenkomstig artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dan wel niet voldoen aan de voorwaarden zoals voorzien in § 1:
   1° de familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 2°, mits zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent begeleiden of zich bij hem voegen;
   2° de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn van de Belg of van diens echtgenoot of geregistreerde partner bedoeld in het eerste lid, 1°, beneden de leeftijd van achttien jaar of die in het land van oorsprong dan wel herkomst te hunnen laste zijn, mits zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent begeleiden of zich bij hem voegen. De rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn die de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt heeft, dient aan te tonen dat de Belg, diens echtgenoot of geregistreerde partner, het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring over hem uitoefent. Indien het ouderlijk gezag wordt gedeeld, dient hij aan te tonen dat de andere houder van het ouderlijk gezag zijn toestemming heeft gegeven. Indien de Belg, diens echtgenoot of de registreerde partner het ouderlijk gezag niet kan bewijzen door middel van officiele documenten, overeenkomstig artikel 35 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie, houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met andere geldige bewijzen die in dit verband worden voorgelegd;
   3° de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn in de eerste graad, die het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring over een minderjarige Belg uitoefenen, voor zover zij de minderjarige Belg op het grondgebied begeleiden of zich bij hem voegen en de daadwerkelijke zorg over hem dragen en op voorwaarde dat zij hun identiteit aantonen door middel van een geldig identiteitsdocument.
   De familieleden bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, moeten bewijzen dat de Belg:
  [2 1° beschikt over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen. Aan die voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan indien het bedrag van de bestaansmiddelen netto ten minste gelijk is aan honderdtien procent van het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimuminkomen dat door artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen wordt beoogd. Dit bedrag wordt verhoogd met tien procent voor elk bijkomend familielid ten laste van de Belg. Bij het beoordelen van deze bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met hun aard en regelmatigheid. Er wordt daarentegen geen rekening gehouden met de middelen verkregen uit het leefloon, de financiële maatschappelijke dienstverlening, de kinderbijslagen en toeslagen, de inschakelingsuitkeringen en de overbruggingsuitkering. De werkloosheidsuitkering komt alleen in aanmerking indien de Belg bewijst dat hij actief werk zoekt. De voorwaarde inzake de bestaansmiddelen is niet van toepassing indien alleen zijn minderjarige familieleden bedoeld in het eerste lid, 2°, de Belg begeleiden of zich bij hem voegen;]2
   [2 2° beschikt over behoorlijke huisvesting die als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en dewelke voldoet aan de wettelijk geldende criteria inzake veiligheid en hygiëne. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria waaraan het onroerend goed moet voldoen alsook de wijze waarop de vreemdeling bewijst dat het onroerend goed voldoet aan de gestelde voorwaarden]2;
   3° beschikt over een ziektekostenverzekering die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt.
   Als een attest van geen huwelijksbeletsel is afgegeven, wordt er naar aanleiding van het onderzoek van een aanvraag tot gezinshereniging gebaseerd op het voltrokken huwelijk, waarvoor het attest is afgegeven, geen nieuw onderzoek uitgevoerd, tenzij er nieuwe gegevens zijn.
   Wat de personen betreft bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° en 2°, moeten de echtgenoten of de partners beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar. [2 ...]2.
   § 3. Wanneer de minister of zijn gemachtigde overweegt om een beslissing tot weigering van verblijf te nemen in hoofde van een familielid bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, die niet aantoont dat hij de daadwerkelijke zorg draagt voor de minderjarige Belg die hij begeleidt, houdt deze rekening met de aard en de hechtheid van de familiebanden en de afhankelijkheidsverhouding die er bestaat tussen het familielid en de minderjarige Belg alsook met de gevolgen die een eventuele beslissing tot weigering van verblijf met zich zouden meebrengen voor het recht van vrij verkeer en verblijf in hoofde van de minderjarige Belg.
   Bij de beoordeling of er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding zoals bedoeld in het eerste lid, worden alle voorgelegde stukken en relevante omstandigheden mee in rekening gebracht.
   § 4. Onverminderd de artikelen 42ter en 42quater, kan er binnen vijf jaar na de erkenning van hun recht op verblijf in de hoedanigheid van familielid van een Belg, ook een einde worden gesteld aan het verblijfsrecht van de familieleden beoogd in § 2, wanneer niet meer is voldaan aan de voorwaarden voorzien in de voorgaande paragrafen. Wanneer de minister of zijn gemachtigde overweegt om een beslissing tot einde van verblijf te nemen in hoofde van een familielid bedoeld in § 2, eerste lid, 3°, houdt deze rekening met de aard en de hechtheid van de familiebanden en de afhankelijkheidsverhouding die er bestaat tussen het familielid en de minderjarige Belg alsook met de gevolgen die een eventuele beslissing tot beëindiging van verblijf met zich zouden meebrengen voor het recht van vrij verkeer en verblijf in hoofde van de minderjarige Belg.]1

  
Art. 44quinquies. [1 § 1er. Le ministre ou son délégué prend toutes les mesures nécessaires pour exécuter l'ordre de quitter le territoire lorsque :
   1° aucun délai n'a été octroyé au citoyen de l'Union ou au membre de sa famille pour quitter le territoire du Royaume;
   2° le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille n'a pas quitté le territoire du Royaume dans le délai qui lui était octroyé;
   3° avant l'écoulement du délai octroyé pour quitter le territoire du Royaume, le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille présente un risque de fuite, n'a pas respecté les mesures préventives imposées ou constitue une menace pour l'ordre public ou la sécurité nationale.
   § 2. [2 ...]2.
   § 3. [2 ...]2]1

  
Art. 41. [1 § 1. Het recht op binnenkomst wordt erkend aan de burger van de Unie op voorlegging van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, of indien hij op een andere wijze kan laten vaststellen of bewijzen dat hij het recht van vrij verkeer en verblijf geniet.
   Als de burger van de Unie niet over de vereiste documenten beschikt, stelt de minister of zijn gemachtigde hem alvorens tot zijn terugdrijving over te gaan in de gelegenheid om binnen redelijke grenzen de vereiste documenten te verkrijgen dan wel zich deze binnen een redelijke termijn te laten bezorgen, dan wel op een andere wijze te laten vaststellen dat hij het recht van vrij verkeer en verblijf geniet.
   § 2. Het recht op binnenkomst wordt erkend aan de familieleden van een burgers van de Unie bedoeld in artikel 40bis, § 2, die geen burger van de Unie zijn, op voorlegging van een geldig paspoort dat, in voorkomend geval, voorzien is van een geldig inreisvisum overeenkomstig de [2 Verordening (EU) 2018/1806 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld]2.
   De Koning bepaalt de nadere regels van de afgifte van het visum.
   Het bezit van een verblijfskaart van familielid van een burger van de Unie of van een duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie, verstrekt op basis van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, stelt het familielid vrij van de verplichting het inreisvisum bedoeld in het eerste lid te verkrijgen.
   Als het familielid van een burger van de Unie niet over de vereiste documenten beschikt, stelt de minister of zijn gemachtigde hem alvorens tot zijn terudrijving over te gaan, in de gelegenheid binnen redelijke grenzen de de vereiste documenten te verkrijgen dan wel zich deze binnen een redelijke termijn te laten bezorgen, dan wel op andere wijze te laten vaststellen of te bewijzen dat hij het recht op vrij verkeer en verblijf geniet.
   § 3. De houder van een identiteitskaart of van een paspoort afgegeven door de Belgische overheden, wordt zonder formaliteit tot het grondgebied van het Rijk toegelaten, zelfs wanneer zijn nationaliteit wordt betwist of wanneer dit document vervallen is.
   § 4. Indien de burger van de Unie niet in het bezit is van een geldige identiteitskaart of een geldig nationaal paspoort, of indien het familielid van de burger van de Unie, dat geen burger van de Unie is, niet in het bezit is van een geldig nationaal paspoort dat, in voorkomend geval, voorzien is van een geldig inreisvisum overeenkomstig de voormelde [2 Verordening (EU) 2018/1806]2, kan de minister of zijn gemachtigde hem een administratieve geldboete van 200 euro opleggen. Deze geldboete wordt geïnd overeenkomstig artikel 42octies.]1

  
Art. 44sexies. [1 Lorsque les circonstances propres à chaque cas le justifient, le ministre ou son délégué peut reporter temporairement l'éloignement. Il en informe l'intéressé.
   Pour éviter tout risque de fuite, [2 le ministre ou son délégué peut contraindre le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille]2 à remplir des mesures préventives. [2 ...]2.
   [2 ...]2]1

  
Art. 41bis. < Inwerkingtreding : 01-06-2008>> De burger van de Unie die naar Belgiы komt voor een verblijf van ten hoogste drie maanden en zijn familieleden die hem begeleiden of vervoegen, die niet logeren in een logementshuis dat onder- worpen is aan de wetgeving betreffende de controle op de reizigers, moeten hun aanwezigheid op het grondgebied binnen de tien werkdagen nadat zij het Rijk zijn binnengekomen melden bij het gemeentebestuur van de plaats waar zij verblijven, tenzij zij behoren tot щщn der categorieыn van vreemdelingen die de Koning van deze verplichting heeft vrijgesteld.
   De Koning bepaalt het model van attest dat uitgereikt wordt ten bewijze van deze melding van aanwezigheid. Indien de aanwezigheid niet binnen de in het eerste lid voorziene periode gemeld werd, kan er door de minister of zijn gemachtigde een administratieve geldboete van 200 euro geheven worden. Deze geldboete wordt geяnd overeenkomstig artikel 42octies.
Art. 44septies. [1 § 1er. Si des raisons d'ordre public, de sécurité nationale ou de santé publique l'exigent et à moins que d'autres mesures moins coercitives puissent s'appliquer efficacement, les citoyens de l'Union et les membres de leurs familles peuvent, en vue de garantir l'exécution de la mesure d'éloignement, être maintenus pendant le temps strictement nécessaire à l'exécution de la mesure sans que la durée du maintien ne puisse dépasser deux mois.
   Toutefois, le ministre ou son délégué peut prolonger la durée de ce maintien par période de deux mois, lorsque les démarches nécessaires en vue de l'éloignement de l'étranger ont été entreprises dans les sept jours ouvrables suivant le maintien du citoyen de l'Union ou du membre de sa famille, qu'elles sont poursuivies avec toute la diligence requise et qu'il subsiste toujours une possibilité d'éloigner effectivement l'intéressé dans un délai raisonnable.
   Après une première prolongation, la décision de prolonger la durée du maintien peut être prise uniquement par le ministre.
   Après cinq mois, le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille doit être mis en liberté. [2 Dans le cas où la sauvegarde de l'ordre public ou la sécurité nationale l'exige, le maintien peut être prolongé chaque fois d'un mois sans toutefois que la durée totale du maintien puisse dépasser huit mois]2.
   § 2. Le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille visé au paragraphe 1er peut introduire un recours à l'encontre de la décision de maintien dont il fait l'objet, conformément aux articles 71 et suivants.]1

  
Art.42. <W 2007-04-25/49, art. 25, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2008> § 1. [1 Het recht op een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk wordt zo snel mogelijk en ten laatste zes maanden volgend op de datum van aanvraag zoals bepaald in § 4, tweede lid, erkend aan de burger van de Unie en zijn familieleden onder de voorwaarden en voor de duur door de Koning bepaald overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen. Bij de erkenning wordt rekening gehouden met het geheel van de elementen van het dossier.
   [2 Indien aan de voorwaarde van het toereikend karakter van de bestaansmiddelen bedoeld in de artikelen 40bis, § 4, tweede lid, en 40ter, § 2, tweede lid, 1°, niet is voldaan,]2 dient de minister of zijn gemachtigde, op basis van de eigen behoeften van de burger van de Unie die vervoegd wordt en van zijn familieleden te bepalen welke bestaansmiddelen zij nodig hebben om in hun behoeften te voorzien zonder ten laste te vallen van de openbare overheden. [3 De vreemdeling legt hiervoor bij de indiening van de aanvraag alle documenten en inlichtingen over die voor het bepalen van dit bedrag nuttig zijn. De minister of zijn gemachtigde houdt bij de beoordeling rekening met alle geldige bewijzen die in dit verband door de vreemdeling werden voorgelegd. De Koning kan bepalen welke documenten, in voorkomend geval, kunnen worden voorgelegd ter ondersteuning van de behoefteanalyse]3.]1

  § 2. Voor de burgers van de Unie wordt het recht op verblijf van meer dan drie maanden geconstateerd door een verklaring van inschrijving. Zij worden al naargelang het geval ingeschreven in het vreemdelingenregister of in het bevolkingsregister.
  § 3. Voor de familieleden van de burger van de Unie die zelf geen burgers van de Unie zijn, wordt het recht op verblijf geconstateerd door een verblijfsvergunning. Zij worden ingeschreven in het vreemdelingenregister. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is gelijk aan de voorziene periode van verblijf van de burger van de Unie die zij begeleiden of vervoegen en bedraagt ten hoogste vijf jaar vanaf de datum van afgifte.
  § 4. De verklaring van inschrijving en de verblijfsvergunning worden afgegeven volgens de modaliteiten door de Koning bepaald overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen.
  Zij moeten ten laatste worden aangevraagd bij het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van binnenkomst bij het gemeentebestuur van de plaats waar men verblijft. Indien na het verstrijken van deze periode, geen verklaring van inschrijving of verblijfsvergunning wordt aangevraagd, kan er door de minister of zijn gemachtigde een administratieve geldboete van 200 euro geheven worden. Deze geldboete wordt geïnd overeenkomstig artikel 42octies.
  
Art. 44octies. [1 Ne peuvent être maintenus dans les lieux au sens de l'article 74/8, § 2 :
   1° les citoyens de l'Union mineurs d'âge non accompagnés;
   2° les membres de la famille d'un citoyen de l'Union mineurs d'âge non accompagnés;
   3° les familles des citoyens de l'Union lorsqu'elles se composent d'au moins un mineur d'âge.]1

  
Art. 42. <W 2007-04-25/49, art. 25, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2008> § 1. [1 Het recht op een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk wordt zo snel mogelijk en ten laatste zes maanden volgend op de datum van aanvraag zoals bepaald in § 4, tweede lid, erkend aan de burger van de Unie en zijn familieleden onder de voorwaarden en voor de duur door de Koning bepaald overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen. Bij de erkenning wordt rekening gehouden met het geheel van de elementen van het dossier.
   [2 Indien aan de voorwaarde van het toereikend karakter van de bestaansmiddelen bedoeld in de artikelen 40bis, § 4, tweede lid, en 40ter, § 2, tweede lid, 1°, niet is voldaan,]2 dient de minister of zijn gemachtigde, op basis van de eigen behoeften van de burger van de Unie die vervoegd wordt en van zijn familieleden te bepalen welke bestaansmiddelen zij nodig hebben om in hun behoeften te voorzien zonder ten laste te vallen van de openbare overheden. [3 De vreemdeling legt hiervoor bij de indiening van de aanvraag alle documenten en inlichtingen over die voor het bepalen van dit bedrag nuttig zijn. De minister of zijn gemachtigde houdt bij de beoordeling rekening met alle geldige bewijzen die in dit verband door de vreemdeling werden voorgelegd. De Koning kan bepalen welke documenten, in voorkomend geval, kunnen worden voorgelegd ter ondersteuning van de behoefteanalyse]3.]1

  § 2. Voor de burgers van de Unie wordt het recht op verblijf van meer dan drie maanden geconstateerd door een verklaring van inschrijving. Zij worden al naargelang het geval ingeschreven in het vreemdelingenregister of in het bevolkingsregister.
  § 3. Voor de familieleden van de burger van de Unie die zelf geen burgers van de Unie zijn, wordt het recht op verblijf geconstateerd door een verblijfsvergunning. Zij worden ingeschreven in het vreemdelingenregister. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is gelijk aan de voorziene periode van verblijf van de burger van de Unie die zij begeleiden of vervoegen en bedraagt ten hoogste vijf jaar vanaf de datum van afgifte.
  § 4. De verklaring van inschrijving en de verblijfsvergunning worden afgegeven volgens de modaliteiten door de Koning bepaald overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen.
  Zij moeten ten laatste worden aangevraagd bij het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van binnenkomst bij het gemeentebestuur van de plaats waar men verblijft. Indien na het verstrijken van deze periode, geen verklaring van inschrijving of verblijfsvergunning wordt aangevraagd, kan er door de minister of zijn gemachtigde een administratieve geldboete van 200 euro geheven worden. Deze geldboete wordt geïnd overeenkomstig artikel 42octies.
  
Art. 44nonies. [1 § 1er. Lorsqu'un ordre de quitter le territoire est pris à l'encontre d'un citoyen de l'Union ou d'un membre de sa famille, le ministre ou son délégué peut l'assortir d'une interdiction d'entrée sur le territoire du Royaume uniquement pour des raisons d'ordre public, de sécurité nationale ou de santé publique.
   § 2. La durée de l'interdiction d'entrée ne peut pas dépasser cinq ans sauf si le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille constitue une menace grave pour l'ordre public ou la sécurité nationale.
   La durée est déterminée en tenant compte de toutes les circonstances propres à chaque cas.
   § 3. L'interdiction d'entrée ne peut pas contrevenir au droit à la protection internationale.]1

  
Art. 42ter. [1 § 1. Tenzij de familieleden van een burger van de Unie die zelf burger van de Unie zijn, zelf een verblijfsrecht uitoefenen als bedoeld in artikel 40, § 4, of opnieuw voldoen aan de in artikel 40bis, § 2, bedoelde voorwaarden, kan er [2 binnen vijf jaar]2 na de erkenning van hun recht op verblijf in de hoedanigheid van familielid van de burger van de Unie, een einde gesteld worden aan hun verblijfsrecht door de minister of zijn gemachtigde in de volgende gevallen :
   1° er wordt een einde gesteld aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben;
   2° de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, vertrekt uit het Rijk;
   3° de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, overlijdt;
   4° het huwelijk met de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, wordt ontbonden of nietig verklaard, het geregistreerd partnerschap dat aangegaan werd, zoals bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, wordt beëindigd, of er is geen gezamenlijke vestiging meer;
   5° de familieleden van een burger van de Unie bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° of 3°, vormen een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk;
  [5 6° de minister of zijn gemachtigde trekt het verblijf van de begeleide of vervoegde burger van de Unie overeenkomstig artikel 44 in;]5
  [6 7° de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn in de eerste graad bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 5°, draagt niet meer de daadwerkelijke zorg voor de minderjarige burger van de Unie;
   8° de burger van de Unie bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° of 3°, die zij begeleid of vervoegd hebben, beschikt niet meer over voldoende bestaansmiddelen en/of een ziektekostenverzekering bedoeld in artikel 40bis, § 4, tweede lid.]6

   [3 Voor de toepassing van het eerste lid, 5°, teneinde te bepalen of de familieleden van een burger van de Unie een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk vormen, wordt rekening gehouden met het al dan niet tijdelijke karakter van hun moeilijkheden, de duur van hun verblijf in het Rijk, hun persoonlijke situatie en het bedrag van de aan hen uitgekeerde steun.]3
   Bij de beslissing om een einde te stellen aan het verblijf houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in het Rijk, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong.
   § 2. De in § 1, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde gevallen zijn niet van toepassing op kinderen van de burger van de Unie die in het Rijk verblijven en aan een onderwijsinstelling zijn ingeschreven alsmede op de ouder die de bewaring heeft van de kinderen, dit tot hun studie voltooid is.
   § 3. De minister of zijn gemachtigde kan zonodig controleren of aan de naleving van de voorwaarden voor de uitoefening van het verblijfsrecht is voldaan.]1

  
Art. 44decies. [1 § 1er. Le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille, qui fait l'objet d'une décision d'interdiction d'entrée sur le territoire du Royaume, peut en demander la suspension ou la levée après un délai raisonnable et en tout cas après trois ans à compter de son exécution.
   § 2. La demande de suspension ou de levée de l'interdiction d'entrée doit être introduite auprès du ministre ou de son délégué à partir du pays d'origine ou de résidence du citoyen de l'Union ou du membre de sa famille.
   Le ministre ou son délégué dispose d'un délai de six mois pour se prononcer sur la demande.
   § 3. Si la demande n'est pas introduite conformément au paragraphe 2, le ministre ou son délégué refuse de prendre la demande en considération.
   Si les moyens invoqués par le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille établissent un changement matériel des circonstances qui avaient justifié la décision d'interdiction d'entrée sur le territoire du Royaume, le ministre ou son délégué suspend ou lève l'interdiction d'entrée. Dans le cas contraire, il refuse la demande de suspension ou de levée de l'interdiction d'entrée.
   § 4. Pendant l'examen de sa demande de suspension ou de levée de l'interdiction d'entrée, le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille n'a aucun droit d'accès ou de séjour sur le territoire du Royaume.]1

  
Art. 42quater. [1 § 1. In de volgende gevallen kan er door de minister of zijn gemachtigde [2 binnen vijf jaar]2 na de erkenning van hun recht op verblijf een einde gesteld worden aan het verblijfsrecht van de familieleden van een burger van de Unie die zelf geen burger van de Unie zijn en die verblijven in de hoedanigheid van familielid van de burger van de Unie :
   1° er wordt een einde gesteld aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben;
   2° de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, vertrekt uit het Rijk;
   3° de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, overlijdt;
   4° het huwelijk met de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, wordt ontbonden [4 ...]4, het geregistreerd partnerschap dat aangegaan werd, zoals bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, wordt beëindigd, of er is geen gezamenlijke vestiging meer;
   5° de familieleden van een burger van de Unie, bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° of 3°, vormen een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk;
  [5 6° de minister of zijn gemachtigde trekt het verblijf van de begeleide of vervoegde burger van de Unie overeenkomstig artikel 44 in;]5
  [6 7° de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn in de eerste graad bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 5°, draagt niet meer de daadwerkelijke zorg voor de minderjarige burger van de Unie;
   8° de burger van de Unie bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° of 3°, die zij begeleid of vervoegd hebben, beschikt niet meer over voldoende bestaansmiddelen en/of een ziektekostenverzekering bedoeld in artikel 40bis, § 4, tweede lid.]6

   [3 Voor de toepassing van het eerste lid, 5°, teneinde te bepalen of de familieleden van een burger van de Unie een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk vormen, wordt rekening gehouden met het al dan niet tijdelijke karakter van hun moeilijkheden, de duur van hun verblijf in het Rijk, hun persoonlijke situatie en het bedrag van de aan hen uitgekeerde steun.]3
   Bij de beslissing om een einde te stellen aan het verblijf houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in het Rijk, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong.
   § 2. De in § 1, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde gevallen zijn niet van toepassing op kinderen van de burger van de Unie die in het Rijk verblijven en aan een onderwijsinstelling zijn ingeschreven alsmede op de ouder die de bewaring heeft van de kinderen, dit tot hun studie voltooid is.
   § 3. Het in § 1, eerste lid, 3°, bedoelde geval is niet van toepassing op de familieleden die ten minste één jaar in het Rijk verbleven hebben in de hoedanigheid van een familielid van de burger van de Unie, en voor zover betrokkenen aantonen werknemer of zelfstandige te zijn in België, of voor zichzelf en hun familieleden te beschikken over voldoende bestaansmiddelen zoals bedoeld in artikel 40, § 4, tweede lid, om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste vallen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk en te beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt, of lid te zijn van een in het Rijk gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet.
   § 4. Onder voorbehoud van het bepaalde in § 5 is het in § 1, eerste lid, 4°, bedoelde geval niet van toepassing :
   1° indien het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke vestiging bij de aanvang van de gerechtelijke procedure tot ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of bij de beëindiging van het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke vestiging, ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan minstens één jaar in het Rijk. In geval van nietigverklaring van het huwelijk dient de echtgenoot bovendien te goeder trouw te zijn geweest;
   2° of indien het recht van bewaring van de kinderen van de burger van de Unie, die in het Rijk verblijven, bij overeenkomst tussen de echtgenoten of de partners, bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, dan wel bij gerechtelijke beslissing is toegewezen aan de echtgenoot of partner die geen burger van de Unie is;
   3° of indien het omgangsrecht met een minderjarig kind, bij overeenkomst tussen de echtgenoten of partners als bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, dan wel bij gerechtelijke beslissing is toegewezen aan de echtgenoot of partner, bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, die geen burger van de Unie is en de rechter heeft bepaald dat dit recht van bewaring moet uitgeoefend worden in het Rijk en dit zolang het nodig is;
   4° of indien bijzonder schrijnende situaties dit rechtvaardigen, bijvoorbeeld indien het familielid aantoont tijdens het huwelijk of het geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2° het slachtoffer te zijn geweest van geweld in de familie alsook van geweld zoals bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405, van het Strafwetboek;
   en voor zover betrokkenen aantonen werknemer of zelfstandige te zijn in België, of voor zichzelf en hun familieleden te beschikken over voldoende bestaansmiddelen, bedoeld in artikel 40, § 4, tweede lid, om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste vallen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk en beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt, of lid zijn van een in het Rijk gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet.
   § 5. De minister of zijn gemachtigde kan zonodig controleren of aan de naleving van de voorwaarden voor de uitoefening van het verblijfsrecht is voldaan.]1

  
Art.45. [1 § 1er. Les raisons d'ordre public, de sécurité nationale et de santé publique visées aux articles 43 et 44bis ne peuvent être invoquées à des fins économiques.
   § 2. Les décisions visées aux articles 43 et 44bis doivent respecter le principe de proportionnalité et être fondées exclusivement sur le comportement personnel du citoyen concerné de l'Union ou du membre de sa famille.
   L'existence de condamnations pénales antérieures ne peut à elle seule motiver de telles décisions.
   Le comportement du citoyen de l'Union ou du membre de sa famille doit représenter une menace réelle, actuelle et suffisamment grave pour un intérêt fondamental de la société. Des justifications non directement liées au cas individuel concerné ou tenant à des raisons de prévention générale ne peuvent pas être retenues.
   Aux fins d'établir si le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille représente un danger pour l'ordre public ou la sécurité nationale, le ministre ou son délégué peut, lors de la délivrance de l'attestation d'enregistrement ou de la carte de séjour de membre de la famille d'un citoyen de l'Union et s'il le juge indispensable, demander à l'Etat membre d'origine et, éventuellement, à d'autres Etats membres des renseignements sur les antécédents judiciaires de la personne concernée. Cette consultation ne peut pas avoir un caractère systématique.
   § 3. Seules les maladies énumérées dans l'annexe de la présente loi peuvent justifier les mesures visées aux articles 43 et 44bis.
   La survenance d'une de ces maladies après une période de trois mois suivant l'arrivée du citoyen de l'Union ou du membre de sa famille sur le territoire du Royaume ne permet pas au ministre ou à son délégué de mettre fin au séjour du citoyen de l'Union ou du membre de sa famille conformément à l'article 44bis.
   Dans les trois mois suivant leur arrivée sur le territoire du Royaume et si des indices sérieux le justifient, le ministre ou son délégué peut soumettre le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille à un examen médical gratuit afin qu'il soit attesté qu'il ne souffre pas d'une des maladies visées à l'alinéa 1er. Cet examen médical ne peut pas avoir un caractère systématique.
   § 4. L'expiration de la carte d'identité ou du passeport ayant permis au citoyen de l'Union ou au membre de sa famille d'entrer sur le territoire du Royaume ne constitue pas un motif suffisant pour mettre fin à son séjour.]1

  
Art. 42quater. [1 § 1. In de volgende gevallen kan er door de minister of zijn gemachtigde [2 binnen vijf jaar]2 na de erkenning van hun recht op verblijf een einde gesteld worden aan het verblijfsrecht van de familieleden van een burger van de Unie die zelf geen burger van de Unie zijn en die verblijven in de hoedanigheid van familielid van de burger van de Unie :
   1° er wordt een einde gesteld aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben;
   2° de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, vertrekt uit het Rijk;
   3° de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, overlijdt;
   4° het huwelijk met de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, wordt ontbonden [4 ...]4, het geregistreerd partnerschap dat aangegaan werd, zoals bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, wordt beëindigd, of er is geen gezamenlijke vestiging meer;
   5° de familieleden van een burger van de Unie, bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° of 3°, vormen een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk;
  [5 6° de minister of zijn gemachtigde trekt het verblijf van de begeleide of vervoegde burger van de Unie overeenkomstig artikel 44 in;]5
  [6 7° de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn in de eerste graad bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 5°, draagt niet meer de daadwerkelijke zorg voor de minderjarige burger van de Unie;
   8° de burger van de Unie bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° of 3°, die zij begeleid of vervoegd hebben, beschikt niet meer over voldoende bestaansmiddelen en/of een ziektekostenverzekering bedoeld in artikel 40bis, § 4, tweede lid.]6

   [3 Voor de toepassing van het eerste lid, 5°, teneinde te bepalen of de familieleden van een burger van de Unie een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk vormen, wordt rekening gehouden met het al dan niet tijdelijke karakter van hun moeilijkheden, de duur van hun verblijf in het Rijk, hun persoonlijke situatie en het bedrag van de aan hen uitgekeerde steun.]3
   Bij de beslissing om een einde te stellen aan het verblijf houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in het Rijk, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong.
   § 2. De in § 1, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde gevallen zijn niet van toepassing op kinderen van de burger van de Unie die in het Rijk verblijven en aan een onderwijsinstelling zijn ingeschreven alsmede op de ouder die de bewaring heeft van de kinderen, dit tot hun studie voltooid is.
   § 3. Het in § 1, eerste lid, 3°, bedoelde geval is niet van toepassing op de familieleden die ten minste één jaar in het Rijk verbleven hebben in de hoedanigheid van een familielid van de burger van de Unie, en voor zover betrokkenen aantonen werknemer of zelfstandige te zijn in België, of voor zichzelf en hun familieleden te beschikken over voldoende bestaansmiddelen zoals bedoeld in artikel 40, § 4, tweede lid, om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste vallen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk en te beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt, of lid te zijn van een in het Rijk gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet.
   § 4. Onder voorbehoud van het bepaalde in § 5 is het in § 1, eerste lid, 4°, bedoelde geval niet van toepassing :
   1° indien het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke vestiging bij de aanvang van de gerechtelijke procedure tot ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of bij de beëindiging van het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke vestiging, ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan minstens één jaar in het Rijk. In geval van nietigverklaring van het huwelijk dient de echtgenoot bovendien te goeder trouw te zijn geweest;
   2° of indien het recht van bewaring van de kinderen van de burger van de Unie, die in het Rijk verblijven, bij overeenkomst tussen de echtgenoten of de partners, bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, dan wel bij gerechtelijke beslissing is toegewezen aan de echtgenoot of partner die geen burger van de Unie is;
   3° of indien het omgangsrecht met een minderjarig kind, bij overeenkomst tussen de echtgenoten of partners als bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, dan wel bij gerechtelijke beslissing is toegewezen aan de echtgenoot of partner, bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, die geen burger van de Unie is en de rechter heeft bepaald dat dit recht van bewaring moet uitgeoefend worden in het Rijk en dit zolang het nodig is;
   4° of indien bijzonder schrijnende situaties dit rechtvaardigen, bijvoorbeeld indien het familielid aantoont tijdens het huwelijk of het geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2° het slachtoffer te zijn geweest van geweld in de familie alsook van geweld zoals bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405, van het Strafwetboek;
   en voor zover betrokkenen aantonen werknemer of zelfstandige te zijn in België, of voor zichzelf en hun familieleden te beschikken over voldoende bestaansmiddelen, bedoeld in artikel 40, § 4, tweede lid, om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste vallen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk en beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt, of lid zijn van een in het Rijk gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet.
   § 5. De minister of zijn gemachtigde kan zonodig controleren of aan de naleving van de voorwaarden voor de uitoefening van het verblijfsrecht is voldaan.]1

  
Art. 42quinquies. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/49, art. 29; Inwerkingtreding : 01-06-2008> § 1. Onverminderd artikel 42sexies en voorzover er geen procedure hangende is voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overeenkomstig artikel 39/79, wordt een duurzaam recht op verblijf erkend aan de in artikel 40, § 4, [1 ...]1, bedoelde burger van de Unie en zijn familieleden, voorzover zij gedurende een ononderbroken periode van [1 vijf]1 jaar in het Rijk verbleven hebben [2 ...]2 [2 en dit overeenkomstig de rechtsinstrumenten van de Europese Unie]2.
  Familieleden die geen burger van de Unie zijn, kunnen het in het eerste lid bedoelde duurzaam recht slechts verkrijgen indien zij gedurende deze periode gezamenlijk gevestigd waren met de burger van de Unie. Deze voorwaarde inzake gezamenlijke vestiging geldt niet voor de familieleden die de in artikel 42quater, §§ 3 en 4 bedoelde voorwaarden vervullen, noch voor familieleden die hun verblijf behouden op grond van artikel 42quater, § 1, tweede lid.
  § 2. [1 ...]1
  § 3. Het ononderbroken karakter van het verblijf wordt niet beïnvloed door tijdelijke afwezigheden van niet meer dan zes maanden per jaar, door afwezigheden van langere duur voor de vervulling van militaire verplichtingen, door één afwezigheid van ten hoogste twaalf achtereenvolgende maanden om belangrijke redenen, zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, noch door uitzending om werkzaamheden te verrichten buiten het Rijk.
  § 4. Indien een procedure hangende is voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overeenkomstig artikel 39/79, wordt de erkenning van het duurzaam recht op verblijf geschorst in afwachting van de beslechting van deze procedure en van een definitieve beslissing van de minister of zijn gemachtigde.
  § 5. [3 Het duurzaam verblijfsrecht van de burgers van de Europese Unie wordt vastgesteld door de afgifte van een document waaruit de duurzaamheid van het verblijf blijkt. Dit document wordt afgegeven volgens de door de Koning vastgestelde nadere regels.]3
  § 6. Het duurzaam recht op verblijf voor de familieleden die geen burger van de Unie zijn, wordt geconstateerd door de afgifte van een verblijfskaart. Zij worden ingeschreven in het bevolkingsregister.
  Deze verblijfskaart wordt afgegeven volgens de modaliteiten door de Koning bepaald overeenkomstig Europese verordeningen en richtlijnen.
  Zij moet worden aangevraagd voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de in artikel 42, § 3, bedoelde verblijfsvergunning. Indien deze verblijfskaart niet tijdig wordt aangevraagd, kan er door de minister of zijn gemachtigde een administratieve geldboete van 200 euro geheven worden. Deze geldboete wordt geïnd overeenkomstig artikel 42octies.
  § 7. Wanneer een duurzaam recht op verblijf werd verkregen, kan het slechts worden verloren door een afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren uit het Rijk
  
Art.46. (§ 1er.) Les raisons d'ordre public, de sécurité ou de santé publique qui justifient une restriction aux droits d'entrée et de séjour sont portées à la connaissance de l'intéressé, à moins que des motifs intéressant la sûreté de l'Etat ne s'y opposent. <L 2007-04-25/49, art. 36, 1°, 046; En vigueur : 01-06-2008>
  (§ 2.) (Sont notifiés à l'intéressé :
  1° le refus de déclaration d'inscription visée à l'article 42, § 2, ou le refus de délivrance du titre de séjour visé à l'article 42, § 3;
  2° la perte du droit de séjour sur la base des articles 42bis, 42ter, 42quater [1 ou de l `article 44]1;
  3° le refus de délivrance du document visé à l'article 42quinquies, § 5, ou le refus de délivrance de la carte de séjour visée à l'article 42quinquies, § 6;
  4° la perte du droit de séjour permanent sur la base de l'article 42quinquies, § 7, [1 ou de l `article 44]1.) <L 2007-04-25/49, art. 36, 2°, 046; En vigueur : 01-06-2008>
   § 3. [1 Une traduction écrite ou orale des principaux éléments de la décision d'éloignement, assortie le cas échéant d'une interdiction d'entrée, y compris des informations concernant les voies de recours dans une langue que le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille comprend, ou dont il est raisonnable de supposer qu'il la comprend, peut être obtenue sur demande de l'intéressé auprès du ministre ou de son délégué. Ceci est mentionné explicitement dans la décision.]1
  (§ 4.) [1 ...]1
  
Art. 42sexies. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/49, art. 30, Inwerkingtreding : 01-06-2008> § 1. In afwijking op artikel 42quinquies wordt het duurzaam recht op verblijf alvorens de ononderbroken periode van [1 vijf]1 jaar verblijf verstreken is, toegekend aan de volgende categorieën werknemers of zelfstandigen, bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 1° :
  1° de werknemer of zelfstandige die zijn werkzaamheid staakt als gevolg van blijvende arbeidsongeschiktheid, mits :
  a) hetzij hij meer dan twee jaar ononderbroken in het Rijk heeft verbleven;
  b) hetzij de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een arbeidsongeval of een beroepsziekte waardoor recht ontstaat op een uitkering die geheel of ten dele ten laste komt van een instelling van het Rijk;
  c) hetzij zijn echtgenoot of partner bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1°, een Belgische onderdaan is;
  2° de werknemer of zelfstandige die op het tijdstip waarop hij zijn werkzaamheid staakt, de wettelijke leeftijd heeft bereikt waarop hij aanspraak kan maken op een ouderdomspensioen, of de werknemer die zijn bezoldigde werkzaamheid staakt ten gevolge van vervroegde uittreding, mits hun echtgenoot of partner bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1°, een Belgische onderdaan is.
  De tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid, die naar behoren zijn vastgesteld door de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening en waarin de betrokkene wegens een aan hem niet-toerekenbare reden niet heeft gewerkt, of perioden van afwezigheid of onderbreking van de werkzaamheid wegens ziekte of ongeval, worden als tijdvakken van werkzaamheid beschouwd.
  § 2. De familieleden van de in § 1 bedoelde burger van de Unie verkrijgen eveneens een duurzaam recht op verblijf.
  § 3. Wanneer de in artikel 40, § 4, eerste lid, 1°, bedoelde werknemer of zelfstandige overlijdt in de loop van zijn beroepsleven voordat hij op grond van § 1 het recht op duurzaam verblijf verkregen heeft, verwerven de familieleden die bij hem in het Rijk verblijven een duurzaam recht op verblijf indien :
  1° hetzij de werknemer of zelfstandige op het tijdstip van overlijden gedurende twee jaar ononderbroken in het Rijk verbleven heeft;
  2° hetzij het overlijden van de werknemer of zelfstandige het gevolg is geweest van een arbeidsongeval of beroepsziekte.
  
Art. 46bis. [1 Le ministre ou son délégué ne peut pas mettre fin au séjour et délivrer un ordre de quitter le territoire à citoyen de l'Union ou à un membre de sa famille qui bénéficie de la protection internationale dans le Royaume.]1
  
Art. 42octies. Inwerkingtreding : 01-06-2008> § 1. De beslissing waarbij de administratieve geldboete, bedoeld in de artikelen 41, vierde lid, 41bis, tweede lid, 42, § 4, tweede lid, en 42quinquies, § 6, derde lid, wordt opgelegd is onmiddellijk uitvoerbaar, niettegenstaande hoger beroep.   De administratieve geldboete kan betaald worden door middel van de consignatie van het verschuldigde bedrag bij de Deposito- en Consignatiekas.   § 2. De burger van de Unie, of in voorkomend geval zijn familielid, die de beslissing van de minister of van diens gemachtigde betwist, stelt op straffe van verval binnen een termijn van щщn maand te rekenen van de kennisgeving van de beslissing, bij wege van een verzoekschrift beroep in bij de rechtbank van eerste aanleg.   Indien de rechtbank van eerste aanleg het beroep ontvankelijk en gegrond verklaart, wordt de betaalde of in consignatie gegeven som teruggegeven.   De rechtbank van eerste aanleg moet uitspraak doen binnen een maand te rekenen van de indiening van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift.   De tekst van het eerste lid wordt opgenomen in de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd.   § 3. Indien de burger van de Unie of zijn familielid in gebreke blijft de geldboete te betalen, wordt de beslissing van de bevoegde ambtenaar of de in kracht van gewijsde gegane beslissing van de rechtbank van eerste aanleg ter kennis gebracht van de administratie van het Kadaster, Registratie en Domeinen, met het oog op de invordering van het bedrag van de administratieve geldboete.   § 4. Indien de burger van de Unie of zijn familielid of diens vertegenwoordiger de som van de administratieve geldboete heeft geconsigneerd bij de Deposito- en Consignatiekas en indien hij binnen de hierboven vermelde termijn geen beroep heeft ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg, komt de in consignatie gegeven som ten goede aan de Staat.  Art. 42octies TOEKOMSTIG RECHT.2007-04-25/49, art. 32, Inwerkingtreding : 01-06-2008> § 1. De beslissing waarbij de administratieve geldboete, bedoeld in de artikelen 41, vierde lid, [1 ...]1 42, § 4, tweede lid, en 42quinquies, § 6, derde lid, wordt opgelegd is onmiddellijk uitvoerbaar, niettegenstaande hoger beroep.
  De administratieve geldboete kan betaald worden door middel van de consignatie van het verschuldigde bedrag bij de Deposito- en Consignatiekas.
  § 2. De burger van de Unie, of in voorkomend geval zijn familielid, die de beslissing van de minister of van diens gemachtigde betwist, stelt op straffe van verval binnen een termijn van één maand te rekenen van de kennisgeving van de beslissing, bij wege van een verzoekschrift beroep in bij de rechtbank van eerste aanleg.
  Indien de rechtbank van eerste aanleg het beroep ontvankelijk en gegrond verklaart, wordt de betaalde of in consignatie gegeven som teruggegeven.
  De rechtbank van eerste aanleg moet uitspraak doen binnen een maand te rekenen van de indiening van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift.
  De tekst van het eerste lid wordt opgenomen in de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd.
  § 3. Indien de burger van de Unie of zijn familielid in gebreke blijft de geldboete te betalen, wordt de beslissing van de bevoegde ambtenaar of de in kracht van gewijsde gegane beslissing van de rechtbank van eerste aanleg ter kennis gebracht van de administratie van het Kadaster, Registratie en Domeinen, met het oog op de invordering van het bedrag van de administratieve geldboete.
  § 4. Indien de burger van de Unie of zijn familielid of diens vertegenwoordiger de som van de administratieve geldboete heeft geconsigneerd bij de Deposito- en Consignatiekas en indien hij binnen de hierboven vermelde termijn geen beroep heeft ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg, komt de in consignatie gegeven som ten goede aan de Staat.  
Art.47. Le Roi met les dispositions du présent chapitre en concordance avec les règlements pris en exécution des traités instituant les Communautés européennes. Dans la mesure où il s'agit de matières que la Constitution ne réserve pas en propre au législateur, le Roi modifie ces mêmes dispositions pour donner effet aux directives prises en exécution des mêmes traités.
Art. 42octies. Inwerkingtreding : 01-06-2008&gt; § 1. De beslissing waarbij de administratieve geldboete, bedoeld in de artikelen 41, vierde lid, 41bis, tweede lid, 42, § 4, tweede lid, en 42quinquies, § 6, derde lid, wordt opgelegd is onmiddellijk uitvoerbaar, niettegenstaande hoger beroep.
CHAPITRE Ibis. [1 - Autres membres de la famille d'un citoyen de l'Union.]1
Art. 43.[1 § 1. De minister of zijn gemachtigde kan de binnenkomst en het verblijf van de burgers van de Unie en hun familieleden weigeren [2 ...]2 :
Art. 47/1. [1 Sans préjudice des dispositions du présent chapitre, les dispositions du chapitre Ier relatives aux membres de la famille d'un citoyen de l'Union visés à l'article 40bis ou aux membres de la famille d'un Belge qui a exercé son droit de libre circulation et de séjour visés à l'article 40ter, paragraphe 1er, s'appliquent aux autres membres de la famille visés à l'article 47/2.]1
Art. 44bis.[1 § 1. Onverminderd de paragrafen 2 en 3, kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan het verblijf van de burgers van de Unie en hun familieleden [2 ...]2 om redenen van openbare orde, nationale veiligheid of volksgezondheid.
Art. 47/2. [1 Sont considérés comme autres membres de la famille d'un citoyen de l'Union:
Art. 44ter.[2 § 1. Wanneer een burger van de Unie of zijn familielid niet of niet meer het recht heeft om op het grondgebied te verblijven, kan de minister of zijn gemachtigde hem, met toepassing van artikel 7, eerste lid, een bevel geven om het grondgebied te verlaten.
Art. 47/3. [1 § 1er. Les autres membres de la famille [2 visés à l'article 47/2, 1°,]2 doivent apporter la preuve de l'existence d'une relation avec le citoyen de l'Union qu'ils veulent accompagner ou rejoindre ainsi que de son caractère durable.
Art. 44ter.[2 § 1. Wanneer een burger van de Unie of zijn familielid niet of niet meer het recht heeft om op het grondgebied te verblijven, kan de minister of zijn gemachtigde hem, met toepassing van artikel 7, eerste lid, een bevel geven om het grondgebied te verlaten.
Art. 47/4. [1 A moins qu'ils soient eux-mêmes citoyens de l'Union et qu'ils bénéficient à ce titre d'un droit de séjour visé à l'article 40, § 4, et sans préjudice des dispositions des articles 42ter et 42quater, le ministre ou son délégué peut dans les cinq années suivant la reconnaissance de leur droit de séjour mettre fin au séjour des autres membres de la famille ou refuser de renouveler leur titre de séjour lorsque:
Art. 44quinquies.[1 § 1. De minister of zijn gemachtigde neemt alle nodige maatregelen tot uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten wanneer :
CHAPITRE Iter. [1 - Bénéficiaires de l'accord de retrait.]1
Art. 44quinquies. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde neemt alle nodige maatregelen tot uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten wanneer :
   1° aan de burger van de Unie of zijn familielid geen termijn is toegestaan om het grondgebied van het Rijk te verlaten;
   2° de burger van de Unie of zijn familielid het grondgebied van het Rijk niet heeft verlaten binnen de termijn die hem is toegestaan;
   3° de burger van de Unie of zijn familielid, voordat de toegestane termijn om het grondgebied van het Rijk te verlaten is verstreken, een risico op onderduiken vormt, de opgelegde preventieve maatregelen niet heeft nageleefd of een bedreiging is voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
   § 2. [2 ...]2.
   § 3. [2 ...]2.]1

  
Art. 47/5. [1 § 1er. Les dispositions du chapitre I et Ibis concernant le long séjour, le séjour permanent et la fin de séjour applicable aux citoyens de l'Union et leurs membres de la famille, sont applicables aux bénéficiaires de l'accord de retrait sauf dispositions contraires dans cet accord ou cette loi.
   § 2. Les étrangers visés au présent chapitre sont tenus d'introduire une demande de statut de résident en tant que bénéficiaire de l'accord de retrait qui sera évaluée conformément aux conditions énoncées à l'article 18, paragraphe 1er, de l'accord de retrait, ou d'introduire une demande en vue d'obtenir un document indiquant les droits des travailleurs frontaliers.
   Le Roi détermine la manière dont les demandes visées au paragraphe 1er sont introduites.
   § 3. Les demandes visées au paragraphe 2, alinéa 1er, doivent être introduites au plus tard le 31 décembre 2021.
   Pour les personnes visées à l'article 10, paragraphe 1er, point e), ii) et iii) et à l'article 10, paragraphe 4, de l'accord de retrait qui, conformément au présent chapitre, ont le droit de commencer leur séjour après la fin de la période de transition, la demande de statut de résident en tant que bénéficiaire de l'accord de retrait visée au paragraphe 2, alinéa 1er, doit être introduite dans les trois mois après leur arrivée ou avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er, la date la plus tardive étant retenue.
   Si la demande est introduite en dehors du délai visé aux alinéas 1er et 2, le ministre ou son délégué évalue toutes les circonstances et les raisons du non-respect de ce délai et autorise la personne à introduire une demande dans un délai supplémentaire raisonnable s'il existe des motifs raisonnables qui justifient le non-respect du délai initial.
   Le Roi détermine le modèle d'attestation à délivrer immédiatement comme preuve de l'introduction de la demande d'un nouveau statut de résident.
   § 4. Chaque demandeur est soumis à un contrôle systématique des antécédents criminels et en matière de sécurité.
   A cet effet, si le demandeur est âgé de dix-huit ans ou plus, il joint à sa demande un extrait du casier judiciaire belge, ou un extrait du casier judiciaire ou un document équivalent et, le cas échéant, sa traduction légalisée, délivré par le pays d'origine ou de dernière résidence, datant de six mois au plus.
   § 5. Si le comportement du bénéficiaire de l'accord de retrait, qui s'est produit après la fin de la période de transition, constitue un motif de restriction du droit de séjour ou du droit d'entrée dans l'Etat de travail, ce comportement est examiné conformément aux dispositions de la présente loi.
   § 6. Les personnes visées à l'article 10, paragraphe 1er, point b), de l'accord de retrait qui peuvent prouver qu'elles ont exercé leur droit de séjour sans être titulaires d'un titre de séjour valable doivent fournir la preuve qu'elles résidaient déjà en tant que citoyen Britannique sur le territoire avant la fin de la période de transition et justifier leur demande au moyen de tous les documents visés à l'article 18, paragraphe 1er, point k), de l'accord de retrait.
   Les personnes visées à l'article 10, paragraphe 1er, point d), de l'accord de retrait qui ont exercé leur droit en tant que travailleurs frontaliers sans être titulaires d'un document valable attestant de ce fait doivent fournir la preuve qu'elles travaillaient déjà sur le territoire en tant que travailleur frontalier britannique avant la fin de la période de transition et justifier leur demande au moyen d'un passeport ou d'une carte d'identité nationale en cours de validité et d'une promesse d'embauche ou attestation d'emploi ou d'une preuve attestant d'une activité non salariée.
   Les personnes visées à l'article 10, paragraphe 1er, point e), i), de l'accord de retrait qui peuvent prouver qu'elles ont exercé leur droit de séjour sans être titulaires d'un titre de séjour valable doivent fournir la preuve qu'elles résidaient déjà sur le territoire avant la fin de la période de transition et justifier leur demande au moyen de tous les documents visés à l'article 18, paragraphe 1er, point l), de l'accord de retrait.
   Les personnes visées à l'article 10, paragraphe 1er, point e), ii) et iii), de l'accord de retrait qui ont le droit de commencer leur séjour après la fin de la période de transition conformément au présent chapitre et les personnes visées à l'article 10, paragraphe 4, doivent justifier leur demande au moyen des documents visés à l'article 18, paragraphe 1er, point m), de l'accord de retrait.
   § 7. Le Roi détermine le document attestant le statut de séjour et le document indiquant les droits des travailleurs frontaliers, ainsi que le montant éventuel des frais relatifs à la production de la carte conformément à l'article 18, paragraphe 1er, points g) et h), et à l'article 26 de l'accord de retrait. ".
   § 8. L'attestation d'enregistrement valable, la carte de séjour valable en tant que membre de la famille d'un citoyen de l'Union, le document valable attestant de la permanence du séjour et la carte de séjour permanent de membre de la famille d'un citoyen de l'Union valable, délivrés aux ressortissants de pays tiers ou à un membre de leur famille, expirent automatiquement le 31 mars 2022.]1

  
Art. 44septies.[1 § 1. Indien redenen van openbare orde, nationale veiligheid of volksgezondheid het vereisen en tenzij andere, minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, kunnen de burgers van de Unie en hun familieleden, met de bedoeling de uitvoering van de maatregel tot verwijdering te garanderen, worden vastgehouden voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel, zonder dat de duur van de vasthouding twee maanden te boven mag gaan.
CHAPITRE II. - (Réfugiés et personnes pouvant bénéficier de la protection subsidiaire)
Art. 44septies.[1 § 1. Indien redenen van openbare orde, nationale veiligheid of volksgezondheid het vereisen en tenzij andere, minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, kunnen de burgers van de Unie en hun familieleden, met de bedoeling de uitvoering van de maatregel tot verwijdering te garanderen, worden vastgehouden voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel, zonder dat de duur van de vasthouding twee maanden te boven mag gaan.
SECTION I. - (Le statut de réfugié et le statut de protection subsidiaire)
Art. 44nonies. [1 § 1. Wanneer een bevel om het grondgebied te verlaten wordt genomen ten aanzien van een burger van de Unie of zijn familielid, kan de minister of zijn gemachtigde dit bevel met een inreisverbod voor het grondgebied van het Rijk gepaard laten gaan, en dit uitsluitend om redenen van openbare orde, nationale veiligheid of volksgezondheid.
   § 2. De duur van het inreisverbod mag vijf jaar niet overschrijden, behalve indien de burger van de Unie of zijn familielid een ernstige bedreiging is voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
   De duur wordt vastgesteld door rekening te houden met alle specifieke omstandigheden van elk geval.
   § 3. Het inreisverbod kan niet ingaan tegen het recht op internationale bescherming.]1

  
Art.48. Peut être reconnu comme réfugié l'étranger qui réunit les conditions requises à ces effets par les conventions internationales liant la Belgique.
Art. 44decies. [1 § 1. De burger van de Unie of zijn familielid die een inreisverbod voor het grondgebied van het Rijk krijgt, kan er de schorsing of de intrekking van aanvragen na een redelijke termijn en in elk geval na drie jaar te rekenen vanaf de uitvoering ervan.
   § 2. De aanvraag voor de schorsing of intrekking van het inreisverbod moet worden ingediend bij de minister of zijn gemachtigde vanuit het land van oorsprong of van verblijf van de burger van de Unie of zijn familielid.
   De minister of zijn gemachtigde beschikt over een termijn van zes maanden om over de aanvraag te beslissen.
   § 3. Indien de aanvraag niet is ingediend overeenkomstig paragraaf 2, weigert de minister of zijn gemachtigde de aanvraag in overweging te nemen.
   Indien de argumenten aangevoerd door de burger van de Unie of zijn familielid een wijziging in materiële zin bewijzen in de omstandigheden die destijds de beslissing tot inreisverbod op het grondgebied van het Rijk rechtvaardigden, schorst de minister of zijn gemachtigde het inreisverbod of trekt het in. In het tegenovergestelde geval weigert hij de aanvraag tot schorsing of intrekking van het inreisverbod.
   § 4. Tijdens de behandeling van zijn aanvraag tot schorsing of intrekking van het inreisverbod heeft de burger van de Unie of zijn familielid geen recht van toegang of verblijf op het grondgebied van het Rijk.]1

  
Art. 48/2. Peut être reconnu comme réfugié ou comme personne pouvant bénéficier de la protection subsidiaire, l'étranger qui satisfait aux conditions prévues par l'article 48/3 ou par l'article 48/4.
Art.45. [1 § 1. De redenen van openbare orde, nationale veiligheid en volksgezondheid bedoeld in de artikelen 43 en 44bis mogen niet worden aangevoerd voor economische doeleinden.
   § 2. De in de artikelen 43 en 44bis bedoelde beslissingen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het persoonlijk gedrag van de betrokken burger van de Unie of zijn familielid.
   Eerdere strafrechtelijke veroordelingen zijn als zodanig geen reden voor dergelijke beslissingen.
   Het gedrag van de burger van de Unie of van zijn familielid moet een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving zijn. Motiveringen die los staan van het individuele geval of met algemene preventieve redenen verband houden, mogen niet worden aangevoerd.
   Om te beoordelen of de burger van de Unie of zijn familielid een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt, kan de minister of zijn gemachtigde, bij de afgifte van de verklaring van inschrijving of van de verblijfskaart van familielid van een burger van de Unie, en als hij het onontbeerlijk acht, aan de lidstaat van oorsprong en, eventueel aan andere lidstaten, inlichtingen vragen over de gerechtelijke antecedenten van de betrokkene. Deze raadpleging mag geen systematisch karakter dragen.
   § 3. Alleen de ziekten opgesomd in de bijlage bij deze wet kunnen de in artikelen 43 en 44bis bedoelde maatregelen rechtvaardigen.
   Het optreden van een van deze ziekten na een periode van drie maanden na de aankomst van de burger van de Unie of zijn familielid op het grondgebied van het Rijk stelt de minister of zijn gemachtigde niet in staat aan het verblijf van de burger van de Unie of zijn familielid een einde te maken overeenkomstig artikel 44bis.
   Binnen drie maanden na hun aankomst op het grondgebied van het Rijk, en indien ernstige aanwijzingen daartoe aanleiding geven, kan de minister of zijn gemachtigde de burger van de Unie of zijn familielid onderwerpen aan een kosteloos medisch onderzoek opdat wordt bevestigd dat hij niet lijdt aan een van de ziekten bedoeld in het eerste lid. Dit medisch onderzoek mag geen systematisch karakter dragen.
   § 4. Het verstrijken van de geldigheidsduur van de identiteitskaart of het paspoort waarmee de burger van de Unie of zijn familielid het grondgebied van het Rijk is binnengekomen, is geen voldoende reden om een einde te maken aan zijn verblijf.]1

  
Art. 48/3. § 1er. Le statut de réfugié est accordé à l'étranger qui satisfait aux conditions prévues par l'article 1er de la Convention de Genève du 28 juillet 1951 relative au statut des réfugiés, modifiée par le protocole de New York du 31 janvier 1967.
  § 2. Les actes considérés comme une persécution au sens de l'article 1 A de la Convention de Genève doivent :
  a) être suffisamment graves du fait de leur nature ou de leur caractère répété pour constituer une violation des droits fondamentaux de l'homme, en particulier des droits auxquels aucune dérogation n'est possible en vertu de l'article 15.2 de la Convention Européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales; ou
  b) être une accumulation de diverses mesures, y compris des violations des droits de l'homme, qui soit suffisamment grave pour affecter un individu d'une manière comparable à ce qui est indiqué au point a).
  Les actes de persécution précités peuvent entre autres prendre les formes suivantes :
  a) violences physiques ou mentales, y compris les violences sexuelles;
  b) mesures légales, administratives, de police et/ou judiciaires qui sont discriminatoires en soi ou mises en oeuvre d'une manière discriminatoire;
  c) poursuites ou sanctions disproportionnées ou discriminatoires;
  d) refus d'un recours juridictionnel se traduisant par une sanction disproportionnée ou discriminatoire;
  e) poursuites ou sanctions pour refus d'effectuer le service militaire, en particulier en cas de conflit lorsque le service militaire supposerait de commettre des crimes ou d'accomplir des actes relevant des clauses d'exclusion visées à l'article 55/2, § 1er;
  f) actes dirigés contre des personnes en raison de leur sexe ou contre des enfants.
  § 3. [1 Il doit exister un lien entre les motifs de persécution et les actes de persécution ou l'absence de protection contre ces actes.]1
  § 4. Dans le cadre de l'appréciation des motifs de persécution, les éléments suivants doivent être pris en considération :
  a) la notion de "race" recouvre, entre autres, des considérations de couleur, d'origine ou d'appartenance à un groupe ethnique déterminé;
  b) la notion de "religion" recouvre, entre autres, le fait d'avoir des convictions théistes, non théistes ou athées, la participation à des cérémonies de culte privées ou publiques, seul ou en communauté, ou le fait de ne pas y participer, les autres actes religieux ou expressions d'opinions religieuses ainsi que les formes de comportement personnel ou communautaire fondées sur des croyances religieuses ou imposées par celles-ci;
  c) la notion de "nationalité" ne se limite pas à la citoyenneté ou à l'inexistence de celle-ci, mais recouvre, entre autres, l'appartenance à un groupe soudé par son identité culturelle, ethnique ou linguistique, par ses origines géographiques ou politiques communes, ou par sa relation avec la population d'un autre Etat;
  d) un groupe doit être considéré comme un certain groupe social lorsque, entre autres :
  - ses membres partagent une caractéristique innée ou des racines communes qui ne peuvent être modifiées, ou encore une caractéristique ou croyance à ce point essentielle pour l'identité ou la conscience qu'il ne devrait pas être exigé d'une personne qu'elle y renonce, et
  - ce groupe a une identité propre dans le pays en question parce qu'il est perçu comme étant différent par la société environnante;
  [1 - ce groupe, en fonction des circonstances qui prévalent dans le pays d'origine, a l'orientation sexuelle comme caractéristique commune. L'orientation sexuelle ne recouvre pas les faits considérés comme délictueux selon le droit belge. Il convient de prendre dûment en considération les aspects liés au genre, dont l'identité de genre, aux fins de la reconnaissance de l'appartenance à un certain groupe social ou de l'identification d'une caractéristique d'un tel groupe;]1
  e) la notion "d'opinions politiques" recouvre, entre autres, les opinions, les idées ou les croyances dans un domaine lié aux acteurs de persécution visés à l'article 48/5 et à leurs politiques ou méthodes, que ces opinions, idées ou croyances se soient ou non traduites par des actes de la part du demandeur.
  § 5. Dans le cadre de l'évaluation du caractère fondé de la crainte de persécution du demandeur, il est indifférent qu'il possède effectivement la caractéristique liée à la race, à la religion, à la nationalité, à l'appartenance à un groupe social déterminé ou aux opinions politiques à l'origine de la persécution, pour autant que ces caractéristiques lui soient attribuées par l'acteur de persécution.
  
Art. 45. [1 § 1. De redenen van openbare orde, nationale veiligheid en volksgezondheid bedoeld in de artikelen 43 en 44bis mogen niet worden aangevoerd voor economische doeleinden.
   § 2. De in de artikelen 43 en 44bis bedoelde beslissingen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het persoonlijk gedrag van de betrokken burger van de Unie of zijn familielid.
   Eerdere strafrechtelijke veroordelingen zijn als zodanig geen reden voor dergelijke beslissingen.
   Het gedrag van de burger van de Unie of van zijn familielid moet een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving zijn. Motiveringen die los staan van het individuele geval of met algemene preventieve redenen verband houden, mogen niet worden aangevoerd.
   Om te beoordelen of de burger van de Unie of zijn familielid een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt, kan de minister of zijn gemachtigde, bij de afgifte van de verklaring van inschrijving of van de verblijfskaart van familielid van een burger van de Unie, en als hij het onontbeerlijk acht, aan de lidstaat van oorsprong en, eventueel aan andere lidstaten, inlichtingen vragen over de gerechtelijke antecedenten van de betrokkene. Deze raadpleging mag geen systematisch karakter dragen.
   § 3. Alleen de ziekten opgesomd in de bijlage bij deze wet kunnen de in artikelen 43 en 44bis bedoelde maatregelen rechtvaardigen.
   Het optreden van een van deze ziekten na een periode van drie maanden na de aankomst van de burger van de Unie of zijn familielid op het grondgebied van het Rijk stelt de minister of zijn gemachtigde niet in staat aan het verblijf van de burger van de Unie of zijn familielid een einde te maken overeenkomstig artikel 44bis.
   Binnen drie maanden na hun aankomst op het grondgebied van het Rijk, en indien ernstige aanwijzingen daartoe aanleiding geven, kan de minister of zijn gemachtigde de burger van de Unie of zijn familielid onderwerpen aan een kosteloos medisch onderzoek opdat wordt bevestigd dat hij niet lijdt aan een van de ziekten bedoeld in het eerste lid. Dit medisch onderzoek mag geen systematisch karakter dragen.
   § 4. Het verstrijken van de geldigheidsduur van de identiteitskaart of het paspoort waarmee de burger van de Unie of zijn familielid het grondgebied van het Rijk is binnengekomen, is geen voldoende reden om een einde te maken aan zijn verblijf.]1

  
Art. 48/4. § 1er. Le statut de protection subsidiaire est accordé à l'étranger qui ne peut être considéré comme un réfugié et qui ne peut pas bénéficier de l'article 9ter, et à l'égard duquel il y a de sérieux motifs de croire que, s'il était renvoyé dans son pays d'origine ou, dans le cas d'un apatride, dans le pays dans lequel il avait sa résidence habituelle, il encourrait un risque réel de subir les atteintes graves visées au paragraphe 2, et qui ne peut pas ou, compte tenu de ce risque, n'est pas disposé à se prévaloir de la protection de ce pays et ce, pour autant qu'il ne soit pas concerné par les clauses d'exclusion visées à l'article 55/4.
  § 2. Sont considérées comme atteintes graves :
  a) la peine de mort ou l'exécution; ou
  b) la torture ou les traitements ou sanctions inhumains ou dégradants du demandeur dans son pays d'origine; ou
  c) les menaces graves contre la vie ou la personne d'un civil en raison d'une violence aveugle en cas de conflit armé interne ou international.
Art.46. (§ 1.) De redenen van openbare orde, van openbare veiligheid of van volksgezondheid die een beperking van het recht op binnenkomst of op verblijf wettigen, worden ter kennis gebracht van de betrokkene, tenzij redenen van staatsveiligheid er zich tegen verzetten. <W 2007-04-25/49, art. 36, 1°, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  (§ 2.) (Worden ter kennis gebracht van de betrokkene :
  1° de weigering van verklaring tot inschrijving, zoals bedoeld in artikel 42, § 2 of de weigering tot afgifte van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 42, § 3;
  2° het verlies van het recht op verblijf op grond van de artikelen 42bis, 42ter, 42quater [1 of van artikel 44]1;
  3° de weigering van de afgifte van het document bedoeld in artikel 42quinquies, § 5, of de weigering tot afgifte van de verblijfskaart zoals bedoeld in artikel 42quinquies, § 6;
  4° het verlies van het recht op duurzaam verblijf op basis van artikel 42quinquies, § 7, [1 of van artikel 44]1;) <W 2007-04-25/49, art. 36, 2°, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  § 3. [1 Een schriftelijke of mondelinge vertaling van de belangrijkste elementen van de beslissing tot verwijdering, in voorkomend geval gepaard met een inreisverbod, met inbegrip van de informatie over de beroepsmiddelen, in een taal die de burger van de Unie of zijn familielid begrijpt, of waarvan men redelijkerwijs kan veronderstellen dat hij die begrijpt, kan op verzoek van de betrokkene bij de minister of zijn gemachtigde worden verkregen. Dit wordt uitdrukkelijk in de beslissing vermeld.]1
  (§ 4.) [1 ...]1
  
Art. 48/5. § 1er. Une persécution au sens de l'article 48/3 ou une atteinte grave au sens de l'article 48/4 peut émaner ou être causée par :
  a) l'Etat;
  b) des partis ou organisations qui contrôlent l'Etat ou une partie importante de son territoire;
  c) des acteurs non étatiques, s'il peut être démontré que les acteurs visés aux points a) et b), y compris les organisations internationales, ne peuvent pas ou ne veulent pas accorder la protection prévue au § 2 contre les persécutions ou les atteintes graves.
  § 2. [1 La protection au sens des articles 48/3 et 48/4 ne peut être offerte que par :
   a) l'Etat, ou
   b) des partis ou organisations, y compris des organisations internationales, qui contrôlent l'Etat ou une partie importante de son territoire,
   pour autant qu'ils soient disposés et en mesure d'offrir une protection, conformément à l'alinéa 2.]1

  La protection, au sens des articles 48/3 et 48/4, [1 , doit être effective et non temporaire et]1 est généralement accordée lorsque les acteurs visés à l'alinéa 1er prennent des mesures raisonnables pour empêcher les persécutions ou les atteintes graves, entre autres lorsqu'ils disposent d'un système judiciaire effectif permettant de déceler, de poursuivre et de sanctionner les actes constitutifs de persécution ou d'atteinte grave, et lorsque le demandeur a accès à cette protection.
  Pour déterminer si une organisation internationale contrôle un Etat ou une partie importante de son territoire et y fournit une protection, au sens des articles 48/3 et 48/4, il est tenu compte, entre autres, [1 des actes de l'Union européenne prises]1 en la matière.
  § 3. [1 Il n'y a pas lieu d'accorder la protection internationale si, dans une partie du pays d'origine, le demandeur d'asile :
   a) n'a pas de crainte fondée de persécution ou ne risque pas réellement de subir des atteintes graves, ou
   b) a accès à une protection contre la persécution ou les atteintes graves au sens du § 2;
   et qu'il peut voyager en toute sécurité et légalité vers cette partie du pays, et obtenir l'autorisation d'y pénétrer et que l'on peut raisonnablement s'attendre à ce qu'il s'y établisse.
   Lorsqu'il est examiné si un demandeur a une crainte fondée d'être persécuté ou risque réellement de subir des atteintes graves, ou s'il a accès à une protection contre les persécutions ou les atteintes graves dans une partie du pays d'origine conformément à l'alinéa 1er, il est tenu compte des conditions générales dans cette partie du pays et de la situation personnelle du demandeur d'asile.]1

  [1 § 4. [2 ...]2]1
  
Art. 46. (§ 1.) De redenen van openbare orde, van openbare veiligheid of van volksgezondheid die een beperking van het recht op binnenkomst of op verblijf wettigen, worden ter kennis gebracht van de betrokkene, tenzij redenen van staatsveiligheid er zich tegen verzetten. <W 2007-04-25/49, art. 36, 1°, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  (§ 2.) (Worden ter kennis gebracht van de betrokkene :
  1° de weigering van verklaring tot inschrijving, zoals bedoeld in artikel 42, § 2 of de weigering tot afgifte van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 42, § 3;
  2° het verlies van het recht op verblijf op grond van de artikelen 42bis, 42ter, 42quater [1 of van artikel 44]1;
  3° de weigering van de afgifte van het document bedoeld in artikel 42quinquies, § 5, of de weigering tot afgifte van de verblijfskaart zoals bedoeld in artikel 42quinquies, § 6;
  4° het verlies van het recht op duurzaam verblijf op basis van artikel 42quinquies, § 7, [1 of van artikel 44]1;) <W 2007-04-25/49, art. 36, 2°, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  § 3. [1 Een schriftelijke of mondelinge vertaling van de belangrijkste elementen van de beslissing tot verwijdering, in voorkomend geval gepaard met een inreisverbod, met inbegrip van de informatie over de beroepsmiddelen, in een taal die de burger van de Unie of zijn familielid begrijpt, of waarvan men redelijkerwijs kan veronderstellen dat hij die begrijpt, kan op verzoek van de betrokkene bij de minister of zijn gemachtigde worden verkregen. Dit wordt uitdrukkelijk in de beslissing vermeld.]1
  (§ 4.) [1 ...]1
  
Art. 48/6. [1 § 1er. Le demandeur d'une protection internationale doit présenter aussi rapidement que possible tous les éléments nécessaires pour étayer sa demande. Il appartient aux instances chargées de l'examen de la demande d'évaluer, en coopération avec le demandeur, les éléments pertinents de la demande de protection internationale.
   Les éléments visés à l'alinéa 1er correspondent notamment aux déclarations du demandeur et à tous les documents ou pièces en sa possession concernant son identité, sa ou ses nationalités, son âge, son passé, y compris ceux des membres de la famille à prendre en compte, le ou les pays ainsi que le ou les lieux où il a résidé auparavant, ses demandes antérieures, ses itinéraires, ses titres de voyage, ainsi que les raisons justifiant sa demande de protection internationale.
   L'absence des éléments visés à l'alinéa 1er, et plus particulièrement l'absence de preuve quant à l'identité ou la nationalité, qui sont des éléments centraux de la procédure d'évaluation d'une demande de protection internationale, constitue une indication défavorable concernant la crédibilité générale du récit du demandeur, à moins que le demandeur ne présente une explication satisfaisante à cette absence.
   Si les instances chargées de l'examen de la demande ont de bonnes raisons de penser que le demandeur retient des informations, pièces, documents ou autres éléments essentiels à une évaluation correcte de la demande, elles peuvent l'inviter à produire ces éléments sans délai, quel que soit leur support. Le refus du demandeur de produire ces éléments sans explication satisfaisante pourra constituer un indice de son refus de se soumettre à son obligation de coopération visée à l'alinéa 1er.
   § 2. Les documents nationaux et internationaux de nature à établir l'identité ou la nationalité du demandeur qui sont déposés aussi rapidement que possible en original sont conservés dans le dossier administratif des instances chargées de l'examen de la demande de protection internationale pendant toute la durée du traitement de cette demande.
   Les originaux des pièces justificatives autres que celles visées à l'alinéa 1er peuvent être conservés au dossier administratif pendant toute la durée du traitement de la demande de protection internationale.
   Le demandeur reçoit, à sa demande, une copie des pièces dont les originaux sont conservés au dossier administratif et un accusé de réception avec une brève description des documents déposés.
La restitution par les instances chargées de l'examen de la demande des pièces originales visées à l'alinéa 1er à l'étranger, ou à son avocat lorsqu'il présente une procuration écrite émanant de l'étranger, intervient à sa demande pour autant que la demande de protection internationale ait fait l'objet d'une décision finale de reconnaissance du statut de réfugié ou d'octroi du statut de protection subsidiaire, sans préjudice de l'article 57/8/1. Dans les autres cas où une décision finale a été prise, ces pièces sont transmises au ministre ou à son délégué. Le ministre ou son délégué les restitue sur demande à l'étranger, à moins qu'il ait imposé la conservation de ces pièces sur base de l'article 74/14, § 2, alinéa 2, en tant que mesure préventive, ou sur base de l'article 74/15, § 1er, en tant que mesure d'exécution d'une décision d'éloignement.
   La restitution des pièces originales visées à l'alinéa 2 au demandeur, ou à son avocat lorsqu'il présente une procuration écrite émanant du demandeur, intervient à sa demande pour autant que la demande de protection internationale ait fait l'objet d'une décision finale.
   Dans tous les cas, les pièces originales déposées au dossier administratif peuvent être restituées anticipativement à condition que la nécessité d'une restitution anticipée soit justifiée valablement par le demandeur.
   La restitution d'une pièce ne peut pas avoir lieu s'il est établi, à la suite d'une authentification par les autorités compétentes, que le document est un faux ou a été falsifié et/ou s'il existe un obstacle à cette restitution en vertu de la loi.
   L'éventuelle restitution des pièces originales est mentionnée sur l'accusé de réception visé à l'alinéa 3.
   § 3. S'ils sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais, les documents présentés par le demandeur doivent être accompagnés d'une traduction vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais.
   Lors de l'introduction de la demande, le demandeur est informé dans une langue qu'il comprend, ou dont il est raisonnable de supposer qu'il la comprend, de son obligation de contribuer à fournir une traduction, telle qu'elle est visée à l'alinéa 1er.
   Si les documents que le demandeur a présentés sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais et en l'absence d'une traduction telle qu'elle est visée à l'alinéa 1er, il doit les commenter au cours de l'entretien personnel, le cas échéant assisté de l'interprète présent. Ce commentaire concerne au moins les informations pertinentes contenues dans les documents présentés.
   Au cas où le demandeur introduit une demande ultérieure de protection internationale visée à l'article 51/8, si les documents qu'il a présentés sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais, ceux-ci doivent être accompagnés d'une traduction vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais, ou le demandeur doit au moins indiquer avec précision dans les documents présentés et commenter dans la déclaration visée à l'article 51/8 les informations pertinentes qu'ils contiennent.
   En l'absence de toute traduction fournie par le demandeur, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides n'est pas tenu de traduire intégralement vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais chaque document présenté par le demandeur. Il suffit de traduire les informations pertinentes que le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides aura relevées dans les documents présentés.
   § 4. Lorsque le demandeur n'étaye pas certains aspects de ses déclarations par des preuves documentaires ou autres, ces aspects ne nécessitent pas confirmation lorsque les conditions cumulatives suivantes sont remplies :
   a) le demandeur s'est réellement efforcé d'étayer sa demande;
   b) tous les éléments pertinents à la disposition du demandeur ont été présentés et une explication satisfaisante a été fournie quant à l'absence d'autres éléments probants;
   c) les déclarations du demandeur sont jugées cohérentes et plausibles et elles ne sont pas contredites par les informations générales et particulières connues et pertinentes pour sa demande;
   d) le demandeur a présenté sa demande de protection internationale dès que possible, à moins qu'il puisse avancer de bonnes raisons pour ne pas l'avoir fait;
   e) la crédibilité générale du demandeur a pu être établie.
   § 5. Les instances chargées de l'examen de la demande évaluent celle-ci individuellement, objectivement et impartialement. Elles tiennent compte des éléments suivants :
   a) tous les faits pertinents concernant le pays d'origine au moment de statuer sur la demande, y compris les lois et règlements du pays d'origine et la manière dont ils sont appliqués;
   b) les déclarations faites et documents présentés par le demandeur, y compris les informations permettant de déterminer si le demandeur a fait ou pourrait faire l'objet de persécutions ou d'atteintes graves;
   c) le statut individuel et la situation personnelle du demandeur, y compris des facteurs comme son passé, son sexe et son âge, pour déterminer si, compte tenu de la situation personnelle du demandeur, les actes auxquels le demandeur a été ou pourrait être exposé sont considérés comme une persécution ou des atteintes graves;
   d) le fait que, depuis qu'il a quitté son pays d'origine, le demandeur a ou non exercé des activités qui pourraient l'exposer à une persécution ou à des atteintes graves s'il retournait dans ce pays;
   e) le fait qu'il est raisonnable de penser que le demandeur peut se prévaloir de la protection d'un autre pays dont il peut invoquer la nationalité.]1
-
(NOTE : par son arrêt n° 23/2021 du 25-02-2021 (2021-02-25/20), M.B. 20-04-2021, p. 36679), la Cour constitutionnelle a annulé la modification apportée au § 2, alinéas 1 et 4 du présent article.)
  
Art.47. De Koning brengt de bepalingen van dit hoofdstuk in overeenstemming met de verordeningen die zijn vastgesteld ter uitvoering van de verdragen tot instelling van de Europese Gemeenschappen. Voor zover het gaat om aangelegenheden welke de Grondwet niet uitsluitend voor de wetgever reserveert, wijzigt de Koning diezelfde bepalingen om uitwerking te geven aan de richtlijnen vastgesteld ter uitvoering van diezelfde verdragen.
Art. 48/7. [1 Le fait qu'un demandeur d'asile a déjà été persécuté dans le passé ou a déjà subi des atteintes graves ou a déjà fait l'objet de menaces directes d'une telle persécution ou de telles atteintes est un indice sérieux de la crainte fondée du demandeur d'être persécuté ou du risque réel de subir des atteintes graves, sauf s'il existe de bonnes raisons de croire que cette persécution ou ces atteintes graves ne se reproduiront pas.]1
  
Art. 47. De Koning brengt de bepalingen van dit hoofdstuk in overeenstemming met de verordeningen die zijn vastgesteld ter uitvoering van de verdragen tot instelling van de Europese Gemeenschappen. Voor zover het gaat om aangelegenheden welke de Grondwet niet uitsluitend voor de wetgever reserveert, wijzigt de Koning diezelfde bepalingen om uitwerking te geven aan de richtlijnen vastgesteld ter uitvoering van diezelfde verdragen.
Art. 48/8. [1 § 1er. S'il le juge pertinent pour procéder à l'examen de la demande, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides invite le demandeur de protection internationale à se soumettre à un examen médical portant sur des signes de persécutions ou d'atteintes graves qu'il aurait subies dans le passé, pour autant que le demandeur y consente.
   Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut inviter le demandeur à prendre dans les meilleurs délais les mesures nécessaires pour se soumettre à un tel examen, qui sera le cas échéant réalisé par un praticien professionnel des soins de santé compétent désigné par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides.
   Le praticien professionnel des soins de santé compétent transmet au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides un rapport avec ses constatations concernant les signes de persécutions ou d'atteintes graves qui auraient été subies dans le passé, pour autant que le demandeur y consente. Une distinction est clairement faite entre les constatations médicales objectives, d'une part, et les constatations basées sur les déclarations du demandeur de protection internationale, d'autre part.
   § 2. Si le demandeur de protection internationale invoque un problème médical et qu'aucun examen médical tel que visé au paragraphe 1er n'a lieu, il est informé du fait qu'il peut, de sa propre initiative et à ses propres frais, prendre les mesures nécessaires pour se soumettre à un examen médical portant sur des signes de persécutions ou d'atteintes graves qu'il aurait subies dans le passé.
   Le certificat médical est soumis dans les meilleurs délais au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, qui, le cas échéant, peut solliciter l'avis d'un praticien professionnel des soins de santé compétent au sujet du certificat en question.
   § 3. Le fait que le demandeur de protection internationale refuse de se soumettre à l'examen médical visé au paragraphe 1er ou qu'aucun examen médical n'ait eu lieu n'empêche pas le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides de prendre une décision au sujet de la demande de protection internationale.
   § 4. Le rapport visé au paragraphe 1er, alinéa 3, ou le certificat médical visé au paragraphe 2, alinéa 2, est examiné par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides avec les autres éléments de la demande de protection internationale.
   § 5. L'article 458 du Code pénal est applicable aux agents du Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides en ce qui concerne les données médicales dont ils ont connaissance dans l'exercice de leurs fonctions.]1

  
Art. 47/1. [1 Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk, zijn de bepalingen van hoofdstuk I betreffende de familieleden van een burger van de Unie bedoeld in artikel 40bis dan wel de familieleden van een Belg die zijn recht van vrij verkeer en verblijf heeft uitgeoefend bedoeld in artikel 40ter, § 1, van toepassing op de andere familieleden bedoeld in artikel 47/2.]1
  
Art. 48/9. [1 § 1er. L'étranger qui a introduit une demande de protection internationale conformément à l'article 50, § 3, alinéa 1er, a la possibilité de faire valoir de manière précise et circonstanciée, dans un questionnaire auquel il répond avant la déclaration prévue à l'article 51/10, les éléments dont ressortent ses besoins procéduraux spéciaux, et ce afin de pouvoir bénéficier des droits, et se conformer aux obligations, prévus dans le présent chapitre.
   § 2. En outre, un fonctionnaire médecin ou un autre praticien professionnel des soins de santé compétent désigné par le ministre ou son délégué peut, par le biais d'un examen médical, faire des recommandations au sujet des besoins procéduraux spéciaux qu'un demandeur de protection internationale peut éprouver, et ce afin que celui-ci puisse bénéficier des droits et se conformer aux obligations prévus dans le présent chapitre. Si les recommandations ont trait à des informations médicales, celles-ci ne sont communiquées au ministre ou son délégué et au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides que pour autant que le demandeur de protection internationale y consente.
   L'article 458 du Code pénal est applicable à tous les agents de l'Office des Etrangers et du Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides en ce qui concerne les données médicales dont ils ont connaissance dans l'exercice de leurs fonctions.
   § 3. Sans préjudice de ce qui est prévu aux §§ 1er et 2, le demandeur de protection internationale peut également signaler au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides des éléments à un stade ultérieur de la procédure, sans que la procédure relative à la demande de protection internationale ne doive, de ce fait, reprendre à nouveau depuis le début. Ces éléments doivent être transmis par le demandeur au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides par écrit, de manière précise et circonstanciée.
   § 4. Les agents de l'Office des Etrangers et le Commissariat-général aux réfugiés et aux apatrides évaluent si le demandeur de protection internationale a des besoins procéduraux spéciaux et tiennent compte de ceux-ci en fournissant au demandeur un soutien adéquat au cours de la procédure, pour autant que ces besoins soient suffisamment démontrés et soient susceptibles d'empêcher le demandeur de bénéficier des droits visés au présent chapitre et de se conformer aux obligations qui lui incombent. L'évaluation des besoins procéduraux spéciaux n'est pas en soi susceptible de recours.
   § 5. Si le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides estime, en particulier en cas de torture, de viol ou d'une autre forme grave de violence psychologique, physique ou sexuelle, que le demandeur de protection internationale a des besoins procéduraux spéciaux qui ne sont pas compatibles avec l'examen de la demande selon l'article 57/6/1, § 1er ou 57/6/4, le Commissaire général n'applique pas ou plus cette procédure.
   § 6. Le fait que le demandeur n'ait pas répondu au questionnaire visé au § 1er ou qu'il n'ait pas subi d'examen médical conformément au § 2 n'empêche pas la poursuite de la procédure de traitement de la demande conformément à l'article 51/10 et n'empêche pas le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides de prendre une décision au sujet de la demande de protection internationale.
   § 7. L'évaluation visée au § 4 reste valable si l'étranger introduit une demande ultérieure sur la base de l'article 51/8.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, le ministre ou son délégué ou le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut considérer dans le cadre de la demande ultérieure que le demandeur de protection internationale n'a plus de besoins procéduraux spéciaux, même s'il avait été évalué qu'il en avait au cours de la demande précédente.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, le demandeur peut apporter, dans la déclaration visée à l'article 51/8, des éléments dont il ressortirait de manière convaincante qu'il éprouve tout de même des besoins procéduraux spéciaux, même s'il avait encore été évalué qu'il n'en avait pas au cours de la demande précédente.]1

  
Art. 47/2. [1 Als andere familieleden van een burger van de Unie worden beschouwd:
   1° de niet in artikel 40bis, § 2, 2°, bedoelde partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame partnerrelatie heeft en die de burger begeleidt of komt vervoegen, voor zover ze niet een van de personen bedoeld in de artikelen 161 tot 163 van het oud Burgerlijk Wetboek zijn en evenmin een duurzame partnerrelatie onderhouden met een andere persoon;
   2° de niet in artikel 40bis, § 2, bedoelde familieleden die, in het land van herkomst, ten laste zijn van of deel uitmaken van het gezin van de burger van de Unie en deze laatste begeleiden of komen vervoegen;
   3° de niet in artikel 40bis, § 2, bedoelde familieleden die wegens ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door de burger van de Unie strikt behoeven en deze laatste begeleiden of komen vervoegen.]1

  
Art.49. <L 2006-09-15/72, art. 28, 041; En vigueur : 01-06-2007> § 1er. Sont considérés comme réfugiés au sens de la présente loi et admis au séjour [2 pour une durée limitée]2 dans le Royaume :
  1° l'étranger qui, en vertu des accords internationaux antérieurs à la Convention internationale relative au statut des réfugiés, et des Annexes, signées à Genève, le 28 juillet 1951, possédait en Belgique la qualité de réfugié avant l'entrée en vigueur de la loi du 26 juin 1953 portant approbation de ladite convention;
  2° l'étranger auquel la qualité de réfugié a été reconnue par le ministre des Affaires étrangères ou par l'autorité internationale à laquelle le ministre a délégué sa compétence;
  3° l'étranger auquel la qualité de réfugié est reconnue par le Commissaire général aux réfugiés et aux Apatrides;
  4° l'étranger auquel la qualité de réfugié a été reconnue par la Commission permanente de recours des étrangers;
  5° l'étranger auquel la qualité de réfugié est reconnue par le Conseil du Contentieux des étrangers.
  6° l'étranger qui, après avoir été reconnu comme réfugié alors qu'il se trouvait sur le territoire d'un autre Etat partie contractante à la Convention internationale relative au statut des réfugiés, a été autorisé par le ministre ou son délégué, à séjourner ou à s'établir dans le Royaume, à condition que sa qualité de réfugié soit confirmée par l'autorité visée au 2° ou 3°.
  [2 Le titre de séjour qui constate l'admission au séjour pour une durée limitée est valable pour une durée de cinq ans.
   A l'expiration d'une période de cinq ans à compter de la date de l'introduction de la demande d'asile, le réfugié reconnu est admis au séjour pour une durée illimitée, à moins que le statut de réfugié ait entre-temps été abrogé ou retiré en vertu des articles 55/3 ou 55/3/1 ou que l'étranger ait renoncé entre-temps à son statut de réfugié.]2

  § 2. [2 Le ministre ou son délégué peut, au cours du séjour limité de l'étranger, à tout moment demander au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides d'abroger le statut de réfugié, conformément à l'article 57/6, alinéa 1er, 4°.]2 Le ministre ou son délégué peut, au cours des dix premières années de séjour à compter à partir de la date de l'introduction de la demande d'asile, à tout moment demander au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides de retirer le statut de réfugié reconnu à un étranger, conformément à l'article [1 55/3/1, § 2, 1° et 2°]1.
  [1 Le ministre ou son délégué peut à tout moment demander au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides de retirer le statut de réfugié reconnu à un étranger, conformément à l'article 55/3/1, § 1er.
   Le ministre ou son délégué transmet sans délai au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides tout élément en sa possession susceptible de justifier une décision de retrait sur la base de l'article 55/3/1. Sauf indication expresse en ce sens, la transmission de tels éléments ne constitue pas une demande de retrait de statut au sens de l'alinéa 2.]1

  [1 En cas d'application de l'alinéa 1er ou de l'alinéa 2 et dans un délai de soixante jours ouvrables, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides rend [2 une décision d'abrogation ou de retrait]2 du statut de réfugié ou informe l'intéressé et le ministre ou son délégué qu'il n'est pas procédé [2 à l'abrogation ou au retrait de ce statut]2.]1
  [2 Dans l'attente d'une décision définitive, l'octroi du droit de séjour d'une durée illimitée prévu au paragraphe 1er, alinéa 3, est, le cas échéant, suspendu. Lorsque la durée de validité du titre de séjour visé au paragraphe 1er, alinéa 2, expire pendant le réexamen de la validité du statut de protection internationale, ce titre de séjour est renouvelé dans l'attente d'une décision définitive.]2
  [1 § 3. Lorsque le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides a abrogé ou retiré le statut de réfugié ou lorsque l'intéressé a renoncé à son statut, [2 le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour de l'étranger et l'éloigner conformément aux dispositions de la présente loi, sans préjudice du principe de non-refoulement.]2]1
  [1 § 4. La reconnaissance du statut de réfugié prend fin de plein droit si le réfugié est devenu belge.]1
  
Art. 47/3. [1 § 1. De andere familieleden bedoeld [2 in artikel 47/2, 1°,]2 moeten het bestaan bewijzen van een relatie met de burger van de Unie die zij willen begeleiden of bij wie zij zich willen voegen en ook het duurzaam karakter van die relatie.
   Het duurzaam karakter van de relatie mag met elk passend middel worden bewezen.
   Bij het onderzoek naar het duurzame karakter van de relatie houdt de minister of zijn gemachtigde inzonderheid rekening met de intensiteit, de duur en de stabiele aard van de banden tussen de partners.
   § 2. [2 De andere familieleden bedoeld in artikel 47/2, 2°, moeten bewijzen dat zij in het land van herkomst ten laste zijn van de burger van de Unie die zij begeleiden of bij wie zij zich willen voegen dan wel dat zij er deel uitmaken van diens gezin.]2
   De documenten die aantonen dat het andere familielid ten laste is of deel uitmaakt van het gezin van de burger van de Unie moeten uitgaan van de bevoegde overheden van het land van oorsprong of van herkomst. Bij ontstentenis hiervan, kan het feit ten laste te zijn of deel uit te maken van het gezin van de burger van de Unie bewezen worden met elk passend middel.
   § 3. [2 De andere familieleden bedoeld in artikel 47/2, 3°, moeten bewijzen dat zij omwille van ernstige gezondheidsredenen, een persoonlijke verzorging door de burger van de Unie die zij begeleiden of bij wie zij zich willen voegen, strikt behoeven.
   De Koning kan de wijzen waarop de andere familieleden het bewijs van hun gezondheidstoestand kunnen leveren, bepalen.]2
]1

  [2 § 4. De in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° tot 3°, bedoelde burger van de Unie moet tevens het bewijs leveren dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat de in artikel 47/2 bedoelde familieleden tijdens hun verblijf ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk, en dat hij over een verzekering beschikt die de ziektekosten van zijn familieleden in het Rijk volledig dekt. In het kader van de evaluatie van de bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de burger van de Unie, waarbij onder meer rekening gehouden wordt met de aard en de regelmaat van diens inkomsten en met het aantal familieleden die te zijnen laste zijn.]2
  
Art. 49/2. § 1er. Est considéré comme bénéficiant de la protection subsidiaire et admis au séjour pour une durée limitée dans le Royaume : l'étranger auquel le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou le Conseil du contentieux des étrangers accorde le statut prévu à l'article 48/4.
  § 2. Le titre de séjour qui constate l'admission au séjour pour une durée limitée est valable pour une durée d'un an, prorogeable et [1 en cas de prorogation, valable pour deux ans]1 [3 , à moins que le statut de protection subsidiaire ait été, entretemps, abrogé ou retiré en vertu des articles 55/5 ou 55/5/1 ou que l'étranger ait renoncé entre-temps à son statut de protection subsidiaire.]3
  § 3. A l'expiration d'une période de cinq ans à compter à partir de la date de l'introduction de la demande d'asile l'étranger auquel ce statut a été reconnu est admis au séjour pour une durée illimitée [3 , à moins que le statut de protection subsidiaire ait été, entre-temps, abrogé ou retiré en vertu des articles 55/5 ou 55/5/1 ou que l'étranger ait renoncé entre-temps à son statut de protection subsidiaire.]3
  § 4. [2 Le ministre ou son délégué peut, au cours du séjour limité de l'étranger, à tout moment demander au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides d'abroger le statut de protection subsidiaire accordé à l'étranger, conformément à l'article 57/6, alinéa 1er, 4°. Le ministre ou son délégué peut, pendant les dix premières années de séjour de l'étranger, à compter de la date d'introduction de la demande d'asile, à tout moment, demander au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides de retirer le statut de protection subsidiaire octroyé à l'étranger conformément à l' [4 article 55/5/1, § 1er, ou § 2, 2° ]4.]2
  [2 [4 Le ministre ou son délégué peut à tout moment demander au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides de retirer le statut de protection subsidiaire accordé à l'étranger, conformément à l'article 55/5/1, § 2, 1°.]4
   Le ministre ou son délégué transmet sans délai au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides tout élément en sa possession susceptible de justifier une décision de retrait sur la base de l'article 55/5/1. Sauf indication expresse en ce sens, la transmission de tels éléments ne constitue pas une demande de retrait du statut au sens de l'alinéa 2. Le ministre ou son délégué transmet également sans délai au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides tout élément en sa possession susceptible de justifier une décision d'exclusion sur base de l'article 55/4, § 2.]2

  [2 En cas d'application de l'alinéa 1er ou de l'alinéa 2 et dans un délai de soixante jours ouvrables, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides rend une décision de retrait ou d'abrogation du statut de protection subsidiaire ou informe l'intéressé et le ministre ou son délégué qu'il n'est pas procédé au retrait ou à l'abrogation de ce statut.]2
  [3 L'octroi du droit de séjour à durée illimitée prévu au paragraphe 3 est, le cas échéant, suspendu, dans l'attente d'une décision définitive. Lorsque la durée de validité du titre de séjour visé au paragraphe 2 expire pendant le réexamen de la validité du statut de protection internationale, ce titre de séjour est renouvelé dans l'attente d'une décision définitive.]3
  § 5. [2 Lorsque le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides a abrogé ou retiré le statut de protection subsidiaire ou lorsque l'intéressé a renoncé à son statut, [3 le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour de l'étranger et l'éloigner conformément aux dispositions de la présente loi, sans préjudice du principe de non-refoulement.]3]2
  § 6. [2 La protection subsidiaire prend fin de plein droit si son bénéficiaire est devenu belge.]2
  
Art. 47/3. [1 § 1. De andere familieleden bedoeld [2 in artikel 47/2, 1°,]2 moeten het bestaan bewijzen van een relatie met de burger van de Unie die zij willen begeleiden of bij wie zij zich willen voegen en ook het duurzaam karakter van die relatie.
   Het duurzaam karakter van de relatie mag met elk passend middel worden bewezen.
   Bij het onderzoek naar het duurzame karakter van de relatie houdt de minister of zijn gemachtigde inzonderheid rekening met de intensiteit, de duur en de stabiele aard van de banden tussen de partners.
   § 2. [2 De andere familieleden bedoeld in artikel 47/2, 2°, moeten bewijzen dat zij in het land van herkomst ten laste zijn van de burger van de Unie die zij begeleiden of bij wie zij zich willen voegen dan wel dat zij er deel uitmaken van diens gezin.]2
   De documenten die aantonen dat het andere familielid ten laste is of deel uitmaakt van het gezin van de burger van de Unie moeten uitgaan van de bevoegde overheden van het land van oorsprong of van herkomst. Bij ontstentenis hiervan, kan het feit ten laste te zijn of deel uit te maken van het gezin van de burger van de Unie bewezen worden met elk passend middel.
   § 3. [2 De andere familieleden bedoeld in artikel 47/2, 3°, moeten bewijzen dat zij omwille van ernstige gezondheidsredenen, een persoonlijke verzorging door de burger van de Unie die zij begeleiden of bij wie zij zich willen voegen, strikt behoeven.
   De Koning kan de wijzen waarop de andere familieleden het bewijs van hun gezondheidstoestand kunnen leveren, bepalen.]2
]1

  [2 § 4. De in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° tot 3°, bedoelde burger van de Unie moet tevens het bewijs leveren dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat de in artikel 47/2 bedoelde familieleden tijdens hun verblijf ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk, en dat hij over een verzekering beschikt die de ziektekosten van zijn familieleden in het Rijk volledig dekt. In het kader van de evaluatie van de bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de burger van de Unie, waarbij onder meer rekening gehouden wordt met de aard en de regelmaat van diens inkomsten en met het aantal familieleden die te zijnen laste zijn.]2
  
Art. 49/3. [1 Une demande de reconnaissance du statut de réfugié ou d'octroi du statut de protection subsidiaire se fait sous la forme d'une demande de protection internationale.
   Cette demande de protection internationale est d'office examinée en priorité dans le cadre de la Convention de Genève, tel que déterminé à l'article 48/3, et ensuite dans le cadre de l'article 48/4.]1

  
Art. 47/4. [1 Behalve als zij zelf burgers van de Unie zijn en op grond daarvan een verblijfsrecht zoals bedoeld in artikel 40, § 4, genieten en onverminderd het bepaalde in de artikelen 42ter en 42quater, kan de minister of zijn gemachtigde binnen vijf jaar na de toekenning van hun verblijfsrecht een einde maken aan het verblijf van de andere familieleden of weigeren hun verblijfstitel te vernieuwen wanneer:
   1° de partner bedoeld in artikel 47/2, 1°, geen duurzame partnerrelatie meer onderhoudt met de burger van de Unie die hij begeleid dan wel vervoegd heeft;
   2° het familielid bedoeld in artikel 47/2, 2°, niet meer ten laste is of, in voorkomend geval, geen deel meer uitmaakt van het gezin van de burger van de Unie die hij begeleid dan wel vervoegd heeft;
   3° de burger van de Unie niet meer de persoonlijke zorg draagt voor het familielid bedoeld in artikel 47/2, 3°, of het familielid geen ernstige gezondheidsproblemen meer heeft dan wel niet langer de persoonlijke verzorging behoeft van de burger van de Unie die hij begeleid dan wel vervoegd heeft.
   Bij de beslissing om een einde te maken aan het verblijf houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in het Rijk, zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand, zijn gezins- en economische situatie, zijn sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong.]1

  
Art. 49/3/1. [1 Aucune mesure d'éloignement du territoire ou de refoulement ne peut être exécutée de manière forcée à l'égard du demandeur dès la présentation de sa demande de protection internationale, et pendant l'examen de celle-ci par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, à l'exception du demandeur visé à l'article 57/6/2, § 3.]1
  
Art. 47/5. [1 § 1. De bepalingen uit hoofdstuk I en Ibis inzake lang verblijf, duurzaam verblijf en het beëindigen van het verblijf van toepassing op Unieburgers en hun familieleden zijn van toepassing op de begunstigden van het terugtrekkingsakkoord, behoudens andersluidende bepalingen uit voormeld akkoord en deze wet.
   § 2. De in dit hoofdstuk bedoelde vreemdelingen zijn verplicht tot het indienen van een aanvraag voor een verblijfsstatus als begunstigde van het terugtrekkingsakkoord dewelke beoordeeld zal worden overeenkomstig de voorwaarden vermeld in artikel 18, eerste lid, van het terugtrekkingsakkoord, of tot het indienen van een aanvraag voor een document tot vaststelling van de rechten van grensarbeiders.
   De Koning bepaalt de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde aanvragen worden ingediend.
   § 3. De in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde aanvragen dienen te worden ingediend ten laatste op 31 december 2021.
   De in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde aanvraag voor een verblijfsstatus als begunstigde van het terugtrekkingsakkoord dient te worden ingediend binnen drie maanden na aankomst of, na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde uiterste termijn, al naargelang welke datum het laatst valt, voor de in artikel 10, eerste lid, onder e), ii) en iii) en de in artikel 10, vierde lid, van het terugtrekkingsakkoord bedoelde personen die het recht hebben hun verblijf overeenkomstig dit hoofdstuk aan te vangen na het eind van de overgangsperiode.
   Indien de aanvraag wordt ingediend buiten de in het eerste en tweede lid bedoelde termijn, beoordeelt de Minister of zijn gemachtigde alle omstandigheden waaronder en redenen waarom deze termijn niet in acht is genomen en wordt aan de indiener een redelijke aanvullende termijn geboden voor het indienen van een aanvraag, indien er voor het niet in acht nemen van deze termijn redelijke gronden zijn.
   De Koning bepaalt het model van attest dat onmiddellijk uitgereikt wordt ten bewijze van de indiening van de aanvraag van een nieuwe verblijfsstatus.
   § 4. Iedere aanvrager wordt aan een systematische veiligheidscontrole en een controle van zijn strafrechtelijke antecedenten onderworpen.
   De aanvrager voegt hiertoe, indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het Belgisch strafregister of een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden, toe bij zijn aanvraag.
   § 5. Wanneer het gedrag van de begunstigde van het terugtrekkingsakkoord, dat zich na het eind van de overgangsperiode voordeed, gronden oplevert voor een beperking van het recht van verblijf of van het recht van binnenkomst in het land van beroepsactiviteit, wordt dit gedrag onderzocht overeenkomstig de bepalingen van deze wet.
   § 6. De in artikel 10, eerste lid, onder b), van het terugtrekkingsakkoord bedoelde personen die kunnen aantonen dat zij gebruik hebben gemaakt van hun recht op verblijf zonder in het bezit te zijn van een geldige verblijfstitel, dienen naast het bewijs dat zij reeds voor het einde van de overgangsperiode als Britse onderdaan op het grondgebied verbleven, hun aanvraag te staven met alle in artikel 18, eerste lid, onder k), van het terugtrekkingsakkoord bedoelde documenten.
   De in artikel 10, eerste lid, onder d), van het terugtrekkingsakkoord bedoelde personen die hun recht als grensarbeider hebben uitgeoefend zonder in het bezit te zijn van een geldig document ter staving hiervan, dienen naast het bewijs dat zij reeds voor het einde van de overgangsperiode op het grondgebied als Britse grensarbeider actief waren, hun aanvraag te staven met een geldig paspoort of een geldige nationale identiteitskaart en een verklaring van indienstneming of tewerkstelling, dan wel het bewijs dat zij zelfstandige zijn.
   De in artikel 10, eerste lid, onder e), i), van het terugtrekkingsakkoord bedoelde personen die kunnen aantonen dat zij gebruik hebben gemaakt van hun recht op verblijf, zonder in het bezit te zijn van een geldige verblijfstitel, dienen naast het bewijs dat zij reeds voor het einde van de overgangsperiode op het grondgebied verbleven, hun aanvraag te staven met alle in artikel 18, eerste lid, onder l), van het terugtrekkingsakkoord bedoelde documenten.
   De in artikel 10, eerste lid, onder e), ii) en iii), van het terugtrekkingsakkoord bedoelde personen die het recht hebben hun verblijf overeenkomstig dit hoofdstuk aan te vangen na het eind van de overgangsperiode en de in artikel 10, vierde lid bedoelde personen, dienen hun aanvraag te staven met de in artikel 18, eerste lid, onder m), van het terugtrekkingsakkoord bedoelde documenten.
   § 7. De Koning bepaalt het document ter staving van de verblijfsstatus en het document tot vaststelling van de rechten van grensarbeiders, alsook het eventuele bedrag van de kosten met betrekking tot het vervaardigen van de kaart overeenkomstig artikel 18, eerste lid, onder g) en h), en artikel 26 van het terugtrekkingsakkoord.".
   § 8. De geldige verklaring van inschrijving, de geldige verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie, het geldig document ter staving van duurzaam verblijf en de geldige duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie, afgeleverd aan een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk of één van zijn familieleden, vervallen automatisch op 31 maart 2022.]1

  
Art. 49/4. (ancien art. 49bis) En cas d'échange automatisé des données individuelles aux fins de la mise en oeuvre (de la réglementation européenne) liant la Belgique, (relative) à la détermination de l'Etat responsable de l'examen des demandes d'asile, la Commission de la protection de la vie privée, instituée par la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel, est chargée du contrôle du traitement et de l'exploitation des données transmises. <L 2006-09-15/72, art. 31, 041; En vigueur : 01-06-2007>
Art. 47/5. [1 § 1. De bepalingen uit hoofdstuk I en Ibis inzake lang verblijf, duurzaam verblijf en het beëindigen van het verblijf van toepassing op Unieburgers en hun familieleden zijn van toepassing op de begunstigden van het terugtrekkingsakkoord, behoudens andersluidende bepalingen uit voormeld akkoord en deze wet.
   § 2. De in dit hoofdstuk bedoelde vreemdelingen zijn verplicht tot het indienen van een aanvraag voor een verblijfsstatus als begunstigde van het terugtrekkingsakkoord dewelke beoordeeld zal worden overeenkomstig de voorwaarden vermeld in artikel 18, eerste lid, van het terugtrekkingsakkoord, of tot het indienen van een aanvraag voor een document tot vaststelling van de rechten van grensarbeiders.
   De Koning bepaalt de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde aanvragen worden ingediend.
   § 3. De in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde aanvragen dienen te worden ingediend ten laatste op 31 december 2021.
   De in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde aanvraag voor een verblijfsstatus als begunstigde van het terugtrekkingsakkoord dient te worden ingediend binnen drie maanden na aankomst of, na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde uiterste termijn, al naargelang welke datum het laatst valt, voor de in artikel 10, eerste lid, onder e), ii) en iii) en de in artikel 10, vierde lid, van het terugtrekkingsakkoord bedoelde personen die het recht hebben hun verblijf overeenkomstig dit hoofdstuk aan te vangen na het eind van de overgangsperiode.
   Indien de aanvraag wordt ingediend buiten de in het eerste en tweede lid bedoelde termijn, beoordeelt de Minister of zijn gemachtigde alle omstandigheden waaronder en redenen waarom deze termijn niet in acht is genomen en wordt aan de indiener een redelijke aanvullende termijn geboden voor het indienen van een aanvraag, indien er voor het niet in acht nemen van deze termijn redelijke gronden zijn.
   De Koning bepaalt het model van attest dat onmiddellijk uitgereikt wordt ten bewijze van de indiening van de aanvraag van een nieuwe verblijfsstatus.
   § 4. Iedere aanvrager wordt aan een systematische veiligheidscontrole en een controle van zijn strafrechtelijke antecedenten onderworpen.
   De aanvrager voegt hiertoe, indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het Belgisch strafregister of een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden, toe bij zijn aanvraag.
   § 5. Wanneer het gedrag van de begunstigde van het terugtrekkingsakkoord, dat zich na het eind van de overgangsperiode voordeed, gronden oplevert voor een beperking van het recht van verblijf of van het recht van binnenkomst in het land van beroepsactiviteit, wordt dit gedrag onderzocht overeenkomstig de bepalingen van deze wet.
   § 6. De in artikel 10, eerste lid, onder b), van het terugtrekkingsakkoord bedoelde personen die kunnen aantonen dat zij gebruik hebben gemaakt van hun recht op verblijf zonder in het bezit te zijn van een geldige verblijfstitel, dienen naast het bewijs dat zij reeds voor het einde van de overgangsperiode als Britse onderdaan op het grondgebied verbleven, hun aanvraag te staven met alle in artikel 18, eerste lid, onder k), van het terugtrekkingsakkoord bedoelde documenten.
   De in artikel 10, eerste lid, onder d), van het terugtrekkingsakkoord bedoelde personen die hun recht als grensarbeider hebben uitgeoefend zonder in het bezit te zijn van een geldig document ter staving hiervan, dienen naast het bewijs dat zij reeds voor het einde van de overgangsperiode op het grondgebied als Britse grensarbeider actief waren, hun aanvraag te staven met een geldig paspoort of een geldige nationale identiteitskaart en een verklaring van indienstneming of tewerkstelling, dan wel het bewijs dat zij zelfstandige zijn.
   De in artikel 10, eerste lid, onder e), i), van het terugtrekkingsakkoord bedoelde personen die kunnen aantonen dat zij gebruik hebben gemaakt van hun recht op verblijf, zonder in het bezit te zijn van een geldige verblijfstitel, dienen naast het bewijs dat zij reeds voor het einde van de overgangsperiode op het grondgebied verbleven, hun aanvraag te staven met alle in artikel 18, eerste lid, onder l), van het terugtrekkingsakkoord bedoelde documenten.
   De in artikel 10, eerste lid, onder e), ii) en iii), van het terugtrekkingsakkoord bedoelde personen die het recht hebben hun verblijf overeenkomstig dit hoofdstuk aan te vangen na het eind van de overgangsperiode en de in artikel 10, vierde lid bedoelde personen, dienen hun aanvraag te staven met de in artikel 18, eerste lid, onder m), van het terugtrekkingsakkoord bedoelde documenten.
   § 7. De Koning bepaalt het document ter staving van de verblijfsstatus en het document tot vaststelling van de rechten van grensarbeiders, alsook het eventuele bedrag van de kosten met betrekking tot het vervaardigen van de kaart overeenkomstig artikel 18, eerste lid, onder g) en h), en artikel 26 van het terugtrekkingsakkoord.".
   § 8. De geldige verklaring van inschrijving, de geldige verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie, het geldig document ter staving van duurzaam verblijf en de geldige duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie, afgeleverd aan een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk of één van zijn familieleden, vervallen automatisch op 31 maart 2022.]1

  
Art.50. [1 § 1er. L'étranger qui entre ou est entré dans le Royaume sans remplir les conditions fixées dans les articles 2 et 3 et qui souhaite obtenir le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire, doit présenter une demande de protection internationale au moment où il entre ou au moins dans les huit jours ouvrables après être entré dans le Royaume.
   L'étranger visé à l'alinéa 1er, qui tente d'entrer dans le Royaume sans remplir les conditions fixées dans les articles 2 et 3, doit présenter cette demande de protection internationale sans délai auprès des autorités chargées des contrôles aux frontières au moment où celles-ci lui demandent des précisions sur son motif de séjour en Belgique.
   L'étranger qui est entré légalement dans le Royaume dans le cadre d'un séjour n'excédant pas trois mois et qui souhaite obtenir le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire, doit présenter une demande de protection internationale avant la fin du séjour n'excédant pas trois mois.
   L'étranger qui est admis ou autorisé à séjourner plus de trois mois dans le Royaume ou à s'y établir et qui souhaite obtenir le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire doit, dans les huit jours ouvrables qui suivent la fin ou le retrait de son séjour, présenter une demande de protection internationale.
   L'étranger bénéficiant d'une protection temporaire conformément à l'article 57/29, peut présenter une demande de protection internationale à tout moment. Dès qu'il est mis fin au régime de protection temporaire conformément à l'article 57/36, § 1er, s'il souhaite obtenir le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire, l'étranger doit présenter une demande de protection internationale dans les huit jours ouvrables après qu'il a été mis fin au régime de protection temporaire.
   Le Roi désigne les autorités auprès desquelles l'étranger peut présenter une demande de protection internationale.
   La présentation d'une demande de protection internationale doit être faite en personne.
   § 2. L'autorité compétente auprès de laquelle l'étranger a présenté sa demande de protection internationale conformément au paragraphe 1er lui en fournit une attestation de déclaration et porte cette demande à la connaissance du ministre ou de son délégué, qui l'enregistre dans les trois jours ouvrables.
   Lorsqu'un grand nombre d'étrangers présentent simultanément une demande de protection internationale, rendant de ce fait le délai d'enregistrement de trois jours ouvrables particulièrement difficile à respecter dans la pratique, ce délai peut être porté à dix jours ouvrables.
   § 3. L'étranger qui a présenté une demande de protection internationale conformément au § 1er, bénéficie de la possibilité d'introduire effectivement cette demande soit immédiatement, soit dans les meilleurs délais à une date programmée et au plus tard dans les trente jours à compter de la date à laquelle la demande a été présentée. Lorsqu'un grand nombre d'étrangers présentent simultanément une demande de protection internationale, rendant de ce fait ce délai de trente jours particulièrement difficile à respecter dans la pratique, ce délai peut être prolongé par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres. Cet arrêté cesse d'être en vigueur trois mois après son entrée en vigueur.
   Le Roi désigne les autorités auprès desquelles l'étranger peut introduire une demande de protection internationale.
   Lorsque l'étranger a introduit effectivement la demande de protection internationale auprès de l'autorité compétente, cette autorité lui en remet un acte écrit et porte la demande à la connaissance du ministre ou de son délégué, qui en avise immédiatement le Commissaire général aux réfugiés et apatrides. L'introduction d'une demande de protection internationale doit être faite en personne.
   Si l'étranger présente sa demande de protection internationale auprès d'une autorité, qui n'a pas également été désignée par le Roi comme autorité auprès de laquelle où une demande de protection internationale peut effectivement être introduite, cette autorité informe l'étranger de l'endroit et des modalités selon lesquelles il peut effectivement introduire cette demande.
   Une demande de protection internationale qui est présentée mais n'est ensuite pas introduite à la date prévue, échoit d'office, à moins que l'étranger ne démontre que cela était dû à des circonstances qui ne lui sont pas imputables. Si l'étranger se présente toutefois à une date ultérieure pour introduire effectivement sa demande, son dossier est rouvert et sa demande de protection internationale est à nouveau enregistrée, mais à présent comme une demande introduite effectivement.
   § 4. Un étranger ne peut présenter une nouvelle demande de protection internationale tant que la décision prise dans le cadre de sa demande de protection internationale précédente est susceptible de faire l'objet d'un recours visé à l'article 39/2, § 1er, dès lors que le délai visé à l'article 39/57 n'a pas expiré, ou tant que le Conseil du contentieux des étrangers est saisi d'un tel recours contre cette décision. Ces demandes de protection internationale ne sont pas enregistrées.]1

  [2 § 5. La demande de protection internationale qu'un étranger présente après qu'une décision finale a été prise concernant une demande précédente dans un autre Etat membre est considérée et enregistrée comme une demande ultérieure de protection internationale.]2
  
HOOFDSTUK II. - (Vluchtelingen en personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen)
Art. 50bis.
Art.48. Kan als vluchteling worden erkend de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden die ten dien einde gesteld worden door de internationale overeenkomsten die België binden.
Art. 50ter.
Art. 48/2. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/72, art. 24; Inwerkingtreding : 01-06-2007> Kan als vluchteling of als persoon die in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming worden erkend, de vreemdeling die voldoet aan de in artikel 48/3 of artikel 48/4 bedoelde voorwaarden.
Art.51. [1 A partir de la présentation de sa demande de protection internationale, le demandeur de protection internationale est tenu de coopérer avec les autorités compétentes afin d'établir son identité et d'autres éléments à l'appui de sa demande. Ces éléments comprennent notamment les déclarations du demandeur et tous les documents ou pièces dont il dispose concernant son identité, sa ou ses nationalités, son âge, son passé, y compris ceux des membres de la famille à prendre en compte, le ou les pays ainsi que le ou les lieux où il a résidé auparavant, ses demandes antérieures de protection internationale, son itinéraire, ses titres de voyage, ainsi que les raisons justifiant la demande de protection internationale.
   Lorsqu'il présente sa demande, le demandeur est informé, dans une langue qu'il comprend ou dont on peut raisonnablement supposer qu'il la comprenne, de son obligation de coopérer et des conséquences qui peuvent survenir s'il ne coopère pas avec les autorités compétentes.]1

  
Art. 48/3. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/72, art. 25; Inwerkingtreding : 01-06-2007> § 1. De vluchtelingenstatus wordt toegekend aan de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen dat op 28 juli 1951 te Genève tot stand is gekomen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967.
  § 2. Daden van vervolging in de zin van artikel 1 A van het Verdrag van Genève moeten :
  a) ofwel zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een schending vormen van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15.2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
  b) ofwel een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven in punt a).
  De hierboven genoemde daden van vervolging kunnen onder meer de vorm aannemen van :
  a) daden van lichamelijk of geestelijk geweld, inclusief seksueel geweld;
  b) wettelijke, administratieve, politiële en/of gerechtelijke maatregelen die op zichzelf discriminerend zijn of op discriminerende wijze worden uitgevoerd;
  c) onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;
  d) ontneming van de toegang tot rechtsmiddelen, waardoor een onevenredig zware of discriminerende straf wordt opgelegd;
  e) vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen, in het bijzonder tijdens een conflict wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsgronden van artikel 55/2, § 1, vallen;
  f) daden van genderspecifieke of kindspecifieke aard.
  § 3. [1 Er moet een verband zijn tussen de gronden van vervolging en de daden van vervolging of het ontbreken van bescherming tegen deze daden.]1
  § 4. Bij de beoordeling van de gronden van vervolging moet rekening worden gehouden met volgende elementen :
  a) het begrip "ras" omvat onder meer de aspecten huidskleur, afkomst of het behoren tot een bepaalde etnische groep;
  b) het begrip "godsdienst" omvat onder meer theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen, het deelnemen aan of het zich onthouden van formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen, andere religieuze activiteiten of uitingen, dan wel vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging zijn gebaseerd of daardoor worden bepaald;
  c) het begrip "nationaliteit" is niet beperkt tot staatsburgerschap of het ontbreken daarvan, maar omvat onder meer ook het behoren tot een groep die wordt bepaald door zijn culturele, etnische of linguïstische identiteit, door een gemeenschappelijke geografische of politieke oorsprong of door verwantschap met de bevolking van een andere staat;
  d) een groep moet worden geacht een specifieke sociale groep te vormen als onder meer :
  - leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en
  - de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd;
  [1 - de groep, afhankelijk van de omstandigheden in het land van herkomst, als gemeenschappelijk kenmerk seksuele gerichtheid heeft. Seksuele gerichtheid omvat geen handelingen die volgens het Belgische recht als strafbaar worden beschouwd. Er wordt terdege rekening gehouden met genderaspecten, waaronder genderidentiteit, wanneer moet worden vastgesteld of iemand tot een bepaalde sociale groep behoort of wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt geïdentificeerd;]1
  e) het begrip "politieke overtuiging" houdt onder meer in dat de betrokkene een opvatting gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 48/5 genoemde actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.
  § 5. Bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het niet ter zake of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.
  
Art. 51/2. (anciennement art. 51bis inséré par L 1991-07-18/52, art. 2; En vigueur : 01-10-1991) [2 L'étranger qui introduit une demande de protection internationale conformément à l'article 50 § 3, doit élire domicile en Belgique.]2
  A défaut d'élection de domicile, [2 le demandeur]2 est réputé avoir élu domicile au Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides. <L 2006-09-15/72, art. 36, 2°, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  L'étranger qui [2 introduit une demande de protection internationale à la frontière sans remplir les conditions fixées par les articles 2 et 3,]2 est réputé avoir élu domicile au lieu où il est maintenu. <L 2006-09-15/72, art. 36, 3°, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  Toute modification du domicile élu doit être communiquée sous pli recommandé à la poste au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ainsi qu'au (Ministre). <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  Sans préjudice d'une notification à personne, toute notification est valablement faite au domicile élu, sous pli recommandé à la poste (ou par porteur avec accusé de réception. Lorsque l'étranger a élu domicile chez son conseil, la notification peut également être valablement envoyée par télécopieur) [1 ou par tout autre moyen de notification autorisé par arrêté royal]1 <L 1993-05-06/30, art. 10, 1°, 005; En vigueur : 31-05-1993>
  Les convocations et demandes de renseignements peuvent également être valablement envoyées au domicile élu, sous pli recommandé à la poste (ou par porteur avec accusé de réception. Lorsque l'étranger a élu domicile chez son conseil, les convocations et demandes d'informations peuvent également être valablement envoyées par télécopieur [1 ou par tout autre moyen de notification autorisé par arrêté royal]1 sans préjudice d'une notification à la personne même.) <L 1993-05-06/30, art. 10, 2°, 005; En vigueur : 31-05-1993>
  
Art. 48/3. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/72, art. 25; Inwerkingtreding : 01-06-2007> § 1. De vluchtelingenstatus wordt toegekend aan de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen dat op 28 juli 1951 te Genève tot stand is gekomen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967.
  § 2. Daden van vervolging in de zin van artikel 1 A van het Verdrag van Genève moeten :
  a) ofwel zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een schending vormen van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15.2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
  b) ofwel een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven in punt a).
  De hierboven genoemde daden van vervolging kunnen onder meer de vorm aannemen van :
  a) daden van lichamelijk of geestelijk geweld, inclusief seksueel geweld;
  b) wettelijke, administratieve, politiële en/of gerechtelijke maatregelen die op zichzelf discriminerend zijn of op discriminerende wijze worden uitgevoerd;
  c) onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;
  d) ontneming van de toegang tot rechtsmiddelen, waardoor een onevenredig zware of discriminerende straf wordt opgelegd;
  e) vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen, in het bijzonder tijdens een conflict wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsgronden van artikel 55/2, § 1, vallen;
  f) daden van genderspecifieke of kindspecifieke aard.
  § 3. [1 Er moet een verband zijn tussen de gronden van vervolging en de daden van vervolging of het ontbreken van bescherming tegen deze daden.]1
  § 4. Bij de beoordeling van de gronden van vervolging moet rekening worden gehouden met volgende elementen :
  a) het begrip "ras" omvat onder meer de aspecten huidskleur, afkomst of het behoren tot een bepaalde etnische groep;
  b) het begrip "godsdienst" omvat onder meer theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen, het deelnemen aan of het zich onthouden van formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen, andere religieuze activiteiten of uitingen, dan wel vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging zijn gebaseerd of daardoor worden bepaald;
  c) het begrip "nationaliteit" is niet beperkt tot staatsburgerschap of het ontbreken daarvan, maar omvat onder meer ook het behoren tot een groep die wordt bepaald door zijn culturele, etnische of linguïstische identiteit, door een gemeenschappelijke geografische of politieke oorsprong of door verwantschap met de bevolking van een andere staat;
  d) een groep moet worden geacht een specifieke sociale groep te vormen als onder meer :
  - leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en
  - de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd;
  [1 - de groep, afhankelijk van de omstandigheden in het land van herkomst, als gemeenschappelijk kenmerk seksuele gerichtheid heeft. Seksuele gerichtheid omvat geen handelingen die volgens het Belgische recht als strafbaar worden beschouwd. Er wordt terdege rekening gehouden met genderaspecten, waaronder genderidentiteit, wanneer moet worden vastgesteld of iemand tot een bepaalde sociale groep behoort of wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt geïdentificeerd;]1
  e) het begrip "politieke overtuiging" houdt onder meer in dat de betrokkene een opvatting gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 48/5 genoemde actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.
  § 5. Bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het niet ter zake of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.
  
Art. 51/3. § 1er. [1 Pour l'application du présent article, Il y a lieu d'entendre par "prise de données biométriques", le relevé d'empreintes digitales et la capture de l'image faciale. Par "image faciale", on entend les images numériques du visage, d'une résolution et d'une qualité suffisantes pour servir à la mise en correspondance biométrique automatique.
   Peuvent être soumis à la prise des données biométriques :
   1° l'étranger qui présente et/ou introduit une demande de protection internationale à la frontière ou à l'intérieur du Royaume;
   2° l'étranger dont la prise ou la reprise en charge incombe à l'Etat belge, en vertu de la réglementation européenne liant la Belgique relative à la détermination de l'Etat responsable de l'examen d'une demande de protection internationale;
   3° l'étranger pour lequel existent des indices qu'il a déjà introduit une demande de protection internationale.]1

  § 2. [1 Les données biométriques]1 ne peuvent être utilisées que dans la mesure où elles sont nécessaires pour :
  1° établir l'identité de l'étranger;
  2° déterminer l'Etat responsable de l'examen de [1 la demande de protection internationale]1, en application (de la réglementation européenne liant la Belgique); <L 2006-09-15/72, art. 37, 2°, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  3° examiner [1 la demande de protection internationale]1.
  § 3. [1 Les données biométriques]1 sont prises à l'initiative du Ministre ou de son délégué. Elles peuvent l'être aussi à l'initiative du commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou de son délégué (...) d'un officier de police judiciaire, en ce compris l'officier de police judiciaire dont la compétence est limitée, (d'un officier de la police administrative), ou d'un directeur d'un établissement pénitentiaire. <L 2006-09-15/71, art. 190, 040; En vigueur : 01-12-2006> <L 2006-09-15/72, art. 37, 3°, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  § 4. Le traitement et l'exploitation [1 des données biométriques]1 sont effectués sous le contrôle de la Commission de la protection de la vie privée, conformément aux dispositions de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
  § 5. [1 Le Roi fixe le délai durant lequel les données biométriques, prises conformément au présent article, doivent être conservées.]1
  [1 Les données biométriques]1 prises en application du § 1er sont détruites lorsque l'étranger est reconnu réfugié conformément à l'article 49 (ou lorsque le statut de protection subsidiaire lui est accordé conformément à l'article 49/2). <L 2006-09-15/72, art. 37, 4°, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  
Art. 48/5. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/72, art. 27; Inwerkingtreding : 01-06-2007> § 1. Vervolging in de zin van artikel 48/3 of ernstige schade in de zin van artikel 48/4 kan uitgaan van of veroorzaakt worden door :
  a) de Staat;
  b) partijen of organisaties die de Staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen;
  c) niet-overheidsactoren, indien kan worden aangetoond dat de actoren als bedoeld in a) en b), inclusief internationale organisaties, geen bescherming als bedoeld in § 2 kunnen of willen bieden tegen vervolging of ernstige schade.
  § 2. [1 Bescherming in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 kan alleen geboden worden door :
   a) de Staat, of
   b) partijen of organisaties met inbegrip van internationale organisaties, die de Staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen,
   mits zij bereid en in staat zijn bescherming te bieden overeenkomstig het tweede lid.]1

  Bescherming, in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 [1 , moet doeltreffend en van niet-tijdelijke aard zijn en]1 wordt in het algemeen geboden wanneer de bedoelde actoren omschreven in het eerste lid redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, en wanneer de verzoeker toegang tot een dergelijke bescherming heeft.
  Bij het beoordelen of een internationale organisatie een Staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheerst en bescherming verleent, in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4, wordt onder meer rekening gehouden met de richtsnoeren die worden gegeven in toepasselijke [1 handelingen van de Europese Unie]1.
  § 3. [1 Er is geen behoefte aan internationale bescherming indien de asielzoeker in een deel van het land van herkomst :
   a) geen gegronde vrees heeft voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade loopt, of
   b) toegang heeft tot bescherming tegen vervolging of ernstige schade in de zin van § 2;
   en hij op een veilige en wettige manier kan reizen naar en zich toegang kan verschaffen tot dat deel van het land, en redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij er zich vestigt.
   Bij de beoordeling of de asielzoeker een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt, of toegang heeft tot bescherming tegen vervolging of ernstige schade in een deel van het land van herkomst overeenkomstig het eerste lid, wordt rekening gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de asielzoeker.]1

  [1 § 4. [2 ...]2]1
  
Art 51/3bis. L'étranger qui [1 présente ou introduit une demande de protection internationale]1 peut être soumis à une fouille de sécurité lors de son arrivée auprès de l'autorité visée à l'article 50, afin de s'assurer qu'il ne porte pas une arme ou un objet dangereux pour sa propre intégrité physique ou celle de tiers, ou pour l'ordre public.
  La fouille de sécurité s'effectue par la palpation du corps et des vêtements de la personne fouillée ainsi que par le contrôle de ses bagages. Elle ne peut durer plus longtemps que le temps nécessaire à cette fin. Elle est effectuée par un délégué du ministre du même sexe que la personne fouillée.
  Le Roi détermine les autres règles applicables à cette fouille de sécurité.
  
Art. 48/6. [1 § 1. De verzoeker om internationale bescherming dient alle nodige elementen ter staving van zijn verzoek zo spoedig mogelijk aan te brengen. De met het onderzoek van het verzoek belaste instanties hebben tot taak om de relevante elementen van het verzoek om internationale bescherming in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.
   De in het eerste lid bedoelde elementen omvatten onder meer de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie of stukken in zijn bezit met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit(en), leeftijd, achtergrond, ook die van de relevante familieleden, land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumentatie en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient.
   Het ontbreken van de in het eerste lid bedoelde elementen, en meer in het bijzonder het ontbreken van het bewijs omtrent de identiteit of nationaliteit, die kernelementen uitmaken in een procedure tot beoordeling van een verzoek om internationale bescherming, vormt een negatieve indicatie met betrekking tot de algehele geloofwaardigheid van verzoekers relaas, tenzij de verzoeker een bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken ervan.
   Indien de met het onderzoek van het verzoek belaste instanties goede redenen hebben om aan te nemen dat de verzoeker informatie, stukken, documenten of andere elementen achterhoudt die essentieel zijn voor een correcte beoordeling van het verzoek, kunnen zij de verzoeker uitnodigen om deze elementen onverwijld voor te leggen, wat ook hun drager is. De weigering van de verzoeker om deze elementen voor te leggen zonder bevredigende verklaring kan een aanwijzing zijn van zijn weigering om te voldoen aan zijn medewerkingsplicht zoals bedoeld in het eerste lid.
   § 2. De nationale en internationale documenten die de identiteit of de nationaliteit van de verzoeker vaststellen en waarvan de originelen zo spoedig mogelijk zijn neergelegd, worden bewaard in het administratief dossier van de met het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming belaste instanties gedurende de volledige duur van de behandeling van dit verzoek.
   De originelen van de andere dan in het eerste lid bedoelde ondersteunende stukken kunnen bewaard worden in het administratief dossier gedurende de volledige duur van de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.
   De verzoeker ontvangt, op zijn verzoek, een kopie van de stukken waarvan de originelen worden bewaard in het administratief dossier en een ontvangstbewijs met een summiere beschrijving van de neergelegde documenten.
De teruggave door de met het onderzoek van het verzoek belaste instanties van de in het eerste lid bedoelde originele stukken aan de vreemdeling, of aan zijn raadsman op vertoon van een geschreven volmacht uitgaande van de vreemdeling, gebeurt op zijn vraag voor zover er een definitieve beslissing van erkenning van vluchtelingenstatus of toekenning van subsidiaire beschermingsstatus werd genomen betreffende het verzoek om internationale bescherming en dit onverminderd artikel 57/8/1. In de andere gevallen waarin een definitieve beslissing werd genomen, worden deze stukken overgezonden aan de minister of zijn gemachtigde. De minister of zijn gemachtigde geeft deze terug aan de vreemdeling op zijn vraag, tenzij hij het in bewaring geven van deze stukken op grond van artikel 74/14, § 2, tweede lid, als preventieve maatregel of op grond van artikel 74/15, § 1, als maatregel om de beslissing tot verwijdering uit te voeren heeft opgelegd.
   De teruggave van de originele stukken bedoeld in het tweede lid, aan de verzoeker, of aan zijn raadsman op vertoon van een geschreven volmacht uitgaande van de verzoeker, gebeurt op zijn vraag voor zover er een definitieve beslissing werd genomen betreffende het verzoek om internationale bescherming.
   De originele stukken die aan het administratief dossier werden toegevoegd kunnen in alle gevallen vervroegd worden teruggegeven mits de verzoeker een geldige reden aanbrengt waaruit blijkt dat een vervroegde teruggave noodzakelijk is.
   De teruggave van een stuk vindt niet plaats indien er ten gevolge van een authenticatie door de bevoegde autoriteiten wordt vastgesteld dat het document vals of vervalst is en/of de teruggave wordt verhinderd door een wettelijke bepaling.
   De eventuele teruggave van de originele stukken wordt vermeld op het ontvangstbewijs bedoeld in het derde lid.
   § 3. De door de verzoeker voorgelegde stukken dienen, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een vertaling in één van de drie landstalen of het Engels.
   De verzoeker wordt bij het indienen van het verzoek, in een taal die hij begrijpt of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt, ingelicht over zijn plicht mee te werken om een vertaling te verstrekken, zoals bedoeld in het eerste lid.
   Bij gebrek aan een vertaling, zoals bedoeld in het eerste lid, dient de verzoeker de door hem voorgelegde stukken, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, zelf toe te lichten tijdens het persoonlijk onderhoud in voorkomend geval via de aanwezige tolk. Deze toelichting betreft minstens de relevante gegevens van de voorgelegde stukken.
   In het geval de verzoeker een volgend verzoek om internationale bescherming indient, zoals bedoeld in artikel 51/8, dienen de door hem voorgelegde stukken, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een vertaling in één van de drie landstalen of het Engels of dient de verzoeker minstens de relevante gegevens er van nauwkeurig aan te duiden in de door hem voorgelegde stukken en toe te lichten in de in artikel 51/8 bedoelde verklaring.
   Bij gebrek aan enige vertaling voorzien door de verzoeker, is de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, niet verplicht om elk door de verzoeker voorgelegd stuk in zijn volledigheid te vertalen naar één van de drie landstalen of het Engels. Het volstaat om de door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vastgestelde relevante gegevens te vertalen van de voorgelegde stukken.
   § 4. Wanneer de verzoeker bepaalde aspecten van zijn verklaringen niet staaft met schriftelijke of andere bewijzen, behoeven deze aspecten geen bevestiging indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan :
   a) de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;
   b) alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn voorgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere bewijskrachtige elementen;
   c) de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met de algemene en specifieke informatie die gekend en relevant is voor zijn verzoek;
   d) de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, of hij heeft goede redenen kunnen aanvoeren waarom hij nagelaten heeft dit te doen;
   e) de algemene geloofwaardigheid van de verzoeker is komen vast te staan.
   § 5. De met het onderzoek belaste instanties beoordelen het verzoek op individuele, objectieve en onpartijdige wijze en houden rekening met de volgende elementen :
   a) alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;
   b) de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of ernstige schade is blootgesteld of blootgesteld zou kunnen worden;
   c) de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade, overeenkomen;
   d) de vraag of de verzoeker, sedert hij zijn land van herkomst heeft verlaten, al dan niet activiteiten heeft uitgeoefend, die hem zouden kunnen blootstellen aan vervolging of ernstige schade indien hij naar zijn land van herkomst zou terugkeren;
   e) de vraag of in redelijkheid kan worden verwacht dat de verzoeker zich onder de bescherming kan stellen van een ander land waarvan hij de nationaliteit kan inroepen.]1
Art. 51/4. § 1er. [1 L'examen de la demande de protection internationale a lieu en français ou en néerlandais.]1
  La langue de l'examen est également celle de la décision à laquelle il donne lieu ainsi que des éventuelles décisions subséquentes d'éloignement du territoire.
  § 2. [1 Au moment d'introduire sa demande de protection internationale, l'étranger doit indiquer irrévocablement et par écrit s'il a besoin de l'assistance d'un interprète lors de l'examen de cette demande.]1
  Si l'étranger ne déclare pas requérir l'assistance d'un interprète, il peut choisir, selon les mêmes modalités, le français ou le néerlandais comme langue de l'examen.
  Si l'étranger n'a pas choisi l'une de ces langues ou a déclaré requérir l'assistance d'un interprète, le Ministre ou son délégué détermine la langue de l'examen, en fonction des besoins des services et instances. Cette décision n'est susceptible d'aucun recours distinct.
  [1 Par dérogation aux alinéas précédents, sans préjudice de la possibilité pour le ministre ou son délégué de déterminer la langue de l'examen en fonction des besoins des services et instances, l'examen d'une demande ultérieure de protection internationale introduite conformément à l'article 51/8 est effectué dans la langue dans laquelle la demande de protection internationale précédente a été examinée.]1
  § 3. (Dans les procédures devant le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, le Conseil du Contentieux des Etrangers et le Conseil d'Etat, ainsi que si l'étranger demande, durant le traitement de [1 sa demande de protection internationale]1 ou dans un délai de six mois suivant la clôture de la procédure d'asile, l'octroi d'une autorisation de séjour sur la base de l'article 9bis ou 9ter, il est fait usage de la langue choisie ou déterminée conformément au paragraphe 2.
  Le paragraphe 1er, deuxième alinéa, est applicable.) <L 2006-09-15/72, art. 38, 3°, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  
(NOTA : bij arrest nr. 23/2021 van 25-02-2021 (2021-02-25/20, B.St. 20-04-2021, p. 36679), heeft het Grondwettelijk Hof § 2, lid 1en 4 van dit artikel vernietigd)
  
-
Art. 48/6. [1 § 1. De verzoeker om internationale bescherming dient alle nodige elementen ter staving van zijn verzoek zo spoedig mogelijk aan te brengen. De met het onderzoek van het verzoek belaste instanties hebben tot taak om de relevante elementen van het verzoek om internationale bescherming in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.
   De in het eerste lid bedoelde elementen omvatten onder meer de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie of stukken in zijn bezit met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit(en), leeftijd, achtergrond, ook die van de relevante familieleden, land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumentatie en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient.
   Het ontbreken van de in het eerste lid bedoelde elementen, en meer in het bijzonder het ontbreken van het bewijs omtrent de identiteit of nationaliteit, die kernelementen uitmaken in een procedure tot beoordeling van een verzoek om internationale bescherming, vormt een negatieve indicatie met betrekking tot de algehele geloofwaardigheid van verzoekers relaas, tenzij de verzoeker een bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken ervan.
   Indien de met het onderzoek van het verzoek belaste instanties goede redenen hebben om aan te nemen dat de verzoeker informatie, stukken, documenten of andere elementen achterhoudt die essentieel zijn voor een correcte beoordeling van het verzoek, kunnen zij de verzoeker uitnodigen om deze elementen onverwijld voor te leggen, wat ook hun drager is. De weigering van de verzoeker om deze elementen voor te leggen zonder bevredigende verklaring kan een aanwijzing zijn van zijn weigering om te voldoen aan zijn medewerkingsplicht zoals bedoeld in het eerste lid.
   § 2. De nationale en internationale documenten die de identiteit of de nationaliteit van de verzoeker vaststellen en waarvan de originelen zo spoedig mogelijk zijn neergelegd, worden bewaard in het administratief dossier van de met het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming belaste instanties gedurende de volledige duur van de behandeling van dit verzoek.
   De originelen van de andere dan in het eerste lid bedoelde ondersteunende stukken kunnen bewaard worden in het administratief dossier gedurende de volledige duur van de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.
   De verzoeker ontvangt, op zijn verzoek, een kopie van de stukken waarvan de originelen worden bewaard in het administratief dossier en een ontvangstbewijs met een summiere beschrijving van de neergelegde documenten.
De teruggave door de met het onderzoek van het verzoek belaste instanties van de in het eerste lid bedoelde originele stukken aan de vreemdeling, of aan zijn raadsman op vertoon van een geschreven volmacht uitgaande van de vreemdeling, gebeurt op zijn vraag voor zover er een definitieve beslissing van erkenning van vluchtelingenstatus of toekenning van subsidiaire beschermingsstatus werd genomen betreffende het verzoek om internationale bescherming en dit onverminderd artikel 57/8/1. In de andere gevallen waarin een definitieve beslissing werd genomen, worden deze stukken overgezonden aan de minister of zijn gemachtigde. De minister of zijn gemachtigde geeft deze terug aan de vreemdeling op zijn vraag, tenzij hij het in bewaring geven van deze stukken op grond van artikel 74/14, § 2, tweede lid, als preventieve maatregel of op grond van artikel 74/15, § 1, als maatregel om de beslissing tot verwijdering uit te voeren heeft opgelegd.
   De teruggave van de originele stukken bedoeld in het tweede lid, aan de verzoeker, of aan zijn raadsman op vertoon van een geschreven volmacht uitgaande van de verzoeker, gebeurt op zijn vraag voor zover er een definitieve beslissing werd genomen betreffende het verzoek om internationale bescherming.
   De originele stukken die aan het administratief dossier werden toegevoegd kunnen in alle gevallen vervroegd worden teruggegeven mits de verzoeker een geldige reden aanbrengt waaruit blijkt dat een vervroegde teruggave noodzakelijk is.
   De teruggave van een stuk vindt niet plaats indien er ten gevolge van een authenticatie door de bevoegde autoriteiten wordt vastgesteld dat het document vals of vervalst is en/of de teruggave wordt verhinderd door een wettelijke bepaling.
   De eventuele teruggave van de originele stukken wordt vermeld op het ontvangstbewijs bedoeld in het derde lid.
   § 3. De door de verzoeker voorgelegde stukken dienen, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een vertaling in één van de drie landstalen of het Engels.
   De verzoeker wordt bij het indienen van het verzoek, in een taal die hij begrijpt of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt, ingelicht over zijn plicht mee te werken om een vertaling te verstrekken, zoals bedoeld in het eerste lid.
   Bij gebrek aan een vertaling, zoals bedoeld in het eerste lid, dient de verzoeker de door hem voorgelegde stukken, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, zelf toe te lichten tijdens het persoonlijk onderhoud in voorkomend geval via de aanwezige tolk. Deze toelichting betreft minstens de relevante gegevens van de voorgelegde stukken.
   In het geval de verzoeker een volgend verzoek om internationale bescherming indient, zoals bedoeld in artikel 51/8, dienen de door hem voorgelegde stukken, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een vertaling in één van de drie landstalen of het Engels of dient de verzoeker minstens de relevante gegevens er van nauwkeurig aan te duiden in de door hem voorgelegde stukken en toe te lichten in de in artikel 51/8 bedoelde verklaring.
   Bij gebrek aan enige vertaling voorzien door de verzoeker, is de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, niet verplicht om elk door de verzoeker voorgelegd stuk in zijn volledigheid te vertalen naar één van de drie landstalen of het Engels. Het volstaat om de door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vastgestelde relevante gegevens te vertalen van de voorgelegde stukken.
   § 4. Wanneer de verzoeker bepaalde aspecten van zijn verklaringen niet staaft met schriftelijke of andere bewijzen, behoeven deze aspecten geen bevestiging indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan :
   a) de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;
   b) alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn voorgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere bewijskrachtige elementen;
   c) de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met de algemene en specifieke informatie die gekend en relevant is voor zijn verzoek;
   d) de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, of hij heeft goede redenen kunnen aanvoeren waarom hij nagelaten heeft dit te doen;
   e) de algemene geloofwaardigheid van de verzoeker is komen vast te staan.
   § 5. De met het onderzoek belaste instanties beoordelen het verzoek op individuele, objectieve en onpartijdige wijze en houden rekening met de volgende elementen :
   a) alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;
   b) de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of ernstige schade is blootgesteld of blootgesteld zou kunnen worden;
   c) de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade, overeenkomen;
   d) de vraag of de verzoeker, sedert hij zijn land van herkomst heeft verlaten, al dan niet activiteiten heeft uitgeoefend, die hem zouden kunnen blootstellen aan vervolging of ernstige schade indien hij naar zijn land van herkomst zou terugkeren;
   e) de vraag of in redelijkheid kan worden verwacht dat de verzoeker zich onder de bescherming kan stellen van een ander land waarvan hij de nationaliteit kan inroepen.]1
Art. 51/5. § 1er. [1 Dès que l'étranger a introduit à la frontière ou dans le Royaume une première demande de protection internationale ou une demande ultérieure de protection internationale auprès de l'une des autorités désignées par le Roi en exécution de l'article 50, § 3, alinéa 2, en application de la réglementation européenne liant la Belgique, le ministre ou son délégué procède à la détermination de l'Etat qui est responsable de l'examen de cette demande.
   A cette fin, lorsque, sur la base d'un examen individuel, il existe un risque non négligeable de fuite de la personne, et uniquement pour autant que le maintien soit proportionné et qu'aucune autre mesure moins coercitive ne puisse effectivement être appliquée, l'étranger peut être maintenu dans un lieu déterminé pour la durée nécessaire à la détermination de l'Etat qui est responsable de l'examen de la demande de protection internationale, sans que la durée du maintien ne puisse excéder six semaines.]1

  [1 ...]1
  ((Nonobstant l'alinéa 1er), (le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides) examine [1 la demande de protection internationale]1 introduite par un bénéficiaire de la protection temporaire autorisé à ce titre à séjourner dans le Royaume) L 2003-02-18/41, art. 4, 027; En vigueur : 01-05-2003> <L 2006-09-15/72, art. 39, 1°, c, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  (Si l'étranger ne donne pas suite à une convocation ou à une demande de renseignements dans les quinze jours de l'envoi de celle-ci, il est présumé avoir renoncé à sa [1 demande de protection internationale]1.) <L 2006-09-15/72, art. 39, 1°, d, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  § 2. (Même si en vertu des critères de la réglementation européenne, liant la Belgique, le traitement de la demande n'incombe pas à la Belgique, le ministre ou son délégué peut à tout moment décider que la Belgique est responsable pour l'examen de la demande.) La demande dont le traitement incombe à la Belgique, ou dont elle assume la responsabilité, est examinée conformément aux dispositions de la présente loi. <L 2006-09-15/72, art. 39, 2°, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  § 3. [1 Lorsque la Belgique n'est pas responsable de l'examen de la demande de protection internationale, le ministre ou son délégué adresse à l'Etat responsable une demande de prise en charge ou de reprise en charge de l'étranger, conformément aux conditions fixées dans la réglementation européenne liant la Belgique.
   Lorsque, sur la base du paragraphe 1er, alinéa 2, l'étranger est maintenu, cette demande de prise en charge ou de reprise en charge doit être adressée à l'Etat responsable dans les délais déterminés par la réglementation européenne liant la Belgique. Si le ministre ou son délégué ne respecte pas ces délais, l'étranger ne peut plus être maintenu sur la base de ce motif.]1

  [1 § 4. Lorsque le demandeur de protection internationale doit être transféré à l'Etat membre responsable, le ministre ou son délégué lui refuse l'entrée ou le séjour dans le Royaume et l'enjoint de se manifester auprès des autorités compétentes de cet Etat avant une date déterminée.
   Lorsque le ministre ou son délégué l'estime nécessaire afin de garantir un transfert effectif, il peut faire reconduire sans délai l'étranger à la frontière.
   A cette fin, lorsque, sur la base d'un examen individuel, il existe un risque non négligeable de fuite de la personne, et uniquement pour autant que le maintien soit proportionné et qu'aucune autre mesure moins coercitive ne puisse effectivement être appliquée, l'étranger peut être maintenu dans un lieu déterminé pour la durée nécessaire à la mise en oeuvre du transfert vers l'Etat responsable, sans que la durée de ce maintien ne puisse excéder six semaines. Il n'est pas tenu compte de la durée du maintien visé au paragraphe 1er, alinéa 2. Lorsque le transfert n'est pas exécuté dans un délai de six semaines, l'étranger ne peut être maintenu plus longtemps sur cette base. Le délai du maintien est interrompu d'office tant que le recours introduit contre la décision visée à l'alinéa 1er a un effet suspensif.
   § 5. Aucun étranger ne peut être maintenu au seul motif qu'il est soumis aux procédures régies par le présent article.
   § 6. [2 Lorsque l'étranger, en raison de son emprisonnement ou de sa fuite, ne peut être transféré à l'Etat responsable dans le délai de six mois, prévu par la réglementation européenne liant la Belgique, le ministre ou son délégué peut prolonger le délai pour l'exécution du transfert conformément à cette réglementation européenne.
   Un étranger a pris la fuite lorsqu'il se soustrait délibérément aux autorités chargées de l'exécution du transfert, afin de faire échec à ce dernier, à condition qu'il ait été informé de ses obligations et des conséquences de leur non-respect dans une langue qu'il comprend ou dont on peut raisonnablement supposer qu'il la comprend.
   Un étranger est présumé avoir pris la fuite conformément à l'alinéa 2, notamment dans les cas suivants:
   1° lorsque l'étranger ne s'est pas rendu dans la structure d'accueil qui lui a été attribuée conformément à la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers, ou l'a abandonné, et qu'il n'a pas fourni par écrit à l'Office des Etrangers l'adresse de sa résidence effective en Belgique dans les trois jours ouvrables. L'Agence fédérale pour l'accueil des demandeurs d'asile informe sans délai l'Office des Etrangers du fait que l'étranger ne s'est pas rendu dans la structure d'accueil qui lui a été attribuée ou l'a abandonnée;
   2° lorsque, sur la base d'un ou de plusieurs contrôles de résidence, il peut être établi de manière circonstanciée que l'étranger ne réside pas à l'adresse de résidence effective qu'il avait communiquée à l'Office des Etrangers;
   3° lorsque l'étranger ne s'est pas présenté aux entretiens planifiés pour le trajet d'accompagnement intensif dans le cadre d'une procédure de transfert tel que visé à l'article 74/25 et qu'il n'a pas fourni par écrit de motif valable à ce sujet dans les trois jours ouvrables;
   4° lorsque l'étranger ne coopère pas à son transfert conformément à l'article 74/23;
   5° lorsque l'étranger n'a pas respecté la mesure de maintien moins coercitive prise à son encontre conformément au paragraphe 4, alinéa 3;
   6° lorsque l'étranger a quitté, sans y être autorisé, le lieu déterminé, tel que visé aux articles 74/8 ou 74/9, où il était maintenu, et qu'il n'a pas fourni par écrit à l'Office des Etrangers l'adresse de résidence effective en Belgique dans les trois jours ouvrables.]2
]1

  
(NOTA : bij arrest nr. 23/2021 van 25-02-2021 (2021-02-25/20, B.St. 20-04-2021, p. 36679), heeft het Grondwettelijk Hof § 2, lid 1en 4 van dit artikel vernietigd)
  
-
Art. 48/8. [1 § 1. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vraagt, indien dit door hem relevant wordt geacht voor de beoordeling van het verzoek, aan de verzoeker om internationale bescherming zich te onderwerpen aan een medisch onderzoek betreffende aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade, mits de verzoeker hiermee instemt.
   De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan aan de verzoeker vragen om zo spoedig mogelijk dit medisch onderzoek te regelen, desgevallend bij een door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen aangewezen bevoegde beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg.
   De bevoegde beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg verstrekt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een rapport met vaststellingen betreffende aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade, mits de verzoeker hiermee instemt. Er wordt hierbij een duidelijk onderscheid gemaakt tussen enerzijds objectief medische vaststellingen en anderzijds de vaststellingen gebaseerd op de verklaringen van de verzoeker om internationale bescherming.
   § 2. Indien er door de verzoeker om internationale bescherming een medisch probleem wordt opgeworpen en er geen medisch onderzoek overeenkomstig paragraaf 1 plaatsvindt, wordt hij ingelicht dat hij op eigen initiatief en kosten een medisch onderzoek kan regelen betreffende aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade.
   Het medisch getuigschrift wordt zo spoedig mogelijk voorgelegd aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, die in voorkomend geval een bevoegde beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg kan raadplegen om een advies omtrent het voormelde getuigschrift te vragen.
   § 3. Het feit dat de verzoeker om internationale bescherming weigert om het medisch onderzoek overeenkomstig paragraaf 1 te ondergaan of het feit dat er geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden, belet de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen niet een beslissing te nemen over het verzoek om internationale bescherming.
   § 4. Het in paragraaf 1, derde lid, bedoelde rapport of het in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde medisch getuigschrift wordt door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen beoordeeld samen met de andere elementen van het verzoek om internationale bescherming.
   § 5. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de ambtenaren van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, wat betreft de medische gegevens waarvan zij in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen.]1

  
Art. 51/5/1. [1 § 1er. Lorsque l'étranger ayant introduit une demande de protection internationale dans un autre Etat, est en séjour illégal sur le territoire du Royaume et que le ministre ou son délégué estime qu'un autre Etat est responsable de l'examen de la demande de protection internationale, en exécution de la réglementation européenne liant la Belgique, le ministre ou son délégué adresse à cet Etat une demande de reprise en charge de l'étranger dans les conditions fixées par cette réglementation européenne.
   Lorsque, sur la base d'un examen individuel, il existe un risque non négligeable de fuite de la personne, et uniquement pour autant que le maintien soit proportionné et qu'aucune autre mesure moins coercitive ne puisse effectivement être appliquée, l'étranger peut être maintenu dans un lieu déterminé pour la durée nécessaire à la détermination de l'Etat responsable, sans que la durée de ce maintien ne puisse excéder six semaines.
   Lorsque le ministre ou son délégué n'adresse pas une demande de reprise en charge à l'Etat responsable dans les délais déterminés par la réglementation européenne liant la Belgique, l'étranger ne peut plus être maintenu sur la base de l'alinéa 2.
   § 2. Lorsque l'étranger doit être transféré à l'Etat responsable, le ministre ou son délégué prend une décision de transfert et l'enjoint de se manifester auprès des autorités compétentes de cet Etat avant une date déterminée.
   Lorsque le ministre ou son délégué l'estime nécessaire afin de garantir un transfert effectif, il peut faire reconduire sans délai l'étranger à la frontière.
   Lorsque, sur la base d'un examen individuel, il existe un risque non négligeable de fuite de la personne, et uniquement pour autant que le maintien soit proportionné et qu'aucune autre mesure moins coercitive ne puisse effectivement être appliquée, l'étranger peut être maintenu dans un lieu déterminé pour la durée nécessaire à la mise en oeuvre du transfert vers l'Etat responsable, sans que la durée de ce maintien ne puisse excéder six semaines. Le délai du maintien est interrompu d'office tant que le recours introduit contre la décision de transfert visée à l'alinéa 1er a un effet suspensif. Il n'est pas tenu compte de la durée du maintien visé au paragraphe 1er, alinéa 2.
   Lorsque le transfert n'est pas exécuté dans le délai visé à l'alinéa 3, l'étranger ne peut plus être maintenu sur la base de ce motif.
   § 3. Aucun étranger ne peut être maintenu au seul motif qu'il est soumis aux procédures instituées par le présent article.
   Le maintien visé au paragraphe 1er, alinéa 2, et au paragraphe 2, alinéa 3, est d'une durée aussi brève que possible et ne se prolonge pas au-delà du délai raisonnablement nécessaire pour accomplir les procédures administratives requises avec toute la diligence voulue jusqu'à l'exécution du transfert.
   § 4. [2 Lorsque l'étranger, en raison de son emprisonnement ou de sa fuite, ne peut être transféré à l'Etat responsable dans le délai de six mois, prévu par la réglementation européenne liant la Belgique, le ministre ou son délégué peut prolonger le délai pour l'exécution du transfert conformément à cette réglementation européenne.
   Un étranger a pris la fuite lorsqu'il se soustrait délibérément aux autorités chargées de l'exécution du transfert, afin de faire échec à ce dernier, à condition qu'il ait été informé de ses obligations et des conséquences de leur non-respect dans une langue qu'il comprend ou dont on peut raisonnablement supposer qu'il la comprend.
   Un étranger est présumé avoir pris la fuite conformément à l'alinéa 2, notamment dans les cas suivants:
   1° lorsque l'étranger ne s'est pas présenté aux entretiens planifiés pour le trajet d'accompagnement intensif dans le cadre d'une procédure de transfert tel que visé à l'article 74/25 et qu'il n'a pas fourni par écrit de motif valable à ce sujet dans les trois jours ouvrables;
   2° lorsque l'étranger ne coopère pas à son transfert conformément à l'article 74/23;
   3° lorsque l'étranger n'a pas respecté la mesure de maintien moins coercitive prise à son encontre conformément au paragraphe 2, alinéa 3;
   4° lorsque l'étranger a quitté, sans y être autorisé, le lieu déterminé, tel que visé aux articles 74/8 ou 74/9, où il était maintenu, et qu'il n'a pas fourni par écrit à l'Office des Etrangers une adresse de résidence effective en Belgique dans les trois jours ouvrables.]2
]1

  
Art. 48/9. [1 § 1. De vreemdeling die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend overeenkomstig artikel 50, § 3, eerste lid, heeft de mogelijkheid om op omstandige en precieze wijze in een vragenlijst, die hij beantwoordt vóór de in artikel 51/10 bedoelde verklaring, de elementen aan te brengen waaruit zijn bijzondere procedurele noden blijken, teneinde aanspraak te kunnen maken op de rechten en te kunnen voldoen aan de verplichtingen voorzien in dit hoofdstuk.
   § 2. Daarnaast kan een ambtenaar-geneesheer of een andere bevoegde beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg, aangewezen door de minister of zijn gemachtigde, via een medisch onderzoek aanbevelingen doen betreffende de bijzondere procedurele noden die een verzoeker om internationale bescherming kan behoeven, teneinde aanspraak te kunnen maken op de rechten en te kunnen voldoen aan de verplichtingen voorzien in dit hoofdstuk. Indien de aanbevelingen betrekking hebben op medische gegevens, worden deze slechts aan de minister of zijn gemachtigde en de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen overgezonden mits instemming van de verzoeker om internationale bescherming.
   Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op alle ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, wat betreft de medische gegevens waarvan zij in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen.
   § 3. Onverminderd het bepaalde in §§ 1 en 2, kan de verzoeker om internationale bescherming ook elementen in een latere fase van de procedure signaleren aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, zonder dat de procedure betreffende het verzoek om internationale bescherming hierom opnieuw moet worden gestart. De verzoeker dient deze elementen op omstandige en precieze wijze schriftelijk over te zenden aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.
   § 4. De ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen beoordelen of de verzoeker om internationale bescherming bijzondere procedurele noden heeft en nemen deze in acht door het verlenen van passende steun tijdens de procedure, voor zover deze noden voldoende zijn aangetoond en voor zover de in dit hoofdstuk bedoelde rechten in het gedrang zouden komen en hij niet zou kunnen voldoen aan de hem opgelegde verplichtingen. De beoordeling van de bijzondere procedurele noden is op zich zelf niet vatbaar voor beroep.
   § 5. Indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen van oordeel is dat een verzoeker om internationale bescherming bijzondere procedurele noden heeft, in het bijzonder omwille van foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld, die niet verenigbaar zijn met het onderzoek van zijn verzoek conform artikel 57/6/1, § 1 of 57/6/4, past de Commissaris-generaal deze procedure niet of niet langer toe.
   § 6. De vaststelling dat de verzoeker de in § 1 bedoelde vragenlijst niet heeft beantwoord of dat verzoeker overeenkomstig § 2 niet medisch werd onderzocht, verhindert niet dat de procedure verder wordt behandeld overeenkomstig artikel 51/10 of belet de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen niet om een beslissing te nemen over het verzoek om internationale bescherming.
   § 7. De in § 4 vermelde beoordeling blijft geldig indien de vreemdeling een volgend verzoek indient op grond van artikel 51/8.
   In afwijking van het eerste lid, kan de minister of zijn gemachtigde of de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in het kader van het volgende verzoek oordelen dat de verzoeker om internationale bescherming niet langer bijzondere procedurele noden heeft, zelfs al werd er tijdens het vorig verzoek nog geoordeeld dat hij deze had.
   In afwijking van het eerste lid, kan de verzoeker alsnog in de in artikel 51/8 bedoelde verklaring overtuigende elementen aanbrengen waaruit zijn bijzondere procedurele noden zouden blijken, zelfs al werd er tijdens het vorig verzoek nog geoordeeld dat hij deze niet had.]1

  
Art. 51/6. (Lorsque l'étranger ayant introduit une [1 demande de protection internationale]1) à la frontière ou dans le Royaume, se trouve irrégulièrement dans un autre Etat ou y a formulé une [1 demande de protection internationale]1 et que le Ministre ou son délégué est tenu de le reprendre en charge en application (de la réglementation européenne) liant la Belgique, l'étranger doit, lors de son entrée dans le Royaume ou du moins dans les huit jours ouvrables qui suivent celle-ci, se présenter auprès du Ministre ou de son délégué. Ce dernier lui en donne acte par écrit et, le cas échéant, en informe immédiatement le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou (le Conseil du Contentieux des étrangers). <L 2006-09-15/72, art. 40,, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  Si la Belgique n'est pas responsable de l'examen de la [1 demande de protection internationale]1, il est procédé conformément à l'[1 article 51/5, §§ 3 et 4,]1.
  Si l'examen de la demande incombe à la Belgique, il doit être entamé ou poursuivi, conformément aux dispositions de la présente loi.
  
Art.49. <W 2006-09-15/72, art. 28, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007> § 1. Als vluchteling in de zin van deze wet wordt beschouwd en tot een verblijf [2 van beperkte duur]2 in het Rijk toegelaten :
  1° de vreemdeling die krachtens de internationale akkoorden van vóór het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchteling, en van de Bijlagen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, in België de hoedanigheid van vluchteling bezat vóór de inwerkingtreding van de wet van 26 juni 1953 houdende goedkeuring van genoemd verdrag;
  2° de vreemdeling die als vluchteling is erkend door de Minister van Buitenlandse Zaken of door de internationale overheid waaraan de minister zijn bevoegdheid heeft overgedragen;
  3° de vreemdeling die als vluchteling wordt erkend door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen;
  4° de vreemdeling die als vluchteling is erkend door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen;
  5° de vreemdeling die als vluchteling wordt erkend door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  6° de vreemdeling die, nadat hij als vluchteling werd erkend terwijl hij zich op het grondgebied bevond van een andere Staat, verdragsluitende partij bij het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, door de minister of diens gemachtigde tot verblijf of vestiging in het Rijk is toegelaten, op voorwaarde dat zijn hoedanigheid van vluchteling bevestigd wordt door de overheid bedoeld in 2° of 3°.
  [2 De verblijfstitel die de toelating tot een verblijf van beperkte duur vaststelt, is geldig gedurende vijf jaar.
   Na afloop van een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de indiening van de asielaanvraag, wordt de erkende vluchteling tot een verblijf van onbeperkte duur toegelaten tenzij de vluchtelingenstatus ondertussen werd opgeheven of ingetrokken overeenkomstig de artikelen 55/3 of 55/3/1 of tenzij de vreemdeling afstand heeft gedaan van zijn vluchtelingenstatus.]2

  § 2. [2 De minister of zijn gemachtigde kan, gedurende het verblijf van beperkte duur van de vreemdeling, te allen tijde aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vragen de vluchtelingenstatus op te heffen overeenkomstig artikel 57/6, eerste lid, 4°.]2 Tijdens de eerste tien jaar verblijf, te rekenen vanaf de datum van de indiening van de asielaanvraag, kan de minister of zijn gemachtigde ten allen tijde aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vragen de vluchtelingenstatus die aan een vreemdeling werd erkend, in te trekken overeenkomstig artikel [1 55/3/1, § 2, 1° en 2°]1.
  [1 De minister of zijn gemachtigde kan te allen tijde aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vragen de vluchtelingenstatus die aan een vreemdeling werd erkend, in te trekken overeenkomstig artikel 55/3/1, § 1.
   De minister of zijn gemachtigde zendt onverwijld aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen elk element in zijn bezit over dat een beslissing tot intrekking op basis van artikel 55/3/1 zou kunnen rechtvaardigen. Behoudens uitdrukkelijke aanwijzing in die zin, vormt het overzenden van dergelijke elementen geen vraag tot intrekking van het statuut in de zin van het tweede lid.]1

  [1 De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen neemt in geval van toepassing van het eerste of het tweede lid binnen een termijn van zestig werkdagen [2 een beslissing tot opheffing of intrekking]2 van de vluchtelingenstatus of hij informeert de betrokkene en de minister of zijn gemachtigde dat niet wordt overgegaan tot [2 de opheffing of intrekking van dit statuut]2.]1
  [2 De toekenning van het onbeperkt verblijfsrecht zoals bepaald in paragraaf 1, derde lid, wordt in voorkomend geval geschorst in afwachting van een definitieve beslissing. Indien de geldigheidsduur van de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde verblijfstitel verstrijkt tijdens het heronderzoek van de geldigheid van de internationale beschermingsstatus, wordt deze verblijfstitel vernieuwd in afwachting van een definitieve beslissing.]2
  § 3. [1 Wanneer de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de vluchtelingenstatus heeft opgeheven of ingetrokken of wanneer de betrokkene afstand heeft gedaan van zijn status, [2 kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan het verblijf van de vreemdeling en hem verwijderen overeenkomstig de bepalingen van deze wet, onverminderd het beginsel van non-refoulement.]2]1
  [1 § 4. De erkenning van de vluchtelingenstatus vervalt van rechtswege indien de vluchteling Belg is geworden.]1
  
Art. 51/7. [1 Lorsque l'étranger introduit une demande de protection internationale sur le territoire d'un autre Etat et que la Belgique est responsable de l'examen de la demande de protection internationale, en application de la réglementation européenne liant la Belgique, le ministre ou son délégué est tenu de prendre cet étranger en charge dans les conditions prévues par cette réglementation européenne.]1
  Lors de son entrée dans le Royaume ou du moins dans les huit jours ouvrables qui suivent celle-ci, l'étranger doit se présenter auprès du Ministre ou de son délégué. Ce dernier lui en donne acte par écrit et en informe immédiatement le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides.
  L'étranger est tenu de se conformer aux dispositions des articles 51/2 et 51/4, § 2.
  L'examen de [1 la demande de protection internationale]1 doit être entamé conformément aux dispositions de la présente loi. <L 2006-09-15/72, art. 41, 2°, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  
Art. 49. <W 2006-09-15/72, art. 28, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007> § 1. Als vluchteling in de zin van deze wet wordt beschouwd en tot een verblijf [2 van beperkte duur]2 in het Rijk toegelaten :
  1° de vreemdeling die krachtens de internationale akkoorden van vóór het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchteling, en van de Bijlagen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, in België de hoedanigheid van vluchteling bezat vóór de inwerkingtreding van de wet van 26 juni 1953 houdende goedkeuring van genoemd verdrag;
  2° de vreemdeling die als vluchteling is erkend door de Minister van Buitenlandse Zaken of door de internationale overheid waaraan de minister zijn bevoegdheid heeft overgedragen;
  3° de vreemdeling die als vluchteling wordt erkend door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen;
  4° de vreemdeling die als vluchteling is erkend door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen;
  5° de vreemdeling die als vluchteling wordt erkend door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  6° de vreemdeling die, nadat hij als vluchteling werd erkend terwijl hij zich op het grondgebied bevond van een andere Staat, verdragsluitende partij bij het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, door de minister of diens gemachtigde tot verblijf of vestiging in het Rijk is toegelaten, op voorwaarde dat zijn hoedanigheid van vluchteling bevestigd wordt door de overheid bedoeld in 2° of 3°.
  [2 De verblijfstitel die de toelating tot een verblijf van beperkte duur vaststelt, is geldig gedurende vijf jaar.
   Na afloop van een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de indiening van de asielaanvraag, wordt de erkende vluchteling tot een verblijf van onbeperkte duur toegelaten tenzij de vluchtelingenstatus ondertussen werd opgeheven of ingetrokken overeenkomstig de artikelen 55/3 of 55/3/1 of tenzij de vreemdeling afstand heeft gedaan van zijn vluchtelingenstatus.]2

  § 2. [2 De minister of zijn gemachtigde kan, gedurende het verblijf van beperkte duur van de vreemdeling, te allen tijde aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vragen de vluchtelingenstatus op te heffen overeenkomstig artikel 57/6, eerste lid, 4°.]2 Tijdens de eerste tien jaar verblijf, te rekenen vanaf de datum van de indiening van de asielaanvraag, kan de minister of zijn gemachtigde ten allen tijde aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vragen de vluchtelingenstatus die aan een vreemdeling werd erkend, in te trekken overeenkomstig artikel [1 55/3/1, § 2, 1° en 2°]1.
  [1 De minister of zijn gemachtigde kan te allen tijde aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vragen de vluchtelingenstatus die aan een vreemdeling werd erkend, in te trekken overeenkomstig artikel 55/3/1, § 1.
   De minister of zijn gemachtigde zendt onverwijld aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen elk element in zijn bezit over dat een beslissing tot intrekking op basis van artikel 55/3/1 zou kunnen rechtvaardigen. Behoudens uitdrukkelijke aanwijzing in die zin, vormt het overzenden van dergelijke elementen geen vraag tot intrekking van het statuut in de zin van het tweede lid.]1

  [1 De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen neemt in geval van toepassing van het eerste of het tweede lid binnen een termijn van zestig werkdagen [2 een beslissing tot opheffing of intrekking]2 van de vluchtelingenstatus of hij informeert de betrokkene en de minister of zijn gemachtigde dat niet wordt overgegaan tot [2 de opheffing of intrekking van dit statuut]2.]1
  [2 De toekenning van het onbeperkt verblijfsrecht zoals bepaald in paragraaf 1, derde lid, wordt in voorkomend geval geschorst in afwachting van een definitieve beslissing. Indien de geldigheidsduur van de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde verblijfstitel verstrijkt tijdens het heronderzoek van de geldigheid van de internationale beschermingsstatus, wordt deze verblijfstitel vernieuwd in afwachting van een definitieve beslissing.]2
  § 3. [1 Wanneer de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de vluchtelingenstatus heeft opgeheven of ingetrokken of wanneer de betrokkene afstand heeft gedaan van zijn status, [2 kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan het verblijf van de vreemdeling en hem verwijderen overeenkomstig de bepalingen van deze wet, onverminderd het beginsel van non-refoulement.]2]1
  [1 § 4. De erkenning van de vluchtelingenstatus vervalt van rechtswege indien de vluchteling Belg is geworden.]1
  
Art. 51/8. [2 [3 Si l'étranger introduit une demande ultérieure de protection internationale auprès de l'une des autorités désignées par le Roi en exécution de l'article 50, § 3, alinéa 2,]3 le ministre ou son délégué consigne les déclarations du [3 demandeur]3 concernant les nouveaux éléments qui augmentent de manière significative la probabilité qu'il puisse prétendre à la reconnaissance comme réfugié au sens de l'article 48/3 ou à la protection subsidiaire au sens de l'article 48/4, ainsi que les raisons pour lesquelles le demandeur d'asile n'a pas pu produire ces éléments auparavant.
   Cette déclaration est signée par le [3 demandeur]3. S'il refuse de signer, il en est fait mention sur la déclaration, et, le cas échéant, il est également fait mention des raisons pour lesquelles il refuse de signer. Cette déclaration est transmise sans délai au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides.]2

  [1 ...]1
  
Art. 49/2. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/72, art. 29; Inwerkingtreding : 01-06-2007> § 1. Als genieter van de subsidiaire beschermingsstatus wordt beschouwd en tot een verblijf van beperkte duur in het rijk toegelaten : de vreemdeling aan wie de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de status bepaald in artikel 48/4 toekent.
  § 2. De verblijfstitel die de toelating tot een verblijf van beperkte duur vaststelt, is geldig gedurende één jaar en [1 in geval van verlenging, geldig gedurende twee jaar]1 [3 tenzij de subsidiaire beschermingsstatus ondertussen werd opgeheven of ingetrokken overeenkomstig de artikelen 55/5 of 55/5/1 of tenzij de vreemdeling ondertussen afstand heeft gedaan van zijn subsidiaire beschermingsstatus.]3
  § 3. Na vijf jaar, te rekenen vanaf de indiening van de asielaanvraag wordt de vreemdeling aan wie de subsidiaire beschermingstatus is toegekend tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk toegelaten [3 tenzij de subsidiaire beschermingsstatus ondertussen werd opgeheven of ingetrokken overeenkomstig de artikelen 55/5 of 55/5/1 of tenzij de vreemdeling ondertussen afstand heeft gedaan van zijn subsidiaire beschermingsstatus.]3
  § 4. [2 De minister of zijn gemachtigde kan, gedurende het verblijf van beperkte duur van de vreemdeling, te allen tijde aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vragen de subsidiaire beschermingsstatus die aan een vreemdeling werd toegekend, op te heffen overeenkomstig artikel 57/6, eerste lid, 4°. De minister of zijn gemachtigde kan, tijdens de eerste tien jaar van het verblijf van de vreemdeling, te rekenen vanaf de datum van de indiening van de asielaanvraag, te allen tijde aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vragen de subsidiaire beschermingsstatus die aan de vreemdeling werd toegekend, in te trekken overeenkomstig het [4 artikel 55/5/1, § 1, of § 2, 2°]4.]2
  [2 [4 De minister of zijn gemachtigde kan te allen tijde aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vragen de subsidiaire beschermingsstatus die aan de vreemdeling werd toegekend, in te trekken overeenkomstig artikel 55/5/1, § 2, 1°.]4
   De minister of zijn gemachtigde zendt onverwijld aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen elk element in zijn bezit over dat een beslissing tot intrekking op basis van artikel 55/5/1 zou kunnen rechtvaardigen. Behoudens uitdrukkelijke aanwijzing in die zin, vormt het overzenden van dergelijke elementen geen vraag tot intrekking van het statuut in de zin van het tweede lid. De minister of zijn gemachtigde zendt tevens onverwijld aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen elk element in zijn bezit over dat een beslissing tot uitsluiting op basis van artikel 55/4, § 2 zou kunnen rechtvaardigen.]2

  [2 De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen neemt in geval van toepassing van het eerste of het tweede lid binnen een termijn van zestig werkdagen een beslissing tot intrekking of opheffing van de subsidiaire beschermingsstatus of informeert de betrokkene en de minister of zijn gemachtigde dat niet wordt overgegaan tot de intrekking of opheffing van dit statuut.]2
  [3 De toekenning van het verblijfsrecht van onbepaalde duur zoals bepaald in paragraaf 3, wordt in voorkomend geval geschorst in afwachting van een definitieve beslissing. Indien de geldigheidsduur van de in paragraaf 2, bedoelde verblijfstitel verstrijkt tijdens het heronderzoek van de geldigheid van de internationale beschermingsstatus, wordt deze verblijfstitel vernieuwd in afwachting van een definitieve beslissing.]3
  § 5. [2 Wanneer de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de subsidiaire beschermingsstatus heeft opgeheven of ingetrokken of wanneer de betrokkene afstand heeft gedaan van zijn status, [3 kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan het verblijf van de vreemdeling en hem verwijderen overeenkomstig de bepalingen van deze wet, onverminderd het beginsel van non-refoulement.]3]2
   § 6. [2 De subsidiaire bescherming vervalt van rechtswege indien de persoon die subsidiaire bescherming geniet, Belg is geworden.]2
  
Art. 51/9. L'examen de [1 la demande de protection internationale]1 d'un étranger bénéficiaire de la protection temporaire visée au chapitre IIbis, est suspendu jusqu'à ce que le régime de protection temporaire prenne fin dans un des cas prévus à l'article 57/36, § 1.
  
Art. 49/3/1. [1 Geen maatregel tot verwijdering van het grondgebied of tot terugdrijving kan gedwongen worden uitgevoerd ten aanzien van de verzoeker vanaf het doen van zijn verzoek om internationale bescherming, en tijdens de behandeling van dit verzoek door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, met uitzondering van de verzoeker bedoeld in artikel 57/6/2, § 3.]1
  
Art. 51/10. Le ministre ou son délégué accuse réception de la [2 demande de protection internationale introduite auprès des autorités visées à l'article 50, § 3, alinéa 2]2, et consigne les déclarations de l'étranger relatives à son identité, son origine et son itinéraire, et [1 ses réponses à un questionnaire concernant les motifs]1 qui l'ont conduit à introduire [2 une demande de protection internationale]2 ainsi que les possibilités de retour dans le pays qu'il a fui.
  Cette déclaration [1 et le questionnaire doivent]1 être signée par l'étranger. S'il refuse de signer, il en est fait mention sur la déclaration [1 ou sur le questionnaire]1 et, le cas échéant, il est également fait mention des raisons pour lesquelles il refuse de signer. [1 Cette déclaration et ce questionnaire sont]1 immédiatement transmise au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides.
  Le ministre ou son délégué constate en même temps si l'étranger séjourne [2 légalement]2 dans le Royaume ou non.
  
Art. 49/4. (oud art. 49bis) <INGEVOEGD bij W 1996-07-15/33, art. 28, Inwerkingtreding : 17-01-1997> Bij de geautomatiseerde individuele gegevensuitwisseling met het oog op de toepassing van de (Europese regelgeving) met betrekking tot de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, die België (bindt), wordt de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, opgericht bij de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, belast met de controle op de verwerking en het beheer van de doorgezonden. <W 2006-09-15/72, art. 31, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art.50. [1 § 1. De vreemdeling die het Rijk binnenkomt of binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikelen 2 en 3 gestelde voorwaarden en die de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus wenst te verkrijgen, moet op het ogenblik dat hij binnenkomt of, althans binnen de acht werkdagen nadat hij het Rijk is binnengekomen, een verzoek om internationale bescherming doen.
   De in het eerste lid bedoelde vreemdeling die het Rijk tracht binnen te komen zonder te voldoen aan de in artikelen 2 en 3 gestelde voorwaarden, moet dit verzoek om internationale bescherming onverwijld doen bij de met de grenscontrole belaste overheden op het ogenblik dat deze nadere toelichting vragen over zijn motief om naar België te reizen.
   De vreemdeling die het Rijk legaal is binnengekomen in het kader van een verblijf van maximaal drie maanden en die de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus wenst te verkrijgen, moet voor het einde van het verblijf van maximaal drie maanden, een verzoek om internationale bescherming doen.
   De vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk of om er zich te vestigen en die de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus wenst te verkrijgen, moet binnen de acht werkdagen nadat zijn verblijf beëindigd of ingetrokken is, een verzoek om internationale bescherming doen.
   De vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet zoals bedoeld in artikel 57/29, kan op elk ogenblik een verzoek om internationale bescherming doen. Eenmaal de regeling van tijdelijke bescherming overeenkomstig artikel 57/36, § 1, wordt beëindigd, moet de vreemdeling, indien hij de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus wenst te verkrijgen, binnen de acht werkdagen na de beëindiging van de regeling van tijdelijke bescherming een verzoek om internationale bescherming doen.
   De Koning wijst de overheden aan waar de vreemdeling een verzoek om internationale bescherming kan doen.
   Het doen van een verzoek om internationale bescherming moet in persoon gebeuren.
   § 2. De bevoegde overheid waarbij de vreemdeling zijn verzoek om internationale bescherming heeft gedaan, verleent hem daarvan een bewijs van aanmelding en brengt het verzoek ter kennis van de minister of zijn gemachtigde, die ze binnen de drie werkdagen registreert.
   Wanneer een groot aantal vreemdelingen tegelijk een verzoek om internationale bescherming doet, waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is om de registratietermijn van drie werkdagen na te leven, kan deze verlengd worden tot tien werkdagen.
   § 3. De vreemdeling die overeenkomstig § 1 een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan, krijgt de mogelijkheid om dit verzoek daadwerkelijk in te dienen, hetzij onmiddellijk, hetzij zo snel mogelijk op een aangewezen datum en uiterlijk binnen de dertig dagen vanaf de datum waarop het verzoek gedaan werd. Wanneer een groot aantal vreemdelingen tegelijk een verzoek om internationale bescherming doet, waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is om deze termijn van dertig dagen na te leven, kan deze termijn verlengd worden door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Dit besluit treedt drie maanden na zijn inwerkingtreding, buiten werking.
   De Koning wijst de overheden aan waar de vreemdeling een verzoek om internationale bescherming kan indienen.
   Eenmaal de vreemdeling het verzoek om internationale bescherming daadwerkelijk heeft ingediend bij de bevoegde overheid, verleent deze overheid hem daarvan een schriftelijke akte en brengt het verzoek ter kennis van de minister of zijn gemachtigde die daarvan onmiddellijk de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen inlicht. Het indienen van een verzoek om internationale bescherming moet in persoon gebeuren.
   Indien de vreemdeling zijn verzoek om internationale bescherming doet bij een overheid die niet tevens door de Koning is aangewezen als overheid waarbij een verzoek om internationale bescherming daadwerkelijk kan worden ingediend, informeert deze overheid de vreemdeling over waar en hoe hij dit verzoek daadwerkelijk kan indienen.
   Een verzoek om internationale bescherming dat wordt gedaan maar vervolgens op de aangewezen datum voor de indiening van dit verzoek, niet daadwerkelijk wordt ingediend, vervalt van rechtswege tenzij de vreemdeling aantoont dat zulks te wijten was aan omstandigheden waarop hij geen invloed had. Indien de vreemdeling zich op een latere datum toch aanmeldt om zijn verzoek daadwerkelijk in te dienen, dan wordt zijn dossier heropend en zijn verzoek om internationale bescherming opnieuw geregistreerd maar nu als een daadwerkelijk ingediend verzoek.
   § 4. Een vreemdeling kan geen nieuw verzoek om internationale bescherming doen zolang de beslissing die werd genomen in het kader van zijn vorig verzoek om internationale bescherming, vatbaar is voor een beroep zoals bedoeld in artikel 39/2, § 1, en dit zolang de termijn bedoeld in artikel 39/57 nog niet verstreken is of zolang een beroep hangende is bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen deze beslissing. Deze verzoeken om internationale bescherming worden niet geregistreerd.]1

  [2 § 5. Het verzoek om internationale bescherming dat een vreemdeling doet nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek in een andere lidstaat is genomen, wordt als een volgend verzoek om internationale bescherming beschouwd en geregistreerd.]2
  
Art. 50. [1 § 1. De vreemdeling die het Rijk binnenkomt of binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikelen 2 en 3 gestelde voorwaarden en die de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus wenst te verkrijgen, moet op het ogenblik dat hij binnenkomt of, althans binnen de acht werkdagen nadat hij het Rijk is binnengekomen, een verzoek om internationale bescherming doen.
   De in het eerste lid bedoelde vreemdeling die het Rijk tracht binnen te komen zonder te voldoen aan de in artikelen 2 en 3 gestelde voorwaarden, moet dit verzoek om internationale bescherming onverwijld doen bij de met de grenscontrole belaste overheden op het ogenblik dat deze nadere toelichting vragen over zijn motief om naar België te reizen.
   De vreemdeling die het Rijk legaal is binnengekomen in het kader van een verblijf van maximaal drie maanden en die de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus wenst te verkrijgen, moet voor het einde van het verblijf van maximaal drie maanden, een verzoek om internationale bescherming doen.
   De vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk of om er zich te vestigen en die de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus wenst te verkrijgen, moet binnen de acht werkdagen nadat zijn verblijf beëindigd of ingetrokken is, een verzoek om internationale bescherming doen.
   De vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet zoals bedoeld in artikel 57/29, kan op elk ogenblik een verzoek om internationale bescherming doen. Eenmaal de regeling van tijdelijke bescherming overeenkomstig artikel 57/36, § 1, wordt beëindigd, moet de vreemdeling, indien hij de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus wenst te verkrijgen, binnen de acht werkdagen na de beëindiging van de regeling van tijdelijke bescherming een verzoek om internationale bescherming doen.
   De Koning wijst de overheden aan waar de vreemdeling een verzoek om internationale bescherming kan doen.
   Het doen van een verzoek om internationale bescherming moet in persoon gebeuren.
   § 2. De bevoegde overheid waarbij de vreemdeling zijn verzoek om internationale bescherming heeft gedaan, verleent hem daarvan een bewijs van aanmelding en brengt het verzoek ter kennis van de minister of zijn gemachtigde, die ze binnen de drie werkdagen registreert.
   Wanneer een groot aantal vreemdelingen tegelijk een verzoek om internationale bescherming doet, waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is om de registratietermijn van drie werkdagen na te leven, kan deze verlengd worden tot tien werkdagen.
   § 3. De vreemdeling die overeenkomstig § 1 een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan, krijgt de mogelijkheid om dit verzoek daadwerkelijk in te dienen, hetzij onmiddellijk, hetzij zo snel mogelijk op een aangewezen datum en uiterlijk binnen de dertig dagen vanaf de datum waarop het verzoek gedaan werd. Wanneer een groot aantal vreemdelingen tegelijk een verzoek om internationale bescherming doet, waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is om deze termijn van dertig dagen na te leven, kan deze termijn verlengd worden door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Dit besluit treedt drie maanden na zijn inwerkingtreding, buiten werking.
   De Koning wijst de overheden aan waar de vreemdeling een verzoek om internationale bescherming kan indienen.
   Eenmaal de vreemdeling het verzoek om internationale bescherming daadwerkelijk heeft ingediend bij de bevoegde overheid, verleent deze overheid hem daarvan een schriftelijke akte en brengt het verzoek ter kennis van de minister of zijn gemachtigde die daarvan onmiddellijk de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen inlicht. Het indienen van een verzoek om internationale bescherming moet in persoon gebeuren.
   Indien de vreemdeling zijn verzoek om internationale bescherming doet bij een overheid die niet tevens door de Koning is aangewezen als overheid waarbij een verzoek om internationale bescherming daadwerkelijk kan worden ingediend, informeert deze overheid de vreemdeling over waar en hoe hij dit verzoek daadwerkelijk kan indienen.
   Een verzoek om internationale bescherming dat wordt gedaan maar vervolgens op de aangewezen datum voor de indiening van dit verzoek, niet daadwerkelijk wordt ingediend, vervalt van rechtswege tenzij de vreemdeling aantoont dat zulks te wijten was aan omstandigheden waarop hij geen invloed had. Indien de vreemdeling zich op een latere datum toch aanmeldt om zijn verzoek daadwerkelijk in te dienen, dan wordt zijn dossier heropend en zijn verzoek om internationale bescherming opnieuw geregistreerd maar nu als een daadwerkelijk ingediend verzoek.
   § 4. Een vreemdeling kan geen nieuw verzoek om internationale bescherming doen zolang de beslissing die werd genomen in het kader van zijn vorig verzoek om internationale bescherming, vatbaar is voor een beroep zoals bedoeld in artikel 39/2, § 1, en dit zolang de termijn bedoeld in artikel 39/57 nog niet verstreken is of zolang een beroep hangende is bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen deze beslissing. Deze verzoeken om internationale bescherming worden niet geregistreerd.]1

  [2 § 5. Het verzoek om internationale bescherming dat een vreemdeling doet nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek in een andere lidstaat is genomen, wordt als een volgend verzoek om internationale bescherming beschouwd en geregistreerd.]2
  
Art. 52/3. [1 § 1er. Le ministre ou son délégué donne à l'étranger en séjour illégal dans le Royaume et qui a introduit une demande de protection internationale, l'ordre de quitter le territoire, justifié sur la base d'un des motifs prévus à l'article 7, alinéa 1er, 1° à 12°, après que le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides a refusé la demande de protection internationale, l'a déclarée irrecevable ou a clôturé l'examen de la demande, et que le délai de recours visé à l'article 39/57 a expiré, ou si un tel recours a été introduit dans le délai prévu, après que le Conseil du contentieux des étrangers a rejeté le recours en application de l'article 39/2, § 1er, 1°.
   S'il s'agit d'une deuxième demande ultérieure de protection internationale ou plus et si le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides l'a déclarée irrecevable sur la base de l'article 57/6, § 3, alinéa 1er, 5°, l'ordre de quitter le territoire est délivré après cette décision d'irrecevabilité.
   Cet ordre de quitter le territoire est porté à la connaissance de l'intéressé conformément à l'article 51/2. Si l'intéressé est maintenu, cet ordre est porté à sa connaissance dans le lieu où il est maintenu.
   § 2. Dans le cas visé à l'article 74/5, § 1er, 2°, le ministre ou son délégué décide que l'étranger n'est pas admis à entrer dans le Royaume après que le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides a refusé ou a déclaré irrecevable la demande de protection internationale sur la base de l'article 57/6/4, alinéa 1er. L'étranger est refoulé sous réserve de l'article 39/70.
   Ces décisions sont notifiées dans le lieu où l'étranger est maintenu.
   § 3. Si l'étranger visé aux paragraphes 1er et 2 fait déjà l'objet d'une mesure d'éloignement ou de refoulement à laquelle il n'a pas encore été donné suite au moment de l'introduction de la demande de protection internationale, le ministre ou son délégué renonce à prendre une nouvelle mesure d'éloignement ou de refoulement mais conformément aux articles 49/3/1 et 39/70, le caractère exécutoire de la mesure déjà prise est suspendu pendant la durée du traitement de la demande de protection internationale.
   Lorsque le caractère exécutoire de la mesure d'éloignement déjà ordonnée n'est plus suspendu conformément aux articles 49/3/1 et 39/70, le ministre ou son délégué peut, s'il l'estime nécessaire, prolonger le délai accordé à l'étranger pour quitter volontairement le territoire.]1

  
Art. 52/4. (ancien art. 52bis) [1 [Si l'étranger qui a introduit [2 une demande de protection internationale]2, constitue, ayant été condamné définitivement pour une infraction particulièrement grave, un danger pour la société ou lorsqu'il existe des motifs raisonnables de le considérer comme un danger pour la sécurité nationale, le ministre ou son délégué transmet sans délai tous les éléments en ce sens au Commissaire général.
  Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut refuser de reconnaître le statut de réfugié si l'étranger constitue un danger pour la société, ayant été condamné définitivement pour une infraction particulièrement grave, ou lorsqu'il existe des motifs raisonnables de le considérer comme un danger pour la sécurité nationale. Dans ce cas le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides émet un avis quant à la compatibilité d'une mesure d'éloignement avec les articles 48/3 et 48/4.]]1

  [2 ...]2
  
Art.51. [1 De verzoeker om internationale bescherming is vanaf het doen van zijn verzoek om internationale bescherming verplicht om mee te werken met de bevoegde overheden om zijn identiteit en andere elementen ter staving van zijn verzoek vast te stellen. Deze elementen omvatten onder meer de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie of stukken in zijn bezit met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit(en), leeftijd, achtergrond, ook die van de relevante familieleden, land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken om internationale bescherming, reisroutes, reisdocumentatie en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient.
   De verzoeker wordt bij het doen van zijn verzoek, in een taal die hij begrijpt of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt, ingelicht over zijn plicht tot medewerking, alsmede over de gevolgen die kunnen ontstaan indien hij niet met de bevoegde overheden samenwerkt.]1

  
Art.53. [1 Un demandeur de protection internationale qui tente d'entrer dans le Royaume sans remplir les conditions fixées aux articles 2 et 3, ou en séjour illégal dans le Royaume, ne peut pas faire l'objet de poursuites pénales pour ce motif tant qu'une décision finale n'a pas été prise sur sa demande de protection internationale.]1
  
Art. 51/2. (Vorig art. 51bis ingevoegd bij W 1991-07-18/52, art. 2; Inwerkingtreding : 01-10-1991) <W 1996-07-15/33, art. 30, 012; Inwerkingtreding : 22-10-1996> [2 De vreemdeling die een verzoek om internationale bescherming indient overeenkomstig artikel 50, § 3, dient in België woonplaats te kiezen.]2
  Zo hij geen woonplaats heeft gekozen wordt [2 de verzoeker]2 geacht woonplaats te hebben gekozen op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. <W 2006-09-15/72, art. 36, 2°, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De vreemdeling die [2 aan de grens een verzoek om internationale bescherming indient zonder te voldoen aan de in artikelen 2 en 3 gestelde voorwaarden,]2 wordt geacht woonplaats te hebben gekozen op de plaats waar hij wordt vastgehouden. <W 2006-09-15/72, art. 36, 3°, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Elke wijziging van de gekozen woonplaats moet bij een ter post aangetekende zending medegedeeld worden aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, alsook aan (de Minister). <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  Onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf, is elke kennisgeving geldig wanneer ze naar de gekozen woonplaats van betrokkene verstuurd wordt bij een ter post aangetekende zending (of per bode tegen ontvangbewijs. Wanneer de vreemdeling woonplaats heeft gekozen bij zijn raadsman, kan de kennisgeving ook geldig worden verstuurd per faxpost [1 of via elke andere bij een koninklijk besluit toegelaten betekeningswijze]1 ;) <W 1993-05-06/30, art. 10, 1°, 005; Inwerkingtreding : 31-05-1993>
  De oproepingen en de aanvragen om inlichtingen kunnen eveneens geldig verstuurd worden naar de gekozen woonplaats bij een ter post aangetekende zending (of per bode tegen ontvangbewijs. Wanneer de vreemdeling woonplaats heeft gekozen bij zijn raadsman, kunnen de oproepingen en aanvragen om inlichtingen ook geldig worden verstuurd per faxpost [1 of via elke andere bij een koninklijk besluit toegelaten betekeningswijze]1 , onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf.) <W 1993-05-06/30, art. 10, 2°, 005; Inwerkingtreding : 31-05-1993>
  
Art. 53bis. (Par décision du (Ministre) ou de son délégué, l'étranger [1 visé à l'article 52/3]1 peut être reconduit à la frontière du pays qu'il a fui et où, selon sa déclaration, sa vie ou sa liberté serait menacée.) <L 1991-07-18/52, art. 4,1°, 002; En vigueur : 01-10-1991> <L 1993-05-06/30, art. 14, 1°, 005; En vigueur : 31-05-1993> <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996> <L 2006-09-15/72, art. 49, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  (Alinéa 1 et 2 abrogé) <L 1993-05-06/30, art. 14, 2°, 005; En vigueur : 31-05-1993>
  
Art. 51/3. <INGEVOEGD bij W 1996-07-15/33, art. 31, Inwerkingtreding : 22-10-1996> § 1. [1 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "afname van biometrische gegevens" verstaan het nemen van vingerafdrukken en het maken van een gezichtsopname. Onder "gezichtsopname" wordt verstaan de digitale afbeelding van het gezicht met een resolutie en een kwaliteit die voldoende zijn voor gebruik van de afbeelding voor geautomatiseerde biometrische vergelijking.
   Aan de afname van biometrische gegevens kunnen worden onderworpen :
   1° de vreemdeling die aan de grens of in het Rijk een verzoek om internationale bescherming doet en/of indient;
   2° de vreemdeling die België verplicht is over te nemen of terug te nemen krachtens Europese regelgeving betreffende de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, die België bindt;
   3° de vreemdeling voor wie er aanwijzingen bestaan dat hij reeds een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.]1

  § 2. [1 De biometrische gegevens]1 mogen slechts gebruikt worden in de mate dat zij nodig zijn om :
  1° de identiteit van de vreemdeling vast te stellen;
  2° met toepassing van (Europese regelgeving die België bindt), de Staat vast te stellen die verantwoordelijk is voor de behandeling van [1 het verzoek om internationale bescherming]1; <W 2006-09-15/72, art. 37, 2°, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  3° [1 het verzoek om internationale bescherming]1 te behandelen.
  § 3. [1 De biometrische gegevens]1 worden genomen op initiatief van de Minister of van zijn gemachtigde. Zij mogen eveneens [1 afgenomen]1 worden op initiatief van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of zijn gemachtigde (...) [1 van een officier van de gerechtelijke politie, met inbegrip van diegene wiens bevoegdheid beperkt is, van een officier van de bestuurlijke politie]1 of van een directeur van een strafinrichting. <W 2006-09-15/71, art. 190, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <W 2006-09-15/72, art. 37, 3°, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  § 4. De verwerking en het beheer van [1 de biometrische gegevens]1 gebeurt onder de controle van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
  § 5. [1 De Koning bepaalt de termijn gedurende welke de biometrische gegevens, die overeenkomstig dit artikel worden afgenomen, dienen bewaard te worden.]1
  [1 De biometrische gegevens]1 die met toepassing van § 1 werden genomen, worden vernietigd indien de vreemdeling overeenkomstig artikel 49 als vluchteling erkend wordt (of wanneer hem de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend overeenkomstig artikel 49/2). <W 2006-09-15/72, art. 37, 4°, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  
Art.54. <L 1993-05-06/30, art. 15, 005; En vigueur : 31-05-1993> § 1er. [1 Entre la notification de la décision exécutoire relative à [2 la demande de protection internationale]2 et jusqu'à l'expiration du délai pour quitter le territoire, le ministre ou son délégué peut désigner un centre de retour [2 à l'étranger]2 concerné ainsi qu'aux membres de sa famille.
   Les décisions relatives à la détermination de l'Etat responsable de l'examen de la [2 demande de protection internationale]2 ne sont pas visées par l'alinéa 1er.
   Le Roi fixe le régime et les règles de fonctionnement applicables aux centres de retour et le montant de l'allocation journalière.
   Dans le centre de retour, l'étranger reçoit l'aide matérielle comprenant le logement, la nourriture et l'habillement fournis en nature, une allocation journalière ainsi que l'accès à un programme de retour volontaire. L'étranger reçoit l'aide médicale et psycho-sociale nécessaires.
   L'étranger a un accès effectif à l'aide juridique de première et de deuxième ligne, telle que visée aux articles 508/1 à 508/23 du Code judiciaire.]1

  § 2. [2 ...]2
  § 3. (abrogé) <L 2007-01-12/52, art. 73, 044; En vigueur : 01-06-2007>
  
Art. 51/3. <INGEVOEGD bij W 1996-07-15/33, art. 31, Inwerkingtreding : 22-10-1996> § 1. [1 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "afname van biometrische gegevens" verstaan het nemen van vingerafdrukken en het maken van een gezichtsopname. Onder "gezichtsopname" wordt verstaan de digitale afbeelding van het gezicht met een resolutie en een kwaliteit die voldoende zijn voor gebruik van de afbeelding voor geautomatiseerde biometrische vergelijking.
   Aan de afname van biometrische gegevens kunnen worden onderworpen :
   1° de vreemdeling die aan de grens of in het Rijk een verzoek om internationale bescherming doet en/of indient;
   2° de vreemdeling die België verplicht is over te nemen of terug te nemen krachtens Europese regelgeving betreffende de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, die België bindt;
   3° de vreemdeling voor wie er aanwijzingen bestaan dat hij reeds een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.]1

  § 2. [1 De biometrische gegevens]1 mogen slechts gebruikt worden in de mate dat zij nodig zijn om :
  1° de identiteit van de vreemdeling vast te stellen;
  2° met toepassing van (Europese regelgeving die België bindt), de Staat vast te stellen die verantwoordelijk is voor de behandeling van [1 het verzoek om internationale bescherming]1; <W 2006-09-15/72, art. 37, 2°, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  3° [1 het verzoek om internationale bescherming]1 te behandelen.
  § 3. [1 De biometrische gegevens]1 worden genomen op initiatief van de Minister of van zijn gemachtigde. Zij mogen eveneens [1 afgenomen]1 worden op initiatief van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of zijn gemachtigde (...) [1 van een officier van de gerechtelijke politie, met inbegrip van diegene wiens bevoegdheid beperkt is, van een officier van de bestuurlijke politie]1 of van een directeur van een strafinrichting. <W 2006-09-15/71, art. 190, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <W 2006-09-15/72, art. 37, 3°, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  § 4. De verwerking en het beheer van [1 de biometrische gegevens]1 gebeurt onder de controle van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
  § 5. [1 De Koning bepaalt de termijn gedurende welke de biometrische gegevens, die overeenkomstig dit artikel worden afgenomen, dienen bewaard te worden.]1
  [1 De biometrische gegevens]1 die met toepassing van § 1 werden genomen, worden vernietigd indien de vreemdeling overeenkomstig artikel 49 als vluchteling erkend wordt (of wanneer hem de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend overeenkomstig artikel 49/2). <W 2006-09-15/72, art. 37, 4°, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  
Art.55. <L 2003-12-22/53, art. 26, 028; En vigueur : 10-01-2004> § 1er. [3 A l'étranger, qui a été admis ou autorisé au séjour pour une durée illimitée, alors que sa demande de protection internationale est encore examinée par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou par le Conseil du Contentieux des Etrangers, il est expressément demandé par le ministre ou son délégué de notifier, par lettre recommandée adressée à l'instance qui examine sa demande de protection internationale, s'il veut poursuivre l'examen de sa demande et ceci dans un délai de soixante jours à partir du moment de la remise du titre qui fait preuve du séjour illimité. En l'absence de la demande de poursuite susmentionnée ou dans le cas où le demandeur ne veut pas poursuivre sa procédure, l'étranger est considéré comme ayant implicitement retiré sa demande. Dans ce cas, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides prend une décision conformément à l'article 57/6/5 ou le recours est déclaré sans objet par le Conseil du Contentieux des Etrangers.]3
  § 2. (Le Conseil d'Etat déclare sans objet le recours introduit contre une décision prise par le Conseil du Contentieux des étrangers), (lorsque le requérant a été admis ou autorisé au séjour pour une durée illimitée,) à condition qu'il n'ait pas demandé la poursuite de la procédure dans le délai prévu au § 1er [3 en réponse au courrier du ministre ou de son délégué]3. <L 2004-12-27/30, art. 451, 034; En vigueur : 10-01-2005> <L 2006-09-15/71, art. 193, 2°, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  (NOTE : La modification apportée par l'article 51, 2°, de L 2006-09-15/72 n'a pas pu être effectuée; le législateur n'a pas pris en compte que les mots " une déclaration ou demande faite sur la base des articles 50, 50bis ou 51 ", modifié par L 2006-09-15/71, art. 193, 2°, n'existe plus)
  (NOTE 2 : l'article 55, § 2, modifié par la loi du 15 septembre 2006 est :
  1° à partir du 1er décembre 2006, rétabli dans sa rédaction existante à la veille de cette modification (L 2006-09-15/71 , art. 193, 2°);
  2° à la date visée à l'article 231 de la loi du 15 septembre 2006, rétabli dans sa rédaction telle que celle-ci résulte de cette modification. (L 2006-09-15/71)
  Voir L 2006-12-27/33, art. 141)
  § 3. [3 ...]3
  
Art. 51/4. <INGEVOEGD bij W 1996-07-10/49, art. 2, Inwerkingtreding : 22-10-1996> § 1. [1 Het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming geschiedt in het Nederlands of in het Frans.]1
  De taal van het onderzoek is tevens de taal van de beslissing waartoe het aanleiding geeft alsmede die van de eventuele daaropvolgende beslissingen tot verwijdering van het grondgebied.
  § 2. [1 De vreemdeling dient op het moment van het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming onherroepelijk en schriftelijk aan te geven of hij bij het onderzoek van dit verzoek de hulp van een tolk nodig heeft.]1
  Indien de vreemdeling niet verklaart de hulp van een tolk te verlangen, kan hij volgens dezelfde regels het Nederlands of het Frans kiezen als taal van het onderzoek.
  Indien de vreemdeling geen van die talen heeft gekozen of verklaard heeft de hulp van een tolk te verlangen, bepaalt de Minister of zijn gemachtigde de taal van het onderzoek, in functie van de noodwendigheden van de diensten en instanties. Tegen die beslissing kan geen afzonderlijk beroep worden ingesteld.
  [1 In afwijking van voorgaande leden en onverminderd de mogelijkheid voor de minister of zijn gemachtigde om de taal van het onderzoek te bepalen in functie van de noodwendigheden van de diensten en instanties, wordt een volgend verzoek om internationale bescherming, ingediend overeenkomstig artikel 51/8, onderzocht in de taal waarin het vorig verzoek om internationale bescherming werd onderzocht.]1
  § 3. (Bij de procedures voor de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en voor de Raad van State alsmede indien de vreemdeling tijdens de behandeling van [1 het verzoek om internationale bescherming]1 of binnen een termijn van zes maanden na afloop van de asielprocedure verzoekt om het toekennen van een machtiging tot verblijf op grond van de artikelen 9bis of 9ter, wordt de taal gebruikt die overeenkomstig paragraaf 2 is gekozen of bepaald.
  Paragraaf 1, tweede lid, is van toepassing.) <W 2006-09-15/72, art. 38, 3°, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  
Art. 55/2. Un étranger est exclu du statut de réfugié lorsqu'il relève de l'article 1er, section D, E ou F de la Convention de Genève. Tel est également le cas des personnes qui sont les instigatrices des crimes ou des actes énumérés à l'article 1 F de la Convention de Genève, ou qui y participent de quelque autre manière.
  [1 Lorsqu'il exclut du statut de réfugié, le Commissaire général rend, dans le cadre de sa décision, un avis quant à la compatibilité d'une mesure d'éloignement avec les articles 48/3 et 48/4.]1
  
Art. 51/5. <INGEVOEGD bij W 1996-07-15/33, art. 32, Inwerkingtreding : 17-01-1997> § 1. [1 Zodra de vreemdeling aan de grens of in het Rijk een eerste of een volgend verzoek om internationale bescherming bij één van de door de Koning ter uitvoering van artikel 50, § 3, tweede lid, aangewezen overheden heeft ingediend, gaat de minister of zijn gemachtigde, met toepassing van de Europese regelgeving die België bindt, over tot het vaststellen van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.
   Te dien einde, wanneer er op basis van een individuele beoordeling een significant risico op onderduiken van de persoon bestaat, en enkel voor zover de vasthouding evenredig is en er geen andere, minder dwingende maatregelen effectief kunnen worden toegepast, kan de vreemdeling in een welbepaalde plaats vastgehouden worden voor de tijd die noodzakelijk is voor het vaststellen van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, zonder dat de duur van de vasthouding zes weken te boven mag gaan.]1

  [1 ...]1
  (Onverminderd het eerste (...) lid, onderzoekt (de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen) [1 het verzoek om internationale bescherming dat]1 is ingediend door iemand die tijdelijke bescherming geniet en op grond daarvan gemachtigd is in het Rijk te verblijven.) <W 2003-02-18/41, art. 4, 027; Inwerkingtreding : 01-05-2003> <W 2006-09-15/72, art. 39, 1°, c, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (Indien de vreemdeling binnen de vijftien dagen na verzending geen gevolg geeft aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen, wordt hij geacht afstand gedaan te hebben van zijn [1 verzoek om internationale bescherming]1.) <W 2006-09-15/72, art. 39, 1°, d, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  § 2. (Zelfs wanneer krachtens de criteria van Europese regelgeving die België bindt, België niet verplicht is het verzoek in behandeling te nemen, kan de minister of zijn gemachtigde op elk ogenblik beslissen dat België verantwoordelijk is om het verzoek te behandelen.) Het verzoek waarvan België de behandeling op zich moet nemen, of waarvoor het verantwoordelijk is, wordt behandeld overeenkomstig de bepalingen van deze wet. <W 2006-09-15/72, art. 39, 2, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  § 3. [1 Wanneer België niet verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, richt de minister of zijn gemachtigde zich onder de voorwaarden bepaald bij de Europese regelgeving die België bindt, tot de verantwoordelijke Staat met het verzoek om de vreemdeling over te nemen of terug te nemen.
   Wanneer de vreemdeling op grond van paragraaf 1, tweede lid, wordt vastgehouden, moet dit overname- of terugnameverzoek binnen de termijnen bepaald bij de Europese regelgeving die België bindt, aan de verantwoordelijke staat worden gericht. Wanneer de minister of zijn gemachtigde zich niet aan deze termijnen houdt, kan de vreemdeling niet langer op deze grond worden vastgehouden.]1

  [1 § 4. Wanneer de verzoeker om internationale bescherming aan de verantwoordelijke lidstaat overgedragen dient te worden, weigert de minister of zijn gemachtigde hem de binnenkomst of het verblijf in het Rijk en gelast hem zich vóór een bepaalde datum bij de bevoegde overheden van deze staat aan te melden.
   Wanneer de minister of zijn gemachtigde het voor het waarborgen van de effectieve overdracht nodig acht, kan hij de vreemdeling zonder verwijl naar de grens doen terugleiden.
   Te dien einde, wanneer er op basis van een individuele beoordeling een significant risico op onderduiken van de persoon bestaat, en enkel voor zover de vasthouding evenredig is en er geen andere, minder dwingende maatregelen effectief kunnen worden toegepast, kan de vreemdeling in een welbepaalde plaats vastgehouden worden voor de tijd die noodzakelijk is voor de uitvoering van de overdracht naar de verantwoordelijke staat, zonder dat de duur van de vasthouding zes weken te boven mag gaan. Er wordt geen rekening gehouden met de duur van de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde vasthouding. Wanneer de overdracht niet binnen de termijn van zes weken plaatsvindt, kan de vreemdeling niet langer op deze grond worden vastgehouden. De vasthoudingstermijn wordt van rechtswege gestuit zolang het beroep ingediend tegen de in het eerste lid bedoelde beslissing opschortende werking heeft.
   § 5. Geen vreemdeling mag worden vastgehouden om de enkele reden dat hij aan de bij dit artikel ingestelde procedures onderworpen is.
   § 6. [2 Indien de vreemdeling, wegens zijn gevangenzetting of omdat hij is ondergedoken, niet binnen de termijn van zes maanden, zoals bepaald in de Europese regelgeving die België bindt, kan worden overgedragen aan de verantwoordelijke Staat, kan de minister of zijn gemachtigde de termijn voor de uitvoering van de overdracht verlengen in overeenstemming met deze Europese regelgeving.
   Een vreemdeling is ondergedoken indien hij zich opzettelijk onttrekt aan de autoriteiten die belast zijn met de uitvoering van de overdracht, teneinde deze overdracht te voorkomen, op voorwaarde dat hij over zijn verplichtingen en de gevolgen van het niet nakomen ervan werd geïnformeerd in een taal die hij begrijpt of waarvan men redelijkerwijs kan veronderstellen dat hij die begrijpt.
   Een vreemdeling wordt geacht te zijn ondergedoken overeenkomstig het tweede lid, onder meer in de volgende gevallen:
   1° indien de vreemdeling zich niet heeft begeven naar de opvangstructuur die hem is toegewezen overeenkomstig de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, of deze toegewezen opvangstructuur heeft verlaten, en hij binnen de drie werkdagen geen adres van effectieve verblijfplaats in België schriftelijk heeft meegedeeld aan de Dienst Vreemdelingenzaken. Het Federaal Agentschap voor Opvang van Asielzoekers informeert zonder verwijl de Dienst Vreemdelingenzaken van het feit dat de vreemdeling zich niet naar de toegewezen opvangstructuur heeft begeven of deze heeft verlaten;
   2° indien op basis van één of meerdere woonstcontroles omstandig kan worden vastgesteld dat de vreemdeling niet verblijft op het adres van effectieve verblijfplaats dat hij had meegedeeld aan de Dienst Vreemdelingenzaken;
   3° indien de vreemdeling zich niet heeft aangeboden op de gesprekken die voor het aanklampende begeleidingstraject in het kader van een overdrachtsprocedure in de zin van artikel 74/25 zijn gepland en daarvoor geen geldige reden schriftelijk heeft meegedeeld binnen de drie werkdagen;
   4° indien de vreemdeling niet meewerkt aan zijn overdracht overeenkomstig artikel 74/23;
   5° indien de vreemdeling de minder dwingende maatregel voor vasthouding die ten aanzien van hem is opgelegd overeenkomstig paragraaf 4, derde lid, niet heeft gerespecteerd;
   6° indien de vreemdeling de welbepaalde plaats, zoals bedoeld in de artikelen 74/8 of 74/9, waar hij werd vastgehouden zonder de vereiste toestemming heeft verlaten en hij binnen de drie werkdagen geen adres van effectieve verblijfplaats in België schriftelijk heeft meegedeeld aan de Dienst Vreemdelingenzaken]2
.]1

  
Art. 55/3. Un étranger cesse d'être réfugié lorsqu'il relève de l'article 1 C de la Convention de Genève. En application de l'article 1 C (5) et (6) de cette Convention, il convient d'examiner si le changement de circonstances est suffisamment significatif et non provisoire pour que la crainte du réfugié d'être persécuté ne puisse plus être considérée comme fondée.
  [1 L'alinéa 1er ne s'applique pas à un réfugié qui peut invoquer des raisons impérieuses tenant à des persécutions antérieures pour refuser la protection du pays dont il a la nationalité, ou, dans le cas d'un apatride, du pays où il avait sa résidence habituelle.]1
  
Art. 51/5. <INGEVOEGD bij W 1996-07-15/33, art. 32, Inwerkingtreding : 17-01-1997> § 1. [1 Zodra de vreemdeling aan de grens of in het Rijk een eerste of een volgend verzoek om internationale bescherming bij één van de door de Koning ter uitvoering van artikel 50, § 3, tweede lid, aangewezen overheden heeft ingediend, gaat de minister of zijn gemachtigde, met toepassing van de Europese regelgeving die België bindt, over tot het vaststellen van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.
   Te dien einde, wanneer er op basis van een individuele beoordeling een significant risico op onderduiken van de persoon bestaat, en enkel voor zover de vasthouding evenredig is en er geen andere, minder dwingende maatregelen effectief kunnen worden toegepast, kan de vreemdeling in een welbepaalde plaats vastgehouden worden voor de tijd die noodzakelijk is voor het vaststellen van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, zonder dat de duur van de vasthouding zes weken te boven mag gaan.]1

  [1 ...]1
  (Onverminderd het eerste (...) lid, onderzoekt (de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen) [1 het verzoek om internationale bescherming dat]1 is ingediend door iemand die tijdelijke bescherming geniet en op grond daarvan gemachtigd is in het Rijk te verblijven.) <W 2003-02-18/41, art. 4, 027; Inwerkingtreding : 01-05-2003> <W 2006-09-15/72, art. 39, 1°, c, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (Indien de vreemdeling binnen de vijftien dagen na verzending geen gevolg geeft aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen, wordt hij geacht afstand gedaan te hebben van zijn [1 verzoek om internationale bescherming]1.) <W 2006-09-15/72, art. 39, 1°, d, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  § 2. (Zelfs wanneer krachtens de criteria van Europese regelgeving die België bindt, België niet verplicht is het verzoek in behandeling te nemen, kan de minister of zijn gemachtigde op elk ogenblik beslissen dat België verantwoordelijk is om het verzoek te behandelen.) Het verzoek waarvan België de behandeling op zich moet nemen, of waarvoor het verantwoordelijk is, wordt behandeld overeenkomstig de bepalingen van deze wet. <W 2006-09-15/72, art. 39, 2, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  § 3. [1 Wanneer België niet verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, richt de minister of zijn gemachtigde zich onder de voorwaarden bepaald bij de Europese regelgeving die België bindt, tot de verantwoordelijke Staat met het verzoek om de vreemdeling over te nemen of terug te nemen.
   Wanneer de vreemdeling op grond van paragraaf 1, tweede lid, wordt vastgehouden, moet dit overname- of terugnameverzoek binnen de termijnen bepaald bij de Europese regelgeving die België bindt, aan de verantwoordelijke staat worden gericht. Wanneer de minister of zijn gemachtigde zich niet aan deze termijnen houdt, kan de vreemdeling niet langer op deze grond worden vastgehouden.]1

  [1 § 4. Wanneer de verzoeker om internationale bescherming aan de verantwoordelijke lidstaat overgedragen dient te worden, weigert de minister of zijn gemachtigde hem de binnenkomst of het verblijf in het Rijk en gelast hem zich vóór een bepaalde datum bij de bevoegde overheden van deze staat aan te melden.
   Wanneer de minister of zijn gemachtigde het voor het waarborgen van de effectieve overdracht nodig acht, kan hij de vreemdeling zonder verwijl naar de grens doen terugleiden.
   Te dien einde, wanneer er op basis van een individuele beoordeling een significant risico op onderduiken van de persoon bestaat, en enkel voor zover de vasthouding evenredig is en er geen andere, minder dwingende maatregelen effectief kunnen worden toegepast, kan de vreemdeling in een welbepaalde plaats vastgehouden worden voor de tijd die noodzakelijk is voor de uitvoering van de overdracht naar de verantwoordelijke staat, zonder dat de duur van de vasthouding zes weken te boven mag gaan. Er wordt geen rekening gehouden met de duur van de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde vasthouding. Wanneer de overdracht niet binnen de termijn van zes weken plaatsvindt, kan de vreemdeling niet langer op deze grond worden vastgehouden. De vasthoudingstermijn wordt van rechtswege gestuit zolang het beroep ingediend tegen de in het eerste lid bedoelde beslissing opschortende werking heeft.
   § 5. Geen vreemdeling mag worden vastgehouden om de enkele reden dat hij aan de bij dit artikel ingestelde procedures onderworpen is.
   § 6. [2 Indien de vreemdeling, wegens zijn gevangenzetting of omdat hij is ondergedoken, niet binnen de termijn van zes maanden, zoals bepaald in de Europese regelgeving die België bindt, kan worden overgedragen aan de verantwoordelijke Staat, kan de minister of zijn gemachtigde de termijn voor de uitvoering van de overdracht verlengen in overeenstemming met deze Europese regelgeving.
   Een vreemdeling is ondergedoken indien hij zich opzettelijk onttrekt aan de autoriteiten die belast zijn met de uitvoering van de overdracht, teneinde deze overdracht te voorkomen, op voorwaarde dat hij over zijn verplichtingen en de gevolgen van het niet nakomen ervan werd geïnformeerd in een taal die hij begrijpt of waarvan men redelijkerwijs kan veronderstellen dat hij die begrijpt.
   Een vreemdeling wordt geacht te zijn ondergedoken overeenkomstig het tweede lid, onder meer in de volgende gevallen:
   1° indien de vreemdeling zich niet heeft begeven naar de opvangstructuur die hem is toegewezen overeenkomstig de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, of deze toegewezen opvangstructuur heeft verlaten, en hij binnen de drie werkdagen geen adres van effectieve verblijfplaats in België schriftelijk heeft meegedeeld aan de Dienst Vreemdelingenzaken. Het Federaal Agentschap voor Opvang van Asielzoekers informeert zonder verwijl de Dienst Vreemdelingenzaken van het feit dat de vreemdeling zich niet naar de toegewezen opvangstructuur heeft begeven of deze heeft verlaten;
   2° indien op basis van één of meerdere woonstcontroles omstandig kan worden vastgesteld dat de vreemdeling niet verblijft op het adres van effectieve verblijfplaats dat hij had meegedeeld aan de Dienst Vreemdelingenzaken;
   3° indien de vreemdeling zich niet heeft aangeboden op de gesprekken die voor het aanklampende begeleidingstraject in het kader van een overdrachtsprocedure in de zin van artikel 74/25 zijn gepland en daarvoor geen geldige reden schriftelijk heeft meegedeeld binnen de drie werkdagen;
   4° indien de vreemdeling niet meewerkt aan zijn overdracht overeenkomstig artikel 74/23;
   5° indien de vreemdeling de minder dwingende maatregel voor vasthouding die ten aanzien van hem is opgelegd overeenkomstig paragraaf 4, derde lid, niet heeft gerespecteerd;
   6° indien de vreemdeling de welbepaalde plaats, zoals bedoeld in de artikelen 74/8 of 74/9, waar hij werd vastgehouden zonder de vereiste toestemming heeft verlaten en hij binnen de drie werkdagen geen adres van effectieve verblijfplaats in België schriftelijk heeft meegedeeld aan de Dienst Vreemdelingenzaken]2
.]1

  
Art. 55/3/1. [1 § 1. Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut retirer le statut de réfugié lorsque l'étranger constitue, ayant été définitivement condamné pour une infraction particulièrement grave, un danger pour la société ou lorsqu'il existe des motifs raisonnables de le considérer comme un danger pour la sécurité nationale.
   § 2. Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides retire le statut de réfugié :
   1° à l'étranger qui est ou qui aurait dû être exclu en application de l'article 55/2;
   2° à l'étranger dont le statut a été reconnu sur la base de faits qu'il a présentés de manière altérée ou qu'il a dissimulés, de fausses déclarations ou de documents faux ou falsifiés qui ont été déterminants dans la reconnaissance du statut ou à l'étranger dont le comportement personnel démontre ultérieurement l'absence de crainte de persécution dans son chef.
   § 3. Lorsqu'il retire le statut de réfugié en application du paragraphe 1er ou du paragraphe 2, 1°, le Commissaire général rend, dans le cadre de sa décision, un avis quant à la compatibilité d'une mesure d'éloignement avec les articles 48/3 et 48/4.]1

  
Art. 51/5/1. [1 § 1. Wanneer de vreemdeling die in een andere Staat een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, zich illegaal op het grondgebied van het Rijk ophoudt en de minister of zijn gemachtigde van oordeel is dat een andere Staat, met toepassing van Europese regelgeving die België bindt, verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, richt de minister of zijn gemachtigde onder de voorwaarden bepaald bij deze Europese regelgeving, tot deze Staat een verzoek om de vreemdeling terug te nemen.
   Wanneer er op basis van een individuele beoordeling een significant risico op onderduiken van de persoon bestaat, en enkel voor zover de vasthouding evenredig is en er geen andere, minder dwingende maatregelen effectief kunnen worden toegepast, kan de vreemdeling in een welbepaalde plaats vastgehouden worden voor de tijd die noodzakelijk is om de verantwoordelijke Staat vast te stellen, zonder dat de duur van deze vasthouding zes weken te boven mag gaan.
   Wanneer de minister of zijn gemachtigde een terugnameverzoek niet binnen de termijnen, bepaald bij de Europese regelgeving die België bindt, aan de verantwoordelijke Staat heeft gericht, kan de vreemdeling niet langer op grond van het tweede lid worden vastgehouden.
   § 2. Wanneer de vreemdeling aan de verantwoordelijke Staat overgedragen dient te worden, neemt de minister of zijn gemachtigde een besluit tot overdracht en gelast hem zich voor een bepaalde datum bij de bevoegde overheden van deze Staat aan te melden.
   Wanneer de minister of zijn gemachtigde het voor het waarborgen van de effectieve overdracht nodig acht, kan hij de vreemdeling zonder verwijl naar de grens doen terugleiden.
   Wanneer er op basis van een individuele beoordeling een significant risico op onderduiken van de persoon bestaat, en enkel voor zover de vasthouding evenredig is en er geen andere, minder dwingende maatregelen effectief kunnen worden toegepast, kan de vreemdeling in een welbepaalde plaats vastgehouden worden voor de tijd die noodzakelijk is voor de uitvoering van de overdracht naar de verantwoordelijke Staat, zonder dat de duur van de vasthouding zes weken te boven mag gaan. De vasthoudingstermijn wordt van rechtswege gestuit zolang het beroep ingediend tegen het in het eerste lid bedoelde besluit tot overdracht opschortende werking heeft. Er wordt geen rekening gehouden met de duur van de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde vasthouding.
   Wanneer de overdracht niet binnen de in het derde lid bedoelde termijn plaatsvindt, kan de vreemdeling niet langer op deze grond worden vastgehouden.
   § 3. Geen vreemdeling mag worden vastgehouden om de enkele reden dat hij aan de bij dit artikel ingestelde procedures onderworpen is.
   De in paragraaf 1, tweede lid, en paragraaf 2, derde lid, bedoelde vasthouding duurt zo kort mogelijk en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht is uitgevoerd.
   § 4. [2 Indien de vreemdeling, wegens zijn gevangenzetting of omdat hij is ondergedoken, niet binnen de termijn van zes maanden, zoals bepaald in de Europese regelgeving die België bindt, kan worden overgedragen aan de verantwoordelijke Staat, kan de minister of zijn gemachtigde de termijn voor de uitvoering van de overdracht verlengen in overeenstemming met deze Europese regelgeving.
   Een vreemdeling is ondergedoken indien hij zich opzettelijk onttrekt aan de autoriteiten die belast zijn met de uitvoering van de overdracht, teneinde deze overdracht te voorkomen, op voorwaarde dat hij over zijn verplichtingen en de gevolgen van het niet nakomen ervan werd geïnformeerd in een taal die hij begrijpt of waarvan men redelijkerwijs kan veronderstellen dat hij die begrijpt.
   Een vreemdeling wordt geacht te zijn ondergedoken overeenkomstig het tweede lid, onder meer in de volgende gevallen:
   1° indien de vreemdeling zich niet heeft aangeboden op de gesprekken die voor het aanklampende begeleidings-traject in het kader van een overdrachtsprocedure in de zin van artikel 74/25 zijn gepland en daarvoor geen geldige reden schriftelijk heeft meegedeeld binnen de drie werkdagen;
   2° indien de vreemdeling niet meewerkt aan zijn overdracht overeenkomstig artikel 74/23;
   3° indien de vreemdeling de minder dwingende maatregel voor vasthouding die ten aanzien van hem is opgelegd overeenkomstig paragraaf 2, derde lid, niet heeft gerespecteerd;
   4° indien de vreemdeling de welbepaalde plaats, zoals bedoeld in de artikelen 74/8 of 74/9, waar hij werd vastgehouden zonder de vereiste toestemming heeft verlaten en hij binnen de drie werkdagen geen adres van effectieve verblijfplaats in België schriftelijk heeft meegedeeld aan de Dienst Vreemdelingenzaken]2
.]1

  
Art. 55/4. [1 § 1er.]1 Un étranger est exclu du statut de protection subsidiaire lorsqu'il existe des motifs sérieux de considérer :
  a) qu'il a commis un crime contre la paix, un crime de guerre ou un crime contre l'humanité tels que définis dans les instruments internationaux visant à sanctionner de tels crimes;
  b) qu'il s'est rendu coupable d'agissements contraires aux buts et aux principes des Nations unies tels qu'ils sont énoncés dans le préambule et aux articles 1 et 2 de la Charte des Nations unies;
  c) qu'il a commis un crime grave;
  L'alinéa 1er s'applique aux personnes qui sont les instigatrices des crimes ou des actes précités, ou qui y participent de quelque autre manière.
  [1 § 2. Un étranger est aussi exclu du statut de protection subsidiaire lorsqu'il représente un danger pour la société ou la sécurité nationale.
   § 3. Un étranger peut être exclu du statut de protection subsidiaire si, avant son arrivée sur le territoire, il a commis une ou plusieurs infractions qui ne relève(nt) pas du champ d'application du paragraphe 1er et qui serai(en)t passible(s) d'une peine de prison si elle(s) avai(en)t été commise(s) dans le Royaume, pour autant que l'étranger n'ait quitté son pays d'origine que dans le but d'échapper à des peines résultant de ce(tte)s) infraction(s).
   § 4. Lorsqu'il exclut du statut de protection subsidiaire, le Commissaire général rend, dans le cadre de sa décision, un avis quant à la compatibilité d'une mesure d'éloignement avec les articles 48/3 et 48/4.]1

  
Art. 51/6. <INGEVOEGD bij W 1996-07-15/33, art. 33, Inwerkingtreding : 17-01-1997> Wanneer de vreemdeling (die aan de grens of in het Rijk een [1 verzoek om internationale bescherming]1 heeft ingediend), zich onregelmatig op het grondgebied van een andere Staat bevindt of er een [1 verzoek om internationale bescherming]1 heeft ingediend en de Minister of zijn gemachtigde, met toepassing van (Europese regelgeving die België bindt), ertoe gehouden is hem [1 terug te nemen]1, moet de vreemdeling zich bij zijn binnenkomst in het Rijk of ten minste binnen acht werkdagen die hierop volgen, bij de Minister of bij zijn gemachtigde aanmelden. Deze laatste verleent hem daarvan schriftelijk akte en verwittigt hiervan, zo nodig, onmiddellijk de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of (de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen). <W 2006-09-15/72, art. 40, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Wanneer België niet verantwoordelijk is voor het in behandeling nemen van het [1 verzoek om internationale bescherming]1, wordt er overeenkomstig [1 artikel 51/5, §§ 3 en 4,]1 gehandeld.
  Wanneer België verplicht is het verzoek in behandeling te nemen, moet deze behandeling overeenkomstig de bepalingen van deze wet aangevat of voortgezet worden.
  
Art. 55/5. Le statut de protection subsidiaire qui est accordé à un étranger cesse lorsque les circonstances qui ont justifié l'octroi de cette protection cessent d'exister ou ont évolue dans une mesure telle que cette protection n'est plus nécessaire. Il convient à cet égard d'examiner si le changement de circonstances qui ont conduit à l'octroi du statut de protection subsidiaire est suffisamment significatif et non provisoire pour écarter tout risque réel d'atteintes graves.
  [1 L'alinéa 1er ne s'applique pas à une personne bénéficiant de la protection subsidiaire qui peut invoquer des raisons impérieuses tenant à des atteintes graves antérieures pour refuser la protection du pays dont il a la nationalité, ou, dans le cas d'un apatride, du pays où il avait sa résidence habituelle.]1
  
Art. 51/8. [2 [3 Indien de vreemdeling een volgend verzoek om internationale bescherming indient bij één van de door de Koning ter uitvoering van artikel 50, § 3, tweede lid, aangewezen overheden,]3 neemt de minister of zijn gemachtigde een verklaring af van de asielzoeker met betrekking tot de nieuwe elementen die de kans aanzienlijk groter maken dat hij voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 in aanmerking komt, en de redenen waarom de [3 verzoeker]3 deze elementen niet eerder kon aanbrengen.
   Deze verklaring wordt ondertekend door de [3 verzoeker]3. Indien deze dit weigert, wordt hiervan melding gemaakt op de verklaring evenals, in voorkomend geval, van de redenen waarom hij weigert om te ondertekenen. Deze verklaring wordt onverwijld overgezonden aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.]2

  [1 ...]1
  
Art. 55/5/1. [1 § 1. Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut retirer le statut de protection subsidiaire si l'étranger a commis une ou plusieurs infractions qui ne relève(nt) pas du champ d'application de l'article 55/4, § 1er, et qui serai(en)t passible(s) d'une peine de prison si elle(s) avai(en)t été commise(s) dans le Royaume, pour autant que l'étranger n'ait quitté son pays d'origine que dans le but d'échapper à des peines résultant de ce(tte)(s) infractions.
   § 2. Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides retire le statut de protection subsidiaire :
   1° à l'étranger qui est ou qui aurait dû être exclu, en application de l'article 55/4, §§ 1 ou 2;
   2° à l'étranger à qui le statut a été octroyé sur la base de faits qu'il a présentés de manière altérée ou qu'il a dissimulés, de fausses déclarations ou de documents faux ou falsifiés qui ont été déterminants dans l'octroi du statut ou à l'étranger dont le comportement personnel démontre ultérieurement l'absence de risque réel de subir des atteintes graves dans son chef.
   § 3. Lorsqu'il retire le statut de protection subsidiaire en application du paragraphe 1er ou du paragraphe 2, 1° , le Commissaire général rend, dans le cadre de sa décision, un avis quant à la compatibilité d'une mesure d'éloignement avec les articles 48/3 et 48/4.]1

  
Art. 51/8. [2 [3 Indien de vreemdeling een volgend verzoek om internationale bescherming indient bij één van de door de Koning ter uitvoering van artikel 50, § 3, tweede lid, aangewezen overheden,]3 neemt de minister of zijn gemachtigde een verklaring af van de asielzoeker met betrekking tot de nieuwe elementen die de kans aanzienlijk groter maken dat hij voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 in aanmerking komt, en de redenen waarom de [3 verzoeker]3 deze elementen niet eerder kon aanbrengen.
   Deze verklaring wordt ondertekend door de [3 verzoeker]3. Indien deze dit weigert, wordt hiervan melding gemaakt op de verklaring evenals, in voorkomend geval, van de redenen waarom hij weigert om te ondertekenen. Deze verklaring wordt onverwijld overgezonden aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.]2

  [1 ...]1
  
Art. 51/10. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/72, art. 43; Inwerkingtreding : 01-06-2007> De minister of zijn gemachtigde neemt [2 het verzoek om internationale bescherming dat ingediend werd bij de in artikel 50, § 3, tweede lid, bedoelde overheden]2 in ontvangst en neemt een verklaring af van de vreemdeling met betrekking tot diens identiteit, herkomst en reisweg, en [1 diens antwoorden op een vragenlijst met betrekking tot de redenen]1 die hem ertoe aanzetten om [2 een verzoek om internationale bescherming]2 in te dienen en waarin de mogelijkheden tot terugkeer naar het land waaruit hij gevlucht is worden verduidelijkt.
  Deze verklaring [1 en vragenlijst moeten]1 worden ondertekend door de vreemdeling. Indien deze dit weigert, wordt hiervan melding gemaakt op de verklaring [1 of op de vragenlijst]1 evenals, in voorkomend geval, van de redenen waarom hij weigert om dit te ondertekenen. [1 Deze verklaring en vragenlijst worden]1 onmiddellijk overgemaakt aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.
  Tegelijkertijd stelt de minister of zijn gemachtigde vast of de vreemdeling [2 legaal]2 in het Rijk verblijft of niet.
  
Art. 51/10. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/72, art. 43; Inwerkingtreding : 01-06-2007> De minister of zijn gemachtigde neemt [2 het verzoek om internationale bescherming dat ingediend werd bij de in artikel 50, § 3, tweede lid, bedoelde overheden]2 in ontvangst en neemt een verklaring af van de vreemdeling met betrekking tot diens identiteit, herkomst en reisweg, en [1 diens antwoorden op een vragenlijst met betrekking tot de redenen]1 die hem ertoe aanzetten om [2 een verzoek om internationale bescherming]2 in te dienen en waarin de mogelijkheden tot terugkeer naar het land waaruit hij gevlucht is worden verduidelijkt.
  Deze verklaring [1 en vragenlijst moeten]1 worden ondertekend door de vreemdeling. Indien deze dit weigert, wordt hiervan melding gemaakt op de verklaring [1 of op de vragenlijst]1 evenals, in voorkomend geval, van de redenen waarom hij weigert om dit te ondertekenen. [1 Deze verklaring en vragenlijst worden]1 onmiddellijk overgemaakt aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.
  Tegelijkertijd stelt de minister of zijn gemachtigde vast of de vreemdeling [2 legaal]2 in het Rijk verblijft of niet.
  
Art. 57/1. [1 § 1er. Un étranger qui introduit une demande de protection internationale, est présumé également introduire cette demande au nom du (des) mineur(s) qui l'accompagne(nt) et sur le(s)quel(s) il exerce l'autorité parentale ou la tutelle (sur la base de la loi applicable conformément à l'article 35 de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé). Cette présomption subsiste jusqu'au moment où une décision finale est prise concernant la demande de protection internationale, même si le mineur étranger mentionné ci-dessus a entre-temps atteint la majorité.
   Le mineur étranger visé à l'alinéa 1er peut demander à être entendu par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, jusqu'à cinq jours avant que l'entretien personnel du (des) parent(s) ou du tuteur ait lieu.
   Le mineur étranger visé à l'alinéa 1er peut être entendu par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides s'il existe pour cela des raisons particulières et si cela est dans l'intérêt de ce mineur étranger, sans que ce mineur étranger lui-même l'ait demandé. Le mineur étranger a le droit de refuser d'être entendu. Le fait qu'aucun entretien personnel n'a eu lieu n'empêche pas le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides de prendre une décision quant à la demande de protection internationale et n'a pas d'influence négative sur la décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides.
   § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le mineur étranger qui accompagne un demandeur qui exerce sur lui l'autorité parentale ou la tutelle peut explicitement faire savoir qu'il introduit une demande de protection internationale en son nom, que ce soit personnellement, ou par le biais de son parent ou de son tuteur.
   Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut aussi prendre une décision sur la base d'autres éléments que ceux invoqués par le mineur étranger, comme les éléments invoqués par le tuteur ou le(s) parent(s) dans le cadre de sa/leur demande de protection internationale.
   § 3. Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides accorde aux déclarations du mineur étranger une importance adaptée à son âge, sa maturité et sa vulnérabilité. Le mineur étranger est entendu par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides conformément aux dispositions fixées par arrêté royal.
   Le mineur étranger est assisté au cours de l'entretien personnel par un avocat et, le cas échéant, d'une seule personne de confiance. L'entretien personnel suite à une première convocation peut n'avoir lieu que si l'avocat et, le cas échéant, la personne de confiance sont présents. L'absence de l'avocat et/ou de la personne de confiance suite à des convocations ultérieures n'empêche pas le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides d'entendre le mineur étranger. Le Roi définit les conditions auxquelles une personne de confiance doit satisfaire.
   § 4. L'intérêt supérieur de l'enfant est une considération déterminante qui doit guider le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides au cours de l'examen de la demande de protection internationale.
   § 5. Si le demandeur, en application du paragraphe 1er, alinéa 1er, introduit une demande de protection internationale au nom du mineur étranger (ou des mineurs étrangers), le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides prend une décision applicable à toutes ces personnes.
   Le mineur étranger dont la demande a été introduite en application du paragraphe 1er, alinéa 1er, n'a plus la possibilité de demander une décision distincte dans son chef.
   § 6. Par dérogation au paragraphe 5, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou le Conseil du contentieux des étrangers peuvent prendre respectivement une décision ou un arrêt distinct(e) dans le chef du mineur étranger visé au paragraphe 1er si les instances précitées constatent des éléments particuliers qui nécessitent une décision distincte.
   § 7. Tant le demandeur de protection internationale que les mineurs étrangers dont la demande a été introduite en application du paragraphe 1er, alinéa 1er, ont le droit d'accéder aux informations qui concernent lesdits mineurs. L'accès aux informations est accordé conformément aux dispositions de la loi du 11 avril 1994 relative à la publicité de l'administration. Ce droit d'accès ne s'applique pas dans le cas des informations suivantes :
   1° les informations fournies par des tiers sans qu'ils y aient été contraints et qu'ils ont qualifiées de confidentielles, à moins qu'ils marquent leur accord sur l'accès à ces informations;
   2° les informations qui concernent le mineur étranger visé au paragraphe 1er en cas d'intérêts opposés à ceux du (des) parent(s) ou du tuteur. Dans ce cas, le droit d'accès n'est pas exercé par le(s) parent(s) ou le tuteur. Cependant, le droit d'accès du mineur peut être exercé par le mineur lui-même, à condition qu'il soit en mesure d'apprécier raisonnablement ses intérêts, compte tenu de son âge et de sa maturité, ou par la personne de confiance désignée de façon non équivoque par le mineur, ou par l'avocat du mineur étranger.]1

  
Art. 52/2.
SECTION II. - DU COMMISSARIAT GENERAL AUX REFUGIES ET AUX APATRIDES.
Art. 52/3. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde geeft aan de vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft en een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, het bevel om het grondgebied te verlaten, gemotiveerd op basis van één van de gronden voorzien in artikel 7, eerste lid, 1° tot 12°, nadat de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen het verzoek om internationale bescherming heeft geweigerd, niet-ontvankelijk heeft verklaard of de behandeling van het verzoek heeft beëindigd, en de in artikel 39/57 bedoelde beroepstermijn is verstreken, of, wanneer dergelijk beroep binnen de termijn werd ingesteld, nadat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep heeft verworpen met toepassing van artikel 39/2, § 1, 1°.
   Indien het een tweede volgend verzoek om internationale bescherming of meer betreft en indien dit verzoek door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op grond van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 5°, niet-ontvankelijk wordt verklaard, wordt het bevel om het grondgebied te verlaten afgegeven na deze niet-ontvankelijkheidsbeslissing.
   Dit bevel om het grondgebied te verlaten wordt ter kennis gebracht van de betrokkene overeenkomstig artikel 51/2. Indien de betrokkene wordt vastgehouden, wordt dit bevel ter kennis gebracht op de plaats waar hij wordt vastgehouden.
   § 2. In het in artikel 74/5, § 1, 2°, bedoelde geval beslist de minister of zijn gemachtigde dat de vreemdeling niet tot binnenkomst in het Rijk wordt toegelaten nadat de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen het verzoek om internationale bescherming op grond van artikel 57/6/4, eerste lid, heeft geweigerd of niet ontvankelijk heeft verklaard. De vreemdeling wordt teruggedreven onder voorbehoud van artikel 39/70.
   Deze beslissingen worden ter kennis gebracht op de plaats waar de vreemdeling wordt vastgehouden.
   § 3. Indien de in paragraaf 1 en 2 bedoelde vreemdeling op het moment van de indiening van zijn verzoek om internationale bescherming reeds het voorwerp uitmaakt van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waaraan hij nog geen gevolg heeft gegeven, ziet de minister of zijn gemachtigde af van het nemen van een nieuwe verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel maar wordt de uitvoerbaarheid van de reeds gegeven maatregel tijdens de behandeling van het verzoek om internationale bescherming opgeschort overeenkomstig de artikelen 49/3/1 en 39/70.
   Eenmaal de uitvoerbaarheid van de reeds gegeven verwijderingsmaatregel niet langer overeenkomstig de artikelen 49/3/1 en 39/70 is opgeschort, kan de minister of zijn gemachtigde, indien hij dit nodig acht, de termijn die aan de vreemdeling was toegekend om het grondgebied vrijwillig te verlaten verlengen.]1

  
Art. 57/2. <L 14-07-1987, art. 9> Il est créé, auprès du (Ministre), un " Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ". Celui-ci comprend un Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides et ses deux adjoints. Le Commissaire général et ses adjoints prennent leurs décisions et émettent leurs avis en toute indépendance. <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
Art. 52/3. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde geeft aan de vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft en een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, het bevel om het grondgebied te verlaten, gemotiveerd op basis van één van de gronden voorzien in artikel 7, eerste lid, 1° tot 12°, nadat de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen het verzoek om internationale bescherming heeft geweigerd, niet-ontvankelijk heeft verklaard of de behandeling van het verzoek heeft beëindigd, en de in artikel 39/57 bedoelde beroepstermijn is verstreken, of, wanneer dergelijk beroep binnen de termijn werd ingesteld, nadat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep heeft verworpen met toepassing van artikel 39/2, § 1, 1°.
   Indien het een tweede volgend verzoek om internationale bescherming of meer betreft en indien dit verzoek door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op grond van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 5°, niet-ontvankelijk wordt verklaard, wordt het bevel om het grondgebied te verlaten afgegeven na deze niet-ontvankelijkheidsbeslissing.
   Dit bevel om het grondgebied te verlaten wordt ter kennis gebracht van de betrokkene overeenkomstig artikel 51/2. Indien de betrokkene wordt vastgehouden, wordt dit bevel ter kennis gebracht op de plaats waar hij wordt vastgehouden.
   § 2. In het in artikel 74/5, § 1, 2°, bedoelde geval beslist de minister of zijn gemachtigde dat de vreemdeling niet tot binnenkomst in het Rijk wordt toegelaten nadat de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen het verzoek om internationale bescherming op grond van artikel 57/6/4, eerste lid, heeft geweigerd of niet ontvankelijk heeft verklaard. De vreemdeling wordt teruggedreven onder voorbehoud van artikel 39/70.
   Deze beslissingen worden ter kennis gebracht op de plaats waar de vreemdeling wordt vastgehouden.
   § 3. Indien de in paragraaf 1 en 2 bedoelde vreemdeling op het moment van de indiening van zijn verzoek om internationale bescherming reeds het voorwerp uitmaakt van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waaraan hij nog geen gevolg heeft gegeven, ziet de minister of zijn gemachtigde af van het nemen van een nieuwe verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel maar wordt de uitvoerbaarheid van de reeds gegeven maatregel tijdens de behandeling van het verzoek om internationale bescherming opgeschort overeenkomstig de artikelen 49/3/1 en 39/70.
   Eenmaal de uitvoerbaarheid van de reeds gegeven verwijderingsmaatregel niet langer overeenkomstig de artikelen 49/3/1 en 39/70 is opgeschort, kan de minister of zijn gemachtigde, indien hij dit nodig acht, de termijn die aan de vreemdeling was toegekend om het grondgebied vrijwillig te verlaten verlengen.]1

  
Art. 57/3. <L 14-07-1987, art. 9> Le Commissaire général dirige le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides.
  Le Commissaire général est nommé par le Roi, par arrêté délibéré en conseil des Ministres, sur proposition du (Ministre). <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  Le Commissaire général est nommé pour une période de cinq ans. Son mandat peut être renouvelé.
  Pour pouvoir être nommé Commissaire général, le candidat doit être Belge, être docteur ou licencié en droit et avoir atteint l'âge de trente ans.
Art. 52/4. (oud 52bis)[1 Indien de vreemdeling die [2 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend]2 een gevaar vormt voor de samenleving, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf, of als er redelijke gronden bestaan om hem te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid, zendt de minister of zijn gemachtigde onverwijld alle elementen in die zin over aan de Commissaris-generaal.
   De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan weigeren de status van vluchteling te erkennen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de samenleving, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf, of als er redelijke gronden bestaan om hem te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid. In dat geval brengt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een advies uit over de verenigbaarheid van een verwijderingsmaatregel met de artikelen 48/3 en 48/4.]1

  [2 ...]2
  
Art. 57/4. <L 14-07-1987, art. 9> Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides est assiste par deux commissaires adjoints.
  Les commissaires adjoints sont nommés par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur proposition du (Ministre).<L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  Les commissaires adjoints sont nommés pour une période de cinq ans. Leur mandat peut être renouvelé.
  Les commissaires adjoints doivent être Belges, être docteurs ou licenciés en droit, avoir atteint l'âge de trente ans et justifier par leur diplôme ou leur rôle linguistique qu'ils ont la connaissance, l'un de la langue française, l'autre de la langue néerlandaise.
Art. 53bis. <INGEVOEGD bij W 14-07-1987, art. 8> (De vreemdeling [1 bedoeld in artikel 52/3]1, kan ingevolge een beslissing van (de Minister) of diens gemachtigde teruggeleid worden naar de grens van het land waaruit hij gevlucht is en waar volgens zijn verklaring zijn leven of zijn vrijheid bedreigd zou zijn.) <W 1991-07-18/52, art. 4,1°, 002; Inwerkingtreding : 01-10-1991> <W 1993-05-06/30, art. 14, 1°, 005; Inwerkingtreding : 31-05-1993> <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996> <W 2006-09-15/72, art. 49, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (Lid 2 en 3 opgeheven) <W 1993-05-06/30, art. 14, 2°, 005; Inwerkingtreding : 31-05-1993>
  
Art. 57/5. <L 14-07-1987, art. 9> Les fonctions de Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides et de commissaire adjoint sont incompatibles avec l'exercice de tout mandat politique.
Art.54. <W 1993-05-06/30, art. 15, 005; Inwerkingtreding : 31-05-1993> § 1. [1 Tussen de betekening van de uitvoerbare beslissing inzake [2 het verzoek om internationale bescherming]2 en totdat de termijn voor het verlaten van het grondgebied verstreken is, kan de minister of diens gemachtigde een terugkeercentrum aanduiden voor de betrokken [2 vreemdeling]2 en voor zijn familieleden.
   De beslissingen tot het vaststellen van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het [2 verzoek om internationale bescherming]2 worden niet bedoeld door het eerste lid.
   De Koning bepaalt het regime en de werkingsregels die toepasbaar zijn op de terugkeercentra en het bedrag van de dagvergoeding.
   In het terugkeercentrum ontvangt de vreemdeling materiële hulp, bestaande uit huisvesting, voedsel en kleding, in natura verstrekt, een dagvergoeding evenals toegang tot een programma voor vrijwillige terugkeer. De vreemdeling ontvangt de noodzakelijke medische en psycho-sociale zorg.
   De vreemdeling heeft effectief toegang tot juridische eerstelijns en tweedelijnsbijstand, zoals bedoeld in de artikelen 508/1 tot 508/23 van het Gerechtelijk Wetboek.]1

  § 2. [2 ...]2
  § 3. (opgeheven) <W 2007-01-12/52, art. 73, 044; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  
Art. 57/5bis. S'ils manquent à la dignité de leurs fonctions ou aux devoirs de leur état, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides et ses adjoints peuvent, suivant le cas, être suspendus ou révoqués.
  La suspension est ordonnée par le ministre par arrêté ministériel pour un délai de sept jours au moins et de six mois au maximum et emporte privation de traitement pendant sa durée.
  La révocation est ordonnée par le Roi par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, sur la demande du ministre.
  Le Roi détermine la procédure en matière de régime disciplinaire.
Art.55. <W 2003-12-22/53, art. 26, 028; Inwerkingtreding : 10-01-2004> § 1. [3 Aan de vreemdeling, die toegelaten of gemachtigd werd tot een verblijf van onbeperkte duur, terwijl zijn verzoek om internationale bescherming nog in behandeling is bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, wordt door de minister of zijn gemachtigde uitdrukkelijk gevraagd om binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de overhandiging van de titel waaruit het onbeperkt verblijf blijkt, bij een aangetekende brief aan de instantie waarbij zijn verzoek om internationale bescherming in behandeling is, te laten weten of hij de behandeling van zijn verzoek wenst verder te zetten. Bij gebreke aan voormeld verzoek tot voortzetting of indien de verzoeker zijn procedure niet wenst verder te zetten, wordt de vreemdeling geacht zijn verzoek impliciet te hebben ingetrokken. In dit geval neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing overeenkomstig artikel 57/6/5 of wordt het beroep door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zonder voorwerp verklaard.]3
  § 2. (De Raad van State verklaart het beroep dat werd ingesteld tegen een beslissing genomen door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zonder voorwerp), (wanneer de verzoeker toegelaten of gemachtigd werd tot een verblijf van onbeperkte duur), op voorwaarde dat hij [3 binnen de termijn zoals voorzien in § 1]3 binnen de termijn zoals voorzien in § 1 geen voortzetting van de procedure vroeg. <W 2004-12-27/30, art. 451; Inwerkingtreding : 10-01-2005> <W 2006-09-15/71, art. 193, 2°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (NOTA : De wijziging gebracht door artikel 51, 2°, bij W 2006-09-15/72 is niet uitgevoerd kunnen worden; de wetgever heeft geen rekening gehouden dat de woorden " een verklaring of een aanvraag overeenkomstig de artikelen 50, 50bis of 51 ", gewijzigd bij W 2006-09-15/71, art. 193, 2°, niet meer bestaan)
  (NOTA 2 : artikel 55, § 2, gewijzigd bij de wet van 15 september 2006, wordt :
  1° met ingang van 1 december 2006 hersteld in zijn lezing zoals deze bestond daags voor deze wijziging; (W 2006-09-15/71, art. 193)
  2° op de datum vermeld in artikel 231 van de wet van 15 september 2006, hersteld in zijn lezing zoals deze volgt uit deze wijziging. (W 2006-09-15/71).
  Zie W 2006-12-27/33, art. 141)
  § 3. [3 ...]3
  
Art. 57/5ter. [1 § 1er. Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides convoque au moins une fois le demandeur à un entretien personnel relatif au contenu de sa demande de protection internationale.
   Le Roi détermine les conditions dans lesquelles se déroule l'entretien personnel.
   Lorsqu'un nombre élevé d'étrangers demandent simultanément une protection internationale, ce qui, dans la pratique, ne permet pas au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides de mener, en temps utile, l'entretien visé à l'alinéa 1er, le ministre peut, avec l'accord du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, provisoirement affecter le personnel d'une autre instance à la conduite de cet entretien. Dans ce cas, le personnel de cette autre instance reçoit préalablement les formations pertinentes, comme le Roi le détermine à l'intention du personnel du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides.
   § 2. L'entretien personnel visé au paragraphe 1er n'a pas lieu lorsque :
   1° sur la base des éléments de preuve disponibles, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut prendre une décision positive quant à la reconnaissance du statut de réfugié;
   2° le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides estime que le demandeur ne peut être entendu personnellement en raison de circonstances permanentes dont il n'a pas la maîtrise. En cas de doute, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides consulte un praticien professionnel des soins de santé compétent afin de vérifier si l'état qui ne permet pas au demandeur d'être entendu a un caractère provisoire ou permanent.
   Si aucun entretien personnel n'a lieu pour la raison déterminée dans l'alinéa 1er, 2°, des efforts raisonnables sont fournis pour donner au demandeur l'opportunité de fournir les informations nécessaires concernant sa demande.
   Le fait qu'aucun entretien personnel n'a eu lieu conformément à l'alinéa 1er, 2°, n'a pas d'influence négative sur la décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides;
   3° dans le cas de l'article 57/6/2, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides estime qu'il peut prendre une décision sur la base d'un examen exhaustif des éléments fournis au ministre ou à son délégué par le demandeur, comme le détermine l'article 51/8.
   § 3. Le fait qu'aucun entretien personnel n'a eu lieu n'empêche pas le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides de prendre une décision sur la demande de protection internationale.]1

  
Art. 55. <W 2003-12-22/53, art. 26, 028; Inwerkingtreding : 10-01-2004> § 1. [3 Aan de vreemdeling, die toegelaten of gemachtigd werd tot een verblijf van onbeperkte duur, terwijl zijn verzoek om internationale bescherming nog in behandeling is bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, wordt door de minister of zijn gemachtigde uitdrukkelijk gevraagd om binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de overhandiging van de titel waaruit het onbeperkt verblijf blijkt, bij een aangetekende brief aan de instantie waarbij zijn verzoek om internationale bescherming in behandeling is, te laten weten of hij de behandeling van zijn verzoek wenst verder te zetten. Bij gebreke aan voormeld verzoek tot voortzetting of indien de verzoeker zijn procedure niet wenst verder te zetten, wordt de vreemdeling geacht zijn verzoek impliciet te hebben ingetrokken. In dit geval neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing overeenkomstig artikel 57/6/5 of wordt het beroep door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zonder voorwerp verklaard.]3
  § 2. (De Raad van State verklaart het beroep dat werd ingesteld tegen een beslissing genomen door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zonder voorwerp), (wanneer de verzoeker toegelaten of gemachtigd werd tot een verblijf van onbeperkte duur), op voorwaarde dat hij [3 binnen de termijn zoals voorzien in § 1]3 binnen de termijn zoals voorzien in § 1 geen voortzetting van de procedure vroeg. <W 2004-12-27/30, art. 451; Inwerkingtreding : 10-01-2005> <W 2006-09-15/71, art. 193, 2°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (NOTA : De wijziging gebracht door artikel 51, 2°, bij W 2006-09-15/72 is niet uitgevoerd kunnen worden; de wetgever heeft geen rekening gehouden dat de woorden " een verklaring of een aanvraag overeenkomstig de artikelen 50, 50bis of 51 ", gewijzigd bij W 2006-09-15/71, art. 193, 2°, niet meer bestaan)
  (NOTA 2 : artikel 55, § 2, gewijzigd bij de wet van 15 september 2006, wordt :
  1° met ingang van 1 december 2006 hersteld in zijn lezing zoals deze bestond daags voor deze wijziging; (W 2006-09-15/71, art. 193)
  2° op de datum vermeld in artikel 231 van de wet van 15 september 2006, hersteld in zijn lezing zoals deze volgt uit deze wijziging. (W 2006-09-15/71).
  Zie W 2006-12-27/33, art. 141)
  § 3. [3 ...]3
  
Art. 57/5quater. [1 § 1er. Lors de l'entretien personnel visé à l'article 57/5ter, l'agent du Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides prend note par écrit des déclarations du demandeur de protection internationale. Les notes de l'entretien personnel constituent une transcription fidèle des questions posées au demandeur ainsi que des réponses données par celui-ci et reprennent à tout le moins les données déterminées par arrêté royal.
   § 2. Le demandeur de protection internationale ou son avocat peut demander par écrit une copie des notes de l'entretien personnel.
   Lorsque cette demande parvient au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides dans les deux jours ouvrables qui suivent l'entretien personnel, le Commissaire général notifie la copie des notes de l'entretien personnel au demandeur de protection internationale ou à son avocat avant de prendre une décision concernant la demande de protection internationale.
   La copie des notes est notifiée par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides conformément aux dispositions de l'article 51/2.
   § 3. Le demandeur de protection internationale ou son avocat peut transmettre au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides des observations concernant la copie des notes de l'entretien personnel.
   Ces observations sont communiquées au Commissaire général par écrit, dans la langue de la procédure.
   Le Commissaire général examine ces observations avant de prendre une décision quant à la demande de protection internationale pour autant :
   1° que la demande de copie visée au paragraphe 2 soit parvenue au Commissaire général dans les deux jours ouvrables qui suivent l'entretien personnel, et
   2° que les observations soient parvenues au Commissaire général dans un délai de huit jours ouvrables suivant la notification de la copie des notes de l'entretien personnel au demandeur de protection internationale ou à son avocat.
   Si les conditions cumulatives visées à l'alinéa 3 ne sont pas remplies, le Commissaire général n'examine les observations communiquées qu'à la condition que celles-ci lui parviennent au plus tard le jour ouvrable qui précède celui de l'adoption de la décision relative à la demande de protection internationale.
   Le demandeur de protection internationale est réputé confirmer le contenu des notes de l'entretien personnel lorsqu'au jour ouvrable qui précède celui de l'adoption de la décision relative à la demande de protection internationale, aucune observation n'est parvenue au Commissaire général. Si les observations éventuellement parvenues au Commissaire général ne portent que sur une partie du contenu des notes de l'entretien personnel, le demandeur de protection internationale est réputé confirmer le reste de celui-ci.
   § 4. Lorsqu'il est fait application des articles 57/6, § 2, 57/6, § 3, 57/6/1, § 1er ou 57/6/4, une copie des notes de l'entretien personnel peut être notifiée au même moment que la notification de la décision concernant la demande de protection internationale.]1
-
(NOTE : par son arrêt n° du 25-02-2021 (2021-02-25/20, M.B. 20-04-2021, p. 36679), la Cour constitutionnelle a annulé la modification apportée au § 4, du présent article.)
  
Art. 55/3. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/72, art. 53; Inwerkingtreding : 01-06-2007> Een vreemdeling houdt op vluchteling te zijn wanneer hij valt onder artikel 1 C van het Verdrag van Genève. Bij toepassing van artikel 1 C (5) en (6) van voormeld verdrag dient te worden nagegaan of de verandering van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees van de vluchteling voor vervolging weg te nemen.
  [1 Het eerste lid is niet van toepassing op een vluchteling die dwingende redenen, voortvloeiende uit vroegere vervolging, kan aanvoeren om te weigeren de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, of, in het geval van een staatloze, van het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, in te roepen.]1
  
Art. 57/6. <L 2006-09-15/72, art. 58, 041; En vigueur : 01-06-2007> [3 § 1er.]3 Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides est compétent :
  1° pour reconnaître ou refuser de reconnaître la qualité de réfugié, au sens de l'article 48/3 ainsi que d'octroyer ou refuser d'octroyer le statut de protection subsidiaire défini par l'article 48/4, à l'étranger [3 ...]3;
  2° [3 pour considérer une demande de protection internationale comme manifestement infondée sur la base de l'article 57/6/1, § 2;]3
  3° pour confirmer ou refuser de confirmer le statut de réfugié à l'étranger qui satisfait aux conditions prévues par l'article 49, § 1er, 6°;
  4° pour abroger le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire sur la base des articles 55/3 et 55/5;
  5° pour exclure l'étranger [3 ...]3 du bénéfice du statut de réfugié ou du statut de protection subsidiaire sur la base des articles 55/2 et 55/4;
  6° [2 pour retirer le statut de réfugié ou de protection subsidiaire sur la base des articles 55/3/1 et 55/5/1;]2
  7° [2 pour rendre l'avis que le ministre ou son délégué peut solliciter conformément à l'article 17, § 6, afin de savoir si un étranger bénéficie toujours de la protection internationale dans le Royaume;]2
  8° pour délivrer aux réfugiés et aux apatrides les documents visés à l'article 25 de la Convention internationale relative au statut des réfugiés, signée à Genève le 28 juillet 1951, et à l'article 25 de la Convention relative au statut des apatrides, signée à New York, le 28 septembre 1954.
  [2 9° pour rendre un avis quant à la compatibilité d'une mesure d'éloignement avec les articles 48/3 et 48/4 lorsqu'il refuse de reconnaître le statut de réfugié sur la base de l'article 52/4, alinéa 2;
   10° [3 pour rendre un avis quant à la compatibilité d'une mesure d'éloignement avec les articles 48/3 et 48/4 lorsqu'il déclare la demande de protection internationale irrecevable conformément à l'article 57/6/2, § 2;]3
   11° pour rendre un avis quant à la compatibilité d'une mesure d'éloignement avec les articles 48/3 et 48/4 lorsqu'il exclut du statut de réfugié sur la base de l'article 55/2;
   12° pour rendre un avis quant à la compatibilité d'une mesure d'éloignement avec les articles 48/3 et 48/4 lorsqu'il retire le statut de réfugié sur la base de l'article 55/3/1 § 1er ou § 2, 1;
   13° pour rendre un avis quant à la compatibilité d'une mesure d'éloignement avec les articles 48/3 et 48/4 lorsqu'il exclut du statut de protection subsidiaire sur la base de l'article 55/4;
   14° pour rendre un avis quant à la compatibilité d'une mesure d'éloignement avec les articles 48/3 et 48/4 lorsqu'il retire le statut de protection subsidiaire sur la base de l'article 55/5/1, § 1er ou du § 2, 1° ;
   15° pour rendre l'avis visé à [3 l'article 57/6/1, § 3, alinéa 4]3, pour la détermination de la liste des pays d'origine sûrs;]2

  [4 16° pour rendre l'avis visé à l'article 57/41, § 1er.]4
  [3 La décision visée à l'alinéa 1er, 1°, est prise dans un délai de six mois après la réception de la demande de protection internationale transmise par le ministre ou son délégué.
   Le délai visé à l'alinéa 2 peut être prolongé d'une durée ne pouvant excéder neuf mois supplémentaires lorsque :
   a) des questions factuelles et/ou juridiques complexes entrent en jeu;
   b) du fait qu'un grand nombre d'étrangers demandent simultanément une protection internationale, il est très difficile, en pratique, de conclure la procédure dans le délai de six mois; ou
   c) le retard du traitement de la demande peut être clairement imputé au demandeur.
   Lorsque cela est nécessaire pour assurer un examen approprié et exhaustif de la demande de protection internationale, le délai prolongé visé à l'alinéa 3 peut être encore prolongé d'une durée maximale de trois mois.
   Le délai visé à l'alinéa 2 est prolongé au maximum à vingt-et-un mois si une incertitude existe quant à la situation dans le pays d'origine qui devrait être temporaire. En pareil cas, la situation dans le pays d'origine concerné est évaluée au moins tous les six mois.
   Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides informe le demandeur du prolongement du délai visé à l'alinéa 2 et lui communique, pour autant que le demandeur le demande, des informations quant aux raisons du prolongement et une indication sur le délai dans lequel la décision visée à l'alinéa 1er, 1° sera prise.]3

  [3 § 2. Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides décide en priorité, lorsque :
   1° le demandeur se trouve dans un lieu déterminé tel que visé dans les articles 74/8, § 1er ou 74/9, §§ 2 et 3 ou fait l'objet d'une mesure de sûreté telle que visée à l'article 68;
   2° le demandeur se trouve dans un établissement pénitentiaire;
   3° le ministre ou son délégué demande au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides de traiter en priorité la demande de protection internationale de l'intéressé;
   4° la demande est probablement fondée.
   § 3. Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut déclarer irrecevable une demande de protection internationale lorsque :
   1° le demandeur bénéficie déjà d'une protection réelle dans un premier pays d'asile, à moins qu'il soumette des éléments dont il ressort qu'il ne peut plus se prévaloir de la protection réelle qui lui a été accordée dans le premier pays d'asile ou qu'il n'est plus autorisé à entrer sur le territoire de ce pays.
   A condition que l'accès au territoire de ce pays lui soit à nouveau autorisé, un pays peut être considéré comme étant un premier pays d'asile si le demandeur d'asile est reconnu comme réfugié dans ce pays et qu'il peut encore y bénéficier de cette protection, ou s'il bénéficie d'une autre protection réelle dans ce pays, y compris du principe de non-refoulement;
   2° un pays tiers peut être considéré comme un pays tiers sûr au sens de l'article 57/6/6 pour le demandeur, à moins qu'il soumette des éléments dont il ressort qu'il sera exposé à une persécution ou une atteinte grave dans ce pays tiers, ou que le lien qui l'unit au pays tiers n'est pas tel qu'il serait raisonnable pour lui de s'y rendre, ou qu'il ne sera pas admis sur le territoire de ce pays;
   3° le demandeur bénéficie déjà d'une protection internationale dans un autre Etat membre de l'Union européenne;
   4° le demandeur est un ressortissant d'un Etat membre de l'Union européenne ou d'un Etat partie à un traité d'adhésion à l'Union européenne qui n'est pas encore entré en vigueur, à moins qu'il soumette des éléments dont il ressort qu'il sera exposé à une persécution ou une atteinte grave dans cet Etat membre ou dans cet Etat;
   5° le demandeur introduit une demande ultérieure de protection internationale pour laquelle aucun élément ou fait nouveau au sens de l'article 57/6/2 n'apparaît ni n'est présenté par le demandeur;
   6° après qu'une demande de protection internationale, qui a été introduite en son nom conformément à l'article 57/1, 1er, alinéa 1er, a fait l'objet d'une décision finale, l'étranger mineur n'invoque pas de faits propres qui justifient une demande distincte. Dans le cas contraire, le Commissaire général prend une décision dans laquelle il conclut à la recevabilité de la demande.
   Le demandeur visé à l'alinéa 1er, 6°, est entendu par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, pour autant que le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides estime que son âge, sa maturité et sa vulnérabilité le permettent.
   Les décisions visées à l'alinéa 1er, 2°, 3°, 4° et 6°, sont prises dans un délai de quinze jours ouvrables après la réception de la demande de protection internationale transmise par le ministre ou son délégué.
   La décision visée à l'alinéa 1er, 5°, est prise dans un délai de dix jours ouvrables après la réception de la demande de protection internationale transmise par le ministre ou son délégué.
   La décision visée à l'alinéa 1er, 5°, est prise dans un délai de deux jours ouvrables après la réception de la demande de protection internationale transmise par le ministre ou son délégué, si le demandeur a présenté sa demande ultérieure alors qu'il se trouvait dans un lieu déterminé tel que visé dans les articles 74/8 ou 74/9 ou fait l'objet d'une mesure de sûreté telle que visée à l'article 68, en vue de son éloignement.
   Pour l'application de la présente disposition, sont considérés comme jours ouvrables, tous les jours, excepté le samedi, le dimanche ou les jours fériés.]3

  
Art. 55/3/1. [1 § 1. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan de vluchtelingenstatus intrekken indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de samenleving, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf, of als er redelijke gronden bestaan om hem te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid.
   § 2. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen trekt de vluchtelingenstatus in :
   1° ten aanzien van de vreemdeling die met toepassing van artikel 55/2 uitgesloten wordt of had moeten zijn;
   2° ten aanzien van de vreemdeling wiens status werd erkend op grond van feiten die hij verkeerd heeft weergegeven of achtergehouden, van valse verklaringen of van valse of vervalste documenten die doorslaggevend zijn geweest voor de erkenning van de status of ten aanzien van de vreemdeling wiens persoonlijke gedrag later erop wijst dat hij geen vervolging vreest.
   § 3. Wanneer de Commissaris-generaal de vluchtelingenstatus intrekt met toepassing van paragraaf 1 of van paragraaf 2, 1°, verstrekt hij in het kader van zijn beslissing een advies over de verenigbaarheid van een verwijderingsmaatregel met de artikelen 48/3 en 48/4.]1

  
Art. 57/6/1. [2 § 1er. Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut traiter une demande de protection internationale selon une procédure d'examen accélérée lorsque :
   a) le demandeur n'a soulevé, en soumettant sa demande de protection internationale et en exposant les faits, que des éléments sans pertinence au regard de l'examen visant à déterminer s'il remplit les conditions requises pour bénéficier de la protection internationale; ou
   b) le demandeur provient d'un pays d'origine sûr au sens du paragraphe 3; ou
   c) le demandeur a induit les autorités en erreur en ce qui concerne son identité et/ou sa nationalité, en présentant de fausses informations ou de faux documents ou en dissimulant des informations ou des documents pertinents qui auraient pu influencer la décision dans un sens défavorable; ou
   d) il est probable que, de mauvaise foi, le demandeur a procédé à la destruction ou s'est défait d'un document d'identité ou de voyage qui aurait aidé à établir son identité ou sa nationalité; ou
   e) le demandeur a fait des déclarations manifestement incohérentes et contradictoires, manifestement fausses ou peu plausibles qui contredisent des informations suffisamment vérifiées concernant le pays d'origine, ce qui rend sa demande peu convaincante quant à sa qualité de bénéficiaire d'une protection internationale; ou
   f) le demandeur a présenté une demande ultérieure de protection internationale qui a été déclarée recevable conformément à l'article 57/6/2, § 1er, alinéa 1er; ou
   g) le demandeur ne présente une demande qu'afin de retarder ou d'empêcher l'exécution d'une décision antérieure ou imminente qui entraînerait son refoulement ou éloignement; ou
   h) le demandeur est entré ou a prolongé son séjour illégalement sur le territoire du Royaume et, sans motif valable, ne s'est pas présenté aux autorités ou n'a pas présenté une demande de protection internationale dans les délais les plus brefs compte tenu des circonstances de son entrée; ou
   i) le demandeur refuse de se soumettre à la prise des empreintes digitales visée à l'article 51/3; ou
   j) il existe de sérieuses raisons de considérer que le demandeur représente un danger pour la sécurité nationale ou l'ordre public, ou le demandeur a été éloigné de manière forcée pour des motifs graves de sécurité nationale ou d'ordre public.
   Dans la situation visée à l'alinéa 1er, f), le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides prend une décision sur la demande de protection internationale dans un délai de 15 jours ouvrables, après qu'il ait pris une décision de recevabilité de la demande.
   Dans toutes les autres situations, visées à l'alinéa 1er, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides prend une décision sur la demande de protection internationale dans un délai de 15 jours ouvrables, après qu'il ait réceptionné cette demande transmise par le ministre ou son délégué.
   Pour l'application de la présente disposition, sont considérés comme jours ouvrables, tous les jours, excepté le samedi, le dimanche ou les jours fériés.
   § 2. En cas de refus de protection internationale et si le demandeur de protection internationale se trouve dans une des situations mentionnées au paragraphe 1er, alinéa 1er, a) à j), le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut considérer cette demande comme manifestement infondée.]2

   [2 § 3.]2 [1 [2 Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides est compétent pour refuser la protection internationale à un ressortissant d'un pays d'origine sûr ou à un apatride qui avait précédemment sa résidence habituelle dans ce pays lorsque l'étranger n'a pas fait valoir de raisons sérieuses permettant de penser qu'il ne s'agit pas d'un pays d'origine sûr en raison de sa situation personnelle, compte tenu des conditions requises pour prétendre au statut de bénéficiaire d'une protection internationale.]2
   Un pays est considéré comme un pays d'origine sûr lorsque, sur la base de la situation légale, de l'application du droit dans le cadre d'un régime démocratique et des circonstances politiques générales, il peut être démontré que, d'une manière générale et de manière durable, il n'y est pas recouru à la persécution au sens de la Convention internationale relative au statut des réfugiés, signée à Genève le 28 juillet 1951, telle que déterminée à l'article 48/3, ou des motifs sérieux de croire que le demandeur d'asile court un risque réel de subir une atteinte grave telle que déterminée à l'article 48/4. Pour réaliser cette évaluation, il est tenu compte, entre autres, de la mesure dans laquelle il est offert une protection contre la persécution et les mauvais traitements, grâce aux éléments suivants :
   a) les dispositions législatives et réglementaires adoptées dans le pays et la manière dont elles sont appliquées;
   b) la manière dont sont respectés les droits et libertés dans la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, le Pacte international relatif aux droits civils et politiques ou la Convention contre la torture, en particulier les droits pour lesquels aucune dérogation ne peut être autorisée conformément à l'article 15, § 2, de ladite Convention européenne;
   c) le respect du principe de non-refoulement;
   d) le fait qu'il dispose d'un système de sanctions efficaces contre les violations de ces droits et libertés.
   L'évaluation d'un pays d'origine sûr doit reposer sur une série de sources d'information parmi lesquelles, en particulier, des informations d'autres Etats membres de l'Union européenne, [2 du Bureau européen d'appui en matière d'asile,]2 du Haut Commissariat des Nations Unies pour les réfugiés, du Conseil de l'Europe et d'autres organisations internationales pertinentes.
   Sur proposition conjointe du ministre et du ministre des Affaires étrangères et après que le ministre a obtenu l'avis du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, le Roi détermine, au moins une fois par an, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, la liste des pays d'origine sûrs. Cette liste est communiquée à la Commission européenne.
  [2 ...]2]1
-
(NOTE : par son arrêt n° 23/2021 du 25-02-2021 (2021-02-25/20, M.B. 20-04-2021, p. 36679), la Cour constitutionnelle a annulé la modification apportée :   au § 1 du présent article, uniquement en ce qu'il est susceptible de s'appliquer à un mineur étranger non accompagné dans des hypothèses autres que celles qui sont visées à l'article 25, paragraphe 6, point a), de la directive 2013/32/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 " relative à des procédures communes pour l'octroi et le retrait de la protection internationale (refonte);   au § 1er, alinéa 1er, f), mais uniquement en ce qu'il permet d'appliquer la procédure d'examen accélérée au cas où le demandeur a introduit une demande ultérieure de protection internationale après que la première demande a fait l'objet d'une décision de clôture prise en application de l'article 57/6/5, § 1er, 1°, 2°, 3°, 4° ou 5°, de la loi du 15 décembre 1980.)
  
Art. 55/4. [1 § 1.]1 <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/72, art. 54; Inwerkingtreding : 01-06-2007> Een vreemdeling wordt uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat :
  a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;
  b) hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties;
  c) hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd;
  Het eerste lid is van toepassing op personen die aanzetten tot of anderszins deelnemen aan de hierboven genoemde misdrijven of daden.
  [1 § 2. Een vreemdeling wordt ook uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus wanneer hij een gevaar voor de samenleving of voor de nationale veiligheid vormt.
   § 3. Een vreemdeling kan worden uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus als hij, vóór zijn aankomst op het grondgebied, een of meerdere misdrijven heeft gepleegd die niet onder het toepassingsgebied van paragraaf 1 vallen en kunnen worden bestraft met een gevangenisstraf als ze in het Koninkrijk waren gepleegd, voor zover de vreemdeling zijn land van herkomst alleen heeft verlaten om te ontsnappen aan straffen die voortvloeien uit die misdrijven.
   § 4. Wanneer de Commissaris-generaal uitsluit van subsidiaire beschermingsstatus, verstrekt hij in het kader van zijn beslissing een advies over de verenigbaarheid van een verwijderingsmaatregel met de artikelen 48/3 en 48/4.]1

  
Art. 57/6/2. [1 § 1er. Après réception de la demande ultérieure transmise par le ministre ou son délégué sur la base de l'article 51/8, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides examine en priorité si de nouveaux éléments ou faits apparaissent, ou sont présentés par le demandeur, qui augmentent de manière significative la probabilité qu'il puisse prétendre à la reconnaissance comme réfugié au sens de l'article 48/3 ou à la protection subsidiaire au sens de l'article 48/4. En l'absence de ces éléments ou faits, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides déclare la demande irrecevable. Dans le cas contraire, ou si le demandeur a uniquement fait auparavant l'objet d'une décision de clôture prise en application de l'article 57/6/5, § 1er, 1°, 2°, 3°, 4° ou 5° le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides déclare la demande recevable.
   Lors de l'examen visé à l'alinéa 1er, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides tient compte, le cas échéant, du fait que le demandeur s'est abstenu sans explication valable de faire valoir au cours de la précédente procédure, en particulier en exerçant le recours visé à l'article 39/2, les éléments ayant justifié l'introduction de sa demande ultérieure.
   § 2. Lorsque le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides prend une décision d'irrecevabilité conformément au paragraphe 1er, il informe le ministre ou son délégué si l'éloignement ou le refoulement entraînera ou non une violation du principe de non-refoulement du demandeur sur base de l'examen effectué au regard des articles 48/3 et 48/4.
   § 3. Lorsque, en application du paragraphe 2, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides a estimé, dans le cadre de la demande précédente, qu'une mesure d'éloignement ou de refoulement n'entraînera pas une violation du principe de non-refoulement, une telle mesure peut être exécutée de manière forcée dès la présentation de la demande et pendant l'examen visé au paragraphe 1er à l'encontre du demandeur :
   - qui présente une deuxième demande ultérieure ou plus, et
   - qui, préalablement à la présentation de sa demande précédente et depuis lors, se trouve de manière ininterrompue dans un endroit déterminé tel que visé aux articles 74/8 ou 74/9.]1

  
Art. 55/4. [1 § 1.]1 <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/72, art. 54; Inwerkingtreding : 01-06-2007> Een vreemdeling wordt uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat :
  a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;
  b) hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties;
  c) hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd;
  Het eerste lid is van toepassing op personen die aanzetten tot of anderszins deelnemen aan de hierboven genoemde misdrijven of daden.
  [1 § 2. Een vreemdeling wordt ook uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus wanneer hij een gevaar voor de samenleving of voor de nationale veiligheid vormt.
   § 3. Een vreemdeling kan worden uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus als hij, vóór zijn aankomst op het grondgebied, een of meerdere misdrijven heeft gepleegd die niet onder het toepassingsgebied van paragraaf 1 vallen en kunnen worden bestraft met een gevangenisstraf als ze in het Koninkrijk waren gepleegd, voor zover de vreemdeling zijn land van herkomst alleen heeft verlaten om te ontsnappen aan straffen die voortvloeien uit die misdrijven.
   § 4. Wanneer de Commissaris-generaal uitsluit van subsidiaire beschermingsstatus, verstrekt hij in het kader van zijn beslissing een advies over de verenigbaarheid van een verwijderingsmaatregel met de artikelen 48/3 en 48/4.]1

  
Art. 55/5/1. [1 § 1. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan de subsidiaire beschermingsstatus intrekken als de vreemdeling een of meerdere misdrijven heeft gepleegd die niet onder het toepassingsgebied van artikel 55/4, § 1, vallen en kunnen worden bestraft met een gevangenisstraf als ze in het Koninkrijk waren gepleegd, voor zover de vreemdeling zijn land van herkomst alleen heeft verlaten om te ontsnappen aan straffen die voortvloeien uit die misdrijven.
   § 2. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen trekt de subsidiaire beschermingsstatus in :
   1° ten aanzien van de vreemdeling die met toepassing van artikel 55/4, §§ 1 of 2 uitgesloten wordt of had moeten zijn;
   2° ten aanzien van de vreemdeling wiens status werd toegekend op grond van feiten die hij verkeerd heeft weergegeven of achtergehouden, van valse verklaringen of van valse of vervalste documenten die doorslaggevend zijn geweest voor de toekenning van de status of ten aanzien van de vreemdeling wiens persoonlijke gedrag later erop wijst dat hij geen reëel risico op ernstige schade loopt.
   § 3. Wanneer de Commissaris-generaal de subsidiaire beschermingsstatus intrekt met toepassing van paragraaf 1 of van paragraaf 2, 1°, verstrekt hij in het kader van zijn beslissing een advies over de verenigbaarheid van een verwijderingsmaatregel met de artikelen 48/3 en 48/4.]1

  
Art. 57/6/4. [1 A l'égard de l'étranger qui tente d'entrer dans le Royaume sans satisfaire aux conditions fixées aux articles 2 et 3 et qui a introduit à la frontière une demande de protection internationale, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides est compétent pour y déclarer la demande irrecevable sur la base de l'article 57/6, § 3 ou pour y prendre une décision sur le fond de la demande dans une des situations visées à l'article 57/6/1, § 1er, alinéa 1er, a), b), c), d), e), f), g), i) ou j).
   Si l'alinéa 1er ne peut pas être appliqué, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides décide qu'un examen ultérieur est nécessaire, après quoi le demandeur est autorisé par le ministre ou son délégué à entrer dans le Royaume conformément à l'article 74/5, § 4, 4°.
   Si aucune décision n'a été prise par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides dans un délai de quatre semaines, après réception de la demande de protection internationale transmise par le ministre ou son délégué, le demandeur est également autorisé par le ministre ou son délégué à entrer dans le Royaume conformément à l'article 74/5, § 4, 5°.]1
-
(NOTE : par son arrêt n° 23/2021 du 25-02-2021 (2021-02-25/20, M.B. 20-04-2021, p. 36679), la Cour constitutionnelle a annulé la modification apportée à l'alinéa 3 du présent article.
  
Art. 55/5/1. [1 § 1. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan de subsidiaire beschermingsstatus intrekken als de vreemdeling een of meerdere misdrijven heeft gepleegd die niet onder het toepassingsgebied van artikel 55/4, § 1, vallen en kunnen worden bestraft met een gevangenisstraf als ze in het Koninkrijk waren gepleegd, voor zover de vreemdeling zijn land van herkomst alleen heeft verlaten om te ontsnappen aan straffen die voortvloeien uit die misdrijven.
   § 2. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen trekt de subsidiaire beschermingsstatus in :
   1° ten aanzien van de vreemdeling die met toepassing van artikel 55/4, §§ 1 of 2 uitgesloten wordt of had moeten zijn;
   2° ten aanzien van de vreemdeling wiens status werd toegekend op grond van feiten die hij verkeerd heeft weergegeven of achtergehouden, van valse verklaringen of van valse of vervalste documenten die doorslaggevend zijn geweest voor de toekenning van de status of ten aanzien van de vreemdeling wiens persoonlijke gedrag later erop wijst dat hij geen reëel risico op ernstige schade loopt.
   § 3. Wanneer de Commissaris-generaal de subsidiaire beschermingsstatus intrekt met toepassing van paragraaf 1 of van paragraaf 2, 1°, verstrekt hij in het kader van zijn beslissing een advies over de verenigbaarheid van een verwijderingsmaatregel met de artikelen 48/3 en 48/4.]1

  
Art. 57/6/5. [1 § 1er. Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides prend une décision qui clôture l'examen de la demande de protection internationale, notamment lorsque :
   1° le demandeur ne se présente pas à la date fixée dans la convocation et ne donne pas de motif valable à ce sujet dans le délai raisonnable déterminé par le Roi;
   2° le demandeur ne donne pas suite à une demande de renseignements dans le mois suivant l'envoi de celle-ci et ne donne pas de motif valable à ce sujet;
   3° le demandeur s'abstient de demander la poursuite du traitement de sa demande de protection internationale conformément à l'article 55;
   4° le demandeur se trouve dans un lieu déterminé tel que visé dans les articles 74/8 ou 74/9 ou s'il fait l'objet d'une mesure de sûreté telle que visée à l'article 68, et que, dans ces situations, il a quitté sans autorisation le lieu où il était maintenu ou résidait et qu'il n'a pas pris contact dans les quinze jours avec le ministre ou son délégué;
   5° le demandeur s'est soustrait, sans motif valable, pendant au moins quinze jours à l'obligation de se présenter selon les modalités fixées par arrêté royal;
   6° le demandeur est décédé et, le cas échéant, l'étranger mineur visé à l'article 57/1, § 1er, alinéa 1er, n'a pas demandé la poursuite de l'examen de la demande de protection internationale conformément aux dispositions fixées par arrêté royal;
   7° le demandeur déclare renoncer à sa demande. En cas de doute quant au caractère explicite de la renonciation, le demandeur est convoqué afin de confirmer celle-ci;
   8° le demandeur retourne volontairement et définitivement dans son pays d'origine;
   9° le demandeur acquiert la nationalité belge.
   § 2. Si le demandeur se trouve dans l'un des cas énumérés au paragraphe 1er ,1°, 2°, 3°, 4° ou 5°, et le dossier administratif contient suffisamment d'éléments pour procéder à un examen du contenu de la demande, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut également refuser la demande en application de l'article 57/6, § 1er.]1

  
Art. 57/6/6. [1 § 1er. La demande de protection internationale peut être déclarée irrecevable sur la base de l'article 57/6, § 3, alinéa 1er, 2°, si le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides estime que, compte tenu de tous les faits et circonstances pertinents, le demandeur de protection internationale sera traité conformément aux principes suivants dans le pays tiers concerné :
   1) sa vie et sa liberté ne sont pas menacées en raison de sa race, de sa religion, de sa nationalité, de son appartenance à un certain groupe social ou de ses opinions politiques, et
   2) il n'existe aucun risque d'atteintes graves telles que visées à l'article 48/4, § 2, et
   3) le principe de non-refoulement est respecté, conformément à la Convention de Genève, et
   4) l'interdiction, prévue par le droit international, de prendre des mesures d'éloignement contraires à l'interdiction de la torture et des traitements cruels, inhumains ou dégradants, y est respectée, et
   5) la possibilité existe de solliciter la reconnaissance du statut de réfugié et, si ce statut est accordé, de bénéficier d'une protection conformément à la Convention de Genève.
   § 2. Un pays tiers peut uniquement être considéré comme un pays tiers sûr si le lien qui unit le demandeur à ce pays est tel qu'il serait raisonnable pour lui de s'y rendre et qu'il peut être présumé que le demandeur sera admis sur le territoire du pays tiers concerné, à moins qu'il soumette des éléments dont il ressort clairement que ce ne sera pas le cas.
   Dans le cadre de l'évaluation du lien tel que visé à l'alinéa 1er, tous les faits et circonstances pertinents, qui peuvent notamment comprendre la nature, la durée et les circonstances du séjour précédent, sont pris en compte.
   § 3. L'évaluation visant à déterminer si un pays est un pays tiers sûr doit reposer sur une série de sources d'information parmi lesquelles, en particulier, des informations d'autres Etats membres de l'Union européenne, du Bureau européen d'appui en matière d'asile, du Haut Commissariat des Nations unies pour les réfugiés, du Conseil de l'Europe ainsi que d'autres organisations internationales compétentes.
   § 4. Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides évalue si le pays tiers concerné est sûr pour un certain demandeur.
   § 5. Lors de l'exécution d'une décision fondée exclusivement sur l'article 57/6, § 3, alinéa 1er, 2°, le ministre ou son délégué remet à l'étranger un document informant les autorités du pays tiers, dans la langue de ce pays, que sa demande de protection internationale n'a pas été examinée quant au fond.]1

  
Art. 57/1. [1 § 1. Een vreemdeling die een verzoek om internationale bescherming indient, wordt vermoed dit verzoek eveneens in te dienen namens de hem vergezellende minderjarige vreemdeling(en) over wie hij het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent (op grond van de wet die van toepassing is overeenkomstig artikel 35 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht). Dit vermoeden blijft bestaan tot op het moment dat er een definitieve beslissing met betrekking tot het verzoek om internationale bescherming wordt genomen, zelfs indien de hiervoor vermelde minderjarige vreemdeling intussen de meerderjarigheid heeft bereikt.
   De in het eerste lid bedoelde minderjarige vreemdeling kan tot vijf dagen vóór het persoonlijk onderhoud van de ouder(s) of de voogd plaatsvindt, vragen om gehoord te worden door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.
   De in het eerste lid bedoelde minderjarige vreemdeling kan, zonder dat deze minderjarige vreemdeling hier zelf om verzoekt, door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen gehoord worden indien hiertoe bijzondere redenen zijn en indien dit in het belang van deze minderjarige vreemdeling is. De minderjarige vreemdeling heeft het recht om te weigeren gehoord te worden. Het feit dat geen persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden belet de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen niet een beslissing te nemen over het verzoek om internationale bescherming en heeft geen negatieve invloed op de beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.
   § 2. In afwijking van de eerste paragraaf kan de minderjarige vreemdeling, die een verzoeker vergezelt die het ouderlijk gezag of de voogdij over hem uitoefent, ook uitdrukkelijk aangeven om zelf of via zijn ouder of via zijn voogd een verzoek om internationale bescherming in eigen naam in te dienen.
   De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan ook een beslissing nemen op basis van andere elementen dan deze door de minderjarige vreemdeling aangebracht, zoals de elementen die worden aangebracht door de voogd of de ouder(s) in het kader van zijn/hun verzoek om internationale bescherming.
   § 3. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen hecht passend belang aan de verklaringen van de minderjarige vreemdeling in overeenstemming met zijn leeftijd, maturiteit en kwetsbaarheid. De minderjarige vreemdeling wordt door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen gehoord overeenkomstig de bij koninklijk besluit vastgestelde bepalingen.
   De minderjarige vreemdeling wordt tijdens het persoonlijk onderhoud bijgestaan door een advocaat en, in voorkomend geval, door één enkele vertrouwenspersoon. Het persoonlijk onderhoud kan na een eerste oproeping enkel plaatsvinden indien de advocaat en, in voorkomend geval, de vertrouwenspersoon aanwezig zijn. De afwezigheid van de advocaat en/of de vertrouwenspersoon na latere oproepingen belet de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen niet om de minderjarige vreemdeling te horen. De voorwaarden waar een vertrouwenspersoon aan moet voldoen, worden bepaald door de Koning.
   § 4. Het hoger belang van het kind is een doorslaggevende overweging die de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen moet leiden tijdens het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming.
   § 5. Indien de verzoeker met toepassing van paragraaf 1, eerste lid een verzoek om internationale bescherming indient namens de minderjarige vreemdeling(en), neemt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen één beslissing die geldt voor al deze personen.
   De minderjarige vreemdeling wiens verzoek in toepassing van paragraaf 1, eerste lid, ingediend werd, heeft geen mogelijkheid meer om een afzonderlijke beslissing in zijn hoofde te vragen.
   § 6. In afwijking van paragraaf 5 kan er respectievelijk een afzonderlijke beslissing of een arrest worden genomen door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in hoofde van de in paragraaf 1 bedoelde minderjarige vreemdeling, indien er bijzondere elementen worden vastgesteld door voormelde instanties die een afzonderlijke beslissing noodzaken.
   § 7. Zowel de verzoeker om internationale bescherming als de minderjarige vreemdelingen van wie het verzoek met toepassing van paragraaf 1, eerste lid, ingediend werd, hebben recht op toegang tot de gegevens die voormelde minderjarigen betreffen. De toegang tot de gegevens wordt verstrekt zoals bepaald door de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. Het toegangsrecht geldt niet voor de volgende gegevens :
   1° gegevens die werden verstrekt door derden zonder dat zij daartoe verplicht werden en die zij als vertrouwelijk hebben bestempeld, tenzij zij zich akkoord verklaren met de toegang;
   2° gegevens betreffende de in paragraaf 1 bedoelde minderjarige vreemdeling ingeval er tegenstrijdige belangen zijn met de ouder(s) of de voogd. In dat geval wordt het recht op toegang niet uitgeoefend door de ouder(s) of de voogd, maar kan het toegangsrecht van de minderjarige worden uitgeoefend door de minderjarige zelf, op voorwaarde dat hij tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is, rekening houdend met zijn leeftijd en zijn maturiteit of door de vertrouwenspersoon die door de minderjarige op ondubbelzinnige wijze werd aangewezen of door de advocaat van de minderjarige vreemdeling.]1

  
Art. 57/6/7. [1 § 1er. Lorsque des éléments ou des faits nouveaux apparaissent indiquant qu'il y a lieu de réexaminer la validité du statut de la protection internationale, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides examine si la protection internationale d'une personne peut être retirée ou abrogée.
   § 2. Le Commissaire général donne la possibilité à l'intéressé de présenter au cours d'un entretien personnel les motifs pour lesquels il y a lieu de maintenir son statut de réfugié ou de protection subsidiaire.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, si le Commissaire général examine l'éventualité de l'abrogation du statut de protection internationale, l'intéressé se voit offrir, soit la possibilité de présenter au cours d'un entretien personnel les motifs pour lesquels il y a lieu de maintenir son statut de protection internationale, soit la possibilité de communiquer par écrit les motifs pour lesquels il y a lieu de maintenir son statut.
   Il est également dérogé de la sorte à l'alinéa 1er lorsque le Commissaire général examine l'éventualité d'un retrait du statut de réfugié conformément à l'article 55/3/1, § 1er, ou lorsqu'il examine l'éventualité d'un retrait du statut de protection subsidiaire à l'étranger qui est ou aurait dû être exclu en application de l'article 55/4, § 2.
   La convocation à un entretien personnel ou le courrier informant l'intéressé du réexamen de la validité de son statut et lui offrant la possibilité de communiquer par écrit les motifs pour lesquels il y a lieu de maintenir le statut informe l'intéressé des motifs du réexamen de la validité de son statut.
   § 3. La convocation à un entretien personnel ou le courrier qui donne à l'intéressé la possibilité de communiquer par écrit les motifs pour lesquels il y a lieu de maintenir le statut est envoyé sous pli recommandé ou par porteur contre accusé de réception à la dernière adresse mentionnée au Registre national. Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides envoie une copie de cette convocation ou de ce courrier, par courrier ordinaire, à l'adresse effective de l'intéressé, s'il en est informé et si cette adresse est plus récente que celle mentionnée dans le Registre national.
   Lors de l'entretien personnel, l'intéressé élit domicile pour la procédure de réexamen. Si un entretien personnel n'est pas envisagé, l'intéressé se voit offrir la possibilité d'élire domicile pour la procédure de réexamen en même temps que la possibilité de communiquer par écrit les motifs pour lesquels il y a lieu de maintenir son statut.
   Toute modification du domicile élu est communiquée sous pli recommandé au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides.
   Sans préjudice d'une notification à personne, les convocations et les courriers peuvent être envoyés par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou son délégué au domicile élu dans le cadre de la procédure de réexamen, sous pli recommandé ou par porteur contre accusé de réception. Lorsque l'intéressé a élu domicile chez son conseil, les convocations et les courriers peuvent également être valablement envoyées par courrier ordinaire, par télécopieur ou par tout autre moyen de notification autorisé par arrêté royal.
   A défaut de domicile élu dans le cadre de la procédure de réexamen, et sans préjudice d'une notification à personne, les convocations et les courriers sont envoyés à la dernière adresse mentionnée au Registre national, sous pli recommandé ou par porteur contre accusé de réception. Le cas échéant, la copie de ces convocations et de ces courriers est également envoyée par courrier ordinaire à l'adresse effective de l'intéressé si le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides en est informé et si cette adresse est plus récente que celle mentionnée dans le Registre national.
   § 4. Les conditions dans lesquelles l'entretien personnel se déroule sont déterminées par le Roi.
   Si l'intéressé ne se présente pas à la date fixée pour l'entretien personnel, il transmet par écrit au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides un motif valable justifiant son absence, dans les quinze jours suivant la date fixée pour l'entretien personnel.
   Si l'intéressé ne présente pas de motif valable dans les quinze jours suivant la date de l'entretien personnel fixée dans la convocation, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut prendre une décision sur la base des éléments du dossier.
   S'il estime le motif valable, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut reconvoquer l'intéressé à une date ultérieure, ou lui donner la possibilité de communiquer par écrit le motif pour lequel son statut doit être maintenu.
   Si après avoir été reconvoqué conformément à l'alinéa précédent, l'intéressé invoque un nouveau motif justifiant une absence à l'entretien personnel fixé, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides statue sur base des éléments en sa possession.
   § 5. S'il est demandé à l'intéressé de communiquer par écrit les motifs pour lesquels il y a lieu de maintenir son statut, la réponse doit parvenir au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides dans le délai déterminé par le Roi. En l'absence de réponse, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut statuer sur base des éléments en sa possession.
   § 6. Sans préjudice d'une notification à personne, la décision d'abrogation ou de retrait du statut de protection internationale est envoyée sous pli recommandé ou par porteur contre accusé de réception. Sans préjudice d'une notification à personne, la lettre informant qu'il n'est pas procédé au retrait ou à l'abrogation du statut de protection internationale est envoyée par courrier ordinaire. La décision d'abrogation ou de retrait du statut de protection internationale, ou la lettre informant qu'il n'est pas procédé au retrait ou à l'abrogation du statut de protection internationale est envoyée au domicile qui a été élu dans le cadre de la procédure de réexamen.
   Si aucun domicile n'a été élu dans le cadre de la procédure de réexamen et sans préjudice d'une notification à personne, cette décision, sous pli recommandé ou par porteur contre accusé de réception, ou cette lettre, par courrier ordinaire, est envoyée à la dernière adresse mentionnée au Registre national. Une copie de tout envoi est envoyée par courrier ordinaire à l'adresse effective de l'intéressé, si le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides en est informé et que cette adresse est plus récente que celle mentionnée dans le Registre national.]1

  
Art. 57/1. [1 § 1. Een vreemdeling die een verzoek om internationale bescherming indient, wordt vermoed dit verzoek eveneens in te dienen namens de hem vergezellende minderjarige vreemdeling(en) over wie hij het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent (op grond van de wet die van toepassing is overeenkomstig artikel 35 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht). Dit vermoeden blijft bestaan tot op het moment dat er een definitieve beslissing met betrekking tot het verzoek om internationale bescherming wordt genomen, zelfs indien de hiervoor vermelde minderjarige vreemdeling intussen de meerderjarigheid heeft bereikt.
   De in het eerste lid bedoelde minderjarige vreemdeling kan tot vijf dagen vóór het persoonlijk onderhoud van de ouder(s) of de voogd plaatsvindt, vragen om gehoord te worden door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.
   De in het eerste lid bedoelde minderjarige vreemdeling kan, zonder dat deze minderjarige vreemdeling hier zelf om verzoekt, door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen gehoord worden indien hiertoe bijzondere redenen zijn en indien dit in het belang van deze minderjarige vreemdeling is. De minderjarige vreemdeling heeft het recht om te weigeren gehoord te worden. Het feit dat geen persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden belet de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen niet een beslissing te nemen over het verzoek om internationale bescherming en heeft geen negatieve invloed op de beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.
   § 2. In afwijking van de eerste paragraaf kan de minderjarige vreemdeling, die een verzoeker vergezelt die het ouderlijk gezag of de voogdij over hem uitoefent, ook uitdrukkelijk aangeven om zelf of via zijn ouder of via zijn voogd een verzoek om internationale bescherming in eigen naam in te dienen.
   De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan ook een beslissing nemen op basis van andere elementen dan deze door de minderjarige vreemdeling aangebracht, zoals de elementen die worden aangebracht door de voogd of de ouder(s) in het kader van zijn/hun verzoek om internationale bescherming.
   § 3. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen hecht passend belang aan de verklaringen van de minderjarige vreemdeling in overeenstemming met zijn leeftijd, maturiteit en kwetsbaarheid. De minderjarige vreemdeling wordt door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen gehoord overeenkomstig de bij koninklijk besluit vastgestelde bepalingen.
   De minderjarige vreemdeling wordt tijdens het persoonlijk onderhoud bijgestaan door een advocaat en, in voorkomend geval, door één enkele vertrouwenspersoon. Het persoonlijk onderhoud kan na een eerste oproeping enkel plaatsvinden indien de advocaat en, in voorkomend geval, de vertrouwenspersoon aanwezig zijn. De afwezigheid van de advocaat en/of de vertrouwenspersoon na latere oproepingen belet de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen niet om de minderjarige vreemdeling te horen. De voorwaarden waar een vertrouwenspersoon aan moet voldoen, worden bepaald door de Koning.
   § 4. Het hoger belang van het kind is een doorslaggevende overweging die de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen moet leiden tijdens het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming.
   § 5. Indien de verzoeker met toepassing van paragraaf 1, eerste lid een verzoek om internationale bescherming indient namens de minderjarige vreemdeling(en), neemt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen één beslissing die geldt voor al deze personen.
   De minderjarige vreemdeling wiens verzoek in toepassing van paragraaf 1, eerste lid, ingediend werd, heeft geen mogelijkheid meer om een afzonderlijke beslissing in zijn hoofde te vragen.
   § 6. In afwijking van paragraaf 5 kan er respectievelijk een afzonderlijke beslissing of een arrest worden genomen door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in hoofde van de in paragraaf 1 bedoelde minderjarige vreemdeling, indien er bijzondere elementen worden vastgesteld door voormelde instanties die een afzonderlijke beslissing noodzaken.
   § 7. Zowel de verzoeker om internationale bescherming als de minderjarige vreemdelingen van wie het verzoek met toepassing van paragraaf 1, eerste lid, ingediend werd, hebben recht op toegang tot de gegevens die voormelde minderjarigen betreffen. De toegang tot de gegevens wordt verstrekt zoals bepaald door de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. Het toegangsrecht geldt niet voor de volgende gegevens :
   1° gegevens die werden verstrekt door derden zonder dat zij daartoe verplicht werden en die zij als vertrouwelijk hebben bestempeld, tenzij zij zich akkoord verklaren met de toegang;
   2° gegevens betreffende de in paragraaf 1 bedoelde minderjarige vreemdeling ingeval er tegenstrijdige belangen zijn met de ouder(s) of de voogd. In dat geval wordt het recht op toegang niet uitgeoefend door de ouder(s) of de voogd, maar kan het toegangsrecht van de minderjarige worden uitgeoefend door de minderjarige zelf, op voorwaarde dat hij tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is, rekening houdend met zijn leeftijd en zijn maturiteit of door de vertrouwenspersoon die door de minderjarige op ondubbelzinnige wijze werd aangewezen of door de advocaat van de minderjarige vreemdeling.]1

  
Art. 57/7. <L 14-07-1987, art. 9> [1 § 1er.]1 [1 Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides]1 peut s'adresser au représentant en Belgique du Haut Commissaire des Nations Unies pour les réfugiés afin de recueillir tous renseignements utiles à l'accomplissement de sa mission.
  Il a le droit de se faire communiquer par toute autorité belge tous documents et renseignements utiles à l'exercice de sa mission.
  [1 § 2. Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut consulter et utiliser pour l'évaluation d'une demande de protection internationale des informations de toute nature envoyées ou reçues par voie électronique par le demandeur de protection internationale, qui n'ont pas été destinées personnellement au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides mais qui sont accessibles au public.
   § 3. Le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut, dans sa décision, s'appuyer sur des informations obtenues d'une personne ou d'une institution qu'il a contactée et dont, à la demande de celle-ci, le nom, les coordonnées, les activités ou la fonction sont tenus confidentiels.   Dans ce cas, la ou les raison(s) pour laquelle/lesquelles ces éléments sont tenus confidentiels est/sont précisée(s) dans le dossier administratif, de même que la ou les raison(s) qui permet(tent) de présumer de la fiabilité de cette/ces source(s).]1
-
(NOTE : par son arrêt n° 23/2021 du 25-02-2021 (2021-02-25/20, M.B. 20-04-2021, p. 36679), la Cour constitutionnelle a annulé la modification apportée au § 3 du présent article, en ce qu'il ne limite pas la possibilité pour le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides de maintenir la confidentialité de certains éléments aux cas dans lesquels " la divulgation d'informations ou de leurs sources compromettrait la sécurité nationale, la sécurité des organisations ou de la (des) personne(s) ayant fourni les informations ou celle de la (des) personne(s) à laquelle (auxquelles) elles se rapportent, ou encore lorsque cela serait préjudiciable à l'enquête liée à l'examen d'une demande de protection internationale par les autorités compétentes des Etats membres, ou aux relations internationales des Etats membres.)
  
Art. 57/2. <W 14-07-1987, art. 9> Bij (de Minister) wordt een " Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen " opgericht. Dit omvat een Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en diens twee adjuncten. De Commissaris-generaal en zijn adjuncten zijn geheel onafhankelijk bij het nemen van hun beslissingen en het uitbrengen van hun adviezen. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
Art. 57/3. <W 14-07-1987, art. 9> De Commissaris-generaal leidt het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.
  De Commissaris-generaal wordt benoemd door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit op voorstel van (de Minister). <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  De Commissaris-generaal wordt benoemd voor een periode van vijf jaar. Zijn mandaat kan hernieuwd worden.
  Om tot Commissaris-generaal benoemd te kunnen worden, moet de kandidaat Belg zijn, doctor of licentiaat in de rechten zijn en de leeftijd van dertig jaar bereikt hebben.
Art. 57/4. <W 14-07-1987, art. 9> De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt bijgestaan door twee adjunct-commissarissen.
  De adjunct-commissarissen worden benoemd door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, op voorstel van (de Minister). <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  De adjunct-commissarissen worden benoemd voor een periode van vijf jaar. Hun mandaat kan hernieuwd worden.
  De adjunct-commissarissen moeten Belg zijn, doctor of licentiaat in de rechten zijn, de leeftijd van dertig jaar bereikt hebben, en door hun diploma of hun taalrol, het bewijs leveren van de kennis, de ene van de Nederlandse taal, de andere van de Franse taal.
Art. 57/8. <L 14-07-1987, art. 9> (Sans préjudice d'une notification à personne, les convocations et les demandes de renseignements peuvent être envoyées par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou son délégué, au domicile élu vise à l'article 51/2, sous pli recommandé à la poste ou par porteur contre accusé de réception. Lorsque l'étranger a élu domicile chez son conseil, les convocations et les demandes de renseignements peuvent également être valablement envoyées par télécopieur [1 ou par tout autre moyen de notification autorisé par arrêté royal]1.) <L 2006-09-15/72, art. 59, 1°, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  (Les décisions sont notifiées au (Ministre) ou à son délégué, qui en reçoit une copie, sous pli recommandé à la poste ou par porteur avec accusé de réception ou par télécopieur [1 ou par tout autre moyen de notification autorisé par arrêté royal]1. <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  (Les décisions sont notifiées à l'intéressé par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides conformément à l'alinéa 1er.) <L 2006-09-15/72, art. 59, 2°, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  (Alinéa 4 abrogé)) <L 1993-05-06/30, art. 16, 005; En vigueur : 31-05-1993> <L 2006-09-15/72, art. 59, 3°, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  
Art. 57/4. <W 14-07-1987, art. 9> De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt bijgestaan door twee adjunct-commissarissen.
  De adjunct-commissarissen worden benoemd door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, op voorstel van (de Minister). <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  De adjunct-commissarissen worden benoemd voor een periode van vijf jaar. Hun mandaat kan hernieuwd worden.
  De adjunct-commissarissen moeten Belg zijn, doctor of licentiaat in de rechten zijn, de leeftijd van dertig jaar bereikt hebben, en door hun diploma of hun taalrol, het bewijs leveren van de kennis, de ene van de Nederlandse taal, de andere van de Franse taal.
Art. 57/8/1. [1 L'étranger reconnu réfugié conformément à l'article 49, § 1er, doit mettre en dépôt auprès du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides le passeport national valable dont il dispose.
   Le non-dépôt ou la demande de restitution du passeport, sans raison valable, par la personne visée à l'alinéa 1er peut constituer un nouvel élément pour un réexamen de la validité du statut de réfugié par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides sur la base de l'article 57/6/7.]1

  
Art. 57/5bis. <INGEVOEGD bij W 1998-03-09/61, art. 2; Inwerkingtreding : 13-07-1998> De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en zijn adjuncten kunnen, indien zij tekortschieten in de waardigheid van hun ambt of in de plichten van hun staat, naargelang het geval, worden geschorst of afgezet.
  De schorsing wordt bij ministerieel besluit bevolen door de minister voor een termijn van minstens zeven dagen en maximum zes maanden en heeft, zolang de schorsing duurt, de inhouding van de wedde voor gevolg.
  De afzetting wordt op verzoek van de minister bevolen door de Koning bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
  De Koning bepaalt de procedure inzake de tuchtregeling
Art. 57/9. [1 Pour les compétences définies aux articles [2 52/4, 57/6, § 1er, alinéa 1er, 1° à 7° et 9° à 14°, 57/6, §§ 2 et 3, 57/6/1, §§ 1er et 2, alinéa 1er, 57/6/2, 57/6/4, 57/6/5 et 57/6/7, § 5, les décisions et les avis peuvent être pris]2 par le Commissaire général, par ses adjoints agissant par délégation ou par les membres du personnel du Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides agissant par délégation et appartenant au minimum à la classe A3 ou désignés par le Commissaire général pour exercer temporairement une fonction de niveau A3, et ce sous l'autorité et la direction du Commissaire général. Dans ce cas, les adjoints et les membres du personnel susvisés signent avec la formule "Par délégation".
   [2 Les compétences définies par les articles 57/6, § 1er, alinéa 1er, 8° et 57/8/1, alinéa 1er sont exercées par le Commissaire général ou son délégué, et concernant ce dernier sous l'autorité et la direction du Commissaire général.]2]1

  
Art. 57/5ter. [1 § 1. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen roept de verzoeker minstens eenmaal op voor een persoonlijk onderhoud over de inhoud van zijn verzoek om internationale bescherming.
   De omstandigheden waarin het persoonlijk onderhoud plaatsvindt, worden bepaald door de Koning.
   Wanneer een groot aantal vreemdelingen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het voor de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in de praktijk onmogelijk is om tijdig het in het eerste lid bedoelde onderhoud af te nemen, kan de minister met instemming van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen beslissen om het personeel van een andere instantie tijdelijk in te schakelen voor het afnemen van dit onderhoud. In dergelijke gevallen krijgt het personeel van die andere instantie vooraf de relevante opleidingen zoals door de Koning bepaald voor het personeel van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.
   § 2. Het in paragraaf 1 bedoelde persoonlijk onderhoud vindt niet plaats wanneer :
   1° de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op basis van het beschikbare bewijs een positieve beslissing kan nemen inzake de erkenning van de vluchtelingenstatus;
   2° de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen van oordeel is dat de verzoeker niet persoonlijk kan gehoord worden als gevolg van blijvende omstandigheden waarop hij geen invloed heeft. Bij twijfel raadpleegt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een bevoegde beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg om na te gaan of de toestand die de verzoeker niet in staat maakt om te worden gehoord tijdelijk of aanhoudend van aard is.
   Indien geen persoonlijk onderhoud plaatsvindt omwille van de in het eerste lid, 2°, genoemde reden, worden er redelijke inspanningen geleverd om de verzoeker de kans te bieden de nodige informatie in verband met zijn verzoek te verstrekken.
   Het feit dat geen persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden overeenkomstig het eerste lid, 2°, heeft geen negatieve invloed op de beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen;
   3° de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in het geval van artikel 57/6/2 van oordeel is dat hij een beslissing kan nemen op basis van een volledige bestudering van de door de verzoeker aan de minister of diens gemachtigde verstrekte elementen, zoals bepaald in artikel 51/8.
   § 3. Het feit dat geen persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden belet de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen niet een beslissing te nemen over het verzoek om internationale bescherming.]1

  
Art. 57/5quater. [1 § 1. De ambtenaar van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen neemt tijdens het persoonlijk onderhoud, bedoeld in artikel 57/5ter, schriftelijk nota van de verklaringen afgelegd door de verzoeker om internationale bescherming. De notities van het persoonlijk onderhoud vormen een getrouwe weergave van de vragen die aan de verzoeker werden gesteld en van zijn antwoorden en bevatten minstens de bij koninklijk besluit bepaalde gegevens.
   § 2. De verzoeker om internationale bescherming of zijn advocaat kan schriftelijk een kopie van de notities van het persoonlijk onderhoud aanvragen.
   Wanneer deze aanvraag de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen binnen twee werkdagen na het persoonlijk onderhoud bereikt, betekent de Commissaris-generaal de kopie van de notities van het persoonlijk onderhoud aan de verzoeker om internationale bescherming of aan zijn advocaat alvorens een beslissing in verband met het verzoek om internationale bescherming te nemen.
   De kopie van de notities wordt door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen betekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 51/2.
   § 3. De verzoeker om internationale bescherming of zijn advocaat kan aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen opmerkingen bezorgen over de kopie van de notities van het persoonlijk onderhoud.
   Deze opmerkingen worden schriftelijk in de proceduretaal aan de Commissaris-generaal meegedeeld.
   De Commissaris-generaal onderzoekt deze opmerkingen alvorens een beslissing te nemen in verband met het verzoek om internationale bescherming, voor zover :
   1° de aanvraag van een kopie bedoeld in paragraaf 2 de Commissaris-generaal bereikt binnen twee werkdagen na het persoonlijk onderhoud, en
   2° de opmerkingen de Commissaris-generaal bereiken binnen acht werkdagen na de betekening van de kopie van de notities van het persoonlijk onderhoud aan de verzoeker om internationale bescherming of aan zijn advocaat.
   Als de cumulatieve voorwaarden bedoeld in het derde lid niet vervuld zijn, onderzoekt de Commissaris-generaal de meegedeelde opmerkingen op voorwaarde dat deze hem ten laatste de werkdag vóór het nemen van de beslissing betreffende het verzoek om internationale bescherming bereiken.
   De verzoeker om internationale bescherming, wordt geacht in te stemmen met de inhoud van de notities van het persoonlijk onderhoud wanneer op de werkdag vóór het nemen van de beslissing in verband met het verzoek om internationale bescherming, geen enkele opmerking de Commissaris-generaal heeft bereikt. Als de opmerkingen die de Commissaris-generaal in voorkomend geval hebben bereikt, slechts betrekking hebben op een deel van de inhoud van de notities van het persoonlijk onderhoud, wordt de verzoeker om internationale bescherming geacht in te stemmen met de rest van de inhoud van de notities.
   § 4. Wanneer de artikelen 57/6, § 2, 57/6, § 3, 57/6/1, § 1 of 57/6/4 worden toegepast, kan een kopie van de notities van het persoonlijk onderhoud worden betekend op hetzelfde ogenblik als de betekening van de beslissing in verband met het verzoek om internationale bescherming.]1
Art. 57/11. (Abrogé) <L 2006-09-15/71, art. 194, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  (NOTE : l'article 57/11, § 1er, alinéa 1er, abrogé par la loi du 15 septembre 2006 est :
  1° à partir du 1er décembre 2006, rétabli dans sa rédaction existante à la veille de cette abrogation (L 2006-09-15/71 , art. 194);
  2° à la date visée à l'article 231 de la loi du 15 septembre 2006, rétabli dans sa rédaction telle que celle-ci résulte de cette abrogation. (L 2006-09-15/71)
  Voir L 2006-12-27/33, art. 142)
(NOTA : bij arrest nr. 23/2021 van 25-02-2021 (2021-02-25/20, B.St. 20-04-2021, p. 36679), heeft het Grondwettelijk Hof § 4, de verwijzing naar artikel 57/6, § 2, en de verwijzing naar artikel 57/6, § 3, in zoverre zij betrekking heeft op de beslissingen inzake ontvankelijkheid die niet worden genomen in het kader van de grensprocedure bedoeld in artikel 57/6/4, van dit artikel vernietigd )
  
-
Art. 57/6. [3 § 1.]3 De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen is bevoegd :
SECTION III. - DE LA COMMISSION PERMANENTE DE RECOURS DES REFUGIES.
Art. 57/6. <W 2006-09-15/72, art. 58, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007> [3 § 1.]3 De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen is bevoegd :
  1° om aan de vreemdeling [3 ...]3 de vluchtelingenstatus, in de zin van artikel 48/3, te erkennen of weigeren te erkennen of de subsidiaire beschermingsstatus, in de zin van artikel 48/4, toe te kennen of weigeren toe te kennen;
  2° [3 om een verzoek om internationale bescherming kennelijk ongegrond te beschouwen op basis van artikel 57/6/1, § 2;]3
  3° om de vluchtelingenstatus in hoofde van de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 49, § 1, 6°, te bevestigen of weigeren te bevestigen;
  4° om de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus op basis van de artikelen 55/3, en 55/5, op te heffen;
  5° om de vreemdeling [3 ...]3 van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus uit te sluiten op basis van de artikelen 55/2 en artikel 55/4;
  6° [2 om de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus op grond van de artikelen 55/3/1 en 55/5/1 in te trekken;]2
  7° [2 om het advies te verstrekken dat de minister of zijn gemachtigde kan inwinnen overeenkomstig artikel 17, § 6, om te weten of een vreemdeling nog steeds internationale bescherming geniet in het Rijk;]2
  8° om aan de [1 vluchtelingen]1 en de staatlozen de documenten te verstrekken welke bedoeld zijn in artikel 25 van het internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève, op 28 juli 1951, en in artikel 25 van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend te New-York, op 28 september 1954.
  [2 9° om een advies te verstrekken over de verenigbaarheid van een verwijderingsmaatregel met de artikelen 48/3 en 48/4 wanneer hij weigert de vluchtelingenstatus te erkennen op grond van artikel 52/4, tweede lid;
   10° [3 om een advies te verstrekken over de verenigbaarheid van een verwijderingsmaatregel met de artikelen 48/3 en 48/4 wanneer hij het verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaart overeenkomstig artikel 57/6/2, § 2;]3
   11° om een advies te verstrekken over de verenigbaarheid van een verwijderingsmaatregel met de artikelen 48/3 en 48/4 wanneer hij uitsluit van de vluchtelingenstatus op grond van artikel 55/2;
   12° om een advies te verstrekken over de verenigbaarheid van een verwijderingsmaatregel met de artikelen 48/3 en 48/4 wanneer hij de vluchtelingenstatus intrekt op grond van artikel 55/3/1 § 1 of § 2, 1;
   13° om een advies te verstrekken over de verenigbaarheid van een verwijderingsmaatregel met de artikelen 48/3 en 48/4 wanneer hij uitsluit van de subsidiaire beschermingsstatus op grond van artikel 55/4;
   14° om een advies te verstrekken over de verenigbaarheid van een verwijderingsmaatregel met de artikelen 48/3 en 48/4 wanneer hij de subsidiaire beschermingsstatus intrekt op grond van artikel 55/5/1, § 1 of § 2, 1° ;
   15° om het advies te verstrekken bedoeld in [3 artikel 57/6/1, § 3, vierde lid]3, voor het bepalen van de lijst van veilige landen van herkomst;]2

  [4 16° om het advies te verstrekken bedoeld in artikel 57/41, § 1.]4
  [3 De in het eerste lid, 1°, bedoelde beslissing wordt getroffen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van het verzoek om internationale bescherming dat door de minister of zijn gemachtigde werd overgezonden.
   De in het tweede lid bedoelde termijn, kan met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien :
   a) complexe feitelijke en/of juridische kwesties aan de orde zijn;
   b) een groot aantal vreemdelingen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden; of
   c) de vertraging van de behandeling van het verzoek duidelijk aan de verzoeker is toe te schrijven.
   Indien dit noodzakelijk is met het oog op een behoorlijke en volledige behandeling van het verzoek om internationale bescherming, kan de termijn na verlenging, bedoeld in het derde lid, nogmaals verlengd worden met ten hoogste drie maanden.
   De in het tweede lid bedoelde termijn wordt verlengd tot ten hoogste eenentwintig maanden, indien onzekerheid bestaat over de situatie in het land van herkomst die naar verwachting tijdelijk is. In dat geval wordt ten minste elke zes maanden de situatie in het betreffende land van herkomst beoordeeld.
   De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen stelt de verzoeker in kennis van de verlenging van de in het tweede lid bedoelde termijn en geeft, indien de verzoeker daarom verzoekt, informatie over de reden van de verlenging en een indicatie van het tijdsbestek waarbinnen de in het eerste lid, 1°, bedoelde beslissing zal worden getroffen.]3

  [3 § 2. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen beslist bij voorrang, indien :
   1° de verzoeker zich bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8, § 1 of 74/9, §§ 2 en 3 of het voorwerp uitmaakt van een veiligheidsmaatregel zoals bedoeld in artikel 68;
   2° de verzoeker zich bevindt in een strafrechtelijke instelling;
   3° de minister of zijn gemachtigde de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen verzoekt om het verzoek om internationale bescherming van de betrokkene bij voorrang te behandelen;
   4° het verzoek waarschijnlijk gegrond is.
   § 3. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaren wanneer :
   1° de verzoeker reeds reële bescherming geniet in een eerste land van asiel, tenzij hij elementen naar voor brengt waaruit blijkt dat hij zich niet langer kan beroepen op de reële bescherming die hem reeds werd toegekend in het eerste land van asiel of dat hij niet opnieuw tot het grondgebied van dit land wordt toegelaten.
   Een land kan beschouwd worden als eerste land van asiel wanneer de verzoeker in dat land erkend is als vluchteling en hij die bescherming nog kan genieten, of hij anderszins reële bescherming geniet in dat land, met inbegrip van het genot van het beginsel van non-refoulement, mits hij opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten;
   2° een derde land als veilig derde land in de zin van artikel 57/6/6 kan worden beschouwd voor de verzoeker, tenzij hij elementen naar voor brengt waaruit blijkt dat hij in het derde land zal worden blootgesteld aan vervolging of ernstige schade of dat de band tussen hem en het derde land niet zodanig is dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan, of dat hij niet tot het grondgebied van dit land zal worden toegelaten;
   3° de verzoeker reeds internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie;
   4° de verzoeker een onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie of van een staat die partij is bij een Toetredingsverdrag tot de Europese Unie dat nog niet in werking is getreden, tenzij hij elementen naar voor brengt waaruit blijkt dat hij in de voormelde lidstaat of staat zal worden blootgesteld aan vervolging of ernstige schade;
   5° de verzoeker een volgend verzoek om internationale bescherming indient en er geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd overeenkomstig artikel 57/6/2;
   6° de minderjarige vreemdeling geen eigen feiten aanhaalt die een apart verzoek rechtvaardigen, nadat er eerder namens hem een verzoek om internationale bescherming werd ingediend overeenkomstig artikel 57/1, § 1, eerste lid, waarover een definitieve beslissing werd genomen. In het andere geval neemt de Commissaris-generaal een beslissing waarbij tot de ontvankelijkheid van het verzoek wordt besloten.
   De in het eerste lid, 6°, bedoelde verzoeker wordt gehoord door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, voor zover de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen oordeelt dat zijn leeftijd, maturiteit en kwetsbaarheid dit toelaten.
   De in het eerste lid, 2°, 3°, 4° en 6°, bedoelde beslissingen worden getroffen binnen een termijn van vijftien werkdagen na ontvangst van het verzoek om internationale bescherming dat door de minister of zijn gemachtigde werd overgezonden.
   De in het eerste lid, 5°, bedoelde beslissing wordt getroffen binnen een termijn van tien werkdagen na ontvangst van het verzoek om internationale bescherming dat door de minister of zijn gemachtigde werd overgezonden.
   De in het eerste lid, 5°, bedoelde beslissing wordt getroffen binnen een termijn van twee werkdagen na ontvangst van het verzoek om internationale bescherming dat door de minister of zijn gemachtigde werd overgezonden, indien de verzoeker zijn volgend verzoek heeft gedaan terwijl hij zich in een welbepaalde plaats bevindt zoals bedoeld in de artikelen 74/8 of 74/9 of het voorwerp uitmaakt van een veiligheidsmaatregel zoals bedoeld in artikel 68, met het oog op zijn verwijdering.
   Voor de toepassing van deze bepaling worden als werkdagen beschouwd, alle dagen, behalve zaterdag, zon- of feestdagen.]3

  
Art. 57/6/1. [2 § 1. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan een verzoek om internationale bescherming volgens een versnelde procedure behandelen, indien :
   a) de verzoeker bij de indiening van zijn verzoek om internationale bescherming en de toelichting van de feiten alleen aangelegenheden aan de orde heeft gesteld die niet ter zake doen om uit te maken of hij in aanmerking komt voor internationale bescherming; of
   b) de verzoeker afkomstig is uit een veilig land van herkomst zoals bedoeld in paragraaf 3; of
   c) de verzoeker de autoriteiten heeft misleid door omtrent zijn identiteit en/of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissingen hadden kunnen hebben, achter te houden; of
   d) de verzoeker waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan; of
   e) de verzoeker kennelijk incoherente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die tegenstrijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn bewering alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag om internationale bescherming; of
   f) de verzoeker een volgend verzoek om internationale bescherming heeft ingediend dat ontvankelijk werd verklaard overeenkomstig artikel 57/6/2, § 1, eerste lid; of
   g) de verzoeker enkel een verzoek doet om de uitvoering van een eerdere of van een op handen zijnde beslissing die tot zijn terugdrijving of verwijdering zou leiden uit te stellen of te verijdelen; of
   h) de verzoeker het grondgebied onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij de autoriteiten heeft aangemeld of geen verzoek om internationale bescherming heeft gedaan; of
   i) de verzoeker weigert te voldoen aan de verplichting om zijn vingerafdrukken te laten nemen zoals bedoeld in artikel 51/3; of
   j) er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de verzoeker een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of de openbare orde, of de verzoeker onder dwang werd verwijderd om ernstige redenen van nationale veiligheid of openbare orde.
   In het eerste lid, f), bedoelde geval neemt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een beslissing inzake het verzoek om internationale bescherming binnen een termijn van 15 werkdagen, nadat hij een beslissing tot ontvankelijkheid van het verzoek heeft genomen.
   In alle andere, in het eerste lid bedoelde gevallen, neemt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een beslissing inzake het verzoek om internationale bescherming binnen een termijn van 15 werkdagen, na ontvangst van het verzoek dat door de minister of zijn gemachtigde werd overgezonden.
   Voor de toepassing van deze bepaling worden als werkdagen beschouwd, alle dagen, behalve zaterdag, zon- of feestdagen.
   § 2. In het geval van weigering van internationale bescherming en indien de verzoeker om internationale bescherming zich in één van de gevallen vermeld in paragraaf 1, eerste lid, a) tot j) bevindt, kan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dit verzoek als kennelijk ongegrond beschouwen.]2

   [2 § 3.]2 [1 [2 De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen is bevoegd om de internationale bescherming te weigeren aan een onderdaan van een veilig land van herkomst of aan een staatloze die voorheen in dat land zijn gewone verblijfplaats had, wanneer de vreemdeling geen substantiële redenen heeft opgegeven om het land in zijn specifieke omstandigheden niet als een veilig land van herkomst te beschouwen ten aanzien van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt.]2
   Een land van herkomst wordt als veilig beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van het internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondetekend te Genève op 28 juli 1951, zoals bepaald in artikel 48/3 of dat er geen zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade, zoals bepaald in artikel 48/4. Hierbij dient onder meer rekening te worden gehouden met de mate waarin bescherming geboden wordt tegen vervolging of mishandeling door middel van :
   a) de wetten en voorschriften van het land en de wijze waarop deze in de praktijk worden toegepast;
   b) de naleving van de rechten en vrijheden neergelegd in het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten of het Verdrag tegen foltering, in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, § 2, van voornoemd Europees Verdrag zijn toegestaan;
   c) de naleving van het non-refoulement beginsel;
   d) het beschikbaar zijn van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schending van voornoemde rechten en vrijheden.
   De beoordeling of een land een veilig land van herkomst is dient te stoelen op een reeks informatiebronnen waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten van de Europese Unie, [2 het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken,]2 de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.
   Op gezamenlijk voorstel van de minister en de minister van Buitenlandse Zaken en nadat de minister het advies van de Commissaris-generaal voor Vluchtelingen en de Staatlozen heeft ingewonnen, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, ten minste eenmaal per jaar de lijst van veilige landen van herkomst. Deze lijst wordt meegedeeld aan de Europese Commissie.
  [2 ...]2]1
Art. 57/13. (Abrogé) <L 2006-09-15/71, art. 194, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  (NOTE : l'article 57/13, abrogé par la loi du 15 septembre 2006 est :
  1° à partir du 1er décembre 2006, rétabli dans sa rédaction existante à la veille de cette abrogation (L 2006-09-15/71 , art. 194);
  2° à la date visée à l'article 231 de la loi du 15 septembre 2006, rétabli dans sa rédaction telle que celle-ci résulte de cette abrogation. (L 2006-09-15/71)
  Voir L 2006-12-27/33, art. 142)
(NOTA : bij arrest nr. 23/2021 van 25-02-2021 (2021-02-25/20, B.St. 20-04-2021, p. 36679), heeft het Grondwettelijk Hof :
  - artikel 57/6/1, § 1, maar enkel in zoverre het van toepassing kan zijn op een niet-begeleide minderjarige vreemdeling in andere gevallen dan die welke worden beoogd in artikel 25, lid 6, a), van de richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 " betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) ";
   - artikel 57/6/1, § 1, eerste lid, f), maar alleen in zoverre het toelaat de versnelde procedure toe te passen in het geval de verzoeker een volgend verzoek om internationale bescherming heeft ingediend nadat ten aanzien van het eerste verzoek een beslissing tot beëindiging werd genomen met toepassing van artikel 57/6/5, § 1, 1°, 2°, 3°, 4° of 5°, van de voormelde wet van 15 december 1980 van dit artikel vernietigd)
  
-
Art. 57/6/2. [1 § 1. Na ontvangst van het volgend verzoek dat door de minister of diens gemachtigde werd overgezonden op grond van artikel 51/8, onderzoekt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen bij voorrang of er nieuwe elementen of feiten aan de orde zijn, of door de verzoeker zijn voorgelegd, die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 in aanmerking komt. Bij gebrek aan dergelijke elementen of feiten verklaart de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen het verzoek niet-ontvankelijk. In het andere geval, of indien de verzoeker voorheen enkel het voorwerp heeft uitgemaakt van een beslissing tot beëindiging bij toepassing van artikel 57/6/5, § 1, 1°, 2°, 3°, 4° of 5° verklaart de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen het verzoek ontvankelijk.
   Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek houdt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in voorkomend geval rekening met het feit dat de verzoeker zonder geldige uitleg heeft nagelaten, tijdens de vorige procedure, in het bijzonder bij het aanwenden van het in artikel 39/2 bedoelde rechtsmiddel, de elementen te doen gelden die de indiening van zijn volgend verzoek rechtvaardigen.
   § 2. Wanneer de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen overeenkomstig paragraaf 1 een niet-ontvankelijkheidsbeslissing neemt, brengt hij de minister of diens gemachtigde ervan op de hoogte of de terugdrijving of verwijdering al dan niet leidt tot een schending van het non-refoulementbeginsel in hoofde van de verzoeker op grond van het onderzoek in het licht van de artikelen 48/3 en 48/4.
   § 3. Wanneer, met toepassing van paragraaf 2, de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in het kader van het vorig verzoek heeft geoordeeld dat een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel niet leidt tot een schending van het non-refoulementbeginsel, kan een dergelijke maatregel enkel gedwongen worden uitgevoerd vanaf het doen van het verzoek en tijdens de in de eerste paragraaf bedoelde behandeling er van, ten aanzien van de verzoeker :
   - die een tweede volgend verzoek of meer doet, en
   - die zich voorafgaand aan het doen van zijn vorig verzoek en sedertdien, op onafgebroken wijze, bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 of 74/9.]1

  
Art. 57/6/4. [1 De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen is bevoegd om ten aanzien van de vreemdeling die tracht het Rijk binnen te komen zonder aan de in artikelen 2 en 3 gestelde voorwaarden, te voldoen en die aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, aldaar het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren op basis van artikel 57/6, § 3 of aldaar een beslissing te nemen over de grond van het verzoek in één van de situaties voorzien in artikel 57/6/1, § 1, eerste lid, a), b), c), d), e), f), g), i) of j).
   Indien het eerste lid niet kan worden toegepast, beslist de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dat een verder onderzoek noodzakelijk is, waarna de verzoeker door de minister of zijn gemachtigde toegelaten wordt het Rijk binnen te komen overeenkomstig artikel 74/5, § 4, 4°.
   Indien niet binnen de vier weken, na ontvangst van het verzoek om internationale bescherming dat door de minister of zijn gemachtigde werd overgezonden, door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een beslissing is genomen, wordt de verzoeker eveneens door de minister of zijn gemachtigde toegelaten het Rijk binnen te komen overeenkomstig artikel 74/5, § 4, 5°.]1
Art. 57/14bis. (Abrogé) <L 2006-09-15/71, art. 194, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  (NOTE : l'article 57/14bis, abrogé par la loi du 15 septembre 2006 est :
  1° à partir du 1er décembre 2006, rétabli dans sa rédaction existante à la veille de cette abrogation (L 2006-09-15/71 , art. 194);
  2° à la date visée à l'article 231 de la loi du 15 septembre 2006, rétabli dans sa rédaction telle que celle-ci résulte de cette abrogation. (L 2006-09-15/71)
  Voir L 2006-12-27/33, art. 142)
(NOTA : bij arrest nr. 23/2021 van 25-02-2021 (2021-02-25/20, B.St. 20-04-2021, p. 36679), heeft het Grondwettelijk Hof de woorden " ontvangst van " en " dat door de minister of zijn gemachtigde werd overgezonden " van het lid 3 van dit artikel vernietigd)
  
-
Art. 57/6/5. [1 § 1. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen neemt een beslissing tot beëindiging van de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, met name indien :
   1° de verzoeker zich niet aanmeldt op de in de oproeping vastgestelde datum en hiervoor binnen een door de Koning bepaalde redelijke termijn geen geldige reden opgeeft;
   2° de verzoeker geen gevolg geeft aan een verzoek om inlichtingen binnen de maand na de verzending van dit verzoek en hiervoor geen geldige reden opgeeft;
   3° de verzoeker nalaat de verderzetting van de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming te vragen overeenkomstig artikel 55;
   4° de verzoeker zich bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 of 74/9 bedoeld geval of indien hij het voorwerp uitmaakt van een veiligheidsmaatregel zoals bedoeld in artikel 68 en hij in de hiervoor vermelde gevallen de plaats waar hij werd vastgehouden of verbleef zonder toestemming heeft verlaten zonder binnen de vijftien dagen contact op te nemen met de minister of diens gemachtigde;
   5° de verzoeker zich gedurende minstens vijftien dagen zonder geldige reden heeft onttrokken aan de meldingsplicht waarvan de nadere regels in een koninklijk besluit worden bepaald;
   6° de verzoeker overleden is en in voorkomend geval de minderjarige vreemdeling bedoeld in artikel 57/1, § 1, eerste lid, geen verderzetting van de behandeling van het verzoek om internationale bescherming heeft gevraagd overeenkomstig de bepalingen bepaald bij koninklijk besluit;
   7° de verzoeker verklaart afstand te doen van zijn verzoek. In geval van twijfel omtrent het uitdrukkelijke karakter van de afstand, wordt de verzoeker opgeroepen teneinde de afstand te bevestigen;
   8° de verzoeker vrijwillig en definitief terugkeert naar zijn land van herkomst;
   9° de verzoeker de Belgische nationaliteit verwerft.
   § 2. Indien de verzoeker zich bevindt in één van de gevallen opgesomd in paragraaf 1, 1°, 2°, 3°, 4° of 5°, en het administratief dossier voldoende elementen bevat om tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek te komen, kan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen eveneens het verzoek weigeren met toepassing van artikel 57/6, § 1.]1

  
Art. 57/6/6. [1 § 1. Het verzoek om internationale bescherming kan op grond van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 2°, niet-ontvankelijk verklaard worden indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen van oordeel is dat, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de verzoeker om internationale bescherming in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld :
   1) het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en
   2) er bestaat geen risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 48/4, § 2, en
   3) het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève wordt nageleefd, en
   4) het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en
   5) de mogelijkheid bestaat om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Verdrag van Genève.
   § 2. Een derde land kan enkel als veilig derde land worden beschouwd indien de verzoeker een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan en er kan worden vermoed dat de verzoeker tot het grondgebied van het betrokken derde land zal worden toegelaten, tenzij hij elementen naar voor brengt waaruit duidelijk blijkt dat dit niet het geval zal zijn.
   Bij de beoordeling of er sprake is van een band als bedoeld in het eerste lid, worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder de aard, duur en de omstandigheden van het eerder verblijf kunnen begrepen worden.
   § 3. De beoordeling of een land een veilig derde land is, dient te stoelen op een reeks informatiebronnen waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten van de Europese Unie, het Europees Ondersteuningsbureau voor Asielzaken, het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.
   § 4. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen beoordeelt of het betrokken derde land veilig is voor een bepaalde verzoeker.
   § 5. Bij de uitvoering van een uitsluitend op artikel 57/6, § 3, eerste lid, 2°, gebaseerde beslissing, wordt aan de vreemdeling door de minister of zijn gemachtigde een document verschaft waarin de autoriteiten van het derde land in de taal van dat land ervan in kennis gesteld worden dat het verzoek om internationale bescherming niet inhoudelijk is onderzocht.]1

  
Art. 57/16. (Abrogé) <L 2006-09-15/71, art. 194, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  (NOTE : l'article 57/16, alinéas 3 et 5, abrogés par la loi du 15 septembre 2006 est :
  1° à partir du 1er décembre 2006, rétabli dans sa rédaction existante à la veille de cette abrogation (L 2006-09-15/71 , art. 194);
  2° à la date visée à l'article 231 de la loi du 15 septembre 2006, rétabli dans sa rédaction telle que celle-ci résulte de cette abrogation. (L 2006-09-15/71)
  Voir L 2006-12-27/33, art. 142)
Art. 57/6/7. [1 § 1. Als er nieuwe elementen of feiten aan de orde zijn waaruit blijkt dat er redenen zijn om de geldigheid van de internationale beschermingsstatus te heronderzoeken, onderzoekt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de internationale bescherming van een persoon kan worden ingetrokken of opgeheven.
   § 2. De Commissaris-generaal geeft aan de betrokkene de mogelijkheid, tijdens een persoonlijk onderhoud de redenen voor te leggen waarom zijn vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus dient te worden behouden.
   In afwijking van het eerste lid, als de Commissaris-generaal de mogelijkheid onderzoekt van de opheffing van een internationale beschermingsstatus, krijgt de betrokkene de mogelijkheid, tijdens een persoonlijk onderhoud de redenen voor te leggen waarom zijn internationale beschermingsstatus dient te worden behouden, of de mogelijkheid, schriftelijk de redenen mee te delen waarom zijn status dient te worden behouden.
   Er wordt op dezelfde manier afgeweken van het eerste lid wanneer de Commissaris-generaal de mogelijkheid onderzoekt van de intrekking van de vluchtelingenstatus overeenkomstig artikel 55/3/1, § 1, of wanneer hij de mogelijkheid onderzoekt van de intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus ten aanzien van de vreemdeling die met toepassing van artikel 55/4, § 2, uitgesloten wordt of had moeten zijn.
   De oproeping voor een persoonlijk onderhoud of de brief die de betrokkene informeert over het heronderzoek van de geldigheid van zijn status en hem de mogelijkheid biedt, schriftelijk de redenen mee te delen waarom de status dient te worden behouden, informeert de betrokkene over de redenen voor het heronderzoek van de geldigheid van zijn status.
   § 3. De oproeping voor een persoonlijk onderhoud of de brief die de betrokkene de mogelijkheid biedt schriftelijk de redenen mee te delen waarom de status dient te worden behouden, wordt bij een aangetekende zending of per bode tegen ontvangstbewijs verstuurd naar het laatst vermelde adres in het Rijksregister. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen stuurt een kopie van deze oproeping of deze brief per gewone post naar de effectieve woonplaats van de betrokkene, indien hij daarover is ingelicht en deze van latere datum is dan het adres vermeld in het Rijksregister.
   Tijdens het persoonlijk onderhoud kiest de betrokkene woonplaats voor de heronderzoeksprocedure. Als geen persoonlijk onderhoud wordt overwogen, krijgt de betrokkene de mogelijkheid woonplaats te kiezen voor de heronderzoeksprocedure en tegelijk de mogelijkheid, schriftelijk de redenen mee te delen waarom zijn status dient te worden behouden.
   Elke wijziging van de gekozen woonplaats wordt bij een aangetekende zending meegedeeld aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.
   Onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf, kunnen de oproepingen en de brieven door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of zijn gemachtigde worden verstuurd naar de in het kader van de heronderzoeksprocedure gekozen woonplaats bij een aangetekende zending of per bode tegen ontvangstbewijs. Wanneer de betrokkene woonplaats gekozen heeft bij zijn raadsman, kunnen de oproepingen en brieven ook geldig worden verstuurd per gewone post, per faxpost of via elke andere bij een koninklijk besluit toegelaten betekeningswijze.
   Bij ontstentenis van gekozen woonplaats in het kader van de heronderzoeksprocedure en onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf, worden de oproepingen en de brieven verstuurd naar het laatst vermelde adres in het Rijksregister bij een aangetekende zending of per bode tegen ontvangstbewijs. In voorkomend geval wordt de kopie van deze oproepingen en van deze brieven ook per gewone post gezonden naar de effectieve woonplaats van de betrokkene, indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen daarover is ingelicht en deze van latere datum is dan het adres vermeld in het Rijksregister.
   § 4. De omstandigheden waarin het persoonlijk onderhoud plaatsvindt, worden bepaald door de Koning.
   Indien de betrokkene zich niet aanmeldt op de voor het persoonlijk onderhoud vastgelegde datum, zendt hij binnen de vijftien dagen na de vastgestelde datum van het persoonlijk onderhoud schriftelijk een geldige reden voor zijn afwezigheid over aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.
   Als de betrokkene geen geldige reden voorlegt binnen de vijftien dagen na de in de oproeping vastgestelde datum, kan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een beslissing nemen op grond van de elementen van het dossier.
   Als hij de reden geldig acht, kan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de betrokkene op een latere datum opnieuw oproepen of hem de kans geven schriftelijk de redenen mee te delen waarom zijn status dient te worden behouden.
   Indien de betrokkene, na opnieuw te zijn opgeroepen overeenkomstig het vorige lid, een nieuwe reden aanhaalt die zijn afwezigheid op het vastgelegde persoonlijk onderhoud rechtvaardigt, beslist de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op grond van de elementen in zijn bezit.
   § 5. Als er aan de betrokkene wordt gevraagd schriftelijk de redenen mee te delen waarom zijn status dient te worden behouden, moet het antwoord de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen bereiken binnen de door de Koning bepaalde termijn. Bij gebrek aan antwoord kan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen beslissen op grond van de elementen in zijn bezit.
   § 6. Onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf, wordt de beslissing tot opheffing of intrekking van de internationale beschermingsstatus per aangetekende zending of per bode tegen ontvangstbewijs verstuurd. Onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf, wordt de brief die informeert dat er niet wordt overgegaan tot de intrekking of opheffing van de internationale beschermingsstatus per gewone post verstuurd. De beslissing tot opheffing of intrekking van de internationale beschermingsstatus, of de brief die informeert dat er niet wordt overgegaan tot de intrekking of opheffing van de internationale beschermingsstatus, wordt verstuurd naar de woonplaats die werd gekozen in het kader van de heronderzoeksprocedure.
   Als geen woonplaats werd gekozen in het kader van de heronderzoeksprocedure en onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf, wordt deze beslissing bij een aangetekende zending of per bode tegen ontvangstbewijs, of deze brief per gewone post, verstuurd naar het laatst vermelde adres in het Rijksregister. Een kopie van elke verzending wordt per gewone post verstuurd naar de effectieve woonplaats van de betrokkene, indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen daarover is ingelicht en deze van latere datum is dan het adres vermeld in het Rijksregister.]1

  
Art. 57/6/7. [1 § 1. Als er nieuwe elementen of feiten aan de orde zijn waaruit blijkt dat er redenen zijn om de geldigheid van de internationale beschermingsstatus te heronderzoeken, onderzoekt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de internationale bescherming van een persoon kan worden ingetrokken of opgeheven.
   § 2. De Commissaris-generaal geeft aan de betrokkene de mogelijkheid, tijdens een persoonlijk onderhoud de redenen voor te leggen waarom zijn vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus dient te worden behouden.
   In afwijking van het eerste lid, als de Commissaris-generaal de mogelijkheid onderzoekt van de opheffing van een internationale beschermingsstatus, krijgt de betrokkene de mogelijkheid, tijdens een persoonlijk onderhoud de redenen voor te leggen waarom zijn internationale beschermingsstatus dient te worden behouden, of de mogelijkheid, schriftelijk de redenen mee te delen waarom zijn status dient te worden behouden.
   Er wordt op dezelfde manier afgeweken van het eerste lid wanneer de Commissaris-generaal de mogelijkheid onderzoekt van de intrekking van de vluchtelingenstatus overeenkomstig artikel 55/3/1, § 1, of wanneer hij de mogelijkheid onderzoekt van de intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus ten aanzien van de vreemdeling die met toepassing van artikel 55/4, § 2, uitgesloten wordt of had moeten zijn.
   De oproeping voor een persoonlijk onderhoud of de brief die de betrokkene informeert over het heronderzoek van de geldigheid van zijn status en hem de mogelijkheid biedt, schriftelijk de redenen mee te delen waarom de status dient te worden behouden, informeert de betrokkene over de redenen voor het heronderzoek van de geldigheid van zijn status.
   § 3. De oproeping voor een persoonlijk onderhoud of de brief die de betrokkene de mogelijkheid biedt schriftelijk de redenen mee te delen waarom de status dient te worden behouden, wordt bij een aangetekende zending of per bode tegen ontvangstbewijs verstuurd naar het laatst vermelde adres in het Rijksregister. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen stuurt een kopie van deze oproeping of deze brief per gewone post naar de effectieve woonplaats van de betrokkene, indien hij daarover is ingelicht en deze van latere datum is dan het adres vermeld in het Rijksregister.
   Tijdens het persoonlijk onderhoud kiest de betrokkene woonplaats voor de heronderzoeksprocedure. Als geen persoonlijk onderhoud wordt overwogen, krijgt de betrokkene de mogelijkheid woonplaats te kiezen voor de heronderzoeksprocedure en tegelijk de mogelijkheid, schriftelijk de redenen mee te delen waarom zijn status dient te worden behouden.
   Elke wijziging van de gekozen woonplaats wordt bij een aangetekende zending meegedeeld aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.
   Onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf, kunnen de oproepingen en de brieven door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of zijn gemachtigde worden verstuurd naar de in het kader van de heronderzoeksprocedure gekozen woonplaats bij een aangetekende zending of per bode tegen ontvangstbewijs. Wanneer de betrokkene woonplaats gekozen heeft bij zijn raadsman, kunnen de oproepingen en brieven ook geldig worden verstuurd per gewone post, per faxpost of via elke andere bij een koninklijk besluit toegelaten betekeningswijze.
   Bij ontstentenis van gekozen woonplaats in het kader van de heronderzoeksprocedure en onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf, worden de oproepingen en de brieven verstuurd naar het laatst vermelde adres in het Rijksregister bij een aangetekende zending of per bode tegen ontvangstbewijs. In voorkomend geval wordt de kopie van deze oproepingen en van deze brieven ook per gewone post gezonden naar de effectieve woonplaats van de betrokkene, indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen daarover is ingelicht en deze van latere datum is dan het adres vermeld in het Rijksregister.
   § 4. De omstandigheden waarin het persoonlijk onderhoud plaatsvindt, worden bepaald door de Koning.
   Indien de betrokkene zich niet aanmeldt op de voor het persoonlijk onderhoud vastgelegde datum, zendt hij binnen de vijftien dagen na de vastgestelde datum van het persoonlijk onderhoud schriftelijk een geldige reden voor zijn afwezigheid over aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.
   Als de betrokkene geen geldige reden voorlegt binnen de vijftien dagen na de in de oproeping vastgestelde datum, kan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een beslissing nemen op grond van de elementen van het dossier.
   Als hij de reden geldig acht, kan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de betrokkene op een latere datum opnieuw oproepen of hem de kans geven schriftelijk de redenen mee te delen waarom zijn status dient te worden behouden.
   Indien de betrokkene, na opnieuw te zijn opgeroepen overeenkomstig het vorige lid, een nieuwe reden aanhaalt die zijn afwezigheid op het vastgelegde persoonlijk onderhoud rechtvaardigt, beslist de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op grond van de elementen in zijn bezit.
   § 5. Als er aan de betrokkene wordt gevraagd schriftelijk de redenen mee te delen waarom zijn status dient te worden behouden, moet het antwoord de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen bereiken binnen de door de Koning bepaalde termijn. Bij gebrek aan antwoord kan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen beslissen op grond van de elementen in zijn bezit.
   § 6. Onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf, wordt de beslissing tot opheffing of intrekking van de internationale beschermingsstatus per aangetekende zending of per bode tegen ontvangstbewijs verstuurd. Onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf, wordt de brief die informeert dat er niet wordt overgegaan tot de intrekking of opheffing van de internationale beschermingsstatus per gewone post verstuurd. De beslissing tot opheffing of intrekking van de internationale beschermingsstatus, of de brief die informeert dat er niet wordt overgegaan tot de intrekking of opheffing van de internationale beschermingsstatus, wordt verstuurd naar de woonplaats die werd gekozen in het kader van de heronderzoeksprocedure.
   Als geen woonplaats werd gekozen in het kader van de heronderzoeksprocedure en onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf, wordt deze beslissing bij een aangetekende zending of per bode tegen ontvangstbewijs, of deze brief per gewone post, verstuurd naar het laatst vermelde adres in het Rijksregister. Een kopie van elke verzending wordt per gewone post verstuurd naar de effectieve woonplaats van de betrokkene, indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen daarover is ingelicht en deze van latere datum is dan het adres vermeld in het Rijksregister.]1

  
Art. 57/7. <W 14-07-1987, art. 9> [1 § 1.]1 [1 De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen]1 kan zich wenden tot de vertegenwoordiger in België van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen teneinde alle nuttige inlichtingen voor het vervullen van zijn opdracht in te winnen.
  [1 Hij]1 is gerechtigd om alle bescheiden en inlichtingen die voor de uitoefening van zijn opdracht nuttig zijn, door elke Belgische overheid te doen overleggen.
  [1 § 2. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan informatie van alle aard die via elektronische weg is verstuurd of ontvangen door de verzoeker om internationale bescherming en die niet persoonlijk voor de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen is bestemd, maar die publiek toegankelijk is, raadplegen en gebruiken voor de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming.
   § 3. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan zich in zijn beslissing baseren op informatie verkregen van een gecontacteerde persoon of instelling, waarvan de naam, de contactgegevens, de activiteiten of de functie, op hun verzoek, vertrouwelijk worden gehouden.
   In dat geval word(t)(en) de reden(en) waarom deze elementen worden vertrouwelijk gehouden, toegelicht in het administratieve dossier, evenals de reden(en) die toela(a)t(en) om de betrouwbaarheid van deze bron(nen) te veronderstellen.]1
(NOTA : bij arrest nr. 23/2021 van 25-02-2021 (2021-02-25/20, B.St. 20-04-2021, p. 36679), heeft het Grondwettelijk Hof § 3 van dit artikel vernietigd, in zoverre het de mogelijkheid voor de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen om bepaalde elementen vertrouwelijk te houden niet beperkt tot de gevallen waarin " de openbaarmaking van informatie of bronnen de nationale veiligheid, de veiligheid van de organisaties of personen die de informatie hebben verstrekt dan wel de veiligheid van de perso(o)n(en) op wie de informatie betrekking heeft, in gevaar zou brengen, of wanneer het belang van het onderzoek in verband met de behandeling van verzoeken om internationale bescherming door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of de internationale betrekkingen van de lidstaten zouden worden geschaad)
  
-
Art. 57/8. <W 14-07-1987, art. 9> (Onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf, kunnen de oproepingen en de aanvragen om inlichtingen door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of zijn gemachtigde worden verstuurd naar de in artikel 51/2 bedoelde gekozen woonplaats bij een ter post aangetekende zending of per bode tegen ontvangstbewijs. Wanneer de vreemdeling woonplaats gekozen heeft bij zijn raadsman, kunnen de oproepingen en aanvragen om inlichtingen ook geldig worden verstuurd per faxpost [1 of via elke andere bij een koninklijk besluit toegelaten betekeningswijze]1.) <W 2006-09-15/72, art. 59, 1°, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (De beslissingen worden ter kennis gebracht van (de Minister), of aan diens gemachtigde, die bij een ter post aangetekende brief of per bode tegen ontvangbewijs of per faxpost [1 of via elke andere bij een koninklijk besluit toegelaten betekeningswijze]1 een afschrift ervan ontvangt. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  (De beslissingen worden door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid ter kennis gebracht van de belanghebbende.) <W 2006-09-15/72, art. 59, 2°, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (Vierde lid opgeheven)) <W 1993-05-06/30, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 31-05-1993> <W 2006-09-15/72, art. 59, 3°, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  
Art. 57/8. <W 14-07-1987, art. 9> (Onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf, kunnen de oproepingen en de aanvragen om inlichtingen door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of zijn gemachtigde worden verstuurd naar de in artikel 51/2 bedoelde gekozen woonplaats bij een ter post aangetekende zending of per bode tegen ontvangstbewijs. Wanneer de vreemdeling woonplaats gekozen heeft bij zijn raadsman, kunnen de oproepingen en aanvragen om inlichtingen ook geldig worden verstuurd per faxpost [1 of via elke andere bij een koninklijk besluit toegelaten betekeningswijze]1.) <W 2006-09-15/72, art. 59, 1°, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (De beslissingen worden ter kennis gebracht van (de Minister), of aan diens gemachtigde, die bij een ter post aangetekende brief of per bode tegen ontvangbewijs of per faxpost [1 of via elke andere bij een koninklijk besluit toegelaten betekeningswijze]1 een afschrift ervan ontvangt. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  (De beslissingen worden door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid ter kennis gebracht van de belanghebbende.) <W 2006-09-15/72, art. 59, 2°, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (Vierde lid opgeheven)) <W 1993-05-06/30, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 31-05-1993> <W 2006-09-15/72, art. 59, 3°, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  
Art. 57/9. [1 Voor de bevoegdheden omschreven in de artikelen [2 52/4, 57/6, § 1, eerste lid, 1° tot 7° en 9° tot 14°, 57/6, §§ 2 en 3, 57/6/1, §§ 1 en 2, eerste lid, 57/6/2, 57/6/4, 57/6/5 en 57/6/7, § 5, kunnen de beslissingen en de adviezen]2 worden genomen door de Commissaris-generaal of bij delegatie door zijn adjuncten of bij delegatie door de personeelsleden van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen die minimaal tot de A3-klasse behoren of door de Commissaris-generaal zijn aangesteld om tijdelijk een functie van niveau A3 waar te nemen, en dit onder het gezag en de leiding van de Commissaris-generaal. In dat geval ondertekenen de adjuncten en de hiervoor bedoelde personeelsleden met de formule "Bij delegatie".
   [2 De bij de artikelen 57/6, § 1, eerste lid, 8° en 57/8/1, eerste lid, omschreven bevoegdheden worden uitgeoefend door de Commissaris-generaal of zijn gemachtigde, en voor wat betreft deze laatste onder het gezag en de leiding van de Commissaris-generaal.]2]1

  
Art. 57/9.[1 Voor de bevoegdheden omschreven in de artikelen [2 52/4, 57/6, § 1, eerste lid, 1° tot 7° en 9° tot 14°, 57/6, §§ 2 en 3, 57/6/1, §§ 1 en 2, eerste lid, 57/6/2, 57/6/4, 57/6/5 en 57/6/7, § 5, kunnen de beslissingen en de adviezen]2 worden genomen door de Commissaris-generaal of bij delegatie door zijn adjuncten of bij delegatie door de personeelsleden van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen die minimaal tot de A3-klasse behoren of door de Commissaris-generaal zijn aangesteld om tijdelijk een functie van niveau A3 waar te nemen, en dit onder het gezag en de leiding van de Commissaris-generaal. In dat geval ondertekenen de adjuncten en de hiervoor bedoelde personeelsleden met de formule "Bij delegatie".
SECTION IIIBIS. - DU HAUT COMMISSARIAT DES NATIONS UNIES POUR LES REFUGIES.
Art. 57/23bis. Le représentant en Belgique du Haut Commissaire des Nations Unies pour les Réfugiés, ou son délégué, (à condition que le demandeur d'asile soit d'accord) peut consulter toutes les pièces, y compris les pièces confidentielles, figurant dans les dossiers de demande de reconnaissance de la qualité de réfugié pendant tout de déroulement de la procédure, à l'exception de la procédure devant le Conseil d'Etat. <L 2006-09-15/71, art. 195, 1°, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  (Il peut donner un avis, écrit ou oral, au Ministre pour autant que cet avis concerne la compétence de déterminer quel Etat est responsable du traitement de [1 la demande de protection internationale]1 et au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, de sa propre initiative ou à sa demande. Il peut également, de sa propre initiative, donner un avis écrit au Conseil du Contentieux des étrangers.) <L 2006-09-15/71, art. 195, 2°, 040; En vigueur : 01-12-2006> <L 2006-12-27/33, art. 143, 1°, 043; En vigueur : 01-12-2006>
  Lorsque (le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides) s'écarte d'un avis qui lui a été donné en vertu du deuxième alinéa, elle doit en mentionner explicitement les motifs dans sa décision. <L 2006-09-15/71, art. 195, 2°, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  
Art. 57/11. (Opgeheven)
SECTION IV. - DISPOSITIONS COMPLEMENTAIRES.
AFDELING III. - DE VASTE BEROEPSCOMMISSIE VOOR VLUCHTELINGEN.
Art. 57/24. La procédure devant le Commissariat général aux réfugies et aux apatrides (...) (ainsi que son fonctionnement) sont déterminés par le Roi, dans le respect des règles établies par la présente loi.
Art. 57/25. <L 14-07-1987, art. 11> Le (Ministre) met à la disposition du commissariat général aux réfugiés et aux apatrides (...) le personnel et les moyens nécessaires à l'accomplissement (de sa mission). <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996> <L 2006-09-15/71, art. 197, 1°, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  Le cadre définitif et de cadre temporaire du Commissariat général aux réfugies et aux apatrides, incorporés à l'administration centrale du (Ministère (de l'Intérieur ...)), sont déterminés par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. <AR 1993-12-31/30, art. 2, 008; En vigueur : 01-01-1994> <L 1996-07-15/33, art. 45, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  (Alinéa 3 abrogé) <L 2006-09-15/71, art. 197, 2°, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  (NOTE : l'article 57/25 modifié par la loi du 15 septembre 2006 est :
  1° à partir du 1er décembre 2006, rétabli dans sa rédaction existante à la veille de cette modification (L 2006-09-15/71 , art. 197);
  2° à la date visée à l'article 231 de la loi du 15 septembre 2006, rétabli dans sa rédaction telle que celle-ci résulte de cette modification. (L 2006-09-15/71)
  Voir L 2006-12-27/33, art. 144)
Art. 57/26. <L 1993-05-06/30, art. 23, 005; En vigueur : 31-05-1993> § 1. Le Roi fixe le statut administratif et pécuniaire du Commissaire général (et de ses adjoints). <L 2006-09-15/71, art. 198, 1°, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  § 2. (...) <L 2006-09-15/71, art. 198, 2°, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  § 3. Les membres du personnel vises au paragraphe 1er sont soumis, pendant la durée de leur mandat, à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs. L'application de la loi est toutefois limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, au régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés et au régime de l'emploi et du chômage des travailleurs salariés.
  § 4. (...) <L 2006-09-15/71, art. 198, 2°, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  § 5. (...) <L 2006-09-15/71, art. 198, 2°, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  (NOTE : l'article 57/26 modifié par la loi du 15 septembre 2006 est :
  1° à partir du 1er décembre 2006, rétabli dans sa rédaction existante à la veille de cette modification (L 2006-09-15/71 , art. 198);
  2° à la date visée à l'article 231 de la loi du 15 septembre 2006, rétabli dans sa rédaction telle que celle-ci résulte de cette modification. (L 2006-09-15/71)
  Voir L 2006-12-27/33, art. 144)
Art. 57/27. <L 14-07-1987, art. 11> L'article 458 du Code pénal est applicable au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides (et à ses adjoints), en ce qui concerne les renseignements dont ils ont connaissance dans l'exercice de leurs fonctions. <L 2006-09-15/71, art. 199, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  (NOTE : l'article 57/27 modifié par la loi du 15 septembre 2006 est :
  1° à partir du 1er décembre 2006, rétabli dans sa rédaction existante à la veille de cette modification (L 2006-09-15/71 , art. 199);
  2° à la date visée à l'article 231 de la loi du 15 septembre 2006, rétabli dans sa rédaction telle que celle-ci résulte de cette modification. (L 2006-09-15/71)
  Voir L 2006-12-27/33, art. 144)
  [1 L'alinéa 1er n'est pas d'application lorsqu'il concerne des renseignements :
   1) qui sont portés à la connaissance des services de renseignement et de sécurité et qui sont utiles à l'exécution de leurs missions telles que déterminées dans la loi du 30 novembre 1998 organique des services de renseignement et de sécurité; ou
   2) qui sont demandés par les services de police, par le procureur du Roi, le procureur fédéral ou le juge d'instruction dans le cadre d'une enquête de police ou judiciaire; ou
   3) relatifs à des indices d'infractions qui sont portés à la connaissance du procureur du Roi conformément à l'article 29 du Code d'instruction criminelle; ou
   4) qui, sur demande expresse, sont portés à la connaissance de juridictions européennes ou internationales conformément à la réglementation les concernant; ou
   5) concernant des données relatives à l'identité qui sont portées à la connaissance de l'Office des étrangers;
  [2 6) concernant des données qui sont portées à la connaissance de l'Office des étrangers dans le cadre de l'avis relatif à la demande d'admission au séjour pour apatridie visée à l'article 57/41, § 1er.]2
   Les autorités visées à l'alinéa 2 ne divulguent pas aux prétendus acteurs de persécutions ou d'atteintes graves à l'encontre du demandeur d'asile les informations concernant la demande d'asile, ni le fait qu'une demande d'asile a été introduite.
   Ils ne cherchent pas à obtenir des prétendus acteurs de persécutions ou d'atteintes graves à l'encontre du demandeur d'asile des informations d'une manière telle que ces acteurs soient informés qu'une demande d'asile a été introduite par le demandeur en question, et que l'intégrité physique de ce dernier et des personnes à sa charge, ou la liberté et la sécurité des membres de sa famille qui séjournent encore dans son pays d'origine, soient compromises.]1

  
Art. 57/28. <L 14-07-1987, art. 11> Chaque année, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides fait rapport au (Ministre) sur sa mission. Une copie de ce rapport avec les observations éventuelles du (Ministre) est transmise à la Chambre des Représentants et au Sénat par le (Ministre). <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
Art. 57/16. (Opgeheven)
CHAPITRE IIbis- Bénéficiaires de la protection temporaire, sur la base de la directive 2001/55/CE du Conseil de l'Union européenne du 20 juillet 2001 relative à des normes minimales pour l'octroi d'une protection temporaire en cas d'afflux massif de personnes déplacées et à des mesures tendant à assurer un équilibre entre les efforts consentis par les Etats membres pour accueillir ces personnes et supporter les conséquences de cet accueil.
Art. 57/29. § 1. En cas d'afflux massif ou d'afflux massif imminent de personnes déplacées vers les Etats membres de l'Union européenne, constaté par une décision du Conseil de l'Union européenne prise en application de la directive 2001/55/CE du Conseil de l'Union européenne du 20 juillet 2001, relative à des normes minimales pour l'octroi d'une protection temporaire en cas d'afflux massif de personnes déplacées et à des mesures tendant à assurer un équilibre entre les efforts consentis par les Etats membres pour accueillir ces personnes et supporter les conséquences de cet accueil, les personnes qui appartiennent aux groupes spécifiques décrits par cette décision bénéficient, à partir de la date fixée par celle-ci, d'une protection temporaire.
  § 2. Sous réserve de l'application de l'article 57/32 et à moins qu'une décision du Conseil de l'Union européenne adoptée conformément à la directive 2001/55/CE du Conseil de l'Union européenne du 20 juillet 2001 visée au § 1, ne mette fin à la protection temporaire antérieurement, celle-ci est accordée aux personnes visées pour une période d'un an à partir de la date de mise en oeuvre de la protection temporaire et est prorogée automatiquement, par période de six mois, pour un seconde période d'un an.
   Cette période totale de deux ans peut être prorogée par une nouvelle décision du Conseil de l'Union européenne adoptée conformément à la directive 2001/55/CE du Conseil de l'Union européenne du 20 juillet 2001 visée au § 1, pour une nouvelle période d'un an au maximum.
Art. 57/30. § 1. Sous réserve de l'application du § 2 ou de l'article 57/32, le ministre ou son délégué autorise le bénéficiaire de la protection temporaire visé à l'article 57/29 au séjour pour une durée d'un an. Cette autorisation est renouvelée, par périodes de six mois, tant qu'il n'est pas mis fin à la protection temporaire dans un des cas prévus à l'article 57/36, § 1. La durée de l'autorisation peut toutefois être réduite à la durée restant à courir avant la fin automatique de la protection temporaire mise en oeuvre par la décision du Conseil de l'Union européenne visée à l'article 57/29, § 1, ou prorogée par la décision du Conseil de l'Union européenne visée à l'article 57/29, § 2, alinéa 2.
  Le Roi détermine les modalités d'introduction de la demande de cette autorisation de séjour, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
  Lors de la demande d'autorisation de séjour, il est remis au bénéficiaire de la protection temporaire un document, rédigé dans une langue qu'il comprend, dans lequel les dispositions relatives à la protection temporaire qui lui sont applicables sont clairement exposées.
  L'inscription au registre des étrangers du bénéficiaire de la protection temporaire autorisé au séjour et la délivrance du titre de séjour faisant foi de celle-ci ont lieu conformément aux dispositions de l'article 12.
  Le titre de séjour délivré est valable jusqu'au terme de validité de l'autorisation. Il est prorogé ou renouvelé, à la demande de l'intéressé, par l'administration communale du lieu de résidence, à condition que cette demande ait été introduite avant l'expiration du titre et pour autant que le ministre ou son délégué n'ait pas mis fin à l'autorisation sur la base de l'article 57/32, § 1, ou de l'article 57/36, § 2.
  Le Roi détermine les délais et les conditions dans lesquels le renouvellement ou la prorogation du titre de séjour doit être demandé.
  § 2. Le ministre ou son délégué peut refuser l'autorisation de séjour au bénéficiaire de la protection temporaire visée à l'article 57/29 :
  1° lorsque la demande d'autorisation de séjour est introduite à l'étranger et que le nombre de personnes bénéficiant de la protection temporaire dans le Royaume excède la capacité d'accueil de la Belgique indiquée dans la décision du Conseil de l'Union européenne visée à l'article 57/29, § 1;
  2° lorsque celui-ci est autorisé à séjourner dans un autre Etat membre de l'Union européenne tenu d'appliquer la décision du Conseil de l'Union européenne visée à l'article 57/29, § 1, sans préjudice des dispositions de l'article 57/35.
  L'alinéa 1, 1°, n'est pas applicable aux étrangers bénéficiant des dispositions de l'article 57/34.
  En cas de refus de l'autorisation de séjour sur la base de l'alinéa 1, 1°, le ministre ou son délégué veille à ce que le bénéficiaire de la protection temporaire soit accueilli dans les meilleurs délais dans un autre Etat membre de l'Union européenne tenu d'appliquer la décision du Conseil de l'Union européenne visée à l'article 57/29, § 1.
Art. 57/31. L'étranger bénéficiaire de la protection temporaire en vertu de l'article 57/29 peut être soumis à la prise des empreintes digitales.
  Les empreintes digitales sont prises à l'initiative du ministre ou de son délégué et ne peuvent être utilisées que dans la mesure où elles sont nécessaires pour établir l'identité de l'étranger.
  Les paragraphes 4 et 5 de l'article 51/3 sont applicables aux empreintes digitales des bénéficiaires de la protection temporaire en vertu de l'article 57/29.
Art. 57/32. § 1. Le ministre ou son délégué peut exclure du bénéfice de la protection temporaire et, selon le cas, refuser l'accès au territoire du Royaume ou décider que l'étranger invoquant le bénéfice de cette protection ne peut pas ou ne peut plus y séjourner en cette qualité, dans un des cas suivants :
  1° s'il existe de sérieuses raisons de penser que cet étranger a commis un crime contre la paix, un crime de guerre ou un crime contre l'humanité, au sens des conventions internationales liant la Belgique;
  2° s'il existe de sérieuses raisons de penser que cet étranger a commis un crime grave de droit commun en dehors du territoire belge avant d'y être admis en tant que bénéficiaire de la protection temporaire.
  La gravité de la persécution à laquelle il faut s'attendre doit être considérée par rapport à la nature du crime dont l'intéressé est soupçonné. Les actions particulièrement cruelles, même si elles sont commises avec un objectif prétendument politique, peuvent recevoir la qualification de crimes graves de droit commun. Cela vaut pour les participants au crime comme pour les instigateurs de celui-ci;
  3° s'il existe de sérieuses raisons de penser que cet étranger s'est rendu coupable d'agissements contraires aux buts et aux principes des Nations unies;
  4° s'il existe des motifs raisonnables de penser que cet étranger représente un danger pour la sécurité nationale ou que la condamnation définitive pour un crime ou un délit particulièrement grave lui fait constituer une menace pour l'ordre public.
  La décision d'exclusion est fondée exclusivement sur le comportement personnel de l'étranger et respecte le principe de proportionnalité.
  § 2. Dans des circonstances graves, s'il l'estime nécessaire à la sauvegarde de l'ordre public ou de la sécurité nationale, le ministre peut enjoindre à l'intéressé de résider en un lieu déterminé.
  Dans des circonstances exceptionnellement graves, le ministre peut mettre l'intéressé à titre provisoire à la disposition du Gouvernement, s'il l'estime nécessaire à la sauvegarde de l'ordre public ou de la sécurité nationale.
Art. 57/33. Sous réserve d'un accord bilatéral liant la Belgique, lorsque l'étranger autorisé au séjour dans le Royaume en tant que bénéficiaire de la protection temporaire sur la base de l'article 57/30 tente de pénétrer ou se trouve irrégulièrement dans un autre Etat membre de l'Union européenne tenu d'appliquer la décision du Conseil de l'Union européenne visée à l'article 57/29, § 1, le ministre ou son délégué est tenu de le reprendre en charge, même si la durée de validité du titre de séjour de l'intéressé est expirée.
  L'étranger doit, lors de son entrée dans le Royaume ou dans les huit jours ouvrables qui suivent celle-ci, se présenter auprès du ministre ou de son délégué, qui lui en donne acte par écrit.
Art. 57/34. [1 § 1er. Dans les cas où un afflux massif ou un afflux massif imminent de personnes déplacées visées à l'article 57/29, § 1er, implique des circonstances qui ont conduit à la séparation de familles déjà formées dans le pays d'origine, les membres de la famille visés aux paragraphes 2 et 3, qui ne sont pas encore sur le territoire de l'Union européenne et qui ont besoin d'une protection au sens de l'article 57/29, § 1er, peuvent demander une autorisation de séjour de plus de trois mois afin d'être réunis avec l'étranger qui, conformément à l'article 57/30, a été autorisé à séjourner dans le Royaume en tant que bénéficiaire du statut de protection temporaire.
   § 2. [2 Le ministre ou son délégué accorde une autorisation de séjour de plus de trois mois aux membres de la famille suivants de l'étranger qui, conformément à l'article 57/30, a été autorisé à séjourner dans le Royaume en tant que bénéficiaire du statut de protection temporaire, et qui demandent à y séjourner, pour autant que la famille était déjà constituée au moment des circonstances visées à l'article 57/29, § 1er, et que ces circonstances ont entraîné la séparation de la famille:
   1° le conjoint, qui vient vivre avec lui, pour autant que tous deux soient âgés de plus de vingt-et-un ans;
   2° l'étranger lié au bénéficiaire au moyen d'un partenariat enregistré conformément à une loi, qui vient vivre avec lui, pour autant que tous deux soient âgés de plus de vingt-et-un ans;
   3° les enfants mineurs non mariés du bénéficiaire, de son conjoint ou de son partenaire enregistré visé au 2°, qui viennent vivre avec eux avant d'avoir atteint l'âge de dix-huit ans et pour autant que le bénéficiaire rejoint, son conjoint ou partenaire enregistré, exerce l'autorité parentale, y compris le droit de garde. Si l'autorité parentale est partagée, l'autre titulaire de l'autorité parentale doit avoir donné son accord;
   4° les parents du bénéficiaire mineur non marié, pour autant qu'ils viennent vivre avec lui avant qu'il ait atteint l'âge de dix-huit ans.
   Les partenaires enregistrés, visés à l'alinéa 1er, 2°, doivent répondre aux conditions suivantes:
   1° prouver qu'ils entretiennent une relation de partenariat durable et stable dûment établie. Le caractère durable et stable de cette relation est établi:
   a) si les partenaires prouvent qu'ils ont cohabité de manière légale et ininterrompue pendant au moins un an avant la demande;
   b) ou si les partenaires prouvent qu'ils se connaissent depuis au moins deux ans précédant la demande et qu'ils fournissent la preuve qu'ils ont entretenu des contacts réguliers par téléphone, par courrier ordinaire ou électronique, et qu'ils se sont rencontrés trois fois durant les deux années précédant la demande et que ces rencontres comptabilisent au total quarante-cinq jours ou plus;
   c) ou si les partenaires ont un enfant commun;
   2° être non marié et ne pas entretenir une relation de partenariat durable et stable avec une autre personne;
   3° ne pas être une des personnes visées aux articles 161 à 163 de l'ancien Code civil;
   4° n'avoir fait ni l'un ni l'autre l'objet d'une décision définitive de refus de célébration du mariage sur la base de l'article 167 de l'ancien Code civil.
   Les membres de la famille visés dans le présent paragraphe doivent apporter la preuve qu'ils ne sont pas atteints d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées dans l'annexe à la présente loi]2
.
   § 3. Le ministre ou son délégué peut accorder une autorisation de séjour de plus de trois mois aux autres membres proches de la famille de l'étranger qui, conformément à l'article 57/30, a été autorisé à séjourner dans le Royaume en tant que bénéficiaire du statut de protection temporaire, si au moment des événements visés à l'article 57/29, § 1er, ils vivaient avec le bénéficiaire et, à ce moment, étaient entièrement ou principalement à charge du bénéficiaire.
   Le membre de la famille visé à l'alinéa 1er doit apporter la preuve qu'il n'est pas atteint d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées dans l'annexe à la présente loi.
   Lorsque le ministre ou son délégué envisage de refuser l'autorisation de séjour du membre de la famille, il tient compte de la nature et de la solidité des liens familiaux. Lors de cette évaluation, le ministre ou son délégué tient compte de tous les documents présentés par le demandeur.
   § 4. Le membre de la famille doit joindre à la demande les documents qui prouvent qu'il remplit les conditions visées aux paragraphes précédents, ainsi qu'un certificat médical attestant qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe à la présente loi et, s'il est âgé de plus de dix-huit ans, un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent. En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire ces deux derniers documents, le ministre ou son délégué peut, compte tenu des circonstances, néanmoins autoriser le membre de la famille à séjourner sur le territoire du Royaume.
   Lorsqu'il est constaté que le membre de la famille ne peut apporter la preuve des liens de parenté ou d'alliance invoqués, par des documents officiels conformes à l'article 30 de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé ou aux conventions internationales portant sur la même matière, le ministre ou son délégué peut tenir compte d'autres preuves valables produites au sujet de ce lien. A défaut, le ministre ou son délégué peut procéder ou faire procéder à des entretiens avec le membre de la famille et le bénéficiaire rejoint ou à toute enquête jugée nécessaire, et proposer, le cas échéant, une analyse complémentaire.
   § 5. Le ministre ou son délégué peut décider de refuser la demande d'autorisation de séjour de plus de trois mois dans les cas suivants:
   1° le membre de la famille ne remplit pas ou plus une des conditions visées aux paragraphes précédents;
   2° le membre de la famille et le bénéficiaire rejoint n'entretiennent pas ou plus une vie conjugale ou familiale effective;
   3° sauf dérogations prévues par un traité international, le membre de la famille se trouve dans un des cas prévus à l'article 3, 5° à 10° ;
   4° le membre de la famille se trouve dans un des cas visés à l'article 57/32, § 1er;
   5° le membre de la famille est le conjoint d'un bénéficiaire polygame et un autre conjoint de ce bénéficiaire séjourne déjà dans le Royaume.
   Sous réserve des dispositions de l'article 57/35, le ministre ou son délégué peut refuser l'autorisation de séjour au membre de la famille lorsque celui-ci est autorisé à séjourner dans un autre Etat membre de l'Union européenne tenu d'appliquer la décision du Conseil de l'Union européenne visée à l'article 57/29, § 1er.
   Dans le cadre de l'examen de la demande, il est dûment tenu compte de l'intérêt supérieur de l'enfant.
   § 6. Les membres de la famille autorisés à séjourner dans le Royaume sur la base du présent article, bénéficient du statut de protection temporaire. Ils sont soumis aux dispositions de la présente loi qui sont applicables aux étrangers qui ont été autorisés à séjourner dans le Royaume en tant que bénéficiaires du statut de protection temporaire conformément à l'article 57/30.
   § 7. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'introduction de la demande en vue d'obtenir l'autorisation de séjour ainsi que la manière dont le membre de la famille peut prouver qu'il remplit les conditions du présent article.]1

  
AFDELING IIIBIS. - HET HOOG COMMISSARIAAT VAN DE VERENIGDE NATIES VOOR DE VLUCHTELINGEN <INGEVOEGD bij W 1993-05-06/30, art. 22, 005; Inwerkingtreding : 31-05-1993>
Art. 57/35. § 1. Dès l'arrivée d'un bénéficiaire de la protection temporaire visé à l'article 57/29, § 1, sur le territoire et pour autant que celui-ci y ait consenti, le ministre ou son délégué peut saisir un autre Etat membre de l'Union européenne tenu d'appliquer la décision du Conseil de l'Union européenne visée à l'article 57/29, § 1, aux fins du transfert de cette personne vers le territoire de cet Etat.
  A la demande de cet Etat membre de l'Union européenne, le ministre ou son délégué fournira les informations relatives au bénéficiaire de la protection temporaire qui sont nécessaires pour traiter la demande de transfert, c'est-à-dire les données à caractère personnel relatives à l'étranger concerné, ses documents d'identité et de voyage, les documents attestant l'existence de liens familiaux, les autres données indispensables pour établir l'identité de l'intéressé ou ses liens de parenté, les décisions de délivrer ou de refuser de délivrer un titre de séjour ou un visa à l'étranger concerné prises par le ministre ou son délégué ainsi que les documents étayant ces décisions et les demandes de titre de séjour ou de visa introduites par l'étranger concerné en cours d'examen par le ministre ou son délégué ainsi que l'état d'avancement de la procédure.
  § 2. Lorsque les membres séparés de la famille, au sens de l'article 57/34, d'un étranger autorisé au séjour dans le Royaume en tant que bénéficiaire de la protection temporaire sur la base de l'article 57/30, bénéficient de la protection temporaire visée à l'article 57/29, dans un autre Etat membre ou dans différents autres Etats membres de l'Union européenne, le ministre ou son délégué peut, en tenant compte des souhaits des intéressés, saisir cet Etat membre ou un de ces Etats membres aux fins du transfert de cette famille vers son territoire.
  Les dispositions du § 1, alinéa 2, sont également applicables dans ce cadre.
  § 3. Lorsque l'étranger autorisé au séjour dans le Royaume en tant que bénéficiaire de la protection temporaire sur la base de l'article 57/30 doit être transféré vers un autre Etat membre, le ministre ou son délégué peut lui retirer le titre de séjour qui lui a été délivré et lui donner l'ordre de quitter le territoire. Il peut également lui enjoindre de se présenter auprès des autorités compétentes de cet Etat avant une date déterminée.
  § 4. Lorsqu'un étranger bénéficiant de la protection temporaire visée, à l'article 57/29, dans un autre Etat membre doit être transféré vers la Belgique, il doit, lors de son entrée dans le Royaume ou du moins dans les huit jours ouvrables qui suivent celle-ci, se présenter auprès du ministre ou de son délégué, qui lui en donne acte par écrit.
Art. 57/23bis. <INGEVOEGD bij W 1993-05-06/30, art. 22, 005; Inwerkingtreding : 31-05-1993> De vertegenwoordiger in België van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen of diens gemachtigde (mits de asielzoeker daarmee instemt) kan alle stukken, waaronder de vertrouwelijke stukken, inzien die zich bevinden in de dossiers inzake de aanvraag om als vluchteling te worden erkend, gedurende het hele verloop van de procedure met uitzondering van de procedure voor de Raad van State. <W 2006-09-15/71, art. 195, 1°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (Hij kan een mondeling of schriftelijk advies verstrekken aan de Minister in zoverre dat advies de bevoegdheid betreft om te bepalen welke Staat verantwoordelijk is voor de behandeling van [1 een verzoek om internationale bescherming]1 en aan de Commissaris-generaal) voor de vluchtelingen en de staatlozen, uit eigen beweging of op diens verzoek. Hij kan eveneens uit eigen beweging een schriftelijk advies verstrekken aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.) <W 2006-09-15/71, art. 195, 2°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <W 2006-12-27/33, art. 143, 043; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Wanneer (de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen) afwijkt van een advies dat haar is verstrekt krachtes het tweede lid, moet zij in haar beslissing uitdrukkelijk de redenen daarvan vermelden. <W 2006-09-15/71, art. 195, 3°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  
Art. 57/36. § 1. Le régime de protection temporaire accordé prend fin lorsque la durée maximale prévue à l'article 57/29, § 2, a été atteinte ou à la date fixée par une décision du Conseil de l'Union européenne mettant fin à la protection temporaire, adoptée conformément à la directive 2001/55/CE du Conseil de l'Union européenne du 20 juillet 2001 visée à l'article 57/29, § 1.
  § 2. Le ministre ou son délégué peut, lorsque le régime de protection temporaire prend fin dans les cas prévus au § 1, mettre fin à l'autorisation de séjourner plus de trois mois dans le Royaume octroyée au bénéficiaire de la protection temporaire [1 sur la base de l'article 57/30 ou 57/34]1, lui retirer le titre de séjour délivré et, sous réserve de l'application des dispositions du chapitre II, lui donner l'ordre de quitter le territoire.
  [2 Il peut prendre la même mesure à l'égard des membres de la famille d'un bénéficiaire du statut de protection temporaire qui ont été autorisés à séjourner dans le Royaume sur la base de l'article 10bis, § 2/1]2. L'ordre de quitter le territoire indique qu'il a été fait application des dispositions du présent article et le délai dans lequel l'étranger doit quitter le territoire ne peut être inférieur à un mois.
  Le ministre ou son délégué proroge l'autorisation de séjour d'un étranger qui a bénéficié de la protection temporaire lorsqu'on ne saurait raisonnablement, en raison de son état de santé, s'attendre à ce que celui-ci voyage.
  Le ministre ou son délégué peut en outre proroger l'autorisation de séjour d'un étranger qui a bénéficié de la protection temporaire lorsque cet étranger fait partie d'une famille dont les enfants mineurs poursuivent une scolarité dans le Royaume, afin de permettre à ceux-ci de terminer l'année scolaire en cours.
  Dans les cas visés aux alinéas précédents, les dispositions relatives aux bénéficiaires de la protection temporaire ne sont plus d'application.
  
Art. 57/23bis. De vertegenwoordiger in België van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen of diens gemachtigde (mits de asielzoeker daarmee instemt) kan alle stukken, waaronder de vertrouwelijke stukken, inzien die zich bevinden in de dossiers inzake de aanvraag om als vluchteling te worden erkend, gedurende het hele verloop van de procedure met uitzondering van de procedure voor de Raad van State.
CHAPITRE IIter. [1 - Apatrides.]1
Art. 57/24. <W 14-07-1987, art. 11> De Koning bepaalt, met inachtneming van de bij deze wet vastgestelde regels, de rechtspleging voor en de werking van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (...). <W 2006-09-15/71, art. 196, 1°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (...) (stelt) een plan op dat voorziet in de maatregelen die nodig zijn om de achterstand in de behandeling van de dossiers weg te werken of te voorkomen en dat ter goedkeuring aan de Ministerraad moet worden voorgelegd.) <W 1996-07-15/33, art. 44, 012; Inwerkingtreding : 06-12-1996> <W 2006-09-15/71, art. 196, 2°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (NOTA 2 : artikel 57/24, gewijzigd bij de wet van 15 september 2006, wordt :
  1° met ingang van 1 december 2006 hersteld in zijn lezing zoals deze bestond daags voor deze wijziging; (W 2006-09-15/71, art. 196)
  2° op de datum vermeld in artikel 231 van de wet van 15 september 2006, hersteld in zijn lezing zoals deze volgt uit deze wijziging. (W 2006-09-15/71).
  Zie W 2006-12-27/33, art. 144)
Art. 57/37. [1 L'étranger obtient une admission au séjour pour apatridie s'il remplit les conditions suivantes:
   1° il satisfait aux conditions prévues à l'article 1er de la Convention de New York du 28 septembre 1954 relative au Statut des Apatrides;
   2° il démontre son identité et sa provenance;
   3° il a involontairement perdu sa nationalité ou n'en a jamais possédé une;
   4° il ne peut pas acquérir ou recouvrer la nationalité d'un autre Etat;
   5° il ne dispose pas de titre de séjour légal et durable ou ne peut pas en obtenir un dans un autre Etat avec lequel il aurait des liens et auquel il serait effectivement admis;
   6° il ne constitue pas une menace pour l'ordre public ou la sécurité nationale.]1

  
Art. 57/25. <W 14-07-1987, art. 11> (De Minister) stelt aan het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (...) het personeel en de middelen ter beschikking die nodig zijn voor het vervullen van hun opdracht. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996> <W 2006-09-15/71, art. 197, 1°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  De vaste en de tijdelijke personeelsformatie van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, ingedeeld bij het centraal bestuur van het (Ministerie (van Binnenlandse Zaken)), worden door de Koning vastgesteld, bij een in Ministerraad overlegd besluit. <KB 1993-12-31/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-01-1994> <W 1996-07-15/33, art. 45, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  (Derde lid opgeheven) <W 2006-09-15/71, art. 197, 2°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (NOTA 2 : artikel 57/25, gewijzigd bij de wet van 15 september 2006, wordt :
  1° met ingang van 1 december 2006 hersteld in zijn lezing zoals deze bestond daags voor deze wijziging; (W 2006-09-15/71, art. 197)
  2° op de datum vermeld in artikel 231 van de wet van 15 september 2006, hersteld in zijn lezing zoals deze volgt uit deze wijziging. (W 2006-09-15/71).
  Zie W 2006-12-27/33, art. 144)
Art. 57/38. [1 § 1er. La demande d'admission au séjour pour apatridie est introduite par pli recommandé auprès du ministre ou de son délégué et contient l'adresse de la résidence effective de l'étranger en Belgique.
   S'ils sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais, les documents présentés par l'étranger sont accompagnés d'une traduction vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais.
   En l'absence de la traduction visée à l'alinéa 2, si les documents soumis par l'étranger sont rédigés dans une langue autre que l'une des trois langues nationales ou l'anglais, l'étranger peut les commenter au cours d'un entretien personnel, le cas échéant assisté d'un interprète présent. Ce commentaire concerne au moins les informations pertinentes contenues dans les documents présentés.
   En l'absence de toute traduction fournie par l'étranger, les instances chargées de l'examen ne sont pas tenues de traduire intégralement chaque document soumis par l'étranger vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais. Il suffit d'identifier les informations pertinentes des documents soumis et de les traduire.
   § 2. L'étranger qui introduit une nouvelle demande est réputé se désister des demandes pendantes introduites antérieurement.]1

  
Art. 57/26. <W 1993-05-06/30, art. 23, 005; Inwerkingtreding : 31-05-1993> § 1. De Koning bepaalt het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de Commissaris-generaal, van zijn adjuncten (...). <W 2006-09-15/71, art. 198, 1°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  § 2. (...) <W 2006-09-15/71, art. 198, 2°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  § 3. De in § 1 bedoelde personeelsleden vallen tijdens de duur van hun mandaat onder de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot het stelsel van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, tot het stelsel van de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers en tot het stelsel van de arbeidsvoorziening en werkloosheid voor werknemers.
  § 4. (...) <W 2006-09-15/71, art. 198, 2°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  § 5. (...) <W 2006-09-15/71, art. 198, 2°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (NOTA 2 : artikel 57/26, gewijzigd bij de wet van 15 september 2006, wordt :
  1° met ingang van 1 december 2006 hersteld in zijn lezing zoals deze bestond daags voor deze wijziging; (W 2006-09-15/71, art. 198)
  2° op de datum vermeld in artikel 231 van de wet van 15 september 2006, hersteld in zijn lezing zoals deze volgt uit deze wijziging. (W 2006-09-15/71).
  Zie W 2006-12-27/33, art. 144)
Art. 57/39. [1 Lors de l'introduction de la demande, il appartient à l'étranger de démontrer qu'il remplit les conditions prévues à l'article 57/37. A cette fin, l'étranger apporte tous les éléments nécessaires. Les instances chargées de l'examen de la demande coopèrent avec l'étranger pour la détermination des éléments pertinents de la demande. Les instances chargées de l'examen de la demande ont pour tâche d'évaluer les éléments pertinents de la demande.
   Les éléments visés à l'alinéa 1er comprennent notamment les déclarations de l'étranger et tous les documents ou pièces en sa possession concernant son identité, son origine, sa ou ses nationalités antérieures, son âge, son passé, y compris ceux des membres de la famille à prendre en compte, le ou les pays ainsi que le ou les lieux où il a résidé auparavant, ou avec lesquels il a un lien, ses itinéraires, ses titres d'identité et de voyage, et les raisons qui ont conduit à son apatridie.]1

  
Art. 57/27. <W 14-07-1987, art. 11> Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, op diens adjuncten (...), wat betreft de inlichtingen waarvan zij in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen. <W 2006-09-15/71, art. 199, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (NOTA 2 : artikel 57/27, gewijzigd bij de wet van 15 september 2006, wordt :
  1° met ingang van 1 december 2006 hersteld in zijn lezing zoals deze bestond daags voor deze wijziging; (W 2006-09-15/71, art. 199)
  2° op de datum vermeld in artikel 231 van de wet van 15 september 2006, hersteld in zijn lezing zoals deze volgt uit deze wijziging. (W 2006-09-15/71).
  Zie W 2006-12-27/33, art. 144)
  [1 Het eerste lid is niet van toepassing indien het inlichtingen betreft :
   1) die ter kennis worden gebracht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en die nuttig zijn voor de uitvoering van hun opdrachten zoals bepaald in de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst; of
   2) die door de politiediensten, de procureur des Konings, de federale procureur of de onderzoeksrechter worden gevraagd in het kader van een politioneel of gerechtelijk onderzoek; of
   3) met betrekking tot aanwijzingen van misdrijven die ter kennis worden gebracht van de procureur des Konings overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering; of
   4) die op uitdrukkelijk verzoek ter kennis worden gebracht van Europese of internationale rechtbanken conform hun regelgeving; of
   5) met betrekking tot gegevens over de identiteit die ter kennis worden gebracht van de Dienst Vreemdelingenzaken;
  [2 6) met betrekking tot de gegevens die in het kader van het advies over de aanvraag om toelating tot verblijf wegens staatloosheid bedoeld in artikel 57/41, § 1, ter kennis worden gebracht van de Dienst Vreemdelingenzaken.]2
   De in het tweede lid bedoelde overheden delen noch informatie betreffende de asielaanvraag, noch het feit dat een asielaanvraag werd ingediend mee aan de vermeende actoren van vervolging of ernstige schade ten aanzien van de asielzoeker.
   Zij winnen bij de vermeende actoren van vervolging of ernstige schade ten aanzien van de asielzoeker geen informatie in op een wijze die ertoe leidt dat deze actoren te weten komen dat een asielaanvraag is ingediend door de betrokken asielzoeker, en dat er gevaar zou ontstaan voor de fysieke integriteit van deze laatste en van de personen te zijnen laste of voor de vrijheid en veiligheid van zijn nog in het land van herkomst verblijvende familieleden.]1

  
Art. 57/40. [1 Le ministre ou son délégué ne prend pas la demande en considération dans les cas suivants:
   1° la demande n'a pas été introduite conformément aux conditions de l'article 57/38, § 1er, alinéa 1er;
   2° les éléments invoqués ont déjà été examinés lors d'une précédente demande d'admission au séjour pour apatridie sur la base de ce chapitre qui a été rejetée sur le fond;
   3° l'étranger ne remplit manifestement pas les conditions visées à l'article 57/37;
   4° l'étranger est déjà admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume pour une durée illimitée;
   5° l'étranger ne peut pas démontrer qu'il disposait antérieurement, soit d'un séjour légal de plus de trois mois, soit d'un séjour couvert en tant que demandeur de protection internationale.]1

  
Art. 57/27. <W 14-07-1987, art. 11> Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, op diens adjuncten (...), wat betreft de inlichtingen waarvan zij in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen. <W 2006-09-15/71, art. 199, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (NOTA 2 : artikel 57/27, gewijzigd bij de wet van 15 september 2006, wordt :
  1° met ingang van 1 december 2006 hersteld in zijn lezing zoals deze bestond daags voor deze wijziging; (W 2006-09-15/71, art. 199)
  2° op de datum vermeld in artikel 231 van de wet van 15 september 2006, hersteld in zijn lezing zoals deze volgt uit deze wijziging. (W 2006-09-15/71).
  Zie W 2006-12-27/33, art. 144)
  [1 Het eerste lid is niet van toepassing indien het inlichtingen betreft :
   1) die ter kennis worden gebracht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en die nuttig zijn voor de uitvoering van hun opdrachten zoals bepaald in de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst; of
   2) die door de politiediensten, de procureur des Konings, de federale procureur of de onderzoeksrechter worden gevraagd in het kader van een politioneel of gerechtelijk onderzoek; of
   3) met betrekking tot aanwijzingen van misdrijven die ter kennis worden gebracht van de procureur des Konings overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering; of
   4) die op uitdrukkelijk verzoek ter kennis worden gebracht van Europese of internationale rechtbanken conform hun regelgeving; of
   5) met betrekking tot gegevens over de identiteit die ter kennis worden gebracht van de Dienst Vreemdelingenzaken;
  [2 6) met betrekking tot de gegevens die in het kader van het advies over de aanvraag om toelating tot verblijf wegens staatloosheid bedoeld in artikel 57/41, § 1, ter kennis worden gebracht van de Dienst Vreemdelingenzaken.]2
   De in het tweede lid bedoelde overheden delen noch informatie betreffende de asielaanvraag, noch het feit dat een asielaanvraag werd ingediend mee aan de vermeende actoren van vervolging of ernstige schade ten aanzien van de asielzoeker.
   Zij winnen bij de vermeende actoren van vervolging of ernstige schade ten aanzien van de asielzoeker geen informatie in op een wijze die ertoe leidt dat deze actoren te weten komen dat een asielaanvraag is ingediend door de betrokken asielzoeker, en dat er gevaar zou ontstaan voor de fysieke integriteit van deze laatste en van de personen te zijnen laste of voor de vrijheid en veiligheid van zijn nog in het land van herkomst verblijvende familieleden.]1

  
Art. 57/41. [1 § 1er. Lorsqu'il n'est pas fait application de l'article 57/40, le ministre ou son délégué transmet la demande au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides afin d'obtenir un avis quant aux conditions visées à l'article 57/37, 1° à 5°. En ce qui concerne la condition prévue à l'article 57/37, 1°, le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides est lié, le cas échéant, par une décision définitive antérieure rendue dans le cadre de l'article 572bis, 1°, du Code judiciaire.
   Le Commissaire général aux réfugiés et apatrides transmet son avis motivé au ministre ou à son délégué, ainsi que tous les éléments nécessaires à l'évaluation de la demande, au plus tard dans les trois mois qui suivent la réception de la demande.
   Le ministre ou son délégué prend une décision sur la demande au plus tard dans les trois mois à compter de la réception de l'avis.
   § 2. Le ministre ou son délégué peut traiter une demande selon une procédure d'examen accélérée lorsque l'étranger se trouve dans un lieu déterminé tel que visé dans les articles 74/8 ou 74/9, ou fait l'objet d'une mesure de sûreté telle que visée à l'article 68.
   Dans ce cas, les délais visés au paragraphe 1er, alinéas 2 et 3, sont réduits à quinze jours.
   § 3. Si une décision est rendue dans le cadre de l'article 572bis, 1°, du Code judiciaire, les délais visés au paragraphe 1er, alinéas 2 et 3, sont suspendus de plein droit jusqu'à ce que cette décision soit devenue définitive.]1

  
Art. 57/28. <W 14-07-1987, art. 11> Elk jaar brengt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aan (de Minister) verslag uit over zijn opdracht. Een afschrift van dat verslag met de eventuele opmerkingen van de (Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft) wordt door de (Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft)aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers en aan de Senaat overgezonden. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
Art. 57/42. [1 Le traitement de la demande est suspendu si l'étranger a introduit une demande de protection internationale. La suspension s'applique jusqu'à ce qu'une décision finale soit prise au sujet de la demande de protection internationale.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, le traitement de la demande n'est pas suspendu si le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides estime pouvoir rendre l'avis visé à l'article 57/41 sans attendre une décision finale au sujet de la demande de protection internationale.
   Si le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire est accordé, la demande devient sans objet de plein droit.]1

  
Art. 57/29. <W 2003-02-18/41, art. 9, 027; Inwerkingtreding : 01-05-2003> § 1. In geval van een massale toestroom of een imminente massale toestroom van ontheemden naar lid-Staten van de Europese Unie die is vastgesteld bij een besluit van de Raad van de Europese Unie dat is uitgevaardigd met toepassing van richtlijn 2001/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen, genieten de personen die tot de in dat besluit omschreven bijzondere groepen behoren vanaf de daarin vastgestelde datum tijdelijke bescherming.
  § 2. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 57/32 en op voorwaarde dat een besluit van de Raad van de Europese Unie, aangenomen overeenkomstig de richtlijn 2001/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 2001, bedoeld in § 1, niet eerder een einde maakt aan de tijdelijke bescherming, wordt deze tijdelijke bescherming verleend aan de bedoelde personen voor een periode van één jaar vanaf de datum van de inwerkingstelling van de tijdelijke bescherming en wordt deze automatisch verlengd met zes maanden voor een tweede periode van één jaar.
  Deze totale periode van twee jaar kan verlengd worden voor een nieuwe periode van maximaal 1 jaar door een nieuw besluit van de Raad van de Europese Unie, aangenomen overeenkomstig de richtlijn 2001/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 2001, bedoeld in § 1.
Art. 57/43. [1 § 1er. Le ministre ou son délégué ou le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides peut, à chaque étape de la procédure, entendre l'étranger ou lui demander qu'il fournisse des renseignements supplémentaires.
   Le Roi fixe les modalités de l'audition et de la demande de renseignements.
   § 2. Le ministre ou son délégué prend une décision qui clôture l'examen de la demande lorsque:
   1° l'étranger ne se présente pas à la date fixée dans la convocation et ne donne pas de motif valable à ce sujet;
   2° l'étranger ne donne pas suite à une demande de renseignements dans les trente jours suivant l'envoi de celle-ci et ne donne pas de motif valable à ce sujet.]1

  
Art. 57/30. <INGEVOEGD bij W 2003-02-18/41, art. 10; Inwerkingtreding : 01-05-2003> § 1 Onder voorbehoud van de toepassing van § 2 of van artikel 57/32 machtigt de minister of zijn gemachtigde de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet, zoals bedoeld in artikel 57/29, tot een verblijf van een jaar. Die machtiging wordt hernieuwd, met periodes van zes maanden, zolang de tijdelijke bescherming niet beëindigd is in een van de gevallen omschreven in artikel 57/36, § 1. De duur van de machtiging kan worden beperkt tot de periode voorafgaand aan de automatische beëindiging van de tijdelijke bescherming die in werking werd gesteld door het besluit van de Raad van de Europese Unie bedoeld in artikel 57/29, § 1, of kan verlengd worden door een besluit van de Raad van de Europese Unie bedoeld in artikel 57/29, § 2, tweede lid.
  De Koning bepaalt de wijze van de indiening van de aanvraag tot het verkrijgen van deze machtiging tot verblijf bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Bij de aanvraag om een machtiging tot verblijf wordt aan de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet, een document overhandigd, opgesteld in een taal die hij begrijpt, waarin de bepalingen over de tijdelijke bescherming die op hem van toepassing zijn, duidelijk worden uiteengezet.
  De inschrijving in het vreemdelingenregister van de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet en die gemachtigd is tot een verblijf, en de afgifte van de verblijfstitel, die hiervan bewijs oplevert, gebeuren overeenkomstig de bepalingen van artikel 12.
  De afgegeven verblijfstitel blijft geldig tot het einde van de geldigheidsduur van de machtiging. Hij wordt op verzoek van de betrokkene verlengd of vernieuwd door het gemeentebestuur van de verblijfplaats op voorwaarde dat de aanvraag werd ingediend vóór het verstrijken van de geldigheidstermijn van de verblijfstitel en voorzover de minister of zijn gemachtigde de machtiging niet heeft beëindigd op grond van artikel 57/32, § 1, of artikel 57/36, § 2.
  De Koning bepaalt de termijnen en de voorwaarden voor de vraag om vernieuwing of verlenging van de verblijfstitel.
  § 2. De minister of zijn gemachtigde kan de machtiging tot verblijf weigeren aan de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet zoals bedoeld in artikel 57/29 :
  1° indien de aanvraag om een machtiging tot verblijf in het buitenland wordt ingediend en indien het aantal personen die genieten van de tijdelijke bescherming in het Rijk de opvangcapaciteit van België, vermeld in het besluit van de Raad van de Europese Unie bedoeld in artikel 57/29, § 1, overschrijdt;
  2° indien hij gemachtigd is tot verblijf in een andere lid-Staat van de Europese Unie die verplicht is om het besluit van de Raad van de Europese Unie, bedoeld in artikel 57/29, § 1, toe te passen, onverminderd de bepalingen van artikel 57/35.
  Het eerste lid, 1°, is niet van toepassing op de vreemdelingen die in aanmerking komen voor de bepalingen van artikel 57/34.
  In geval van weigering van de machtiging tot verblijf op grond van het eerste lid, 1°, ziet de minister of zijn gemachtigde erop toe dat de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet, binnen de kortste termijn wordt opgevangen in een andere lid-Staat van de Europese Unie, die verplicht is om het besluit van de Raad van de Europese Unie bedoeld in artikel 57/29, § 1, toe te passen.
Art. 57/44. [1 Sans préjudice de l'article 57/40, le ministre ou son délégué refuse la demande lorsque l'étranger ne remplit pas les conditions de l'article 57/37.
   Si le ministre ou son délégué refuse la demande parce que les conditions de l'article 57/37, 6°, ne sont pas remplies, l'avis visé à l'article 57/41 ne doit pas être fourni. Cet avis ne doit pas non plus être fourni s'il existe une décision négative définitive en vertu de l'article 572bis, 1°, du Code judiciaire.]1

  
Art. 57/30. <INGEVOEGD bij W 2003-02-18/41, art. 10; Inwerkingtreding : 01-05-2003> § 1 Onder voorbehoud van de toepassing van § 2 of van artikel 57/32 machtigt de minister of zijn gemachtigde de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet, zoals bedoeld in artikel 57/29, tot een verblijf van een jaar. Die machtiging wordt hernieuwd, met periodes van zes maanden, zolang de tijdelijke bescherming niet beëindigd is in een van de gevallen omschreven in artikel 57/36, § 1. De duur van de machtiging kan worden beperkt tot de periode voorafgaand aan de automatische beëindiging van de tijdelijke bescherming die in werking werd gesteld door het besluit van de Raad van de Europese Unie bedoeld in artikel 57/29, § 1, of kan verlengd worden door een besluit van de Raad van de Europese Unie bedoeld in artikel 57/29, § 2, tweede lid.
  De Koning bepaalt de wijze van de indiening van de aanvraag tot het verkrijgen van deze machtiging tot verblijf bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Bij de aanvraag om een machtiging tot verblijf wordt aan de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet, een document overhandigd, opgesteld in een taal die hij begrijpt, waarin de bepalingen over de tijdelijke bescherming die op hem van toepassing zijn, duidelijk worden uiteengezet.
  De inschrijving in het vreemdelingenregister van de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet en die gemachtigd is tot een verblijf, en de afgifte van de verblijfstitel, die hiervan bewijs oplevert, gebeuren overeenkomstig de bepalingen van artikel 12.
  De afgegeven verblijfstitel blijft geldig tot het einde van de geldigheidsduur van de machtiging. Hij wordt op verzoek van de betrokkene verlengd of vernieuwd door het gemeentebestuur van de verblijfplaats op voorwaarde dat de aanvraag werd ingediend vóór het verstrijken van de geldigheidstermijn van de verblijfstitel en voorzover de minister of zijn gemachtigde de machtiging niet heeft beëindigd op grond van artikel 57/32, § 1, of artikel 57/36, § 2.
  De Koning bepaalt de termijnen en de voorwaarden voor de vraag om vernieuwing of verlenging van de verblijfstitel.
  § 2. De minister of zijn gemachtigde kan de machtiging tot verblijf weigeren aan de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet zoals bedoeld in artikel 57/29 :
  1° indien de aanvraag om een machtiging tot verblijf in het buitenland wordt ingediend en indien het aantal personen die genieten van de tijdelijke bescherming in het Rijk de opvangcapaciteit van België, vermeld in het besluit van de Raad van de Europese Unie bedoeld in artikel 57/29, § 1, overschrijdt;
  2° indien hij gemachtigd is tot verblijf in een andere lid-Staat van de Europese Unie die verplicht is om het besluit van de Raad van de Europese Unie, bedoeld in artikel 57/29, § 1, toe te passen, onverminderd de bepalingen van artikel 57/35.
  Het eerste lid, 1°, is niet van toepassing op de vreemdelingen die in aanmerking komen voor de bepalingen van artikel 57/34.
  In geval van weigering van de machtiging tot verblijf op grond van het eerste lid, 1°, ziet de minister of zijn gemachtigde erop toe dat de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet, binnen de kortste termijn wordt opgevangen in een andere lid-Staat van de Europese Unie, die verplicht is om het besluit van de Raad van de Europese Unie bedoeld in artikel 57/29, § 1, toe te passen.
Art. 57/45. [1 Lorsque l'étranger remplit les conditions de l'article 57/37, il est admis au séjour d'une durée limitée pour une période de cinq ans. A l'issue de cette période, à compter de l'octroi de l'admission au séjour, l'étranger est admis au séjour pour une durée illimitée.]1
  
Art. 57/32. <INGEVOEGD bij W 2003-02-18/41, art. 12; Inwerkingtreding : 01-05-2003> § 1 De minister of zijn gemachtigde kan van de tijdelijke bescherming uitsluiten en naargelang het geval de toegang tot het grondgebied van het Rijk weigeren of beslissen dat de vreemdeling die gebruik wenst te maken van de tijdelijke bescherming er niet of niet langer mag verblijven in deze hoedanigheid, in één van de volgende gevallen :
  1° indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan in de zin van de internationale overeenkomsten die België binden;
  2° indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd buiten het Belgisch grondgebied alvorens er toegelaten te zijn geweest als vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet.
  De ernst van de verwachte vervolging wordt afgewogen tegen de aard van het misdrijf waarvan de betrokkene wordt verdacht. Bijzonder wrede handelingen kunnen, zelfs indien zij met een vermeend politiek oogmerk zijn uitgevoerd, als ernstige, niet-politieke misdrijven aangemerkt worden. Dit geldt zowel voor de deelnemers aan het misdrijf als voor de aanstichters;
  3° indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doeleinden en de beginselen van de Verenigde Naties;
  4° indien er redelijke gronden bestaan om aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar voor de veiligheid van het land betekent of een bedreiging vormt voor de openbare orde aangezien hij definitief veroordeeld werd voor een bijzonder ernstig misdrijf of een bijzonder ernstige misdaad.
  De beslissing tot uitsluiting is uitsluitend gegrond op het persoonlijk gedrag van de vreemdeling en wordt genomen met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.
  § 2. In ernstige omstandigheden kan de minister de betrokkene verplichten in een bepaalde plaats te verblijven indien hij het nodig acht voor de handhaving van de openbare orde of de veiligheid van het land.
  In uitzonderlijke ernstige omstandigheden kan de minister de betrokkene voorlopig ter beschikking stellen van de Regering indien hij het nodig acht voor de handhaving van de openbare orde of de veiligheid van het land.
Art. 57/46. [1 Sans préjudice des articles 21, 22, 23 et 74/20, il peut être mis fin au séjour si l'étranger ne remplit plus les conditions de l'article 57/37.
   A cette fin, le ministre ou son délégué peut réexaminer le séjour de sa propre initiative et, le cas échéant, il peut demander un nouvel avis au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides quant aux conditions visées à l'article 57/37, 1° à 5°.
   La décision visée à l'alinéa 1er ne peut être prise qu'à l'égard de l'étranger qui a été admis à un séjour d'une durée limitée.]1

  
Art. 57/32. § 1 De minister of zijn gemachtigde kan van de tijdelijke bescherming uitsluiten en naargelang het geval de toegang tot het grondgebied van het Rijk weigeren of beslissen dat de vreemdeling die gebruik wenst te maken van de tijdelijke bescherming er niet of niet langer mag verblijven in deze hoedanigheid, in één van de volgende gevallen :
CHAPITRE III. - ETUDIANTS.
Art. 57/34.[1 § 1. In gevallen waarin er bij een massale of imminente massale toestroom van ontheemden zoals bedoeld in artikel 57/29, § 1, sprake is van omstandigheden die tot de scheiding van reeds in het land van oorsprong gevormde gezinnen hebben geleid, dan kunnen de familieleden bedoeld in de paragrafen 2 en 3, die zich nog niet op het grondgebied van de Europese Unie bevinden en bescherming behoeven in de zin van artikel 57/29, § 1, een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden aanvragen, teneinde zich herenigd te zien met de vreemdeling die overeenkomstig artikel 57/30 gemachtigd werd tot een verblijf in het Rijk als begunstigde van de tijdelijke beschermingsstatus.
SECTION I. [1 Dispositions générales ]1
Art. 57/34. [1 § 1. In gevallen waarin er bij een massale of imminente massale toestroom van ontheemden zoals bedoeld in artikel 57/29, § 1, sprake is van omstandigheden die tot de scheiding van reeds in het land van oorsprong gevormde gezinnen hebben geleid, dan kunnen de familieleden bedoeld in de paragrafen 2 en 3, die zich nog niet op het grondgebied van de Europese Unie bevinden en bescherming behoeven in de zin van artikel 57/29, § 1, een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden aanvragen, teneinde zich herenigd te zien met de vreemdeling die overeenkomstig artikel 57/30 gemachtigd werd tot een verblijf in het Rijk als begunstigde van de tijdelijke beschermingsstatus.
   § 2.[2 De minister of zijn gemachtigde kent een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden toe aan de volgende familieleden van de vreemdeling die overeenkomstig artikel 57/30 gemachtigd werd tot een verblijf in het Rijk als begunstigde van de tijdelijke beschermingsstatus, die hiertoe een aanvraag indienen en voor zover het gezin reeds was gevormd ten tijde van de omstandigheden zoals bedoeld in artikel 57/29, § 1, en deze omstandigheden hebben geleid tot de scheiding van het gezin:
   1° de echtgenoot, die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar;
   2° de vreemdeling die door middel van een wettelijk geregistreerd partnerschap verbonden is met de begunstigde, die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar;
   3° de minderjarige, ongehuwde kinderen van de begunstigde, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in de bepaling onder 2°, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en voor zover de begunstigde die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of zijn geregistreerde partner het ouderlijk gezag inclusief het recht van bewaring uitoefent. Indien het ouderlijk gezag wordt gedeeld, dient de andere houder van het ouderlijk gezag zijn toestemming te hebben gegeven;
   4° de ouders van de ongehuwde minderjarige begunstigde, voor zover zij met hem komen samenleven alvorens deze de leeftijd van achttien jaar bereikt heeft.
   De in het eerste lid, 2°, bedoelde geregistreerde partners moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
   1° bewijzen dat ze een naar behoren geattesteerde duurzame en stabiele partnerrelatie onderhouden. Het duurzaam en stabiel karakter van deze relatie is aangetoond:
   a) indien de partners bewijzen dat ze gedurende minstens één jaar, voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken op legale wijze hebben samengewoond;
   b) ofwel indien de partners bewijzen dat zij elkaar sedert ten minste twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag, kennen en het bewijs leveren dat zij regelmatig, telefonisch, via briefwisseling, of elektronische berichten met elkaar contact onderhielden en dat zij elkaar in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag driemaal ontmoet hebben en dat deze ontmoetingen in totaal vijvenveertig of meer dagen betreffen;
   c) ofwel indien de partners een gemeenschappelijk kind hebben;
   2° ongehuwd zijn en geen duurzame en stabiele partnerrelatie onderhouden met een andere persoon;
   3° geen personen zijn bedoeld in de artikelen 161 tot 163 van het oud Burgerlijk Wetboek;
   4° geen van beiden het voorwerp hebben uitgemaakt van een definitieve beslissing tot weigering van de voltrekking van het huwelijk op basis van artikel 167 van het oud Burgerlijk Wetboek.
   De familieleden bedoeld in deze paragraaf dienen te bewijzen dat zij niet lijden aan een van de ziekten die de volksgezondheid in gevaar kunnen brengen en die worden opgesomd in de bijlage bij deze wet]2
.
   § 3. De minister of diens gemachtigde kan een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden toekennen aan de andere naaste familieleden van de vreemdeling die overeenkomstig artikel 57/30 gemachtigd werd tot een verblijf in het Rijk als begunstigde van de tijdelijke beschermingsstatus, wanneer zij ten tijde van de gebeurtenissen zoals bedoeld in artikel 57/29, § 1, met de begunstigde samenwoonden en op dat tijdstip volledig of hoofdzakelijk ten laste waren van de begunstigde.
   Het familielid bedoeld in het eerste lid moet bewijzen dat hij niet lijdt aan een van de ziekten die de volksgezondheid in gevaar kunnen brengen en die worden opgesomd in de bijlage van deze wet.
   Wanneer de minister of diens gemachtigde overweegt om de machtiging tot verblijf van het familielid te weigeren, houdt deze rekening met de aard en de hechtheid van de familiebanden. Bij deze beoordeling neemt de minister of diens gemachtigde alle door de verzoeker voorgelegde stukken in rekening.
   § 4. Het familielid moet samen met de aanvraag de documenten overmaken die aantonen dat hij voldoet aan de voorwaarden in de voorgaande paragrafen alsook een medisch getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één van de in de bijlage aan deze wet opgesomde ziekten, evenals, indien het familielid ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document. Indien behoorlijk wordt aangetoond dat deze laatste twee documenten niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de omstandigheden, het familielid alsnog machtigen op het grondgebied van het Rijk te verblijven.
   Indien wordt vastgesteld dat het familielid de ingeroepen bloed- of aanverwantschapsbanden niet kan bewijzen door middel van officiële documenten, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten binnen dezelfde materie, kan de minister of diens gemachtigde rekening houden met andere geldige bewijzen die in dit verband worden overgelegd. Indien dat niet mogelijk is, kan de minister of diens gemachtigde overgaan of laten overgaan tot een onderhoud met het familielid en de begunstigde die vervoegd wordt, of tot elk onderzoek dat noodzakelijk wordt geacht en in voorkomend geval voorstellen om een aanvullende analyse te laten uitvoeren.
   § 5. De minister of diens gemachtigde kan beslissen om de aanvraag tot machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden te weigeren, in de volgende gevallen:
   1° het familielid voldoet niet of niet meer aan een van de in de voorgaande paragrafen bepaalde voorwaarden;
   2° het familielid en de begunstigde die vervoegd wordt, onderhouden niet of niet meer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven;
   3° met uitzondering van afwijkingen die worden bepaald bij een internationaal verdrag, bevindt het familielid zich in een van de gevallen bepaald in artikel 3, 5° tot 10° ;
   4° het familielid bevindt zich in één van de in artikel 57/32, § 1 bedoelde gevallen;
   5° het familielid is de echtgenoot van een polygame begunstigde en een andere echtgenoot van die begunstigde verblijft reeds in het Rijk.
   Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 57/35, kan de minister of diens gemachtigde de machtiging tot verblijf weigeren aan het familielid indien deze gemachtigd is tot een verblijf in een andere lidstaat van de Europese Unie die verplicht is om het in artikel 57/29, § 1, bedoelde besluit van de Raad van de Europese Unie, toe te passen.
   In het kader van het onderzoek van de aanvraag wordt terdege rekening gehouden met het hoger belang van het kind.
   § 6. De familieleden die gemachtigd werden tot een verblijf in het Rijk op grond van dit artikel, genieten de tijdelijke beschermingsstatus. Zij zijn onderworpen aan de bepalingen van deze wet die van toepassing zijn op de vreemdelingen die, overeenkomstig artikel 57/30, gemachtigd werden tot een verblijf in het Rijk als begunstigde van de tijdelijke beschermingsstatus.
   § 7. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze van indiening van de aanvraag tot het verkrijgen van de machtiging tot verblijf, alsook de wijze waarop het familielid kan bewijzen dat hij aan de voorwaarden van dit artikel voldoet.]1

  
Art.58. [1 Pour l'application du présent chapitre, il y a lieu d'entendre par:
   1° étudiant: un ressortissant d'un pays tiers qui a été admis par un établissement d'enseignement supérieur belge et qui s'est vu accorder une autorisation de séjour de plus de nonante jours dans le Royaume afin de suivre des études à temps plein;
   2° études à temps plein: inscription à un programme d'études supérieures comprenant au moins 54 crédits, ou inscription à un programme d'études supérieures dont le solde de crédits est inférieur parce que l'étudiant se trouve dans sa dernière année académique ou parce qu'indépendamment de sa volonté, l'étudiant ne peut pas totaliser un nombre plus élevé de crédits, ou année préparatoire comprenant au moins 12 heures de cours par semaine pendant une année académique;
   3° établissement d'enseignement supérieur: institution, reconnue par l'autorité compétente, qui est habilitée à organiser un programme d'études supérieures et à délivrer les titres, grades académiques, diplômes et certificats correspondants;
   4° études supérieures: tout programme d'enseignement supérieur sanctionné par un titre, grade académique, diplôme ou certificat correspondant au niveau 5, 6, 7 ou 8 du cadre des certifications établi par l'une des trois Communautés;
   5° année préparatoire: année d'études unique pour suivre une formation afin de se préparer aux études supérieures visées, organisée par l'établissement d'enseignement supérieur, soit afin de procurer les connaissances complémentaires requises pour accéder ensuite aux études supérieures visées, soit pour acquérir la maîtrise de l'une des langues nationales, qui concerne également la langue d'enseignement des études visées;
   6° programme de l'Union ou programme multilatéral comportant des mesures de mobilité: programme financé par l'Union européenne ou par des Etats membres qui favorise la mobilité des ressortissants de pays tiers dans l'Union européenne ou dans les Etats membres qui participent au programme concerné;
   7° mobilité: droit du ressortissant d'un pays tiers titulaire d'une autorisation valable délivrée par le premier Etat membre, en qualité d'étudiant, de séjourner dans le deuxième Etat membre pendant une période n'excédant pas 360 jours pour achever une partie de ses études dans le cadre d'un programme de l'Union ou d'un programme multilatéral comportant des mesures de mobilité ou d'une convention entre deux établissements d'enseignement supérieur ou plus;
   8° premier Etat membre: Etat membre qui délivre en premier lieu une autorisation à un ressortissant d'un pays tiers en qualité d'étudiant;
   9° deuxième Etat membre: Etat membre, autre que le premier Etat membre, où l'étudiant a l'intention d'exercer, ou exerce déjà, le droit à la mobilité.]1

  
Art. 57/35. <INGEVOEGD bij W 2003-02-18/41, art. 15; Inwerkingtreding : 01-05-2003> § 1. Vanaf de aankomst van een vreemdeling op het grondgebied, die tijdelijke bescherming geniet zoals bedoeld in artikel 57/29, § 1, en voorzover deze ermee instemt, kan de minister of zijn gemachtigde zich wenden tot een andere lid-Staat van de Europese Unie die verplicht is om het besluit van de Raad van de Europese Unie bedoeld in artikel 57/29, § 1, toe te passen, teneinde deze persoon over te brengen naar het grondgebied van deze Staat.
  Op verzoek van deze lid-Staat van de Europese Unie verstrekt de minister of zijn gemachtigde de informatie met betrekking tot de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet, die noodzakelijk is voor de behandeling van de vraag om overname. Het gaat om de persoonsgegevens van de betrokken vreemdeling, zijn identiteitspapieren en reisbescheiden, de documenten ten bewijze van de familiebanden, de overige gegevens die essentieel zijn voor het vaststellen van de identiteit of de familiebanden van de persoon, de besluiten tot toekenning of weigering van een verblijfsvergunning of een visum, die door de minister of zijn gemachtigde ten aanzien van de betrokken vreemdeling werden getroffen, alsmede de documenten op basis waarvan die besluiten zijn genomen, en de verblijfsvergunnings- en visumaanvragen van de betrokken vreemdeling die door de minister of zijn gemachtigde behandeld worden en de procedurefase waarin deze zich bevinden.
  § 2. Wanneer de afzonderlijke familieleden, in de zin van artikel 57/34, van een vreemdeling die gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet op basis van artikel 57/30, tijdelijke bescherming genieten bedoeld in artikel 57/29 in een andere lid-Staat of in verschillende andere lid-Staten van de Europese Unie, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de wensen van de betrokkenen, zich wenden tot deze lid-Staat of één van deze lid-Staten teneinde deze familieleden over te brengen naar zijn grondgebied.
  De bepalingen van § 1, tweede lid, zijn eveneens van toepassing in dit kader.
  § 3. Wanneer de vreemdeling die gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet op basis van artikel 57/30, overgebracht dient te worden naar een andere Lidstaat, kan de minister of zijn gemachtigde de verblijfstitel die hem werd afgegeven, afnemen en hem een bevel om het grondgebied te verlaten uitreiken. Hij kan hem eveneens bevelen om zich vóór een bepaalde datum aan te bieden bij de bevoegde overheden van die Staat.
  § 4. Wanneer een vreemdeling, die tijdelijke bescherming geniet zoals bedoeld in artikel 57/29, in een andere lid-Staat, dient overgebracht te worden naar België, dient hij zich bij zijn aankomst in het Rijk of ten minste binnen acht werkdagen na zijn aankomst aan te bieden bij de minister of zijn gemachtigde die hem hiervan schriftelijk akte verleent.
Art.59. [1 § 1er. Les dispositions de la présente section s'appliquent au ressortissant d'un pays tiers qui demande à être autorisé ou qui est autorisé à séjourner plus de nonante jours sur le territoire du Royaume pour y étudier.
   § 2. Les dispositions de la présente section s'appliquent sous réserve des dispositions dérogatoires des sections 2 et 3. ]1

  
Art. 57/35. <INGEVOEGD bij W 2003-02-18/41, art. 15; Inwerkingtreding : 01-05-2003> § 1. Vanaf de aankomst van een vreemdeling op het grondgebied, die tijdelijke bescherming geniet zoals bedoeld in artikel 57/29, § 1, en voorzover deze ermee instemt, kan de minister of zijn gemachtigde zich wenden tot een andere lid-Staat van de Europese Unie die verplicht is om het besluit van de Raad van de Europese Unie bedoeld in artikel 57/29, § 1, toe te passen, teneinde deze persoon over te brengen naar het grondgebied van deze Staat.
  Op verzoek van deze lid-Staat van de Europese Unie verstrekt de minister of zijn gemachtigde de informatie met betrekking tot de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet, die noodzakelijk is voor de behandeling van de vraag om overname. Het gaat om de persoonsgegevens van de betrokken vreemdeling, zijn identiteitspapieren en reisbescheiden, de documenten ten bewijze van de familiebanden, de overige gegevens die essentieel zijn voor het vaststellen van de identiteit of de familiebanden van de persoon, de besluiten tot toekenning of weigering van een verblijfsvergunning of een visum, die door de minister of zijn gemachtigde ten aanzien van de betrokken vreemdeling werden getroffen, alsmede de documenten op basis waarvan die besluiten zijn genomen, en de verblijfsvergunnings- en visumaanvragen van de betrokken vreemdeling die door de minister of zijn gemachtigde behandeld worden en de procedurefase waarin deze zich bevinden.
  § 2. Wanneer de afzonderlijke familieleden, in de zin van artikel 57/34, van een vreemdeling die gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet op basis van artikel 57/30, tijdelijke bescherming genieten bedoeld in artikel 57/29 in een andere lid-Staat of in verschillende andere lid-Staten van de Europese Unie, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de wensen van de betrokkenen, zich wenden tot deze lid-Staat of één van deze lid-Staten teneinde deze familieleden over te brengen naar zijn grondgebied.
  De bepalingen van § 1, tweede lid, zijn eveneens van toepassing in dit kader.
  § 3. Wanneer de vreemdeling die gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet op basis van artikel 57/30, overgebracht dient te worden naar een andere Lidstaat, kan de minister of zijn gemachtigde de verblijfstitel die hem werd afgegeven, afnemen en hem een bevel om het grondgebied te verlaten uitreiken. Hij kan hem eveneens bevelen om zich vóór een bepaalde datum aan te bieden bij de bevoegde overheden van die Staat.
  § 4. Wanneer een vreemdeling, die tijdelijke bescherming geniet zoals bedoeld in artikel 57/29, in een andere lid-Staat, dient overgebracht te worden naar België, dient hij zich bij zijn aankomst in het Rijk of ten minste binnen acht werkdagen na zijn aankomst aan te bieden bij de minister of zijn gemachtigde die hem hiervan schriftelijk akte verleent.
Art.60. [1 § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers souhaitant séjourner sur le territoire du Royaume en tant qu'étudiant doit introduire sa demande auprès du poste diplomatique ou consulaire compétent pour le lieu de sa résidence à l'étranger.
   § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le ressortissant d'un pays tiers qui est déjà admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pour une durée n'excédant pas nonante jours conformément au Titre I, Chapitre II, ou qui est déjà admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pendant plus de nonante jours en une autre qualité, peut introduire sa demande auprès de l'administration communale du lieu de sa résidence sur le territoire du Royaume s'il introduit la demande avant l'expiration de la durée de validité de ce permis ou de cette autorisation, à condition qu'il soit déjà inscrit dans un établissement d'enseignement supérieur afin d'y suivre des études à temps plein.
   § 3. Le ressortissant d'un pays tiers joint à sa demande les documents suivants:
   1° une copie de son passeport valable ou d'un document de voyage en tenant lieu;
   2° la preuve du paiement de la redevance, comme prévu à l'article 1/1, s'il est soumis à cette obligation;
   3° une attestation délivrée par un établissement d'enseignement supérieur prouvant:
   a) qu'il est inscrit dans un établissement d'enseignement supérieur pour suivre des études supérieures ou une année préparatoire à temps plein, ou
   b) qu'il est admis aux études, ou
   c) qu'il est inscrit à un examen d'admission ou une épreuve d'admission;
   Le Roi fixe les conditions auxquelles cette attestation doit répondre.
   4° s'il est âgé de moins de dix-huit ans, une preuve de l'autorisation de ses parents ou, le cas échéant, de la personne exerçant la tutelle;
   5° la preuve, conformément à l'article 61, qu'il disposera de moyens de subsistance suffisants pour la durée de son séjour, afin de ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour;
   6° la preuve qu'il dispose ou disposera d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique pour la durée de son séjour;
   Si la demande a été introduite à l'étranger et qu'il n'est pas encore possible de joindre cette preuve à la demande, celle-ci doit être produite dans le délai prévu à l'article 61/1/1, § 4.
   7° un certificat médical attestant qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi;
   8° s'il est âgé de plus de dix-huit ans, un extrait du casier judiciaire ou un document équivalent, délivré par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun.
   En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire les documents visés au 7° et 8°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, autoriser l'étranger à séjourner sur le territoire du Royaume pour y faire des études.
   § 4. S'ils sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais, les documents produits doivent être accompagnés d'une traduction jurée vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais. ]1

  
Art. 57/36. <INGEVOEGD bij W 2003-02-18/41, art. 16; Inwerkingtreding : 01-05-2003> § 1. De toegekende regeling inzake de tijdelijke bescherming wordt beëindigd, wanneer de maximale duur bepaald in artikel 57/29, § 2, bereikt werd, of op de datum vastgelegd bij een besluit van de Raad van de Europese Unie dat een einde maakt aan de tijdelijke bescherming en dat aangenomen werd overeenkomstig de richtlijn 2001/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 2001 bedoeld in artikel 57/29, § 1.
  § 2. Indien de regeling inzake tijdelijke bescherming beëindigd wordt in de gevallen voorzien in § 1, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, die aan de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet, [1 werd afgegeven op basis van artikel 57/30 of 57/34]1, beëindigen, de afgegeven verblijfstitel intrekken en, onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk II, aan de vreemdeling een bevel om het grondgebied te verlaten uitreiken.
  [2 Hij kan dezelfde maatregel nemen ten aanzien van de familieleden van een begunstigde van de tijdelijke beschermingsstatus die werden gemachtigd tot een verblijf in het Rijk op basis van artikel 10bis, § 2/1]2. Het bevel om het grondgebied te verlaten vermeldt dat de bepalingen van dit artikel werden toegepast en de termijn waarbinnen de vreemdeling het grondgebied dient te verlaten, mag niet minder dan één maand mag zijn.
  De minister of zijn gemachtigde verlengt de machtiging tot verblijf van een vreemdeling die tijdelijke bescherming heeft genoten en voor wie het gelet op zijn gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.
  De minister of zijn gemachtigde kan bovendien de machtiging tot verblijf van een vreemdeling die tijdelijke bescherming heeft genoten, verlengen indien die vreemdeling deel uitmaakt van een gezin waarvan de minderjarige kinderen in het Rijk schoolgaan, zodat de betrokken kinderen de lopende schoolperiode kunnen afmaken.
  In de in de voorgaande leden bedoelde gevallen zijn de bepalingen betreffende de vreemdelingen die tijdelijke bescherming genieten niet meer van toepassing.
  
Art.61. [1 § 1er. La preuve de moyens de subsistance suffisants tels que prévus à l'article 60, § 3, alinéa 1er, 5°, est apportée en produisant un ou plusieurs des documents suivant(s):
   1° une attestation émanant soit d'une organisation internationale ou d'une autorité nationale, soit d'une communauté, d'une région, d'une province ou d'une commune, soit d'un établissement d'enseignement supérieur, précisant que le ressortissant d'un pays tiers bénéficie ou bénéficiera prochainement d'une bourse ou d'un prêt;
   2° un engagement de prise en charge souscrit par une personne physique, qui a la nationalité belge ou qui est un citoyen de l'Union bénéficiant d'un droit de séjour de plus de trois mois sur le territoire du Royaume ou d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou qui est un ressortissant d'un pays tiers admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume ou d'un autre Etat membre de l'Union européenne pour une durée illimitée ou qui est un membre de la famille jusqu'au troisième degré inclus, par lequel elle s'engage, vis-à-vis du ressortissant d'un pays tiers, de l'Etat belge et de tout centre public d'aide sociale, pour la durée du séjour projeté, prolongée de douze mois, à supporter les frais des soins de santé, d'hébergement, des études et de rapatriement du ressortissant du pays tiers à charge;
   3° tout autre moyen de preuve de moyens de subsistance suffisants.
   Le Roi fixe les conditions auxquelles doivent répondre l'attestation visée à l'alinéa 1er, 1°, l'engagement visé à l'alinéa 1er, 2°, et la personne qui souscrit cet engagement.
   § 2. Le Roi détermine le montant minimum des moyens d'existence dont doit disposer le ressortissant d'un pays tiers.
   Dans le cadre de l'appréciation de ces moyens d'existence, il est notamment tenu compte des ressources provenant d'une subvention, d'une bourse, d'une indemnité ou de l'exercice légal et régulier d'une activité lucrative en dehors du temps qui doit normalement être consacré aux études.
   § 3. L'examen visant à vérifier si le ressortissant d'un pays tiers dispose de ressources suffisantes est fondé sur un examen individuel du cas d'espèce ]1
.
  
Art. 57/37. [1 De vreemdeling verkrijgt een toelating tot verblijf wegens staatloosheid indien hij voldoet aan de volgende voorwaarden:
   1° hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van het Verdrag van New York van 28 september 1954 betreffende de Status van Staatlozen;
   2° hij toont zijn identiteit en herkomst aan;
   3° hij heeft buiten zijn wil zijn nationaliteit verloren of nooit over een nationaliteit beschikt;
   4° hij kan geen nationaliteit van een andere Staat verwerven of herkrijgen;
   5° hij heeft of kan geen wettige en duurzame verblijfstitel verkrijgen in een andere Staat waarmee hij banden zou hebben en tot dewelke hij effectief toegelaten zou worden;
   6° hij vormt geen gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid.]1

  
Art. 61/1. [1 § 1er. Selon le lieu où la demande a été introduite, le bourgmestre ou son délégué ou le poste diplomatique ou consulaire vérifie si tous les documents prévus à l'article 60, § 3, sont fournis. Le cas échéant, un accusé de réception de la demande, dont le modèle est déterminé par le Roi, est délivré au ressortissant d'un pays tiers.
   § 2. Si tous les documents requis n'ont pas été fournis, l'autorité auprès de laquelle la demande a été introduite informe par écrit le ressortissant de pays tiers des documents qu'il doit encore fournir.
   Le ressortissant d'un pays tiers dispose d'un délai de trente jours à compter de la notification visée à l'alinéa 1er pour compléter sa demande. Si la demande a été introduite sur la base de l'article 60, § 2, ces documents complémentaires doivent en tout cas être fournis avant l'expiration de la durée de validité de son permis ou de son autorisation de séjour, même si le délai de trente jours n'est pas encore écoulé au moment de l'expiration du permis ou de l'autorisation de séjour.
   S'il fournit les documents requis dans le délai prévu, l'autorité auprès de laquelle la demande a été introduite lui délivre un accusé de réception de sa demande, tel que visé au paragraphe 1er.
   § 3. [2 ...]2
   § 4. Le ministre ou son délégué peut déclarer la demande irrecevable si les documents manquants n'étaient pas fournis dans le délai mentionné au paragraphe 2, alinéa 2.
   Le Roi fixe le modèle de la décision d'irrecevabilité. ]1

  
Art. 57/38. [1 § 1. De aanvraag om toelating tot verblijf wegens staatloosheid wordt per aangetekende brief ingediend bij de minister of zijn gemachtigde en bevat het adres van de effectieve verblijfplaats van de vreemdeling in België.
   Indien de door de vreemdeling voorgelegde stukken in een andere taal dan een van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, worden zij vergezeld van een vertaling in een van de drie landstalen of het Engels.
   Bij gebrek aan een vertaling zoals bedoeld in het tweede lid, kan de vreemdeling de door hem voorgelegde stukken, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, toelichten tijdens een persoonlijk onderhoud, in voorkomend geval via een aanwezige tolk. Deze toelichting betreft minstens de relevante gegevens van de voorgelegde stukken.
   Bij gebrek aan enige vertaling voorzien door de vreemdeling, zijn de met het onderzoek belaste instanties niet verplicht om elk door de vreemdeling voorgelegd stuk in zijn volledigheid te vertalen naar een van de drie landstalen of het Engels. Het volstaat om de relevante gegevens van de voorgelegde stukken vast te stellen en deze te vertalen.
   § 2. De vreemdeling die een nieuwe aanvraag indient, wordt geacht afstand te doen van de eerder ingediende hangende aanvragen.]1

  
Art. 61/1/1. [1 § 1er. Le ministre ou son délégué prend une décision et la notifie au ressortissant d'un pays tiers dans un délai de nonante jours suivant la date de l'accusé de réception de la demande, visé à l'article 61/1, § 1er.
   Si le ressortissant d'un pays tiers ne se trouve pas dans l'un des cas visés à l'article 61/1/3, l'autorisation de séjour doit être accordée.
   § 2. Si le ministre ou son délégué a pris une décision positive sur la base d'une attestation visée à l'article 60, § 3, alinéa 1er, 3°, b) ou c), l'étudiant se voit délivrer un document de séjour provisoire qui couvre son séjour pour une durée maximale de quatre mois à partir de la date de son entrée dans le Royaume.
   Au plus tard quinze jours avant l'expiration du délai de quatre mois, l'étudiant doit transmettre au ministre ou à son délégué une attestation telle que visée à l'article 60, § 3, alinéa 1er, 3°, a).
   § 3. Sous réserve du paragraphe 4, si l'autorisation de séjour est accordée sur base d'une attestation visée à l'article 60, § 3, alinéa 1er, 3°, a), sa durée est d'un an au moins.
   Si la formation envisagée fait partie d'un programme de l'Union ou programme multilatéral comportant des mesures de mobilité ou d'une convention entre deux établissements d'enseignement supérieur permettant à l'intéressé de suivre une partie de ses études dans un autre Etat membre, la durée de l'autorisation de séjour est de deux ans au moins, sauf si les conditions fixées à l'article 60, § 3, ne sont pas remplies pour la période de deux ans ou pour toute la durée des études. Dans ce dernier cas, la durée de l'autorisation de séjour est au moins d'un an.
   Par dérogation aux alinéas 1er et 2, si la durée de la formation envisagée est inférieure à un an ou deux ans, selon le cas, la durée de l'autorisation de séjour couvre au moins la durée de la formation.
   La durée de l'autorisation de séjour ne dépassera pas la durée de validité du passeport ou du titre de voyage en tenant lieu.
   § 4. Si le ministre ou son délégué a pris une décision positive, mais qu'il n'était pas possible de joindre déjà à la demande l'attestation visée à l'article 60, § 3, alinéa 1er, 6°, l'étudiant se voit délivrer un document de séjour provisoire qui couvre son séjour pour une durée maximale de quatre mois à partir de la date de son entrée dans le Royaume.
   Au plus tard quinze jours avant l'expiration du délai de quatre mois, l'étudiant doit transmettre une attestation visée à l'article 60, § 3, alinéa 1er, 6°, au ministre ou à son délégué.
   § 5. Dans les cas prévus aux paragraphes 2, 3 et 4, l'étudiant est inscrit au registre des étrangers par l'administration communale du lieu de sa résidence, conformément aux modalités prévues par l'article 12, alinéas 1er et 4.
   Le Roi détermine le modèle du document de séjour délivré à l'étudiant après inscription au registre des étrangers. ]1

  
Art. 57/38. [1 § 1. De aanvraag om toelating tot verblijf wegens staatloosheid wordt per aangetekende brief ingediend bij de minister of zijn gemachtigde en bevat het adres van de effectieve verblijfplaats van de vreemdeling in België.
   Indien de door de vreemdeling voorgelegde stukken in een andere taal dan een van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, worden zij vergezeld van een vertaling in een van de drie landstalen of het Engels.
   Bij gebrek aan een vertaling zoals bedoeld in het tweede lid, kan de vreemdeling de door hem voorgelegde stukken, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, toelichten tijdens een persoonlijk onderhoud, in voorkomend geval via een aanwezige tolk. Deze toelichting betreft minstens de relevante gegevens van de voorgelegde stukken.
   Bij gebrek aan enige vertaling voorzien door de vreemdeling, zijn de met het onderzoek belaste instanties niet verplicht om elk door de vreemdeling voorgelegd stuk in zijn volledigheid te vertalen naar een van de drie landstalen of het Engels. Het volstaat om de relevante gegevens van de voorgelegde stukken vast te stellen en deze te vertalen.
   § 2. De vreemdeling die een nieuwe aanvraag indient, wordt geacht afstand te doen van de eerder ingediende hangende aanvragen.]1

  
Art. 61/1/2. [1 Le ressortissant de pays tiers autorisé au séjour en qualité d'étudiant, conformément à l'article 61/1/1, § 3, et qui souhaite continuer à séjourner en cette qualité doit se présenter à l'administration communale du lieu de sa résidence pour demander le renouvellement de son titre de séjour au plus tard quinze jours avant la fin de son séjour.
   Le Roi fixe les conditions et les modalités relatives aux demandes de renouvellement du titre de séjour en qualité d'étudiant.
   Si le ressortissant d'un pays tiers ne se trouve pas dans l'un des cas visés à l'article 61/1/4, le titre de séjour est renouvelé. ]1

  
Art. 57/39. [1 Bij de indiening van de aanvraag komt het aan de vreemdeling toe om aan te tonen dat hij voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 57/37. De vreemdeling brengt hiervoor alle nodige elementen aan. De met het onderzoek van de aanvraag belaste instanties werken samen met de vreemdeling voor de vaststelling van de relevante elementen van de aanvraag. De met het onderzoek belaste instanties hebben tot taak om de relevante elementen van de aanvraag te beoordelen.
   De in het eerste lid bedoelde elementen omvatten onder meer de verklaringen van de vreemdeling en alle documentatie in zijn bezit over zijn identiteit, herkomst, eerdere nationaliteiten(en), leeftijd, achtergrond, ook die van de relevante familieleden, land(en) en plaats(en) van eerder verblijf of waarmee hij een band heeft, reisroutes, identiteits- en reisdocumenten, en de redenen die tot zijn staatloosheid hebben geleid.]1

  
Art. 61/1/3. [1 § 1er. Le ministre ou son délégué refuse une demande, introduite conformément à l'article 60, si:
   1° les conditions requises à l'article 60 ne sont pas remplies;
   2° le ressortissant d'un pays tiers est considéré comme constituant une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique;
   3° le ressortissant d'un pays tiers a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou lorsque celui-ci a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui contribuent à l'obtention du séjour.
   § 2. Le ministre ou son délégué peut refuser une demande, introduite conformément à l'article 60, dans les cas suivants:
   1° l'établissement d'enseignement supérieur dans lequel le ressortissant d'un pays tiers est inscrit, n'a pas respecté ses obligations légales en matière de sécurité sociale, d'impôts, de droits des travailleurs ou de conditions de travail;
   2° l'établissement d'enseignement supérieur dans lequel le ressortissant d'un pays tiers est inscrit est sanctionné pour le travail au noir ou le travail illégal;
   3° l'établissement d'enseignement supérieur où le ressortissant d'un pays tiers est inscrit a été créé ou opère dans le but principal de faciliter l'entrée de ressortissants de pays tiers dans le Royaume;
   4° lorsque l'établissement d'enseignement supérieur dans lequel le ressortissant de pays tiers est inscrit fait ou a fait l'objet d'une liquidation ou d'une faillite ou si aucune activité économique n'y est exercée;
   5° des preuves ou motifs sérieux et objectifs permettent d'établir que le séjour poursuivrait d'autres finalités que les études. ]1

  
Art. 57/41. [1 § 1. Indien geen toepassing wordt gemaakt van artikel 57/40, maakt de minister of zijn gemachtigde de aanvraag over aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, teneinde een advies te verkrijgen omtrent de voorwaarden bedoeld in artikel 57/37, 1° tot 5°. Wat betreft de voorwaarde voorzien bij artikel 57/37, 1°, is de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen desgevallend gebonden door een eerdere definitieve beslissing in het kader van artikel 572bis, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek.
   De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen zendt ten laatste drie maanden na de ontvangst van de aanvraag, zijn gemotiveerd advies over aan de minister of zijn gemachtigde, alsook alle elementen die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
   De minister of zijn gemachtigde neemt ten laatste drie maanden na de ontvangst van het advies een beslissing over de aanvraag.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde kan de aanvraag volgens een versnelde onderzoeksprocedure behandelen indien de vreemdeling zich bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 of 74/9, of het voorwerp uitmaakt van een veiligheidsmaatregel zoals bedoeld in artikel 68.
   In dit geval worden de termijnen bedoeld in paragraaf 1, tweede en derde lid, ingekort tot vijftien dagen.
   § 3. Indien een beslissing in het kader van artikel 572bis, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek wordt gewezen, worden de termijnen bedoeld in paragraaf 1, tweede en derde lid, van rechtswege geschorst totdat deze beslissing definitief geworden is.]1

  
Art. 61/1/4. [1 § 1er. Le ministre ou son délégué met fin à l'autorisation de séjour en qualité d'étudiant ou refuse une demande de renouvellement d'une telle autorisation, introduite conformément à l'article 61/1/2, dans les cas suivants:
   1° l'étudiant ne remplit plus les conditions requises, à l'exception de l'article 60, § 3, alinéa 1er, 7° et 8° ;
   2° le séjour poursuit d'autres finalités que les études.
   Le ministre ou son délégué retire l'autorisation de séjour en qualité d'étudiant lorsque l'étudiant a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou lorsque celui-ci a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour.
   § 2. Le ministre ou son délégué peut mettre fin à une autorisation de séjour en qualité d'étudiant ou refuser une demande de renouvellement d'une telle autorisation, introduite conformément à l'article 61/1/2, dans les cas suivants:
   1° l'établissement d'enseignement supérieur dans lequel l'étudiant est inscrit, n'a pas respecté ses obligations légales en matière de sécurité sociale, d'impôts, de droits des travailleurs ou de conditions de travail;
   2° l'établissement d'enseignement supérieur dans lequel l'étudiant est inscrit est sanctionné pour travail au noir ou travail illégal;
   3° l'établissement d'enseignement supérieur où l'étudiant est inscrit a été créé ou opère dans le but principal de faciliter l'entrée de ressortissants de pays tiers dans le Royaume;
   4° lorsque l'établissement d'enseignement supérieur dans lequel le ressortissant de pays tiers est inscrit fait ou a fait l'objet d'une liquidation ou d'une faillite ou si aucune activité économique n'y est exercée;
   5° l'étudiant exerce une activité professionnelle illégale ou effectue plus de prestations de travail que celles prévues à l'article 10, 2°, de l'arrêté royal du 2 septembre 2018 portant exécution de la loi du 9 mai 2018 relative à l'occupation de ressortissants étrangers se trouvant dans une situation particulière de séjour;
   6° l'étudiant prolonge ses études de manière excessive;
   7° l'étudiant est considéré comme constituant une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique.
   Le Roi détermine les cas dans lesquels l'étudiant est réputé prolonger ses études de manière excessive, tel que visé à l'alinéa 1er, 6°.
   § 3. Si le ministre ou son délégué entend mettre fin ou ne pas renouveler l'autorisation de séjour d'un étudiant conformément au paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, 2°, 3° ou 4°, l'étudiant est autorisé à introduire une demande en vue d'être accueilli par un autre établissement d'enseignement supérieur pour y suivre un cursus équivalent afin de lui permettre d'achever ses études.
   A compter du moment où il est avisé de l'intention du ministre ou de son délégué visée à l'alinéa 1er, l'étudiant dispose de trente jours pour fournir au ministre ou à son délégué une nouvelle attestation telle que visée à l'article 60, § 3, alinéa 1er, 3°, a) émanant d'un autre établissement d'enseignement supérieur.
   L'étudiant est autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume tant qu'il n'a pas été statué définitivement sur cette demande. ]1

  
Art. 57/41. [1 § 1. Indien geen toepassing wordt gemaakt van artikel 57/40, maakt de minister of zijn gemachtigde de aanvraag over aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, teneinde een advies te verkrijgen omtrent de voorwaarden bedoeld in artikel 57/37, 1° tot 5°. Wat betreft de voorwaarde voorzien bij artikel 57/37, 1°, is de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen desgevallend gebonden door een eerdere definitieve beslissing in het kader van artikel 572bis, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek.
   De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen zendt ten laatste drie maanden na de ontvangst van de aanvraag, zijn gemotiveerd advies over aan de minister of zijn gemachtigde, alsook alle elementen die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
   De minister of zijn gemachtigde neemt ten laatste drie maanden na de ontvangst van het advies een beslissing over de aanvraag.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde kan de aanvraag volgens een versnelde onderzoeksprocedure behandelen indien de vreemdeling zich bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 of 74/9, of het voorwerp uitmaakt van een veiligheidsmaatregel zoals bedoeld in artikel 68.
   In dit geval worden de termijnen bedoeld in paragraaf 1, tweede en derde lid, ingekort tot vijftien dagen.
   § 3. Indien een beslissing in het kader van artikel 572bis, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek wordt gewezen, worden de termijnen bedoeld in paragraaf 1, tweede en derde lid, van rechtswege geschorst totdat deze beslissing definitief geworden is.]1

  
Art. 61/1/5. [1 Toute décision de refus, de retrait, de fin ou de non-renouvellement d'une autorisation de séjour tient compte des circonstances spécifiques du cas d'espèce et respecte le principe de proportionnalité. ]1
  
Art. 57/43. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde of de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan de vreemdeling tijdens elke fase van de procedure horen of verzoeken om bijkomende inlichtingen te verstrekken.
SECTION II. [1 Mobilité ]1
Art. 57/43. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde of de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan de vreemdeling tijdens elke fase van de procedure horen of verzoeken om bijkomende inlichtingen te verstrekken.
   De Koning bepaalt de nadere regels voor het gehoor en het verzoek om inlichtingen.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing tot beëindiging van de behandeling van de aanvraag indien:
   1° de vreemdeling zich niet aanmeldt op de in de oproeping vastgestelde datum en hiervoor geen geldige reden opgeeft;
   2° de vreemdeling geen gevolg geeft aan het verzoek om inlichtingen binnen de dertig dagen na verzending van dit verzoek en hiervoor geen geldige reden opgeeft.]1

  
Art. 61/1/6. [1 Un ressortissant d'un pays tiers ayant été autorisé par un autre Etat membre de l'Union européenne à séjourner en qualité d'étudiant dans le cadre d'une mobilité, est admis sur le territoire du Royaume pour un séjour n'excédant pas 360 jours pour y achever une partie de ses études, à condition que le projet de mobilité ait été porté à la connaissance du ministre ou de son délégué par l'établissement d'enseignement supérieur sur le territoire du Royaume où l'étudiant est inscrit.
   Le Roi fixe les conditions et les modalités de cette notification. ]1

  
Art. 57/44. [1 Onverminderd artikel 57/40 weigert de minister of zijn gemachtigde de aanvraag indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 57/37.
   Indien de minister of zijn gemachtigde de aanvraag weigert omdat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 57/37, 6°, dient het advies bedoeld in artikel 57/41 niet te worden verstrekt. Dit advies moet ook niet verstrekt worden indien er een definitieve negatieve beslissing bestaat in het kader van artikel 572bis, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek.]1

  
Art. 61/1/7. [1 § 1er. Le ministre ou son délégué peut ou, dans le cas visé à 4°, doit s'opposer par écrit à la mobilité de l'étudiant, au plus tard dans un délai de trente jours à compter de la réception de la notification complète, ou peut mettre fin à la mobilité, lorsque:
   1° les conditions relatives à la notification ne sont pas remplies;
   2° l'étudiant a utilisé des informations fausses ou trompeuses, des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude et/ou a employé d'autres moyens illégaux et/ou illicites;
   3° la durée maximale de séjour fixée à l'article 61/1/6, est atteinte;
   4° l'étudiant est considéré comme constituant une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique.
   5° l'étudiant se trouve dans un des cas visés à l'article 61/1/3, § 2.
   § 2. Lorsqu'aucune objection n'a été émise ou lorsqu'une objection n'a pas été émise par écrit dans le délai imparti, la mobilité est considérée comme approuvée. Le Roi détermine le modèle de document de séjour délivré à l'étudiant dans cette situation.
   Lorsque le ministre ou son délégué émet une objection conformément au présent article, la mobilité ne peut pas commencer.
   L'objection est adressée aux autorités compétentes du premier Etat membre, à l'établissement d'enseignement supérieur visé à l'article 61/1/6, ayant effectué la notification, et à l'étudiant lui-même.
   § 3. Si l'étudiant se trouve sur le territoire du Royaume le ministre ou son délégué peut, dans les cas visés au paragraphe 1er, délivrer à l'étudiant un ordre de quitter le territoire dont le modèle est déterminé par le Roi. ]1

  
Art. 57/46. [1 Onverminderd de artikelen 21, 22, 23 en 74/20, kan het verblijf worden beëindigd wanneer de vreemdeling niet langer voldoet aan de voorwaarden van artikel 57/37.
   De minister of zijn gemachtigde kan hiervoor op eigen initiatief het verblijf heronderzoeken en desgevallend de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen verzoeken om een nieuw advies met betrekking tot de voorwaarden bedoeld in artikel 57/37, 1° tot 5°.
   De beslissing bedoeld in het eerste lid kan enkel worden genomen ten aanzien van de vreemdeling die is toegelaten tot een verblijf van beperkte duur.]1

  
Art. 61/1/8. [1 § 1er. Lorsque le ministre ou son délégué a octroyé une autorisation telle que visée à l'article 61/1/1, mais que, par la suite, il met fin à cette autorisation ou la retire, il en informe immédiatement les autorités du deuxième Etat membre, le cas échéant.
   § 2. Lorsque l'étudiant ne remplit pas ou plus les conditions de la mobilité dans le deuxième Etat membre ou lorsque l'autorisation, visée à l'article 61/1/1, délivrée par le ministre ou son délégué, a expiré ou qu'il y a été mis fin ou a été retiré au cours de la période de mobilité dans le deuxième Etat membre, le ministre ou son délégué autorise à nouveau l'entrée de l'étudiant dans le Royaume, sans formalités et sans retard, à la demande du deuxième Etat membre.
   Le Roi détermine le document qui sera, le cas échéant, délivré à l'étudiant. ]1

  
Art. 57/46. [1 Onverminderd de artikelen 21, 22, 23 en 74/20, kan het verblijf worden beëindigd wanneer de vreemdeling niet langer voldoet aan de voorwaarden van artikel 57/37.
SECTION III. [1 Séjour après les études en vue de trouver un emploi ou de créer une entreprise ]1
AFDELING I. [1 Algemene bepalingen ]1
Art. 61/1/9. [1 § 1er. Après l'achèvement de ses études sur le territoire du Royaume, l'étudiant peut introduire une demande afin de séjourner sur le territoire du Royaume pendant 12 mois au maximum en vue de trouver un emploi ou de créer une entreprise dans le but d'obtenir un titre de séjour à des fins de travail.
Art.58.[1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
Art. 61/1/10. [1 § 1er. Après réception de la demande, le ministre ou son délégué vérifie si les conditions fixées à l'article 61/1/9 sont remplies. Le cas échéant, il délivre au ressortissant d'un pays tiers un accusé de réception de la demande, dont le modèle est déterminé par le Roi.
Art. 58.[1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
Art. 61/1/11 [1 Le ministre ou son délégué peut déclarer la demande irrecevable dans les cas suivants:
Art.60.[1 § 1. De onderdaan van een derde land die op het grondgebied van het Rijk wenst te verblijven in de hoedanigheid van student, dient zijn aanvraag in bij de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats in het buitenland.
Art. 61/1/12 [1 § 1er. Le ministre ou son délégué prend une décision et la notifie au ressortissant d'un pays tiers dans un délai de nonante jours suivant la date de l'accusé de réception de la demande, visé à l'article 61/1/10, § 1er.
Art. 60.[1 § 1. De onderdaan van een derde land die op het grondgebied van het Rijk wenst te verblijven in de hoedanigheid van student, dient zijn aanvraag in bij de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats in het buitenland.
Art. 61/1/13 [1 Le ministre ou son délégué peut refuser une demande d'autorisation de séjour tel que visée à l'article 61/1/9 si le ressortissant d'un pays tiers:
Art. 61.[1 § 1. Het bewijs van voldoende bestaansmiddelen, zoals bepaald in artikel 60, § 3, eerste lid, 5°, wordt geleverd door het overleggen van een of meerdere van de hiernavolgende documenten:
Art. 61/1/14 [1 Le ministre ou son délégué peut mettre fin à l'autorisation de séjour délivrée conformément à l'article 61/1/12 dans les cas suivants:
Art. 61/1/1. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing en betekent deze aan de onderdaan van een derde land binnen een termijn van negentig dagen na datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag, bedoeld in artikel 61/1, § 1.
Art. 61/1/15 [1 La présente section s'applique également lorsque l'étudiant fait usage ou a fait usage de son droit à la mobilité et que la Belgique est le deuxième Etat membre dans lequel l'étudiant séjourne ou a séjourné. ]1
Art. 61/1/1. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing en betekent deze aan de onderdaan van een derde land binnen een termijn van negentig dagen na datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag, bedoeld in artikel 61/1, § 1.
CHAPITRE IV. - Des étrangers qui sont victimes de l'infraction de traite des êtres humains au sens de l'article 433quinquies du Code pénal ou qui sont victimes, dans les circonstances visées à l'article 77quater, 1°, en ce qui concerne uniquement les mineurs non accompagnés, à 5°, de l'infraction de trafic des êtres humains au sens de l'article 77bis, et qui coopèrent avec les autorités.
Art. 61/1/3. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde weigert een aanvraag, ingediend overeenkomstig artikel 60, indien:
   1° er niet is voldaan aan de in artikel 60 gestelde voorwaarden;
   2° de onderdaan van een derde land geacht wordt een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid;
   3° de onderdaan van een derde land valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die bijdragen tot het verkrijgen van het verblijf.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde kan een aanvraag, ingediend overeenkomstig artikel 60, weigeren in de volgende gevallen:
   1° de instelling voor hoger onderwijs waar de onderdaan van een derde land is ingeschreven heeft niet voldaan aan haar wettelijke verplichtingen met betrekking tot sociale zekerheid, belastingen, rechten van werknemers of de arbeidsomstandigheden;
   2° de instelling voor hoger onderwijs waar de onderdaan van een derde land is ingeschreven, is bestraft wegens zwartwerk of illegale arbeid;
   3° de instelling voor hoger onderwijs waar de onderdaan van een derde land is ingeschreven is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
   4° de instelling voor hoger onderwijs waar de onderdaan van een derde land is ingeschreven maakt het voorwerp uit of heeft het voorwerp uitgemaakt van een vereffening of faillissement of er vindt geen economische activiteit plaats;
   5° er is bewijs of er zijn ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf andere doeleinden zou dienen dan de studies. ]1

  
Art. 61/2. § 1er. Lorsque les services de police ou d'inspection disposent d'indices qu'un étranger est victime de l'infraction visée à l'article 433quinquies du Code pénal ou victime, dans les circonstances visées à l'article 77quater, 1°, en ce qui concerne uniquement les mineurs non accompagnés, à 5°, de l'infraction au sens de l'article 77bis, ils en informent immédiatement le ministre ou son délégué et ils informent l'étranger de la possibilité d'obtenir un titre de séjour en coopérant avec les autorités compétentes chargées de l'enquête ou des poursuites concernant ces infractions et le mettent en contact avec un centre reconnu par les autorités compétentes, spécialisé dans l'accueil des victimes de ces infractions.
  § 2. Le ministre ou son délégué délivre, à l'étranger visé au § 1er, qui ne dispose pas d'un titre de séjour et qui est accompagné par un centre spécialisé dans l'accueil des victimes, reconnu par les autorités compétentes, [1 un document de séjour temporaire ]1 de 45 jours afin de lui donner la possibilité d'introduire une plainte ou de faire des déclarations concernant les personnes ou les réseaux qui se seraient rendus coupables de l'infraction visée à l'article 433 quinquies du Code pénal ou, dans les circonstances visées à l'article 77quater, 1°, en ce qui concerne uniquement les mineurs non accompagnés, à 5°, de l'infraction au sens de l'article 77bis. [1 Le Roi détermine le modèle du document temporaire de séjour.]1
  L'étranger visé à l'alinéa 1er, qui est âgé de moins de dix-huit ans et qui est arrive dans le Royaume sans être accompagné d'un étranger majeur responsable de lui par la loi et n'ait pas été effectivement pris en charge par une telle personne par la suite, ou ait été laissé seul après être entré dans le Royaume, est mis en possession du document provisoire de séjour prévu à l'article 61/3, § 1er. Il est dûment tenu compte de l'intérêt supérieur de l'enfant pendant l'ensemble de la procédure.
  Si l'étranger visé à l'alinéa 1er, a immédiatement introduit une plainte ou fait des déclarations concernant les personnes ou les réseaux qui se seraient rendus coupables de l'infraction visée à l'article 433quinquies du Code pénal ou, dans les circonstances visées à l'article 77quater, 1°, en ce qui concerne uniquement les mineurs non accompagnés, à 5°, de l'infraction au sens de l'article 77bis, le centre d'accueil spécialisé qui assure son accompagnement peut demander au ministre ou à son délégué de lui délivrer le document provisoire de séjour visé à l'article 61/3,§ 1er.
  § 3. Le ministre ou son délégué peut, à tout moment, décider de mettre fin, au délai prévu au § 2, s'il est établi que l'étranger a activement, volontairement et de sa propre initiative, renoué un lien avec les auteurs présumés de l'infraction visée à l'article 433quinquies du Code pénal ou de l'infraction de trafic des êtres humains au sens de l'article 77bis, ou s'il est considéré comme pouvant compromettre l'ordre public ou à la sécurité nationale.
  
Art. 61/1/4. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van student of weigert een aanvraag tot vernieuwing van dergelijke machtiging, ingediend overeenkomstig artikel 61/1/2, in de volgende gevallen:
   1° de student voldoet niet langer aan de gestelde voorwaarden, met uitzondering van artikel 60, § 3, eerste lid, 7° en 8° ;
   2° het verblijf van de student dient andere doeleinden dan de studies.
   De minister of zijn gemachtigde trekt de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van student in wanneer de student valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt, of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde kan een einde stellen aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van student of een aanvraag tot vernieuwing van dergelijke machtiging, ingediend overeenkomstig artikel 61/1/2, weigeren in de volgende gevallen:
   1° de instelling voor hoger onderwijs waar de student is ingeschreven heeft niet voldaan aan haar wettelijke verplichtingen met betrekking tot sociale zekerheid, belastingen, rechten van werknemers of de arbeidsomstandigheden;
   2° de instelling voor hoger onderwijs waar de student is, ingeschreven is bestraft wegens zwartwerk of illegale arbeid;
   3° de instelling voor hoger onderwijs waar de student is ingeschreven is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
   4° de instelling voor hoger onderwijs waar de student is ingeschreven maakt het voorwerp uit of heeft het voorwerp uitgemaakt van een vereffening of faillissement of er vindt geen economische activiteit plaats;
   5° de student oefent een illegale beroepsactiviteit uit of levert meer arbeidsprestaties dan voorzien in artikel 10, 2° van het koninklijk besluit van 2 september 2018 houdende de uitvoering van de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden;
   6° de student verlengt zijn studies op overdreven wijze;
   7° de student wordt geacht een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid.
   De Koning bepaalt de gevallen waarin de student geacht wordt zijn studies op overdreven wijze te verlengen, zoals bedoeld in het eerste lid, 6°.
   § 3. Indien de minister of zijn gemachtigde voornemens is de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van student te beëindigen of niet te vernieuwen in de gevallen bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, 2°, 3° of 4°, dan mag de student een aanvraag indienen om bij een andere instelling voor hoger onderwijs een gelijkwaardige studie te volgen om hem toe te laten zijn studies te voltooien.
   De student beschikt over een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf het moment waarop de student in kennis wordt gesteld van het in het eerste lid bedoelde voornemen van de minister of zijn gemachtigde, om een nieuw attest, zoals bedoeld in artikel 60, § 3, eerste lid, 3°, a), uitgaande van een andere instelling voor hoger onderwijs, aan de minister of zijn gemachtigde over te zenden.
   De student mag op het grondgebied van het Rijk verblijven zolang er geen definitieve beslissing is genomen omtrent deze aanvraag. ]1

  
Art. 61/3. § 1er. Le ministre ou son délégué délivre un document de séjour pour une durée de validité de trois mois au maximum, à l'étranger visé à l'article 61/2, § 1er, qui a introduit, au cours du délai fixé à l'article 61/2,§ 2, alinéa 1er, une plainte ou une déclaration concernant les personnes ou les réseaux qui se seraient rendus coupables de l'infraction visée à l'article 433quinquies du Code pénal ou, dans les circonstances visées à l'article 77quater, 1°, en ce qui concerne uniquement les mineurs non accompagnés, à 5°, de l'infraction au sens de l'article 77bis.
  Le Roi détermine le modèle du document provisoire de séjour.
  § 2. Le ministre ou son délégué demande au procureur du Roi ou à l'auditeur du travail de l'informer, avant l'expiration de la durée de validité du document de séjour délivré conformément au § 1er, que l'étranger concerné peut toujours être considéré comme une victime de l'infraction visée à l'article 433quinquies du Code pénal ou, dans les circonstances visées à l'article 77quater, de l'infraction au sens de l'article 77bis, que l'enquête ou la procédure judiciaire est toujours en cours, que l'étranger concerné manifeste une volonté claire de coopération et qu'il a rompu tout lien avec les auteurs présumés de cette infraction.
  Le document provisoire de séjour visé à l'alinéa 1er, peut être prolongée pour une seule nouvelle période de trois mois au maximum, si l'enquête le nécessite ou si le ministre ou son délégué l'estime opportun en tenant compte des éléments du dossier.
  § 3. Le ministre ou son délégué peut, à tout moment, décider de mettre fin à cette autorisation de séjour s'il est établi que l'étranger a activement, volontairement et de sa propre initiative, renoué un lien avec les auteurs présumés de l'infraction visée à l'article 433quinquies du Code pénal ou à l'article 77bis, ou s'il est considéré comme pouvant compromettre l'ordre public ou à la sécurité nationale.
  § 4. L'étranger doit essayer de prouver son identité en présentant son passeport ou un titre de voyage en tenant lieu ou sa carte d'identité nationale.
Art. 61/1/4. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van student of weigert een aanvraag tot vernieuwing van dergelijke machtiging, ingediend overeenkomstig artikel 61/1/2, in de volgende gevallen:
   1° de student voldoet niet langer aan de gestelde voorwaarden, met uitzondering van artikel 60, § 3, eerste lid, 7° en 8° ;
   2° het verblijf van de student dient andere doeleinden dan de studies.
   De minister of zijn gemachtigde trekt de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van student in wanneer de student valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt, of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde kan een einde stellen aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van student of een aanvraag tot vernieuwing van dergelijke machtiging, ingediend overeenkomstig artikel 61/1/2, weigeren in de volgende gevallen:
   1° de instelling voor hoger onderwijs waar de student is ingeschreven heeft niet voldaan aan haar wettelijke verplichtingen met betrekking tot sociale zekerheid, belastingen, rechten van werknemers of de arbeidsomstandigheden;
   2° de instelling voor hoger onderwijs waar de student is, ingeschreven is bestraft wegens zwartwerk of illegale arbeid;
   3° de instelling voor hoger onderwijs waar de student is ingeschreven is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
   4° de instelling voor hoger onderwijs waar de student is ingeschreven maakt het voorwerp uit of heeft het voorwerp uitgemaakt van een vereffening of faillissement of er vindt geen economische activiteit plaats;
   5° de student oefent een illegale beroepsactiviteit uit of levert meer arbeidsprestaties dan voorzien in artikel 10, 2° van het koninklijk besluit van 2 september 2018 houdende de uitvoering van de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden;
   6° de student verlengt zijn studies op overdreven wijze;
   7° de student wordt geacht een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid.
   De Koning bepaalt de gevallen waarin de student geacht wordt zijn studies op overdreven wijze te verlengen, zoals bedoeld in het eerste lid, 6°.
   § 3. Indien de minister of zijn gemachtigde voornemens is de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van student te beëindigen of niet te vernieuwen in de gevallen bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, 2°, 3° of 4°, dan mag de student een aanvraag indienen om bij een andere instelling voor hoger onderwijs een gelijkwaardige studie te volgen om hem toe te laten zijn studies te voltooien.
   De student beschikt over een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf het moment waarop de student in kennis wordt gesteld van het in het eerste lid bedoelde voornemen van de minister of zijn gemachtigde, om een nieuw attest, zoals bedoeld in artikel 60, § 3, eerste lid, 3°, a), uitgaande van een andere instelling voor hoger onderwijs, aan de minister of zijn gemachtigde over te zenden.
   De student mag op het grondgebied van het Rijk verblijven zolang er geen definitieve beslissing is genomen omtrent deze aanvraag. ]1

  
Art. 61/4. § 1er. Le ministre ou son délégué autorise l'étranger visé à l'article 61/3, § 1er, au séjour pour une durée de six mois, lorsque le Procureur du Roi ou l'auditeur du travail lui a confirmé que l'enquête ou la procédure judiciaire est toujours en cours, que l'étranger manifeste une volonté claire de coopération et pour autant que celui-ci a rompu tout lien avec les auteurs présumés de l'infraction visée à l'article 433quinquies du Code pénal ou à l'article 77bis, et n'est pas considéré comme pouvant compromettre l'ordre public ou à la sécurité nationale.
  L'inscription au registre des étrangers et la délivrance du titre de séjour faisant foi de celle-ci ont lieu conformément aux dispositions de l'article 12. La durée de validité du titre de séjour ainsi que sa prorogation ou son renouvellement sont fixés [3 par l'article 13, § 1er, alinéa 7]3 et § 2]1.
  § 2. Pendant la durée de validité du titre de séjour ou lors de sa prorogation ou de son renouvellement, le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour de l'étranger et, le cas échéant, lui donner l'ordre de quitter le territoire, s'il constate que :
  1° l'étranger a activement, volontairement et de sa propre initiative, renoué un lien avec les auteurs présumés de l'infraction visée à l'article 433quinquies du Code pénal ou à l'article 77bis;
  2° l'étranger a cessé de coopérer;
  3° les autorités judiciaires ont décidé de mettre fin à la procédure.
  L'alinéa 1er est également applicable lorsque le ministre ou son délégué considère l'étranger comme pouvant compromettre l'ordre public ou à la sécurité nationale ou estime, en coopération avec les autorités judiciaires, que la coopération de l'étranger est frauduleuse ou que sa plainte est frauduleuse ou non fondée.
  
Art. 61/1/5. [1 Elke beslissing tot weigering, beëindiging, intrekking of niet-vernieuwing van de machtiging tot verblijf houdt rekening met de specifieke omstandigheden van elk geval en eerbiedigt het evenredigheidsbeginsel. ]1
  
Art. 61/5. Le ministre ou son délégué peut autoriser au séjour pour une durée illimitée l'étranger victime de l'infraction visée à l'article 433quinquies du Code pénal ou victime, dans les circonstances visées à l'article 77quater, 1°, en ce qui concerne uniquement les mineurs non accompagnés, à 5°, de l'infraction au sens de l'article 77bis, lorsque sa déclaration ou sa plainte a abouti à une condamnation ou si le Procureur du Roi ou l'auditeur du travail a retenu dans ses réquisitions la prévention de traite des êtres humains ou de trafic des êtres humains sous les circonstances aggravantes prévues à l'article 77quater.
Art. 61/1/6. [1 Een onderdaan van een derde land die, in het kader van mobiliteit, door een andere lidstaat van de Europese Unie werd gemachtigd tot een verblijf in de hoedanigheid van student, wordt toegelaten op het grondgebied van het Rijk voor een verblijf van ten hoogste 360 dagen om er een deel van zijn studie te voltooien, mits het voornemen tot mobiliteit door de instelling van hoger onderwijs waar de student is ingeschreven op het grondgebied van het Rijk ter kennis werd gebracht aan de minister of zijn gemachtigde.
CHAPITRE V. - Bénéficiaires du statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, sur la base de la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée.
Art. 61/1/7. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde kan of, in het in 4° bedoelde geval, moet schriftelijk bezwaar maken tegen de mobiliteit van de student, uiterlijk dertig dagen na ontvangst van de volledige kennisgeving, of kan een einde stellen aan de mobiliteit, indien:
   1° niet aan de voorwaarden in verband met de kennisgeving is voldaan;
   2° de student gebruik heeft gemaakt van valse of misleidende informatie of valse en/of vervalste documenten, fraude heeft gepleegd of andere onwettige en/of ongeoorloofde middelen heeft gebruikt;
   3° de in artikel 61/1/6 bedoelde maximumduur van het verblijf is verstreken;
   4° de student geacht wordt een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid;
   5° de student zich bevindt in een van de gevallen bedoeld in artikel 61/1/3, § 2.
   § 2. Indien er geen of niet tijdig een schriftelijk bezwaar werd ingediend, wordt de mobiliteit geacht goedgekeurd te zijn. De Koning bepaalt het model van het verblijfsdocument dat in dat geval aan de student wordt afgegeven.
   Wanneer de minister of zijn gemachtigde een bezwaar maakt overeenkomstig dit artikel mag de mobiliteit niet aanvangen.
   Het bezwaar is gericht aan de bevoegde autoriteiten van de eerste lidstaat, de instelling voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 61/1/6, die de kennisgeving heeft gedaan, en de student zelf.
   § 3. Indien de student zich op het grondgebied van het Rijk bevindt, kan de minister of zijn gemachtigde, in de gevallen bedoeld in paragraaf 1, aan de student een bevel geven om het grondgebied te verlaten, waarvan het model door de Koning wordt bepaald. ]1

  
Art. 61/6. Les Etats tenus par la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, sont les Etats membres de l'Union européenne, à l'exception du Danemark, de l'Irlande et du Royaume-Uni.
Art. 61/1/7. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde kan of, in het in 4° bedoelde geval, moet schriftelijk bezwaar maken tegen de mobiliteit van de student, uiterlijk dertig dagen na ontvangst van de volledige kennisgeving, of kan een einde stellen aan de mobiliteit, indien:
   1° niet aan de voorwaarden in verband met de kennisgeving is voldaan;
   2° de student gebruik heeft gemaakt van valse of misleidende informatie of valse en/of vervalste documenten, fraude heeft gepleegd of andere onwettige en/of ongeoorloofde middelen heeft gebruikt;
   3° de in artikel 61/1/6 bedoelde maximumduur van het verblijf is verstreken;
   4° de student geacht wordt een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid;
   5° de student zich bevindt in een van de gevallen bedoeld in artikel 61/1/3, § 2.
   § 2. Indien er geen of niet tijdig een schriftelijk bezwaar werd ingediend, wordt de mobiliteit geacht goedgekeurd te zijn. De Koning bepaalt het model van het verblijfsdocument dat in dat geval aan de student wordt afgegeven.
   Wanneer de minister of zijn gemachtigde een bezwaar maakt overeenkomstig dit artikel mag de mobiliteit niet aanvangen.
   Het bezwaar is gericht aan de bevoegde autoriteiten van de eerste lidstaat, de instelling voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 61/1/6, die de kennisgeving heeft gedaan, en de student zelf.
   § 3. Indien de student zich op het grondgebied van het Rijk bevindt, kan de minister of zijn gemachtigde, in de gevallen bedoeld in paragraaf 1, aan de student een bevel geven om het grondgebied te verlaten, waarvan het model door de Koning wordt bepaald. ]1

  
Art. 61/7. § 1er. Pour autant qu'aucune raison d'ordre public ou de sécurité nationale ne s'y opposent, et pour autant qu'il ne soit pas atteint d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées dans l'annexe de la présente loi, lorsque l'étranger porteur d'un [1 permis de séjour de résident de longue durée - UE]1 valable, délivré par un autre Etat membre de l'Union européenne sur la base de la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, introduit une demande d'autorisation de séjour de plus de trois mois, celle-ci doit être accordée s'il remplit l'une des conditions suivantes :
  1° exercer une activité salariée ou non salariée en Belgique;
  2° poursuivre des études ou une formation professionnelle en Belgique;
  3° venir en Belgique à d'autres fins.
  La preuve de la condition visée à l'alinéa 1er, 1°,[3 s'il s'agit d'une activité non salariée,]3 st fournie s'il prouve qu'il est autorisé à travailler en Belgique ou qu'il est dispensé de cette autorisation et, selon le cas, qu'il possède un contrat de travail ou une proposition de contrat d'emploi, ou les documents requis pour l'exercice de la profession non salariée, et retire ou peut retirer de cette activité des ressources stables, régulières et suffisantes pour subvenir à ses besoins et à ceux des membres de sa famille afin d'éviter de devenir une charge pour les pouvoirs publics.
  [3 Si l'étranger souhaite exercer une activité salariée, telle que visée à l'alinéa 1er, 1°, les paragraphes 2, 3, 4 et 6 ne sont pas d'application. La procédure d'autorisation de séjour se fait conformément au chapitre VIIbis du titre II.]3
  La preuve de la condition visée à l'alinéa 1er, 2° est apportée s'il réunit les conditions fixées aux articles [4 à l'article 60]4.
  La preuve de la condition visée à l'alinéa 1er, 3°, est apportée s'il prouve qu'il dispose de ressources stables, régulières et suffisantes pour subvenir à ses besoins et à ceux des membres de sa famille afin d'éviter de devenir une charge pour les pouvoirs publics, et s'il prouve qu'il dispose d'une assurance-maladie couvrant les risques en Belgique.
  Les règles visées à l'alinéa 1er ne sont pas applicables lorsque le résident de longue durée souhaite séjourner dans le Royaume en tant que travailleur salarié détaché par un prestataire de services installé dans un Etat membre de l'Union européenne, dans le cadre d'une prestation transfrontalière, ou en tant que prestataire de services transfrontaliers.
  § 2. La demande d'autorisation de séjour est introduite selon les modalités prévues à l'article 9 ou 9bis.
  Lorsque l'autorisation est demandée par l'étranger auprès du bourgmestre de la localité où il séjourne, ce dernier lui remet, sauf lorsqu'il refuse de prendre cette demande en considération, une preuve de réception de celle-ci et la transmet sans délai au ministre ou à son délégué.
  § 3. La décision relative à la demande d'autorisation de séjour est prise dans les plus brefs délais et au plus tard dans les quatre mois suivant la demande, lorsque celle-ci est faite à l'étranger, ou suivant la date de la remise de la preuve de réception de la demande dans le cas visé au § 2, dernier alinéa.
  Lorsque les documents requis ne sont pas produits ou dans des cas exceptionnels liés à la complexité de l'examen de la demande et par une décision motivée portée à la connaissance du demandeur, le ministre ou son délégué peut, à une seule reprise, prolonger ce délai d'une période de trois mois.
  A l'expiration du délai de quatre mois suivant l'introduction de la demande, éventuellement prolongé conformément à l'alinéa 2, si aucune décision n'a été prise, l'autorisation de séjour doit être délivrée lorsque les documents visés au § 1er ont été produits.
  § 4. Les dispositions [5 de l'article 13, § 1er, alinéas 1er et 7]5]2, et § 2, sont applicables à l'autorisation de séjour visée au § 1er.
  L'inscription au registre des étrangers de l'étranger visé au § 1er et la délivrance du titre de séjour faisant foi de celle-ci ont lieu conformément aux dispositions de l'article 12.
  § 5. Le ministre ou son délégué informe les autorités compétentes de l'Etat membre de l'Union européenne dans lequel l'étranger s'est vu délivrer un [1 permis de séjour de résident de longue durée - UE]1 sur la base de la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne précitée, de la décision d'autorisation de séjour.
  § 6. L'autorisation de séjour de l'étranger visé au § 1er, alinéa 1er, 1° et 3°, devient illimitée à l'expiration d'une période de cinq ans suivant la délivrance du titre de séjour.
  [1 § 7. Lorsque l'autorisation de séjour est refusée pour des raisons d'ordre public ou de sécurité nationale, le ministre ou son délégué prend en considération la gravité ou la nature de l'infraction que soit la personne concernée, soit le membre de sa famille a commise contre l'ordre public ou la sécurité nationale, ou le danger que la personne en question représente. Les raisons ne peuvent être invoquées à des fi ns économiques.]1
  
Art. 61/1/8. [1 § 1. Wanneer de minister of zijn gemachtigde een vergunning heeft afgeleverd, zoals bedoeld in artikel 61/1/1, maar deze naderhand beëindigt of intrekt, dan stelt hij, in voorkomend geval, de autoriteiten van de tweede lidstaat daar onmiddellijk van op de hoogte.
   § 2. Indien de student niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor mobiliteit in de tweede lidstaat of indien de door de minister of zijn gemachtigde afgegeven vergunning, bedoeld in artikel 61/1/1, tijdens de periode van mobiliteit in de tweede lidstaat is verstreken, beëindigd of ingetrokken, wordt de student door de minister of zijn gemachtigde, op verzoek van de tweede lidstaat, zonder formaliteiten en onverwijld, toegelaten het Rijk terug binnen te komen.
   De Koning bepaalt het document dat in voorkomend geval aan de student wordt afgegeven.]1

  
Art. 61/8. [1 § 1er. Lorsqu'il est mis fin au séjour d'un étranger autorisé au séjour en vertu de l'article 61/7, l'Etat membre qui lui a accordé le statut de résident de longue durée en est informé en vue de la réadmission éventuelle de l'intéressé sur son territoire.
   La mesure d'éloignement est limitée au territoire du Royaume.
   § 2. Par dérogation au paragraphe 1er et sans préjudice de l'alinéa 2, la mesure d'éloignement peut être étendue au territoire de l'Union européenne si l'intéressé représente une menace actuelle et suffisamment grave pour l'ordre public ou la sécurité nationale. L'Etat membre qui lui a accordé le statut de résident de longue durée est consulté lors de la prise de décision.
   Si l'intéressé bénéficie de la protection internationale dans un autre Etat membre, la mesure d'éloignement peut être étendue au territoire de l'Union européenne uniquement si :
   1° il ne bénéficie plus de la protection internationale; ou si
   2° il existe des raisons sérieuses de considérer que l'intéressé constitue une menace pour la sécurité nationale ou si, ayant été condamné définitivement pour une infraction particulièrement grave, il représente une menace pour l'ordre public.
   L'intéressé ne peut en aucun cas être éloigné vers un pays où il est exposé à une violation du principe de non-refoulement.]1

  
Art. 61/1/9 [1 § 1. Na de voltooiing van zijn studie op het grondgebied van het Rijk kan de student een aanvraag indienen om gedurende een termijn van maximum 12 maanden op het grondgebied van het Rijk te verblijven teneinde er werk te zoeken of een onderneming op te richten met als doel het verkrijgen van een verblijfsvergunning met het oog op werk.
Art. 61/9.
Art. 61/1/9 [1 § 1. Na de voltooiing van zijn studie op het grondgebied van het Rijk kan de student een aanvraag indienen om gedurende een termijn van maximum 12 maanden op het grondgebied van het Rijk te verblijven teneinde er werk te zoeken of een onderneming op te richten met als doel het verkrijgen van een verblijfsvergunning met het oog op werk.
CHAPITRE VI. - Chercheurs.
Art. 61/1/10 [1 § 1. Na ontvangst van de aanvraag onderzoekt de minister of zijn gemachtigde of aan de voorwaarden gesteld in artikel 61/1/9 is voldaan. Indien dit het geval is, stelt hij de onderdaan van een derde land in het bezit van een ontvangstbewijs van de aanvraag, waarvan het model door de Koning wordt bepaald.
Section 1re. [1 - Dispositions générales.]1
Art. 61/1/12 [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing en betekent deze aan de onderdaan van een derde land binnen een termijn van negentig dagen na datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag, bedoeld in artikel 61/1/10, § 1.
Art. 61/10. § 1er. [1 Pour l'application du présent chapitre, on entend par:
Art. 61/1/12 [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing en betekent deze aan de onderdaan van een derde land binnen een termijn van negentig dagen na datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag, bedoeld in artikel 61/1/10, § 1.
   Indien de onderdaan van een derde land zich niet bevindt in één van de gevallen bedoeld in artikel 61/1/13, moet de machtiging tot verblijf worden toegekend.
   De Koning bepaalt het model van het verblijfsdocument dat in geval van een positieve beslissing aan de onderdaan van een derde land wordt afgegeven.
   § 2. Indien tijdens de behandeling van deze aanvraag zijn verblijfsvergunning vervalt, ontvangt de onderdaan van een derde land een document dat voorlopig zijn verblijf dekt in afwachting van een beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde.
   De Koning bepaalt het verblijfsdocument dat aan de onderdaan van een derde land wordt afgegeven. ]1

  
Art. 61/11. [1 Les dispositions du présent chapitre sont applicables:
   1° aux ressortissants d'un pays tiers qui demandent à être autorisés ou qui sont déjà autorisés à séjourner plus de nonante jours sur le territoire du Royaume en qualité de chercheur lié par une convention d'accueil à un organisme de recherche agréé;
   2° aux ressortissants d'un pays tiers ayant obtenu un permis pour chercheur dans un autre Etat membre de l'Union européenne et qui souhaitent entrer dans le Royaume afin d'y séjourner et d'y travailler dans le cadre d'une mobilité de courte durée;
   3° aux ressortissants d'un pays tiers ayant obtenu un permis pour chercheur dans un autre Etat membre de l'Union européenne et qui souhaitent entrer dans le Royaume afin d'y séjourner et d'y travailler dans le cadre d'une mobilité de longue durée, sur la base d'une convention d'accueil avec un organisme de recherche agréé;
   4° aux ressortissants d'un pays tiers visés aux 1° et 2° qui sont autorisés à séjourner et à travailler dans le Royaume en l'une de ces qualités;
   5° aux ressortissants d'un pays tiers qui ont été autorisés à séjourner et à travailler dans le Royaume en qualité de chercheur et qui souhaitent temporairement continuer leur séjour afin de chercher un emploi ou créer une entreprise;
   6° [2 aux membres de la famille d'un chercheur visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e)"]2, autorisés au séjour dans un autre Etat membre de l'Union européenne en tant que membres de la famille de ce chercheur, pour autant qu'ils le rejoignent dans le cadre d'une mobilité de courte durée.]1

  
Art. 61/1/14 [1 De minister of zijn gemachtigde kan in de volgende gevallen een einde stellen aan de machtiging tot verblijf afgegeven krachtens artikel 61/1/12:
Section 2. [1 - Permis pour chercheur.]1
Art. 61/1/14 [1 De minister of zijn gemachtigde kan in de volgende gevallen een einde stellen aan de machtiging tot verblijf afgegeven krachtens artikel 61/1/12:
Sous-section 1re. [1 - Dispositions relatives à la procédure conjointe avec l'autorité compétente en matière d'occupation des travailleurs étrangers.]1
HOOFDSTUK IV. - Vreemdelingen die het slachtoffer zijn van het misdrijf mensenhandel in de zin van artikel 433quinquies van het Strafwetboek, of die het slachtoffer zijn van het misdrijf mensensmokkel in de zin van artikel 77bis in de omstandigheden bedoeld in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot en met 5°, en die met de autoriteiten samenwerken.
Art. 61/12.[1 § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui souhaite séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de chercheur, introduit sa demande auprès de l'autorité régionale compétente, sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
Art. 61/2. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/72, art. 65; Inwerkingtreding : 01-06-2007> § 1. Indien de politie- of de inspectiediensten over aanwijzingen beschikken dat een vreemdeling het slachtoffer is van het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis onder de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot 5°, verwittigen zij onmiddellijk de minister of zijn gemachtigde, brengen zij de vreemdeling op de hoogte van de mogelijkheid om een verblijfstitel te verkrijgen in ruil voor samenwerking met de autoriteiten die belast zijn met het onderzoek naar of de vervolging van deze misdrijven en brengen zij hem in contact met een door de bevoegde overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van deze misdrijven.
  § 2. De minister of zijn gemachtigde stelt de in § 1 bedoelde vreemdeling, die niet beschikt over een verblijfstitel en die begeleid wordt door een door de overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers, in het bezit van [1 een tijdelijk verblijfsdocument]1 van 45 dagen ten einde hem de kans te geven een klacht in te dienen of verklaringen af te leggen met betrekking tot de personen of de netwerken die zich schuldig zouden gemaakt hebben aan het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf voorzien in artikel 77bis onder de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot 5°. [1 De Koning bepaalt het model van het tijdelijk verblijfsdocument.]1
  De in het eerste lid bedoelde vreemdeling, die jonger is dan achttien jaar en het Rijk is binnengekomen zonder begeleiding van een krachtens de wet verantwoordelijke meerderjarige vreemdeling en vervolgens niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke persoon gestaan heeft, hetzij zonder begeleiding werd achtergelaten nadat hij het Rijk is binnengekomen, wordt dadelijk in het bezit gesteld van het in artikel 61/3, § 1, voorziene tijdelijk verblijfsdocument. Tijdens de hele procedure wordt naar behoren rekening gehouden met het hoger belang van het kind.
  Indien de in eerste lid bedoelde vreemdeling onmiddellijk een klacht heeft ingediend of verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de personen of de netwerken die zich schuldig zouden gemaakt hebben aan het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis onder de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot 5°, kan het gespecialiseerd onthaalcentrum dat hem begeleidt aan de minister of zijn gemachtigde vragen om hem dadelijk in het bezit te stellen van het in artikel 61/3, § 1, voorziene tijdelijk verblijfsdocument.
  § 3. De minister of zijn gemachtigde kan op elk moment beslissen om de in § 2 voorziene termijn te beëindigen indien wordt vastgesteld dat de vreemdeling actief, vrijwillig en uit eigen beweging opnieuw contact heeft opgenomen met de vermoedelijke plegers van de misdrijven bedoeld in 433quinquies van het Strafwetboek of artikel 77bis alsmede indien hij wordt beschouwd als een mogelijk gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
  
Art. 61/13. [1 § 1er. Conformément à l'article 21 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ressortissant d'un pays tiers qui est autorisé à séjourner plus de nonante jours en qualité de chercheur et qui souhaite renouveler son séjour en cette qualité, introduit sa demande au plus tard deux mois avant l'expiration de son autorisation de séjour auprès de l'autorité régionale compétente sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
   § 2. Si la durée de validité pendant laquelle l'intéressé est autorisé à séjourner en qualité de chercheur expire durant l'examen de la demande, que celle-ci est complète et qu'elle a été introduite avant l'expiration de la durée de validité de son permis pour chercheur, il lui est délivré un document qui couvre provisoirement son séjour jusqu'à ce qu'il soit statué sur sa demande.
   Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance du document de séjour.]1

  
Art. 61/2. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/72, art. 65; Inwerkingtreding : 01-06-2007> § 1. Indien de politie- of de inspectiediensten over aanwijzingen beschikken dat een vreemdeling het slachtoffer is van het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis onder de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot 5°, verwittigen zij onmiddellijk de minister of zijn gemachtigde, brengen zij de vreemdeling op de hoogte van de mogelijkheid om een verblijfstitel te verkrijgen in ruil voor samenwerking met de autoriteiten die belast zijn met het onderzoek naar of de vervolging van deze misdrijven en brengen zij hem in contact met een door de bevoegde overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van deze misdrijven.
  § 2. De minister of zijn gemachtigde stelt de in § 1 bedoelde vreemdeling, die niet beschikt over een verblijfstitel en die begeleid wordt door een door de overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers, in het bezit van [1 een tijdelijk verblijfsdocument]1 van 45 dagen ten einde hem de kans te geven een klacht in te dienen of verklaringen af te leggen met betrekking tot de personen of de netwerken die zich schuldig zouden gemaakt hebben aan het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf voorzien in artikel 77bis onder de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot 5°. [1 De Koning bepaalt het model van het tijdelijk verblijfsdocument.]1
  De in het eerste lid bedoelde vreemdeling, die jonger is dan achttien jaar en het Rijk is binnengekomen zonder begeleiding van een krachtens de wet verantwoordelijke meerderjarige vreemdeling en vervolgens niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke persoon gestaan heeft, hetzij zonder begeleiding werd achtergelaten nadat hij het Rijk is binnengekomen, wordt dadelijk in het bezit gesteld van het in artikel 61/3, § 1, voorziene tijdelijk verblijfsdocument. Tijdens de hele procedure wordt naar behoren rekening gehouden met het hoger belang van het kind.
  Indien de in eerste lid bedoelde vreemdeling onmiddellijk een klacht heeft ingediend of verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de personen of de netwerken die zich schuldig zouden gemaakt hebben aan het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis onder de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot 5°, kan het gespecialiseerd onthaalcentrum dat hem begeleidt aan de minister of zijn gemachtigde vragen om hem dadelijk in het bezit te stellen van het in artikel 61/3, § 1, voorziene tijdelijk verblijfsdocument.
  § 3. De minister of zijn gemachtigde kan op elk moment beslissen om de in § 2 voorziene termijn te beëindigen indien wordt vastgesteld dat de vreemdeling actief, vrijwillig en uit eigen beweging opnieuw contact heeft opgenomen met de vermoedelijke plegers van de misdrijven bedoeld in 433quinquies van het Strafwetboek of artikel 77bis alsmede indien hij wordt beschouwd als een mogelijk gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
  
Art. 61/13/1. [1 Le ministre ou son délégué notifie les décisions suivantes au ressortissant d'un pays tiers:
   1° les décisions de refus de l'autorisation de séjour, de non-renouvellement de l'autorisation de séjour ou mettant fin à l'autorisation de séjour ou qui retirent celle-ci, prises en vertu de la présente section;
   2° la décision d'octroi ou de renouvellement de l'autorisation de travail et de l'autorisation de séjour sous la forme d'un acte administratif unique.
   Dans les cas et conditions fixés par les articles 26 à 36 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué informe l'employeur de la décision visée à l'alinéa 1er, 2°.]1

  
Art. 61/3. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/72, art. 66; Inwerkingtreding : 01-06-2007> § 1. De minister of zijn gemachtigde stelt de in artikel 61/2, § 1, bedoelde vreemdeling die, tijdens de in artikel 61/2, § 2, eerste lid, bepaalde termijn, een klacht heeft ingediend of verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de personen of de netwerken die zich schuldig zouden gemaakt hebben aan het misdrijf bedoeld in 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis onder de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot 5°, in het bezit van een verblijfsdocument met een geldigheidsduur van maximaal drie maanden.
  De Koning bepaalt het model van het tijdelijk verblijfsdocument.
  § 2. De minister of zijn gemachtigde verzoekt de procureur des Konings of de arbeidsauditeur hem voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het overeenkomstig § 1 afgegeven verblijfsdocument mee te delen of betrokken vreemdeling nog kan beschouwd worden als een slachtoffer van het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis onder de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, of het onderzoek of de gerechtelijke procedure nog loopt, hij blijk geeft van bereidheid tot medewerking en hij alle banden met de vermoedelijke daders van deze misdrijven heeft verbroken.
  De in het eerste lid voorziene verblijfsdocument kan voor één enkele nieuwe periode van maximaal drie maanden worden verlengd indien dit nodig is voor het onderzoek of indien de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de elementen van het dossier, van oordeel is dat dit opportuun is.
  § 3. De minister of zijn gemachtigde kan op elk moment beslissen om de machtiging tot verblijf te beëindigen indien wordt vastgesteld dat de vreemdeling actief, vrijwillig en uit eigen beweging opnieuw contact heeft opgenomen met de vermoedelijke plegers van de misdrijven bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of artikel 77bis alsmede indien hij wordt beschouwd als een mogelijk gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
  § 4. De vreemdeling moet proberen zijn identiteit te bewijzen door zijn paspoort of daarmee gelijkgestelde reistitel of door zijn nationale identiteitskaart over te leggen.
Art. 61/13/2. [1 § 1er. Conformément à l'article 34, alinéa 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, et à l'article 41, alinéa 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 61/12, se trouve à l'étranger à la date de la décision l'autorisant à travailler et à séjourner sur le territoire en qualité de chercheur, un visa de long séjour lui est délivré, à sa demande.
   Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance de ce visa.
   § 2. Conformément à l'article 41, alinéa 3, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant d'un pays tiers autorisé à travailler et à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de chercheur est inscrit dans le registre des étrangers et un permis pour chercheur lui est délivré.
   Le Roi détermine:
   1° le modèle du permis pour chercheur;
   2° la durée de validité du permis pour chercheur;
   3° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance du permis pour chercheur.
   § 3. En cas de renouvellement du séjour en application de l'article 61/13, le permis pour chercheur est renouvelé pour une durée égale à la durée autorisée de son séjour.]1

  
Art. 61/4. § 1. De minister of diens gemachtigde machtigt de in artikel 61/3, § 1, bedoelde vreemdeling tot een verblijf voor een periode van zes maanden indien de procureur des Konings of de arbeidsauditeur hem bevestigen dat het onderzoek of de gerechtelijke procedure nog loopt, dat de vreemdeling blijk geeft van zijn bereidheid tot medewerking en op voorwaarde dat de vreemdeling alle banden met de vermoedelijke plegers van de misdrijven voorzien in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of artikel 77bis heeft verbroken en hij geen gevaar uitmaakt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
Sous-section 2. [1 - Dispositions relatives à l'autorisation de séjour en qualité de chercheur.]1
Art. 61/5. <INGEVOEGD bij W 2006-09-15/72, art. 68; Inwerkingtreding : 01-06-2007> De minister of zijn gemachtigde kan de vreemdeling die het slachtoffer is van het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis in de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot 5°, tot een verblijf van onbepaalde duur machtigen indien diens klacht of verklaring heeft geleid tot een veroordeling, of indien de procureur des Konings of de arbeidsauditeur in zijn vorderingen de tenlastelegging van mensenhandel of mensensmokkel onder de verzwarende omstandigheid voorzien in artikel 77quater heeft weerhouden.
Art. 61/13/3. [1 § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui introduit une demande en application de l'article 61/12 ou de l'article 61/13 est autorisé à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de chercheur ou à renouveler son séjour en cette qualité s'il produit les documents suivants à l'appui de sa demande:
   1° la preuve du paiement de la redevance visée à l'article 1er/1;
   2° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions prévues par l'article 6, § 1er, a) du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
   3° une convention d'accueil signée avec un organisme de recherche agréé en Belgique;
   4° la preuve qu'il disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants pour couvrir les frais de son voyage de retour et pour ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour. Il est notamment tenu compte des revenus qu'il percevra durant son séjour en qualité de chercheur;
   5° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite en qualité de chercheur, un certificat médical attestant qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi;
   6° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite en qualité de chercheur et s'il a plus de dix-huit ans, un extrait du casier judiciaire ou un document équivalent, et le cas échéant sa traduction légalisée, délivré par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun.
   En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire les documents visés à l'alinéa 1er, 5° en 6°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, octroyer l'autorisation de séjour en qualité de chercheur.
   § 2. Le ministre ou son délégué refuse l'autorisation de séjour de plus de nonante jours en qualité de chercheur dans les cas suivants:
   1° l'intéressé ne remplit pas les conditions prévues au paragraphe 1er;
   2° l'intéressé se trouve dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
   3° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui contribuent à l'obtention du séjour;
   4° l'intéressé n'a pas fourni les documents ou informations complémentaires dans le délai prescrit;
   5° l'organisme de recherche agréé a été créé ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume;
   6° des preuves ou motifs sérieux et objectifs permettent d'établir que le séjour du ressortissant d'un pays tiers poursuivrait d'autres finalités que celles pour lesquelles il demande une autorisation.
   § 3. Le ministre ou son délégué refuse de renouveler l'autorisation de séjour en qualité de chercheur dans les cas suivants:
   1° l'intéressé ne remplit pas ou plus les conditions prévues au paragraphe 1er, à l'exception du paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, 5° et 6° ;
   2° le chercheur séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour;
   3° l'organisme de recherche agréé a été créé ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume;
   4° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour.
   § 4. Le ministre ou son délégué met fin au séjour en qualité de chercheur dans les cas suivants:
   1° le chercheur ne remplit pas ou plus les conditions prévues, à l'exception du paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, 4° et 5° ;
   2° le ressortissant d'un pays tiers a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour;
   3° l'intéressé séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour;
   4° l'organisme de recherche agréé a été créé ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume.
   § 5. Toute décision prise en vertu du présent article est prise après un examen individuel, qui tient compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas, en ce compris l'intérêt du ressortissant de pays tiers, et dans le respect du principe de proportionnalité.]1

  
Art. 61/6. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/49, art. 40, Inwerkingtreding : 01-06-2008> De Staten gebonden door de richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, zijn de lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk.
Art. 61/13/4. [1 § 1er. Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions de la présente sous-section, l'autorisation de séjour n'est valable que si l'autorité régionale compétente prend une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
   Conformément à l'article 3 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, la durée de l'autorisation de séjour accordée en application des dispositions de la présente sous-section est limitée à la durée de l'autorisation de travail.
   Si l'agrément de l'organisme de recherche est retiré ou son renouvellement est refusé pendant le séjour du chercheur, son séjour prend fin de plein droit nonante jours après cet événement, sans préjudice de la compétence du ministre ou de son délégué de mettre fin au séjour conformément à la présente loi.
   S'il n'est pas mis fin au séjour durant cette période, le ressortissant de pays tiers est mis en possession d'un document de séjour provisoire dont le Roi détermine le modèle.]1

  
Art. 61/7. § 1. Wanneer een vreemdeling die houder is van een geldige [1 EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene]1, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie op grond van de richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, een aanvraag voor een machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden indient, moet deze worden ingewilligd, voorzover geen enkele reden van openbare orde of nationale veiligheid zich ertegen verzet, de vreemdeling niet is getroffen door een van de ziekten die de volksgezondheid bedreigen vermeld in de bijlage bij deze wet, en hij een van de volgende voorwaarden vervult :
Section 3. [1 - Mobilité au sein de l'Union européenne.]1
Art. 61/7. § 1. Wanneer een vreemdeling die houder is van een geldige [1 EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene]1, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie op grond van de richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, een aanvraag voor een machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden indient, moet deze worden ingewilligd, voorzover geen enkele reden van openbare orde of nationale veiligheid zich ertegen verzet, de vreemdeling niet is getroffen door een van de ziekten die de volksgezondheid bedreigen vermeld in de bijlage bij deze wet, en hij een van de volgende voorwaarden vervult :
Sous-section 1re. [1 - Mobilité de courte durée.]1
Art. 61/8. [1 § 1. Wanneer er een einde wordt gemaakt aan het verblijf van een vreemdeling die tot verblijf gemachtigd is krachtens artikel 61/7, wordt de lidstaat die hem de status van langdurig ingezetene heeft verleend hiervan op de hoogte gebracht, en dit met het oog op de eventuele terugname van de betrokkene op zijn grondgebied.
   De verwijderingsmaatregel is beperkt tot het grondgebied van het Rijk.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1 en onverminderd het tweede lid kan de verwijderingsmaatregel tot het grondgebied van de Europese Unie worden uitgebreid wanneer de betrokkene een actuele en voldoende ernstige bedreiging is voor de openbare orde of de nationale veiligheid. De lidstaat die hem de status van langdurig ingezetene verleend heeft, wordt geraadpleegd wanneer de beslissing genomen wordt.
   Wanneer de betrokkene in een andere lidstaat internationale bescherming geniet, kan de verwijderingsmaatregel enkel in de volgende gevallen worden uitgebreid tot het grondgebied van de Europese Unie :
   1° wanneer hij geen internationale bescherming meer geniet; of
   2° wanneer er ernstige redenen bestaan om hem te beschouwen als een bedreiging voor de nationale veiligheid of wanneer hij, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf, een bedreiging vormt voor de openbare orde.
   In geen geval mag de betrokkene verwijderd worden naar een land waar hij blootgesteld wordt aan een schending van het non-refoulementbeginsel.]1

  
Art. 61/13/5. [1 § 1er. Un ressortissant d'un pays tiers ayant été autorisé par un autre Etat membre de l'Union européenne à séjourner en qualité de chercheur est admis sur le territoire du Royaume dans le cadre d'une mobilité de courte durée pour un séjour n'excédant pas cent quatre-vingts jours au cours d'une période de trois cent soixante jours pour y achever une partie de ses recherches à condition que le projet de mobilité ait été porté à la connaissance du ministre ou de son délégué par l'organisme de recherche en Belgique.
   La notification est effectuée soit au moment de la demande dans le premier Etat membre, lorsque la mobilité vers la Belgique est déjà envisagée à ce stade, soit après l'admission du chercheur dans le premier Etat membre, dès que le projet de mobilité vers la Belgique est connu.
   La mobilité de courte durée peut commencer dès que la notification a été introduite et pour autant que le chercheur dispose d'un permis pour chercheur valable, délivré par le premier Etat membre.
   § 2. Les documents suivants sont produits lors de la notification:
   1° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions prévues par l'article 6, § 1er, a) du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
   2° une convention d'accueil signée avec un organisme de recherche agréé en Belgique ou, s'il ne dispose pas de ce document, la convention d'accueil signée avec l'organisme de recherche dans le premier Etat membre;
   3° si elle ne figure pas dans la convention d'accueil visée au 2°, la preuve de la durée et des dates prévues pour la mobilité;
   4° la preuve qu'il disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants pour couvrir ses frais de voyage vers le premier Etat membre dans les cas visés à l'article 61/13/7 et pour ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour. Il est notamment tenu compte des revenus qu'il percevra durant son séjour en qualité de chercheur;
   5° s'il est âgé de plus de dix-huit ans, un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, le cas échéant, de sa traduction légalisée, délivré par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun;
   6° un permis pour chercheur valable délivré par le premier Etat membre couvrant au moins la période de mobilité de courte durée.
   En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire le document visé à l'alinéa 1er, 5°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, octroyer l'autorisation de séjour en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de courte durée.
   S'ils sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais, les documents produits doivent être accompagnés d'une traduction jurée vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais.
   Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.
   § 3.[2 Les membres de la famille du chercheur visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 6°, a) à e)]2, qui sont ressortissants d'un pays tiers et qui ont été autorisés au séjour dans un autre Etat membre en qualité de membre de la famille d'un chercheur, sont admis, dans le cadre d'une mobilité de courte durée, sur le territoire du Royaume pour un séjour n'excédant pas cent quatre-vingts jours au cours d'une période de trois cent soixante jours pour rejoindre le membre de leur famille séjournant en Belgique dans le cadre d'une mobilité de courte durée conformément au présent article, à condition que le projet de mobilité ait été porté à la connaissance du ministre ou de son délégué par l'organisme de recherche en Belgique.
   La notification visée au paragraphe 1er est complétée dès connaissance d'un projet de mobilité vers la Belgique.
   § 4. La notification visée au paragraphe 1er est complétée par les documents suivants:
   1° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions prévues par l'article 6, § 1er, a) du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
   2° la preuve que le chercheur ou le membre de sa famille disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants pour couvrir ses frais de voyage vers le premier Etat membre dans les cas visés à l'article 61/13/7 et pour couvrir ses frais de subsistance sans recourir au système d'aide sociale du Royaume. Dans ce cadre, il est notamment tenu compte des revenus qu'il percevra durant son séjour en qualité de chercheur;
   3° si le membre de la famille a plus de dix-huit ans, un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, le cas échéant, de sa traduction légalisée, délivrés par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun;
   4° le permis en cours de validité pour membre de la famille du chercheur délivré par le premier Etat membre couvrant au moins la période de mobilité de courte durée.
   En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire le document visé à l'alinéa 1er, 3°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, octroyer l'autorisation de séjour en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de courte durée.
   S'ils sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais, les documents produits doivent être accompagnés d'une traduction légalisée vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais.
   Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.
   § 5. Lorsqu'aucune objection n'a été émise ou lorsqu'une objection n'a pas été émise par écrit dans le délai imparti conformément à l'article 61/13/6, la mobilité est considérée comme approuvée.
   Le Roi détermine:
   1° le modèle du document de séjour délivré dans ce cas au chercheur et la procédure;
   2° le modèle du document de séjour délivré dans ce cas au membre de la famille du chercheur et la procédure.
   Le document de séjour visé à l'alinéa 2 possède une durée de validité maximale de cent quatre-vingts jours. Le Roi peut préciser les modalités de cette durée de validité.]1

  
Art. 61/13/6. [1 § 1er. Le ministre ou son délégué s'oppose par écrit à la mobilité du chercheur et, le cas échéant, à celle du membre de sa famille, au plus tard dans un délai de trente jours à compter de la réception de la notification complète lorsque:
   1° les conditions relatives à la notification ne sont pas remplies, conformément à l'article 61/13/5, §§ 1er à 4;
   2° la durée maximale de séjour de cent quatre-vingts jours sur trois cent soixante jours a été atteinte en Belgique;
   3° l'entité d'accueil a été créée ou opère dans le but principal de permettre à des chercheurs d'accéder au Royaume;
   4° l'intéressé est considéré comme une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique;
   5° des preuves ou motifs sérieux et objectifs permettent d'établir que le séjour du ressortissant de pays tiers poursuivrait d'autres finalités que celles pour lesquelles il demande une autorisation;
   6° il ne remplit pas les conditions fixées par la législation régionale ou communautaire applicable en matière d'occupation de chercheurs;
   7° lors de la notification dans le cadre de la mobilité de courte durée, il a été recouru à des informations fausses ou trompeuses ou à des documents faux ou falsifiés, ou à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention de l'autorisation de mobilité de courte durée.
   Lorsque le ministre ou son délégué émet une objection conformément au présent article, la mobilité ne peut pas commencer.
   Si la mobilité de courte durée a déjà commencé, elle prend immédiatement fin.
   Si la mobilité de courte durée est refusée au chercheur, la mobilité de courte durée est automatiquement aussi refusée au membre de la famille.
   L'objection est adressée aux autorités compétentes du premier Etat membre, à l'organisme de recherche agréé en Belgique ayant effectué la notification, ainsi qu'au chercheur et, le cas échéant, au membre de la famille lui-même.
   Lorsque la notification est complétée ultérieurement par la date à laquelle un membre de la famille rejoindra le chercheur, après réception de la notification complète, le ministre ou son délégué dispose de trente jours pour émettre une objection.]1

  
Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen.]1
Art. 61/13/7. [1 Le ministre ou son délégué met fin au séjour du ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 61/13/5 dans les cas suivants:
Art. 61/10. § 1. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
Sous-section 2. [1 - Permis pour mobilité de longue durée.]1
Art. 61/10. <INGEVOEGD bij W 2007-04-21/30, art. 4; Inwerkingtreding : 01-06-2007> § 1. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
   1° onderzoeker: de onderdaan van een derde land bedoel in artikel 37, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   2° erkende onderzoeksinstelling: de onderzoekinstelling bedoeld in artikel 37, 2°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   3° onderzoek: het werk bedoeld in artikel 37, 8°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   4° gastovereenkomst: de overeenkomst bedoeld in artikel 37, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   5° eerste lidstaat: de lidstaat bedoeld in artikel 37, 4°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   6° tweede lidstaat: de lidstaat bedoeld in artikel 37, 5°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   7° vergunning voor onderzoeker: de verblijfstitel bedoeld in artikel 37, 6°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   8° vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers: de verblijfstitel bedoeld in artikel 37, 7°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   9° korte-termijnmobiliteit: het recht bedoeld in artikel 37, 9°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   10° lange-termijnmobiliteit: het recht bedoeld in artikel 37, 10°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.]1

  § 2. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalt de Koning :
  1° de voorwaarden voor de erkenning van de onderzoeksinstellingen en de duur van deze erkenning;
  2° de voorwaarden voor de toekenning, de vernieuwing, de intrekking en de niet-vernieuwing van deze erkenning;
  3° het model van de gastovereenkomst ondertekend door de onderzoeker en de onderzoeksinstelling;
  4° de voorwaarden waaronder een dergelijke gastovereenkomst kan worden ondertekend;
  5° de voorwaarden waaronder een dergelijke gastovereenkomst eindigt.
  
Art. 61/13/8. [1 § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui souhaite séjourner plus de cent quatre-vingts jours sur le territoire dans le cadre d'une mobilité de longue durée sur la base d'une convention d'accueil signée avec un organisme de recherche agréé en qualité de chercheur introduit sa demande auprès de l'autorité régionale compétente sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
   La demande d'autorisation de travail vaut demande d'autorisation de mobilité de longue durée pour chercheur.
   § 2. Les documents suivants sont joints à la demande:
   1° la preuve du paiement de la redevance visée à l'article 1er /1;
   2° les documents permettant d'établir les conditions visées à l'article 61/13/10.
   § 3. Conformément à l'article 40, § 1er, alinéa 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ministre ou son délégué prend une décision relative à l'autorisation de séjour au plus tard dans un délai de soixante jours suivant la notification du caractère complet de la demande.
   § 4. Le ministre ou son délégué peut exiger du ressortissant d'un pays tiers de produire dans un délai de quinze jours des informations ou documents complémentaires.
   Le délai visé au paragraphe 3 est suspendu jusqu'à ce que les informations complémentaires requises aient été reçues.
   § 5. Conformément à l'article 33 de l'accord de coopération du 2 février 2018, si l'intéressé est autorisé à séjourner et à travailler plus de cent quatre-vingts jours sur le territoire en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de longue durée, l'autorisation de travail et l'autorisation de séjour lui sont notifiées sous la forme d'un acte administratif unique.
   § 6. Le ministre ou son délégué avise le premier Etat membre ayant délivré un permis pour chercheur de la délivrance du permis pour mobilité de longue durée pour chercheur.
   § 7. La demande de permis pour mobilité de longue durée pour chercheur doit avoir été introduite au moins trente jours avant le début de la mobilité de longue durée du chercheur en Belgique.
   § 8. Une demande de mobilité de longue durée et une notification de mobilité de courte durée ne peuvent être déposées simultanément.
   Lorsqu'une mobilité de longue durée s'avère nécessaire alors que la mobilité de courte durée du chercheur a déjà commencé, la demande de mobilité de longue durée est introduite au moins trente jours avant la fin de la période de mobilité de courte durée.]1

  
Art. 61/11. [1 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op:
   1° de onderdanen van een derde land die verzoeken gemachtigd te worden of reeds gemachtigd zijn om meer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven in de hoedanigheid van onderzoeker verbonden door een gastovereenkomst met een erkende onderzoekinstelling;
   2° de onderdanen van een derde land die in een andere lidstaat van de Europese Unie een vergunning voor onderzoeker hebben gekregen en het Rijk willen binnenkomen om hier te verblijven en te werken in het kader van korte-termijnmobiliteit;
   3° de onderdanen van een derde land die in een andere lidstaat van de Europese Unie een vergunning voor onderzoeker hebben gekregen en het Rijk willen binnenkomen om hier te verblijven en te werken in het kader van lange-termijnmobiliteit, op basis van een gastovereenkomst met een erkende onderzoeksinstelling;
   4° de onderdanen van een derde land bedoeld in de bepalingen onder 1° en 2° die gemachtigd worden om in één van deze hoedanigheden in het Rijk te verblijven en er te werken;
   5° de onderdanen van een derde land die gemachtigd werden om in de hoedanigheid van onderzoeker in het Rijk te verblijven en te werken en die hun verblijf tijdelijk willen voortzetten teneinde werk te zoeken of een onderneming op te richten;
   6° [2 de in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden van een onderzoeker ]2 die in een andere lidstaat van de Europese Unie gemachtigd werden tot verblijf als familieleden van deze onderzoeker voor zover zij zich bij deze vervoegen in het kader van korte-termijnmobiliteit.]1

  
Art. 61/13/9. [1 Conformément à l'article 43 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers autorisé à travailler et à séjourner plus de cent quatre-vingts jours sur le territoire en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de longue durée est inscrit dans le registre des étrangers et un permis pour mobilité de longue durée pour chercheur lui est délivré, à sa demande.
   Le Roi détermine:
   1° le modèle du permis pour mobilité de longue durée pour chercheur;
   2° la durée de validité du permis pour mobilité de longue durée pour chercheur;
   3° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance du permis pour mobilité de longue durée pour chercheur.]1

  
Onderafdeling 1. [1 - Bepalingen met betrekking tot de gezamenlijke procedure met de overheid die bevoegd is voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.]1
Art. 61/13/10. [1 § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui introduit une demande en application de l'article 61/13/8 est autorisé à séjourner plus de cent quatre-vingts jours sur le territoire en qualité de chercheur dans le cadre d'une mobilité de longue durée s'il produit les documents suivants à l'appui de sa demande:
Art. 61/12. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van onderzoeker, meer dan negentig dagen op het grondgebied wenst te verblijven, dient een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
   De aanvraag voor een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker.
   § 2. De documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/13/3 vast te stellen, worden bij de aanvraag gevoegd.
   De voorgelegde stukken dienen, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een gelegaliseerde vertaling in één van de drie landstalen of het Engels.
   § 3. De aanvraag wordt ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt.
   In afwijking van het eerste lid, kan de onderdaan van een derde land die overeenkomstig titel I, hoofdstuk II, reeds toegelaten of gemachtigd is om niet langer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven of die reeds in een andere hoedanigheid toegelaten of gemachtigd is om langer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven, zijn aanvraag indienen bij de bevoegde regionale overheid, indien de aanvraag ingediend wordt voor het verstrijken van de geldigheidsduur van deze toelating of machtiging.
   § 4. Overeenkomstig artikel 40, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen zestig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf of de vernieuwing ervan.
   § 5. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat deze binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
   De in paragraaf 4 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
   § 6. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van onderzoeker te verblijven en te werken.]1

  
Art. 61/13/11. [1 § 1er. Le ministre ou son délégué notifie les décisions suivantes au ressortissant de pays tiers:
   1° les décisions de refus de l'autorisation de séjour ou mettant fin à l'autorisation de séjour prises en vertu de la présente sous-section;
   2° la décision d'octroi de l'autorisation de travail et de l'autorisation de séjour sous la forme d'un acte administratif unique.
   Dans les cas et conditions fixés par les articles 26 tot 36 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué informe l'employeur de la décision visée à l'alinéa 1er, 2°.
   § 2. Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions de la présente sous-section, l'autorisation de séjour n'est valable que si l'autorité régionale compétente prend une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
   § 3. Conformément à l'article 3 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, la durée de l'autorisation de séjour accordée en application des dispositions de la présente sous-section est limitée à la durée de l'autorisation de travail.
   § 4. Si l'agrément de l'organisme de recherche est retiré ou son renouvellement est refusé pendant le séjour du chercheur dans le cadre d'une mobilité de longue durée, son séjour prend fin de plein droit nonante jours après cet événement, sans préjudice de la compétence du ministre ou de son délégué de mettre fin au séjour conformément à la présente loi.
   S'il n'est pas mis fin au séjour durant cette période, le ressortissant d'un pays tiers est mis en possession d'un document de séjour provisoire.]1

  
Art. 61/12.[1 § 1. De onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van onderzoeker, meer dan negentig dagen op het grondgebied wenst te verblijven, dient een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
Section 4. [1 - Séjour après l'achèvement de la recherche en vue de trouver un emploi ou de créer une entreprise.]1
Art. 61/13. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die in de hoedanigheid van onderzoeker gemachtigd is tot een verblijf van meer dan negentig dagen en die zijn verblijf in deze hoedanigheid wenst te vernieuwen, dient overeenkomstig artikel 21 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 ten laatste twee maanden voor het verstrijken van zijn machtiging tot verblijf een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
   § 2. Indien de geldigheidsduur gedurende dewelke de betrokkene tot een verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker gemachtigd is, tijdens het onderzoek van de aanvraag verstrijkt en indien de aanvraag volledig is en werd ingediend voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning voor onderzoeker, wordt een document aan hem afgeleverd dat zijn verblijf voorlopig dekt, totdat er een beslissing over zijn aanvraag wordt genomen.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels van de afgifte van het verblijfsdocument.]1

  
Art. 61/13/12. [1 § 1er. Après l'achèvement de ses recherches sur le territoire du Royaume conformément à l'article 61/12, le chercheur peut introduire une demande afin de séjourner sur le territoire du Royaume pendant un maximum de douze mois en vue de trouver un emploi ou de créer une entreprise.
   A cette fin, il introduit une demande à l'administration communale de son lieu de résidence sur le territoire du Royaume au plus tard quinze jours avant l'expiration de la durée de validité de son permis de séjour.
   § 2. A l'appui de sa demande, le chercheur produit les documents suivants:
   1° la preuve du paiement de la redevance visée à l'article 1er/1;
   2° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions de validité prévues par l'article 6, § 1er, a), du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
   3° la preuve qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique pour lui-même et, le cas échéant, pour les membres de sa famille;
   4° la preuve qu'il disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants afin de ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour;
   5° la preuve, délivrée par l'organisme de recherche agréé en Belgique, que les activités de recherche sont achevées.
   Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.
   S'ils sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais, les documents produits doivent être accompagnés d'une traduction légalisée vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais.]1

  
Art. 61/13/2. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en artikel 41, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt, wanneer de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/12 zich in het buitenland bevindt op de datum van de beslissing waarbij hij gemachtigd wordt in de hoedanigheid van onderzoeker op het grondgebied te verblijven en te werken, op zijn verzoek, een visum lang verblijf aan hem afgeleverd.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels met betrekking tot het afleveren van dit visum.
   § 2. Overeenkomstig artikel 41, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van onderzoeker te werken en te verblijven, in het vreemdelingenregister ingeschreven en wordt een vergunning voor onderzoeker aan hem afgeleverd.
   De Koning bepaalt:
   1° het model van de vergunning voor onderzoeker;
   2° de geldigheidsduur van de vergunning voor onderzoeker;
   3° het verblijfsdocument dat wordt afgeleverd aan de onderdaan van een derde land in afwachting van de aflevering van zijn vergunning voor onderzoeker.
   § 3. In geval van vernieuwing van het verblijf met toepassing van artikel 61/13 wordt de vergunning voor onderzoeker vernieuwd met een duur die gelijk is aan de toegestane duur van zijn verblijf.]1

  
Art. 61/13/13. [1 § 1er. Après réception de la demande, le bourgmestre ou son délégué vérifie si la demande est complète conformément à l'article 61/13/12. Le cas échéant, il délivre au ressortissant d'un pays tiers un récépissé de la demande.
   § 2. Si la demande a été introduite dans le délai prévu à l'article 61/13/12, § 1er, alinéa 2, mais que tous les documents requis n'ont pas été fournis, le bourgmestre ou son délégué informe par écrit le ressortissant d'un pays tiers des documents à fournir.
   Le ressortissant d'un pays tiers dispose d'un délai de quinze jours à compter de la notification visée à l'alinéa 1er pour compléter sa demande.
   S'il produit les documents requis dans le délai prévu, conformément au paragraphe 1er, le bourgmestre ou son délégué délivre un récépissé de la demande au ressortissant d'un pays tiers.
   § 3. Le ministre ou son délégué déclare la demande irrecevable dans les cas suivants:
   1° la demande n'a pas été introduite dans le délai visé à l'article 61/13/12, § 1er, alinéa 2;
   2° les documents manquants n'ont pas été produits dans le délai prévu au paragraphe 2, alinéa 2.
   Le bourgmestre ou son délégué notifie cette décision à l'intéressé et transmet une copie de cette décision au délégué du ministre.
   § 4. Si la demande est recevable, le bourgmestre ou son délégué la transmet sans délai au ministre ou à son délégué.
   § 5. Si, au cours de l'examen de la demande visée à l'article 61/13/12, le permis de séjour du chercheur expire, il se voit délivrer un document couvrant temporairement son séjour dans l'attente d'une décision du ministre ou de son délégué.
   § 6. Le Roi détermine:
   1° le modèle de récépissé délivré conformément au paragraphe 1er;
   2° le modèle de décision d'irrecevabilité visé au paragraphe 3;
   3° le modèle du document visé au paragraphe 5.]1

  
Art. 61/13/2. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en artikel 41, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt, wanneer de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/12 zich in het buitenland bevindt op de datum van de beslissing waarbij hij gemachtigd wordt in de hoedanigheid van onderzoeker op het grondgebied te verblijven en te werken, op zijn verzoek, een visum lang verblijf aan hem afgeleverd.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels met betrekking tot het afleveren van dit visum.
   § 2. Overeenkomstig artikel 41, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van onderzoeker te werken en te verblijven, in het vreemdelingenregister ingeschreven en wordt een vergunning voor onderzoeker aan hem afgeleverd.
   De Koning bepaalt:
   1° het model van de vergunning voor onderzoeker;
   2° de geldigheidsduur van de vergunning voor onderzoeker;
   3° het verblijfsdocument dat wordt afgeleverd aan de onderdaan van een derde land in afwachting van de aflevering van zijn vergunning voor onderzoeker.
   § 3. In geval van vernieuwing van het verblijf met toepassing van artikel 61/13 wordt de vergunning voor onderzoeker vernieuwd met een duur die gelijk is aan de toegestane duur van zijn verblijf.]1

  
Art. 61/13/14. [1 § 1er. Si le ministre ou son délégué octroie l'autorisation de séjour, cette décision est notifiée au ressortissant d'un pays tiers dans un délai de nonante jours suivant la date du récépissé de la demande, visé à l'article 61/13/13, § 1er.
   § 2. Le ministre ou son délégué peut refuser une demande d'autorisation de séjour telle que visée à l'article 61/13/12 si le ressortissant d'un pays tiers:
   1° ne remplit pas les conditions fixées à l'article 61/13/13;
   2° est considéré comme une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique.
   § 3. Le ministre ou son délégué peut mettre fin à l'autorisation de séjour délivrée conformément au paragraphe 1er, si le ressortissant d'un pays tiers:
   1° ne démontre pas qu'il a de réelles chances de trouver un emploi ou de créer une entreprise, à la seule demande du ministre ou de son délégué. Cette demande peut être introduite au plus tôt trois mois après la délivrance du permis de séjour;
   2° ne remplit plus les conditions fixées à l'article 61/13/12;
   3° est considéré comme une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique.
   § 4. Le Roi détermine:
   1° le modèle de document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers en cas de décision positive et sa durée de validité, tel que visé au paragraphe 1er;
   2° le modèle de décision de refus ou mettant fin au séjour, conformément aux paragraphes 2 et 3.]1

  
Art. 61/13/3. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/12 of artikel 61/13 indient, wordt gemachtigd om, in de hoedanigheid van onderzoeker, meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven of om zijn verblijf in die hoedanigheid te vernieuwen, indien hij de hiernavolgende documenten voorlegt ter staving van zijn aanvraag:
   1° het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
   2° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
   3° een met een in België erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst;
   4° het bewijs dat hij gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om de kosten van zijn terugreis te dekken en om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. Er wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker zal ontvangen;
   5° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker, een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
   6° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker en indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht.
   Indien behoorlijk wordt aangetoond dat de documenten bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker van meer dan negentig dagen toe te kennen in de volgende gevallen:
   1° de betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1;
   2° de betrokkene bevindt zich in één van de gevallen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
   3° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die bijdragen tot het verkrijgen van het verblijf;
   4° de betrokkene heeft de documenten of aanvullende informatie niet binnen de voorgeschreven termijn geleverd;
   5° de erkende onderzoeksinstelling is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang tot het Rijk te verschaffen;
   6° er is bewijs of er zijn ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de onderdaan van een derde land andere doeleinden zou dienen dan die waarvoor hij een machtiging aanvraagt.
   § 3. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker te vernieuwen in de volgende gevallen:
   1° de betrokkene voldoet niet of niet meer aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1, met uitzondering van paragraaf 1, eerste lid, 1°, 5° en 6° ;
   2° de onderzoeker verblijft in het land met andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd;
   3° de erkende onderzoeksinstelling is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang tot het Rijk te verschaffen;
   4° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of fraude gepleegd of heeft andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf.
   § 4. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan het verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker, in de volgende gevallen:
   1° de onderzoeker voldoet niet of niet meer aan de gestelde voorwaarden, met uitzondering van paragraaf 1, eerste lid, 1°, 4° en 5° ;
   2° de onderdaan van een derde land heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die bij hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf;
   3° de betrokkene verblijft in het land met andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd;
   4° de erkende onderzoeksinstelling is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang tot het Rijk te verschaffen.
   § 5. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.]1

  
Art. 61/13/15. [1 La présente section s'applique également lorsque le chercheur fait usage ou a fait usage de son droit à la mobilité et que la Belgique est le deuxième Etat membre dans lequel le chercheur séjourne ou a séjourné.
   Cette demande est introduite au plus tard quinze jours avant l'expiration de la durée de validité de son permis pour chercheur délivré par le premier Etat membre.
   Cette demande peut aussi être introduite auprès du poste diplomatique ou consulaire compétent pour le lieu de sa résidence dans l'Etat membre, conformément à la procédure indiquée à l'article 61/13/2.]1

  
Art. 61/13/3. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/12 of artikel 61/13 indient, wordt gemachtigd om, in de hoedanigheid van onderzoeker, meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven of om zijn verblijf in die hoedanigheid te vernieuwen, indien hij de hiernavolgende documenten voorlegt ter staving van zijn aanvraag:
CHAPITRE VIbis. [1 - Stagiaires.]1
Art. 61/13/4. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling tot een verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde regionale overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land toegelaten wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
Section 1re. [1 - Dispositions générales.]1
Afdeling 3. [1 - Mobiliteit binnen de Europese Unie.]1
Art. 61/13/16. [1 § 1er. Pour l'application du présent chapitre, on entend par:
Art. 61/13/5. [1 § 1. Een onderdaan van een derde land die door een andere lidstaat van de Europese Unie werd gemachtigd tot een verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker, wordt in het kader van korte-termijnmobiliteit, toegelaten op het grondgebied van het Rijk voor een verblijf van ten hoogste honderdtachtig dagen binnen een periode van driehonderdzestig dagen om er een deel van zijn onderzoek te voltooien, mits het voornemen tot mobiliteit door de onderzoekinstelling in België ter kennis werd gebracht aan de minister of zijn gemachtigde.
   De kennisgeving gebeurt ofwel op het moment van de aanvraag in de eerste lidstaat, indien er in dat stadium al een voornemen tot mobiliteit naar België bestaat, of nadat de onderzoeker in de eerste lidstaat is toegelaten, zodra de voorgenomen mobiliteit naar België bekend is.
   De korte-termijnmobiliteit kan aanvangen zodra de kennisgeving werd ingediend en voor zover de onderzoeker in het bezit is van een geldige vergunning voor onderzoeker, afgeleverd door de eerste lidstaat.
   § 2. Bij de kennisgeving worden de hiernavolgende documenten voorgelegd:
   1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
   2° een met een in België erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst of, indien hij hierover niet beschikt, de met de onderzoekinstelling in de eerste lidstaat afgesloten gastovereenkomst;
   3° indien dit niet uit de in de bepaling onder 2° bedoelde gastovereenkomst blijkt, het bewijs van de beoogde duur en data van de mobiliteit;
   4° het bewijs dat hij gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om zijn reiskosten naar de eerste lidstaat te kunnen dragen in de in artikel 61/13/7 bedoelde gevallen en om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. Er wordt hierbij met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker zal ontvangen;
   5° indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
   6° een geldige vergunning voor onderzoeker afgeleverd door de eerste lidstaat die minstens de periode van korte-termijnmobiliteit dekt.
   Indien behoorlijk wordt aangetoond dat het document bedoeld in het eerste lid, 5°, niet kan worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van korte-termijnmobiliteit, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen.
   De voorgelegde stukken dienen, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een beëdigde vertaling in één van de drie landstalen of het Engels.
   De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
   § 3. [2 De in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, a) tot e), bedoelde familieleden van een onderzoeker]2, die onderdaan zijn van een derde land en die door een andere lidstaat werden gemachtigd tot een verblijf in de hoedanigheid van familielid van een onderzoeker, worden in het kader van korte-termijnmobiliteit toegelaten op het grondgebied van het Rijk voor een verblijf van ten hoogste honderdtachtig dagen binnen een periode van driehonderdzestig dagen om zich bij hun familielid dat overeenkomstig dit artikel in België verblijft, in het kader van korte-termijnmobiliteit te vervoegen, mits het voornemen tot mobiliteit door de onderzoekinstelling in België ter kennis werd gebracht aan de minister of zijn gemachtigde.
   De in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving wordt aangevuld zodra het voornemen tot mobiliteit naar België bekend is.
   § 4. De in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving wordt aangevuld met de volgende documenten:
   1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
   2° het bewijs dat de onderzoeker of zijn familielid gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om zijn reiskosten naar de eerste lidstaat te kunnen dragen in de in artikel 61/13/7 bedoelde gevallen en om in zijn levensonderhoud te voorzien zonder een beroep te hoeven doen op het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die de onderzoeker tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker zal ontvangen;
   3° indien het familielid ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
   4° de geldige vergunning voor familielid van een onderzoeker afgeleverd door de eerste lidstaat die minstens de periode van korte-termijnmobiliteit dekt.
   Indien behoorlijk wordt aangetoond dat het document bedoeld in het eerste lid, 3°, niet kan worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van korte-termijnmobiliteit, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen.
   De voorgelegde stukken dienen, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een gelegaliseerde vertaling in één van de drie landstalen of het Engels.
   De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
   § 5. Indien er geen of niet tijdig een schriftelijk bezwaar werd gemaakt overeenkomstig artikel 61/13/6, wordt de mobiliteit geacht goedgekeurd te zijn.
   De Koning bepaalt:
   1° het model van het verblijfsdocument dat in dat geval aan de onderzoeker wordt afgeleverd en de procedure;
   2° het model van het verblijfsdocument dat in dat geval aan het familielid van de onderzoeker wordt afgeleverd en de procedure.
   Het in het tweede lid bedoelde verblijfsdocument is maximaal honderdtachtig dagen geldig. De Koning kan deze geldigheidsduur nader bepalen.]1

  
Art. 61/13/17. [1 Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux ressortissants d'un pays tiers qui demandent à être autorisés ou qui sont autorisés à séjourner plus de nonante jours sur le territoire de l'Etat en qualité de stagiaire.]1
  
Art. 61/13/5.[1 § 1. Een onderdaan van een derde land die door een andere lidstaat van de Europese Unie werd gemachtigd tot een verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker, wordt in het kader van korte-termijnmobiliteit, toegelaten op het grondgebied van het Rijk voor een verblijf van ten hoogste honderdtachtig dagen binnen een periode van driehonderdzestig dagen om er een deel van zijn onderzoek te voltooien, mits het voornemen tot mobiliteit door de onderzoekinstelling in België ter kennis werd gebracht aan de minister of zijn gemachtigde.
Section 2. [1 - Permis pour stagiaire.]1
Art. 61/13/6. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde maakt schriftelijk bezwaar tegen de mobiliteit van de onderzoeker en desgevallend zijn familielid, uiterlijk dertig dagen na ontvangst van de volledige kennisgeving, indien:
   1° niet aan de voorwaarden in verband met de kennisgeving is voldaan, overeenkomstig artikel 61/13/5, §§ 1 tot 4;
   2° de maximale verblijfsduur van honderdtachtig dagen op driehonderdzestig dagen is bereikt in België;
   3° de gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderzoekers toegang tot het Rijk te verschaffen;
   4° de betrokkene wordt geacht een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid;
   5° er bewijs is of ernstige en objectieve redenen zijn om vast te stellen dat het verblijf van de onderdaan van het derde land andere doeleinden zou dienen dan die waarvoor hij een machtiging aanvraagt;
   6° hij niet voldoet aan de voorwaarden vastgelegd door de gewestelijke of gemeenschapswetgeving die van toepassing is inzake de tewerkstelling van onderzoekers;
   7° bij de kennisgeving in het kader van de korte-termijnmobiliteit valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten werden gebruikt, of fraude werd gepleegd of andere onwettige middelen werden gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van de toelating tot korte-termijnmobiliteit.
   Wanneer de minister of zijn gemachtigde een bezwaar maakt overeenkomstig dit artikel, mag de mobiliteit niet aanvangen.
   Indien de korte-termijnmobiliteit al aanving, wordt deze onmiddellijk beëindigd.
   Indien de korte-termijnmobiliteit aan de onderzoeker wordt geweigerd, wordt automatisch ook de korte-termijnmobiliteit aan het familielid geweigerd.
   Het bezwaar is gericht aan de bevoegde autoriteiten van de eerste lidstaat, de erkende onderzoeksinstelling in België die de kennisgeving heeft gedaan, evenals aan de onderzoeker en desgevallend het familielid zelf.
   Wanneer de kennisgeving later wordt aangevuld met de datum waarop een familielid zich bij de onderzoeker zal vervoegen, heeft de minister of zijn gemachtigde een termijn van dertig dagen om bezwaar te maken na ontvangst van de volledige kennisgeving.]1

  
Art. 61/13/18. [1 § 1er. Le ressortissant de pays tiers qui souhaite séjourner sur le territoire en qualité de stagiaire introduit sa demande d'autorisation de séjour auprès de l'autorité régionale compétente sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
   La demande d'autorisation de travail vaut demande d'autorisation pour stagiaire.
   § 2. A l'appui de sa demande, le ressortissant d'un pays tiers produit les documents suivants:
   1° excepté en cas de prolongation de la demande, la preuve du paiement de la redevance visée à l'article 1er/1;
   2° les documents permettant d'établir les conditions visées à l'article 61/13/23.
   § 3. La demande doit être introduite lorsque le ressortissant d'un pays tiers se trouve en dehors du territoire des Etats membres.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, le ressortissant d'un pays tiers qui est déjà admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pendant plus de nonante jours en une autre qualité, peut introduire sa demande auprès de l'autorité régionale compétente du lieu de sa résidence sur le territoire du Royaume s'il introduit la demande avant l'expiration de la durée de validité de ce permis ou de cette autorisation.
   § 4. Conformément à l'article 51, alinéa 1er, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ministre ou son délégué prend une décision relative à l'autorisation ou au renouvellement du séjour au plus tard dans un délai de nonante jours suivant la notification du caractère complet de la demande.
   § 5. Le ministre ou son délégué peut exiger du ressortissant de pays tiers de fournir dans un délai de quinze jours des informations ou documents complémentaires.
   Le délai visé au paragraphe 4 est suspendu jusqu'à ce que les informations complémentaires requises aient été reçues.
   § 6. Conformément à l'article 33 de l'accord de coopération du 2 février 2018, si l'intéressé est autorisé à séjourner et à travailler sur le territoire en qualité de stagiaire, l'autorisation de travail et l'autorisation de séjour lui sont notifiées sous la forme d'un acte administratif unique.]1

  
Art. 61/13/7. [1 In de volgende gevallen stelt de minister of zijn gemachtigde een einde aan het in artikel 61/13/5 bedoelde verblijf van de onderdaan van een derde land:
   1° de betrokkene voldoet niet of niet meer aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 61/13/5;
   2° de betrokkene wordt geacht een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid;
   3° bij de kennisgeving in het kader van korte-termijnmobiliteit, werden valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of werd fraude gepleegd of werden andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van de toelating tot korte-termijnmobiliteit.
   Indien er een einde wordt gesteld aan het verblijf van de onderzoeker of dit wordt ingetrokken, wordt automatisch ook het verblijf van het familielid beëindigd of ingetrokken, tenzij het familielid een autonoom verblijfsrecht geniet.
   Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.]1

  
Art. 61/13/19. [1 La durée de l'autorisation de séjour correspond à la durée de l'autorisation de travail.
   La durée de l'autorisation de séjour délivrée dans le cadre du renouvellement correspond à la durée de l'autorisation de travail.
   Le Roi peut préciser les modalités de la durée du renouvellement.]1

  
Art. 61/13/8. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van onderzoeker in het kader van lange-termijnmobiliteit op basis van een gastovereenkomst bij een erkende onderzoeksinstelling, meer dan honderdtachtig dagen op het grondgebied wenst te verblijven, dient een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
   De aanvraag om een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor een vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers.
   § 2. De volgende documenten worden bij de aanvraag gevoegd:
   1° het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
   2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/13/10 vast te stellen.
   § 3. Overeenkomstig artikel 40, § 1, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen zestig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf.
   § 4. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat deze binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
   De in paragraaf 3 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
   § 5. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om meer dan honderdtachtig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van onderzoeker in het kader van lange-termijnmobiliteit te verblijven en te werken.
   § 6. De eerste lidstaat die de vergunning voor onderzoeker heeft afgeleverd, wordt door de minister of zijn gemachtigde op de hoogte gebracht van het afleveren van de vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers.
   § 7. De aanvraag voor een vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoeker moet minstens dertig dagen voor aanvang van de lange-termijnmobiliteit van de onderzoeker in België worden ingediend.
   § 8. Een aanvraag voor lange-termijnmobiliteit mag niet tegelijk met een kennisgeving voor korte-termijnmobiliteit worden ingediend.
   Wanneer de noodzaak van lange-termijnmobiliteit zich aandient nadat de korte-termijnmobiliteit van de onderzoeker is ingegaan, wordt de aanvraag van lange-termijnmobiliteit minstens dertig dagen voor de afloop van de korte-termijnmobiliteit ingediend.]1

  
Art. 61/13/20. [1 § 1er. Sous réserve des dispositions de la législation régionale applicable, le ressortissant d'un pays tiers autorisé au séjour en qualité de stagiaire, conformément à l'article 61/13/23, § 1er, et qui souhaite continuer à séjourner en cette qualité, introduit une demande auprès de l'autorité régionale compétente au plus tard deux mois avant l'expiration de son séjour, sous la forme d'une demande d'autorisation de travail, conformément à l'article 21 de l'accord de coopération du 2 février 2018.
   § 2. Si la durée de validité pendant laquelle l'intéressé est autorisé à séjourner en qualité de stagiaire expire durant l'examen de la demande de renouvellement et que la demande de renouvellement est recevable, il lui est délivré un document qui couvre provisoirement son séjour jusqu'à ce qu'il soit statué sur la demande visée au paragraphe 1er.
   Le Roi détermine les conditions et les modalités du document visé à l'alinéa 1er.]1

  
Art. 61/13/8. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van onderzoeker in het kader van lange-termijnmobiliteit op basis van een gastovereenkomst bij een erkende onderzoeksinstelling, meer dan honderdtachtig dagen op het grondgebied wenst te verblijven, dient een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
   De aanvraag om een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor een vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers.
   § 2. De volgende documenten worden bij de aanvraag gevoegd:
   1° het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
   2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/13/10 vast te stellen.
   § 3. Overeenkomstig artikel 40, § 1, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen zestig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf.
   § 4. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat deze binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
   De in paragraaf 3 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
   § 5. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om meer dan honderdtachtig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van onderzoeker in het kader van lange-termijnmobiliteit te verblijven en te werken.
   § 6. De eerste lidstaat die de vergunning voor onderzoeker heeft afgeleverd, wordt door de minister of zijn gemachtigde op de hoogte gebracht van het afleveren van de vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoekers.
   § 7. De aanvraag voor een vergunning voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoeker moet minstens dertig dagen voor aanvang van de lange-termijnmobiliteit van de onderzoeker in België worden ingediend.
   § 8. Een aanvraag voor lange-termijnmobiliteit mag niet tegelijk met een kennisgeving voor korte-termijnmobiliteit worden ingediend.
   Wanneer de noodzaak van lange-termijnmobiliteit zich aandient nadat de korte-termijnmobiliteit van de onderzoeker is ingegaan, wordt de aanvraag van lange-termijnmobiliteit minstens dertig dagen voor de afloop van de korte-termijnmobiliteit ingediend.]1

  
Art. 61/13/21. [1 Le ministre ou son délégué notifie les décisions suivantes au ressortissant d'un pays tiers:
   1° les décisions de refus de l'autorisation de séjour, de refus de renouvellement ou mettant fin à l'autorisation de séjour prises en vertu des dispositions de la présente section;
   2° la décision d'octroi ou d'octroi du renouvellement de l'autorisation de travail et de l'autorisation de séjour sous la forme d'un acte administratif unique.
   Dans les cas et conditions fixés par les articles 26 à 36 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué informe l'employeur de la décision visée à l'alinéa 1er, 2°.]1

  
Art. 61/13/10. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/13/8 indient, wordt gemachtigd om, in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit, meer dan honderdtachtig dagen op het grondgebied te verblijven, indien hij de hiernavolgende documenten voorlegt bij zijn aanvraag:
   1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de geldigheidsvoorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
   2° het bewijs dat hij beschikt over een geldige vergunning voor onderzoeker afgeleverd door de eerste lidstaat;
   3° de met de erkende onderzoekinstelling in België afgesloten gastovereenkomst;
   4° het bewijs dat de onderzoeker of zijn familielid gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om zijn reiskosten naar de eerste lidstaat te kunnen dragen in de in paragraaf 3 bedoelde gevallen en om in zijn levensonderhoud te voorzien zonder een beroep te hoeven doen op het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker zal ontvangen;
   5° indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht.
   Indien behoorlijk wordt aangetoond dat de documenten bedoeld in het eerste lid, 5°, niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen.
   De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
   De voorgelegde stukken dienen, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een gelegaliseerde vertaling in één van de drie landstalen of het Engels.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit van meer dan honderdtachtig dagen toe te kennen in de volgende gevallen:
   1° de betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1;
   2° de betrokkene bevindt zich in één van de gevallen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
   3° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf;
   4° de betrokkene heeft de documenten of aanvullende informatie niet binnen de voorgeschreven termijn geleverd;
   5° de vergunning voor onderzoeker die door de eerste lidstaat afgeleverd is, vervalt tijdens de procedure.
   § 3. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit van meer dan honderdtachtig dagen in de volgende gevallen:
   1° de betrokkene voldoet niet of niet meer aan de verblijfsvoorwaarden bedoeld in paragraaf 1, met uitzondering van paragraaf 1, eerste lid, 5° ;
   2° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf;
   3° de betrokkene verblijft in het land met andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd;
   4° de erkende onderzoeksinstelling is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang tot het Rijk te verschaffen.
   § 4. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.
   § 5. Wanneer de minister of zijn gemachtigde de vergunning voor lange-termijnmobiliteit niet verlengt of intrekt, dan stelt hij, in voorkomend geval, de autoriteiten van de tweede lidstaat daar onmiddellijk van op de hoogte.]1

  
Art. 61/13/22. [1 § 1er. Conformément à l'article 34, alinéa 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, et à l'article 52, alinéa 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 61/13/18 se trouve à l'étranger à la date de la décision l'autorisant à travailler et à séjourner sur le territoire en qualité de stagiaire, un visa de long séjour lui est délivré, à sa demande.
   Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance de ce visa.
   § 2. Conformément à l'article 52, alinéa 3, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant d'un pays tiers autorisé à travailler et à séjourner sur le territoire en qualité de stagiaire est inscrit dans le registre des étrangers et un permis pour stagiaire est délivré.
   Le Roi détermine:
   1° le modèle du permis pour stagiaire;
   2° la durée de validité du permis pour stagiaire;
   3° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance du permis pour stagiaire.
   § 3. En cas de renouvellement du séjour conformément à l'article 53, § 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le permis pour stagiaire est renouvelé pour la durée nécessaire pour achever le stage.
   Le Roi peut préciser les modalités de la durée du renouvellement.]1

  
Art. 61/13/10. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/13/8 indient, wordt gemachtigd om, in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit, meer dan honderdtachtig dagen op het grondgebied te verblijven, indien hij de hiernavolgende documenten voorlegt bij zijn aanvraag:
   1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de geldigheidsvoorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
   2° het bewijs dat hij beschikt over een geldige vergunning voor onderzoeker afgeleverd door de eerste lidstaat;
   3° de met de erkende onderzoekinstelling in België afgesloten gastovereenkomst;
   4° het bewijs dat de onderzoeker of zijn familielid gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om zijn reiskosten naar de eerste lidstaat te kunnen dragen in de in paragraaf 3 bedoelde gevallen en om in zijn levensonderhoud te voorzien zonder een beroep te hoeven doen op het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker zal ontvangen;
   5° indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht.
   Indien behoorlijk wordt aangetoond dat de documenten bedoeld in het eerste lid, 5°, niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen.
   De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
   De voorgelegde stukken dienen, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een gelegaliseerde vertaling in één van de drie landstalen of het Engels.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit van meer dan honderdtachtig dagen toe te kennen in de volgende gevallen:
   1° de betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1;
   2° de betrokkene bevindt zich in één van de gevallen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
   3° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf;
   4° de betrokkene heeft de documenten of aanvullende informatie niet binnen de voorgeschreven termijn geleverd;
   5° de vergunning voor onderzoeker die door de eerste lidstaat afgeleverd is, vervalt tijdens de procedure.
   § 3. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit van meer dan honderdtachtig dagen in de volgende gevallen:
   1° de betrokkene voldoet niet of niet meer aan de verblijfsvoorwaarden bedoeld in paragraaf 1, met uitzondering van paragraaf 1, eerste lid, 5° ;
   2° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf;
   3° de betrokkene verblijft in het land met andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd;
   4° de erkende onderzoeksinstelling is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang tot het Rijk te verschaffen.
   § 4. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.
   § 5. Wanneer de minister of zijn gemachtigde de vergunning voor lange-termijnmobiliteit niet verlengt of intrekt, dan stelt hij, in voorkomend geval, de autoriteiten van de tweede lidstaat daar onmiddellijk van op de hoogte.]1

  
Art. 61/13/23. [1 § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui introduit une demande en application de l'article 61/13/18 est autorisé à séjourner sur le territoire en qualité de stagiaire ou à renouveler son séjour en cette qualité s'il produit les documents suivants à l'appui de sa demande:
   1° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions prévues par l'article 6, § 1er, a) du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
   2° la preuve qu'il disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants pour couvrir les frais de son voyage de retour et pour ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour. Si d'application, dans ce cadre, il est notamment tenu compte des revenus qu'il percevra durant son séjour en qualité de stagiaire et la prise en charge éventuelle visée au 3° ;
   3° le cas échéant, la preuve que l'entité d'accueil se porte garante du stagiaire pendant toute la durée de son séjour sur le territoire du Royaume, en ce qui concerne notamment ses frais de subsistance et de logement;
   4° lorsque le stagiaire est logé pendant toute la durée de son séjour par l'entité d'accueil, la preuve que le stagiaire disposera d'un logement lui assurant des conditions de vie décentes, conformément à la législation relative au logement;
   5° la preuve qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant tous les risques en Belgique pour la durée de son séjour;
   6° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite en qualité de stagiaire, un certificat médical attestant qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi;
   7° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour en qualité de stagiaire et s'il a plus de dix-huit ans, un extrait du casier judiciaire ou un document équivalent, et le cas échéant sa traduction légalisée, délivré par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun;
   8° un engagement par écrit de l'entité d'accueil ou de l'employeur, en vertu duquel il supporte les frais de séjour et de retour financés par les fonds publics dans le cas où un stagiaire demeure irrégulièrement sur le territoire du Royaume. La responsabilité financière de l'entité d'accueil prend fin au plus tard six mois après la fin de la convention de stage;
   9° la convention de stage conclue par le stagiaire.
   En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire les documents visés à l'alinéa 1er, 6° en 7°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, autoriser l'étranger à séjourner sur le territoire du Royaume pour y faire un stage.
   Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.
   § 2. Le ministre ou son délégué refuse d'octroyer l'autorisation de séjour en qualité de stagiaire dans les cas suivants:
   1° l'intéressé ne remplit pas les conditions prévues au paragraphe 1er;
   2° l'intéressé se trouve dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
   3° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui contribuent à l'obtention du séjour;
   4° l'intéressé n'a pas fourni les documents ou informations complémentaires dans le délai prescrit;
   5° l'employeur ou l'entité d'accueil a été créé ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume;
   6° des preuves ou motifs sérieux et objectifs permettent d'établir que le séjour de l'intéressé poursuivrait d'autres finalités que celles pour lesquelles il demande une autorisation.
   § 3. Le ministre ou son délégué refuse de renouveler l'autorisation de séjour en qualité de stagiaire ou met fin au séjour, dans les cas suivants:
   1° le stagiaire ne remplit pas ou plus les conditions prévues, à l'exception des conditions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 6° et 7° ;
   2° le stagiaire séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour;
   3° l'employeur ou l'entité d'accueil a été créé ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume;
   4° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour.
   § 4. Toute décision prise en vertu du présent article est prise après un examen individuel, qui tient compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas, en ce compris l'intérêt du ressortissant de pays tiers, et dans le respect du principe de proportionnalité.]1

  
Art. 61/13/11. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde betekent de volgende beslissingen aan de onderdaan van een derde land:
   1° de beslissingen tot weigering van de machtiging van verblijf of die een einde maken aan de machtiging tot verblijf die krachtens deze onderafdeling genomen worden;
   2° de beslissing tot toekenning van de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte.
   In de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in de artikelen 26 tot 36 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 informeert de minister of zijn gemachtigde de werkgever over de beslissing bedoeld in het eerste lid, 2°.
   § 2. Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling tot een verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde regionale overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land gemachtigd wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
   § 3. Overeenkomstig artikel 3 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de duur van de machtiging tot verblijf, die met toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling wordt toegekend, beperkt tot de duur van de toelating tot arbeid.
   § 4. Indien de erkenning van de onderzoeksinstelling tijdens het verblijf van de onderzoeker binnen het kader van lange-termijnmobiliteit wordt ingetrokken of de verlenging van de erkenning wordt geweigerd, eindigt zijn verblijf van rechtswege negentig dagen na deze gebeurtenis en dit onverminderd de bevoegdheid van de minister of zijn gemachtigde om overeenkomstig deze wet een einde te maken aan het verblijf.
   Indien er gedurende deze periode geen einde wordt gemaakt aan het verblijf, wordt de onderdaan van een derde land in het bezit gesteld van een voorlopig verblijfsdocument.]1

  
Art. 61/13/24. [1 § 1er. Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions du présent chapitre, l'autorisation de séjour n'est valable que si l'autorité régionale compétente prend une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
   Conformément à l'article 53 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, la durée de l'autorisation de séjour accordée en application des dispositions de la présente section est limitée à la durée du stage et est de six mois au maximum.]1

  
Art. 61/13/12. [1 § 1. Na de voltooiing van zijn onderzoek op het grondgebied van het Rijk overeenkomstig artikel 61/12 kan de onderzoeker een aanvraag indienen om gedurende een termijn van maximum twaalf maanden op het grondgebied van het Rijk te verblijven teneinde werk te zoeken of een onderneming op te richten.
CHAPITRE VIter. [1 - Volontaires dans le cadre du service volontaire européen.]1
Art. 61/13/13. [1 § 1. Na ontvangst van de aanvraag onderzoekt de burgemeester of zijn gemachtigde of de aanvraag volledig is overeenkomstig artikel 61/13/12. Indien dit het geval is, stelt hij de onderdaan van een derde land in het bezit van een ontvangstbewijs van de aanvraag.
Section 1re. [1 - Dispositions générales.]1
Art. 61/13/13. [1 § 1. Na ontvangst van de aanvraag onderzoekt de burgemeester of zijn gemachtigde of de aanvraag volledig is overeenkomstig artikel 61/13/12. Indien dit het geval is, stelt hij de onderdaan van een derde land in het bezit van een ontvangstbewijs van de aanvraag.
   § 2. Indien de aanvraag werd ingediend binnen de termijn voorzien in artikel 61/13/12, § 1, tweede lid, maar niet alle vereiste documenten werden voorgelegd, dan stelt de burgemeester of zijn gemachtigde de onderdaan van een derde land schriftelijk in kennis van de te bezorgen documenten.
   De onderdaan van een derde land beschikt over een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, om zijn aanvraag te vervolledigen.
   Indien hij de gevraagde documenten binnen de voorgeschreven termijn voorlegt, dan stelt de burgemeester of zijn gemachtigde de onderdaan van een derde land in het bezit van een ontvangstbewijs van de aanvraag overeenkomstig paragraaf 1.
   § 3. De minister of zijn gemachtigde verklaart de aanvraag onontvankelijk in de volgende gevallen:
   1° de aanvraag werd niet ingediend binnen de termijn voorzien in artikel 61/13/12, § 1, tweede lid;
   2° de ontbrekende documenten werden niet voorgelegd binnen de termijn voorzien in paragraaf 2, tweede lid.
   De burgemeester of zijn gemachtigde betekent deze beslissing aan de betrokkene en maakt een kopie van deze beslissing over aan de gemachtigde van de minister.
   § 4. Indien de aanvraag ontvankelijk is, maakt de burgemeester of zijn gemachtigde deze onverwijld over aan de minister of zijn gemachtigde.
   § 5. Indien tijdens de behandeling van de in artikel 61/13/12 bedoelde aanvraag, de verblijfsvergunning van de onderzoeker vervalt, ontvangt hij een document dat voorlopig zijn verblijf dekt in afwachting van een beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde.
   § 6. De Koning bepaalt:
   1° het model van het ontvangstbewijs afgeleverd overeenkomstig paragraaf 1;
   2° het model van de beslissing tot onontvankelijkheid bedoeld in paragraaf 3;
   3° het model van het document bedoeld in paragraaf 5.]1

  
Art. 61/13/25. [1 Pour l'application du présent chapitre, on entend par:
   1° volontaire: le ressortissant de pays tiers visé à l'article 55, 1°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
   2° permis pour volontaire: le titre de séjour visé à l'article 55, 3°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
   3° programme de volontariat: le programme visé à l'article 55, 2°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018.]1

  
Art. 61/13/14. [1 § 1. Indien de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf toestaat, wordt deze beslissing betekend aan de onderdaan van een derde land binnen een termijn van negentig dagen na datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag, bedoeld in artikel 61/13/13, § 1.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde kan een aanvraag tot machtiging tot verblijf als bedoeld in artikel 61/13/12 weigeren indien de onderdaan van een derde land:
   1° niet aan de in artikel 61/13/13 gestelde voorwaarden voldoet;
   2° geacht wordt een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid.
   § 3. De minister of zijn gemachtigde kan de machtiging tot verblijf afgegeven krachtens paragraaf 1 beëindigen indien de onderdaan van een derde land:
   1° louter op verzoek van de minister of zijn gemachtigde, niet aantoont dat hij een gerede kans maakt om werk te vinden of om een onderneming op te starten. Dit verzoek kan ten vroegste drie maanden na de afgifte van de verblijfsvergunning worden ingediend;
   2° niet langer voldoet aan de in artikel 61/13/12 vastgestelde voorwaarden;
   3° geacht wordt een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid.
   § 4. De Koning bepaalt:
   1° het model van het verblijfsdocument dat in geval van een positieve beslissing aan de onderdaan van een derde land wordt afgeleverd en de geldigheidsduur ervan, zoals bedoeld in paragraaf 1;
   2° het model van de beslissing waarmee het verblijf wordt geweigerd of beëindigd overeenkomstig de paragrafen 2 en 3.]1

  
Art. 61/13/26. [1 Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux ressortissants d'un pays tiers qui demandent à être autorisés ou qui sont autorisés à séjourner plus de nonante jours sur le territoire du Royaume en qualité de volontaire dans le cadre du service volontaire européen.]1
  
Art. 61/13/15. [1 Deze afdeling is ook van toepassing indien de onderzoeker gebruikmaakt of gebruik heeft gemaakt van zijn recht op mobiliteit en België de tweede lidstaat is waar de onderzoeker verblijft of heeft verbleven.
Section 2. [1 - Permis pour volontaire.]1
Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen.]1
Art. 61/13/27. [1 § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui souhaite séjourner sur le territoire en qualité de volontaire introduit sa demande d'autorisation de séjour auprès de l'autorité régionale compétente sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
Art. 61/13/16. [1 § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
   1° stagiair: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 47, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   2° vergunning voor stagiair: de verblijfstitel bedoeld in artikel 47, 2°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   3° stage: het opleidingsprogramma bedoeld in artikel 47, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.]1

  
Art. 61/13/28. [1 La durée de l'autorisation de séjour correspond à la durée de l'autorisation de travail.]1
  
Art. 61/13/16. [1 § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
   1° stagiair: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 47, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   2° vergunning voor stagiair: de verblijfstitel bedoeld in artikel 47, 2°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   3° stage: het opleidingsprogramma bedoeld in artikel 47, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.]1

  
Art. 61/13/29. [1 Le ministre ou son délégué notifie les décisions suivantes au ressortissant d'un pays tiers:
   1° la décision de refus de l'autorisation de séjour ou mettant fin à l'autorisation de séjour;
   2° la décision d'octroi de l'autorisation de travail et de l'autorisation de séjour sous la forme d'un acte administratif unique.
   Dans les cas et conditions fixés par les articles 26 à 36 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué informe l'employeur de la décision visée à l'alinéa 1er, 2°.]1

  
Art. 61/13/17. [1 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de onderdanen van een derde land die verzoeken gemachtigd te worden of die gemachtigd zijn om meer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven in de hoedanigheid van stagiair.]1
  
Art. 61/13/30. [1 § 1er. Conformément à l'article 34, alinéa 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, et à l'article 59, alinéa 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 61/13/26 se trouve à l'étranger à la date de la décision l'autorisant à travailler et à séjourner sur le territoire en qualité de volontaire, un visa de long séjour lui est délivré, à sa demande.
   Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance de ce visa.
   § 2. Conformément à l'article 59, alinéa 3, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers autorisé à travailler et à séjourner sur le territoire en qualité de volontaire est inscrit dans le registre des étrangers et un permis pour volontaire lui est délivré.
   Le Roi détermine:
   1° le modèle du permis pour volontaire;
   2° la durée de validité du permis pour volontaire;
   3° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance du permis pour volontaire.]1

  
Art. 61/13/18. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die op het grondgebied van het Rijk wenst te verblijven in de hoedanigheid van stagiair, dient de aanvraag voor machtiging tot verblijf in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
   De aanvraag voor een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor vergunning voor stagiair.
   § 2. Ter staving van zijn aanvraag legt de onderdaan van een derde land de hiernavolgende documenten voor:
   1° behalve in het geval van verlenging van de aanvraag, het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
   2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/13/23 vast te stellen.
   § 3. De aanvraag moet worden ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt.
   In afwijking van het eerste lid kan de onderdaan van een derde land die reeds in een andere hoedanigheid toegelaten of gemachtigd is om langer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven, zijn aanvraag indienen bij de bevoegde regionale overheid op het grondgebied van het Rijk, indien de aanvraag ingediend wordt voor het verstrijken van de geldigheidsduur van deze toelating of machtiging.
   § 4. Overeenkomstig artikel 51, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledige karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf of de vernieuwing ervan.
   § 5. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat hij binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
   De in paragraaf 4 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
   § 6. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om op het grondgebied in de hoedanigheid van stagiair te verblijven en te werken.]1

  
Art. 61/13/31. [1 § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui introduit une demande en application de l'article 61/13/26 est autorisé à séjourner sur le territoire en qualité de volontaire s'il produit les documents suivants à l'appui de sa demande:
   1° une copie de son passeport en cours de validité ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions prévues par l'article 6, § 1er, a), du Code frontières Schengen, couvrant au moins la durée du séjour prévu;
   2° la preuve qu'il disposera, au cours du séjour prévu, de moyens de subsistance suffisants afin de ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour. Il est notamment tenu compte d'une éventuelle prise en charge par l'entité d'accueil en ce qui concerne notamment les frais de subsistance et de logement;
   3° la preuve qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant tous les risques en Belgique;
   4° lorsque le volontaire est logé pendant toute la durée de son séjour par l'entité d'accueil, la preuve que le volontaire disposera d'un logement lui assurant des conditions de vie décentes, conformément à la législation relative au logement;
   5° un certificat médical attestant qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi;
   6° s'il est âgé de plus de dix-huit ans, un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, le cas échéant, de sa traduction légalisée, délivrés par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun;
   7° la convention de volontariat conclue par le demandeur.
   En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire les documents visés à l'alinéa 1er, 5° et 6°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, autoriser l'étranger à séjourner sur le territoire du Royaume pour y effectuer du volontariat dans le cadre du service volontaire européen.
   Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.
   L'entité d'accueil présente un engagement par écrit, qui confirme sa responsabilité financière pour les frais financés par les fonds publics liés au séjour et au retour du volontaire, dans l'hypothèse où le volontaire demeure irrégulièrement en Belgique.
   § 2. Le ministre ou son délégué refuse d'octroyer l'autorisation de séjour en qualité de volontaire dans les cas suivants:
   1° l'intéressé ne remplit pas les conditions prévues au paragraphe 1er;
   2° l'intéressé se trouve dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
   3° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui contribuent à l'obtention du séjour;
   4° l'intéressé n'a pas fourni les documents ou informations complémentaires dans le délai prescrit;
   5° l'entité d'accueil a été créée ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume;
   6° des preuves ou motifs sérieux et objectifs permettent d'établir que le séjour de l'intéressé poursuivrait d'autres finalités que celles pour lesquelles il demande une autorisation.
   § 3. Le ministre ou son délégué met fin au séjour en qualité de volontaire dans les cas suivants:
   1° le volontaire ne remplit pas ou plus les conditions prévues, à l'exception des conditions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er 5° et 6° ;
   2° le volontaire séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour;
   3° l'entité d'accueil a été créée ou opère dans le but principal de permettre à des ressortissants de pays tiers d'accéder au Royaume;
   4° l'intéressé a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour.
   § 4. Toute décision prise en vertu du présent article est prise après un examen individuel, qui tient compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas, en ce compris l'intérêt du ressortissant d'un pays tiers, et dans le respect du principe de proportionnalité.]1

  
Art. 61/13/18. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die op het grondgebied van het Rijk wenst te verblijven in de hoedanigheid van stagiair, dient de aanvraag voor machtiging tot verblijf in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
   De aanvraag voor een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor vergunning voor stagiair.
   § 2. Ter staving van zijn aanvraag legt de onderdaan van een derde land de hiernavolgende documenten voor:
   1° behalve in het geval van verlenging van de aanvraag, het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
   2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/13/23 vast te stellen.
   § 3. De aanvraag moet worden ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt.
   In afwijking van het eerste lid kan de onderdaan van een derde land die reeds in een andere hoedanigheid toegelaten of gemachtigd is om langer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven, zijn aanvraag indienen bij de bevoegde regionale overheid op het grondgebied van het Rijk, indien de aanvraag ingediend wordt voor het verstrijken van de geldigheidsduur van deze toelating of machtiging.
   § 4. Overeenkomstig artikel 51, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledige karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf of de vernieuwing ervan.
   § 5. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat hij binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
   De in paragraaf 4 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
   § 6. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om op het grondgebied in de hoedanigheid van stagiair te verblijven en te werken.]1

  
Art. 61/13/32. [1 § 1er. Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions du présent chapitre, l'autorisation de séjour n'est valable que si l'autorité régionale compétente prend une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
   Conformément à l'article 61 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, la durée de l'autorisation de séjour accordée en application des dispositions de la présente section est limitée à un an.]1

  
Art. 61/13/20. [1 § 1. Behoudens de bepalingen van de toepasselijke regionale wetgeving, dient de onderdaan van een derde land die gemachtigd is tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair overeenkomstig artikel 61/13/23, § 1, en die zijn verblijf in deze hoedanigheid wil voortzetten, overeenkomstig artikel 21 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, ten laatste twee maanden voor het verstrijken van zijn verblijf een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
Chapitre VII. - [1 Mineurs étrangers non accompagnés]1
Art. 61/13/20. [1 § 1. Behoudens de bepalingen van de toepasselijke regionale wetgeving, dient de onderdaan van een derde land die gemachtigd is tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair overeenkomstig artikel 61/13/23, § 1, en die zijn verblijf in deze hoedanigheid wil voortzetten, overeenkomstig artikel 21 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, ten laatste twee maanden voor het verstrijken van zijn verblijf een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
   § 2. Indien de geldigheidsduur gedurende dewelke de betrokkene tot een verblijf in de hoedanigheid van stagiair gemachtigd is, tijdens het onderzoek van de vernieuwingsaanvraag verstrijkt en de aanvraag tot vernieuwing ontvankelijk is, wordt een document aan hem afgeleverd dat zijn verblijf voorlopig dekt, totdat er een beslissing over de aanvraag bedoeld in paragraaf 1 wordt genomen.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het in het eerste lid bedoelde document.]1

  
Art. 61/14. [1 Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
  1° mineur étranger non accompagné (MENA) : un ressortissant d'un pays non membre de l'Espace économique européen, qui est âgé de moins de 18 ans, qui n'est pas accompagné par une personne exerçant l'autorité parentale ou la tutelle sur lui en vertu de la loi applicable conformément à l'article 35 de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé, et qui a été identifié définitivement comme MENA par le service des Tutelles, institué par le Titre XIII, Chapitre VI, " Tutelle des mineurs étrangers non accompagnés " de la loi-programme du 24 décembre 2002;
  2° solution durable :
  - soit le regroupement familial, conformément aux articles 9 et 10 de la Convention des Nations Unies relative aux droits de l'enfant du 20 novembre 1989, dans le pays où les parents se trouvent légalement;
  - soit le retour vers le pays d'origine ou vers le pays où le MENA est autorisé ou admis à séjourner, avec des garanties d'accueil et de soins adéquats, en fonction de son âge et de son degré d'autonomie, soit de la part de ses parents ou d'autres adultes qui s'occuperont de lui, soit de la part d'organismes publics ou d'organisations non gouvernementales;
  - soit l'autorisation de séjourner en Belgique, compte tenu des dispositions prévues par la loi;
  3° tuteur : représentant légal du MENA, tel que désigné par le service des Tutelles.]1

  
Art. 61/13/22. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en artikel 52, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt, wanneer de onderdaan van een derde land, bedoeld in artikel 61/13/18, zich in het buitenland bevindt op de datum dat de beslissing waarbij hij gemachtigd wordt om in de hoedanigheid van stagiair op het grondgebied te verblijven en te werken, op zijn verzoek, een visum lang verblijf aan hem afgeleverd.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het afleveren van dit visum.
   § 2. Overeenkomstig artikel 52, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die gemachtigd is om op het grondgebied in de hoedanigheid van stagiair te werken en te verblijven, in het vreemdelingenregister ingeschreven en wordt een vergunning voor stagiair afgegeven.
   De Koning bepaalt:
   1° het model van de vergunning voor stagiair;
   2° de geldigheidsduur van de vergunning voor stagiair;
   3° het verblijfsdocument dat wordt afgeleverd aan de onderdaan van een derde land in afwachting van de aflevering van zijn vergunning voor stagiair.
   § 3. In geval van vernieuwing van het verblijf wordt de vergunning voor stagiair overeenkomstig artikel 53, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 vernieuwd met de duur die nodig is om de stage te kunnen voltooien.
   De Koning kan de duur van de vernieuwing nader bepalen.]1

  
Art. 61/15. [1 [2 Qu'il y ait ou non une autre procédure de protection, d'autorisation ou d'admission au séjour ou à l'établissement en cours, le tuteur peut introduire pour son pupille une demande d'autorisation de séjour sur la base du présent chapitre auprès du ministre ou de son délégué.]2
  Le Roi précise les données qui figureront dans la demande.]1

  
Art. 61/13/23. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/13/18 indient, wordt gemachtigd om in de hoedanigheid van stagiair op het grondgebied te verblijven of om zijn verblijf in die hoedanigheid te vernieuwen, indien hij de hiernavolgende documenten voorlegt ter staving van zijn aanvraag:
   1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
   2° het bewijs dat hij gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om de kosten van zijn terugreis te dekken en om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. In voorkomend geval wordt hierbij met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van stagiair zal ontvangen en de eventuele garantstelling bedoeld in de bepaling onder 3° ;
   3° in voorkomend geval, het bewijs dat de gastentiteit de aansprakelijkheid voor de stagiair op zich neemt gedurende het gehele verblijf op het grondgebied van het Rijk, in het bijzonder voor zijn kosten van levensonderhoud en accommodatie;
   4° wanneer de stagiair gedurende het gehele verblijf bij de gastentiteit verblijft, het bewijs dat de stagiair tijdens zijn verblijf op een passende wijze zal worden gehuisvest, zodat hij een gepaste levensstandaard geniet, overeenkomstig de wetgeving inzake de huisvesting;
   5° het bewijs dat hij beschikt over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt gedurende zijn verblijf;
   6° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair, een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
   7° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair en indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
   8° een schriftelijke verbintenis van de gastentiteit of de werkgever dat deze, in geval van onwettig verblijf van een stagiair op het grondgebied van het Rijk, de uit overheidsmiddelen betaalde kosten voor diens verblijf en terugreis zal terugbetalen. De financiële aansprakelijkheid van de gastentiteit verstrijkt uiterlijk zes maanden na de beëindiging van de stageovereenkomst;
   9° de door de stagiair afgesloten stageovereenkomst.
   Indien behoorlijk wordt aangetoond dat de documenten bedoeld in het eerste lid, 6° en 7°, niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de omstandigheden, de vreemdeling echter machtigen op het grondgebied van het Rijk te verblijven om er een stage te volgen.
   De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair toe te kennen in de volgende gevallen:
   1° de betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1;
   2° de betrokkene bevindt zich in één van de gevallen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
   3° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die bijdragen tot het verkrijgen van het verblijf;
   4° de betrokkene heeft de documenten of aanvullende informatie niet binnen de voorgeschreven termijn geleverd;
   5° de werkgever of gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
   6° er is bewijs of er zijn ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de betrokkene andere doeleinden zou dienen dan die waarvoor hij een machtiging aanvraagt.
   § 3. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair te vernieuwen of stelt een einde aan het verblijf in de volgende gevallen:
   1° de stagiair voldoet niet of niet meer aan de gestelde voorwaarden, met uitzondering de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 6° en 7° ;
   2° de stagiair verblijft in het land met andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd;
   3° de werkgever of gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
   4° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf.
   § 4. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.]1

  
Art. 61/16. [1 Le ministre ou son délégué entend le MENA, qui est accompagné de son tuteur.
  Le Roi fixe les modalités de l'audition.]1

  
Art. 61/13/23. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/13/18 indient, wordt gemachtigd om in de hoedanigheid van stagiair op het grondgebied te verblijven of om zijn verblijf in die hoedanigheid te vernieuwen, indien hij de hiernavolgende documenten voorlegt ter staving van zijn aanvraag:
   1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
   2° het bewijs dat hij gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om de kosten van zijn terugreis te dekken en om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. In voorkomend geval wordt hierbij met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van stagiair zal ontvangen en de eventuele garantstelling bedoeld in de bepaling onder 3° ;
   3° in voorkomend geval, het bewijs dat de gastentiteit de aansprakelijkheid voor de stagiair op zich neemt gedurende het gehele verblijf op het grondgebied van het Rijk, in het bijzonder voor zijn kosten van levensonderhoud en accommodatie;
   4° wanneer de stagiair gedurende het gehele verblijf bij de gastentiteit verblijft, het bewijs dat de stagiair tijdens zijn verblijf op een passende wijze zal worden gehuisvest, zodat hij een gepaste levensstandaard geniet, overeenkomstig de wetgeving inzake de huisvesting;
   5° het bewijs dat hij beschikt over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt gedurende zijn verblijf;
   6° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair, een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
   7° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair en indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
   8° een schriftelijke verbintenis van de gastentiteit of de werkgever dat deze, in geval van onwettig verblijf van een stagiair op het grondgebied van het Rijk, de uit overheidsmiddelen betaalde kosten voor diens verblijf en terugreis zal terugbetalen. De financiële aansprakelijkheid van de gastentiteit verstrijkt uiterlijk zes maanden na de beëindiging van de stageovereenkomst;
   9° de door de stagiair afgesloten stageovereenkomst.
   Indien behoorlijk wordt aangetoond dat de documenten bedoeld in het eerste lid, 6° en 7°, niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de omstandigheden, de vreemdeling echter machtigen op het grondgebied van het Rijk te verblijven om er een stage te volgen.
   De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair toe te kennen in de volgende gevallen:
   1° de betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1;
   2° de betrokkene bevindt zich in één van de gevallen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
   3° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die bijdragen tot het verkrijgen van het verblijf;
   4° de betrokkene heeft de documenten of aanvullende informatie niet binnen de voorgeschreven termijn geleverd;
   5° de werkgever of gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
   6° er is bewijs of er zijn ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de betrokkene andere doeleinden zou dienen dan die waarvoor hij een machtiging aanvraagt.
   § 3. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van stagiair te vernieuwen of stelt een einde aan het verblijf in de volgende gevallen:
   1° de stagiair voldoet niet of niet meer aan de gestelde voorwaarden, met uitzondering de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 6° en 7° ;
   2° de stagiair verblijft in het land met andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd;
   3° de werkgever of gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
   4° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf.
   § 4. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.]1

  
Art. 61/17. [1 Dans la recherche d'une solution durable, le ministre ou son délégué vise prioritairement à sauvegarder l'unité familiale, conformément aux articles 9 et 10 de la Convention des Nations unies du 20 novembre 1989 relative aux droits de l'enfant et à l'intérêt supérieur de l'enfant.]1
  
Art. 61/13/24. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk tot een verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde regionale overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land toegelaten wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
   Overeenkomstig artikel 53 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de duur van de machtiging tot verblijf, die met toepassing van de bepalingen van deze afdeling wordt toegekend, beperkt tot de duur van de stage en bedraagt deze maximaal zes maanden.]1

  
Art. 61/18. [1 Au terme d'un examen individuel et sur la base de l'ensemble des éléments, le ministre ou son délégué donne au bourgmestre ou à son délégué l'instruction :
  - soit de délivrer au tuteur un ordre de reconduire, si la solution durable consiste en le retour dans un autre pays ou le regroupement familial dans un autre pays;
  - soit de délivrer un document de séjour, si une solution durable n'a pas été trouvée.
  Le document de séjour a une durée de validité de six mois. Le Roi détermine le modèle du document.]1

  
HOOFDSTUK VIter. [1 - Vrijwilligers in het kader van Europees vrijwilligerswerk.]1
Art. 61/19. [1 § 1er. Dans le cas où une solution durable n'a pu être trouvée, le tuteur transmet, un mois avant l'expiration de la durée de validité du document de séjour, au ministre ou à son délégué systématiquement tous les éléments et documents probants qui concernent la proposition de solution durable, qui est introduite sur la base de l'article 11, § 1er, du titre XIII, Chapitre VI, " Tutelle des mineurs étrangers non accompagnés " de la loi-programme du 24 décembre 2002.
Art. 61/13/25. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
   1° vrijwilliger: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 55, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   2° vergunning voor vrijwilliger: de verblijfstitel bedoeld in artikel 55, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   3° vrijwilligersprogramma: het programma bedoeld in artikel 55, 2°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.]1

  
Art. 61/20. [1 Si la solution durable prévue est le séjour en Belgique, le ministre ou son délégué délivre, sur présentation du passeport national du MENA, une autorisation de séjour d'une durée d'un an.
  Si le tuteur ne peut pas produire le passeport national du MENA, il transmet par écrit les documents attestant les démarches entreprises pour prouver l'identité du MENA au ministre ou à son délégué. Le Roi peut fixer les modalités selon lesquelles ces documents doivent être établis.
  L'inscription au registre des étrangers et la délivrance d'un titre de séjour sont effectuées conformément aux dispositions de l'article 12.]1

  
Art. 61/13/25. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
   1° vrijwilliger: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 55, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   2° vergunning voor vrijwilliger: de verblijfstitel bedoeld in artikel 55, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   3° vrijwilligersprogramma: het programma bedoeld in artikel 55, 2°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.]1

  
Art. 61/21. [1 Un mois avant la date d'expiration de l'autorisation de séjour temporaire qui a été accordée au MENA, le tuteur transmet par écrit les éléments probants relatifs au projet de vie de celui-ci en Belgique au ministre ou à son délégué.
  Les éléments probants relatifs au projet de vie sont :
  1° tout élément spécifique lié à la situation spécifique du MENA;
  2° la situation familiale du MENA;
  3° la preuve d'une scolarité régulière;
  4° la preuve de la connaissance d'une des trois langues nationales.]1

  
Art. 61/13/26. [1 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de onderdanen van een derde land die verzoeken gemachtigd te worden of die gemachtigd zijn om meer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven in de hoedanigheid van vrijwilliger in het kader van Europees vrijwilligerswerk.]1
  
Art. 61/22. [1 Si le ministre ou son délégué constate que des informations fausses ou trompeuses ont été communiquées, que des documents faux ou falsifiés ont été transmis en ce qui concerne les éléments mentionnés à l'article 61/21, qu'une fraude a été commise ou que d'autres moyens illégaux ont été utilisés pour passer pour un mineur, un ordre de quitter le territoire est délivré [2 en application de l'article 74/20, paragraphe 2,]2 s'il s'avère qu'il s'agit d'un étranger âgé de 18 ans ou plus.
  Si le ministre ou son délégué apprend que des informations fausses ou trompeuses ont été communiquées, que des documents faux ou falsifiés ont été transmis, qu'une fraude a été commise ou que d'autres moyens illégaux ont été utilisés pour prouver les éléments visés à l'article 61/21, alinéa 2, 1° et 2°, le ministre ou son délégué peut modifier la solution durable conformément à l'article 61/18.
  A cet effet, le ministre ou son délégué détermine si c'est le tuteur ou le MENA qui a recouru à de fausses informations ou à de faux documents, en fonction de sa faculté de discernement, et ce, afin de ne pas porter préjudice au mineur.]1

  
Art. 61/13/27. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die op het grondgebied van het Rijk wenst te verblijven in de hoedanigheid van vrijwilliger, dient de aanvraag voor machtiging tot verblijf in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
   De aanvraag voor een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor vergunning voor vrijwilliger.
   § 2. De onderdaan van een derde land legt de hiernavolgende documenten voor ter staving van zijn aanvraag:
   1° het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
   2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/13/31 vast te stellen.
   § 3. De aanvraag wordt ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt.
   In afwijking van het eerste lid kan de onderdaan van een derde land die reeds in een andere hoedanigheid toegelaten of gemachtigd is om langer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven, zijn aanvraag indienen bij de bevoegde regionale overheid van zijn verblijfplaats op het grondgebied van het Rijk indien de aanvraag ingediend wordt voor het verstrijken van de geldigheidsduur van deze toelating of machtiging.
   § 4. Overeenkomstig artikel 58, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf.
   § 5. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat hij binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
   De in paragraaf 4 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
   § 6. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om op het grondgebied in de hoedanigheid van vrijwilliger te verblijven en te werken.]1

  
Art. 61/23. [1 A l'issue d'une période de trois ans à compter de l'octroi de l'autorisation de séjour temporaire prévue à l'article 61/20, le ministre ou son délégué octroie une autorisation de séjour d'une durée indéterminée au MENA. Si le ministre décide de ne pas octroyer d'autorisation, il doit motiver sa décision.]1
  
Art. 61/13/27. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die op het grondgebied van het Rijk wenst te verblijven in de hoedanigheid van vrijwilliger, dient de aanvraag voor machtiging tot verblijf in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
   De aanvraag voor een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor vergunning voor vrijwilliger.
   § 2. De onderdaan van een derde land legt de hiernavolgende documenten voor ter staving van zijn aanvraag:
   1° het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
   2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/13/31 vast te stellen.
   § 3. De aanvraag wordt ingediend wanneer de onderdaan van een derde land zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt.
   In afwijking van het eerste lid kan de onderdaan van een derde land die reeds in een andere hoedanigheid toegelaten of gemachtigd is om langer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven, zijn aanvraag indienen bij de bevoegde regionale overheid van zijn verblijfplaats op het grondgebied van het Rijk indien de aanvraag ingediend wordt voor het verstrijken van de geldigheidsduur van deze toelating of machtiging.
   § 4. Overeenkomstig artikel 58, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf.
   § 5. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat hij binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
   De in paragraaf 4 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
   § 6. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om op het grondgebied in de hoedanigheid van vrijwilliger te verblijven en te werken.]1

  
Art. 61/24. [1 Lorsqu'il a obtenu une autorisation de séjour temporaire, le MENA est informé, avant d'atteindre l'âge de dix-huit ans, par le ministre ou son délégué des conditions qui doivent être remplies pour obtenir une nouvelle autorisation de séjour.]1
  
Art. 61/13/29. [1 De minister of zijn gemachtigde betekent de volgende beslissingen aan de onderdaan van een derde land:
   1° de beslissing tot weigering van de machtiging tot verblijf of tot beëindiging van de machtiging tot verblijf;
   2° de beslissing tot toekenning van de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf, in de vorm van een gecombineerde administratieve akte.
   In de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld bij de artikelen 26 tot 36 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, informeert de minister of zijn gemachtigde de werkgever over de beslissing bedoeld in het eerste lid, 2°.]1

  
Art. 61/25. [1 Les dispositions du présent chapitre ne sont pas d'application, s'il s'avère que le MENA a commis des actes visés à l'article 3, alinéa 1er, 7°.]1
  
Art. 61/13/30. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en artikel 59, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt, wanneer de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/13/26 zich in het buitenland bevindt op de datum dat de beslissing waarbij hij gemachtigd wordt in de hoedanigheid van vrijwilliger op het grondgebied te verblijven en te werken, op zijn verzoek, een visum lang verblijf aan hem afgeleverd.
CHAPITRE VIIbis [1 Ressortissants de pays tiers qui séjournent ou souhaitent séjourner dans le Royaume à des fins d'emploi pour une période de plus nonante jours ]1
Art. 61/13/31. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/13/26 indient, wordt gemachtigd om in de hoedanigheid van vrijwilliger op het grondgebied te verblijven, indien hij de hiernavolgende documenten voorlegt ter staving van zijn aanvraag:
SECTION I. [1 - Dispositions relatives à la procédure conjointe en matière d'occupation des travailleurs étrangers.]1
Art. 61/13/31. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/13/26 indient, wordt gemachtigd om in de hoedanigheid van vrijwilliger op het grondgebied te verblijven, indien hij de hiernavolgende documenten voorlegt ter staving van zijn aanvraag:
   1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode en geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;
   2° het bewijs dat hij gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. Hierbij wordt rekening gehouden met een eventuele garantstelling door de gastentiteit, in het bijzonder voor de kosten van levensonderhoud en accommodatie;
   3° het bewijs dat hij beschikt over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt;
   4° wanneer de vrijwilliger gedurende het gehele verblijf bij de gastentiteit verblijft, het bewijs dat de vrijwilliger tijdens zijn verblijf op een passende wijze zal worden gehuisvest, zodat hij een gepaste levensstandaard geniet, overeenkomstig de wetgeving inzake de huisvesting;
   5° een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
   6° indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
   7° de door de aanvrager afgesloten vrijwilligersovereenkomst.
   Indien behoorlijk wordt aangetoond dat de documenten bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de omstandigheden, de vreemdeling echter machtigen op het grondgebied van het Rijk te verblijven om er een vrijwilligerswerk in het kader van Europees vrijwilligerswerk te verrichten.
   De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.
   De gastentiteit legt een schriftelijke verklaring voor die haar financiële aansprakelijkheid bevestigt voor de uit overheidsmiddelen betaalde kosten van het verblijf en de terugreis van de vrijwilliger in geval van onwettig verblijf van de vrijwilliger op het grondgebied van België.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van vrijwilliger toe te kennen in de volgende gevallen:
   1° de betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1;
   2° de betrokkene bevindt zich in één van de gevallen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
   3° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die bijdragen tot het verkrijgen van het verblijf;
   4° de betrokkene heeft de documenten of aanvullende informatie niet binnen de voorgeschreven termijn geleverd;
   5° de gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
   6° er is bewijs of er zijn ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de betrokkene andere doeleinden zou dienen dan die waarvoor hij een machtiging aanvraagt.
   § 3. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan het verblijf in de hoedanigheid van vrijwilliger in de volgende gevallen:
   1° de vrijwilliger voldoet niet of niet meer aan de gestelde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 5° en 6° ;
   2° de vrijwilliger verblijft in het land met andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd;
   3° de gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
   4° de betrokkene heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf.
   § 4. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.]1

  
Art. 61/25-1.. [1 Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux ressortissants de pays tiers qui introduisent une demande d'autorisation de travail, ou de renouvellement de cette autorisation, dans le Royaume auprès de [3 l'autorité régionale compétente]3, [2 à l'exception des ressortissants de pays tiers qui sont soumis aux [3 dispositions du chapitre VIII, du chapitre VIIIbis et du chapitre VIIIter]3]2 L'introduction de cette demande vaut introduction d'une demande de séjour.
  [3 ...]3
  
Art. 61/13/32. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk tot een verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde regionale overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land toegelaten wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
   Overeenkomstig artikel 61 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de duur van de machtiging tot verblijf, die met toepassing van de bepalingen van deze afdeling wordt toegekend, beperkt tot één jaar.]1

  
Art. 61/25-2. [1 § 1er. Le ministre ou son délégué statue sur la demande de séjour visée à l'article 61/25-1.
   Sans préjudice de la possibilité pour le ministre ou son délégué de demander des informations et des documents complémentaires conformément à l'article 25, § 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué se base notamment sur les documents et informations suivants pour statuer sur la demande :
   1° une copie de son passeport ou du titre de voyage en tenant lieu en cours de validité ;
   2° la preuve qu'il dispose de moyens de subsistance suffisants, la durée de son occupation en tant que travailleur, et, le cas échéant, le numéro de T.V.A. de l'employeur ;
   3° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite sur base de l'article 61/25-1, la preuve du paiement de la redevance tel qu'exigé par l'article 1er/1 ;
   4° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite sur base de l'article 61/25-1, un extrait du casier judiciaire ou un document équivalent, et le cas échéant sa traduction légalisée, délivré par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun pour autant que le demandeur soit âgé de 18 ans ou plus ;
   5° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite sur base de l'article 61/25-1, un certificat médical d'où il résulte que le demandeur n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi ;
   6° la preuve qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille.
   En cas d'impossibilité dûment justifiée de pouvoir produire les documents visés à l'alinéa [3 2]3, 4°, 5° et 6°, le ministre ou son délégué peut néanmoins, compte tenu des circonstances, autoriser le demandeur à séjourner en Belgique.
   § 2. Le ressortissant d'un pays tiers admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pour une période n'excédant pas nonante jours conformément au titre I, chapitre II, ou pour une période de plus de nonante jours [3 conformément au titre I, chapitre III ou titre II]3 peut introduire une demande d'autorisation de travail visée à l'article 61/25-1.
  [3 L'alinéa 1er n'est pas applicable aux étrangers visés par l'arrêté royal du 30 octobre 1991 relatif aux documents de séjour en Belgique de certains étrangers, sauf s'ils prouvent qu'ils peuvent renoncer à leur statut privilégié.]3
  [3 Sans préjudice de la possibilité de demander des informations et documents complémentaires, le ressortissant d'un pays tiers produit, outre les documents visés au paragraphe 1er, la preuve de l'admission ou autorisation, comme visée à l'alinéa 1er.]3
  [3 Le ministre ou son délégué peut néanmoins, compte tenu des circonstances, autoriser le demandeur à séjourner en Belgique sans les documents visés au paragraphe 1er, alinéa 2, 4°, 5° et 6°.]3
   § 3. Conformément à l'article 29, alinéa 1er, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner sur le territoire en application des dispositions du présent chapitre, le ministre ou son délégué en informe [2 l'autorité régionale compétente]2 par courrier, par télécopie ou par courrier électronique.
   Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions du présent chapitre, l'autorisation de séjour n'est valable que sous la condition que [2 l'autorité régionale compétente]2 prenne une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
   § 4. Conformément aux articles 26 alinéa 2, 28, alinéa 2, 29, alinéa 2 et 33 de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions du présent chapitre et autorisé à travailler par [2 l'autorité régionale compétente]2, le ministre ou son délégué lui notifie une décision accordant le permis unique.
   Cette décision prend la forme d'un acte administratif unique autorisant à la fois le séjour et le travail.
   Le ministre ou son délégué en informe l'employeur.
   § 5. Conformément à l'article 36, § 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, si le ressortissant d'un pays tiers n'est plus autorisé à travailler, son séjour prend fin de plein droit nonante jours après la fin de l'autorisation de travail, sans préjudice de la faculté du ministre ou de son délégué de mettre fin à son séjour en application de l'article 61/25-7.
   Le Roi détermine le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers, et aux membres de sa famille, si la validité de leur titre de séjour arrive à échéance durant la période de nonante jours visée à l'alinéa 1er.
   § 6. Conformément aux articles 26, alinéa 3 et 36, § 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ministre ou son délégué prend une décision de refus ou de fin de séjour, il en informe [2 l'autorité régionale compétente]2 par courrier, par télécopie ou par courrier électronique.
   § 7. Conformément à l'article 36, §§ 1er et 3 de l'accord de coopération du 2 février 2018, toute décision relative à une demande introduite sur base de l'article 61/25-1 prise par le ministre ou son délégué est notifiée au ressortissant d'un pays tiers. Le ministre ou son délégué en informe son employeur.
   Toute décision de fin d'autorisation relative à une demande introduite sur base de l'article 61/25-1 est notifiée au ressortissant d'un pays tiers.
   Toute décision de fin d'autorisation de travail prise par [2 l'autorité régionale compétente]2 est notifiée par le ministre ou son délégué au ressortissant d'un pays tiers et à son employeur. Le ministre ou son délégué informe l'autorité compétente de cette notification.]1

  
Art. 61/14. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° niet-begeleide minderjarige vreemdeling (NBMV) : een onderdaan van een land dat geen lid is van de Europese Economische Ruimte, die jonger is dan 18 jaar en die niet begeleid is door een persoon die het ouderlijk gezag of de voogdij over hem uitoefent krachtens de toepasselijke wet, overeenkomstig artikel 35 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, en die definitief geïdentificeerd is als NBMV door de dienst Voogdij, ingesteld door Titel XIII, Hoofdstuk VI, " Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen " van de programmawet van 24 december 2002;
  2° duurzame oplossing :
  - hetzij de gezinshereniging, overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, in het land waar de ouders zich legaal bevinden;
  - hetzij de terugkeer naar het land van herkomst of naar het land waar de NBMV gemachtigd of toegelaten is tot verblijf, met garanties op adequate opvang en verzorging, naargelang zijn leeftijd en zijn graad van zelfstandigheid, hetzij door zijn ouders of andere volwassenen die voor hem zullen zorgen, hetzij door overheidsinstanties of niet-gouvernementele instanties;
  - hetzij de machtiging tot verblijf in België, met inachtneming van de bepalingen waarin de wet voorziet;
  3° voogd : wettelijke vertegenwoordiger van de NBMV, zoals aangewezen door de dienst Voogdij.]1

  
Art. 61/25-3. [1 Conformément à l'article 21 de l'accord de coopération du 2 février 2018, la demande de renouvellement introduite sur la base de l'article 61/25-1, alinéa 1er, et répondant aux conditions déterminées par [2 l'autorité régionale compétente]2 est introduite au plus tard deux mois avant l'expiration de la validité de l'autorisation précédente.
   Lors de la demande de renouvellement, si le titre de séjour vient à échéance, le ressortissant d'un pays tiers reçoit un document qui couvre provisoirement son séjour dans l'attente d'une décision prise par le ministre ou son délégué ou, le cas échéant, par [2 l'autorité régionale compétente]2. Le Roi détermine le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers.]1

  
Art. 61/14. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
Section 2. [1 Dispositions relatives à l'autorisation de séjourner sur le territoire à des fins d'emploi pour une période de plus de nonante jours ]1
Art. 61/15. [1 [2 Ongeacht er een andere procedure tot bescherming, machtiging of toelating tot verblijf of tot vestiging hangende is, kan de voogd voor zijn pupil een aanvraag voor een machtiging tot verblijf op basis van dit hoofdstuk indienen bij de minister of zijn gemachtigde.]2
  De Koning bepaalt welke gegevens de aanvraag moet bevatten.]1

  
Art. 61/25-4. [1 Sans préjudice des dispositions plus favorables prévues par le droit de l'Union ou les conventions internationales liant la Belgique, les dispositions de la présente section s'appliquent aux ressortissants de pays tiers qui introduisent une demande d'autorisation de travail conformément à l'article 61/25-1, alinéa 1er, et qui souhaitent séjourner ou séjournent dans le Royaume pour une période de plus de nonante jours. ]1
  
Art. 61/17. [1 Bij het bepalen van de duurzame oplossing geeft de minister of zijn gemachtigde voorrang aan de vrijwaring van de eenheid van het gezin, overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van het Verdrag van de Verenigde Naties van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind en het hoger belang van het kind.]1
  
Art. 61/25-5. [1 § 1er. Le ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/25-4, est autorisé à entrer et à séjourner plus de nonante jours sur le territoire du Royaume afin d'y travailler, ou son autorisation de séjour est renouvelée, pour autant que :
   1° le ressortissant d'un pays tiers ne se trouve pas dans un des cas mentionnés à [2 l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10°]2 ;
   2° en cas d'absence d'un contrat de travail en cours de validité, le ressortissant d'un pays tiers dispose des moyens de subsistance suffisants pour la durée du séjour envisagé ;
   3° lorsque le ressortissant de pays tiers séjourne sur le territoire du Royaume lors de l'introduction de la demande visée à l'article 61/25-1, il est déjà admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période n'excédant pas nonante jours conformément au titre I, chapitre II, ou pour une période de plus de nonante jours [4 conformément au titre I, chapitre III ou au titre II, sauf s'il s'agit d'un étranger visé par l'arrêté royal du 30 octobre 1991 relatif aux documents de séjour en Belgique de certains étrangers, à moins qu'il ne prouve qu'il peut renoncer à son statut privilégié]4;
  [2 4° il satisfasse aux conditions prévues à l'article 61/25-2, § 1er, alinéa 2.]2
   § 2. Conformément à l'article 25, §§ 1er, 3 et 4 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué statue sur la demande de séjour, ou de son renouvellement, dans les quatre mois suivant la notification du caractère complet de la demande.
   Le délai visé à l'alinéa 1er peut être prolongé dans des circonstances exceptionnelles liées à la complexité de l'examen de la demande. Le ministre ou son délégué en informe le ressortissant d'un pays tiers et [3 l'autorité régionale compétente]3.
   Si le ministre ou son délégué ne statue pas dans le délai visé à l'alinéa 1er, éventuellement prolongé, le ressortissant d'un pays tiers est autorisé au séjour.
   § 3. Conformément à l'article 25, § 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lors de l'examen de la demande, il peut être exigé du ressortissant du pays tiers de produire dans un délai de 15 jours des informations ou documents complémentaires.
   Si les informations et documents complémentaires ne sont pas produits dans le délai visé à l'alinéa 1er, l'autorisation de séjour, ou le renouvellement de celle-ci, est refusée. ]1

  
Art. 61/18. [1 Na individueel onderzoek en op basis van het geheel van de elementen, geeft de minister of diens gemachtigde aan de burgemeester of diens gemachtigde de instructie om :
  - hetzij een bevel tot terugleiding af te geven aan de voogd, indien de duurzame oplossing de terugkeer naar of de gezinshereniging in een ander land is;
  - hetzij een verblijfsdocument af te geven, indien de duurzame oplossing niet bepaald is.
  Het verblijfsdocument heeft een geldigheidsduur van zes maanden. De Koning bepaalt het model van het document.]1

  
Art. 61/25-6. [1 § 1er. Conformément à l'article 34, alinéa 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, sans préjudice du paragraphe 2, lorsque le ressortissant d'un pays tiers autorisé au séjour dans le Royaume en application de l'article 61/25-5 et autorisé au travail par [2 l'autorité régionale compétente]2 se trouve à l'étranger à la date de la décision d'autorisation de séjour et de travail, un visa lui est délivré, à sa demande. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'introduction de la demande de visa.
   § 2. Conformément à l'article 34, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ressortissant d'un pays tiers autorisé au séjour dans le Royaume en application de l'article 61/25-5 et autorisé à travailler par [2 l'autorité régionale compétente]2 est inscrit au registre des étrangers. Un permis unique tel que défini à l'article 3, 10°, de l'accord précité lui est délivré.
   Le Roi détermine :
   1° le modèle du permis unique ;
   2° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance du permis unique.
   § 3. La demande d'inscription doit être introduite par le ressortissant d'un pays tiers dans les huit jours ouvrables de son entrée dans le Royaume s'il a obtenu l'autorisation de séjour à l'étranger. Elle doit être introduite dans les huit jours ouvrables de la réception de cette autorisation, si celle-ci a été obtenue dans le Royaume.
   Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et par voie de disposition générale, fixer un délai plus court dans des circonstances exceptionnelles.
   § 4. L'autorisation de séjour est accordée pour une durée limitée pendant une période de cinq ans. A l'expiration de cette période de 5 ans, l'autorisation de séjour est renouvelée pour une durée illimitée sans préjudice des conditions prévues à l'article 61/25-5.
  [2 L'alinéa 1er n'est pas applicable à l'autorisation de séjour délivrée à un ressortissant de pays tiers qui reste lié par un contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger.]2
   § 5. Si l'autorisation de travailler est accordée par [2 l'autorité régionale compétente]2 pour une durée illimitée, le ministre ou son délégué statue sur le séjour, conformément au présent chapitre.
   En cas de demande de renouvellement de l'autorisation de séjour, le ressortissant d'un pays tiers introduit sa demande auprès du bourgmestre de son lieu de résidence. La demande comprend les documents et informations énumérés à l'article 61/25-2, § 1er, alinéa 2, 1°, 2° et 6°, ainsi que la décision de [2 l'autorité régionale compétente]2 qui autorise le ressortissant d'un pays tiers à travailler pour une durée illimitée.
   Le bourgmestre ou son délégué délivre un document attestant de la demande de renouvellement et couvrant provisoirement son séjour. Le Roi détermine le modèle de ce document.
   Le bourgmestre ou son délégué transmet la demande au ministre, ou à son délégué. ]1

  
Art. 61/19. [1 § 1. Indien de duurzame oplossing niet kon worden bepaald bezorgt de voogd, één maand vóór de vervaldag van de geldigheidsduur van het verblijfsdocument, aan de minister of diens gemachtigde systematisch alle bewijskrachtige gegevens en documenten die betrekking hebben op het voorstel voor een duurzame oplossing, dat wordt ingediend op basis van artikel 11, § 1, van titel XIII, Hoofdstuk VI, " Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen " van de programmawet van 24 december 2002.
  De bewijskrachtige gegevens en documenten die moeten worden overgelegd zijn :
  1° het voorstel voor een duurzame oplossing;
  2° de gezinssituatie van de NBMV;
  3° elk specifiek element dat met de specifieke situatie van de NBMV verbonden is;
  4° het bewijs van regelmatig schoolbezoek.
  § 2. In functie van de bewijskrachtige elementen en documenten die aan hem worden overgezonden kan de minister of diens gemachtigde beslissen om over te gaan tot een nieuw verhoor van de NBMV, die door zijn voogd begeleid wordt.
  Indien de duurzame oplossing nog steeds niet kan worden bepaald geeft de minister of diens gemachtigde aan de burgemeester of diens gemachtigde de instructie om het verblijfsdocument dat aan de NBMV werd afgegeven te verlengen met zes maanden.]1

  
Art. 61/25-7. [1 Le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour du ressortissant de pays tiers autorisé au séjour dans le Royaume en application de l'article 61/25-5, dans l'un des cas suivants :
   1° le ressortissant d'un pays tiers ne remplit pas ou plus la condition visée à l'article 61/25-5, § 1er, 1° ;
   2° le ressortissant d'un pays tiers est une charge pour le système d'aide sociale du Royaume ;
   3° le ressortissant d'un pays tiers séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour. ]1

  
Art. 61/19. [1 § 1. Indien de duurzame oplossing niet kon worden bepaald bezorgt de voogd, één maand vóór de vervaldag van de geldigheidsduur van het verblijfsdocument, aan de minister of diens gemachtigde systematisch alle bewijskrachtige gegevens en documenten die betrekking hebben op het voorstel voor een duurzame oplossing, dat wordt ingediend op basis van artikel 11, § 1, van titel XIII, Hoofdstuk VI, " Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen " van de programmawet van 24 december 2002.
CHAPITRE VIII. [1 - Travailleurs hautement qualifiés - Carte bleue européenne.]1
Art. 61/20. [1 Indien de voorziene duurzame oplossing het verblijf in België is, geeft de minister of zijn gemachtigde, na overlegging van het nationaal paspoort van de NBMV, een machtiging tot verblijf met een duur van een jaar af.
Section 1re. [1 - Champ d'application et définitions.]1
Art. 61/22. [1 Indien de minister of zijn gemachtigde vaststelt dat valse of misleidende informatie werd meegedeeld of dat valse of vervalste documenten werden bezorgd met betrekking tot de in artikel 61/21 vermelde elementen of dat er fraude werd gepleegd of andere onwettige middelen werden gebruikt, om voor een minderjarige door te gaan wordt, [2 met toepassing van artikel 74/20, § 2,]2 een bevel om het grondgebied te verlaten afgegeven, indien blijkt dat het om een vreemdeling gaat die 18 jaar of ouder is.
  Indien de minister of zijn gemachtigde verneemt dat valse of misleidende informatie werd meegedeeld of dat valse of vervalste documenten werden bezorgd of dat er fraude werd gepleegd of andere onwettige elementen werden gebruikt, om elementen te bewijzen waarnaar verwezen wordt in artikel 61/21, tweede lid, 1° en 2°, kan de minister of diens gemachtigde de duurzame oplossing wijzigen overeenkomstig artikel 61/18.
  Te dien einde houdt de minister of diens gemachtigde rekening met het feit of het de voogd was of de NBMV die een beroep heeft gedaan op de valse informatie of de vervalste documenten, in functie van zijn onderscheidingsvermogen, en dit om de minderjarige niet te benadelen.]1

  
Art. 61/26. [1 § 1er. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux ressortissants de pays tiers qui introduisent une demande d'autorisation de travail, ou de renouvellement de cette autorisation, dans le Royaume, auprès de [2 l'autorité régionale compétente]2, afin d'occuper un travail hautement qualifié.
   L'introduction de cette demande vaut introduction d'une demande de séjour.
   § 2. Elles s'appliquent sans préjudice des dispositions pertinentes de :
   1° [2 l'accord de coopération du 2 février 2018]2;
   2° [2 l'accord de coopération du 6 décembre 2018]2.]1

  
Art. 61/22. [1 Indien de minister of zijn gemachtigde vaststelt dat valse of misleidende informatie werd meegedeeld of dat valse of vervalste documenten werden bezorgd met betrekking tot de in artikel 61/21 vermelde elementen of dat er fraude werd gepleegd of andere onwettige middelen werden gebruikt, om voor een minderjarige door te gaan wordt, [2 met toepassing van artikel 74/20, § 2,]2 een bevel om het grondgebied te verlaten afgegeven, indien blijkt dat het om een vreemdeling gaat die 18 jaar of ouder is.
  Indien de minister of zijn gemachtigde verneemt dat valse of misleidende informatie werd meegedeeld of dat valse of vervalste documenten werden bezorgd of dat er fraude werd gepleegd of andere onwettige elementen werden gebruikt, om elementen te bewijzen waarnaar verwezen wordt in artikel 61/21, tweede lid, 1° en 2°, kan de minister of diens gemachtigde de duurzame oplossing wijzigen overeenkomstig artikel 61/18.
  Te dien einde houdt de minister of diens gemachtigde rekening met het feit of het de voogd was of de NBMV die een beroep heeft gedaan op de valse informatie of de vervalste documenten, in functie van zijn onderscheidingsvermogen, en dit om de minderjarige niet te benadelen.]1

  
Art. 61/27. [1 Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
   1° [2 ...]2
   2° [2 ...]2
   3° [2 ...]2
   4° "carte bleue européenne" : le titre de séjour tel que défini à l'article 6, 1°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018.]1

  
Art. 61/23. [1 Na afloop van een periode van drie jaar, vanaf de toekenning van de machtiging tot tijdelijk verblijf waarin artikel 61/20 voorziet, geeft de minister of diens gemachtigde een machtiging tot verblijf van onbepaalde duur aan de NBMV. Indien de minister beslist de machtiging niet toe te kennen, dient deze zijn beslissing met redenen te omkleden.]1
Section 2. [1 - Dispositions relatives à la procédure conjointe en matière d'occupation de travailleurs hautement qualifiés.]1
Art. 61/24. [1 Alvorens hij achttien jaar oud wordt, wanneer hij een machtiging tot tijdelijk verblijf heeft verkregen, wordt de NBMV door de minister of diens gemachtigde op de hoogte gebracht van de voorwaarden die moeten worden vervuld om een nieuwe machtiging tot verblijf te verkrijgen.]1
  
Art. 61/27-1. [1 § 1er. Le ministre ou son délégué statue sur la demande de séjour visée à l'article 61/26.
   Sans préjudice de la possibilité pour le ministre ou son délégué de demander des informations ou des documents complémentaires conformément à l'article 25, § 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué se base notamment sur les documents et informations suivants pour statuer sur la demande :
   1° un passeport ou un titre de voyage en tenant lieu en cours de validité;
   2° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite sur base de l'article 61/26, un certificat médical attestant qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi;
   3° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite sur base de l'article 61/26, la preuve du paiement de la redevance tel qu'exigé par l'article 1er/1er;
   4° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite sur base de l'article 61/26, un extrait du casier judiciaire ou un document équivalent, et le cas échéant sa traduction légalisée, délivré par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun;
   5 ° la preuve qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille.
   En cas d'impossibilité dûment justifiée de pouvoir produire les documents visés à l'alinéa 2, 2° et 4°, le ministre ou son délégué peut néanmoins, compte tenu des circonstances, autoriser le ressortissant d'un pays tiers à séjourner en Belgique.
   § 2. Le ressortissant d'un pays tiers admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pour une période n'excédant pas nonante jours, conformément au titre I, chapitre II, ou pour une période de plus de nonante jours, [3 conformément au titre I, chapitre III ou titre II]3, peut introduire une demande d'autorisation de travail visée à l'article 61/26.
  [3 L'alinéa 1er n'est pas applicable aux étrangers visés par l'arrêté royal du 30 octobre 1991 relatif aux documents de séjour en Belgique de certains étrangers, sauf s'ils prouvent qu'ils peuvent renoncer à leur statut privilégié.]3
  [3 Sans préjudice de la possibilité de demander des informations et documents complémentaires, le ressortissant d'un pays tiers produit, outre les documents visés au paragraphe 1er, la preuve de l'admission ou autorisation, comme visée à l'alinéa 1er.]3
  [3 Le ministre ou son délégué peut néanmoins, compte tenu des circonstances, autoriser le demandeur à séjourner en Belgique sans les documents visés au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, 4° en 5°.]3
   § 3. Le ressortissant d'un pays tiers qui réside depuis dix-huit mois dans un autre Etat membre de l'Union européenne en tant que titulaire d'une carte bleue européenne, peut introduire une demande d'autorisation de travail visée à l'article 61/26 conformément au paragraphe 1er, sur présentation de sa carte bleue européenne en cours de validité.
   Le ressortissant d'un pays tiers visé à l'alinéa 1er peut également introduire sa demande conformément au paragraphe 2 dans les plus brefs délais et au plus tard un mois après son entrée dans le Royaume, sur présentation de sa carte bleue européenne.
   § 4. Conformément à l'article 29, alinéa 1er, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner sur le territoire en application des dispositions du présent chapitre, le ministre ou son délégué en informe [2 l'autorité régionale compétente]2 par courrier, par télécopie ou par courrier électronique.
   Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions du présent chapitre, l'autorisation de séjour n'est valable que sous la condition que [2 l'autorité régionale compétente]2 prenne une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
   § 5. Lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions de la présente section et autorisé à travailler par [2 l'autorité régionale compétente]2, le ministre ou son délégué lui notifie une décision accordant la carte bleue européenne.
   Cette décision prend la forme d'un acte administratif unique autorisant à la fois le séjour et le travail.
   Le ministre ou son délégué en informe l'employeur.
   § 6. Conformément aux articles 26, alinéa 3, et 36, § 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ministre ou son délégué prend une décision de refus ou de fin de séjour, il en informe [2 l'autorité régionale compétente]2 par courrier, par télécopie ou par courrier électronique.
   § 7. Conformément à l'article 36, §§ 1er et 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, toute décision relative à une demande introduite sur base de l'article 61/26 prise par le ministre, ou son délégué, est notifiée au ressortissant d'un pays tiers. Le ministre ou son délégué en informe son employeur.
   Toute décision de fin d'autorisation relative à une demande introduite sur base de l'article 61/26 est notifiée au ressortissant d'un pays tiers.
   Toute décision de fin d'autorisation de travail prise par [2 l'autorité régionale compétente]2 est notifiée par le ministre ou son délégué au ressortissant d'un pays tiers et à son employeur. Le ministre, ou son délégué, informe l'autorité compétente de cette notification.]1

  
Art. 61/25. [1 De bepalingen in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing indien blijkt dat de NBMV handelingen heeft gepleegd die bedoeld worden in het artikel 3, eerste lid, 7°.]1
  
Art. 61/27-2. [1 Conformément à l'article 21 de l'accord de coopération du 2 février 2018, la demande de renouvellement introduite sur base de l'article 61/26 et répondant aux conditions déterminées par [2 l'autorité régionale compétente]2 est introduite au plus tard deux mois avant l'expiration de la validité de l'autorisation précédente.
   Lors de la demande de renouvellement, si le titre de séjour vient à échéance, le ressortissant d'un pays tiers reçoit un document qui couvre provisoirement son séjour dans l'attente d'une décision prise par le ministre ou son délégué ou, le cas échéant, par [2 l'autorité régionale compétente]2. Le Roi détermine le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers.]1

  
Hoofdstuk VIIbis. [1 Onderdanen van derde landen die met het oog op werk in het Rijk verblijven of er wensen te verblijven voor een periode van meer dan negentig dagen]1
Section 3. [1 - Dispositions relatives à l'autorisation de séjourner sur le territoire à des fins d'emploi hautement qualifié.]1
Art. 61/25-1. [1 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de onderdanen van derde landen die in het Rijk een aanvraag voor een toelating tot arbeid of de vernieuwing van deze vergunning bij de [3 bevoegde regionale overheid]3 indienen, [2 met uitzondering van de onderdanen van derde landen die onderworpen zijn aan [3 de bepalingen van hoofdstuk VIII, hoofdstuk VIIIbis en van hoofdstuk VIIIter]3]2. De indiening van deze aanvraag geldt als indiening van een verblijfsaanvraag.
  [3 ...]3]1

  
Art. 61/27-3. [1 Les dispositions de la présente section s'appliquent aux ressortissants de pays tiers qui introduisent une demande d'autorisation de travail conformément à l'article 61/26 et qui souhaitent séjourner ou sont autorisés à séjourner dans le Royaume pour une période de plus de nonante jours afin d'occuper un emploi hautement qualifié.]1
  
Art. 61/25-2. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing over de verblijfsaanvraag bedoeld in artikel 61/25-1.
   Onverminderd de mogelijkheid voor de minister of zijn gemachtigde om aanvullende inlichtingen en documenten te eisen overeenkomstig artikel 25, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 baseert de minister of zijn gemachtigde zich met name op de volgende documenten en inlichtingen om over de aanvraag te beslissen:
   1° een kopie van zijn geldig paspoort of de daarmee gelijkgestelde reistitel;
   2° het bewijs dat hij beschikt over voldoende bestaansmiddelen, de duur van zijn tewerkstelling als werknemer en, in voorkomend geval, het btw-nummer van de werkgever;
   3° behalve bij het hernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf ingediend op basis van artikel 61/25-1, het bewijs van de betaling van de bijdrage, zoals die geëist wordt door artikel 1/1;
   4° behalve bij het hernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf ingediend op basis van artikel 61/25-1, indien de aanvrager 18 jaar is of ouder, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
   5° behalve bij het hernieuwen van de aanvraag ingediend op basis van artikel 61/25-1, een medisch attest waaruit blijkt dat de aanvrager niet lijdt aan een van de ziekten bedoeld in de bijlage bij deze wet;
   6° het bewijs dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt die alle risico's in België voor hemzelf en zijn familieleden dekt.
   Bij behoorlijk bewezen onmogelijkheid de in het [3 tweede]3 lid, 4°, 5° en 6° bedoelde documenten voor te leggen, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de omstandigheden, de aanvrager echter machtigen in België te verblijven.
   § 2. De onderdaan van een derde land die toegelaten of gemachtigd is op het grondgebied van het Rijk te verblijven voor een periode die negentig dagen niet overschrijdt overeenkomstig titel I, hoofdstuk II, of voor een periode van meer dan negentig dagen [3 overeenkomstig titel I, hoofdstuk III of titel II]3, kan een aanvraag voor een arbeidsvergunning indienen bedoeld in artikel 61/25-1.
  [3 Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdelingen bedoeld in het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, tenzij zij aantonen afstand te kunnen doen van hun bevoorrecht statuut.]3
  [3 Onverminderd de mogelijkheid om aanvullende inlichtingen en documenten te eisen, legt de onderdaan van een derde land, naast de documenten bedoeld in paragraaf 1, het bewijs van de toelating of machtiging voor, zoals bedoeld in het eerste lid.]3
  [3 De minister of zijn gemachtigde kan, rekening houdend met de omstandigheden, de aanvrager echter machtigen in België te verblijven zonder de in paragraaf 1, tweede lid, 4°, 5° en 6° bedoelde documenten.]3
   § 3. Overeenkomstig artikel 29, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk gemachtigd wordt om op het grondgebied te verblijven, brengt de minister of zijn gemachtigde de [2 bevoegde regionale overheid]2 daarvan op de hoogte per brief, fax of e-mail.
   Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk tot het verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de [2 bevoegde regionale overheid]2 een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land gemachtigd wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
   § 4. Overeenkomstig de artikelen 26, tweede lid, 28, tweede lid, 29, tweede lid, en 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 geeft de minister of zijn gemachtigde de onderdaan van een derde land kennis van een beslissing die de gecombineerde vergunning verleent wanneer hij tot het verblijf is gemachtigd krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk en van de [2 bevoegde regionale overheid]2 mag werken.
   Deze beslissing neemt de vorm aan van één enkele administratieve handeling die zowel het verblijf als het werk toestaat.
   De minister of zijn gemachtigde informeert de werkgever hiervan.
   § 5. Overeenkomstig artikel 36, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 eindigt het verblijf van de onderdaan van een derde land negentig dagen na het einde van de arbeidsvergunning van rechtswege, indien hij niet meer mag werken, en dit onverminderd de mogelijkheid van de minister, of zijn gemachtigde, om met toepassing van de artikelen 61/25-7 een einde te maken aan het verblijf.
   De Koning bepaalt het verblijfsdocument dat wordt afgegeven aan de onderdaan van een derde land, en aan zijn familieleden, indien de geldigheid van hun verblijfstitel verstrijkt tijdens de periode van negentig dagen bedoeld in het eerste lid.
   § 6. Overeenkomstig de artikelen 26, derde lid, en 36, § 3, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de minister of zijn gemachtigde een beslissing neemt tot weigering of beëindiging van het verblijf, brengt hij de [2 bevoegde regionale overheid]2 daarvan op de hoogte per brief, fax of e-mail.
   § 7. Overeenkomstig artikel 36, §§ 1 en 3 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 wordt de onderdaan van een derde land kennisgegeven van elke beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde over een op grond van artikel 61/25-1 ingediende aanvraag. De minister of zijn gemachtigde informeert zijn werkgever.
   De onderdaan van een derde land wordt kennisgegeven van elke beslissing tot beëindiging van de machtiging betreffende een aanvraag ingediend op grond van artikel 61/25-1.
   De onderdaan van een derde land en zijn werkgever worden door de minister of zijn gemachtigde kennisgegeven van elke beslissing tot beëindiging van de arbeidsvergunning genomen door de [2 bevoegde regionale overheid]2. De minister of zijn gemachtigde informeert de bevoegde overheid van deze kennisgeving.]1

  
Art. 61/27-4. [1 § 1er. Le ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/27-3, est autorisé à entrer et à séjourner plus de nonante jours sur le territoire du Royaume afin d'y travailler, ou son autorisation de séjour est renouvelée, si :
   1° il satisfait aux conditions visées à l'article 61/27-1, §§ 1er à 3, qui lui sont applicables;
   2° il ne se trouve pas dans un des cas énumérés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
   3° dans le cas où le ressortissant de pays tiers se trouve sur le territoire du Royaume lors de l'introduction de la demande visée à l'article 61/26, il est déjà admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période n'excédant pas nonante jours conformément au chapitre II du titre Ier, ou pour une période de plus de nonante jours [2 conformément au titre I, chapitre III ou au titre II, sauf s'il s'agit d'un étranger visé par l'arrêté royal du 30 octobre 1991 relatif aux documents de séjour en Belgique de certains étrangers, à moins qu'il ne prouve qu'il peut renoncer à son statut privilégié]2.
   § 2. Conformément à l'article 9 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ministre ou son délégué statue sur la demande de séjour, ou de son renouvellement, au plus tard dans les nonante jours suivant la notification du caractère complet de la demande.
   Le délai visé à l'alinéa 1er ne peut en aucun cas être prolongé.
   Si le ministre ou son délégué ne statue pas dans le délai visé à l'alinéa 1er, le ressortissant d'un pays tiers est autorisé au séjour.
   § 3. Conformément à l'article 25, § 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, et sans préjudice du délai prévu au paragraphe 2, lors de l'examen de la demande, il peut être exigé du ressortissant d'un pays tiers de produire dans un délai de quinze jours des informations ou documents complémentaires.
   Si les informations et documents complémentaires ne sont pas produits dans le délai visé à l'alinéa 1er, l'autorisation de séjour ou le renouvellement de celle-ci, est refusé.]1

  
Art. 61/25-2. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing over de verblijfsaanvraag bedoeld in artikel 61/25-1.
   Onverminderd de mogelijkheid voor de minister of zijn gemachtigde om aanvullende inlichtingen en documenten te eisen overeenkomstig artikel 25, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 baseert de minister of zijn gemachtigde zich met name op de volgende documenten en inlichtingen om over de aanvraag te beslissen:
   1° een kopie van zijn geldig paspoort of de daarmee gelijkgestelde reistitel;
   2° het bewijs dat hij beschikt over voldoende bestaansmiddelen, de duur van zijn tewerkstelling als werknemer en, in voorkomend geval, het btw-nummer van de werkgever;
   3° behalve bij het hernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf ingediend op basis van artikel 61/25-1, het bewijs van de betaling van de bijdrage, zoals die geëist wordt door artikel 1/1;
   4° behalve bij het hernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf ingediend op basis van artikel 61/25-1, indien de aanvrager 18 jaar is of ouder, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
   5° behalve bij het hernieuwen van de aanvraag ingediend op basis van artikel 61/25-1, een medisch attest waaruit blijkt dat de aanvrager niet lijdt aan een van de ziekten bedoeld in de bijlage bij deze wet;
   6° het bewijs dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt die alle risico's in België voor hemzelf en zijn familieleden dekt.
   Bij behoorlijk bewezen onmogelijkheid de in het [3 tweede]3 lid, 4°, 5° en 6° bedoelde documenten voor te leggen, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de omstandigheden, de aanvrager echter machtigen in België te verblijven.
   § 2. De onderdaan van een derde land die toegelaten of gemachtigd is op het grondgebied van het Rijk te verblijven voor een periode die negentig dagen niet overschrijdt overeenkomstig titel I, hoofdstuk II, of voor een periode van meer dan negentig dagen [3 overeenkomstig titel I, hoofdstuk III of titel II]3, kan een aanvraag voor een arbeidsvergunning indienen bedoeld in artikel 61/25-1.
  [3 Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdelingen bedoeld in het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, tenzij zij aantonen afstand te kunnen doen van hun bevoorrecht statuut.]3
  [3 Onverminderd de mogelijkheid om aanvullende inlichtingen en documenten te eisen, legt de onderdaan van een derde land, naast de documenten bedoeld in paragraaf 1, het bewijs van de toelating of machtiging voor, zoals bedoeld in het eerste lid.]3
  [3 De minister of zijn gemachtigde kan, rekening houdend met de omstandigheden, de aanvrager echter machtigen in België te verblijven zonder de in paragraaf 1, tweede lid, 4°, 5° en 6° bedoelde documenten.]3
   § 3. Overeenkomstig artikel 29, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk gemachtigd wordt om op het grondgebied te verblijven, brengt de minister of zijn gemachtigde de [2 bevoegde regionale overheid]2 daarvan op de hoogte per brief, fax of e-mail.
   Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk tot het verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de [2 bevoegde regionale overheid]2 een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land gemachtigd wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
   § 4. Overeenkomstig de artikelen 26, tweede lid, 28, tweede lid, 29, tweede lid, en 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 geeft de minister of zijn gemachtigde de onderdaan van een derde land kennis van een beslissing die de gecombineerde vergunning verleent wanneer hij tot het verblijf is gemachtigd krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk en van de [2 bevoegde regionale overheid]2 mag werken.
   Deze beslissing neemt de vorm aan van één enkele administratieve handeling die zowel het verblijf als het werk toestaat.
   De minister of zijn gemachtigde informeert de werkgever hiervan.
   § 5. Overeenkomstig artikel 36, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 eindigt het verblijf van de onderdaan van een derde land negentig dagen na het einde van de arbeidsvergunning van rechtswege, indien hij niet meer mag werken, en dit onverminderd de mogelijkheid van de minister, of zijn gemachtigde, om met toepassing van de artikelen 61/25-7 een einde te maken aan het verblijf.
   De Koning bepaalt het verblijfsdocument dat wordt afgegeven aan de onderdaan van een derde land, en aan zijn familieleden, indien de geldigheid van hun verblijfstitel verstrijkt tijdens de periode van negentig dagen bedoeld in het eerste lid.
   § 6. Overeenkomstig de artikelen 26, derde lid, en 36, § 3, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de minister of zijn gemachtigde een beslissing neemt tot weigering of beëindiging van het verblijf, brengt hij de [2 bevoegde regionale overheid]2 daarvan op de hoogte per brief, fax of e-mail.
   § 7. Overeenkomstig artikel 36, §§ 1 en 3 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 wordt de onderdaan van een derde land kennisgegeven van elke beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde over een op grond van artikel 61/25-1 ingediende aanvraag. De minister of zijn gemachtigde informeert zijn werkgever.
   De onderdaan van een derde land wordt kennisgegeven van elke beslissing tot beëindiging van de machtiging betreffende een aanvraag ingediend op grond van artikel 61/25-1.
   De onderdaan van een derde land en zijn werkgever worden door de minister of zijn gemachtigde kennisgegeven van elke beslissing tot beëindiging van de arbeidsvergunning genomen door de [2 bevoegde regionale overheid]2. De minister of zijn gemachtigde informeert de bevoegde overheid van deze kennisgeving.]1

  
Art. 61/27-5. [1 § 1er. Conformément à l'article 10, alinéa 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, si le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 61/26 se trouve à l'étranger à la date de la décision l'autorisant à la fois à séjourner et à travailler en qualité de travailleur hautement qualifié, un visa de long séjour lui est délivré, à sa demande, en vue de son entrée sur le territoire.
   Le Roi peut préciser par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités relatives à la délivrance du visa.
   § 2. Conformément à l'article 10, alinéas 3 et 4, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers autorisé à la fois à séjourner et à travailler en qualité de travailleur hautement qualifié est inscrit au registre des étrangers. Une carte bleue européenne lui est délivrée.
   Le Roi détermine :
   1° le modèle de la carte bleue européenne;
   2° la durée de validité de la carte bleue européenne;
   3° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance de la carte bleue européenne.
   § 3. Si l'autorisation de séjour est accordée en application de l'article 61/27-4, § 2, alinéa 1er, et si aucune décision relative à la fois à l'autorisation de séjour et à l'autorisation de travail n'a été prise dans un délai de nonante jours à compter de la notification du caractère complet/recevable de la demande, le ressortissant de pays tiers est autorisé à la fois à séjourner et à travailler en qualité de travailleur hautement qualifié. Les paragraphes 1er et 2 s'appliquent.]1

  
Art. 61/25-3. [1 Overeenkomstig artikel 21 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 wordt de aanvraag tot vernieuwing op grond van artikel 61/25-1, eerste lid, die de voorwaarden bepaald door de [2 bevoegde regionale overheid]2 vervult, ten laatste twee maanden voor het verstrijken van de geldigheid van de vorige vergunning ingediend.
   Indien, bij deze aanvraag tot vernieuwing, de verblijfstitel vervalt, ontvangt de onderdaan van een derde land een document dat voorlopig zijn verblijf dekt in afwachting van een beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde of, in voorkomend geval, door de [2 bevoegde regionale overheid]2. De Koning bepaalt het verblijfsdocument dat aan de onderdaan van een derde land wordt afgegeven.]1

  
Art. 61/27-6. [1 § 1er . Le ministre ou son délégué met fin à l'autorisation de séjour en tant que travailleur hautement qualifié ou refuse de renouveler celle-ci lorsque le ressortissant d'un pays tiers ne remplit pas ou plus les conditions visées à l'article 61/27-4, § 1er, 1° et 2°.
   § 2. Le ministre ou son délégué peut mettre fin à l'autorisation de séjour en tant que travailleur hautement qualifié ou refuser de renouveler celle-ci dans les cas suivants :
   1° lorsque le ressortissant d'un pays tiers ne dispose pas de ressources suffisantes pour subvenir à ses propres besoins et à ceux des membres de sa famille, afin de ne pas devenir une charge pour les autorités publiques. Dans le cadre de l'évaluation des ressources, il est tenu compte de la situation personnelle de l'étranger et, notamment, de la nature et de la régularité de ses revenus et du nombre de membres de la famille qui sont à sa charge;
   2° le ressortissant d'un pays tiers séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour.]1

  
Art. 61/25-4. [1 Onverminderd de gunstigere bepalingen die zijn voorgeschreven door het recht van de Unie of de internationale overeenkomsten die België binden, zijn de bepalingen van deze afdeling van toepassing op de onderdanen van derde landen die een aanvraag voor een arbeidsvergunning indienen, overeenkomstig artikel 61/25-1 eerste lid, en die voor een periode van meer dan negentig dagen in het Rijk wensen te verblijven of er verblijven. ]1
CHAPITRE VIIIbis . [1 - Travailleurs saisonniers.]1
Art. 61/25-5.[1 § 1. De onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/25-4, wordt gemachtigd om het grondgebied van het Rijk binnen te komen en er meer dan negentig dagen te verblijven om er te werken, of zijn machtiging tot verblijf wordt vernieuwd, mits:
Section 1re. [1 - Champ d'application et définitions.]1
Art. 61/25-6. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 wordt, onverminderd paragraaf 2, aan een onderdaan van een derde land, gemachtigd tot het verblijf in het Rijk krachtens artikel 61/25-5 en gemachtigd om te werken door de [2 bevoegde regionale overheid]2, die zich in het buitenland bevindt op de datum van de beslissing tot machtiging tot verblijf en werk, op zijn verzoek, een visum afgegeven. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de indiening van de visumaanvraag.
   § 2. Overeenkomstig artikel 34, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 wordt de onderdaan van een derde land die krachtens artikel 61/25-5 tot het verblijf in het Rijk is gemachtigd en door de [2 bevoegde regionale overheid]2 is gemachtigd om te werken, in het vreemdelingenregister ingeschreven. Hem wordt een gecombineerde vergunning, zoals bepaald in artikel 3, 10°, van het voornoemde akkoord, afgegeven.
   De Koning bepaalt:
   1° het model van de gecombineerde vergunning;
   2° het verblijfsdocument dat aan de onderdaan van een derde land wordt afgegeven in afwachting van de afgifte van de gecombineerde vergunning.
   § 3. De aanvraag tot inschrijving moet door de onderdaan van een derde land worden ingediend binnen acht werkdagen nadat hij het Rijk is binnengekomen, indien hij de machtiging tot verblijf in het buitenland heeft verkregen. Zij moet worden ingediend binnen acht werkdagen na de ontvangst van die vergunning, indien deze in het Rijk is verkregen.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en bij wijze van algemene bepaling, in uitzonderlijke omstandigheden een kortere termijn vaststellen.
   § 4. De machtiging tot verblijf wordt toegekend voor een beperkte duur gedurende een periode van vijf jaar. Bij het verstrijken van deze periode van vijf jaar wordt de machtiging tot verblijf voor een onbeperkte duur vernieuwd, onverminderd de voorwaarden van artikel 61/25-5.
  [2 Het eerste lid is niet van toepassing op de machtiging tot verblijf afgeleverd aan een onderdaan van een derde land die door een arbeidsovereenkomst verbonden blijft met een in het buitenland gevestigde werkgever.]2
   § 5. Indien de arbeidsvergunning door de [2 bevoegde regionale overheid]2 voor een onbeperkte duur is verleend, beslist de minister of zijn gemachtigde over het verblijf, overeenkomstig dit hoofdstuk.
   Voor de vernieuwing van zijn machtiging tot verblijf dient de onderdaan van een derde land zijn aanvraag tot vernieuwing in bij de burgemeester van zijn verblijfplaats. De aanvraag omvat de documenten en inlichtingen die opgesomd worden in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, 1°, 2° en 6°, en de beslissing van de [2 bevoegde regionale overheid]2 die de onderdaan van een derde land machtigt om voor een onbeperkte duur te werken.
   De burgemeester of zijn gemachtigde geeft een document af dat de aanvraag tot vernieuwing bewijst en het verblijf voorlopig dekt. De Koning bepaalt het model van dit document.
   De burgemeester of zijn gemachtigde zendt de aanvraag over aan de minister, of zijn gemachtigde. ]1

  
Art. 61/28. [1 § 1er. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux ressortissants de pays tiers qui, se trouvant en-dehors du territoire des Etats membres de l'Union européenne, souhaitent entrer et séjourner dans le Royaume pour y travailler en qualité de travailleurs saisonniers ainsi qu'aux ressortissants de pays tiers qui sont autorisés à séjourner et à travailler dans le Royaume en cette qualité.
   § 2. Elles s'appliquent sans préjudice des dispositions pertinentes de :
   1° [2 l'accord de coopération du 2 février 2018]2;
   2° [2 l'accord de coopération du 6 décembre 2018]2.]1

  
Art. 61/25-6. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 wordt, onverminderd paragraaf 2, aan een onderdaan van een derde land, gemachtigd tot het verblijf in het Rijk krachtens artikel 61/25-5 en gemachtigd om te werken door de [2 bevoegde regionale overheid]2, die zich in het buitenland bevindt op de datum van de beslissing tot machtiging tot verblijf en werk, op zijn verzoek, een visum afgegeven. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de indiening van de visumaanvraag.
   § 2. Overeenkomstig artikel 34, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 wordt de onderdaan van een derde land die krachtens artikel 61/25-5 tot het verblijf in het Rijk is gemachtigd en door de [2 bevoegde regionale overheid]2 is gemachtigd om te werken, in het vreemdelingenregister ingeschreven. Hem wordt een gecombineerde vergunning, zoals bepaald in artikel 3, 10°, van het voornoemde akkoord, afgegeven.
   De Koning bepaalt:
   1° het model van de gecombineerde vergunning;
   2° het verblijfsdocument dat aan de onderdaan van een derde land wordt afgegeven in afwachting van de afgifte van de gecombineerde vergunning.
   § 3. De aanvraag tot inschrijving moet door de onderdaan van een derde land worden ingediend binnen acht werkdagen nadat hij het Rijk is binnengekomen, indien hij de machtiging tot verblijf in het buitenland heeft verkregen. Zij moet worden ingediend binnen acht werkdagen na de ontvangst van die vergunning, indien deze in het Rijk is verkregen.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en bij wijze van algemene bepaling, in uitzonderlijke omstandigheden een kortere termijn vaststellen.
   § 4. De machtiging tot verblijf wordt toegekend voor een beperkte duur gedurende een periode van vijf jaar. Bij het verstrijken van deze periode van vijf jaar wordt de machtiging tot verblijf voor een onbeperkte duur vernieuwd, onverminderd de voorwaarden van artikel 61/25-5.
  [2 Het eerste lid is niet van toepassing op de machtiging tot verblijf afgeleverd aan een onderdaan van een derde land die door een arbeidsovereenkomst verbonden blijft met een in het buitenland gevestigde werkgever.]2
   § 5. Indien de arbeidsvergunning door de [2 bevoegde regionale overheid]2 voor een onbeperkte duur is verleend, beslist de minister of zijn gemachtigde over het verblijf, overeenkomstig dit hoofdstuk.
   Voor de vernieuwing van zijn machtiging tot verblijf dient de onderdaan van een derde land zijn aanvraag tot vernieuwing in bij de burgemeester van zijn verblijfplaats. De aanvraag omvat de documenten en inlichtingen die opgesomd worden in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, 1°, 2° en 6°, en de beslissing van de [2 bevoegde regionale overheid]2 die de onderdaan van een derde land machtigt om voor een onbeperkte duur te werken.
   De burgemeester of zijn gemachtigde geeft een document af dat de aanvraag tot vernieuwing bewijst en het verblijf voorlopig dekt. De Koning bepaalt het model van dit document.
   De burgemeester of zijn gemachtigde zendt de aanvraag over aan de minister, of zijn gemachtigde. ]1

  
Art. 61/28-1. [1 Pour l'application des dispositions du présent chapitre, on entend par :
   1° [2 ...]2
   2° [2 ...]2
   3° [2 ...]2
   4° "travailleur saisonnier" : le ressortissant de pays tiers visé à l'article 12, 1°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
   5° "permis pour travailleur saisonnier" : le titre de séjour visé à l'article 12, 3°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018.]1

  
Art. 61/25-7. [1 § 1. In een van de volgende gevallen kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan het verblijf van de krachtens artikel 61/25-5 tot het verblijf in het Rijk gemachtigde onderdaan van een derde land:
Section 2. [1 - Accès au territoire et court séjour - Documents requis.]1
HOOFDSTUK VIII. [1 - HOOGGEKWALIFICEERDE WERKNEMERS - EUROPESE BLAUWE KAART.]1
Art. 61/29.[1 § 1er. Sans préjudice des dispositions du chapitre II du titre Ier, pour pouvoir entrer et séjourner sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier pendant une durée maximale de nonante jours, le ressortissant de pays tiers doit disposer des documents suivants :
Art. 61/26. [1 § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de onderdanen van derde landen die in het Rijk een aanvraag voor een arbeidsvergunning of de vernieuwing van deze vergunning bij de [2 bevoegde regionale overheid]2 indienen, om hooggekwalificeerd werk uit te oefenen.
   De indiening van deze aanvraag geldt als indiening van een verblijfsaanvraag.
   § 2. Ze zijn van toepassing, onverminderd de relevante bepalingen van :
   1° [2 het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018]2;
   2° [2 het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018]2.]1

  
Art. 61/29-1. [1 Sans préjudice des dispositions du chapitre II du titre I, le ressortissant de pays tiers qui souhaite entrer et séjourner sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier pendant une durée de plus de nonante jours doit disposer des documents suivants :
   1° un passeport valable ou un titre de voyage en tenant lieu dont la durée de validité couvre au moins celle de l'autorisation de travail aux fins d'un travail saisonnier délivrée par [2 l'autorité régionale compétente]2 et qui remplit les conditions de validité prévues par l'article 6, § 1er, a), du Code frontières Schengen;
   2° un visa de long séjour délivré en application de l'article 61/29-7.
   Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.]1

  
Art. 61/26. [1 § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de onderdanen van derde landen die in het Rijk een aanvraag voor een arbeidsvergunning of de vernieuwing van deze vergunning bij de [2 bevoegde regionale overheid]2 indienen, om hooggekwalificeerd werk uit te oefenen.
   De indiening van deze aanvraag geldt als indiening van een verblijfsaanvraag.
   § 2. Ze zijn van toepassing, onverminderd de relevante bepalingen van :
   1° [2 het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018]2;
   2° [2 het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018]2.]1

  
Art. 61/29-2. [1 La durée pendant laquelle le ressortissant de pays tiers peut séjourner en qualité de travailleur saisonnier est limitée à cent-cinquante jours par période de trois-cent-soixante jours, ce qui implique d'examiner la période de trois-cent-soixante jours précédant chaque jour de séjour.
   Pour l'application de l'alinéa 1er, la date d'entrée est considérée comme le premier jour de séjour sur le territoire et la date de sortie est considérée comme le dernier jour de séjour sur le territoire. La totalité des périodes de séjour autorisées en qualité de travailleur saisonnier sont prises en considération pour le calcul de la durée du séjour, y compris la ou les périodes de séjour effectuées au titre d'un court séjour.
   Le Roi peut préciser la manière dont est calculée la durée maximale du séjour en qualité de travailleurs saisonnier. Il peut abroger, remplacer ou compléter les modalités prévues aux alinéas 1er et 2, pour se conformer au droit de l'Union.]1

  
Art. 61/27. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
   1° [2 ...]2
   2° [2 ...]2
   3° [2 ...]2
   4° "Europese blauwe kaart" : de verblijfstitel zoals gedefinieerd in artikel 6, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.]1

  
Art. 61/29-3. [1 Le Roi peut déroger aux dispositions du présent chapitre afin de faciliter la délivrance du visa requis en ce qui concerne les ressortissants de pays tiers qui ont déjà séjourné en qualité de travailleur saisonnier sur le territoire ou dans un autre Etat membre au cours des cinq années précédant immédiatement la demande et qui ont pleinement respecté, lors de chacun de leurs séjours, les conditions applicables aux travailleurs saisonniers. Il peut préciser les conditions d'application de ces dérogations.]1
  
Art. 61/27-1.[1 § 1. De minister of zijn gemachtigde beslist over de in artikel 61/26 bedoelde verblijfsaanvraag.
Section 3. [1 - Permis pour travailleur saisonnier.]1
Art. 61/27-1.[1 § 1. De minister of zijn gemachtigde beslist over de in artikel 61/26 bedoelde verblijfsaanvraag.
Sous-section 1re. [1 - Dispositions relatives à la procédure conjointe en matière d'occupation des travailleurs étrangers.]1
Art. 61/27-2. [1 Overeenkomstig artikel 21 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 wordt de aanvraag om vernieuwing op grond van artikel 61/26 die de door de [2 bevoegde regionale overheid]2 bepaalde voorwaarden vervult, ten laatste twee maanden voor het verstrijken van de geldigheid van de vorige vergunning ingediend.
   Indien, bij deze aanvraag om vernieuwing, de verblijfstitel vervalt, ontvangt de onderdaan van een derde land een document dat voorlopig zijn verblijf dekt, in afwachting van een beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde of, in voorkomend geval, door de [2 bevoegde regionale overheid]2. De Koning bepaalt het verblijfsdocument dat aan de onderdaan van een derde land wordt afgegeven.]1

  
Art. 61/29-4. [1 § 1er. Le ressortissant de pays tiers qui souhaite séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier introduit sa demande auprès de [2 l'autorité régionale compétente]2 sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
   La demande d'autorisation de travail vaut demande d'autorisation de séjour.
   § 2. Seul le ressortissant de pays tiers qui se trouve en-dehors du territoire des Etats membres lors de l'introduction de la demande ou qui se trouve dans le cas visé à l'article 61/29, § 5, alinéa 3, est autorisé à introduire une demande d'autorisation de séjour en vertu du présent article.
   § 3. Les documents suivants sont joints à la demande :
   1° la preuve du paiement de la redevance prévue à l'article 1er/1er;
   2° les documents permettant d'établir les conditions visées à l'article 61/29-8, § 1er.
   § 4. Conformément à l'article 17, §§ 1er, 2 et 4, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ministre ou son délégué prend une décision relative à l'autorisation de séjour au plus tard dans un délai de nonante jours suivant la notification du caractère complet de la demande.
   Le délai prévu à l'alinéa 1er est réduit à soixante jours lorsque le ressortissant de pays tiers a déjà été autorisé à séjourner sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier au moins une fois au cours des cinq dernières années et a respecté, lors de chacun de ses séjours, la législation relative à l'occupation des travailleurs étrangers et la législation relative à l'accès au territoire, au séjour, à l'établissement et à l'éloignement des étrangers.
   Le délai prévu à l'alinéa 1er est réduit à trente jours lorsque la demande est introduite par un ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/29, § 5, alinéa 3.
   § 5. Lors de l'examen de la demande, il est vérifié si l'intéressé remplit les conditions d'octroi. Une attention particulière est accordée à l'évaluation du risque d'immigration illégale ou du risque pour la sécurité des Etats membres que présenterait l'intéressé ainsi qu'à sa volonté de quitter le territoire des Etats membres au plus tard à la date d'expiration de son séjour.
   § 6. Au plus tard quinze jours avant l'expiration du délai de traitement visé au paragraphe 4, le ministre ou son délégué peut exiger du ressortissant de pays tiers ou de son employeur qu'ils produisent des documents ou des renseignements complémentaires dans un délai de dix jours. Ils sont informés des documents ou des renseignements qu'ils doivent produire.
   § 7. Si la durée pendant laquelle le ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/29, § 5, alinéa 3, est autorisé à séjourné en qualité de travailleur saisonnier expire durant l'examen de la demande, il lui est délivré un document qui couvre provisoirement son séjour jusqu'à ce qu'il soit statué dessus. Le Roi détermine les conditions et les modalités de délivrance du document de séjour.
   § 8. Conformément à l'article 33 de l'accord de coopération du 2 février 2018, si l'intéressé est autorisé à séjourner et à travailler plus de nonante jours sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier, l'autorisation de travail et l'autorisation de séjour lui sont notifiées sous la forme d'un acte administratif unique.]1

  
Art. 61/27-3. [1 De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de onderdanen van derde landen die een aanvraag voor een toelating tot arbeid, overeenkomstig artikel 61/26, indienen en die voor een periode van meer dan negentig dagen in het Rijk wensen te verblijven of voor een periode van meer dan negentig dagen in het Rijk worden gemachtigd te verblijven, om hooggekwalificeerd werk uit te oefenen.]1
  
Art. 61/29-5. [1 § 1er. Conformément à l'article 21, § 1er, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers qui est autorisé à séjourner en qualité de travailleur saisonnier pendant plus de nonante jours en application de l'article 61/29-4 et qui souhaite prolonger son séjour en cette qualité introduit une demande sous la forme d'une demande d'autorisation de travail auprès de [2 l'autorité régionale compétente]2 au plus tard un mois avant l'expiration de son séjour.
   § 2. Les documents permettant d'établir les conditions visées à l'article 61/29-8, § 1er, sont joints à la demande.
   § 3. Conformément à l'article 17, §§ 3 et 4, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, une décision concernant le renouvellement ou non de l'autorisation de séjour est prise au plus tard dans un délai de trente jours, non prorogeable, suivant la notification du caractère complet de la demande.
   § 4. Lors de l'examen de la demande, il est vérifié si l'intéressé remplit les conditions de renouvellement de l'autorisation de séjour et une attention particulière est accordée à l'évaluation du risque d'immigration illégale ou du risque pour la sécurité des Etats membres que présenterait l'intéressé ainsi qu'à sa volonté de quitter le territoire des Etats membres au plus tard à la date d'expiration de son séjour.
   § 5. Au plus tard quinze jours avant l'expiration du délai de traitement visé au paragraphe 4, le ministre ou son délégué peut exiger du ressortissant de pays tiers ou de son employeur qu'ils produisent des documents ou des renseignements complémentaires dans un délai de dix jours. Ils sont informés des documents ou des renseignements qu'ils doivent produire.
   § 6. Si la durée pendant laquelle l'intéressé est autorisé à séjourner en qualité de travailleur saisonnier expire durant l'examen de la demande, il lui est délivré un document qui couvre provisoirement son séjour jusqu'à ce qu'il soit statué dessus. Le Roi détermine les conditions et les modalités de délivrance du document de séjour.
   § 7. Conformément à l'article 33 de l'accord de coopération du 2 février 2018, si l'intéressé est autorisé à prolonger son séjour en qualité de travailleur saisonnier, l'autorisation de travail requise et l'autorisation de séjour lui sont notifiées sous la forme d'un acte administratif unique.]1

  
Art. 61/27-4. [1 § 1. De onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/27-3 wordt gemachtigd om het grondgebied van het Rijk binnen te komen en er meer dan negentig dagen te verblijven om er te werken, of zijn machtiging tot verblijf wordt vernieuwd, mits :
   1° hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 61/27-1, §§ 1 tot 3, die op hem van toepassing zijn;
   2° hij zich niet bevindt in een van de gevallen opgesomd in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
   3° in het geval waarin de onderdaan van een derde land zich reeds op het grondgebied van het Rijk bevindt wanneer hij de aanvraag bedoeld in artikel 61/26 indient, is hij reeds toegelaten of gemachtigd tot een verblijf in het Rijk voor een periode die negentig dagen niet overschrijdt, overeenkomstig hoofdstuk II van titel I, of voor een periode van meer dan negentig dagen, [2 overeenkomstig titel I, hoofdstuk III of titel II, behalve indien het gaat om een vreemdeling bedoeld in het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, tenzij hij aantoont afstand te kunnen doen van zijn bevoorrecht statuut]2.
   § 2. Overeenkomstig artikel 9 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, beslist de minister of zijn gemachtigde over de verblijfsaanvraag, of over de aanvraag voor vernieuwing, binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag.
   De in het eerste lid bedoelde termijn kan in geen geval verlengd worden.
   Indien de minister of zijn gemachtigde binnen de termijn bedoeld in het eerste lid geen beslissing neemt, wordt de onderdaan van een derde land tot het verblijf gemachtigd.
   § 3. Overeenkomstig artikel 25, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en onverminderd de termijn voorzien in paragraaf 2 kan tijdens het onderzoek van de aanvraag van de onderdaan van een derde land geëist worden dat hij binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
   Indien de aanvullende inlichtingen en documenten niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn zijn voorgelegd, wordt de machtiging tot verblijf of de vernieuwing ervan geweigerd.]1

  
Art. 61/29-6. [1 Le ministre ou son délégué notifie les décisions suivantes au ressortissant de pays tiers :
   1° les décisions mettant fin à l'autorisation de travail prises par [2 l'autorité régionale compétente]2;
   2° les décisions de refus de l'autorisation de séjour, de non-renouvellement ou mettant fin à l'autorisation de séjour prises en vertu de la présente section;
   3° les décisions d'octroi ou de renouvellement de l'autorisation de travail et de l'autorisation de séjour sous la forme d'un acte administratif unique.
   Le ministre ou son délégué informe l'employeur des décisions visées à l'alinéa 1er, 1° et 3°, dans les cas et conditions prévues par l'accord de coopération du 2 février 2018.]1

  
Art. 61/27-4. [1 § 1. De onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/27-3 wordt gemachtigd om het grondgebied van het Rijk binnen te komen en er meer dan negentig dagen te verblijven om er te werken, of zijn machtiging tot verblijf wordt vernieuwd, mits :
   1° hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 61/27-1, §§ 1 tot 3, die op hem van toepassing zijn;
   2° hij zich niet bevindt in een van de gevallen opgesomd in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
   3° in het geval waarin de onderdaan van een derde land zich reeds op het grondgebied van het Rijk bevindt wanneer hij de aanvraag bedoeld in artikel 61/26 indient, is hij reeds toegelaten of gemachtigd tot een verblijf in het Rijk voor een periode die negentig dagen niet overschrijdt, overeenkomstig hoofdstuk II van titel I, of voor een periode van meer dan negentig dagen, [2 overeenkomstig titel I, hoofdstuk III of titel II, behalve indien het gaat om een vreemdeling bedoeld in het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, tenzij hij aantoont afstand te kunnen doen van zijn bevoorrecht statuut]2.
   § 2. Overeenkomstig artikel 9 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, beslist de minister of zijn gemachtigde over de verblijfsaanvraag, of over de aanvraag voor vernieuwing, binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag.
   De in het eerste lid bedoelde termijn kan in geen geval verlengd worden.
   Indien de minister of zijn gemachtigde binnen de termijn bedoeld in het eerste lid geen beslissing neemt, wordt de onderdaan van een derde land tot het verblijf gemachtigd.
   § 3. Overeenkomstig artikel 25, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en onverminderd de termijn voorzien in paragraaf 2 kan tijdens het onderzoek van de aanvraag van de onderdaan van een derde land geëist worden dat hij binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
   Indien de aanvullende inlichtingen en documenten niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn zijn voorgelegd, wordt de machtiging tot verblijf of de vernieuwing ervan geweigerd.]1

  
Art. 61/29-7. [1 § 1er. Conformément à l'article 34, alinéa 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, et aux articles 18, alinéa 2, et 21, § 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, un visa de long séjour comportant une mention indiquant qu'il est délivré aux fins d'un travail saisonnier, conformément au règlement (CE) n° 1683/95 du Conseil, du 29 mai 1995, établissant un modèle type de visa est délivré au ressortissant de pays tiers qui est autorisé à séjourner et à travailler sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier en application de l'article 61/29-4, à sa demande.
   § 2. Lorsque le visa est délivré à un ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/29, § 5, alinéa 3, sa durée de validité est égale à la durée autorisée de son séjour. Celui-ci est autorisé à séjourner sur le territoire sous le couvert de son passeport ou du titre de voyage en tenant lieu et du visa qui lui a été délivré en application du paragraphe 1er, en cours de validité.
   Sauf dérogation prévue par le Roi, le ressortissant de pays tiers visé à l'alinéa 1er n'est pas inscrit au registre des étrangers. Le Roi peut le soumettre à d'autres modalités d'inscription ou d'enregistrement déterminées par Lui, notamment dans le registre d'attente.
   § 3. Conformément à l'article 18, alinéa 3, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers autorisé à travailler et à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier est inscrit au registre des étrangers et un permis pour travailleur saisonnier lui est délivré, à sa demande. La durée de validité du permis pour travailleur saisonnier est égale à la durée de l'autorisation de séjour.
   L'alinéa 1er ne s'applique pas au ressortissant de pays tiers visé au paragraphe 2.
   § 4. En cas de renouvellement du séjour en application de l'article 61/29-5, le permis pour travailleur saisonnier ou le visa de long séjour dont le ressortissant de pays tiers est titulaire est prolongé d'une durée égale à la durée autorisée de son séjour.
   § 5. Le Roi détermine les conditions et les modalités relatives à l'inscription de l'intéressé et à la délivrance et au renouvellement du visa et du permis pour travailleur saisonnier.]1

  
Art. 61/27-5. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van het samenwerkingsakoord van 6 december 2018, wordt aan een onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/26, die zich op de datum van de beslissing die hem tegelijkertijd machtigt om in de hoedanigheid van hooggekwalificeerde werknemer op het grondgebied te verblijven en te werken, op zijn verzoek, een visum lang verblijf afgegeven, zodat hij het grondgebied kan binnenkomen.
Sous-section 2. [1 - Dispositions relatives à l'autorisation de séjour en qualité de travailleur saisonnier.]1
Art. 61/27-6. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde maakt een einde aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van hooggekwalificeerde werknemer, of weigert om die machtiging te vernieuwen, wanneer de onderdaan van een derde land de in artikel 61/27-4, § 1, 1° en 2°, bedoelde voorwaarden niet of niet meer vervult.
   § 2. In de volgende gevallen kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van hooggekwalificeerde werknemer of weigeren die te vernieuwen :
   1° indien de onderdaan van een derde land niet over voldoende bestaansmiddelen ten behoeve van zichzelf en van zijn gezinsleden beschikt, om te voorkomen dat ze ten laste van de openbare overheden vallen. In het kader van de evaluatie van de bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de vreemdeling en, meer bepaald, de aard en de regelmaat van zijn inkomsten en het aantal gezinsleden die te zijnen laste zijn;
   2° de onderdaan van een derde land verblijft voor andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd.]1

  
Art. 61/29-8. [1 § 1er. Sous réserve de l'application des paragraphes 2 et 3 et de l'article 61/29-9, le ressortissant de pays tiers qui introduit une demande en application de l'article 61/29-4 ou 61/29-5, est autorisé à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier ou à prolonger son séjour en cette qualité si :
   1° il prouve qu'il dispose d'un passeport ou d'un titre de voyage en tenant lieu tel que visé à l'article 61/29-1, alinéa 1er, 1° ;
   2° il prouve qu'il dispose de moyens de subsistance suffisants pour la durée du séjour envisagée afin de ne pas tomber à charge des pouvoirs public, compte tenu notamment des revenus qu'il percevra durant son séjour en tant que travailleur saisonnier;
   3° il prouve qu'il dispose d'une assurance-maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique;
   4° il prouve qu'il dispose d'un logement suffisant qui répond aux conditions auxquelles doit satisfaire un immeuble qui est donné en location à titre de résidence principale, conformément à l'article 2 du Livre III, Titre VIII, Chapitre II, Section 2, du Code civil;
   5° il produit un certificat médical d'où il résulte qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe à la présente loi;
   6° il produit un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, s'il est âgé de plus de dix-huit ans.
   En cas de demande de renouvellement, l'obligation de produire les documents visés à l'alinéa 1er, 5° et 6°, s'applique uniquement au ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/29, § 5, alinéa 3.
   Le Roi peut déterminer les modalités suivant lesquelles la preuve des conditions visées à l'alinéa 1er, doit être apportée. Il peut aussi déterminer des conditions auxquelles doit satisfaire les documents visés à l'alinéa 1er, 5° et 6°.
   § 2. Le ministre ou son délégué refuse d'accorder l'autorisation de séjour de plus de nonante jours en qualité de travailleur saisonnier ou de la renouveler si :
   1° l'intéressé ne remplit pas les conditions prévues au paragraphe 1er ;
   2° l'intéressé se trouve dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
   3° l'intéressé séjourne sur le territoire au-delà de la durée maximale autorisée de séjour en qualité de travailleur saisonnier, prévue à l'article 61/29- 2;
   4° il existe des doutes raisonnables sur l'authenticité des documents justificatifs présentés à l'appui de la demande ou sur la véracité de leur contenu, sur la fiabilité des déclarations effectuées par l'intéressé ou sur sa volonté de quitter le territoire avant l'expiration de la durée du séjour envisagé;
   5° les documents ou renseignements complémentaires requis n'ont pas été produits dans le délai prescrit.
   Le ministre ou son délégué peut refuser d'accorder ou de renouveler l'autorisation de séjour de plus nonante jours en qualité de travailleur saisonnier si :
   1° l'intéressé n'a pas respecté la législation sur l'occupation des travailleurs saisonniers ou la législation sur l'accès au territoire, au séjour, à l'établissement et à l'éloignement des étrangers lors d'un précédent séjour en qualité de travailleur saisonnier sur le territoire belge ou d'un autre Etat membre;
   2° l'intéressé n'a pas introduit sa demande dans le délai prescrit.
   En cas d'impossibilité de produire les documents visés au paragraphe 1er, 5° et 6°, le ministre ou son délégué peut toutefois accorder ou renouveler l'autorisation de séjour en tant que travailleur saisonnier, compte tenu des circonstances.
   § 3. Le ministre ou son délégué met fin au séjour du ressortissant de pays tiers autorisé à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier si :
   1° il ne remplit pas ou plus les conditions de séjour prévue au paragraphe 1er, 1° à 4° ;
   2° il séjourne sur le territoire à d'autres fins que celles pour lesquelles il a été autorisé à y séjourner;
   3° il séjourne sur le territoire au-delà de la durée maximale autorisée de séjour en qualité de travailleur saisonnier, prévue à l'article 61/29- 2.
   § 4. Toute décision prise en vertu du présent article est prise après un examen individuel, qui tient compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas, en ce compris l'intérêt du ressortissant de pays tiers, et dans le respect du principe de proportionnalité.
   Il est tenu compte notamment du fait que l'intéressé a déjà séjourné sur le territoire durant les cinq années précédant sa demande et a respecté, lors de chacun de ses séjours, la législation sur l'occupation des travailleurs saisonniers et la législation sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.]1

  
Afdeling 1. [1 - Toepassingsgebied en definities.]1
Art. 61/29-9.[1 § 1er. Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions du présent chapitre, l'autorisation de séjour est valable uniquement si [2 l'autorité régionale compétente]2 prend une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
Art. 61/28. [1 § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de onderdanen van derde landen die zich buiten het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie bevinden en die het Rijk wensen binnen te komen en er te verblijven om er in de hoedanigheid van seizoenarbeider te werken, en op de onderdanen van derde landen die gemachtigd worden om in deze hoedanigheid in het Rijk te verblijven en er te werken.
   § 2. Ze zijn van toepassing, onverminderd de relevante bepalingen van :
   1° [2 het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018]2;
   2° [2 het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018]2]1

  
Art. 61/28. [1 § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de onderdanen van derde landen die zich buiten het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie bevinden en die het Rijk wensen binnen te komen en er te verblijven om er in de hoedanigheid van seizoenarbeider te werken, en op de onderdanen van derde landen die gemachtigd worden om in deze hoedanigheid in het Rijk te verblijven en er te werken.
   § 2. Ze zijn van toepassing, onverminderd de relevante bepalingen van :
   1° [2 het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018]2;
   2° [2 het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018]2]1

  
Art. 61/28-1.[1 Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
CHAPITRE VIIIter. [1 - Transferts temporaires intragroupe.]1
Art. 61/29.[1 § 1. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk II van titel I, moet de onderdaan van een derde land die het grondgebied, voor een maximale duur van negentig dagen, wenst binnen te komen en er wenst te verblijven, en dit in de hoedanigheid van seizoenarbeider, over de volgende documenten beschikken :
Section 1re. [1 - Champ d'application et définitions.]1
Art. 61/29. [1 § 1. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk II van titel I, moet de onderdaan van een derde land die het grondgebied, voor een maximale duur van negentig dagen, wenst binnen te komen en er wenst te verblijven, en dit in de hoedanigheid van seizoenarbeider, over de volgende documenten beschikken :
   1° een geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de geldigheidsvoorwaarden die voorzien worden door artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode;
   2° een visum kort verblijf met een vermelding dat het met het oog op seizoenarbeid werd afgegeven, behalve indien hij vrijgesteld is van de visumplicht, krachtens artikel 6, § 1, b), van de Schengengrenscode;
   3° de vereiste arbeidsvergunning voor de voorziene seizoenarbeid.
   § 2. Voor de beoogde duur van zijn verblijf moet de onderdaan van een derde land ook beschikken over :
   1° een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt;
   2° toereikende bestaansmiddelen om niet ten laste te vallen van de openbare overheden. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider zal ontvangen;
   3° voldoende huisvesting die voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan een onroerend goed dat wordt verhuurd als hoofdverblijfplaats zoals bepaald in artikel 2 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek.
   § 3. Het visum kort verblijf met het oog op seizoenarbeid wordt overeenkomstig de Visumcode afgegeven, vernieuwd of verlengd.
   De vereiste arbeidsvergunning voor de voorziene seizoenarbeid wordt voorgelegd om de aanvraag voor de afgifte, de verlenging of de vernieuwing van het visum te ondersteunen.
   Onverminderd de door de Visumcode voorziene voorwaarden wordt het visum niet afgegeven, vernieuwd of verlengd indien :
   1° de betrokkene de in paragraaf 1, 1° en 3°, genoemde documenten niet voorlegt om zijn aanvraag te ondersteunen;
   2° de betrokkene de in paragraaf 2 voorziene voorwaarden niet vervult;
   3° de maximale duur voorzien in artikel 61/29-2 bereikt wordt.
   § 4. Onverminderd de andere redenen voorzien in artikel 3 kunnen de met de grenscontrole belaste overheden of de minister of zijn gemachtigde de toegang weigeren aan de onderdaan van een derde land die op het grondgebied wenst te verblijven in de hoedanigheid van seizoenarbeider voor een maximale duur van negentig dagen, indien :
   1° hij de in paragrafen 1 en 2 voorziene voorwaarden niet of niet meer vervult;
   2° de maximale duur voorzien in artikel 61/29-2 bereikt wordt.
   Onverminderd de andere redenen voorzien in artikel 7 kan de minister of zijn gemachtigde de onderdaan van een derde land die gemachtigd is tot een verblijf van maximum negentig dagen, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, het bevel geven om het grondgebied te verlaten om dezelfde redenen als voorzien in het eerste lid, 1° en 2°.
   § 5. Overeenkomstig artikel 21, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 moet de onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, tot een verblijf van maximum negentig dagen op het grondgebied gemachtigd is en die zijn verblijf in die hoedanigheid wenst te verlengen de machtiging daarvoor aanvragen vooraleer zijn verblijf verstrijkt.
   Indien de onderdaan van een derde land van plan is om zijn verblijf te verlengen voor een duur die niet langer is dan de maximale toegestane duur van het kort verblijf wordt de machtiging tot verblijf onder de voorwaarden en volgens de door de Koning bepaalde nadere regels aan hem toegekend.
   Indien de onderdaan van een derde land langer dan de maximale duur van een kort verblijf wenst te blijven wordt de machtiging tot verblijf overeenkomstig de bepalingen van afdeling 3 aan hem toegekend.
   § 6. De Koning kan de nadere regels bepalen volgens dewelke het bewijs van de voorwaarden bedoeld in paragrafen 1 en 2 moeten worden geleverd.]1

  
Art. 61/32. [1 § 1. Les dispositions du présent chapitre sont applicables :
   1° aux ressortissants de pays tiers qui résident en dehors du territoire des Etats membres de l'Union européenne à la date de l'introduction de la demande et qui souhaitent entrer et séjourner dans le Royaume dans le cadre d'un transfert temporaire intragroupe afin d'y travailler en qualité de cadre, spécialiste ou employé stagiaire;
   2° aux ressortissants de pays tiers qui sont autorisés à séjourner et à travailler dans le Royaume en cette qualité;
   3° aux ressortissants d'un pays tiers ayant obtenu un permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe dans un autre Etat membre de l'Union européenne et qui souhaitent entrer dans le Royaume afin d'y séjourner et d'y travailler en cette qualité.
   § 2. Elles s'appliquent sans préjudice des dispositions pertinentes de :
   1° l'accord de coopération du 2 février 2018;
   2° l'accord de coopération du 6 décembre 2018.]1

  
Art. 61/29-2. [1 De periode gedurende dewelke de onderdaan van een derde land in de hoedanigheid van seizoenarbeider kan verblijven is beperkt tot honderdvijftig dagen per periode van driehonderdvijfenzestig dagen, waarbij voor iedere dag van het verblijf de driehonderdvijfenzestig voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt de eerste dag van het verblijf op het grondgebied als de datum van binnenkomst beschouwd en wordt de laatste dag van verblijf op het grondgebied als de datum van vertrek beschouwd. Voor de berekening van de duur van het verblijf wordt rekening gehouden met het totaal van de toegestane verblijfsperiodes in de hoedanigheid van seizoenarbeider, met inbegrip van de verblijfsperiode(s) in het kader van een kort verblijf.
   De Koning kan de manier waarop de maximale duur van het verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider berekend wordt preciseren. Hij kan de nadere regels die voorzien worden in het eerste en tweede lid opheffen, vervangen of aanvullen, om zich aan het recht van de Unie te houden.]1

  
Art. 61/33. [1 Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
   1° "cadre ICT" : le ressortissant de pays tiers visé à l'article 24, 1°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
   2° "expert ICT" : le ressortissant de pays tiers visé à l'article 24, 2°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
   3° "employé stagiaire ICT" : le ressortissant de pays tiers visé à l'article 24, 3°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
   4° "permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe" : le titre de séjour visé à l'article 24, 4°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
   5° "transfert temporaire intragroupe" : le détachement temporaire, à des fins d'activités professionnelles ou de formation, d'un ressortissant de pays tiers visé à l'article 24, 5°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
   6° "permis pour mobilité de longue durée" : le titre de séjour visé à l'article 24, 6°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
   7° "l'entité hôte" : l'entité visée à l'article 24, 7°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
   8° "groupe d'entreprises" : l'ensemble des sociétés liées et/ou associées visées à l'article 11 du Code des sociétés, visé à l'article 24, 8°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
   9° "premier Etat membre" : l'Etat membre visé à l'article 24, 9°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
   10° "deuxième Etat membre" : l'Etat membre visé à l'article 24, 10°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
   11° "mobilité de courte durée" : le droit dont dispose le ressortissant de pays tiers visé à l'article 24, 11°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
   12° "mobilité de longue durée" : le droit dont dispose le ressortissant de pays tiers visé à l'article 24, 12°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
   13° "personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe" : un ressortissant de pays tiers qui réside en dehors du territoire des Etats membres de l'Union européenne à la date de l'introduction de la demande de permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe et qui fait l'objet d'un tel transfert.]1

  
Art. 61/29-2. [1 De periode gedurende dewelke de onderdaan van een derde land in de hoedanigheid van seizoenarbeider kan verblijven is beperkt tot honderdvijftig dagen per periode van driehonderdvijfenzestig dagen, waarbij voor iedere dag van het verblijf de driehonderdvijfenzestig voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen.
Section 2. [1 - Permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe.]1
Art. 61/29-3. [1 De Koning kan aan de bepalingen van dit hoofdstuk afwijken om de afgifte van het vereiste visum te vergemakkelijken voor de onderdanen van derde landen die in de loop van de vijf jaar die onmiddellijk aan de aanvraag voorafgaan reeds als seizoenarbeider op het grondgebied of in een andere lidstaat verbleven hebben en die de voorwaarden die gelden voor de seizoenarbeiders tijdens elk van hun verblijven nageleefd hebben. Hij kan de voorwaarden voor de toepassing van deze afwijkingen preciseren.]1
Sous-section 1re. [1 - Dispositions relatives à la procédure conjointe avec l'autorité compétente en matière d'occupation des travailleurs étrangers.]1
Onderafdeling 1. [1 - Bepalingen met betrekking tot de gezamenlijke procedure inzake de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.]1
Art. 61/34. [1 § 1. Le ressortissant de pays tiers qui souhaite séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe introduit sa demande auprès de l'autorité régionale compétente sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
Art. 61/29-4. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, meer dan negentig dagen op het grondgebied wenst te verblijven dient een aanvraag in bij de [2 bevoegde regionale overheid]2, in de vorm van een aanvraag voor een arbeidsvergunning.
   De aanvraag om te mogen werken geldt als aanvraag voor een verblijfsvergunning.
   § 2. Enkel de onderdaan van een derde land die zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt wanneer de aanvraag wordt ingediend of die zich in het geval bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid, bevindt, is gemachtigd om een aanvraag voor een machtiging tot verblijf krachtens dit artikel in te dienen.
   § 3. De volgende documenten worden aan de aanvraag toegevoegd :
   1° het bewijs van de betaling van de retributie die in artikel 1/1 voorzien wordt;
   2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/29-8, § 1, vast te stellen.
   § 4. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1, 2 en 4, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf.
   De in het eerste lid voorziene termijn wordt tot zestig dagen verminderd indien de onderdaan van een derde land in de loop van de voorafgaande vijf jaar ten minste eenmaal gemachtigd werd om als seizoenarbeider op het grondgebied te verblijven en tijdens elk van deze verblijven de wetgeving met betrekking tot de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de wetgeving met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft nageleefd.
   De in het eerste lid voorziene termijn wordt tot dertig dagen verminderd indien de aanvraag wordt ingediend door een onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid.
   § 5. Tijdens het onderzoek van de aanvraag wordt nagegaan of de betrokkene de voorwaarden voor de toekenning van de machtiging tot verblijf vervult. Er wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de evaluatie van het risico op illegale immigratie of het risico dat de betrokkene voor de veiligheid van de lidstaten zou vormen, en aan zijn intentie om het grondgebied van de lidstaten ten laatste op de datum waarop zijn verblijf verstrijkt te verlaten.
   § 6. Ten laatste vijftien dagen voor het verstrijken van de in paragraaf 4 bedoelde behandelingstermijn kan de minister of zijn gemachtigde van de onderdaan van een derde land of zijn werkgever eisen dat ze binnen een termijn van tien dagen aanvullende documenten of inlichtingen voorleggen. Ze worden geïnformeerd over de documenten of de inlichtingen die ze moeten voorleggen.
   § 7. Indien de duur gedurende dewelke de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid, tot een verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider gemachtigd is tijdens het onderzoek van de aanvraag verstrijkt, ontvangt hij een document dat zijn verblijf voorlopig dekt, totdat er een beslissing over wordt genomen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels van de afgifte van het verblijfsdocument.
   § 8. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de arbeidsvergunning en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van seizoenarbeider te werken en te verblijven.]1

  
Art. 61/35. [1 § 1er. Conformément à l'article 21 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ressortissant de pays tiers qui est autorisé à séjourner plus de nonante jours en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe et souhaite faire prolonger son séjour en cette qualité introduit sa demande auprès de l'autorité régionale compétente sous la forme d'une demande d'autorisation de travail au plus tard deux mois avant l'expiration de son autorisation de séjour.
   § 2. Si la durée pendant laquelle l'intéressé est autorisé à séjourner en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe expire durant l'examen de la demande, il lui est délivré un document qui couvre provisoirement son séjour jusqu'à ce qu'il soit statué sur cette demande.
   Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance du document de séjour.]1

  
Art. 61/29-4. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, meer dan negentig dagen op het grondgebied wenst te verblijven dient een aanvraag in bij de [2 bevoegde regionale overheid]2, in de vorm van een aanvraag voor een arbeidsvergunning.
   De aanvraag om te mogen werken geldt als aanvraag voor een verblijfsvergunning.
   § 2. Enkel de onderdaan van een derde land die zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt wanneer de aanvraag wordt ingediend of die zich in het geval bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid, bevindt, is gemachtigd om een aanvraag voor een machtiging tot verblijf krachtens dit artikel in te dienen.
   § 3. De volgende documenten worden aan de aanvraag toegevoegd :
   1° het bewijs van de betaling van de retributie die in artikel 1/1 voorzien wordt;
   2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/29-8, § 1, vast te stellen.
   § 4. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1, 2 en 4, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf.
   De in het eerste lid voorziene termijn wordt tot zestig dagen verminderd indien de onderdaan van een derde land in de loop van de voorafgaande vijf jaar ten minste eenmaal gemachtigd werd om als seizoenarbeider op het grondgebied te verblijven en tijdens elk van deze verblijven de wetgeving met betrekking tot de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de wetgeving met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft nageleefd.
   De in het eerste lid voorziene termijn wordt tot dertig dagen verminderd indien de aanvraag wordt ingediend door een onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid.
   § 5. Tijdens het onderzoek van de aanvraag wordt nagegaan of de betrokkene de voorwaarden voor de toekenning van de machtiging tot verblijf vervult. Er wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de evaluatie van het risico op illegale immigratie of het risico dat de betrokkene voor de veiligheid van de lidstaten zou vormen, en aan zijn intentie om het grondgebied van de lidstaten ten laatste op de datum waarop zijn verblijf verstrijkt te verlaten.
   § 6. Ten laatste vijftien dagen voor het verstrijken van de in paragraaf 4 bedoelde behandelingstermijn kan de minister of zijn gemachtigde van de onderdaan van een derde land of zijn werkgever eisen dat ze binnen een termijn van tien dagen aanvullende documenten of inlichtingen voorleggen. Ze worden geïnformeerd over de documenten of de inlichtingen die ze moeten voorleggen.
   § 7. Indien de duur gedurende dewelke de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid, tot een verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider gemachtigd is tijdens het onderzoek van de aanvraag verstrijkt, ontvangt hij een document dat zijn verblijf voorlopig dekt, totdat er een beslissing over wordt genomen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels van de afgifte van het verblijfsdocument.
   § 8. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de arbeidsvergunning en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van seizoenarbeider te werken en te verblijven.]1

  
Art. 61/36. [1 Le ministre ou son délégué notifie les décisions suivantes au ressortissant de pays tiers :
   1° les décisions de refus ou de non-renouvellement de l'autorisation de séjour ou les décisions mettant fin à l'autorisation de séjour prises en vertu de la présente section;
   2° la décision d'octroi ou de renouvellement de l'autorisation de travail et de l'autorisation de séjour sous la forme d'un acte administratif unique.
   Le ministre ou son délégué informe l'employeur de la décision visée à l'alinéa 1er, 2°, dans les cas et conditions prévus par l'accord de coopération du 2 février 2018.]1

  
Art. 61/29-5. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 21, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, dient de onderdaan van een derde land die met toepassing van artikel 61/29-4, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, gemachtigd is tot een verblijf van meer dan negentig dagen en die zijn verblijf in deze hoedanigheid wenst te verlengen ten laatste een maand voor het verstrijken van zijn verblijf een aanvraag in bij de [2 bevoegde regionale overheid]2, in de vorm van een aanvraag voor een arbeidsvergunning.
   § 2. De documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/29-8, § 1, vast te stellen worden aan de aanvraag toegevoegd.
   § 3. Overeenkomstig artikel 17, §§ 3 en 4, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 wordt een beslissing met betrekking tot het feit of de machtiging tot verblijf al dan niet vernieuwd wordt ten laatste binnen een, niet verlengbare termijn van dertig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag genomen.
   § 4. Tijdens het onderzoek van de aanvraag wordt nagegaan of de betrokkene de voorwaarden voor de vernieuwing van de machtiging tot verblijf vervult. Er wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de evaluatie van het risico op illegale immigratie of het risico dat de betrokkene voor de veiligheid van de lidstaten zou vormen, en aan zijn intentie om het grondgebied van de lidstaten ten laatste op de datum waarop zijn verblijf verstrijkt te verlaten
   § 5. Ten laatste vijftien dagen voor het verstrijken van de in paragraaf 4 bedoelde behandelingstermijn kan de minister of zijn gemachtigde van de onderdaan van een derde land of zijn werkgever eisen dat ze binnen een termijn van tien dagen aanvullende documenten of inlichtingen voorleggen. Ze worden geïnformeerd over de documenten of de inlichtingen die ze moeten voorleggen.
   § 6. Indien de duur gedurende dewelke de betrokkene tot een verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider gemachtigd is tijdens het onderzoek van de aanvraag verstrijkt, ontvangt hij een document dat zijn verblijf voorlopig dekt, totdat er een beslissing over wordt genomen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels van de afgifte van het verblijfsdocument
   § 7. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 worden de vereiste arbeidsvergunning en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om zijn verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider te verlengen.]1

  
Art. 61/37. [1 § 1er. Conformément à l'article 34, alinéa 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, et à l'article 29, alinéa 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 61/34 se trouve à l'étranger à la date de la décision l'autorisant à séjourner et à travailler en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe, un visa de long séjour lui est délivré, à sa demande.
   Le Roi détermine les conditions et les modalités relatives à la délivrance du visa.
   § 2. Conformément à l'article 29, alinéa 3, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers autorisé à travailler et à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe est inscrit au registre des étrangers et un permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe lui est délivré.
   Le Roi détermine :
   1° le modèle du permis pour personne faisant l'objet d'un transfert intragroupe;
   2° la durée de validité du permis pour personne faisant l'objet d'un transfert intragroupe;
   3° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance du permis pour personne faisant l'objet d'un transfert intragroupe.
   § 3. Sans préjudice de l'article 61/38, en cas de renouvellement du séjour en application de l'article 61/35, le permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe est prolongé d'une durée égale à la durée autorisée de son séjour.]1

  
Art. 61/29-7. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en de artikelen 18, tweede lid, en 21, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt, op zijn verzoek, een visum lang verblijf met een vermelding dat het met het oog op seizoenarbeid wordt afgegeven, overeenkomstig de verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad van 29 mei 1995 betreffende de invoering van een uniform visummodel afgegeven aan de onderdaan van een derde land die met toepassing van artikel 61/29-4 gemachtigd is om in de hoedanigheid van seizoenarbeider op het grondgebied te verblijven en te werken.
   § 2. Wanneer het visum wordt afgegeven aan een onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid, is de geldigheidsduur van het visum gelijk aan de toegestane duur van zijn verblijf. Deze onderdaan wordt onder dekking van zijn paspoort of de daarmee gelijkgestelde reistitel en het geldig visum dat met toepassing van paragraaf 1 aan hem werd afgegeven tot een verblijf op het grondgebied gemachtigd.
   Behalve in geval van een door de Koning voorziene afwijking wordt de in het eerste lid bedoelde onderdaan van een derde land niet in het vreemdelingenregister ingeschreven. De Koning kan hem onderwerpen aan andere nadere regels voor de inschrijving of de registratie die door Hem bepaald worden, met name in het wachtregister.
   § 3. Overeenkomstig artikel 18, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van seizoenarbeider te werken en te verblijven, in het vreemdelingenregister ingeschreven en wordt, op zijn verzoek, een seizoenarbeidersvergunning aan hem afgegeven. De geldigheidsduur van de seizoenarbeidersvergunning is gelijk aan de duur van de machtiging tot verblijf.
   Het eerste lid is niet van toepassing aan de onderdaan van een derde land bedoeld in paragraaf 2.
   § 4. In geval van vernieuwing van het verblijf met toepassing van artikel 61/29-5 wordt de seizoenarbeidersvergunning of het visum lang verblijf waarvan de onderdaan van een derde land houder is verlengd met een duur die gelijk is aan de toegestane duur van zijn verblijf.
   § 5. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels met betrekking tot de inschrijving van de betrokkene en de afgifte en de vernieuwing van het visum en de seizoenarbeidersvergunning.]1

  
Art. 61/38. [1 § 1er. La durée pendant laquelle le ressortissant de pays tiers peut séjourner sur le territoire de l'Union européenne en qualité de cadre ICT ou expert ICT est limitée à 3 ans, et à 1 an en qualité d'employé stagiaire ICT.
   La durée de séjour est calculée en additionnant les durées cumulées des permis délivrés consécutivement à une personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe.
   Le Roi peut préciser la manière dont est calculée la durée maximale du séjour en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe. Il peut abroger, remplacer ou compléter les modalités prévues à l'alinéa 2, pour se conformer au droit de l'Union.
   § 2. Sans préjudice de dispositions plus favorables contenues dans un traité international et conformément à l'article 36 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, lorsque la durée maximale du transfert temporaire intragroupe visée au paragraphe 1er est atteinte, le ressortissant d'un pays tiers peut introduire une demande visée à l'article 61/34 ou 61/45 après l'écoulement d'un délai de trois mois.]1

  
Art. 61/29-7. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en de artikelen 18, tweede lid, en 21, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt, op zijn verzoek, een visum lang verblijf met een vermelding dat het met het oog op seizoenarbeid wordt afgegeven, overeenkomstig de verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad van 29 mei 1995 betreffende de invoering van een uniform visummodel afgegeven aan de onderdaan van een derde land die met toepassing van artikel 61/29-4 gemachtigd is om in de hoedanigheid van seizoenarbeider op het grondgebied te verblijven en te werken.
Sous-section 2. [1 - Dispositions relatives à l'autorisation de séjour en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe.]1
Art. 61/29-8. [1 § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van de paragrafen 2 en 3 en van artikel 61/29-9 wordt de onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/29-4 of 61/29-5 indient gemachtigd om, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven of om zijn verblijf in die hoedanigheid te verlengen, indien :
   1° hij bewijst dat hij over een reisdocument of een daarmee gelijkgestelde reistitel, zoals bedoeld in artikel 61/29-1, eerste lid, 1°, beschikt;
   2° hij bewijst dat hij voor de beoogde duur van het verblijf over toereikende bestaansmiddelen beschikt, om niet ten laste te vallen van de openbare overheden. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider zal ontvangen;
   3° hij bewijst dat hij over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt, beschikt;
   4° hij bewijst dat hij over voldoende huisvesting die voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan een onroerend goed dat wordt verhuurd als hoofdverblijfplaats zoals bepaald in artikel 2 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek beschikt;
   5° hij een geneeskundig getuigschrift voorlegt waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
   6° een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document voorlegt, indien hij ouder is dan achttien jaar.
   In geval van aanvraag om vernieuwing is de verplichting om de documenten bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, voor te leggen enkel van toepassing op de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid.
   De Koning kan de nadere regels bepalen volgens dewelke het bewijs van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid moet worden geleverd. Hij kan ook de voorwaarden bepalen waaraan de documenten bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, moeten voldoen.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider van meer dan negentig dagen toe te kennen of te vernieuwen indien :
   1° de betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden voorzien in paragraaf 1;
   2° de betrokkene zich in één van de in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10°, bedoelde gevallen bevindt;
   3° de betrokkene langer dan de maximale toegestane duur van het verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider, voorzien in artikel 61/29-2, verblijft;
   4° er redelijke twijfels bestaan met betrekking tot de authenticiteit van de bewijsstukken die ter ondersteuning van de aanvraag worden voorgelegd of de echtheid van hun inhoud, de betrouwbaarheid van de door de betrokkene afgelegde verklaringen of zijn intentie om het grondgebied te verlaten vooraleer de duur van het beoogde verblijf verstrijkt;
   5° de vereiste aanvullende documenten of inlichtingen die niet binnen de voorgeschreven termijn voorgelegd werden.
   De minister of zijn gemachtigde kan weigeren de machtiging tot verblijf van meer dan negentig dagen in de hoedanigheid van seizoenarbeider toe te kennen of te vernieuwen indien :
   1° de betrokkene de wetgeving met betrekking tot de tewerkstelling van seizoenarbeiders of de wetgeving met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen niet nageleefd heeft tijdens een vorig verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider op het Belgisch grondgebied of op het grondgebied van een andere lidstaat;
   2° de betrokkene zijn aanvraag niet binnen de voorgeschreven termijn heeft ingediend.
   Indien de documenten bedoeld in paragraaf 1, 5° en 6°, niet kunnen worden voorgelegd kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen of vernieuwen.
   § 3. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan het verblijf van de onderdaan van een derde land die tot een verblijf van meer dan negentig dagen op het grondgebied, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, gemachtigd is, indien :
   1° hij niet of niet meer voldoet aan de verblijfsvoorwaarden die voorzien worden in paragraaf 1, 1° tot 4° ;
   2° hij om andere redenen dan die waarvoor zijn verblijf werd toegestaan op het grondgebied verblijft;
   3° hij langer dan de maximale toegestane duur van het verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider, voorzien in artikel 61/29-2, verblijft.
   § 4. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.
   Er wordt met name rekening gehouden met het feit dat de betrokkene in de loop van de vijf jaar die aan zijn aanvraag voorafgingen al op het grondgebied verbleven heeft en tijdens elk van deze verblijven de voorwaarden die van toepassing zijn op seizoenarbeiders heeft nageleefd, krachtens de wetgeving met betrekking tot de tewerkstelling van seizoenarbeiders en de wetgeving met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]1

  
Art. 61/39. [1 § 1er. Le ressortissant de pays tiers qui introduit une demande en application de l'article 61/34 ou 61/35, est autorisé à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe ou à prolonger son séjour en cette qualité :
   1° s'il prouve qu'il dispose d'un document de voyage ou d'un titre de séjour en tenant lieu remplissant les conditions de validité prévues par l'article 6, § 1er, a), du Code frontières Schengen;
   2° s'il prouve qu'il dispose de ressources suffisantes pour la durée du séjour envisagé, pour subvenir à ses propres besoins et à ceux des membres de sa famille, afin de ne pas devenir une charge pour les pouvoirs publics, compte-tenu notamment des revenus qu'il percevra durant son séjour en tant que personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe;
   3° s'il prouve qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille;
   4° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe, s'il produit un certificat médical attestant qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi;
   5° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe, s'il produit un extrait du casier judiciaire ou un document équivalent, et le cas échéant sa traduction légalisée, délivré par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun.
   En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire les documents visés au § 1er, 4° et 5°, le ministre ou son délégué peut toutefois accorder ou renouveler l'autorisation de séjour en tant que personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe, compte tenu des circonstances.
   § 2. Le ministre ou son délégué refuse d'accorder l'autorisation de séjour de plus de nonante jours en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe dans les cas suivants :
   1° l'intéressé ne remplit pas les conditions prévues au paragraphe 1er;
   2° l'intéressé se trouve dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
   3° l'intéressé n'a pas fourni les documents ou renseignements complémentaires dans le délai prescrit;
   4° la durée maximale de séjour définie à l'article 61/38, § 1er est atteinte;
   5° si l'intéressé n'a pas respecté le délai prévu à l'article 61/38, § 2, pour l'introduction de sa demande.
   § 3. Le ministre ou son délégué refuse de renouveler l'autorisation de séjour de plus de nonante jours en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe dans les cas suivants :
   1° si l'intéressé ne remplit pas ou plus les conditions prévues au § 1er, 1° -3° ;
   2° si la durée maximale de séjour définie à l'article 61/38, § 1er est atteinte;
   3° si l'intéressé séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour;
   4° si l'intéressé n'a pas respecté les règles relatives à la mobilité de courte durée ou à la mobilité de longue durée.
   § 4. Le ministre ou son délégué met fin au séjour du ressortissant de pays tiers autorisé à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe dans les cas suivants :
   1° si l'intéressé ne remplit pas ou plus les conditions de séjour prévues au § 1er, 1° à 3° ;
   2° si l'intéressé séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour;
   3° si l'entité hôte a été créée dans le but principal de faciliter l'entrée de personnes faisant l'objet d'un transfert temporaire intra-groupe;
   4° la durée maximale de séjour définie à l'article 61/38, § 1er est atteinte;
   5° si l'intéressé n'a pas respecté les règles relatives à la mobilité de courte durée ou à la mobilité de longue durée.
   § 5. Toute décision prise en vertu du présent article est prise après un examen individuel, qui tient compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas, en ce compris l'intérêt du ressortissant de pays tiers, et dans le respect du principe de proportionnalité.]1

  
Art. 61/29-8. [1 § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van de paragrafen 2 en 3 en van artikel 61/29-9 wordt de onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/29-4 of 61/29-5 indient gemachtigd om, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven of om zijn verblijf in die hoedanigheid te verlengen, indien :
   1° hij bewijst dat hij over een reisdocument of een daarmee gelijkgestelde reistitel, zoals bedoeld in artikel 61/29-1, eerste lid, 1°, beschikt;
   2° hij bewijst dat hij voor de beoogde duur van het verblijf over toereikende bestaansmiddelen beschikt, om niet ten laste te vallen van de openbare overheden. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider zal ontvangen;
   3° hij bewijst dat hij over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt, beschikt;
   4° hij bewijst dat hij over voldoende huisvesting die voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan een onroerend goed dat wordt verhuurd als hoofdverblijfplaats zoals bepaald in artikel 2 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek beschikt;
   5° hij een geneeskundig getuigschrift voorlegt waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
   6° een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document voorlegt, indien hij ouder is dan achttien jaar.
   In geval van aanvraag om vernieuwing is de verplichting om de documenten bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, voor te leggen enkel van toepassing op de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid.
   De Koning kan de nadere regels bepalen volgens dewelke het bewijs van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid moet worden geleverd. Hij kan ook de voorwaarden bepalen waaraan de documenten bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, moeten voldoen.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider van meer dan negentig dagen toe te kennen of te vernieuwen indien :
   1° de betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden voorzien in paragraaf 1;
   2° de betrokkene zich in één van de in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10°, bedoelde gevallen bevindt;
   3° de betrokkene langer dan de maximale toegestane duur van het verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider, voorzien in artikel 61/29-2, verblijft;
   4° er redelijke twijfels bestaan met betrekking tot de authenticiteit van de bewijsstukken die ter ondersteuning van de aanvraag worden voorgelegd of de echtheid van hun inhoud, de betrouwbaarheid van de door de betrokkene afgelegde verklaringen of zijn intentie om het grondgebied te verlaten vooraleer de duur van het beoogde verblijf verstrijkt;
   5° de vereiste aanvullende documenten of inlichtingen die niet binnen de voorgeschreven termijn voorgelegd werden.
   De minister of zijn gemachtigde kan weigeren de machtiging tot verblijf van meer dan negentig dagen in de hoedanigheid van seizoenarbeider toe te kennen of te vernieuwen indien :
   1° de betrokkene de wetgeving met betrekking tot de tewerkstelling van seizoenarbeiders of de wetgeving met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen niet nageleefd heeft tijdens een vorig verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider op het Belgisch grondgebied of op het grondgebied van een andere lidstaat;
   2° de betrokkene zijn aanvraag niet binnen de voorgeschreven termijn heeft ingediend.
   Indien de documenten bedoeld in paragraaf 1, 5° en 6°, niet kunnen worden voorgelegd kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen of vernieuwen.
   § 3. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan het verblijf van de onderdaan van een derde land die tot een verblijf van meer dan negentig dagen op het grondgebied, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, gemachtigd is, indien :
   1° hij niet of niet meer voldoet aan de verblijfsvoorwaarden die voorzien worden in paragraaf 1, 1° tot 4° ;
   2° hij om andere redenen dan die waarvoor zijn verblijf werd toegestaan op het grondgebied verblijft;
   3° hij langer dan de maximale toegestane duur van het verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider, voorzien in artikel 61/29-2, verblijft.
   § 4. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.
   Er wordt met name rekening gehouden met het feit dat de betrokkene in de loop van de vijf jaar die aan zijn aanvraag voorafgingen al op het grondgebied verbleven heeft en tijdens elk van deze verblijven de voorwaarden die van toepassing zijn op seizoenarbeiders heeft nageleefd, krachtens de wetgeving met betrekking tot de tewerkstelling van seizoenarbeiders en de wetgeving met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]1

  
Art. 61/40. [1 Durant l'examen de la demande, le ressortissant de pays tiers qui souhaite séjourner ou est entré sur le territoire du Royaume en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe communique sans délai au ministre ou son délégué toute modification survenant durant la procédure de demande ou durant le séjour qui a une incidence sur les conditions de séjour visées aux articles 61/39, § 1er, et 61/48, § 1.
   Si nécessaire, le ministre ou son délégué informe l'autorité régionale compétente des changements qui ont un impact sur la procédure de séjour ou les conditions de séjour.]1

  
Art. 61/29-9. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk tot het verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de [2 bevoegde regionale overheid]2 een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land gemachtigd wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
   Overeenkomstig de artikelen 3 en 19 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de duur van de machtiging tot verblijf, die met toepassing van de bepalingen van deze afdeling word toegekend, beperkt tot de duur van de arbeidsvergunning, zonder langer te mogen zijn dan de maximale duur voorzien in artikel 61/29-2.
   § 2. Overeenkomstig artikel 22 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, eindigt de machtiging tot verblijf die met toepassing van de bepalingen van deze afdeling werd toegekend van rechtswege wanneer de betrokken onderdaan van een derde land niet meer gemachtigd is om in de hoedanigheid van seizoenarbeider te werken.]1

  
Art. 61/41. [1 § 1er. Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions du présent chapitre, l'autorisation de séjour est valable uniquement si l'autorité régionale compétente prend une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
   Conformément aux articles 3 et 31 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, la durée de l'autorisation de séjour accordée en application des dispositions de la présente section est limitée à la durée de l'autorisation de travail, sans pouvoir dépasser la durée maximale prévue à l'article 61/38, § 1er.
   § 2. Conformément à l'article 35 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, l'autorisation de séjour accordée en application des dispositions de la présente section prend fin de plein droit lorsque le ressortissant d'un pays tiers concerné n'est plus autorisé à travailler en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe.]1

  
Art. 61/31.
Section 3. [1 - Mobilité au sein de l'Union européenne.]1
HOOFDSTUK VIIIter. [1 - Binnen een onderneming overgeplaatste personen.]1
Sous-section 1re. [1 - Mobilité de courte durée.]1
HOOFDSTUK VIIIter. [1 - Binnen een onderneming overgeplaatste personen.]1
Art. 61/42. [1 Sans préjudice des dispositions du chapitre II du titre I, le ressortissant de pays tiers qui souhaite entrer et séjourner sur le territoire en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe dans le cadre d'une mobilité de courte durée doit disposer des documents suivants :
Art. 61/32. [1 § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op :
   1° de onderdanen van derde landen die op het tijdstip van de aanvraag buiten het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie verblijven en een aanvraag indienen om het Rijk binnen te komen om er te verblijven en te werken in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming als leidinggevende, specialist of stagiair-werknemer;
   2° de onderdanen van derde landen die gemachtigd worden om in deze hoedanigheden in het Rijk te verblijven en er te werken;
   3° de onderdanen van een derde land die in een andere lidstaat van de Europese Unie een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon hebben gekregen en het Rijk willen binnenkomen om hier te verblijven en te werken in deze hoedanigheid.
   § 2. Ze zijn van toepassing, onverminderd de relevante bepalingen van :
   1° het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018;
   2° het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.]1

  
Art. 61/43. [1 Le ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/42 peut séjourner dans le Royaume afin d'y travailler pendant une période de nonante jours sur cent quatre-vingts jours dans les cas suivants :
   1° il remplit les conditions fixées par la législation régionale ou communautaire applicable en matière d'occupation de personne faisant l'objet de transfert temporaire intragroupe;
   2° il ne se trouve pas dans un cas énumérés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
   3° le permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe délivré par le premier Etat membre couvre au moins la période de mobilité de courte durée;
   4° la durée maximale visée à l'article 61/38, § 1er n'est pas encore atteinte.]1

  
Art. 61/33. [1 Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
   1° "leidinggevende ICT" : de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 24, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   2° "specialist ICT" : de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 24, 2°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   3° "stagiair-werknemer ICT" : de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 24, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   4° "vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon" : de verblijfstitel bedoeld in artikel 24, 4°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   5° "overplaatsing binnen een onderneming" : de tijdelijke detachering, voor beroepsactiviteiten of opleiding, van een onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 24, 5°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   6° "vergunning voor lange-termijnmobiliteit" : de verblijfstitel bedoeld in artikel 24, 6°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   7° "gastentiteit" : de entiteit bedoeld in artikel 24, 7°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   8° "groep van ondernemingen" : het geheel van verbonden en/of geassocieerde vennootschappen zoals bedoeld in artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen, bedoeld in artikel 24, 8°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   9° "eerste lidstaat" : de lidstaat bedoeld in artikel 24, 9°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   10° "tweede lidstaat" : de lidstaat, bedoeld in artikel 24, 10°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   11° "korte-termijnmobiliteit" : het recht waarover de onderdaan van een derde land beschikt, bedoeld in artikel 24, 11°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   12° "lange-termijnmobiliteit" : het recht waarover de onderdaan van een derde land beschikt, bedoeld in artikel 24, 12°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
   13° "binnen een onderneming overgeplaatste persoon" : een onderdaan van een derde land die op het tijdstip van de aanvraag van een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon buiten het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie verblijft en die het voorwerp is van een overplaatsing binnen een onderneming.]1

  
Art. 61/44. [1 Le ministre ou son délégué met fin au séjour du ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/42 dans les cas suivants :
   1° la personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe ne satisfait pas ou plus aux conditions fixées aux articles 61/42 ou 61/43;
   2° la personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe se trouve dans un cas énumérés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10°. ]1

  
Art. 61/33. [1 Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
Sous-section 2. [1 - Permis pour mobilité de longue durée.]1
Onderafdeling 1. [1 - Bepalingen met betrekking tot de gezamenlijke procedure met de overheid die bevoegd is voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.]1
Art. 61/45. [1 § 1er. Le ressortissant de pays tiers qui souhaite séjourner plus de nonante jours sur le territoire dans le cadre d'une mobilité de longue durée en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe introduit sa demande auprès de l'autorité régionale compétente sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
Art. 61/34. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste per-soon, meer dan negentig dagen op het grondgebied wenst te verblijven dient een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
   De aanvraag voor een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor een verblijfsvergunning.
   § 2. Enkel de onderdaan van een derde land die zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt wanneer de aanvraag wordt ingediend of die zich bevindt in het geval bedoeld in artikel 61/35, is gemachtigd om een aanvraag voor een machtiging tot verblijf bedoeld in paragraaf 1 in te dienen.
   § 3. De volgende documenten worden aan de aanvraag toegevoegd :
   1° behalve in het geval van verlenging van de aanvraag, het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
   2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/39, vast te stellen.
   § 4. Overeenkomstig artikel 28 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf of de hernieuwing.
   § 5. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat ze binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende documenten of inlichtingen voorleggen.
   De in paragraaf 4 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
   § 6. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon te werken en te verblijven.]1

  
Art. 61/46. [1 § 1er. Conformément à l'article 21 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ressortissant de pays tiers qui est autorisé à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe dans le cadre d'une mobilité de longue durée et souhaite faire prolonger son séjour en cette qualité, introduit sa demande auprès de l'autorité régionale compétente sous la forme d'une demande d'autorisation de travail au plus tard deux mois avant l'expiration de son autorisation de séjour.
   § 2. Si la durée pendant laquelle l'intéressé est autorisé à séjourner en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe dans le cadre d'une mobilité de longue durée expire durant l'examen de la demande, il lui est délivré un document qui couvre provisoirement son séjour jusqu'à ce qu'il soit statué sur cette demande ou jusqu'à ce que la durée maximale de son séjour en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe telle que visée à l'article 61/38, § 1er ait expiré.
   Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance du document de séjour visé à l'alinéa 1er.]1

  
Art. 61/34. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste per-soon, meer dan negentig dagen op het grondgebied wenst te verblijven dient een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
   De aanvraag voor een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor een verblijfsvergunning.
   § 2. Enkel de onderdaan van een derde land die zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt wanneer de aanvraag wordt ingediend of die zich bevindt in het geval bedoeld in artikel 61/35, is gemachtigd om een aanvraag voor een machtiging tot verblijf bedoeld in paragraaf 1 in te dienen.
   § 3. De volgende documenten worden aan de aanvraag toegevoegd :
   1° behalve in het geval van verlenging van de aanvraag, het bewijs van de betaling van de in artikel 1/1 bedoelde retributie;
   2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/39, vast te stellen.
   § 4. Overeenkomstig artikel 28 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf of de hernieuwing.
   § 5. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat ze binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende documenten of inlichtingen voorleggen.
   De in paragraaf 4 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
   § 6. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon te werken en te verblijven.]1

  
Art. 61/47. [1 § 1er. Conformément à l'article 29, alinéa 3 et l'article 30 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers autorisé à travailler et à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe dans le cadre d'une mobilité de longue durée est inscrit au registre des étrangers et un permis pour mobilité de longue durée lui est délivré.
   Le Roi détermine :
   1° le modèle du permis pour personne faisant l'objet d'un transfert intragroupe dans le cadre d'une mobilité de longue durée;
   2° la durée de validité du permis pour personne faisant l'objet d'un transfert intragroupe dans le cadre d'une mobilité de longue durée;
   3° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance du permis pour personne faisant l'objet d'un transfert intragroupe dans le cadre d'une mobilité de longue durée;
   § 2. Sans préjudice de l'article 61/38, en cas de renouvellement du séjour en application de l'article 61/46, le permis pour mobilité de longue durée dont le ressortissant de pays tiers est titulaire est prolongé d'une durée égale à la durée autorisée de son séjour sans toutefois pouvoir excéder la durée de la période totale du séjour dans le premier Etat membre.]1

  
Art. 61/35. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon gemachtigd is tot een verblijf van meer dan negentig dagen en die zijn verblijf in deze hoedanigheid wenst te verlengen, dient overeenkomstig artikel 21 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, ten laatste twee maanden voor het verstrijken van zijn verblijf een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
   § 2. Indien de duur gedurende dewelke de betrokkene tot een verblijf in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon gemachtigd is tijdens het onderzoek van de aanvraag verstrijkt, ontvangt hij een document dat zijn verblijf voorlopig dekt, totdat er een beslissing over wordt genomen.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels van de afgifte van het verblijfsdocument.]1

  
Art. 61/48. [1 § 1er. Le ressortissant de pays tiers qui introduit une demande en application de l'article 61/45 ou 61/46, est autorisé à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe ou à prolonger son séjour en cette qualité :
   1° s'il prouve qu'il dispose d'un document de voyage ou d'un titre de séjour en tenant lieu remplissant les conditions de validité prévues par l'article 6, § 1er, a), du Code frontières Schengen;
   2° s'il prouve qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille;
   3° s'il prouve qu'il dispose d'un permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe délivrée par le premier Etat membre;
   4° s'il prouve qu'il dispose de ressources suffisantes pour la durée du séjour envisagée, pour subvenir à ses propres besoins et à ceux des membres de sa famille, afin de ne pas devenir une charge pour les pouvoirs publics, compte-tenu notamment des revenus qu'il percevra durant son séjour en tant que personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe;
   5° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe dans le cadre d'une mobilité de longue durée, s'il produit un extrait du casier judiciaire ou un document équivalent, et le cas échéant sa traduction légalisée, délivré par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun.
   En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire le document visé au § 1er, 5°, le ministre ou son délégué peut toutefois accorder ou renouveler l'autorisation de séjour en tant que personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe, compte tenu des circonstances.
   § 2. Le ministre ou son délégué refuse d'accorder l'autorisation de séjour de plus de nonante jours en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe dans le cadre d'une mobilité de longue durée dans les cas suivants :
   1° l'intéressé ne remplit pas les conditions prévues au paragraphe 1er;
   2° l'intéressé se trouve dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
   3° l'intéressé n'a pas fourni les documents ou renseignements complémentaires dans le délai prescrit;
   4° la durée maximale de séjour définie à l'article 61/38, § 1er est atteinte;
   5° si l'intéressé n'a pas respecté le délai prévu à l'article 61/38, § 2, pour l'introduction de sa demande;
   6° le permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe délivré par le premier Etat membre expire durant la procédure.
   § 3. Le ministre ou son délégué refuse de renouveler l'autorisation de séjour de plus de nonante jours en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe dans les cas suivants :
   1° si l'intéressé ne remplit pas ou plus les conditions prévues au § 1er, 1° -3°.
   2° si la durée maximale de séjour définie à l'article 61/38, § 1er est atteinte;
   3° si l'intéressé séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour;
   § 4. Le ministre ou son délégué met fin au séjour du ressortissant de pays tiers autorisé à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe dans le cadre d'une mobilité de longue durée dans les cas suivants :
   1° si l'intéressé ne remplit pas ou plus les conditions de séjour prévues au § 1er, 1° à 3°.
   2° si l'intéressé séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour;
   3° si l'entité hôte a été créée dans le but principal de faciliter l'entrée de personnes faisant l'objet d'un transfert temporaire intra-groupe;
   § 5. Toute décision prise en vertu du présent article est prise après un examen individuel, qui tient compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas, en ce compris l'intérêt du ressortissant de pays tiers, et dans le respect du principe de proportionnalité.]1

  
Art. 61/37. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en artikel 29, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt, wanneer de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/34 zich in het buitenland bevindt op de datum dat de beslissing waarbij hij gemachtigd wordt in de hoedanigheid van binnen een onderneming overgeplaatste persoon op het grondgebied te verblijven en te werken, op zijn verzoek, een visum lang verblijf afgeleverd.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en modaliteiten met betrekking tot het afleveren van dit visum.
   § 2. Overeenkomstig artikel 29, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon te werken en te verblijven, in het vreemdelingenregister ingeschreven en wordt, hem een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon aan hem afgegeven.
   De Koning bepaalt :
   1° het model van de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon;
   2° de geldigheidsduur van de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon;
   3° het verblijfsdocument dat wordt afgeleverd aan de onderdaan van een derde land in afwachting van de aflevering van zijn vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon.
   § 3. Onverminderd artikel 61/38, wordt in geval van hernieuwing van het verblijf met toepassing van artikel 61/35 de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon verlengd met een duur die gelijk is aan de toegestane duur van zijn verblijf.]1

  
Art. 61/49. [1 Le ministre ou son délégué notifie les décisions suivantes au ressortissant de pays tiers :
   1° les décisions de refus, de non-renouvellement de l'autorisation de séjour ou les décisions mettant fin à l'autorisation de séjour prises en vertu de la présente section;
   2° la décision d'octroi ou de renouvellement de l'autorisation de travail et de l'autorisation de séjour sous la forme d'un acte administratif unique.
   Le ministre ou son délégué informe l'employeur de la décision visée à l'alinéa 1er, 2°, dans les cas et conditions prévus par l'accord de coopération du 2 février 2018.]1

  
Art. 61/37. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en artikel 29, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt, wanneer de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/34 zich in het buitenland bevindt op de datum dat de beslissing waarbij hij gemachtigd wordt in de hoedanigheid van binnen een onderneming overgeplaatste persoon op het grondgebied te verblijven en te werken, op zijn verzoek, een visum lang verblijf afgeleverd.
TITRE III. [1 - Garanties procédurales et voies de recours.]1
Art. 61/38. [1 § 1. De periode gedurende dewelke de onderdaan van een derde land kan verblijven op het grondgebied van de Europese Unie in de hoedanigheid van leidinggevende ICT of specialist ICT, is beperkt tot maximaal 3 jaar, en in de hoedanigheid van stagiair-werknemer ICT tot maximaal 1 jaar.
CHAPITRE I. [1 - Droit d'être entendu, motivation et notification des décisions administratives et recours.]1
Art. 61/39. [1 § 1. Onder voorbehoud van artikel 61/42, § 2, wordt de onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/34 of 61/35 indient, gemachtigd om, in de hoedanigheid van een onderneming overgeplaatste persoon, meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven of om zijn verblijf in die hoedanigheid te verlengen, indien :
   1° hij bewijst dat hij over een reisdocument of een daarmee gelijkgestelde reistitel beschikt, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode;
   2° hij bewijst dat hij voor de beoogde duur van het verblijf over toereikende bestaansmiddelen beschikt voor zichzelf en zijn gezinsleden, om niet ten laste te vallen van de openbare overheden. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon zal ontvangen;
   3° hij bewijst dat hij over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België voor hemzelf en zijn gezinsleden dekt, beschikt;
   4° hij, behalve bij het hernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, een geneeskundig getuigschrift voorlegt waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
   5° hij, behalve bij het hernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document voorlegt en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht.
   Indien behoorlijk wordt aangetoond dat de documenten bedoeld in § 1, 4° en 5°, niet kunnen worden voorgelegd kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen of hernieuwen.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon van meer dan negentig dagen toe te kennen in de volgende gevallen :
   1° de betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1;
   2° de betrokkene bevindt zich in één van de gevallen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
   3° de betrokkene heeft de documenten of bijkomende info niet binnen de voorgeschreven termijn geleverd;
   4° de maximale verblijfsduur bedoeld in artikel 61/38, § 1, is bereikt;
   5° indien de betrokkene de in artikel 61/38, § 2, bedoelde termijn voor de indiening van zijn aanvraag, niet nageleefd heeft.
   § 3. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf, in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, van meer dan negentig dagen, te vernieuwen in de volgende gevallen :
   1° indien de betrokkene niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in § 1, 1° -3° ;
   2° indien de maximale verblijfsduur bedoeld in artikel 61/38, § 1, bereikt is;
   3° indien de betrokkene in het land verblijft met andere doeleinden dan die waarvoor hij een machtiging gekregen heeft;
   4° indien de betrokkene de regels in verband met korte-termijnmobiliteit of lange-termijnmobiliteit niet nageleefd heeft.
   § 4. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan het verblijf in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon van meer dan negentig dagen, in de volgende gevallen :
   1° indien de betrokkene niet of niet meer voldoet aan de verblijfsvoorwaarden vastgesteld in § 1, 1° tot 3° ;
   2° indien de betrokkene in het land verblijft met andere doeleinden dan die waarvoor hij een machtiging gekregen heeft;
   3° indien de gastentiteit opgericht werd met als belangrijkste doel de binnenkomst van binnen een onderneming overgeplaatste personen te vergemakkelijken;
   4° de maximale verblijfsduur bedoeld in artikel 61/38, § 1 is bereikt;
   5° indien de betrokkene de regels in verband met korte-termijnmobiliteit of lange-termijnmobiliteit niet heeft nageleefd.
   § 5. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.]1

  
Art.62. [1 § 1er. Lorsqu'il est envisagé de mettre fin au séjour ou de retirer le séjour d'un étranger qui est autorisé ou admis à séjourner plus de trois mois sur le territoire du Royaume ou qui a le droit d'y séjourner plus de trois mois, l'intéressé en est informé par écrit et la possibilité lui est offerte de faire valoir les éléments pertinents qui sont de nature à empêcher ou à influencer la prise de décision.
   L'intéressé dispose d'un délai de quinze jours, à partir de la réception de l'écrit visé à l'alinéa 1er, pour transmettre les éléments pertinents par écrit. Ce délai peut être réduit ou prolongé si cela s'avère utile ou nécessaire à la prise de décision, compte tenu des circonstances propres au cas d'espèce.
   L'obligation prévue l'alinéa 1er ne s'applique pas dans les cas suivants :
   1° si des motifs intéressant la sûreté de l'Etat s'y opposent;
   2° si les circonstances particulières, propres au cas d'espèce, s'y opposent ou l'empêchent, en raison de leur nature ou de leur gravité;
   3° l'intéressé est injoignable.
   § 2. Les décisions administratives sont motivées. Les faits qui les justifient sont indiqués sauf si des motifs intéressant la sûreté de l'Etat s'y opposent.
   Lorsque les décisions visées à l'article 39/79, § 1er, alinéa 2, sont fondées sur des faits considérés comme des raisons impérieuses de sécurité nationale, elles indiquent qu'elles se fondent sur des raisons impérieuses de sécurité nationale au sens de l'article 39/79, § 3.
   § 3. Elles sont notifiées aux intéressés, qui en reçoivent une copie, par une des personnes suivantes :
   1° le bourgmestre de la commune où se trouve l'étranger ou son délégué;
   2° un agent de l'Office des étrangers;
   3° le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou son délégué;
   4° un officier de police judiciaire, en ce compris l'officier de police judiciaire dont la compétence est limitée;
   5° un fonctionnaire de police;
   6° un agent de l'Administration des douanes et accises;
   7° le directeur de l'établissement pénitentiaire si l'étranger est en état d'arrestation;
   8° à l'intervention de l'autorité diplomatique ou consulaire belge à l'étranger si l'étranger ne se trouve pas sur le territoire du Royaume.
   Sans préjudice d'une notification à la personne même, toute notification est valablement faite à la résidence ou, le cas échéant, au domicile élu, de l'une des manières suivantes :
   1° sous pli recommandé;
   2° par porteur contre accusé de réception;
   3° par télécopie si l'étranger a élu domicile chez son avocat;
   4° par tout autre mode admis par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres par lequel la date de la notification peut être constatée de manière certaine.]1

  
Art. 61/39. [1 § 1. Onder voorbehoud van artikel 61/42, § 2, wordt de onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/34 of 61/35 indient, gemachtigd om, in de hoedanigheid van een onderneming overgeplaatste persoon, meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven of om zijn verblijf in die hoedanigheid te verlengen, indien :
   1° hij bewijst dat hij over een reisdocument of een daarmee gelijkgestelde reistitel beschikt, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode;
   2° hij bewijst dat hij voor de beoogde duur van het verblijf over toereikende bestaansmiddelen beschikt voor zichzelf en zijn gezinsleden, om niet ten laste te vallen van de openbare overheden. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon zal ontvangen;
   3° hij bewijst dat hij over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België voor hemzelf en zijn gezinsleden dekt, beschikt;
   4° hij, behalve bij het hernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, een geneeskundig getuigschrift voorlegt waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
   5° hij, behalve bij het hernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document voorlegt en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht.
   Indien behoorlijk wordt aangetoond dat de documenten bedoeld in § 1, 4° en 5°, niet kunnen worden voorgelegd kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen of hernieuwen.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon van meer dan negentig dagen toe te kennen in de volgende gevallen :
   1° de betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden vastgesteld in paragraaf 1;
   2° de betrokkene bevindt zich in één van de gevallen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
   3° de betrokkene heeft de documenten of bijkomende info niet binnen de voorgeschreven termijn geleverd;
   4° de maximale verblijfsduur bedoeld in artikel 61/38, § 1, is bereikt;
   5° indien de betrokkene de in artikel 61/38, § 2, bedoelde termijn voor de indiening van zijn aanvraag, niet nageleefd heeft.
   § 3. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf, in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, van meer dan negentig dagen, te vernieuwen in de volgende gevallen :
   1° indien de betrokkene niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in § 1, 1° -3° ;
   2° indien de maximale verblijfsduur bedoeld in artikel 61/38, § 1, bereikt is;
   3° indien de betrokkene in het land verblijft met andere doeleinden dan die waarvoor hij een machtiging gekregen heeft;
   4° indien de betrokkene de regels in verband met korte-termijnmobiliteit of lange-termijnmobiliteit niet nageleefd heeft.
   § 4. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan het verblijf in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon van meer dan negentig dagen, in de volgende gevallen :
   1° indien de betrokkene niet of niet meer voldoet aan de verblijfsvoorwaarden vastgesteld in § 1, 1° tot 3° ;
   2° indien de betrokkene in het land verblijft met andere doeleinden dan die waarvoor hij een machtiging gekregen heeft;
   3° indien de gastentiteit opgericht werd met als belangrijkste doel de binnenkomst van binnen een onderneming overgeplaatste personen te vergemakkelijken;
   4° de maximale verblijfsduur bedoeld in artikel 61/38, § 1 is bereikt;
   5° indien de betrokkene de regels in verband met korte-termijnmobiliteit of lange-termijnmobiliteit niet heeft nageleefd.
   § 5. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.]1

  
Art.63. (Les décisions administratives peuvent donner lieu soit à une demande de levée de mesure de sûreté, soit à un recours auprès du Conseil du Contentieux des étrangers, soit à un recours au pouvoir judiciaire, conformément aux dispositions ci-après.) <L 2006-09-15/71, art. 200, 1°, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  (Les décisions administratives prises en application des articles 3, 7, 11, 19, du titre II, chapitre II, (...) [1 les articles 74/11 et 74/14 du Titre IIIquater]1 ne sont pas susceptibles d'une demande en référé sur la base de l'article 584 du Code judiciaire.) <L 1993-05-06/30, art. 25, 2°, 005; En vigueur : 31-05-1993> <L 2006-09-15/71, art. 200, 2°, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  (Alinéa 3 abrogé) <L 2003-02-18/41, art. 17, 027; En vigueur : 01-05-2003>
  
Art. 61/41. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk tot een verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde regionale overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land toegelaten wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
CHAPITRE Ibis. - (RECOURS URGENT AUPRES DU COMMISSAIRE GENERAL AUX REFUGIES ET AUX APATRIDES.)
Art. 61/41. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk tot een verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde regionale overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land toegelaten wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
   Overeenkomstig de artikelen 3 en 31 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de duur van de machtiging tot verblijf, die met toepassing van de bepalingen van deze afdeling wordt toegekend, beperkt tot de duur van de toelating tot arbeid, zonder de maximale duur bedoeld in artikel 61/38, § 1, te mogen overschrijden.
   § 2. Overeenkomstig artikel 35 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, eindigt de machtiging tot verblijf die met toepassing van de bepalingen van deze afdeling werd toegekend van rechtswege wanneer de betrokken onderdaan van een derde land niet meer gemachtigd is om in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon te werken.]1

  
Afdeling 3. [1 - Mobiliteit binnen de Europese Unie.]1
Art. 63/3. (Abrogé)
Art. 61/42. [1 Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk II van titel I, moet de onderdaan van een derde land die het grondgebied wenst binnen te komen om er in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon in het kader van korte-termijnmobiliteit te verblijven over de volgende documenten beschikken :
   1° een geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel waarvan de geldigheidsduur op zijn minst die van zijn vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon afgeleverd door de eerste lidstaat dekt en de door artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode vastgestelde geldigheidsvoorwaarden vervult;
   2° een geldige vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon afgeleverd door de eerste lidstaat.
   De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.]1

  
Art. 61/42. [1 Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk II van titel I, moet de onderdaan van een derde land die het grondgebied wenst binnen te komen om er in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon in het kader van korte-termijnmobiliteit te verblijven over de volgende documenten beschikken :
   1° een geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel waarvan de geldigheidsduur op zijn minst die van zijn vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon afgeleverd door de eerste lidstaat dekt en de door artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode vastgestelde geldigheidsvoorwaarden vervult;
   2° een geldige vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon afgeleverd door de eerste lidstaat.
   De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.]1

  
Art. 61/43. [1 De in artikel 61/42 bedoelde onderdaan van een derde land mag in het Rijk verblijven om er te werken gedurende een periode van negentig dagen op honderdtachtig dagen in de volgende gevallen :
CHAPITRE II. - DEMANDE EN REVISION.
Art. 61/44. [1 In de volgende gevallen maakt de minister of zijn afgevaardigde een einde aan het in artikel 61/42 bedoelde verblijf van de onderdaan van een derde land :
   1° de binnen een onderneming overgeplaatste persoon voldoet niet of niet meer aan de voorwaarden vastgesteld in de artikelen 61/42 of 61/43;
   2° de binnen een onderneming overgeplaatste persoon bevindt zich in een van de gevallen opgesomd in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10°.]1

  
Art. 61/45. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon in het kader van lange-termijnmobiliteit, meer dan negentig dagen op het grondgebied wenst te verblijven dient een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
   De aanvraag om een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor een verblijfsvergunning.
   § 2. De volgende documenten worden aan de aanvraag toegevoegd :
   1° behalve in het geval van een hernieuwing van de aanvraag, het bewijs van de betaling van de retributie die in artikel 1/1 bedoeld wordt;
   2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/48, vast te stellen.
   § 3. Overeenkomstig artikel 28 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf.
   § 4. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat ze binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende documenten of inlichtingen voorleggen.
   De in paragraaf 3 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
   § 5. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon in het kader van lange-termijnmobiliteit te werken en te verblijven.
   § 6. De eerste lidstaat die de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon heeft afgeleverd, wordt door de minister of zijn gemachtigde op de hoogte gebracht van het afleveren van de vergunning voor lange-termijnmobiliteit.]1

  
Art. 61/45. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon in het kader van lange-termijnmobiliteit, meer dan negentig dagen op het grondgebied wenst te verblijven dient een aanvraag in bij de bevoegde regionale overheid, in de vorm van een aanvraag voor een toelating tot arbeid.
   De aanvraag om een toelating tot arbeid geldt als aanvraag voor een verblijfsvergunning.
   § 2. De volgende documenten worden aan de aanvraag toegevoegd :
   1° behalve in het geval van een hernieuwing van de aanvraag, het bewijs van de betaling van de retributie die in artikel 1/1 bedoeld wordt;
   2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/48, vast te stellen.
   § 3. Overeenkomstig artikel 28 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf.
   § 4. De minister of zijn gemachtigde kan van de onderdaan van een derde land eisen dat ze binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende documenten of inlichtingen voorleggen.
   De in paragraaf 3 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de gevraagde aanvullende informatie werd ontvangen.
   § 5. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de toelating tot arbeid en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon in het kader van lange-termijnmobiliteit te werken en te verblijven.
   § 6. De eerste lidstaat die de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon heeft afgeleverd, wordt door de minister of zijn gemachtigde op de hoogte gebracht van het afleveren van de vergunning voor lange-termijnmobiliteit.]1

  
Art. 61/47. [1 § 1. Overeenkomstig artikel 29, derde lid, en artikel 30, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon in het kader van lange-termijnmobiliteit te werken en te verblijven, in het vreemdelingenregister ingeschreven en wordt, op zijn verzoek, een vergunning voor een lange-termijnmobiliteit aan hem afgegeven.
   De Koning bepaalt :
   1° het model van de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon in het kader van de lange-termijnmobiliteit;
   2° de geldigheidsduur van de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon in het kader van de lange-termijnmobiliteit;
   3° het verblijfsdocument dat uitgereikt wordt aan de onderdaan van een derde land, in afwachting van de afgifte van de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon in het kader van de lange-termijnmobiliteit;
   § 2. Onverminderd de bepaling 61/38, wordt in geval van hernieuwing van het verblijf met toepassing van artikel 61/46 de vergunning voor een lange-termijnmobiliteit waarvan de onderdaan van een derde land houder is verlengd met een duur die gelijk is aan de toegestane duur van zijn verblijf zonder dat deze de duur van de totale periode van het verblijf in de eerste lidstaat kan overschrijden.]1

  
Art. 61/48. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/45 of 61/46 indient, is gemachtigd om, in de hoedanigheid van een onderneming overgeplaatste persoon binnen het kader van lange-termijnmobiliteit, meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven of om zijn verblijf in die hoedanigheid te verlengen, indien :
CHAPITRE III. - DEMANDES DE LEVEE DE CERTAINES MESURES DE SURETE.
Art. 61/48. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/45 of 61/46 indient, is gemachtigd om, in de hoedanigheid van een onderneming overgeplaatste persoon binnen het kader van lange-termijnmobiliteit, meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven of om zijn verblijf in die hoedanigheid te verlengen, indien :
   1° een geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel die de door artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode vastgestelde geldigheidsvoorwaarden vervult;
   2° hij bewijst dat hij over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België voor hemzelf en zijn gezinsleden dekt, beschikt;
   3° hij bewijst dat hij over een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon afgeleverd door de eerste lidstaat beschikt;
   4° hij bewijst dat hij voor de beoogde duur van het verblijf over toereikende bestaansmiddelen beschikt voor zichzelf en zijn gezinsleden, om niet ten laste te vallen van de openbare overheden. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon zal ontvangen;
   5° behalve bij het hernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon binnen het kader van lange-termijnmobiliteit, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document voorlegt en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht.
   Indien behoorlijk wordt aangetoond dat het document bedoeld in § 1, 5°, onmogelijk kan worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen of hernieuwen.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon binnen het kader van lange-termijnmobiliteit van meer dan negentig dagen toe te kennen in de volgende gevallen :
   1° de betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden omschreven in paragraaf 1;
   2° de betrokkene bevindt zich in één van de gevallen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
   3° de betrokkene heeft de documenten of bijkomende info niet binnen de voorgeschreven termijn geleverd;
   4° de maximale verblijfsduur omschreven in artikel 61/38, § 1, is bereikt;
   5° indien de betrokkene de in artikel 61/38, § 2, bedoelde termijn voor de indiening van zijn aanvraag, niet nageleefd heeft;
   6° de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon die door de eerste lidstaat afgegeven is, vervalt tijdens de procedure.
   § 3. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf van meer dan negentig dagen in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon binnen het kader van lange-termijnmobiliteit te hernieuwen, in de volgende gevallen :
   1° indien de betrokkene niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in § 1, 1° tot 3° ;
   2° indien de maximale verblijfsduur bedoeld in artikel 61/38, § 1, bereikt is;
   3° indien de betrokkene in het land verblijft met andere doeleinden dan die waarvoor hij een machtiging gekregen heeft;
   § 4. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon binnen het kader van lange-termijnmobiliteit van meer dan negentig dagen in de volgende gevallen :
   1° indien de betrokkene niet of niet meer voldoet aan de verblijfsvoorwaarden bedoeld in § 1, 1° tot 3° ;
   2° indien de betrokkene in het land verblijft met andere doeleinden dan die waarvoor hij een machtiging gekregen heeft;
   3° indien de gastentiteit opgericht werd met als belangrijkste doel de binnenkomst van binnen een onderneming overgeplaatste personen te vergemakkelijken;
   § 5. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.]1

  
Art.68. (L'étranger qui fait l'objet d'une des mesures de sûreté prévues par les articles [1 [5 ...]5]1 [2 26, [5 ...]5]4 (57/32, § 2, alinéa 1er), (...) [1 73 [3 [5 ...]5]1, [5 74/27, 3°, et 74/28, § 1, 2°, ]5 autre que la détention, peut, à l'expiration d'une période de six mois, demander au Ministre de lever cette mesure.) <L 1996-07-15/33, art. 54, 012; En vigueur : 16-12-1996> <L 2003-02-18/41, art. 18, 027; En vigueur : 01-05-2003> <L 2006-09-15/72, art. 71, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  L'intéressé peut introduire la même demande de six mois en six mois.
  [2 ...]2

  
Art. 61/49. [1 De minister of zijn gemachtigde betekent de volgende beslissingen aan de onderdaan van een derde land :
CHAPITRE IV. - RECOURS EN ANNULATION. (Abrogé)
HOOFDSTUK I. [1 - Recht om te worden gehoord, motivering en kennisgeving van de administratieve beslissingen en beroepen.]1
Art.69. (Abrogé)
Art.62.[1 § 1. Wanneer er wordt overw ogen om het verblijf van een vreemdeling die gemachtigd of toegelaten is tot een verblijf van meer dan drie maanden op het grondgebied van het Rijk of die het recht heeft om er meer dan drie maanden te verblijven, te beëindigen of in te trekken wordt de betrokkene hiervan schriftelijk op de hoogte gebracht en wordt hem de mogelijkheid geboden om de relevante elementen aan te voeren die het nemen van een beslissing kunnen verhinderen of beïnvloeden.
Art. 69bis. (Abrogé)
Art. 62. [1 § 1. Wanneer er wordt overw ogen om het verblijf van een vreemdeling die gemachtigd of toegelaten is tot een verblijf van meer dan drie maanden op het grondgebied van het Rijk of die het recht heeft om er meer dan drie maanden te verblijven, te beëindigen of in te trekken wordt de betrokkene hiervan schriftelijk op de hoogte gebracht en wordt hem de mogelijkheid geboden om de relevante elementen aan te voeren die het nemen van een beslissing kunnen verhinderen of beïnvloeden.
   Vanaf de ontvangst van het in het eerste lid bedoelde geschrift beschikt de betrokkene over een termijn van vijftien dagen om de relevante elementen schriftelijk over te zenden. Rekening houdend met de omstandigheden eigen aan het geval kan deze termijn worden ingekort of verlengd, indien dat nuttig of noodzakelijk blijkt te zijn voor het nemen van een beslissing.
   De in het eerste lid bedoelde verplichting is niet van toepassing in de volgende gevallen :
   1° indien redenen van Staatsveiligheid zich daartegen verzetten;
   2° indien de bijzondere omstandigheden, eigen aan dit geval, dit in de weg staan of dit verhinderen, omwille van hun aard of ernst;
   3° de betrokkene is onbereikbaar.
   § 2. De administratieve beslissingen worden met redenen omkleed. De feiten die deze beslissingen rechtvaardigen worden vermeld, behalve indien redenen van Staatsveiligheid zich daartegen verzetten.
   Wanneer de in artikel 39/79, § 1, tweede lid, bedoelde beslissingen gebaseerd zijn op feiten die beschouwd worden als dwingende redenen van nationale veiligheid wordt in deze beslissingen vermeld dat ze gebaseerd zijn op dwingende redenen van nationale veiligheid in de zin van artikel 39/79, § 3.
   § 3. Zij worden ter kennis van de betrokkenen gebracht die er een afschrift van ontvangen door een van de volgende personen :
   1° de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling zich bevindt of zijn gemachtigde;
   2° een ambtenaar van de Dienst Vreemdelingenzaken;
   3° de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of zijn gemachtigde;
   4° een officier van gerechtelijke politie, daaronder mede begrepen de officier van gerechtelijke politie met beperkte bevoegdheid;
   5° een politieambtenaar;
   6° een ambtenaar van de Administratie der Douanen en Accijnzen;
   7° de directeur van de strafinrichting, indien de vreemdeling onder arrest geplaatst is;
   8° met de medewerking van de Belgische diplomatieke of consulaire overheid in het buitenland, indien de vreemdeling zich niet op het grondgebied van het Rijk bevindt.
   Onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf is elke kennisgeving op de verblijfsplaats of, in voorkomend geval, de gekozen woonplaats rechtsgeldig gedaan indien ze op een van de volgende manieren uitgevoerd wordt :
   1° bij aangetekende brief;
   2° per bode, met ontvangstbewijs;
   3° per fax, indien de vreemdeling woonplaats heeft gekozen bij zijn advocaat;
   4° via elke andere bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad toegelaten wijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.]1

  
Art. 63.(De administratieve beslissingen zijn vatbaar ofwel voor een verzoek tot opheffing van veiligheidsmaatregelen, ofwel voor een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, of nog voor beroep bij de rechterlijke macht, overeenkomstig hetgeen hierna is bepaald.)
CHAPITRE V. - RECOURS AUPRES DU POUVOIR JUDICIAIRE.
HOOFDSTUK Ibis. - DRINGEND BEROEP BIJ DE COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN.
Art. 70bis. (Abrogé)
Art. 70/1. [1 Le tribunal du travail connaît des litiges relatifs à l'application de l'article 54, § 1er.]1
  
Art.71. <L 1996-07-10/49, art. 5, 013; En vigueur : 16-12-1996> L'étranger qui fait l'objet d'une mesure privative de liberté prise en application des articles 7, [8bis, § 4,] [2 ...]2 27, 29, alinéa 2, [2 44septies, § 1,]2 [3 51/5, § 1er, alinéa 2, et § 4, alinéa 3,]3 [4 51/5/1, § 1er, alinéa 2, et § 2, alinéa 3,]4 74/6 et [57/32, § 2, alinéa 2] peut introduire un recours contre cette mesure en déposant une requête auprès de la chambre du conseil du tribunal correctionnel du lieu de sa résidence dans le Royaume ou du lieu où il a été trouvé. <L 2003-02-18/39, art. 2, 026; En vigueur : 01-05-2003> <L 2004-09-01/55, art. 2, 032; En vigueur : 12-10-2004> <L 2006-09-15/71, art. 203, 1°, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  (L'étranger maintenu dans un lieu déterminé situé aux frontières, en application de l'article 74/5, peut introduire un recours contre cette mesure, en déposant une requête auprès de la chambre du conseil du tribunal correctionnel du lieu où il est maintenu.) <L 1998-03-09-62, art. 6, 015; En vigueur : 13-07-1998>
  (Sans préjudice de l'application des articles 74/5, § 3, alinéa 5 et [3 74/6, § 1er, alinéa 7,]3 l'intéressé) peut réintroduire le recours visé aux alinéas précédents de mois en mois.
  Toutefois, lorsque, conformément à l'article 74, le Ministre a saisi la chambre du conseil, l'étranger ne peut introduire le recours visé aux alinéas précédents contre la décision de prolongation du délai de la détention ou du maintien qu'à partir du trentième jour qui suit la prolongation. <L 2006-09-15/71, art. 203, 2°, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  
Art.72. (La chambre du conseil statue dans les cinq jours ouvrables du dépôt de la requête après avoir entendu l'intéressé ou son conseil (, le Ministre, son délégué ou son conseil) en ses moyens et le ministère public en son avis. (...). (...). Si la chambre du conseil n'a pas statué dans le délai fixé, l'étranger est mis en liberté.) <L 1996-07-10/49, art. 6, 013; En vigueur : 16-12-1996> <L 2006-09-15/71, art. 204, 1°, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  Elle vérifie si les mesures privatives de liberté et d'éloignement du territoire sont conformes à la loi sans pouvoir se prononcer sur leur opportunité.
  (Les ordonnances de la chambre du conseil sont susceptibles d'appel de la part de l'étranger, du ministère public et, (...) du Ministre ou son délégué.) <L 1996-07-10/49, art. 6, 013; En vigueur : 16-12-1996> <L 2006-09-15/71, art. 204, 2°, 040; En vigueur : 01-12-2006>
  Il est procédé conformément aux dispositions légales relatives à la détention préventive, sauf celles relatives au mandat d'arrêt, au juge d'instruction, à l'interdiction de communiquer, à l'ordonnance de prise de corps, à la mise en liberté provisoire ou sous caution, (et au droit de prendre communication du dossier administratif). <L 28-06-1984, art. 7>
  (Le conseil de l'étranger peut consulter le dossier au greffe du tribunal compétent pendant les deux jours ouvrables qui précèdent l'audience.
  Le greffier en donnera avis au conseil par lettre recommandée). <L 28-06-1984, art. 7>
Art.73. Si la Chambre du Conseil décide de ne pas maintenir l'arrestation, l'étranger est remis en liberté dès que la décision est coulée en force de chose jugée.
  Le [Ministre] peut enjoindre à cet étranger de résider en un lieu déterminé soit jusqu'à l'exécution de la mesure d'éloignement du territoire dont il fait l'objet, soit jusqu'au moment où il aura été statué sur [1 son recours en annulation]1. <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  
Art.64. (Opgeheven)
Art.74. Lorsque le Ministre décide de prolonger la détention ou le maintien de l'étranger en application [2 des [3 articles 7, alinéa 5]3, 29, alinéa 3, 44septies, § 1er, alinéa 3, 74/5, § 3, alinéa 2, et 74/6, § 1er, alinéa 6,]2 il doit saisir par requête dans les cinq jours ouvrables de la prolongation, la chambre du conseil du lieu de la résidence de l'étranger dans le Royaume ou du lieu où il a été trouvé, afin que celle-ci se prononce sur la légalité de la prolongation.
Art.65. (Opgeheven)
CHAPITRE VI. [1 - Représentation]1
Art. 74/1. [1 La représentation de l'Etat peut être assurée dans toutes les contestations relatives à l'application de la présente loi par le ministre ou son délégué.]1
  
Art. 66. (Eerste lid opgeheven)
TITRE IIIbis. - OBLIGATIONS DES TRANSPORTEURS RELATIVES A L'ACCES DES ETRANGERS AU TERRITOIRE.
Art. 74/2. <L 14-07-1987, art. 17> § 1. Est puni (d'une amende de (3.000 EUR)) par [1 étranger]1 transporté : <L 1995-03-08/35, art. 1, 011; En vigueur : 09-04-1995> <AR 2001-07-13/55, art. 3, 023; En vigueur : 01-01-2002>
  1° le transporteur aérien, public ou privé, qui à l'occasion d'un même voyage, transporte à destination de la Belgique, cinq [1 étrangers]1 au moins, qui ne possèdent pas les documents prévus par l'article 2, sans avoir pris de précautions pour s'assurer que ces [1 étrangers]1 soient en possession de ces documents;
  2° le transporteur maritime, public ou privé, qui, à l'occasion d'un même voyage, transporte à destination de la Belgique, cinq [1 étrangers]1 au moins, qui ne possèdent pas les documents prévus par l'article 2, sans avoir donné suite à l'invitation faite de prendre toutes dispositions utiles pour que ces [1 étrangers]1 soient en possession de ces documents;
  3° le transporteur aérien, public ou privé, qui, à l'occasion d'un même voyage à destination d'un pays tiers, amène en Belgique, cinq [1 étrangers]1 au moins qui ne sont pas porteurs des documents requis pour entrer dans ce pays tiers, sans avoir pris de précautions pour s'assurer que ces [1 étrangers]1 soient en possession de ces documents;
  4° le transporteur maritime, public ou privé, qui, à l'occasion d'un même voyage à destination d'un pays tiers, amène en Belgique cinq [1 étrangers]1 au moins qui ne sont pas porteurs des documents requis pour entrer dans ce pays tiers, sans avoir donné suite à l'invitation faite de prendre toutes dispositions utiles pour que ces [1 étrangers]1 soient en possession de ces documents.
  (5° le transporteur, public ou privé, de personnes assurant des liaisons routières internationales par autobus, autocar ou minibus - à l'exception du trafic frontalier - qui, à l'occasion d'un même voyage, transporte à destination de la Belgique 5 [1 étrangers]1 au moins, qui ne sont pas en possession des documents prévus par l'article 2, sans avoir pris des précautions pour s'assurer que ces [1 étrangers]1 soient en possession de ces documents) <L 1995-03-08/35, art. 1, 011; En vigueur : 09-04-1995>
  (6° le transporteur, public ou privé, de personnes assurant des liaisons routières internationales par autobus, autocar ou minibus - à l'exception du trafic frontalier - qui, à l'occasion d'un même voyage vers un pays tiers, transporte à destination de la Belgique 5 [1 étrangers]1 au moins, qui ne sont pas porteurs des documents requis pour entrer dans ce pays tiers, sans avoir pris des précautions pour s'assurer que ces [1 étrangers]1 soient en possession de ces documents) <L 1995-03-08/35, art. 1, 011; En vigueur : 09-04-1995>
  Pour le calcul du nombre des [1 étrangers]1 visés au premier alinéa, les parents au premier degré et le conjoint qui accompagnent ne sont pas comptés.
  § 2. Les personnes morales sont civilement responsables des condamnations aux amendes et frais, prononcées pour infraction aux dispositions du présent article, contre leurs organes ou préposés.
  (§ 3. En cas où, dans le délai d'un an à compter de la date du procès-verbal, une nouvelle infraction est constatée, le montant prévu au § 1er, alinéa 1er, est doublé.) <L 1995-03-08/35, art. 1, 011; En vigueur : 09-04-1995>
  
Art.68.(De vreemdeling die het voorwerp is van een der in de artikelen [5 ...]5 [2 26, [5 ...]5]2 [1 ...]1, [3[5 ...]5]3 [5 ...]5 (57/32 § 2, eerste lid), (...) [1 73,]1 [5 74/27, 3°, en 74/28, § 1, 2°,]5 [5 ...]5 bepaalde veiligheidsmaatregelen, andere dan de vrijheidsberoving, mag, na verloop van en periode van zes maanden, de Minister verzoeken deze maatregel op te heffen.)
Art. 74/2 DROIT FUTUR. § 1. Est puni (d'une amende de (3.000 EUR)) par [1 étranger]1 transporté :
Art. 68. (De vreemdeling die het voorwerp is van een der in de artikelen [5 ...]5 [2 26, [5 ...]5]2 [1 ...]1, [3 [5 ...]5]3 [5 ...]5 (57/32 § 2, eerste lid), (...) [1 73,]1 [5 74/27, 3°, en 74/28, § 1, 2°,]5 [5 ...]5 bepaalde veiligheidsmaatregelen, andere dan de vrijheidsberoving, mag, na verloop van en periode van zes maanden, de Minister verzoeken deze maatregel op te heffen.) <W 1996-07-15/33, art. 54, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996> <W 2003-02-18/41, art. 18, 027; Inwerkingtreding : 01-05-2003> <W 2006-09-15/72, art. 71, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De betrokkene mag hetzelfde verzoek om de zes maanden indienen.
  [2 ...]2
  
Art. 74/3. <L 14-07-1987, art. 17> § 1. Si le transporteur visé à l'article 74.2 n'a pas de siège social, de domicile ou de résidence fixe en Belgique, il doit consigner entre les mains des fonctionnaires ou agents compétents, une somme destinée à couvrir l'amende de les frais de justice éventuels.
  Le montant de la somme à consigner et les modalités de sa perception sont fixés par le Roi.
  § 2. Le moyen de transport par lequel l'infraction a été perpétrée, est retenu aux frais et risques du transporteur, jusqu'à remise de cette somme et justification du paiement des frais éventuels de conservation ou, à défaut, pendant nonante-six heures à compter de la constatation.
  § 3. A l'expiration de ce délai, la saisie du moyen de transport peut être ordonnée par le ministère public.
  Un avis de saisie est envoyé au transporteur dans les deux jours ouvrables.
  Les risques et les frais de conservation du moyen de transport restent à charge de l'auteur de l'infraction pendant la durée de la saisie.
  La saisie est levée après justification du paiement de la somme à consigner et des frais éventuels de conservation.
  § 4. Si l'exercice de l'action publique entraîne la condamnation du transporteur :
  1° la somme consignée est imputée sur les frais de justice dus à l'Etat et sur l'amende prononcée, l'excédent éventuel est restitué;
  2° lorsque le moyen de transport a été saisi, le jugement ordonne que l'Administration des domaines procède à la vente du moyen de transport à défaut du paiement de l'amende et des frais de justice dans un délai de quarante jours du prononcé du jugement; cette décision est exécutoire nonobstant tout recours.
  Le produit de la vente est imputé sur les frais de justice dus à l'Etat, sur l'amende prononcée ainsi que sur les frais éventuels de conservation du moyen de transport; l'excédent éventuel est restitué.
  § 5. En cas d'acquittement, la somme consignée ou le moyen de transport saisi sont restitués; les frais éventuels de conservation du moyen de transport sont à charge de l'Etat.
  En cas de condamnation conditionnelle, la somme consignée est restituée après déduction des frais de justice; le moyen de transport saisi est restitué après paiement des frais de justice et justification du paiement des frais éventuels de conservation.
  § 6. En cas d'application de l'article 216bis du Code d'instruction criminelle, la somme consignée est imputée sur la somme fixée par le ministère public et l'excédent est restitué.
  § 7. La somme consignée ou le moyen de transport saisi sont restitués lorsque le ministère public compétent décide de ne pas poursuivre ou lorsque l'action publique est éteinte ou prescrite.
  § 8. Les fonctionnaires et agents appartenant à une des catégories déterminées par le Roi et qui sont individuellement délégués à cette fin par le Procureur général près la Cour d'Appel sont chargés de l'application du présent article et des mesures prises pour son exécution.
HOOFDSTUK IV. - BEROEP TOT NIETIGVERKLARING. (Opgeheven)
Art. 74/4. § 1er. Le transporteur public ou privé qui a amené dans le Royaume un [1 étranger]1 dépourvu des documents requis par l'article 2 ou se trouvant dans un des autres cas visés à l'article 3, doit le transporter ou le faire transporter sans délai dans le pays d'où il vient ou dans tout autre pays où il peut être admis.
Art. 74/4bis. § 1er. Le (Ministre) ou son délégué peut infliger une amende administrative de [1 5.000 EUR]1 au : <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996> <AR 2000-07-20/71, art. 2, 021; En vigueur : 01-01-2002>
  1° transporteur aérien public ou privé, pour tout [2 étranger]2 qu'il transporte à destination de la Belgique, qui ne possède pas les documents prévus par l'article 2 ;
  2° transporteur maritime public ou privé, pour tout [2 étranger]2 qu'il transporte à destination de la Belgique, qui ne possède pas les documents prévus par l'article 2 ;
  3° transporteur, public ou privé, de personnes assurant des liaisons routières internationales par autobus, autocar ou minibus - à l'exception du trafic frontalier - pour tout [2 étranger]2 qu'il transporte à destination de la Belgique, qui ne possède pas les documents prévus par l'article 2 ;
  4° transporteur aérien public ou privé, pour tout [2 étranger]2 qu'il amène en Belgique à l'occasion d'un voyage vers un pays tiers, qui n'est pas porteur des documents requis (pour transiter en Belgique par la zone aéroportuaire ou pour entrer dans ce pays tiers); <L 1996-07-15/33, art. 56, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  5° transporteur maritime public ou privé, pour tout [2 étranger]2 qu'il amène en Belgique à l'occasion d'un voyage vers un pays tiers, qui n'est pas porteur des documents requis pour entrer dans ce pays tiers ;
  6° transporteur, public ou prive, de personnes assurant des liaisons routières internationales par autobus, autocar ou minibus - à l'exception du trafic frontalier - pour tout [2 étranger]2 qu'il transporte à destination de la Belgique à l'occasion d'un voyage vers un pays tiers, qui n'est pas porteur des documents requis (pour transiter en Belgique ou pour entrer dans ce pays tiers). <L 1996-07-15/33, art. 56, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  L'amende administrative peut être réduite conformément à un protocole d'accord préalablement conclu entre le transporteur et le ministre qui a l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers dans ses attributions, ou son délégué.
  Le (Ministre) ou son délégué, fixe le montant de l'amende administrative dans le procès-verbal par lequel l'infraction est constatée. <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  La décision par laquelle une amende administrative est infligée est immédiatement exécutoire, nonobstant tout recours.
  La personne morale est civilement responsable du paiement de l'amende administrative infligée à ses administrateurs, ses membres du personnel dirigeant et exécutif, ses préposés ou mandataires.
  § 2. (Le montant de l'amende administrative est remboursé lorsque le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou le Conseil du Contentieux des étrangers reconnaît la qualité de réfugié ou octroie le statut de protection subsidiaire à l'étranger qui n'est pas en possession des documents requis à l'article 2 et qui a introduit une demande d'asile à la frontière.
  Le montant de l'amende administrative est également remboursé si l'intéressé jouit de la protection temporaire conformément aux dispositions du chapitre IIbis.) <L 2006-09-15/72, art. 72, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  § 3. Si le transporteur ou son représentant reste en défaut de payer ou de consigner immédiatement l'amende administrative, le (Ministre), ou son délégué, peut décider la retenue du moyen de transport utilisé pour le transport ou d'un autre moyen de transport. appartenant au même transporteur. <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  Les frais et risques entraînés par la retenue du moyen de transport sont à charge du transporteur.
  § 4. Le moyen de transport reste retenu jusqu'au moment où :
  1° le transporteur ou son représentant paye l'amende administrative ;
  2° le transporteur ou son représentant consigne la somme de l'amende administrative à la Caisse des dépôts et consignations ;
  3° le tribunal de première instance décide que l'amende administrative n'est pas due ;
  4° le (Ministre), ou son délégué, donne l'autorisation de débloquer le moyen de transport de sorte qu'il puisse repartir. <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  § 5. Le transporteur qui conteste la décision du (Ministre), ou de son délégué, forme appel, à peine de déchéance, dans un délai d'un mois de la notification de la décision devant le tribunal de première instance par voie de requête. <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  Si le tribunal de première instance déclare recevable et fondé le recours du transporteur, la somme payée ou consignée est restituée ou le moyen de transport retenu est débloqué de sorte qu'il puisse repartir.
  Le tribunal de première instance doit statuer dans le mois du dépôt de la requête visée au premier alinéa.
  Le texte du premier alinéa est reproduit dans la décision par laquelle une amende administrative est infligée.
  § 6. Si le transporteur reste en défaut de payer l'amende, la décision du fonctionnaire compétent ou la décision coulée en force de chose jugée du tribunal de première instance est notifiée à l'administration de la Taxe sur la valeur ajoutée, de l'Enregistrement et des Domaines en vue du recouvrement du montant de l'amende administrative.
  § 7. Si le transporteur ou son représentant a consigné la somme de l'amende administrative à la Caisse des dépôts et consignations et que celui-ci n'a pas introduit de recours auprès du tribunal de première instance dans le délai susmentionné, la somme consignée est dévolue à l'Etat.
  
Art. 74/4bis DROIT FUTUR. § 1er. Le (Ministre) ou son délégué peut infliger une amende administrative de [1 5.000 EUR]1 au : <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996> <AR 2000-07-20/71, art. 2, 021; En vigueur : 01-01-2002>
  1° transporteur aérien public ou privé, pour tout [2 étranger]2 qu'il transporte à destination de la Belgique, qui ne possède pas les documents prévus par l'article 2 ;
  2° transporteur maritime public ou privé, pour tout [2 étranger]2 qu'il transporte à destination de la Belgique, qui ne possède pas les documents prévus par l'article 2 ;
  3° transporteur, public ou privé, de personnes assurant des liaisons routières internationales par autobus, autocar ou minibus - à l'exception du trafic frontalier - pour tout [2 étranger]2 qu'il transporte à destination de la Belgique, qui ne possède pas les documents prévus par l'article 2 ;
  4° transporteur aérien public ou privé, pour tout [2 étranger]2 qu'il amène en Belgique à l'occasion d'un voyage vers un pays tiers, qui n'est pas porteur des documents requis (pour transiter en Belgique par la zone aéroportuaire ou pour entrer dans ce pays tiers); <L 1996-07-15/33, art. 56, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  5° transporteur maritime public ou privé, pour tout [2 étranger]2 qu'il amène en Belgique à l'occasion d'un voyage vers un pays tiers, qui n'est pas porteur des documents requis pour entrer dans ce pays tiers ;
  6° transporteur, public ou prive, de personnes assurant des liaisons routières internationales par autobus, autocar ou minibus - à l'exception du trafic frontalier - pour tout [2 étranger]2 qu'il transporte à destination de la Belgique à l'occasion d'un voyage vers un pays tiers, qui n'est pas porteur des documents requis (pour transiter en Belgique ou pour entrer dans ce pays tiers). <L 1996-07-15/33, art. 56, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  [3 Les amendes visées à l'alinéa 1er ne sont pas infligées dans le cas visé à l'article 13bis, paragraphe 1er, du règlement (UE) 2017/2226, dans la mesure où l'infraction à l'alinéa 1er ne peut être établie que via l'EES.]3
  L'amende administrative peut être réduite conformément à un protocole d'accord préalablement conclu entre le transporteur et le ministre qui a l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers dans ses attributions, ou son délégué.
  Le (Ministre) ou son délégué, fixe le montant de l'amende administrative dans le procès-verbal par lequel l'infraction est constatée. <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  La décision par laquelle une amende administrative est infligée est immédiatement exécutoire, nonobstant tout recours.
  La personne morale est civilement responsable du paiement de l'amende administrative infligée à ses administrateurs, ses membres du personnel dirigeant et exécutif, ses préposés ou mandataires.
  § 2. (Le montant de l'amende administrative est remboursé lorsque le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou le Conseil du Contentieux des étrangers reconnaît la qualité de réfugié ou octroie le statut de protection subsidiaire à l'étranger qui n'est pas en possession des documents requis à l'article 2 et qui a introduit une demande d'asile à la frontière.
  Le montant de l'amende administrative est également remboursé si l'intéressé jouit de la protection temporaire conformément aux dispositions du chapitre IIbis.) <L 2006-09-15/72, art. 72, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  § 3. Si le transporteur ou son représentant reste en défaut de payer ou de consigner immédiatement l'amende administrative, le (Ministre), ou son délégué, peut décider la retenue du moyen de transport utilisé pour le transport ou d'un autre moyen de transport. appartenant au même transporteur. <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  Les frais et risques entraînés par la retenue du moyen de transport sont à charge du transporteur.
  § 4. Le moyen de transport reste retenu jusqu'au moment où :
  1° le transporteur ou son représentant paye l'amende administrative ;
  2° le transporteur ou son représentant consigne la somme de l'amende administrative à la Caisse des dépôts et consignations ;
  3° le tribunal de première instance décide que l'amende administrative n'est pas due ;
  4° le (Ministre), ou son délégué, donne l'autorisation de débloquer le moyen de transport de sorte qu'il puisse repartir. <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  § 5. Le transporteur qui conteste la décision du (Ministre), ou de son délégué, forme appel, à peine de déchéance, dans un délai d'un mois de la notification de la décision devant le tribunal de première instance par voie de requête. <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  Si le tribunal de première instance déclare recevable et fondé le recours du transporteur, la somme payée ou consignée est restituée ou le moyen de transport retenu est débloqué de sorte qu'il puisse repartir.
  Le tribunal de première instance doit statuer dans le mois du dépôt de la requête visée au premier alinéa.
  Le texte du premier alinéa est reproduit dans la décision par laquelle une amende administrative est infligée.
  § 6. Si le transporteur reste en défaut de payer l'amende, la décision du fonctionnaire compétent ou la décision coulée en force de chose jugée du tribunal de première instance est notifiée à l'administration de la Taxe sur la valeur ajoutée, de l'Enregistrement et des Domaines en vue du recouvrement du montant de l'amende administrative.
  § 7. Si le transporteur ou son représentant a consigné la somme de l'amende administrative à la Caisse des dépôts et consignations et que celui-ci n'a pas introduit de recours auprès du tribunal de première instance dans le délai susmentionné, la somme consignée est dévolue à l'Etat.
  
Art. 70. (Opgeheven)
TITRE IIIter. - DISPOSITIONS PARTICULIERES RELATIVES A CERTAINS ETRANGERS (...)
Art. 70bis.(Opgeheven)
Art. 74/5. § 1. Peut être maintenu dans un lieu déterminé, situé aux frontières, en attendant l'autorisation d'entrer dans le royaume ou son refoulement du territoire :
Art. 70/1. [1 De arbeidsrechtbank is bevoegd voor de geschillen over de toepassing van artikel 54, § 1.]1
  
Art. 74/6. [1 § 1er. Lorsque, sur la base d'un examen individuel, cela s'avère nécessaire et qu'aucune mesure moins coercitive ne peut être efficacement appliquée, le ministre ou son délégué peut maintenir dans un lieu déterminé dans le Royaume le demandeur de protection internationale :
   1° pour établir ou vérifier l'identité ou la nationalité du demandeur; ou
   2° pour déterminer les éléments sur lesquels se fonde la demande de protection internationale qui ne pourraient être obtenus si le demandeur n'était pas maintenu, en particulier lorsqu'il y a risque de fuite du demandeur; ou
   3° lorsque le demandeur est maintenu dans le cadre d'une procédure de retour, pour préparer le retour et/ou procéder à l'éloignement, et lorsqu'il peut être démontré, sur la base de critères objectifs, tels que le fait que le demandeur a déjà eu la possibilité d'accéder à la procédure d'asile, qu'il existe des motifs raisonnables de penser que l'intéressé a introduit la demande de protection internationale à seule fin de retarder ou d'empêcher l'exécution de la décision de retour; ou
   4° lorsque la protection de la sécurité nationale ou de l'ordre public l'exige.
   Aucun étranger ne peut être maintenu au seul motif qu'il a présenté une demande de protection internationale.
   L'étranger ne peut être maintenu que pour une durée la plus brève possible et tant que les motifs de maintien visés à l'alinéa 1er, sont applicables.
   La durée du maintien ne peut excéder deux mois.
   Lorsque la protection de la sécurité nationale ou de l'ordre public l'exige, le ministre ou son délégué peut prolonger le maintien visé à l'alinéa 1er, 4°, pour une période de deux mois.
   Après une prolongation, la décision visée à l'alinéa précédent peut être prise uniquement par le ministre et le maintien de l'étranger, après l'expiration du délai, peut être prolongé chaque fois d'un mois seulement sans que la durée totale du maintien ne puisse toutefois dépasser six mois.
   La durée du maintien est suspendue d'office pendant le délai utilisé pour introduire un recours auprès du Conseil du contentieux des étrangers, tel que visé à l'article 39/57. Si, conformément à l'article 39/76, § 1er, un délai est accordé au Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou à la partie requérante ou intervenante afin d'examiner les nouveaux éléments apportés par une des parties ou afin de communiquer ses remarques, la durée du maintien est également suspendue d'office pendant ces délais.
   [2 ...]2.
   [2 ...]2.
   § 2. Une fois que l'étranger visé à l'article 52/3, § 1er, fait l'objet d'une mesure d'éloignement exécutoire, les dispositions de l'article 7, alinéas 2 à [2 7]2, et le titre IIIquater s'appliquent.]1

  
Art.71. <W 1996-07-10/49, art. 5, 013; Inwerkingtreding : 16-12-1996> De vreemdeling die het voorwerp is van een maatregel van vrijheidsberoving genomen met toepassing van de artikelen 7, [8bis, § 4,] [2 ...]2 27, 29, tweede lid, [2 44septies, § 1,]2 [3 51/5, § 1, tweede lid, en § 4, derde lid,]3 [4 51/5/1, § 1, tweede lid, en § 2, derde lid,]4 74/6 en [57/32, § 2, tweede lid] kan tegen die maatregel beroep instellen door een verzoekschrift neer te leggen bij de raadkamer van de correctionele rechtbank van zijn verblijfplaats in het Rijk of van de plaats waar hij werd aangetroffen. <W 2003-02-18/39, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003> <W 2004-09-01/55, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 12-10-2004> <W 2006-09-15/71, art. 203, 1°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (De vreemdeling die met toepassing van artikel 74/5 vastgehouden wordt in een welbepaalde aan de grens gelegen plaats, kan tegen die maatregel beroep instellen door een verzoekschrift neer te leggen bij de raadkamer van de correctionele rechtbank van de plaats waar hij wordt vastgehouden.) <W 1998-03-09-62, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 13-07-1998>
  (Onverminderd de toepassing van de artikelen 74/5, § 3, vijfde lid en [3 74/6, § 1, zevende lid,]3 kan de betrokkene) het in de voorgaande leden bedoelde beroep om de maand indienen. <W 2006-09-15/71, art. 203, 2°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Indien de Minister evenwel overeenkomstig artikel 74 de raadkamer geadieerd heeft, kan de vreemdeling het in de voorgaande leden bedoelde beroep slechts instellen tegen de beslissing tot verlenging van de termijn van opsluiting of vasthouding vanaf de dertigste dag na de verlenging.
  
Art. 74/7. <L 1996-07-15/33, art. 60, En vigueur : 16-12-1996> Les services de police peuvent saisir un étranger qui n'est pas porteur des pièces d'identité ou des documents prévus par la loi et le soumettre à une mesure d'arrestation administrative, dans l'attente d'une décision du Ministre ou de son délégué. La durée de la privation de liberté ne peut dépasser vingt-quatre heures.
Art. 71. <W 1996-07-10/49, art. 5, 013; Inwerkingtreding : 16-12-1996> De vreemdeling die het voorwerp is van een maatregel van vrijheidsberoving genomen met toepassing van de artikelen 7, [8bis, § 4,] [2 ...]2 27, 29, tweede lid, [2 44septies, § 1,]2 [3 51/5, § 1, tweede lid, en § 4, derde lid,]3 [4 51/5/1, § 1, tweede lid, en § 2, derde lid,]4 74/6 en [57/32, § 2, tweede lid] kan tegen die maatregel beroep instellen door een verzoekschrift neer te leggen bij de raadkamer van de correctionele rechtbank van zijn verblijfplaats in het Rijk of van de plaats waar hij werd aangetroffen. <W 2003-02-18/39, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 01-05-2003> <W 2004-09-01/55, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 12-10-2004> <W 2006-09-15/71, art. 203, 1°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  (De vreemdeling die met toepassing van artikel 74/5 vastgehouden wordt in een welbepaalde aan de grens gelegen plaats, kan tegen die maatregel beroep instellen door een verzoekschrift neer te leggen bij de raadkamer van de correctionele rechtbank van de plaats waar hij wordt vastgehouden.) <W 1998-03-09-62, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 13-07-1998>
  (Onverminderd de toepassing van de artikelen 74/5, § 3, vijfde lid en [3 74/6, § 1, zevende lid,]3 kan de betrokkene) het in de voorgaande leden bedoelde beroep om de maand indienen. <W 2006-09-15/71, art. 203, 2°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Indien de Minister evenwel overeenkomstig artikel 74 de raadkamer geadieerd heeft, kan de vreemdeling het in de voorgaande leden bedoelde beroep slechts instellen tegen de beslissing tot verlenging van de termijn van opsluiting of vasthouding vanaf de dertigste dag na de verlenging.
  
Art. 74/8. <L 1996-07-15/33, art. 61, En vigueur : 16-12-1996> § 1er. Les dispositions nécessaires peuvent être prises afin d'assurer que l'intéressé ne quitte pas, sans l'autorisation requise, le lieu où il [1 est détenu, mis à la disposition du Gouvernement ou maintenu en application des articles 7, 8bis , § 4, [4 ...]4 27, 29, alinéa 2, [4 44septies, § 1er,]4 [5 51/5, § 1er, alinéa 2, ou § 4, alinéa 3,]5 [6 51/5/1, § 1er, alinéa 2, ou § 2, alinéa 3,]6 57/32, § 2, alinéa 2, 74/5 ou [5 74/6]5]1.
  [2 Si un prévenu ou un condamné est un étranger en séjour irrégulier, le ministre compétent pour l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement d'étrangers ou son délégué est informé par le directeur de l'établissement pénitentiaire de son enfermement dans l'établissement pénitentiaire et ce, dès le début de sa détention. Dès réception de ces informations, le ministre ou son délégué procède à l'identification par les autorités nationales de son pays d'origine. Le ministre ou son délégué est habilité à demander à toute autorité belge de produire tous les documents et renseignements utiles à l'établissement de l'identification. Dès que la procédure d'identification est clôturée, le ministre ou son délégué transmet immédiatement un document au directeur de l'établissement pénitentiaire qui atteste que l'intéressé a été identifié, conformément à l'article 1er, 14°.
   Les étrangers qui sont détenus dans un établissement pénitentiaire et qui font l'objet d'une décision d'éloignement exécutoire sont, après avoir satisfait aux peines imposées par les cours et tribunaux, immédiatement éloignés ou transférés vers un lieu relevant de la compétence du ministre en vue de leur éloignement effectif.
   Par dérogation à l'article 609 du Code d'instruction criminelle, et seulement si le ministre compétent pour l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement d'étrangers démontre être dans l'incapacité de procéder immédiatement à l'éloignement ou au transfert, celui qui fait l'objet d'une levée d'un mandat d'arrêt peut, conformément à une décision d'une autorité compétente et pour autant qu'il fasse l'objet soit d'un arrêté royal d'expulsion exécutoire, soit d'un arrêté ministériel de renvoi exécutoire, soit d'un ordre de quitter le territoire exécutoire avec preuve d'éloignement effectif, être maintenu en détention pour un maximum de sept jours en vue de son éloignement effectif, ou à défaut de cela, de son transfert vers un lieu qui relève de la compétence du ministre en vue de son éloignement effectif.
   Cet étranger est isolé des détenus de droit commun.]2

  § 2. [7 Le Roi fixe le régime et les règles de fonctionnement applicables au centre fermé où l'étranger peut être maintenu, en application des dispositions visées au § 1er, alinéa 1er.
   Le Roi fixe, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, le régime et les règles de fonctionnement applicables au lieu d'hébergement où la famille avec enfants mineurs peut être maintenu, en application des dispositions visées au § 1er, alinéa 1er.]7

  § 3. Le Roi peut fixer le régime et les règles relatives au transfèrement de l'étranger visé au § 1er.
  § 4. Les étrangers détenus, mis à la disposition du Gouvernement ou maintenus dans les lieux visés au § 1er, peuvent être autorisés à fournir des prestations de travail contre rémunération dans ces lieux.
  Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des ministres les conditions auxquelles ces prestations sont exécutées et auxquelles il peut être dérogé à cet égard à la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [ainsi qu'à la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation de travailleurs étrangers]. <L 2006-09-15/72, art. 75, 2°, 041; En vigueur : 01-06-2007>
  [§ 5. L'étranger visé au § 1er peut être soumis à une fouille de sécurité afin de s'assurer qu'il ne porte pas une arme ou un objet dangereux pour sa propre intégrité physique ou celle de tiers, ou pour l'ordre public, dans chacun des cas suivants :
  1° lors de son arrivée dans un lieu visé au § 1er;
  2° après qu'il ait reçu une visite;
  3° préalablement à son transfèrement;
  [3 4° à d'autres moments au cours du séjour de l'occupant lorsque cela apparaît nécessaire au maintien de l'ordre ou de la sécurité.]3
  [3 Les pièces où un occupant séjourne ainsi que les endroits où ses affaires personnelles sont rangées peuvent faire l'objet de fouille lorsque c'est nécessaire au maintien de l'ordre ou de la sécurité.]3
  Lors de son arrivée dans un lieu visé au § 1er, la personne rendant visite à un étranger visé au § 1er peut également être soumis à cette fouille de sécurité.
  La fouille de sécurité s'effectue par la palpation du corps et des vêtements de la personne fouillée ainsi que par le contrôle de ses bagages. Elle ne peut durer plus longtemps que le temps nécessaire à cette fin. Elle est effectuée par un délégué du ministre du même sexe que la personne fouillée.
  [3 Lorsque cela est nécessaire dans l'intérêt de la sécurité, l'occupant peut subir une fouille de ses vêtements par les membres du personnel de sécurité désignés à cet effet par le directeur du centre, conformément aux notes de service données par celui-ci.
   Cette fouille a pour objectif de vérifier si l'occupant est en possession de substances ou d'objets interdits ou dangereux.
   La fouille ne peut avoir un caractère vexatoire et se déroule dans le respect de la dignité de l'occupant.
   En cas de découverte de substances ou d'objets interdits, ceux-ci sont tenus à la disposition des autorités compétentes en vue d'établir des faits punissables.]3

  § 6. Le délégué du ministre peut utiliser la contrainte à l'égard de l'étranger visé au § 1er, et dans le cadre de son transfèrement visé au § 3.
  Ce recours à la contrainte est soumis aux conditions fixées à l'article 37 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police.
  Le Roi détermine les règles relatives à la formation dans le cadre du recours à la contrainte par le délégué du ministre.] <L 2007-04-25/49, art. 44, 046; En vigueur : 01-06-2008>
  
Art. 72. (De raadkamer doet uitspraak binnen vijf werkdagen na het neerleggen van het verzoekschrift, na de betrokkene of zijn advocaat (, de Minister, zijn gemachtigde of zijn advocaat) in hun middelen en het openbaar ministerie in zijn advies te hebben gehoord. (...). Indien de raadkamer geen uitspraak heeft gedaan binnen de gestelde termijn, wordt de vreemdeling in vrijheid gesteld.) <W 1996-07-10/49, art. 6, 013; Inwerkingtreding : 16-12-1996> <W 2006-09-15/71, art. 204, 1°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Zij onderzoekt of de maatregelen van vrijheidsberoving of tot verwijdering van het grondgebied in overeenstemming zijn met de wet zonder zich te mogen uitspreken over hun gepastheid.
  (Tegen de beschikkingen van de raadkamer kan hoger beroep worden ingesteld door de vreemdeling, door het openbaar ministerie en (...) door de Minister of zijn gemachtigde.) <W 1996-07-10/49, art. 6, 013; Inwerkingtreding : 16-12-1996> <W 2006-09-15/71, art. 204, 2°, 040; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Er wordt gehandeld overeenkomstig de wettelijke bepalingen op de voorlopige hechtenis, behoudens deze betreffende het bevel tot aanhouding, de onderzoeksrechter, het verbod van vrij verkeer, de beschikking tot gevangenneming, de voorlopige invrijheidstelling of de invrijheidsstelling onder borgtocht (en het inzagerecht in het administratief dossier). <W 28-06-1984, art. 7>
  (De raadsman van de vreemdeling kan het dossier ter griffie van de bevoegde rechtbank raadplegen gedurende de twee werkdagen die aan de terechtzitting voorafgaan.
  De griffier geeft hiervan bij aangetekende brief bericht aan de raadsman). <W 28-06-1984, art. 7>
Art. 74/9. [1 § 1er. [2 La famille, dont au moins un des membres est un mineur d'âge, qui a pénétré dans le Royaume sans satisfaire aux conditions fixées aux articles 2 ou 3, ou dont le séjour a cessé d'être régulier ou est irrégulier, ne peut être maintenue dans un centre fermé.
   La famille visée à l'alinéa 1er ne peut être maintenue que dans un lieu d'hébergement pour une durée aussi courte que possible.]2
.
   § 2. [2 La famille, dont au moins un des membres est un mineur d'âge, qui tente de pénétrer dans le Royaume sans satisfaire aux conditions fixées aux articles 2 ou 3, ne peut être maintenue dans un centre fermé.
   La famille visée à l'alinéa 1er ne peut être maintenue que dans un lieu d'hébergement, assimilé à un lieu déterminé situé aux frontières, pour une durée aussi courte que possible.]2
.
   § 3. La famille visée au § 1er a la possibilité de résider, sous certaines conditions, dans une habitation personnelle, à moins qu'un des membres de la famille se trouve dans l'un des cas prévus à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 7°. Si la famille est dans l'impossibilité de résider dans une habitation personnelle, elle se verra attribuer, dans les mêmes conditions, un lieu de résidence [2 dans un lieu d'hébergement]2.
   Les conditions auxquelles la famille doit satisfaire sont formulées dans une convention conclue entre la famille et l'Office des étrangers.
   Le Roi détermine le contenu de cette convention, ainsi que les sanctions applicables en cas de non-respect de la convention.
  [2 La famille ne peut être maintenue dans un lieu d'hébergement pour une durée aussi courte que possible, que si elle ne respecte pas les conditions visées à l'alinéa 2, à moins que d'autres mesures de maintien suffisantes mais moins coercitives puissent être appliquées efficacement.]2
   § 4. La famille visée aux §§ 1er à 3 se voit attribuer un agent de soutien qui l'accompagne, l'informe et la conseille.]1

  
Art.74. Wanneer de Minister met toepassing van [2 de [3 artikelen 7, vijfde lid]3, 29, derde lid, 44septies, § 1, derde lid, 74/5, § 3, tweede lid, en 74/6, § 1, zesde lid,]2 een beslissing neemt tot verlenging van de opsluiting of vasthouding van de vreemdeling, moet hij binnen vijf werkdagen na de verlenging, bij verzoekschrift de raadkamer adiëren van de verblijfplaats van de vreemdeling in het Rijk of van de plaats waar hij werd aangetroffen, ten einde een uitspraak te bekomen over de wettigheid van de verlenging.
TITRE IIIquater. [1 - Dispositions applicables au retour des ressortissants d'un pays tiers en séjour illégal sur le territoire.]1
Art. 74. <W 1996-07-10/49, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 16-12-1996> Wanneer de Minister met toepassing van [2 de [3 artikelen 7, vijfde lid]3, 29, derde lid, 44septies, § 1, derde lid, 74/5, § 3, tweede lid, en 74/6, § 1, zesde lid,]2 een beslissing neemt tot verlenging van de opsluiting of vasthouding van de vreemdeling, moet hij binnen vijf werkdagen na de verlenging, bij verzoekschrift de raadkamer adiëren van de verblijfplaats van de vreemdeling in het Rijk of van de plaats waar hij werd aangetroffen, ten einde een uitspraak te bekomen over de wettigheid van de verlenging.
  Indien de raadkamer niet binnen de gestelde termijn geadieerd werd, moet de betrokkene in vrijheid gesteld worden.
  Voor het overige wordt er gehandeld overeenkomstig de artikelen 72 en 73.
  
Art. 74/10. [1 A l'exclusion des dispositions visées à l'article 74/17, § 1er, les dispositions du présent Titre ne s'appliquent pas au ressortissant d'un pays tiers faisant l'objet d'une décision de refus d'entrée conformément à [2 l'article 14 du Code frontières Schengen]2 ou qui est arrêté ou intercepté par les autorités compétentes lors du franchissement irrégulier par voie terrestre, maritime ou aérienne de la frontière extérieure d'un Etat membre et qui n'a pas obtenu par la suite l'autorisation ou le droit de séjourner dans ledit Etat membre.]1
  
Art. 74/1. [1 Inzake elk geschil betreffende de toepassing van deze wet, kan de vertegenwoordiging van de Staat worden gedaan door de minister of zijn gemachtigde.]1
  
Art. 74/11. [1 § 1er. La durée de l'interdiction d'entrée est fixée en tenant compte de toutes les circonstances propres à chaque cas [4 , y compris, le cas échéant, le manque de coopération conformément aux articles 74/22 et 74/23]4.
   La décision d'éloignement est assortie d'une interdiction d'entrée de maximum trois ans, dans les cas suivants :
   1° lorsqu'aucun délai n'est accordé pour le départ volontaire ou;
   2° lorsqu'une décision d'éloignement antérieure n'a pas été exécutée.
   [2 Le délai maximum de trois ans prévu à l'alinéa 2 est porté à un maximum de cinq ans lorsque :
   1° le ressortissant d'un pays tiers a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux afin d'être admis au séjour ou de maintenir son droit de séjour;
   2° le ressortissant d'un pays tiers a conclu un mariage, un partenariat ou une adoption uniquement en vue d'être admis au séjour ou de maintenir son droit de séjour dans le Royaume.]2

   La décision d'éloignement peut être assortie d'une interdiction d'entrée de plus de cinq ans lorsque le ressortissant d'un pays tiers constitue une menace grave pour l'ordre public ou la sécurité nationale.
   § 2. Le ministre ou son délégué s'abstient de délivrer une interdiction d'entrée lorsqu'il met fin au séjour du ressortissant d'un pays tiers conformément à l'article 61/3, § 3, ou 61/4, § 2, sans préjudice du § 1er, alinéa 2, 2°, à condition qu'il ne représente pas [3 une menace]3 pour l'ordre public ou la sécurité nationale.
   Le ministre ou son délégué peut s'abstenir d'imposer une interdiction d'entrée, dans des cas particuliers, pour des raisons humanitaires.
   § 3. L'interdiction d'entrée entre en vigueur le jour de la notification de l'interdiction d'entrée.
   L'interdiction d'entrée ne peut contrevenir au droit à la protection internationale, telle qu'elle est définie aux articles 9ter, 48/3 et 48/4.]1

  
Art. 74/1. [1 Inzake elk geschil betreffende de toepassing van deze wet, kan de vertegenwoordiging van de Staat worden gedaan door de minister of zijn gemachtigde.]1
  
Art. 74/12. [1 § 1er. Le ministre ou son délégué peut lever ou suspendre l'interdiction d'entrée pour des raisons humanitaires.
   Lorsque deux tiers de la durée de l'interdiction d'entrée sont expirés, le ressortissant d'un pays tiers peut demander la suspension ou la levée de l'interdiction d'entrée pour des motifs professionnels ou d'études.
   Sauf dérogations prévues par un traité international, par une loi ou par un arrêté royal, le ressortissant d'un pays tiers introduit une demande motivée auprès du poste diplomatique ou consulaire de carrière belge compétent pour le lieu de sa résidence ou de son séjour à l'étranger.
   § 2. Le ressortissant d'un pays tiers peut introduire auprès du ministre ou son délégué, une demande de levée ou de suspension de l'interdiction d'entrée motivée par le respect de l'obligation d'éloignement délivrée antérieurement s'il transmet par écrit la preuve qu'il a quitté le territoire belge en totale conformité avec la décision d'éloignement.
   § 3. Une décision concernant la demande de levée ou de suspension de l'interdiction d'entrée est prise au plus tard dans les quatre mois suivant l'introduction de celle-ci. Si aucune décision n'est prise endéans les quatre mois, la décision est réputée négative.
   § 4. Durant l'examen de la demande de levée ou de suspension, le ressortissant d'un pays tiers concerné n'a aucun droit d'accès ou de séjour dans le Royaume.
   § 5. Le ministre peut, par arrêté, définir les catégories de personnes dont les interdictions d'entrée doivent être levées ou suspendues lors de catastrophes humanitaires.
   § 6. Lorsqu'un ressortissant d'un pays tiers fait l'objet d'une interdiction d'entrée délivrée par un autre Etat membre et que le ministre ou son délégué envisage de lui délivrer un titre de séjour ou une autre autorisation conférant un droit de séjour, il consulte au préalable cet Etat membre afin de tenir compte des intérêts de celui-ci.]1

  
Art. 74/2. <W 14-07-1987, art. 17> § 1. (Met een geldboete van (3.000 EUR)) per vervoerde [1 vreemdeling]1 wordt gestraft : <W 1995-03-08/35, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 09-04-1995> <KB 2001-07-13/55, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  1° de openbare of private luchtvervoerder die, ter gelegenheid van eenzelfde reis, ten minste vijf [1 vreemdelingen]1 die niet in het bezit zijn van de in artikel 2 voorziene stukken, naar België vervoert, zonder voorzorgen genomen te hebben om er zich van te vergewissen of die passagiers in het bezit zijn van die stukken;
  2° de openbare of private zeevervoerder die, ter gelegenheid van eenzelfde reis, ten minste vijf [1 vreemdelingen]1 die niet in het bezit zijn van de in artikel 2 voorziene stukken, naar België vervoert, zonder gevolg gegeven te hebben aan het verzoek om alle dienstige maatregelen te treffen opdat die passagiers in het bezit van die stukken zouden zijn;
  3° de openbare of private luchtvervoerder die, ter gelegenheid van eenzelfde reis naar een derde land, ten minste vijf [1 vreemdelingen]1 naar België brengt die geen houder zijn van de stukken die voor de toegang tot dat derde land vereist zijn, zonder de voorzorgen genomen te hebben om er zich van te vergewissen of die [1 vreemdelingen]1 in het bezit zijn van die stukken;
  4° de openbare of private zeevervoerder die, ter gelegenheid van eenzelfde reis naar een derde land, ten minste vijf [1 vreemdelingen]1 naar België brengt die geen houder zijn van de stukken die voor de toegang tot dat derde land vereist zijn, zonder gevolg gegeven te hebben aan het verzoek om alle dienstige maatregelen te treffen opdat die [1 vreemdelingen]1 in het bezit van die stukken zouden zijn.
  (5° de openbare of private vervoerder die internationaal vervoer van personen per autobus, autocar of minibus verricht - met uitzondering van grensverkeer - en die, ter gelegenheid van een zelfde reis, ten minste 5 [1 vreemdelingen]1 die niet in het bezit zijn van de in artikel 2 voorgeschreven stukken, naar België vervoert, zonder voorzorgen genomen te hebben om zich ervan te vergewissen of die [1 vreemdelingen]1 in het bezit zijn van die stukken) <W 1995-03-08/35, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 09-04-1995>
  (6° de openbare of private vervoerder die internationaal vervoer van personen per autobus, autocar of minibus verricht - met uitzondering van grensverkeer - en die, ter gelegenheid van een zelfde reis naar een derde land, ten minste 5 [1 vreemdelingen]1 naar België vervoert die geen houder zijn van de stukken die voor toegang tot dat derde land vereist zijn, zonder voorzorgen genomen te hebben om zich ervan te vergewissen of die [1 vreemdelingen]1 in het bezit zijn van die stukken) <W 1995-03-08/35, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 09-04-1995>
  Voor de berekening van het aantal [1 vreemdelingen]1 bedoeld in het eerste lid, worden de verwanten in de eerste graad en de echtgenoot, die die [1 vreemdelingen]1 vergezellen, niet meegerekend.
  § 2. De rechtspersonen zijn burgerlijk aansprakelijk voor de veroordelingen tot geldboeten en kosten die werden uitgesproken tegen hun organen of aangestelden wegens een inbreuk op de bepalingen van dit artikel.
  (§ 3. Indien binnen een j aar te rekenen van de datum van het procesverbaal, een nieuwe overtreding wordt vastgesteld, wordt het in § 1, eerste lid, vermelde bedrag verdubbeld.) <W 1995-03-08/35, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 09-04-1995>
  
Art. 74/13. [1 Lors de la prise d'une décision d'éloignement, le ministre ou son délégué tient compte de l'intérêt supérieur de l'enfant, de la vie familiale, et de l'état de santé du ressortissant d'un pays tiers concerné.]1
  
Art. 74/2 TOEKOMSTIG RECHT. 1 vreemdeling]1 wordt gestraft : <W 1995-03-08/35, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 09-04-1995> <KB 2001-07-13/55, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  1° de openbare of private luchtvervoerder die, ter gelegenheid van eenzelfde reis, ten minste vijf [1 vreemdelingen]1 die niet in het bezit zijn van de in artikel 2 voorziene stukken, naar België vervoert, zonder voorzorgen genomen te hebben om er zich van te vergewissen of die passagiers in het bezit zijn van die stukken;
  2° de openbare of private zeevervoerder die, ter gelegenheid van eenzelfde reis, ten minste vijf [1 vreemdelingen]1 die niet in het bezit zijn van de in artikel 2 voorziene stukken, naar België vervoert, zonder gevolg gegeven te hebben aan het verzoek om alle dienstige maatregelen te treffen opdat die passagiers in het bezit van die stukken zouden zijn;
  3° de openbare of private luchtvervoerder die, ter gelegenheid van eenzelfde reis naar een derde land, ten minste vijf [1 vreemdelingen]1 naar België brengt die geen houder zijn van de stukken die voor de toegang tot dat derde land vereist zijn, zonder de voorzorgen genomen te hebben om er zich van te vergewissen of die [1 vreemdelingen]1 in het bezit zijn van die stukken;
  4° de openbare of private zeevervoerder die, ter gelegenheid van eenzelfde reis naar een derde land, ten minste vijf [1 vreemdelingen]1 naar België brengt die geen houder zijn van de stukken die voor de toegang tot dat derde land vereist zijn, zonder gevolg gegeven te hebben aan het verzoek om alle dienstige maatregelen te treffen opdat die [1 vreemdelingen]1 in het bezit van die stukken zouden zijn.
  (5° de openbare of private vervoerder die internationaal vervoer van personen per autobus, autocar of minibus verricht - met uitzondering van grensverkeer - en die, ter gelegenheid van een zelfde reis, ten minste 5 [1 vreemdelingen]1 die niet in het bezit zijn van de in artikel 2 voorgeschreven stukken, naar België vervoert, zonder voorzorgen genomen te hebben om zich ervan te vergewissen of die [1 vreemdelingen]1 in het bezit zijn van die stukken) <W 1995-03-08/35, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 09-04-1995>
  (6° de openbare of private vervoerder die internationaal vervoer van personen per autobus, autocar of minibus verricht - met uitzondering van grensverkeer - en die, ter gelegenheid van een zelfde reis naar een derde land, ten minste 5 [1 vreemdelingen]1 naar België vervoert die geen houder zijn van de stukken die voor toegang tot dat derde land vereist zijn, zonder voorzorgen genomen te hebben om zich ervan te vergewissen of die [1 vreemdelingen]1 in het bezit zijn van die stukken) <W 1995-03-08/35, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 09-04-1995>
  Voor de berekening van het aantal [1 vreemdelingen]1 bedoeld in het eerste lid, worden de verwanten in de eerste graad en de echtgenoot, die die [1 vreemdelingen]1 vergezellen, niet meegerekend.
  § 2. De rechtspersonen zijn burgerlijk aansprakelijk voor de veroordelingen tot geldboeten en kosten die werden uitgesproken tegen hun organen of aangestelden wegens een inbreuk op de bepalingen van dit artikel.
  (§ 3. Indien binnen een j aar te rekenen van de datum van het procesverbaal, een nieuwe overtreding wordt vastgesteld, wordt het in § 1, eerste lid, vermelde bedrag verdubbeld.) <W 1995-03-08/35, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 09-04-1995>
  [2 § 4. De vervoerder is niet strafbaar in het geval bedoeld in artikel 13bis, lid 1, van de Verordening (EU) 2017/2226, voor zover de inbreuk tegen paragraaf 1 enkel vastgesteld kan worden via EES.]2  
Art. 74/14. [1 § 1er. La décision d'éloignement prévoit un délai de trente jours pour quitter le territoire.
   Le ressortissant d'un pays tiers qui, conformément à l'article 6, n'est pas autorisé à séjourner plus de trois mois dans le Royaume, bénéficie d'un délai de sept à trente jours.
   Sur demande motivée introduite par le ressortissant d'un pays tiers auprès du ministre ou de son délégué, le délai octroyé pour quitter le territoire, mentionné à l'alinéa 1er, est prolongé, sur production de la preuve que le retour volontaire ne peut se réaliser endéans le délai imparti.
   Si nécessaire, ce délai peut être prolongé, sur demande motivée introduite par le ressortissant d'un pays tiers auprès du ministre ou de son délégué, afin de tenir compte des circonstances propres à sa situation, comme la durée de séjour, l'existence d'enfants scolarisés, la finalisation de l'organisation du départ volontaire et d'autres liens familiaux et sociaux.
   Le ministre ou son délégué informe par écrit le ressortissant d'un pays tiers que le délai de départ volontaire a été prolongé.
   § 2. Aussi longtemps que le délai pour le départ volontaire court, le ressortissant d'un pays tiers est protégé contre un éloignement forcé.
   Pour éviter le risque de fuite pendant ce délai, [4 le ministre ou son délégué peut contraindre le ressortissant d'un pays tiers]4 à remplir des mesures préventives.
   [4 ...]4.
   § 3. Il peut être dérogé au délai prévu au § 1er, quand :
   1° il existe un risque de fuite, ou;
   2° le ressortissant d'un pays tiers n'a pas respecté la mesure préventive imposée, ou;
   3° le ressortissant d'un pays tiers constitue [2 une menace pour l'ordre public ou la sécurité nationale]2, ou;
   4° [3 ...]3
   5° [3 il a été mis fin au séjour du ressortissant d'un pays tiers ou retiré en application des articles 11, § 2, 4°, 13, § 4, 5°, 74/20 ou 74/21, ou;]3
   6° [3 la demande de protection internationale d'un ressortissant de pays tiers a été déclarée irrecevable sur la base de l'article 57/6, § 3, alinéa 1er, 5° ou a été considérée comme manifestement infondée sur la base de l'article 57/6/1, § 2.]3
   Dans ce cas, la décision d'éloignement prévoit soit un délai inférieur à sept jours, soit aucun délai.]1

  
Art. 74/2 TOEKOMSTIG RECHT. <W 14-07-1987, art. 17> § 1. (Met een geldboete van (3.000 EUR)) per vervoerde [1 vreemdeling]1 wordt gestraft : <W 1995-03-08/35, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 09-04-1995> <KB 2001-07-13/55, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  1° de openbare of private luchtvervoerder die, ter gelegenheid van eenzelfde reis, ten minste vijf [1 vreemdelingen]1 die niet in het bezit zijn van de in artikel 2 voorziene stukken, naar België vervoert, zonder voorzorgen genomen te hebben om er zich van te vergewissen of die passagiers in het bezit zijn van die stukken;
  2° de openbare of private zeevervoerder die, ter gelegenheid van eenzelfde reis, ten minste vijf [1 vreemdelingen]1 die niet in het bezit zijn van de in artikel 2 voorziene stukken, naar België vervoert, zonder gevolg gegeven te hebben aan het verzoek om alle dienstige maatregelen te treffen opdat die passagiers in het bezit van die stukken zouden zijn;
  3° de openbare of private luchtvervoerder die, ter gelegenheid van eenzelfde reis naar een derde land, ten minste vijf [1 vreemdelingen]1 naar België brengt die geen houder zijn van de stukken die voor de toegang tot dat derde land vereist zijn, zonder de voorzorgen genomen te hebben om er zich van te vergewissen of die [1 vreemdelingen]1 in het bezit zijn van die stukken;
  4° de openbare of private zeevervoerder die, ter gelegenheid van eenzelfde reis naar een derde land, ten minste vijf [1 vreemdelingen]1 naar België brengt die geen houder zijn van de stukken die voor de toegang tot dat derde land vereist zijn, zonder gevolg gegeven te hebben aan het verzoek om alle dienstige maatregelen te treffen opdat die [1 vreemdelingen]1 in het bezit van die stukken zouden zijn.
  (5° de openbare of private vervoerder die internationaal vervoer van personen per autobus, autocar of minibus verricht - met uitzondering van grensverkeer - en die, ter gelegenheid van een zelfde reis, ten minste 5 [1 vreemdelingen]1 die niet in het bezit zijn van de in artikel 2 voorgeschreven stukken, naar België vervoert, zonder voorzorgen genomen te hebben om zich ervan te vergewissen of die [1 vreemdelingen]1 in het bezit zijn van die stukken) <W 1995-03-08/35, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 09-04-1995>
  (6° de openbare of private vervoerder die internationaal vervoer van personen per autobus, autocar of minibus verricht - met uitzondering van grensverkeer - en die, ter gelegenheid van een zelfde reis naar een derde land, ten minste 5 [1 vreemdelingen]1 naar België vervoert die geen houder zijn van de stukken die voor toegang tot dat derde land vereist zijn, zonder voorzorgen genomen te hebben om zich ervan te vergewissen of die [1 vreemdelingen]1 in het bezit zijn van die stukken) <W 1995-03-08/35, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 09-04-1995>
  Voor de berekening van het aantal [1 vreemdelingen]1 bedoeld in het eerste lid, worden de verwanten in de eerste graad en de echtgenoot, die die [1 vreemdelingen]1 vergezellen, niet meegerekend.
  § 2. De rechtspersonen zijn burgerlijk aansprakelijk voor de veroordelingen tot geldboeten en kosten die werden uitgesproken tegen hun organen of aangestelden wegens een inbreuk op de bepalingen van dit artikel.
  (§ 3. Indien binnen een j aar te rekenen van de datum van het procesverbaal, een nieuwe overtreding wordt vastgesteld, wordt het in § 1, eerste lid, vermelde bedrag verdubbeld.) <W 1995-03-08/35, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 09-04-1995>
  [2 § 4. De vervoerder is niet strafbaar in het geval bedoeld in artikel 13bis, lid 1, van de Verordening (EU) 2017/2226, voor zover de inbreuk tegen paragraaf 1 enkel vastgesteld kan worden via EES.]2
  
Art. 74/15. [1 § 1er. Le ministre ou son délégué prend toutes les mesures nécessaires pour exécuter la décision d'éloignement :
   1° lorsqu'aucun délai n'a été accordé pour quitter le territoire, conformément à l'article 74/14, § 3;
   2° après expiration du délai octroyé pour quitter le territoire et avant l'échéance si, pendant ce délai, un des risques mentionnés à l'article 74/14, § 3, 1° à 3°, se produit.
   § 2. [2 ...]2
   § 3. [2 ...]2]1

  
Art. 74/3. <W 14-07-1987, art. 17> § 1. Indien de in artikel 74.2 bedoelde vervoerder geen maatschappelijke zetel, woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft, moet hij in handen van de bevoegde ambtenaren of beambten een bedrag consigneren bestemd om de geldboete en de eventuele gerechtskosten te dekken.
  De hoegrootheid van het bedrag dat in consignatie moet worden gegeven en de modaliteiten inzake heffing worden door de Koning bepaald.
  § 2. Het vervoermiddel waarmee de overtreding werd gepleegd wordt ingehouden op kosten en risico van de vervoerder, totdat deze som betaald is en het bewijs geleverd wordt dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn of, indien dit niet gebeurt, gedurende de zesennegentig uren te rekenen vanaf de vaststelling.
  § 3. Bij het verstrijken van deze termijn kan de inbeslagname van het vervoermiddel bevolen worden door het openbaar ministerie.
  Een bericht van inbeslagname wordt binnen twee werkdagen aan de vervoerder gezonden.
  Het risico en de kosten van bewaring van het vervoermiddel blijven tijdens de duur van het beslag ten laste van de overtreder.
  Het beslag wordt opgeheven nadat het bewijs geleverd werd dat de som die in consignatie moet worden gegeven en de eventuele bewaringskosten betaald werden.
  § 4. Leidt de strafvordering tot veroordeling van de vervoerder :
  1° dan wordt de in consignatie gegeven som toegerekend op de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en op de uitgesproken geldboete; het eventueel overschot wordt terugbetaald;
  2° dan wordt, indien het vervoermiddel in beslag genomen werd, bij vonnis bevolen dat de Administratie van de Domeinen het vervoermiddel moet verkopen indien de geldboete en de gerechtskosten niet binnen een termijn van veertig dagen vanaf de uitspraak van het vonnis betaald werd; deze beslissing is uitvoerbaar niettegenstaande elk rechtsmiddel.
  De opbrengst van de verkoop wordt toegerekend op de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten, op de uitgesproken geldboeten en op de eventuele bewaringskosten van het vervoermiddel; het eventueel overschot wordt terugbetaald.
  § 5. In geval van vrijspraak wordt de in consignatie gegeven som of het in beslag genomen vervoermiddel teruggegeven; de eventuele bewaringskosten van het voertuig vallen ten laste van de Staat.
  In geval van voorwaardelijke veroordeling wordt de in consignatie gegeven som teruggegeven na aftrek van de gerechtskosten; het in beslag genomen vervoermiddel wordt teruggegeven nadat de gerechtskosten betaald zijn en het bewijs geleverd wordt dat de eventuele bewaringskosten van het vervoermiddel betaald zijn.
  § 6. In geval van toepassing van artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering wordt de in consignatie gegeven som toegerekend op de door het openbaar ministerie vastgestelde som en wordt het eventuele overschot terugbetaald.
  § 7. De in consignatie gegeven som of het in beslag genomen vervoermiddel worden teruggegeven wanneer het openbaar ministerie beslist geen vervolging in te stellen of wanneer de strafvordering vervallen of verjaard is.
  § 8. De ambtenaren en beambten die tot een der door de Koning bepaalde categorieën behoren en die door de procureur-generaal bij het Hof van Beroep daartoe individueel zijn gemachtigd, zijn belast met de toepassing van dit artikel en van de ter uitvoering ervan genomen maatregelen.
Art. 74/16. [1 § 1er. Avant de prendre une décision d'éloignement à l'égard d'un mineur étranger non accompagné en séjour irrégulier sur le territoire, le ministre ou son délégué prend en considération toute proposition de solution durable émanant de son tuteur et tient compte de l'intérêt supérieur de l'enfant.
   § 2. Le ministre ou son délégué s'assure que ce mineur, qui est éloigné du territoire, puisse bénéficier dans son pays d'origine ou dans le pays où il est autorisé ou admis à séjourner de garanties d'accueil et de prise en charge en fonction des besoins déterminés par son âge et son degré d'autonomie, soit par ses parents ou par un autre membre de sa famille ou par son tuteur qui s'occupe de lui, soit par des instances gouvernementales ou non gouvernementales.
   A cet effet, le ministre ou son délégué s'assure que les conditions suivantes sont remplies :
   1° qu'il n'existe pas de risque de trafic des êtres humains ou de traite des êtres humains et;
   2° que la situation familiale est de nature à permettre d'accueillir à nouveau le mineur et qu'un retour chez un parent ou un membre de la famille est souhaitable et opportun en fonction de la capacité de la famille à assister, à éduquer et à protéger l'enfant ou;
   3° que la structure d'accueil est adaptée et qu'il est dans l'intérêt supérieur de l'enfant de le placer dans cette structure d'accueil lors de son retour dans son pays d'origine ou dans le pays où il est autorisé à séjourner.
   Le mineur étranger non accompagné et son tuteur en Belgique sont informés du nom de la personne ou de la structure d'accueil à qui l'enfant est confié ainsi que du rôle de cette personne par rapport au mineur.]1

  
Art. 74/4bis. <INGEVOEGD bij W 1995-03-08/35, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 09-04-1995> § 1. (De Minister) of diens gemachtigde kan een administratieve geldboete van [1 5.000 EUR]1 opleggen aan : <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996> <KB 2000-07-20/71, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  1° de openbare of private luchtvervoerder voor elke [2 vreemdeling]2 die hij naar België vervoert, die niet in het bezit is van de in artikel 2 voorgeschreven stukken;
  2° de openbare of private zeevervoerder voor elke [2 vreemdeling]2 die hij naar België vervoert, die niet in het bezit is van de in artikel 2 voorgeschreven stukken;
  3° de openbare of private vervoerder die internationaal vervoer van personen per autobus, autocar of minibus verricht - met uitzondering van grensverkeer - voor elke [2 vreemdeling]2 die hij naar België vervoert, die niet in het bezit is van de in artikel 2 voorgeschreven stukken ;
  4° de openbare of private luchtvervoerder voor elke [2 vreemdeling]2 die hij naar België brengt ter gelegenheid van een reis naar een derde land en die geen houder is van de stukken die (voor luchthaventransit in Belgë of voor toegang tot dat derde land) vereist zijn; <W 1996-07-15/33, art. 56, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  5° de openbare of private zeevervoerder voor elke [2 vreemdeling]2 die hij naar België brengt ter gelegenheid van een reis naar een derde land en die geen houder is van de stukken die voor toegang tot dat derde land vereist zijn;
  6° de openbare of private vervoerder die internationaal vervoer van personen per autobus, autocar of minibus verricht - met uitzondering van grensverkeer - voor elke [2 vreemdeling]2 die hij naar België vervoert ter gelegenheid van een reis naar een derde land en die geen houder is van de stukken die (voor de doorreis in Belgë of voor toegang tot dat derde land) vereist zijn. <W 1996-07-15/33, art. 56, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  De administratieve geldboete kan worden verminderd overeenkomstig een protocolakkoord dat voorafgaandelijk wordt afgesloten tussen de vervoerder en (de Minister) of diens gemachtigde. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  (De minister) of diens gemachtigde bepaalt in het proces-verbaal waarbij de inbreuk wordt vastgesteld, het bedrag van de administratieve geldboete. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  De beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd is onmiddellijk uitvoerbaar, niettegenstaande hoger beroep.
  De rechtspersoon is burgerlijk aansprakelijk voor het betalen van de administratieve geldboete die aan zijn bestuurders, zijn leden van het leidinggevend en uitvoerend personeel, zijn aangestelden of lasthebbers wordt opgelegd.
  § 2. (Het bedrag van de administratieve geldboete wordt teruggegeven indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de hoedanigheid van vluchteling erkent of de subsidiaire beschermingsstatus toekent aan de vreemdeling die niet in het bezit is van de in artikel 2 voorziene documenten en die aan de grens een asielaanvraag heeft ingediend.
  Het bedrag van de administratieve geldboete wordt eveneens teruggegeven indien de betrokken vreemdeling tijdelijke bescherming geniet overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IIbis.) <W 2006-09-15/72, art. 72, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  § 3. Indien de vervoerder of diens vertegenwoordiger in gebreke blijft de administratieve geldboete onmiddellijk te betalen of te consigneren, kan (de minister) of diens gemachtigde beslissen tot inhouding van het vervoermiddel dat voor het vervoer werd gebruikt of van een ander vervoermiddel toebehorend aan dezelfde vervoerder. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  De kosten en de risico's die gepaard gaan met het inhouden van het vervoermiddel vallen ten laste van de vervoerder.
  § 4. Het vervoermiddel blijft ingehouden totdat :
  1° de vervoerder of diens vertegenwoordiger de administratieve geldboete betaalt;
  2° de vervoerder of diens vertegenwoordiger de som van de administratieve geldboete consigneert bij de Deposito- en Consignatiekas;
  3° de rechtbank van eerste aanleg beslist dat de administratieve geldboete niet verschuldigd is;
  4° de minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft of diens gemachtigde de toestemming geeft om het vervoermiddel vrij te geven voor vertrek.
  § 5. De vervoerder die de beslissing van (de minister) of van diens gemachtigde betwist, stelt op straffe van verval binnen een termijn van één maand te rekenen van de kennisgeving van de beslissing, bij wege van een verzoekschrift beroep in bij de rechtbank van eerste aanleg. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  Indien de rechtbank van eerste aanleg het beroep van de vervoerder ontvankelijk en gegrond verklaart, wordt de betaalde of in consignatie gegeven som teruggegeven of wordt het ingehouden vervoermiddel vrijgegeven voor vertrek.
  De rechtbank van eerste aanleg moet uitspraak doen binnen een maand te rekenen van de indiening van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift.
  De tekst van het eerste lid wordt opgenomen in de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd.
  § 6. Indien de vervoerder in gebreke blijft de geldboete te betalen, wordt de beslissing van de bevoegde ambtenaar of de in kracht van gewijsde gegane beslissing van de rechtbank van eerste aanleg ter kennis gebracht van de administratie van Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, met het oog op de invordering van het bedrag van de administratieve geldboete.
  § 7. Indien de vervoerder of diens vertegenwoordiger de som van de administratieve geldboete heeft geconsigneerd bij de Depositoen Consignatiekas en indien hij binnen de hierboven vermelde termijn geen beroep heeft ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg, dan komt de in consignatie gegeven som ten goede aan de Staat.
  
Art. 74/17. [1 § 1er. L'éloignement est reporté temporairement si la décision de reconduite ou d'éloignement aux frontières du territoire expose le ressortissant du pays tiers à une violation du principe de non-refoulement.
  [2 Au cas où le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides rend un avis en application de l'article 57/6, alinéa 1er, 9° à 14° indiquant qu'il existe un risque au regard des articles 48/3 et 48/4, l'éloignement ne peut avoir lieu que moyennant une décision motivée et circonstanciée du ministre ou de son délégué démontrant que l'avis du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides n'est plus actuel.]2
   § 2. L'éloignement peut être reporté temporairement en tenant compte des circonstances propres à chaque cas. Il est ainsi tenu compte :
   1° de l'état physique ou mental du ressortissant d'un pays tiers;
   2° des motifs d'ordre technique, comme l'absence de moyens de transport ou l'échec de l'éloignement en raison de l'absence d'identification.
   Le ministre ou son délégué informe par écrit le ressortissant d'un pays tiers que l'exécution de la décision d'éloignement est reportée temporairement.
   Pour éviter le risque de fuite, [3 le ministre ou son délégué peut contraindre le ressortissant d'un pays tiers à remplir des mesures préventives]3.
   [3 ...]3.
   Le ministre ou son délégué informe oralement le ressortissant d'un pays tiers qui est maintenu en vue de son éloignement, que l'exécution de la décision d'éloignement est reportée temporairement.]1

  
Art. 74/4bis TOEKOMSTIG RECHT. Inwerkingtreding : 09-04-1995> § 1. (De Minister) of diens gemachtigde kan een administratieve geldboete van [1 5.000 EUR]1 opleggen aan : <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996> <KB 2000-07-20/71, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  1° de openbare of private luchtvervoerder voor elke [2 vreemdeling]2 die hij naar België vervoert, die niet in het bezit is van de in artikel 2 voorgeschreven stukken;
  2° de openbare of private zeevervoerder voor elke [2 vreemdeling]2 die hij naar België vervoert, die niet in het bezit is van de in artikel 2 voorgeschreven stukken;
  3° de openbare of private vervoerder die internationaal vervoer van personen per autobus, autocar of minibus verricht - met uitzondering van grensverkeer - voor elke [2 vreemdeling]2 die hij naar België vervoert, die niet in het bezit is van de in artikel 2 voorgeschreven stukken ;
  4° de openbare of private luchtvervoerder voor elke [2 vreemdeling]2 die hij naar België brengt ter gelegenheid van een reis naar een derde land en die geen houder is van de stukken die (voor luchthaventransit in Belgë of voor toegang tot dat derde land) vereist zijn; <W 1996-07-15/33, art. 56, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  5° de openbare of private zeevervoerder voor elke [2 vreemdeling]2 die hij naar België brengt ter gelegenheid van een reis naar een derde land en die geen houder is van de stukken die voor toegang tot dat derde land vereist zijn;
  6° de openbare of private vervoerder die internationaal vervoer van personen per autobus, autocar of minibus verricht - met uitzondering van grensverkeer - voor elke [2 vreemdeling]2 die hij naar België vervoert ter gelegenheid van een reis naar een derde land en die geen houder is van de stukken die (voor de doorreis in Belgë of voor toegang tot dat derde land) vereist zijn. <W 1996-07-15/33, art. 56, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  [3 De in het eerste lid bedoelde geldboetes worden niet opgelegd in het geval bedoeld in artikel 13bis, lid 1, van de Verordening (EU) 2017/2226, voor zover de inbreuk tegen het eerste lid enkel vastgesteld kan worden via het EES.]3
  De administratieve geldboete kan worden verminderd overeenkomstig een protocolakkoord dat voorafgaandelijk wordt afgesloten tussen de vervoerder en (de Minister) of diens gemachtigde. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  (De minister) of diens gemachtigde bepaalt in het proces-verbaal waarbij de inbreuk wordt vastgesteld, het bedrag van de administratieve geldboete. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  De beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd is onmiddellijk uitvoerbaar, niettegenstaande hoger beroep.
  De rechtspersoon is burgerlijk aansprakelijk voor het betalen van de administratieve geldboete die aan zijn bestuurders, zijn leden van het leidinggevend en uitvoerend personeel, zijn aangestelden of lasthebbers wordt opgelegd.
  § 2. (Het bedrag van de administratieve geldboete wordt teruggegeven indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de hoedanigheid van vluchteling erkent of de subsidiaire beschermingsstatus toekent aan de vreemdeling die niet in het bezit is van de in artikel 2 voorziene documenten en die aan de grens een asielaanvraag heeft ingediend.
  Het bedrag van de administratieve geldboete wordt eveneens teruggegeven indien de betrokken vreemdeling tijdelijke bescherming geniet overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IIbis.) <W 2006-09-15/72, art. 72, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  § 3. Indien de vervoerder of diens vertegenwoordiger in gebreke blijft de administratieve geldboete onmiddellijk te betalen of te consigneren, kan (de minister) of diens gemachtigde beslissen tot inhouding van het vervoermiddel dat voor het vervoer werd gebruikt of van een ander vervoermiddel toebehorend aan dezelfde vervoerder. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  De kosten en de risico's die gepaard gaan met het inhouden van het vervoermiddel vallen ten laste van de vervoerder.
  § 4. Het vervoermiddel blijft ingehouden totdat :
  1° de vervoerder of diens vertegenwoordiger de administratieve geldboete betaalt;
  2° de vervoerder of diens vertegenwoordiger de som van de administratieve geldboete consigneert bij de Deposito- en Consignatiekas;
  3° de rechtbank van eerste aanleg beslist dat de administratieve geldboete niet verschuldigd is;
  4° de minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft of diens gemachtigde de toestemming geeft om het vervoermiddel vrij te geven voor vertrek.
  § 5. De vervoerder die de beslissing van (de minister) of van diens gemachtigde betwist, stelt op straffe van verval binnen een termijn van één maand te rekenen van de kennisgeving van de beslissing, bij wege van een verzoekschrift beroep in bij de rechtbank van eerste aanleg. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  Indien de rechtbank van eerste aanleg het beroep van de vervoerder ontvankelijk en gegrond verklaart, wordt de betaalde of in consignatie gegeven som teruggegeven of wordt het ingehouden vervoermiddel vrijgegeven voor vertrek.
  De rechtbank van eerste aanleg moet uitspraak doen binnen een maand te rekenen van de indiening van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift.
  De tekst van het eerste lid wordt opgenomen in de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd.
  § 6. Indien de vervoerder in gebreke blijft de geldboete te betalen, wordt de beslissing van de bevoegde ambtenaar of de in kracht van gewijsde gegane beslissing van de rechtbank van eerste aanleg ter kennis gebracht van de administratie van Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, met het oog op de invordering van het bedrag van de administratieve geldboete.
  § 7. Indien de vervoerder of diens vertegenwoordiger de som van de administratieve geldboete heeft geconsigneerd bij de Depositoen Consignatiekas en indien hij binnen de hierboven vermelde termijn geen beroep heeft ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg, dan komt de in consignatie gegeven som ten goede aan de Staat.  
Art. 74/18. [1 Une traduction écrite ou orale des principaux éléments de la décision d'éloignement, assortie le cas échéant d'une interdiction d'entrée, y compris des informations concernant les voies de recours dans une langue que le ressortissant d'un pays tiers comprend, ou dont il est raisonnable de supposer qu'il la comprend, peut être obtenue sur demande de l'étranger auprès du ministre ou de son délégué. Ceci est mentionné explicitement dans la décision.]1
  
Art. 74/4bis TOEKOMSTIG RECHT. <INGEVOEGD bij W 1995-03-08/35, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 09-04-1995> § 1. (De Minister) of diens gemachtigde kan een administratieve geldboete van [1 5.000 EUR]1 opleggen aan : <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996> <KB 2000-07-20/71, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  1° de openbare of private luchtvervoerder voor elke [2 vreemdeling]2 die hij naar België vervoert, die niet in het bezit is van de in artikel 2 voorgeschreven stukken;
  2° de openbare of private zeevervoerder voor elke [2 vreemdeling]2 die hij naar België vervoert, die niet in het bezit is van de in artikel 2 voorgeschreven stukken;
  3° de openbare of private vervoerder die internationaal vervoer van personen per autobus, autocar of minibus verricht - met uitzondering van grensverkeer - voor elke [2 vreemdeling]2 die hij naar België vervoert, die niet in het bezit is van de in artikel 2 voorgeschreven stukken ;
  4° de openbare of private luchtvervoerder voor elke [2 vreemdeling]2 die hij naar België brengt ter gelegenheid van een reis naar een derde land en die geen houder is van de stukken die (voor luchthaventransit in Belgë of voor toegang tot dat derde land) vereist zijn; <W 1996-07-15/33, art. 56, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  5° de openbare of private zeevervoerder voor elke [2 vreemdeling]2 die hij naar België brengt ter gelegenheid van een reis naar een derde land en die geen houder is van de stukken die voor toegang tot dat derde land vereist zijn;
  6° de openbare of private vervoerder die internationaal vervoer van personen per autobus, autocar of minibus verricht - met uitzondering van grensverkeer - voor elke [2 vreemdeling]2 die hij naar België vervoert ter gelegenheid van een reis naar een derde land en die geen houder is van de stukken die (voor de doorreis in Belgë of voor toegang tot dat derde land) vereist zijn. <W 1996-07-15/33, art. 56, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  [3 De in het eerste lid bedoelde geldboetes worden niet opgelegd in het geval bedoeld in artikel 13bis, lid 1, van de Verordening (EU) 2017/2226, voor zover de inbreuk tegen het eerste lid enkel vastgesteld kan worden via het EES.]3
  De administratieve geldboete kan worden verminderd overeenkomstig een protocolakkoord dat voorafgaandelijk wordt afgesloten tussen de vervoerder en (de Minister) of diens gemachtigde. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  (De minister) of diens gemachtigde bepaalt in het proces-verbaal waarbij de inbreuk wordt vastgesteld, het bedrag van de administratieve geldboete. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  De beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd is onmiddellijk uitvoerbaar, niettegenstaande hoger beroep.
  De rechtspersoon is burgerlijk aansprakelijk voor het betalen van de administratieve geldboete die aan zijn bestuurders, zijn leden van het leidinggevend en uitvoerend personeel, zijn aangestelden of lasthebbers wordt opgelegd.
  § 2. (Het bedrag van de administratieve geldboete wordt teruggegeven indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de hoedanigheid van vluchteling erkent of de subsidiaire beschermingsstatus toekent aan de vreemdeling die niet in het bezit is van de in artikel 2 voorziene documenten en die aan de grens een asielaanvraag heeft ingediend.
  Het bedrag van de administratieve geldboete wordt eveneens teruggegeven indien de betrokken vreemdeling tijdelijke bescherming geniet overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IIbis.) <W 2006-09-15/72, art. 72, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  § 3. Indien de vervoerder of diens vertegenwoordiger in gebreke blijft de administratieve geldboete onmiddellijk te betalen of te consigneren, kan (de minister) of diens gemachtigde beslissen tot inhouding van het vervoermiddel dat voor het vervoer werd gebruikt of van een ander vervoermiddel toebehorend aan dezelfde vervoerder. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  De kosten en de risico's die gepaard gaan met het inhouden van het vervoermiddel vallen ten laste van de vervoerder.
  § 4. Het vervoermiddel blijft ingehouden totdat :
  1° de vervoerder of diens vertegenwoordiger de administratieve geldboete betaalt;
  2° de vervoerder of diens vertegenwoordiger de som van de administratieve geldboete consigneert bij de Deposito- en Consignatiekas;
  3° de rechtbank van eerste aanleg beslist dat de administratieve geldboete niet verschuldigd is;
  4° de minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft of diens gemachtigde de toestemming geeft om het vervoermiddel vrij te geven voor vertrek.
  § 5. De vervoerder die de beslissing van (de minister) of van diens gemachtigde betwist, stelt op straffe van verval binnen een termijn van één maand te rekenen van de kennisgeving van de beslissing, bij wege van een verzoekschrift beroep in bij de rechtbank van eerste aanleg. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  Indien de rechtbank van eerste aanleg het beroep van de vervoerder ontvankelijk en gegrond verklaart, wordt de betaalde of in consignatie gegeven som teruggegeven of wordt het ingehouden vervoermiddel vrijgegeven voor vertrek.
  De rechtbank van eerste aanleg moet uitspraak doen binnen een maand te rekenen van de indiening van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift.
  De tekst van het eerste lid wordt opgenomen in de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd.
  § 6. Indien de vervoerder in gebreke blijft de geldboete te betalen, wordt de beslissing van de bevoegde ambtenaar of de in kracht van gewijsde gegane beslissing van de rechtbank van eerste aanleg ter kennis gebracht van de administratie van Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, met het oog op de invordering van het bedrag van de administratieve geldboete.
  § 7. Indien de vervoerder of diens vertegenwoordiger de som van de administratieve geldboete heeft geconsigneerd bij de Depositoen Consignatiekas en indien hij binnen de hierboven vermelde termijn geen beroep heeft ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg, dan komt de in consignatie gegeven som ten goede aan de Staat.
  
Art. 74/19. [1 Les mineurs étrangers non accompagnés ne peuvent pas être maintenus dans des lieux au sens de l'article 74/8, § 2.]1
  
Art. 74/5. § 1. In een welbepaalde plaats, gesitueerd in het grensgebied, mag worden vastgehouden, in afwachting van de machtiging om in het rijk toegelaten te worden of van zijn terugdrijving van het grondgebied :
TITRE IIIquinquies. [1 - FRAUDE.]1
Art. 74/5. <INGEVOEGD bij W 1991-07-18/52, art. 15; Inwerkingtreding : 01-10-1991> § 1. In een welbepaalde plaats, gesitueerd in het grensgebied, mag worden vastgehouden, in afwachting van de machtiging om in het rijk toegelaten te worden of van zijn terugdrijving van het grondgebied :
  1° de vreemdeling die, met toepassing van de bepalingen van deze wet, door de met grenscontrole belaste overheden kan worden teruggedreven;
  2° [3 de vreemdeling die tracht het Rijk binnen te komen zonder aan de in de artikelen 2 en 3 gestelde voorwaarden te voldoen en een verzoek om internationale bescherming doet aan de grens.]3
  [3 Geen vreemdeling mag worden vastgehouden om de enkele reden dat hij een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan.]3
  § 2. De Koning kan in het rijk andere plaatsen aanduiden, die gelijkgesteld worden met de plaatsen zoals bedoeld in [3 paragraaf 1]3.
  De vreemdeling die in een van deze andere plaatsen wordt vastgehouden, wordt niet beschouwd als zijnde gemachtigd om het rijk binnen te komen.
  (§ 3. (De duur van de vasthouding in een welbepaalde aan de grens gelegen plaats mag twee maanden niet te boven gaan. De minister of zijn gemachtigde mag echter de vasthouding van de in § 1 bedoelde vreemdeling telkens met een periode van twee maanden verlengen :
  1° [3 indien de vreemdeling het voorwerp uitmaakt van een uitvoerbare maatregel tot terugdrijving;]3
  2° en indien de nodige stappen om de vreemdeling te verwijderen werden genomen binnen de zeven werkdagen vanaf (...) de maatregel bedoeld in 1°, wanneer zij worden voortgezet met de vereiste zorgvuldigheid en de effectieve verwijdering van deze laatste binnen een redelijke termijn nog steeds mogelijk is.) <W 1998-03-09/61, art. 3, 1°, 014; Inwerkingtreding : 13-07-1998> <W 2006-09-15/72, art. 73, 2°, b, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Na een verlenging kan de in het vorige lid bedoelde beslissing enkel door de Minister genomen worden.
  De totale duur van de vasthouding mag nooit (vijf) maanden te boven gaan.) <W 1996-07-15/33, art. 58, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996> <W 1999-04-29/70, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 06-07-1999>
  (In de gevallen waarin dit noodzakelijk is voor de bescherming van de openbare orde of de nationale veiligheid, kan de vasthouding van de vreemdeling, na het verstrijken van de termijn bedoeld in vorig lid, telkens verlengd worden met één maand, zonder dat de totale duur van de vasthouding daardoor evenwel meer dan acht maanden mag bedragen.) <W 1999-04-29/70, art. 3, C, 017; Inwerkingtreding : 06-07-1999>
  (De duur van de vasthouding wordt van rechtswege opgeschort gedurende de aangewende termijn om een verzoekschrift in te dienen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zoals bedoeld in artikel 39/57. [2 Indien overeenkomstig artikel 39/76, § 1, een termijn wordt verleend aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of aan de verzoekende of tussenkomende partij om de door één van de partijen aangebrachte nieuwe elementen te onderzoeken of haar bemerkingen mee te delen, wordt de duur van de vasthouding eveneens van rechtswege opgeschort gedurende deze termijn.]2 ) <W 2006-09-15/72, art. 73, 2°, c, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (§ 4. Toegelaten wordt het Rijk binnen te komen :
  1° [3 de in paragraaf 1 bedoelde vreemdeling die, bij het verstrijken van de termijn van twee maanden, niet het voorwerp uitmaakt van een uitvoerbare maatregel als bepaald in paragraaf 3, eerste lid, 1° ;]3
  2° [3 de in paragraaf 1 bedoelde vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een uitvoerbare maatregel als bepaald in paragraaf 3, eerste lid, 1°,]3 wanneer bij het verstrijken van de termijn van twee maanden, die eventueel verlengd werd, de minister of zijn gemachtigde geen enkele beslissing neemt tot verlenging van de termijn; <W 2006-09-15/72, art. 73, 3°, b, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  3° de vreemdeling, bedoeld in § 1, die in het totaal gedurende een periode van (respectievelijk) (vijf) (of acht) maanden werd vastgehouden.) <W 1998-03-09/61, art. 3, 2°, 014; Inwerkingtreding : 13-07-1998> <W 1999-04-29/70, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 06-07-1999> <W 1999-04-29/70, art. 3, D, 017; Inwerkingtreding : 06-07-1999>
  (4° [3 de in paragraaf 1, 2°, bedoelde vreemdeling ten aanzien van wie een beslissing tot verder onderzoek wordt genomen met toepassing van artikel 57/6/4, tweede lid, of]3 die als vluchteling erkend wordt of aan wie de subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend;) <W 2006-09-15/72, art. 73, 3°, c, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  [3 5° de in paragraaf 1, 2°, bedoelde vreemdeling ten aanzien van wie geen beslissing door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen werd genomen binnen de vier weken na ontvangst van het verzoek om internationale bescherming dat door de minister of zijn gemachtigde werd overgezonden.]3
  [§ 5. [De maatregel van terugdrijving genomen ten opzichte van de vreemdeling bedoeld in § 4, die toegelaten wordt het Rijk binnen te komen, wordt van rechtswege gelijkgesteld met een bevel om het grondgebied te verlaten in de zin van artikel 7, eerste lid.] <W 1998-03-09/61, art. 3, 3°, 014; Inwerkingtreding : 13-07-1998>
  [3 ...]3
  [Tenzij de wet anders bepaalt, wordt aan het bevel om het grondgebied te verlaten [...] een termijn verbonden om het grondgebied te verlaten.]] <W 1996-07-15/33, art. 58, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996> <W 1998-03-09/61, art. 3, 3°, 014; Inwerkingtreding : 13-07-1998> <W 2006-09-15/72, art. 73, 5°, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  § 6. [3 ...]3
  [3 Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde vreemdeling de plaats waar hij wordt vastgehouden zonder toestemming verlaat,]3 wordt de beslissing tot weigering van toegang tot het grondgebied van rechtswege gelijkgesteld met een beslissing tot weigering van verblijf.) <W 2006-09-15/72, art. 73, 6°, 041; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 74/20. [1 § 1er. Sauf dispositions particulières prévues par la loi, le ministre ou son délégué peut refuser l'autorisation ou l'admission au séjour demandée en application de la présente loi lorsque, pour l'obtenir ou se le voir reconnaître, le demandeur a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou lorsque celui-ci a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui contribuent à l'obtention du séjour.
   Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une telle décision, il tient compte de la nature et de la solidité des liens familiaux de l'intéressé, de la durée de son séjour dans le Royaume ainsi que de l'existence d'attaches familiales, culturelles ou sociales avec son pays d'origine.
   § 2. Sauf dispositions particulières prévues par la loi, le ministre ou son délégué peut retirer l'autorisation ou l'admission au séjour octroyée ou reconnue en application de la présente loi lorsque, pour l'obtenir ou se la voir reconnaître, le demandeur a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou lorsque celui-ci a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui contribuent à l'obtention du séjour.
   Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une telle décision, il tient compte de la nature et de la solidité des liens familiaux de l'intéressé, de la durée de son séjour dans le Royaume ainsi que de l'existence d'attaches familiales, culturelles ou sociales avec son pays d'origine.
   § 3. Le ministre ou son délégué donne l'ordre de quitter le territoire à l'étranger dont le séjour est refusé ou retiré en cas d'application du paragraphe 1er ou du paragraphe 2.
   § 4. Le ministre ou son délégué peut à tout moment procéder ou faire procéder à des contrôles spécifiques lorsqu'il existe des présomptions fondées de fraude ou de l'emploi d'autres moyens illégaux.]1

  
(NOTA : bij arrest nr. 23/2021 van 25-02-2021 (2021-02-25/20, B.St. 20-04-2021, p. 36679), heeft het Grondwettelijk Hof in § 4, 5° van dit artikel, de woorden " ontvangst van " en " dat door de minister of zijn gemachtigde werd overgezonden " vernietigd)
  
-
Art. 74/6. [1 § 1. Wanneer het, op basis van een individuele beoordeling, nodig blijkt en er geen andere, minder dwingende maatregelen effectief kunnen worden toegepast, kan de minister of zijn gemachtigde een verzoeker om internationale bescherming, in een welbepaalde plaats in het Rijk vasthouden :
   1° om de identiteit of nationaliteit van de verzoeker vast te stellen of na te gaan; of
   2° om de gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan het verzoek om internationale bescherming en die niet zouden kunnen worden verkregen als de verzoeker niet vastgehouden zou worden, met name in geval van risico op onderduiken van de verzoeker; of
   3° wanneer de verzoeker ter voorbereiding van de terugkeer en/of ter uitvoering van het verwijderingsproces wordt vastgehouden, en er kan worden aangetoond op basis van objectieve criteria, zoals het feit dat de verzoeker reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad, er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de betrokkene het verzoek om internationale bescherming louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen;
   4° wanneer de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde dat vereisen.
   Geen vreemdeling mag worden vastgehouden om de enkele reden dat hij een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan.
   De vreemdeling kan slechts worden vastgehouden voor een zo kort mogelijke termijn en slechts zo lang de in het eerste lid genoemde redenen van vasthouding van toepassing zijn.
   De duur van de vasthouding mag twee maanden niet te boven gaan.
   Wanneer de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde dat vereist, kan de minister of zijn gemachtigde de in het eerste lid, 4°, bedoelde vasthouding met een periode van twee maanden verlengen.
   Na een verlenging kan de in het vorige lid bedoelde beslissing enkel door de minister worden genomen en kan de vasthouding van de vreemdeling, na het verstrijken van de termijn, slechts telkens met één maand verlengd worden, zonder dat de totale duur van de vasthouding daardoor evenwel meer dan zes maanden mag bedragen.
   De duur van de vasthouding wordt van rechtswege opgeschort gedurende de aangewende termijn om een verzoekschrift in te dienen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zoals bedoeld in artikel 39/57. Indien overeenkomstig artikel 39/76, § 1, een termijn wordt verleend aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of aan de verzoekende of tussenkomende partij om de door één van de partijen aangebrachte nieuwe elementen te onderzoeken of haar bemerkingen mee te delen, wordt de duur van de vasthouding eveneens van rechtswege opgeschort gedurende deze termijnen.
   [2 ...]2.
   [2 ...]2.
   § 2. Eenmaal de in artikel 52/3, § 1, bedoelde vreemdeling het voorwerp uitmaakt van een uitvoerbare maatregel tot verwijdering, zijn de bepalingen van artikel 7, tweede tot [2 zevende]2 lid, en van titel IIIquater, van toepassing.]1

  
Art. 74/21. [1 Sans préjudice de l'article 74/20 et sauf dispositions particulières prévues par la loi, [2 le ministre ou son délégué peut refuser l'autorisation ou l'admission au séjour [3 demandée en application de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6°, de l'article 10bis ou de l'article 57/34]3]2, si la personne que l'étranger rejoint a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'octroi de l'autorisation de séjour ou à la reconnaissance de l'admission au séjour.
   Sans préjudice de l'article 74/20 et sauf dispositions particulières prévues par la loi, [2 le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour [3 de l'étranger qui a été autorisé ou admis à séjourner dans le Royaume en application de l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6°, de l'article 10bis ou de l'article 57/34]3]2, si la personne qu'il rejoint a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'octroi de l'autorisation de séjour ou à la reconnaissance de l'admission au séjour.
   Le séjour du membre de la famille ne peut être refusé et il ne peut être mis fin à son séjour que lorsque le séjour de la personne qu'il a rejoint est refusé ou lui a été retiré.
   Lorsque le ministre ou son délégué envisage de prendre une telle décision, il tient compte de la nature et de la solidité des liens familiaux de la personne, de la durée de son séjour dans le Royaume, ainsi que de l'existence d'attaches familiales, culturelles ou sociales avec son pays d'origine.]1

  
Art. 74/8. § 1. De nodige maatregelen kunnen worden genomen opdat de betrokkene de plaats waar hij [1 wordt opgesloten, ter beschikking gesteld van de Regering of vastgehouden overeenkomstig de artikelen 7, 8bis , § 4, [4 ...]4 27, 29, tweede lid, [4 44septies, § 1,]4 [5 51/5, § 1, tweede lid, of § 4, derde lid,]5 [6 51/5/1, § 1, tweede lid, of § 2, derde lid,]6 57/32, § 2, tweede lid, 74/5 of [5 74/6]5]1, niet zonder de vereiste toestemming verlaat.
TITRE IIIsexies. [1 - Obligations de l'étranger dans le cadre du transfert, du refoulement, du retour ou de l'éloignement]1
Art. 74/8. § 1. De nodige maatregelen kunnen worden genomen opdat de betrokkene de plaats waar hij [1 wordt opgesloten, ter beschikking gesteld van de Regering of vastgehouden overeenkomstig de artikelen 7, 8bis , § 4, [4 ...]4 27, 29, tweede lid, [4 44septies, § 1,]4 [5 51/5, § 1, tweede lid, of § 4, derde lid,]5 [6 51/5/1, § 1, tweede lid, of § 2, derde lid,]6 57/32, § 2, tweede lid, 74/5 of [5 74/6]5]1, niet zonder de vereiste toestemming verlaat.
Chapitre Ier. [1 L'obligation de coopérer]1
Art. 74/9. [1 § 1. [2 Het gezin, waarvan minstens een van de gezinsleden minderjarig is, dat het Rijk is binnengekomen zonder te voldoen aan de in artikelen 2 of 3 gestelde voorwaarden of wiens verblijf heeft opgehouden regelmatig te zijn of wiens verblijf onregelmatig is, kan niet worden vastgehouden in een gesloten centrum.
   Het in het eerste lid bedoelde gezin kan enkel worden vastgehouden in een woonunit voor een zo kort mogelijke periode]2
.
   § 2. [2 Het gezin, waarvan minstens een van de gezinsleden minderjarig is, dat tracht het Rijk binnen te komen zonder te voldoen aan de in artikelen 2 of 3 gestelde voorwaarden, kan niet worden vastgehouden in een gesloten centrum.
   Het in het eerste lid bedoelde gezin kan enkel worden vastgehouden in een woonunit, gelijkgesteld met een welbepaalde plaats gesitueerd aan de grens, voor een zo kort mogelijke periode.]2

   § 3. Het gezin bedoeld in § 1 krijgt de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden in een eigen woning te verblijven, tenzij één van de gezinsleden zich bevindt in één van de gevallen voorzien in artikel 3, eerste lid, 5° tot 7°. Indien het gezin in de onmogelijkheid verkeert om in een eigen woning te verblijven, dan zal het onder dezelfde voorwaarden een verblijfplaats toegewezen worden [2 in een woonunit]2.
   De voorwaarden waaraan het gezin moet voldoen, worden geformuleerd in een overeenkomst die wordt gesloten tussen het gezin en de Dienst Vreemdelingenzaken.
   De Koning bepaalt de inhoud van deze overeenkomst, alsook de sancties die worden opgelegd indien de overeenkomst niet wordt gerespecteerd.
  [2 Slechts indien het gezin zich niet houdt aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden, kan het worden vastgehouden in een woonunit voor een zo kort mogelijke periode, tenzij andere afdoende maar minder dwingende maatregelen voor vasthouding doeltreffend kunnen worden toegepast.]2
   § 4. Het gezin bedoeld in §§ 1 tot 3 krijgt een ondersteunende ambtenaar toegewezen, die hen begeleidt, informeert en adviseert.]1

  
Art. 74/22. [1 § 1er. Tout étranger qui fait l'objet d'une procédure de transfert, de refoulement, de retour ou d'éloignement coopère à son exécution effective avec les autorités compétentes.
   Cette obligation de coopérer comprend le fait de:
   1° coopérer à son identification et à celle des membres de sa famille qui l'accompagnent, en fournissant les éléments nécessaires à l'établissement ou à la vérification de l'identité, notamment les éléments relatifs au nom et prénom, à la nationalité, au lieu et à la date de naissance, au(x) pays d'origine et/ou de sa résidence antérieure, les itinéraires de voyage, les documents de voyage et les données biométriques;
   2° coopérer à l'obtention des documents de voyage nécessaires pour lui-même et pour les membres de sa famille qui l'accompagnent, le cas échéant en soumettant une demande aux autorités compétentes pour obtenir un document de voyage valable, en fournissant toutes les informations et déclarations nécessaires à l'obtention d'un tel document, en coopérant avec ces autorités, en se présentant en personne à ces autorités et, sur demande, en fournissant la preuve des démarches effectuées afin d'obtenir les documents de voyage;
   3° communiquer l'adresse de sa résidence effective et les coordonnées auxquelles l'étranger peut être effectivement joint;
   4° se présenter en personne aux rendez-vous avec les autorités compétentes pour l'exécution de la mesure;
   5° répondre dans les délais impartis aux demandes d'information des autorités compétentes pour l'exécution de la mesure;
   6° rester accessible et disponible pendant toute la période nécessaire à l'exécution de la mesure;
   7° présenter ou mettre en dépôt les documents d'identité ou de voyage aux autorités compétentes, si cela est demandé;
   8° coopérer aux examens médicaux nécessaires à l'exécution de la mesure;
   9° transmettre aux autorités compétentes les attestations médicales nécessaires à l'exécution de la mesure.
   § 2. L'étranger est informé en temps utile, et au plus tard au moment de la notification de la mesure de transfert, de refoulement, de retour ou d'éloignement, de l'obligation de coopérer et des conséquences d'un refus de coopérer. Ces informations sont fournies dans une langue que l'étranger comprend ou dont il est raisonnable de supposer qu'il la comprend.
   Chaque fois que l'étranger est explicitement invité à entreprendre une action spécifique dans le cadre de cet article, il est à nouveau informé de son obligation de coopérer et des conséquences d'un refus de coopérer.]1

  
Art. 74/10. [1 Met uitzondering van de bepalingen bedoeld in het artikel 74/17, § 1, zijn de bepalingen van de huidige Titel niet van toepassing op de onderdaan van een derde land die het voorwerp uitmaakt van een beslissing van weigering tot toegang overeenkomstig [2 artikel 14 van de Schengengrenscode]2 of die door de bevoegde autoriteiten is aangehouden of onderschept op het ogenblik dat hij op irreguliere wijze via een lands-, zee- of de luchtgrens de buitengrens van een lidstaat overschrijdt, en die vervolgens geen machtiging tot verblijf in de genoemde lidstaat of het recht om er te verblijven heeft verkregen.]1
  
Art. 74/23. [1 § 1er. En vue de l'exécution forcée d'une mesure de transfert, de refoulement, de retour ou d'éloignement, un étranger peut être soumis à un examen médical, le cas échéant par la contrainte, pour autant qu'un tel l'examen soit requis afin de déterminer si l'étranger peut voyager sans mettre en danger sa propre santé, celle des autres voyageurs ou celle de la population du pays de destination. L'examen médical obligatoire peut être effectué seulement s'il est nécessaire parce qu'il est imposé comme condition d'entrée ou de transit par le pays de destination ou de transit, ou comme condition de voyage par le transporteur responsable du transport de l'étranger, dans le cadre d'une urgence de santé publique de portée internationale déclarée par l'Organisation mondiale de la santé, et que les attestations médicales disponibles ne sont pas acceptées comme étant suffisantes par le pays de destination ou de transit, ou par le transporteur.
   L'étranger est informé au préalable de l'examen médical qui lui sera imposé, ainsi que de la manière dont il sera effectué, de l'objectif de l'examen, de son éventuel effet sur sa santé et de la possibilité, en cas de refus de coopérer, de procéder à l'examen médical par la contrainte conformément au paragraphe 2. Ces informations sont fournies dans une langue que l'étranger comprend ou dont il est raisonnable de supposer qu'il la comprend.
   L'étranger signe une déclaration dans laquelle il s'engage à coopérer à cet examen médical. Cette déclaration comprend les informations mentionnées à l'alinéa 2. L'étranger a la possibilité, avant de signer la déclaration et en étant séparé du personnel impliqué dans l'examen, de relire les informations fournies.
   Sur proposition conjointe du ministre et du ministre qui a la Santé publique dans ses attributions, le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les examens médicaux qui peuvent être imposés à l'étranger en application du présent article.
   § 2. Si l'étranger ne se soumet pas volontairement à l'examen médical visé au paragraphe 1er et que l'objectif ne peut être atteint par des moyens moins coercitifs, l'examen médical peut être effectué par la contrainte.
   Le recours à la contrainte lors de l'examen médical est exclu pour les mineurs étrangers. Le recours à la contrainte lors de l'examen médical ne se fait jamais en présence de mineurs étrangers.
   Le recours à la contrainte est effectué par le délégué du ministre qui a reçu une formation spécifique à cet effet. Le Roi détermine le contenu de cette formation.
   Le recours à la contrainte est soumis aux conditions prévues à l'article 37 de la loi sur la fonction de police. Le recours à la contrainte est adapté à la vulnérabilité de la personne.
   Les moyens de contrainte autorisés sont la contrainte physique, la clef de bras et les menottes aux poignets et/ou aux pieds.
   Tout recours à la contrainte lors d'un examen médical fait l'objet d'un rapport détaillé sans délai. Le délégué du ministre indique dans le rapport les moyens de contrainte utilisés, la durée du recours à la contrainte et la justification de celle-ci.
   § 3. L'examen médical visé au paragraphe 1er est effectué par du personnel médical qualifié.
   Seul l'examen médical le moins invasif est effectué, compte tenu des conditions imposées par le pays de destination ou de transit, ou par le transporteur, et à condition qu'un tel examen soit disponible.
   L'examen médical ne peut avoir un caractère vexatoire et est effectué dans le respect de la dignité de l'étranger. Si le personnel médical estime que l'examen est susceptible de mettre en danger la santé de l'étranger, il ne l'effectue pas.]1

  
Art. 74/11.[1 § 1. De duur van het inreisverbod wordt vastgesteld door rekening te houden met de specifieke omstandigheden van elk geval [4 , met inbegrip van, in voorkomend geval, het gebrek aan medewerking overeenkomstig de artikelen 74/22 en 74/23]4.
Chapitre II. [1 Le trajet d'accompagnement intensif dans le cadre d'une procédure de retour ou de transfert.]1
Art. 74/11. [1 § 1. De duur van het inreisverbod wordt vastgesteld door rekening te houden met de specifieke omstandigheden van elk geval [4 , met inbegrip van, in voorkomend geval, het gebrek aan medewerking overeenkomstig de artikelen 74/22 en 74/23]4.
   De beslissing tot verwijdering gaat gepaard met een inreisverbod van maximum drie jaar in volgende gevallen :
   1° indien voor het vrijwillig vertrek geen enkele termijn is toegestaan of;
   2° indien een vroegere beslissing tot verwijdering niet uitgevoerd werd.
  [2 De maximale termijn van drie jaar bedoeld in het tweede lid wordt op maximum vijf jaar gebracht indien :
   1° de onderdaan van een derde land fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt, teneinde toegelaten te worden tot het verblijf of om zijn recht op verblijf te behouden;
   2° de onderdaan van een derde land een huwelijk, een partnerschap of een adoptie uitsluitend heeft aangegaan om toegelaten te worden tot verblijf of om zijn recht op verblijf in het Rijk te behouden.]2

   De beslissing tot verwijdering kan gepaard gaan met een inreisverbod van meer dan vijf jaar, indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde onthoudt zich er van een inreisverbod op te leggen wanneer hij het verblijf van de onderdaan van een derde land overeenkomstig artikel 61/3, § 3, of 61/4, § 2 beëindigt, onverminderd § 1, tweede lid, 2°, op voorwaarde dat hij geen [3 bedreiging]3 vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.
   De minister of zijn gemachtigde kan zich onthouden van het opleggen van een inreisverbod in individuele gevallen, omwille van humanitaire redenen.
   § 3. Het inreisverbod treedt in werking de dag waarop de beslissing met betrekking tot het inreisverbod wordt betekend.
   Het inreisverbod kan niet ingaan tegen de bepalingen betreffende het recht op internationale bescherming, zoals gedefinieerd in de artikelen 9ter, 48/3 en 48/4.]1

  
Art. 74/24. [1 § 1er. L'étranger qui fait l'objet d'un ordre de quitter le territoire sans qu'une mesure de maintien ou une mesure de maintien moins coercitive ne soit imposée, peut être invité à entamer un trajet d'accompagnement intensif dans le cadre d'une procédure de retour.
   Le trajet d'accompagnement intensif dans le cadre d'une procédure de retour vise un suivi individualisé de l'étranger en séjour illégal en vue de parvenir à une perspective d'avenir durable soit dans son pays d'origine ou dans un autre pays où il a un droit de séjour, soit en Belgique, et de mettre fin à son séjour illégal en Belgique.
   Ce trajet d'accompagnement comprend les étapes suivantes:
   1° l'analyse du séjour de l'étranger en Belgique sur la base de sa situation individuelle et, le cas échéant, sur la base de ses précédentes demandes de séjour ou de protection internationale;
   2° l'information et le conseil de l'étranger quant à sa situation de séjour en Belgique et, le cas échéant, quant aux procédures administratives et juridiques disponibles;
   3° l'évaluation des possibilités de retour de l'étranger;
   4° l'identification des obstacles au retour de l'étranger et la recherche de solutions pour y remédier;
   5° la planification d'entretiens de suivi avec l'étranger si cela est nécessaire;
   6° le cas échéant, la convocation de l'étranger pour lui demander qu'il accomplisse les démarches nécessaires afin d'obtenir et de présenter les documents requis en vue de son retour ou de son éloignement effectif.
   Conformément à l'article 74/22, § 2, alinéa 2, l'étranger est informé lors des entretiens du trajet d'accompagnement de son obligation de coopérer et des actions spécifiques qui lui sont demandées à chaque étape de ce trajet d'accompagnement, ainsi que des conséquences d'un refus de coopération.
   § 2. Afin d'assurer le trajet d'accompagnement intensif visé au paragraphe 1er, le ministre ou son délégué coopère avec les autorités et les organisations de la société civile qui sont compétentes ou chargées du suivi et de l'accompagnement des étrangers en séjour illégal.
   § 3. Si l'étranger introduit une demande de séjour ou une demande de protection internationale pendant le trajet d'accompagnement intensif visé au paragraphe 1er, et qu'il peut, conformément aux dispositions de la présente loi, rester provisoirement sur le territoire dans l'attente d'une décision relative à cette demande, le trajet d'accompagnement intensif est suspendu. Néanmoins, la situation administrative de l'étranger peut continuer à être suivie.]1

  
Art. 74/12. [1 § 1. De minister of zijn gemachtigde kan het inreisverbod opheffen of opschorten omwille van humanitaire redenen.
   Wanneer twee derde van de duur van het inreisverbod is verstreken, kan de onderdaan van een derde land een opschorting of opheffing van het inreisverbod vragen om professionele of studieredenen.
   Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, wordt de gemotiveerde aanvraag door de onderdaan van een derde land ingediend bij de Belgische diplomatieke of consulaire beroepspost die bevoegd is voor zijn woon-of verblijfplaats in het buitenland.
   § 2. De onderdaan van een derde land kan bij de minister of zijn gemachtigde een aanvraag tot opheffing of opschorting van het inreisverbod indienen die gemotiveerd wordt door het naleven van de verplichting tot verwijdering die vroeger afgegeven werd, als hij schriftelijk het bewijs bezorgt dat hij volledig conform de beslissing tot verwijdering het Belgisch grondgebied heeft verlaten.
   § 3. Een beslissing betreffende de aanvraag tot opheffing of opschorting van het inreisverbod wordt ten laatste binnen vier maanden, te rekenen vanaf de indiening van de aanvraag, getroffen. Indien geen enkele beslissing is genomen binnen vier maanden wordt de beslissing als negatief beschouwd.
   § 4. Tijdens het onderzoek van de aanvraag tot opheffing of opschorting heeft de betrokken onderdaan van een derde land geen enkel recht op toegang tot of verblijf in het Rijk.
   § 5. De minister kan, bij besluit, de categorieën van personen omschrijven voor wie het inreisverbod wordt opgeheven of opgeschort naar aanleiding van humanitaire rampen.
   § 6. Wanneer een onderdaan van een derde land het voorwerp van een inreisverbod uitmaakt dat door een andere lidstaat werd afgegeven en de minister of zijn gemachtigde overweegt om hem een verblijfstitel of een andere vorm van toestemming tot verblijf af te geven, raadpleegt hij voorafgaand deze lidstaat om rekening te houden met diens belangen.]1

  
Art. 74/25. [1 § 1er. L'étranger qui fait l'objet d'une mesure de transfert en vertu des articles 51/5, § 4, alinéa 1er, ou 51/5/1, § 2, alinéa 1er, sans qu'une mesure de maintien ou une mesure de maintien moins coercitive ne soit imposée, peut être invité à entamer un trajet d'accompagnement intensif dans le cadre d'une procédure de transfert.
   Le trajet d'accompagnement intensif dans le cadre d'une procédure de transfert vise un suivi individualisé de l'étranger en vue de son transfert effectif vers l'Etat responsable du traitement de sa demande de protection internationale.
   Ce trajet d'accompagnement comprend les étapes suivantes:
   1° l'information et le conseil de l'étranger quant à sa situation de séjour en Belgique et, le cas échéant, quant aux procédures administratives et juridiques disponibles;
   2° l'identification des obstacles au transfert de l'étranger et la recherche de solutions pour y remédier;
   3° la planification d'entretiens de suivi avec l'étranger si cela est nécessaire;
   4° le cas échéant, la convocation de l'étranger pour lui demander qu'il accomplisse les démarches nécessaires afin d'obtenir et de présenter les documents requis en vue de son transfert effectif.
   Conformément à l'article 74/22, § 2, alinéa 2, l'étranger est informé lors des entretiens du trajet d'accompagnement de son obligation de coopérer et des actions spécifiques qui lui sont demandées à chaque étape de ce trajet d'accompagnement, ainsi que des conséquences d'un refus de coopération.
   § 2. Si l'étranger ne coopère pas au trajet d'accompagnement intensif dans le cadre d'une procédure de transfert, il est présumé avoir pris la fuite, conformément aux articles 51/5, § 6, ou 51/5/1, § 4.]1

  
Art. 74/14. [1 § 1. De beslissing tot verwijdering bepaalt een termijn van dertig dagen om het grondgebied te verlaten.
   Voor de onderdaan van een derde land die overeenkomstig artikel 6 niet gemachtigd is om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven, wordt een termijn van zeven tot dertig dagen toegekend.
   Indien de onderdaan van een derde land een gemotiveerd verzoek indient bij de minister of diens gemachtigde, wordt de termijn, vermeld in het eerste lid, en die is toegekend om het grondgebied te verlaten, verlengd, op grond van het bewijs dat de vrijwillige terugkeer niet kan worden gerealiseerd binnen de toegekende termijn.
   Zo nodig, kan deze termijn worden verlengd om rekening te houden met de specifieke omstandigheden eigen aan zijn situatie, zoals de duur van het verblijf, het bestaan van schoolgaande kinderen, het afronden van de organisatie van het vrijwillig vertrek en andere familiale en sociale banden, indien de onderdaan van een derde land een gemotiveerd verzoek indient bij de minister of diens gemachtigde.
   De minister of zijn gemachtigde deelt de onderdaan van een derde land schriftelijk mee dat de termijn van vrijwillig vertrek is verlengd.
   § 2. Zolang de termijn voor vrijwillig vertrek loopt, is de onderdaan van een derde land beschermd tegen gedwongen verwijdering.
   Om het risico op onderduiken tijdens deze termijn te vermijden, [4 kan de minister of zijn gemachtigde de onderdaan van een derde land verplichten]4 tot het vervullen van preventieve maatregelen.
   [4 ...]4.
   § 3. Er kan worden afgeweken van de termijn bepaald in § 1 indien :
   1° er een risico op onderduiken bestaat, of;
   2° de onderdaan van een derde land de opgelegde preventieve maatregel niet heeft gerespecteerd, of;
   3° de onderdaan van een derde land [2 een bedreiging is voor de openbare orde of de nationale veiligheid]2, of;
   4° [3 ...]3
   5° [3 het verblijf van de onderdaan van een derde land werd beëindigd of ingetrokken met toepassing van de artikelen 11, § 2, 4°, 13, § 4, 5°, 74/20 of 74/21, of;]3
   6° [3 het verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land werd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 5°, of werd als kennelijk ongegrond beschouwd op grond van artikel 57/6/1, § 2.]3
   In dit geval bepaalt de beslissing tot verwijdering een termijn van minder dan zeven dagen ofwel geen enkele termijn.]1

  
Art. 74/26. [1 Si l'étranger ne répond pas aux invitations ou aux demandes d'information du trajet d'accompagnement intensif dans le cadre d'une procédure de retour ou de transfert visé aux articles 74/24 ou 74/25, le délégué du ministre peut se rendre à l'adresse de résidence effective qu'il a fournie afin de vérifier si l'étranger y réside toujours et de l'informer du trajet d'accompagnement intensif.
   Dans les mêmes circonstances, le ministre ou son délégué peut demander au bourgmestre de vérifier si l'étranger réside à l'adresse qu'il a fournie afin d'entamer ou de poursuivre le trajet d'accompagnement intensif.]1

  
Art. 74/14.[1 § 1. De beslissing tot verwijdering bepaalt een termijn van dertig dagen om het grondgebied te verlaten.
Chapitre III. [1 Les mesures préventives et les mesures de maintien moins coercitives.]1
Art. 74/16. [1 § 1. Alvorens een beslissing tot verwijdering te nemen jegens een illegaal op het grondgebied verblijvende niet-begeleide minderjarige vreemdeling, neemt de minister of zijn gemachtigde elk voorstel tot duurzame oplossing van zijn voogd in overweging en houdt hij rekening met het hoger belang van het kind.
   § 2. De minister of zijn gemachtigde vergewist zich ervan dat deze minderjarige, die wordt verwijderd van het grondgebied, garanties qua opvang en tenlasteneming krijgt in zijn land van herkomst of in het land waar hij gemachtigd of toegelaten is tot verblijf, gelet op zijn behoeften volgens zijn leeftijd en graad van zelfstandigheid, ofwel van zijn ouders of een ander familielid of zijn voogd die voor hem zorgt ofwel van regeringsinstanties of niet-gouvernementele instanties.
   Daartoe vergewist de minister of zijn gemachtigde zich ervan dat de volgende voorwaarden vervuld zijn :
   1° dat er geen gevaar bestaat op mensensmokkel of mensenhandel en;
   2° dat de gezinssituatie van die aard is dat de minderjarige er opnieuw in kan worden opgenomen, en dat een terugkeer naar een ouder of een familielid wenselijk en opportuun is in het licht van de capaciteit van het gezin om het kind te ondersteunen, op te voeden en te beschermen of;
   3° dat de opvangstructuur aangepast is, en dat het in het hoger belang van het kind is om het kind in die opvangstructuur te plaatsen bij zijn terugkeer naar zijn land van herkomst of naar het land waar hij tot het verblijf is toegelaten.
   De niet-begeleide minderjarige vreemdeling en zijn voogd in België worden op de hoogte gebracht van de naam van de persoon of van de opvangstructuur aan wie het kind wordt toevertrouwd alsook over de rol die deze persoon vervult ten aanzien van de minderjarige.]1

  
Art. 74/27. [1 Les mesures préventives que le ministre ou son délégué peut imposer à l'étranger en vertu de la présente loi pendant le délai de départ volontaire ou pendant le délai de report temporaire d'éloignement afin d'éviter tout risque de fuite, sont les suivantes:
   1° la présentation ou le dépôt des documents d'identité ou de voyage à l'autorité compétente;
   2° l'obligation de se présenter à des moments déterminés auprès des services de police ou auprès de l'Office des Etrangers;
   3° l'assignation à résidence.]1

  
Art. 74/17. [1 § 1. De verwijdering wordt tijdelijk uitgesteld indien de beslissing tot terugleiding of verwijdering naar de grenzen van het grondgebied de onderdaan van een derde land blootstelt aan een schending van het non-refoulement beginsel.
  [2 In het geval de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen of de Staatlozen een advies verstrekt met toepassing van artikel 57/6, eerste lid, 9° tot 14°, dat er een risico bestaat met betrekking tot de artikelen 48/3 en 48/4, kan de verwijdering enkel plaatsvinden wanneer de minister of zijn gemachtigde in een met redenen omklede beslissing omstandig aantoont dat het advies van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen niet langer actueel is.]2
   § 2. De verwijdering kan tijdelijk uitgesteld worden op grond van de specifieke omstandigheden van elk geval. Zo wordt rekening gehouden met :
   1° de fysieke of mentale gesteldheid van de onderdaan van een derde land;
   2° technische redenen, zoals het ontbreken van vervoermiddelen of het mislukken van de verwijdering wegens het ontbreken van identificatie.
   De minister of zijn gemachtigde deelt de onderdaan van een derde land schriftelijk mee dat de uitvoering van de beslissing tot verwijdering tijdelijk is uitgesteld.
   Om het risico tot onderduiken te vermijden, [3 kan de minister of zijn gemachtigde de onderdaan van een derde land verplichten tot het vervullen van preventieve maatregelen]3.
   [3 ...]3.
   De minister of zijn gemachtigde deelt aan de onderdaan van een derde land die wordt vastgehouden met het oog op verwijdering, mondeling mee dat de uitvoering van de beslissing tot verwijdering tijdelijk is uitgesteld.]1

  
Art. 74/28. [1 § 1er. Les mesures de maintien moins coercitives que le ministre ou son délégué peut imposer en vertu de la présente loi sont les suivantes:
   1° l'obligation de se présenter à des moments déterminés auprès des services de police ou auprès de l'Office des Etrangers;
   2° l'assignation à résidence.
   § 2. Les mesures de maintien moins coercitives visées au paragraphe 1er peuvent seulement être imposées, selon le cas, pour le temps nécessaire à la détermination de l'Etat responsable de l'examen de la demande de protection internationale, pour le temps nécessaire à l'examen de la demande de protection internationale ou pour le temps nécessaire à l'exécution de la mesure d'éloignement ou de transfert.
   § 3. Sans préjudice des autres dispositions de la présente loi, les mesures de maintien moins coercitives visées au paragraphe 1er peuvent seulement être imposées si le ministre ou son délégué considère, sur la base d'un examen individuel de l'ensemble des circonstances, qu'une telle mesure peut encore être efficace pour atteindre, selon le cas, l'objectif visé aux articles 51/5, § 1er, 51/5/1, § 1er, ou 74/6, § 1er, ou pour réaliser l'éloignement ou le transfert effectif de l'étranger.
   L'évaluation de l'efficacité de la mesure de maintien moins coercitive se fait sur la base des circonstances factuelles, en ce compris le manque de coopération de l'étranger. Une mesure de maintien peut être prise uniquement si d'autres mesures suffisantes mais moins coercitives ne peuvent pas être appliquées efficacement.
   Une mesure de maintien moins coercitive est présumée inefficace, notamment dans les cas suivants:
   1° lorsque l'étranger n'a pas respecté une mesure préventive ou une mesure de maintien moins coercitive imposée précédemment;
   2° lorsque l'étranger n'a pas rempli son obligation de coopérer prévue aux articles 74/22 et 74/23, ou lorsqu'il n'a pas coopéré au trajet d'accompagnement intensif dans le cadre d'une procédure de retour ou de transfert prévu aux articles 74/24 et 74/25;
   3° lorsque l'étranger constitue une menace pour l'ordre public ou la sécurité nationale;
   4° si l'étranger séjourne illégalement sur le territoire et ne s'est jamais présenté aux autorités compétentes ou n'a jamais accompli les démarches nécessaires pour régler sa situation de séjour.]1

  
Art. 74/17.[1 § 1. De verwijdering wordt tijdelijk uitgesteld indien de beslissing tot terugleiding of verwijdering naar de grenzen van het grondgebied de onderdaan van een derde land blootstelt aan een schending van het non-refoulement beginsel.
TITRE IV. - DISPOSITIONS PENALES.
Art. 74/18. [1 Een schriftelijke of mondelinge vertaling van de belangrijkste elementen van de beslissing tot verwijdering, in voorkomend geval gepaard met een inreisverbod, met inbegrip van de informatie betreffende de beroepsmiddelen, in een taal die de onderdaan van een derde land begrijpt of waarvan men redelijkerwijs kan veronderstellen dat hij die begrijpt, kan op verzoek van de vreemdeling bij de minister of zijn gemachtigde bekomen worden. Dit wordt uitdrukkelijk vermeld in de beslissing.]1
  
Art.75. [1 § 1. Sous réserve de l'article 53, l'étranger qui se présente aux autorités chargées du contrôle aux frontières sans remplir les conditions d'entrée prévues aux articles 2 et 3 et dont l'entrée au Royaume a été refusée ou qui a été arrêté ou intercepté lors du franchissement des frontières extérieures du Royaume sans remplir les conditions d'entrée prévues aux articles 2 et 3 et qui n'a pas été autorisé à entrer dans le Royaume, est puni d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de vingt-six euros à deux cents euros, ou d'une de ces peines seulement.
   § 2. Sous réserve des articles 53 et 79, l'étranger qui séjourne illégalement dans le Royaume est puni, dans les limites prévues à l'alinéa 2, d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de vingt-six euros à deux cents euros, ou d'une de ces peines seulement.
   L'emprisonnement, visé à l'alinéa 1er, peut être imposé uniquement si l'étranger a déjà fait l'objet d'une mesure de maintien ou d'une mesure de maintien moins coercitive ayant pris fin sans qu'il ait pu être procédé à son éloignement et s'il continue, sans motif justifié de non-retour, à séjourner illégalement dans le Royaume.
   § 3. En cas de récidive dans le délai de trois ans d'une des infractions prévues aux paragraphes 1 et 2, ces peines sont portées à un emprisonnement d'un mois à douze mois et à une amende de cent euros à mille euros, ou à une de ces peines seulement.]1

  
Art. 74/19. [1 De niet-begeleide minderjarigen mogen niet worden vastgehouden op plaatsen in de zin van artikel 74/8, § 2.]1
  
Art. 75/1. [1 L'étranger qui a été enjoint de quitter des lieux déterminés, d'en demeurer éloigné ou de résider en un lieu déterminé et qui se soustrait à cette obligation sans motif valable, est puni d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de vingt-six euros à deux cents euros, ou d'une de ces peines seulement.
   En cas de récidive dans le délai de trois ans de l'infraction prévue à l'alinéa 1er, ces peines sont portées à un emprisonnement d'un mois à douze mois et à une amende de cent euros à mille euros, ou à une de ces peines seulement.
   Le présent article ne s'applique pas à l'étranger auquel, dans le cadre d'une procédure de retour en vertu de la présente loi, une assignation à résidence est désignée comme mesure préventive ou comme mesure de maintien moins coercitive.]1

  
Art. 74/20. [1 § 1. Behoudens bijzondere bepalingen van de wet, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging of toelating tot verblijf, aangevraagd krachtens deze wet, weigeren wanneer de aanvrager, voor het verkrijgen van deze machtiging of voor de erkenning van deze toelating, valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt, of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die bijdragen tot het verkrijgen van het verblijf.
   Wanneer de minister of zijn gemachtigde een dergelijke beslissing overweegt te nemen, houdt hij rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokkene, met de duur van zijn verblijf in het Rijk alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.
   § 2. Behoudens bijzondere bepalingen van de wet, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging of toelating tot verblijf, toegekend of erkend krachtens deze wet, intrekken wanneer de aanvrager, voor het verkrijgen van deze machtiging of voor de erkenning van deze toelating, valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt, of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf.
   Wanneer de minister of zijn gemachtigde een dergelijke beslissing overweegt te nemen, houdt hij rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokkene, met de duur van zijn verblijf in het Rijk alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.
   § 3. De minister of zijn gemachtigde geeft de vreemdeling van wie het verblijf met toepassing van paragraaf 1 of van paragraaf 2 is geweigerd of ingetrokken het bevel om het grondgebied te verlaten.
   § 4. De minister of zijn gemachtigde kan te allen tijde specifieke controles uitvoeren of laten uitvoeren als er gegronde vermoedens zijn van fraude of van het gebruik van andere onwettige middelen.]1

  
Art.76. L'étranger renvoyé ou expulsé du territoire depuis moins de dix ans qui entre ou séjourne dans le Royaume sans autorisation spéciale du (Ministre) est puni d'un emprisonnement d'un mois à un an et d'une amende de cent francs à mille francs. <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996> (NOTE : lire euros au lieu de francs L 2000-06-26/42, art. 2, En vigueur : 01-01-2002)
Art. 74/20. [1 § 1. Behoudens bijzondere bepalingen van de wet, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging of toelating tot verblijf, aangevraagd krachtens deze wet, weigeren wanneer de aanvrager, voor het verkrijgen van deze machtiging of voor de erkenning van deze toelating, valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt, of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die bijdragen tot het verkrijgen van het verblijf.
   Wanneer de minister of zijn gemachtigde een dergelijke beslissing overweegt te nemen, houdt hij rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokkene, met de duur van zijn verblijf in het Rijk alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.
   § 2. Behoudens bijzondere bepalingen van de wet, kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging of toelating tot verblijf, toegekend of erkend krachtens deze wet, intrekken wanneer de aanvrager, voor het verkrijgen van deze machtiging of voor de erkenning van deze toelating, valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt, of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf.
   Wanneer de minister of zijn gemachtigde een dergelijke beslissing overweegt te nemen, houdt hij rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokkene, met de duur van zijn verblijf in het Rijk alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.
   § 3. De minister of zijn gemachtigde geeft de vreemdeling van wie het verblijf met toepassing van paragraaf 1 of van paragraaf 2 is geweigerd of ingetrokken het bevel om het grondgebied te verlaten.
   § 4. De minister of zijn gemachtigde kan te allen tijde specifieke controles uitvoeren of laten uitvoeren als er gegronde vermoedens zijn van fraude of van het gebruik van andere onwettige middelen.]1

  
Art.77. <L 2005-08-10/61, art. 28, 038; En vigueur : 12-09-2005> Quiconque aide sciemment [1 ou tente d'aider]1 une personne non ressortissante d'un Etat membre de l'Union européenne à pénétrer ou à séjourner sur le territoire d'un Etat membre de l'Union européenne ou d'un Etat partie à une convention internationale relative au franchissement des frontières extérieures et liant la Belgique ou à transiter par le territoire d'un tel Etat, en violation de la législation de cet Etat, soit dans les faits qui ont préparé l'entrée, le transit ou le séjour, ou qui les ont facilités, soit dans les faits qui les ont consommés, sera puni d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de mille sept cents euros à six mille euros ou d'une de ces peines seulement.
  L'alinéa 1er ne s'applique pas si l'aide est offerte pour des raisons principalement humanitaires.
  
Art. 74/21. [1 Onder voorbehoud van artikel 74/20 en behoudens bijzondere bepalingen van de wet, [2 kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging of toelating tot verblijf,[3 van de vreemdeling die tot het verblijf in het Rijk werd gemachtigd of toegelaten krachtens artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°, artikel 10bis of artikel 57/34]3 weigeren]2, indien de persoon bij wie de vreemdeling zich voegt valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van de machtiging tot verblijf of de erkenning van de toelating tot verblijf.
   Onverminderd artikel 74/20 en behoudens bijzondere bepalingen van de wet, [2 kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan het verblijf van de vreemdeling die tot het verblijf in het Rijk werd gemachtigd of toegelaten krachtens artikel 10, § 1, eerste lid, 4°, 5°, 6°, 7° of 8°, artikel 10bis, artikel 57/34 of artikel 57/34/1]2, indien de persoon bij wie hij zich voegt valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van de machtiging tot verblijf of de erkenning van de toelating tot verblijf.
   Het verblijf van het familielid kan slechts worden geweigerd en slechts worden beëindigd wanneer het verblijf van de persoon bij wie hij zich heeft gevoegd tevens geweigerd of ingetrokken wordt.
   Wanneer de minister of zijn gemachtigde een dergelijke beslissing overweegt te nemen, houdt hij rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokkene, met de duur van zijn verblijf in het Rijk alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.]1

  
Art. 77bis. <L 2005-08-10/61, art. 29, 038; En vigueur : 12-09-2005> Constitue l'infraction de trafic des êtres humains, le fait de contribuer, de quelque manière que ce soit, soit directement, soit par un intermédiaire, à permettre l'entrée, le transit ou le séjour d'une personne non ressortissante d'un Etat membre de l'Union européenne sur ou par le territoire d'un tel Etat ou d'un Etat partie à une convention internationale relative au franchissement des frontières extérieures et liant la Belgique, en violation de la législation de cet Etat, en vue d'obtenir, directement ou indirectement, un avantage patrimonial.
  L'infraction prévue à l'alinéa 1er sera punie d'un emprisonnement d'un an à cinq ans et d'une amende de cinq cents euros à cinquante mille euros.
  La tentative de commettre l'infraction visée à l'alinéa 1er sera punie d'un emprisonnement d'un an à trois ans et d'une amende de cent euros à dix mille euros.
  [1 L'amende sera appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.]1
  
TITEL IIIsexies. [1 - Verplichtingen van de vreemdeling in het kader van de overdracht, de terugdrijving, de terugkeer of de verwijdering]1
Art. 77ter. L'infraction prévue à l'article 77bis sera punie de la réclusion de cinq ans à dix ans et d'une amende de sept cent cinquante euros à septante-cinq mille euros lorsqu'elle aura été commise :
Art. 74/22. [1 § 1. Elke vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een overdrachts-, terugdrijvings-, terugkeer- of verwijderingsprocedure, werkt mee met de bevoegde autoriteiten aan de daadwerkelijke uitvoering ervan.
   Deze medewerkingsplicht houdt in:
   1° het meewerken aan zijn identificatie en die van zijn vergezellende familieleden door het verstrekken van de elementen die nodig zijn voor de vaststelling of de verificatie van de identiteit, onder meer de elementen betreffende de naam en voornaam, de nationaliteit, de geboorteplaats en -datum, de land(en) van herkomst en/of van eerder verblijf, de reisroutes, de reisdocumenten en de biometrische gegevens;
   2° het meewerken aan het verkrijgen van de nodige reisdocumenten voor zichzelf en zijn vergezellende familieleden, in voorkomend geval door bij de bevoegde autoriteiten een verzoek om een geldig reisdocument te verkrijgen in te dienen, door alle informatie en verklaringen te verstrekken die nodig zijn om een dergelijk document te verkrijgen, door met deze autoriteiten samen te werken, door zich persoonlijk bij deze autoriteiten aan te bieden, en, wanneer daarom wordt verzocht, door het bewijs te leveren van de ondernomen stappen om de reisdocumenten te verkrijgen;
   3° het meedelen van het adres van de effectieve verblijfplaats en de contactgegevens waarop de vreemdeling daadwerkelijk bereikt kan worden;
   4° het in persoon verschijnen op de afspraken met de autoriteiten bevoegd voor de uitvoering van de maatregel;
   5° het tijdig antwoorden op verzoeken om informatie van de autoriteiten bevoegd voor de uitvoering van de maatregel;
   6° het bereikbaar en beschikbaar blijven gedurende de hele termijn nodig voor de uitvoering van de maatregel;
   7° het voorleggen of in bewaring geven van identiteits- of reisdocumenten bij de bevoegde autoriteiten, indien daarom wordt verzocht;
   8° het meewerken aan de medische onderzoeken die vereist zijn met het oog op het uitvoeren van de maatregel;
   9° het overzenden aan de bevoegde autoriteiten van de medische attesten die vereist zijn met het oog op het uitvoeren van de maatregel.
   § 2. De vreemdeling wordt tijdig en ten laatste op het ogenblik van de kennisgeving van de overdrachts-, terugdrijvings-, terugkeer- of verwijderingsmaatregel, geïnformeerd over de medewerkingsplicht en de gevolgen van een weigering tot medewerking. Deze informatie wordt verstrekt in een taal die de vreemdeling begrijpt of waarvan men redelijkerwijs kan veronderstellen dat hij die begrijpt.
   Telkens wanneer de vreemdeling uitdrukkelijk wordt gevraagd een specifieke actie te ondernemen in het kader van dit artikel, wordt hij opnieuw geïnformeerd over zijn medewerkingsplicht en de gevolgen van een weigering tot medewerking.]1

  
Art. 77quater. L'infraction prévue à l'article 77bis sera punie de la réclusion de dix ans à quinze ans et d'une amende de mille euros à cent mille euros dans les cas suivants :
  1° lorsque l'infraction a été commise envers un mineur;
  2° lorsqu'elle a été commise en abusant de la [1 situation de vulnérabilité dans laquelle se trouve une personne en raison de sa situation administrative illégale ou précaire, de sa situation sociale précaire, de son âge, d'un état de grossesse, d'une maladie, d'une infirmité ou d'une déficience physique ou mentale]1, de manière telle que la personne n'a en fait pas d'autre choix véritable et acceptable que de se soumettre à cet abus;
  3° lorsqu'elle a été commise en faisant usage, de façon directe ou indirecte, de manoeuvres frauduleuses, de violence, de menaces ou d'une forme quelconque de contrainte [4 , ou en recourant à l'enlèvement, à l'abus d'autorité ou à la tromperie]4;
  [4 3bis° lorsqu'elle a été commise au moyen de l'offre ou de l'acceptation de paiements ou d'avantages quelconques pour obtenir le consentement d'une personne ayant autorité sur la victime;]4
  4° lorsque la vie de la victime a été mise en danger délibérément ou par négligence grave;
  5° lorsque l'infraction a causé une maladie paraissant incurable, une [3 incapacité de travail personnel de plus de quatre mois]3, la perte complète d'un organe ou de l'usage d'un organe, ou une mutilation grave;
  6° lorsque l'activité concernée constitue une activité habituelle;
  7° lorsqu'elle constitue un acte de participation à l'activité principale ou accessoire d'une association, et ce, que le coupable ait ou non la qualité de dirigeant.
  [2 L'amende sera appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.]2
  
Art. 74/23. [1 § 1. Met het oog op de gedwongen uitvoering van een overdrachts-, terugdrijvings-, terugkeer- of verwijderingsmaatregel kan een vreemdeling worden verplicht een medisch onderzoek te ondergaan, desgevallend met gebruik van dwang, indien het onderzoek noodzakelijk is om vast te stellen of de vreemdeling kan reizen zonder zijn eigen gezondheid, de gezondheid van zijn medereizigers of de gezondheid van de bevolking in het land van bestemming in gevaar te brengen. Het verplicht medisch onderzoek kan enkel worden uitgevoerd indien het noodzakelijk is omdat het is opgelegd als voorwaarde tot binnenkomst of doorreis door het land van bestemming of doorreis, of als reisvoorschrift door de vervoerder die instaat voor het vervoer van de vreemdeling, in het kader van een door de Wereldgezondheidsorganisatie uitgeroepen noodsituatie van internationaal belang op het gebied van de volksgezondheid, en voor zover de beschikbare medische attesten niet als toereikend worden aanvaard door het land van bestemming of doorreis of door de vervoerder.
   De vreemdeling wordt vooraf geïnformeerd over het medisch onderzoek dat hem zal worden opgelegd, alsmede over de wijze waarop het zal worden uitgevoerd, het doel van het onderzoek, de mogelijke impact ervan op zijn gezondheid en over de mogelijkheid, bij weigering tot medewerking, tot het uitvoeren van het medisch onderzoek met gebruik van dwang overeenkomstig paragraaf 2. Deze informatie wordt verstrekt in een taal die de vreemdeling begrijpt of waarvan men redelijkerwijs kan veronderstellen dat hij die begrijpt.
   De vreemdeling ondertekent een verklaring waarin hij zich ertoe verbindt mee te werken aan dit medisch onderzoek. Deze verklaring bevat de in het tweede lid vermelde informatie. De vreemdeling krijgt de mogelijkheid om, voorafgaand aan de ondertekening van de verklaring en afgezonderd van het personeel betrokken bij het onderzoek, de gegeven informatie door te nemen.
   Op gezamenlijk voorstel van de minister en de minister bevoegd voor Volksgezondheid, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de medische onderzoeken die met toepassing van dit artikel verplicht kunnen worden opgelegd aan de vreemdeling.
   § 2. Indien de vreemdeling zich niet uit eigen beweging aan het in paragraaf 1 bedoelde medisch onderzoek onderwerpt en het doel niet met minder dwingende middelen kan worden bereikt, kan het medisch onderzoek met gebruik van dwang worden uitgevoerd.
   Het gebruik van dwang bij het uitvoeren van het medisch onderzoek is uitgesloten voor minderjarige vreemdelingen. Het gebruik van dwang bij het uitvoeren van het medisch onderzoek gebeurt nooit in de aanwezigheid van minderjarige vreemdelingen.
   Het gebruik van dwang wordt uitgevoerd door de gemachtigde van de minister die hiervoor een specifieke opleiding heeft genoten. De Koning bepaalt de inhoud van deze opleiding.
   Het gebruik van dwang is onderworpen aan de voorwaarden bepaald bij artikel 37 van de wet op het politieambt. Het gebruik van dwang is aangepast aan de kwetsbaarheid van de persoon.
   De toegelaten dwangmiddelen zijn de fysieke aansporing, de houdgreep en de hand- en/of voetboeien.
   Elk gebruik van dwang bij het uitvoeren van een medisch onderzoek, moet onverwijld in een gedetailleerd verslag worden gerapporteerd. De gemachtigde van de minister vermeldt in het verslag de gebruikte dwangmiddelen, de duur van het gebruik van de dwang en de rechtvaardiging daarvoor.
   § 3. Het in paragraaf 1 bedoelde medisch onderzoek wordt uitgevoerd door daartoe medisch geschoold personeel.
   Enkel het minst invasieve medisch onderzoek wordt toegepast, rekening houdend met de voorwaarden die door het land van bestemming of doorreis of door de vervoerder zijn opgelegd en voor zover het onderzoek beschikbaar is.
   Het medisch onderzoek mag geen tergend karakter hebben en geschiedt met eerbiediging van de waardigheid van de vreemdeling. Indien het medisch personeel van oordeel is dat het onderzoek de gezondheid van de vreemdeling in gevaar kan brengen, voert zij deze niet uit.]1

  
Art. 77quinquies. L'infraction prévue à l'article 77bis sera punie de la réclusion de quinze ans à vingt ans et d'une amende de mille euros à cent cinquante mille euros dans les cas suivants :
  1° lorsque l'infraction a causé la mort de la victime sans intention de la donner;
  2° lorsqu'elle constitue un acte de participation à l'activité principale ou accessoire d'une organisation criminelle, et ce, que le coupable ait ou non la qualité de dirigeant.
  [1 L'amende sera appliquée autant de fois qu'il y a de victimes.]1
  
Art. 74/23. [1 § 1. Met het oog op de gedwongen uitvoering van een overdrachts-, terugdrijvings-, terugkeer- of verwijderingsmaatregel kan een vreemdeling worden verplicht een medisch onderzoek te ondergaan, desgevallend met gebruik van dwang, indien het onderzoek noodzakelijk is om vast te stellen of de vreemdeling kan reizen zonder zijn eigen gezondheid, de gezondheid van zijn medereizigers of de gezondheid van de bevolking in het land van bestemming in gevaar te brengen. Het verplicht medisch onderzoek kan enkel worden uitgevoerd indien het noodzakelijk is omdat het is opgelegd als voorwaarde tot binnenkomst of doorreis door het land van bestemming of doorreis, of als reisvoorschrift door de vervoerder die instaat voor het vervoer van de vreemdeling, in het kader van een door de Wereldgezondheidsorganisatie uitgeroepen noodsituatie van internationaal belang op het gebied van de volksgezondheid, en voor zover de beschikbare medische attesten niet als toereikend worden aanvaard door het land van bestemming of doorreis of door de vervoerder.
   De vreemdeling wordt vooraf geïnformeerd over het medisch onderzoek dat hem zal worden opgelegd, alsmede over de wijze waarop het zal worden uitgevoerd, het doel van het onderzoek, de mogelijke impact ervan op zijn gezondheid en over de mogelijkheid, bij weigering tot medewerking, tot het uitvoeren van het medisch onderzoek met gebruik van dwang overeenkomstig paragraaf 2. Deze informatie wordt verstrekt in een taal die de vreemdeling begrijpt of waarvan men redelijkerwijs kan veronderstellen dat hij die begrijpt.
   De vreemdeling ondertekent een verklaring waarin hij zich ertoe verbindt mee te werken aan dit medisch onderzoek. Deze verklaring bevat de in het tweede lid vermelde informatie. De vreemdeling krijgt de mogelijkheid om, voorafgaand aan de ondertekening van de verklaring en afgezonderd van het personeel betrokken bij het onderzoek, de gegeven informatie door te nemen.
   Op gezamenlijk voorstel van de minister en de minister bevoegd voor Volksgezondheid, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de medische onderzoeken die met toepassing van dit artikel verplicht kunnen worden opgelegd aan de vreemdeling.
   § 2. Indien de vreemdeling zich niet uit eigen beweging aan het in paragraaf 1 bedoelde medisch onderzoek onderwerpt en het doel niet met minder dwingende middelen kan worden bereikt, kan het medisch onderzoek met gebruik van dwang worden uitgevoerd.
   Het gebruik van dwang bij het uitvoeren van het medisch onderzoek is uitgesloten voor minderjarige vreemdelingen. Het gebruik van dwang bij het uitvoeren van het medisch onderzoek gebeurt nooit in de aanwezigheid van minderjarige vreemdelingen.
   Het gebruik van dwang wordt uitgevoerd door de gemachtigde van de minister die hiervoor een specifieke opleiding heeft genoten. De Koning bepaalt de inhoud van deze opleiding.
   Het gebruik van dwang is onderworpen aan de voorwaarden bepaald bij artikel 37 van de wet op het politieambt. Het gebruik van dwang is aangepast aan de kwetsbaarheid van de persoon.
   De toegelaten dwangmiddelen zijn de fysieke aansporing, de houdgreep en de hand- en/of voetboeien.
   Elk gebruik van dwang bij het uitvoeren van een medisch onderzoek, moet onverwijld in een gedetailleerd verslag worden gerapporteerd. De gemachtigde van de minister vermeldt in het verslag de gebruikte dwangmiddelen, de duur van het gebruik van de dwang en de rechtvaardiging daarvoor.
   § 3. Het in paragraaf 1 bedoelde medisch onderzoek wordt uitgevoerd door daartoe medisch geschoold personeel.
   Enkel het minst invasieve medisch onderzoek wordt toegepast, rekening houdend met de voorwaarden die door het land van bestemming of doorreis of door de vervoerder zijn opgelegd en voor zover het onderzoek beschikbaar is.
   Het medisch onderzoek mag geen tergend karakter hebben en geschiedt met eerbiediging van de waardigheid van de vreemdeling. Indien het medisch personeel van oordeel is dat het onderzoek de gezondheid van de vreemdeling in gevaar kan brengen, voert zij deze niet uit.]1

  
Art. 77sexies. Dans les cas visés aux articles [2 77bis à 77quinquies]2, les coupables seront en outre condamnés à l'interdiction des droits énoncés à l'article 31 du Code pénal.
  La confiscation spéciale prévue à l'article 42, 1°, du Code pénal est appliquée aux coupables des infractions visées par les articles 77bis à 77quinquies, même lorsque la propriété des choses sur lesquelles elle porte n'appartient pas au condamné, sans que cette confiscation puisse cependant porter préjudice aux droits des tiers sur les biens susceptibles de faire l'objet de la confiscation. [1 Elle doit également être appliquée, dans les mêmes circonstances, au bien meuble, à la partie de celui-ci, au bien immeuble, à la chambre ou à tout autre espace. Elle peut également être appliquée à la contre-valeur de ces meubles ou immeubles aliénés entre la commission de l'infraction et la décision judiciaire définitive.]1
  [1 En cas de saisie d'un bien immeuble, il est procédé conformément aux formalités de l'article 35bis du Code d'instruction criminelle.]1
  
Art. 74/24. [1 § 1. De vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een bevel om het grondgebied te verlaten zonder dat een vasthoudingsmaatregel of een minder dwingende maatregel voor vasthouding is opgelegd, kan worden uitgenodigd om een aanklampend begeleidingstraject in het kader van een terugkeerprocedure op te starten.
   Het aanklampende begeleidingstraject in het kader van een terugkeerprocedure beoogt een geïndividualiseerde opvolging van de vreemdeling in illegaal verblijf met het oog op het bereiken van een duurzaam toekomstperspectief hetzij in zijn land van herkomst of een ander land waar hij een verblijfsrecht heeft, hetzij in België, en het beëindigen van zijn illegaal verblijf in België.
   Dit begeleidingstraject omvat de volgende stappen:
   1° het analyseren van het verblijf van de vreemdeling in België op basis van zijn individuele situatie en, in voorkomend geval, op basis van zijn eerdere verblijfsaanvragen of verzoeken om internationale bescherming;
   2° het informeren en adviseren van de vreemdeling over zijn verblijfssituatie in België en, in voorkomend geval, over de beschikbare administratieve en juridische procedures;
   3° het beoordelen van de terugkeermogelijkheden van de vreemdeling;
   4° het identificeren van de obstakels voor de terugkeer van de vreemdeling en het zoeken naar oplossingen om deze te verhelpen;
   5° het plannen van opvolgingsgesprekken met de vreemdeling indien dit noodzakelijk is;
   6° in voorkomend geval, het oproepen van de vreemdeling om hem te vragen dat hij de nodige stappen onderneemt om de voor zijn terugkeer of zijn effectieve verwijdering vereiste documenten te verkrijgen en voor te leggen.
   Overeenkomstig artikel 74/22, § 2, tweede lid, wordt de vreemdeling tijdens de gesprekken in dit begeleidingstraject geïnformeerd over zijn medewerkingsplicht en de specifieke acties die per stap in dit begeleidingstraject van hem worden gevraagd, alsook over de gevolgen van een weigering tot medewerking.
   § 2. Teneinde het in paragraaf 1 bedoelde aanklampende begeleidingstraject te verzekeren, werkt de minister of zijn gemachtigde samen met de overheden en middenveldorganisaties die bevoegd zijn of instaan voor de opvolging en begeleiding van vreemdelingen in illegaal verblijf.
   § 3. Indien de vreemdeling tijdens het in paragraaf 1 bedoelde aanklampende begeleidingstraject een verblijfsaanvraag of een verzoek om internationale bescherming indient en hij, overeenkomstig de bepalingen van deze wet, voorlopig op het grondgebied mag verblijven in afwachting van een beslissing inzake deze aanvraag of dit verzoek, wordt het aanklampende begeleidingstraject opgeschort. Niettemin kan de administratieve situatie van de vreemdeling verder worden opgevolgd.]1

  
Art.78. Celui qui se rend coupable de faux témoignage devant la Commission consultative des étrangers est puni d'un emprisonnement de six mois à cinq ans.
Art. 74/24. [1 § 1. De vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een bevel om het grondgebied te verlaten zonder dat een vasthoudingsmaatregel of een minder dwingende maatregel voor vasthouding is opgelegd, kan worden uitgenodigd om een aanklampend begeleidingstraject in het kader van een terugkeerprocedure op te starten.
   Het aanklampende begeleidingstraject in het kader van een terugkeerprocedure beoogt een geïndividualiseerde opvolging van de vreemdeling in illegaal verblijf met het oog op het bereiken van een duurzaam toekomstperspectief hetzij in zijn land van herkomst of een ander land waar hij een verblijfsrecht heeft, hetzij in België, en het beëindigen van zijn illegaal verblijf in België.
   Dit begeleidingstraject omvat de volgende stappen:
   1° het analyseren van het verblijf van de vreemdeling in België op basis van zijn individuele situatie en, in voorkomend geval, op basis van zijn eerdere verblijfsaanvragen of verzoeken om internationale bescherming;
   2° het informeren en adviseren van de vreemdeling over zijn verblijfssituatie in België en, in voorkomend geval, over de beschikbare administratieve en juridische procedures;
   3° het beoordelen van de terugkeermogelijkheden van de vreemdeling;
   4° het identificeren van de obstakels voor de terugkeer van de vreemdeling en het zoeken naar oplossingen om deze te verhelpen;
   5° het plannen van opvolgingsgesprekken met de vreemdeling indien dit noodzakelijk is;
   6° in voorkomend geval, het oproepen van de vreemdeling om hem te vragen dat hij de nodige stappen onderneemt om de voor zijn terugkeer of zijn effectieve verwijdering vereiste documenten te verkrijgen en voor te leggen.
   Overeenkomstig artikel 74/22, § 2, tweede lid, wordt de vreemdeling tijdens de gesprekken in dit begeleidingstraject geïnformeerd over zijn medewerkingsplicht en de specifieke acties die per stap in dit begeleidingstraject van hem worden gevraagd, alsook over de gevolgen van een weigering tot medewerking.
   § 2. Teneinde het in paragraaf 1 bedoelde aanklampende begeleidingstraject te verzekeren, werkt de minister of zijn gemachtigde samen met de overheden en middenveldorganisaties die bevoegd zijn of instaan voor de opvolging en begeleiding van vreemdelingen in illegaal verblijf.
   § 3. Indien de vreemdeling tijdens het in paragraaf 1 bedoelde aanklampende begeleidingstraject een verblijfsaanvraag of een verzoek om internationale bescherming indient en hij, overeenkomstig de bepalingen van deze wet, voorlopig op het grondgebied mag verblijven in afwachting van een beslissing inzake deze aanvraag of dit verzoek, wordt het aanklampende begeleidingstraject opgeschort. Niettemin kan de administratieve situatie van de vreemdeling verder worden opgevolgd.]1

  
Art.79. Est passible (d'une peine de vingt-six francs à cinq cents francs) : (NOTE : lire euros au lieu de francs L 2000-06-26/42, art. 2, En vigueur : 01-01-2002) <L 1996-07-15/33, art. 63, 012; En vigueur : 16-2-1996>
  1° le ressortissant luxembourgeois ou néerlandais qui pénètre sur le territoire belge ou circule sur la voie publique sans être porteur d'un document d'identité déterminé par décision du Comité des Ministres créé par l'article 15 du Traité instituant l'Union Economique Benelux;
  2° l'étranger qui contrevient aux (articles 5, 12, 17 (...)) ou qui circule sur la voie publique sans être porteur d'un des documents prévus à ces articles (, aux articles 42, § 2, 42quinquies, § 5) ou à l'article 2. <L 1996-07-15/33, art. 63, 012; En vigueur : 16-12-1996> <L 2007-04-25/49, art. 45, 1°, 046; En vigueur : 01-06-2008>
  Aucun des documents prévus aux (articles (5, 12, 17, 41bis, 42, § 2 ou 42quinquies, § 5)) ne peut être retiré, même provisoirement, à un étranger que par (le bourgmestre de la commune où se trouve l'étranger ou par son+ délégué ainsi que (les autorités désignées à l'article 62, premier et deuxième alinéas)à l'exception du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou de son délégué.) <L 14-07-1987, art. 19> <L 1993-05-06/30, art. 37, 005; En vigueur : 31-05-1993> <L 1996-07-15/33, art. 63, 012; En vigueur : 16-12-1996> <L 2007-04-25/49, art. 45, 2°, 046; En vigueur : 01-06-2008>
  Le document retiré est immédiatement remplacé par une attestation mentionnant la nature de ce document et les motifs de son retrait.
Art. 74/25. [1 § 1. De vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een overdrachtsmaatregel met toepassing van de artikelen 51/5, § 4, eerste lid, of 51/5/1, § 2, eerste lid, zonder dat een vasthoudingsmaatregel of een minder dwingende maatregel voor vasthouding is opgelegd, kan worden uitgenodigd om een aanklampend begeleidingstraject in het kader van een overdrachtsprocedure op te starten.
   Het aanklampende begeleidingstraject in het kader van een overdrachtsprocedure beoogt een geïndividualiseerde opvolging van de vreemdeling met het oog op zijn effectieve overdracht aan de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming.
   Dit begeleidingstraject omvat de volgende stappen:
   1° het informeren en adviseren van de vreemdeling over zijn verblijfssituatie in België en, in voorkomend geval, over de beschikbare administratieve en juridische procedures;
   2° het identificeren van de obstakels voor overdracht van de vreemdeling en het zoeken naar oplossingen om deze te verhelpen;
   3° het plannen van opvolgingsgesprekken met de vreemdeling indien dit noodzakelijk is;
   4° in voorkomend geval, het oproepen van de vreemdeling om hem te vragen dat hij de nodige stappen onderneemt om de voor zijn effectieve overdracht vereiste documenten te verkrijgen en voor te leggen.
   Overeenkomstig artikel 74/22, § 2, tweede lid, wordt de vreemdeling tijdens de gesprekken in dit begeleidingstraject geïnformeerd over zijn medewerkingsplicht en de specifieke acties die per stap in dit begeleidingstraject van hem worden gevraagd, alsook over de gevolgen van een weigering tot medewerking.
   § 2. Indien de vreemdeling niet meewerkt aan het aanklampende begeleidingstraject in het kader van de overdrachtsprocedure, wordt hij geacht te zijn ondergedoken, in toepassing van artikelen 51/5, § 6, of 51/5/1, § 4.]1

  
Art. 79bis. § 1er. Quiconque conclut un mariage dans les circonstances visées à l'article 146bis du Code civil sera puni d'un emprisonnement [1 d'un mois à trois ans et d'une amende de cinquante euros à cinq cents euros]1.
  Quiconque reçoit une somme d'argent [2 ou d'autres valeurs]2 visant à le rétribuer pour la conclusion d'un tel mariage, sera puni d'un emprisonnement [1 de deux mois à quatre ans et d'une amende de cent euros à deux mille cinq cents euros]1.
  Quiconque recourt à des violences ou menaces à l'égard d'une personne pour la contraindre à conclure un tel mariage sera puni d'un emprisonnement [1 de trois mois à cinq ans et d'une amende de deux cent cinquante euros à cinq mille euros]1.
  § 2. La tentative du délit prévu au § 1er, alinéa 1er, est punie [1 d'un emprisonnement de quinze jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à deux cent cinquante euros]1.
  La tentative du délit prévu au § 1er, alinéa 2, est punie d'un emprisonnement [1 d'un mois à deux ans et d'une amende de cinquante euros à mille deux cent cinquante euros]1.
  La tentative du délit prévu au § 1er, alinéa 3, est punie d'un emprisonnement [1 de deux mois à trois ans et d'une amende de cents vingt-cinq euros à deux mille cinq cent euros]1.
  
Art. 74/26. [1 Indien de vreemdeling nalaat in te gaan op de uitnodigingen of te reageren op verzoeken om informatie van het in artikelen 74/24 of 74/25 bedoelde aanklampende begeleidingstraject in het kader van een terugkeer- of overdrachtsprocedure, kan de gemachtigde van de minister zich naar het opgegeven adres van effectieve verblijfplaats begeven om na te gaan of de vreemdeling daar nog verblijft en hem informeren over het aanklampende begeleidingstraject.
   In dezelfde omstandigheden kan de minister of zijn gemachtigde de burgemeester verzoeken na te gaan of de vreemdeling op het opgegeven adres verblijft teneinde het aanklampende begeleidingstraject op te starten of verder te zetten.]1

  
Art. 79ter. [1 § 1er. Quiconque conclut une cohabitation légale dans les circonstances visées à l'article 1476bis du Code civil, sera puni d'un emprisonnement d'un mois à trois ans et d'une amende de cinquante euros à cinq cents euros.
   Quiconque reçoit une somme d'argent [2 ou d'autres valeurs]2 visant à le rétribuer pour la conclusion d'une telle cohabitation, sera puni d'un emprisonnement de deux mois à quatre ans et d'une amende de cent euros à deux mille cinq cent s euros.
   Quiconque recourt à des violences ou menaces à l'égard d'une personne pour la contraindre à conclure une telle cohabitation sera puni d'un emprisonnement de trois mois à cinq ans et d'une amende de deux cent cinquante euros à cinq mille euros.
   § 2. La tentative du délit visé au § 1er, alinéa 1er, est punie d'un emprisonnement de quinze jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à deux cent cinquante euros.
   La tentative du délit visé au § 1er, alinéa 2, est punie d'un emprisonnement d'un mois à deux ans et d'une amende de cinquante euros à mille deux cent cinquante euros.
   La tentative du délit visé au § 1er, alinéa 3, est punie d'un emprisonnement de deux mois à trois ans et d'une amende de cent vingt-cinq euros à deux mille cinq cents euros.]1

  
Art. 74/27. [1 De preventieve maatregelen die de minister of zijn gemachtigde op grond van deze wet aan de vreemdeling kan opleggen tijdens de termijn van vrijwillig vertrek of tijdens de termijn van tijdelijk uitgestelde verwijdering teneinde elk risico op onderduiken te vermijden, zijn de volgende:
   1° het voorleggen of in bewaring geven van identiteits- of reisdocumenten aan de bevoegde autoriteit;
   2° de verplichting zich te melden op bepaalde tijdstippen bij politiediensten of bij de Dienst Vreemdelingenzaken;
   3° het aanwijzen van een verplichte verblijfplaats. ]1

  
Art. 79ter -bis. [1 § 1er. Quiconque reconnaît un enfant ou donne son consentement préalable à une reconnaissance d'enfant dans les circonstances visées à l'article 330/1 du Code civil sera puni d'un emprisonnement d'un mois à trois ans et d'une amende de cinquante euros à cinq cents euros.
   Quiconque reçoit une somme d'argent ou d'autres valeurs visant à le rétribuer pour avoir fait une telle reconnaissance ou avoir donné son consentement préalable à une telle reconnaissance sera puni d'un emprisonnement de deux mois à quatre ans et d'une amende de cent euros à deux mille cinq cents euros.
   Quiconque recourt à des violences ou menaces à l'égard d'une personne pour la contraindre à faire une telle reconnaissance ou donner son consentement préalable à une telle reconnaissance sera puni d'un emprisonnement de trois mois à cinq ans et d'une amende de deux cent cinquante euros à cinq mille euros.
   § 2. La tentative du délit visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, est punie d'un emprisonnement de quinze jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à deux cent cinquante euros.
   La tentative du délit visé au paragraphe 1er, alinéa 2, est punie d'un emprisonnement d'un mois à deux ans et d'une amende de cinquante euros à mille deux cent cinquante euros.
   La tentative du délit visé au paragraphe 1er, alinéa 3, est punie d'un emprisonnement de deux mois à trois ans et d'une amende de cent vingt-cinq euros à deux mille cinq cents euros.]1

  
Art. 74/28. [1 § 1. De minder dwingende maatregelen voor vasthouding die de minister of zijn gemachtigde op grond van deze wet kan opleggen, zijn de volgende:
   1° de verplichting zich te melden op bepaalde tijdstippen bij politiediensten of bij de Dienst Vreemdelingenzaken;
   2° het aanwijzen van een verplichte verblijfplaats.
   § 2. De in paragraaf 1 bedoelde minder dwingende maatregelen voor vasthouding kunnen slechts worden opgelegd, naargelang het geval, voor de tijd die noodzakelijk is voor het vaststellen van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, voor de tijd die noodzakelijk is voor het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming of voor de tijd die noodzakelijk is om de verwijderings- of overdrachtsmaatregel uit te voeren.
   § 3. Onverminderd de andere bepalingen van deze wet kunnen de in paragraaf 1 bedoelde minder dwingende maatregelen voor vasthouding slechts worden opgelegd indien de minister of zijn gemachtigde, op grond van een individuele beoordeling van het geheel van omstandigheden, van oordeel is dat een dergelijke maatregel nog doeltreffend is om, naargelang het geval, de doelstelling beoogd in de artikelen 51/5 § 1, 51/5/1, § 1 of 74/6, § 1 te verwezenlijken of om de effectieve verwijdering of overdracht van de vreemdeling te bewerkstelligen.
   De beoordeling van de doeltreffendheid van de minder dwingende maatregel voor vasthouding gebeurt op basis van de feitelijke omstandigheden, waaronder het gebrek aan medewerking van de vreemdeling. Een vasthoudingsmaatregel kan alleen worden genomen wanneer wordt geoordeeld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregel doeltreffend kan worden toegepast.
   Een minder dwingende maatregel voor vasthouding wordt geacht niet doeltreffend te zijn, onder meer in de volgende gevallen:
   1° indien de vreemdeling een eerder opgelegde preventieve maatregel of minder dwingende maatregel voor vasthouding niet heeft gerespecteerd;
   2° indien de vreemdeling niet heeft voldaan aan zijn medewerkingsplicht zoals voorzien in de artikelen 74/22 en 74/23, of geen medewerking heeft verleend aan het aanklampende begeleidingstraject in het kader van een terugkeer- of overdrachtsprocedure, zoals voorzien in de artikelen 74/24 en 74/25;
   3° indien de vreemdeling een bedreiging vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid;
   4° indien de vreemdeling illegaal op het grondgebied verblijft en zich nooit bij de bevoegde overheden heeft aangeboden of de nodige handelingen heeft gesteld om zijn verblijfssituatie in orde te brengen.]1

  
Art. 79quater. [1 § 1er. [2 Le juge qui prononce une condamnation sur la base des articles 79bis, 79ter ou 79ter-bis ou qui constate la culpabilité pour une infraction visée à ces dispositions, peut également prononcer la nullité du mariage, de la cohabitation légale ou de la reconnaissance, à la demande du procureur du Roi ou de toute partie ayant un intérêt à la cause.]2
   § 2. [2 Un jugement n'est opposable aux époux, aux cohabitants légaux, à l'auteur de la reconnaissance, à la personne ayant donné le consentement préalable à une reconnaissance ou à l'enfant reconnu que s'ils ont été parties ou appelés à la cause.
   Le ministère public peut appeler en intervention forcée l'époux, le cohabitant légal, l'auteur de la reconnaissance, la personne qui consent à la reconnaissance ou l'enfant reconnu qui n'est pas présent à la cause.]2

   L'intervention leur confère la qualité de partie à la cause. Ces parties peuvent exercer les voies de recours.
   L'intervention est formée dès le début de l'instance de sorte que ces parties puissent faire valoir leurs droits sur l'annulation du mariage [2 , de la cohabitation légale ou de la reconnaissance]2.
  [2 L'article 331sexies du Code civil est d'application au présent paragraphe.]2
   § 3. Tout exploit de signification d'un jugement ou arrêt relatif à l'annulation d'un mariage [2 , d'une cohabitation légale ou d'une reconnaissance]2 est immédiatement communiqué en copie par l'huissier de justice instrumentant au greffier de la juridiction qui a prononcé la décision.
   § 4. [3 Lorsque la nullité du mariage a été prononcée par un jugement ou un arrêt coulés en force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement les données du jugement ou de l'arrêt à la BAEC, avec mention du jour où la décision judiciaire a acquis force de chose jugée.
   La BAEC établit une mention sur base de celui-ci et l'associe à l'acte de mariage.
  [5 L'annulation est notifiée immédiatement via la BAEC à l'Office des étrangers avec mention de la date à laquelle la décision judiciaire a acquis force de chose jugée.]5
   Le greffier en avertit immédiatement les parties.]3

   § 5. Lorsque la nullité de la cohabitation légale a été prononcée par un jugement ou un arrêt coulé en force de chose jugée, un extrait reprenant le dispositif du jugement ou de l'arrêt et la mention du jour où celui-ci a acquis force de chose jugée est, sans délai, adressé par le greffier à l'officier de l'état civil du lieu où la déclaration de cohabitation légale a été faite et à l'Office des étrangers.
   Le greffier en avertit les parties.
   L'officier de l'état civil inscrit sans délai l'annulation de la cohabitation légale dans le registre de la population.]1

  [2 § 6. [3 [4 Lorsque la nullité de la reconnaissance a été prononcée par une décision judiciaire coulée en force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement, via la BAEC, à l'officier de l'état civil compétent les données nécessaires à l'établissement de l'acte d'annulation et des actes modifiés de l'état civil de l'enfant et de ses descendants à la suite de la décision judiciaire, en mentionnant le jour où elle a acquis force de chose jugée.
   L'officier de l'état civil compétent établit sur cette base l'acte d'annulation, l'associe à l'acte de reconnaissance et modifie les actes de l'état civil de l'enfant et de ses descendants, conformément à la section 6 du livre Ier, titre II, chapitre Ier, du Code civil.]4

  [5 L'annulation est notifiée immédiatement via la BAEC à l'Office des étrangers avec mention de la date à laquelle la décision judiciaire a acquis force de chose jugée.]5
   Le greffier en avertit immédiatement les parties.]3
]2

  
Art. 74/28. [1 § 1. De minder dwingende maatregelen voor vasthouding die de minister of zijn gemachtigde op grond van deze wet kan opleggen, zijn de volgende:
   1° de verplichting zich te melden op bepaalde tijdstippen bij politiediensten of bij de Dienst Vreemdelingenzaken;
   2° het aanwijzen van een verplichte verblijfplaats.
   § 2. De in paragraaf 1 bedoelde minder dwingende maatregelen voor vasthouding kunnen slechts worden opgelegd, naargelang het geval, voor de tijd die noodzakelijk is voor het vaststellen van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, voor de tijd die noodzakelijk is voor het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming of voor de tijd die noodzakelijk is om de verwijderings- of overdrachtsmaatregel uit te voeren.
   § 3. Onverminderd de andere bepalingen van deze wet kunnen de in paragraaf 1 bedoelde minder dwingende maatregelen voor vasthouding slechts worden opgelegd indien de minister of zijn gemachtigde, op grond van een individuele beoordeling van het geheel van omstandigheden, van oordeel is dat een dergelijke maatregel nog doeltreffend is om, naargelang het geval, de doelstelling beoogd in de artikelen 51/5 § 1, 51/5/1, § 1 of 74/6, § 1 te verwezenlijken of om de effectieve verwijdering of overdracht van de vreemdeling te bewerkstelligen.
   De beoordeling van de doeltreffendheid van de minder dwingende maatregel voor vasthouding gebeurt op basis van de feitelijke omstandigheden, waaronder het gebrek aan medewerking van de vreemdeling. Een vasthoudingsmaatregel kan alleen worden genomen wanneer wordt geoordeeld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregel doeltreffend kan worden toegepast.
   Een minder dwingende maatregel voor vasthouding wordt geacht niet doeltreffend te zijn, onder meer in de volgende gevallen:
   1° indien de vreemdeling een eerder opgelegde preventieve maatregel of minder dwingende maatregel voor vasthouding niet heeft gerespecteerd;
   2° indien de vreemdeling niet heeft voldaan aan zijn medewerkingsplicht zoals voorzien in de artikelen 74/22 en 74/23, of geen medewerking heeft verleend aan het aanklampende begeleidingstraject in het kader van een terugkeer- of overdrachtsprocedure, zoals voorzien in de artikelen 74/24 en 74/25;
   3° indien de vreemdeling een bedreiging vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid;
   4° indien de vreemdeling illegaal op het grondgebied verblijft en zich nooit bij de bevoegde overheden heeft aangeboden of de nodige handelingen heeft gesteld om zijn verblijfssituatie in orde te brengen.]1

  
Art.80. Toutes les dispositions du livre premier du Code pénal, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables aux infractions prévues par la présente loi.
Art.75.[1 § 1. Onder voorbehoud van artikel 53, wordt de vreemdeling die zich aanbiedt bij de met grenscontrole belaste overheden zonder te voldoen aan de in de artikelen 2 en 3 bedoelde binnenkomstvoorwaarden en aan wie de binnenkomst in het Rijk werd geweigerd of die bij het overschrijden van de buitengrenzen van het Rijk is aangehouden of onderschept zonder te voldoen aan de in de artikelen 2 en 3 bedoelde binnenkomstvoorwaarden en die niet gemachtigd werd tot binnenkomst in het Rijk, gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en een geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro, of met één van deze straffen alleen.
Art.81.Les infractions à la présente loi (et aux articles 433quinquies à 433octies et 433decies à 433duodecies du Code pénal) sont recherchées et constatées par tous les officiers de police judiciaire, en ce compris ceux dont la compétence est limitée, (par les fonctionnaires de la police fédérale et de la police locale), par les (agents de l'Office des étrangers) et de l'Administration des douanes et accises, par les inspecteurs du Ministère de l'Emploi et du Travail et du Ministère des Classes moyennes ainsi que par ceux de l'Office national de la sécurité sociale [1 ...]1
Art. 75.[1 § 1. Onder voorbehoud van artikel 53, wordt de vreemdeling die zich aanbiedt bij de met grenscontrole belaste overheden zonder te voldoen aan de in de artikelen 2 en 3 bedoelde binnenkomstvoorwaarden en aan wie de binnenkomst in het Rijk werd geweigerd of die bij het overschrijden van de buitengrenzen van het Rijk is aangehouden of onderschept zonder te voldoen aan de in de artikelen 2 en 3 bedoelde binnenkomstvoorwaarden en die niet gemachtigd werd tot binnenkomst in het Rijk, gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en een geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro, of met één van deze straffen alleen.
TITRE V. - DISPOSITIONS MODIFICATIVES, TRANSITOIRES, ABROGATOIRES ET FINALES.
Art. 75/1. [1 De vreemdeling die verplicht werd bepaalde plaatsen te verlaten, ervan verwijderd te blijven of in een bepaalde plaats te verblijven, en die zich zonder geldige reden aan deze verplichting onttrekt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro, of met een van die straffen alleen.
   In geval van herhaling binnen de termijn van drie jaar van het in het eerste lid bedoelde misdrijf, worden die straffen gebracht op een gevangenisstraf van een maand tot twaalf maanden en op een geldboete van honderd euro tot duizend euro, of op een van die straffen alleen.
   Dit artikel is niet van toepassing op de vreemdeling aan wie in het kader van een terugkeerprocedure op grond van deze wet een verplichte verblijfplaats wordt aangewezen als preventieve maatregel of als minder dwingende maatregel voor vasthouding.]1

  
Art. 81/1. [1 § 1er. Lorsque le procureur du Roi constate, dans le cadre d'une recherche des infractions visées à l'article 90ter, §§ 2, 3 et 4, du Code d'instruction criminelle, qu'une personne en séjour illégal n'est pas en mesure de prouver son identité ou ne prête pas son concours à cette fin, utilise de faux documents ou s'attribue un faux nom, il peut, si les autres moyens d'investigation ne semblent pas suffire pour atteindre l'objectif visé, autoriser un officier de police judiciaire de l'Office des étrangers à exécuter une recherche dans un système informatique qui a été saisi, conformément à l'article 39bis, § 2, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle, aux fins exclusives d'établir l'identité et la nationalité de la personne concernée.
   Les données traitées par l'officier de police judiciaire de l'Office des étrangers dans le cadre de la recherche visée à l'alinéa 1er sont adéquates, pertinentes et non excessives en vue d'atteindre l'objectif visé.
   Le résultat de la recherche et les éléments de preuve recueillis par l'officier de police judiciaire de l'Office des étrangers sont transmis par le biais d'un procès-verbal au procureur du Roi qui a ordonné la recherche.
   En cas d'établissement de l'identité et de la nationalité par un officier de police judiciaire de l'Office des étrangers d'une personne qui est enregistrée dans la Banque de données Nationale Générale visée à l'article 44/7 de la loi sur la fonction de police, ces données sont aussi communiquées à cette banque de données afin de la mettre à jour.
   § 2. L'Office des étrangers tient à jour un registre des recherches visées au paragraphe 1er. Ce registre contient:
   1° une copie de l'autorisation du magistrat compétent;
   2° une copie du procès-verbal visé au paragraphe 1er;
   3° toute information obtenue lors de la recherche visée au paragraphe 1er qui est pertinente pour la finalité visée au paragraphe 1er;
   4° le cas échéant, la date de prise de connaissance de l'information contenue dans le registre, ainsi que le nom des personnes qui en ont pris connaissance.
   Les informations consignées dans le registre sont conservées pendant une période de 10 ans.
   Le directeur général de l'Office des étrangers est responsable du traitement du registre visé à l'alinéa 1er au sens de l'article 4, point 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016, relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE. Seuls les officiers de police judiciaire de l'Office des étrangers qui ont effectué la recherche visée au paragraphe 1er ont accès au registre.
  [2 § 3. Le Roi désigne cinq fonctionnaires de l'Office des étrangers qui sont revêtus de la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi. Le nombre de cinq peut être revu à la hausse ou à la baisse par le Roi, après avis du Collège des procureurs généraux.
   Pour être revêtus de la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi, en application de l'alinéa 1er, les fonctionnaires de l'Office des étrangers répondent aux conditions suivantes:
   1° avoir au moins le grade d'attaché;
   2° pouvoir justifier d'une expérience professionnelle d'au moins cinq ans en matière d'aide à l'identification des étrangers en séjour illégal et avoir suivi la formation visée au troisième alinéa;
   3° ne pas exercer de mandat politique;
   4° n'avoir subi aucune condamnation, même avec sursis, à une peine correctionnelle ou criminelle consistant en une amende, une peine de travail ou une peine de prison, à l'exception des condamnations pour infractions à la réglementation relative à la police de la circulation routière;
   5° être en possession d'un avis de sécurité positif valide conformément à la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé.
   Le Roi détermine les conditions relatives à l'expérience et à la formation de ces fonctionnaires de l'Office des étrangers.
   Pour pouvoir exercer leur compétence d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi, les fonctionnaires visés à l'alinéa 1er prêtent serment devant le procureur général de Bruxelles, dans les termes suivants: "Je jure fidélité au Roi, obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge, et de remplir fidèlement les fonctions qui me sont conférées."]2

   § 4. La compétence d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi, conféré aux fonctionnaires visés au paragraphe 3, est limitée à la compétence prévue au paragraphe 1er, et peut seulement être exercée avec l'autorisation d'un procureur du Roi dans le cadre d'une recherche des infractions visées à l'article 90ter, §§ 2, 3 et 4, du Code d'instruction criminelle, en vue de la finalité restreinte prévue au paragraphe 1er.
   Dans l'exercice de leurs missions, ils sont sous la surveillance du procureur général conformément à l'article 367 du Code d'instruction criminelle.
   Ils peuvent exercer leur compétence sur l'ensemble du territoire du Royaume.]1

  
Art.77. <W 2005-08-10/61, art. 28, 038; Inwerkingtreding : 12-09-2005> Hij die wetens en willens een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie helpt [1 of poogt te helpen]1 het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, binnen te komen of aldaar te verblijven, dan wel erdoor te reizen, zulks in strijd met de wetgeving van deze Staat, hetzij in de handelingen die de binnenkomst, de doorreis of het verblijf voorbereid hebben of ze vergemakkelijkt hebben, hetzij in de feiten die ze voltooid hebben, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zeventienhonderd euro tot zesduizend euro, of met een van die straffen alleen.
  Het eerste lid is niet van toepassing indien de hulp voornamelijk om humanitaire redenen verleend wordt.
  
Art. 81/2. [1 Lorsque la présente loi ou ses arrêtés d'exécution attribuent une tâche à l'administration communale ou au bourgmestre, ce dernier est habilité à la déléguer à un membre du personnel de l'administration communale.]1
  
Art. 77bis. <W 2005-08-10/61, art. 29, 038; Inwerkingtreding : 12-09-2005> Levert het misdrijf mensensmokkel op het ertoe bijdragen, op welke manier ook, rechtstreeks of via een tussenpersoon, dat een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, binnenkomt, erdoor reist of aldaar verblijft, zulks in strijd met de wetgeving van deze Staat, met het oog op het direct of indirect verkrijgen van een vermogensvoordeel.
  Het in het eerste lid bedoelde misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot vijftigduizend euro.
  Poging tot het in het eerste lid bedoeld misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en met een geldboete van honderd euro tot tienduizend euro.
  [1 De boete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.]1
  
Art.82. Sont publiés en entier au Moniteur belge :
  1° les arrêtés par lesquels le (Ministre) donne les délégations prévues par la présente loi; <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
  2° les arrêtés par lesquels le Roi accorde à certaines catégories d'étrangers la dispense prévue à l'article 5;
  3° la liste que le Roi établit conformément à l'article 33, alinéa 3.
Art. 77bis. <W 2005-08-10/61, art. 29, 038; Inwerkingtreding : 12-09-2005> Levert het misdrijf mensensmokkel op het ertoe bijdragen, op welke manier ook, rechtstreeks of via een tussenpersoon, dat een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, binnenkomt, erdoor reist of aldaar verblijft, zulks in strijd met de wetgeving van deze Staat, met het oog op het direct of indirect verkrijgen van een vermogensvoordeel.
  Het in het eerste lid bedoelde misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot vijftigduizend euro.
  Poging tot het in het eerste lid bedoeld misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en met een geldboete van honderd euro tot tienduizend euro.
  [1 De boete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.]1
  
Art.83. En temps de guerre, les pouvoirs du Ministre de la Justice (et du (Ministre)) demeurent réglés par l'arrêté-loi du 12 octobre 1918 relatif au séjour en Belgique des étrangers et des personnes d'origine étrangère.<AR 1992-07-13/31, art. 2, 003; En vigueur : 15-07-1992> <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
Art. 77quater. <INGEVOEGD bij W 2005-08-10/61, art. 31; Inwerkingtreding : 12-09-2005> Het in artikel 77bis bedoelde misdrijf wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar en met geldboete van duizend euro tot honderdduizend euro in de volgende gevallen :
  1° ingeval het misdrijf is gepleegd ten opzichte van een minderjarige;
  2° ingeval het is gepleegd door misbruik te maken van de [1 kwetsbare toestand waarin een persoon verkeert ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand, zijn precaire sociale toestand, zijn leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid,]1 zodanig dat de betrokken persoon in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze heeft dan zich te laten misbruiken;
  3° ingeval het is gepleegd door direct of indirect gebruik te maken van listige kunstgrepen, geweld, bedreigingen of enige vorm van dwang [4 , of door ontvoering, machtsmisbruik of bedrog]4;
  [4 3bis° ingeval het is gepleegd door het aanbieden of aanvaarden van betalingen of om het even welke voordelen om de toestemming te verkrijgen van een persoon die gezag heeft over het slachtoffer;]4
  4° ingeval het leven van het slachtoffer opzettelijk of door grove nalatigheid in gevaar is gebracht;
  5° ingeval het misdrijf een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een [3 ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden]3, hetzij het volledig verlies van een orgaan of van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking heeft veroorzaakt;
  6° in geval van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt;
  7° ingeval het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet.
  [2 De boete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.]2
  
Art.84. L'article 11 du Code civil est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 11. - L'étranger jouit en Belgique de tous les droits civils reconnus aux Belges, sauf les exceptions établies par la loi.
  L'étranger autorisé à s'établir dans le Royaume et inscrit au registre de la population jouit de tous les droits civils reconnus aux Belges aussi longtemps qu'il continue de résider en Belgique ".
Art. 77quater. <INGEVOEGD bij W 2005-08-10/61, art. 31; Inwerkingtreding : 12-09-2005> Het in artikel 77bis bedoelde misdrijf wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar en met geldboete van duizend euro tot honderdduizend euro in de volgende gevallen :
  1° ingeval het misdrijf is gepleegd ten opzichte van een minderjarige;
  2° ingeval het is gepleegd door misbruik te maken van de [1 kwetsbare toestand waarin een persoon verkeert ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand, zijn precaire sociale toestand, zijn leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid,]1 zodanig dat de betrokken persoon in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze heeft dan zich te laten misbruiken;
  3° ingeval het is gepleegd door direct of indirect gebruik te maken van listige kunstgrepen, geweld, bedreigingen of enige vorm van dwang [4 , of door ontvoering, machtsmisbruik of bedrog]4;
  [4 3bis° ingeval het is gepleegd door het aanbieden of aanvaarden van betalingen of om het even welke voordelen om de toestemming te verkrijgen van een persoon die gezag heeft over het slachtoffer;]4
  4° ingeval het leven van het slachtoffer opzettelijk of door grove nalatigheid in gevaar is gebracht;
  5° ingeval het misdrijf een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een [3 ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden]3, hetzij het volledig verlies van een orgaan of van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking heeft veroorzaakt;
  6° in geval van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt;
  7° ingeval het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet.
  [2 De boete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.]2
  
Art.85. L'article 726 du même Code, abrogé par la loi du 27 avril 1865, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " Article 726. - Les étrangers ont le droit de succéder, de disposer et de recevoir de la même manière que les Belges dans toute l'étendue du Royaume ".
Art. 77sexies. <INGEVOEGD bij W 2005-08-10/61, art. 33; Inwerkingtreding : 12-09-2005> In de gevallen bedoeld in de artikelen [2 77bis tot 77quinquies]2 worden de schuldigen bovendien veroordeeld tot ontzetting van de in artikel 31 van het Strafwetboek genoemde rechten.
  De bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, van het Strafwetboek wordt toegepast op degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan de in de artikelen 77bis tot 77quinquies bedoelde misdrijven, zelfs ingeval de zaken waarop zij betrekking heeft, geen eigendom van de veroordeelde zijn, zonder dat deze verbeurdverklaring nochtans de rechten van derden op de goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van de verbeurdverklaring schaadt. [1 Zij moet in dezelfde omstandigheden ook worden toegepast op het roerend goed, het deel ervan, het onroerend goed, de kamer of enige andere ruimte. Ze kan ook worden toegepast op de tegenwaarde van deze roerende of onroerende goederen die werden vervreemd tussen het tijdstip waarop het misdrijf werd gepleegd en de definitieve rechterlijke beslissing.]1
  [1 In geval van beslag op een onroerend goed, wordt gehandeld overeenkomstig de vormvoorschriften van artikel 35bis van het Wetboek van strafvordering.]1
  
Art.86. L'article 912 du même Code, abrogé par la loi du 27 avril 1865, est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 912. - Dans le cas de partage d'un succession comprenant des avoirs situés sur le territoire d'un Etat étranger, les cohéritiers non ressortissants de cet Etat prélèveront sur les biens situés en Belgique une portion égale à celle des biens étrangers dont ils seraient exclus, à quelque titre que ce soit, en vertu des lois et coutumes locales ".
Art. 77sexies. <INGEVOEGD bij W 2005-08-10/61, art. 33; Inwerkingtreding : 12-09-2005> In de gevallen bedoeld in de artikelen [2 77bis tot 77quinquies]2 worden de schuldigen bovendien veroordeeld tot ontzetting van de in artikel 31 van het Strafwetboek genoemde rechten.
  De bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, van het Strafwetboek wordt toegepast op degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan de in de artikelen 77bis tot 77quinquies bedoelde misdrijven, zelfs ingeval de zaken waarop zij betrekking heeft, geen eigendom van de veroordeelde zijn, zonder dat deze verbeurdverklaring nochtans de rechten van derden op de goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van de verbeurdverklaring schaadt. [1 Zij moet in dezelfde omstandigheden ook worden toegepast op het roerend goed, het deel ervan, het onroerend goed, de kamer of enige andere ruimte. Ze kan ook worden toegepast op de tegenwaarde van deze roerende of onroerende goederen die werden vervreemd tussen het tijdstip waarop het misdrijf werd gepleegd en de definitieve rechterlijke beslissing.]1
  [1 In geval van beslag op een onroerend goed, wordt gehandeld overeenkomstig de vormvoorschriften van artikel 35bis van het Wetboek van strafvordering.]1
  
Art.87. L'article 3 de la loi du 1er janvier 1856 concernant les immunités des puissances étrangères en Belgique est remplacé par la disposition suivante :
  " Les consuls étrangers qui sont autorisés à s'établir dans le Royaume et inscrits au registre de la population seront traités, quant aux contributions et aux services personnels locaux, sur le même pied que les consuls ayant la qualité de Belge ".
Art.79. (Met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhondert frank) kan worden gestraft : (NOTA : lezen euro in plaats van frank W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002) <W 1996-07-15/33, art. 63, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  1° de Luxemburgse of Nederlandse onderdaan die het Belgisch grondgebied betreedt of zich op de openbare weg bevindt zonder houder te zijn van een identiteitsdocument bepaald bij beschikking van het Comité van Ministers opgericht door artikel 15 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie;
  2° de vreemdeling die de (artikelen 5, 12, 17 (...)) overtreedt of die zich op de openbare weg bevindt zonder houder te zijn van een der documenten voorzien in die artikelen (", in de artikelen 42, § 2, 42quinquies, § 5,) of in artikel 2. <W 1996-07-15/33, art. 63, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996> <W 2007-04-25/49, art. 45, 1°, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  Geen enkel der documenten voorzien in de (artikelen (5, 12, 17, 41bis, 42, § 2 of 42quinquies, § 5)) mag, zelfs voorlopig, van een vreemdeling afgenomen worden, tenzij (door de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling zich bevindt of door diens gemachtigde, evenals door (de in art. 62, eerste en tweede lid bedoelde overheden) met uitzondering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of diens gemachtigde.) <W 14-07-1987, art. 19> <W 1993-05-06/30, art. 37, 005; Inwerkingtreding : 31-05-1993> <W 1996-07-15/33, art. 63, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996> <W 2007-04-25/49, art. 45, 2°, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  Het afgenomen document wordt onmiddellijk vervangen door een attest dat de aard van dat document en de redenen van het afnemen vermeldt.
Art.88. L'article 4, 4°, alinéa 2 de la loi du 31 mars 1898 sur les Unions professionnelles est remplacé par la disposition suivante :
  " La direction de l'Union ne peut être confiée qu'à des Belges ou à des étrangers autorises à s'établir dans le Royaume et inscrits au registre de la population. Ils sont choisis par l'Union elle-même parmi ses membres majeurs et, pour les trois quarts au moins, parmi les membres effectifs ".
Art. 79. (Met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhondert frank) kan worden gestraft : (NOTA : lezen euro in plaats van frank W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002) <W 1996-07-15/33, art. 63, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  1° de Luxemburgse of Nederlandse onderdaan die het Belgisch grondgebied betreedt of zich op de openbare weg bevindt zonder houder te zijn van een identiteitsdocument bepaald bij beschikking van het Comité van Ministers opgericht door artikel 15 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie;
  2° de vreemdeling die de (artikelen 5, 12, 17 (...)) overtreedt of die zich op de openbare weg bevindt zonder houder te zijn van een der documenten voorzien in die artikelen (", in de artikelen 42, § 2, 42quinquies, § 5,) of in artikel 2. <W 1996-07-15/33, art. 63, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996> <W 2007-04-25/49, art. 45, 1°, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  Geen enkel der documenten voorzien in de (artikelen (5, 12, 17, 41bis, 42, § 2 of 42quinquies, § 5)) mag, zelfs voorlopig, van een vreemdeling afgenomen worden, tenzij (door de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling zich bevindt of door diens gemachtigde, evenals door (de in art. 62, eerste en tweede lid bedoelde overheden) met uitzondering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of diens gemachtigde.) <W 14-07-1987, art. 19> <W 1993-05-06/30, art. 37, 005; Inwerkingtreding : 31-05-1993> <W 1996-07-15/33, art. 63, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996> <W 2007-04-25/49, art. 45, 2°, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  Het afgenomen document wordt onmiddellijk vervangen door een attest dat de aard van dat document en de redenen van het afnemen vermeldt.
Art.89.
Art. 79bis. § 1. <INGEVOEGD bij W 2006-01-12/49, art. 2, 039; Inwerkingtreding : 21-02-2006> Ieder die een huwelijk sluit in de omstandigheden bedoeld in artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek, wordt gestraft met gevangenisstraf [1 van een maand tot drie jaar en met geldboete van vijftig euro tot vijfhonderd euro]1.
  Ieder die een geldsom [2 of andere waardevolle goederen]2 ontvangt die ertoe strekt hem te vergoeden voor het sluiten van een dergelijk huwelijk, wordt gestraft met gevangenisstraf [1 van twee maanden tot vier jaar en met geldboete van honderd euro tot tweeduizend vijfhonderd euro]1.
  Ieder die gebruik maakt van geweld of bedreiging tegen een persoon om die persoon te dwingen een dergelijk huwelijk te sluiten, wordt gestraft met gevangenisstraf [1 van drie maanden tot vijf jaar en met geldboete van tweehonderdvijftig euro tot vijfduizend euro]1.
  § 2. Poging tot het in § 1, eerste lid, omschreven wanbedrijf wordt gestraft met [1 gevangenisstraf van vijftien dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderdvijftig euro]1.
  Poging tot het in § 1, tweede lid, omschreven wanbedrijf wordt gestraft met gevangenisstraf [1 van een maand tot twee jaar en met geldboete van vijftig euro tot duizend tweehonderdvijftig euro]1.
  Poging tot het in § 1, derde lid, omschreven wanbedrijf wordt gestraft met gevangenisstraf [1 van twee maanden tot drie jaar en met geldboete van honderdvijfentwintig euro tot tweeduizend vijfhonderd euro]1.
  
Art.90. L'article 668 du Code judiciaire est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 668. - Le bénéfice de l'assistance judiciaire peut être accordé dans les mêmes conditions :
  a) aux étrangers conformément aux traités internationaux;
  b) à tout ressortissant d'un Etat membre du Conseil de l'Europe;
  c) à tout étranger qui a, d'une manière régulière, sa résidence habituelle en Belgique;
  d) à tout étranger dans les procédures prévues par la loi sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ".
Art. 79ter -bis. [1 § 1. Ieder die een kind erkent of zijn voorafgaande toestemming geeft in een erkenning van een kind in de omstandigheden bedoeld in artikel 330/1 van het Burgerlijk Wetboek, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met geldboete van vijftig euro tot vijfhonderd euro.
   Ieder die een geldsom of andere waardevolle goederen ontvangt die ertoe strekt hem te vergoeden om een dergelijke erkenning te hebben gedaan of om zijn voorafgaande toestemming in een dergelijke erkenning te hebben gegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van twee maanden tot vier jaar en met geldboete van honderd euro tot tweeduizend vijfhonderd euro.
   Ieder die gebruik maakt van geweld of bedreiging tegen een persoon om die persoon te dwingen een dergelijke erkenning te doen of zijn voorafgaande toestemming in een dergelijke erkenning te geven, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaar en met geldboete van tweehonderdvijftig euro tot vijfduizend euro.
   § 2. Poging tot het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde wanbedrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderdvijftig euro.
   Poging tot het in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde wanbedrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van vijftig euro tot duizend tweehonderdvijftig euro.
   Poging tot het in paragraaf 1, derde lid, bedoelde wanbedrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van twee maanden tot drie jaar en met geldboete van honderdvijfentwintig euro tot tweeduizend vijfhonderd euro.]1

  
Art.91. Les mesures prises à charge d'étrangers par application des lois et arrêtes antérieurs sont maintenues; les effets en sont déterminés par les dispositions de la présente loi.
  Les articles 75, 76, 77 et 80 sont applicables aux violations de ces décisions.
Art. 79quater. [1 § 1. [2 De rechter die overgaat tot een veroordeling op basis van de artikelen 79bis, 79ter of 79ter-bis of die de schuld vaststelt voor een inbreuk op deze bepalingen, kan ook de nietigheid van het huwelijk, van de wettelijke samenwoning of van de erkenning uitspreken, op vordering van de procureur des Konings of van enige in het geding belanghebbende partij.]2
   § 2. [2 Een vonnis kan aan de echtgenoten, aan de wettelijk samenwonenden, aan de erkenner, aan de persoon die zijn voorafgaande toestemming in een erkenning heeft gegeven of aan het erkende kind slechts worden tegengeworpen, indien zij in het geding partij zijn geweest of daarin zijn geroepen.
   Het openbaar ministerie kan de echtgenoot, de wettelijk samenwonende, de erkenner, de persoon die toestemt in de erkenning of het erkende kind dat geen partij is in het geding, gedwongen laten tussenkomen.]2

   De tussenkomst verleent hen de hoedanigheid van partij in het geding. Deze partijen kunnen de rechtsmiddelen aanwenden.
   De tussenkomst wordt ingesteld vanaf het begin van het geding zodat de partijen hun rechten met betrekking tot de nietigheid van het huwelijk [2 , van de wettelijke samenwoning of van de erkenning]2 kunnen doen gelden.
  [2 Artikel 331sexies van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op deze paragraaf.]2
   § 3. Elk exploot van betekening van een vonnis of arrest betreffende de nietigheid van een huwelijk [2 , een wettelijke samenwoning of een erkenning,]2 wordt door de optredende gerechtsdeurwaarder onmiddellijk in afschrift meegedeeld aan de griffier van het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken.
   § 4. [3 Wanneer de nietigheid van het huwelijk is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens van het vonnis of arrest naar de DABS, met vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden.
   De DABS maakt op basis hiervan een melding op en verbindt deze met de huwelijksakte.
  [5 De nietigverklaring, met vermelding van de datum van het in kracht van gewijsde treden van de rechterlijke beslissing, wordt onmiddellijk via de DABS aan de Dienst Vreemdelingenzaken genotificeerd.]5
   De griffier brengt de partijen hiervan onmiddellijk in kennis.]3

   § 5. Wanneer de nietigheid van de wettelijke samenwoning is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, stuurt de griffier, onverwijld, een uittreksel bevattende het beschikkende gedeelte en de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden van het vonnis of het arrest aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de verklaring van wettelijke samenwoning werd afgelegd en aan de Dienst Vreemdelingenzaken.
   De griffier brengt de partijen hiervan in kennis.
   De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt onverwijld melding van de nietigverklaring van de wettelijke samenwoning in het bevolkingsregister]1

  [2 § 6. [3 [4 Wanneer de nietigheid van de erkenning is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van nietigverklaring en de gewijzigde akten van de burgerlijke stand van het kind en van zijn afstammelingen ten gevolge van de rechterlijke beslissing via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand, met de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden ervan.
   De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand maakt op basis hiervan de akte van nietigverklaring op, verbindt deze met de akte van erkenning en wijzigt de akten van de burgerlijke stand van het kind en van zijn afstammelingen, overeenkomstig afdeling 6 van boek I, titel II, hoofdstuk 1, van het Burgerlijk Wetboek.]4

  [5 De nietigverklaring, met vermelding van de datum van het in kracht van gewijsde treden van de rechterlijke beslissing wordt onmid-dellijk via de DABS aan de Dienst Vreemdelingenzaken genotificeerd.]5
   De griffier brengt de partijen hiervan onmiddellijk in kennis.]3
]2

  
Art.92. Le Roi détermine les langues autres que les langues française et néerlandaise dans lesquelles la présente loi sera traduite par les soins du (Ministre) ainsi que les modalités de la diffusion des traductions, sans préjudice des dispositions prévues aux articles 32 et 33 de la loi du 10 juillet 1973 relative au Conseil de la communauté culturelle allemande. <L 1996-07-15/33, art. 4, 012; En vigueur : 16-12-1996>
Art. 79quater. [1 § 1. [2 De rechter die overgaat tot een veroordeling op basis van de artikelen 79bis, 79ter of 79ter-bis of die de schuld vaststelt voor een inbreuk op deze bepalingen, kan ook de nietigheid van het huwelijk, van de wettelijke samenwoning of van de erkenning uitspreken, op vordering van de procureur des Konings of van enige in het geding belanghebbende partij.]2
   § 2. [2 Een vonnis kan aan de echtgenoten, aan de wettelijk samenwonenden, aan de erkenner, aan de persoon die zijn voorafgaande toestemming in een erkenning heeft gegeven of aan het erkende kind slechts worden tegengeworpen, indien zij in het geding partij zijn geweest of daarin zijn geroepen.
   Het openbaar ministerie kan de echtgenoot, de wettelijk samenwonende, de erkenner, de persoon die toestemt in de erkenning of het erkende kind dat geen partij is in het geding, gedwongen laten tussenkomen.]2

   De tussenkomst verleent hen de hoedanigheid van partij in het geding. Deze partijen kunnen de rechtsmiddelen aanwenden.
   De tussenkomst wordt ingesteld vanaf het begin van het geding zodat de partijen hun rechten met betrekking tot de nietigheid van het huwelijk [2 , van de wettelijke samenwoning of van de erkenning]2 kunnen doen gelden.
  [2 Artikel 331sexies van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op deze paragraaf.]2
   § 3. Elk exploot van betekening van een vonnis of arrest betreffende de nietigheid van een huwelijk [2 , een wettelijke samenwoning of een erkenning,]2 wordt door de optredende gerechtsdeurwaarder onmiddellijk in afschrift meegedeeld aan de griffier van het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken.
   § 4. [3 Wanneer de nietigheid van het huwelijk is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens van het vonnis of arrest naar de DABS, met vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden.
   De DABS maakt op basis hiervan een melding op en verbindt deze met de huwelijksakte.
  [5 De nietigverklaring, met vermelding van de datum van het in kracht van gewijsde treden van de rechterlijke beslissing, wordt onmiddellijk via de DABS aan de Dienst Vreemdelingenzaken genotificeerd.]5
   De griffier brengt de partijen hiervan onmiddellijk in kennis.]3

   § 5. Wanneer de nietigheid van de wettelijke samenwoning is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, stuurt de griffier, onverwijld, een uittreksel bevattende het beschikkende gedeelte en de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden van het vonnis of het arrest aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de verklaring van wettelijke samenwoning werd afgelegd en aan de Dienst Vreemdelingenzaken.
   De griffier brengt de partijen hiervan in kennis.
   De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt onverwijld melding van de nietigverklaring van de wettelijke samenwoning in het bevolkingsregister]1

  [2 § 6. [3 [4 Wanneer de nietigheid van de erkenning is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van nietigverklaring en de gewijzigde akten van de burgerlijke stand van het kind en van zijn afstammelingen ten gevolge van de rechterlijke beslissing via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand, met de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden ervan.
   De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand maakt op basis hiervan de akte van nietigverklaring op, verbindt deze met de akte van erkenning en wijzigt de akten van de burgerlijke stand van het kind en van zijn afstammelingen, overeenkomstig afdeling 6 van boek I, titel II, hoofdstuk 1, van het Burgerlijk Wetboek.]4

  [5 De nietigverklaring, met vermelding van de datum van het in kracht van gewijsde treden van de rechterlijke beslissing wordt onmid-dellijk via de DABS aan de Dienst Vreemdelingenzaken genotificeerd.]5
   De griffier brengt de partijen hiervan onmiddellijk in kennis.]3
]2

  
Art.93. Sont abrogés :
  1° l'article 13 du Code civil;
  2° la loi du 27 avril 1865 qui abroge la loi du 20 mai 1837 relative à la réciprocité internationale en matière de successions et de donations, et qui remplace les articles 726 et 912 du Code civil;
  3° l'article 10 de la loi du 27 novembre 1891 pour la répression du vagabondage et de la mendicité;
  4° la loi du 28 mars 1952 sur la police des étrangers, modifiée par les lois du 31 mai 1961, du 30 avril 1964 et du 1er avril 1969;
  5° le décret du 20 juillet 1808 " concernant les Juifs qui n'ont pas de nom de famille ni de prénom ".
Art.81. De misdrijven tegen deze wet (en tegen de artikelen 433quinquies tot 433octies en 433decies tot 433duodecies van het Strafwetboek) worden opgespoord en vastgesteld door alle officieren van gerechtelijke politie, met inbegrip van diegenen wier bevoegdheid beperkt is, (door de ambtenaren van de federale en van de lokale politie), door de (ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken) en van het Bestuur der Douanen en Accijnzen, door de inspecteurs van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en van het Ministerie van Middenstand, alsmede door de inspecteurs van de Rijksdienst voor [1 Sociale]1 Zekerheid [1 ...]1. <W 1996-07-15/33, art. 64, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996> <W 2002-08-02/45, art. 6, 024; Inwerkingtreding : 29-08-2002> <W 2005-08-10/61, art. 34, 038; Inwerkingtreding : 12-09-2005>
  Zij verzamelen de bewijzen van de misdrijven en leveren de daders ervan over aan de rechterlijke overheden overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.
  [2 Zij bezorgen de minister of zijn gemachtigde alle documenten en inlichtingen die nuttig zijn voor het uitoefenen van zijn taken.]2
  [2 De in het vorig lid bedoelde documenten of inlichtingen kunnen eveneens worden bezorgd door de inspecteurs van het Vlaamse Ministerie voor Werk en Sociale Economie, de inspecteurs van de "Direction générale opérationnelle Economie, Emploi et Recherche" van de Waalse overheid, de inspecteurs van de Directie van de Gewestelijke Arbeidsinspectie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en de inspecteurs van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap, afdeling werk.]2
  
Art.94. Par dérogation à la présente loi et pour une durée maximum d'un an à partir de sa publication, le Roi détermine les conditions d'accès au territoire, de séjour, d'établissement et d'éloignement des gens de mer étrangers.
Art. 81. De misdrijven tegen deze wet (en tegen de artikelen 433quinquies tot 433octies en 433decies tot 433duodecies van het Strafwetboek) worden opgespoord en vastgesteld door alle officieren van gerechtelijke politie, met inbegrip van diegenen wier bevoegdheid beperkt is, (door de ambtenaren van de federale en van de lokale politie), door de (ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken) en van het Bestuur der Douanen en Accijnzen, door de inspecteurs van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en van het Ministerie van Middenstand, alsmede door de inspecteurs van de Rijksdienst voor [1 Sociale]1 Zekerheid [1 ...]1. <W 1996-07-15/33, art. 64, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996> <W 2002-08-02/45, art. 6, 024; Inwerkingtreding : 29-08-2002> <W 2005-08-10/61, art. 34, 038; Inwerkingtreding : 12-09-2005>
  Zij verzamelen de bewijzen van de misdrijven en leveren de daders ervan over aan de rechterlijke overheden overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.
  [2 Zij bezorgen de minister of zijn gemachtigde alle documenten en inlichtingen die nuttig zijn voor het uitoefenen van zijn taken.]2
  [2 De in het vorig lid bedoelde documenten of inlichtingen kunnen eveneens worden bezorgd door de inspecteurs van het Vlaamse Ministerie voor Werk en Sociale Economie, de inspecteurs van de "Direction générale opérationnelle Economie, Emploi et Recherche" van de Waalse overheid, de inspecteurs van de Directie van de Gewestelijke Arbeidsinspectie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en de inspecteurs van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap, afdeling werk.]2
  
Art. 94/1. [1 Chaque année, le ministre ou son délégué établit un rapport d'activités sur les différents domaines d'action de l'Office des étrangers. Ce rapport contient également des informations sur les décisions prises par le ministre ou par son délégué dans le cadre des pouvoirs discrétionnaires dont il dispose, en particulier en ce qui concerne les données statistiques qualitatives et quantitatives relatives aux demandes de titres de séjour. Ce rapport d'activités est transmis à la Chambre des représentants.]1
  
Art. 81/1. [1 § 1. Wanneer de procureur des Konings in het kader van een opsporing van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4, van het Wetboek van strafvordering vaststelt dat een persoon in illegaal verblijf niet in staat is zijn identiteit te bewijzen of daartoe geen medewerking verleent, valse documenten gebruikt of zich een valse naam aanmatigt, kan hij een officier van gerechtelijke politie van de Dienst Vreemdelingenzaken machtigen een zoeking in een informaticasysteem dat in beslag is genomen uit te voeren, overeenkomstig artikel 39bis, § 2, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, uitsluitend met het oog op de vaststelling van de identiteit en de nationaliteit van de betrokken persoon, en indien de overige middelen van onderzoek niet lijken te volstaan om het beoogde doel te bereiken.
   De door de officier van gerechtelijke politie van de Dienst Vreemdelingenzaken verwerkte gegevens in het kader van de in het eerste lid bedoelde zoeking zijn toereikend, ter zake dienend en niet overmatig om het beoogde doel te bereiken.
   Het resultaat van de zoeking en de bewijselementen die door de officier van gerechtelijke politie van de Dienst Vreemdelingenzaken worden verzameld, worden via een proces-verbaal overgezonden aan de procureur des Konings die de zoeking heeft bevolen.
   Indien de officier van gerechtelijke politie van de Dienst Vreemdelingenzaken de identiteit en de nationaliteit van een persoon vaststelt die geregistreerd is in de Algemene Nationale Gegevensbank bedoeld in artikel 44/7 van de wet op de het politieambt, worden deze gegevens ook meegedeeld aan de gegevensbank om deze te actualiseren.
   § 2. De Dienst Vreemdelingenzaken houdt een register bij van de zoekingen bedoeld in paragraaf 1. Dit register bevat:
   1° een afschrift van de machtiging van de bevoegde magistraat;
   2° een afschrift van het proces-verbaal bedoeld in paragraaf 1;
   3° alle informatie die tijdens de zoeking bedoeld in paragraaf 1 werd aangetroffen en relevant is voor de in paragraaf 1 bedoelde finaliteit;
   4° in voorkomend geval, de datum van kennisname van de in het register opgenomen informatie, alsook de namen van de personen die er kennis van genomen hebben.
   De informatie opgenomen in het register wordt bewaard gedurende een termijn van tien jaar.
   De directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingen-zaken is, in de zin van artikel 4, punt 7), van de Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG van de gegevens in het register bedoeld in het eerste lid, de gegevensverwerkingsverantwoordelijke. Enkel de officieren van gerechtelijke politie van de Dienst Vreemdelingenzaken die de zoeking bedoeld in paragraaf 1 verricht hebben, hebben toegang tot het register.
  [2 § 3. De Koning wijst vijf ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken aan die bekleed worden met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings. Het aantal van vijf kan door de Koning worden verhoogd of verlaagd na advies van het College van procureurs-generaal.
   Om, met toepassing van het eerste lid, te worden bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, voldoen de ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken aan de volgende voorwaarden:
   1° minstens de graad van attaché hebben;
   2° een beroepservaring van ten minste vijf jaar, inzake het identificeren van illegaal verblijvende vreemdelingen, kunnen aantonen en de in het derde lid bedoelde opleiding gevolgd hebben;
   3° geen politiek mandaat bekleden;
   4° niet veroordeeld geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot een correctionele of criminele straf bestaande uit een boete, een werkstraf of een gevangenisstraf, behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de regelgeving betreffende de politie over het wegverkeer;
   5° in het bezit zijn van een geldig positief veiligheidsadvies conform de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst.
   De Koning bepaalt de voorwaarden betreffende de ervaring en de opleiding van deze ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken.
   Om hun bevoegdheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, te kunnen uitoefenen, leggen de in het eerste lid bedoelde ambtenaren, in handen van de procureur-generaal te Brussel, de eed af in de volgende bewoordingen: "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk en het mij opgedragen ambt trouw waar te nemen."]2

   § 4. De bevoegdheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, toegekend aan de in paragraaf 3 bedoelde ambtenaren, beperkt zich tot de in paragraaf 1 bepaalde bevoegdheid, en kan slechts uitgeoefend worden met de machtiging van een procureur des Konings in het kader van een opsporing van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4, van het Wetboek van strafvordering, en met de in paragraaf 1 bepaalde beperkte finaliteit.
   In de uitoefening van hun opdrachten staan ze onder het toezicht van de procureur-generaal, overeenkomstig artikel 367 van het Wetboek van strafvordering.
   Zij kunnen hun bevoegdheid over het gehele grondgebied van het Rijk uitoefenen.]1

  
Art.95. La présente loi entre en vigueur à la date qui sera fixée par le Roi et au plus tard le premier jour du septième mois suivant celui au cours duquel elle aura été publiée.
Art. 81/1.[1 § 1. Wanneer de procureur des Konings in het kader van een opsporing van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4, van het Wetboek van strafvordering vaststelt dat een persoon in illegaal verblijf niet in staat is zijn identiteit te bewijzen of daartoe geen medewerking verleent, valse documenten gebruikt of zich een valse naam aanmatigt, kan hij een officier van gerechtelijke politie van de Dienst Vreemdelingenzaken machtigen een zoeking in een informaticasysteem dat in beslag is genomen uit te voeren, overeenkomstig artikel 39bis, § 2, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, uitsluitend met het oog op de vaststelling van de identiteit en de nationaliteit van de betrokken persoon, en indien de overige middelen van onderzoek niet lijken te volstaan om het beoogde doel te bereiken.
Annexe.
Art.82. In het Belgisch Staatsblad worden in hun geheel bekendgemaakt :
  1° de besluiten waarbij (de Minister)de in deze wet bepaalde opdrachten van bevoegdheid verleent; <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  2° de besluiten waarbij de Koning aan sommige categorieën van vreemdelingen de in artikel 5 bedoelde vrijstelling verleent;
  3° de lijst welke de Koning overeenkomstig artikel 33, derde lid, opmaakt.
Art. N. <L 2007-04-25/49, art. 46, 046; En vigueur : 01-06-2008> - Maladies pouvant mettre en danger la santé publique :
  1. maladies quarantenaires visées dans le [1 règlement sanitaire international de l'Organisation mondiale de la Santé, signé à Genève le 23 mai 2005]1;
  2. tuberculose de l'appareil respiratoire active ou à tendance évolutive;
  3. autres maladies infectieuses ou parasitaires contagieuses pour autant qu'elles fassent, en Belgique, l'objet de dispositions de protection à l'égard des nationaux.
  
Art. 82. In het Belgisch Staatsblad worden in hun geheel bekendgemaakt :
  1° de besluiten waarbij (de Minister)de in deze wet bepaalde opdrachten van bevoegdheid verleent; <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
  2° de besluiten waarbij de Koning aan sommige categorieën van vreemdelingen de in artikel 5 bedoelde vrijstelling verleent;
  3° de lijst welke de Koning overeenkomstig artikel 33, derde lid, opmaakt.
Art. 5 DROIT FUTUR. [1 § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers qui vient en Belgique pour un séjour n'excédant pas nonante jours et qui ne loge pas dans une maison d'hébergement soumise à la législation relative au contrôle des voyageurs communique son adresse de résidence dans les trois jours ouvrables de son entrée dans le Royaume, soit par voie électronique à l'Office des étrangers, soit en personne auprès de l'administration communale de son lieu de résidence. Le Roi peut dispenser certaines catégories d'étrangers de cette obligation.
   Le ressortissant d'un pays tiers visé à l'alinéa 1er, qui possède un titre de séjour ou un visa de longue durée délivré par un autre Etat membre, communique son adresse de résidence en personne auprès de l'administration communale de son lieu de résidence dans les trois jours ouvrables de son entrée dans le Royaume.
   Le Roi détermine les modalités de notification à l'Office des étrangers, ainsi que les modalités de notification auprès de l'administration communale et le modèle de l'attestation faisant foi de celle-ci. Quand l'administration communale délivre à l'étranger une telle attestation comme preuve de la notification, elle communique les données à caractère personnel qui y sont contenues à l'Office des étrangers.
   § 2. L'Office des étrangers peut traiter les données à caractère personnel obtenues conformément au paragraphe 1er pour les finalités mentionnées dans l'article 2/2, § 1er, alinéa 1er, 2°, et notamment en vue de l'application de l'article 7.
   La durée de conservation administrative de ces données par l'Office des étrangers ou par la commune est de cinq ans. Leur destination finale est déterminée conformément à l'article 5 de la loi du 24 juin 1955 relative aux archives.]1

  
Art.84. Artikel 11 van het Burgerlijk Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
Chapitre 5. - La procédure
Art. 84. Artikel 11 van het Burgerlijk Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
Section Ire. - Dispositions communes.
Art.86. Artikel 912 van hetzelfde Wetboek, opgeheven door de wet van 27 april 1865, wordt door de volgende bepaling vervangen :
  " Artikel 912. - Ingeval van verdeling van een erfenis die goederen bevat gelegen op het grondgebied van een vreemde Staat, zullen de medeërfgenamen, niet-onderdanen van die Staat, van de in België gelegen goederen een deel vooraf nemen, dat gelijk is aan dat der vreemde goederen waarvan zij, uit welken hoofde ook, krachtens de plaatselijke wetten en gewoonten zouden zijn uitgesloten ".
Art. 39/56. Les recours visés à l'article 39/2 peuvent être portés devant le Conseil par l'étranger justifiant d'une lésion ou d'un intérêt.
  Le Ministre ou son délégué peut introduire un recours à l'encontre d'une décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, s'il l'estime contraire à la loi ou aux arrêtés royaux qui y sont afférents.
  Les parties peuvent se faire représenter ou assister par des avocats inscrits au tableau de l'Ordre des Avocats ou sur la liste des stagiaires ainsi que, selon les dispositions du Code judiciaire, par les ressortissants d'un Etat membre de l'Union européenne qui sont habilités à exercer la profession d'avocat.
  Sans préjudice de cette possibilité, lorsqu'un recours est introduit contre une décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, cette partie est représentée par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, par un des adjoints ou par un délégué que le Commissaire général désigne à cette fin.
Art. 86. Artikel 912 van hetzelfde Wetboek, opgeheven door de wet van 27 april 1865, wordt door de volgende bepaling vervangen :
  " Artikel 912. - Ingeval van verdeling van een erfenis die goederen bevat gelegen op het grondgebied van een vreemde Staat, zullen de medeërfgenamen, niet-onderdanen van die Staat, van de in België gelegen goederen een deel vooraf nemen, dat gelijk is aan dat der vreemde goederen waarvan zij, uit welken hoofde ook, krachtens de plaatselijke wetten en gewoonten zouden zijn uitgesloten ".
Art. 39/57. [2 § 1er.]2 [1 Les recours visés à l'article 39/2 sont introduits par requête, dans les trente jours suivant la notification de la décision contre laquelle ils sont dirigés.
   [5 La requête est introduite dans les [6 dix jours]6 de la notification de la décision contre laquelle il est dirigé :
   1° lorsque le recours est introduit par un étranger qui se trouve, au moment de la notification de la décision, dans un lieu déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou qui est mis à la disposition du gouvernement;
   2° lorsque le recours est dirigé [6 contre une décision visée à l'article 57/6/1, § 1er, alinéas 2 en 3]6;
   3° [6 lorsque le recours est dirigé contre une décision d'irrecevabilité visée à l'article 57/6, § 3, alinéa 1er. La requête est toutefois introduite dans les cinq jours suivant la notification de la décision contre laquelle elle est dirigée lorsqu'il s'agit d'une décision d'irrecevabilité prise sur la base de l'article 57/6, § 3, alinéa 1er, 5°, et que l'étranger se trouve, au moment de sa demande, dans un endroit déterminé visé aux articles 74/8 et 74/9 ou qu'il est mis à la disposition du gouvernement.]6]5
]1

  [4 La demande visée à l'article 39/82, § 4, alinéa 2, est introduite, par requête, dans les dix jours suivant la notification de la décision contre laquelle elle est dirigée. Lorsque qu'il s'agit d'une deuxième mesure d'éloignement ou de refoulement, le délai est réduit à cinq jours.]4
  [2 § 2. Les délais de recours visés au § 1er commencent à courir :
   1° lorsque la notification est effectuée par pli recommandé contre accusé de réception, le premier jour qui suit celui où le courrier a été présenté au domicile du destinataire, ou, le cas échéant, à sa résidence ou à son domicile élu;
   2° lorsque la notification est effectuée par pli recommandé ou par courrier ordinaire, le troisième jour ouvrable qui suit celui où le courrier a été remis aux services de la poste, sauf preuve contraire du destinataire;
   3° lorsque la notification est effectuée contre accusé de réception, le premier jour qui suit la délivrance ou le refus de réception;
   4° lorsque la notification est effectuée par télécopieur [3 ou par toute autre voie de notification autorisée par la présente loi et non prévue dans le présent alinéa]3 , le premier jour qui suit celui de l'envoi.
   Le jour de l'échéance est compris dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable.
   Pour l'application de la présente disposition, sont considérés comme jours ouvrables, tous les jours, excepté le samedi, le dimanche ou les jours fériés.]2

  
Art.88. Artikel 4, 4°, tweede lid van de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen wordt door de volgende bepaling vervangen :
  " Het bestuur van de Vereniging mag enkel worden toevertrouwd aan Belgen of aan vreemdelingen die gemachtigd zijn zich in het Rijk te vestigen en ingeschreven zijn in het bevolkingsregister. Zij worden verkozen door de Vereniging zelf onder haar meerderjarige leden en, voor ten minste de drie vierden, onder de werkende leden ".
Art. 39/57-1. [4 § 1er.]4 [1 Les pièces de procédure, ainsi que les notifications, avis et convocations sont envoyés par le Conseil sous pli recommandé à la poste, par porteur contre accusé de réception ou par tout autre mode de signification admis par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres par lequel la date de la notification peut être constatée de manière certaine.
   Pour autant qu'il ne s'agisse pas d'une convocation, les envois peuvent néanmoins se faire par pli ordinaire [5 ...]5 lorsque leur réception ne fait courir aucun délai. [5 ...]5
  [5 ...]5
   Par dérogation à l'alinéa 1er, la notification visée à l'article 39/69 peut avoir lieu par porteur contre accusé de réception [2 [5 ...]5 ou à l'adresse électronique du ministre ou de son délégué.]2]1

  [4 § 2. Toutes les pièces de procédure sont transmises au Conseil selon des modalités déterminées par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres. L'arrêté royal prévoit, entre autres, un mode d'envoi électronique qui garantit la confidentialité et l'efficacité de la communication.]4
  
Art. 88. Artikel 4, 4°, tweede lid van de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen wordt door de volgende bepaling vervangen :
  " Het bestuur van de Vereniging mag enkel worden toevertrouwd aan Belgen of aan vreemdelingen die gemachtigd zijn zich in het Rijk te vestigen en ingeschreven zijn in het bevolkingsregister. Zij worden verkozen door de Vereniging zelf onder haar meerderjarige leden en, voor ten minste de drie vierden, onder de werkende leden ".
Art. 39/58. [1 A l'exception des autorités administratives belges, toute partie à une procédure élit domicile en Belgique dans le premier acte de procédure qu'elle accomplit, sans préjudice de l'article 39/69, § 1er, alinéa 7.
   Toutes notifications, communications et convocations du greffe, sont valablement faites au domicile élu.
   Cette élection de domicile vaut pour tout acte de procédure subséquent.
   Toute modification de domicile élu doit être expressément formulée et communiquée séparément pour chaque recours [2 et de la manière prévue à l'article 39/57-1, § 2,]2 au greffier en chef, en indiquant la référence complète du numéro de rôle du recours concerné par la modification.
   En cas de décès d'une partie, et sauf reprise d'instance, toutes communications et notifications émanant du Conseil sont valablement faites au domicile élu du défunt aux ayants droit collectivement, et sans désignation des noms et qualités.]1

  
Art.90. Artikel 668 van het Gerechtelijk Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Artikel 668. - Rechtsbijstand kan onder dezelfde voorwaarden worden verleend aan :
  a) vreemdelingen, overeenkomstig de internationale verdragen;
  b) onderdanen van een Lid-Staat van de Raad van Europa;
  c) enig ander vreemdeling die op regelmatige wijze in België zijn gewone verblijfplaats heeft;
  d) alle vreemdelingen, in de procedures waarin is voorzien bij de wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ".
Art. 39/59. § 1er. Lorsque la partie défenderesse ne transmet pas le dossier administratif dans le délai fixé, (les faits cités par la partie requérante sont réputés prouvés, à moins que ces faits soient manifestement inexacts). <L 2006-12-27/33, art. 134, 1°, 042; En vigueur : 01-12-2006>
  Cette présomption ne s'applique pas en cas d'intervention sur la base de l'article 39/72, § 2.
  La note introduite par la partie défenderesse est écartée d'office des débats lorsqu'elle n'est pas introduite [1 dans le délai fixé ]1.
  § 2. Toutes les parties comparaissent ou sont représentées à l'audience.
  Lorsque la partie requérante ne comparaît pas, ni n'est représentée, la requête est rejetée. Les autres parties qui ne comparaissent ni ne sont représentées sont censées acquiescer à la demande ou au recours. (Toute notification) d'une ordonnance de fixation d'audience fait mention du présent paragraphe. <L 2006-12-27/33, art. 134, 2°, 042; En vigueur : 01-12-2006>
  
Art. 90. Artikel 668 van het Gerechtelijk Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Artikel 668. - Rechtsbijstand kan onder dezelfde voorwaarden worden verleend aan :
  a) vreemdelingen, overeenkomstig de internationale verdragen;
  b) onderdanen van een Lid-Staat van de Raad van Europa;
  c) enig ander vreemdeling die op regelmatige wijze in België zijn gewone verblijfplaats heeft;
  d) alle vreemdelingen, in de procedures waarin is voorzien bij de wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ".
Art. 39/60. La procédure est écrite.
  Les parties et leur avocat peuvent exprimer leurs remarques oralement à l'audience. Il ne peut être invoqué d'autres moyens que ceux exposés dans la requête ou dans la note.
Art.92. De Koning bepaalt in welke andere talen dan het Nederlands en het Frans deze wet door toedoen van (de Minister) zal worden vertaald, alsmede de nadere regelen voor het verspreiden van de vertalingen, onverminderd de bepalingen voorzien in de artikelen 32 en 33 van de wet van 10 juli 1973 betreffende de Raad van de Duitse Cultuurgemeenschap. <W 1996-07-15/33, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 16-12-1996>
Art. 39/61. Les parties et leurs avocats peuvent consulter le dossier au greffe durant le délai fixé dans l'ordonnance de fixation d'audience.
Art.93. Opgeheven worden :
  1° artikel 13 van het Burgerlijk Wetboek;
  2° de wet van 27 april 1865 houdende opheffing van de wet van 20 mei 1837 betreffende de internationale wederkerigheid inzake erfenissen en schenkingen, die de artikelen 726 en 912 van het Burgerlijk Wetboek vervangt;
  3° artikel 10 van de wet van 27 november 1891 ter beteugeling van de landloperij en de bedelarij;
  4° de wet van 28 maart 1952 op de vreemdelingenpolitie, gewijzigd bij de wetten van 31 mei 1961, 30 april 1964 en 1 april 1969;
  5° het decreet van 20 juli 1808 " concernant les Juifs qui n'ont pas de nom de famille ni de prénom ".
Art. 39/62. Le Conseil correspond directement avec les parties.
  Il est habilité à se faire remettre par ces parties toutes les pièces et informations concernant les affaires sur lesquelles il doit se prononcer.
Art. 93. Opgeheven worden :
  1° artikel 13 van het Burgerlijk Wetboek;
  2° de wet van 27 april 1865 houdende opheffing van de wet van 20 mei 1837 betreffende de internationale wederkerigheid inzake erfenissen en schenkingen, die de artikelen 726 en 912 van het Burgerlijk Wetboek vervangt;
  3° artikel 10 van de wet van 27 november 1891 ter beteugeling van de landloperij en de bedelarij;
  4° de wet van 28 maart 1952 op de vreemdelingenpolitie, gewijzigd bij de wetten van 31 mei 1961, 30 april 1964 en 1 april 1969;
  5° het decreet van 20 juli 1808 " concernant les Juifs qui n'ont pas de nom de famille ni de prénom ".
Art. 39/63. Lorsque le Conseil fait appel à l'assistance d'un interprète, celui-ci prête serment dans les termes suivants : "Je jure de traduire fidèlement les discours à transmettre entre ceux qui parlent des langages différents".
Art. 94/1. [1 De minister of zijn gemachtigde stelt elk jaar een activiteitenrapport op over de diverse domeinen waarin de Dienst Vreemdelingenzaken actief is. Dit activiteitenrapport bevat tevens de informatie over de beslissingen van de minister of zijn gemachtigde in het kader van de discretionaire bevoegdheden waarover deze beschikt, met name de kwalitatieve en kwantitatieve statistische gegevens van de verzoeken tot verblijfstitels. Dit activiteitenrapport wordt aan de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden.]1
  
Art. 39/64. Les audiences du Conseil sont publiques.
  Lorsque celles-ci se tiennent en application de l'(article 39/77, § 1er, alinéa 3) à l'endroit déterminé où l'étranger se trouve ou à l'endroit où il est mis à la disposition du Gouvernement, la publicité est garantie dans les limites permises par la disposition des lieux. <L 2006-12-27/33, art. 135, 1°, 042; En vigueur : 01-12-2006>
  Le président de chambre ou le juge au contentieux des étrangers peut ordonner d'office ou à la demande d'une des parties que l'audience ait lieu à huis clos.
  Il peut également ordonner le huis clos lorsque le dossier administratif contient des pièces dont il a reconnu, d'office ou à la demande des parties, le caractère confidentiel.
Art. 94/1. [1 De minister of zijn gemachtigde stelt elk jaar een activiteitenrapport op over de diverse domeinen waarin de Dienst Vreemdelingenzaken actief is. Dit activiteitenrapport bevat tevens de informatie over de beslissingen van de minister of zijn gemachtigde in het kader van de discretionaire bevoegdheden waarover deze beschikt, met name de kwalitatieve en kwantitatieve statistische gegevens van de verzoeken tot verblijfstitels. Dit activiteitenrapport wordt aan de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden.]1
  
Art. 39/65. Les décisions du Conseil sont motivées. Elles sont signées par le président et un membre du greffe.
  La décision interlocutoire ou définitive est portée à la connaissance des parties [1 et du ministre ou de son délégué]1 selon les modalités fixées par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres. Cet arrêté royal peut également déterminer les cas dans lesquels une notification du dispositif et de l'objet de la décision aux autorités administratives à la cause suffit, ainsi que la forme et les conditions selon lesquelles cette notification limitée peut avoir lieu et la manière dont ces décisions sont accessibles à cette partie en version intégrale.
  Les décisions du Conseil sont accessibles au public dans les cas, la forme et selon les conditions fixés par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
  Le Conseil en assure la publication dans les cas, la forme et les conditions fixés par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
  
Art. 95. Deze wet treedt in werking op de door de Koning vast te stellen dag en uiterlijk de eerste dag van de zevende maand volgend op die waarin zij is bekendgemaakt.
Art. 39/66. L'article 258 du Code pénal relatif au déni de justice est applicable aux membres du Conseil.
  Les principes régissant la récusation des juges et conseillers de l'ordre judiciaire sont applicables aux membres du Conseil.
Art. N. - Ziekten die de volksgezondheid kunnen bedreigen :
Art. 39/67. Les décisions du Conseil ne sont susceptibles ni d'opposition, ni de tierce opposition, ni de révision. Elles sont uniquement susceptibles du pourvoi en cassation prévu à l'article 14, § 2, des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat.
Art. 5 TOEKOMSTIG RECHT. [1 § 1. De onderdaan van een derde land die naar België komt voor een verblijf van ten hoogste negentig dagen en die niet logeert in een logementenhuis dat onderworpen is aan de wetgeving betreffende de controle der reizigers, meldt binnen drie werkdagen na binnenkomst in het Rijk zijn verblijfsadres, ofwel via elektronische weg aan de Dienst Vreemdelingenzaken ofwel persoonlijk bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats. De Koning kan bepaalde categorieën van vreemdelingen vrijstellen van deze verplichting.
   De onderdaan van een derde land bedoeld in het eerste lid, die in het bezit is van een verblijfsvergunning of een visum lang verblijf afgeleverd door een andere lidstaat, meldt binnen de drie werkdagen na binnenkomst in het Rijk zijn verblijfsadres persoonlijk bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats.
   De Koning bepaalt de wijze van melding aan de Dienst Vreemdelingenzaken, evenals de wijze van melding bij het gemeentebestuur en het model van het attest dat daarvan bewijs levert. Wanneer het gemeentebestuur een dergelijk attest ten bewijze van de melding aflevert aan de vreemdeling deelt het de hierin opgenomen persoonsgegevens mee aan de Dienst Vreemdelingenzaken.
   § 2. De Dienst Vreemdelingenzaken kan de persoonsgegevens die verkregen worden overeenkomstig paragraaf 1 verwerken voor de doeleinden vermeld in artikel 2/2, § 1, eerste lid, 2°, en met name met het oog op de toepassing van artikel 7.
   De administratieve bewaartermijn van deze gegevens door de Dienst Vreemdelingenzaken of door de gemeente bedraagt vijf jaar. Hun definitieve bestemming wordt bepaald overeenkomstig artikel 5 van de archiefwet van 24 juni 1955.]1

  
Art. 39/68. La procédure devant le Conseil du Contentieux des étrangers est fixée par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
  Cet arrêté royal détermine notamment les délais de prescription, qui ne peuvent être inférieurs aux délais fixés dans la présente loi; [1 ...]1; l'octroi du bénéfice du pro deo aux personnes insolvables. Il peut fixer des règles de procédure particulières pour l'examen des requêtes sans objet, ainsi que pour l'examen des requêtes qui ne nécessitent que débats succincts.
  
Art. 41bis TOEKOMSTIG RECHT. [1 § 1. De burger van de Unie die naar België komt voor een verblijf van ten hoogste drie maanden en zijn familieleden die hem begeleiden of vervoegen, die niet logeren in een logementshuis dat onderworpen is aan de wetgeving betreffende de controle op de reizigers, melden binnen de tien werkdagen na binnenkomst in het Rijk hun verblijfsadres, ofwel via elektronische weg aan de Dienst Vreemdelingenzaken, ofwel persoonlijk bij het gemeentebestuur van hun verblijfplaats. De Koning kan bepaalde categorieën van vreemdelingen vrijstellen van deze verplichting.
   De Koning bepaalt de wijze van melding aan de Dienst Vreemdelingenzaken, evenals de wijze van melding bij het gemeentebestuur en het model van attest dat daarvan bewijs levert. Wanneer het gemeentebestuur een dergelijk attest ten bewijze van de melding aflevert aan de vreemdeling deelt het de hierin opgenomen persoonsgegevens mee aan de Dienst Vreemdelingenzaken.
   § 2. De Dienst Vreemdelingenzaken kan de persoonsgegevens die verkregen worden overeenkomstig paragraaf 1 verwerken voor de doeleinden vermeld in artikel 2/2, § 1, eerste lid, 2°, en in het bijzonder met het oog op de toepassing van de artikelen 44ter en 44septies.
   De administratieve bewaartermijn van deze gegevens door de Dienst Vreemdelingenzaken of door de gemeente bedraagt vijf jaar. Hun definitieve bestemming wordt bepaald overeenkomstig artikel 5 van de archiefwet van 24 juni 1955.]1

  
Art. 39/68-1. [1 § 1er. Un droit de rôle de [3 251 euros]3 est dû lorsque les conditions cumulatives suivantes sont remplies :
   1° la partie requérante ne jouit pas du bénéfice du pro deo;
   2° il s'agit :
   -soit, d'un recours introduit à l'encontre d'une décision du Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou de l'un de ses adjoints,
   - soit, d'un recours en annulation introduit à l'encontre d'une décision individuelle prise en application des lois sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, ainsi que des demandes de suspension de l'exécution d'une telle décision, dans les conditions fixées par l'alinéa 2.
   Lorsque la suspension de l'exécution d'une décision est demandée, le droit, fixé à l'alinéa 1er, n'est dû immédiatement que pour la demande de suspension. Dans ce cas, le droit n'est dû pour la requête en annulation que lors de l'introduction d'une demande de poursuite de la procédure, visée à l'article 39/82, § 6, et est acquittée par la ou les personnes qui demandent la poursuite de la procédure, sans préjudice du § 3.
   Les requêtes en intervention visées à l'article 39/72, § 2, donnent lieu au paiement d'un droit de rôle de [3 180 euros]3.
   § 2. Si le greffier en chef ou le greffier qu'il désigne constate que la partie requérante demande dans la requête l'application du bénéfice du pro deo, sans qu'elle ait joint à la requête les pièces prévues à l'article 39/69, § 1er, alinéa 2, 8°, il adresse à la partie requérante une lettre qui indique les pièces qui manquent et qui demande à cette partie de régulariser sa requête dans les huit jours.
   La partie requérante qui régularise sa requête dans les huit jours après la réception de la demande visée à l'alinéa 1er, est censée avoir joint les pièces requises à la requête à la date de l'envoi de la requête.
   Une requête qui n'est pas régularisée ou qui est régularisée de manière incomplète ou tardive , est censée impliquer que, sans préjudice de l'application de l'article 39/69, § 1er, alinéa 3, la partie requérante renonce à sa demande de bénéficier du pro deo. (NOTE : par son arrêt n° 88/2012 du 12-07-2012 (non encore publié au M.B), la Cour constitutionnelle a annulé dans cet article, les mots en italique)
   § 3. Le président de chambre ou le juge qu'il a désigné décide par ordonnance que le droit de rôle est dû et en détermine le montant.
   L'appréciation des conditions déterminées au § 1er, alinéa 1er, s'effectue sur la base de la requête et des pièces y jointes en vertu de l'article 39/69, § 1er, alinéa 1er.
   La décision relative au droit de rôle est prise sans procédure et n'est pas susceptible d'aucun recours.
   § 4. Les requêtes collectives donnent lieu au paiement du droit autant de fois qu'il y a de requérants et de décisions attaquées. (NOTE : par son arrêt n° 88/2012 du 12-07-2012 (non encore publié au M.B), la Cour constitutionnelle a annulé dans cet article, les mots en italique)
   § 5. Le droit de rôle est avancé par la partie requérante. Le paiement est effectué dans un délai de huit jours, qui prend cours le jour où le greffier en chef informe la personne concernée que le droit de rôle est dû et où cette personne est également informée du montant dû.
   Si le montant n'est pas versé dans le délai fixé à l'alinéa 1er, le recours n'est pas inscrit au rôle. Le paiement tardif ne peut être régularisé. Si le paiement est effectué à temps, le recours est inscrit au rôle et le délai visé à l'article 39/76, § 3, prend cours.
   Par dérogation à l'alinéa 2, le droit de rôle dû doit, lorsque l'extrême urgence est invoquée dans la demande de suspension, accompagnée d'un recours en annulation, être payé au moment où la poursuite de la procédure est demandée, étant bien entendu que la demande de suspension en soi ne donne pas lieu à la quittance du droit au cas où la suspension est accordée.
   Si, en application de l'article 39/82, § 3, alinéa 1er, la demande de suspension se limite uniquement à une demande de suspension d'extrême urgence et si la demande de suspension n'est pas accordée, le droit de rôle pour cette demande de suspension est dû lors de l'introduction d'une requête en annulation.
   § 6. Le Conseil détermine le droit de rôle et se prononce sur la contribution au paiement de celui-ci. Si le recours en annulation est accompagné ou précédé d'une demande de suspension, le droit dû pour la requête en annulation est mis à charge de la partie qui succombe au fond.
   § 7. Le Roi adapte les montants visés au § 1er en fonction de l'évolution de l'indice des prix à la consommation.
   § 8. Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le mode de recouvrement des droits fixés par la présente disposition.]1

  
Art. 42octies TOEKOMSTIG RECHT. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/49, art. 32, Inwerkingtreding : 01-06-2008> § 1. De beslissing waarbij de administratieve geldboete, bedoeld in de artikelen 41, vierde lid, [1 ...]1 42, § 4, tweede lid, en 42quinquies, § 6, derde lid, wordt opgelegd is onmiddellijk uitvoerbaar, niettegenstaande hoger beroep.
  De administratieve geldboete kan betaald worden door middel van de consignatie van het verschuldigde bedrag bij de Deposito- en Consignatiekas.
  § 2. De burger van de Unie, of in voorkomend geval zijn familielid, die de beslissing van de minister of van diens gemachtigde betwist, stelt op straffe van verval binnen een termijn van één maand te rekenen van de kennisgeving van de beslissing, bij wege van een verzoekschrift beroep in bij de rechtbank van eerste aanleg.
  Indien de rechtbank van eerste aanleg het beroep ontvankelijk en gegrond verklaart, wordt de betaalde of in consignatie gegeven som teruggegeven.
  De rechtbank van eerste aanleg moet uitspraak doen binnen een maand te rekenen van de indiening van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift.
  De tekst van het eerste lid wordt opgenomen in de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd.
  § 3. Indien de burger van de Unie of zijn familielid in gebreke blijft de geldboete te betalen, wordt de beslissing van de bevoegde ambtenaar of de in kracht van gewijsde gegane beslissing van de rechtbank van eerste aanleg ter kennis gebracht van de administratie van het Kadaster, Registratie en Domeinen, met het oog op de invordering van het bedrag van de administratieve geldboete.
  § 4. Indien de burger van de Unie of zijn familielid of diens vertegenwoordiger de som van de administratieve geldboete heeft geconsigneerd bij de Deposito- en Consignatiekas en indien hij binnen de hierboven vermelde termijn geen beroep heeft ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg, komt de in consignatie gegeven som ten goede aan de Staat.
  
Art. 39/68-1bis DROIT FUTUR.    [1 § 1er. Sauf si elle en est dispensée, la partie requérante est tenue de payer la contribution visée à l'article 4, § 4, de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne.
   Lorsque la suspension de l'exécution d'une décision est demandée, la contribution visée à l'alinéa 1er n'est due immédiatement que pour la demande de suspension. Dans ce cas, la contribution n'est due pour la requête en annulation que lors de l'introduction d'une demande de poursuite de la procédure, visée à l'article 39/82, § 6, et est acquittée par la ou les personnes qui demandent la poursuite de la procédure, sans préjudice du paragraphe 3.
   § 2. Si le greffier en chef ou le greffier qu'il désigne constate que la partie requérante demande dans la requête à être dispensée du paiement de la contribution, prévue à l'article 4, § 4, alinéa 4, de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne, sans qu'elle ait joint à la requête les pièces prévues à l'article 39/69, § 1er, alinéa 2, 9°, il adresse à la partie requérante une lettre qui indique les pièces manquantes et qui demande à cette partie de régulariser sa requête dans les huit jours.
   La partie requérante qui régularise sa requête dans les huit jours suivant la réception de la demande visée à l'alinéa 1er est réputée avoir joint les pièces requises à la requête à la date de l'envoi de la requête.
   La partie requérante qui ne régularise pas sa requête dans les huit jours suivant la réception de la demande visée à l'alinéa 1er ou qui la régularise de manière incomplète est réputée avoir renoncé à sa demande d'être dispensée du paiement de la contribution, sans préjudice de l'application de l'article 39/69, § 1er, alinéa 3.
   § 3. Le président de chambre ou le juge qu'il a désigné décide par ordonnance si une contribution est due et en détermine le montant.
   L'appréciation des conditions déterminées à l'article 4, § 4, de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne s'effectue sur la base de la requête et des pièces y jointes en vertu de l'article 39/69, § 1er, alinéa 2.
   La décision relative à la contribution est prise sans procédure et n'est susceptible d'aucun recours.
   § 4. Le paiement est effectué dans un délai de huit jours, qui prend cours le jour où le greffier en chef informe la personne concernée que la contribution visée à l'article 4, § 4, de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne est due et où cette personne est également informée du montant dû.
   Si ce montant n'est pas versé dans le délai fixé à l'alinéa 1er, le recours n'est pas inscrit au rôle. Le paiement tardif ne peut être régularisé. Sans préjudice de l'application de l'article 39/68-1, § 5, alinéa 2, le recours est inscrit au rôle et le délai visé à l'article 39/76, § 3, prend cours si le paiement est effectué à temps.
   Par dérogation au paragraphe 2 et au paragraphe 4, alinéa 1er, la preuve de la dispense ou du paiement doit être déposée au plus tard à l'audience lorsqu'il est fait application des procédures accélérées prévues aux articles 39/77 et 39/77/1.
   Par dérogation à l'alinéa 2, le montant doit, lorsque l'extrême urgence est invoquée dans la demande de suspension, accompagnée d'un recours en annulation, être payé au moment où la poursuite de la procédure est demandée.
   Si, en application de l'article 39/82, § 3, alinéa 1er, la demande de suspension se limite uniquement à une demande de suspension d'extrême urgence, le montant pour cette demande de suspension est dû lors de l'introduction d'une requête en annulation.
   § 5. Le Roi fixe les modalités de recouvrement de la contribution au fonds d'aide juridique de deuxième ligne.]1

  
Art. N. <W 2007-04-25/49, art. 46, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2008> - Ziekten die de volksgezondheid kunnen bedreigen :
  1. tot quarantaine aanleiding gevende ziekten vermeld in [1 het internationaal gezondheidsreglement van de Wereldgezondheidsorganisatie, ondertekend in Genève op 23 mei 2005]1;
  2. tuberculose van de luchtwegen, in een actief stadium of met ontwikkelingstendensen;
  3. andere besmettelijke door infectie of parasieten veroorzaakte ziekten, voorzover zij in België onder beschermende bepalingen ten aanzien van de inwoners vallen.
  
Art. 41bis DROIT FUTUR. [1 § 1er. Le citoyen de l'Union qui vient en Belgique pour un séjour n'excédant pas trois mois et les membres de sa famille qui l'accompagnent ou le rejoignent, qui ne logent pas dans une maison d'hébergement soumise à la législation relative au contrôle des voyageurs, communiquent leur adresse de résidence dans les dix jours ouvrables de leur entrée dans le Royaume, soit par voie électronique à l'Office des étrangers, soit en personne auprès de l'administration communale de leur lieu de résidence. Le Roi peut dispenser certaines catégories d'étrangers de cette obligation.
   Le Roi détermine les modalités de notification à l'Office des étrangers, ainsi que les modalités de notification à l'administration communale et le modèle de l'attestation faisant foi de celle-ci. Quand l'administration communale délivre à l'étranger une telle attestation comme preuve de la notification, elle communique les données à caractère personnel qui y sont contenues à l'Office des étrangers.
   § 2. L'Office des étrangers peut traiter les données à caractère personnel obtenues conformément au paragraphe 1er pour les finalités mentionnées dans l'article 2/2, § 1er, alinéa 1er, 2°, et notamment en vue de l'application des articles 44ter et 44septies.
   La durée de conservation administrative de ces données par l'Office des étrangers ou par la commune est de cinq ans. Leur destination finale est déterminée conformément à l'article 5 de la loi du 24 juin 1955 relative aux archives.]1