Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
4 NOVEMBER 1963. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte [verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen]. <KB 1993-02-28/33, art. 1, 110; Inwerkingtreding : 09-03-1993> (NOTA 1 : De woorden " Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen " worden vervangen door de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding " ; zie KB2004-10-18/32, art. 38 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-01-1984 en tekstbijwerking tot 20-10-2004)
Titre
4 NOVEMBRE 1963. - Arrêté royal portant exécution de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire [soins de santé et indemnités.] <AR 1993-02-28/33, art. 1, 110; En vigueur : 09-03-1993> (NOTE 1 : les mots " Caisse des soins de santé de la Société nationale des Chemins de fer belges " sont remplacés par les mots " Caisse des soins de santé de la S.N.C.B. Holding " ; voir AR2004-10-18/32, art. 38 ; En vigueur : 01-01-2005) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-01-1984 et mise à jour au 20-10-2004)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK I. _ (Algemeen comité, Algemene raad,... Afdeling 1. _ (Algemeen comité.) Afdeling 2. _ (De Algemene raad van de verzeker... Afdeling 2bis. _ Het Verzekeringscomité.;; Afdeling 3. _ Beheerscomité van de Dienst voor ... Afdeling 4. _ Comité van de Dienst voor geneesk... Afdeling 5. _ Comité van de Dienst voor adminis... Afdeling 6. _ Gemene bepalingen ter zake van de... HOOFDSTUK II. _ Bestendige Commissies belast me... Afdeling 1. _ Overeenkomsten met de geneesheren... Afdeling 2. _ Overeenkomsten met de apothekers. Afdeling 3. _ (Overeenkomsten met de rust-en ve... Afdeling 3bis. _ Overeenkomsten met psychiatris... Afdeling 4. _ Overeenkomsten met de verplegings... Afdeling 4bis. - Overeenkomsten met de vertegen... Afdeling 5. _ Overeenkomsten met de vroedvrouwen. Afdeling 6. _ Overeenkomsten met de verpleegsters. Afdeling 7. _ Overeenkomsten met de kinesithera... Afdeling 8. Overeenkomsten met de opticiens. Afdeling 9. _ Overeenkomsten met de orthopedisten. Afdeling 10. _ Overeenkomsten met de gehoorprot... Afdeling 11. _ Overeenkomsten met de bandagisten. (Afdeling 12. _ (Overeenkomsten met de verstrek... Afdeling(13.) _ Gemene bepalingen. HOOFDSTUK IIbis. _ (Nationale Commissies genees... Afdeling 1. _ (Nationale Commissie geneesheren-... Afdeling 2. _ (Nationale Commissie tandheelkund... Afdeling 3. _ (Gemene bepalingen ter zake van d... HOOFDSTUK IIter. _ (Commissie belast met het sl... HOOFDSTUK IIquater. Commissie voor begrotingsc... HOOFDSTUK III. _ (Geneeskundige Raad voor inval... Afdeling 1. _ (Samenstelling van de Geneeskundi... Afdeling 2. _ (Hoge Commissie.) Afdeling 3. _ (De gewestelijke commissie en haa... Afdeling 4. _ (Tussenkomsten van de adviserend ... Afdeling 5. _ (Gemene bepalingen ter zake van d... Afdeling 6. _ (Kennisgevingen.) HOOFDSTUK IV. _ Technische Raden. Afdeling 1. _ Technische ziekenfondsraad. Afdeling 2. _ (Technische geneeskundige raad.) Afdeling 3. _ Technische farmaceutische raad. Afdeling 4. - Technische raad voor kinesitherapie. Afdeling 5. _ Technische raad voor ziekenhuisve... Afdeling 6. _ Technische raad voor farmaceutisc... Afdeling 6bis. _ (opgeheven) (Afdeling 6ter. _ Technische raad voor implanten.) Afdeling 7. _ (Gemene bepalingen ter zake van d... HOOFDSTUK IVbis. _ (Technische geneeskundige en... Afdeling 1. _ (Technische geneeskundige raad.) Afdeling 2. _ (Technische tandheelkundige raad.) Afdeling 3. _ (Gemene bepalingen ter zake van d... HOOFDSTUK V. _ Profielcommissies. HOOFDSTUK VI. _ Erkenning en inschrijving van d... Afdeling 1. _ Erkenningsraden.A. Erkenningsraad... Afdeling 2. _ Inschrijving van de paramedische ... Afdeling 3. _ Mededeling van de lijsten der par... HOOFDSTUK VII. - (Revalidatie en herscholing.) Afdeling 1. - College van geneesheren-directeurs. Afdeling 1bis. - Raad voor advies inzake reval... Afdeling 2. - Tegemoetkoming in de revalidatiek... Afdeling 3. - Tegemoetkoming in de reiskosten b... Afdeling 4. - Tegemoetkoming in de herscholings... HOOFDSTUK VIIbis. - (Raad voor klinische biolog... HOOFDSTUK VIIter. - De tegemoetkoming voor ver... Afdeling 1. - De tegemoetkoming voor verzorging... Afdeling 2. Het Nationaal college van adviseren... HOOFDSTUK VIIquater. - (De tegemoetkoming voor ... HOOFDSTUK VIIquinquies. (Opgeheven.) HOOFDSTUK VIIsexies. _ (Bijzondere regels met b... Hoofdstuk VIIsepties. - Bijzondere regels met ... HOOFDSTUK VIII. _ Sociale ziekten. Eerste afdeling. _ Geestesziekten. Afdeling 2. _ Tuberculose. Afdeling 3. _ Kanker. Afdeling 4. _ Poliomyelitis. Afdeling 5. _ Aangeboren aandoeningen en misvor... HOOFDSTUK VIIIbis. _ Het voorschrijfgedrag van... Afdeling I. Afdeling II. _ Het vaststellen van de overschr... Afdeling III. Opschorting van de uitvoering va... Afdeling IV. _ Hoger beroep. Afdeling V. Gemeenschappelijke bepalingen voor... Afdeling VII. _ Normen. HOOFDSTUK IX. _ Toepassingssfeer. Eerste afdeling. _ Gecontroleerde werkloosheid. Afdeling 2. _ Personen ten laste van rechthebbe... Afdeling 3. _ (Wezen.) Afdeling 4. _ (In het kader van de uitkeringsve... HOOFDSTUK X. _ Voorwaarden tot toekenning van d... Eerste afdeling. _ Regelen ter zake van inschri... Afdeling 2. _ Mutaties.A. Individuele mutaties. Afdeling 3. _ (Bijdragebescheiden en dokumenten... Afdeling 4. _ Afgifte van de bijdragebescheiden. Afdeling 5. _ (Wachttijd voor het recht op uitk... Afdeling 5bis. _ (Wachttijd voor het recht op g... Afdeling 6. _ (Minimumwaarde van de bijdragebes... Afdeling 6bis. _ (De persoonlijke bijdrage te b... Afdeling 7. _ (Vrijstelling van wachttijd voor ... Afdeling 7bis. _ (Nadere regelen inzake wachtti... Afdeling 7ter. _ (Regelen inzake wachttijd in g... Afdeling 7quater. _ (Bijzondere regelen inzake ... Afdeling 8. _ (Behoud van de rechten van de sei... Afdeling 9. _ Voortgezette verzekering. Afdeling 10. _ Buitenlands verleende prestaties. Afdeling 11. _ Rechten van de gerechtigden die ... Afdeling 12. _ (Hoegrootheid van de arbeidsonge... Afdeling 12bis. _ Bedragen van de moederschapsu... Afdeling 12ter. Omzetting van een deel van de n... Afdeling 12quater. - De verlenging van de nabev... Afdeling 13. _ Regelmatig werknemer. Afdeling 14. _ Werknemer met "personen ten laste" Afdeling 14bis. _ (Werknemer zonder persoon ten... (Afdeling 14ter). Afdeling 15. _ (Weigering van de uitkeringen) Afdeling 16. _ (Vermindering van de uitkeringen.) Afdeling 17. _ (Aanpassing van de uitkeringen a... Afdeling 18. _ Bedrag van de uitkering voor beg... Afdeling 19. _ Bijzondere voorwaarden inzake ve... Afdeling 20. _ Toekenning van prestaties in gev... Afdeling 21. _ (Monetaire beschikkingen inzake ... HOOFDSTUK XI. _ Geneeskundige controle. Eerste afdeling. _ Geschillen tussen de adviser... Afdeling 2. _ Commissies van beroep. HOOFDSTUK XII. _ (Administratieve controle.) (...) Afdeling 1. _ (Straffen die toepasselijk zijn o... Afdeling 2. _ (Vermindering van de op de uitgav... HOOFDSTUK XIII. _ (Terugvordering van de ten on... HOOFDSTUK XIIIbis. (Schorsing, wegens overmacht... HOOFDSTUK XIV. _ Financiële en statistische bep... Eerste afdeling. _ Ontvangstbescheiden. Afdeling 2. _ Uitgavenbescheiden. Afdeling 2bis. _ (Verzamelbescheiden en financi... Afdeling 3. _ Getalsterktestaten. Afdeling 4. _ Statistische tabellen. Afdeling 5. _ Bijzondere bepalingen ter zake va... HOOFDSTUK XV. _ Openbaarmaking. Afdeling 1. _ (Openbaarmaking van de verzekerin... Afdeling 2. _ Openbaarmaking van de beslissinge... HOOFDSTUK XVI. _ Beëdiging. HOOFDSTUK XVII. _ Overgangsbepalingen. HOOFDSTUK XVIII. _ Inwerkingtreding.
Table des matières
CHAPITRE Ier. _ (Du Comité général, du Conseil ... Section 1. _ (Du Comité général.) Section 2. _ (Du Conseil général de l'assurance... Section 2bis. _ Du Comité de l'assurance. Section 3. _ Du Comité de gestion du Service de... Section 4. _ Du comité du Service du contrôle m... Section 5. _ Du Comité du Service du contrôle a... Section 6. _ Dispositions communes aux Conseil ... CHAPITRE II. _ Des Commissions permanentes char... Section 1. _ Des conventions avec les médecins.... Section 2. _ Des conventions avec les pharmaciens. Section 3. _ (Des conventions avec les maisons ... Section 3bis. _ Des conventions avec les maison... Section 4. _ Des conventions avec les établisse... Section 4bis. - Des conventions avec les représ... Section 5. _ Des conventions avec les accoucheu... Section 6. _ Des conventions avec les infirmières. Section 7. _ Des conventions avec les kinésistes. Section 8. _ Des conventions avec les opticiens. Section 9. _ Des conventions avec les orthopédi... Section 10. _ Des conventions avec les prothési... Section 11. _ Des conventions avec les bandagis... (Section 12. _ Des conventions avec les fournis... Section(13). _ Dispositions communes. CHAPITRE IIbis. _ (Des Commissions nationales m... Section 1ère. _ (De la commission nationale méd... Section 2. _ (De la commission nationale dento-... Section 3. _ (Dispositions communes aux Commiss... CHAPITRE IIter. _ (De la commission chargée de ... CHAPITRE IIquater. - Commission de contrôle bu... CHAPITRE III. _ (Du conseil médical de l'invali... Section 1ère. (De la composition du Conseil méd... Section 2. _ (De la Commission supérieure.) Section 3. _ (Des Commissions régionales et de ... Section 4. _ (Des interventions des médecins-co... Section 5. _ (Des dispositions communes aux com... Section 6. _ (Des notifications.) CHAPITRE IV. _ Des conseils techniques. Section 1. _ Du Conseil technique intermutualiste. Section 2. _ Du Conseil technique médical. (abr... Section 3. _ Du Conseil technique pharmaceutique. Section 4. - Du Conseil technique de la kinésit... Section 5. _ Du Conseil technique de l'hospital... Section 6. _ Du Conseil technique des spécialit... Section 6bis. _ (abrogée) (Section 6ter. _ Du Conseil technique des impla... Section 7. _ (Dispositions communes aux Conseil... CHAPITRE IVbis. _ (Des Conseils techniques médi... Section 1. _ (Du Conseil technique et médical.) Section 2_ (Du conseil technique dentaire.) Section 3. _ (Dispositions communes aux conseil... CHAPITRE V. _ Des commissions de profil. CHAPITRE VI. _ De l'agréation et de l'inscripti... Section 1ère. _ Des conseils d'agréationA. (Du ... Art.134. Les personnes porteuses d'un diplôme d... Art.137. Le Service des soins de santé communiq... CHAPITRE VII. -( Rééducation fonctionnelle et p... Art.138. Le Collège des médecins-directeurs in... Art.146. L'intervention dans le coût des prest... Section 3. - De l'intervention dans les frais d... CHAPITRE VIIbis. _ (Conseil de la Biologie clin... CHAPITRE VIIbis. _ (Conseil de la Biologie clin... CHAPITRE VIIquater. - (De l'intervention dans l... Art. 153viciessexies. (Abrogé.) Chapitre VIIsepties. - Règles particulières re... Chapitre VIIsepties. - Règles particulières re... Art.154. (Abrogé) Art.155. (Abrogé) Art.157. (Abrogé) Art.159. (Abrogé) Art.163. (Abrogé) CHAPITRE VIIIbis. _ Du comportement des médeci... Section II. _ De la constatation du dépassemen... Section II. _ De la constatation du dépassemen... Section III. _ De la suspension de l'exécution... Section IV. De l'appel. Section V. Dispositions communes à l'appel et ... Section VI. _ De la Commission de recours. Art. 163septiesdecies. (Abrogé) 1993&gt; Section 2. _ Des personnes à charge de bénéfici... Art.166. § 1er. Ne peut toutefois être considé... Art.169. (Note : les inscriptions auprès de la... Art.170. Lorsque le titulaire acquiert le droi... Art.195. § 1er. L'Office national de sécurité ... Section 4. _ De la remise des documents de coti... Section 6. _ (De la valeur minimum des document... Art.206. Le titulaire pour lequel l'organisme ... Section 7bis. _ (Des modalités de stage en cas ... Section 7bis. _ (Des modalités de stage en cas ... Section 7quater. _ (Dispositions particulières ... Section 8. (Du maintien des droits des travaill... Art.217. Pour être admis en assurance continuée... Section 11. _ Des droits des titulaires qui peu... Art.223. L'ouvrier mineur, incapable de travail... Section 12quater. - De la prolongation de la pé... Section 14. _ Du travailleur ayant "personne à ... Section 14bis. _ (Du travailleur sans personne ... Section 14bis. _ (Du travailleur sans personne ... (Section 14ter.) Section 16. _ (De la réduction des indemnités.) Art.232. § 1er. (Le titulaire bénéficiant d'un ... Section 17. _ (De l'application des indemnités ... Section 19. _ Des conditions particulières d'ou... Section 21. _ (Dispositions monétaires en matiè... Art.242. § 1er. Les contestations visées à l'ar... Art.243. § 1er. L'appel des décisions du médeci... Art.247. Les commissions visées à l'article 246... Section 1. _ (Des sanctions applicables aux org... Art.253. Les inspecteurs du Service du contrôle... Art.254. Il y a lieu à l'application, à charge... Section 2. _ (De la diminution des montants men... Art.258. L'organisme assureur informe l'Instit... Art.307. Les organismes assureurs adressent à l... Art.308. Les organismes assureurs sont tenus d... Art.319. Les organismes assureurs sont tenus d... Section 4. _ Des cadres statistiques. Art.322. En ce qui concerne les prestations de... Art.325. Par dérogation aux dispositions des ar... Art.326. Les organismes assureurs sont tenus : Section 1ère. _ (De la publicité de la réglemen... Section 2. _ De la publicité des décisions d'in... CHAPITRE XVII. _ Dispositions transitoires. Art.330. (Abrogé) Art.332. Notre Ministre de la Prévoyance social...
Tekst (626)
Texte (625)
HOOFDSTUK I. _ (Algemeen comité, Algemene raad, Verzekeringscomité, Beheerscomité's van de Dienst voor uitkeringen en Comité's van de Dienst voor Geneeskundige controle en van de Dienst voor Administratieve controle.)
CHAPITRE Ier. _ (Du Comité général, du Conseil général, du Comité de l'assurance, du Comité de gestion du Service des indemnités et des Comités du Service du contrôle médical et du Service du contrôle administratif.)
Afdeling 1. _ (Algemeen comité.)
Section 1. _ (Du Comité général.)
Artikel 1. <KB 1993-02-28/33, art. 4, 110; Inwerkingtreding : 09-03-1993> Het Algemeen comité is samengesteld uit :
  1° een voorzitter;
  2° twee ondervoorzitters, die benoemd worden uit de in 3°, 4° en 5° hierna bedoelde leden;
  3° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties en door de representatieve organisaties van de zelfstandigen;
  4° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties;
  5° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen.
  Indien de voorzitter niet uit de leden bedoeld in het eerste lid, 3°, 4° en 5° wordt benoemd, is hij niet stemgerechtigd.
  De voorzitter, de ondervoorzitters en de leden worden benoemd voor een termijn van zes jaar. Hun mandaat kan worden hernieuwd.
  Er wordt onverwijld in de vervanging voorzien van elk lid dat voor de normale verstrijkingsdatum van zijn mandaat ophoudt lid te zijn van het Algemeen comité. Het nieuwe lid dat hiertoe wordt aangesteld, voltooit het mandaat van degene die hij vervangt.
  Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van het werkend lid van zijn groep.
Article 1. <AR 1993-02-28/33, art. 4, 110; En vigueur : 09-03-1993> Le Comité général est composé :
  1° d'un président;
  2° de deux vice-présidents, nommés parmi les membres visés aux 3°, 4° et 5° ci-dessous;
  3° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs et par les organisations représentatives des travailleurs indépendants en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  4° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  5° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, nommés parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
  Si le président n'est pas nommé parmi les membres visés à l'alinéa premier, 3°, 4° et 5°, il n'a pas droit de vote.
  Le président, les vice-présidents et les membres sont nommés pour un terme de six ans. Leur mandat peut être renouvelé.
  Il est pourvu immédiatement au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie du Comité général avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
  Un membre suppléant ne siège qu'en cas d'absence d'un membre effectif de son groupe.
Art.2. <KB 1993-02-28/33, art. 5, 110; Inwerkingtreding : 09-03-1993> Het Algemeen comité wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van de Minister die de Sociale Voorzorg onder zijn bevoegdheid heeft, hetzij op vraag van tenminste drie leden, welke schriftelijk wordt geformuleerd en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Art.2. <AR 1993-02-28/33, art. 5, 110; En vigueur : 09-03-1993> Le Comité général se réunit sur convocation de son président, soit à son initiative, soit à la requête du Ministre qui a la Prévoyance sociale dans ses attributions, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas, la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Art.3. <KB 1993-02-28/33, art. 6, 110; Inwerkingtreding : 09-03-1993> Het Algemeen comité houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig zijn.
  De beslissingen worden genomen bij gewone meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel afgewezen.
Art.3. <AR 1993-02-28/33, art. 6, 110; En vigueur : 09-03-1993> Le siège du Comité général est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
  Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, la proposition est rejetée.
Art.4. <KB 1993-02-28/33, art. 7, 110; Inwerkingtreding : 09-03-1993> De voorzitter en de ondervoorzitters van het Algemeen comité zijn gemachtigd om, de ene of de andere, samen met de administrateur-generaal van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering of zijn plaatsvervanger, de akten te ondertekenen welke het Instituut verbinden buiten die welke betrekking hebben op het dagelijks beheer of uitgaan van bijzondere lasthebbers.
Art.4. <AR 1993-02-28/33, art. 7, 110; En vigueur : 09-03-1993> Le président et les vice-présidents du Comité général sont habilités à signer l'un ou l'autre, conjointement avec l'administrateur général de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité ou son remplaçant, les actes qui engagent l'Institut, autres que ceux qui ont trait à la gestion journalière ou qui émanent de mandataires spéciaux.
Afdeling 2. _ (De Algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging.)
Section 2. _ (Du Conseil général de l'assurance soins de santé.)
Art.5. <KB 1993-02-28/33, art. 9, 110; Inwerkingtreding : 09-03-1993> § 1. De algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging is samengesteld uit :
  1° een voorzitter;
  2° twee ondervoorzitters te benoemen uit de leden bedoeld in 3°, 4°, 5° en 6°, overeenkomstig de regelen inzake voordracht bepaald in het huishoudelijk reglement van de Algemene raad;
  3° vijf leden, die de overheid vertegenwoordigen, benoemd overeenkomstig de bepalingen van artikel 11, eerste lid, a), van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;
  4° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit de kandidaten, voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties en de representatieve organisaties van de zelfstandigen in een dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten;
  5° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit de kandidaten, voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties in een dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten;
  6° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen in een dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten;
  7° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, waarvan respectievelijk vier geneesheren, drie vertegenwoordigers van de beheerders van de verplegingsinrichtingen en een verpleegkundige, benoemd uit de kandidaten, in een dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten voorgedragen door de beroepsorganisaties op lijsten, opgemaakt door de organisaties die vertegenwoordigd zijn in de commissies bedoeld in de hoofdstukken II en IIbis;
  § 2. De leden bedoeld in § 1, 4°, 5°, 6° en 7°, worden benoemd voor een termijn van zes jaar. Hun mandaat is hernieuwbaar.
  § 3. De voorzitter en de ondervoorzitter worden benoemd voor een termijn van zes jaar. Hun mandaat kan worden hernieuwd.
  § 4. Er wordt onverwijld in de vervanging voorzien van elk lid dat voor de normale verstrijkingsdatum van zijn mandaat ophoudt lid te zijn van de Algemene raad. Het nieuwe lid dat hiertoe wordt aangesteld, voltooit het mandaat van degene die hij vervangt.
  § 5. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
Art.5. <AR 1993-02-28/33, art. 9, 110; En vigueur : 09-03-1993> § 1. Le Conseil général de l'assurance soins de santé est composé :
  1° d'un président;
  2° de deux vice-présidents à nommer parmi les membres visés aux 3°, 4°, 5° et 6°, conformément aux règles en matière de présentation prévues par le règlement d'ordre intérieur du Conseil général;
  3° de cinq membres, représentant l'autorité, nommés conformément aux dispositions de l'article 11, alinéa 1er, a), de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités;
  4° de cinq membres effectifs et cinq membres suppléants nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs et par les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs indépendants en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  5° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  6° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants nommés parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  7° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants dont respectivement quatre médecins, trois représentants des gestionnaires des établissements de soins et un praticien de l'art infirmier, nommés parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles en nombre double de celui des mandats à attribuer sur des listes établies par les organisations représentées dans les commissions visées aux chapitres II et IIbis;
  § 2. Les membres visés au § 1er, 4°, 5°, 6° et 7°, sont nommés pour un terme de six ans. Leur mandat est renouvelable.
  § 3. Le président et les vice-présidents sont nommés pour un terme de six ans. Leur mandat peut être renouvelé.
  § 4. Il est pourvu immédiatement au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie du Conseil général avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace;
  § 5. Un membre suppléant ne siège qu'en cas d'absence d'un membre effectif de son groupe.
Art.6. <KB 1993-02-28/33, art. 10, 110; Inwerkingtreding : 09-03-1993> De Algemene raad wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van de Minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Voorzorg behoort, hetzij op vraag van tenminste drie leden welk schriftelijk wordt geformuleerd en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeld in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Art.6. <AR 1993-02-28/33, art. 10, 110; En vigueur : 09-03-1993> Le Conseil général se réunit sur convocation de son président, soit à son initiative, soit à la requête du Ministre ayant la Prévoyance sociale dans ses attributions, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas, la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Art.7. <KB 1993-02-28/33, art. 11, 110; Inwerkingtreding : 09-03-1993> De Algemene raad is rechtsgeldig samengesteld indien tenminste de helft van de leden van elke groep aanwezig zijn.
  Behoudens voor de toepassing van de beschikkingen van artikel 12, § 3, van de wet, worden de beslissingen genomen bij gewone meerderheid der leden welke aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.
Art.7. <AR 1993-02-28/33, art. 11, 110; En vigueur : 09-03-1993> Le siège du Conseil général est valablement constitué si au moins la moitié des membres de chaque groupe sont présents.
  Sauf pour l'application des dispositions de l'article 12, § 3, de la loi, des décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité des voix, la proposition est rejetée.
Art.8. <KB 1993-02-28/33, art. 12, 110; Inwerkingtreding : 09-03-1993> De voorzitter en de ondervoorzitters van de Algemene raad zijn gemachtigd om, de ene of de andere, samen met de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging of zijn plaatsvervanger, de akten te ondertekenen welke worden genomen op grond van artikel 12, 1°, 3°, 4°, 7° en 9° van de wet.
Art.8. <AR 1993-02-28/33, art. 12, 110; En vigueur : 09-03-1993> Le président et les vice-présidents du Conseil général sont habilités à signer l'un ou l'autre, conjointement avec le fonctionnaire dirigeant du service des soins de santé ou son remplaçant, les actes pris sur la base de l'article 12, 1°, 3°, 4°, 7° et 9° de la loi.
Art.9. <KB 1993-02-28/33, art. 13, 110; Inwerkingtreding : 09-03-1993> Binnen drie maanden na de mededeling van de verslagen, bedoeld in artikel 12, § 1, 6° van de wet, brengt de Algemene raad aan de Minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Voorzorg behoort, verslag uit over de maatregelen welke de Algemene raad besloten heeft te nemen of welke hij aan de Minister voorstelt.
Art.9. <AR 1993-02-28/33, art. 13, 110; En vigueur : 09-03-1993> Dans les trois mois suivant la communication des rapports visés à l'article 12, § 1er, 6° de la loi, le Conseil général fait rapport au Ministre ayant la Prévoyance sociale dans ses attributions sur les mesures que le Conseil général a décidé de prendre ou qu'il propose au Ministre.
Afdeling 2bis. _ Het Verzekeringscomité.;;
Section 2bis. _ Du Comité de l'assurance.
Art.10. <KB 1993-02-28/33, art. 15, 110; Inwerkingtreding : 09-03-1993> § 1. Het Verzekeringscomité is samengesteld uit :
  1° een voorzitter;
  2° twee ondervoorzitters;
  3° eenentwintig werkende en eenentwintig plaatsvervangende leden, benoemd uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen;
  4° acht werkende en acht plaatsvervangende leden waarvan respectievelijk zeven geneesheren en een tandheelkundige, benoemd uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties;
  5° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, apothekers, benoemd uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties.
  Tot de werkende of plaatsvervangende leden, dienen verplichtend een officina-apotheker, een ziekenhuisapotheker en een apotheker-bioloog te behoren;
  6° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden benoemd uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen, door de representatieve beroepsorganisaties van de beheerders van de verplegingsinrichtingen, diensten en instellingen bedoeld in artikel 23, 12°, 13°, 14° en 19°, van hoger genoemde wet en van de inrichtingen voor revalidatie en herscholing;
  7° zes werkende en zes plaatsvervangende leden waarvan respectievelijk een verpleegkundige, een kinesitherapeut, een logopedist, een (opticien), een verstrekker van prothesen en toestellen, een verstrekker van implantaten, benoemd uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten zijn voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties; <KB 1995-04-07/78, art. 1, 125; Inwerkingtreding : 29-05-1995>
  8° zes werkende en zes plaatsvervangende leden waarvan respectievelijk drie leden worden benoemd uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties en de vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de zelfstandigen en drie leden die worden gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de werknemersorganisaties; zij hebben raadgevende stem.
  § 2. De leden bedoeld in § 1, 4°, 5°, 6° en 7°, worden voorgedragen in dubbel aantal van dat der te begeven mandaten, op lijsten die worden opgemaakt door de beroepsorganisaties, vertegenwoordigd in de commissies die worden belast met het afsluiten van de overeenkomsten en conventies, bedoeld in de hoofdstukken II en IIbis van dit besluit. Bij ontstentenis van zodanige organisaties worden de leden door Ons aangeduid uit de zorgverstrekkers met de vereiste beroepskwalificatie.
  § 3. Een plaatsvervangend lid heeft slechts zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
  § 4. De voorzitter heeft beslissende stem indien hij is benoemd uit de leden bedoeld in § 1, 3° tot 7° van dit artikel.
  § 5. De twee ondervoorzitters worden benoemd uit de leden bedoeld in paragraaf 1, 3° tot 7°, overeenkomstig de regelen inzake voordracht bepaald in het huishoudelijk reglement van het Verzekeringscomité.
  § 6. Het Verzekeringscomité wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van de Minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Voorzorg behoort, hetzij op schriftelijke aanvraag van ten minste drie leden, waarin het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
  § 7. Het Verzekeringscomité houdt rechtsgeldig zittign indien tenminste de helft van de leden van de groep, samengesteld uit de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen en van de groep, samengesteld uit de zorgverstrekkers, aanwezig zijn.
  De beslissingen worden genomen indien deze twee derden van de stemmen van de stemgerechtigde leden waaruit het Verzekeringscomité is samengesteld, behalen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen.
  Indien dit quorum niet wordt bereikt, doch tenminste de meerderheid wordt behaald der stemgerechtigde leden waaruit het Verzekeringscomité is samengesteld, legt de voorzitter dezelfde voorstellen op de volgende vergadering ter stemming voor.
  Indien dezelfde meerderheid opnieuw wordt behaald, zijn de beslissingen genomen.
  § 8. Indien aan het Verzekeringscomité een voorstel of een advies wordt voorgelegd door een overeenkomsten- of akkoordencommissie bedoeld in artikel 19 van de wet en het Comité oordeelt hieraan een wijziging te moeten aanbrengen, wordt het voorstel of het advies aan de overeenkomsten- of akkoordencommissie voor een nieuw onderzoek teruggestuurd, en dit vóór er enige definitieve beslissing wordt genomen.
  § 9. De voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van het Verzekeringscomité worden benoemd voor een termijn van zes jaar. Hun mandaat kan worden hernieuwd.
  § 10. Er wordt onverwijld in de vervanging voorzien van elk lid dat voor de normale verstrijkingsdatum van zijn mandaat ophoudt lid te zijn van het Verzekeringscomité. Het nieuwe lid dat hiertoe wordt aangesteld, voltooit het mandaat van degene die hij vervangt.
Art.10. <AR 1993-02-28/33, art. 15, 110; En vigueur : 09-03-1993> § 1. Le Comité de l'assurance est composé :
  1° d'un président;
  2° de deux vice-présidents;
  3° de vingt et un membres effectifs et vingt et un membres suppléants, nommés parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  4° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants dont respectivement sept médecins et un praticien de l'art dentaire nommés parmi les candidats présentés en nombre double de celui des mandats à conférer, sur les listes établies par les organisations professionnelles représentatives;
  5° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, pharmaciens, nommés parmi les candidats présentés en nombre double de celui des mandats à attribuer, sur des listes établies par les organisations professionnelles représentatives.
  Parmi les membres effectifs ou suppléants, doivent figurer obligatoirement un pharmacien d'officine, un pharmacien hospitalier et un pharmacien biologiste;
  6° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants nommés parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des gestionnaires d'établissements hospitaliers, des services et institutions visés à l'article 23, 12°, 13°, 14° et 19°, de la loi susvisée, et des établissements de rééducation fonctionnelle et de réadaptation professionnelle, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  7° de six membres effectifs et de six membres suppléants dont respectivement un praticien de l'art infirmier, un kinésithérapeute, un logopède, un (opticien), un fournisseur de prothèses et appareils, un fournisseur d'implants nommés parmi les candidats présentés un nombre double de celui des mandats à conférer, sur des listes établies par les organisations professionnelles représentatives; <AR 1995-04-07/78, art. 1, 125; En vigueur : 29-05-1995>
  8° de six membres effectifs et de six membres suppléants dont respectivement trois membres nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des employeurs et par les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs indépendants en nombre double de celui des mandats à attribuer et trois membres choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des travailleurs salariés en nombre double de celui des mandats à attribuer; ils ont voix consultative.
  § 2. Les membres visés au 4°, 5°, 6° et 7° du § 1er du présent article sont présentés en nombre double de celui des mandats à attribuer, sur des listes établies par les organisations professionnelles représentées aux commissions chargées de conclure les accords et conventions visées aux chapitre II et IIbis du présent arrêté. A défaut de telles organisations, les membres seront désignés par Nous, parmi les dispensateurs de soins ayant la qualification professionnelle requise.
  § 3. Un membre suppléant ne siège qu'en cas d'absence d'un membre effectif de son groupe.
  § 4. Le président a voix délibérative lorsqu'il est nommé parmi les membres visés au § 1er, 3° à 7° du présent article.
  § 5. Les deux vice-présidents sont nommés parmi les membres visés au paragraphe 1er, 3° à 7°, conformément aux règles en matière de présentation prévues par le règlement d'ordre intérieur du Comité de l'assurance.
  § 6. Le Comité de l'assurance se réunit sur convocation de son président, soit à son initiative, soit à la requête du Ministre ayant la Prévoyance sociale dans ses attributions, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas, la convocation mentionne l'objet de la réunion.
  § 7. Le siège du Comité de l'assurance est valablement constitué si au moins la moitié des membres du groupe composé par les représentants des organismes assureurs et du groupe composé par les représentants des dispensateurs de soins, sont présents.
  Les décisions sont acquises quant elles recueillent les deux tiers des voix des membres ayant voix délibérative qui composent le Comité de l'assurance, compte non tenu des abstentions.
  Lorsque ce quorum n'est pas atteint, mais que la majorité au moins des membres ayant voix délibérative qui composent le Comité de l'assurance est obtenue, le président soumet au vote les mêmes propositions lors de la réunion suivante.
  Si cette même majorité est à nouveau obtenue, les décisions sont acquises.
  § 8. Lorsque le Comité de l'assurance est saisi d'une proposition ou d'un avis par une des commissions de convention ou d'accord visées à l'article 19 de la loi et estime devoir y apporter une modification, la proposition ou l'avis est renvoyé, avant toute décisions définitive, pour nouvel examen à cette commission de convention ou d'accord.
  § 9. Le président, les vice-présidents et les membres du Comité de l'assurance sont nommés pour un terme de six ans. Leur mandat peut être renouvelé.
  § 10. Il est pourvu immédiatement au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie du Comité de l'assurance avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
Afdeling 3. _ Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.
Section 3. _ Du Comité de gestion du Service des indemnités.
Art.11. Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering is samengesteld uit:
  1° een voorzitter en twee ondervoorzitters, die de Koning benoemt uit de in 2°, 3° en 4° hierna bedoelde leden;
  2° zeven werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties;
  3° zeven werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties;
  4° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen. Elke verzekeringsinstelling heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.11. Le Comité de gestion du Service des indemnités de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité est composé:
  1° d'un président et de deux vice-présidents,nommés par le Roi parmi les membres visés aux 2°, 3° et 4° ci-dessous;
  2° de sept membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des employeurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  3° de sept membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  4° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs , en nombre double de celui des mandats à attribuer. Chaque organisme assureur a droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Art.12. Het Beheerscomité wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter hetzij op dezes initiatief, hetzij op verzoek van de Minister van Sociale Voorzorg, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Art.12. Le Comité de gestion se réunit sur convocation de son président, soit à son initiative, soit à la requête du Ministre de la Prévoyance sociale, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas, la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Art.13. Het Beheerscomité houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig zijn.
  De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij stemmenstaking is het voorstel afgewezen.
  Wanneer de leden die eensdeels de werknemers en anderdeels de werkgevers vertegenwoordigen, bij een stemming over de in artikel 40, 1° tot en met 6° van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde zaken niet in gelijk aantal aanwezig zijn, onthouden het of de jongste leden van de overtallige partij zich om de pariteit te herstellen.
  Wanneer een voorstel met betrekking tot een der in het vorige lid bedoelde zaken wordt afgewezen tegen het eenparig advies van de vertegenwoordigers, hetzij van de werknemers, hetzij van de werkgevers, kan de groep die voor het voorstel is, vragen dat het de Minister van Sociale Voorzorg wordt voorgelegd; die vraag kan tijdens de vergadering, en in de notulen opgetekend, of schriftelijk binnen acht dagen na de vergadering gedaan worden. Ze wordt door de voorzitter geadresseerd aan de Minister van Sociale Voorzorg.
  De Minister beslist en geeft kennis van zijn beslissing binnen dertig dagen na de tot hem gerichte vraag, zoniet is de afwijking van het voorstel definitief.
Art.13. Le siège du Comité de gestion est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
  Les décisions sont prises à la majorité simple des membres ayant voix délibérative et participant au vote, compte tenu des abstentions. En cas de parité de voix la proposition est rejetée.
  Lorsque les membres représentant, d'une part, les travailleurs salariés, et d'autre part, les employeurs ne sont pas présents en nombre égal au moment d'un vote sur les objets visés à l'article 40, 1° à 6°, de la loi du 9-8-1963 susvisée, le ou les plus jeunes membres de la partie en surnombre sont tenus de s'abstenir pour rétablir la parité.
  Lorsqu'une proposition se rapportant à un des objets visés à l'alinéa précédent est rejetée contre l'avis unanime des représentants, soit des travailleurs salariés, soit des employeurs, le groupe favorable à la proposition peut demander que celle-ci soit soumise au Ministre de la Prévoyance sociale; cette demande peut être formée au cours de la séance et actée au procès-verbal ou faite par écrit dans les huit jours de la séance. Elle est adressée au Ministre de la Prévoyance sociale par le président du Comité de gestion.
  Le Ministre statue et notifie sa décision dans les trente jours de la demande qui lui est faite, faute de quoi le rejet de la proposition est définitif.
Art.14. De voorzitter en de ondervoorzitters van het Beheerscomité zijn gemachtigd om, de ene of de andere , samen de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen of zijn plaatsvervanger, de akten te ondertekenen welke, wat de Dienst voor uitkeringen betreft, het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering verbinden buiten deze welke betrekking hebben op het dagelijks beheer of uitgaan van bijzondere lasthebbers.
Art.14. Le président et les vice-présidents du Comité de gestion sont habilités à signer l'un ou l'autre, conjointement avec le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnité ou son remplaçant, les actes, qui engagent, en ce qui concerne le Service des indemnités, l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, autres que ceux qui ont trait à la gestion journalière ou qui émanent de mandataires spéciaux.
Art.15. Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen brengt binnen drie maanden na de mededeling van de in de artikelen 79, eerste lid, 13°, a, en 93, eerste lid, 3°, b, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde verslagen, bij de Minister van Sociale Voorzorg verslag uit over de maatregelen waartoe het besloten heeft of welke het hem voorstelt ingevolge de bevindingen van de Dienst voor geneeskundige controle en van de Dienst voor administratieve controle.
Art.15. Le Comité de gestion du Service des indemnités fait, dans les trois mois qui suivent la communication des rapports visés aux articles 79, premier alinéa, 13°, a et 93, premier alinéa, 3°, b, de la loi du 9 août 1963 susvisée, rapport au Ministre de la Prévoyance sociale sur les mesures qu'il a décidé de prendre ou qu'il lui propose, à la suite des constatations faites par le Service du contrôle médical et le Service du contrôle administratif.
Art.16. Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen geeft binnen drie maanden na het opmaken van zijn jaarverslag , de Minister van Sociale Voorzorg kennis van de maatregelen welke het voorstelt of heeft vastgesteld uitgaande van de elementen van dat verslag.
Art.16. Le Comité de gestion du Service des indemnités fait part, dans les trois mois qui suivent l'établissement de son rapport annuel, au Ministre de la Prévoyance sociale des mesures qu'il propose ou qu'il a arrêtés en fonction des éléments de ce rapport.
Afdeling 4. _ Comité van de Dienst voor geneeskundige controle.
Section 4. _ Du comité du Service du contrôle médical.
Art.17. <KB 28-09-1965, art. 3> De bijeenroeping van de vergaderingen van het comité van de Dienst voor geneeskundige controle vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Art.17. <AR 28-09-1965, art. 3> La convocation aux réunions du comité du Service du contrôle médical mentionne dans tous les cas l'objet de la réunion.
Art.19. (opgeheven) <KB 28-09-1965, art. 5>
Art.19. (abrogé) <AR 28-09-1965, art. 5>
Art.20. De in artikel 79, 13°, van vorenbedoeld e wet van 9 augustus 1963 bedoelde verslagen worden om het kwartaal door het comité opgemaakt.
  Ze worden overeenkomstig artikel 79, 14°, van genoemde wet, samen met de in die littera bedoelde aanbevelingen bezorgd in het kwartaal na dat waarin de bevindingen zijn gedaan.
  Het Comité kan evenwel te allen tijde omstandige bijzondere verslagen opmaken wanneer de gedane bevindingen naar zijn mening onverwijld ter kennis moeten worden gebracht van de Minister van Sociale Voorzorg, van de Algemene Raad, van het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging of van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.
Art.20. Les rapports visés à l'article 79, 13°, de la loi du 9 août 1963 susvisée, établis par le Comité sont trimestriels, Ils sont transmis conformément à l'article 79, 14°, de ladite loi, accompagnés des suggestions visées par ce littera, dans le courant du trimestre qui suit celui au cours duquel les constatations ont été faites.
  Le Comité peut toutefois établir à tout moment des rapports spéciaux circonstanciés lorsqu'il estime que les constatations faites doivent être portées sans délai à la connaissance du Ministre de la Prévoyance sociale, du Conseil général, du Comité de gestion du Service des soins de santé ou du Comité de gestion du Service des indemnités.
Afdeling 5. _ Comité van de Dienst voor administratieve controle.
Section 5. _ Du Comité du Service du contrôle administratif.
Art.21. Het Comité van de Dienst voor administratieve controle is samengesteld uit:
  1° een voorzitter, magistraat;
  2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties;
  3° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties;
  4° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen. Elke verzekeringsinstelling heeft het recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
  De voorzitter en de in 2° en 3° bedoelde leden mogen geen deel hebben in het bestuur van een verzekeringsinstelling en ook niet in haar dienst zijn. (...) <KB 1993-09-29/32, art. 1, 117; Inwerkingtreding : 19-11-1993>
Art.21. Le Comité du Service du contrôle administratif est composé:
  1° d'un président, magistrat;
  2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des employeurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  3° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  4° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer. Chaque organisme assureur a droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
  Le président et les membres visés aux 2° et 3° ne peuvent ni participer à l'administration d'un organisme assureur, ni être à son service. (...) <AR 1993-09-29/32, art. 1, 117; En vigueur : 19-11-1993>
Art.22. Het Comité houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig zijn.
Art.22. Le siège du Comité est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
Art.23. De voorzitter en de leden zijn stemgerechtigd.
  De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van hen die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij stemmenstaking beslist de stem van de voorzitter.
Art.23. Le président et les membres ont voix délibérative.
  Les décisions sont prises à la majorité simple des participants au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, celle du président est prépondérante.
Art.24. Het Comité wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter hetzij op dezes initiatief, hetzij op verzoek van de Minister van Sociale Voorzorg, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Art.24. Le Comité se réunit sur convocation de son président soit à son initiative, soit à la requête du Ministre de la Prévoyance sociale, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas la convocation, mentionne l'objet de la réunion.
Art.25. De in artikel 93, 3°, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde verslagen worden om het kwartaal door het Comité opgemaakt.
  Ze worden overeenkomstig artikel 93, 4°, van genoemde wet, samen met de in die littera bedoelde aanbevelingen bezorgd in het kwartaal na dat (waarin van de bevindingen kennis is gegeven.) <KB 23-10-1967, art. 2>
  Het Comité kan evenwel ten allen tijde omstandige bijzondere verslagen opmaken wanneer de gedane bevindingen naar zijn mening onverwijld ter kennis moeten worden gebracht van de Minister van Sociale Voorzorg, van het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging of van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.
Art.25. Les rapports visés à l'article 93, 3°, de la loi du 9-8-1963 susvisée, établis par le Comité, sont trimestriels . Ils sont transmis conformément à l'article 93, 4°, de ladite loi, accompagnes des suggestions visées par ce littera, dans le courant du trimestre suivant celui au cours duquel les constatations (ont été notifiées.). <AR 23-10-1967, art. 2>
  Le Comité peut toutefois établir à tout moment des rapports spéciaux circonstanciés lorsqu'il estime que les constatations faites doivent être portées sans délai à la connaissance du Ministre de la Prévoyance sociale, du Comité de gestion du Service des soins de santé ou du Comité de gestion du Service des indemnités.
Afdeling 6. _ Gemene bepalingen ter zake van de in dit hoofdstuk bedoelde Algemene raad en Comité's.
Section 6. _ Dispositions communes aux Conseil général et Comités visés par le présent chapitre.
Art.26. De leden van de Algemene Raad en van de in dit hoofdstuk bedoelde Comite's worden benoemd voor zes jaar. Het mandaat loopt om de drie jaar af voor de helft van de leden van elk der vertegenwoordigde groepen.
  Het mandaat van de leden wordt evenwel voor het eerst vernieuwd op 1 januari 1967 en de uittredende leden worden bij loting aangewezen.
  Het mandaat van de uittredende leden kan worden vernieuwd.
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat , geen deel meer uitmaakt van de Algemene raad of van het Comité waarin hij zitting heeft. Het aldus aangewezen nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Art.26. Les membres du Conseil général et des Comités visés par le présent chapitre sont nommés pour un terme de six ans. La validité du mandat expire tous les trois ans pour la moitié des membres de chacun des groupes représentés.
  Toutefois, le premier renouvellement du mandat des membres aura lieu le 1er janvier 1967, les membres sortants étant désignés par tirage au sort.
  Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
  Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie du Conseil général ou du Comité dont il relève avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
Art.27. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
Art.27. Un membre suppléant ne siège qu'en cas d'absence d'un membre effectif de son groupe.
Art.28. Wanneer de Algemene raad of één van de in dit hoofdstuk bedoelde Comité's in vergadering wordt bijeengeroepen op verzoek van de Minister van Sociale Voorzorg, heeft de vergadering plaats binnen acht dagen na het verzoek.
Art.28. Lorsque le Conseil général ou un des Comités visés au présent chapitre est invité à se réunir à la requête du Ministre de la Prévoyance sociale, la réunion a lieu dans les huit jours de la requête.
HOOFDSTUK II. _ Bestendige Commissies belast met het onderhandelen over en het sluiten van de overeenkomsten.
CHAPITRE II. _ Des Commissions permanentes chargées de négocier et de conclure les conventions.
Afdeling 1. _ Overeenkomsten met de geneesheren. (Opgeheven)
Section 1. _ Des conventions avec les médecins. (abrogé)
Art.29. (opgeheven) <KB 28-09-1965, art. 6>
Art.29. (abrogé) <AR 28-09-1965, art. 6>
Afdeling 2. _ Overeenkomsten met de apothekers.
Section 2. _ Des conventions avec les pharmaciens.
Art.30. De Commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van apothekers ;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.30. La Commission est composée:
  1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives de pharmaciens;
  2° de huit membres effectifs et de huit suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Afdeling 3. _ (Overeenkomsten met de rust-en verzorgingstehuizen en de rustoorden voor bejaarden.)
Section 3. _ (Des conventions avec les maisons de repos et de soins et les maisons de repos pour personnes âgées.)
Art.31. <KB 02-12-1982, art. 1> De Commissie is samengesteld uit:
  1° (acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve organisaties van de rust- en verzorgingstehuizen en de rustoorden voor bejaarden, bedoeld in artikel 23, 12° en 13° van de voornoemde wet van 9 augustus 1963); <KB 1986-12-16/30, art. 2, 035>
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elkeen heeft tenminste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.31. <AR 02-12-1982, art. 1> La Commission est composée:
  1° (de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations représentatives des maisons de repos et de soins et des maisons de repos pour personnes âgées, visées à l'article 23, 12° et 13° de la loi du 9 août 1963 susvisée); <AR 1986-12-16/30, art. 2, 035>
  2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Afdeling 3bis. _ Overeenkomsten met psychiatrische verzorgingstehuizen.
Section 3bis. _ Des conventions avec les maisons de soins psychiatriques.
Art. 31bis. <INGEVOEGD bij KB 1990-07-10/35, art. 1, 080; Inwerkingtreding : 26-07-1990> De Commissie is samengesteld uit :
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve organisaties van de psychiatrische verzorgingstehuizen;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de representativiteit van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elkeen heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art. 31bis. La Commission est composée :
  1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations représentatives des maisons de soins psychiatriques;
  2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentativité des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Afdeling 4. _ Overeenkomsten met de verplegingsinrichtingen.
Section 4. _ Des conventions avec les établissements hospitaliers.
Art.32. De Commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve verenigingen van verplegingsinrichtingen;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.32. La Commission est composée:
  1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les associations représentatives d'établissements hospitaliers;
  2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Afdeling 4bis. - Overeenkomsten met de vertegenwoordigers van initiatieven van beschut wonen ten behoeve van psychiatrische patiënten.
Section 4bis. - Des conventions avec les représentants des initiatives d'habitation protégée pour des patients psychiatriques.
Art. 32bis. <INGEVOEGD bij KB 1990-11-20/34, art. 1, 083; Inwerkingtreding : 08-12-1990> De Commissie is samengesteld uit :
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve organisaties van de initiatieven van beschut wonen ten behoeve van psychiatrische patiënten;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de representativiteit van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elkeen heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art. 32bis. La Commission est composée :
  1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations représentatives des initiatives d'habitation protégée pour des patients psychiatriques;
  2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentativité des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Afdeling 5. _ Overeenkomsten met de vroedvrouwen.
Section 5. _ Des conventions avec les accoucheuses.
Art.33. De Commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van vroedvrouwen;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.33. La Commission est composée:
  1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives d'accoucheuses;
  2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Afdeling 6. _ Overeenkomsten met de verpleegsters.
Section 6. _ Des conventions avec les infirmières.
Art.34. De Commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van verpleegsters;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.34. La Commission est composée:
  1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives d'infirmières;
  2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Afdeling 7. _ Overeenkomsten met de kinesitherapeuten.
Section 7. _ Des conventions avec les kinésistes.
Art.35. De Commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van kinesitherapeuten;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.35. La Commission est composée:
  1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives de (kinésithérapeutes;) <AR 1992-10-20/35, art. 2, 108; En vigueur : 01-01-1993>
  2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif à un mandat de membre suppléant.
Afdeling 8. Overeenkomsten met de opticiens.
Section 8. _ Des conventions avec les opticiens.
Art.36. De Commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van opticiens;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.36. La Commission est composée:
  1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives d'opticiens;
  2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Afdeling 9. _ Overeenkomsten met de orthopedisten.
Section 9. _ Des conventions avec les orthopédistes.
Art.37. De Commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van orthopedisten;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen, elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en van één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.37. La Commission est composée:
  1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives d'orthopédistes;
  2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre suppléant.
Afdeling 10. _ Overeenkomsten met de gehoorprothesisten.
Section 10. _ Des conventions avec les prothésistes acousticiens.
Art.38. De Commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van gehoorprothesisten;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.38. La Commission est composée :
  1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives de prothésistes acousticiens;
  2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre suppléant.
Afdeling 11. _ Overeenkomsten met de bandagisten.
Section 11. _ Des conventions avec les bandagistes.
Art.39. De Commissie is samengesteld uit:
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van bandagisten;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.39. La Commission est composée :
  1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives de bandagiste;
  2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs pour déterminer la représentation des organismes assureurs; il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
(Afdeling 12. _ (Overeenkomsten met de verstrekkers van implantaten).)
(Section 12. _ Des conventions avec les fournisseurs d'implants.)
Art. 39bis. <INGEVOEGD bij KB 1989-10-27/36, art. 1, 1, 068; Inwerkingtreding : 12-12-1989> De Commissie is samengesteld uit :
  1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van (verstrekkers) van implantaten; <KB 1995-04-06/25, art. 1, 129; Inwerkingtreding : 01-11-1995>
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art. 39bis. La Commission est composée :
  1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives des fournisseurs d'implants;
  2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Afdeling(13.) _ Gemene bepalingen.
Section(13). _ Dispositions communes.
Art.40. Er wordt onmiddellijk in de vervanging voorzien van ieder lid dat geen deel meer uitmaakt van een commissie.
Art.40. Il est pourvu immédiatement au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie d'une commission.
Art.41. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een erkend lid van zijn groep.
Art.41. Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif de son groupe.
Art.42. De commissies worden in vergadering bijeengeroepen door hun voorzitter, hetzij op dezes initiatief, hetzij op verzoek van het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Art.42. Les commissions se réunissent sur convocation de leur président, soit à son initiative, soit à la requête du Comité de gestion du Service des soins de santé, soit à la demande de trois membres au moins formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Art.43. Een commissie houdt deugdelijk zitting indien ten minste vijf leden van elke groep aanwezig zijn.
  De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. De uiteindelijke sluiting van de overeenkomst is slechts verworven indien ze door ten minste zes leden van elke van beide groepen is goedgekeurd; onthoudingen zijn niet toegelaten.
  Ingeval de leden bij een stemming zijn in gelijk aantal in elk van beide groepen aanwezig zijn, onthouden het of de jongste leden van de overtallige partij zich om de pariteit te herstellen.
Art.43. Le siège d'une commission est valablement constitué lorsqu'il réunit au moins cinq membres de chaque groupe.
  Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. Toutefois, la conclusion finale de la convention n'est acquise que si le vote réunit six voix au moins dans chacun des deux groupes, les abstentions n'étant pas admises.
  Dans le cas où, au moment d'un vote, les membres ne sont pas présents en nombre égal dans chacun des deux groupes, le ou les plus jeunes membres de la partie en surnombre sont tenus de s'abstenir pour rétablir la parité.
Art.44. <KB 23-10-1967, art. 3> De tekst van elke gesloten overeenkomst wordt het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging binnen de drie dagen medegedeeld door de voorzitter die daarover, op de eerstvolgende vergadering van voornoemd Beheerscomité, verslag uitbrengt.
  Dit geldt ook voor de in artikel 27, tweede lid, van de wet van 9 augustus 1963 bedoelde voorstellen, voor zover er geen bevoegde technische raad voorhanden is; indien een bevoegde technische raad bestaat, moeten deze voorstellen, binnen de drie dagen, aan bedoelde technische raad worden medegedeeld door de voorzitter, die daarover op de eerstvolgende vergadering van de voornoemde technische raad verslag uitbrengt.
Art.44. <AR 23-10-1967, art. 3> Le texte de toute convention conclue est communiqué, dans les trois jours, au Comité de gestion du Service des Soins de santé par le président, qui fait rapport à la plus prochaine séance dudit Comité de gestion.
  Il en est de même pour les propositions visées à l'article 27, 2e alinéa, de la loi du 9 août 1963 pour autant qu'il n'existe pas de conseil technique compétent; s'il existe un conseil technique compétent, ces propositions doivent être communiquées, dans les trois jours, audit conseil technique par le président qui fait rapport à la plus prochaine séance dudit conseil technique.
HOOFDSTUK IIbis. _ (Nationale Commissies geneesheren-ziekenfondsen en tandheelkundigen-ziekenfondsen.)
CHAPITRE IIbis. _ (Des Commissions nationales médico-mutualiste et dento-mutualiste.)
Afdeling 1. _ (Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen.)
Section 1ère. _ (De la commission nationale médico-mutualiste.)
Art. 44bis. <KB 28-09-1965, art. 7> De Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen is samengesteld uit :
  1° (elf) werkende en (elf) plaatsvervangende leden, door Ons benoemd uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten voorgedragen worden door de representatieve organisaties van het geneesherenkorps; <KB 12-05-1975, art. 1>
  2° (elf) werkende en (elf) plaatsvervangende leden, door Ons benoemd uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten voorgedragen worden door de verzekeringsinstellingen. <KB 12-05-1975, art. 1>
Art. 44bis. <AR 28-12-1965, art. 7> La commission nationale médico-mutualiste est composée:
  1° de (onze) membres effectifs et de (onze) membres suppléants, nommés par Nous parmi les candidats présentés par les organisations représentatives du corps médical, en nombre double de celui des mandats à conférer; <AR 12-05-1975, art. 1>
  2° de (onze) membres effectifs et de (onze) membres suppléants nommés par Nous parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à conférer. <AR 12-05-1975, art. 1>
Afdeling 2. _ (Nationale Commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen.)
Section 2. _ (De la commission nationale dento-mutualiste.)
Art. 44ter. <KB 28-09-1965, art. 7> De Nationale Commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen is samengesteld uit :
  1° tien werkende en tien plaatsvervangende leden, door Ons benoemd uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten voorgedragen worden door de representatieve organisaties van de tandheelkundigen;
  2° tien werkende en tien plaatsvervangende leden, door Ons benoemd uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten voorgedragen worden door de verzekeringsinstellingen.
Art. 44ter. <AR 28-09-1965, art. 7> La commission nationale dento-mutualiste est composée:
  1° de dix membres effectifs et de dix membres suppléants, nommés par Nous parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des praticiens de l'art dentaire, en nombre double de celui des mandats à conférer;
  2° de dix membres effectifs et de dix membres suppléants nommés par Nous parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à conférer.
Afdeling 3. _ (Gemene bepalingen ter zake van de Nationale Commissies geneesheren-ziekenfondsen en tandheelkundigen-ziekenfondsen.)
Section 3. _ (Dispositions communes aux Commissions nationales médico-mutualiste et dento-mutualiste.)
Art. 44quater. <KB 28-07-1965, art. 7> De leden van de Nationale Commissies geneesheren-ziekenfondsen en tandheelkundigen-ziekenfondsen worden benoemd voor zes jaar.
  Het mandaat der leden van die commissies wordt om de drie jaar per helft vernieuwd. Het mandaat der leden van genoemde raden wordt evenwel voor het eerst vernieuwd op 1 januari (1970) en uittredende leden worden bij loting aangewezen. Het mandaat van de uittredende leden kan worden vernieuwd. <KB 02-12-1968, art. 1>
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn commissie. Het nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
  (...) <KB 16-12-1966, art. 3>
Art. 44quater. <AR 28-09-1965, art. 7> Les membres des Commissions nationales médico-mutualiste et dento-mutualiste sont nommés pour un terme de six ans.
  Le mandat des membres de ces commissions est renouvelable par moitié tous les trois ans. Toutefois, le premier renouvellement du mandat des membres desdits conseils aura lieu le 1er janvier (1970), les membres sortants étant désignés par tirage au sort. Le mandat des membres sortants peut être renouvelé. <AR 02-12-1968, art. 1>
  Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de sa commission avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre achève le mandat du membre qu'il remplace.
  (...) <AR 16-12-1966, art. 3>
HOOFDSTUK IIter. _ (Commissie belast met het sluiten van de akkoorden betreffende het forfait.)
CHAPITRE IIter. _ (De la commission chargée de la conclusion des accords concernant le forfait.)
Art. 44quinquies. <KB 20-04-1966, art. 1> De akkoorden betreffende de forfaitaire betaling van de gezondheidsprestaties worden gesloten in een commissie samengesteld uit:
  1° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen;
  2° de bij het akkoord bedoelde verstrekkers van verzorging of hun vertegenwoordiger, indien het een rechtspersoon betreft.
Art. 44quinquies. <AR 20-04-1966, art. 1> Les accords concernant le paiement forfaitaire des prestations de santé sont conclus au sein d'une commission composée:
  1° de six membres effectifs et de six membres suppléants, désignés par les organismes assureurs;
  2° des dispensateurs de soins visés par l'accord ou de leur représentant s'il s'agit d'une personne morale.
Art. 44sexties. <KB 20-04-1966, art. 1> De aanvraag tot sluiting van een akkoord dient schriftelijk gericht aan de voorzitter van de commissie.
Art. 44sexties. <AR 20-04-1966, art. 1> La demande de conclusion d'un accord est adressée par écrit au président de la commission.
Art. 44septies. <KB 20-04-1966, art. 1> De commissie komt bijeen op verzoek van de voorzitter. Deze is er evenwel toe gehouden de commissie binnen de vijftien dagen na de ontvangst van een aanvraag tot sluiting van een akkoord bijeen te roepen.
  De bijeenroeping vermeldt het voorwerp van de vergadering.
  De voorzitter roept voor de vergaderingen van de commissie bijeen, hetzij al de leden bedoeld bij artikel 44quinquies, 2°, hetzij uitsluitend diegenen bedoeld bij het ontwerp van akkoord dat op de dagorde werd geplaatst.
Art. 44septies. <AR 20-04-1966, art. 1> La commission se réunit sur convocation du président. Celui-ci est toutefois tenu de convoquer la commission dans les quinze jours de la réception d'une demande de conclusion d'un accord.
  La convocation mentionne l'objet de la réunion.
  Le président convoque aux réunions de la commission, soit tous les membres visés à l'article 44quinquies, 2°, soit uniquement ceux visés par le projet d'accord porté à l'ordre du jour.
Art. 44octies. <KB 20-04-1966, art. 1> De commissie houdt deugdelijk zitting wanneer ten minste vier leden bedoeld bij artikel 44quinquies, 1° aanwezig zijn.
Art. 44octies. <AR 20-04-1966, art. 1> Le siège de la commission est valablement constitué lorsqu'il réunit au moins quatre membres visés à l'article 44quinquies, 1°.
Art. 44nonies. <KB 20-04-1966, art. 1> Een plaatsvervangend lid bedoeld bij artikel 44quinquies, 1°, heeft slechts zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
Art. 44nonies. <AR 20-04-1966, art. 1> Un membre suppléant, visé à l'article 44quinquies, 1°, ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif de son groupe.
Art. 44decies. <KB 20-04-1966, art. 1> De voorbereidende beslissingen tot het sluiten van de akkoorden moeten de goedkeuring bekomen, enerzijds , van de leden aanwezig op de vergadering, bedoeld bij artikel 44quinquies, 2°, en, anderzijds, van de meerderheid van twee derden van de leden bedoeld bij artikel 44quinquies, 1°.
Art. 44decies. <AR 20-04-1966, art. 1> Les décisions préparatoires à la conclusion des accords doivent réunir le consentement des membres visés à l'article 44quinquies, 2°, présents à la réunion, d'une part, et de la majorité de deux tiers des membres visés à l'article 44quinquies, 1°, d'autre part.
Art. 44undecies. <KB 20-04-1966, art. 1> De commissie kan voor het volbrengen van haar zending een beroep doen op experten wier taak zij vaststelt.
Art. 44undecies. <AR 20-04-1966, art. 1> Pour l'accomplissement de sa mission, la commission peut faire appel à des experts dont elle définit la tâche.
Art. 44duodecies. <KB 20-04-1966, art. 1> Het ontwerp van akkoord, aangenomen door de aanvrager, wordt de commissie ter goedkeuring voorgelegd.
Art. 44duodecies. <AR 20-04-1966, art. 1> Le projet d'accord, agréé par le demandeur, est soumis au vote de la commission.
Art. 44tredecies. <KB 20-04-1966, art. 1> De tekst van het akkoord wordt binnen de acht dagen meegedeeld aan het beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging door de voorzitter van de commissie, die het comité op zijn eerstvolgende vergadering verslag uitbrengt.
Art. 44tredecies. <AR 20-04-1966, art. 1> Le texte de l'accord est communiqué dans les huit jours au comité de gestion du Service des soins de santé par le président de la commission, qui lui fait rapport à la plus prochaine séance.
HOOFDSTUK IIquater. Commissie voor begrotingscontrole.
CHAPITRE IIquater. - Commission de contrôle budgétaire.
Artikel 44quaterdecies. <INGEVOEGD bij KB 1991-04-23/31, art. 1, 092; Inwerkingtreding : 25-05-1991> De leden van de Commissie voor begrotingscontrole worden benoemd voor zes jaar. Het mandaat van de uittredende leden kan worden vernieuwd.
  Er wordt onmiddellijk in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van de Commissie. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
  Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
Article 44quaterdecies. Les membres de la Commission de contrôle budgétaire sont nommés pour un terme de six ans. Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
  Il est pourvu immédiatement au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie de la Commission avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre achève le mandat du membre qu'il remplace.
  Un membre suppléant ne siège qu'en cas d'absence d'un membre effectif de son groupe.
Artikel 44quindecies. <INGEVOEGD bij KB 1991-04-23/31, art. 1, 092; Inwerkingtreding : 25-05-1991> Het voorzitterschap van de Commissie wordt bekleed door de in artikel 120bis van de eerder genoemde wet van 9 augustus 1963 bedoelde begrotings- en financieel adviseur.
  Indien deze niet is aangewezen of indien hij is verhinderd, wordt het voorzitterschap van de Commissie waargenomen door het oudste lid in jaren van de onder artikel 120bis, 5° van de eerder genoemde wet van 9 augustus 1963 bedoelde leden.
Article 44quindecies. La présidence de la Commission est assurée par le conseiller budgétaire et financier visé à l'article 120bis de la loi précitée.
  Si celui-ci n'a pas été désigné ou est empêché, la présidence de la Commission est assumée par le doyen d'âge des membres visés à l'article 120bis, 5° de la loi du 9 août 1963 précitée.
Artikel 44sedecies. <INGEVOEGD bij KB 1991-04-23/31, art. 1, 092; Inwerkingtreding : 25-05-1991> De Commissie wordt in vergadering bijeengeroepen door de voorzitter, hetzij op dezes initiatief, hetzij op verzoek van de Minister van Sociale Zaken, hetzij op verzoek van het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging, hetzij op vraag van ten minste drie leden; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Article 44sedecies. La Commission se réunit sur convocation de son président, soit à son initiative, soit à la requête du Ministre des Affaires sociales, soit à la demande du Comité de gestion du Service des Soins de Santé, soit à la demande d'au moins trois de ses membres; dans tous les cas, la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Artikel 44septiesdecies. <INGEVOEGD bij KB 1991-04-23/31, art. 1, 092; Inwerkingtreding : 25-05-1991> De Commissie houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van de leden aanwezig zijn.
  De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van hen die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen.
Article 44septiesdecies. Le siège de la Commission est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
  Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions.
Artikel 44duodevicies. <INGEVOEGD bij KB 1991-04-23/31, art. 1, 092; Inwerkingtreding : 25-05-1991> De Commissie stelt haar huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging.
Article 44duodevicies. La Commission établit son règlement d'ordre intérieur et le soumet pour approbation au Comité de gestion du Service des Soins de santé.
Artikel 44undevicies. <INGEVOEGD bij KB 1991-04-23/31, art. 1, 092; Inwerkingtreding : 25-05-1991> De functies van secretaris en adjunct-secretaris van de Commissie worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van genoemde dienst.
Article 44undevicies. Les fonctions de secrétaire et de secrétaire adjoint sont assumées par des agents du Service des soins de santé, désignés par le fonctionnaire dirigeant dudit service.
HOOFDSTUK III. _ (Geneeskundige Raad voor invaliditeit.)
CHAPITRE III. _ (Du conseil médical de l'invalidité.)
Afdeling 1. _ (Samenstelling van de Geneeskundige Raad voor invaliditeit en werkgebied van de gewestelijke commissies.)
Section 1ère. (De la composition du Conseil médical de l'invalidité et du ressort des commissions régionales.)
Art.45. <KB 22-12-1969, art. 1> De geneeskundige Raad voor invaliditeit omvat een Hoge Commissie en gewestelijke commissies.
  De Hoge Commissie heeft haar zetel te Brussel.
  Er zijn negen gewestelijke commissies; elk van haar heeft het grondgebied van een provincie tot werkgebied.
  De zetel van elke gewestelijke commissie is in de hoofdplaats van de provincie van haar werkgebied gevestigd. Elke gewestelijke commissie bevat afdelingen die een afzonderlijke zetel en een afzonderlijk werkgebied hebben.
  Te allen tijde kan, volgens de behoeften van de dienst of de verplaatsingsmogelijkheden van de gerechtigde, het in artikel 49, 6°, beoogde toezenden van de dossiers, aan elke afdeling geschieden, ongeacht haar werkgebied (evenals aan de gewestelijke commissie van een aangrenzende provincie of aan een van haar afdelingen). <KB 23-12-1982, art. 1>
Art.45. <AR 22-12-1969, art. 1> Le Conseil médical de l'invalidité comprend une Commission supérieure et des commissions régionales.
  La Commission supérieure a son siège à Bruxelles.
  Les commissions régionales sont au nombre de neuf; elles ont chacune pour ressort le territoire d'une province.
  Le siège de chaque commission régionale est fixé au chef-lieu de la province de son ressort. Chaque commission régional comprend des sections qui ont un siège et un ressort distincts.
  A tout moment, suivant les nécessités du service ou les possibilités de déplacement du titulaire, la transmission des dossiers visée à l'article 48, 6°, peut être faite à toute section, indépendamment de son ressort (ainsi qu'à toute commission régionale d'une province limitrophe ou à une de ses sections.) <AR 23-12-1982, art.2>
Afdeling 2. _ (Hoge Commissie.)
Section 2. _ (De la Commission supérieure.)
Art.46. <KB 22-12-1969, art. 1> De Hoge Commissie is samengesteld uit:
  1° twee leden, doctors in de geneeskunde, ambtenaren bij de Dienst voor uitkeringen;
  2° twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden, doctors in de geneeskunde, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat van de toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen worden voorgedragen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt er rekening gehouden met haar respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid;
  3° twee leden, doctors in de geneeskunde, ambtenaren bij de Dienst voor geneeskundige controle.
  De Koning wijst onder de leden van de Hoge Commissie, op haar voordracht, de voorzitter aan.
Art.46. <AR 22-12-1969, art. 1> La Commission supérieure est composée:
  1° de deux membres, docteurs en médecine, fonctionnaires au Service des indemnités;
  2° de douze membres effectifs et de douze membres suppléants, docteurs en médecine, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif à un mandat de membre suppléant;
  3° de deux membres, docteurs en médecine, fonctionnaires au Service du contrôle médical.
  Le Roi désigne le président parmi les membres de la Commission supérieure, sur proposition de celle-ci.
Art.47. <KB 22-12-1969, art. 1> Alle leden van de Hoge Commissie zijn stemgerechtigd. Wanneer de voorzitter van de Hoge Commissie verhinderd is, wijzen de aanwezige leden uit hun midden een voorzitter van de vergadering aan.
Art.47. <AR 22-12-1969, art. 1> Tous les membres de la Commission supérieure ont voix délibérative. En cas d'empêchement du président de la Commission supérieure, les membres présidents désignent parmi eux un président de séance.
Art.48. <KB 22-12-1969, art. 1> De Hoge Commissie heeft tot opdracht:
  1° volgens de bij haar huishoudelijk reglement bepaalde modaliteiten en aanwezigheidsrol van haar werkende en plaatsvervangende leden op te maken voor de uitvoering van het bepaalde in artikel 49;
  2° het aantal van de afdelingen van de gewestelijke commissies vast te stellen en de zetel en het werkgebied ervan te bepalen;
  3° haar huishoudelijk reglement, evenals dat van de gewestelijke commissies, op te maken;
  4° te waken over de goede werking van de gewestelijke commissies, ter vervulling van die opdracht, kan zij één of meer van haar leden afvaardigen om de zittingen van de gewestelijke commissies en van haar afdelingen bij te wonen en om over haar bedrijvigheid verslag uit te brengen;
  5° uitspraak te doen over de staat van invaliditeit van de gerechtigden, in de zin van artikel 56 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, en de duur te bepalen onverminderd de toepassing van artikel 51, tweede lid, van dezelfde wet en van artikel 54 van dit besluit;
  6° de door haar aangewezen afdeling van de gewestelijke commissie de dossiers te bezorgen die betrekking hebben op de gerechtigden voor wie zij een lichamelijk onderzoek nodig acht;
  7° de adviserend geneesheer te verzoeken elk verslag dat ze nuttig acht dringend op te maken en haar toe te sturen;
  8° onder de (in artikel 229, 5°), bepaalde voorwaarden uitspraak te doen over de voorstellen van de adviserend geneesheer om te erkennen dat een gerechtigde die niemand ten laste heeft, bij arbeidsongeschiktheid andermans hulp behoeft; alvorens te beslissen kan zij, hetzij het advies vragen van één van haar leden of van een afdeling van een gewestelijke commissie, hetzij betrokkene vragen voor haar te verschijnen, hetzij een onderzoek door een verpleegster, ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, bevelen in de gevallen waarin de gevraagde inlichtingen niet de bemoeiing van een geneesheer vergen; <KB 17-6-1982, art. 1>
  9° overeenkomstig artikel 42 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 te adviseren over de kwesties met betrekking tot het tijdvak van invaliditeit, welke haar hetzij door de Minister van Sociale Voorzorg, hetzij door het Beheerscomité of door de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, hetzij door de verzekeringsinstellingen worden voorgelegd; dit advies moet worden uitgebracht binnen de maand na de datum waarop het wordt ingewonnen;
  10° samen te werken met het in artikel 19 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde College van geneesheren-directeurs, door het ervan in kennis te stellen welke gerechtigden in aanmerking kunnen komen voor revalidatie of herscholing en het alle inlichtingen te verschaffen die het ter uitoefening van zijn opdracht aanvraagt;
  11° het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen elk kwartaal verslag uit te brengen over de werking van de Geneeskundige Raad voor invaliditeit.
Art.48. <AR 22-12-1969, art. 1> La Commission supérieure a pour mission:
  1° d'établir, selon les modalités prévues par son règlement d'ordre intérieur, un rôle de présence de ses membres effectifs et suppléants, en vue de l'application des dispositions de l'article 49;
  2° de déterminer le nombre de sections des commissions régionales et d'en fixer le siège et le ressort;
  3° d'élaborer son règlement d'ordre intérieur ainsi que celui des commissions régionales;
  4° de veiller au bon fonctionnement des commissions régionales; pour accomplir cette mission, elle peut déléguer un ou plusieurs de ses membres pour assister aux séances des commissions régionales et de leurs sections et faire rapport sur leur activité;
  5° de se prononcer sur l'état d'invalidité des titulaires au sens de l'article 56 de la loi du 9 août 1963 précitée, et d'en déterminer la durée, sans préjudice de l'application de l'article 51, alinéa 2, de la même loi, et de l'article 54 du présent arrêté;
  6° de transmettre à la section de la commission régionale désignée par elle, les dossiers se rapportant aux titulaires qu'elle juge devoir soumettre à un examen corporel;
  7° de requérir le médecin-conseil d'établir et de lui transmettre d'urgence tout rapport qu'elle estime utile;
  8° de se prononcer, dans les conditions fixées (à l'article 229, 5°), sur les propositions du médecin-conseil tendant à reconnaître à un titulaire n'ayant personne à charge, l'aide d'une tierce personne, en cas d'incapacité de travail; elle peut, avant de prendre une décision, soit demander l'avis d'un de ses membres ou d'une section d'une commission régionale, soit inviter l'intéressé à comparaître devant elle, soit ordonner une enquête par une infirmière, fonctionnaire du Service des indemnités, dans les cas où les renseignements demandés ne nécessitent pas l'intervention d'un médecin; <AR 17-06-1982, art. 1>
  9° d'émettre, conformément à l'article 42 de la loi du 9 août 1963 précitée un avis au sujet des questions relatives à la période d'invalidité qui lui sont soumises soit par le Ministre de la Prévoyance sociale, soit par le Comité de gestion ou le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, soit par des organismes assureurs; cet avis doit être émis dans le mois qui suit la date à laquelle il est sollicité;
  10° de collaborer avec le Collège des médecins-directeurs visé à l'article 19 de la loi du 9 août 1963 précitée, en lui signalant tout titulaire susceptible de bénéficier d'une rééducation fonctionnelle ou professionnelle et en lui transmettant tous les renseignements qu'il demande pour l'exercice de sa mission;
  11° de faire trimestriellement rapport au Comité de gestion du Service des indemnités sur le fonctionnement du Conseil médical de l'invalidité.
Art.49. <KB 22-12-1969, art. 1> De in artikel 48, 5°, 6° en 7°, bedoelde opdrachten worden eveneens geldig uitgevoerd door een afzonderlijk optredend lid van de Hoge Commissie, tenzij betrekking hebben op een geval waarin het dossier bij toepassing van artikel 62, tweede lid, aan de Hoge Commissie is toegezonden of waarvoor de beslissing door het huishoudelijk reglement aan de Hoge Commissie is voorbehouden.
Art.49. <AR 22-12-1969, art. 1> Les missions visées à l'article 48, 5°, 6° et 7°, sont de même, exécutées valablement par un membre de la Commission supérieure agissant individuellement, à moins qu'elles ne concernent un cas dans lequel le dossier a été transmis à la Commission supérieure en application de l'article 62, alinéa 2, ou dans lequel le règlement d'ordre intérieur réserve la décision à la Commission supérieure.
Afdeling 3. _ (De gewestelijke commissie en haar afdelingen.)
Section 3. _ (Des Commissions régionales et de leurs sections.)
Art.50. <KB 22-12-1969, art. 1> Elke gewestelijke commissie is samengesteld uit:
  1° (de eerstaanwezend geneesheer-inspecteur-hoofd van de dienst van de Dienst voor geneeskundige controle van de provincie waar de gewestelijke commissie haar zetel heeft;) <KB 23-12-1982, art. 2>
  2° twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden, doctors in de geneeskunde, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat van de toe te wijzen mandaten door de verzekeringsinstellingen worden voorgedragen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen wordt er rekening gehouden met haar respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend en één mandaat van plaatsvervangend lid;
  3° (een geneesheer-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige controle, voor elke zitting van de commissie en van elke van haar afdelingen bedoeld in artikel 45, derde lid, aangeduid door de in 1° beoogde eerstaanwezend geneesheer-inspecteur-hoofd van dienst.) <KB 23-12-1982, art. 2>
  De gewestelijke commissie wordt voorgezeten door het in het vorige lid, 1°, beoogde lid.
Art.50. <AR 22-12-1969, art. 1> Chaque commission régionale est composée:
  1° (du médecin-inspecteur principal-chef de service du Service du contrôle médical de la province où la commission régionale à son siège;) <AR 23-12-1982, art. 2>
  2° de douze membres effectifs et de douze membres suppléants, docteurs en médecine, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit à au moins un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
  3° (d'un médecin-inspecteur du Service du Contrôle médical désigné par le médecin-inspecteur principal-chef de service visé au 1°, pour chaque séance de la commission et de chacune de ses sections visées à l'article 45, alinéa 3.) <AR 23-12-1982, art. 2>
  La commission régionale est présidée par le membre visé à l'alinéa précédent, 1°.
Art.51. <KB 22-12-1969, art. 1> Alle leden van de gewestelijke commissie zijn stemgerechtigd. Indien de voorzitter van de gewestelijke commissie verhinderd is, duiden de aanwezige leden uit hun midden een voorzitter van de vergadering aan.
Art.51. <AR 22-12-1969, art. 1> Tous les membres de la commission régionale ont voix délibérative. En cas d'empêchement du président de la commission régionale, les membres présents désignent parmi eux un président de séance.
Art.52. <KB 22-12-1969, art. 1> De gewestelijke commissies hebben tot opdracht:
  1° uit haar midden de in artikel 53 bedoelde afdelingen samen te stellen;
  2° een aanwezigheidsrol van de leden van hun afdelingen op te maken zonder enig onderscheid onder de werkende en de plaatsvervangende leden;
  3° te waken over de goede werking van haar afdelingen;
  4° gevolg te geven aan de aanvragen om advies welke haar door de Hoge Commissie worden gezonden.
Art.52. <AR 22-12-1969, art. 1> Les commissions régionales ont pour mission:
  1° de constituer en leur sein les sections visées à l'article 53;
  2° d'établir un rôle de présence des membres de leurs sections sans aucune distinction entre les membres effectifs et les membres suppléants;
  3° de veiller au bon fonctionnement de leurs sections;
  4° de répondre aux demandes d'avis qui leur sont adressées par la Commission supérieure.
Art.53. <KB 22-12-1969, art. 1> De afdelingen van de gewestelijke commissie bestaan uit:
  1° ten minste twee leden die deel uitmaken van de in artikel 50, eerste lid, 2°, beoogde groep, ieder van hen moet voor zijn benoeming tot lid van de gewestelijke commissie door een verschillende verzekeringsinstelling voorgedragen zijn;
  2° het in artikel 50, eerste lid, 3°, beoogde lid.
Art.53. <AR 22-12-1969, art. 1> Les sections des commissions régionales comprennent :
  1° au moins deux membres appartenant au groupe visé à l'article 50, alinéa 1er, 2°, chacun étant présenté par un organisme assureur différent en vue de sa nomination comme membre de la commission régionale;
  2° le membre visé à l'article 50, alinéa 1er, 3°.
Art.54. <KB 22-12-1969, art. 1> De afdelingen van de gewestelijke commissies hebben tot opdracht:
  1° de door de Hoge Commissie of een lid ervan gevraagde lichamelijke onderzoekingen te verrichten;
  2° voor ieder van die lichamelijke onderzoekingen een omstandig verslag op te stellen, rekening gehouden met de verschillende beoordelingsmaatstaven, vastgesteld in artikel 56 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963;
  3° ten aanzien van de gerechtigden die zij aan een lichamelijk onderzoek hebben onderworpen, een van de volgende beslissingen te nemen:
  a) het bestaan van de staat van invaliditeit in de zin van artikel 56 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, vast te stellen, in welk geval zij tevens de Hoge Commissie adviseren over de duur ervan;
  b) het einde van die staat vast te stellen;
  4° ten aanzien van de gerechtigden die, hoewel opgeroepen, niet voor haar zijn verschenen, het bestaan van de staat van invaliditeit vast te stellen en de Hoge Commissie over de duur ervan te adviseren, mits zij in het bezit zijn gesteld van gegevens die zij voldoende achten;
  5° de Hoge Commissie de in 3° en 4° bedoelde beslissingen, ook als zij genomen zijn bij toepassing van het tweede lid, de verslagen en enquêtes die daarmee verband houden, evenals een afschrift van de kennisgeving aan de gerechtigde wanneer het gaat om het vaststellen van het einde van de staat van arbeidsongeschiktheid, toe te zenden;
  6° gevolg te geven aan de aanvragen om advies die haar door de Hoge Commissie worden toegezonden.
  Als de gerechtigde ten huize moet worden onderzocht, worden de in het eerste lid, 1°, 2° en 3°, bedoelde opdrachten eveneens geldig uitgevoerd door een afzonderlijk optredend geneesheer die de afdeling daartoe aanwijst onder haar leden.
Art.54. <AR 22-12-1969, art. 1> Les sections des commissions régionales ont pour mission:
  1° de procéder aux examens corporels demandés par la Commission supérieure ou par un membre de celle-ci;
  2° d'établir pour chacun de ces examens corporels un rapport circonstancié tenant compte des différents critères d'appréciation fixés à l'article 56 de la loi du 9 août 1963 précitée;
  3° de prendre, en cause des titulaires qu'elles ont soumis à un examen corporel, l'une des décisions suivantes:
  a) constater l'existence de l'état d'invalidité au sens de l'article 56 de la loi du 9 août 1963 précitée, tout en donnant à la Commission supérieure, dans cette hypothèse, leur avis sur la durée de celui-ci;
  b) constater la fin de cet état;
  4° de constater, en cause des titulaires qui, bien que convoqués, n'ont pas comparu devant elles, l'existence de l'état d'invalidité et de donner à la Commission supérieure leur avis sur la durée de celui-ci, pour autant qu'elles aient été mises en possession d'éléments qu'elles jugent suffisants;
  5° de transmettre à la Commission supérieure les décision visées aux 3° et 4°, même si elles ont été prises en application de l'alinéa 2, les rapports d'enquêtes s'y rapportant ainsi qu'une copie de la notification faite au titulaire lorsqu'il s'agit de constater la fin de l'état d'incapacité de travail;
  6° de déférer aux demandes d'avis que leur adresse la Commission supérieure.
  Lorsque le titulaire doit être examiné à domicile, les missions visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, sont aussi exécutées valablement par un médecin, agissant individuellement, que la section désigne à cette fin parmi ses membres.
Afdeling 4. _ (Tussenkomsten van de adviserend geneesheren en van de geneesheren-inspecteurs met betrekking tot de staat van invaliditeit.)
Section 4. _ (Des interventions des médecins-conseil et des médecins-inspecteurs relatives à l'état d'invalidité.)
Art.55. <KB 22-12-1969, art. 1> § 1. 1° Tussen de zevende en de vijfde week vóór de aanvangsdatum van het tijdvak van invaliditeit maakt de adviserend geneesheer ten behoeve van de Hoge Commissie een verslag op , waarin alle gegevens voorkomen welke de leden van deze commissie er kunnen over voorlichten of het aangewezen is de staat van invaliditeit in de zin van artikel 56 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 vast te stellen. Dit verslag bevat het advies van de adviserend geneesheer.
  Op grond van verslag worden de beslissingen binnen de laatste vier weken van het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid getroffen.
  2° Uiterlijk zes weken vóór het verstrijken van elk tijdvak waarvoor de Geneeskundige Raad voor invaliditeit de staat van invaliditeit heeft vastgesteld, maakt de adviserend geneesheer een omstandig verslag op met zijn advies of het aangewezen is, voor een nieuw tijdvak, de staat van invaliditeit in de zin van artikel 56 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 vast te stellen.
  Op grond van hogergenoemde verslagen worden de beslissingen getroffen binnen vier weken vóór het verstrijken van het tijdvak waarvoor de staat van invaliditeit werd erkend.
  3° Wanneer ofwel de geneesheer-inspecteur ofwel de adviserend geneesheer het einde van de staat van invaliditeit vaststelt, bericht deze laatste zulks onmiddellijk aan de Hoge Commissie met een verslag waarin de basisgegevens van zijn beslissing zijn vermeld en samen met een afschrift van de kennisgeving aan de gerechtigde.
  4° Afgezien van de onder 1° tot en met 3° bepaalde verslagen, neemt de adviserend geneesheer in bijkomende verslagen, die hij aan de Hoge Commissie zendt zodra zij zijn opgemaakt alle opmerkingen op waardoor de prognose kan gewijzigd worden die hij in zijn vorig verslag had opgenomen met betrekking tot de evolutie van de staat van invaliditeit van een gerechtigde.
  Voorts stelt de adviserend geneesheer elk verslag op dat door de Hoge Commissie of door één van haar leden nuttig wordt geacht en zendt haar dit dringend door.
  5° Ingeval de staat van arbeidsongeschiktheid opnieuw optreedt binnen drie maanden na het einde van een invaliditeitstijdvak, kan de staat van invaliditeit door de adviserend geneesheer voor ten hoogste veertien dagen te rekenen van de dag waarop die staat van arbeidsongeschiktheid opnieuw is opgetreden, worden erkend.
  Indien de adviserend geneesheer oordeelt dat de staat van invaliditeit moet worden erkend voor een periode die veertien dagen niet overschrijdt te rekenen van de dag waarop die staat opnieuw optreedt, stelt zijn beslissing tezelfder tijd het einde van de staat van invaliditeit vast bij het verstrijken van het erkende tijdvak. Het verslag waarin de basisgegevens van zijn beslissing zijn vermeld en een afschrift van de kennisgeving aan de gerechtigde worden onmiddellijk aan de Hoge Commissie gezonden.
  Indien de adviserend geneesheer oordeelt dat de periode van arbeidsongeschiktheid veertien dagen kan overschrijden, maakt hij een verslag op waarin alle gegevens zijn opgenomen welke de Hoge commissies er kunnen over voorlichten of het aangewezen is de staat van invaliditeit voor een nieuw tijdvak vast te stellen en zendt hij haar dit verslag.
  Indien de adviserend geneesheer beslist het wederoptreden van de staat van arbeidsongeschiktheid te ontkennen, bericht hij dit onmiddellijk aan de Hoge commissie met een verslag waarin de basisgegevens van zijn beslissing zijn vermeld; vergezeld van een afschrift van de kennisgeving aan de gerechtigde.
  Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op de geneesheer-inspecteur die de gerechtigde op aanvraag van de adviserend geneesheer onderzoekt. Deze laatste is ermede belast de voor de Hoge Commissie bestemde documenten te verzenden.
  6° De adviserend geneesheer deelt de Hoge Commissie onmiddellijk de namen mede van de gerechtigden in staat van invaliditeit wanneer dezen spontaan de arbeid hebben hervat.
  Zo ook deelt de verzekeringsinstelling onmiddellijk aan de Hoge Commissie elke gebeurtenis mede die de administratieve toestand van de gerechtigde wijzigt.
  7° De adviserend geneesheer maakt de in artikel 48, 8°, bepaalde verslagen op met betrekking tot de gerechtigden die niemand ten laste hebben en bij arbeidsongeschiktheid op de hulp van een derde zijn aangewezen, en zendt ze aan de Hoge Commissie.
  § 2. De bij § 1, 1°, 2°, 4°, 6°, eerste lid, en 7°, bepaalde verslagen worden door de adviserend geneesheren aan de geneeskundige directie van hun verzekeringsinstelling gezonden; de geneesheer-directeur van die verzekeringsinstelling zendt ze aan de Hoge Commisssie door.
  De bij § 1, 1° en 2°, bepaalde verslagen moeten de Hoge Commissie toekomen ten laatste vier weken vóór de grensdatum waarop de beslissing op grond van die verslagen moet genomen worden.
  De bij § 1, 3° en 5°, bepaalde verslagen worden aan de Hoge commissie gezonden door de adviserend geneesheren, die er tegelijkertijd een afschrift van zenden aan de geneeskundige directie van hun verzekeringsinstelling.
Art.55. <AR 22-12-1969, art. 1> § 1er. 1°. Entre la septième et la cinquième semaine précédant la date de début de la période d'invalidité, le médecin-conseil établit, à l'intention de la Commission supérieure, un rapport reprenant tous les éléments de nature à éclairer les membres de cette Commission sur l'opportunité de constater l'état d'invalidité au sens de l'article 56 de la loi du 9 août 1963 précitée. Ce rapport contient l'avis du médecin-conseil.
  Les décisions sont prises au vu de ce rapport, dans les quatre dernières semaines de la période d'incapacité primaire.
  2° Au plus tard six semaines avant l'expiration de toute période pour laquelle le Conseil médical de l'invalidité a constaté l'état d'invalidité, le médecin-conseil établit un rapport circonstancié, contenant son avis sur l'opportunité de constater, pour une nouvelle période, l'état d'invalidité au sens de l'article 56 de la loi du 9 août 1963 précitée.
  Les décisions sont prises au vu des rapports susvisés, dans les quatre semaines précédant l'expiration de la période pour laquelle l'état d'invalidité a été reconnu.
  3° Au cas où soit le médecin-inspecteur soit le médecin-conseil constate la fin de l'état d'invalidité, ce dernier en avertit immédiatement la Commission supérieure au moyen d'un rapport reprenant les éléments de base de sa décision et en y joignant une copie de la notification faite au titulaire.
  4° Indépendamment des rapports visés aux 1° à 3°, le médecin-conseil consigne dans des rapports complémentaires, qu'il transmet aussitôt qu'établis à la Commission supérieure, toutes observations susceptibles de modifier le pronostic inclus dans son précédent rapport quand à l'évolution de l'état d'invalidité d'un titulaire.
  De plus, le médecin-conseil établit tout rapport estimé utile par la Commission supérieure ou par un de ses membres et le lui transmet d'urgence.
  5° Lorsque l'état d'incapacité de travail reprend dans les trois mois qui suivent la fin de la période d'invalidité, l'état d'invalidité peut être reconnu par le médecin-conseil pour une période maximale de quatorze jours à compter de la date de reprise dudit état d'incapacité de travail.
  Si le médecin-conseil estime qu'il y a lieu de reconnaître l'état d'invalidité pour une période qui n'excède pas quatorze jours à compter de celui de la reprise de cet état, sa décision fixe immédiatement la fin de l'état d'invalidité à l'expiration de la période reconnue. Le rapport, reprenant les éléments de base de sa décision, et une copie de la notification faite au titulaire, sont envoyés immédiatement à la Commission supérieure.
  Si le médecin-conseil estime que la période d'incapacité de travail peut excéder quatorze jours, il établit un rapport reprenant tous les éléments de nature à éclairer la Commission supérieure sur l'opportunité de constater l'état d'invalidité pour une nouvelle période et lui transmet ce rapport.
  Si le médecin-conseil décide de dénier la reprise de l'état d'incapacité de travail, il en avertit immédiatement la Commission supérieure, au moyen d'un rapport reprenant les éléments de base de sa décision et en y joignant une copie de sa notification au titulaire.
  Les présentes dispositions s'appliquent également au médecin-inspecteur qui examine le titulaire à la demande du médecin-conseil. Ce dernier est charge de la transmission des documents destinés à la Commission supérieure.
  6° Le médecin-conseil signale immédiatement à la Commission supérieure les noms des titulaires en état d'invalidité, lorsque ceux-ci ont spontanément repris le travail.
  De même, l'organisme assureur signale immédiatement à la Commission supérieure tout événement de nature à modifier la situation administrative du titulaire.
  7° Le médecin-conseil établit et transmet à la Commission supérieure, les rapports visés à l'article 48; 8°, relatifs aux titulaires n'ayant personne à charge, qui ont besoin de l'aide d'une tierce personne, en cas d'incapacité de travail.
  § 2. Les rapports visés au § 1er, 1°, 2°, 4°, 6°, alinéa 1er, et 7°, sont adressés par les médecins-conseil à la direction médical de leur organisme assureur; le médecin -directeur de cet organisme assureur les transmet à la Commission supérieure.
  Les rapports visés au § 1er, 1° et 2°, doivent partir à la Commission supérieure, au plus tard, quatre semaines avant la date limite à laquelle la décision, sur base de ces rapports, doit intervenir.
  Les rapports visés au § 1er, 3° et 5°, sont adressés à la Commission supérieure par les médecins-conseil qui en communiquent simultanément une copie à la direction médicale de leur organisme assureur.
Afdeling 5. _ (Gemene bepalingen ter zake van de commissies van de Geneeskundige Raad voor invaliditeit.)
Section 5. _ (Des dispositions communes aux commissions du Conseil médical de l'invalidité.)
Art.56. <KB 22-12-1969, art. 1> Het secretariaat van de Hoge Commissie, van de gewestelijke commissies en van de afdelingen van de gewestelijke commissies, wordt waargenomen door personeelsleden die worden aangewezen door de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen.
Art.56. <AR 22-12-1969, art. 1> Le secrétariat de la Commission supérieure, des commissions régionales et des sections des commissions régionales, est assumé par des agents désignés par le fonctionnaire-dirigeant du Service des indemnités.
Art.57. <KB 22-12-1969, art. 1> Wanneer een lid van een in de Geneeskundige Raad voor invaliditeit werkende commissie verhinderd is om zitting te houden, moet het de nodige schikkingen treffen om in zijn vervanging door een plaatsvervangend lid van dezelfde commissie te voorzien. Voor de afdelingen van de gewestelijke commissies kan die vervanging geschieden door een lid van een andere afdeling van dezelfde gewestelijke commissie.
Art.57. <AR 22-12-1969, art. 1> Lorsqu'un membre d'une commission fonctionnant au sein du Conseil médical de l'invalidité est empêché de siéger, il doit prendre toutes dispositions utiles pour pouvoir à son remplacement par un membre suppléant de la même commission. Pour les sections des commissions régionales, cette suppléance peut être exercée par un membre d'une autre section de la même commission régionale.
Art.58. <KB 22-12-1969, art. 1> Een plaatsvervangend lid houdt enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid. Nochtans, in de Hoge Commissie, wanneer de leden zitting houden bij toepassing van artikel 49, alsook in de afdelingen van de gewestelijke commissies, nemen de plaatsvervangende evengoed als de werkende leden aan de werking ervan deel.
Art.58. <AR 22-12-1969, art. 1> Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif. Toutefois, à la Commission supérieure, lorsque les membres siègent en application de l'article 49, et dans les sections des commissions régionales, les membres effectifs et suppléants concourent indifféremment à assurer le fonctionnement de celles-ci.
Art.59. <KB 22-12-1969, art. 1> De Hoge Commissie en de gewestelijke commissies houden geldig zitting, indien ten minste de helft van de leden aanwezig zijn.
  De beslissingen worden bij eenvoudige meerderheid genomen. Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter beslissend.
Art.59. <AR 22-12-1969, art. 1> La Commission supérieure et les commissions régionales siègent valablement si au moins la moitié des membres sont présents.
  Les décisions sont prises à la majorité simple. En cas de parité, la voix du président est prépondérante.
Art.60. <KB 22-12-1969, art. 1> De afdelingen van de gewestelijke commissies houdend geldig zitting wanneer ten minste twee andere leden dan degene die zijn voorgedragen door de verzekeringsinstelling waartoe de gerechtigde behoort wiens geval dient te worden behandeld, aanwezig zijn.
Art.60. <AR 22-12-1969, art. 1> Les sections des commissions régionales siègent valablement lorsqu'au moins deux membres, autres que ceux présentés par l'organisme assureur auquel appartient le titulaire dont le cas doit être examiné, sont présents.
Art.61. <KB 22-12-1969, art. 1> Wanneer de Hoge Commissie of één van haar leden onderzoekingen aanvraagt, wordt de staat van arbeidsongeschiktheid geacht te zijn erkend tot dat een beslissing wordt genomen waarin met de uitslag van die onderzoekingen rekening wordt gehouden.
Art.61. <AR 22-12-1969, art. 1> Lorsque la Commission supérieure ou un de ses membres demande de procéder à des examens, l'état d'incapacité de travail est censé reconnu jusqu'au moment où sera prise une décision tenant compte du résultat de ces examens.
Art.62. <KB 22-12-1969, art. 1> De beslissingen van de afdelingen van de gewestelijke commissies zijn geldig, indien zij bij eenparigheid van stemmen zijn genomen; de leden die door een bepaalde verzekeringsinstelling zijn voorgedragen, moeten zich ervan onthouden aan de stemming deel te nemen, wanneer deze betrekking heeft op een gerechtigde die bij deze instelling is ingeschreven.
  Wanneer er geen eenparigheid is, zendt de afdeling van de gewestelijke commissie het dossier, aangevuld met een gemotiveerd verslag, aan de Hoge Commissie die bij gewone meerderheid van stemmen beslist.
Art.62. <AR 22-12-1969, art. 1> Les décisions des sections des commissions régionales sont valables si elles ont été prises à l'unanimité, les membres qui ont été présentés par un organisme assureur déterminé devant s'abstenir de prendre part au vote lorsque celui-ci concerne un titulaire inscrit à cet organisme.
  Lorsque l'unanimité n'est pas réalisée, la section de la commission régionale transmet le dossier, complété par un rapport motivé, à la Commission supérieure qui décide à la majorité simple.
Art.63. <KB 22-12-1969, art. 1> De beslissingen van de Hoge Commissie en van de afdelingen van de gewestelijke commissies worden gemotiveerd.
Art.63. <AR 22-12-1969, art. 1> Les décisions de la Commission supérieure et des sections des commissions régionales sont motivées.
Art.64. <KB 22-12-1969, art. 1> Ter vervulling van de opdrachten die zij moeten volbrengen kunnen de leden van de Geneeskundige Raad voor invaliditeit van de verzekeringsinstellingen en van hun adviserend geneesheren alsook van de erkende controlediensten, bedoeld in artikel 48bis van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, alle door hen nuttig geachte inlichtingen eisen.
Art.64. <AR 22-12-1969, art. 1> Pour l'accomplissement des missions qui leur incombent, les membres du Conseil médical de l'invalidité peuvent exiger des organismes assureurs et de leurs médecins-conseil ainsi que des services de contrôles agréés visés à l'article 48bis de la loi du 9 août 1963 précitée, tous renseignements qu'ils jugent utiles.
Art.65. <KB 22-12-1969, art. 1> De leden van de Hoge Commissie en van de gewestelijke commissies worden benoemd voor zes jaar.
  Het mandaat van de uittredende leden kan worden vernieuwd.
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat , niet langer deel uitmaakt van de Hoge Commissies en van de gewestelijke commissies.
  Het aldus aangewezen nieuw lid voleindigt het mandaat van het lid dat het vervangt.
  De bepalingen van dit artikel gelden niet voor de leden bedoeld in de artikelen 46, 1° en 3°, en 50, 1° en 3°.
Art.65. <AR 22-12-1969, art. 1> Les membres de la Commission supérieure et des commissions régionales sont nommés pour un terme de six ans.
  Le mandat des membres sortant peut être renouvelé.
  Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de la Commission supérieure et des commissions régionales avant la date normale d'expiration de son mandat.
  Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat du membre qu'il remplace.
  Les dispositions du présent article ne concernent pas les membres vises aux articles 46, 1° et 3°, et 50, 1° et 3°.
Afdeling 6. _ (Kennisgevingen.)
Section 6. _ (Des notifications.)
Art.66. <KB 22-12-1969, art. 1> Van de beslissing van de Hoge Commissie van haar leden tot vaststelling van de staat van invaliditeit wordt, in de voorwaarden die bij het huishoudelijk reglement zijn bepaald kennis gegeven aan de verzekeringsinstelling.
Art.66. <AR 22-12-1969, art. 1> La décision de la Commission supérieure ou d'un de ses membres constatant l'état d'invalidité est notifiée à l'organisme assureur, dans les conditions fixées par le règlement d'ordre intérieur.
Art.67. <KB 22-12-1969, art. 1> Van de beslissing van een afdeling van de gewestelijke commissie of van één van haar leden, tot vaststelling van de staat van invaliditeit wordt kennis gegeven aan de Hoge Commissie. Deze beschikt over vijftien werkdagen om van haar beslissing tot vaststelling van de duur kennis te geven aan de verzekeringsinstelling.
  Van de beslissing van een afdeling van een gewestelijke commissie of één van haar leden, of van de Hoge Commissie bij toepassing van artikel 62, tweede lid, tot vaststelling van het einde van de staat van invaliditeit, wordt kennis gegeven aan de gerechtigde; aan de verzekeringsinstelling, aan de administratieve dienst van het verbind of van de Gewestelijke Dienst en aan de adviserend geneesheer. Die kennisgevingen worden gedaan binnen drie werkdagen na de dag van de beslissing.
Art.67. <AR 22-12-1969, art. 1> La décision d'une section d'une commission régionale ou d'un de ses membres constatant l'état d'invalidité est notifiée à la Commission supérieure; celle-ci dispose de quinze jours ouvrables pour notifier sa décision, portant sur la fixation de la durée, à l'organisme assureur.
  La décision d'une section d'une commission régionale ou d'un de ses membres, ou de la Commission supérieure en application de l'article 62, alinéa 2, constatant la fin de l'état d'invalidité, est notifiée au titulaire, à l'organisme assureur, au service administratif de la fédération ou de l'Office national et au médecin-conseil. Ces notifications sont faites dans les trois jours ouvrables qui suivent le jour de la décision.
Art.68. <KB 22-12-1969, art. 1> Van de beslissing van de adviserend geneesheer of van de geneesheer-inspecteur tot vaststelling van het einde van de staat van invaliditeit of die tot ontkenning van het wederoptreden van de staat van arbeidsongeschiktheid binnen drie maand na het einde van een invaliditeitsperiode; wordt kennis gegeven aan de gerechtigde, aan de verzekeringsinstelling en aan de administratieve dienst van het verbond of van de Gewestelijke dienst.
  Die kennisgevingen worden verricht:
  1° Wanneer het een vaststelling betreft van het einde van de staat van invaliditeit: binnen drie werkdagen na de dag van de beslissing;
  2° Wanneer het gaat om een beslissing bedoeld in artikel 55, § 1, 5°, vierde lid: binnen vijf werkdagen na de dag van ontvangst van het getuigschrift of van de aangifte van arbeidsongeschiktheid of van de kennisgeving van arbeidsongeschiktheid, afgeleverd door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.
Art.68. <AR 22-12-1969, art. 1> La décision du médecin-conseil et du médecin-inspecteur constatant la fin de l'état d'invalidité ou celle déniant la reprise de l'état d'incapacité de travail dans les trois mois suivant la fin d'une période d'invalidité, est notifiée au titulaire, à l'organisme assureur et au service administratif de la fédération ou de l'Office régional.
  Ces notifications sont faites:
  1° Lorsqu'il s'agit d'une constatation de la fin de l'état d'invalidité; dans les trois jours ouvrables qui suivent le jour de la décision.
  2° Lorsqu'il s'agit d'une décision visée à l'article 55, § 1er, 5°, alinéa 4: dans les cinq jours ouvrables qui suivent le jour de la réception du certificat ou de la déclaration d'incapacité de travail, ou de la notification d'incapacité de travail délivrée par l'Office national de l'emploi.
Art.69. <KB 22-12-1969, art. 1> De in de artikelen 67 en 68 bedoelde kennisgevingen aan de gerechtigden worden tegen ontvangstbewijs afgegeven. Worden zij evenwel bij een ter post aangetekende brief gedaan, dan worden zij geacht plaats te hebben gehad de eerste dag na de afgifte ter post; zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen worden evenwel niet meegeteld.
Art.69. <AR 22-12-1969, art. 1> Les notifications aux titulaires, visées aux articles 67 et 68, sont faites contre récépissé. Toutefois, lorsqu'elles ont lieu par pli recommandé à la poste, elles sont réputées avoir été faites le premier jour qui suit la remise à la poste; les samedis, dimanches et jours fériés légaux ne sont pas comptés dans ce délai.
Art.70. <KB 22-12-1969, art. 1> De in onderhavige afdeling bedoelde kennisgevingen van de beslissingen van de Hoge Commissie of van één van haar leden, van een afdeling van een gewestelijke commissie, van de adviserend geneesheer en van de geneesheer-inspecteur, moeten overeenstemmen met de modellen die door de Hoge Commissie worden opgemaakt.
  De modellen van de kennisgevingen die voor de gerechtigden zijn bestemd en die betrekking hebben op de beslissingen waarbij hun staat van invaliditeit wordt ontkend of tot de vaststelling van het einde van die staat, bevatten de nodige inlichtingen om nuttig een beroep te doen op de in artikel 100 van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bepaalde rechtscolleges.
Art.70. <AR 22-12-1969, art. 1> Les notifications, visées dans la présente section, des décisions de la Commission supérieure ou d'un de ses membres, d'une section d'une commission régionale, du médecin-conseil et du médecin-inspecteur doivent être conformes aux modèles établis par la Commission supérieure.
  Les modèles des notifications destinées aux titulaires et se rapportant à des décisions leur déniant l'état d'invalidité ou constatant la fin de cet état, contiennent les indications nécessaires pour faire utilement recours aux juridictions visées à l'article 100 de la loi du 9 août 1963 précitée.
Art.71. (opgeheven) <KB 22-12-1969, art. 1>
Art.71. (abrogé) <AR 22-12-1969, art. 1>
Art.72. (opgeheven) <KB 22-12-1969, art. 1>
Art.72. (abrogé) <AR 22-12-1969, art. 1>
Art.73. (opgeheven) <KB 23-10-1967, art. 7>
Art.73. (abrogé) <AR 23-10-1967, art. 7>
Art.74. (opgeheven) <KB 22-12-1969, art. 1>
Art.74. (abrogé) <AR 22-12-1969, art. 1>
Art.75. (opgeheven) <KB 22-12-1969, art. 1>
Art.75. (abrogé) <AR 22-12-1969, art. 1>
Art.76. (opgeheven) <KB 22-12-1969, art. 1>
Art.76. (abroge) <AR 22-12-1976, art. 1>
HOOFDSTUK IV. _ Technische Raden.
CHAPITRE IV. _ Des conseils techniques.
Afdeling 1. _ Technische ziekenfondsraad.
Section 1. _ Du Conseil technique intermutualiste.
Art.77. (De krachtens artikel 43 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bij de Dienst voor uitkeringen ingestelde technische ziekenfondsraad is samengesteld:
  1. Uit drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties;
  2. Uit drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties;
  3. Uit acht werkende en acht plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.) <KB 23-10-1967, art. 11>
  De voorzitter wordt door de Koning benoemd uit de leden van de Raad.
  De leidende ambtenaren van de Dienst voor uitkeringen, van de Dienst voor geneeskundige controle en van de Dienst voor administratieve controle wonen rechtens de vergaderingen van de Raad bij.
  De voorzitter kan ieder ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen of van de Algemene diensten, wiens aanwezigheid nuttig wordt geacht, ter vergadering oproepen om er voortdurend of bij gelegenheid zitting te hebben.
  Het secretariaat van de Raad wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor uitkeringen, aangewezen door de leidend ambtenaar van genoemde dienst.
Art.77. (Le Conseil technique intermutualiste institué en vertu de l'article 43 de la loi du 9 août 1963 susvisée auprès du Service des Indemnités est composé:
  1. de trois membres effectifs et de trois membres suppléants choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des employeurs en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  2. de trois membres effectifs et de trois membres suppléants choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des travailleurs salariés en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  3. de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.) <AR 23-10-1967, art. 11>
  Le président est désigné par le Roi parmi les membres du Conseil.
  Assistent de droit aux séances du Conseil, les fonctionnaires dirigeants du Service des indemnités, du Service du contrôle médical et du Service du contrôle administratif.
  Le président peut appeler en séance, pour y siéger en permanence ou occasionnellement, tout fonctionnaire du Service des indemnités ou des Services généraux dont la présence serait jugée utile.
  Le secrétariat du Conseil est assumé par un agent du Service des indemnités, désigné par le fonctionnaire dirigeant dudit service.
Art.78. De leden van de Raad worden benoemd voor zes jaar. Hun mandaat kan om de drie jaar per helft worden vernieuwd.
  Het mandaat der leden van de Technische ziekenfondsraad wordt evenwel voor het eerst vernieuwd op 1 januari 1967 en de uittredende leden worden bij loting aangewezen.
  Het mandaat van de uittredende leden kan worden vernieuwd.
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van de Technische ziekenfondsraad. Het aldus aangewezen nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Art.78. Les membres du Conseil sont nommés pour un terme de six ans. Leur mandat est renouvelable par moitié, tous les trois ans.
  Toutefois, le premier renouvellement du mandat des membres du Conseil technique intermutualiste aura lieu le 1er janvier 1967, les membres sortants étant désignés par tirage au sort.
  Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
  Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie du Conseil technique intermutualiste avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat du membre qu'il remplace.
Art.79. Een plaatsvervangend lid heeft enkelzitting bij afwezigheid van een werkend lid.
  Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter die door de Koning wordt benoemd uit de leden van de Raad.
Art.79. Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif. En cas d'empêchement du président, il est remplacé par un président suppléant nomme par le Roi parmi les membres du Conseil.
Art.80. De Raad wordt in vergadering bijeengeroepen, hetzij op dezes initiatief, hetzij op verzoek van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
  De Raad houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig zijn.
Art.80. Le Conseil se réunit sur convocation de son président, soit à son initiative, soit à la requête du Comité de gestion du Service des indemnités, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas la convocation mentionne l'objet de la réunion.
  Le siège du Conseil est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
Art.81. De door de Technische ziekenfondsraad uitgebrachte adviezen worden door zijn voorzitter medegedeeld aan het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.
Art.81. Les avis émis par le Conseil technique intermutualiste sont communiqués par son président au Comité de gestion du Service des indemnités.
Art.82. De Raad stelt zijn huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.
Art.82. Le Conseil établit son règlement d'ordre intérieur qu'il soumet pour approbation au Comité de gestion du Service des indemnités.
Afdeling 2. _ (Technische geneeskundige raad.)
Section 2. _ Du Conseil technique médical. (abrogé)
Art.83. (opgeheven) <KB 28-09-1965, art. 8>
Art.83. (abrogé) <AR 28-09-65, art. 8>
Afdeling 3. _ Technische farmaceutische raad.
Section 3. _ Du Conseil technique pharmaceutique.
Art.84. De krachtens artikel (20) van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 ingestelde technische farmaceutische raad is samengesteld uit: <KB 1995-05-19/65, art. 1, 130; Inwerkingtreding : 26-09-1995>
  1° de voorzitter;
  2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstelling; elke verzekeringsinstelling heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
  3° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het Apothekerskorps;
  (3°bis één werkend en één plaatsvervangend lid, apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers;) <KB 1995-05-19/65, art. 1, 130; Inwerkingtreding : 26-09-1995>
  4° een werkend en een plaatsvervangend lid, doctors in de geneeskunde, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door representatieve organisaties van de geneesheren die een geneesmiddelendepot houden;
  5° een werkend en een plaatsvervangend lid, apothekers, aangewezen door de Minister van Sociale Voorzorg;
  6° een werkend en een plaatsvervangend lid, apothekers, aangewezen door de Minister van Volksgezondheid en van het Gezin.
Art.84. Le Conseil technique pharmaceutique institué en vertu de l'article (20) de la loi du 9 août 1963 susvisée est composée: <AR 1995-05-19/65, art. 1, 130; En vigueur : 26-09-1995>
  1° du président;
  2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, pharmaciens, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer, chaque organisme assureur ayant droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
  3° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, pharmaciens, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives du Corps pharmaceutique, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  (3°bis. D'un membre effectif et d'un membre suppléant, pharmaciens, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des pharmaciens hospitaliers, en nombre double de celui des mandats à attribuer;) <AR 1995-05-19/65, art. 1, 130; En vigueur : 26-09-1995>
  4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, docteurs en médecine,choisis parmi les candidats présentés par des organisations représentatives des médecins tenant dépôt de médicaments, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  5° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, pharmaciens, désignés par le Ministre de la Prévoyance sociale;
  6° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, pharmaciens, désignés par le Ministre de la Santé publique et de la Famille.
Afdeling 4. - Technische raad voor kinesitherapie.
Section 4. - Du Conseil technique de la kinésithérapie.
Art.85. <KB 1995-01-13/33, art. 1, 124; Inwerkingtreding : 11-02-1995> De Technische raad voor kinesitherapie, ingesteld krachtens artikel 27 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, is samengesteld uit :
  1° de voorzitter;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende lede, kinesitherapeuten, doctors in de geneeskunde of artsen, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
  3° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, kinesitherapeuten, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat ter toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de kinesitherapeuten; elke beroepsorganisatie draagt daarbij ten minste één werkend lid voor dat de kinesitherapie onderwijst;
  4° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, kinesitherapeuten, gekozen omwille van hun deskundigheid op het vlak van de kinesitherapie;
  5° één werkend en één plaatsvervangend lid, kinesitherapeuten, doctors in de geneeskunde of artsen, aangewezen door de Minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Voorzorg behoort;
  6° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort.
Art.85. <AR 1995-01-13/33, art. 1, 124; En vigueur : 11-02-1995> Le Conseil technique de la kinésithérapie, institué en vertu de l'article 27 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est composé :
  1° du président;
  2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, kinésithérapeutes ou docteurs en médecine, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
  3° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, kinésithérapeutes, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des kinésithérapeutes en nombre double de celui des mandats à attribuer; chaque organisation présente au moins un membre effectif enseignant la kinésithérapie;
  4° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, kinésithérapeutes, choisis en raison de leur compétence dans le domaine de la kinésithérapie;
  5° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, kinésithérapeutes, ou docteurs en médecine, désignés par le Ministre qui à la Prévoyance sociale dans ses attributions;
  6° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions.
Afdeling 5. _ Technische raad voor ziekenhuisverpleging.
Section 5. _ Du Conseil technique de l'hospitalisation.
Art.86. De krachtens artikel 16 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 ingestelde Technische raad voor ziekenhuisverpleging is samengesteld uit:
  1° de voorzitter;
  2° (acht werkende en acht plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen, om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen, elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;) <KB 1989-10-11/34, art. 1, 1°, 067; Inwerkingtreding : 08-11-1989>
  3° (zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de verpleeginrichtingen; ten minste één van die kandidaten moet een universitair ziekenhuis vertegenwoordigen;) <KB 1989-10-11/34, art. 1, 2°, 067; Inwerkingtreding : 08-11-1989>
  (3° bis twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers;) <KB 1989-10-11/34, art. 1, 3°, 067; Inwerkingtreding : 08-11-1989>
  4° een werkend en een plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister van Sociale Voorzorg;
  5° een werkend en een plaastvervangend lid, aangewezen door de Minister van Volksgezondheid en van het Gezin.
Art.86. Le Conseil technique de l'hospitalisation institué en vertu de l'article 16 de la loi du 9 août 1963 susvisée est composé:
  1° du président;
  2° (de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs; chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;) <AR 1989-10-11/34, art. 1, 1°, 067; En vigueur : 08-11-1989>
  3° (de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations hospitalières représentatives, en nombre double de celui des mandats à attribuer, un au moins de ces candidats devant assurer la représentation d'un hôpital universitaire;) <AR 1989-10-11/34, art. 1, 2°, 067; En vigueur : 08-11-1989>
  (3° bis de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des pharmaciens hospitaliers;) <AR 1989-10-11/34, art. 1, 3°, 067; En vigueur : 08-11-1989>
  4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignes par le Ministre de la Prévoyance sociale;
  5° d'un membre effectif et d'un membre suppléant désignés par le Ministre de la Santé publique et de la Famille.
Afdeling 6. _ Technische raad voor farmaceutische specialiteiten.
Section 6. _ Du Conseil technique des spécialités pharmaceutiques.
Art.87. De krachtens artikel 16 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 ingestelde Technische raad van farmaceutische specialiteiten is samengesteld uit:
  1° de voorzitter;
  2° (acht werkende en acht plaatsvervangende leden, doctors in de geneeskunde of apothekers, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;) <KB 25-06-1969, art. 1, 1°>
  3° (zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de faculteiten der geneeskunde van de Belgische universiteiten; elke universiteit, draagt vier kandidaten voor, onder wie ten minste één professor in de geneeskundige kliniek en één professor in de farmacologie; elke universiteit heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;) <KB 29-09-1971, art. 1>
  4° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het Apothekerskorps;
  (4°bis twee werkende en twee plaatsvervangende leden, doctors in de geneeskunde, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het geneesherenkorps;) <KB 25-06-1969, art. 1, 2°>
  (4°ter één werkend en één plaatsvervangend lid, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers;) <KB 1989-10-11/34, art. 2, 067; Inwerkingtreding : 08-11-1989>
  5° een werkend en een plaatsvervangend lid, doctors in de geneeskunde of apothekers, aangewezen door de Minister van Sociale Voorzorg;
  6° een werkend en plaatsvervangend lid, doctors in de geneeskunde of apothekers, aangewezen door de Minister van Volksgezondheid en van het Gezin.
Art.87. Le Conseil technique des spécialités pharmaceutiques institué en vertu de l'article 16 de la loi du 9 août 1963 susvisée est composé:
  1° du président;
  2° (de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, docteurs en médecine ou pharmaciens, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;) <AR 25-06-1969, art. 1, 1°>
  3° (de six membres effectifs, et de six membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les facultés de médecine des universités de Belgique, chaque université, présentant quatre candidats dont au moins un professeur de clinique médicale et un professeur de pharmacologie; chaque université a droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;) <AR 28-09-1971, art. 1>
  4° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, pharmaciens, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives du Corps pharmaceutique, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  (4°bis de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, docteurs en médecine, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives par les organisations professionnelles représentatives du corps médical, en nombre double de celui des mandats à attribuer;) <AR 25-06-1969, art. 1, 2°>
  (4°ter d'un membre effectif et d'un membre suppléant, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des pharmaciens hospitaliers;) <AR 1989-10-11/34, art. 2, 067; En vigueur : 08-11-1989>
  5° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, docteurs en médecine ou pharmaciens, désignés par le Ministre de la Prévoyance sociale;
  6° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, docteurs en médecine ou pharmaciens, désignés par le Ministre de la Santé publique et de la Famille.
Art. 87bis. (opgeheven) <KB 1986-03-28/30, art. 1, 022>
Art. 87bis. (abrogé) <AR 1986-03-28/30, art. 1, 022>
Afdeling 6bis. _ (opgeheven)
Section 6bis. _ (abrogée)
Art. 87ter. (opgeheven) <KB 1986-03-28/30, art. 2, 022>
Art. 87ter. (abrogé) <AR 1986-03-28/30, art. 2, 022>
Art. 87quater. (opgeheven) <KB 1986-03-28/30, art. 2, 022>
Art. 87quater. (abrogé) <AR 1986-03-28/30, art. 2, 022>
Art. 87quinquies. (opgeheven) <KB 1986-03-28/30, art. 2, 022>
Art. 87quinquies. (abrogé) <AR 1986-03-28/30, art. 2, 022>
(Afdeling 6ter. _ Technische raad voor implanten.)
(Section 6ter. _ Du Conseil technique des implants.)
Art. 87sexies. <INGEVOEGD bij KB 1989-10-27/36, art. 2, 1, 068; Inwerkingtreding : 12-12-1989> Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging wordt een Technische raad voor implantaten ingesteld die is samengesteld uit :
  1° de voorzitter;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, doctors in de geneeskunde of apothekers, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
  3° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de Belgische universiteiten; vier van de werkende leden en vier van de plaatsvervangende leden zijn doctors in de geneeskunde, gespecialiseerd voor heelkunde, de drie overige werkende leden en de drie overige plaatsvervangende leden zijn apothekers of zijn gespecialiseerd voor medische ingenieurstechniek op het gebied van implanteerbaar materieel; voor elk van die twee groepen draagt elke universiteit één kandidaat werkend lid en één kandidaat plaatsvervangend lid voor; elke universiteit heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
  4° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, apothekers, houders van het diploma van ziekenhuisapotheker, die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers;
  5° een werkend en een plaatsvervangend lid, doctors in de geneeskunde of apothekers, aangewezen door de Minister van Sociale Voorzorg;
  6° een werkend en een plaatsvervangend lid, doctors in de geneeskunde of apothekers, aangewezen door de Minister van Volksgezondheid en van Leefmilieu.
Art. 87sexies. Il est institué auprès du Service des soins de santé un Conseil technique des implants composé :
  1° du président;
  2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, docteurs en médecine ou pharmaciens, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
  3° de sept membres effectifs et de sept membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les universités belges, quatre des membres effectifs et quatre des membres suppléants sont docteurs en médecine spécialisés en chirurgie, les trois autres membres effectifs et les trois autres membres suppléants sont pharmaciens ou sont spécialisés en génie médical dans le domaine du matériel implantable; pour chacun de ces deux groupes chaque université présente un candidat membre effectif et un candidat membre suppléant; chaque université a droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
  4° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants pharmaciens titulaires du diplôme de pharmacien hospitalier, présentés par les organisations professionnelles représentatives des pharmaciens hospitaliers, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  5° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, docteurs en médecine ou pharmaciens, désignés par le Ministre de la Prévoyance sociale;
  6° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, docteurs en médecine ou pharmaciens, désignes par le Ministre de la Santé publique et de l'Environnement.
Afdeling 7. _ (Gemene bepalingen ter zake van de technische farmaceutische raad, (de technische raad voor kinesitherapie), de technische raad voor ziekenhuisverpleging (, de technische raad voor farmaceutische specialiteiten en de technische raad voor implantaten.)
Section 7. _ (Dispositions communes aux Conseils techniques pharmaceutiques, (de la kinésithérapie), de l'hospitalisation (, des spécialités pharmaceutiques et des implants).)
Art.88. De leden van de bij de Dienst voor geneeskundige verzorging ingestelde technische raden worden benoemd voor zes jaar. Hun mandaat kan om de drie jaar per helft worden vernieuwd.
  (Het mandaat van de leden van de Technische raad voor kinesitherapie wordt evenwel voor het eerste op 1 januari 1998 vernieuwd; de aftredende leden worden bij loting aangewezen.) <KB 1995-01-13/33, art. 3, 124; Inwerkingtreding : 11-02-1995>
  Het mandaat van de uittredende leden kan worden vernieuwd.
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn raad. Het aldus aangewezen nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Art.88. Les membres des conseils techniques institués auprès du Service des soins de santé sont nommés pour un terme de six ans. Leur mandat est renouvelable par moitie tous les trois ans.
  (Toutefois, le mandat des membres du Conseil technique de la kinésithérapie est renouvelé pour la première fois le 1er janvier 1998; les membres sortants sont désignés par tirage au sort.) <AR 1995-01-13/33, art. 3, 124; En vigueur : 11-02-1995>
  Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
  Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de son conseil avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat du membre qu'il remplace.
Art.89. <KB 1995-01-13/33, art. 4, 124; Inwerkingtreding : 11-02-1995> Een plaatsvervangend lid heeft alleen zitting bij afwezigheid van een werkend lid. Het kan nochtans zonder stemgerechtigd te zijn, de vergaderingen bijwonen om redenen van deskundigheid. Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter die door de Koning wordt aangewezen op voordracht van het Verzekerigscomité. De plaatsvervangend voorzitter mag altijd de vergaderingen bijwonen waarin de voorzitter zitting heeft.
Art.89. <AR 1995-01-13/33, art. 4, 124; En vigueur : 11-02-1995> Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif. Il peut toutefois assister sans voix délibérative aux séances pour y apporter ses compétences. En cas d'empêchement du président, il est remplacé par un président suppléant, désigné par le Roi, sur proposition du Comite de l'assurance. Le président suppléant peut toujours assister aux séances dans lesquelles siège le président.
Art.90. De voorzitters en de plaatsvervangende voorzitters hebben geen stemrecht; alleen de leden van de technische raden zijn stemgerechtigd behoudens zij die door de Minister van Sociale Voorzorg respectief de Minister van Volksgezondheid en van het Gezin zijn aangewezen.
Art.90. Les présidents et présidents suppléants n'ont pas droit de vote; seuls les membres des conseils techniques ont voix délibérative, à l'exception de ceux désignés respectivement par le Ministre de la Prévoyance sociale et le Ministre de la Santé publique et de la Famille.
Art.91. De technische raden houden deugdelijk zitting indien ten minste de helft van hun leden aanwezig zijn.
  De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij stemmenstaking is het voorstel afgewezen.
  Wanneer een probleem met de nomenclatuur op initiatief van de beroepsorganisaties onderzocht is, moet de uitslag van de daarover uitgebrachte stemming medegedeeld worden aan het Beheerscomité, welk ook die uitslag zij, en die mededeling moet het oorspronkelijke voorstel van de beroepsorganisaties vermelden.
Art.91. Le siège des conseils techniques est valablement constitué si au moins la moitié de leurs membres sont présents.
  Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte tenu des abstentions. En cas de parité de voix la proposition est rejetée.
  Lorsqu'un problème de nomenclature a été examiné à l'initiative des organisations professionnelles, le résultat du vote intervenu doit être communiqué au Comité de gestion quel que soit ce résultat, et cette communication doit faire mention de la proposition initiale des organisations professionnelles.
Art.92. De voorstellen of adviezen van de technische raden worden door de voorzitter medegedeeld aan het (Verzekeringscomité). <KB 1995-01-13/33, art. 5, 124; Inwerkingtreding : 11-02-1995>
Art.92. Les propositions ou avis des conseils techniques sont communiqués par leur président au (Comité de l'assurance). <AR 1995-01-13/33, art. 5, 124; En vigueur : 11-02-1995>
Art.93. De technische raden worden in vergadering bijeengeroepen door hun voorzitter, hetzij op dezes initiatief , hetzij op verzoek van het (Verzekeringscomité), hetzij op vraag van tenminste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering. <KB 1995-01-13/33, art. 5, 124; Inwerkingtreding : 11-02-1995>
Art.93. Les conseils techniques se réunissent sur convocation de leur président, soit sont initiative, soit à la requête du (Comité de l'assurance), soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas la convocation mentionne l'objet de la réunion. <AR 1995-01-13/33, art. 5, 124; En vigueur : 11-02-1995>
Art.94. De functies van secretaris en adjunct-secretaris van de technische raden worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leiden ambtenaar van genoemde dienst.
Art.94. Les fonctions de secrétaire et de secrétaire-adjoint des conseils techniques sont assumées par des agents du Service des soins de santé, désignés par le fonctionnaire-dirigeant dudit service.
Art.95. <KB 1995-01-13/33, art. 6, 124; Inwerkingtreding : 11-02-1995> Elk van die technische raden maakt zijn huishoudelijk reglement op dat de Koning ter goedkeuring wordt voorgelegd.
Art.95. <AR 1995-01-13/33, art. 6, 124; En vigueur : 11-02-1995> Chacun de ces conseils techniques établit son règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'approbation du Roi.
HOOFDSTUK IVbis. _ (Technische geneeskundige en tandheelkundige raden.)
CHAPITRE IVbis. _ (Des Conseils techniques médical et dentaire.)
Afdeling 1. _ (Technische geneeskundige raad.)
Section 1. _ (Du Conseil technique et médical.)
Art. 95bis. <KB 29-09-1971, art. 2> De technische geneeskundige raad is samengesteld uit:
  1° de voorzitter;
  2° (zeven) werkende en (zeven) plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de faculteiten der geneeskunde van de Belgische universiteiten voorgedragen worden ; elke universiteit heeft recht op één mandaat van werkend lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid; <KB 03-07-1975, art. 1, 1°>
  3° (elf) werkende en (elf) plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de representatieve beroepsorganisaties van het geneesherenkorps voorgedragen worden; <KB 03-07-1975, art. 1, 2°>
  4° (negen) werkende en (negen) plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden ; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen ; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid. <KB 03-07-1975, art. 1, 3°>
  (Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter, doctor in de geneeskunde, lid van het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging, die door de Koning wordt benoemd op voordracht van de Technische geneeskundige raad.) <KB 1992-08-19/46, art. 1, 101; Inwerkingtreding : 09-09-1992>
Art. 95bis. <AR 29-09-1971, art. 2> Le Conseil technique médical est composé:
  1° du président;
  2° de (sept) membres effectifs et de (sept) membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les facultés de médecine des universités de Belgique, chaque université ayant droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant; <AR 03-07-1975, art. 1, 1°>
  3° de (onze) membres effectifs et de (onze) membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives du corps médical; <AR 03-07-1975, art. 1, 2°>
  4° de (neuf) membres effectifs et de (neuf) membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant. <AR 03-07-1975, art. 1, 3°>
  (En cas d'empêchement du président, celui-ci est remplacé par un président suppléant, docteur en médecine, membre du Comité de gestion du Service des soins de santé, nommé par le Roi sur proposition du Conseil technique médical.) <AR 1992-08-19/46, art. 1, 101; En vigueur : 09-09-1992>
Afdeling 2. _ (Technische tandheelkundige raad.)
Section 2_ (Du conseil technique dentaire.)
Art. 95ter. <KB 29-09-1971, art. 3> De technische tandheelkundige raad is samengesteld uit:
  1° de voorzitter;
  2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de faculteiten der geneeskunde van de Belgische universiteiten voorgedragen worden ; elke universiteit heeft recht op één mandaat van werkend lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid;
  3° tien werkende en tien plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de representatieve beroepsorganisaties van de tandheelkundigen voorgedragen worden;
  4° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden ; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen ; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste
  recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
  (Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter, tandheelkundige, lid van het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging, die door de Koning wordt benoemd op voordracht van de Technische tandheelkundige raad.) <KB 1995-09-14/49, art. 1, 134; Inwerkingtreding : 31-10-1995>
Art. 95ter. <AR 29-09-1971, art. 3> Le conseil technique dentaire est composé:
  1° du président;
  2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les facultés de médecine des universités de Belgique, chaque université ayant droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
  3° de dix membres effectifs et de dix membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire;
  4° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
  (En cas d'empêchement du président, celui-ci est remplacé par un président suppléant, praticien de l'art dentaire, membre du Comité de l'assurance soins de santé, nommé par le Roi sur proposition du Conseil technique dentaire.) <AR 1995-09-14/49, art. 1, 134; En vigueur : 31-10-1995>
Afdeling 3. _ (Gemene bepalingen ter zake van de technische geneeskundige en tandheelkundige raden.)
Section 3. _ (Dispositions communes aux conseils techniques médical et dentaire.)
Art. 95quater. <KB 28-09-1965, art. 9> De leden van de technische geneeskundige en tandheelkundige raden worden benoemd voor zes jaar.
  Het mandaat der leden van de technische en tandheelkundige raden wordt om de drie jaar per helft vernieuwd. Het mandaat der leden van genoemde raden wordt evenwel voor het eerst vernieuwd op (1 januari 1970) en uittredende leden worden bij loting aangewezen. Het mandaat van de uittredende leden kan worden vernieuwd. <KB 23-10-1967, art. 12>
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn raad. Het nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
  Van het bepaalde in het eerste lid kan afgeweken worden bij de eerste benoeming van leden.
Art. 95quater. <AR 28-09-1965, art. 9> Les membres des conseils techniques médical et dentaire sont nommés pour un terme de six ans.
  Le mandat des membres des conseils techniques médical et dentaire est renouvelable par moitié tous les trois ans. Toutefois, le premier renouvellement du mandat des membres desdits conseils aura lieu le (1er janvier 1970), les membres sortants étant désignés par tirage au sort. Le mandat des membres sortants peut être renouvelé. <AR 23-10-1967, art. 12>
  Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de son conseil avant la
  date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre achève le mandat du membre qu'il remplace.
  Il peut être dérogé aux dispositions de l'alinéa premier lors de la première nomination de membres.
Art. 95quinquies. <KB 28-09-1965, art. 9> De technische geneeskundige en tandheelkundige raden worden in vergadering bijeengeroepen door hun voorzitter, hetzij op dezes initiatief, hetzij op verzoek van het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging, hetzij op vraag van tenminste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt ; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Art. 95quinquies. <AR 28-09-1965, art. 9> Les conseils techniques médical et dentaire se réunissent sur convocation de leur président, soit à son initiative, soit à la requête du Comité de gestion du Service des soins de santé, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas la convocation mentionne l'objet de la réunion.
HOOFDSTUK V. _ Profielcommissies.
CHAPITRE V. _ Des commissions de profil.
Art.96. <KB 1992-08-19/48, art. 1, 104; Inwerkingtreding : 12-09-1992> Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging worden profielcommissies ingesteld voor :
  1° de verstrekkingen van de kinesitherapeuten;
  2° de verstrekkingen van de verpleegkundigen;
  3° de verstrekkingen van de tandheelkundigen;
  4° de verstrekkingen en de voorschriften van de algemeen geneeskundigen;
  5° de verstrekkingen en de voorschriften van de geneesheren-specialisten, andere dan die bedoeld onder 6°;
  6° de verstrekkingen van de geneesheren, specialist voor klinische biologie, voor nucleaire geneeskunde of voor pathologische anatomie, de apothekers-biologen en de licentiaten in de wetenschappen die door de Minister van Volksgezondheid zijn erkend om verstrekkingen inzake klinische biologie te verrichten;
  7° de verstrekkingen die in een ziekenhuis worden verricht en de verpleegdagen.
Art.96. <AR 1992-08-19/48, art. 1, 104; En vigueur : 12-09-1992> Il est institué auprès du Service des soins de santé des commissions de profil pour :
  1° les prestations des kinésithérapeutes;
  2° les prestations des praticiens de l'art infirmier;
  3° les prestations des praticiens de l'art dentaire;
  4° les prestations et les prescriptions des médecins de médecine générale;
  5° les prestations et les prescriptions des médecins spécialistes, autres que ceux visés sous 6°;
  6° les prestations des médecins spécialistes en biologie clinique, médecine nucléaire ou anatomie-pathologie, des pharmaciens-biologistes et des licenciés en sciences agréés par le Ministre de la Santé publique pour effectuer des prestations de biologie clinique;
  7° les prestations effectuées au sein des établissements hospitaliers et les journées d'entretien.
Art.97. <KB 1992-08-19/49, art. 1, 102; Inwerkingtreding : 12-09-1992> § 1. De Profielcommissie voor de verstrekkingen van de kinesitherapeuten is samengesteld uit :
  1° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de kinesitherapeuten voorgedragen worden;
  2° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de geneesheren voorgedragen worden;
  3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
  4° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
  De vier werkende en de vier plaatsvervangende leden, vermeld onder 3° en 4°, moeten, respectievelijk, twee geneesheren en twee kinesitherapeuten zijn.
  § 2. De Profielcommissie voor de verstrekkingen van de verpleegkundigen is samengesteld uit :
  1° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de verpleegkundigen voorgedragen worden;
  2° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de geneesheren voorgedragen worden;
  3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
  4° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
  De vier werkende en de vier plaatsvervangende leden, vermeld onder 3° en 4°, moeten, respectievelijk, twee geneesheren en twee verpleegkundigen zijn.
  § 3. De Profielcommissie voor de verstrekkingen van de tandheelkundigen is samengesteld uit :
  1° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de tandheelkundigen voorgedragen worden;
  2° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
  3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
  Alle werkende en plaatsvervangende leden moeten tandheelkundigen zijn.
  § 4. De Profielcommissie voor de verstrekkingen en de voorschriften van de algemeen geneeskundigen is samengesteld uit :
  1° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de geneesheren voorgedragen worden;
  2° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
  3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
  Alle werkende en plaatsvervangende leden moeten geneesheren zijn.
  § 5. De Profielcommissie voor de verstrekkingen en de voorschriften van de geneesheren-specialisten, andere dan die bedoeld onder § 6, is samengesteld uit :
  1° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de geneesheren voorgedragen worden;
  2° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
  3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
  Alle werkende en plaatsvervangende leden moeten geneesheren zijn.
  § 6. De Profielcommissie voor de verstrekkingen van de geneesheren, specialist voor klinische biologie, voor nucleaire geneeskunde of voor pathologische anatomie, de apothekers-biologen en de licenciaten in de wetenschappen die door de Minister van Volksgezondheid zijn erkend om verstrekkingen inzake klinische biologie te verrichten, is samengesteld uit :
  1° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de apothekers-biologen voorgedragen worden;
  2° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de geneesheren voorgedragen worden;
  3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
  4° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
  De vier werkende en de vier plaatsvervangende leden, vermeld onder 3° en 4°, moeten, respectievelijk, twee geneesheren en twee apothekers-biologen zijn.
  § 7. De Profielcommissie voor de verstrekkingen die in een ziekenhuis worden verricht en de verpleegdagen is samengesteld uit :
  1° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve verenigingen van de ziekenhuizen voorgedragen worden;
  2° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de geneesheren voorgedragen worden;
  3° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
  4° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
  Indien een probleem in verband met de paramedici besproken wordt in deze Profielcommissie, kan de voorzitter te allen tijde beroep doen op de vertegenwoordiger van de betrokken discipline die zitting heeft in het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging.
Art.97. <AR 1992-08-19/49, art. 1, 102; En vigueur : 12-09-1992> § 1. La Commission de profil des prestations des kinésithérapeutes est composée :
  1° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des kinésithérapeutes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  2° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  4° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
  Les quatre membres effectifs et les quatre membres suppléants, mentionnés sous 3° et 4°, doivent être, respectivement, deux médecins et deux kinésithérapeutes.
  § 2. La Commission de profil des prestations des praticiens de l'art infirmier est composée :
  1° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art infirmier, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  2° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double de celui des mandats a attribuer;
  3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  4° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
  Les quatre membres effectifs et les quatre membres suppléants, mentionnés sous 3° et 4°, doivent être, respectivement, deux médecins et deux praticiens de l'art infirmier.
  § 3. La Commission de profil des prestations des praticiens de l'art dentaire est composée :
  1° de quatre membres effectifs et de quatre membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  2° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
  Tous les membres effectifs et suppléants doivent être des praticiens de l'art dentaire.
  § 4. La Commission de profil des prestations et des prescriptions des médecins de médecine générale est composée :
  1° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  2° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
  Tous les membres effectifs et suppléants doivent être des médecins.
  § 5. La Commission de profil des prestations et des prescriptions des médecins spécialistes, autres que ceux visés au § 6, est composée :
  1° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  2° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
  Tous les membres effectifs et suppléants doivent être des médecins.
  § 6. La Commission de profil des prestations des médecins spécialistes en biologie clinique, médecine nucléaire ou anatomopathologie, des pharmaciens-biologistes et des licenciés en sciences agréés par le Ministre de la Santé publique pour effectuer des prestations de biologie clinique est composée :
  1° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des pharmaciens-biologistes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  2° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  4° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
  Les quatre membres effectifs et les quatre membres suppléants, mentionnés sous 3° et 4°, doivent être, respectivement, deux médecins et deux pharmaciens-biologistes.
  § 7. La Commission de profil pour les prestations effectuées au sein des établissements hospitaliers et les journées d'entretien est composée :
  1° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations hospitalières représentatives, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  2° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  3° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  4° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
  Lorsqu'un problème ayant trait aux auxiliaires paramédicaux est examiné par cette Commission de profil, le président peut à tout moment faire appel au représentant de la discipline concernée, siégeant au Comité de gestion du Service des soins de santé.
Art.98. <KB 1992-08-19/49, art. 1, 102; Inwerkingtreding : 12-09-1992> De geneesheer-directeur-generaal van de Dienst voor geneeskundige controle en de directeur-generaal van de Dienst voor geneeskundige verzorging of hun afgevaardigde, nemen ambtshalve, zonder stemrecht, deel aan de vergaderingen van de profielcommissies.
  De secretaris-generaal van het Ministerie van Volksgezondheid of zijn afgevaardigde, neemt ambtshalve, zonder stemrecht, deel aan de vergaderingen van de Profielcommissie voor de verstrekkingen die in de ziekenhuizen worden verricht en voor de verpleegdagen.
  Het secretariaat van de verschillende profielcommissies wordt waargenomen door de Dienst voor geneeskundige verzorging.
  Tijdens de vergaderingen van de commissies kan elk lid zich laten bijstaan door een raadgever; deze moet niet nominatief worden aangewezen en heeft geen stemrecht.
Art.98. <AR 1992-08-19/49, art. 1, 102; En vigueur : 12-09-1992> Le médecin-directeur général du Service du contrôle medical et le directeur général du Service des soins de santé ou leur délégué, assistent de droit aux séances des commissions de profil, sans voix délibérative.
  Le secrétaire général du Ministère de la Santé publique ou son délégué, assiste de droit aux séances de la Commission de profil pour les prestations effectuées au sein des établissements hospitaliers et pour les journées d'entretien, sans voix délibérative.
  Le secrétariat des différentes commissions de profil est assuré par le Service des soins de santé.
  Lors des réunions des commissions, chaque membre peut se faire assister par un conseil; celui-ci ne doit pas être désigné nominativement et n'a pas voix délibérative.
Art.99. <KB 1992-08-19/49, art. 1, 102; Inwerkingtreding : 12-09-1992> § 1. De leden van de profielcommissies worden benoemd voor zes jaar. Het mandaat loopt om de drie jaar af voor de helft van de leden. Wanneer het mandaat voor het eerst wordt vernieuwd, worden de uittredende leden bij loting aangewezen.
  Het mandaat van de uittredende leden kan worden vernieuwd.
  Binnen drie maanden wordt voorzien in de vervanging van ieder lid dat vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat geen deel meer uitmaakt van de profielcommissie. Het aldus aangewezen nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
  Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
  § 2. Elke profielcommissie heeft twee voorzitters : een van de Franse taalrol en een van de Nederlandse taalrol. De ene voorzitter behoort tot de groep die is samengesteld uit de vertegenwoordigers van de verstrekkers, de andere behoort tot de groep die de verzekeringsinstellingen en de sociale partners vertegenwoordigt.
  De Koning wijst onder de leden van elke profielcommissie, op haar voordracht, de voorzitters aan.
  De voorzitters zitten om beurt de vergaderingen voor, te beginnen met de oudste. Voor het gedeelte van de besprekingen dat wordt bijgewoond door de verstrekker wiens dossier wordt behandeld, wordt de vergadering evenwel voorgezeten door de voorzitter van dezelfde taalrol als die van bedoelde verstrekker of, bij zijn afwezigheid, door het oudste lid van dezelfde taalrol als die van deze verstrekker.
  Bij afwezigheid van de twee voorzitters wordt de vergadering voorgezeten door het oudste lid.
  § 3. Elke profielcommissie wordt samengeroepen door de persoon die, overeenkomstig § 2, geroepen is om de vergadering voor te zitten, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van ten minste drie leden, dat schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt, hetzij op verzoek van het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging. De oproeping die in alle gevallen de agenda van de vergadering vermeldt, wordt aan de leden gestuurd door het Secretariaat van de commissie.
  § 4. De profielcommissie houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van haar leden aanwezig is.
  De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.
  § 5. Elke profielcommissie is ertoe gehouden het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging jaarlijks een verslag over haar activiteiten te bezorgen.
Art.99. <AR 1992-08-19/49, art. 1, 102; En vigueur : 12-09-1992> § 1. Les membres des commissions de profil sont nommés pour un terme de six ans. Le mandat expire tous les trois ans pour la moitié des membres. Lors du premier renouvellement, les membres sortants sont désignés par tirage au sort.
  Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
  Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de la commission de profil avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
  Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif.
  § 2. Chaque commission de profil a deux présidents : un de rôle linguistique francophone et un de rôle linguistique néerlandophone. Un président appartient au groupe composé des représentants des dispensateurs, l'autre appartient au groupe représentant les organismes assureurs et les partenaires sociaux.
  Le Roi désigne les présidents parmi les membres de chaque commission de profil, sur proposition de celle-ci.
  Les présidents président les séances à tour de rôle, à commencer par le plus âgé. Toutefois, pour la partie des débats à laquelle assiste le dispensateur dont le dossier est examiné, la séance est présidée par le président du même rôle linguistique que celui de ce dispensateur ou, à défaut, par le membre le plus âgé appartenant au même rôle linguistique que ce dispensateur.
  En cas d'absence des deux présidents, la séance est présidée par le membre le plus âgé.
  § 3. Chaque commission de profil est convoquée par la personne appelée, conformément au § 2, à présider la séance, soit d'initiative, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion, soit à la requête du Comité de gestion du Service des soins de santé. La convocation qui, dans tous les cas, comporte l'ordre du jour de la séance, est adressée aux membres par les soins du Secrétariat de la commission.
  § 4. Le siège de la commission de profil est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
  Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, la proposition est rejetée.
  § 5. Chaque commission de profil est tenue de transmettre annuellement au Comité de gestion du Service des soins de santé un rapport de ses activités.
Art.100. <KB 1992-08-19/49, art. 1, 102; Inwerkingtreding : 12-09-1992> De profielcommissies, hebben tot opdracht de evaluatie van de individuele profielen. Te dien einde is de commissie bevoegd om :
  1° kennis te nemen van de statistische tabellen per verstrekker, per voorschrijver of per ziekenhuis;
  2° de betrouwbaarheid van deze gegevens te onderzoeken, eventueel door betrokkenen schriftelijk te ondervragen of mondeling na oproeping;
  3° indien dit nodig wordt geacht, deze gegevens over te maken aan de bevoegde instanties;
  4° een preventieve en educatieve actie te voeren ten aanzien van de verstrekkers en/of de voorschrijvers die aanleiding geven tot aanzienlijke uitgaven.
Art.100. <AR 1992-08-19/49, art. 1, 102; En vigueur : 12-09-1992> Les commissions de profil ont pour mission l'évaluation individuelle des profils. A cet effet, elles sont habilitées à :
  1° prendre connaissance des tableaux statistiques par dispensateur, par prescripteur ou par établissement hospitalier;
  2° examiner la fiabilité de ces données, éventuellement en interrogeant les intéressés par écrit ou verbalement sur convocation;
  3° transmettre, le cas échéant, ces données aux instances compétentes;
  4° mener une action préventive et éducative à l'égard des dispensateurs et/ou prescripteurs induisant des dépenses importantes.
Art.101. (opgeheven) <KB 28-09-1965, art. 10>
Art.101. (abroge) <AR 28-09-1965, art. 10>
Art.102. (opgeheven) <KB 28-09-1965, art. 10>
Art.102. (abrogé) <AR 28-09-1965, art. 10>
Art.103. (opgeheven) <KB 28-09-1965, art. 10>
Art.103. (abrogé) <AR 28-09-1965, art. 10>
HOOFDSTUK VI. _ Erkenning en inschrijving van de paramedische medewerkers.
CHAPITRE VI. _ De l'agréation et de l'inscription des auxiliaires paramédicaux.
Afdeling 1. _ Erkenningsraden.A. Erkenningsraad voor kinesitherapeuten.
Section 1ère. _ Des conseils d'agréationA. (Du Conseil d'agréation des kinésithérapeutes.)
Art.104. <KB 1992-10-20/35, art. 1, 108; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De Erkenningsraad voor kinesitherapeuten is samengesteld uit :
  1° de voorzitter;
  2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, kinesitherapeuten, door de Minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Voorzorg behoort gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van de kinesitherapeuten;
  3° een werkend en een plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Voorzorg behoort;
  4° een werkend lid en een plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort.
Art.104. <AR 1992-10-20/35, art. 1, 108; En vigueur : 01-01-1993> Le Conseil d'agréation des kinésithérapeutes est composé :
  1° du président;
  2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, kinésithérapeutes, choisis par le Ministre ayant la Prévoyance sociale dans ses attributions parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des kinésithérapeutes en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  3° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre ayant la Prévoyance sociale dans ses attributions;
  4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre ayant la Santé publique dans ses attributions.
Art.105. <KB 1992-10-20/35, art. 1, 108; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De Erkenningsraad voor kinesitherapeuten heeft tot taak het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging de erkenning voor te stellen van de personen die bij volgens de hierna vastgestelde criteria als bevoegd erkent om de rechthebbenden van de verzekering de verzorging te verlenen welke luidens de in artikel 24 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bepaalde nomenclateuur van de geneeskundige verstrekkingen tot de bevoegdheid van de kinesitherapeuten behoort.
  De erkenningsaanvragen worden gezonden aan de Dienst voor geneeskundige verzorging, die ze bezorgt aan de Erkenningsraad.
Art.105. <AR 1992-10-20/35, art. 1, 108; En vigueur : 01-01-1993> Le Conseil d'agréation des kinésithérapeutes a pour mission de proposer au Comité de gestion du Service des soins de santé, l'agréation des personnes qu'il reconnaît compétentes selon les critères fixés ci-dessous pour donner aux bénéficiaires de l'assurance les soins qui, dans la nomenclature des prestations de soins prévue à l'article 24 de la loi du 9 août 1963 susvisée, relèvent de la compétence des kinésithérapeutes.
  Les demandes d'agréation sont adressées au Service des soins de santé; celui-ci les transmet au Conseil d'agréation.
Art.106. <KB 1992-10-20/35, art. 1, 108; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Er worden twee types van erkenningen ingevoerd, namelijk :
  § 1. de erkenning van het type A wordt op voorstel van de Erkenningsraad voor kinesitherapeuten, door het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging verleend aan de houders van het diploma van kinesitherpeut dat door de scholen van de categorieën A1 en B1is uitgewerkt, aan de houders van het diploma van gegradueerde in de kinesitherapie, ingevoerd bij het koninklijk besluit van 20 januari 1960, aan de licentiaten in de lichamelijke opvoeding van wie het diploma of een bijkomend getuigschrift de kennis van de kinesitherapie aantoont, alsook aan de licentiaten in de kinesitherapie;
  § 2. de bijzodere erkenning van het type B wordt, op voorstel van de Erkenningsraad voor kinesitherapeuten, door het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging verleend aan een houder van de erkenning van het type A die voldoet aan de bepalingen van artikel 106ter.
Art.106. <AR 1992-10-20/35, art. 1, 108; En vigueur : 01-01-1993> Deux types d'agréation sont instaurés, à savoir :
  § 1. l'agréation de type A est octroyée par le Comité de gestion du Service des soins de santé, sur proposition du Conseil d'agréation des kinésithérapeutes, aux porteurs du diplôme de kinésithérapeute délivre par les écoles des catégories A1 et B1, aux porteurs du diplôme de gradué en kinésithérapie créé par arrêté royal du 20 janvier 1960, aux licenciés en éducation physique dont le diplôme ou un certificat complémentaire atteste la connaissance de la kinésithérapie, ainsi qu'aux licenciés en kinésithérapie.
  § 2. l'agréation spéciale de type B est octroyée par le Comité de gestion du Service des soins de santé, sur proposition du Conseil d'agréation des kinésithérapeutes, aux titulaire de type A qui satisfait aux dispositions de l'article 106ter.
Art. 106bis. <INGEVOEGD bij KB 1992-10-20/35, art. 1, 108; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. De houder van de erkenning van het type A heeft het recht om de kinesitherapieverstrekkingen te verrichten, behalve die welke zijn bedoeld in artikel 7, § 1, A, B, Ea en Eb, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  § 2. De houder van de bijzondere erkenning van het type B mag alle kinesitherapieverstrekkingen verrichten.
Art. 106bis. § 1. Le détenteur de l'agréation de type A a le droit d'effectuer les prestations de kinésithérapie, sauf celles visées à l'article 7, § 1er, A, B, Ea et Eb, de l'annexe à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité.
  § 2. Le détenteur de l'agréation spéciale de type B a le droit d'effectuer toutes les prestations de kinésithérapie.
Art. 106ter. <INGEVOEGD bij KB 1992-10-20/35, art. 1, 108; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. De bijzondere erkenning van het type B wordt verleend aan een houder van een erkenning van het type A die voldoet aan de volgende voorwaarden :
  a) houder zijn van een erkenningsgetuigschrift van het type A;
  b) over een kinesitherapiepraktijkkamer kunnen beschikken. Daartoe moet de aanvrager een verklaring op erewoord bezorgen met vermelding van het adres van de kinesitherapiepraktijkkamer.
  § 2. De kinesitherapiepraktijkkamer, bedoeld in artikel 106ter, § 1, b), omvat ten minste :
  a) een lokaal, voorzien van één of meer cabines, en sanitaire installaties, uitsluitend bestemd vor beroepsgebruik, die gedurende 38 uur per week beschikbaar zijn;
  b) een wachtkamer;
  c) materieel dat beantwoordt aan de normen inzake veiligheid en doeltreffendheid, waarbij alle geneeskundige voorschriften die worden aanvaard door de kinesitherapeut of kinesitherapeuten die er praktizeren, integraal kunnen worden uitgevoerd;
  d) een op een zichtbare plaats ten behoeve van de patiënten aangebracht bericht dat de nodige informatie bevat met betrekking tot de tarifering en de eventuele toetreding tot de nationale overeenkomst van de kinesitherapeut of kinesitherapeuten die in de kinesitherapiepraktijkkamer praktizeren.
Art. 106ter. § 1. L'agréation spéciale de type B est octroyée au titulaire de l'agréation de type A, qui satisfait aux conditions suivantes :
  a) être détenteur d'un certificat d'agréation de type A;
  b) pouvoir disposer d'un cabinet de kinésithérapie. Le demandeur doit remettre à cette fin une déclaration sur l'honneur mentionnant l'adresse du cabinet de kinésithérapie.
  § 2. Le cabinet de kinésithérapie, visé à l'article 106ter, § 1er, b), comporte au moins :
  a) un local, comportant une ou plusieurs cabines, et des installations sanitaires, à usage exclusivement professionnel, qui sont disponibles pendant 38 heures par semaine;
  b) une salle d'attente;
  c) de matériel répondant aux normes de sécurité et d'efficacité et permettant d'exécuter dans leur intégralité toutes les prescriptions médicales qui seront acceptées par le ou les kinésithérapeutes qui y exercent;
  d) un avis destiné aux patients, apposé à un endroit visible, et contenant l'information nécessaire au sujet de la tarification et l'adhésion éventuelle à la convention nationale du ou des kinésithérapeutes qui exercent dans le cabinet de kinésithérapie.
Art. 106quater. <INGEVOEGD bij KB 1992-10-20/35, art. 1, 108; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De overeenstemming van de kinesitherapiepraktijkkamers met de bepalingen van artikel 106ter wordt door de Erkenningsraad voor kinesitherapeuten aangenomen op grond van de verklaring op erewoord, bedoeld in artikel 106ter, § 1, b). De erkende kinesitherapiepraktijkkamers worden geïdentificeerd door hun adres. Elke adreswijziging moet onverwijld met een ter post aangetekende brief worden meegedeeld aan de secretaris van de Erkenningsraad voor kinesitherapeuten.
Art. 106quater. La conformité des cabinets de kinésithérapie aux dispositions de l'article 106ter est admise par le Conseil d'agréation des kinésithérapeutes sur base de la déclaration sur l'honneur visée à l'article 106ter, § 1er, b). Les cabinets de kinésithérapie agrées sont identifiés par leur adresse. Tout changement d'adresse doit être immédiatement communiqué, par lettre recommandée à la poste, au secrétaire du Conseil d'agréation des kinésithérapeutes.
Art. 106quinquies. <INGEVOEGD bij KB 1992-10-20/35, art. 1, 108; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Indien verscheidene kinesitherapeuten, houder van de bijzondere erkenning van het type B, dezelfde kinesitherapiepraktijkkamer delen, zijn zij ertoe gehouden dat mee te delen aan de Erkenningsraad voor kinesitherapeuten en bij hun verklaring ofwel een afschrift van de overeenkomst onder zelfstandige kinesitherapeuten, ofwel een afschrift van de overeenkomst onder zelfstandige kinesitherapeuten, ofwel een afschrift van de arbeidsovereenkomst te voegen; in die overeenkomst moeten de uren zijn vermeld tijdens welke elke kinesitherapeut kan beschikken over een lokaal en over het materieel, bedoeld in artikel 106ter, § 2.
Art. 106quinquies. Si plusieurs kinésithérapeutes, détenteurs de l'agréation spéciale de type B, se partagent le même cabinet de kinésithérapie, ils sont tenus de le signaler au Conseil d'agréation des kinésithérapeutes et de joindre à leur déclaration soit une copie de la convention entre kinésithérapeutes indépendants, soit une copie du contrat de travail; cette convention doit préciser les heures au cours desquelles chaque kinésithérapeute peut disposer d'un local et du matériel tels que visées à l'article 106ter, § 2.
Art. 106sexies. <INGEVOEGD bij KB 1992-10-20/35, art. 1, 108; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Iedere valse of onjuiste verklaring of iedere tekortkoming bij het naleven van de voorwaarden die zijn gesteld met het oog op de bijzondere erkenning van het type B, kan worden beschouwd als een tekortkoming in de uitoefening van het beroep en kan de toepassing van artikel 133 van dit besluit tot gevolg hebben.
Art. 106sexies. Toute déclaration fausse ou inexacte ou tout manquement au respect des conditions imposées en vue de l'agréation spéciale de type B peut être considéré comme une faute professionnelle et entraîner l'application de l'article 133 du présent arrêté.
Art.107. De erkenning als kinesitherapeut kan tot een bepaalde verzorging worden beperkt. Dat wordt vermeld op het erkenningsgetuigschrift.B. Erkenningsraad voor orthopedisten.
Art.107. <AR 1992-10-20/35, art. 1, 108; En vigueur : 01-01-1993> L'agréation de kinésithérapeute peut être limitée à des soins déterminés. Le certificat d'agréation comporte cette mention.B. Du Conseil d'agréation des orthopédistes.
Art.108. De Erkenningsgraad voor orthopedisten is samengesteld uit :
  1° de voorzitter;
  2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, door de Minister van Sociale Voorzorg gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van orthopedisten;
  3° een werkend en een plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister van Sociale Voorzorg;
  4° een werkend en een plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister van Volksgezondheid en van het Gezin.
Art.108. Le Conseil d'agréation des orthopédistes est composé :
  1° du président;
  2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis par le Ministre de la Prévoyance sociale parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des orthopédistes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  3° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre de la Prévoyance sociale;
  4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre de la Santé publique et de la Famille.
Art.109. De erkenningsraad voor orthopedisten heeft tot taak het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging, de erkenning voor te stellen van de personen die hij als bevoegd erkent om de rechthebbenden van de verzekering de prothesen en orthopedische toestellen te verstrekken welke luidens (de vorenbedoelde nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen), in de bevoegdheid vallen van de orthopedisten. <KB 1985-08-02/36, art. 2, 013>
  De erkenningsaanvragen worden gezonden aan de Dienst voor geneeskundige verzorging die ze bezorgt aan de Erkenningsraad.
Art.109. Le Conseil d'agréation des orthopédistes a pour mission de proposer au Comite de gestion du Service des soins de santé l'agréation des personnes qu'il reconnaît compétentes pour fournir aux bénéficiaires de l'assurance les prothèses et appareils orthopédiques qui, dans la nomenclature (des prestations de santé susvisée), relèvent de la compétence des orthopédistes. <AR 1985-08-02/36, art. 2, 013>
  Les demandes d'agréation sont adressées au Service des soins de santé; celui-ci les transmet au Conseil d'agréation.
Art.110. <KB 03-08-1983, art. 1> § 1. Voor de verstrekkingen betreffende orthopedie en orthopedische zolen, bedoeld in artikel 29 (van de vorenbedoelde nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen), kunnen ter erkenning worden voorgesteld, de personen die gedurende tenminste vier en een half jaar een theoretische en praktische opleiding van orthopedist hebben gevolgd en voldoen aan een door de Raad georganiseerd technisch bevoegdheidsexamen; het programma van dat examen wordt door Ons bepaald na advies van de Raad. <KB 1985-08-02/36, art. 3, 013>
  § 2. Voor de verstrekkingen betreffende orthopedie, prothesen en orthopedische zolen, bedoeld in artikel 29 (van de vorenbedoelde nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen), kunnen ter erkenning worden voorgesteld de personen die gedurende tenminste vijf en een half jaar een theoretische en praktische opleiding van orthopedist hebben gevolgd en voldoen aan een door de Raad georganiseerd technisch bevoegdheidsexamen; het programma van dat examen wordt door Ons bepaald na advies van de Raad. <KB 1985-08-02/36, art. 3, 2°, 013>
  § 3. Voor de verstrekkingen betreffende orthopedische schoenen en orthopedische zolen, bedoeld in artikel 29 (van de vorenbedoelde nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen), kunnen ter erkenning worden voorgesteld, de personen die gedurende tenminste vijf en een half jaar een theoretische en praktische opleiding van orthopedist hebben gevolgd en voldoen aan een door de Raad georganiseerd technisch bevoegdheidsexamen; het programma van dat examen wordt door Ons bepaald na advies van de Raad. <KB 1985-08-02/36, art. 3, 2°, 013>
  Die opleidingsduur wordt evenwel verminderd tot twee jaar voor de personen die de onder § 1, bedoelde opleiding hebben gevolgd.
Art.110. <AR 03-08-1983, art. 1> § 1er. Pour les prestations relatives à l'orthopédie et aux semelles orthopédiques, visées à l'article 29 (de la nomenclature des soins de santé susvisée), peuvent être proposées à l'agréation, les personnes qui ont suivi une formation théorique et pratique d'orthopédiste pendant quatre années et demie au moins et qui satisfont à un examen de compétence technique organisé par le Conseil; le programme de cet examen est fixé par Nous, après avis du Conseil. <AR 1985-08-02/36, art. 3, 1°, 013>
  § 2. Pour les prestations relatives à l'orthopédie, aux prothèses et aux semelles orthopédiques, visées à l'article 29 (de la nomenclature des prestations de santé susvisée), peuvent être proposées à l'agréation, les personnes qui ont suivi une formation théorique et pratique d'orthopédiste de cinq années et demie au moins et qui satisfont à un examen de compétence technique organisé par le Conseil; le programme de cet examen est fixé par Nous, après avis du Conseil. <AR 1985-08-02/36, art. 3, 2°, 013>
  § 3. Pour les prestations relatives aux chaussures orthopédiques et aux semelles orthopédiques, visées à l'article 29 (de la nomenclature des prestations de santé susvisée), peuvent être proposées à l'agréation les personnes qui ont suivi une formation théorique et pratique d'orthopédiste pendant cinq années et demie au moins et qui satisfont à un examen de compétence technique organisé par le Conseil; le programme de cet examen est fixé par Nous, après avis du Conseil. <AR 1985-08-02/36, art. 3, 2°, 013>
  Toutefois cette formation est ramenée à deux ans pour les personnes qui ont suivi la formation visée au § 1er.
Art.111. <KB 03-08-1983, art. 2> De erkenning blijft behouden voor de personen die op 1 september 1983 als orthopedist zijn erkend.
  Die erkenning geldt evenwel slechts voor de verstrekkingen waarvoor die personen als bevoegd zijn erkend.
  Die personen kunnen een verruiming van hun bevoegdheid bekomen als zij, na een passende theoretische en praktische opleiding te hebben gevolgd, een technisch bevoegdheidsexamen afleggen waarvan het programma door Ons wordt bepaald na advies van de Raad.
Art.111. <AR 03-08-1983, art. 2> L'agréation est maintenue aux personnes qui, au 1er septembre 1983, sont agréées en qualité d'orthopédiste.
  Cette agréation ne porte cependant que sur les prestations pour lesquelles ces personnes ont été reconnues compétentes.
  Ces personnes peuvent obtenir une extension de leur compétence lorsqu'après avoir suivi une formation théorique et pratique appropriée, elles se soumettent à un examen de compétence technique dont le programme est fixé par Nous, après avis du Conseil.
Art.112. (abrogé) <AR 03-08-1983, art. 7>C. Du Conseil d'agréation des bandagistes.
Art.112. (opgeheven) <KB 03-08-1983, art. 7>C. Erkenningsraad voor bandagisten.
Art.113. Le Conseil d'agréation des bandagistes est composé :
  1° du président;
  2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis par le Ministre de la Prévoyance sociale parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des bandagistes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  3° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre de la Prévoyance sociale;
  4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre de la Santé publique et de la Famille.
Art.113. De Erkenningsraad voor bandagisten is samengesteld uit :
  1° de voorzitter;
  2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, door de Minister van Sociale Voorzorg gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van bandagisten;
  3° een werkend en een plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister van Sociale Voorzorg;
  4° een werkend en een plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister van Volksgezondheid en van het Gezin.
Art. 113. Le Conseil d'agréation des bandagistes est composé :
  1° du président;
  2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis par le Ministre de la Prévoyance sociale parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des bandagistes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  3° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre de la Prévoyance sociale;
  4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre de la Santé publique et de la Famille.
Art.114. De Erkenningsraad voor bandagisten heeft tot taak het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging de erkenning voor te stellen van de personen die hij als bevoegd erkent om de rechthebbenden van de verzekering de banden te verstrekken welke luidens de (van de vorenbedoelde nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen) in de bevoegdheid vallen van de bandagisten. <KB 1985-08-02/36, art. 4, 013>
  De erkenningsaanvragen worden gezonden aan de Dienst voor geneeskundige verzorging die ze bezorgt aan de Erkenningsraad.
Art.115. <AR 03-08-1983, art. 3> § 1er. Pour les prestations visées à l'article 27 (de la nomenclature des prestations de santé susvisée), peuvent être proposées à l'agréation, les personnes qui ont suivi une formation théorique et pratique de bandagiste pendant trois années et demie au mois et qui satisfont à un examen de compétence technique organisé par le Conseil; le programme de cet examen est fixé par Nous, après avis du Conseil. <AR 1985-08-02/36, art. 5, 013>
  § 2. Pour les prestations relatives à l'appareillage pour anus artificiel, à l'urinal ambulatoire et à la canule trachéale, peuvent être proposées à l'agréation, les pharmaciens qui ont reçu une formation appropriée pendant 6 mois.
  (Toutefois, les pharmaciens titulaires du diplôme de pharmacien hospitalier délivré par une université agrée par l'Etat sont reconnus compétents pour ces prestations.) <AR 1988-01-11/31, art. 1, 049; En vigueur : 1988-01-15>
  (D. Du Conseil d'agréation des fournisseurs d'implants.)
Art.115. <KB 03-08-1983, art. 3> § 1. Voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 27, (van de vorenbedoelde nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen), kunnen ter erkenning worden voorgesteld, de personen die gedurende tenminste drie en een half jaar een theoretische en praktische opleiding van bandagist hebben gevolgd en voldoen aan een door de Raad georganiseerd technisch bevoegdheidsexamen; het programma van dat examen wordt door Ons bepaald na advies van de Raad. <KB 1985-08-02/36, art. 5, 013>
  § 2. Voor de verstrekkingen betreffende de toerusting voor kunstaars, het ambulant urinaal en de tracheacanule, kunnen ter erkenning worden voorgesteld, de apothekers die gedurende zes maanden een passende opleiding hebben ontvangen.
  (De apothekers, houders van het diploma van ziekenhuisapotheker, uitgereikt door een door het Rijk erkende universiteit, worden evenwel bevoegd erkend voor die verstrekkingen.) <KB 1988-01-11/31, art. 1, 049; Inwerkingtreding : 1988-01-15>
Art. 115. <AR 03-08-1983, art. 3> § 1er. Pour les prestations visées à l'article 27 (de la nomenclature des prestations de santé susvisée), peuvent être proposées à l'agréation, les personnes qui ont suivi une formation théorique et pratique de bandagiste pendant trois années et demie au mois et qui satisfont à un examen de compétence technique organisé par le Conseil; le programme de cet examen est fixé par Nous, après avis du Conseil. <AR 1985-08-02/36, art. 5, 013>
  § 2. Pour les prestations relatives à l'appareillage pour anus artificiel, à l'urinal ambulatoire et à la canule trachéale, peuvent être proposées à l'agréation, les pharmaciens qui ont reçu une formation appropriée pendant 6 mois.
  (Toutefois, les pharmaciens titulaires du diplôme de pharmacien hospitalier délivré par une université agrée par l'Etat sont reconnus compétents pour ces prestations.) <AR 1988-01-11/31, art. 1, 049; En vigueur : 1988-01-15>
  (D. Du Conseil d'agréation des fournisseurs d'implants.)
Art. 115bis. <KB 1989-10-27/36, art. 3, 4, 068; Inwerkingtreding : 12-12-1989> Voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 28, § 6, 1° van de vorenbedoelde nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen, kunnen ter erkenning worden voorgesteld, de personen die gedurende tenminste twee jaar een passende theoretische en praktische opleiding hebben gevolgd en voldoen aan een door de Raad georganiseerd technisch bevoegdheidsexamen; het programma van dat examen wordt door Ons bepaald na advies van de Raad.
Art. 115ter. <AR 1989-10-27/36, art. 3, 4, 068; En vigueur : 12-12-1989> L'agréation est maintenue aux personnes qui, au 1er septembre 1983, sont agréées en qualité de bandagiste.
  Cette agréation ne porte cependant que sur les prestations pour lesquelles ces personnes ont été reconnues compétentes.
  Ces personnes peuvent obtenir une extension de leur compétence lorsqu'après avoir subi une formation théorique et pratique appropriée, elles se soumettent à un examen technique dont le programme est fixé par Nous, après avis du Conseil.
Art. 115ter. <KB 1989-10-27/36, art. 3, 4, 068; Inwerkingtreding : 12-12-1989> De erkenning blijft behouden voor de personen die op 1 september 1983 als bandagist zijn erkend.
  Die erkenning geldt evenwel slechts voor de verstrekkingen waarvoor die personen als bevoegd zijn erkend.
  Die personen kunnen verruiming van hun bevoegdheid bekomen als zij, na een passende theoretische en praktische opleiding te hebben gevolgd, een technisch bevoegdheidsexamen afleggen waarvan het programma door Ons wordt bepaald na advies van de Raad.
  (D. (Erkenningsraad voor verstrekkers van implantaten.) <INGEVOEGD bij KB 1989-10-27/36, art. 3, 1, 068; Inwerkingtreding : 12-12-1989> <KB 1995-04-06/25, art. 1, 129; Inwerkingtreding : 01-11-1995>
Art.116. <AR 1989-10-27/36, art. 3, 2; 068; En vigueur : 12-12-1989> Le Conseil d'agréation des fournisseurs d'implants est composé :
  1° du président;
  2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis par le Ministre de la Prévoyance sociale parmi les candidats présentés en nombre double de celui des mandats à attribuer, par les organisations représentatives des personnes agréées pour fournir des implants;
  3° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre de la Prévoyance sociale;
  4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre de la Santé publique et de l'Environnement.
Art.116. <KB 1989-10-27/36, art. 3, 2, 068; Inwerkingtreding : 12-12-1989> De Erkenningsraad voor (verstrekkers) van implantaten is samengesteld uit : <KB 1995-04-06/25, art. 1, 129; Inwerkingtreding : 01-11-1995>
  1° de voorzitter;
  2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, door de Minister van Sociale Voorzorg gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van de personen die erkend zijn voor het (verstrekken) van implantaten; <KB 1995-04-06/25, art. 1, 129; Inwerkingtreding : 01-11-1995>
  3° een werkend en een plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister van Sociale Voorzorg;
  4° een werkend en een plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister van Volksgezondheid en van Leefmilieu.
Art. 116. <AR 1989-10-27/36, art. 3, 2; 068; En vigueur : 12-12-1989> Le Conseil d'agréation des fournisseurs d'implants est composé :
  1° du président;
  2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis par le Ministre de la Prévoyance sociale parmi les candidats présentés en nombre double de celui des mandats à attribuer, par les organisations représentatives des personnes agréées pour fournir des implants;
  3° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre de la Prévoyance sociale;
  4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre de la Santé publique et de l'Environnement.
Art. 116bis. <KB 1989-10-27/36, art. 3, 2, 068; Inwerkingtreding : 12-12-1989> De Erkenningsraad voor (verstrekkers) van implantaten heeft tot taak het Beheerscomite van de Dienst voor geneeskundige verzorging de erkenning voor te stellen van de personen die hij als bevoegd erkend om aan de rechthebbende van de verzekering de implantaten te leveren welke zijn opgenomen in de lijst met vergoedbare apparaten. <KB 1995-04-06/25, art. 1, 129; Inwerkingtreding : 01-11-1995>
  De erkenningsaanvragen worden gezonden aan de Dienst voor geneeskundige verzorging die ze bezorgt aan de Erkenningsraad.
Art. 116ter. <AR 1989-10-27/36, art. 3, 2, 068; En vigueur : 12-12-1989> § 1. Sont reconnus compétents les pharmaciens titulaires du diplôme de pharmacien hospitalier délivré par une université agréée par l'Etat.
  § 2. Peuvent être proposées à l'agréation, les personnes qui ont suivi une formation théorique et pratique appropriée pendant un an au moins et qui satisfont à un examen de compétence technique organisé par le Conseil; le programme de cet examen est fixé par Nous, après avis du Conseil.
  (§ 3. Conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 6 juin 1960 relatif à la fabrication, à la préparation et à la distribution en gros des médicaments et à leur dispensation, les pharmaciens d'officine sont agréés d'office pour la fourniture d'articles sous forme stérile.
  § 4. L'agréation peut être limitée à la délivrance de prestations déterminées. Le certificat d'agréation comporte cette mention.) <AR 1989-10-27/36, art. 3, 3, 068; En vigueur : 12-12-1989>
Art. 116ter. <KB 1989-10-27/36, art. 3, 2, 068; Inwerkingtreding : 12-12-1989> § 1. Worden als bevoegd erkend de apothekers, houders van het diploma van ziekenhuisapotheker, afgeleverd door een door het Rijk erkende universiteit.
  § 2. Kunnen ter erkenning worden voorgesteld, de personen die gedurende ten minste één jaar een passende theoretische en praktische opleiding hebben gevolgd en voldoen aan een door de Raad georganiseerd technisch bevoegdheidsexamen; het programma van dat examen wordt door Ons bepaald, na advies van de Raad.
  (§ 3. Overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 6 juni 1960 betreffende de fabricatie, de bereiding en distributie in het groot en de terhandstelling van geneesmiddelen, worden de officina-apothekers van ambtswege erkend voor de aflevering van artikelen die in steriele vorm worden verstrekt.
  § 4. De erkenning kan worden beperkt tot het afleveren van bepaalde verstrekkingen. Die vermelding komt voor op het erkenningsgetuigschrift.) <KB 1989-10-27/36, art. 3, 3, 068; Inwerkingtreding : 12-12-1989>
Art. 116ter. <AR 1989-10-27/36, art. 3, 2, 068; En vigueur : 12-12-1989> § 1. Sont reconnus compétents les pharmaciens titulaires du diplôme de pharmacien hospitalier délivré par une université agréée par l'Etat.
  § 2. Peuvent être proposées à l'agréation, les personnes qui ont suivi une formation théorique et pratique appropriée pendant un an au moins et qui satisfont à un examen de compétence technique organisé par le Conseil; le programme de cet examen est fixé par Nous, après avis du Conseil.
  (§ 3. Conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 6 juin 1960 relatif à la fabrication, à la préparation et à la distribution en gros des médicaments et à leur dispensation, les pharmaciens d'officine sont agréés d'office pour la fourniture d'articles sous forme stérile.
  § 4. L'agréation peut être limitée à la délivrance de prestations déterminées. Le certificat d'agréation comporte cette mention.) <AR 1989-10-27/36, art. 3, 3, 068; En vigueur : 12-12-1989>
Art.117. Le Conseil d'agréation des acousticiens est composé:
  1° du président;
  2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis par le Ministre de la Prévoyance sociale parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des prothésistes acousticiens, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  3° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre de la Prévoyance sociale;
  4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre de la Santé publique et de la Famille.
Art.117. De erkenningsraad voor gehoorprothesisten is samengesteld uit :
  1° de voorzitter;
  2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, door de Minister van Sociale Voorzorg gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van gehoorprothesisten;
  3° een werkend en een plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister van Sociale Voorzorg;
  4° een werkend en een plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister van Volksgezondheid en van het Gezin.
Art. 117. Le Conseil d'agréation des acousticiens est composé:
  1° du président;
  2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis par le Ministre de la Prévoyance sociale parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des prothésistes acousticiens, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  3° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre de la Prévoyance sociale;
  4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre de la Santé publique et de la Famille.
Art.118. De Erkenningsraad voor de gehoorprothesisten heeft tot taak het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging de erkenning voor te stellen van de personen die hij als bevoegd erkent om de rechthebbenden van de verzekering de prothesen en hoortoestellen te verstrekken welke luidens de (vorenbedoelde nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen) in de bevoegdheid vallen van de gehoorprothesisten. <KB 1985-08-02/36, art. 8, 013>
  De erkenningsaanvragen worden gezonden aan de Dienst voor geneeskundige verzorging die ze bezorgt aan de Erkenningsraad.
Art.119. § 1er. Sont reconnus compétents, les docteurs en médecine, spécialistes en oto-rhino-laryngologie.
  (§ 1bis. Sont reconnus compétents les titulaires d'un diplôme de gradué en audiologie dont le programme des études est agréé par le Ministère de l'Education nationale.) <AR 1988-04-08/31, art. 1, 054; En vigueur : 16-04-1988>
  § 2. Peuvent être proposées à l'agréation, les personnes qui exercent la profession d'acousticien, soit comme chef d'entreprise, soit comme technicien au service d'un acousticien, depuis trois années au moins.
  Le Conseil apprécie les conditions de la formation et la qualification professionnelle des candidats et, le cas échéant, leur impose un examen de compétence technique qu'il organise; le programme de cet examen est fixé par le Roi, après avis du Conseil d'agréation.
Art.119. § 1. Worden als bevoegd erkend de doctors in de geneeskunde, specialisten in de oto-rhino-laryngologie.
  (§ 1bis. Worden als bevoegd erkend de houders van een diploma van gegradueerde in de audiologie, waarvan het leerplan erkend is door het Ministerie van Nationale Opvoeding.) <KB 1988-04-08/31, art. 1, 054; Inwerkingtreding : 16-04-1988>
  § 2. Kunnen ter erkenning worden voorgesteld, de personen die sedert ten minste drie jaar het beroep van gehoorprothesist uitoefenen hetzij als ondernemingshoofd, hetzij als technicus in dienst bij een gehoorprothesist.
  De Raad beoordeelt de omstandigheden van de beroepsopleiding en de beroepsbekwaamheid van de kandidaten en legt hun, in voorkomend geval, een technisch bevoegdheidsexamen op dat hij inricht; het programma van dat examen wordt door de Koning bepaald na advies van de Erkenningsraad.
Art. 119. § 1er. Sont reconnus compétents, les docteurs en médecine, spécialistes en oto-rhino-laryngologie.
  (§ 1bis. Sont reconnus compétents les titulaires d'un diplôme de gradué en audiologie dont le programme des études est agréé par le Ministère de l'Education nationale.) <AR 1988-04-08/31, art. 1, 054; En vigueur : 16-04-1988>
  § 2. Peuvent être proposées à l'agréation, les personnes qui exercent la profession d'acousticien, soit comme chef d'entreprise, soit comme technicien au service d'un acousticien, depuis trois années au moins.
  Le Conseil apprécie les conditions de la formation et la qualification professionnelle des candidats et, le cas échéant, leur impose un examen de compétence technique qu'il organise; le programme de cet examen est fixé par le Roi, après avis du Conseil d'agréation.
Art.120. De personen die niet voldoen aan de in artikel 119, § 2, eerste lid, vermelde voorwaarde, kunnen eveneens ter erkenning worden voorgesteld mits zij sedert ten minste een jaar hun beroep uitoefenen als ondernemingshoofd of als technicus in dienst bij een gehoorprothesist of mits zij, als apotheker sedert ten minste een jaar prothesen en hoortoestellen afleveren en zij, in elk geval, voldoen aan een door de Raad ingericht technisch bevoegdheidsexamen; het programma van dat examen wordt door de Koning bepaald na advies van de Erkenningsraad.(F.) Erkenningsraad voor opticiens. <KB 1989-10-27/36, art. 3, 5, 068; Inwerkingtreding : 12-12-1989>
Art. 120. Les personnes qui ne répondent pas aux conditions énoncées à l'article 119, § 2, premier alinéa, peuvent également être proposées à l'agréation, à la condition qu'elles exercent leur profession comme chef d'entreprise ou comme technicien au service d'un acousticien depuis une année au moins ou que, comme pharmacien, elles délivrent des prothèses et appareils auditifs depuis au moins un an, et que, dans chaque cas elle satisfassent à un examen de compétence technique organisé par le Conseil; le programme de cet examen est fixé par le Roi, après avis du Conseil d'agréation.(F.) Du Conseil d'agréation des opticiens. <AR 1989-10-27/36, art. 3, 5, 068; En vigueur : 12-12-1989>
Art.121. De Erkenningsraad voor opticiens is samengesteld uit:
  1° de voorzitter;
  2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, door de Minister van Sociale Voorzorg gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van opticiens;
  3° een werkend en een plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister van Sociale Voorzorg;
  4° een werkend en een plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister van Volksgezondheid en van het Gezin.
Art. 121. Le Conseil d'agréation des opticiens est composé:
  1° du président;
  2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis par le Ministre de la Prévoyance sociale parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des opticiens, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  3° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre de la Prévoyance sociale;
  4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre de la Santé publique et de la Famille.
Art.122. De Erkenningsraad voor opticiens heeft tot taak het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging de erkenning voor te stellen van de personen die hij als bevoegd erkent om de rechthebbenden van de verzekering de brillen en oogprothesen te verstrekken welke luidens de (vorenbedoelde nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen), in de bevoegdheid vallen van de opticiens. <KB 1985-08-02/36, art. 9, 013>
  De erkenningsaanvragen worden gezonden aan de Dienst voor geneeskundige verzorging die ze bezorgt aan de Erkenningsraad.
Art.123. <AR 28-04-1975, art. 2> § 1er. Sont reconnus compétents, les porteurs d'un des titres visés à l'article 5, § 2 de l'arrêté royal du 30 octobre 1964 instaurant des conditions d'exercice de l'activité professionnelle d'opticien-lunetier dans les petites et moyennes entreprises du commerce et de l'artisanat, tel qu'il a été modifié par l'arrêté royal du 14 janvier 1975, qui ont accompli un apprentissage pratique dans les conditions prévues au même article; la preuve de cet apprentissage pratique doit être prouvée, comme il est stipulé à l'article 5, § 2 de l'arrêté royal du 30 octobre 1964 précité, modifié par l'arrêté royal du 14 janvier 1975.
  § 2. Sont également reconnus compétents, les pharmaciens porteurs d'un certificat attestant qu'ils ont, pendant un an au moins, suivi un cours d'optique agréé par une union professionnelle représentative du corps pharmaceutique.
Art.123. <KB 28-04-1975, art. 2> § 1. Worden als bevoegd erkend de personen welke houder zijn van één van de akten bedoeld in artikel 5, § 2 van het koninklijk besluit van 30 oktober 1964 tot bepaling van de voorwaarden tot uitoefening van de beroepsbekwaamheid van opticien-brillenmaker in de kleine en middelgrote handels- en ambachtsondernemingen, zoals dit gewijzigd werd bij koninklijk besluit van 14 januari 1975, en die een praktische leertijd hebben doorgemaakt onder de voorwaarden bepaald bij ditzelfde artikel; het bewijs van deze praktische leertijd moet geleverd worden zoals bepaald in artikel 5, § 2 van het voornoemde koninklijk besluit van 30 oktober 1964, gewijzigd bij koninklijk besluit van 14 januari 1975.
  § 2. Worden eveneens als bevoegd erkend de apothekers houders van een getuigschrift waarbij wordt bevestigd dat zij gedurende ten minste een jaar een door een representatieve beroepsvereniging van het Apothekerskorps erkende leergang in optica hebben gevolgd.
Art. 123. <AR 28-04-1975, art. 2> § 1er. Sont reconnus compétents, les porteurs d'un des titres visés à l'article 5, § 2 de l'arrêté royal du 30 octobre 1964 instaurant des conditions d'exercice de l'activité professionnelle d'opticien-lunetier dans les petites et moyennes entreprises du commerce et de l'artisanat, tel qu'il a été modifié par l'arrêté royal du 14 janvier 1975, qui ont accompli un apprentissage pratique dans les conditions prévues au même article; la preuve de cet apprentissage pratique doit être prouvée, comme il est stipulé à l'article 5, § 2 de l'arrêté royal du 30 octobre 1964 précité, modifié par l'arrêté royal du 14 janvier 1975.
  § 2. Sont également reconnus compétents, les pharmaciens porteurs d'un certificat attestant qu'ils ont, pendant un an au moins, suivi un cours d'optique agréé par une union professionnelle représentative du corps pharmaceutique.
Art.124. Kunnen ter erkenning worden voorgesteld de personen die sedert ten minste drie jaar het beroep van opticien uitoefenen hetzij als ondernemingshoofd, hetzij als technicus in dienst bij een opticien.
  De Raad beoordeelt de omstandigheden van de beroepsopleiding en de beroepsbekwaamheid van de kandidaten en legt hun, in voorkomend geval, een technisch bevoegdheidsexamen op dat hij inricht; het programma van dat examen wordt door de Koning bepaald na advies van de Erkenningsraad.
Art.125. Les personnes qui ne répondent pas aux conditions énoncées à l'article 124, premier alinéa, peuvent également être proposées à l'agréation à la condition qu'elles exercent leur profession comme chef d'entreprise ou comme technicien au service d'un opticien depuis une année au moins ou que, comme pharmacien, elles délivrent des lunettes et prothèses de l'oeil depuis au moins trois ans, et que dans chaque cas elles satisfassent à un examen de compétence technique organisé par le Conseil; le programme de cet examen est fixé par le Roi, après avis du Conseil d'agréation.(G.) Des dispositions communes aux conseils d'agréation. <AR 1989-10-27/36, art. 3, 5, 068; En vigueur : 12-12-1989>
Art.125. De personen die niet voldoen aan de in artikel 124, eerste lid, gestelde voorwaarden, kunnen eveneens ter erkenning worden voorgesteld mits zij sedert ten minste een jaar hun beroep uitoefenen als ondernemingshoofd of als technicus in dienst bij een opticien of mits zij, als apotheker, sedert ten minste drie jaar brillen en oogprothesen afleveren en zij, in elk geval, voldoen aan een door de Raad ingericht technisch bevoegdheidsexamen; in het programma van dat examen wordt door de Koning bepaald na advies van de Erkenningsraad.(G.) Gemene bepalingen ter zake van de erkenningsraden. <KB 1989-10-27/36, art. 3, 5, 068; Inwerkingtreding : 12-12-1989>
Art. 125. Les personnes qui ne répondent pas aux conditions énoncées à l'article 124, premier alinéa, peuvent également être proposées à l'agréation à la condition qu'elles exercent leur profession comme chef d'entreprise ou comme technicien au service d'un opticien depuis une année au moins ou que, comme pharmacien, elles délivrent des lunettes et prothèses de l'oeil depuis au moins trois ans, et que dans chaque cas elles satisfassent à un examen de compétence technique organisé par le Conseil; le programme de cet examen est fixé par le Roi, après avis du Conseil d'agréation.(G.) Des dispositions communes aux conseils d'agréation. <AR 1989-10-27/36, art. 3, 5, 068; En vigueur : 12-12-1989>
Art.126. De leden van de erkenningsraden worden benoemd voor zes jaar. Hun mandaat kan om de drie jaar per helft worden vernieuwd.
  Het mandaat der leden van genoemde raden wordt evenwel voor het eerst vernieuwd op 1 januari 1967 en de uittredende leden worden bij loting aangewezen.
  Het mandaat der uittredende leden kan worden vernieuwd.
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn raad. Het aldus aangewezen nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Art. 126. Les membres des conseils d'agréation sont nommés pour un terme de six ans. Leur mandat est renouvelable par moitié tous les trois ans.
  Toutefois, le premier renouvellement du mandat des membres desdits conseils aura lieu le 1er janvier 1967, les membres sortants étant désignés par tirage au sort.
  Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
  Il est pourvu dans les trois mois remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de son Conseil avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat du membre qu'il remplace.
Art.127. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
  Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter die door de Koning wordt benoemd onder de in artikel 153, § 3, van de wet van 9 augustus 1963 gestelde voorwaarden.
Art. 127. Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif.
  En cas d'empêchement du président, il est remplacé par un président suppléant, nommé par le Roi, dans les conditions prévues à l'article 153, § 3, de la loi du 9 août 1963.
Art.128. Alle leden van de erkenningsraden zijn stemgerechtigd.
Art.129. Les conseils d'agréation se réunissent sur convocation de leur président.
  Le siège d'un Conseil est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
  Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, la proposition est rejetée.
Art.129. De erkenningsraden worden door hun voorzitter in vergadering bijeengeroepen.
  Een Raad houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig zijn.
  De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij stemmenstaking is het voorstel afgewezen.
Art. 129. Les conseils d'agréation se réunissent sur convocation de leur président.
  Le siège d'un Conseil est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
  Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, la proposition est rejetée.
Art.130. De functies van secretaris en adjunct-secretaris van de erkenningsraden worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van genoemde Dienst.
Art.131. L'agréation est maintenue, à leur demande, aux personnes qui, au 31 décembre 1963, sont agréées en application des dispositions de l'arrêté royal du 22 septembre 1955 organique de l'assurance maladie-invalidité.
  Cette agréation ne porte toutefois que sur les prestations pour lesquelles ces personnes étaient reconnues compétentes, soit en application des tarifs de soins de santé précédemment en vigueur, soit suivant la mention du certificat d'agréation.
  Ces personnes peuvent cependant solliciter la reconnaissance d'une extension de leur compétence en se soumettant à un examen technique dont le programme est fixé par le Roi, après avis du Conseil d'agréation.
Art.131. De erkenning wordt behouden door de personen die daarom verzoeken en die, op 31 december 1963, erkend zijn bij toepassing van de bepalingen van het organiek koninklijk besluit van 22 september 1955 van de ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  Die erkenning heeft evenwel slechts betrekking op de verstrekkingen waarvoor die personen als bevoegd erkend waren hetzij bij toepassing van de voorheen geldende tarieven voor geneeskundige verzorging, hetzij volgens de vermelding op het erkenningsgetuigschrift.
  Die personen kunnen evenwel verzoeken dat een uitbreiding van hun bevoegdheid wordt erkend; daartoe moeten zij een technisch examen afleggen waarvan het programma door de Koning wordt bepaald na advies van de Erkenningsraad.
Art. 131. L'agréation est maintenue, à leur demande, aux personnes qui, au 31 décembre 1963, sont agréées en application des dispositions de l'arrêté royal du 22 septembre 1955 organique de l'assurance maladie-invalidité.
  Cette agréation ne porte toutefois que sur les prestations pour lesquelles ces personnes étaient reconnues compétentes, soit en application des tarifs de soins de santé précédemment en vigueur, soit suivant la mention du certificat d'agréation.
  Ces personnes peuvent cependant solliciter la reconnaissance d'une extension de leur compétence en se soumettant à un examen technique dont le programme est fixé par le Roi, après avis du Conseil d'agréation.
Art.132. Ieder erkend persoon behoort de doktervoorschriften stipt in acht te nemen.
Art.133. <AR 28-11-1970, art. 1> Le Comité de gestion du Service des soins de santé peut, à tout moment, sur proposition du Conseil d'agréation compétent, suspendre ou retirer son agréation à toute personne agréée qui a commis un fait qui est considéré comme faute professionnelle par le Conseil d'agréation. Les personnes visées par cette disposition sont préalablement entendues dans leurs moyens de défense par le Conseil d'agréation; elles ne doivent pas être entendues si elles ne se présentent pas après une deuxième convocation.
Art.133. <KB 18-11-1970, art. 1> Het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging kan te allen tijde, op voorstel van de bevoegde Erkenningsraad de erkenning schorsen of intrekken van ieder erkend persoon die een feit heeft gepleegd dat door die Erkenningsraad als een tekortkoming in het beoefenen van het beroep wordt aangezien. De in deze bepaling bedoelde personen worden vooraf in hun verweermiddelen gehoord door de Erkenningsraad; indien zij zich na een tweede oproeping niet aanbieden moeten zij niet worden gehoord.
Art. 133. <AR 28-11-1970, art. 1> Le Comité de gestion du Service des soins de santé peut, à tout moment, sur proposition du Conseil d'agréation compétent, suspendre ou retirer son agréation à toute personne agréée qui a commis un fait qui est considéré comme faute professionnelle par le Conseil d'agréation. Les personnes visées par cette disposition sont préalablement entendues dans leurs moyens de défense par le Conseil d'agréation; elles ne doivent pas être entendues si elles ne se présentent pas après une deuxième convocation.
Afdeling 2. _ Inschrijving van de paramedische medewerkers.
Art.134. Les personnes porteuses d'un diplôme d'infirmière, de soigneuse ou de garde-malade, doivent demander au Service des soins de santé leur inscription sur la liste prévue à l'article 12, 8° de la loi du 9 août 1963 susvisée.
Art.134. De houdsters van een diploma van verpleegster, verzorgster of ziekenoppasster moeten de Dienst voor geneeskundige verzorging om inschrijving verzoeken op de in artikel 12, 8°, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 genoemde lijst.
  Zij voegen bij hun aanvraag het met het origineel eensluidend gewaarmerkte afschrift van hun diploma.
Art. 134. Les personnes porteuses d'un diplôme d'infirmière, de soigneuse ou de garde-malade, doivent demander au Service des soins de santé leur inscription sur la liste prévue à l'article 12, 8° de la loi du 9 août 1963 susvisée.
  Elles joignent à leur demande la copie certifiée conforme à l'original de leur diplôme.
Art.135. De houdsters van een der in artikel 134, genoemde diploma's die op 31 december 1963 erkend zijn bij toepassing van de bepalingen van het organiek koninklijk besluit van 22 september 1955 van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, zijn vrijgesteld van de in artikel 134 voorgeschreven formaliteit.
Art.136. Le Comité de gestion du Service des soins de santé établit la liste des infirmières, soigneuses et gardes-malades qu'il inscrit sous les conditions visées aux articles 134 et 135, ainsi que les listes de (kinésithérapeutes), orthopédistes, bandagistes, acousticiens, (opticiens et fournisseurs d'implants) qu'il agrée, dans les conditions de la section 1 du présent chapitre. <AR 1992-10-20/35, art. 2, 108; En vigueur : 01-01-1993> <AR 1995-04-06/25, art. 2, 129; En vigueur : 01-11-1995>
Art.136. Het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging legt de lijst aan van de verpleegsters, verzorgsters en ziekenoppassters die het inschrijft onder de in de artikelen 134 en 135 bedoelde voorwaarden alsmede de lijsten van de kinesitherapeuten, orthopedisten, bandagisten, gehoorprothesisten en opticiens die het erkent onder de in afdeling 1 van dit hoofdstuk gestelde voorwaarden.
Art. 136. Le Comité de gestion du Service des soins de santé établit la liste des infirmières, soigneuses et gardes-malades qu'il inscrit sous les conditions visées aux articles 134 et 135, ainsi que les listes de (kinésithérapeutes), orthopédistes, bandagistes, acousticiens, (opticiens et fournisseurs d'implants) qu'il agrée, dans les conditions de la section 1 du présent chapitre. <AR 1992-10-20/35, art. 2, 108; En vigueur : 01-01-1993> <AR 1995-04-06/25, art. 2, 129; En vigueur : 01-11-1995>
Afdeling 3. _ Mededeling van de lijsten der paramedische medewerkers aan de verzekeringsinstellingen.
Art.137. Le Service des soins de santé communique, sans délai aux organismes assureurs les listes des auxiliaires paramédicaux visées à l'article 136 établies par le Comité de gestion.
Art.137. De Dienst voor geneeskundige verzorging deelt onverwijld de in artikel 136 bedoelde en door het Beheerscomité aangelegde lijsten der paramedische medewerkers mede aan de verzekeringsinstellingen.
  Die lijsten bevatten de nieuwe inschrijvingen en al de wijzigingen in de vorige lijsten.
Art. 137. Le Service des soins de santé communique, sans délai aux organismes assureurs les listes des auxiliaires paramédicaux visées à l'article 136 établies par le Comité de gestion.
  Ces listes font mention des nouvelles inscriptions et de toutes modifications aux listes précédentes.
HOOFDSTUK VII. - (Revalidatie en herscholing.)
CHAPITRE VII. -( Rééducation fonctionnelle et professionnelle.)
Afdeling 1. - College van geneesheren-directeurs.
Art.138. Le Collège des médecins-directeurs institué en vertu de l'article 19 de la loi du 9 août 1963 susvisée, est composé :
Art.138. <KB 1991-01-02/39, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-1991> Het krachtens artikel 19 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 ingestelde College van geneesheren-directeurs is samengesteld uit :
  1° een voorzitter, doctor in de geneeskunde, ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging;
  2° 9 werkende en 9 plaatsvervangende leden, doctors in de geneeskunde, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid; elke verzekeringsinstelling draagt onder haar kandidaten de geneesheer voor die met haar geneeskundige directie is belast;
  3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, doctors in de geneeskunde, ambtenaren van de dienst voor geneeskundige verzorging.
Art. 138. <AR 1991-01-02/39, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-1991> Le Collège des médecins-directeurs institué en vertu de l'article 19 de la loi du 9 août 1963 susvisée, est composé :
  1° d'un président, docteur en médecine, fonctionnaire du Service des soins de santé;
  2° de 9 membres effectifs et de 9 membres suppléants, docteurs en médecine, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant; parmi ses candidats, chaque organisme assureur présente le médecin chargé de sa direction médicale;
  3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, docteurs en médecine, fonctionnaires du Service des soins de santé.
Art.139. <KB 1991-01-02/39, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-1991> De leden van het College van geneesheren-directeurs worden door de Koning benoemd voor zes jaar.
  Het mandaat van de uittredende leden kan worden vernieuwd.
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van het College van geneesheren-directeurs. Het aldus aangewezen nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Art. 139. <AR 1991-01-02/39, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-1991> Les membres du Collège des médecins-directeurs sont nommés par le Roi pour un terme de six ans.
  Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
  Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie du Collège des médecins-directeurs avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
Art.140. <KB 1991-01-02/39, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-1991> Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
  Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter die door de Koning wordt benoemd onder de in artikel 19, laatste lid, van de wet van 9 augustus 1963 gestelde voorwaarden.
Art.142. <AR 1991-01-02/39, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-1991> Le Collège des médecins-directeurs se réunit sur convocation de son président, soit à son initiative, soit à la requête du Comité de gestion du Service des soins de santé, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Art.141. <KB 1991-01-02/39, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-1991> Het College van geneesheren-directeurs houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig zijn.
  De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van degenen die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.
Art. 141. <AR 1991-01-02/39, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-1991> Le siège du Collège des médecins-directeurs est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
  Les décisions sont prises à la majorité simple des participants au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, la voix du président est prépondérante.
Art.142. <KB 1991-01-02/39, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-1991> Het College van geneesheren-directeurs wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Art. 142. <AR 1991-01-02/39, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-1991> Le Collège des médecins-directeurs se réunit sur convocation de son président, soit à son initiative, soit à la requête du Comité de gestion du Service des soins de santé, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Art.143. <KB 1991-01-02/39, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-1991> De functies van secretaris en adjunct-secretaris van het College van geneesheren-directeurs worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van bedoelde Dienst.
Art. 143. <AR 1991-01-02/39, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-1991> Les fonctions de secrétaire et de secrétaire-adjoint du Collège des médecins-directeurs sont assumées par des agents du Service des soins de santé, désignés par le fonctionnaire-dirigeant dudit Service.
Art.144. <KB 1991-01-02/39, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-1991> _ Het College van geneesheren-directeurs maakt zijn huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging.
Art. 144bis. Le Conseil consultatif de la rééducation fonctionnelle visé à l'article 19bis, § 4, de la loi du 9 août 1963 précitée se réunit sur convocation du président soit à son initiative, soit à la requête du Ministre des Affaires sociales, soit à la requête du Comité de gestion du Service des soins de santé de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, soit à la requête du Collège des médecins-directeurs, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit; la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Afdeling 1bis. - Raad voor advies inzake revalidatie.
Art. 144ter. Le président transmet les avis du Conseil consultatif de la rééducation fonctionnelle au Comité de gestion du Service des soins de santé de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, après les avoir communiques au Collège des médecins-directeurs, qui y ajoute ses remarques.
Art. 144bis. <INGEVOEGD bij KB 1991-06-11/32, art. 2, 093; Inwerkingtreding : 20-07-1991> De in artikel 19 bis, § 4, van voornoemde wet van 9 augustus 1963 bedoelde Raad voor advies inzake revalidatie wordt in vergadering bijeengeroepen door de voorzitter hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van de Minister van Sociale Zaken, hetzij op verzoek van het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, hetzij op verzoek van het College van geneesheren-directeurs, hetzij op schriftelijk verzoek van tenminste drie leden; de bijeenroeping vermeldt het onderwerp van de vergadering.
Art. 144quater. Les membres du Conseil consultatif de la rééducation fonctionnelle sont nommés pour six ans. Le mandat est renouvelable tous les trois ans pour la moitie des membres. Toutefois, le premier renouvellement du mandat des membres aura lieu le 1er janvier 1995, les membres sortants étant désignés par tirage au sort. Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
  Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie du conseil avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat du membre qu'il remplace.
  Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif.
Art. 144ter. <INGEVOEGD bij KB 1991-06-11, art. 2, 093; Inwerkingtreding : 20-07-1991> De voorzitter maakt de adviezen van de Raad voor advies inzake revalidatie over aan het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, na ze te hebben meegedeeld aan het College van geneesheren-directeurs, dat er zijn opmerkingen bijvoegt.
Art. 144quinquies. Le siège du Conseil consultatif de la rééducation fonctionnelle est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents. Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, la proposition est rejetée.
Art. 144quater. <INGEVOEGD bij KB 1991-06-11, art. 2, 093; Inwerkingtreding : 20-07-1991> De leden van de Raad voor advies inzake revalidatie worden benoemd voor zes jaar. Het mandaat loopt om de drie jaar af voor de helft van de leden. Het mandaat der leden wordt evenwel voor het eerst vernieuwd op 1 januari 1995 en de uittredende leden worden bij loting aangewezen. Het mandaat van de uittredende leden kan worden vernieuwd.
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat geen deel meer uitmaakt van de raad. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
  Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
Art. 144quater. Les membres du Conseil consultatif de la rééducation fonctionnelle sont nommés pour six ans. Le mandat est renouvelable tous les trois ans pour la moitie des membres. Toutefois, le premier renouvellement du mandat des membres aura lieu le 1er janvier 1995, les membres sortants étant désignés par tirage au sort. Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
  Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie du conseil avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat du membre qu'il remplace.
  Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif.
Art. 144quinquies. <INGEVOEGD bij KB 1991-06-11, art. 2, 093; Inwerkingtreding : 20-07-1991> De raad voor advies inzake revalidatie houdt op geldige wijze zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig zijn. De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij stemmenstaking is het voorstel afgewezen.
Art. 144quinquies. Le siège du Conseil consultatif de la rééducation fonctionnelle est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents. Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, la proposition est rejetée.
Art. 144sexies. <INGEVOEGD bij KB 1991-06-11, art. 2, 093; Inwerkingtreding : 20-07-1991> De functies van secretaris en adjunct-secretaris van de Raad voor advies inzake revalidatie worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, aangewezen door de leidend ambtenaar van deze dienst.
Art. 144sexies. Les fonctions de secrétaire et de secrétaire adjoint du Conseil consultatif de la rééducation fonctionnelle sont assumées par des agents du Service des soins de santé de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, désignés par le fonctionnaire-dirigeant dudit service.
Art. 144septies. <INGEVOEGD bij KB 1991-06-11, art. 2, 093; Inwerkingtreding : 20-07-1991> De Raad voor advies inzake revalidatie maakt zijn huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Article145. <AR 1991-01-02/39, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-1991> Les prestations de rééducation fonctionnelle sont, dans les conditions définies par les programmes de rééducation admis par le Collège des médecins-directeurs ou le médecin-conseil, celles prévues aux conventions visées à (l'article 15bis, 6°), de la loi du 9 août 1963 susvisée et aux conditions qui y sont fixées ou les prestations prévues par la nomenclature des prestations de rééducation fonctionnelle arrêtée en application de (l'article 16, § 2, alinéa 2), de la loi du 9 août 1963 précitée. <AR 1993-09-09/35, art. 1, 116; En vigueur : 21-10-1993>
Afdeling 2. - Tegemoetkoming in de revalidatiekosten.
Art.146. L'intervention dans le coût des prestations de rééducation fonctionnelle est subordonnée à l'autorisation préalable :
Art.145. <KB 1991-01-02/39, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-1991> De verstrekkingen inzake revalidatie zijn, onder de voorwaarden die zijn omschreven in de door het College van geneesheren-directeurs of door de adviserend geneesheer aangenomen revalidatieprogramma's, die waarin is voorzien in de overeenkomsten bedoeld bij (artikel 15bis, 6°), van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 en onder de voorwaarden die daarin zijn bedongen of de verstrekkingen waarin is voorzien in de nomenclatuur van de revalidatieverstrekkingen, opgemaakt bij toepassing van (artikel 16, § 2, tweede lid), van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963. <KB 1993-09-09/35, art. 1, 116; Inwerkingtreding : 21-10-1993>
Article 145. <AR 1991-01-02/39, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-1991> Les prestations de rééducation fonctionnelle sont, dans les conditions définies par les programmes de rééducation admis par le Collège des médecins-directeurs ou le médecin-conseil, celles prévues aux conventions visées à (l'article 15bis, 6°), de la loi du 9 août 1963 susvisée et aux conditions qui y sont fixées ou les prestations prévues par la nomenclature des prestations de rééducation fonctionnelle arrêtée en application de (l'article 16, § 2, alinéa 2), de la loi du 9 août 1963 précitée. <AR 1993-09-09/35, art. 1, 116; En vigueur : 21-10-1993>
Art.146. <KB 1993-09-09/35, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-01-1994> De tegemoetkoming in de kosten voor de revalidatieverstrekkingen is afhankelijk van de voorafgaande toestemming van :
  1° het College van geneesheren-directeurs voor de verstrekkingen waarin is voorzien in de overeenkomsten die zijn bedoeld in artikel 15bis, 6°, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, behalve voor de verstrekkingen voorzien in de overeenkomsten bedoeld in 2°, b) en c);
  2° de adviserend geneesheer :
  a) voor de verstrekkingen waarin is voorzien in de nomenclatuur welke is opgemaakt bij toepassing van artikel 16, § 2, tweede lid, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, tenzij genoemde nomenclatuur de tegemoetkoming afhankelijk stelt van de voorafgaande toestemming van het College van geneesheren-directeurs;
  b) voor de verstrekkingen voorzien in de revalidatieovereenkomsten betreffende de zelfcontrole thuis van de glycemie bij diabetes patiënten en betreffende de langdurige zuurstoftherapie thuis voor ernstige chronische ademhalings-insufficiëntie;
  c) voor de verstrekkingen voorzien in de revalidatieovereenkomsten betreffende het respiratoir en cardiorespiratoir toezicht thuis op zuigelingen met risico voor wiegedood.
  (d) de revalidatieovereenkomsten bedoeld bij artikel 22, 6° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, afgesloten na 1 juli 1995 en ofwel met betrekking tot de revalidatie van rechthebbenden van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor wie op het ogenblik van tenlasteneming de ernst van de taal-, spraak- of stemstoornissen een intensieve multidisciplinaire revalidatie vergt, ofwel met betrekking tot de revalidatie van rechthebbenden van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging die hun negentiende verjaardag niet bereikten, voor wie op het ogenblik van de tenlasteneming de ernst van de mentale- of gedragsstoornissen een intensieve multidisciplinaire revalidatie vergt.) <KB 1995-09-28/38, art. 1, 136; Inwerkingtreding : 01-07-1995>
Art. 146. <AR 1993-09-09/35, art. 2, 116; En vigueur : 01-01-1994> L'intervention dans le coût des prestations de rééducation fonctionnelle est subordonnée à l'autorisation préalable :
  1° du Collège des médecins-directeurs pour les prestations prévues aux conventions visées à l'article 15bis, 6°, de la loi du 9 août 1963 précitée, sauf pour les prestations prévues aux conventions visées au 2°, b) et c);
  2° du médecin-conseil :
  a) pour les prestations prévues à la nomenclature établie en application de l'article 16, § 2, alinéa 2, de la loi du 9 août 1963 précitée, à moins que ladite nomenclature ne subordonne l'intervention à l'autorisation préalable du collège des médecins-directeurs;
  b) pour les prestations prévues dans les conventions de rééducation en matière d'autosurveillance à domicile de la glycémie chez des patients diabétiques et en matière d'oxygénothérapie de longue durée à domicile pour insuffisance respiratoire chronique grave;
  c) pour les prestations prévues dans les conventions de rééducation en matière de surveillance respiratoire et cardiorespiratoire à domicile des nourrissons menacés de mort subite.
  (d) les conventions de rééducation visées à l'article 22, 6° de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, conclues après le 1er juillet 1995 et relatives soit à la rééducation de bénéficiaires de l'assurance obligatoire soins de santé pour lesquels au moment de la prise en charge la gravité des troubles du langage, de la parole ou de la voix requiert une rééducation multidisciplinaire intensive, soit à la rééducation de bénéficiaires de l'assurance obligatoire soins de santé n'ayant pas atteint leur dix-neuvième anniversaire, dont au moment de la prise en charge la gravité des troubles mentaux ou des troubles du comportement requiert une rééducation multidisciplinaire intensive.) <AR 1995-09-28/38, art. 1, 136; En vigueur : 01-07-1995>
Art.147. <KB 1991-01-02/39, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-1991> De aanvragen om tegemoetkoming worden ingediend door de rechthebbende van de verzekering voor geneeskundige verzorging, bij de adviserend geneesheer van de mutualiteit, de gewestelijke dienst of de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen waarbij hij is aangesloten of ingeschreven.
  De aanvragen moeten worden opgemaakt aan de hand van een formulier conform het door het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging goedgekeurd model.
Art. 147. <AR 1991-01-02/39, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-1991> Les demandes d'intervention sont introduites par le bénéficiaire de l'assurance soins de santé auprès du médecin-conseil de la mutualité, de l'office régional de l'organisme assureur ou de la Caisse des soins de santé de la Société nationale des Chemins de fer auprès duquel il est affilié ou inscrit.
  Les demandes doivent être établies au moyen d'un formulaire conforme au modèle approuvé par le Comité de gestion du Service des soins de santé.
Art.148. <KB 1991-01-02/39, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-1991> § 1. De adviserend geneesheer maakt de aanvragen betreffende de in artikel 146, 1°, bedoelde verstrekkingen, samen met zijn advies door toedoen van de geneesheer-directeur van de verzekeringsinstelling, onverwijld over aan het College van geneesheren-directeurs.
  § 2. Aangaande de verstrekkingen bedoeld in artikel 146, 2°, geeft de adviserend geneesheer kennis van zijn beslissing aan de rechthebbende en, in voorkomend geval, aan de verstrekker.
  Elke beslissing tot weigering wordt gemotiveerd.
Art.150. <AR 1991-01-02/39, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-1991> § 1. En cas d'accord, le Collège des médecins-directeurs ou le médecin-conseil détermine pour chaque cas un programme de rééducation fonctionnelle comportant notamment la nature, le nombre, le rythme et la durée des prestations accordées ainsi que la dénomination de l'établissement et les autres conditions de lieu.
  § 2. Le Collège des médecins-directeurs ou le médecin-conseil fixe, dans chaque cas particulier, la date à partir de laquelle l'intervention est accordée.
  (Sauf dispositions contraires, l'intervention est refusée pour les prestations effectuées plus de trente jours avant la date de réception de la demande par le médecin-conseil) <AR 1993-09-09/35, art. 3, 116; En vigueur : 21-10-1993>
  § 3. (L'organisme assureur est chargé du paiement de l'intervention dans le coût des prestations approuvées par le Collège des médecins-directeurs ou le médecin-conseil.) <AR 1993-09-09/35, art. 3, 116; En vigueur : 21-10-1993>
  § 4. Les médecins-conseil sont tenus de transmettre au Collège des médecins-directeurs tous les six mois conformément aux modalités fixées par celui-ci, par prestation, une liste mentionnant le nombre et la nature des refus et le nombre et la nature des décisions favorables prises.
  § 5. (abrogé) <AR 1993-09-09/35, art. 3, 116; En vigueur : 21-10-1993>
Art.149. <KB 1991-01-02/39, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-1991> _ Het College van geneesheren-directeurs onderzoekt, op verslag van de Dienst voor geneeskundige verzorging, de door de adviserend geneesheer toegestuurde aanvragen. De beslissingen worden door de voorzitter meegedeeld aan de medische directie van de betrokken verzekeringsinstellingen die op haar beurt de betrokkene en, in voorkomend geval, het revalidatiecentrum ervan kennis geeft.
  Elke beslissing tot weigering wordt gemotiveerd.
Art.151. <AR 1991-01-02/39, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-1991> Le Collège des medecins-directeurs peut ordonner des enquêtes par des infirmières ou tous autres agents qualifiés du Service des soins de santé et demander toute information complémentaire au médecin-conseil.
  En vue de l'octroi des prestations visées à l'article 146, 1°, du présent arrêté, le Collège des médecins-directeurs peut, en outre, charger le médecin-conseil d'effectuer un examen médical du bénéficiaire.
  Le médecin-conseil peut en tout temps ordonner une enquête par le service social de l'organisme assureur ou effectuer un examen médical du bénéficiaire.
Art.150. <KB 1991-01-02/39, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-1991> § 1. In geval van akkoord, stelt het College van geneesheren-directeurs of de adviserend geneesheer voor elk geval een revalidatieprogramma vast dat met name de aard, het aantal, het ritme en de duur van de toegestane verstrekkingen omvat alsmede de naam van de inrichting en de andere voorwaarden inzake plaats.
  § 2. Het College van geneesheren-directeurs of de adviserend geneesheer stelt, voor elk afzonderlijk geval, de datum vast vanaf welke de tegemoetkoming wordt toegekend.
  (Behoudens andersluidende bepalingen wordt de tegemoetkoming geweigerd voor de verstrekkingen die zijn verricht langer dan dertig dagen vóór de datum waarop de aanvraag door de adviserend geneesheer is ontvangen) <KB 1993-09-09/35, art. 3, 116; Inwerkingtreding : 21-10-1993>e adviserend geneesheer is ontvangen.
  § 3. (De verzekeringsinstelling wordt belast met de betaling van de tegemoetkoming in de kosten voor de door het College van geneesheren-directeurs of de adviserend geneesheer goedgekeurde verstrekkingen.) <KB 1993-09-09/35, art. 3, 116; Inwerkingtreding : 21-10-1993>
  § 4. De adviserend geneesheren zijn ertoe gehouden aan het College van geneesheren-directeurs om de zes maanden, overeenkomstig de door dit college bepaalde modaliteiten, per verstrekking een lijst te bezorgen met vermelding van het aantal en de aard van de weigeringen alsmede van het aantal en de aard van de genomen gunstige beslissingen.
  § 5. (opgeheven) <KB 1993-09-09/35, art. 3, 116; Inwerkingtreding : 21-10-1993>
Art. 150. <AR 1991-01-02/39, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-1991> § 1. En cas d'accord, le Collège des médecins-directeurs ou le médecin-conseil détermine pour chaque cas un programme de rééducation fonctionnelle comportant notamment la nature, le nombre, le rythme et la durée des prestations accordées ainsi que la dénomination de l'établissement et les autres conditions de lieu.
  § 2. Le Collège des médecins-directeurs ou le médecin-conseil fixe, dans chaque cas particulier, la date à partir de laquelle l'intervention est accordée.
  (Sauf dispositions contraires, l'intervention est refusée pour les prestations effectuées plus de trente jours avant la date de réception de la demande par le médecin-conseil) <AR 1993-09-09/35, art. 3, 116; En vigueur : 21-10-1993>
  § 3. (L'organisme assureur est chargé du paiement de l'intervention dans le coût des prestations approuvées par le Collège des médecins-directeurs ou le médecin-conseil.) <AR 1993-09-09/35, art. 3, 116; En vigueur : 21-10-1993>
  § 4. Les médecins-conseil sont tenus de transmettre au Collège des médecins-directeurs tous les six mois conformément aux modalités fixées par celui-ci, par prestation, une liste mentionnant le nombre et la nature des refus et le nombre et la nature des décisions favorables prises.
  § 5. (abrogé) <AR 1993-09-09/35, art. 3, 116; En vigueur : 21-10-1993>
Art.151. <KB 1991-01-02/39, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-1991> Het College van geneesheren-directeurs kan enquêtes bevelen door verpleegkundigen of alle andere bevoegde personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging en de adviserend geneesheer om elke bijkomende inlichting verzoeken.
  Met het oog op het toekennen van de prestaties bedoeld in artikel 146, 1°, van onderhavig besluit kan het College van geneesheren-directeurs bovendien de adviserend geneesheer opdragen de gerechtigde medisch te onderzoeken.
  De adviserend geneesheer kan te allen tijde een enquête bevelen door de sociale dienst van de verzekeringsinstelling of de rechthebbende medisch onderzoeken.
Art. 151. <AR 1991-01-02/39, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-1991> Le Collège des medecins-directeurs peut ordonner des enquêtes par des infirmières ou tous autres agents qualifiés du Service des soins de santé et demander toute information complémentaire au médecin-conseil.
  En vue de l'octroi des prestations visées à l'article 146, 1°, du présent arrêté, le Collège des médecins-directeurs peut, en outre, charger le médecin-conseil d'effectuer un examen médical du bénéficiaire.
  Le médecin-conseil peut en tout temps ordonner une enquête par le service social de l'organisme assureur ou effectuer un examen médical du bénéficiaire.
Art. 151bis. <INGEVOEGD bij KB 1993-09-09/35, art. 4, 116; Inwerkingtreding : 21-10-1993> De aanvragen tot verlenging van een revalidatieprogramma worden ingediend en behandeld overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.
Art.152. <AR 1991-01-02/39, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-1991> § 1. Le Ministre des Affaires sociales fixe les conditions et les modalités selon lesquelles une intervention peut être accordée dans les frais de déplacement engagés conformément aux décisions prises par le Collège des médecins-directeurs ou le médecin-conseil.
  § 2. Le bénéficiaire qui estime pouvoir prétendre à l'intervention dans les frais de déplacement qu'il a, pour obtenir des prestations de rééducation fonctionnelle introduit à cet effet, une demande auprès du médecin-conseil de la mutualité, de l'office régional ou de la Caisse des soins de santé de la Société nationale des Chemins de fer belges, auprès duquel ou de laquelle il est affilié ou inscrit.
  La demande est introduite accompagnée de la demande visée à l'article 147 du présent arrêté.
  § 3. Le médecin-conseil transmet les demandes relatives aux frais de déplacement afférents aux prestations visées à l'article 146, 1°, accompagnées de son avis, sans délai au Collège des médecins-directeurs par l'intermédiaire du médecin-directeur de l'organisme assureur.
  § 4. En ce qui concerne les frais de déplacement afférents aux prestations visées à l'article 146, 2°, le médecin-conseil notifie sa décision au bénéficiaire.
  Toute décision de refus est motivée.
  § 5. Le Collège des médecins-directeurs examine sur rapport du Service des soins de santé les demandes visées au § 3. Les décisions sont communiquées par le président à la direction médicale des organismes assureurs intéressés, laquelle en informe à son tour le bénéficiaire.
  Toute décision de refus est motivée.
  § 6. L'organisme assureur est chargé du paiement éventuel de l'intervention.
Afdeling 3. - Tegemoetkoming in de reiskosten betreffende de revalidatie.
Section 3. - De l'intervention dans les frais de déplacement afférents à la rééducation fonctionnelle.
Art.152. <KB 1991-01-02/39, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-1991> § 1. De Minister van Sociale zaken stelt de voorwaarden en de modaliteiten vast volgens welke een tegemoetkoming kan worden verleend in de reiskosten die overeenkomstig de door het College van geneesheren-directeurs of de adviserend geneesheer genomen beslissingen worden aangegaan.
  § 2. De rechthebbende die meent te kunnen aanspraak maken op de tegemoetkoming in de reiskosten welke hij heeft om verstrekkingen voor functionele revalidatie te bekomen dient daartoe een aanvraag in bij de adviserend geneesheer van de mutualiteit, de gewestelijke dienst of de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen waarbij hij is aangesloten of ingeschreven.
  De aanvraag wordt ingediend samen met de aanvraag bedoeld in artikel 147 van dit besluit.
  § 3. De adviserend geneesheer maakt de aanvragen betreffende de reiskosten gemaakt in verband met in artikel 146, 1°, bedoelde verstrekkingen, samen met zijn advies door toedoen van de geneesheer-directeur van de verzekeringsinstelling, onverwijld over aan het College van geneesheren-directeurs.
  § 4. Aangaande de reiskosten gemaakt in verband met verstrekkingen bedoeld in artikel 146, 2°, geeft de adviserend geneesheer kennis van zijn beslissing aan de rechthebbende.
  Elke beslissing tot weigering wordt gemotiveerd.
  § 5. Het College van geneesheren-directeurs onderzoekt, op verslag van de Dienst voor geneeskundige verzorging, de aanvragen bedoeld in § 3. De beslissingen worden door de voorzitter meegedeeld aan de medische directie van de betrokken verzekeringsinstellingen die op haar beurt de betrokkene ervan kennis geeft.
  Elke beslissing tot weigering wordt gemotiveerd.
  § 6. De verzekeringsinstelling wordt belast met de eventuele betaling van de tegemoetkoming.
Art.153. <AR 1991-01-02/39, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-1991> § 1. Les prestations de rééducation professionnelle sont, dans les conditions définies par les programmes de rééducation admis par le Collège des médecins-directeurs, celles prévues aux conventions visées à l'article 12, 7°, de la loi du 9 août 1963 susvisée et aux conditions qui y sont fixées ou, dans les cas non couverts par de telles conventions, les frais d'examens d'orientation professionnelle, d'inscription aux cours et aux examens, d'internat ou de séjour, de voyage, de prime d'assurance contre les accidents de travail, de matériels et d'équipement nécessaires à la formation professionnelle.
  § 2. Les demandes d'intervention sont introduites auprès du Collège des médecins-directeurs, soit par tout bénéficiaire de l'assurance soins de santé directement ou par les médecins-conseil par l'intermédiaire de leur direction médicale, soit par le Conseil médical de l'invalidité, soit par le Service des soins de santé.
  § 3. Le Collège des médecins-directeurs procède à l'examen de la demande sur rapport du Service des soins de santé, qui recueille préalablement l'avis du médecin-conseil.
  § 4. Le Collège des médecins-directeurs peut ordonner des enquêtes par des infirmières ou tous autres agents qualifiés du Service des soins de santé et demander toute information complémentaire au médecin-conseil.
  § 5. Le Collège des médecins-directeurs détermine pour chaque cas un programme de rééducation comportant notamment la nature des prestations nécessaires, l'établissement et les autres conditions de lieu, pour la réalisation de ce programme ainsi que sa durée. Ce programme est transmis à l'organisme assureur qui prend en charge son exécution.
  § 6. Le Collège des médecins-directeurs peut décider d'accorder au bénéficiaire, dans le cadre des programmes de rééducation qu'il arrête, des prêts sans intérêts en vue de permettre ou d'accélérer le reclassement de l'intéressé dans une activité qu'il exercera pour son compte personnel.
  Le Collège fixe, pour chaque cas, les modalités de remboursement de ces prêts.
  Les montants de ces prêts et remboursements y afférents sont inscrits aux budget et comptes visés à l'article 12, 2°, de la loi du 9 août 1963 susvisée.
Afdeling 4. - Tegemoetkoming in de herscholingskosten.
CHAPITRE VIIbis. _ (Conseil de la Biologie clinique.)
Art.153. <KB 1991-01-02/39, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-1991> § 1. De herscholingsverstrekkingen zijn, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de door het College van geneesheren-directeurs aanvaarde omscholingsprogramma's, die waarin is voorzien in de overeenkomsten die zijn bedoeld in artikel 12, 7°, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 en onder de daarin vastgestelde voorwaarden of, in de gevallen die niet gedekt zijn door dergelijke overeenkomsten, de kosten van onderzoek ter beroepskeuzevoorlichting, van inschrijving voor de cursussen en de examens, van internaat of van verblijf, van reizen, van verzekeringspremie tegen arbeidsongevallen, van materieel en toerusting die nodig zijn voor de beroepsopleiding.
  § 2. De aanvragen om tegemoetkoming worden ingediend bij het College van geneesheren-directeurs, hetzij door ieder rechthebbende van de verzekering voor geneeskundige verzorging rechtstreeks of door de adviserend geneesheren via hun geneeskundige directie, hetzij door de Geneeskundige raad voor invaliditeit, hetzij door de Dienst voor geneeskundige verzorging.
  § 3. Het College van geneesheren-directeurs behandelt de aanvraag op verslag van de Dienst voor geneeskundige verzorging die vooraf het advies van de adviserend geneesheer inwint.
  § 4. Het College van geneesheren-directeurs kan enquêtes bevelen door verpleegkundigen of alle andere bevoegde personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging en de adviserend geneesheer om elke bijkomende inlichting verzoeken.
  § 5. Het College van geneesheren-directeurs stelt voor elk geval een scholingsprogramma vast dat met name de aard van de vereiste prestaties behelst, de inrichting en de andere plaatsvereisten welke zijn bepaald ter uitvoering van dat programma, alsmede de duur ervan. Dat programma wordt bezorgd aan de verzekeringsinstelling die de uitvoering ervan ten laste neemt.
  § 6. Het College van geneesheren-directeurs kan beslissen de rechthebbende, binnen het bestek van de door hem vastgestelde herscholingsprogramma's, renteloze leningen toe te staan ten einde de reclassering van de betrokkenen voor een bedrijvigheid die hij voor eigen rekening zal uitoefenen, mogelijk te maken of te bespoedigen.
  Het College bepaalt voor elk geval de regelen voor het terugbetalen van die leningen.
  De bedragen van die leningen en van de desbetreffende terugbetalingen worden ingeschreven op de in artikel 12, 2°, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde begroting en rekeningen.
Art. 153. <AR 1991-01-02/39, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-1991> § 1. Les prestations de rééducation professionnelle sont, dans les conditions définies par les programmes de rééducation admis par le Collège des médecins-directeurs, celles prévues aux conventions visées à l'article 12, 7°, de la loi du 9 août 1963 susvisée et aux conditions qui y sont fixées ou, dans les cas non couverts par de telles conventions, les frais d'examens d'orientation professionnelle, d'inscription aux cours et aux examens, d'internat ou de séjour, de voyage, de prime d'assurance contre les accidents de travail, de matériels et d'équipement nécessaires à la formation professionnelle.
  § 2. Les demandes d'intervention sont introduites auprès du Collège des médecins-directeurs, soit par tout bénéficiaire de l'assurance soins de santé directement ou par les médecins-conseil par l'intermédiaire de leur direction médicale, soit par le Conseil médical de l'invalidité, soit par le Service des soins de santé.
  § 3. Le Collège des médecins-directeurs procède à l'examen de la demande sur rapport du Service des soins de santé, qui recueille préalablement l'avis du médecin-conseil.
  § 4. Le Collège des médecins-directeurs peut ordonner des enquêtes par des infirmières ou tous autres agents qualifiés du Service des soins de santé et demander toute information complémentaire au médecin-conseil.
  § 5. Le Collège des médecins-directeurs détermine pour chaque cas un programme de rééducation comportant notamment la nature des prestations nécessaires, l'établissement et les autres conditions de lieu, pour la réalisation de ce programme ainsi que sa durée. Ce programme est transmis à l'organisme assureur qui prend en charge son exécution.
  § 6. Le Collège des médecins-directeurs peut décider d'accorder au bénéficiaire, dans le cadre des programmes de rééducation qu'il arrête, des prêts sans intérêts en vue de permettre ou d'accélérer le reclassement de l'intéressé dans une activité qu'il exercera pour son compte personnel.
  Le Collège fixe, pour chaque cas, les modalités de remboursement de ces prêts.
  Les montants de ces prêts et remboursements y afférents sont inscrits aux budget et comptes visés à l'article 12, 2°, de la loi du 9 août 1963 susvisée.
HOOFDSTUK VIIbis. - (Raad voor klinische biologie.)
CHAPITRE VIIbis. _ (Conseil de la Biologie clinique.)
CHAPITRE VIIter. <AR 1991-04-10/34, art. 1, 090; En vigueur : 01-04-1991> - De l'intervention pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière et du Collège national des médecins-conseil.
HOOFDSTUK VIIter. - De tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven en het Nationaal college van adviserend geneesheren.
Section 1. - De l'intervention pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière.
Afdeling 1. - De tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven.
Art. 153decies. § 1. Les prestations visées à l'article 23, 12°, de la loi du 9 août 1963 susvisée comprennent :
Art. 153decies. <KB 1991-04-10/34, art. 1, 090; Inwerkingtreding : 01-04-1991> § 1. De verstrekkingen, bedoeld in artikel 23, 12°, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, omvatten :
  1° de verzorging verleend door verpleegkundigen;
  2° de kinesitherapieverstrekkingen verleend door de daartoe bevoegde verzorgingsverstrekkers;
  3° de logopedieverstrekkingen verleend door de daartoe bevoegde verzorgingsverstrekkers;
  4° de bijstand in de handelingen van het dagelijks leven en elke handeling tot reactivatie, revalidatie en sociale reïntegratie, inclusief de ergotherapie;
  5° het verzorgingsmateriaal in rust- en verzorgingstehuizen, met name : de ontsmettingsmiddelen, de verbanden, de steriele compressen, de ether en het injectiematerieel;
  6° de geneeskundige verstrekkingen verleend door psychiaters en neuropsychiaters in psychiatrische verzorgingstehuizen.
  § 2. De verstrekkingen, bedoeld in artikel 23, 13°, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, omvatten :
  1° de verzorging verleend door verpleegkundigen;
  2° de logopedieverstrekkingen verleend door de daartoe bevoegde verzorgingsverstrekkers;
  3° de bijstand in de handelingen van het dagelijks leven en elke handeling tot reactivatie, revalidatie en sociale reïntegratie, inclusief de ergotherapie;
  4° het verzorgingsmateriaal, met name : de ontsmettingsmiddelen, de verbanden, de steriele compressen, de ether en het injectiematerieel.
  § 3. De tussenkomst van de ziekteverzekering voor de in artikel 23, 12° en 13°, van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, bedoelde verstrekkingen, bestaat uit een dagelijkse tegemoetkoming die tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt genoemd.
Art. 153undecies. <AR 1992-05-19/31, art. 1, 100; En vigueur : 01-04-1992> En ce qui concerne les maisons de repos et de soins, l'allocation visée à l'article 153decies, § 3, est accordée au bénéficiaire qui :
  1° ne nécessite plus de surveillance médicale journalière, ni de traitement médical spécialisé permanent, mais qui d'autre part est fortement tributaire à la fois de soins et de l'assistance de tierces personnes pour les actes essentiels de la vie journalière;
  2° est soigné par un service ou est admis dans une institution agréée en application de l'article 5 de la loi du 27 juin 1978 modifiant la législation sur les hôpitaux et relative à certaines autres formes de soins et qui a conclu une convention visée à l'article 31bis de la loi du 9 août 1963 susvisée.
  Jusqu'à la date déterminée par le Roi en exécution de l'article 5, § 4, 1er alinéa, de la loi précitée du 27 juin 1978, les institutions, à l'exception de celles qui en sont exemptées par l'arrêté d'exécution, doivent en outre fournir la preuve visée à l'article 5, § 4, 2e alinéa, de la même loi;
  3° satisfait aux critères d'une des catégories de dépendance suivantes :
  - catégorie B : y sont classés les bénéficiaires qui :
  - sont dépendants physiquement :
  ils sont dépendants pour se laver et s'habiller et ils sont dépendants pour se déplacer et/ou aller à la toilette;
  - sont dépendants psychiquement :
  ils sont désorientés dans le temps et dans l'espace et ils sont dépendants pour se laver et/ou s'habiller;
  - catégorie C : y sont classés les bénéficiaires qui :
  - sont dépendants physiquement :
  ils sont dépendants pour se laver et s'habiller, ils sont dépendants pour se déplacer et aller à la toilette et ils sont dépendants pour incontinence et/ou pour manger;
  - sont dépendants psychiquement :
  ils sont désorientés dans le temps et dans l'espace, ils sont dépendants pour se laver et s'habiller, ils sont dépendants pour incontinence, et ils sont dépendants pour se déplacer et/ou pour aller à la toilette et/ou pour manger.
Art. 153undecies. <KB 1992-05-19/31, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 01-04-1992> De tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 153decies, § 3, wat de rust- en verzorgingstehuizen betreft, wordt toegekend aan de rechthebbende die :
  1° geen dagelijks medisch toezicht en geen permanente specialistische medische verzorging meer behoeft, maar anderzijds in sterke mate aangewezen is en op verzorging en op bijstand van derde personen bij de essentiële handelingen van het dagelijks leven;
  2° verzorgd wordt door een dienst of is opgenomen in een instelling die erkend is met toepassing van artikel 5 van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging en die een overeenkomst bedoeld bij artikel 31bis van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 heeft afgesloten.
  Tot de door de Koning in uitvoering van artikel 5, § 4, eerste lid, van de vorenbedoelde wet van 27 juni 1978 bepaalde datum moeten de instellingen, met uitzondering van de instellingen, die hiervan door het uitvoeringsbesluit worden vrijgesteld, bovendien het in artikel 5, § 4, tweede lid, van dezelfde wet bedoeld bewijs leveren;
  3° beantwoordt aan de criteria van één van de hierna vermelde afhankelijkheidscategorieën :
  - categorie B : daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die :
  - fysisch afhankelijk zijn :
  zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk om zich te verplaatsen en/of naar het toilet te gaan;
  - psychisch afhankelijk zijn :
  zij zijn gedesoriënteerd in tijd én ruimte, én zij zijn afhankelijk om zich te wassen en/of te kleden;
  - Categorie C : daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die :
  - fysisch afhankelijk zijn :
  zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk om zich te verplaatsen en naar het toilet te gaan, én zij zijn afhankelijk wegens incontinentie en/of om te eten;
  - psychisch afhankelijk zijn :
  zij zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte, én zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk wegens incontinentie, én zij zijn afhankelijk om zich te verplaatsen en/of om naar het toilet te gaan en/of om te eten.
Art. 153duodecies. <AR 1991-04-10/34, art. 1, 090; En vigueur : 01-04-1991> En ce qui concerne les maisons de soins psychiatriques, l'allocation visée à l'article 153decies, § 3, est accordée au bénéficiaire qui
  1° est fortement tributaire à la fois de soins et de l'assistance de tierces personnes pour les actes essentiels de la vie journalière;
  2° satisfait à un des critères suivants pour être admis dans une maison de soins psychiatriques :
  - soit être patient psychiatrique présentant un trouble psychiatrique chronique stabilisé, étant entendu qu'il :
  - ne requiert pas de traitement hospitalier;
  - n'entre pas en ligne de compte pour une admission en maison de repos et de soins étant donné son état psychiatrique;
  - n'entre pas en ligne de compte pour l'habitation protégée;
  - ne nécessite pas une surveillance psychiatrique non interrompue;
  - nécessite un accompagnement continu;
  - soit être handicapé mental, étant entendu qu'il
  - ne requiert pas de traitement hospitalier;
  - n'entre pas en ligne de compte pour l'habitation protégée;
  - n'entre pas en ligne de compte pour une admission dans une institution médico-pédagogique;
  - ne nécessite pas une surveillance psychiatrique non interrompue;
  - nécessite un accompagnement continu;
  3° est soigné par un service ou est admis dans une institution agréée en application de l'article 5 de la loi du 27 juin 1978 modifiant la législation sur les hôpitaux et relative à certaines autres formes de soins et qui a conclu une convention visée à l'article 31bis de la loi du 9 août 1963 susvisée.
  Jusqu'a la date déterminée par le Roi en exécution de l'article 5, § 4, 1er alinéa, de la loi précitée du 27 juin 1978, les institutions, à l'exception de celles qui en sont exemptées par l'arrêté d'exécution, doivent en outre fournir la preuve visée à l'article 5, § 4, 2e alinéa, de la même loi.
Art. 153duodecies. <KB 1991-04-10/34, art. 1, 090; Inwerkingtreding : 01-04-1991> De tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 153decies, § 3, wat de psychiatrische verzorgingstehuizen betreft wordt toegekend aan de rechthebbende die
  1° in sterke mate aangewezen is én op verzorging, én op bijstand van derde personen bij de essentiële handelingen van het dagelijks leven;
  2° voldoet aan één van de volgende criteria voor opname in een psychiatrisch verzorgingstehuis :
  - hetzij psychiatrische patiënt zijn met een langdurig gestabiliseerde psychiatrische stoornis met dien verstande dat hij :
  - geen ziekenhuisbehandeling vergt;
  - niet in aanmerking komt voor opname in een rust- en verzorgingstehuis omwille van zijn psychiatrische toestand;
  - niet in aanmerking komt voor beschut wonen;
  - geen nood heeft aan een ononderbroken psychiatrisch toezicht;
  - nood heeft aan een continue begeleiding;
  - hetzij mentaal gehandicapt zijn met dien verstande dat hij
  - geen ziekenhuisbehandeling vergt;
  - niet in aanmerking komt voor beschut wonen;
  - niet in aanmerking komt voor opname in een medisch-pedagogische instelling;
  - geen nood heeft aan een ononderbroken psychiatrisch toezicht;
  - nood heeft aan een continue begeleiding;
  3° verzorgd wordt door een dienst of opgenomen is in een instelling die erkend is met toepassing van artikel 5 van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging en die een overeenkomst bedoeld bij artikel 31bis van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 heeft afgesloten.
  Tot de door de Koning in uitvoering van artikel 5, § 4, eerste lid, van de vorenbedoelde wet van 27 juni 1978 bepaalde datum moeten de instellingen, met uitzondering van de instellingen die hiervan door het uitvoeringsbesluit worden vrijgesteld, bovendien het in artikel 5, § 4, tweede lid, van dezelfde wet bedoeld bewijs leveren.
Art. 153undecies. <AR 1992-05-19/31, art. 1, 100; En vigueur : 01-04-1992> En ce qui concerne les maisons de repos et de soins, l'allocation visée à l'article 153decies, § 3, est accordée au bénéficiaire qui :
  1° ne nécessite plus de surveillance médicale journalière, ni de traitement médical spécialisé permanent, mais qui d'autre part est fortement tributaire à la fois de soins et de l'assistance de tierces personnes pour les actes essentiels de la vie journalière;
  2° est soigné par un service ou est admis dans une institution agréée en application de l'article 5 de la loi du 27 juin 1978 modifiant la législation sur les hôpitaux et relative à certaines autres formes de soins et qui a conclu une convention visée à l'article 31bis de la loi du 9 août 1963 susvisée.
  Jusqu'à la date déterminée par le Roi en exécution de l'article 5, § 4, 1er alinéa, de la loi précitée du 27 juin 1978, les institutions, à l'exception de celles qui en sont exemptées par l'arrêté d'exécution, doivent en outre fournir la preuve visée à l'article 5, § 4, 2e alinéa, de la même loi;
  3° satisfait aux critères d'une des catégories de dépendance suivantes :
  - catégorie B : y sont classés les bénéficiaires qui :
  - sont dépendants physiquement :
  ils sont dépendants pour se laver et s'habiller et ils sont dépendants pour se déplacer et/ou aller à la toilette;
  - sont dépendants psychiquement :
  ils sont désorientés dans le temps et dans l'espace et ils sont dépendants pour se laver et/ou s'habiller;
  - catégorie C : y sont classés les bénéficiaires qui :
  - sont dépendants physiquement :
  ils sont dépendants pour se laver et s'habiller, ils sont dépendants pour se déplacer et aller à la toilette et ils sont dépendants pour incontinence et/ou pour manger;
  - sont dépendants psychiquement :
  ils sont désorientés dans le temps et dans l'espace, ils sont dépendants pour se laver et s'habiller, ils sont dépendants pour incontinence, et ils sont dépendants pour se déplacer et/ou pour aller à la toilette et/ou pour manger.
Art. 153terdecies. <KB 1992-05-19/31, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 01-04-1992> De tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 153decies, § 3, wat de inrichtingen betreft zoals bedoeld in artikel 23, 13°, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 wordt toegekend aan de rechthebbende die beantwoordt aan de criteria van één van de hiernavermelde categorieën van zorgenbehoevendheid :
  - categorie O : daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die fysisch volledig onafhankelijk zijn en niet dement zijn;
  - categorie A : daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die :
  - fysisch afhankelijk zijn :
  zij zijn afhankelijk om zich te wassen en/of te kleden;
  - psychisch afhankelijk zijn :
  zij zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte, én zijn fysisch volledig onafhankelijk;
  - categorie B : daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die :
  - fysisch afhankelijk zijn :
  zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk om zich te verplaatsen en/of naar het toilet te gaan;
  - psychisch afhankelijk zijn :
  zij zijn gedesoriënteerd in tijd én ruimte, én zij zijn afhankelijk om zich te wassen en/of te kleden;
  - categorie C : daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die :
  - fysisch afhankelijk zijn :
  zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk om zich te verplaatsen en naar het toilet te gaan, én zij zijn afhankelijk wegens incontinentie en/of om te eten;
  - psychisch afhankelijk zijn :
  zij zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte, én zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk wegens incontinentie, en zij zijn afhankelijk om zich te verplaatsen en/of om naar het toilet te gaan en/of om te eten.
Art. 153quaterdecies. <AR 1991-04-10/34, art. 1, 090; En vigueur : 01-04-1991> § 1. Pour l'application des dispositions des articles 153undecies et 153terdecies, un bénéficiaire est considéré comme dépendant physiquement lorsqu'il obtient un score de " 3 " ou " 4 " pour le critère concerné énoncé ci-dessous.
  a) Dépendance pour se laver :
  (1) peut complètement se laver sans aucune aide;
  (2) a besoin d'une aide partielle pour se laver sous la ceinture;
  (3) a besoin d'une aide partielle pour se laver tant au-dessus qu'en dessous de la ceinture;
  (4) doit être entièrement aidé pour se laver tant au-dessus qu'en dessous de la ceinture.
  b) Dépendance pour s'habiller :
  (1) peut complètement s'habiller et se déshabiller sans aucune aide;
  (2) a besoin d'une aide partielle pour s'habiller sous la ceinture (sans tenir compte des lacets);
  (3) a besoin d'une aide partielle pour s'habiller tant au-dessus qu'en dessous de la ceinture;
  (4) doit être entièrement aidé pour s'habiller tant au-dessus qu'en dessous de la ceinture.
  c) Dépendance pour se déplacer :
  (1) peut se lever et se déplacer de façon entièrement indépendante, sans aide mécanique, ni aide de tiers;
  (2) peut se lever de sa chaise ou de son lit de façon indépendante, mais utilise des auxiliaires mécaniques pour se déplacer de façon autonome (béquilles, chaise roulante);
  (3) a absolument besoin de l'aide de tiers pour se lever et se déplacer;
  (4) est grabataire ou en chaise roulante et dépend entièrement des autres pour se déplacer.
  d) Dépendance pour aller à la toilette :
  (1) peut aller seul à la toilette ou s'essuyer;
  (2) a besoin de l'aide partielle de tiers pour aller à la toilette ou s'essuyer;
  (3) doit être entièrement aide pour aller à la toilette ou s'essuyer;
  (4) ne peut aller à la toilette ni sur une chaise percée.
  e) Dépendance pour incontinence (urines/selles) :
  (1) est continent pour les urines et les selles;
  (2) est incontinent accidentellement pour les urines ou les selles (sonde vésicale ou anus artificiel compris);
  (3) est incontinent pour les urines (y compris exercices de miction);
  (4) est incontinent pour les urines et les selles.
  f) Dépendance pour manger :
  (1) peut manger et boire seul;
  (2) a besoin d'une aide préalable pour manger ou boire;
  (3) a besoin d'une aide partielle pendant qu'il mange ou boit;
  (4) le patient est totalement dépendant pour manger et boire.
  § 2. Pour l'application des dispositions des articles 153undecies et 153terdecies un bénéficiaire est considéré comme dépendant psychiquement lorsqu'il obtient un score de " 3 ", " 4 " ou " 5 " pour le critère concerné énoncé ci-dessous.
  a) Orientation dans le temps :
  (1) pas de problème;
  (2) de temps en temps, rarement des problèmes;
  (3) des problèmes presque chaque jour;
  (4) totalement désorienté;
  (5) impossible à évaluer vu l'évolution très avancée.
  b) Orientation dans l'espace :
  (1) pas de problème;
  (2) de temps en temps, rarement des problèmes;
  (3) des problèmes presque chaque jour;
  (4) totalement désorienté;
  (5) impossible à évaluer vu l'évolution très avancée.
Art. 153quaterdecies. <KB 1991-04-10/34, art. 1, 090; Inwerkingtreding : 01-04-1991> § 1. Voor de toepassing van de in artikelen 153undecies en 153terdecies bedoelde bepalingen wordt een rechthebbende als fysisch afhankelijk beschouwd als hij " 3 " of " 4 " scoort voor het desbetreffend criterium, zoals hierna vermeld.
  a) Afhankelijkheid om zich te wassen :
  (1) kan zichzelf helemaal wassen zonder enige hulp;
  (2) heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te wassen onder de gordel;
  (3) heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te wassen zowel boven als onder de gordel;
  (4) moet volledig geholpen worden om zich te wassen zowel boven als onder de gordel.
  b) Afhankelijkheid om zich te kleden :
  (1) kan zich helemaal aan- en uitkleden zonder enige hulp;
  (2) heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te kleden onder de gordel (veters uitgezonderd);
  (3) heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te kleden zowel boven als onder de gordel;
  (4) moet volledig geholpen worden om zich te kleden zowel boven als onder de gordel.
  c) Afhankelijkheid om zich te verplaatsen :
  (1) kan volledig zelfstandig opstaan en zich zonder mechanische hulp of hulp van derden verplaatsen;
  (2) kan zelfstandig in en uit een stoel of bed, maar gebruikt mechanische hulpmiddelen om zich zelfstandig te verplaatsen (krukken, rolstoel);
  (3) heeft volstrekt hulp van derden nodig om op te staan en zich te verplaatsen;
  (4) is bedlegerig of zit in een rolstoel en is volledig afhankelijk van anderen om zich te verplaatsen.
  d) Afhankelijkheid om naar het toilet te gaan :
  (1) kan alleen naar het toilet gaan of zich reinigen;
  (2) heeft gedeeltelijk hulp van derden nodig om naar het toilet te gaan of zich te reinigen;
  (3) moet volledig worden geholpen om naar het toilet te gaan of zich te reinigen;
  (4) kan niet naar het toilet gaan en evenmin op de toiletstoel.
  e) Afhankelijkheid wegens incontinentie (urine/faeces) :
  (1) is continent voor urine en faeces;
  (2) is accidenteel incontinent voor urine of faeces (inclusief blaassonde of kunstaars);
  (3) is incontinent voor urine (mictietraining inclusief);
  (4) is incontinent voor urine en faeces.
  f) Afhankelijkheid om te eten :
  (1) kan alleen eten en drinken;
  (2) heeft vooraf hulp nodig om te eten of te drinken;
  (3) heeft gedeeltelijke hulp nodig tijdens het eten of drinken;
  (4) de patiënt wordt gevoed.
  § 2. Voor de toepassing van de in artikelen 153undecies, en 153terdecies bedoelde bepalingen wordt een rechthebbende als psychisch afhankelijk beschouwd als hij " 3 ", " 4 " of " 5 " scoort voor het desbetreffende criterium, zoals hierna vermeld.
  a) Oriëntatie in de tijd :
  (1) geen probleem;
  (2) nu en dan, zelden probleem;
  (3) bijna elke dag probleem;
  (4) volledig gedesoriënteerd;
  (5) niet meer te testen omwille van zijn gevorderde toestand.
  b) Oriëntatie van plaats :
  (1) geen probleem;
  (2) nu en dan, zelden probleem;
  (3) bijna elke dag probleem;
  (4) volledig gedesoriënteerd;
  (5) niet meer te testen omwille van zijn gevorderde toestand.
Art. 153quindecies. <AR 1991-04-10/34, art. 1, 090; En vigueur : 01-04-1991> § 1. Pour le bénéficiaire admis dans une maison de soins psychiatriques, la demande d'obtention d'une allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est introduite dans les trois jours ouvrables suivant la date d'admission par le service ou institution responsable des soins, auprès de l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit. Le cachet de la poste fait foi pour la date de la demande.
  Cette demande doit être accompagnée d'un certificat médical établi par le médecin traitant, d'où il ressort que le bénéficiaire remplit les critères visés à l'article 153duodecies et d'une attestation d'un service ou d'une institution visés à l'article 23, 12°, de la loi du 9 août 1963 susvisée d'où il ressort que celui-ci est responsable des soins dispensés au bénéficiaire.
  La demande est introduite au moyen d'un formulaire établi par le Comité de gestion du Service des soins de santé sur proposition de la commission permanente visée à l'article 31bis.
  § 2. Pour le bénéficiaire admis dans une maison de repos et de soins ou dans une institution visée à l'article 23, 13°, de la loi du 9 août 1963 susvisée et qui satisfait au critère de la catégorie de dépendance O visée aux articles 153undecies et 153terdecies, une notification est envoyée dans les (sept jours) suivant la date d'admission par le service ou institution responsable des soins à l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit. Le cachet de la poste fait foi pour la date de la demande. <AR 1996-04-23/34, art. 1, 140; En vigueur : 22-06-1996>
  Le départ du bénéficiaire de l'institution ou son décès est notifié dans les (sept jours) à l'organisme assureur par l'institution. <AR 1996-04-23/34, art. 1, 140; En vigueur : 22-06-1996>
  Les notifications visées aux premier et deuxième alinéas sont faites au moyen d'un formulaire établi par le Comite de gestion du Service des soins de santé sur proposition de la commission permanente visée à l'article 31.
  § 3. Pour le bénéficiaire admis dans une maison de repos et de soins ou dans une institution visée à l'article 23, 13°, de la loi du 9 août 1963 susvisée et qui satisfait aux critères d'une des catégories de dépendance A, B, ou C, la demande d'obtention d'une allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est introduite dans les (sept jours) suivant la date d'admission par le service ou institution responsable des soins, auprès de l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit. Le cachet de la poste fait foi pour la date de la demande. <AR 1996-04-23/34, art. 1, 140; En vigueur : 22-06-1996>
  La demande doit être accompagnée :
  - d'une échelle d'évaluation qui doit être complétée par le praticien de l'art infirmier qui a eu la possibilité d'observer le bénéficiaire dans l'exécution des actes de la vie journalière ou par le médecin traitant;
  - d'un rapport médical d'où il ressort que le bénéficiaire se trouve dans la situation de dépendance telle que mentionnée dans l'échelle d'évaluation précitée.
  Le départ du bénéficiaire de l'institution ou son décès est notifié dans les (sept jours) à l'organisme assureur par l'institution. <AR 1996-04-23/34, art. 1, 140; En vigueur : 22-06-1996>
  La demande visée au premier alinéa et la notification visée au troisième alinéa sont introduites au moyen d'un formulaire établi par le Comité de gestion du Service des soins de santé sur proposition de la commission permanente visée à l'article 31.
  L'échelle d'évaluation et le rapport visés au deuxième alinéa sont introduits au moyen d'un formulaire établi par le Comité de gestion du Service des soins de santé sur proposition du collège national visé à l'article 153septies decies.
  (§ 4. Les services ou institutions qui hébergent des bénéficiaires classés dans la catégorie de dépendance A, B ou C doivent tenir un dossier de soins par bénéficiaire.
  Ce dossier de soins individuel doit comporter au moins les données suivantes :
  a) le plan de soins et d'assistance dans les actes de la vie journalière, établi par la personne responsable des soins dans l'institution, qui précise la contribution des différentes catégories de personnel prévu pour l'intervention forfaitaire. Ce plan est évalué et adapté au moins une fois par mois en fonction de l'évolution du degré de dépendance par rapport aux soins;
  b) lorsqu'il s'agit de bénéficiaires désorientés dans le temps et dans l'espace, une énumération précise des troubles perturbateurs du comportement :
  1. difficultés d'expression;
  2. dérangement verbal;
  3. perte des notions de bienséance;
  4. comportement agité;
  5. comportement destructeur;
  6. perturbations du comportement nocturne;
  c) pour les actes techniques effectués par le personnel infirmier et paramédical prévu pour l'intervention forfaitaire : les prescriptions médicales, la nature et la fréquence des actes techniques et l'identité de la personne qui les a dispensés.) <AR 1996-04-23/34, art. 1, 140; En vigueur : 22-06-1996>
Art. 153quindecies. <KB 1991-04-10/34, art. 1, 090; Inwerkingtreding : 01-04-1991> § 1. Van de rechthebbende die is opgenomen in een psychiatrisch verzorgingstehuis, wordt de aanvraag tot het verkrijgen van een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, binnen drie werkdagen na de datum van de opneming door de dienst of instelling die instaat voor de verzorging, ingediend bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag.
  Die aanvraag dient vergezeld te zijn van een geneeskundig getuigschrift, opgemaakt door de behandelend geneesheer, waaruit blijkt dat de rechthebbende voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 153duodecies, en van een getuigschrift van een in artikel 23, 12°, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde dienst of instelling, waaruit blijkt dat deze instaat voor de verzorging van de rechthebbende.
  De aanvraag wordt ingediend aan de hand van een formulier dat is opgesteld door het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging op voorstel van de bestendige commissie, bedoeld in artikel 31bis.
  § 2. Voor de rechthebbenden opgenomen in een rust- en verzorgingstehuis of in een inrichting zoals bedoeld in artikel 23, 13°, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, en die beantwoordt aan het criterium van de afhankelijkheidscategorie O bedoeld in de artikelen 153undecies en 153terdecies wordt, binnen de (zeven dagen) volgend op de datum van opneming, door de dienst of inrichting die instaat voor zijn verzorging een kennisgeving gestuurd aan de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag. <KB 1996-04-23/34, art. 1, 140; Inwerkingtreding : 22-06-1996>
  Van het vertrek van de rechthebbende uit de inrichting of zijn overlijden wordt binnen (zeven dagen) door de inrichting kennis gegeven aan de verzekeringsinstelling. <KB 1996-04-23/34, art. 1, 140; Inwerkingtreding : 22-06-1996>
  De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen geschieden met een formulier dat door het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging wordt opgemaakt op voorstel van de in artikel 31 bedoelde bestendige commissie.
  § 3. Voor de rechthebbenden opgenomen in een rust- en verzorgingstehuis of in een inrichting zoals bedoeld in artikel 23, 13°, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, en die beantwoordt aan de criteria van één van de afhankelijkheidscategorieën A, B of C wordt, binnen (zeven dagen) volgend op de datum van opneming, de aanvraag tot verkrijgen van een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven door de dienst of instelling die instaat voor zijn verzorging ingediend bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag. <KB 1996-04-23/34, art. 1, 140; Inwerkingtreding : 22-06-1996>
  De aanvraag dient vergezeld te zijn :
  - van een evaluatieschaal die moet worden ingevuld door de verpleegkundige die de mogelijkheid heeft gehad om de rechthebbende te observeren bij het uitoefenen van de handelingen van het dagelijks leven, of door de behandelend geneesheer;
  - van een medisch verslag waaruit blijkt dat de rechthebbende zich bevindt in de toestand van zorgbehoevendheid zoals vermeld op de hiervoor genoemde evaluatieschaal.
  Van het vertrek van de rechthebbende uit de inrichting of zijn overlijden wordt binnen (zeven dagen) door de inrichting kennis gegeven aan de verzekeringsinstelling. <KB 1996-04-23/34, art. 1, 140; Inwerkingtreding : 22-06-1996>
  De in het eerste lid bedoelde aanvraag en de in het derde lid bedoelde kennisgeving worden ingediend aan de hand van een formulier dat door het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging wordt opgemaakt op voorstel van de in artikel 31 bedoelde bestendige commissie.
  De in het tweede lid bedoelde evaluatieschaal en medisch verslag worden ingediend aan de hand van een formulier dat is opgesteld door het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging op voorstel van het nationaal college, bedoeld in artikel 153septies decies.
  (§ 4. De diensten of inrichtingen die rechthebbenden huisvesten die zijn gerangschikt in de afhankelijkheidscategorieën A, B of C moeten een verzorgingsdossier per rechthebbende bijhouden.
  Dat individueel verzorgingsdossier dient minstens de volgende gegevens te bevatten :
  a) het plan inzake verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, dat wordt opgemaakt door de persoon die in de inrichting verantwoordelijk is voor de verzorging, en die de bijdrage van de verschillende categorieën van personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming, omschrijft. Dat plan wordt op zijn minst één keer per maand geëvalueerd en aangepast in functie van de ontwikkeling van de zorgafhankelijkheid;
  b) in geval het gaat om rechthebbenden die gedesoriënteerd zijn in tijd en ruimte, een preciese opsomming van de verwarrende gedragsstoornissen inzonderheid :
  1. uitdrukkingsmoeilijkheden;
  2. verbaal storend gedrag;
  3. onwelvoeglijk gedrag;
  4. rusteloos gedrag;
  5. destructief gedrag;
  6. verstoord nachtelijk gedrag;
  c) voor de technische handelingen die worden verricht door het verpleegkundig en paramedisch personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming : de geneeskundige voorschriften, de aard en de frequentie van de technische handelingen en de identiteit van degene die ze heeft toegediend.) <KB 1996-04-23/34, art. 1, 140; Inwerkingtreding : 22-06-1996>
Art. 153sedecies. <AR 1991-04-10/34, art. 1, 090; En vigueur : 01-04-1991> § 1. S'il s'agit d'un bénéficiaire admis dans une maison de soins psychiatriques, le médecin-conseil vérifie s'il satisfait aux conditions visées à l'article 153duodecies. A cette fin, il peut soumettre le bénéficiaire à un examen corporel et demander au médecin traitant de lui fournir tous les renseignements médicaux qu'il juge nécessaires.
  Le médecin-conseil notifie sa décision au bénéficiaire, au plus tard le quinzième jour de la réception de la demande. Il envoie en même temps une copie de cette notification à l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilie ou inscrit, au service responsable des soins dispensés au bénéficiaire ou à l'institution où le bénéficiaire est admis.
  En cas d'approbation de la demande, le médecin-conseil fixe la période pour laquelle l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée. Cette période prend cours au plus tôt le jour de l'admission si la demande a été introduite dans les trois jours ouvrables suivant le jour de l'admission. Le cas échéant, une prolongation de cette période peut être demandée selon la procédure décrite à l'article 153quindecies par le service ou l'institution responsable des soins dispensés au bénéficiaire.
  § 2. (S'il s'agit d'un bénéficiaire admis dans une maison de repos et de soins ou dans une institution visée à l'article 34, 12°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, le médecin-conseil fixe la catégorie de dépendance correspondant à la situation du bénéficiaire par référence aux conditions prévues à l'article 153quaterdecies, ainsi que la période pendant laquelle l'intervention pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée. Cette période, qui ne peut excéder une durée d'un an, prend cours au plus tôt le jour de l'admission, si la demande visée à l'article 153quindecies, § 3, a été introduite dans les sept jours suivant le jour de l'admission.
  En cas de non respect de ce délai de sept jours, l'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé prend cours le jour de la réception de la demande susvisée.
  Le médecin-conseil fixe la catégorie de dépendance, soit sur la base de la demande visée à l'article 153quindecies, § 3, soit après un examen physique, soit sur la base d'un rapport établi à cet effet après un examen sur place par un praticien de l'art infirmier mandaté par lui. Le médecin-conseil peut demander au médecin traitant de lui communiquer toute information médicale qu'il juge nécessaire. Le médecin-conseil et le praticien de l'art infirmier qu'il a mandaté peuvent, pour l'exécution de leur mission, consulter le dossier de soins individuel du bénéficiaire visé à l'article 153quindecies, § 4.
  Le cas échéant, une prolongation de la période visée à l'alinéa 1er du présent paragraphe peut être demandée, un mois avant l'expiration de celle-ci, par l'institution assurant les soins au bénéficiaire, selon la procédure décrite à l'article 153quindecies, § 3. Dans ce cas, le médecin-conseil fixe la catégorie de dépendance, correspondant à la situation du bénéficiaire par référence aux conditions prévues à l'article 153quaterdecies, ainsi que la période pendant laquelle l'intervention pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée. Cette période, qui ne peut excéder une durée d'un an, prend cours au plus tôt le jour de l'introduction de la demande de prolongation auprès de l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit. Le cachet de la poste fait foi pour la date de demande.
  Pendant les périodes susvisées, une demande de révision de la décision du médecin-conseil doit être introduite selon la même procédure lorsque la situation du bénéficiaire évolue de telle sorte qu'une autre catégorie de dépendance pourrait être prise en considération. Dans ce cas, le médecin-conseil fixe la catégorie de dépendance, correspondant à la situation du bénéficiaire par référence aux conditions prévues à l'article 153quaterdecies, ainsi que la période pendant laquelle l'intervention pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée. Cette période, qui ne peut excéder une durée d'un an, prend cours au plus tôt le jour de l'introduction de la demande de révision auprès de l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit. Le cachet de la poste fait foi pour la date de demande.
  Toutefois, si la décision du médecin-conseil ne correspond pas à la demande visée à l'article 153quindecies, § 3, une demande de révision de cette décision pour aggravation du degré de dépendance ne peut être introduite que six mois au moins après la date de la dernière décision du médecin-conseil, sauf en cas d'une indication médicale ou relative à l'art infirmier étayée par un rapport circonstancié du médecin traitant.
  Le médecin-conseil notifie sa décision au bénéficiaire, au plus tard le quinzième jour de la réception de la demande. Il envoie en même temps une copie de cette notification à l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit et à l'institution où le bénéficiaire est admis.
  Le médecin-conseil peut modifier sa décision à tout moment. Cette nouvelle décision doit être motivée et ne peut avoir d'effet rétroactif.) <AR 1996-04-23/34, art. 2, 140; En vigueur : 22-06-1996>
  § 3. Par dérogation aux dispositions du paragraphe précédent, si le service ou l'institution visée à l'(article 23, 12° et 13§) , de la loi du 9 août 1963 susvisée responsable des soins dispensés au bénéficiaire est agréé avec effet rétroactif, le médecin-conseil peut, pour autant que la demande visée à l'article 153quindecies ait été introduite dans les trente jours suivant la date de la signature de l'adhésion du service ou de l'institution à la convention visée à l'article 31bis de la loi du 9 août 1963 précitée, faire débuter la période pour laquelle l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée, avec effet rétroactif à une date qui ne peut cependant être antérieure à celle de la prise en cours de l'adhésion du service ou de l'institution à la convention précitée. <AR 1992-05-19/31, art. 3, 100; En vigueur : 01-04-1992>
Art. 153sedecies. <KB 1991-04-10/34, art. 1, 090; Inwerkingtreding : 01-04-1991> § 1. Als het gaat om een rechthebbende die is opgenomen in een psychiatrisch verzorgingstehuis, gaat de adviserend geneesheer na of hij de in artikel 153duodecies vermelde voorwaarden vervult. Daartoe kan hij de rechthebbende onderwerpen aan een lichamelijk onderzoek en de behandelende geneesheer vragen hem alle medische informatie te verstrekken die hij nodig acht.
  De adviserend geneesheer geeft de rechthebbende uiterlijk de vijftiende dag na ontvangst van de aanvraag kennis van zijn beslissing. Hij zendt terzelfdertijd een afschrift van die kennisgeving aan de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven en aan de dienst die instaat voor de verzorging van de rechthebbende of de instelling waarin de rechthebbende is opgenomen.
  Ingeval hij de aanvraag goedkeurt, stelt de adviserend geneesheer de periode vast waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend. Die periode gaat ten vroegste in op de dag van de opneming als de aanvraag binnen drie werkdagen na de dag van de opneming is ingediend. In voorkomend geval kan een verlenging van die periode worden aangevraagd door de dienst of de instelling die instaat voor de verzorging van de rechthebbende, volgens de in artikel 153quindecies beschreven procedure.
  § 2. (Als het gaat om een rechthebbende die is opgenomen in een rust- en verzorgingstehuis of in een in artikel 34, 12°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bedoelde inrichting, stelt de adviserend geneesheer de afhankelijkheidscategorie die overeenstemt met de toestand van de rechthebbende, vast, rekening houdende met de in artikel 153quaterdecies bepaalde voorwaarden, alsmede de periode tijdens welke de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend. Die periode, die niet langer dan één jaar mag duren, gaat ten vroegste in de dag van de opneming als de in artikel 153quindecies, § 3, bedoelde aanvraag binnen zeven dagen na de dag van de opneming is ingediend.
  Als die termijn van zeven dagen niet in acht wordt genomen, gaat de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging in, de dag van ontvangst van de voormelde aanvraag.
  De adviserend geneesheer stelt de afhankelijkheidscategorie vast, hetzij op basis van de in artikel 153quindecies, § 3, bedoelde aanvraag, hetzij na een lichamelijk onderzoek, hetzij op basis van een verslag, daartoe opgesteld door een door hem gemandateerde verpleegkundige na een onderzoek ter plaatse. De adviserend geneesheer kan de behandelende geneesheer vragen hem alle medische informatie te verstrekken die hij nodig acht. De adviserend geneesheer en de door hem gemandateerde verpleegkundige kunnen het in artikel 153quindecies, § 4, bedoelde individueel verzorgingsdossier van de rechthebbende bij het uitvoeren van hun opdracht raadplegen.
  In voorkomend geval kan, een maand vóór het verstrijken van de instemming, een verlenging van de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde periode worden aangevraagd door de instelling die instaat voor de verzorging van de rechthebbende, volgens de in artikel 153quindecies, § 3, beschreven procedure. In dat geval stelt de adviserend geneesheer de afhankelijkheidscategorie die overeenstemt met de toestand van de rechthebbende, vast, rekening houdende met de in artikel 153quaterdecies bepaalde voorwaarden, alsmede de periode tijdens welke de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend. Die periode, die niet langer dan één jaar mag duren, gaat ten vroegste in de dag van de indiening van de aanvraag om verlenging bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven. Het poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag.
  Tijdens de voormelde periodes moet volgens dezelfde procedure een aanvraag om herziening van de beslissing van de adviserend geneesheer worden ingediend als de situatie van de rechthebbende zo evolueert dat een andere afhankelijkheidscategorie in overweging zou kunnen worden genomen. In dat geval stelt de adviserend geneesheer de afhankelijkheidscategorie die overeenstemt met de toestand van de rechthebbende, vast, rekening houdende met de in artikel 153quaterdecies bepaalde voorwaarden, alsmede de periode tijdens welke de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend. Die periode, die niet langer dan één jaar mag duren, gaat ten vroegste in de dag van de indiening van de aanvraag om herziening bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven. Het poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag.
  Als de beslissing van de adviserend geneesheer niet overeenstemt met de in artikel 153quindecies, § 3, bedoelde aanvraag, kan een aanvraag om herziening van die beslissing wegens een verergering van de afhankelijkheidsgraad evenwel pas worden ingediend ten minste zes maanden na de datum van de laatste beslissing van de adviserend geneesheer, behalve in geval van een medische of verpleegkundige indicatie die wordt gestaafd door een omstandig verslag van de behandelend geneesheer.
  De adviserend geneesheer stelt de rechthebbende uiterlijk de vijftiende dag na ontvangst van de aanvraag in kennis van zijn beslissing. Hij zendt terzelfdertijd een afschrift van deze kennisgeving aan de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven en aan de inrichting waarin de rechthebbende is opgenomen.
  De adviserend geneesheer kan te allen tijde zijn beslissing herzien. Die nieuwe beslissing moet gemotiveerd zijn en kan geen terugwerkende kracht hebben.) <KB 1996-04-23/34, art. 2, 140; Inwerkingtreding : 22-06-1996>
  § 3. Indien de dienst of inrichting zoals bedoeld in (artikel 23, 12° en 13°,) van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 die instaat voor de verzorging van de rechthebbende, erkend wordt met terugwerkende kracht, kan de adviserend geneesheer, voor zover de in artikel 153quindecies bedoelde aanvraag werd ingediend binnen de dertig dagen na de datum waarop de dienst of instelling zijn toetreding tot de in artikel 31bis van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde overeenkomst ondertekend heeft, afwijkend van de bepalingen van het vorige lid, de periode waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend met terugwerkende kracht laten ingaan op een datum die evenwel niet mag voorafgaan aan de datum waarop de toetreding van de dienst of instelling tot de vorenbedoelde overeenkomst van kracht wordt. <KB 1992-05-19/31, art. 3, 100; Inwerkingtreding : 01-04-1992>
Art. 153quindecies. <AR 1991-04-10/34, art. 1, 090; En vigueur : 01-04-1991> § 1. Pour le bénéficiaire admis dans une maison de soins psychiatriques, la demande d'obtention d'une allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est introduite dans les trois jours ouvrables suivant la date d'admission par le service ou institution responsable des soins, auprès de l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit. Le cachet de la poste fait foi pour la date de la demande.
  Cette demande doit être accompagnée d'un certificat médical établi par le médecin traitant, d'où il ressort que le bénéficiaire remplit les critères visés à l'article 153duodecies et d'une attestation d'un service ou d'une institution visés à l'article 23, 12°, de la loi du 9 août 1963 susvisée d'où il ressort que celui-ci est responsable des soins dispensés au bénéficiaire.
  La demande est introduite au moyen d'un formulaire établi par le Comité de gestion du Service des soins de santé sur proposition de la commission permanente visée à l'article 31bis.
  § 2. Pour le bénéficiaire admis dans une maison de repos et de soins ou dans une institution visée à l'article 23, 13°, de la loi du 9 août 1963 susvisée et qui satisfait au critère de la catégorie de dépendance O visée aux articles 153undecies et 153terdecies, une notification est envoyée dans les (sept jours) suivant la date d'admission par le service ou institution responsable des soins à l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit. Le cachet de la poste fait foi pour la date de la demande. <AR 1996-04-23/34, art. 1, 140; En vigueur : 22-06-1996>
  Le départ du bénéficiaire de l'institution ou son décès est notifié dans les (sept jours) à l'organisme assureur par l'institution. <AR 1996-04-23/34, art. 1, 140; En vigueur : 22-06-1996>
  Les notifications visées aux premier et deuxième alinéas sont faites au moyen d'un formulaire établi par le Comite de gestion du Service des soins de santé sur proposition de la commission permanente visée à l'article 31.
  § 3. Pour le bénéficiaire admis dans une maison de repos et de soins ou dans une institution visée à l'article 23, 13°, de la loi du 9 août 1963 susvisée et qui satisfait aux critères d'une des catégories de dépendance A, B, ou C, la demande d'obtention d'une allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est introduite dans les (sept jours) suivant la date d'admission par le service ou institution responsable des soins, auprès de l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit. Le cachet de la poste fait foi pour la date de la demande. <AR 1996-04-23/34, art. 1, 140; En vigueur : 22-06-1996>
  La demande doit être accompagnée :
  - d'une échelle d'évaluation qui doit être complétée par le praticien de l'art infirmier qui a eu la possibilité d'observer le bénéficiaire dans l'exécution des actes de la vie journalière ou par le médecin traitant;
  - d'un rapport médical d'où il ressort que le bénéficiaire se trouve dans la situation de dépendance telle que mentionnée dans l'échelle d'évaluation précitée.
  Le départ du bénéficiaire de l'institution ou son décès est notifié dans les (sept jours) à l'organisme assureur par l'institution. <AR 1996-04-23/34, art. 1, 140; En vigueur : 22-06-1996>
  La demande visée au premier alinéa et la notification visée au troisième alinéa sont introduites au moyen d'un formulaire établi par le Comité de gestion du Service des soins de santé sur proposition de la commission permanente visée à l'article 31.
  L'échelle d'évaluation et le rapport visés au deuxième alinéa sont introduits au moyen d'un formulaire établi par le Comité de gestion du Service des soins de santé sur proposition du collège national visé à l'article 153septies decies.
  (§ 4. Les services ou institutions qui hébergent des bénéficiaires classés dans la catégorie de dépendance A, B ou C doivent tenir un dossier de soins par bénéficiaire.
  Ce dossier de soins individuel doit comporter au moins les données suivantes :
  a) le plan de soins et d'assistance dans les actes de la vie journalière, établi par la personne responsable des soins dans l'institution, qui précise la contribution des différentes catégories de personnel prévu pour l'intervention forfaitaire. Ce plan est évalué et adapté au moins une fois par mois en fonction de l'évolution du degré de dépendance par rapport aux soins;
  b) lorsqu'il s'agit de bénéficiaires désorientés dans le temps et dans l'espace, une énumération précise des troubles perturbateurs du comportement :
  1. difficultés d'expression;
  2. dérangement verbal;
  3. perte des notions de bienséance;
  4. comportement agité;
  5. comportement destructeur;
  6. perturbations du comportement nocturne;
  c) pour les actes techniques effectués par le personnel infirmier et paramédical prévu pour l'intervention forfaitaire : les prescriptions médicales, la nature et la fréquence des actes techniques et l'identité de la personne qui les a dispensés.) <AR 1996-04-23/34, art. 1, 140; En vigueur : 22-06-1996>
Afdeling 2. Het Nationaal college van adviserend geneesheren.
Art. 153sedecies. § 1. S'il s'agit d'un bénéficiaire admis dans une maison de soins psychiatriques, le médecin-conseil vérifie s'il satisfait aux conditions visées à l'article 153duodecies. A cette fin, il peut soumettre le bénéficiaire à un examen corporel et demander au médecin traitant de lui fournir tous les renseignements médicaux qu'il juge nécessaires.
Art. 153septiesdecies. <KB 1991-04-10/34, art. 1, 090; Inwerkingtreding : 01-04-1991> Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging wordt een nationaal college van adviserend geneesheren ingesteld. Dat college heeft tot opdracht :
  1° een huishoudelijk reglement op te maken;
  2° de opvolging te verzekeren van de in artikel 153sedecies van dit besluit en in artikel 8, § 8, van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen bedoelde beslissingen van de adviserend geneesheren.
  Daartoe bezorgen de adviserend geneesheren elk kwartaal aan het nationaal college van adviserend geneesheren, via hun medische directie en volgens de door het nationaal college van adviserend geneesheren vastgestelde modaliteiten, de statistische informatie betreffende hun beslissingen.
  Het nationaal college verricht het lichamelijk onderzoek bij de rechthebbenden als het dat nodig acht en wijzigt eventueel de door de adviserend geneesheer genomen beslissing. De beslissing van het nationaal college kan geen terugwerkende kracht hebben. (Zij blijft geldig voor een periode van maximum één jaar. Tijdens de eerste zes maanden volgend op die beslissing mag geen enkele nieuwe aanvraag wegens verergering van de afhankelijkheidsgraad bij de adviserend geneesheer worden ingediend, behalve in geval van een medische of verpleegkundige indicatie die wordt gestaafd door een omstandig verslag van de behandelend geneesheer.) <KB 1996-04-23/34, art. 3, 140; Inwerkingtreding : 22-06-1996>
  (Van die beslissing wordt kennis gegeven aan de rechthebbende, aan de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten of ingeschreven, aan de inrichting waarin hij is opgenomen of aan de verpleegkundige die instaat voor de in het kader van de thuisverpleging vereiste zorg.) <KB 1996-04-23/34, art. 3, 140; Inwerkingtreding : 22-06-1996>
  3° de in artikel 23, 12° en 13°, van de in de wet van 9 augustus 1963 bedoelde diensten en instellingen, met name aan de hand van statistische gegevens die het op zijn verzoek door bedoelde diensten of instellingen zijn bezorgd te controleren op de wijze waarop ze de wettelijke en reglementaire bepalingen met betrekking tot de ziekte- en invaliditeitsverzekering naleven;
  4° het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle in kennis te stellen van elke onregelmatigheid die het bij het uitvoeren van zijn opdracht vaststelt;
  5° de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging jaarlijks verslag uit te brengen van zijn activiteiten.
Art. 153duodevicies. <AR 1991-04-10/34, art. 1, 090; En vigueur : 01-04-1991> Le Collège national des médecins-conseil est composé de douze membres effectifs et de douze membres suppléants, médecins-conseil choisis parmi les candidats proposés par les organismes assureurs sur une liste double de celle des mandats à pourvoir; pour fixer l'importance de la représentation des organismes assureurs, on tient compte de leur effectif respectif; chaque organisme assureur a droit à au moins un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant. Un membre suppléant ne peut siéger qu'en l'absence d'un membre effectif.
  Les membres sont nommés par le Roi.
  Le collège désigne un président parmi ses membres.
  Les membres du collège national des médecins-conseil sont nommés pour 6 ans. Leur mandat est renouvelable par moitié tous les 3 ans. Le mandat de la moitié des membres est renouvelé pour la première fois le 1er janvier 1986 et les membres sortants sont tirés au sort.
  Le mandat des membres sortants est renouvelable.
  Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de chaque membre qui, avant l'expiration normale de son mandat, ne fait plus partie du collège national des médecins-conseil. Le membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
Art. 153duodevicies. <KB 1991-04-10/34, art. 1, 090; Inwerkingtreding : 01-04-1991> Het nationaal college van adviserend geneesheren is samengesteld uit twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden, adviserend geneesheren, gekozen uit kandidaten die in dubbel aantal van dat van de toe te wijzen mandaten door de verzekeringsinstellingen worden voorgedragen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt er rekening gehouden met haar respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft tenminste recht op één mandaat van werkend lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
  De leden worden door de Koning benoemd.
  Het college stelt onder zijn leden een voorzitter aan.
  De leden van het nationaal college van adviserend geneesheren worden benoemd voor zes jaar. Het mandaat loopt om de drie jaar af voor de helft van de leden. Het mandaat van de helft van de leden wordt voor het eerst vernieuwd op 1 januari 1986 en de uittredende leden worden bij loting aangewezen.
  Het mandaat van de uittredende leden kan worden vernieuwd.
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van het nationaal college van adviserend geneesheren. Het aldus aangestelde lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Art. 153septiesdecies. <AR 1991-04-10/34, art. 1, 090; En vigueur : 01-04-1991> Un collège national des médecins-conseil est institué auprès du Service des soins de santé. Ce collège a pour mission :
  1° de rédiger un règlement d'ordre intérieur;
  2° d'assurer le suivi des décisions des médecins-conseil visées à l'article 153sedecies du présent arrêté et à l'article 8, § 8, de l'arrêté royal du 14 septembre 1984 fixant la nomenclature des prestations de soins de santé.
  A cette fin, les médecins-conseil transmettent trimestriellement au collège national des médecins-conseil, par l'intermédiaire de leur direction médicale, les informations statistiques se rapportant à leurs décisions, selon les modalités fixées par le collège national des médecins-conseil.
  Le collège national procède à l'examen corporel des bénéficiaires lorsqu'il l'estime nécessaire et modifie éventuellement la décision prise par le médecin-conseil. La décision du collège national ne peut avoir d'effet rétroactif. (Elle reste valable pendant une période d'un an au maximum. Durant les six premiers mois qui suivent cette décision, aucune nouvelle demande pour aggravation du degré de dépendance ne peut être introduite auprès du médecin-conseil sauf en cas d'une indication médicale ou relative à l'art infirmier étayée par un rapport circonstancié du médecin traitant.) <AR 1996-04-23/34, art. 3, 140; En vigueur : 22-06-1996>
  (Cette décision est notifiée au bénéficiaire, à l'organisme assureur auprès duquel il est affilié ou inscrit et à l'institution où il est admis, ou au praticien de l'art infirmier dispensant les soins nécessaires dans le cadre des soins à domicile.) <AR 1996-04-23/34, art. 3, 140; En vigueur : 22-06-1996>
  3° de contrôler, notamment à l'aide de données statistiques, transmises à sa demande par les services ou institutions visés à l'article 23, 12° et 13°, de la loi du 9 août 1963, de quelle manière ceux-ci observent les dispositions légales et réglementaires concernant l'assurance maladie-invalidité;
  4° d'informer le Comité du Service du contrôle médical de toute irrégularité qu'il constate dans l'exercice de sa mission;
  5° de faire annuellement rapport sur ses activités au fonctionnaire dirigeant du Service des soins de santé.
Art. 153undevicies. <KB 1991-04-10/34, art. 1, 090; Inwerkingtreding : 01-04-1991> Het nationaal college van adviserend geneesheren houdt deugdelijk zitting indien tenminste de helft van de leden aanwezig zijn.
  Alle leden van het nationaal college zijn stemgerechtigd. De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.
  Het nationaal college kan de uitvoering van de opdrachten bedoeld in artikel 153septies decies, 2°, 3° en 4° toevertrouwen aan in zijn schoot opgerichte afdelingen.
  De functies van secretaris en adjunct-secretaris van het nationaal college van adviserend geneesheren worden waargenomen door personeelsleden van de dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van bedoelde dienst.
Art. 153duodevicies. <AR 1991-04-10/34, art. 1, 090; En vigueur : 01-04-1991> Le Collège national des médecins-conseil est composé de douze membres effectifs et de douze membres suppléants, médecins-conseil choisis parmi les candidats proposés par les organismes assureurs sur une liste double de celle des mandats à pourvoir; pour fixer l'importance de la représentation des organismes assureurs, on tient compte de leur effectif respectif; chaque organisme assureur a droit à au moins un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant. Un membre suppléant ne peut siéger qu'en l'absence d'un membre effectif.
  Les membres sont nommés par le Roi.
  Le collège désigne un président parmi ses membres.
  Les membres du collège national des médecins-conseil sont nommés pour 6 ans. Leur mandat est renouvelable par moitié tous les 3 ans. Le mandat de la moitié des membres est renouvelé pour la première fois le 1er janvier 1986 et les membres sortants sont tirés au sort.
  Le mandat des membres sortants est renouvelable.
  Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de chaque membre qui, avant l'expiration normale de son mandat, ne fait plus partie du collège national des médecins-conseil. Le membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
HOOFDSTUK VIIquater. - (De tegemoetkoming voor geneeskundige verzorging naar aanleiding van een bronkuur.)
Art. 153undevicies. Pour pouvoir valablement siéger, le collège national des médecins-conseil doit réunir au moins la moitié des membres.
Art. 153vicies. (Opgeheven)
CHAPITRE VIIquater. - (De l'intervention dans les soins de santé à l'occasion d'une cure thermale.)
HOOFDSTUK VIIquinquies. (Opgeheven.)
Art. 153viciesquinquies. (Abrogé.)
Art. 153viciesquinquies. (Opgeheven.)
Art. 153viciessexies. (Abrogé.)
CHAPITRE VIIsexies. _ (Règles particulières relatives à l'intervention de l'assurance dans les prestations de biologie clinique, effectuées pour les bénéficiaires hospitalisés.)
HOOFDSTUK VIIsexies. _ (Bijzondere regels met betrekking tot de verzekeringstegemoetkoming voor verstrekkingen van klinische biologie aan in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.)
Art. 153triciesSemel. Les prestations de biologie clinique visées aux articles 3, 18, § 2, e et 24 de l'annexe à l'arrêté royal du 14 septembre 1984, établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, à l'exception des prestations n°s 591091-591102, 0591113-591124, 591135-591146 et (591986), sont pour les trois-quarts remboursées sur base d'un honoraire forfaitaire établi conformément aux dispositions du Titre III, Chapitre 4, section 1septies et 1decies de la loi du 9 août 1963 susvisée. Les honoraires forfaitaires se substituent à 75 % des honoraires tels qu'ils ont été fixés pour les prestations concernées conformément aux dispositions de l'article 34 de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité.
Art. 153triciesSemel. De verstrekkingen van klinische biologie, bedoeld in de artikelen 3, 18, § 2, e en 24 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering met uitzondering van de verstrekkingen nrs. 591091-591102, 591113-591124, 591135-591146 en (591986), worden voor drievierde vergoed op basis van een forfaitair honorarium, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van Titel III, Hoofdstuk 4, afdeling 1septies en 1decies van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963. De forfaitaire honoraria komen in de plaats van 75 pct. van de honoraria zoals die voor de betreffende verstrekkingen zijn vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 34 van de t van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Chapitre VIIsepties. - Règles particulières relatives à l'intervention de l'assurance dans les prestations de biologie clinique, effectuées pour les bénéficiaires non hospitalisés.
Hoofdstuk VIIsepties. - Bijzondere regels met betrekking tot de verzekeringstegemoetkoming voor verstrekkingen van klinische biologie aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.
Art. 153triciesbis. Hormis les prestations énumérées comme exceptions dans l'arrêté royal du 31 janvier 1977 déterminant les prestations de biologie clinique visées à l'article 153, § 6 de la loi du 9 août 1963 précitée, au cas où ces prestations sont effectuées dans un laboratoire qui n'est pas agréé en vertu de l'arrêté royal du 29 mai 1989 relatif à l'agrément des laboratoires de biologie clinique par le Ministre qui à la Santé publique dans ses attributions, les prestations de biologie clinique visées aux articles 3, § 1, A, II, B et CI, 18, § 2, B e) et 24, § 1er, de l'annexe à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, sont pour 42,5 % remboursées sur base des honoraires forfaitaires établis conformément aux dispositions de l'article 34 undecies, § 2, de la loi du 9 août 1963 susvisée. Les honoraires forfaitaires se substituent à 42,5 % des honoraires tels qu'ils ont été fixés pour les prestations concernées conformément aux dispositions de l'article 34 de la même loi du 9 août 1963 (...).
Art. 153triciesBis. Behalve de verstrekkingen die als uitzondering worden vermeld in het koninklijk besluit van 31 januari 1977 tot bepaling van de verstrekkingen van klinische biologie bedoeld in artikel 153, § 6, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, wanneer die verstrekkingen worden uitgevoerd in een laboratorium dat niet is erkend krachtens het koninklijk besluit van 29 mei 1989 betreffende erkenning van laboratoria inzake klinische biologie door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, worden de verstrekkingen inzakel klinische biologie, bedoeld in de artikelen 3, § 1, A, II, B et CI, 18, § 2, B, e) en 24, § 1 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, voor 42,5 pct. vergoed op basis van forfaitaire honoraria, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 34undecies, § 2, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963. De forfaitaire honoraria komen in de plaats van 42,5 pct. van de honoraria zoals die voor de betreffende verstrekkingen zijn vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 34 van dezelfde wet van 9 augustus 1963 (...).
Chapitre VIIsepties. - Règles particulières relatives à l'intervention de l'assurance dans les prestations de biologie clinique, effectuées pour les bénéficiaires non hospitalisés.
HOOFDSTUK VIII. _ Sociale ziekten.
Art. 153triciesbis. Hormis les prestations énumérées comme exceptions dans l'arrêté royal du 31 janvier 1977 déterminant les prestations de biologie clinique visées à l'article 153, § 6 de la loi du 9 août 1963 précitée, au cas où ces prestations sont effectuées dans un laboratoire qui n'est pas agréé en vertu de l'arrêté royal du 29 mai 1989 relatif à l'agrément des laboratoires de biologie clinique par le Ministre qui à la Santé publique dans ses attributions, les prestations de biologie clinique visées aux articles 3, § 1, A, II, B et CI, 18, § 2, B e) et 24, § 1er, de l'annexe à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, sont pour 42,5 % remboursées sur base des honoraires forfaitaires établis conformément aux dispositions de l'article 34 undecies, § 2, de la loi du 9 août 1963 susvisée. Les honoraires forfaitaires se substituent à 42,5 % des honoraires tels qu'ils ont été fixés pour les prestations concernées conformément aux dispositions de l'article 34 de la même loi du 9 août 1963 (...).
Eerste afdeling. _ Geestesziekten.
Art.154. (Abrogé)
Art.154. (Opgeheven)
Art.155. (Abrogé)
Afdeling 2. _ Tuberculose.
Art.156. (Abrogé)
Art.156. (Opgeheven)
Art.157. (Abrogé)
Afdeling 3. _ Kanker.
Art.158. (Abrogé)
Art.158. (Opgeheven)
Art.159. (Abrogé)
Afdeling 4. _ Poliomyelitis.
Art.161. (Abrogé)
Afdeling 5. _ Aangeboren aandoeningen en misvormingen.
Art.163. (Abrogé)
CHAPITRE VIIIbis. _ Du comportement des médecins dans leurs prescriptions en matière de biologie clinique.
HOOFDSTUK VIIIbis. _ Het voorschrijfgedrag van de geneesheren inzake klinische biologie.
CHAPITRE VIIIbis. _ Du comportement des médecins dans leurs prescriptions en matière de biologie clinique.
Afdeling I.
Section II. _ De la constatation du dépassement des normes et de l'imposition de sanctions.
Afdeling II. _ Het vaststellen van de overschrijding van de normen en het opleggen van de sancties.
Section II. _ De la constatation du dépassement des normes et de l'imposition de sanctions.
Section III. _ De la suspension de l'exécution de la sanction.
Afdeling III. Opschorting van de uitvoering van de sanctie.
Section III. _ De la suspension de l'exécution de la sanction.
Section IV. De l'appel.
Afdeling IV. _ Hoger beroep.
Section IV. De l'appel.
Section V. Dispositions communes à l'appel et à la suspension de l'exécution de la décision.
Afdeling V. Gemeenschappelijke bepalingen voor het hoger beroep en voor de opschorting van de uitvoering van de beslissing.
Section V. Dispositions communes à l'appel et à la suspension de l'exécution de la décision.
Art. 163terdecies.(Opgeheven)
Section VI. _ De la Commission de recours.
Section VII. Des normes.
Afdeling VII. _ Normen.
Art. 163quindecies.(Abrogé) -1993&gt;
Art. 163sedecies. (Opgeheven)
Art. 163septiesdecies. (Abrogé) 1993&gt;
HOOFDSTUK IX. _ Toepassingssfeer.
Art.164. (Par chômage contrôlé visé à l'article 21, alinéa premier, 3°, de la loi du 9 août 1963 susvisée, il y a lieu d'entendre toute journée de chômage pour laquelle le travailleur a rempli ses obligations en matière de contrôle des chômeurs ou en a été dispensé régulièrement et pour laquelle en application de la réglementation en matière de chômage :
Eerste afdeling. _ Gecontroleerde werkloosheid.
Section 2. _ Des personnes à charge de bénéficiaires.
Art.164. <KB 23-10-1967, art. 13> (Onder gecontroleerde werkloosheid, bedoeld in artikel 21, eerste lid, 3°, van voornoemde wet van 9 augustus 1963 wordt verstaan, elke werkloosheidsdag dat de werknemer zijn verplichtingen inzake werklozencontrole heeft vervuld of daarvan regelmatig was vrijgesteld en waarover in uitvoering van de reglementering inzake werkloosheid :
  1° een werkloosheidsuitkering werd uitbetaald;
  2° het recht op werkloosheidsuitkering voor een beperkte duur werd ontzegd wegens een administratieve sanctie, opgelegd met toepassing van de artikelen 153 tot 156 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
  3° het recht op werkloosheidsuitkering voor een beperkte duur werd geweigerd of ontzegd met toepassing van de artikelen 52 tot 54 van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991, omdat de werknemer werkloos is of wordt wegens omstandigheden die afhankelijk zijn van zijn wil;
  4° het recht op werkloosheidsuitkering voor een beperkte duur werd ontzegd met toepassing van artikel 56, § 2, van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991, omdat de werkloze voor zijn wedertewerkstelling voorwaarden stelt die niet gerechtvaardigd zijn;
  5° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werknemer zich niet als werkzoekende had laten inschrijven, terwijl hij daarvan niet regelmatig was vrijgesteld;
  6° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd :
  a) met toepassing van artikel 55, 1°, van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991;
  b) met toepassing van artikel 101, §§ 1 en 2 (of van artikel 131bis), van hetzelfde besluit, wegens deeltijdse arbeid; <KB 1995-04-06/05, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 01-06-1993>
  7° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werknemer de aanvraag om uitkeringen of het administratief dossier buiten de reglementaire termijnen heeft ingediend;
  8° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werknemer op zondag, een wettelijke feestdag of een gewone dag inactiviteit gearbeid heeft;
  9° het recht op werkloosheidsuitkering aan de huisarbeider met toepassing van artikel 75 van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991 werd ontzegd, behoudens het geval, bepaald in het tweede lid, 1°, van genoemd artikel 75;
  10° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werkloze die, overeenkomstig artikel 48 van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991, op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent of die met een zelfstandige samenwoont en verzuimd heeft hiervan aangifte te doen overeenkomstig artikel 50 van het voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991;
  11° de gerechtigde vrijwillig heeft verzaakt aan het recht op werkloosheidsuitkeringen onder de voorwaarden van artikel 42, § 2, 9°, van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991.) <KB 1993-04-28/34, art. 1, 112; Inwerkingtreding : 01-06-1992>
  (Onder gecontroleerde werkloosheid, bedoeld in ((artikel 21, eerste lid, 3°,)) van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, wordt eveneens verstaan, de periode gedurende dewelke de in artikel 21, 1°, van die wet bedoelde werknemer zijn beroepsloopbaan heeft onderbroken in toepassing van artikel 100 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, en een onderbrekingsuitkering geniet waarvoor hem een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering wordt uitgereikt als bedoeld in artikel 198, § 4 of § 5; voor de werknemer die vóór de onderbreking van zijn beroepsloopbaan niet beschouwd werd als een in artikel 45, § 1, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde uitkeringsgerechtigde, blijft de werkingssfeer van deze bepaling evenwel beperkt tot de sector van de geneeskundige verzorging.) <KB 1986-11-05/31, art. 1, 033> <KB 1993-04-28/34, art. 1, 112; Inwerkingtreding : 01-06-1992>
  (Die gelijkstelling wordt bovendien niet in aanmerking genomen voor het verlengen van de nabevallingsrust met toepassing van artikel 61quinquies, tweede lid van de wet van 9 augustus 1963) <KB 1994-02-10/45, art. 1, 119; Inwerkingtreding : 06-05-1994>
  (Onder gecontroleerde werkloosheid ((bedoeld in artikel 21, eerste lid, 3°,)) van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 wordt eveneens verstaan de periode gedurende welke de zelfstandige die zijn activiteit definitief heeft stopgezet, geen aanspraak heeft op werkloosheidsuitkeringen, in toepassing ((van artikel 44 van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991 en)) van artikel 4 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1983 tot instelling van een tegemoetkoming in de achtergestelde leningen toegekend door het Participatiefonds dat bij de Nationale Kas voor Beroepskrediet is opgericht, aan de uitkeringsgerechtigde volledig werklozen die zich als zelfstandige wensen te vestigen of een onderneming wensen op te richten.) <KB 1987-08-03/30, art. 1, 3°, 041; Inwerkingtreding : 01-10-1986> <KB 1993-04-28/34, art. 1, 112; Inwerkingtreding : 01-06-1992>
  (Onder gecontroleerde werkloosheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd 14 juli 1994, wordt eveneens verstaan het tijdvak tijdens hetwelk het statuut van deeltijds werknemer met behoud van rechten wordt verleend aan de gerechtigde, overeenkomstig het bepaalde in artikel 29, § 2, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende werkloosheidsreglementering.) <KB 1995-04-06/05, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 01-06-1993>
Art.165. § 1. La qualité de personne à charge d'un titulaire ou d'un travailleur, au sens de l'article 21 de la loi du 9 août 1963 susvisée, est attribuée aux personnes et dans les conditions déterminées par le présent article et par les articles 166, 167 et 168:
  1. (le conjoint du ou de la titulaire, ou du travailleur ou de la travailleuse.
  Le conjoint non divorcé, mais séparé de fait ou séparé de corps peut être personne à charge dans l'une des éventualités suivantes :
  a) il assume l'entretien d'au moins un enfant considéré comme personne à charge. La qualité de personne à charge de cet enfant est appréciée, au sens du point 4, comme si le conjoint séparé de fait ou séparé de corps était lui-même titulaire;
  b) (il a obtenu une pension alimentaire, soit par décision judiciaire, soit par acte notarié en cas de procédure de divorce ou de séparation de corps et de biens par consentement mutuel;) <AR 1986-04-25/30, art. 1, 024>
  c) il est autorisé à percevoir des sommes dues par des tiers à son conjoint, en vertu de l'article 221 du Code civil;
  d) il bénéficie d'une pension accordée en vertu d'une disposition légale, au conjoint séparé.) <AR 16-05-1980, art. 1, 1°>
  2. (...) <AR 16-05-1980, art. 1, 2°>
  3. (la personne non rétribuée, quel que soit son sexe, qui s'occupe du ménage du ou de la titulaire ou du travailleur ou de la travailleuse, lorsqu'elle est inscrite comme membre du ménage du ou de la titulaire depuis plus de six mois, conformément à l'article 169 ou lorsqu'elle fait partie, depuis plus de six mois, du ménage du travailleur visé à l'article 21, 12°, de la loi du 9 août 1963 susvisée.
  Le délai de six mois n'est pas requis pour cette personne lorsqu'elle avait déjà droit aux prestations de santé à un titre quelconque, lors de son inscription.
  Son inscription en qualité de personne à charge n'est pas possible lorsque le conjoint du ou de la titulaire ou du travailleur ou de la travailleuse a lui-même cette qualité ou lorsque le conjoint, titulaire lui-même, vit sous le toit de l'autre conjoint.) <AR 16-05-1980, art. 1, 3°>
  4. Les enfants énumérés ci-dessous, lorsqu'ils remplissent l'une des conditions visées sous 1° à 7°:
  a) les enfants légitimes, légitimés, adoptifs, naturels reconnus du titulaire ou travailleur et ceux dans l'acte de naissance desquels le nom de celui-ci est mentionné;
  b) les enfants non communs au titulaire ou travailleur et à son conjoint, légitimes, légitimés, adoptifs ou naturels reconnus de celui-ci et ceux dans l'acte de naissance desquels le nom de ce conjoint est mentionné, lorsque le conjoint en assume l'entretien;
  (c) les enfants non communs au titulaire ou travailleur et à la personne à sa charge visée au point 3, légitimes, légitimés, adoptifs ou naturels reconnus de celle-ci et ceux dans l'acte de naissance desquels le nom de cette personne est mentionné, lorsque cette personne en assume l'entretien;
  d) les petits-enfants du titulaire ou travailleur, de son conjoint ou de la personne visée au point 3, lorsque ce titulaire ou travailleur assume l'entretien de ces enfants;
  e) les enfants et petits-enfants du conjoint du titulaire ou travailleur ou ceux de la personne visée au point 3, au sens des dispositions reprises au b, c et d, dont ce titulaire ou travailleur assume l'entretien après le décès de ce conjoint ou de cette personne;) <AR 16-05-1980, art. 1, 4° à 6°>
  f) les enfants dont le titulaire ou travailleur assume l'entretien en lieu et place des père, mère ou autre personne auxquels incombe normalement cette charge lorsque ceux-ci sont décédés, emprisonnés, incapables de travailler à 66 p.c. mais non indemnisés pour cette incapacité, ou lorsqu'ils ont abandonné ces enfants; (...) <AR 1984-05-14/30, art. 1, 1°, 004>
  (g) les enfants confiés au titulaire ou travailleur par une oeuvre nationale ou internationale de solidarité, une commission d'assistance publique ou en vertu de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse.) <AR 18-04-1970, art. 1>
  Les enfants énumérés ci-dessus doivent se trouver dans l'une des situations suivantes :
  1° (être bénéficiaire d'allocations familiales; sont assimilés :
  1. les enfants du titulaire qui bénéficie, en vertu d'une convention internationale, des soins de santé en Belgique et qui aurait pu être attributaire des allocations familiales s'il avait été assujetti à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté loi du 28 décembre 1944 sur la sécurité sociale des travailleurs ou à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés;
  2. les enfants bénéficiaires d'une allocation de remplacement de revenus, en application de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés. ) <AR 1988-01-29/30, art. 1, 051; En vigueur : 01-07-1987>
  (La condition d'être bénéficiaire d'allocations familiales n'est toutefois pas exigée jusqu'au 31 décembre inclus de l'année au cours de laquelle les enfants qui se trouvent dans une des situations visées sous a), f) ou g), atteignent l'âge de dix-huit ans.);) <AR 1987-11-06/30, art. 1, 045; En vigueur : 01-09-1987> <AR 1984-05-14/30, art. 1, 2°, 004> <AR 1986-08-04/34, art. 1, 028> <AR 1989-12-07/34, art. 1, 070; En vigueur : 01-02-1990>
  2° (être âgés de moins de 25 ans accomplis), suivre régulièrement des cours de l'enseignement moyen, supérieur, professionnel ou technique, ces cours devant être donnés pendant le jour et n'être pas limités à une partie de l'année.
  Ces dispositions sont applicables aux prêtes diocésains qui poursuivent leurs études, pour autant qu'ils ne soient pas nommés à une fonction rémunérée quelconque, et aux prêtres religieux, frères ou religieuses qui poursuivent leurs études, pour autant qu'ils n'aient pas émis leurs premiers voeux.
  L'interruption des études entraîne la perte de la qualité de personne à charge, sauf si le médecin-conseil estime qu'elle est justifiée par la maladie de l'enfant. En ce dernier cas, l'enfant conserve la qualité de personne à charge jusqu'à la date de guérison, lorsque celle-ci intervient avant qu'il ne soit âgé de 25 ans accomplis et, le cas échéant, pendant la durée des études reprises jusqu'à ce que l'enfant atteigne cet âge; <AR 23-10-1967, art. 14, 4°>
  3° être liés par un contrat d'apprentissage dont la conclusion est enregistrée et l'exécution contrôlée par un secrétariat reconnu d'apprentissage; (sont assimilés, les enfants qui suivent des cours de formation permanente dans les classes moyennes, au stade de la formation de chef d'entreprise;) <AR 1988-05-03/30, art. 1, 056; En vigueur : 01-11-1986>
  4° être enfant célibataire, (âgé de plus de (dix-huit ans) mais moins de vingt-cinq ans au moment où le bénéfice de la présente disposition est demandé) et soit remplacer dans les travaux du ménage l'époux ou l'épouse ou la personne visée au point 3, décédé, soit assister dans ces travaux, l'époux ou l'épouse ou la personne précitée, dans un ménage comptant au moins quatre enfants dont trois au moins bénéficient d'allocations familiales. Dans ces cas, ni l'enfant, ni l'époux, ni l'épouse, ni la personne précitée ne peuvent exercer d'autre activité que celle concernée par la présente disposition; <AR 1987-11-06/30, art. 2, 045; En vigueur : 01-09-1987> <AR 1986-08-04/34, art. 2, 028> <AR 1989-12-07/34, art. 2, 070; En vigueur : 01-02-1990>
  5° être enfant célibataire, (âgé de plus de (dix-huit ans) mais moins de vingt-cinq ans au moment ou le bénéfice de la présente disposition est demandé) et suppléer l'époux ou l'épouse, la personne visée au point 3 ou le veuf ou la veuve dans les travaux du ménage, lorsque celui-ci ou celle-ci se trouve depuis un mois au moins dans l'impossibilité totale d'accomplir ces travaux, en raison de son état de santé. L'impossibilité pour l'époux ou l'épouse, la personne précitée ou le veuf ou la veuve de faire son ménage en raison de son état de santé est attestée par un certificat médical et doit être constatée et surveillée par le médecin-conseil. <AR 1987-11-06/30, art. 2, 045; En vigueur : 01-09-1987> <AR 1986-08-04/34, art. 2, 028> <AR 1989-12-07/34, art. 2, 070; En vigueur : 01-02-1990>
  Lorsque l'enfant, lui-même titulaire, abandonne totalement son travail dans les conditions définies par la présente disposition, il est immédiatement considéré comme bénéficiaire;
  6° être enfant célibataire, (âgé de plus de (dix-huit ans) mais moins de vingt-cinq ans au moment où le bénéfice de la présente disposition est demandé), n'exercer aucune profession et remplacer, dans les travaux ménagers, le père veuf ou la mère veuve, le père ou la mère séparé ou abandonné, assujetti à la sécurité sociale et exerçant sa profession à temps plein; <AR 1987-11-06/30, art. 2, 045; En vigueur : 01-09-1987> <AR 1986-08-04/34, art. 2, 028> <AR 1989-12-07/34, art. 2, 070; En vigueur : 01-02-1990>
  (7° être, quel que soit l'âge, enfant dont le titulaire a assuré l'entretien avant que l'enfant n'ait atteint son 25e anniversaire, incapable d'exercer une profession quelconque, y compris celle de travailleur domestique, en raison de son état physique ou mental, et se soumettre à tout traitement d'éducation ou de rééducation fonctionnelle ou professionnelle lorsque celui-ci est reconnu opportun par le Collège des médecins-directeurs. L'incapacité de travail est constatée par ce Collège sur proposition du médecin conseil.) <AR 25-06-1969, art. 2>
  (...) <AR 03-09-1971, art. 34, 2°>
  (...) <AR 03-09-1971, art. 34, 2°>
  5. Les ascendants du titulaire ou travailleur ou de son conjoint, et, le cas échéant, leur beaux-pères et belles-mères lorsqu'ils remplissent les conditions suivantes :
  a) être soit âgés de plus de 55 ans, soit définitivement incapables d'exercer un travail quelconque en raison de leur état physique ou mental; cet état est attesté par certificat médical et reconnu et surveillé par le médecin-conseil;
  b) (...) <AR 01-12-1982, art. 1>
  c) être inscrits depuis au moins six mois comme faisant partie du ménage d'un titulaire conformément aux dispositions de l'article 169.
  Ce délai n'est pas requis lorsque les intéressés avaient déjà droit aux prestations de santé à un titre quelconque lors de leur inscription comme ascendant.
  § 2. (...) <AR 01-12-1982, art. 1>
Afdeling 2. _ Personen ten laste van rechthebbenden.
Art.166. § 1er. Ne peut toutefois être considérée comme personne à charge:
Art.165. § 1. De hoedanigheid van persoon ten laste van een gerechtigde of van een werknemer als bedoeld in artikel 21 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, wordt toegewezen aan de personen en onder de voorwaarden bepaald in dit artikel en in de artikelen 166, 167 en 168:
  1. (de echtgenoot of echtgenote van de vrouwelijke of mannelijke gerechtigde of van de werknemer of werkneemster.
  De niet uit de echt, doch feitelijk gescheiden, of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of echtgenote kan persoon ten laste zijn in een van de volgende gevallen:
  a) hij of zij staat in voor het onderhoud van ten minste één als persoon ten laste beschouwd kind. De hoedanigheid van persoon ten laste van dit kind wordt beoordeeld als bedoeld in punt 4 alsof de feitelijk gescheiden of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of echtgenote zelf gerechtigde was;
  b) (hij of zij alimentatiegeld heeft verkregen, hetzij bij rechterlijke beslissing, hetzij, ingeval van procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed met onderlinge toestemming, bij notariële akte;) <AR 1986-04-25/30, art. 1, 024>
  c) hij of zij is gemachtigd sommen te innen, door derden aan zijn echtgenote of haar echtgenoot verschuldigd krachtens artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek;
  d) hij of zij geniet een krachtens een wetsbepaling aan de gescheiden echtgenoot of echtgenote toegekend pensioen.) <KB 16-5-1980, art. 1, 1°>
  2. (...) <KB 16-05-1980, art. 1, 2°>
  3. (de niet beloonde persoon, ongeacht het geslacht, die zich bezighoudt met het huishouden van de mannelijke of van de vrouwelijke gerechtigde of van de werknemer of werkneemster wanneer die persoon, overeenkomstig artikel 169, sedert langer dan zes maanden als gezinslid van de gerechtigde is ingeschreven of wanneer hij of zij sedert langer dan zes maanden deel uitmaakt van het gezin van de werknemer, bedoeld in artikel 21, 12° van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963.
  De termijn van zes maanden is niet vereist voor die persoon als deze bij zijn of haar inschrijving reeds uit enigen anderen hoofde recht had op geneeskundige verstrekkingen.
  Zijn of haar inschrijving als persoon ten laste is niet mogelijk wanneer de echtgenoot of echtgenote van de vrouwelijke of mannelijke gerechtigde of van de werkneemster of werknemer zelf die hoedanigheid heeft of wanneer de echtgenoot of echtgenote, zelf gerechtigde, onder het dak van de echtgenote of echtgenoot woont.) <KB 16-05-1980, art. 1, 3°>
  4. De hierna opgesomde kinderen wanneer zij voldoen aan een van de onder 1° tot en met 7° bedoelde voorwaarden:
  a) de wettige, gewettigde, aangenomen, erkende natuurlijke kinderen van de gerechtigde of werknemer en zij in wier geboorteakte dezes naam is vermeld;
  b) de niet gemeenschappelijke kinderen van de gerechtigde of werknemer en zijn echtgenoot, wettige, gewettigde, aangenomen of erkende natuurlijke kinderen van laatstgenoemde en zij in wier geboorteakte de naam van die echtgenoot is vermeld wanneer de echtgenoot voor hun onderhoud instaat;
  (c) de niet gemeenschappelijke kinderen van de gerechtigde of werknemer en de in punt 3 bedoelde persoon te zijnen laste, wettige, gewettigde, aangenomen of erkende natuurlijke kinderen van laatstgenoemde en zij in wier geboorteakte de naam van die persoon is vermeld wanneer die persoon voor hun onderhoud instaat;
  d) de kleinkinderen van de gerechtigde of werknemer, van zijn echtgenoot of echtgenote of van de in punt 3 bedoelde persoon, wanneer die gerechtigde of werknemer voor het onderhoud van die kinderen instaat;
  e) de kinderen en de kleinkinderen van de echtgenoot of echtgenote van de gerechtigde of werknemer of die van de in punt 3 bedoelde persoon, als bedoeld in de bepalingen onder b, c en d voor wier onderhoud die gerechtigde of werknemer instaat na het overlijden van die echtgenoot of echtgenote of van die persoon;) <KB 16-05-1980, art. 1, 4° tot 6°>
  f) de kinderen voor wier onderhoud de gerechtigde of werknemer instaat in de plaats van de vader, moeder of andere persoon die zulks normaal zou moeten doen, wanneer dezen overleden, in de gevangenis opgesloten of 66 pct. arbeidsongeschikt zijn voor welke ongeschiktheid zij echter geen uitkeringen ontvangen of wanneer zij die kinderen hebben verlaten; (...) <KB 1984-05-14/30, art. 1, 1°, 004>
  (g) de kinderen die aan de gerechtigden of aan de werknemer zijn toevertrouwd door een nationaal of internationaal solidariteitswerk, door de commissie van openbare onderstand of bij toepassing van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming.) <KB 18-04-1970, art. 1, 1°>
  De hiervoren opgesomde kinderen moeten in een van volgende toestanden verkeren:
  1° (recht geven op kinderbijslag; worden met dezen gelijkgesteld :
  1. de kinderen van de gerechtigde die krachtens een internationaal verdrag geneeskundige verzorging in België geniet en die kinderbijslag zou hebben kunnen verwerven indien hij onderworpen was geweest aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de sociale zekerheid der mijnwerkers en met dezen gelijkgestelden.
  2. de kinderen die in het genot zijn van een inkomensvervangende tegemoetkoming bij toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan gehandicapten.) KB 1988-01-29/30, art. 1, 051; Inwerkingtreding : 01-07-1987>
  (De voorwaarde recht geven op kinderbijslag wordt evenwel niet vereist tot en met 31 december van het jaar waarin de kinderen, die zich bevinden in een van de onder littera's a), f) of g) bedoelde toestanden, achttien jaar worden;)) <KB 1987-11-06/30, art. 1, 045; Inwerkingtreding : 01-09-1987> <KB 1984-05-14/30, art. 1, 2°, 004> <KB 1986-08-04/34, art. 1, 028> <KB 1989-12-07/34, art. 1, 070; Inwerkingtreding : 01-02-1990>
  2° (jonger zijn dan ten volle 25 jaar), regelmatig leergangen van het middelbaar, hoger, vak- of technisch onderwijs volgen. Die leergangen moeten overdag worden gegeven en mogen niet beperkt zijn tot een gedeelte van het jaar.
  Deze bepalingen gelden voor de diocesane priesters die hun studies voortzetten, voor zover zij niet tot enig beloond ambt zijn benoemd, en voor de priesters van kloostergemeenschappen, broeders of kloosterzusters die hun studies voortzetten, voor zover zij hun eerste geloften niet hebben afgelegd.
  De onderbreking van de studies heeft het verlies van de hoedanigheid van persoon ten laste tot gevolg, behoudens indien de adviserend geneesheer ze gewettigd acht wegens de ziekte van het kind. Alsdan behoudt het kind de hoedanigheid van persoon ten laste tot de dag van de genezing wanneer deze voorkomt vóór het ten volle 25 jaar oud is en, gebeurlijk, over de duur van de hervatte studies totdat het kind die leeftijd bereikt; <KB 23-10-1967, art. 14, 4° >
  3° verbonden zijn door een leerovereenkomst waarvan de afsluiting is opgetekend en de uitvoering gecontroleerd door een erkend leersecretariaat; (worden hiermee gelijkgesteld, de kinderen die leergangen van de voortdurende vorming van de middenstand volgen, in het stadium van de opleiding tot ondernemingshoofd;) <KB 1988-05-03/30, art. 1, 056; Inwerkingtreding : 01-11-1986>
  4° ongehuwd kind, (ouder dan (achttien jaar) maar jonger dan vijfentwintig jaar zijn op het ogenblik waarop de toepassing van deze bepaling wordt gevraagd) en, hetzij de overleden echtgenoot of echtgenote of de in punt 3 bedoelde persoon in het huishoudwerk vervangen, hetzij in dat werk de echtgenote of de echtgenoot of de hierboven bedoelde persoon bijstaan in een gezin met ten minste vier kinderen van wie ten minste drie recht geven op kinderbijslag. Alsdan mogen noch het kind, noch de echtgenoot, noch de echtgenote, noch de hierboven bedoelde persoon een ander werk verrichten dan dat waarop deze bepaling betrekking heeft; <KB 1987-11-06/30, art. 2, 045; Inwerkingtreding : 01-09-1987> <KB 1986-08-04/34, art. 2, 028> <KB 1989-12-07/34, art.2, 070; Inwerkingtreding : 01-02-1990>
  5° ongehuwd kind, (ouder dan (achttien jaar) maar jonger dan vijfentwintig jaar zijn op het ogenblik waarop de toepassing van deze bepaling wordt gevraagd) en de echtgenoot of de echtgenote, de in punt 3 bedoelde persoon of de weduwnaar of weduwe in het huishoudwerk vervangen wanneer deze sedert ten minste één maand wegens zijn of haar gezondheidstoestand in de volstrekte onmogelijkheid verkeert dat werk te doen. Dat de echtgenoot of de echtgenote, de hiervoren bedoelde persoon of de weduwnaar of weduwe wegens zijn of haar gezondheidstoestand onmogelijk zijn of haar huishouden kan doen, wordt met een geneeskundig getuigschrift gestaafd en moet worden vastgesteld door de adviserend geneesheer die daarop verder toezicht houdt. <KB 1987-11-06/30, art. 2, 045; Inwerkingtreding : 01-09-1987> <KB 1986-08-04/34, art. 2, 028> <KB 1989-12-07/34, art. 2, 070; Inwerkingtreding : 01-02-1990>
  Wanneer het kind dat zelf gerechtigde is de arbeid volledig stopzet onder de in deze bepaling gestelde voorwaarden, wordt het onmiddellijk als rechthebbende beschouwd;
  6° ongehuwd kind, (ouder dan (achttien jaar) maar jonger dan vijfentwintig jaar zijn op het ogenblik waarop de toepassing van deze bepaling wordt gevraagd), geen beroep uitoefenen en in het huishoudwerk de vader die weduwnaar is of de moeder die weduwe is, de vader of de moeder die gescheiden of verlaten is, onder de sociale zekerheid staat en zijn of haar beroep voltijds uitoefent, vervangen;) <KB 1987-11-06/30, art. 2, 045; Inwerkingtreding : 01-09-1987> <KB 1986-08-04/34, art. 2, 028> <KB 1989-12-07/34, art. 2, 070; Inwerkingtreding : 01-02-1990>
  (7° ongeacht de leeftijd, kind zijn voor wiens onderhoud de gerechtigde heeft gezorgd vóór het kind de leeftijd van 25 jaar had bereikt, en wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand ongeschikt zijn om enig beroep, inclusief dat van dienstbode, uit te oefenen, en elke herscholings- of revalidatiebehandeling volgen wanneer deze door het College van geneesheren-directeurs als aangewezen wordt beschouwd. De arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld door dit College op voorstel van de adviserend geneesheer.) <KB 25-06-1969, art. 2>
  (...) <KB 03-09-1971, art. 34, 2°>
  (...) <KB 03-09-1971, art. 34, 2°>
  5. De ascendenten van de gerechtigde of werknemer of van zijn echtgenoot en, eventueel, hun stiefvaders en stiefmoeders, wanneer zij aan volgende voorwaarden voldoen:
  a) hetzij ouder zijn dan 55 jaar, hetzij wegens hun lichamelijke of geestestoestand blijvend ongeschikt zijn om enige arbeid te verrichten; de toestand wordt met een geneeskundig getuigschrift gestaafd en wordt erkend door de adviserend geneesheer die daarop verder toezicht houdt;
  b) (...) <KB 01-12-1982, art.1>
  c) sedert ten minste zes maanden ingeschreven zijn als deel uitmakend van het gezin van een gerechtigde overeenkomstig het bepaalde in artikel 169.
  Die termijn is niet vereist wanneer de betrokkenen bij hun inschrijving als ascendent reeds uit enigen andere hoofde recht hadden op geneeskundige verstrekkingen.
  § 2 . (...) <KB 01-12-1982, art.1>
Art. 165. § 1. La qualité de personne à charge d'un titulaire ou d'un travailleur, au sens de l'article 21 de la loi du 9 août 1963 susvisée, est attribuée aux personnes et dans les conditions déterminées par le présent article et par les articles 166, 167 et 168:
  1. (le conjoint du ou de la titulaire, ou du travailleur ou de la travailleuse.
  Le conjoint non divorcé, mais séparé de fait ou séparé de corps peut être personne à charge dans l'une des éventualités suivantes :
  a) il assume l'entretien d'au moins un enfant considéré comme personne à charge. La qualité de personne à charge de cet enfant est appréciée, au sens du point 4, comme si le conjoint séparé de fait ou séparé de corps était lui-même titulaire;
  b) (il a obtenu une pension alimentaire, soit par décision judiciaire, soit par acte notarié en cas de procédure de divorce ou de séparation de corps et de biens par consentement mutuel;) <AR 1986-04-25/30, art. 1, 024>
  c) il est autorisé à percevoir des sommes dues par des tiers à son conjoint, en vertu de l'article 221 du Code civil;
  d) il bénéficie d'une pension accordée en vertu d'une disposition légale, au conjoint séparé.) <AR 16-05-1980, art. 1, 1°>
  2. (...) <AR 16-05-1980, art. 1, 2°>
  3. (la personne non rétribuée, quel que soit son sexe, qui s'occupe du ménage du ou de la titulaire ou du travailleur ou de la travailleuse, lorsqu'elle est inscrite comme membre du ménage du ou de la titulaire depuis plus de six mois, conformément à l'article 169 ou lorsqu'elle fait partie, depuis plus de six mois, du ménage du travailleur visé à l'article 21, 12°, de la loi du 9 août 1963 susvisée.
  Le délai de six mois n'est pas requis pour cette personne lorsqu'elle avait déjà droit aux prestations de santé à un titre quelconque, lors de son inscription.
  Son inscription en qualité de personne à charge n'est pas possible lorsque le conjoint du ou de la titulaire ou du travailleur ou de la travailleuse a lui-même cette qualité ou lorsque le conjoint, titulaire lui-même, vit sous le toit de l'autre conjoint.) <AR 16-05-1980, art. 1, 3°>
  4. Les enfants énumérés ci-dessous, lorsqu'ils remplissent l'une des conditions visées sous 1° à 7°:
  a) les enfants légitimes, légitimés, adoptifs, naturels reconnus du titulaire ou travailleur et ceux dans l'acte de naissance desquels le nom de celui-ci est mentionné;
  b) les enfants non communs au titulaire ou travailleur et à son conjoint, légitimes, légitimés, adoptifs ou naturels reconnus de celui-ci et ceux dans l'acte de naissance desquels le nom de ce conjoint est mentionné, lorsque le conjoint en assume l'entretien;
  (c) les enfants non communs au titulaire ou travailleur et à la personne à sa charge visée au point 3, légitimes, légitimés, adoptifs ou naturels reconnus de celle-ci et ceux dans l'acte de naissance desquels le nom de cette personne est mentionné, lorsque cette personne en assume l'entretien;
  d) les petits-enfants du titulaire ou travailleur, de son conjoint ou de la personne visée au point 3, lorsque ce titulaire ou travailleur assume l'entretien de ces enfants;
  e) les enfants et petits-enfants du conjoint du titulaire ou travailleur ou ceux de la personne visée au point 3, au sens des dispositions reprises au b, c et d, dont ce titulaire ou travailleur assume l'entretien après le décès de ce conjoint ou de cette personne;) <AR 16-05-1980, art. 1, 4° à 6°>
  f) les enfants dont le titulaire ou travailleur assume l'entretien en lieu et place des père, mère ou autre personne auxquels incombe normalement cette charge lorsque ceux-ci sont décédés, emprisonnés, incapables de travailler à 66 p.c. mais non indemnisés pour cette incapacité, ou lorsqu'ils ont abandonné ces enfants; (...) <AR 1984-05-14/30, art. 1, 1°, 004>
  (g) les enfants confiés au titulaire ou travailleur par une oeuvre nationale ou internationale de solidarité, une commission d'assistance publique ou en vertu de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse.) <AR 18-04-1970, art. 1>
  Les enfants énumérés ci-dessus doivent se trouver dans l'une des situations suivantes :
  1° (être bénéficiaire d'allocations familiales; sont assimilés :
  1. les enfants du titulaire qui bénéficie, en vertu d'une convention internationale, des soins de santé en Belgique et qui aurait pu être attributaire des allocations familiales s'il avait été assujetti à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté loi du 28 décembre 1944 sur la sécurité sociale des travailleurs ou à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés;
  2. les enfants bénéficiaires d'une allocation de remplacement de revenus, en application de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés. ) <AR 1988-01-29/30, art. 1, 051; En vigueur : 01-07-1987>
  (La condition d'être bénéficiaire d'allocations familiales n'est toutefois pas exigée jusqu'au 31 décembre inclus de l'année au cours de laquelle les enfants qui se trouvent dans une des situations visées sous a), f) ou g), atteignent l'âge de dix-huit ans.);) <AR 1987-11-06/30, art. 1, 045; En vigueur : 01-09-1987> <AR 1984-05-14/30, art. 1, 2°, 004> <AR 1986-08-04/34, art. 1, 028> <AR 1989-12-07/34, art. 1, 070; En vigueur : 01-02-1990>
  2° (être âgés de moins de 25 ans accomplis), suivre régulièrement des cours de l'enseignement moyen, supérieur, professionnel ou technique, ces cours devant être donnés pendant le jour et n'être pas limités à une partie de l'année.
  Ces dispositions sont applicables aux prêtes diocésains qui poursuivent leurs études, pour autant qu'ils ne soient pas nommés à une fonction rémunérée quelconque, et aux prêtres religieux, frères ou religieuses qui poursuivent leurs études, pour autant qu'ils n'aient pas émis leurs premiers voeux.
  L'interruption des études entraîne la perte de la qualité de personne à charge, sauf si le médecin-conseil estime qu'elle est justifiée par la maladie de l'enfant. En ce dernier cas, l'enfant conserve la qualité de personne à charge jusqu'à la date de guérison, lorsque celle-ci intervient avant qu'il ne soit âgé de 25 ans accomplis et, le cas échéant, pendant la durée des études reprises jusqu'à ce que l'enfant atteigne cet âge; <AR 23-10-1967, art. 14, 4°>
  3° être liés par un contrat d'apprentissage dont la conclusion est enregistrée et l'exécution contrôlée par un secrétariat reconnu d'apprentissage; (sont assimilés, les enfants qui suivent des cours de formation permanente dans les classes moyennes, au stade de la formation de chef d'entreprise;) <AR 1988-05-03/30, art. 1, 056; En vigueur : 01-11-1986>
  4° être enfant célibataire, (âgé de plus de (dix-huit ans) mais moins de vingt-cinq ans au moment où le bénéfice de la présente disposition est demandé) et soit remplacer dans les travaux du ménage l'époux ou l'épouse ou la personne visée au point 3, décédé, soit assister dans ces travaux, l'époux ou l'épouse ou la personne précitée, dans un ménage comptant au moins quatre enfants dont trois au moins bénéficient d'allocations familiales. Dans ces cas, ni l'enfant, ni l'époux, ni l'épouse, ni la personne précitée ne peuvent exercer d'autre activité que celle concernée par la présente disposition; <AR 1987-11-06/30, art. 2, 045; En vigueur : 01-09-1987> <AR 1986-08-04/34, art. 2, 028> <AR 1989-12-07/34, art. 2, 070; En vigueur : 01-02-1990>
  5° être enfant célibataire, (âgé de plus de (dix-huit ans) mais moins de vingt-cinq ans au moment ou le bénéfice de la présente disposition est demandé) et suppléer l'époux ou l'épouse, la personne visée au point 3 ou le veuf ou la veuve dans les travaux du ménage, lorsque celui-ci ou celle-ci se trouve depuis un mois au moins dans l'impossibilité totale d'accomplir ces travaux, en raison de son état de santé. L'impossibilité pour l'époux ou l'épouse, la personne précitée ou le veuf ou la veuve de faire son ménage en raison de son état de santé est attestée par un certificat médical et doit être constatée et surveillée par le médecin-conseil. <AR 1987-11-06/30, art. 2, 045; En vigueur : 01-09-1987> <AR 1986-08-04/34, art. 2, 028> <AR 1989-12-07/34, art. 2, 070; En vigueur : 01-02-1990>
  Lorsque l'enfant, lui-même titulaire, abandonne totalement son travail dans les conditions définies par la présente disposition, il est immédiatement considéré comme bénéficiaire;
  6° être enfant célibataire, (âgé de plus de (dix-huit ans) mais moins de vingt-cinq ans au moment où le bénéfice de la présente disposition est demandé), n'exercer aucune profession et remplacer, dans les travaux ménagers, le père veuf ou la mère veuve, le père ou la mère séparé ou abandonné, assujetti à la sécurité sociale et exerçant sa profession à temps plein; <AR 1987-11-06/30, art. 2, 045; En vigueur : 01-09-1987> <AR 1986-08-04/34, art. 2, 028> <AR 1989-12-07/34, art. 2, 070; En vigueur : 01-02-1990>
  (7° être, quel que soit l'âge, enfant dont le titulaire a assuré l'entretien avant que l'enfant n'ait atteint son 25e anniversaire, incapable d'exercer une profession quelconque, y compris celle de travailleur domestique, en raison de son état physique ou mental, et se soumettre à tout traitement d'éducation ou de rééducation fonctionnelle ou professionnelle lorsque celui-ci est reconnu opportun par le Collège des médecins-directeurs. L'incapacité de travail est constatée par ce Collège sur proposition du médecin conseil.) <AR 25-06-1969, art. 2>
  (...) <AR 03-09-1971, art. 34, 2°>
  (...) <AR 03-09-1971, art. 34, 2°>
  5. Les ascendants du titulaire ou travailleur ou de son conjoint, et, le cas échéant, leur beaux-pères et belles-mères lorsqu'ils remplissent les conditions suivantes :
  a) être soit âgés de plus de 55 ans, soit définitivement incapables d'exercer un travail quelconque en raison de leur état physique ou mental; cet état est attesté par certificat médical et reconnu et surveillé par le médecin-conseil;
  b) (...) <AR 01-12-1982, art. 1>
  c) être inscrits depuis au moins six mois comme faisant partie du ménage d'un titulaire conformément aux dispositions de l'article 169.
  Ce délai n'est pas requis lorsque les intéressés avaient déjà droit aux prestations de santé à un titre quelconque lors de leur inscription comme ascendant.
  § 2. (...) <AR 01-12-1982, art. 1>
Art.166. <KB 01-12-1982, art. 2> § 1. Als persoon ten laste kan evenwel niet worden beschouwd:
  1° de persoon die beschikt over een bij artikel 229, § 2bis bedoeld inkomen, pensioen, rente, tegemoetkoming of uitkering, voor zover het totaal bruto-bedrag ervan hoger is dan de met ingang van 1 juli 1983 in aanmerking te nemen grens. Het bedrag van dit inkomen wordt bewezen op de bij artikel 229 bedoelde wijze.
  Van deze uitsluiting wordt afgeweken ten voordele van:
  _ de in artikel 165, § 1, 4, bedoelde kinderen;
  _ de gerechtigden in de zin van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tot de zelfstandigen wordt verruimd (die op 31 maart 1983 als persoon) ten laste zijn ingeschreven en op deze datum de leeftijd van 50 jaar hebben bereikt. <KB 08-06-1983, art. 1>
  (_ de personen die op 31 maart 1983 de volgende voorwaarden vervullen :
  a) ingeschreven zijn als persoon ten laste;
  b) de leeftijd van 60 of 65 jaar hebben bereikt naargelang het om een vrouw of een man gaat;
  c) rechthebbende zijn op een tegemoetkoming van minder-valide, toegekend krachtens de wet van 27 juni 1969 betreffende de toekenning van een tegemoetkoming aan de minder-validen, op grond van een ongeschiktheidsgraad van ten minste 70 pct.; het vervullen van die voorwaarde wordt bewezen door een getuigschrift dat is afgeleverd door de Dienst voor minder-validen van het Ministerie van Sociale Voorzorg.) <KB 1984-12-29/35, art. 1, 008>
  (Wordt niet als een vervangingsinkomen beschouwd het deel van het rustpensioen dat wettelijk aan de echtgenoot wordt toegekend in geval van feitelijke scheiding ten gevolge van een plaatsing in een instelling voor geesteszieken.) <KB 1989-07-13/31, art. 1, 065; Inwerkingtreding : 29-08-1989>
  2° (de persoon die de hoedanigheid heeft van gerechtigde als bedoeld in artikel 21, eerste lid, 1° tot 9° en zonder betaling van een aanvullende of persoonlijke bijdrage aanspraak kan maken op geneeskundige verstrekkingen.
  De in artikel 21, eerste lid, 13°, bedoelde wezen kunnen evenwel worden ingeschreven hetzij in de hoedanigheid van wees overeenkomstig artikel 168bis, hetzij als persoon ten laste onder de in artikel 165, § 1, 4, d), e), f) en g) gestelde voorwaarden.) <KB 1990-10-29/30, art. 1, 081; Inwerkingtreding : 01-01-1990>
  3° de persoon die aanspraak kan maken op geneeskundige verstrekkingen krachtens zijn tewerkstelling in een nationale, internationale of supranationale publiekrechtelijke instelling die zelf een regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering organiseert waarbij haar personeel verplicht is aangesloten alsook de personen te zijnen laste, tenzij zij aanspraak kunnen maken op een bij deze afdeling bedoelde hoedanigheid van persoon ten laste die luidens de in artikel 167 bedoelde volgorde voorrang heeft op de hoedanigheid waarin zij als persoon ten laste aanspraak kunnen maken op verstrekkingen in vernoemde regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering georganiseerd in het kader van een nationale, internationale of supranationale publiekrechtelijke instelling.
  § 2. (De personen ten laste, in de zin van artikel 165, § 1, van een gerechtigde of van een werknemer, moeten deel uitmaken van zijn gezin; zij voldoen enkel aan deze voorwaarde wanneer zij dezelfde hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, hebben als de gerechtigde.) <KB 1992-12-17/38, art. 1, 109; Inwerkingtreding : 01-07-1993>
  Op die regel wordt een uitzondering gemaakt voor de in artikel 165, § 1, 1, bedoelde gescheiden echtgenoot of echtgenote en voor de kinderen die bij toepassing van artikel 165, § 1, 4, 1°, 2°, 3° en 7° ten laste zijn van de gerechtigde of werknemer.
  De hoedanigheid van persoon ten laste wordt niet verloren wanneer die persoon tijdelijk niet langer deel uitmaakt van het gezin van de gerechtigde of werknemer.
  (Het niet langer deel uitmaken van het gezin van de gerechtigde of de werknemer wordt geacht tijdelijk te zijn :
  _ wanneer het ten hoogste drie maanden duurt;
  _ voor de gehele duur van de opneming ter verpleging in een verplegingsinrichting die erkend is met toepassing van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen;
  _ voor de gehele duur van het verblijf in een rusthuis voor bejaarden dat erkend is met toepassing van de wet van 12 juli 1966 op de rusthuizen voor bejaarden;
  _ voor de gehele duur van het verblijf in een rust- en verzorgingstehuis dat erkend is met toepassing van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende andere vormen van verzorging.) <KB 1984-05-14/30, art. 2, 004>
  Dat tijdelijk niet langer deel uitmaken onderbreekt de in artikel 165, § 1, 5, c), voorgeschreven inschrijving van zes maanden niet.
  (§ 3. Het bewijs van de hoofdverblijfplaats dient, in de gevallen voorzien door § 2, te worden geleverd overeenkomstig de bepalingen van artikel 229, § 3.) <KB 1992-12-17/38, art. 1, 109; Inwerkingtreding : 01-07-1993>
Art. 166. <AR 01-12-1982, art. 2> § 1er. Ne peut toutefois être considérée comme personne à charge:
  1° la personne qui dispose d'un revenu, pension, rente, allocation ou indemnité visée à l'article 229, § 2bis, pour autant que leur montant global brut est supérieur à la limite à prendre en considération à partir du 1er juillet 1983. Le montant de ce revenu est prouvé selon les modalités visées à l'article 229.
  Il est dérogé à cette exclusion en faveur:
  _ des enfants visés à l'article 165, § 1er, 4;
  _ des titulaires au sens de l'arrêté royal du 30 juillet 1964 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité est étendue aux travailleurs indépendants, (inscrits comme personne à charge au 31 mars 1983) et qui à cette date ont atteint l'âge de 50 ans. <AR 08-03-1983, art. 1>
  (_ des personnes qui, à la date du 31 mars 1983, remplissent les conditions suivantes :
  a) être inscrites comme personnes à charge;
  b) avoir atteint l'âge de 60 ou 65 ans selon qu'il s'agit d'une femme ou d'un homme;
  c) être bénéficiaires d'une allocation de handicapé accordée en vertu de la loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapés, sur base d'un taux d'incapacité de 70 p.c. au moins; la réalisation de cette condition est prouvée par une attestation délivrée par le Service des handicapés du Ministère de la Prévoyance sociale.) <AR 1984-12-29/35, art. 1, 008>
  (N'est pas considérée comme un revenu de remplacement la partie de la pension de retraite accordée légalement au conjoint en cas de séparation de fait résultant du placement dans un établissement d'aliénés.) <AR 1989-07-13/31, art. 1, 065; En vigueur : 29-08-1989>
  2° (la personne qui a la qualité de titulaire visée à l'article 21, premier alinéa, 1° à 9° et peut prétendre aux prestations de santé sans paiement d'un complément de cotisation ou d'une cotisation personnelle.
  Les orphelins visés à l'article 21, premier alinéa, 13°, peuvent cependant être inscrits soit en qualité d'orphelin conformément à l'article 168bis, soit comme personne à charge dans les conditions prévues à l'article 165, § 1er, 4, d), e), f) et g).) <AR 1990-10-29/30, art. 1, 081; En vigueur : 01-01-1990>
  3° la personne qui peut prétendre aux prestations de santé en vertu de son occupation dans un organisme national, international ou supranational de droit public qui organise lui-même un régime d'assurance maladie-invalidité dont son personnel fait obligatoirement partie ainsi que les personnes à sa charge, à moins qu'elles puissent prétendre à une qualité de personne à charge, visée à la présente section, qui en vertu de l'ordre visé à l'article 167 a priorité sur la qualité en vertu de laquelle elles peuvent, en tant que personne à charge, faire appel aux prestations dans le régime d'assurance maladie-invalidité précité, organisé dans le cadre d'un organisme national, international ou supranational de droit public.
  § 2. (Les personnes à charge d'un titulaire ou d'un travailleur, au sens de l'article 165, § 1er, doivent faire partie de son ménage; elles ne remplissent cette condition que lorsqu'elles ont la même résidence principale au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, que le titulaire.) <AR 1992-12-17/38, art. 1, 109; En vigueur : 01-07-1993>
  Il est fait exception à cette règle pour le conjoint séparé, visé à l'article 165, § 1er, 1, et les enfants qui sont à charge du titulaire ou travailleur par application de l'article 165, § 1er, 4, 1°, 2°, 3° et 7°.
  La qualité de personne à charge ne se perd pas quand cette personne cesse temporairement de faire partie du ménage du titulaire ou travailleur.
  (La cessation de faire partie du ménage du titulaire ou travailleur est réputée temporaire :
  _ lorsqu'elle a une durée de trois mois au plus;
  _ pendant toute la durée de l'hospitalisation dans un établissement hospitalier agréé conformément à la loi du 23 décembre 1963 sur les hôpitaux;
  _ pendant toute la durée du séjour dans une maison de repos pour personnes âgées, agréée en application de la loi du 12 juillet 1966 relative aux maisons de repos pour personnes âgées;
  _ pendant toute la durée du séjour dans une maison de repos et de soins agréée en application de la loi du 27 juin 1978 modifiant la législation sur les hôpitaux et relative à certaines autres formes de dispensation de soins.) <AR 1984-05-14/30, art. 2, 004>
  Cette cessation temporaire n'interrompt pas le stage de six mois prescrit à l'article 165, § 1er, 5, c).
  (§ 3. La preuve de la résidence principale doit, dans les cas prévus par le § 2, être apportée conformément aux dispositions de l'article 229, § 3.) <AR 1992-12-17/38, art. 1, 109; En vigueur : 01-07-1993>
Art.167. <KB 01-12-1982, art. 3> § 1. Wanneer een persoon kan aanspraak maken op verscheidene hoedanigheden als persoon ten laste, dient de inschrijving te gebeuren met inachtname van deze volgorde:
  1° art. 165, § 1, 1;
  2° art. 165, § 1, 4, (...); <KB 1984-05-14/30, art. 3, 1°, 004>
  3° art. 165, § 1, 5;
  4° art. 165, § 1, 3.
  (In afwijking van de bepalingen van het voorgaande lid kan de feitelijke of van tafel en bed gescheiden echtgeno(o)t(e) worden ingeschreven in de hoedanigheid van niet beloonde persoon die zich bezighoudt met het huishouden van een gerechtigde indien hij of zij voldoet aan de voorwaarden bedoeld bij artikel 165, § 1, 3, en voorzover zijn of haar echtgeno(o)t(e) niet eist dat hij of zij met toepassing van artikel 165, § 1, 1, te zijnen of te haren laste wordt ingeschreven.
  Als een kind verscheidene hoedanigheden bedoeld onder artikel 165, § 1, 4, a) tot en met g) kan doen gelden, en er betwisting bestaat onder de gerechtigden omtrent de vraag bij wie het als persoon ten laste moet worden ingeschreven, wordt het kind bij voorrang ingeschreven ten laste van de gerechtigde die instaat voor zijn onderhoud, of wiens echtgeno(o)t(e) of niet beloonde persoon die zich bezighoudt met het huishouden, respectievelijk bedoeld in artikel 165, § 1, 4, b) en c), instaat voor zijn onderhoud. Wordt geacht in te staan voor het onderhoud van een kind, de persoon die dat kind bij zich opvoedt.) <KB 1984-05-14/30, art. 3, 2°, 004>
  § 2. (Wanneer een persoon na toepassing van de bepalingen van § 1 ten laste kan worden ingeschreven van verschillende gerechtigden die onder hetzelfde dak wonen en gemeenschappelijk instaan voor het onderhoud van hetzelfde gezin, dan wordt die persoon ingeschreven :
  1° indien de verschillende gerechtigden recht hebben op een verschillend stelsel van geneeskundige verzorging, ten laste van de gerechtigde die recht heeft op alle geneeskundige verstrekkingen;
  2° indien de verschillende gerechtigden recht hebben op eenzelfde stelsel van geneeskundige verzorging ten laste van de oudste gerechtigde.
  Wanneer een persoon na toepassing van de bepalingen van § 1 kan worden ingeschreven ten laste van verschillende gerechtigden die niet onder hetzelfde dak wonen, dan wordt die persoon ingeschreven :
  1° indien de verschillende gerechtigden recht hebben op een verschillend stelsel van geneeskundige verzorging ten laste van de gerechtigde die recht heeft op alle geneeskundige verstrekkingen;
  2° indien de verschillende gerechtigden recht hebben op een zelfde stelsel van geneeskundige verzorging ten laste van de gerechtigde die instaat voor zijn of haar onderhoud.) <KB 1984-05-14/30, art. 3, 3°, 004>
Art.168. <AR 1989-12-07/31, art. 1, 069; En vigueur : 01-01-1989> Les personnes à charge qui perdent leur qualité, peuvent continuer à bénéficier des prestations de santé jusqu'au 30 juin de l'année suivant celle au cours de laquelle elles ont perdu ladite qualité.
  Toutefois, les personnes à charge énumérées ci-après qui perdent leur qualité, peuvent continuer à bénéficier des prestations de santé durant les périodes mentionnées ci-après :
  - les personnes à charge visées à l'article 214, § 1er, 3° qui perdent cette qualité, pour les périodes y fixées; le temps pendant lequel l'intéressé est appelé ou rappelé sous les drapeaux ou accomplit son service comme objecteur de conscience n'est pas compte dans cette période;
  - les personnes à charge non visées à l'article 214, § 1er, 3° qui perdent leur qualité de personne à charge, pour une période maximale de six mois comprise entre la fin ou l'interruption des études et l'obtention de la qualité de titulaire au sens des articles 21, 1° ou 22, 5°, 6° ou 7° de la loi du 9 août 1963 précitée; le temps pendant lequel l'intéressé est appelé ou rappelé sous les drapeaux ou accomplit son service comme objecteur de conscience, n'est pas compté dans cette période;
  - les enfants handicapés, personnes à charge sur la base de l'article 165, § 1er, 4, 1° qui atteignent l'âge de 21 ans et de ce fait perdent à la fois leurs allocations familiales et leur qualité de personne à charge, peuvent continuer à bénéficier des prestations de santé pendant une période maximale de trois ans.
  Le maintien du bénéfice des prestations tel qu'il est prévu dans ces dispositions, n'est accordé que pour autant qu'il ne puisse exister de droit aux prestations à un autre titre. Toutefois, si la personne visée par cette disposition obtient le droit aux prestations de santé en qualité de titulaire ou de bénéficiaire visée à l'article 3 de l'arrêté royal du 30 juillet 1964 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité est étendue aux travailleurs indépendants, elle peut continuer à bénéficier des prestations de santé visées à l'article 23 de la loi du 9 août 1963 précitée, jusqu'à la fin du trimestre qui suit celui au cours duquel elle a obtenu la qualité de titulaire ou de bénéficiaire comme prévu à l'article 3 de l'arrêté royal du 30 juillet 1964 précité.
Art. 167bis. <KB 01-12-1982, art. 4> De rechthebbende die krachtens de bepalingen van deze afdeling van toepassing op 1 april 1983 zijn hoedanigheid van persoon ten laste behoudt blijft ingeschreven ten laste van de persoon bij wie hij op 31 maart 1983 ingeschreven was, behalve indien de toepassing van deze bepalingen schriftelijk wordt gevraagd hetzij door de betrokken rechthebbende, hetzij door de gerechtigde te wiens laste hij kan zij krachtens diezelfde bepalingen.
  (lid 2 opgeheven) <KB 1984-05-14/30, art. 4, 004>
  Indien er op 1 april 1983, is een gezin evenwel ten minste een rechthebbende is die de hoedanigheid heeft van persoon ten laste van een bepaalde gerechtigde en zolang die toestand voortduurt :
  1° geldt de in het eerste lid bedoelde aanvraag, gedaan door de gerechtigde te wiens laste de rechthebbende op rechthebbenden krachtens de nieuwe bepalingen zouden zijn, of door een van die rechthebbenden, ten aanzien van die rechthebbenden;
  2° blijft de toestand van iedere nieuwe rechthebbende die ten laste van verscheidene gerechtigden zon kunnen zijn, geregeld door de vroegere bepalingen zolang de in het eerste lid bedoelde aanvraag niet is gedaan.
Art. 167bis. <AR 01-12-1982, art. 4> Le bénéficiaire qui, en vertu des dispositions de la présente section d'application au 1er avril 1983 garde sa qualité de personne à charge, reste inscrit en tant que personne à charge de la personne chez qui il était inscrit au 31 mars 1983, sauf quand l'application des présentes dispositions est demandée par écrit soit par le bénéficiaire concerné, soit par le titulaire dont il serait à charge en vertu des mêmes dispositions.
  (alinéa 2 abrogé) <AR 1984-05-14/30, art. 4, 004>
  Toutefois, si au 1er avril 1983 il y a dans un ménage au moins un bénéficiaire ayant la qualité de personne à charge d'un titulaire déterminé et tant que cette situation subsiste :
  1° la demande visée à l'alinéa 1er, formulée par le titulaire, à charge duquel le ou les bénéficiaires seraient en vertu des nouvelles dispositions ou par un de ces bénéficiaires, produit ses effets à l'égard de tous ces bénéficiaires;
  2° la situation de tout nouveau bénéficiaire qui pourrait être à charge de plusieurs titulaires reste régie par les anciennes dispositions tant que la demande visée à l'alinéa 1er n'est pas formulée.
Art.168. <KB 1989-12-07/31, art. 1, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1989> De personen ten laste die hun hoedanigheid verliezen, kunnen verder geneeskundige verstrekkingen genieten tot 30 juni van het jaar dat volgt op datgene waarin zij hun hoedanigheid verloren.
  Nochtans kunnen de hierna opgesomde personen ten laste die hun hoedanigheid verliezen, verder geneeskundige verstrekkingen genieten tijdens de hierna vermelde tijdvakken :
  - de in artikel 214, § 1, 3° bedoelde personen ten laste die deze hoedanigheid verliezen, voor de aldaar vastgestelde tijdvakken; het tijdvak gedurende hetwelk de betrokkene onder de wapens is opgeroepen of wederopgeroepen, of zijn dienst als gewetensbezwaarde vervult, is niet begrepen in dit tijdvak;
  - de niet in artikel 214, § 1, 3° bedoelde personen ten laste die hun hoedanigheid van persoon ten laste verliezen, voor het tijdvak van ten hoogste zes maanden dat ligt tussen de beëindiging of onderbreking van de studies en het verkrijgen van de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 21, 1° of 22, 5°, 6° of 7° van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963; het tijdvak gedurende hetwelk de betrokkene onder de wapens is opgeroepen of wederopgeroepen of zijn dienst als gewetensbezwaarde vervult, is niet begrepen in dit tijdvak;
  - de minder-valide kinderen, personen ten laste op basis van artikel 165, § 1, 4, 1°, die eenentwintig jaar worden en daardoor, tegelijkertijd hun kinderbijslag en hun hoedanigheid van persoon ten laste verliezen, kunnen verder geneeskundige verstrekkingen genieten gedurende een periode van maximum drie jaar.
  Het behoud van het genot op verstrekkingen zoals dit in deze bepaling is voorzien, wordt slechts toegekend voor zover niet uit andere hoofde recht op verstrekkingen kan bestaan. Indien de in deze bepaling bedoelde persoon echter recht verkrijgt op geneeskundige verstrekkingen in de hoedanigheid van gerechtigde of rechthebbende als bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tot de zelfstandigen wordt verruimd, dan kan hij verder geneeskundige verstrekkingen genieten als bedoeld in artikel 23 van de voormelde wet van 9 augustus 1963 tot het einde van het kwartaal dat volgt op dat waarin hij de hoedanigheid van gerechtigde of rechthebbende als bedoeld in artikel 3 van het voornoemde koninklijk besluit van 30 juli 1964 heeft verkregen.
Art. 168. <AR 1989-12-07/31, art. 1, 069; En vigueur : 01-01-1989> Les personnes à charge qui perdent leur qualité, peuvent continuer à bénéficier des prestations de santé jusqu'au 30 juin de l'année suivant celle au cours de laquelle elles ont perdu ladite qualité.
  Toutefois, les personnes à charge énumérées ci-après qui perdent leur qualité, peuvent continuer à bénéficier des prestations de santé durant les périodes mentionnées ci-après :
  - les personnes à charge visées à l'article 214, § 1er, 3° qui perdent cette qualité, pour les périodes y fixées; le temps pendant lequel l'intéressé est appelé ou rappelé sous les drapeaux ou accomplit son service comme objecteur de conscience n'est pas compte dans cette période;
  - les personnes à charge non visées à l'article 214, § 1er, 3° qui perdent leur qualité de personne à charge, pour une période maximale de six mois comprise entre la fin ou l'interruption des études et l'obtention de la qualité de titulaire au sens des articles 21, 1° ou 22, 5°, 6° ou 7° de la loi du 9 août 1963 précitée; le temps pendant lequel l'intéressé est appelé ou rappelé sous les drapeaux ou accomplit son service comme objecteur de conscience, n'est pas compté dans cette période;
  - les enfants handicapés, personnes à charge sur la base de l'article 165, § 1er, 4, 1° qui atteignent l'âge de 21 ans et de ce fait perdent à la fois leurs allocations familiales et leur qualité de personne à charge, peuvent continuer à bénéficier des prestations de santé pendant une période maximale de trois ans.
  Le maintien du bénéfice des prestations tel qu'il est prévu dans ces dispositions, n'est accordé que pour autant qu'il ne puisse exister de droit aux prestations à un autre titre. Toutefois, si la personne visée par cette disposition obtient le droit aux prestations de santé en qualité de titulaire ou de bénéficiaire visée à l'article 3 de l'arrêté royal du 30 juillet 1964 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité est étendue aux travailleurs indépendants, elle peut continuer à bénéficier des prestations de santé visées à l'article 23 de la loi du 9 août 1963 précitée, jusqu'à la fin du trimestre qui suit celui au cours duquel elle a obtenu la qualité de titulaire ou de bénéficiaire comme prévu à l'article 3 de l'arrêté royal du 30 juillet 1964 précité.
Afdeling 3. _ (Wezen.)
Art. 168ter. Il faut entendre par travailleurs saisonniers, les travailleurs qui effectuent des périodes de travail dont la durée est limitée, soit en raison de la nature saisonnière du travail, soit parce que les entreprises qui les engagent sont obligées de recruter du personnel de renfort à certaines époques de l'année.
Art. 168bis. <KB 03-09-1971, art. 4> Onder kinderen van gerechtigden als bedoeld in artikel 21, 13°, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 worden verstaan de kinderen, die in een van de onder artikel 165, § 1, 4, tweede lid, 1° tot en met 7°, bepaalde toestanden verkeren en wettelijke, gewettigde, aangenomen of erkende natuurlijke kinderen van een gerechtigde zijn of in wier geboorteakte de naam van een gerechtigde is vermeld en van wie die gerechtigde bij zijn overlijden de overlevende van hun vader en moeder of hun enige natuurlijke ouder was.
  Deze bepaling geldt zelfs wanneer de kinderen op het tijdstip van dat overlijden, persoon ten laste van een andere gerechtigde zouden geweest zijn.
Art. 168bis. <AR 03-09-1971, art. 4> Par enfants des titulaires au sens de l'article 21, 13°, de la loi du 9 août 1963 susvisée, il faut entendre les enfants qui, se trouvant dans une des situations définies à l'article 165, § 1er, 4, alinéa 2, 1° à 7°, sont des enfants légitimes, légitimés, adoptifs ou naturels reconnus d'un titulaire ou dans l'acte de naissance desquels le nom d'un titulaire est mentionné et dont ce titulaire était, au moment de son décès, le survivant de leurs père et mère ou leur seul parent naturel.
  Cette disposition est applicable alors même qu'au moment dudit décès les enfants auraient été personnes à charge d'un autre titulaire.
  Section 4. _ (Définition des travailleurs saisonniers, des travailleurs intermittents et des travailleurs à temps partiel , applicable dans le cadre de l'assurance indemnités.) <AR 1989-04-26/31, art. 2, 063; En vigueur : 01-01-1989>
Afdeling 4. _ (In het kader van de uitkeringsverzekering geldende omschrijving van seizoenarbeiders, arbeiders bij tussenpozen en deeltijdse werknemers.)
Art. 168quinquies. Sous réserve des exceptions prévues au présent arrêté royal il faut entendre par travailleurs à temps partiel, tous les travailleurs dont le régime de travail ne comprend pas normalement, en moyenne, par semaine, le nombre d'heures de travail de la même activité exercée à temps plein, au sein de l'entreprise ou du secteur d'activités; en ce qui concerne le personnel enseignant occupé dans un établissement d'enseignement organisé ou subventionné par l'Etat, le régime de travail est répute être exercé à temps partiel lorsqu'il ne comprend pas normalement, en moyenne, un nombre d'heures de travail par semaine égal à celui d'un horaire complet.
Art. 168ter. <KB 18-05-1982, art. 2> Onder seizoenarbeiders wordt verstaan, de werknemers die arbeidstijdvakken vervullen waarvan de duur beperkt is hetzij wegens de seizoengebonden aard van het werk, hetzij omdat de ondernemingen die hen in dienst nemen, op bepaalde tijden van het jaar ertoe genoopt zijn hulppersoneel aan te werven.
Art. 168sexies. Pour l'application de la loi précitée du 9 août 1963, sont considérés comme travailleurs saisonniers, comme travailleurs intermittents ou comme travailleurs à temps partiel, les travailleurs visés aux articles 168 ter, 168 quater et 168 quinquies qui, en dehors des périodes de travail visées à ces articles, d'une part, ne sont ni assujettis à l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des indemnités, en vertu de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arreté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, ni soumis à l'arreté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, et d'autre part, ne remplissent pas les conditions d'admission au bénéfice des allocations de chômage ou renoncent volontairement à celles-ci.
Art. 168quater. <KB 18-05-1982, art. 2> Onder arbeiders bij tussenpozen wordt verstaan :
  1° de tijdelijke werknemers en de uitzendkrachten zoals die begrippen (zijn omschreven in de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers.) <KB 1989-04-26/31, art. 3, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  2° de huisarbeiders als bedoeld in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 juni 1970.
Art. 168quinquies. <AR 1989-04-26/31, art. 4, 063; En vigueur : 01-01-1989> Sous réserve des exceptions prévues au présent arrêté royal il faut entendre par travailleurs à temps partiel, tous les travailleurs dont le régime de travail ne comprend pas normalement, en moyenne, par semaine, le nombre d'heures de travail de la même activité exercée à temps plein, au sein de l'entreprise ou du secteur d'activités; en ce qui concerne le personnel enseignant occupé dans un établissement d'enseignement organisé ou subventionné par l'Etat, le régime de travail est répute être exercé à temps partiel lorsqu'il ne comprend pas normalement, en moyenne, un nombre d'heures de travail par semaine égal à celui d'un horaire complet.
Art. 168quinquies. <KB 1989-04-26/31, art. 4, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989> Onder voorbehoud van de uitzonderingen waarin is voorzien in dit koninklijk besluit, dient onder deeltijdse werknemers te worden verstaan alle werknemers wier arbeidsregeling normaal niet gemiddeld per week het aantal arbeidsuren telt van dezelfde activiteit die voltijds wordt uitgeoefend in de onderneming of de activiteitssector; wat het onderwijzend personeel betreft dat is tewerkgesteld in een door het Rijk ingerichte of gesubsidieerde onderwijsinstelling, wordt de arbeidsregeling geacht deeltijds te worden verricht, wanneer ze normaal niet gemiddeld een aantal arbeidsuren per week telt dat gelijk is aan het aantal van een volledig uurrooster.
Art. 168sexies. Pour l'application de la loi précitée du 9 août 1963, sont considérés comme travailleurs saisonniers, comme travailleurs intermittents ou comme travailleurs à temps partiel, les travailleurs visés aux articles 168 ter, 168 quater et 168 quinquies qui, en dehors des périodes de travail visées à ces articles, d'une part, ne sont ni assujettis à l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des indemnités, en vertu de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arreté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, ni soumis à l'arreté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, et d'autre part, ne remplissent pas les conditions d'admission au bénéfice des allocations de chômage ou renoncent volontairement à celles-ci.
Art. 168sexies. Voor de toepassing van de wet van 9 augustus 1963 worden als seizoenarbeiders, als arbeiders bij tussenpozen of als deeltijdse werknemers beschouwd de in artikelen 168 ter, 168 quater, en 168 quinquies bedoelde werknemers die, buiten de in die artikelen bedoelde arbeidstijdvakken, enerzijds noch onderworpen zijn aan de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen, krachtens de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, noch onder de toepassing vallen van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der mijnwerkers en ermede gelijkgestelden, en anderzijds niet voldoen aan de voorwaarden om recht te hebben op werkloosheidsuitkering of die uitkeringen vrijwillig verzaken.
Art.169. (Note : les inscriptions auprès de la Caisse des soins de santé de la Société nationale des Chemins de fer belges intervenues entre le 1er janvier 1991 et le 5 mai 1992 sont réputées régulières au regard du présent article 169; AR 1992-03-31, art. 4) Pour choisir un organisme assureur les bénéficiaires repris sous l'article 21, 1° à 9°, 12° et 13° de la loi du 9 août 1963 susvisée, remettent à une mutualité, à un Office régional de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie invalidité ou à la Caisse des soins de santé de la Société nationale des Chemins de fer belges une demande d'inscription comportant un bulletin de composition de ménage, conforme au modèle en annexe. L'authenticité des renseignements y repris est vérifiée par le délégué de l'organisme assureur.
HOOFDSTUK X. _ Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.
Art.170. Lorsque le titulaire acquiert le droit aux prestations de l'assurance-soins de santé, l'organisme assureur lui délivre une carte d'assurance.
Eerste afdeling. _ Regelen ter zake van inschrijving en aansluiting bij een verzekeringsinstelling.
Art. 169. (Note : les inscriptions auprès de la Caisse des soins de santé de la Société nationale des Chemins de fer belges intervenues entre le 1er janvier 1991 et le 5 mai 1992 sont réputées régulières au regard du présent article 169; AR 1992-03-31, art. 4) Pour choisir un organisme assureur les bénéficiaires repris sous l'article 21, 1° à 9°, 12° et 13° de la loi du 9 août 1963 susvisée, remettent à une mutualité, à un Office régional de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie invalidité ou à la Caisse des soins de santé de la Société nationale des Chemins de fer belges une demande d'inscription comportant un bulletin de composition de ménage, conforme au modèle en annexe. L'authenticité des renseignements y repris est vérifiée par le délégué de l'organisme assureur.
Art.169. <KB 1992-03-31/38, art. 1, 099; Inwerkingtreding : 05-05-1992> (Nota : De inschrijvingen bij de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen die gebeurden tussen 1 januari 1991 en 5 mei 1992, worden als regelmatig beschouwd ten opzichte van onderhavig artikel 169; KB 1992-03-31/38, art. 4.) Om een verzekeringsinstelling te kiezen, geven de in artikel 21, 1° tot en met 9°, 12° en 13° van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 vermelde rechthebbenden, aan een ziekenfonds, aan een Gewestelijke dienst van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering of aan de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen een aanvraag om inschrijving naar model in bijlage af welke een bulletin bevat met de samenstelling van het gezin. De authenticiteit van de daarop vermelde inlichtingen wordt nagegaan door de afgevaardigde van de verzekeringsinstelling.
  De verzekeringsinstelling moet de rechthebbende ontvangst berichten van elke aanvraag om inschrijving en hem binnen één maand kennis geven van haar afwijzing of haar aanvaarding. Onverminderd de bepalingen van afdeling 2, A, van dit hoofdstuk, moet de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering iedere rechthebbende inschrijven die erom verzoekt.
  De rechthebbenden van de sociale werken van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen die geen andere hoedanigheid kunnen inroepen, zijn van rechtswege ingeschreven bij de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen.
  De rechthebbenden die echter nog een andere hoedanigheid hebben, kiezen bij welke verzekeringsinstelling zij willen ingeschreven of aangesloten worden.
  (Zo de verzekeringsinstelling aanvaardt, heeft de inschrijving uitwerking op de datum dat de hoedanigheid van gerechtigde of persoon ten laste als bedoeld in artikel 21, 1° tot en met 13° van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 verworven werd. De aanvaarding heeft evenwel slechts uitwerking op voorwaarde dat de gerechtigde één der in artikel 194, § 2 bedoelde documenten afgeeft; de persoon ten laste dient te voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 165 tot en met 167bis.) <KB 1992-09-16/31, art. 1, 106; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
  (zesde lid opgeheven) <KB 1995-06-08/30, art. 1, 127; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  (lid opgeheven) <KB 1992-09-16/31, art. 1, 106; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
  (Zowel voor de inschrijving als voor de latere wijzigingen in de samenstelling van het gezin is de gerechtigde verplicht de bewijzen te leveren op grond waarvan kan worden verantwoord dat de personen ten laste voldoen aan de in de artikelen 165 en 166 gestelde voorwaarden. Ingeval van wijzigingen in de samenstelling van het gezin is de gerechtigde wel vrijgesteld van het voorleggen van het attest uitgaande van de gemeente.) <KB 1992-12-17/38, art. 2, 109; Inwerkingtreding : 01-07-1993>
  De overgelegde bewijsstukken worden bewaard in het dossier voorgeschreven in artikel 171.
  De in dit artikel bedoelde rechthebbende die eveneens aanspraak kan maken op de hoedanigheid van rechthebbende, verworven krachtens de bepalingen van de koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van artikel 22 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, mag slechts aangesloten zijn bij één ziekenfonds of ingeschreven zijn bij één gewestelijke dienst van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  De Dienst voor administratieve controle kan, in geval van dubbele inschrijving, hetzij uit eigen beweging, hetzij op verzoek van een verzekeringsinstelling, uitspraak doen over de regelmatigheid van de inschrijving.
Art. 170. <AR 1989-04-26/31, art. 7, 063; En vigueur : 01-01-1989> Lorsque le titulaire acquiert le droit aux prestations de l'assurance-soins de santé, l'organisme assureur lui délivre une carte d'assurance.
  Cette carte ne peut contenir aucune donnée médicale.
  Le Ministre des Affaires sociales établit le modèle de cette carte.
  Il détermine également les modalités de délivrance, et d'utilisation de cette carte.
Art.170. <KB 1989-04-26/31, art. 7, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989> Wanneer de gerechtigde recht verkrijgt op de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging reikt de verzekeringsinstelling hem een verzekeringskaart uit.
  Deze kaart mag geen enkel medisch gegeven bevatten.
  De Minister van Sociale Zaken stelt het model van die kaart vast.
  Hij bepaalt ook de modaliteiten inzake afleveren en gebruik van die kaart.
Art. 171. <AR 1989-04-26/31, art. 8, 063; En vigueur : 01-01-1989> L'organisme assureur établit au nom de chaque titulaire, un dossier contenant la demande d'inscription, ainsi qu'une fiche qui reproduit les données suivantes :
  1. la date et le numéro d'inscription du titulaire, son identité ainsi que celle des personnes à charge et leur adresse (ainsi que leur numéro d'identification dans le Registre national); <AR 1989-12-07/31, art. 3, 069; En vigueur : 01-01-1989>
  2. toute modification dans le nombre et la qualité de personnes à charge;
  3. (la nature des documents de cotisation, le type de transmission de données et les données y figurant relatives à l'assurabilité;) <AR 1995-06-08/30, art. 2, 127; En vigueur : 01-01-1995>
  4. le montant et la nature des cotisations personnelles et des compléments de cotisation, la date de leur paiement et la période à laquelle elles se rapportent;
  5. un relevé des sanctions qui ont été infligées au titulaire ainsi qu'aux personnes à sa charge.
  Ce dossier contient également tous les documents relatifs à la qualité de bénéficiaire du titulaire et des personnes à charge. Le dossier est conservé au niveau de la fédération ou de l'office régional.
  Tous les renseignements d'ordre médical relatifs au titulaire et aux personnes à sa charge sont conservés par le médecin-conseil dans un dossier spécial.
  L'organisme assureur doit adresser, au plus tard le 1er juin de chaque année aux titulaires qui ne répondent pas aux critères permettant d'avoir droit à partir du 1er juillet aux prestations de l'assurance soins de santé, une formule sur laquelle il est fait mention des documents de cotisation manquants et/ou des cotisations personnelles en retard.
  Une copie de cette formule est conservée dans le dossier du titulaire.
Art.171. <KB 1989-04-26/31, art. 8, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989> De verzekeringsinstelling legt op naam van ieder gerechtigde een dossier aan dat de aanvraag om inschrijving bevat alsook een kaart met volgende gegevens :
  1. inschrijvingsdatum en -nummer van de gerechtigde, zijn identiteit en die van de personen te zijnen laste en hun adres (alsmede hun identificatienummer in het Rijksregister). <KB 1989-12-07/31, art. 3, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  2. elke wijziging van aantal en hoedanigheid van de personen ten laste;
  3. (de aard van de bijdragebescheiden, het type van gegevensoverdracht en de gegevens die erop voorkomen die de verzekerbaarheid aanbelangen;) <KB 1995-06-08/30, art. 2, 127; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  4. bedrag en aard van de persoonlijke en aanvullende bijdragen, datum van de betaling ervan en tijdvak waarop zij betrekking hebben;
  5. een opgave van de sancties die de gerechtigde en de personen te zijnen laste hebben opgelopen.
  Dat dossier bevat ook alle bescheiden betreffende de hoedanigheid van rechthebbende van de gerechtigde en van de personen te zijnen laste. Het dossier wordt bewaard in het verbond of in de gewestelijke dienst.
  Alle geneeskundige inlichtingen met betrekking tot de gerechtigde en personen te zijnen laste worden door de adviserend geneesheer in een bijzonder dossier bewaard.
  De verzekeringsinstelling moet uiterlijk op 1 juni van elk jaar, aan de gerechtigden die niet voldoen aan de bepalingen om vanaf 1 juli verder recht te hebben op de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging, een formulier richten waarop melding wordt gemaakt van de ontbrekende bijdragebescheiden en/of de achterstallige persoonlijke bijdragen.
  Een kopie van dit formulier wordt bewaard in het dossier van de gerechtigde.
Art.173. La mutation individuelle consiste dans le passage d'un titulaire à un organisme assureur autre que celui auquel il appartient.
  Elle peut s'opérer le premier jour de chaque trimestre civil suivant les conditions fixées aux articles 174 à 190.
  (...) <AR 03-09-1971, art. 34, 2°>
Art. 173bis. L'article 173, alinéa premier n'est pas applicable aux titulaires qui acquièrent ou perdent la qualité de bénéficiaire des oeuvres sociales de la Société nationale des Chemins de fer belges et qui, en cette qualité, doivent être ou sont inscrits auprès de la Caisse des soins de santé de la Société nationale des Chemins de fer belges. Dans ces cas, l'inscription auprès de l'organisme assureur prend cours à la date à laquelle lesdits titulaires obtiennent leur nouvelle qualité.
  Les renseignements nécessaires à la constitution du dossier doivent néanmoins être envoyés au nouvel organisme assureur conformément à l'article 178, alinéa 2.
Afdeling 2. _ Mutaties.A. Individuele mutaties.
Art. 173. La mutation individuelle consiste dans le passage d'un titulaire à un organisme assureur autre que celui auquel il appartient.
Art.173. De individuele mutatie bestaat in het overgaan van een gerechtigde naar een andere verzekeringsinstelling dan die waarbij hij was ingeschreven.
  Ze mag geschieden de eerste dag van elk kalenderkwartaal, onder de in de artikelen 174 tot en met 190 gestelde voorwaarden.
  (...) <KB 03-09-1971, art. 34, 2°>
Art. 173bis. L'article 173, alinéa premier n'est pas applicable aux titulaires qui acquièrent ou perdent la qualité de bénéficiaire des oeuvres sociales de la Société nationale des Chemins de fer belges et qui, en cette qualité, doivent être ou sont inscrits auprès de la Caisse des soins de santé de la Société nationale des Chemins de fer belges. Dans ces cas, l'inscription auprès de l'organisme assureur prend cours à la date à laquelle lesdits titulaires obtiennent leur nouvelle qualité.
  Les renseignements nécessaires à la constitution du dossier doivent néanmoins être envoyés au nouvel organisme assureur conformément à l'article 178, alinéa 2.
Art. 173bis. <INGEVOEGD bij KB 1992-03-31, art. 2, 099; Inwerkingtreding : 05-05-1992> <NOTA : De inschrijvingen bij de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen die gebeurden tussen 1 januari 1991 en 5 mei 1992, worden als regelmatig beschouwd ten opzichte van onderhavig artikel 173bis, lid 1.> Artikel 173, eerste lid, is niet van toepassing op de gerechtigden die de hoedanigheid van rechthebbende van de sociale werken van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen verkrijgen of verliezen en die in deze hoedanigheid moeten ingeschreven worden of ingeschreven zijn bij de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen. In deze gevallen geldt de inschrijving bij de verzekeringsinstelling vanaf de datum waarop de voornoemde gerechtigden hun nieuwe hoedanigheid bekomen.
  De nodige inlichtingen voor de samenstelling van het dossier dienen nochtans aan de nieuwe verzekeringsinstelling te worden toegezonden overeenkomstig artikel 178, tweede lid.
Art.176. L'ancien organisme assureur peut refuser la mutation ou retirer son acceptation dans les seuls cas suivants:
  a) si douze mois ne sont pas écoulés à la date pour laquelle la mutation est demandée depuis la date de la première inscription comme titulaire dans l'organisme assureur qu'il désire quitter;
  b) si le titulaire à la date pour laquelle la mutation est demandée subit une sanction ou si avant cette date une sanction a été prise à son égard qu'il ne pourra subir qu'après cette date.
  Toutefois, cette disposition n'est pas d'application en ce qui concerne les sanctions prononcées avec sursis;
  c) si la demande de mutation ne reprend pas un des renseignements suivants: nom, prénom, numéro d'inscription ou date de naissance, localité, dénomination de la mutualité membre du titulaire, date pour laquelle la mutation est demandée;
  d) si la demande de mutation n'a pas envoyée dans le délai prévu à l'article 175;
  e) si le titulaire à vis-à-vis de son ancien organisme assureur une dette résultant de l'application des dispositions de l'assurance maladie-invalidité obligatoire. Le montant de la dette est indiqué sur la notification visée à l'article 177. Toutefois, la mutation doit être accordée, si le nouvel organisme assureur fait parvenir la totalité de la somme due à l'ancien organisme assureur au plus tard (le jour de la mutation.) <AR 04-11-1974, art. 3, 1°>
  (...) <AR 04-11-1974, art. 3, 2°>
  f) si le titulaire a sollicité sa mutation pour la même date auprès de plusieurs organismes assureurs;
  g) (...) <AR 04-11-1974, art. 3, 3°>
  h) lorsque le titulaire déclare que la signature que porte la demande de mutation n'est pas la sienne.
  (i) lorsque, sauf confirmation écrite par le titulaire de la demande de mutation dans le délai d'un mois prévu à l'article 183bis, alinéa 2, l'organisme assureur constate que la demande de mutation n'est pas signée par le titulaire concerné.) <AR 13-07-1981, art. 1>
Art.174. De gerechtigde die naar een andere verzekeringsinstelling wenst over te gaan, moet daartoe een aanvraag indienen bij de verzekeringsinstelling waarbij hij wenst zich te laten inschrijven.
  Te dien einde vult hij een formulier aanvraag om mutatie in dat hem door de nieuwe verzekeringsinstelling wordt uitgereikt.
Art.177. <AR 13-04-1965, art. 2> Dans les cas visés à l'article 176, sous a à f, le refus motivé doit être notifié au titulaire et au nouvel organisme assureur dans un délai de (20) jours comptés à partir du premier jour ouvrable qui suit la date fixée à l'article 175. Toutefois, ce délai est compté à partir de la date de la notification de la demande de mutation, au cas où le formulaire de demande de mutation est envoyé à l'ancien organisme assureur après la date fixée à l'article 175. <AR 04-11-1974, art. 4, 1°>
  (Dans le cas visé à l'article 176, sous h) le refus motivé doit être notifié au titulaire et au nouvel organisme assureur dans le délai prévu à l'article 183.) <AR 04-11-1974, art. 4, 2°>
  (Dans le cas visé à l'article 176 sous i), la décision de refus motivée doit être notifiée au titulaire et au nouvel organisme assureur dans le délai prévu pour la décision de refus à l'article 183bis.) <AR 13-07-1981, art. 2>
  L'ancien organisme assureur adresse simultanément une copie de son refus au Service du contrôle administratif.
  Le titulaire auquel la mutation est refusée peut soumettre le différend (au tribunal du travail compétent.) <AR 03-09-1971, art. 6>
  Lorsque l'ancien organisme assureur omet de notifier le refus dans le délai fixé, la mutation est considérée comme acceptée.
Art.175. <KB 13-04-1965, art. 1> De nieuwe verzekeringsinstelling verzendt1 de aanvraag om mutatie aan de vroegere verzekeringsinstelling uiterlijk de (5e) van de maand vóór die met ingang waarvan de mutatie wordt aangevraagd. Is de (5e) een zaterdag, een zondag of een feestdag, dan moet het formulier de eerste daaropvolgende werkdag verzonden worden. <KB 04-11-1974, art. 2>
  De aanvragen om mutatie worden ter post aangetekend gezonden samen met een borderel waarop naam en voornaam van de gerechtigde, zijn adres en zijn geboortedatum voorkomen.
  De nieuwe verzekeringsinstelling zendt terzelfder tijd een afschrift van het borderel aan de Dienst voor administratieve controle.
Art. 176. L'ancien organisme assureur peut refuser la mutation ou retirer son acceptation dans les seuls cas suivants:
  a) si douze mois ne sont pas écoulés à la date pour laquelle la mutation est demandée depuis la date de la première inscription comme titulaire dans l'organisme assureur qu'il désire quitter;
  b) si le titulaire à la date pour laquelle la mutation est demandée subit une sanction ou si avant cette date une sanction a été prise à son égard qu'il ne pourra subir qu'après cette date.
  Toutefois, cette disposition n'est pas d'application en ce qui concerne les sanctions prononcées avec sursis;
  c) si la demande de mutation ne reprend pas un des renseignements suivants: nom, prénom, numéro d'inscription ou date de naissance, localité, dénomination de la mutualité membre du titulaire, date pour laquelle la mutation est demandée;
  d) si la demande de mutation n'a pas envoyée dans le délai prévu à l'article 175;
  e) si le titulaire à vis-à-vis de son ancien organisme assureur une dette résultant de l'application des dispositions de l'assurance maladie-invalidité obligatoire. Le montant de la dette est indiqué sur la notification visée à l'article 177. Toutefois, la mutation doit être accordée, si le nouvel organisme assureur fait parvenir la totalité de la somme due à l'ancien organisme assureur au plus tard (le jour de la mutation.) <AR 04-11-1974, art. 3, 1°>
  (...) <AR 04-11-1974, art. 3, 2°>
  f) si le titulaire a sollicité sa mutation pour la même date auprès de plusieurs organismes assureurs;
  g) (...) <AR 04-11-1974, art. 3, 3°>
  h) lorsque le titulaire déclare que la signature que porte la demande de mutation n'est pas la sienne.
  (i) lorsque, sauf confirmation écrite par le titulaire de la demande de mutation dans le délai d'un mois prévu à l'article 183bis, alinéa 2, l'organisme assureur constate que la demande de mutation n'est pas signée par le titulaire concerné.) <AR 13-07-1981, art. 1>
Art.176. De vroegere verzekeringsinstelling mag de mutatie alleen in de volgende gevallen weigeren of de inwilliging ervan intrekken:
  a) indien op de datum tegen welke de mutatie wordt gevraagd, geen 12 maanden verlopen zijn sedert de datum van de eerste inschrijving als gerechtigde bij de verzekeringsinstelling die hij wenst te verlaten;
  b) indien de gerechtigde op de datum tegen welke de mutatie wordt gevraagd, een sanctie ondergaat of indien vóór die datum te zijnen opzichte een sanctie is getroffen welke pas na die datum zal kunnen worden toegepast.
  Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de sancties waarvoor bij de uitspraak uitstel is verleend;
  c) indien op de aanvraag om mutatie één van de volgende inlichtingen ontbreekt: naam, voornaam, inschrijvingsnummer of geboortedatum, plaats, benaming van het ziekenfonds of het verbond zoals ze in het lidboekje van de gerechtigde is vermeld, datum tegen welke de mutatie wordt gevraagd;
  d) indien de aanvraag om mutatie niet is gezonden binnen de in artikel 175 gestelde termijn;
  e) indien de gerechtigde bij zijn vroegere verzekeringsinstelling een schuld heeft voortvloeiende uit de toepassing van de bepalingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. Het bedrag van de schuld wordt vermeld op de in artikel 177 bedoelde kennisgeving. De mutatie moet evenwel worden toegestaan indien de nieuwe verzekeringsinstelling het volle verschuldigde bedrag uiterlijk (de dag van de mutatie aan de vroegere verzekeringsinstelling doet toekomen.) <KB 04-11-1974, art. 3, 1°>
  (...) <KB 04-11-1974, art. 3, 2°>
  f) indien de gerechtigde bij verscheidene verzekeringsinstellingen tegen dezelfde datum om mutatie heeft gevraagd;
  g) ( ... ) <KB 04-11-1974, art. 3, 3°>
  h) indien de gerechtigde verklaart dat de handtekening op de aanvraag om mutatie niet de zijne is.
  (i) indien, behoudens een door de gerechtigde geschreven bevestiging van de mutatie- aanvraag binnen de termijn van een maand bepaald in artikel 183bis, tweede lid, de verzekeringsinstelling vaststelt dat de aanvraag om mutatie niet door de betrokken gerechtigde ondertekend is.) <KB 13-07-1981, art. 1>
Art. 177. <AR 13-04-1965, art. 2> Dans les cas visés à l'article 176, sous a à f, le refus motivé doit être notifié au titulaire et au nouvel organisme assureur dans un délai de (20) jours comptés à partir du premier jour ouvrable qui suit la date fixée à l'article 175. Toutefois, ce délai est compté à partir de la date de la notification de la demande de mutation, au cas où le formulaire de demande de mutation est envoyé à l'ancien organisme assureur après la date fixée à l'article 175. <AR 04-11-1974, art. 4, 1°>
  (Dans le cas visé à l'article 176, sous h) le refus motivé doit être notifié au titulaire et au nouvel organisme assureur dans le délai prévu à l'article 183.) <AR 04-11-1974, art. 4, 2°>
  (Dans le cas visé à l'article 176 sous i), la décision de refus motivée doit être notifiée au titulaire et au nouvel organisme assureur dans le délai prévu pour la décision de refus à l'article 183bis.) <AR 13-07-1981, art. 2>
  L'ancien organisme assureur adresse simultanément une copie de son refus au Service du contrôle administratif.
  Le titulaire auquel la mutation est refusée peut soumettre le différend (au tribunal du travail compétent.) <AR 03-09-1971, art. 6>
  Lorsque l'ancien organisme assureur omet de notifier le refus dans le délai fixé, la mutation est considérée comme acceptée.
Art.177. <KB 13-04-1965, art. 2> In de bij artikel 176, onder a tot en met f bedoelde gevallen moet de gerechtigde en de nieuwe verzekeringsinstelling van de gemotiveerde afwijzing kennis worden gegeven binnen een termijn van (20) dagen vanaf de eerste werkdag na de in artikel 175 vastgestelde datum. Die termijn wordt evenwel gerekend vanaf de datum van kennisgeving van de aanvraag om mutatie ingeval het formulier aanvraag om mutatie (aan de vroegere verzekeringsinstelling wordt verzonden) na de in artikel 175 vastgestelde datum. <KB 04-11-1974, art. 4, 1°> <KB 1989-12-07/31, art. 5, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  (In het in artikel 176, onder h) bedoelde geval moet aan de gerechtigde en aan de nieuwe verzekeringsinstelling van de gemotiveerde afwijzing kennis worden gegeven binnen de in artikel 183 bepaalde termijn.) <KB 04-11-1974, art. 4, 2°>
  (In het in artikel 176 onder i), bedoelde geval moet aan de gerechtigde en aan de nieuwe verzekeringsinstelling van de gemotiveerde afwijzingsbeslissing kennis worden gegeven binnen de termijn die voor de afwijzingsbeslissing in artikel 183bis is bepaald.) <KB 13-07-1981, art. 2>
  De vroegere verzekeringsinstelling zendt tegelijkertijd een afschrift van haar afwijzing aan de Dienst voor administratieve controle.
  De gerechtigde wiens mutatie wordt afgewezen, kan het geschil voorleggen (aan de bevoegde arbeidsrechtbank). <KB 03-09-1971, art. 6>
  Verzuimt de vroegere verzekeringsinstelling binnen de vastgestelde termijn kennis te geven van de afwijzing, dan wordt de mutatie beschouwd te zijn ingewilligd.
Art.180. <AR 1989-04-26/31, art. 10, 063; En vigueur : 01-01-1989> En cas d'acceptation de la mutation ou du transfert, la carte d'assurance visée à l'article 170 établie par l'organisme assureur précédent doit être réclamée par le nouvel organisme assureur.
  La nouvelle carte d'assurance ne peut être délivrée avant que le nouvel organisme assureur n'ait reçu la carte d'assurance établie par l'organisme assureur précédent.
  Le nouvel organisme assureur indique, sur la nouvelle carte, la date de mutation comme date d'ouverture du droit aux soins de santé.
  La carte d'assurance délivrée par l'organisme assureur précédent doit être transmise par le nouvel organisme assureur au service du contrôle administratif avec les listes visées à l'article 308.
Art.178. <KB 04-11-1974, art. 5> Wordt de mutatie ingewilligd, dan wordt hiervan aan de nieuwe verzekeringsinstelling kennis gegeven binnen dezelfde termijn als die welke is bepaald in artikel 177, eerste lid.
  Die kennisgeving geschiedt door toezending van de inlichtingen die nodig zijn voor het aanleggen van het in artikel 171 bedoelde dossier, en met name van het deugdelijk ingevulde formulier dat is bedoeld in artikel 181, samen met de bijlagen erbij.
Art. 179. (Pour les mutations acceptées au 1er janvier, le nouvel organisme assureur doit recevoir le ou les documents de cotisations relatifs à l'année civile qui prend fin à la date de la mutation.) <AR 1989-04-26/31, art. 9, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  Lorsque la valeur des documents de cotisation n'atteint pas la valeur minimum, le nouvel organisme assureur est chargé de réclamer immédiatement au titulaire le complément de cotisation nécessaire. Il est débiteur vis-à-vis de l'ancien organisme assureur du montant de ce complément.
  Le nouvel organisme assureur adresse dans un même envoi, à chacun des anciens organismes assureurs, les documents de cotisation qui les intéressent et leurs compléments de cotisation éventuels accompagnés d'un bordereau récapitulatif.
  (Cet envoi doit être transmis dans un délai ne dépassant pas le quinze du troisième mois suivant celui de la mutation. Un double du bordereau récapitulatif est adressé dans le même délai au Service du contrôle administratif.) <AR 04-11-1974, art. 6, 1°>
  (...) <AR 04-11-1974, art. 6, 2°>
  (...) <AR 04-11-1974, art. 6, 2°>
  (...) <AR 04-11-1974, art. 6, 2°>
Art.179. (Voor de per 1 januari ingewilligde mutaties dient de nieuwe verzekeringsinstelling het of de bijdragebescheiden met betrekking tot het kalenderjaar dat eindigt op de datum van de mutatie in ontvangst te nemen.) <KB 1989-04-26/31, art. 9, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  Wanneer de waarde van de bijdragebescheiden niet het minimum bereikt, moet de nieuwe verzekeringsinstelling onmiddellijk de nodige aanvullende bijdrage van de gerechtigde vorderen. Zij is het bedrag van die aanvulling aan de vroegere verzekeringsinstelling verschuldigd.
  De nieuwe verzekeringsinstelling stuurt elk van de vroegere verzekeringsinstellingen in een zelfde zending de bijdragebescheiden welke het aanbelangen, en de eventuele aanvullende bijdragen samen met een verzamelborderel.
  (Die zending moet toekomen binnen een termijn die niet verder loopt dan de 15e van de derde maand na die van de mutatie. Een dubbel van het verzamelborderel wordt binnen dezelfde termijn aan de Dienst voor administratieve controle gestuurd.) <KB 04-11-1974, art. 6, 1° >
  (...) <KB 04-11-1974, art. 6, 2°>
  (...) <KB 04-11-1974, art. 6, 2°>
  (...) <KB 04-11-1974, art. 6, 2°>
Art. 180. <AR 1989-04-26/31, art. 10, 063; En vigueur : 01-01-1989> En cas d'acceptation de la mutation ou du transfert, la carte d'assurance visée à l'article 170 établie par l'organisme assureur précédent doit être réclamée par le nouvel organisme assureur.
  La nouvelle carte d'assurance ne peut être délivrée avant que le nouvel organisme assureur n'ait reçu la carte d'assurance établie par l'organisme assureur précédent.
  Le nouvel organisme assureur indique, sur la nouvelle carte, la date de mutation comme date d'ouverture du droit aux soins de santé.
  La carte d'assurance délivrée par l'organisme assureur précédent doit être transmise par le nouvel organisme assureur au service du contrôle administratif avec les listes visées à l'article 308.
Art.180. <KB 1989-04-26/31, art. 10, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989> Bij inwilliging van de mutatie of in geval van transfer moet de door de vroegere verzekeringsinstelling opgemaakte verzekeringskaart, bedoeld bij artikel 170, door de nieuwe verzekeringsinstelling worden opgevraagd.
  De nieuwe verzekeringskaart mag slechts uitgereikt worden nadat de nieuwe verzekeringsinstelling in het bezit is van de door de vroegere verzekeringsinstelling opgemaakte verzekeringskaart.
  Op de nieuwe kaart vermeldt de nieuwe verzekeringsinstelling de mutatiedatum als ingangsdatum van het recht op de geneeskundige verstrekkingen.
  De door de vroegere verzekeringsinstelling uitgereikte verzekeringskaart moet door de nieuwe verzekeringsinstelling aan de Dienst voor administratieve controle worden doorgestuurd samen met de lijsten bedoeld bij artikel 308.
Art. 181. (Pour les mutations acceptées, l'ancien organisme assureur indique sur le formulaire "demande de mutation" tous les renseignements demandés qui ont trait à la situation du titulaire vis-à-vis de l'assurance maladie-invalidite, y compris la mention d'une sanction avec sursis dont il est l'objet. Le formulaire ainsi rempli et signé est envoyé au nouvel organisme assureur dans le délai fixé à l'article 177, alinéa 1er.) <AR 04-11-1974, art. 7>
  (L'envoi des " demandes de mutation " est accompagné d'un bordereau reprenant les nom, prénom, résidence principale et numéro national du titulaire.) <AR 1992-12-17/38, art. 3, 109; En vigueur : 01-07-1993>
  Simultanément à l'envoi de ce bordereau et de ses annexes, l'ancien organisme assureur adresse une copie du bordereau au Service du contrôle administratif.
Art.181. (Voor de ingewilligde mutaties, tekent de vroegere verzekeringsinstelling op het formulier "aanvraag om mutatie" alle gevraagde inlichtingen op met betrekking tot de toestand van de gerechtigde ten aanzien van de ziekte- en invaliditeitsverzekering met inbegrip van de vermelding van een sanctie met uitstel welke tegen hem is uitgesproken. Het aldus ingevulde en ondertekende formulier wordt binnen de in artikel 177, eerste lid, bepaalde termijn aan de nieuwe verzekeringsinstelling gezonden.) <KB 04-11-1974, art. 7>
  (Bij de verzending van de " aanvragen om mutatie " wordt een borderel gevoegd waarop naam, voornaam, hoofdverblijfplaats en nationaal nummer van de gerechtigde voorkomen.) <KB 1992-12-17/38, art. 3, 109; Inwerkingtreding : 01-07-1993>
  Gelijk met de verzending van dat borderel en de bijlagen ervan, zendt de vroegere verzekeringsinstelling een afschrift van het borderel aan de Dienst voor administratieve controle.
Art. 183bis. <AR 13-07-1981, art. 3> Lorsque l'ancien organisme assureur désire user de la faculté que lui accorde l'article 176, i), il notifie son intention au titulaire et au nouvel organisme assureur dans le délai de 20 jours prévu à l'article 177, alinéa 1er.
  Le titulaire dispose d'un mois pour confirmer par écrit la demande de mutation.
  A défaut de confirmation de la demande de mutation, l'ancien organisme assureur notifie sa décision de refus motivée au titulaire et au nouvel organisme assureur dans le mois suivant le délai prévu à l'alinéa 2. Dans le même délai, il communique une copie de sa décision de refus ainsi que la demande de mutation contestée au Service du contrôle administratif.
Art.182. <KB 03-09-1971, art. 7> Wanneer de Dienst voor administratieve controle vaststelt dat de nieuwe verzekeringsinstelling de kennisgeving van een afwijzing niet ontvangen heeft en dat dezelfde verzekeringsinstelling het formulier "aanvraag om mutatie" behoorlijk ingevuld niet ontvangt binnen de termijn (bepaald in artikel 177, al. 1,) verzoekt hij de in gebreke gebleven verzekeringsinstelling ofwel schriftelijk ofwel door tussenkomst van een naar die verzekeringsinstelling afgevaardigd personeelslid, het formulier "aanvraag om mutatie", behoorlijk ingevuld op te maken en te verzenden binnen de twee maanden. <KB 04-11-1974, art. 8>
Art.184. Lorsqu'un organisme assureur a connaissance d'une mutation irrégulière d'un de ses bénéficiaires auprès d'un autre organisme assureur, il en avertit le Service du contrôle administratif.
  Si cet avertissement est donné dans le délai d'un an à partir de la date de la mutation irrégulière, le Service du contrôle administratif informe le bénéficiaire et les deux organismes assureurs intéressés, sous la formalité de la recommandation à la poste, que l'inscription au nouvel organisme assureur n'est pas valable.
  Le versement des cotisations afférentes aux documents visés à l'article 194 qu'il a remis au nouvel organisme assureur auquel le bénéficiaire s'était irrégulièrement inscrit, ainsi que les cotisations personnelles qu'il lui a payées, reste acquis à cet organisme. Les prestations accordées durant la période d'inscription irrégulièrement restent à la charge de l'organisme assureur qui les a octroyées. Sont nuls tous engagements de cet organisme relatifs à des prestations non encore effectuées à la date de la notification visée au second alinéa.
  Tout document visé à l'article 194 remis et toute cotisation personnelle versée postérieurement à la date de la notification sont transférés à l'organisme assureur auquel le bénéficiaire reste régulièrement inscrit. Les prestations accordées après cette date restent à charge de l'organisme assureur qui les a octroyées.
Art.183. <KB 13-04-1965, art. 4> Indien de gerechtigde de echtheid betwist van zijn op de aanvraag om mutatie voorkomende handtekening, kan de vroegere verzekeringsinstelling op zijn verzoek, de bijartikel 176 bedoelde mogelijkheid benutten: van de afwijking moet kennis worden gegeven binnen een termijn van één maand vanaf de dag waarop de gerechtigde in kennis werd gesteld van zijn mutatie. De vroegere verzekeringsinstelling brengt zulks binnen dezelfde termijn ter kennis van de Dienst voor administratieve controle en deelt hem daartoe de betwiste aanvraag om mutatie mede samen met de schriftelijke verklaring van de betrokkene.
Art. 183bis. <AR 13-07-1981, art. 3> Lorsque l'ancien organisme assureur désire user de la faculté que lui accorde l'article 176, i), il notifie son intention au titulaire et au nouvel organisme assureur dans le délai de 20 jours prévu à l'article 177, alinéa 1er.
  Le titulaire dispose d'un mois pour confirmer par écrit la demande de mutation.
  A défaut de confirmation de la demande de mutation, l'ancien organisme assureur notifie sa décision de refus motivée au titulaire et au nouvel organisme assureur dans le mois suivant le délai prévu à l'alinéa 2. Dans le même délai, il communique une copie de sa décision de refus ainsi que la demande de mutation contestée au Service du contrôle administratif.
Art. 183bis. <KB 13-07-1981, art. 3> Wanneer de vroegere verzekeringsinstelling gebruik wenst te maken van de mogelijkheid die haar bij artikel 176, i), is toegekend, geeft zij aan de gerechtigde en aan de nieuwe verzekeringsinstelling kennis van haar voornemen binnen een termijn van twintig dagen als bepaald in artikel 177, eerste lid.
  De gerechtigde beschikt over een maand om de mutatieaanvraag schriftelijk te bevestigen.
  Bij afwezigheid van een bevestiging van de mutatieaanvraag, geeft de vroegere verzekeringsinstelling van haar gemotiveerde afwijzigingsbeslissing kennis aan de gerechtigde en aan de nieuwe verzekeringsinstelling binnen een maand volgend op de termijn bepaald in het tweede lid. Binnen dezelfde termijn deelt zij een afschrift van haar afwijzingsbeslissing samen met de betwiste aanvraag om mutatie aan de Dienst voor administratieve controle mede.
Art. 184. Lorsqu'un organisme assureur a connaissance d'une mutation irrégulière d'un de ses bénéficiaires auprès d'un autre organisme assureur, il en avertit le Service du contrôle administratif.
  Si cet avertissement est donné dans le délai d'un an à partir de la date de la mutation irrégulière, le Service du contrôle administratif informe le bénéficiaire et les deux organismes assureurs intéressés, sous la formalité de la recommandation à la poste, que l'inscription au nouvel organisme assureur n'est pas valable.
  Le versement des cotisations afférentes aux documents visés à l'article 194 qu'il a remis au nouvel organisme assureur auquel le bénéficiaire s'était irrégulièrement inscrit, ainsi que les cotisations personnelles qu'il lui a payées, reste acquis à cet organisme. Les prestations accordées durant la période d'inscription irrégulièrement restent à la charge de l'organisme assureur qui les a octroyées. Sont nuls tous engagements de cet organisme relatifs à des prestations non encore effectuées à la date de la notification visée au second alinéa.
  Tout document visé à l'article 194 remis et toute cotisation personnelle versée postérieurement à la date de la notification sont transférés à l'organisme assureur auquel le bénéficiaire reste régulièrement inscrit. Les prestations accordées après cette date restent à charge de l'organisme assureur qui les a octroyées.
Art.184. Wanneer een verzekeringsinstelling kennis heeft van een onregelmatige mutatie van een harer rechthebbenden naar een andere verzekeringsinstelling, deelt ze zulks mede aan de Dienst voor administratieve controle.
  Wordt die mededeling gedaan binnen de termijn van een jaar na de datum van de onregelmatige mutatie, dan stelt de Dienst voor administratieve controle de rechthebbende en de twee betrokken verzekeringsinstellingen ter post aangetekend ervan in kennis dat de inschrijving bij de nieuwe verzekeringsinstelling niet geldig is.
  De storting van de bijdragen met betrekking tot de in artikel 194 bedoelde bescheiden welke de rechthebbende heeft afgegeven bij de nieuwe verzekeringsinstelling waarbij hij zich onregelmatig had ingeschreven,alsmede de persoonlijke bijdragen welke hij haar heeft betaald, blijven ten bate van die instelling. De gedurende het tijdvak van onregelmatige inschrijving toegekende prestaties blijven ten laste van de verzekeringsinstelling die ze heeft toegekend. Alle verbintenissen van die uitstelling met betrekking tot prestaties welke nog niet zijn uitgevoerd op de datum van de in tweede lid bedoelde kennisgeving, zijn nietig.
  Alle na de datum van de kennisgeving in artikel 194 bedoelde afgegeven bescheiden en betaalde persoonlijke bijdragen worden overgedragen aan de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende regelmatig ingeschreven blijft. De na die datum toegekende prestaties blijven ten laste van de verzekeringsinstelling die ze heeft toegekend.
Art.187. En cas de mutation les prestations de santé autorisées préalablement par le médecin conseil mais non encore effectuées à la date de la mutation sont à charge du nouvel organisme assureur sans qu'une nouvelle autorisation puisse être exigée par ce dernier.
Art.185. <KB 13-4-1965, art. 5> De bewijslast van de verzending der in de artikelen 175, 177, 179, 181, (183 en 183bis) bedoelde bescheiden wordt gedragen door de verzekeringsinstelling die met die verzending gelast is. <KB 13-7-1981, art. 4>
Art. 186. En cas de transfert de la résidence du titulaire dans une autre commune où ce titulaire ne trouve aucun service organisé de son Union nationale ou de la Caisse auxiliaire, l'intéressé en informe la mutualité ou l'Office régional auquel il est affilié et celui ou celle qu'il a choisi.
  Dès que le titulaire est établi dans sa nouvelle résidence, le nouvel organisme assureur réclame à l'ancien le bulletin de mutation et tous renseignements nécessaires à l'octroi régulier des diverses prestations.
  Par service organisé il faut entendre celui qui offre au titulaire la possibilité de rencontrer au moins une fois par semaines un délégué de son organisme assureur, auquel il peut remettre ses documents de cotisation, payer la cotisation d'assurance continuée, demander tous renseignements en rapport avec l'assurance maladie-invalidité et par l'intermédiaire duquel il peut recevoir le remboursement des prestations ou le paiement des indemnités.
Art.186. Ingeval de gerechtigde zijn woonplaats naar een andere gemeente overbrengt waar hij geen georganiseerde dienst van zijn landsbond of van de Hulpkas aantreft, geeft hij hiervan kennis aan het ziekenfonds of de gewestelijke dienst waarbij hij is aangesloten en aan het ziekenfonds of de gewestelijke dienst door hem gekozen.
  Zodra de gerechtigde in zijn nieuwe woonplaats is gevestigd, verzoekt de nieuwe verzekeringsinstelling de vroegere om het mutatiebiljet en om alle inlichtingen, vereist voor het regelmatige toekennen van de verschillende prestaties.
  Onder georganiseerde dienst wordt verstaan die welke de gerechtigde de mogelijkheid biedt om ten minste eens per week een afgevaardigde van zijn verzekeringsinstelling te ontmoeten, aan wie hij zijn bijdragebescheiden kan afgeven, de voortgezette verzekeringsbijdrage kan betalen, alle inlichtingen kan vragen met betrekking tot de ziekte- en invaliditeitsverzekering en van wie hij de vergoeding van verstrekkingen of de uitbetaling van uitkeringen kan ontvangen.
Art.189. <AR 1992-12-17/38, art. 4, 109; En vigueur : 01-07-1993> Les dispositions relatives aux mutations individuelles sont également applicables aux bénéficiaires d'une pension ou d'une rente d'une législation étrangère, aux saisonniers et frontaliers ayant leur résidence principale en Belgique et occupés à l'étranger et qui ouvrent droit aux prestations de santé en vertu des dispositions d'une convention ou d'un règlement de sécurité sociale.
Art.187. In geval van mutatie komen de geneeskundige verstrekkingen waarvoor de adviserend geneesheer vooraf toestemming heeft verleend, doch welke op de datum van de mutatie nog niet verricht, voor rekening van de nieuwe verzekeringsinstelling die geen nieuwe voorafgaande toestemming mag eisen.
Art. 188. Lors du passage d'un titulaire d'une mutualité à une autre au sein de la même Union nationale ou d'un Office régional à un autre, les dispositions des articles 173à 187 ne sont pas d'application, mais tous les renseignements nécessaires à la constitution du dossier visé à l'article 171 doivent être transmis à la nouvelle mutualité ou au nouvel Office régional.
Art.188. De overgang van een gerechtigde van een ziekenfonds naar een andere van dezelfde landsbond of van een gewestelijke dienst naar een andere, valt niet onder toepassing van het bepaalde in de artikelen 173 tot en met 187, doch alle inlichtingen vereist voor het aanleggen van het in artikel 171 bedoelde dossier moeten aan het nieuwe ziekenfonds, of aan de nieuwe gewestelijke dienst worden verstrekt.
Art. 189. <AR 1992-12-17/38, art. 4, 109; En vigueur : 01-07-1993> Les dispositions relatives aux mutations individuelles sont également applicables aux bénéficiaires d'une pension ou d'une rente d'une législation étrangère, aux saisonniers et frontaliers ayant leur résidence principale en Belgique et occupés à l'étranger et qui ouvrent droit aux prestations de santé en vertu des dispositions d'une convention ou d'un règlement de sécurité sociale.
Art.189. <KB 1992-12-17/38, art. 4, 109; Inwerkingtreding : 01-07-1993> De bepalingen betreffende de individuele mutaties zijn eveneens van toepassing op de rechthebbenden op een pensioen of een rente krachtens een buitenlandse wetgeving, op de seizoenarbeiders en de grensarbeiders die hun hoofdverblijfplaats in België hebben en in het buitenland arbeiden en die krachtens het bepaalde in een verdrag of verordening inzake sociale zekerheid recht hebben op geneeskundige verstrekkingen.
Art. 190. Les modèles des divers documents prévus aux articles 175, 177, 179 et 181 sont établis par le Service du contrôle administratif.B. Mutations collectives.
Art.190. De modellen van de verschillende in de artikelen 175, 177, 179 en 181 voorgeschreven bescheiden, worden door de Dienst voor administratieve controle opgemaakt. B.Gezamenlijke mutaties.
Art.193. En cas de mutation collective, de dissolution ou de fusion de mutualités ou de fédérations, leurs affiliés peuvent individuellement demander leur inscription à un autre organisme assureur sans que doivent être respectées les conditions fixées par les articles 173 à 190. Toutefois, les renseignements nécessaires à la constitution du dossier visé à l'article 171 doivent être transmis par l'ancien organisme assureur au nouveau.
Section 3. _ (Des documents de cotisation et des documents permettant d'établir la qualité de titulaire.) <AR 1989-04-26/31, art. 11, 063; En vigueur : 01-01-1989>
Art.194. <AR 1989-04-26/31, art. 12, 063; En vigueur : 01-01-1989> § 1. Sont considérés comme documents de cotisation pour l'application de la loi du 9 août 1963 susvisée :
  1. le bon de cotisation et l'attestation de contrat d'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés;
  2. le bon de cotisation " accident du travail ";
  3. le bon de cotisation " maladie professionnelle ";
  4. l'attestation de chômage;
  5. (abrogé) <AR 1993-04-28/34, art. 2, 112; En vigueur : 01-06-1992>
  6. l'attestation de travail domestique;
  7. les pièces justificatives visées à l'article 217, à condition que la cotisation afférente à la période d'assurance continuée ait été payée;
  8. l'attestation d'ayant droit à une allocation d'interruption.
  Sont assimilées à des documents de cotisation, l'attestation de milicien assuré social et l'attestation d'objecteur de conscience assuré social visées à l'article 199.
  (La déclaration visée à l'article 199 selon laquelle l'intéresse est orphelin de père et de mère et bénéficie d'allocations familiales et l'attestation selon laquelle l'intéressé est orphelin de père et de mère bénéficiant du droit à l'allocation de remplacement de revenus, sont assimilées à un document de cotisation.
  Ceci vaut également pour l'attestation visée à l'article 199 sur laquelle le médecin traitant mentionne la date présumée de l'accouchement pour les titulaires visées à l'article 21, premier alinéa, 4°, de la loi du 9 août 1963 précitée ainsi que pour le document de stage visé à l'article 204ter, § 1er. ) <AR 1989-12-07/31, art. 6, 1°, 069; En vigueur : 01-01-1989>
  § 2. La qualité de titulaire telle qu'elle est visée à l'article 21, premier alinéa, 1°, 3°, 5° et 6° de la loi du 9 août 1963 précitée, est établie sur base des documents de cotisation visés au § 1er.
  Les titulaires visés à l'article 21, premier alinéa, 7°, 8° et 8° bis établissent leur qualité de titulaire en fournissant la preuve qu'ils bénéficient des avantages visés dans ces dispositions. La preuve est établie par l'autorité chargée du paiement de ces avantages.
  Les personnes qui obtiennent pour la première fois la qualité de titulaire telle qu'elle est visée à l'article 21, premier alinéa, 1°, 3°, (...), 9° et 13° de la loi du 9 août 1963 précitée, et qui, les cas échéant en cette qualité, reçoivent des documents de cotisation qui sont établis annuellement, ainsi que les personnes qui obtiennent pour la première fois la qualité de titulaire telle qu'elle est visée à l'article 45, § 1er, de la loi susvisée, prouvent leur qualité de titulaire en produisant un des documents suivants :<AR 1989-12-07/31, art. 6, 2°, 069; En vigueur : 01-01-1989>
  - pour les titulaires visés à l'article 21, premier alinéa, 1°, ainsi que pour ceux visés à l'article 45, § 1er, 1°, a), de la loi du 9 août 1963 précitée, une déclaration de l'employeur selon laquelle le titulaire est un travailleur salarié assujetti à un ou aux deux secteurs de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité en vertu de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou un travailleur salarie assujetti à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs ou assimilés;
  - pour les titulaires visés à l'article 21, premier alinéa, 3°, ainsi que pour ceux visés à l'article 45, § 1er, 1°, c), de la même loi, une déclaration de l'Office National de l'Emploi établissant que le titulaire est en chômage contrôlé;
  - (abrogé) <AR 1989-12-07/31, art. 6, 3°, 069; En vigueur : 01-01-1989>
  - (abrogé) <AR 1989-12-07/31, art. 6, 3°, 069; En vigueur : 01-01-1989>
  (- pour les titulaires visés à l'article 21, premier alinéa, 9°, de la même loi, un extrait de l'acte de décès ou une attestation qui prouve que l'intéressé est titulaire d'une pension de survie, établie par l'instance chargée du paiement de la pension de survie; pour le titulaire visé ici qui s'affilie en cette qualité à un autre organisme assureur, une attestation de l'ancien organisme assureur relative à la dernière qualité du conjoint décédé;) <AR 1989-12-07/31, art. 6, 4°, 069; En vigueur : 01-01-1989>
  (- pour les titulaires visés à l'article 21, premier alinéa, 13°, de la même loi, une attestation délivrée par l'instance qui paye les allocations familiales, selon laquelle l'intéressé est orphelin de père et de mère et bénéficie du droit aux allocations familiales ou une attestation délivrée par le Ministère de la Prévoyance sociale établissant que l'intéressé est un handicapé, orphelin de père et de mère bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus au sens de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés.) <AR 1989-12-07/31, art. 6, 5°, 069; En vigueur : 01-01-1989>
Art.193. In geval van gezamelijke mutatie, ontbinding of samensmelting van ziekenfondsen of verbonden, mogen hun aangeslotenen individueel om hun inschrijving bij een andere verzekeringsinstelling verzoeken waarbij de in de artikelen 173 tot en met 190 gestelde voorwaarden niet in acht moeten worden genomen. De inlichtingen nodig voor het aanleggen van het in artikel 171 bedoelde dossier, moeten evenwel door de vroegere verzekeringsinstelling aan de nieuwe worden verstrekt.
Art.195. § 1er. L'Office national de sécurité sociale communique aux organismes assureurs, pour les employeurs affiliés chez lui, les données d'identification des travailleurs et les données d'assurabilité visées au § 3 des travailleurs pour chaque année de référence.
Afdeling 3. _ (Bijdragebescheiden en dokumenten aan de hand waarvan de hoedanigheid van gerechtigde wordt vastgesteld).
Art. 194. § 1. Sont considérés comme documents de cotisation pour l'application de la loi du 9 août 1963 susvisée :
Art.194. <KB 1989-04-26/31, art. 12, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989> § 1. Worden voor de toepassing van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 als bijdragebescheiden beschouwd :
  1. de bijdragebon en het bewijs van leerovereenkomst voor beroepen uitgeoefend door arbeiders in loondienst;
  2. de bijdragebon " arbeidsongeval ";
  3. de bijdragebon " beroepsziekte ";
  4. het bewijs van werkloosheid;
  5. (opgeheven) <KB 1993-04-28/34, art. 2, 112; Inwerkingtreding : 01-06-1992>
  6. het bewijs van huishoudelijke arbeid;
  7. de in artikel 217 bedoelde bewijsstukken op voorwaarde dat de bijdrage met betrekking tot de periode van voortgezette verzekering betaald is;
  8. het bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering.
  De in artikel 199 bedoelde bewijzen van sociaal verzekerde milicien en van sociaal verzekerde gewetensbezwaarde worden met een bijdragebescheid gelijkgesteld.
  (De in artikel 199 bedoelde verklaring dat betrokkene een volle wees is en recht geeft op kinderbijslag en de verklaring dat betrokkene een volle wees is die recht heeft op de inkomensvervangende tegemoetkoming wordt gelijkgesteld met een bijdragebescheid.
  Dit geldt tevens voor de in artikel 199 bedoelde verklaring waarop de behandelende geneesheer de vermoedelijke bevallingsdatum vermeldt voor de in artikel 21, eerste lid, 4°, van voornoemde wet van 9 augustus 1963 bedoelde gerechtigde alsmede voor het in artikel 204ter, § 1, bedoelde dokument met betrekking tot de wachttijd.) <KB 1989-12-07/31, art. 6, 1°, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  § 2. De hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 21, eerste lid, 1°, 3°, (...) en 6° van de voormelde wet van 9 augustus 1963 wordt vastgesteld aan de hand van de in § 1 bedoelde bijdragebescheiden. <KB 1989-12-07/31, art. 6, 2°, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  De in artikel 21, eerste lid, 7°, 8° en 8° bis bedoelde gerechtigden bewijzen hun hoedanigheid van gerechtigde door een bewijs van rechthebbende op de in die bepalingen bedoelde voordelen. Het bewijs wordt opgemaakt door de instantie belast met de uitbetaling van die voordelen.
  De personen die voor het eerst de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 21, eerste lid, 1°, 3°, (...), 9° en 13° van voornoemde wet van 9 augustus 1963 verkrijgen, en in voorkomend geval in die hoedanigheid bijdragebescheiden ontvangen die jaarlijks worden opgemaakt, alsmede de personen die voor het eerst de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 45, § 1, van voornoemde wet van 9 augustus 1963 verkrijgen, doen van hun hoedanigheid van gerechtigde blijken door overlegging van één van de volgende dokumenten : <KB 1989-12-07/31, art. 6, 2°, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  - voor de in artikel 21, eerste lid, 1°, bedoelde gerechtigden alsmede voor diegenen bedoeld in artikel 45, § 1, 1°, a), van de voornoemde wet van 9 augustus 1963, een verklaring van de werkgever dat de gerechtigde een werknemer is, onderworpen aan één of beide sectoren van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit krachtens de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of een werknemer onderworpen aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers of ermee gelijkgestelden;
  - voor de in artikel 21, eerste lid, 3°, bedoelde gerechtigden, alsmede voor diegenen bedoeld in artikel 45, § 1, 1°, c), van dezelfde wet, een verklaring uitgaande van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, dat de gerechtigde zich in gecontroleerde werkloosheid bevindt;
  - (opgeheven) <KB 1989-12-07/31, art. 6, 2°, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  - (opgeheven) <KB 1989-12-07/31, art. 6, 3°, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  (- voor de in artikel 21, eerste lid, 9°, van dezelfde wet bedoelde gerechtigden, een uittreksel van de overlijdensakte of een attest dat betrokkene gerechtigd is op een overlevingspensioen opgemaakt door de instantie belast met de uitbetaling van het overlevingspensioen; voor de hier bedoelde gerechtigde die zich in die hoedanigheid bij een andere verzekeringsinstelling aansluit, een verklaring van de vroegere verzekeringsinstelling omtrent de laatste hoedanigheid van de overleden echtgenoot of echtgenote;) <KB 1989-12-07/31, art. 6, 4°, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  (- voor de in artikel 21, eerste lid, 13°, van dezelfde wet bedoelde gerechtigden, een verklaring afgeleverd door de instantie die de kinderbijslag uitbetaalt, dat betrokkene een volle wees is en recht geeft op kinderbijslag of een attest afgeleverd door het Ministerie van Sociale Voorzorg dat betrokkene een minder-valide volle wees is die in het genot is van een inkomensvervangende tegemoetkoming als bedoeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten.) <KB 1989-12-07/31, art. 6, 5°, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
Art. 195. <AR 1995-06-08/30, art. 3, 127; En vigueur : 01-01-1995> § 1er. L'Office national de sécurité sociale communique aux organismes assureurs, pour les employeurs affiliés chez lui, les données d'identification des travailleurs et les données d'assurabilité visées au § 3 des travailleurs pour chaque année de référence.
  Lorsque la transmission électronique de données s'avère être impossible ou lorsque le travailleur n'est pas affilié ou inscrit auprès d'un organisme assureur, l'Office national de sécurité sociale dans les deux semaines qui suivent la constatation de l'impossibilité de transmettre un bon de cotisation électronique, fournit un bon de cotisation papier à l'employeur. L'employeur remet le bon de cotisation au travailleur, dans un délai de deux semaines.
  Le mode d'établissement et de transmission des bons de cotisation est fixé par le Ministre des Affaires sociales.
  § 2. Les employeurs affiliés à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales ou le Fonds national de retraite des ouvriers mineurs remettent un bon de cotisation papier à leurs travailleurs, dans les deux mois suivant la dernière paie de chaque année, ou dans les deux mois qui suivent la fin du contrat de travail.
  § 3. Le bon de cotisation mentionne, pour chaque trimestre de l'année de référence, la rémunération sur laquelle est retenue la cotisation pour l'assurance indemnités et/ou la cotisation pour l'assurance soins de santé, ainsi que la période à laquelle se rapporte cette rémunération, telles que ces notions sont respectivement définies dans la réglementation en matière de sécurité sociale des travailleurs et dans la réglementation en matière de sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés.
  Pour l'établissement du bon de cotisation, la rémunération est limitée au montant obtenu en multipliant le plafond de rémunération journalier par le nombre de jours de travail. Le plafond de rémunération journalier est fixé à 4 385 F, pour les travailleurs occupés à temps plein en régime de cinq jours par semaine, et à 3 654 F pour les travailleurs occupés à temps plein dans un autre régime de travail, les travailleurs à temps partiel, les travailleurs saisonniers et les travailleurs intermittents ; ces montants sont liés à l'indice-pivot 127,50 et sont, à partir de 1987, adaptés au 1er janvier de chaque année à l'indice-pivot atteint au 1er juillet de l'année précédente.
  Le bon de cotisation mentionne également pour chaque trimestre de l'année de référence, le nombre de jours de travail, tel qu'il est défini à l'article 204, et le nombre de jours couverts par l'indemnité payée au cours de la deuxième semaine de salaire garanti ; pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel, le bon de cotisation mentionne en outre, pour chaque trimestre, le nombre d'heures de travail.
  Le bon de cotisation comporte également une mention qui totalise pour les quatre trimestres de l'année de référence, le montant de la rémunération, le nombre de jours de travail, le nombre de jours couverts par l'indemnité payée au cours de la deuxième semaine de salaire garanti et, le cas échéant, le nombre d'heures de travail.
  L'attestation de contrat d'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés est remise par l'employeur dans les deux mois qui suivent la fin de l'année de référence ou la fin du contrat d'apprentissage. Cette attestation mentionne, pour chaque trimestre de l'année de référence, le nombre de jours et d'heures de travail. Elle comporte également une mention qui totalise pour les quatre trimestres de l'année de référence, le nombre de jours et d'heures de travail.
Art.195. <KB 1995-06-08/30, art. 3, 127; Inwerkingtreding : 01-01-1995> § 1. De Rijksdienst voor sociale zekerheid deelt voor de bij hem aangesloten werkgevers de identificatiegegevens van de werknemers en de verzekerbaarheidsgegevens, zoals bedoeld bij § 3, van de werknemers voor elk refertejaar mee aan de verzekeringsinstellingen.
  Indien de elektronische gegevensoverdracht niet mogelijk blijkt of indien de werknemer niet aangesloten of ingeschreven is bij een verzekeringsinstelling, bezorgt de Rijksdienst voor sociale zekerheid binnen twee weken na vaststelling van de onmogelijkheid om een elektronische bijdragebon door te sturen een papieren bijdragebon aan de werkgever. De werkgever bezorgt de bijdragebon binnen de twee weken aan de werknemer.
  De wijze waarop de bijdragebons worden opgemaakt en doorgestuurd wordt vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken.
  §2. De werkgevers aangesloten bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten of het Nationaal pensioenfonds voor mijnwerkers reiken binnen de twee maanden na de laatste loonuitbetaling van elk jaar of binnen de twee maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst een papieren bijdragebon uit aan hun werknemers.
  § 3. De bijdragebon vermeldt voor elk kwartaal van het refertejaar het loon waarop de bijdrage voor de uitkeringsverzekering en/of de bijdrage voor de geneeskundige verzorgingsverzekering wordt ingehouden, evenals het tijdvak waarop dit loon betrekking heeft zoals die begrippen respectievelijk in de reglementering inzake sociale zekerheid voor werknemers en in reglementering inzake sociale zekerheid voor mijnwerkers en ermee gelijkgestelden omschreven zijn. Voor het opmaken van de bijdragebon wordt het loon beperkt tot de uitkomst van de vermenigvuldiging van het maximum dagloon met het aantal arbeidsdagen. Het maximum dagloon is vastgesteld op 4 385 F voor de voltijds tewerkgestelde werknemers die volgens de vijfdagenweekregeling zijn tewerkgesteld en op 3 654 F voor de voltijdse werknemers tewerkgesteld in een andere regeling, de deeltijds tewerkgestelden, de seizoenarbeiders en de arbeiders bij tussenpozen; die bedragen zijn gekoppeld aan spilindexcijfer 127,50 en worden vanaf 1987 jaarlijks op 1 januari aangepast aan het spilindexcijfer dat is bereikt op 1 juli van het voorgaande jaar.
  De bijdragebon vermeldt voor elk kwartaal van het refertejaar eveneens het aantal arbeidsdagen, zoals omschreven in artikel 204 en het aantal dagen gedekt door de vergoeding betaald tijdens de tweede week van het gewaarborgd loon , voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers vermeldt de bijdragebon voor elk kwartaal bovendien met aantal arbeidsuren.
  De bijdragebon vermeldt tevens voor de vier kwartalen, van het refertejaar de totale som van het loon, het totale aantal arbeidsdagen, het totale aantal dagen gedekt door de vergoeding betaald tijdens de tweede week van het gewaarborgd loon en, in voorkomend geval, het totale aantal arbeidsuren.
  Het bewijs van leerovereenkomst voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst wordt door de werkgever uitgereikt binnen de twee maanden na het einde van het refertejaar of binnen de twee maanden na het einde van de leerovereenkomst. Dit bewijs vermeldt, voor elk kwartaal van het refertejaar 'het aantal arbeidsdagen en -uren. Het vermeldt tevens het totale aantal arbeidsdagen en -uren voor de vier kwartalen samen van het refertejaar.
Art. 195bis. <AR 1995-06-08/30, art. 4, 127; En vigueur : 01-01-1995> Si un employeur visé à l'article 195, § 2, omet d'établir les bons de cotisation, le Service du contrôle administratif peut, à la demande du travailleur concerné, établir les bons de cotisation manquants et les lui transmettre.
  Si la procédure prévue à l'article 195, § 1er ne peut être appliquée, le Service du contrôle administratif, à la demande des organismes assureurs et pour autant que des preuves suffisantes soient produites, transmet les données manquantes à l'Office national de sécurité sociale, qui fait parvenir ces données aux organismes assureurs conformément à la procédure prévue à l'article 195, § 1er.
  Le Service du contrôle administratif peut en outre remettre à la personne lésée une attestation tenant lieu de bon de cotisation provisoire. Sur la base de cette attestation, et compte tenu des autres données d'assurabilité, les organismes assureurs peuvent éventuellement délivrer des cartes d'assurance provisoires. Ces cartes provisoires ont une durée de validité de trois mois.
  (Par dérogation à l'alinéa précédent, la carte d'assurance provisoire, délivrée pour l'année de référence 1994, peut être prolongée jusqu'au 31 mars 1996.) <AR 1996-01-11/32, art. 1, 137; En vigueur : 01-01-1996>
Art. 195bis. <KB 1995-06-08/30, art. 4, 127; Inwerkingtreding : 01-01-1995> Indien een werkgever bedoeld hij artikel 195, § 2, die nalaten de bijdragebons op te maken, kan de Dienst voor administratieve controle, op verzoek van de betrokken werknemer, de ontbrekende bijdragebons opmaken en ze hem bezorgen.
  Indien de procedure voorzien hij artikel 195, § 1 niet kan worden toegepast, maakt de Dienst voor administratieve controle, op verzoek van de verzekeringsinstellingen en op voorwaarde dat voldoende bewijsmateriaal wordt voorgelegd, de ontbrekende gegevens over aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, die, deze gegevens volgens de in artikel 195, § 1 bepaalde procedure aan de verzekeringsinstellingen overzendt;
  De Dienst voor administratieve controle kan daarenboven aan de benadeelde persoon een verklaring uitreiken die geldt als voorlopige bijdragebon. Aan de hand van deze verklaring en rekening houdend met de andere verzekerbaarheidsgegevens, mogen de verzekeringsinstellingen eventueel voorlopige verzekeringskaarten uitreiken. Deze voorlopige kaarten hebben een geldigheidsduur van drie maanden.
  (In afwijking op het voorgaande lid, mag de voorlopige verzekeringskaart, afgeleverd voor het refertejaar 1994, verlengd worden tot 31 maart 1996.) <KB 1996-01-11/32, art. 1, 137; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
Art.198. <AR 1989-04-26/31, art. 16, 063; En vigueur : 01-01-1989> § 1. (L'Office national de l'emploi communique aux organismes assureurs, pour chaque année de référence, les données d'identification des chômeurs et les données d'assurabilité visées aux alinéas 3 et 4.
  Lorsque la transmission électronique de données s'avère être impossible ou lorsque le chômeur n'est pas affilié ou inscrit auprès d'un organisme assureur, l'organisme de paiement des allocations de chômage remet, dans les deux semaines qui suivent la constatation de l'impossibilité de transmettre les données relatives au chômage par voie électronique, une attestation de chômage papier au chômeur.
  L'attestation de chômage mentionne, pour chaque trimestre de l'année civile, notamment le nombre de journées de chômage contrôle, le nombre de jours de vacances légales et la période à laquelle ces journées se rapportent.
  Cette attestation comporte également une mention qui totalise, pour les quatre trimestres de l'année civile, le nombre de journées de chômage contrôlé et le nombre de jours de vacances légales.) <AR 1996-05-21/42, art. 1, 142; En vigueur : 01-01-1996>
  § 2. (abrogé) <AR 1993-04-28/34, art. 3, 112; En vigueur : 01-06-1992>
  § 3. Au chômeur qui met un terme à son chômage, en acceptant d'effectuer à l'intervention de l'Office national de l'Emploi, un travail domestique, cet office remet, dans les deux mois de la fin de chaque année civile, éventuellement par l'intermédiaire de l'employeur, l'attestation de travail domestique.
  (Cette attestation mentionne, pour chaque trimestre de l'année civile, notamment le nombre de jours de travail domestique et la période à laquelle ces jours se rapportent.
  Cette attestation comporte également une mention qui totalise, pour les quatre trimestres de l'année civile, le nombre de jours de travail domestique.) <AR 1989-09-20/32, art. 4, C, 066; En vigueur : 01-01-1989>
  § 4. Au travailleur bénéficiant d'une allocation d'interruption visée à l'article 4 de l'arrêté royal du 25 janvier 1985 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption, ou à l'article 4 de l'arrêté royal du 3 juillet 1985, relatif à l'interruption de la carrière professionnelle dans les administrations et les autres services des ministères, ou à l'article 6, § 3, alinéas 2 et 3 de l'arrêté royal du 29 août 1985 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux, ou à l'article 4, § 3, de l'arrêté royal du 27 novembre 1985 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle pour les membres du personnel administratif, du personnel spécialisé, du personnel de maîtrise et des gens de métier ou de service des institutions universitaires, ou à l'article 5 de l'arrêté royal du 4 août 1986 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption, l'Office national de l'Emploi délivre une attestation d'ayant droit à une allocation d'interruption, dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile au cours de laquelle le travailleur a bénéficié d'une allocation d'interruption.
  (Cette attestation mentionne, pour chaque trimestre de l'année civile, la période au cours de laquelle le travailleur a bénéficié de l'allocation d'interruption visée à l'alinéa 1er.
  Cette attestation mentionne également pour les quatres trimestres de l'année civile, la durée totale des périodes au cours desquelles le travailleur a bénéficié de l'allocation d'interruption visée à l'alinéa 1er.) <AR 1989-09-20/32, art. 4, D, 066; En vigueur : 01-01-1989>
  § 5. (...) <AR 1997-11-10/42, art. 1, 144; En vigueur : 1997-12-12>
Art.196. (Degene die een vergoeding, bijslag, rente of kapitaal verschuldigd is krachtens de wetgeving betreffende de vergoeding der schade voortspruitende uit arbeidsongevallen waarvan de rechthebbende valt onder het bepaalde in het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, reikt aan de betrokkene binnen twee maanden na het einde van het kalenderjaar de bijdragebon arbeidsongeval uit.) <KB 1989-04-26/31, art. 14, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  (Die bijdragebon vermeldt met name, voor elk kwartaal van het kalenderjaar, de aard van de schadeloosstelling, het bedrag van die schadeloosstelling waarop de bijdrage voor de ziekte- en invaliditeitsverzekering moet worden ingehouden, het tijdvak waarop ze betrekking heeft, alsmede de graad van arbeidsongeschiktheid.) <KB 1989-09-20/32, art. 2, 1, 066; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  (Die bijdragebon vermeldt tevens het bedrag van de in het tweede lid bedoelde schadeloosstelling voor de vier kwartalen samen van het kalenderjaar.) <KB 1989-09-20/32, art. 2, 2, 066; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
Art.199. <AR 12-02-1969, art. 2> Au début et à la fin de la période au cours de laquelle le travailleur remplit ses obligations militaires, l'autorité militaire lui délivre une attestation de milicien assuré social mentionnant respectivement les dates de début et de fin de son appel ou rappel sous les armes.
  Au début et à la fin de la période au cours de laquelle le travailleur remplit ses obligations (en application de la législation relative au statut des objecteurs de conscience, le) Service de la protection civile du Ministère de l'Intérieur lui délivre une attestation d'objecteur de conscience assuré social mentionnant respectivement les dates de début et de la fin de son appel ou rappel en service. <AR 17-10-1977, art. 1, 1°>
  Ces attestations doivent être remises à l'organisme assureur dans les trente jours de leur délivrance.
  Les bénéficiaires visés à l'article 21, 11°, de la loi du 9 août 1963 susvisée n'obtiennent le bénéfice des prestations qu'a la condition que le travailleur ait été assujetti à (la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs assimilés) ou à une législation étrangère de sécurité sociale, jusqu'au trentième jour au moins avant l'appel ou le rappel sous les armes, ou l'entrée en service à la protection civile (en application des dispositions de la législation relative au) statut des objecteurs de conscience. <AR 03-09-1971, art. 9> <AR 17-10-1977, art. 1, 2°>
  L'instance qui paie les allocations familiales délivre à l'orphelin de père et de mère dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile une attestation établissant que le titulaire est un orphelin de père et de mère bénéficiant du droit aux allocations familiales. L'attestation mentionne la période de l'année civile considérée pour laquelle les allocations familiales ont été payées.
  L'handicapé, orphelin de père et de mère, bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus en application de la loi du 7 février 1987 relative aux allocations aux handicapés est assimilé à l'orphelin de père et de mère bénéficiant d'allocations familiales.
  Le Ministère de la Prévoyance sociale délivre dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile à l'orphelin de père et de mère susvisé une attestation établissant que le titulaire est un orphelin de père et de mère bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus.
  Sur cette attestation figure la période de l'année civile considérée durant laquelle une allocation de remplacement de revenus a été octroyée.
  Ces attestations doivent être remises à l'organisme assureur dans les trois mois suivant l'année civile à laquelle elles se rapportent.
  La titulaire visée à l'article 21, premier alinéa, 4°, de la loi du 9 août 1963 précitée est tenue de produire, à titre de preuve de sa situation, un certificat dans lequel le médecin traitant mentionne la date présumée de l'accouchement. Ce certificat doit être remis à l'organisme assureur dans les trente jours suivant la date de début du repos d'accouchement visé à l'article 21, premier alinéa, 4°, précité. <KB 1989-12-07/31, art. 7, 069; En vigueur : 01-01-1989>
Art.197. (Het Fonds voor Beroepsziekten reikt de rechthebbende op vergoeding tegemoetkoming of rente welke bedoeld zijn in het koninklijk besluit van 18 januari 1964 tot regeling van de wijze van inning en verdeling van de sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd door de door beroepsziekten getroffenen die, krachtens de wetgeving op de schadeloosstelling inzake beroepsziekten, op vergoeding gerechtigd zijn, binnen twee maanden na het einde van elk kalenderjaar de bijdragebon beroepsziekte uit.) <KB 1989-04-26/31, art. 15, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  (Die bijdragebon vermeldt met name, voor elk kwartaal van het kalenderjaar, de aard van de schadeloosstelling, het bedrag van die schadeloosstelling waarop de bijdrage voor de ziekte- en invaliditeitsverzekering moet worden ingehouden, het tijdvak waarop ze betrekking heeft, alsmede de graad van arbeidsongeschiktheid.) <KB 1989-09-20/32, art. 3, 1, 066; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  (Die bijdragebon vermeldt tevens het bedrag van de in het tweede lid bedoelde schadeloosstelling voor de vier kwartalen samen van het kalenderjaar.) <KB 1989-09-20/32, art. 3, 2, 066; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
Art. 198. <AR 1989-04-26/31, art. 16, 063; En vigueur : 01-01-1989> § 1. (L'Office national de l'emploi communique aux organismes assureurs, pour chaque année de référence, les données d'identification des chômeurs et les données d'assurabilité visées aux alinéas 3 et 4.
  Lorsque la transmission électronique de données s'avère être impossible ou lorsque le chômeur n'est pas affilié ou inscrit auprès d'un organisme assureur, l'organisme de paiement des allocations de chômage remet, dans les deux semaines qui suivent la constatation de l'impossibilité de transmettre les données relatives au chômage par voie électronique, une attestation de chômage papier au chômeur.
  L'attestation de chômage mentionne, pour chaque trimestre de l'année civile, notamment le nombre de journées de chômage contrôle, le nombre de jours de vacances légales et la période à laquelle ces journées se rapportent.
  Cette attestation comporte également une mention qui totalise, pour les quatre trimestres de l'année civile, le nombre de journées de chômage contrôlé et le nombre de jours de vacances légales.) <AR 1996-05-21/42, art. 1, 142; En vigueur : 01-01-1996>
  § 2. (abrogé) <AR 1993-04-28/34, art. 3, 112; En vigueur : 01-06-1992>
  § 3. Au chômeur qui met un terme à son chômage, en acceptant d'effectuer à l'intervention de l'Office national de l'Emploi, un travail domestique, cet office remet, dans les deux mois de la fin de chaque année civile, éventuellement par l'intermédiaire de l'employeur, l'attestation de travail domestique.
  (Cette attestation mentionne, pour chaque trimestre de l'année civile, notamment le nombre de jours de travail domestique et la période à laquelle ces jours se rapportent.
  Cette attestation comporte également une mention qui totalise, pour les quatre trimestres de l'année civile, le nombre de jours de travail domestique.) <AR 1989-09-20/32, art. 4, C, 066; En vigueur : 01-01-1989>
  § 4. Au travailleur bénéficiant d'une allocation d'interruption visée à l'article 4 de l'arrêté royal du 25 janvier 1985 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption, ou à l'article 4 de l'arrêté royal du 3 juillet 1985, relatif à l'interruption de la carrière professionnelle dans les administrations et les autres services des ministères, ou à l'article 6, § 3, alinéas 2 et 3 de l'arrêté royal du 29 août 1985 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux, ou à l'article 4, § 3, de l'arrêté royal du 27 novembre 1985 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle pour les membres du personnel administratif, du personnel spécialisé, du personnel de maîtrise et des gens de métier ou de service des institutions universitaires, ou à l'article 5 de l'arrêté royal du 4 août 1986 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption, l'Office national de l'Emploi délivre une attestation d'ayant droit à une allocation d'interruption, dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile au cours de laquelle le travailleur a bénéficié d'une allocation d'interruption.
  (Cette attestation mentionne, pour chaque trimestre de l'année civile, la période au cours de laquelle le travailleur a bénéficié de l'allocation d'interruption visée à l'alinéa 1er.
  Cette attestation mentionne également pour les quatres trimestres de l'année civile, la durée totale des périodes au cours desquelles le travailleur a bénéficié de l'allocation d'interruption visée à l'alinéa 1er.) <AR 1989-09-20/32, art. 4, D, 066; En vigueur : 01-01-1989>
  § 5. (...) <AR 1997-11-10/42, art. 1, 144; En vigueur : 1997-12-12>
Art.198. <KB 1989-04-26/31, art. 16, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989> § 1. (De Rijksdienst voor arbeidsvoorziening deelt voor elk refertejaar aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens van de werklozen en de verzekerbaarheidsgegevens mee bedoeld in het derde en het vierde lid.
  Wanneer het elektronisch doorsturen van de gegevens onmogelijk blijkt of wanneer de werkloze niet bij een verzekeringsinstelling aangesloten of ingeschreven is, bezorgt de met de uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen belaste instelling binnen twee weken na de vaststelling van de onmogelijkheid om de gegevens inzake de werkloosheid langs electronische weg door te sturen, een papieren bewijs van werkloosheid aan de werkloze.
  Het bewijs van werkloosheid vermeldt met name voor elk kwartaal van het kalenderjaar het aantal dagen gecontroleerde werkloosheid, het aantal wettelijke vakantiedagen en het tijdvak waarop die dagen betrekking hebben.
  Dat bewijs vermeldt tevens het aantal dagen gecontroleerde werkloosheid en het aantal wettelijke vakantiedagen voor de vier kwartalen samen van het kalenderjaar.) <KB 1996-05-21/42, art. 1, 142; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  § 2. (opgeheven) <KB 1993-04-28/34, art. 3, 112; Inwerkingtreding : 01-06-1992>
  § 3. Aan de werkloze die een einde maakt aan zijn werkloosheid en door toedoen van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening huishoudelijke arbeid aanvaardt, reikt die dienst binnen de twee maanden na het einde van elk kalenderjaar, eventueel via de werkgever, het bewijs van huishoudelijke arbeid uit.
  (Dat bewijs vermeldt met name, voor elk kwartaal van het kalenderjaar, het aantal dagen huishoudelijke arbeid en het tijdvak waarop die dagen betrekking hebben.
  Dat bewijs vermeldt tevens het aantal dagen huishoudelijke arbeid voor de vier kwartalen samen van het kalenderjaar.) <KB 1989-09-20/32, art. 4, C, 066; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  § 4. Aan de werknemer die een onderbrekingsuitkering geniet, bedoeld bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 25 januari 1985 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, of bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 3 juli 1985 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan in de besturen en de andere diensten van de ministeries, of bij artikel 6, § 3, tweede en derde lid van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, of bij artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 27 november 1985 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan voor de leden van het administratief, gespecialiseerd, meesters-, vak- en dienstpersoneel van de universitaire instellingen of bedoeld bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 4 augustus 1986 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, reikt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening binnen twee maanden na het einde van elk kalenderjaar gedurende hetwelk hij een onderbrekingsuitkering heeft genoten, een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering uit.
  (Dat bewijs vermeldt, voor elk kwartaal van het kalenderjaar, het tijdvak waarover de werknemer de in het eerste lid bedoelde onderbrekingsuitkering heeft genoten.
  Dat bewijs vermeldt tevens voor de vier kwartalen samen van het kalenderjaar de totale duur van de tijdvakken waarover de werknemer de in het eerste lid bedoelde onderbrekingsuitkeringen heeft genoten.) <KB 1989-09-20/32, art. 4, D, 066; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  § 5. (...) <KB 1997-11-10/42, art. 1, 144; Inwerkingtreding : 1997-12-12>
Art. 199. <AR 12-02-1969, art. 2> Au début et à la fin de la période au cours de laquelle le travailleur remplit ses obligations militaires, l'autorité militaire lui délivre une attestation de milicien assuré social mentionnant respectivement les dates de début et de fin de son appel ou rappel sous les armes.
  Au début et à la fin de la période au cours de laquelle le travailleur remplit ses obligations (en application de la législation relative au statut des objecteurs de conscience, le) Service de la protection civile du Ministère de l'Intérieur lui délivre une attestation d'objecteur de conscience assuré social mentionnant respectivement les dates de début et de la fin de son appel ou rappel en service. <AR 17-10-1977, art. 1, 1°>
  Ces attestations doivent être remises à l'organisme assureur dans les trente jours de leur délivrance.
  Les bénéficiaires visés à l'article 21, 11°, de la loi du 9 août 1963 susvisée n'obtiennent le bénéfice des prestations qu'a la condition que le travailleur ait été assujetti à (la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs assimilés) ou à une législation étrangère de sécurité sociale, jusqu'au trentième jour au moins avant l'appel ou le rappel sous les armes, ou l'entrée en service à la protection civile (en application des dispositions de la législation relative au) statut des objecteurs de conscience. <AR 03-09-1971, art. 9> <AR 17-10-1977, art. 1, 2°>
  L'instance qui paie les allocations familiales délivre à l'orphelin de père et de mère dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile une attestation établissant que le titulaire est un orphelin de père et de mère bénéficiant du droit aux allocations familiales. L'attestation mentionne la période de l'année civile considérée pour laquelle les allocations familiales ont été payées.
  L'handicapé, orphelin de père et de mère, bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus en application de la loi du 7 février 1987 relative aux allocations aux handicapés est assimilé à l'orphelin de père et de mère bénéficiant d'allocations familiales.
  Le Ministère de la Prévoyance sociale délivre dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile à l'orphelin de père et de mère susvisé une attestation établissant que le titulaire est un orphelin de père et de mère bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus.
  Sur cette attestation figure la période de l'année civile considérée durant laquelle une allocation de remplacement de revenus a été octroyée.
  Ces attestations doivent être remises à l'organisme assureur dans les trois mois suivant l'année civile à laquelle elles se rapportent.
  La titulaire visée à l'article 21, premier alinéa, 4°, de la loi du 9 août 1963 précitée est tenue de produire, à titre de preuve de sa situation, un certificat dans lequel le médecin traitant mentionne la date présumée de l'accouchement. Ce certificat doit être remis à l'organisme assureur dans les trente jours suivant la date de début du repos d'accouchement visé à l'article 21, premier alinéa, 4°, précité. <KB 1989-12-07/31, art. 7, 069; En vigueur : 01-01-1989>
Art.199. <KB 12-02-1969, art. 2> Bij het begin en op het einde van het tijdvak waarin de werknemer legerdienst doet, reikt de militaire overheid hem een bewijs van sociaal verzekerde milicien uit, waarop respectievelijk de begin- en einddatum van zijn oproeping of wederoproeping onder de wapens vermeld staan.
  Bij het begin en op het einde van het tijdvak waarin de werknemer, met toepassing van de (wettelijke regeling betreffende het statuut van de gewetensbezwaarden dienst doet, reikt) de Dienst van de civiele bescherming bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken hem een bewijs van sociaal verzekerde gewetensbezwaarde uit, waarop respectievelijk de begin- en einddatum van zijn oproeping of wederoproeping in dienst vermeld staan. <KB 17-10-1977, art. 1, 1°>
  Die bewijzen moeten bij de verzekeringsinstelling worden afgegeven binnen dertig dagen na de uitreiking ervan.
  De in artikel 21, 11°, van voornoemde wet van 9 augustus 1963 bedoelde rechthebbenden verkrijgen het genot van de prestaties slechts op voorwaarden dat (de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden) of een buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid op de werknemer toepasselijk is geweest tot ten minste de dertigste dag vóór de oproeping of de wederoproeping onder de wapens, of de (indiensttreding met toepassing van de bepalingen van de wettelijke regeling betreffende) het statuut van de gewetensbezwaarden. <KB 03-09-1971, art. 9> <KB 17-10-1977, art. 1, 2°>
  (De instantie die de kinderbijslag uitbetaalt reikt de volle wees binnen de twee maanden na het einde van elk kalenderjaar een verklaring uit dat de gerechtigde een volle wees is die gerechtigd is op kinderbijslag. De verklaring vermeldt de periode uit het beschouwde kalenderjaar waarvoor de kinderbijslag werd betaald.
  De minder-valide volle wees die een inkomensvervangende tegemoetkoming geniet in toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, wordt gelijkgesteld met de volle wees die kinderbijslag geniet.
  Het Ministerie van Sociale Voorzorg reikt de hiervoor bedoelde minder-valide volle wees binnen de twee maanden na het einde van elk kalenderjaar een verklaring uit dat de gerechtigde een volle wees is die gerechtigd is op een inkomensvervangende tegemoetkoming.
  Die verklaring vermeldt de periode uit het beschouwde kalenderjaar waarover de inkomensvervangende tegemoetkoming werd verleend.
  Die verklaringen moeten bij de verzekeringsinstelling worden afgegeven binnen de drie maanden na het kalenderjaar waarop ze betrekking hebben.
  De in artikel 21, eerste lid, 4°, van de vorengenoemde wet van 9 augustus 1963 bedoelde gerechtigde is ertoe gehouden ten bewijze van haar toestand een verklaring over te leggen waarop haar behandelende geneesheer de vermoedelijke bevallingsdatum vermeldt. Deze verklaring moet bij de verzekeringsinstelling worden afgegeven binnen de dertig dagen na de aanvangsdatum van de in het voormelde artikel 21, eerste lid, 4°, bedoelde rust wegens zwangerschap.) <KB 1989-12-07/31, art. 7, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
Art.201. <AR 1996-05-21/42, art. 2, 142; En vigueur : 01-01-1996> Par dérogation aux alinéas 2 et 3, les documents de cotisation visés à l'article 194, § 1er, 1 à 3 et 6 à 8, doivent être remis par les titulaires à leur organisme assureur dans les trente jours qui suivent la délivrance de ces documents.
  Les données d'assurabilité déduites des déclarations trimestrielles des employeurs à l'Office national de sécurité sociale et les données d'assurabilité visées à l'article 198, § 1er, sont transmises aux organismes assureurs, par voie électronique, respectivement par l'Office précité et l'Office national de l'emploi, au plus tard le 20 mars de l'année qui suit celle à laquelle les données se rapportent.
  Les travailleurs qui ont reçu un bon de cotisation papier de l'Office national de sécurité sociale et les chômeurs qui ont reçu une attestation de chômage papier de l'organisme de paiement des allocations de chômage, doivent remettre ce document de cotisation à leur organisme assureur dans le mois qui suit la réception.
  Lorsque le titulaire n'a pas remis les documents de cotisation relatifs à l'année civile avant le 1er juillet de l'année suivante, le paiement des prestations se rapportant à des soins fournis à compter de la date susvisée ne peut avoir lieu avant la remise desdits documents de cotisation.
Art.200. Bij de aanvang van elk in artikel 21, 6°, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoeld tijdvak van voortgezette verzekering, maakt de verzekeringsinstelling een getuigschrift van voortgezette verzekering op, op basis van de door de betrokkene overgelegde bewijzen tot staving dat hij in de in artikel 216 gestelde voorwaarden verkeert.
Section 4. _ De la remise des documents de cotisation.
Afdeling 4. _ Afgifte van de bijdragebescheiden.
Art. 201. Par dérogation aux alinéas 2 et 3, les documents de cotisation visés à l'article 194, § 1er, 1 à 3 et 6 à 8, doivent être remis par les titulaires à leur organisme assureur dans les trente jours qui suivent la délivrance de ces documents.
Art.201. <KB 1996-05-21/42, art. 2, 142; Inwerkingtreding : 01-01-1996> In afwijking van het tweede en derde lid moeten de bijdragebescheiden bedoeld bij artikel 194, § 1, 1 tot 3 en 6 tot 8, door de gerechtigden aan hun verzekeringsinstelling worden afgegeven binnen de dertig dagen na uitreiking van die documenten.
  De verzekerbaarheidsgegevens afgeleid uit de driemaandelijkse aangiften van de werkgevers aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid en de verzekerbaarheidsgegevens bedoeld in artikel 198, § 1, worden elektronisch naar de verzekeringsinstellingen doorgestuurd, respectievelijk door de voormelde Rijksdienst en door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, uiterlijk op 20 maart van het jaar na dat waarop de gegevens betrekking hebben.
  De werknemers die een papieren bijdragebon hebben ontvangen van de Rijksdienst voor sociale zekerheid en de werklozen die een papieren bewijs van werkloosheid hebben ontvangen van de met de uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen belaste instelling, moeten dit bijdragedocument binnen de maand na ontvangst ervan aan hun verzekeringsinstelling afgeven.
  Wanneer de gerechtigde de bijdragebescheiden met betrekking tot het kalenderjaar niet heeft afgegeven vóór 1 juli van het volgende jaar, mogen de prestaties voor geneeskundige verstrekkingen verleend vanaf de voormelde datum niet worden betaald vóór de overhandiging van deze bijdragebescheiden.
Section 5. _ (Du stage pour le droit aux indemnités.) <AR 1989-04-26/31, art. 18, 063; En vigueur : 01-01-1989>
Art.202. (opgeheven) <KB 23-10-1967, art. 22>
Art.204. (Pour l'application de l'article 128, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, les titulaires doivent totaliser, au cours d'une période de six mois, au moins cent vingt jours de travail, telle que cette notion est définie dans le cadre de la législation relative à la sécurité sociale des travailleurs salariés.) <AR 1995-06-08/30, art. 6, 127; En vigueur : 01-01-1995>
   (Les travailleurs engagés en exécution d'une convention conclue dans le cadre de l'arrêté royal n° 179 du 30 décembre 1982 relatif aux expériences d'aménagement du temps de travail dans les entreprises en vue d'une redistribution du travail disponible, sont censés accomplir un nombre de jours de travail égal au nombre de jours prestés dans le cadre d'un travail exercé à temps plein lorsque la rémunération qui leur est accordée en vertu de la convention est égale à celle d'un travail analogue exercé à temps plein.) <AR 1985-04-22/30, art. 1, 010>
  (Les travailleurs occupés en exécution d'une convention collective de travail conclue sur base de la convention collective de travail numéro 42, conclue au sein du Conseil National du Travail en date du 2 juin 1987, concernant l'introduction de nouveaux régimes de travail dans les entreprises, et qui reçoivent une rémunération égale ou supérieure au montant du revenu minimum mensuel garanti, sont censés effectuer des prestations de travail à temps plein.) <AR 1989-04-26/31, art. 19, 2°, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  (Par dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel accomplissent leur stage s'ils ont accompli au cours d'une période de six mois, quatre cents heures de travail. La période de référence est cependant prolongée jusqu'a un maximum de dix-huit mois pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel qui, en raison de leur régime de travail, se trouvent dans l'impossibilité d'accomplir leur stage dans les six mois.) <AR 1995-06-08/30, art. 6, 127; En vigueur : 01-01-1995>
  Sont assimilés à des jours de travail pour l'application du même article:
  1. les jours d'inactivité résultant d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle entraînant une incapacité telle qu'elle est définie à l'article 56 de la loi du 9 août 1963;
  (1bis. les jours pour lesquels le titulaire bénéficie des prestations prévues en cas d'incapacité totale de travail, en vertu de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ou en vertu des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970;) <AR 1987-11-03/31, art. 1, 046; En vigueur : 1987-11-10>
  2. les jours de vacances annuelles légales;
  3. les jours de chômage involontaire contrôlé tels qu'ils sont définis à l'article 164;
  4. (abrogé) <AR 1993-04-28/34, art. 4, 112; En vigueur : 01-06-1992>
  5. (Les jours pendant lesquels le chômeur effectue, à l'intervention de l'Office national de l'Emploi, un travail domestique pour mettre un terme à son chômage;) <AR 1989-04-26/31, art. 19, 4°, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  6. les jours de grève reconnue par les organisations syndicales;
  7. les jours d'interruption du travail résultant d'un lock-out;
  8. les jours non prestés pour lesquels l'employeur est tenu de payer une rémunération;
  9. (les jours de repos compensatoire destinés à réduire la durée hebdomadaire du travail à une moyenne inférieure à 40 heures;) <AR 1989-04-26/31, art. 19, 5°, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  10. les jours pendant lesquels le travailleur est considéré en état d'incapacité de travail en application de l'article 239;
  (11. les jours pendant lesquels sont exercées des missions de juge ou de conseiller social auprès des juridictions du travail;) <AR 12-11-1970, art. 6>
  (12. les jours pendant lesquels le membre du personnel enseignant ou assimilé, engagé à titre temporaire, est considéré comme n'étant pas privé de rémunération parce que sa rémunération mensuelle était égale au dixième de la rémunération annuelle qui lui aurait été accordée s'il avait été engagé à titre définitif;) <AR 03-09-1971, art. 11, 1°>
  (13. les journées d'absence autorisée non rémunérées qui sont accordées pour des (raisons impérieuses) en vertu de conventions collectives sectorielles, de conventions d'entreprise ou de conventions individuelles entre l'employeur et le travailleur. L'assimilation est toutefois limitée à dix jours par an au maximum, que ceux-ci soient accordés en une ou plusieurs fois.) <AR 12-07-1976, art. 10> <AR 1990-05-10/31, art. 1, 077; En vigueur : 01-01-1990>
  (Pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel, les périodes d'inactivité visées à l'alinéa précédent, pour autant qu'elles coïncident avec des journées ou des périodes pendant lesquelles les travailleurs concernés auraient normalement travaillé, sont prises en compte (à concurrence du nombre d'heures de travail) qu'ils auraient accompli au cours de ces périodes.) <AR 18-05-1982, art. 4> <AR 1995-06-08/30, art. 6, 127; En vigueur : 01-01-1995>
   (Pour les travailleurs à temps plein qui sont occupés de manière permanente dans un régime de travail de cinq jours par semaine, le nombre de jours des périodes précitées pendant lesquelles l'activité hebdomadaire du travailleur s'est ou se serait répartie sur cinq jours est augmenté de 20 p.c., sauf si ces jours sont renseignés sans qu'il soit tenu compte de ce régime hebdomadaire de travail. Si le résultat obtenu comporte une fraction, il est arrondi à l'unité supérieure.) <AR 1995-06-08/30, art. 6, 127; En vigueur : 01-01-1995>
  (alinéa abrogé) <AR 1989-04-26/31, art. 19, 6°, 063; En vigueur : 01-01-1989>
Art.203. Onverminderd de bepalingen van artikel 201 is de verzekeringsinstelling gehouden tot aanvaarding van de buiten de in bedoeld artikel (gestelde termijn) overgelegde bijdragebescheiden. <KB 1986-05-14/31, art. 2, 025>
Art. 204bis. <AR 1989-04-26/31, art. 20, 063; En vigueur : 01-01-1989> § 1. Sans préjudice des dispositions de l'article 75 de la loi du 9 août 1963 précitée, les titulaires visées à l'article 72, § 1er, et les titulaires visées à l'article 72, § 2, alinéa 2 de la même loi qui ne remplissent pas les conditions de l'article 215, conservent le droit de bénéficier des prestations jusqu'à la fin du trimestre qui suit celui au cours duquel ils ont terminé le stage.
  § 2. Sans préjudice des dispositions de l'article 75 de la loi du 9 août 1963 précitée, les titulaires dispensés de l'accomplissement du stage conformément à l'article 72, § 2, alinéa 1er de la même loi conservent le droit au bénéfice des prestations jusqu'à la fin de la période qui prend cours le jour où ils ont acquis la qualité de titulaire et se termine à la fin du trimestre suivant.
  Ce droit leur est maintenu :
  1° pendant le premier trimestre qui suit la période définie à l'alinéa 1er, à condition que pour le trimestre au cours duquel ils ont acquis la qualité de titulaire, ils aient rempli les conditions, en matière de cotisation, prévues à la section 6 du présent chapitre;
  2° pendant le deuxième trimestre qui suit la période définie à l'alinéa 1er, à condition que pour cette même période, ils aient rempli les conditions, en matière de cotisation, prévue à la section 6 du présent chapitre.
Afdeling 5. _ (Wachttijd voor het recht op uitkeringen).
Art. 204. (Pour l'application de l'article 128, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, les titulaires doivent totaliser, au cours d'une période de six mois, au moins cent vingt jours de travail, telle que cette notion est définie dans le cadre de la législation relative à la sécurité sociale des travailleurs salariés.)
Art.204. (Voor de toepassing van artikel 128, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, moeten de gerechtigden in een tijdvak van zes maanden minimum 120 arbeidsdagen aantonen, zoals dit begrip gedefinieerd is in het kader van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid van de werknemers.) <KB 1995-06-08/30, art. 6, 127; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
   (De werknemers tewerkgesteld in uitvoering van een overeenkomst afgesloten in het kader van het koninklijk besluit nr. 179 van 30 december 1982 betreffende de experimenten voor aanpassing van de arbeidstijd in de ondernemingen met het oog op een herverdeling van de beschikbare arbeid, worden geacht een aantal arbeidsdagen te presteren gelijk aan het aantal dagen dat verricht wordt in het kader van een voltijdse gepresteerde arbeid, wanneer het loon, dat hen krachtens de overeenkomst wordt toegekend, gelijk is aan dit voor een gelijkwaardige voltijdse arbeidsprestatie.) <KB 1985-04-22/30, art. 1, 010>
  (De werknemers tewerkgesteld in uitvoering van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten op basis van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 42, afgesloten in de Nationale Arbeidsraad op 2 juni 1987 betreffende de uitvoering van nieuwe arbeidsregelingen in de ondernemingen en die een loon ontvangen dat gelijk is aan of hoger is dan het bedrag van het gewaarborgd gemiddelde minimum maandinkomen, worden geacht voltijds arbeidsprestaties te leveren.) <KB 1989-04-26/31, art. 19, 2°, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  (In afwijking van de bepalingen van het eerste lid volbrengen de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers hun wachttijd, indien zij over een periode van zes maanden vierhonderd arbeidsuren presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal achttien maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun wachttijd te vervullen binnen zes maanden.) <KB 1995-06-08/30, art. 6, 127; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  Worden voor de toepassing van hetzelfde artikel met arbeidsdagen gelijkgesteld :
  1. de dagen inactiviteit voortvloeiende uit een arbeidsongeval of een beroepsziekte waarmede een arbeidsongeschiktheid gemoeid is, zoals deze is omschreven in artikel 56 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963;
  (1bis. de dagen waarover de gerechtigde uitkeringen wegens volledige arbeidsongeschiktheid geniet krachtens de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 of krachtens de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten;) <KB 1987-11-03/31, art. 1, 046; Inwerkingtreding : 1987-11-10>
  2. de dagen wettelijke jaarlijkse vakantie;
  3. de in artikel 164 omschreven dagen gecontroleerde werkloosheid;
  4. (opgeheven) <KB 1993-04-28/34, art. 4, 112; Inwerkingtreding : 01-06-1992>
  5. (de dagen waarop de werkloze huishoudelijke arbeid verricht, door toedoen van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, om een einde te maken aan zijn werkloosheid;) <KB 1989-04-26/31, art. 19, 4°, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  6. de dagen van staking welke door de vakorganisaties is erkend;
  7. de dagen arbeidsonderbreking ingevolge lock-out;
  8. de dagen waarop geen arbeid werd verricht en waarover de werkgever loon moet betalen;
  9. (de rustdagen bestemd om de wekelijkse arbeidsduur te verminderen tot een gemiddelde lager dan 40 uur;) <KB 1989-04-26/31, art. 19, 5°, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  10. de dagen waarover de werknemer bij toepassing van artikel 239 beschouwd wordt in staat van arbeidsongeschiktheid te zijn;
  (11. de dagen tijdens welke ambten als rechter of raadsheer in sociale zaken bij de arbeidsgerechten worden uitgeoefend;) <KB 12-11-1970, art. 6>
  (12. de dagen gedurende dewelke het lid van het onderwijzend personeel of ermee gelijkgesteld, die tijdelijk aangeworven is, geacht wordt niet van zijn wedde verstoken te zijn daar zijn maandwedde gelijk was aan het tiende van de jaarwedde die hem zou toegekend zijn indien hij vast aangeworven was;) <KB 03-09-1971, art. 11, 1°>
  (13. de niet-bezoldigde gewettigde afwezigheidsdagen die ten gevolge van sectoriële collectieve overeenkomsten, ondernemingsovereenkomsten of individuele overeenkomsten tussen werkgever en werknemer worden toegekend omwille van (dwingende redenen). De gelijkstelling blijft evenwel beperkt tot maximaal tien dagen per jaar, ongeacht of zij nu ineens dan wel met gedeelten worden toegekend.) <KB 12-7-1976, art. 10> <KB 1990-05-10/31, art. 1, 077; Inwerkingtreding : 01-01-1990>
  (Voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers worden de in het vorig lid vermelde inactiviteitsperiodes,voor zover zij samenvallen met dagen of periodes waarop de betrokken werknemers normaal zouden hebben gewerkt,meegerekend (ten belope van het aantal arbeidsuren) dat zij tijdens deze periodes zouden gepresteerd hebben.) <KB 18-05-1982, art.4> <KB 1995-06-08/30, art. 6, 127; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  (Voor de voltijdse werknemers die op permanente wijze tewerkgesteld zijn in een arbeidsregime van vijf dagen per week, wordt het aantal dagen van de vorengenoemde tijdvakken, waarover de wekelijkse activiteit van de werknemer verdeeld is of zou zijn geweest over vijf dagen, vermeerderd met 20 pct., behalve wanneer die dagen werden opgegeven zonder dat rekening is gehouden met die wekelijkse arbeidsregeling. Indien het bekomen resultaat een breuk bevat, dan wordt het resultaat naar de hogere eenheid afgerond.) <KB 1995-06-08/30, art. 6, 127; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  (lid opgeheven) <KB 1989-04-26/31, art. 19, 6°, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
Art. 204ter. § 1. En application de l'article 66, § 2 et suivants de la loi du 9 août 1963 susvisée, les personnes énumérées ci-après doivent accomplir un stage de six mois qui prend cours (au début du mois au cours duquel) ils acquièrent la qualité de titulaire : <AR 1990-05-23/34, art. 1, 078; En vigueur : 09-01-1990>
  1. (les personnes qui, dans les six mois qui précédaient leur affiliation ou leur inscription, n'étaient pas bénéficiaires d'interventions pour soins de santé à charge des pouvoirs publics belges.) <AR 1991-08-19/36, art. 1, 096; En vigueur : 15-06-1991>
  2. les personnes qui, dans les six mois qui précédaient leur affiliation ou leur inscription, n'étaient pas bénéficiaires d'un régime d'assurance-soins de santé organisé par un Etat membre de la C.E.E. ou un Etat avec lequel la Belgique a conclue une convention en matière de sécurité sociale relative à la totalisation des périodes d'assurance;
  3. (les personnes visées ci-dessus, qui ont leur résidence principale en Belgique et qui, dans les six mois qui précèdent leur affiliation ou inscription, ne tombent pas sous l'application d'un statut d'un organisme de droit international ou européen, établi en Belgique, prévoyant une intervention dans le coût des soins de santé.) <AR 1992-12-17/38, art. 5, 109; En vigueur : 01-07-1993>
  (Pour les titulaires visés à l'article 32, premier alinéa, 1°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, les données visées à l'article 195, néanmoins limitées à la durée du stage, doivent être transmises selon la procédure exposée dans l'article précité, dans le mois suivant la fin du stage.
  Dans le mois suivant la fin du stage un document est délivré, pour les titulaires qui ne sont pas visés à l'alinéa précédent, par les instances ou les personnes qui délivrent pour les titulaires concernés les bons de cotisation visés à l'article 194, § 1er comportant les mêmes données que celles qui figurent sur ces bons de cotisation, néanmoins limitées à la durée du stage.
  Le bénéficiaire remet le document concerné, visé à l'alinéa précédent, ou le bon de cotisation papier qu'il reçoit, le cas échéant, en application de l'article 195, § 1er, à son organisme assureur dans les deux mois qui suivent la fin du stage.
  L'organisme assureur contrôle si, sur la base des données ou documents précités, la valeur minimum est atteinte dans le cadre de l'assurance soins de santé et, le cas échéant de l'assurance indemnités ; elle réclame éventuellement une cotisation complémentaire selon les règles prescrites à l'article 210. Pour ce faire, elle prend comme base la moitié du salaire minimum annuel, de même que le dénominateur 120.) <AR 1995-06-08/30, art. 7, 127; En vigueur : 01-01-1995>
  § 2. Pour la personne dont le stage prévu à l'article 66, § 2, de la loi du 9 août 1963 susvisée, a été interrompu du fait de son appel ou rappel sous les armes et qui retrouve, dans les trente jours suivant la fin de son service militaire, la qualité de titulaire telle qu'elle est définie à l'article 21, 1°, 3° et 5° (ainsi qu'à l'article 22, 6° et 7°) de la loi précitée, le stage est considéré comme accompli dès qu'elle remplit, compte tenu de la partie de stage déjà effectuée, et de la valeur des documents de cotisation remis, les conditions exigées par l'article 66 précité. <AR 1989-12-07/31, art. 9, 069; En vigueur : 01-01-1989>
  Lorsque la personne visée à l'alinéa précédent se trouve dans les trente jours suivant le renvoi dans les foyers ou l'envoi en congé illimité, en un état d'incapacité de travail au sens de l'article 56, § 1er, de la loi du 9 août 1963 susvisée, causé par un accident survenu ou une affection contractée pendant la présence sous les armes, le stage est considéré comme accompli.
  Il en va de même, lorsque cette personne, appelée ou rappelé sous les armes, est absente de son service pour raison de santé pour autant que son absence ne soit pas imputée sur la durée de son appel.
  § 3. Est assimilée pour l'application de la présente disposition, à une période d'appel ou de rappel sous les armes, la période d'accomplissement des obligations en vertu de la législation relative au statut des objecteurs de conscience.
  § 4. Les dispositions du présent article ne sont pas d'application aux titulaires vises à l'article 21, 7° à 9° et 13° de la loi du 9 août 1963 susvisée.
  (Les dispositions du présent article ne sont pas davantage applicables aux titulaires qui pendant les six mois qui précédaient leur affiliation ou leur inscription sont arrivés en Belgique sous la protection du Gouvernement belge et auxquels la qualité de réfugiés politiques a été reconnue par le Commissaire général pour les réfugiés et les apatrides.) <AR 1989-12-07/31, art. 10, 069; En vigueur : 01-01-1989>
  (§ 5. Le délai de 6 mois mentionné au § 1er, sous 1, 2 et 3 est interrompu pendant la période durant laquelle l'intéressé est envoyé à l'étranger par son employeur ou son autorité religieuse pour y accomplir une mission.) <AR 1991-08-19/36, art. 2, 096; En vigueur : 15-06-1991>
Art. 204bis. § 1. Onverminderd het bepaalde in art. 75 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 behouden de gerechtigden bedoeld in artikel 72, § 1, en de gerechtigden bedoeld in artikel 72, § 2, tweede lid van dezelfde wet, die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 215, het recht om verstrekkingen te genieten tot het einde van het kwartaal na dat waarin zij de wachttijd hebben volbracht.
Section 6. _ (De la valeur minimum des documents de cotisation, pour les secteurs soins de santé et indemnités.) .
Afdeling 5bis. _ (Wachttijd voor het recht op geneeskundige verstrekkingen.)
Art. 204ter. § 1. En application de l'article 66, § 2 et suivants de la loi du 9 août 1963 susvisée, les personnes énumérées ci-après doivent accomplir un stage de six mois qui prend cours (au début du mois au cours duquel) ils acquièrent la qualité de titulaire :
Art. 204ter. § 1. In toepassing van artikel 66, § 2 en volgende van vorengenoemde wet van 9 augustus 1963, moeten de hierna opgesomde personen een wachttijd van zes maanden volbrengen die aanvangt (bij het begin van de maand waarin) dat zij de hoedanigheid van gerechtigde verwerven :
Art.206. Le titulaire pour lequel l'organisme assureur a reçu un ou des documents de cotisation, représentant ensemble pour (une année) une valeur de cotisation inférieure aux minimums fixés à l'article 205, n'a droit pour lui et les personnes à sa charge aux prestations prévues par la loi du 9 août 1963 susvisée, qu'à la condition d'avoir versé à l'organisme assureur (pour l'année de référence visée à l'article 68 de la loi précitée), toutes les cotisations, dites compléments de cotisation, destinées à combler la différence.
Afdeling 6. _ (Minimumwaarde van de bijdragebescheiden voor de sektor geneeskundige verzorging en de sektor uitkeringen.)
Art. 205. La valeur minimum que les documents de cotisation doivent atteindre est égale au produit de la multiplication des rémunérations annuelles fixées ci-dessous par la somme des taux des cotisations de sécurité sociale destinées au secteur des soins de santé et le cas échéant, au secteur indemnités, de l'assurance maladie-invalidité, respectivement pour les travailleurs manuels, les travailleurs intellectuels et les ouvriers mineurs :
Art.205. <KB 1989-04-26/31, art. 23, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989> De minimumwaarde welke de bijdragebescheiden moeten bereiken is gelijk aan het produkt van de vermenigvuldiging van de hierna vastgestelde jaarlijkse lonen met de som van de hoegrootheden der bijdragen voor sociale zekerheid, bestemd voor de sector geneeskundige verzorging en, desgevallend, voor de sektor uitkeringen van de ziekte- en invaliditeitsverzekeringen, respectievelijk voor de handarbeiders, de hoofdarbeiders en de mijnwerkers :
  21 jaar en ouder ...
  zes maal het bedrag van het gemiddeld minimum maandinkomen dat wordt gewaarborgd door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 die is afgesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juli 1988;
  19 en 20 jaar ...
  drie vierden van het bedrag dat in aanmerking moet worden genomen voor de leeftijdsschijf boven de 21 jaar;
  17 en 18 jaar ...
  de helft van het bedrag dat in aanmerking moet worden genomen voor de leeftijdsschijf boven 21 jaar;
  jonger dan 17 jaar ...
  een derde van het bedrag dat in aanmerking moet worden genomen voor de leeftijdsschijf boven 21 jaar.
  De minimumwaarde die de gerechtigde dient te bewijzen is deze voor de leeftijdscategorie waartoe hij behoort bij het begin van het kalenderjaar of deze waaraan hij beantwoordt op het ogenblik van zijn inschrijving. De aanpassing van het gemiddeld minimum maandinkomen aan de index per consumptieprijzen in de loop van een kalenderjaar heeft, voor het bepalen van de minimumwaarde die moet bewezen worden, slechts uitwerking op 1 januari die volgt op de toepassing ervan.
  Nochtans worden voor de minder-validen die in de beschutte werkplaatsen zijn tewerkgesteld de in aanmerking te nemen jaarlijkse lonen aldus vastgesteld :
  21 jaar en ouder.....80.400
  19 en 20 jaar........64.800
  17 en 18 jaar........48.000
  jonger dan 17 jaar...40.800
  De minimumwaarde die moet bereikt worden voor het tijdvak bedoeld bij artikel 66, § 2, of 72, § 1, van vorengenoemde wet van 9 augustus 1963 is gelijk aan de helft van de hierboven vermelde minimumwaarde.
  (Deze minimumwaarde wordt op dezelfde wijze aangepast in verhouding tot de referteperiode die in aanmerking moet worden genomen wanneer deze referteperiode is teruggebracht tot een kortere periode of langer is dan één jaar.) <KB 1989-12-07/31, art. 12, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
Art. 206. <AR 1986-05-14/31, art. 3, 025> Le titulaire pour lequel l'organisme assureur a reçu un ou des documents de cotisation, représentant ensemble pour (une année) une valeur de cotisation inférieure aux minimums fixés à l'article 205, n'a droit pour lui et les personnes à sa charge aux prestations prévues par la loi du 9 août 1963 susvisée, qu'à la condition d'avoir versé à l'organisme assureur (pour l'année de référence visée à l'article 68 de la loi précitée), toutes les cotisations, dites compléments de cotisation, destinées à combler la différence. <AR 1989-04-26/31, art. 24, 1°et 2°, 063; En vigueur : 01-01-1989>
Art.206. <KB 1986-05-14/31, art. 3, 025> De gerechtigde voor wie de verzekeringsinstelling één of meer bijdragebescheiden heeft ontvangen welke voor (een jaar) samen een bijdragewaarde beneden de in artikel 205 vastgestelde minimumwaarde vertegenwoordigen, heeft persoonlijk en voor de personen te zijnen laste slechts recht op de bij vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bepaalde prestaties op voorwaarde dat hij aan de verzekeringsinstelling (voor het in artikel 68 van voornoemde wet bedoelde refertejaar) alle zogenoemde aanvullende bijdragen ter dekking van het verschil heeft gestort. <KB 1989-04-26/31, art. 24, 1° en 2°, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
Art. 207. <AR 1989-04-26/31, art. 25, 063; En vigueur : 01-01-1989> (...) <AR 1989-12-07/31, art. 13, 069; En vigueur : 01-01-1989>
  Le droit aux prestations de l'assurance soins de santé est suspendu jusqu'au moment du paiement dudit complément.
  Le paiement des indemnités auxquelles le titulaire pourrait prétendre à partir du premier juillet de l'année suivant l'année de référence susvisée, est de même suspendu tant que l'intéressé n'a pas payé le complément de cotisation requis dans le cadre de l'assurance-indemnités pour ladite année de référence, si en raison du défaut de paiement de ce complément de cotisation le titulaire ne remplit pas les conditions d'assurance requises pour l'octroi des indemnités en vertu des articles 72 à 74 de la loi du 9 août 1963 précitée; dans un tel cas, l'organisme assureur procède en outre à la récupération des indemnités payées indûment à l'intéressé.
Art.207. <KB 1989-04-26/31, art. 25, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989> (...) <KB 1989-12-07/31, art. 13, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  Het recht op de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging wordt opgeschort tot de aanvullende bijdrage is betaald.
  De betaling van de uitkeringen waarop de gerechtigde aanspraak zou kunnen maken vanaf 1 juli van het jaar dat volgt op het voornoemde refertejaar, wordt eveneens geschorst zolang de gerechtigde de aanvullende bijdrage niet heeft betaald die vereist is in het kader van de uitkeringsverzekering voor het voormelde refertejaar, indien de gerechtigde wegens het ontbreken van deze aanvullende bijdrage de vereiste verzekeringsvoorwaarden niet vervult die gesteld worden voor de toekenning van de uitkeringen in toepassing van de artikelen 72 tot 74 van de hierboven vernoemde wet van 9 augustus 1963; in dergelijk geval vordert de verzekeringsinstelling bovendien de uitkeringen terug die ten onrechte aan de gerechtigde werden betaald.
Art.210. <AR 1991-08-19/36, art. 3, 096; En vigueur : 15-06-1991, excepté le point A, 2, 2°, qui produit ses effets au 1er janvier 1991.> Le complément de cotisation se calcule comme suit :
  A. De la rémunération annuelle fixée à l'article 205 sont déduits :
  1. Le montant indiqué sur les bons de cotisation;
  2. Pour chacune des périodes de l'année de référence énumérées ci-après, telles qu'elles sont le cas échéant mentionnées sur les bons de cotisation respectifs, le montant obtenu en multipliant la rémunération annuelle fixée à l'article 205 par une fraction dont le numérateur est constitué par le nombre de jours ouvrables de la période et dont le dénominateur est 240 :
  1° la période au cours de laquelle le titulaire a été reconnu incapable de travailler ou s'est trouvé en repos de maternité au sens de la loi du 9 août 1963 précitée;
  2° la période au cours de laquelle le titulaire a épuisé le reste du repos postnatal, à la place de la mère, conformément, à l'article 61quinquies, alinéa 4, de la loi du 9 août 1963;
  3° la période se composant des jours au cours desquels le titulaire était en chômage contrôlé;
  ,4° la période au cours de laquelle la travailleuse avait cessé le travail ou interrompu une période de chômage contrôlé pour se reposer au plus tôt à partir du cinquième mois de grossesse;
  5° la période au cours de laquelle le titulaire a, pour mettre un terme à son chômage, effectué un travail domestique tout en conservant, pour l'application de la réglementation de l'assurance chômage, la qualité de salarié habituel;
  6° la période pendant laquelle le titulaire était lié par un contrat d'apprentissage des professions exercées par des travailleurs salariés;
  7° la période d'assurance continuée; cette période ne peut toutefois être prise en considération qu'à la condition que la cotisation à l'assurance continuée, prévue à l'article 219, ait été payée;
  8° la période de service militaire ou la période au cours de laquelle le titulaire remplit ses obligations en application de la législation relative au statut des objecteurs de conscience;
  9° la période au cours de laquelle l'intéressé était inscrit en la qualité visée à l'article 21, 7° à 9° de la loi du 9 août 1963 précitée; pour les titulaires visés à l'article 21, 7° à 9°, qui sont redevables d'une cotisation personnelle, cette période n'est toutefois prise en considération qu'à la condition que cette cotisation ait été payée;
  10° la période au cours de laquelle le titulaire était personne à charge au sens de l'article 21, 10° à 12°, de la loi du 9 août 1963 précitée ou en application d'un régime instauré en application de l'article 22 de cette même loi ou continuait à bénéficier des prestations en vertu de l'article 168 ainsi que la période au cours de laquelle le titulaire avait la qualité de titulaire au sens de l'article 21, premier alinéa, 13°, de la loi précitée du 9 août 1963;
  11° la période se composant du trimestre ou des trimestres pour lequel ou lesquels la cotisation visée à l'article 214septies a été payée ou pour laquelle une dispense de payement a été obtenue en vertu de ce même article;
  12° la période pendant laquelle existait le droit aux interventions pour soins de santé à charge des pouvoirs publics belges en dehors des régimes d'assurance obligatoire relevant de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, ou pendant laquelle le droit aux interventions existait en application d'un régime d'assurance obligatoire d'un pays étranger avec lequel une convention de sécurité sociale est intervenue ou en vertu d'un régime d'assurance obligatoire organisé par un des Etats-membres de la C.E.E.;
  13° la période se composant de jours ouvrables d'assujettissement à un régime instauré en exécution de l'article 22 de la loi du 9 août 1963 précitée; une telle période ne peut toutefois être prise en considération qu'à la condition que le titulaire ait rempli ses obligations de cotisation en application des régimes d'assurance soins de santé précités; s'il apparaît cependant que le titulaire a été assujetti pendant toute l'année de référence à l'arrêté royal du 30 juillet 1964 précité et qu'il a droit aux prestations sur la base de cet arrêté sans être obligé de payer une cotisation en application de l'article 29 du même arrêté, la période d'assujettissement à cet arrêté n'est cependant pas prise en considération;
  14° la période de vacances annuelles légales;
  15° la période consacrée à l'accomplissement de devoirs civiques, d'un mandat public ou d'obligations syndicales;
  16° la période comprenant les jours ouvrables visés aux articles 2 et 3 de la loi du 1er juillet 1963 portant instauration de l'octroi d'une indemnité de promotion sociale;
  17° la période composée des jours de grève reconnus par les organisations syndicales ou les jours d'interruption de travail consécutive à un lock-out.
  B. § 1. Le montant du complément de cotisation s'obtient en multipliant le montant résultant de l'application du littera A arrondi à la centaine supérieure, par la somme des taux de cotisation dus pour le secteur des soins de santé et le cas échéant indemnités de l'assurance maladie-invalidité obligatoire.
  Toutefois, si ce montant est inférieur à 400 F, il n'y a pas lieu de réclamer de complément de cotisation.
  § 2. Si, au cours de l'année de référence considérée un ou plusieurs mois se situent dans la période de stage visée à l'article 204ter, et qu'un complément de cotisation a été payé concernant ce stage, ce complément de cotisation doit être déduit proportionnellement, du complément de cotisation à payer pour l'année de référence considérée.
  Le montant qui doit ainsi être déduit est calculé en multipliant le montant du complément de cotisation payé pour le stage par une fraction dont le numérateur est constitué par le nombre de mois de ce stage se situant dans l'année de référence considérée et le dénominateur par le nombre de mois de stage.
  § 3. Lorsqu'il convient de vérifier si un complément de cotisation est dû pour une année de référence, comprenant une période qui ne peut faire partie des périodes énumérées sous A. 2, de la présente disposition et se situant avant le début du stage tombant au cours de cette même année de référence, il y a lieu, pour le calcul du complément de cotisation, de diminuer la valeur minimum visée à l'article 205 proportionnellement à la durée de cette période.
Art.208. <KB 1986-05-14/31, art. 5, 025> Door de verzekeringsinstellingen worden ter beschikking van de Dienst voor administratieve controle de (lijsten) gehouden van de aanvullende bijdragen die ze van hun leden hebben geïnd of de documenten waaruit blijkt dat de aanvullende bijdragen werden geïnd. <KB 1989-04-26/31, art. 26, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
Art. 210bis. <AR 03-10-1967, art. 19> (Pour les personnes assujetties, d'une part, soit à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, pour le régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé et des indemnités, soit à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés et, d'autre part, à la loi du 27 juin 1969 précitée pour le régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, limité au seul secteur des soins de santé, il y a lieu d'appliquer les dispositions (de l'article 210, A et B), séparément en ce qui concerne le secteur des soins de santé et le secteur des indemnités.) <AR 03-09-1971, art. 14, 1°> <AR 1989-04-26/31, art. 29, 1°, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  (alinéa 2 abrogé) <AR 1989-04-26/31, art. 29, 2°, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  (alinéa 3 abrogé) <AR 1989-04-26/31, art. 29, 2°, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  (alinéa 4 abrogé) <AR 1989-04-26/31, art. 29, 2°, 063; En vigueur : 01-01-1989>)
Art.209. (opgeheven vanaf 01-01-1989) <KB 1989-12-07/31, art. 14, 069>
Art. 210. <AR 1991-08-19/36, art. 3, 096; En vigueur : 15-06-1991, excepté le point A, 2, 2°, qui produit ses effets au 1er janvier 1991.> Le complément de cotisation se calcule comme suit :
  A. De la rémunération annuelle fixée à l'article 205 sont déduits :
  1. Le montant indiqué sur les bons de cotisation;
  2. Pour chacune des périodes de l'année de référence énumérées ci-après, telles qu'elles sont le cas échéant mentionnées sur les bons de cotisation respectifs, le montant obtenu en multipliant la rémunération annuelle fixée à l'article 205 par une fraction dont le numérateur est constitué par le nombre de jours ouvrables de la période et dont le dénominateur est 240 :
  1° la période au cours de laquelle le titulaire a été reconnu incapable de travailler ou s'est trouvé en repos de maternité au sens de la loi du 9 août 1963 précitée;
  2° la période au cours de laquelle le titulaire a épuisé le reste du repos postnatal, à la place de la mère, conformément, à l'article 61quinquies, alinéa 4, de la loi du 9 août 1963;
  3° la période se composant des jours au cours desquels le titulaire était en chômage contrôlé;
  ,4° la période au cours de laquelle la travailleuse avait cessé le travail ou interrompu une période de chômage contrôlé pour se reposer au plus tôt à partir du cinquième mois de grossesse;
  5° la période au cours de laquelle le titulaire a, pour mettre un terme à son chômage, effectué un travail domestique tout en conservant, pour l'application de la réglementation de l'assurance chômage, la qualité de salarié habituel;
  6° la période pendant laquelle le titulaire était lié par un contrat d'apprentissage des professions exercées par des travailleurs salariés;
  7° la période d'assurance continuée; cette période ne peut toutefois être prise en considération qu'à la condition que la cotisation à l'assurance continuée, prévue à l'article 219, ait été payée;
  8° la période de service militaire ou la période au cours de laquelle le titulaire remplit ses obligations en application de la législation relative au statut des objecteurs de conscience;
  9° la période au cours de laquelle l'intéressé était inscrit en la qualité visée à l'article 21, 7° à 9° de la loi du 9 août 1963 précitée; pour les titulaires visés à l'article 21, 7° à 9°, qui sont redevables d'une cotisation personnelle, cette période n'est toutefois prise en considération qu'à la condition que cette cotisation ait été payée;
  10° la période au cours de laquelle le titulaire était personne à charge au sens de l'article 21, 10° à 12°, de la loi du 9 août 1963 précitée ou en application d'un régime instauré en application de l'article 22 de cette même loi ou continuait à bénéficier des prestations en vertu de l'article 168 ainsi que la période au cours de laquelle le titulaire avait la qualité de titulaire au sens de l'article 21, premier alinéa, 13°, de la loi précitée du 9 août 1963;
  11° la période se composant du trimestre ou des trimestres pour lequel ou lesquels la cotisation visée à l'article 214septies a été payée ou pour laquelle une dispense de payement a été obtenue en vertu de ce même article;
  12° la période pendant laquelle existait le droit aux interventions pour soins de santé à charge des pouvoirs publics belges en dehors des régimes d'assurance obligatoire relevant de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, ou pendant laquelle le droit aux interventions existait en application d'un régime d'assurance obligatoire d'un pays étranger avec lequel une convention de sécurité sociale est intervenue ou en vertu d'un régime d'assurance obligatoire organisé par un des Etats-membres de la C.E.E.;
  13° la période se composant de jours ouvrables d'assujettissement à un régime instauré en exécution de l'article 22 de la loi du 9 août 1963 précitée; une telle période ne peut toutefois être prise en considération qu'à la condition que le titulaire ait rempli ses obligations de cotisation en application des régimes d'assurance soins de santé précités; s'il apparaît cependant que le titulaire a été assujetti pendant toute l'année de référence à l'arrêté royal du 30 juillet 1964 précité et qu'il a droit aux prestations sur la base de cet arrêté sans être obligé de payer une cotisation en application de l'article 29 du même arrêté, la période d'assujettissement à cet arrêté n'est cependant pas prise en considération;
  14° la période de vacances annuelles légales;
  15° la période consacrée à l'accomplissement de devoirs civiques, d'un mandat public ou d'obligations syndicales;
  16° la période comprenant les jours ouvrables visés aux articles 2 et 3 de la loi du 1er juillet 1963 portant instauration de l'octroi d'une indemnité de promotion sociale;
  17° la période composée des jours de grève reconnus par les organisations syndicales ou les jours d'interruption de travail consécutive à un lock-out.
  B. § 1. Le montant du complément de cotisation s'obtient en multipliant le montant résultant de l'application du littera A arrondi à la centaine supérieure, par la somme des taux de cotisation dus pour le secteur des soins de santé et le cas échéant indemnités de l'assurance maladie-invalidité obligatoire.
  Toutefois, si ce montant est inférieur à 400 F, il n'y a pas lieu de réclamer de complément de cotisation.
  § 2. Si, au cours de l'année de référence considérée un ou plusieurs mois se situent dans la période de stage visée à l'article 204ter, et qu'un complément de cotisation a été payé concernant ce stage, ce complément de cotisation doit être déduit proportionnellement, du complément de cotisation à payer pour l'année de référence considérée.
  Le montant qui doit ainsi être déduit est calculé en multipliant le montant du complément de cotisation payé pour le stage par une fraction dont le numérateur est constitué par le nombre de mois de ce stage se situant dans l'année de référence considérée et le dénominateur par le nombre de mois de stage.
  § 3. Lorsqu'il convient de vérifier si un complément de cotisation est dû pour une année de référence, comprenant une période qui ne peut faire partie des périodes énumérées sous A. 2, de la présente disposition et se situant avant le début du stage tombant au cours de cette même année de référence, il y a lieu, pour le calcul du complément de cotisation, de diminuer la valeur minimum visée à l'article 205 proportionnellement à la durée de cette période.
Art.210. <KB 1991-08-19/36, art. 3, 096; Inwerkingtreding : 15-06-1991, uitgezonderd punt A, 2, 2°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1991.> De aanvullende bijdrage wordt als volgt berekend :
  A. Van het jaarloon vastgesteld in artikel 205 worden afgetrokken :
  1. Het bedrag vermeld op de bijdragebons;
  2. Voor elk van de hierna opgesomde tijdvakken uit het refertejaar, zoals die in voorkomend geval zijn vermeld op de respectievelijke bijdragebescheiden, het bedrag dat bekomen wordt door het jaarloon vastgesteld in artikel 205 te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller gevormd wordt door het aantal werkdagen van het tijdvak en waarvan de noemer 240 bedraagt :
  1° het tijdvak tijdens hetwelk de gerechtigde arbeidsongeschikt is erkend of zich in moederschapsrust bevindt, zoals bedoeld in de vorengenoemde wet van 9 augustus 1963;
  2° het tijdvak tijdens hetwelk de gerechtigde in de plaats van de moeder de rest van de nabevallingsrust heeft opgenomen, overeenkomstig artikel 67quinquies, 4elid, van de wet van 9 augustus 1963;
  3° het tijdvak, bestaande uit de dagen tijdens welke de gerechtigde gecontroleerd werkloze was;
  4° het tijdvak in de loop waarvan de werkneemster de arbeid of een tijdvak van gecontroleerde werkloosheid had onderbroken om ten vroegste vanaf de vijfde maand van de zwangerschap te rusten;
  5° het tijdvak in de loop waarvan de gerechtigde, om een einde te maken aan zijn werkloosheid, huishoudelijke arbeid heeft verricht en toch, voor de toepassing van de reglementering inzake werkloosheidsverzekering, de hoedanigheid van gewoon werknemer in loondienst heeft behouden;
  6° het tijdvak, waarover de gerechtigde door een leerovereenkomst voor beroepen uitgeoefend door arbeiders in loondienst verbonden was;
  7° het tijdvak van voortgezette verzekering; dit tijdvak mag echter slechts in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat de in artikel 219 bedoelde bijdrage van voortgezette verzekering betaald werd;
  8° het tijdvak van legerdienst, of het tijdvak waarin de werknemer, met toepassing van de wettelijke regeling betreffende het statuut van gewetensbezwaarden, dienst doet;
  9° het tijdvak waarover betrokkene ingeschreven was in de hoedanigheid bedoeld in artikel 21, 7° tot 9° van vorengenoemde wet van 9 augustus 1963; voor de in artikel 21, 7° tot 9° bedoelde gerechtigden die gehouden zijn een persoonlijke bijdrage te betalen wordt dit tijdvak echter slechts in aanmerking genomen indien die persoonlijke bijdrage betaald werd;
  10° het tijdvak waarover de gerechtigde persoon ten laste was in de zin van artikel 21, 10° tot 12° van vorengenoemde wet van 9 augustus 1963 of in toepassing van een regeling ingesteld in uitvoering van artikel 22 van dezelfde wet of verder recht had op verstrekkingen in toepassing van artikel 168, alsmede het tijdvak waarover de gerechtigde de hoedanigheid had van gerechtigde als bedoeld in artikel 21, eerste lid, 13°, van de voorgenoemde wet van 9 augustus 1963;
  11° het tijdvak gevormd door het kwartaal of de kwartalen waarvoor de in artikel 214septies bedoelde bijdrage werd betaald of waarvoor vrijstelling van betaling, overeenkomstig hetzelfde artikel, werd bekomen;
  12° het tijdvak waarover aanspraak op tegemoetkomingen voor geneeskundige verzorging ten laste van een Belgische overheid bestond buiten de regelingen voor verplichte verzekering welke onder het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ressorteren, of waarover recht op tegemoetkomingen bestond krachtens een regeling voor verplichte verzekering van een vreemd land waarmede een verdrag inzake sociale zekerheid is gesloten of krachtens een regeling voor verplichte verzekering georganiseerd door één van de lid-Staten van de E.E.G.;
  13° het tijdvak gevormd door de werkdagen van onderwerping aan een regeling ingesteld in uitvoering van artikel 22 van de voormelde wet van 9 augustus 1963; zulk tijdvak mag echter slechts in aanmerking worden genomen in zoverre voor dat tijdvak de bijdragen werden betaald die voorzien zijn bij toepassing van de voormelde stelsels van verzekering voor geneeskundige verzorging; indien evenwel blijkt dat de gerechtigde gedurende gans het refertejaar als gerechtigde onderworpen was aan het hogervermeld koninklijk besluit van 30 juli 1964 en dat hij het recht op verstrekkingen op grond van dat besluit verder kan verlengen zonder genoodzaakt te zijn tot het betalen van een persoonlijke bijdrage, dan wordt het tijdvak van onderwerping aan dat besluit echter niet in aanmerking genomen;
  14° het tijdvak van de wettelijke jaarlijkse vakantieperiode;
  15° het tijdvak besteed aan het vervullen van burgerplichten, een publiek mandaat of vakbondsverplichtingen;
  16° het tijdvak gevormd door de werkdagen bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de wet van 1 juli 1963 houdende toekenning van een vergoeding voor sociale promotie;
  17° het tijdvak gevormd door de dagen van staking die door de vakorganisatie is erkend of de dagen van arbeidsonderbreking ingevolge lock-out.
  B. § 1. Het bedrag der aanvullende bijdrage wordt verkregen door het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van littera A, afgerond tot het naasthogere honderdtal, te vermenigvuldigen met de som van de hoegrootheid van de verschuldigde bijdragen voor de sector geneeskundige verzorging en desgevallend voor de sector uitkeringen van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  Ligt dit bedrag echter lager dan 400 F, dan hoeft geen aanvullende bijdrage te worden gevorderd.
  § 2. Indien in het beschouwde refertejaar één of meer maanden voorkomen van de wachttijd, bedoeld in artikel 204ter, en met betrekking tot die wachttijd een aanvullende bijdrage werd betaald, dan dient die aanvullende bijdrage verhoudingsgewijze in mindering te worden gebracht van de aanvullende bijdrage die met betrekking tot het beschouwde refertejaar moet worden betaald.
  Het bedrag dat aldus in mindering moet worden gebracht, wordt berekend door het bedrag van de voor de wachttijd betaalde aanvullende bijdrage te vermenigvuldigen met een breuk, waarvan de teller gevormd wordt door het aantal maanden van die wachttijd die in het beschouwde refertejaar voorkomen en de noemer door het aantal maanden van de wachttijd.
  § 3. Indien moet worden nagegaan of een aanvullende bijdrage verschuldigd is voor een refertejaar, waarin een tijdvak voorkomt dat geen deel kan uitmaken van de tijdvakken opgesomd in A. 2, van deze bepaling en dat zich situeert vóór de aanvang van de wachttijd die in datzelfde refertejaar valt, dan dient voor de berekening van de aanvullende bijdrage de minimumwaarde bedoeld in artikel 205 te worden verminderd in verhouding tot de duur van dit tijdvak.
Art. 210bis. <AR 03-10-1967, art. 19> (Pour les personnes assujetties, d'une part, soit à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, pour le régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé et des indemnités, soit à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés et, d'autre part, à la loi du 27 juin 1969 précitée pour le régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, limité au seul secteur des soins de santé, il y a lieu d'appliquer les dispositions (de l'article 210, A et B), séparément en ce qui concerne le secteur des soins de santé et le secteur des indemnités.) <AR 03-09-1971, art. 14, 1°> <AR 1989-04-26/31, art. 29, 1°, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  (alinéa 2 abrogé) <AR 1989-04-26/31, art. 29, 2°, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  (alinéa 3 abrogé) <AR 1989-04-26/31, art. 29, 2°, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  (alinéa 4 abrogé) <AR 1989-04-26/31, art. 29, 2°, 063; En vigueur : 01-01-1989>)
Art. 210bis. <KB 03-10-1967, art. 19> (Voor de personen die onderworpen zijn, enerzijds, hetzij aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, voor het stelsel van verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sectoren van de geneeskundige verzorging en van de uitkeringen, hetzij aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden, en anderzijds aan de voornoemde wet van 27 juni 1969 voor het stelsel van verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, beperkt tot de sector van de geneeskundige verzorging, moeten de bepalingen (van artikel 210, A en B), afzonderlijk worden toegepast voor de sector geneeskundige verzorging en de sector uitkeringen.) <KB 03-09-1971, art. 14, 1°> <KB 1989-04-26/31, art. 29, 1°, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  (lid 2 opgeheven) <KB 1989-04-26/31, art. 29, 2°, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  (lid 3 opgeheven) <KB 1989-04-26/31, art. 29, 2°, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  (lid 4 opgeheven) <KB 1989-04-26/31, art. 29, 2°, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
Art. 211. <AR 1989-04-26/31, art. 30, 063; En vigueur : 01-01-1989> Pour les travailleurs intermittents, les travailleurs saisonniers et les travailleurs à temps partiel, non dispensés du stage, le complément de cotisation dû pendant la période de stage pour le droit aux indemnités se calcule comme prévu à l'article 210; toutefois pour l'application du point A.2 dudit article, il y a également lieu de déduire le nombre de jours ouvrables situés entre les périodes successives d'assujettissement.
Art.211. <KB 1989-04-26/31, art. 30, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989> Voor de arbeiders bij tussenpozen, de seizoenarbeiders en de deeltijds tewerkgestelde werknemers, die niet vrijgesteld zijn van wachttijd, wordt de tijdens de wachttijd voor het recht op uitkeringen verschuldigde aanvullende bijdrage berekend als bepaald in artikel 210; nochtans dient voor de toepassing van punt A.2 van dit artikel, het aantal werkdagen gelegen tussen de opeenvolgende perioden van onderwerping in mindering te worden gebracht.
Section 6bis. _ (De la cotisation personnelle à payer pour les ascendants et par certains pensionnés, veufs ou veuves.)
Art.212. (opgeheven vanaf 01-01-1989) <KB 1989-04-26/31, art. 31, 063>
Art. 213bis. Les prestations de santé sont accordées pour l'ascendant, considéré comme personne à charge d'un titulaire dans les conditions prévues à l'article 165, § 1er, 5 de cet arrêté pour autant que le titulaire paie une cotisation mensuelle de 120 F par ascendant à sa charge.
  Toutefois, lorsque deux conjoints sont repris comme ascendants à charge du même titulaire, la cotisation à payer par ce dernier pour ces deux personnes est réduite à 180 F.
  Cette cotisation est due dès le mois qui suit celui au cours duquel l'inscription de l'ascendant comme faisant partie du ménage du titulaire a été faite.
  Elle doit être payée au plus tard le 30 juin de l'année qui suit celle pour laquelle les cotisations sont dues.
  (Le droit aux prestations de santé est suspendu jusqu'au paiement des cotisations personnelles relatives à l'année de référence.) <AR 1989-12-07/31, art. 16, 069; En vigueur : 01-01-1989>
  Les montants prévus au présent article sont liés à l'indice-pivot 148,80 de l'indice des prix à la consommation. Ces montants sont adaptés au 1er janvier de chaque année au taux atteint par l'indice des prix à la consommation le 31 octobre de l'année précédente.
Art.213. <KB 1986-05-14/31, art. 7, 025> Wanneer de aanvullende bijdrage die krachtens artikel 207 is gevorderd ontoereikend is, worden de prestaties van de verzekering pas verkregen nadat het juiste bedrag is betaald.
Art. 213ter. Le montant de la cotisation personnelle due par les pensionnes, veufs et veuves visés à l'article 70, dernier alinéa, de la loi du 9 août 1963 précitée, est fixé par année civile à 2 160 F ou à 1 440 F, selon que le titulaire a ou n'a pas de personne à charge.
  La cotisation annuelle peut être payée par fraction mensuelle respectivement de 180 F ou de 120 F.
  Si la période pour laquelle une cotisation est due comporte moins d'une année civile, la cotisation est réduite à un nombre de fractions mensuelles, égales au nombre de mois complets ou incomplets compris dans cette période.
  Les montants prévus au présent article sont liés à l'indice-pivot 148,80 de l'indice des prix à la consommation. Ces montants sont adaptés au 1er janvier de chaque année au taux atteint par l'indice des prix à la consommation le 31 octobre de l'année précédente.
  Pour le pensionne visé à l'article 70, dernier alinéa, de la loi du 9 août 1963 précitée, la cotisation personnelle est due dès le mois où prend cours la pension.
  Toutefois, si ce pensionné est bénéficiaire de la prépension spéciale instaurée en faveur des chômeurs et invalides âgés par les articles 101 à 108 et 161 à 167 de la loi du 22 décembre 1977 relative aux propositions budgétaires 1977-1978, la cotisation personnelle est due, au plus tôt, dès le mois où il notifie à l'Office national des pensions qu'il opte définitivement pour la pension anticipée attribuée dans le cadre de la loi précitée.
  Pour le veuf et la veuve visés à l'article 70, dernier alinéa, de la loi du 9 août 1963 précitée, la cotisation personnelle est due depuis le premier jour du mois suivant celui au cours duquel il ou elle est devenu veuf ou veuve.
  La cotisation personnelle doit être payée au plus tard le 30 juin de l'année suivant celle pour laquelle les cotisations sont dues.
  (Le droit aux prestations de santé est suspendu jusqu'au paiement des cotisations personnelles relatives à l'année de référence.) <AR 1989-12-07/31, art. 17, 069; En vigueur : 01-01-1989>
Afdeling 6bis. _ (De persoonlijke bijdrage te betalen voor de ascendenten en door sommige gepensioneerden, weduwnaren of weduwen.)
Art. 213bis. Les prestations de santé sont accordées pour l'ascendant, considéré comme personne à charge d'un titulaire dans les conditions prévues à l'article 165, § 1er, 5 de cet arrêté pour autant que le titulaire paie une cotisation mensuelle de 120 F par ascendant à sa charge.
Art. 213bis. <INGEVOEGD bij KB 1989-04-26/31, art. 32, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989> De geneeskundige verstrekkingen worden voor de ascendent, beschouwd als persoon ten laste van een gerechtigde, onder de in artikel 165, § 1, 5 van dit besluit gestelde voorwaarden, toegekend voor zover de gerechtigde een maandelijkse bijdrage van 120 F per ascendent ten zijnen laste betaalt.
  Wanneer evenwel twee echtgenoten als ascendent ten laste van dezelfde gerechtigde zijn opgenomen, wordt de door laatstgenoemde voor die twee personen te betalen bijdrage beperkt tot 180 F.
  Deze bijdrage is verschuldigd vanaf de maand na die waarin de ascendent als deel uitmakend van het gezin van de gerechtigde is ingeschreven.
  Ze moet worden betaald uiterlijk op 30 juni van het jaar dat volgt op datgene waarvoor de bijdragen verschuldigd zijn.
  (Het recht op geneeskundige verstrekkingen wordt geschorst tot de persoonlijke bijdragen met betrekking tot het refertejaar zijn betaald.) <KB 1989-12-07/31, art. 16, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  De in dit artikel vastgestelde bedragen zijn gekoppeld aan spilindexcijfer 148.80 van het indexcijfer der consumptieprijzen. Die bedragen worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid die het indexcijfer der consumptieprijzen heeft bereikt op 31 oktober van het vorige jaar.
Art.214. § 1er. (Sont dispensés du stage pour le droit aux indemnités d'incapacité de travail ou à l'allocation pour frais funéraires) : <AR 1989-04-26/31, art. 34, 1°, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  1° les personnes visées par les lois et arrêtés royaux suivants et dans les conditions qui y sont fixées :
  a) loi du 28 juin 1960 relative à la sécurité sociale des personnes ayant effectué des services temporaires à l'armée;
  b) arrêté royal du 28 novembre 1956 fixant en ce qui concerne les anciens agents des chemins de fer belges ou leurs veuves, assujettis à l'assurance obligatoire en cas de maladie ou d'invalidité, les conditions d'octroi des prestations;
  c) (...) <AR 03-09-1971, art. 34, 2°>
  d) arrêté royal du 11 janvier 1958 fixant, en ce qui concerne les anciens affiliés à la Caisse de Secours et de Prévoyance en faveur des marins naviguant sous pavillon belge, ou leurs veuves, assujettis à l'assurance obligatoire en cas de maladie ou d'invalidité, les conditions d'octroi des prestations;
  e) arrêté royal du 15 avril 1958 fixant les conditions dans lesquelles les prestations de l'assurance maladie-invalidité sont accordées aux réfugiés de nationalité hongroise;
  f) arrêté royal du 6 août 1962 dispensant certaines catégories de personnes ayant exercé leur activité professionnelle soit au Congo, soit au Ruanda-Urundi des conditions d'admission à l'assureur chômage et à l'assurance maladie-invalidité;
  2° (la personne qui, dans les trente jours, suivant la fin de son appel ou de son rappel sous les armes, acquiert ou retrouve la qualité de titulaire au sens de l'article 45, § 1er, 1°, de la loi du 9 août 1963 susvisée.) <AR 1991-01-23/37, art.1, 087; En vigueur : 01-01-1990>
  3°
  a) (la personne à charge et l'orphelin de père et de mère au sens de l'article 21 de la loi du 9 août 1963 précitée ou de l'un des arrêtés royaux pris en exécution de l'article 22 de la même loi, qui ont soit terminé des études dans un établissement d'enseignement organisé, reconnu ou subventionné par une Communauté, soit obtenu un diplôme ou un certificat d'études devant le jury compétent d'une Communauté, à la condition qu'au plus tard le lendemain de la période de (sept mois) suivant la fin de leurs études ou l'obtention d'un diplôme ou d'un certificat d'études devant le jury compétent d'une Communauté, ils aient acquis la qualité de titulaire visée à l'article 45, § 1er, 1°, a) ou c), de la loi du 9 août 1963 précitée et qu'il s'agisse : <AR 1995-04-06/05, art. 2, 126; En vigueur : 01-07-1994>
  - d'études du cycle secondaire inférieur de formation technique ou de formation professionnelle;
  - d'études du cycle secondaire supérieur.
  Est assimilé à la personne à charge ou à l'orphelin de père et de mère qui à terminé des études du cycle secondaire inférieur de formation technique ou de formation professionnelle, la personne à charge ou l'orphelin de père et de mère qui répond aux conditions de l'article 36, § 1er, alinéa premier, 2°, f) et g), de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage.) <AR 1993-04-28/34, art. 5, 112; En vigueur : 01-06-1992>
  (Si après avoir terminé des études du cycle secondaire supérieur ou du cycle secondaire inférieur de formation technique ou professionnelle, la personne à charge ou l'orphelin de père et de mère entame d'autres études, le délai visé à l'alinéa précédent prend cours le jour qui suit la fin des études qui ont été accomplies en dernier lieu ou le jour qui suit la cessation des études, lorsqu'il y a été mis fin prématurément;) <AR 1990-05-10/30, art. 1, 076; En vigueur : 01-01-1990>
  b) (la personne à charge et l'orphelin de père et de mère au sens de l'article 21 de la loi du 9 août 1963 précitée ou de l'un des arrêtes royaux pris en exécution de l'article 22 de la même loi, qui ont terminé un apprentissage prévu par la législation relative à la formation dans une profession indépendante, à la condition qu'ils aient acquis la qualité de titulaire visée à l'article 45, § 1er, 1°, a) ou c), de la loi du 9 août 1963 précitée, au plus tard le lendemain de la période de (sept mois) suivant la fin de l'apprentissage.) <AR 1993-04-28/34, art. 5, 112; En vigueur : 01-06-1992> <AR 1995-04-06/05, art. 2, 126; En vigueur : 01-07-1994>
  Le délai visé sous a et b est prolongé :
  1. (de trois mois ou (six mois) pour les personnes qui, en vertu de l'article 36, § 1er, alinéa premier, 4°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, doivent après la fin de leurs études ou de leur apprentissage, avoir été inscrites comme demandeurs d'emploi pendant respectivement 155 jours ou 310 jours ouvrables au moins, avant d'être admises au bénéfice des allocations de chômage;) <AR 1993-04-28/34, art. 5, 112; En vigueur : 01-06-1992> <AR 1995-04-06/05, art. 2, 126; En vigueur : 01-07-1994>
  2. de la durée du contrat d'occupation d'étudiants exécuté pendant les mois de juillet, août ou septembre, lorsque l'étudiant est soustrait pendant cette occupation à l'application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrête-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
  3. de la durée de la période pendant laquelle l'intéressé du fait de son appel ou de son rappel sous les drapeaux n'a pas été en mesure d'acquérir la qualité de titulaire visée à l'article 21, 1° ou 3° de la loi du 9 août 1963 précitée;
  4. (de la durée de la période pendant laquelle l'intéressé est incapable de travailler, se trouve en repos de maternité ou en congé de paternité au sens de la loi du 9 août 1963 précitée;) <AR 1993-04-28/34, art. 5, 112; En vigueur : 01-06-1992>
  c) dans les conditions fixées sous a et b, la personne à charge :
  1. (abrogé) <AR 1993-04-28/34, art. 5, 112; En vigueur : 01-06-1992>
  2. d'un assuré assujetti au régime de sécurité sociale d'outre-mer;
  3. d'un affilié de la (Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins), ou de sa veuve; <AR 1995-05-19/56, art. 14, 128; En vigueur : 13-08-1995>
  4. d'un travailleur comme visé au § 2, 7° du présent article;
  5. (d'un travailleur ayant sa résidence principale en Belgique, qui est assujetti à la législation d'un pays avec lequel la Belgique a conclu un accord bilatéral ou multilatéral de sécurité sociale ou auquel est applicable le Règlement (C.E.E.) n° 1408/71 du 14 juin 1971 relatif à l'application des régimes de sécurité sociale aux travailleurs salariés, aux travailleurs non salariés ainsi qu'aux membres de leur famille qui se déplacent à l'intérieur de la Communauté;
  6. d'un travailleur ayant sa résidence principale en Belgique qui, en vertu d'un statut qui lui est applicable, d'un organisme de droit européen ou international établi en Belgique, bénéficie d'interventions pour les soins de santé.) <AR 1992-12-17/38, art. 6, 109; En vigueur : 01-07-1993>
  (4° (la personne qui, dans les trente jours suivant la fin de sa détention, retrouve la qualité de titulaire au sens de l'article 45, § 1er, 1°, de la loi du 9 août 1963 susvisée, ou se trouve en incapacité de travail au sens de l'article 56, § 1er, de la même loi, pour autant qu'elle ait accompli le stage prévu à l'article 72 de la même loi, à moins qu'elle n'en ait été dispensée et qu'elle remplissait les conditions d'octroi des indemnités d'incapacité de travail, au début de sa détention;) <AR 1993-04-28/34, art. 5, 112; En vigueur : 01-06-1992>
  5° la personne qui, ayant participé d'une façon ininterrompue pendant une période de six mois à l'assurance prévue par la loi du 17 juillet 1963 relative à la sécurité sociale d'outre-mer, a versé les cotisations prescrites par les articles 17 et 19 de la même loi, et qui, dans les trente jours suivant la fin, soit de sa participation à cette assurance, soit de la période pendant laquelle elle a bénéficié des prestations de l'assurance maladie-invalidité prévues par cette loi, acquiert la qualité de titulaire définie à l'article 45, § 1er, 1°, a ou c, de la loi du 9 août 1963 susvisée.
  Si la personne a participé d'une façon ininterrompue pendant une période inférieure à six mois à l'assurance prévue par la loi du 17 juillet 1963, la période couverte par les cotisations versées en vertu de ladite loi est assimilée à une période intervenant dans le calcul du stage visé ((à l'article 72 de la loi du 9 août 1963 susvisée)). Toutefois, il n'y a lieu à cette totalisation que dans la mesure où il ne s'est pas écoulé un délai supérieur à trente jours entre la fin de la participation à la législation prévue par la loi du 17 juillet 1963, et l'acquisition de la qualité de titulaire définie à l'article 45, § 1er, 1°, a ou c, de la loi du 9 août 1963 susvisée.) <AR 03-09-1971, art. 15, 4> <AR 1989-04-26/31, art. 34, 5°, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  § 2. (abrogé) <AR 1989-04-26/31, art. 34, 6°, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  (§ 3. (Pour l'octroi de l'indemnité de maternité visée à l'article 61quater de la loi du 9 août 1963) et de l'allocation pour frais funéraires, le stage prévu (à l'article 72 de la même loi) est réduit à trois mois comprenant au moins (soixante jours de travail) pour le titulaire qui ayant cessé de se trouver dans une des situations visées à l'article 45, § 1er, de la même loi, après avoir accompli le stage visé ci-dessus ou en avoir été dispensé, se trouve à nouveau assujetti à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés si, dans l'intervalle, il a été constamment membre effectif ou personne à charge d'une mutualité pour les prestations de maternité et de décès.) <AR 3-9-1971, art. 15, 6°> <AR 1987-11-03/31, art. 3, 2°, 046; En vigueur : 1987-11-10> <AR 1989-04-26/31, art. 34, 7°, 063; En vigueur : 01-01-1989> <AR 1990-05-10/30, art. 1, 076; En vigueur : 09-01-1990>
  (Les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel accomplissent le stage réduit s'ils totalisent au cours d'une période de trois mois, (deux cents heures de travail). La période de référence est toutefois prolongée jusqu'à neuf mois au maximum pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel qui, en raison de leur régime de travail, se trouvent dans l'impossibilité d'accomplir leur stage réduit dans les trois mois.) <AR 1987-11-03/31, art. 3, 3°, 046; En vigueur : 10-11-1987> <AR 1995-06-08/30, art. 8, 127; En vigueur : 01-01-1995>
  (§ 3bis. (Pour l'octroi de l'indemnité d'incapacité de travail ou de l'allocation pour frais funéraires, le stage prévu (à l'article 72 de la loi du 9 août 1963 susvisée) est réduit à un mois comprenant au moins (vingt jours de travail), en faveur du titulaire qui, ayant cessé de se trouver dans une des situations visées à l'article 45, § 1er, de la loi du 9 août 1963, après avoir accompli le stage visé ci-dessus ou en avoir été dispensé, se trouve à nouveau assujetti à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou à l'arreté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, pour autant que l'interruption qui ne peut être fractionnée: <AR 1989-04-26/31, art. 34, 8°, 063; En vigueur : 01-01-1989> <AR 1987-11-03/31, art. 3, 4°, 046; En vigueur : 10-11-1987>
  1° ait pour but, suivant une déclaration écrite du titulaire de lui permettre de se consacrer à l'éducation d'un enfant vivant sous son toit, personne à charge soit du titulaire lui-même, soit de la personne à charge de laquelle ce titulaire a été inscrit pendant l'interruption susvisée, en application des dispositions de l'article 165, § 1er, 1 et 3;
  2° se situe dans la période de trois ans qui suit la date de la naissance de l'enfant.) <AR 23-10-1981 art. 3>
  La période de trois ans est doublée lorsqu'il s'agit d'un enfant bénéficiant de l'allocation supplémentaire pour enfants handicapés, octroyée en application de la législation relative aux allocations familiales pour travailleurs salariés ou de celle relative aux allocations familiales pour travailleurs indépendants.
  Lorsqu'une nouvelle naissance survient avant la fin de l'interruption, celle-ci peut être prolongée, sans pouvoir dépasser respectivement les trois ou les six années suivant la date de cette nouvelle naissance.) <AR 18-05-1971, art. 1>
  (Les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel accomplissent le stage réduit s'ils totalisent au cours d'une période d'un mois, (soixante-sept heures de travail). La période de référence est toutefois prolongée jusqu'a trois mois au maximum pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel qui, en raison de leur régime de travail, se trouvent dans l'impossibilité d'accomplir leur stage réduit en un mois.) <AR 1987-11-03/31, art. 3, 5°, 046; En vigueur : 10-11-1987> <AR 1995-06-08/30, art. 9, 127; En vigueur : 01-01-1995>
  § 4. (Pour la personne qui avait la qualité de titulaire au sens de l'article 45, § 1er, 1°, de la loi du 9 août 1963 susvisée jusqu'au trentième jour au moins avant son appel ou son rappel sous les armes et qui, au plus tard dans les trente jours suivant la fin de son appel ou de son rappel sous les armes, se trouve en état d'incapacité de travail au sens de l'article 56, §1, de la même loi, le stage est considéré comme accompli.) <AR 1991-01-23/37, art 1, 087; En vigueur : 01-01-1990>
  (Lorsque la personne visée à l'alinéa précédent se trouve dans les trente jours suivant le renvoi dans les foyers ou l'envoi en congé illimité, en un état d'incapacité de travail au sens de l'article 56, § 1er, de la loi du 9 août 1963 susvisée, causé par un accident survenu ou une affection contractée pendant la présence sous les armes, le stage est considéré comme accompli. Il en va de même, lorsque cette personne, appelée ou rappelée sous les armes, est absente de son service pour raison de santé, pour autant que son absence ne soit pas imputée sur la durée de son appel.) <AR 03-09-1971, art. 15>
  (§ 4bis. Pour l'octroi de l'indemnité d'incapacité de travail ou de l'allocation pour frais funéraires, les bénéficiaires visés à l'article 1er, 1° de l'arrêté royal du 28 juin 1969 étendant le champ d'application de l'assurance-soins de santé obligatoire aux étudiants de l'enseignement supérieur, sont dispensés du stage dans les conditions fixées à l'article 214, § 1er, 3°, a.) <AR 1987-11-03/31, art. 3, 6°, 046; En vigueur : 10-11-1987>
  (§ 4ter. Est dispensée du stage pour le droit aux indemnités d'incapacité de travail et à l'allocation pour frais funéraires, la personne qui, dans les trente jours suivant la fin de la période pendant laquelle elle a bénéficié de la pension de survie visée à l'article 21, § 1er, de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés ou d'un avantage similaire octroyé en vertu d'une législation belge ou étrangère, retrouve la qualité de titulaire au sens de l'article 45, § 1er, 1° de la loi du 9 août 1963 ou se trouve en état d'incapacité de travail, au sens de l'article 56, § 1er de la même loi, pour autant qu'elle ait accompli le stage visé (à l'article 72 de la même loi) ou ait été dispensée et qu'elle eut la qualité précitée du titulaire jusqu'au jour précédent la prise de cours de la pension de survie.) <AR 1989-04-26/31, art. 34, 11°, 063; En vigueur : 01-01-1989> <AR 1990-05-10/30, art. 1, 076; En vigueur : 01-01-1989>
  (§ 5. Est assimilée, pour l'application du présent arrêté, à une période d'appel ou de rappel sous les armes, la période d'accomplissement des obligations en vertu de législation relative au statut des objecteurs de conscience.) <AR 17-10-1977, art. 2>
  § 6. (abrogé) <AR 1989-04-26/31, art. 34, 12°, 063; En vigueur : 01-01-1989>
Art. 213ter. Het bedrag van de persoonlijke bijdrage welke verschuldigd is door de in artikel 70, laatste lid, van evengenoemde wet van 9 augustus 1963 bedoelde gepensioneerden, weduwnaren en weduwen wordt, per kalenderjaar, vastgesteld op 2 160 F of 1 440 F, naargelang de gerechtigde al dan niet personen ten laste heeft.
Section 7bis. _ (Des modalités de stage en cas de passage d'un secteur d'assurance-soins de santé à un autre.)
Afdeling 7. _ (Vrijstelling van wachttijd voor het recht op uitkeringen.)
Art. 214. § 1er. (Sont dispensés du stage pour le droit aux indemnités d'incapacité de travail ou à l'allocation pour frais funéraires) :
Art.214. § 1. (Zijn van wachttijd vrijgesteld wat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de uitkering voor begrafeniskosten betreft :)
Section 7bis. _ (Des modalités de stage en cas de passage d'un secteur d'assurance-soins de santé à un autre.)
Afdeling 7bis. _ (Nadere regelen inzake wachttijd in geval van overgang van één sector van de verzekering voor geneeskundige verzorging naar een andere.)
Art. 214bis.
Art. 214bis. <KB 1989-04-26/31,art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989> (De personen die overeenkomstig artikel 204ter gehouden zijn tot het vervullen van een wachttijd en die de hoedanigheid van gerechtigde krachtens artikel 21, 1° of 3° van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 verkrijgen in de loop van een periode van eventuele wachttijd voorzien in een stelsel van geneeskundige verzorging ingesteld door een besluit ter uitvoering van artikel 22 van die wet, hebben recht op prestaties na vervulling van een wachttijd met een duur gelijk aan de wachttijd die ze nog dienden te vervullen in het stelsel voor geneeskundige verzorging ingesteld door een besluit ter uitvoering van artikel 22 van de voormelde wet van 9 augustus 1963. Deze verminderde wachttijd wordt slechts toegepast indien de bijdragen voor het gedeelte van de verstreken wachttijd in het stelsel ingesteld door een besluit ter uitvoering van artikel 22, betaald worden.) <KB 1989-12-07/31, art. 18, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  De personen die de hoedanigheid van gerechtigde krachtens artikel 21, 1° en 3° van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 verkrijgen nadat ze de hoedanigheid van rechthebbende hadden, beoogd in artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tot de zelfstandigen wordt verruimd, hebben zonder wachttijd recht op de prestaties opgesomd in artikel 23 van de voornoemde wet van 9 augustus 1963 die niet voorzien zijn bij artikel 1 van het voormelde koninklijk besluit indien zij voorheen bijdragen hebben gestort bij een ziekenfonds voor deze prestaties en dit met betrekking tot het tijdvak van onderwerping aan dat koninklijk besluit, gelegen in de zes maanden voor het verkrijgen van de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 21 van de voornoemde wet van 9 augustus 1963.
Art. 214quater. <AR 03-11-1975, art. 1> Pour l'octroi de l'indemnité d'incapacité de travail ou de l'allocation pour frais funéraires, le stage prévu (à l'article 72 de la loi du 9 août 1963 susvisée) est réduit à trois mois comprenant au moins (soixante jours de travail) en faveur de la personne qui acquiert la qualité de titulaire au sens de l'article 45, § 1, 1° de la loi du 9 août 1963 précitée, à condition qu'elle acquiert ladite qualité au plus tard le 30ème jour après avoir perdu la qualité de titulaire visée à l'article 3 de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant un régime d'assurance contre l'incapacité de travail en faveur des travailleurs indépendants et qu'elle ait accompli le stage prévu dans ledit régime ou en a été dispensée. <AR 1989-04-26/31, art. 37, 063; En vigueur : 01-01-1989> <AR 1987-11-03/31, art. 4, 1°, 046; En vigueur : 10-11-1987>
  (Les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel accomplissent le stage réduit s'ils totalisent, au cours d'une période de trois mois, (deux cents heures de travail). La période de référence est toutefois prolongée jusqu'à neuf mois au maximum pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel qui, en raison de leur régime de travail, se trouvent dans l'impossibilité d'accomplir leur stage réduit dans les trois mois.) <AR 1987-11-03/31, art. 4, 2°, 046; En vigueur : 10-11-1987> <AR 1995-06-08/30, art. 10, 127; En vigueur : 01-01-1995>
Art. 214ter. (opgeheven vanaf 01-01-1989)
Section 7quater. _ (Dispositions particulières concernant le maintien du droit aux soins de santé.)
Afdeling 7ter. _ (Regelen inzake wachttijd in geval van overgang van één sector van de verzekering voor uitkeringen naar een andere.)
Art. 214quater. Pour l'octroi de l'indemnité d'incapacité de travail ou de l'allocation pour frais funéraires, le stage prévu (à l'article 72 de la loi du 9 août 1963 susvisée) est réduit à trois mois comprenant au moins (soixante jours de travail) en faveur de la personne qui acquiert la qualité de titulaire au sens de l'article 45, § 1, 1° de la loi du 9 août 1963 précitée, à condition qu'elle acquiert ladite qualité au plus tard le 30ème jour après avoir perdu la qualité de titulaire visée à l'article 3 de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant un régime d'assurance contre l'incapacité de travail en faveur des travailleurs indépendants et qu'elle ait accompli le stage prévu dans ledit régime ou en a été dispensée.
Art. 214quater. <KB 03-11-1975, art. 1> Voor de toekenning van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid of voor begrafeniskosten, wordt de (in artikel 72 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963) bepaalde wachttijd verminderd tot drie maanden die tenminste (zestig arbeidsdagen) omvatten, ten gunste van de persoon die de hoedanigheid verkrijgt van gerechtigde in de zin van artikel 45, § 1, 1° van voornoemde wet van 9 augustus 1963 op voorwaarde dat hij genoemde hoedanigheid verkrijgt uiterlijk de 30ste dag nadat hij de hoedanigheid van gerechtigde beoogd in artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering voor arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen verloor en hij de in die regeling voorgeschreven wachttijd heeft volbracht of ervan was vrijgesteld. <KB 1987-11-03/31, art. 4, 1°, 046; Inwerkingtreding : 10-11-1987> <KB 1989-04-26/31, art. 37, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  (De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers volbrengen de verminderde wachttijd indien zij over een periode van drie maanden, (tweehonderd arbeidsuren) presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal negen maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun verminderde wachttijd in drie maanden te volbrengen.) <KB 1987-11-03/31, art. 4, 046; Inwerkingtreding : 10-11-1987> <KB 1995-06-08/30, art. 10, 127; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
Art. 214sexies. § 1. En application de l'article 70bis, 2°, de la loi du 9 août 1963 précitée, le droit aux prestations de santé ne peut davantage être prolongé si la qualité de titulaire au sens de l'article 21, premier alinéa, 1° à 9° inclus et 13° de la loi du 9 août 1963 précitée, n'existait plus au cours du dernier trimestre de l'année de référence, sauf si cette qualité est de nouveau obtenue avant le 1er juillet qui suit l'année de référence considérée.
  § 2. Pour les titulaires qui sont tenus d'accomplir un stage avant de pouvoir ouvrir le droit aux prestations de santé, ce stage ne peut être considéré comme accompli que s'ils possédaient encore la qualité de titulaire au cours du dernier trimestre complet dudit stage ou au cours de la partie de stage restante qui suit celui-ci.
Afdeling 7quater. _ (Bijzondere regelen inzake het behoud van het recht op geneeskundige verstrekkingen.(
Art. 214septies. Les personnes qui peuvent prolonger leur droit aux prestations de santé en application de l'article 68 de la loi du 9 août 1963 précitée et compte tenu des dispositions des articles 214quinquies, 214sexies et 330quater du présent arrêté, mais pour lesquelles il est constaté que l'année de référence considérée comporte des périodes d'au moins un trimestre complet non couvertes par un bon de cotisation ou par une des périodes énumérées à l'article 210, A, 2, ne peuvent, par dérogation à l'article 68 de la loi du 9 août 1963 précitée, prolonger leur droit aux prestations de santé que moyennant paiement d'une cotisation spéciale égale, (pour chaque trimestre non couvert, à trois fois le montant de la cotisation mensuelle la plus élevée applicable au cours de l'année civile échue fixé par l'arrêté royal du 28 juin 1969 étendant le champ d'application de l'assurance soins de santé obligatoire aux personnes non encore protégées.)
Art. 214quinquies. <INGEVOEGD bij KB 1990-05-23/34, art.4, 078; Inwerkingtreding : 09-01-1990> De personen, die vanaf 1 januari 1990 de hoedanigheid van gerechtigde verkrijgen als bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tot de zelfstandigen wordt verruimd, terwijl ze nog rechthebbenden zijn krachtens artikel 67 of 68 van de voormelde wet van 9 augustus 1963, maar hun hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 21, eerste lid, 1° tot en met 9° en 13° van de voormelde wet van 9 augustus 1963 hebben verloren, kunnen, in toepassing van artikel 70bis, 1° van de voormelde wet van 9 augustus 1963 het recht op verstrekkingen slechts behouden tot het einde van het kwartaal dat volgt op datgene waarin zij de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit van 30 juli 1964 hebben verkregen, tenzij zij het bewijs leveren dat zij vóór het einde van deze periode opnieuw de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in het voormelde artikel 21, eerste lid, 1° tot en met 9° en 13° hebben verkregen. <KB 1990-05-23/34, art. 4, 078; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
Art. 214octies. <AR 1991-08-19/36, art. 5, 096; En vigueur : 15-06-1991> § 1. Les personnes visées à l'article 214sexies qui ont été privées du droit aux prestations de santé et qui retrouvent la qualité de titulaire au cours de la période se situant entre le 1er juillet et le 31 décembre qui suit l'année de référence considérée, ne peuvent ouvrir le droit aux prestations de santé que si elles satisfont encore à toutes les conditions de cotisation pour l'année civile précédente, y compris la condition de cotisation prévue à l'article 214septies, telles qu'elles sont fixées pour les titulaires qui peuvent prolonger leur droit aux prestations de santé.
  Si cette condition n'est pas remplie, un stage de six mois doit être accompli avant que le droit aux prestations de santé puisse s'ouvrir à nouveau.
  § 2. Si les personnes, satisfaisant aux conditions de l'article 214sexies, ne peuvent prolonger le droit aux soins de santé parce qu'elles ne satisfont pas à toutes les exigences posées en matière de cotisation pour l'année de référence, et si, par la suite, elles ouvrent à nouveau le droit aux prestations, celles-ci sont accordées sous les conditions suivantes : à l'ouverture du droit aux soins de santé dans la période du 1er juillet au 30 juin suivant l'année de référence, le montant de la cotisation qui était due pour la prolongation du droit, est porté en diminution du montant des interventions pour prestations de santé qui ont été accordées pendant la période susvisée du 1er juillet au 30 juin.
Art. 214sexies. <INGEVOEGD bij KB 1990-05-23/34, art.5, 078; Inwerkingtreding : 09-01-1990> § 1. In toepassing van artikel 70bis, 2°, van de voormelde wet van 9 augustus 1963 kan het recht op geneeskundige verstrekkingen niet verder verlengd worden indien de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 21, eerste lid, 1° tot en met 9° en 13° van de voormelde wet van 9 augustus 1963 in het laatste kwartaal van het refertejaar niet meer bestond, tenzij deze hoedanigheid opnieuw verworven werd vóór 1 juli volgend op het beschouwde refertejaar.
  § 2. Voor de gerechtigden die gehouden zijn tot het vervullen van de wachttijd vooraleer zij het recht op geneeskundige verstrekkingen kunnen openen, kan die wachttijd slechts als vervuld worden beschouwd indien zij in het laatste volledige kwartaal van de wachttijd of in het daarop volgende resterende gedeelte van die wachttijd nog de hoedanigheid van gerechtigde hadden.
Art. 214septies. Les personnes qui peuvent prolonger leur droit aux prestations de santé en application de l'article 68 de la loi du 9 août 1963 précitée et compte tenu des dispositions des articles 214quinquies, 214sexies et 330quater du présent arrêté, mais pour lesquelles il est constaté que l'année de référence considérée comporte des périodes d'au moins un trimestre complet non couvertes par un bon de cotisation ou par une des périodes énumérées à l'article 210, A, 2, ne peuvent, par dérogation à l'article 68 de la loi du 9 août 1963 précitée, prolonger leur droit aux prestations de santé que moyennant paiement d'une cotisation spéciale égale, (pour chaque trimestre non couvert, à trois fois le montant de la cotisation mensuelle la plus élevée applicable au cours de l'année civile échue fixé par l'arrêté royal du 28 juin 1969 étendant le champ d'application de l'assurance soins de santé obligatoire aux personnes non encore protégées.) <AR 1991-08-19/36, art. 4, 096; En vigueur : 01-01-1992>
  (Alinéa 2 abrogé.) <AR 1991-08-19/36, art. 4, 096; En vigueur : 15-06-1991>
  Les personnes qui prouvent qu'elles n'ont pas, pour l'année de référence, de revenus supérieurs à douze fois le montant prévu à l'article 229, § 2bis, du présent arrêté, sont dispensées du payement de ladite cotisation. Par revenus au sens de cette disposition, il faut entendre les revenus visés à l'article 229, § 2bis, du présent arrêté.
  (La période qui précède la date à partir de laquelle la personne visée au premier alinéa est tombée sous l'application des dispositions qui régissent l'ouverture et le maintien du droit aux interventions ne peut cependant donner lieu au paiement de la cotisation spéciale précitée.) <AR 1991-08-19/36, art. 4, 096; En vigueur : 15-06-1991>
Art. 214septies. <INGEVOEGD bij KB 1990-05-23/34, art.6, 078; Inwerkingtreding : 09-01-1990> De personen die hun recht op geneeskundige verstrekkingen kunnen verlengen in toepassing van artikel 68 van de voormelde wet van 9 augustus 1963 en met inachtname van de bepalingen van artikel 214quinquies, 214sexies en 330quater van dit besluit, maar waarvoor wordt vastgesteld dat in het beschouwde refertejaar periodes van tenminste een geheel kwartaal voorkomen die niet gedekt zijn door een bijdragebon of door één van de tijdvakken, opgesomd in artikel 210, A, 2, kunnen, in afwijking van artikel 68 van de voormelde wet van 9 augustus 1963, hun recht op verstrekkingen slechts verlengen indien zij voor elk niet gedekt kwartaal een bijzondere bijdrage betalen die gelijk is aan (driemaal het in het verstreken kalenderjaar geldende bedrag van de hoogste maandelijkse bijdrage die vastgesteld is in het koninklijk besluit van 28 juni 1969 tot verruiming van de werkingssfeer van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tot de nog niet beschermde personen;) <KB 1991-08-19/36, art. 4, 096; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
  (Lid 2 opgeheven.) <KB 1991-08-19/36, art. 4, 096; Inwerkingtreding : 15-06-1991>
  De personen die het bewijs leveren dat zij in het beschouwde refertejaar geen inkomen hebben van meer dan twaalf maal het bedrag bedoeld in artikel 229, § 2bis, van dit besluit, worden vrijgesteld van de betaling van de voornoemde bijdragen. Onder inkomen in de zin van deze bepaling moet het inkomen worden verstaan zoals dat omschreven is in artikel 229, § 2bis, van dit besluit.
  (Het tijdvak dat zich situeert vóór de datum vanaf wanneer de in het eerste lid bedoelde persoon onder toepassing viel van de bepalingen die de opening en het behoud van het recht op tegemoetkomingen regelen, kan echter geen aanleiding geven tot de betaling van de voornoemde bijzondere bijdrage.) <KB 1991-08-19/36, art. 4, 096; Inwerkingtreding : 15-06-1991>
Art. 214octies. <AR 1991-08-19/36, art. 5, 096; En vigueur : 15-06-1991> § 1. Les personnes visées à l'article 214sexies qui ont été privées du droit aux prestations de santé et qui retrouvent la qualité de titulaire au cours de la période se situant entre le 1er juillet et le 31 décembre qui suit l'année de référence considérée, ne peuvent ouvrir le droit aux prestations de santé que si elles satisfont encore à toutes les conditions de cotisation pour l'année civile précédente, y compris la condition de cotisation prévue à l'article 214septies, telles qu'elles sont fixées pour les titulaires qui peuvent prolonger leur droit aux prestations de santé.
  Si cette condition n'est pas remplie, un stage de six mois doit être accompli avant que le droit aux prestations de santé puisse s'ouvrir à nouveau.
  § 2. Si les personnes, satisfaisant aux conditions de l'article 214sexies, ne peuvent prolonger le droit aux soins de santé parce qu'elles ne satisfont pas à toutes les exigences posées en matière de cotisation pour l'année de référence, et si, par la suite, elles ouvrent à nouveau le droit aux prestations, celles-ci sont accordées sous les conditions suivantes : à l'ouverture du droit aux soins de santé dans la période du 1er juillet au 30 juin suivant l'année de référence, le montant de la cotisation qui était due pour la prolongation du droit, est porté en diminution du montant des interventions pour prestations de santé qui ont été accordées pendant la période susvisée du 1er juillet au 30 juin.
Art. 214octies. § 1. De personen bedoeld in artikel 214sexies, van wie het recht op geneeskundige verstrekkingen werd stopgezet, die in de periode tussen de op het beschouwde refertejaar volgende data van 1 juli en 31 december de hoedanigheid van gerechtigde opnieuw verwerven, kunnen het recht op geneeskundige verstrekkingen slechts heropenen indien zij alsnog voldoen aan alle bijdragevereisten voor het voorbije kalenderjaar, inbegrepen de vereiste bijdrage bedoeld in artikel 214septies, zoals die gesteld worden voor gerechtigden die hun recht op geneeskundige verstrekkingen kunnen verlengen.
Section 8. (Du maintien des droits des travailleurs saisonniers, des travailleurs intermittents et des travailleurs à temps partiel.)
Afdeling 8. _ (Behoud van de rechten van de seizoenarbeiders en de arbeiders bij tussenpozen.)
Art.216. § 1er. Est considéré comme se trouvant dans une situation sociale digne d'intérêt au sens de l'article 21, 6° de la loi du 9 août 1963 susvisée, et peut, s'il a satisfait aux conditions prévues (à l'article 66 ou à l'article 72) de ladite loi, obtenir le bénéfice de l'assurance continuée pendant les périodes fixées ci-après :
Art.215. (De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers behouden het recht op uitkeringen op voorwaarde dat zij tijdens het tweede en het derde kwartaal voor dat waarin ze om prestaties vragen enerzijds het in artikel 204, derde lid, bepaalde (aantal arbeidsuren) hebben gepresteerd, en anderzijds voldaan hebben aan de voorwaarden van artikel 74, eerste lid, 2° van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963. De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die niet voldoen aan deze voorwaarden behouden evenwel het recht op uitkeringen voor zover er zich tijdens de drie kwartalen vóór dat waarin ze om deze prestaties vragen geen doorlopende onderbreking van meer dan dertig dagen heeft voorgedaan in hun hoedanigheid van gerechtigde, zoals deze is omschreven in artikel 45, § 1, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 en voor zover zij voldaan hebben aan de voorwaarden van artikel 74, eerste lid, 2° van dezelfde wet.)
Art.217. Pour être admis en assurance continuée, le titulaire doit en faire la demande à son organisme assureur et lui remettre (...) les pièces justificatives suivantes:
Afdeling 9. _ Voortgezette verzekering.
Art. 216. § 1er. Est considéré comme se trouvant dans une situation sociale digne d'intérêt au sens de l'article 21, 6° de la loi du 9 août 1963 susvisée, et peut, s'il a satisfait aux conditions prévues (à l'article 66 ou à l'article 72) de ladite loi, obtenir le bénéfice de l'assurance continuée pendant les périodes fixées ci-après :
Art.216. § 1. Wordt beschouwd in een behartigenswaardige maatschappelijke toestand te verkeren als bedoeld in artikel 21, 6°, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 en kan, indien hij aan de (in artikel 66 of artikel 72) van genoemde wet gestelde voorwaarden heeft voldaan, in voortgezette verzekering treden tijdens de hierna vastgestelde tijdvakken : <KB 1993-04-28/34, art. 6, 112; Inwerkingtreding : 01-06-1992>
  1° (de werkloze gerechtigde wie werkloosheidsuitkeringen ontzegd zijn met toepassing van de volgende artikelen van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering :
  a) de artikelen 30 tot 34, 37 en 38, omdat hij de gestelde toelaatbaarheidsvoorwaarden niet vervult;
  b) artikel 44, omdat hij niet zonder loon is;
  c) de artikelen 52, § 3, 52bis, § 1, tweede lid, en § 2, 56, § 1, eerste lid, en 155, tweede lid, omdat hij voor onbepaalde tijd van het recht op werkloosheidsuitkeringen is uitgesloten;
  d) artikel 81, omdat de duur van zijn werkloosheid het in deze bepaling gestelde maximum overschrijdt.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet korter mag zijn dan één maand en niet langer dan twaalf maanden; evenwel wordt in het geval dat is bepaald onder b), de voortgezette verzekering toegestaan voor de duur van de periode tijdens welke de betrokkene niet zonder loon is.) <KB 1993-04-28/34, art. 6, 112; Inwerkingtreding : 01-06-1992>
  2° de werkloze gerechtigde die voldoet aan de voorwaarden om werkloosheidsuitkeringen te genieten, doch daarvan vrijwillig en tijdelijk afziet, hetzij om een niet verzekeringsplichtig beroep uit te oefenen, hetzij om welke andere reden ook (,zonder dat hij in dit laatste geval evenwel de voorwaarden vervult, bepaald in artikel 164, eerste lid, 11°. <KB 1993-04-28/34, art. 6, 112; Inwerkingtreding : 01-06-1992>
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet korter mag zijn dan één maand en niet langer dan drie maanden;
  3° (de gerechtigde, seizoenarbeider, mits hij in België tewerkgesteld is, er zijn hoofdverblijfplaats heeft en hem werkloosheidsuitkeringen zijn ontzegd.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet korter mag zijn dan één maand en niet langer dan negen maanden;) <KB 1992-12-17/38, art. 7, 109; Inwerkingtreding : 01-07-1993>
  4° (De gerechtigde die niet langer arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 56 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 en die met de instemming van het College van geneesheren-directeurs, om zijn reclassering te verzekeren, hetzij een beroep uitoefent waardoor hij onderworpen is aan de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, hetzij een beroep uitoefent waarop geen verzekeringsplicht staat krachtens één der wetgevingen inzake sociale zekerheid.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een tijdvak van twee jaar dat door het College van geneesheren-directeurs kan worden vernieuwd;) <KB 23-10-1967, art. 32, 3°>
  5° de gerechtigde wiens arbeidsovereenkomst na akkoord der partijen is geschorst.
  De voortgezette verzekering mag toegestaan worden voor een duur welke niet langer mag zijn dan (drie maanden) per kalenderjaar; <KB 23-10-1967, art. 32, 3°>
  6° de gerechtigde die haar kind zoogt.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan het einde van de vijfde maand na de bevalling;
  7° (...) <KB 03-09-1971, art. 34, 2°>
  8° de gerechtigde die een gevangenisstraf ondergaat, in een gesticht voor sociale bescherming is geïnterneerd of in een bedelaarsgesticht is geplaatst. Indien hij echter bij de aanvang van zijn detinering, internering of plaatsing in staat van arbeidsongeschiktheid is als bedoeld in artikel 56 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, gaat het tijdvak van voortgezette verzekering pas in de dag dat die staat van arbeidsongeschiktheid afloopt.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan de periode van detinering, internering of plaatsing;
  9° de gerechtigde die tijdelijk of definitief niet meer arbeidt in de loop van een periode van vijf jaar welke afloopt op het einde van de maand waarin hij de in artikel 60, 1°, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde leeftijd bereikt.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke afloopt op het einde van de maand waarin de gerechtigde de in genoemd artikel vastgestelde leeftijd bereikt wanneer het gaat om een definitieve stopzetting en voor de duur aangegeven door de gerechtigde bij zijn aanvraag om in voortgezette verzekering te treden, wanneer het gaat om een tijdelijke stopzetting;
  10° (de gerechtigde man of vrouw die de arbeid verzaakt opdat zijn gerechtigde echtgenote of haar gerechtigde echtgenoot het maximale bedrag van haar of zijn ouderdomspensioen zou kunnen genieten.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke afloopt op he einde van de maand waarin de gerechtigde 65 of 60 jaar wordt naargelang het een man of een vrouw betreft;) <KB 1987-12-11/36, art. 1, 048; Inwerkingtreding : 06-08-1985>
  11° de gerechtigde die na zijn normale legerdienst bij tuchtmaatregel onder de wapens gehouden of teruggeroepen wordt.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet korter noch langer mag zijn dan die van het behoud of van de terugroeping onder de wapens;
  12° de gerechtigde die in het buitenland tijdelijk hetzelfde beroep uitoefent als hetgeen hij in België uitoefende, wanneer hij niet verzekeringsplichtig is krachtens de wetgeving inzake de sociale zekerheid van zijn nieuwe arbeidsplaats.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan die van de tewerkstelling in het buitenland;
  13° (de gerechtigde in staking of lock-out of van wie de werkloosheid het rechtstreeks of onrechtstreeks gevolg is van een staking (of lock-out) en die bij ontstentenis van een toelating van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, geen aanspraak heeft op werkloosheidsuitkeringen. <KB 1993-04-28/34, art. 6, 112; Inwerkingtreding : 01-06-1992>
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan die van de staking of het lock-out;) <KB 23-10-1967, art. 32, 4°>
  14° de gerechtigde die wegens een geval van overmacht de arbeid verzuimt.
  De Dienst voor administratieve controle doet op verzoek van de verzekeringsinstelling uitspraak over de gevallen van overmacht die zij erkent.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur welke door die Dienst wordt vastgesteld;
  15° de gerechtigde die krachtens het koninklijk besluit van 11 maart 1954, houdende statuut van het Korps voor burgerlijke bescherming, de cursussen volgt van de School voor burgerlijke bescherming.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet langer mag zijn dan deze van de zittijd waaraan de gerechtigde deelneemt;
  16° de gerechtigde die een pensioen geniet ten laste van een openbaar bestuur of een pensioen waarvan de betaling door de Belgische Staat is gewaarborgd en die tijdelijk niet meer arbeidt ingevolge een erkende arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 56 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 waarover uitkeringen worden ontzegd krachtens artikel 60, 3°, van genoemde wet.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van de arbeidsongeschiktheid;
  17° de gerechtigde die generlei arbeid ter verkrijging van inkomen verricht en regelmatig leergangen van het hoger middelbaar vak- of technisch onderwijs volgt, op voorwaarde dat die leergangen gegeven worden gedurende de dag, de vakantie, de zondagen en de feestdagen daargelaten.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet langer mag zijn dan die waarover de gerechtigde de leergangen volgt;
  18° (de gerechtigde die de leergangen van een erkende school voor gezinshelp(st)ers volgt. De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet langer mag zijn dan die waarover de gerechtigde de leergangen volgt;) <KB 11-08-1978, art. 1>
  (19° de gerechtigde die, nadat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voort arbeidt of die na die leeftijd de arbeid hervat, wanneer hij de arbeid tijdelijk onderbreekt en geen pensioen aanvraagt.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke door de gerechtigde bij zijn aanvraag wordt opgegeven; zij eindigt evenwel zodra het pensioen ingaat;
  20° de gerechtigde die wegens lichamelijke ongeschiktheid voortijdig gepensioneerd is, wanneer hij niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 56, eerste lid, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, waar het de arbeidsongeschiktheidsgraad beoogt, gedurende een tijdvak dat niet verder mag gaan dan de pensioengerechtigde leeftijd krachtens de wetgeving inzake de rust- en overlevingspensioenen van de arbeiders en de bedienden.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan vanaf de dag waarop de gerechtigde niet langer 66 pct. arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963;) <KB 23-10-1967, art. 32, 5°>
  (21° de gerechtigde waarvan de onderwerping voor het stelsel van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, beperkt is tot de geneeskundige verzorging en die :
  a) geen arbeidsprestaties moet verrichten, hetzij op grond van persoonlijke aangelegenheden, hetzij ingevolge tuchtmaatregelen.
  De voorgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke gelijk is aan die van het tijdvak waarin de gerechtigde geen arbeidsprestaties moet verrichten;
  b) zijn ambt in het buitenland uitoefent en aldaar zijn administratieve standplaats heeft.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van het tijdvak waarin de gerechtigde zijn ambt in het buitenland uitoefent en aldaar zijn administratieve standplaats heeft;
  c) door de administratieve gezondheidsdienst definitief arbeidsongeschikt wordt geacht voor zover hij niet werkongeschikt is in de zin van artikel 56, § 1, van de voornoemde wet van 9 augustus 1963, en niet het vereiste aantal jaren dienst heeft om een vervroegd pensioen te genieten.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van het tijdvak dat afloopt op de pensioengerechtigde leeftijd krachtens het administratief en geldelijk statuut dat op hem toepasselijk is;) <KB 03-09-1971, art. 18, 2°>
  (22° de gerechtigde die ophoudt tewerkgesteld te zijn volgens een arbeidsovereenkomst voor dienstboden hoofdzakelijk bestaande uit huishoudelijke arbeid van lichamelijk aard voor de behoefte van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar;) <KB 03-09-1971, art. 18, 2°>
  23° (de gerechtigde die als mijnwerker wegens sluiting van een kolenmijn is ontslagen en die de wachtvergoeding voor bejaarde werknemers uit de kolenindustrie geniet in toepassing van artikel 56, § 2 van het Verdrag van Parijs tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal.
  De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van het tijdvak tijdens hetwelk de wachtvergoeding wordt toegekend.) <KB 1990-11-22/34, art. 1, 084; Inwerkingtreding : 07-12-1990>
  § 2. Het tijdvak van voortgezette verzekering loopt af hetzij op het einde van de periode waaronder het is toegestaan, hetzij op de datum waarop de toestand een einde neemt op grond waarvan het is toegestaan, hetzij, alleen in de onder § 1, 2° en 4°, bedoelde gevallen, zodra de gerechtigde in staat van arbeidsongeschiktheid is als bedoeld in artikel 56 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963.
Art. 217. Pour être admis en assurance continuée, le titulaire doit en faire la demande à son organisme assureur et lui remettre (...) les pièces justificatives suivantes: <AR 1989-04-26/31, art. 39, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  a) pour les situations visées à l'article 216, 1°, 2° et 3°, une attestation délivrée par l'Office national de l'emploi précisant le motif et la période pour lesquels les allocations de chômage sont refusées;
  (Pour la situation visée à l'article 216, 3°, cette attestation peut être remplacée par une déclaration de son dernier employeur;) <AR 23-10-1967, art. 33, 1°>
  b) pour la situation visée à l'article 216, 4°, une attestation délivrée par le Service des soins de santé faisant état de l'accord du Collège des médecins-directeurs;
  c) (pour les situations visées à l'article 216, 5°, 21° et 22°, une attestation délivrée par l'employeur ou, le cas échéant, par l'autorité religieuse, précisant soit la période exacte de la suspension du contrat ou de l'occupation ou de la période pendant laquelle le titulaire remplit ses fonctions à l'étranger, soit la date de la décision du service de santé administratif, portant qu'une pension prématurée ne peut être accordée, soit la date de la cessation du travail domestique;) <AR 03-09-1971, art. 19, 2°>
  d) (pour les situations visées à l'article 216, 6°, 7°, 9°, 10° et 19°, une attestation sur l'honneur du titulaire;) <AR 23-10-1967, art. 32, 2°>
  e) pour la situation visée à l'article 216, 12°, une attestation de l'employeur;
  f) pour la situation visée à l'article 216, 8°, une attestation du directeur de l'établissement précisant la période de détention, d'internement ou de placement;
  g) pour la situation visée à l'article 216, 11°, une attestation de (l'autorité militaire) compétente, précisant la période du maintien ou du rappel sous les armes; <AR 23-07-1974, art. 1>
  h) (pour la situation visée à l'article 216, 13°, une attestation délivrée par une organisation syndicale ou par l'employeur. Dans cette dernière hypothèse, cette attestation doit être contresignée par l'Office national de l'Emploi;) <AR 23-10-1967, art. 33, 3°>
  i) pour les situations visées à l'article 216, 15°, 17° et 18°, une attestation délivrée par le directeur de l'école précisant la période des cours suivis par le titulaire;
  Dans le situation visée à l'article 216, 14°, l'assurance continuée est admise sur base de la notification du Service du Contrôle administratif à l'organisme assureur.
  Dans la situation visée à l'article 216, 16°, l'assurance continuée est admise sur base de la reconnaissance de l'état d'incapacité de travail.
  (j) pour la situation visée à l'article 216, 20°, une attestation délivrée par le médecin-conseil de la mutualité à laquelle le titulaire est affilié ou inscrit;) <AR 23-10-1967, art. 33, 4°>
  (k) pour la situation visée à l'article 216, § 1er, 23°, une attestation délivrée par les services de l'Administration des Mines du Ministère des Affaires économiques.) <AR 27-06-1972, art. 2>
  (...) <AR 1989-12-07/31, art. 19, 069; En vigueur : 01-01-1989>
Art.217. Om tot de voortgezette verzekering te worden toegelaten moet de gerechtigde een aanvraag indienen bij zijn verzekeringsinstelling en haar (...) de volgende bewijsstukken afgeven : <KB 1989-04-26/31, art. 39, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  a) voor de in artikel 216, 1°, 2° en 3°, bedoelde toestanden, een verklaring uitgereikt door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening met nadere opgave van de reden waarom en het tijdvak waarover de werkloosheidsuitkeringen zijn ontzegd;
  (Voor de in artikel 216, 3°, bedoelde toestand mag die verklaring vervangen worden door een verklaring van zijn laatste werkgever;) <KB 23-10-1967, art. 33, 1°>
  b) voor de in artikel 216, 4°, bedoelde toestand, een verklaring uitgereikt door de Dienst voor geneeskundige verzorging met opgave van de instemming van het College van geneesheren-directeurs;
  c) (voor de in artikel 216, 5°, 21° en 22°, bedoelde toestanden, een verklaring uitgereikt door de werkgever of desgevallend door de geestelijke overheid hetzij met opgave van de juiste periode van de schorsing van de overeenkomst of de tewerkstelling of van het tijdvak dat de gerechtigde zijn ambt in het buitenland uitoefent, hetzij met vermelding van de datum van de beslissing van de administratieve gezondheidsdienst volgens welke geen vervroegd pensioen kan worden toegekend, hetzij met opgave van de datum van stopzetting van de huishoudelijke arbeid;) <KB 03-09-1971, art. 19, 2°>
  d) (voor de in artikel 216, 6°, 7°, 9° en 19°, bedoelde toestanden, een verklaring op erewoord van de gerechtigde;) <KB 23-10-1967, art. 32, 2°>
  e) voor de in artikel 216, 12°, bedoelde toestand, een verklaring van de werkgever;
  f) voor de in artikel 216, 8°, bedoelde toestand, een verklaring van de directeur van de inrichting met opgave van de periode van detinering, internering of plaatsing;
  g) voor de in artikel 216, 11°, bedoelde toestand, een verklaring van (de militaire overheid) met opgave van de periode van behoud of terugroeping onder de wapens; <KB 23-07-1974, art. 1>
  h) (voor de in artikel 216, 13°, bedoelde toestand, een verklaring uitgereikt door een vakorganisatie of door de werkgever. In dit laatste geval moet die verklaring medeondertekend zijn door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening;) <KB 23-10-1967, art. 33, 3°>
  i) voor de in artikel 216, 15°, 17° en 18°, bedoelde toestanden, een verklaring uitgereikt door de directeur van de school met opgave van de periode tijdens welke de gerechtigde de leergangen heeft gevolgd;
  In de in artikel 216, 14°, bedoelde toestand, wordt de voortgezette verzekering toegestaan op grond van de kennisgeving van de Dienst voor administratieve controle aan de verzekeringsinstelling.
  In de in artikel 216, 16°, bedoelde toestand, wordt de voortgezette verzekering toegestaan op grond van de erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid.
  (j) voor de in artikel 216, 20°, bedoelde toestand, een verklaring uitgereikt door de adviserend geneesheer van het ziekenfonds waarbij de gerechtigde is aangesloten of ingeschreven;) <KB 23-10-1967, art. 33, 4°>
  (k) voor de in artikel 216, § 1, 23°, bedoelde toestand, een verklaring uitgereikt door de diensten van de Administratie van het mijnwezen van het Ministerie van Economische Zaken.) <KB 27-06-1972, art. 2>
  (opgeheven) <KB 1989-12-07/31, art. 19, 069; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
Art.219. <AR 23-10-1967, art. 34> § 1er. Pour chaque période d'assurance continuée, le titulaire doit payer une cotisation qui est fixée comme suit par jour ouvrable :
  21 ans et plus ... (28) F
  18 à 21 ans ... (21) F
  14 à 18 ans ... (14) F. <AR 25-07-1981, art. 2, 1°>
  Sont considérés comme jours ouvrables, tous les jours de l'année, sauf les dimanches.
  Pour chaque période d'assurance continuée ou chaque partie d'une telle période qui couvre un mois civil complet, la cotisation est fixée comme suit:
  21 ans et plus ... (700) F
  18 à 21 ans ... (525) F
  14 à 18 ans ... (350) F. <AR 25-07-1981, art. 2, 2°>
  § 2. (Toutefois, le titulaire qui pour l'année civile a remis des documents de cotisations dont la valeur atteint le minimum annuel fixe à l'article 205, est dispensé du paiement de la cotisation précitée pour cette année civile.) <AR 1989-04-26/31, art. 40, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  § 3. (Les montants visés au § 1er sont liés à l'indice-pivot 148,80 de l'indice des prix à la consommation. Ils sont adaptés au 1er janvier de chaque année, au taux atteint par l'indice des prix à la consommation le 31 octobre de l'année précédente.) <AR 25-07-1981, art. 2, 3°>
Art. 218. Sur base de pièces prévues à l'article 217, l'organisme assureur établit un certificat d'assurance continuée et réclame au titulaire la cotisation y afférente.
  Les certificats d'assurance continuée qui doivent, en application de l'article 216, comporter une durée minimum, peuvent être renouvelés; toutefois, la durée des périodes cumulées ne peut dépasser la période maximum fixée par la disposition de l'article 216 en vertu de laquelle le ou les certificats sont délivrés.
Art.218. Op de basis van de in artikel 217 bepaalde stukken, maakt de verzekeringsinstelling een getuigschrift van voortgezette verzekering op en vordert zij van de gerechtigde de desbetreffende bijdrage.
  De getuigschriften van voortgezette verzekering welke bij toepassing van artikel 216 een minimumduur moeten bevatten, mogen worden vernieuwd; de duur van de samengevoegde tijdvakken mag evenwel het maximumtijdvak niet overschrijden dat is vastgesteld in de bepaling van artikel 216 krachtens welke het of de getuigschriften worden uitgereikt.
Art. 219. <AR 23-10-1967, art. 34> § 1er. Pour chaque période d'assurance continuée, le titulaire doit payer une cotisation qui est fixée comme suit par jour ouvrable :
  21 ans et plus ... (28) F
  18 à 21 ans ... (21) F
  14 à 18 ans ... (14) F. <AR 25-07-1981, art. 2, 1°>
  Sont considérés comme jours ouvrables, tous les jours de l'année, sauf les dimanches.
  Pour chaque période d'assurance continuée ou chaque partie d'une telle période qui couvre un mois civil complet, la cotisation est fixée comme suit:
  21 ans et plus ... (700) F
  18 à 21 ans ... (525) F
  14 à 18 ans ... (350) F. <AR 25-07-1981, art. 2, 2°>
  § 2. (Toutefois, le titulaire qui pour l'année civile a remis des documents de cotisations dont la valeur atteint le minimum annuel fixe à l'article 205, est dispensé du paiement de la cotisation précitée pour cette année civile.) <AR 1989-04-26/31, art. 40, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  § 3. (Les montants visés au § 1er sont liés à l'indice-pivot 148,80 de l'indice des prix à la consommation. Ils sont adaptés au 1er janvier de chaque année, au taux atteint par l'indice des prix à la consommation le 31 octobre de l'année précédente.) <AR 25-07-1981, art. 2, 3°>
Art.219. <KB 23-10-1967, art. 34> § 1. Voor ieder tijdvak van voortgezette verzekering moet de gerechtigde een bijdrage betalen, die per werkdag als volgt wordt vastgesteld :
  21 jaar en meer... (28) F
  18 tot 21 jaar ... (21) F
  14 tot 18 jaar ... (14) F <KB 25-07-1981, art. 2, 1°>
  Worden als werkdagen beschouwd, alle dagen van het jaar, behoudens de zondagen.
  Voor ieder tijdvak van voortgezette verzekering of ieder gedeelte van zulk tijdvak, dat een volledige kalendermaand beslaat, wordt de bijdrage als volgt vastgesteld:
  21 jaar en meer ... (700) F
  28 tot 21 jaar ... (525) F
  14 tot 18 jaar ... (350) F <KB 25-07-1981, art. 2, 2°>
  § 2. (Nochtans wordt de gerechtigde die voor het kalenderjaar bijdragebescheiden heeft afgegeven, waarvan de waarde het in artikel 205 bepaalde jaarlijkse minimum bereikt, voor dat kalenderjaar van de betaling van voornoemde bijdrage vrijgesteld.) <KB 1989-04-26/31, art. 40, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  § 3. (De in § 1 bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan het indexcijfer 148,80 van de consumptieprijzen. Ze worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid van het op 31 oktober van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen.) <KB 25-07-1981, art. 2, 3°>
Art.221. § 1er. En application (de l'article 76quater, § 1er, de la loi du 9 août 1963 susvisée), les prescriptions de santé fournies en dehors du territoire national sont accordées : <AR 1989-04-26/31, art. 41, 1°, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  1° (pour lui-même et pour les personnes à sa charge qui y séjournent avec lui, au titulaire qui se trouve en période d'incapacité de travail et a été autorisé préalablement par le médecin-conseil à séjourner temporairement à l'étranger tout en gardant sa résidence principale en Belgique.
  L'autorisation du médecin-conseil ne peut porter que sur une période se terminant au plus tard au début des délais qui lui sont fixés à l'article 55, § 1er, 1° et 2°, pour l'établissement des rapports qui y sont visés;) <AR 1992-12-17/38, art. 8, 109; En vigueur : 01-07-1993>
  2° pour le bénéficiaire, lorsque le rétablissement de sa santé nécessite une hospitalisation qui peut être donnée dans de meilleures conditions médicales à l'étranger et qui est préalablement jugée indispensable par le médecin-conseil;
  3° pour le bénéficiaire qui doit, au cours d'un séjour à l'étranger, être hospitalisé d'urgence;
  4° (pour le titulaire et pour les personnes à sa charge qui résident avec lui sur le territoire d'un autre pays, lorsque le titulaire est occupé sur ce territoire et reste assujetti à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés;) <AR 03-09-1971, art. 20, 2°>
  5° pour le bénéficiaire atteint de tuberculose et pour lequel le médecin-conseil reconnaît la nécessité d'une cure sanatoriale à l'étranger, dans un établissement agréé par le Service des soins de santé;
  6° pour le bénéficiaire qui a recours, en dehors du territoire national, à un médecin ou à une accoucheuse étrangers, autorisés à pratiquer en Belgique;
  7° (pour le bénéficiaire ayant sa résidence principale dans une région frontière qui se fait soigner dans un établissement hospitalier, situé en dehors du territoire national dans un rayon de vingt-cinq kilomètres maximum de sa résidence principale, à condition qu'il n'y ait en Belgique, aucun établissement similaire plus rapproché;) <AR 1992-12-17/38, art. 8, 109; En vigueur : 01-07-1993>
  8° pour le bénéficiaire dont la rééducation fonctionnelle ou professionnelle s'effectue à l'étranger;
  9°
  a) (pour le bénéficiaire qui se fait soigner au Grand-Duché du Luxembourg, s'il a sa résidence principale dans un des cantons d'Arlon et de Messancy, arrondissements administratifs de Virton et de Bastogne, ou communes de Mellier, Léglise, Ebly, Juseret, Witry et Anlier;
  b) pour le bénéficiaire qui se fait soigner en France dans un rayon de 50 kilomètres de sa résidence principale, si elle se situe dans un des cantons de Bouillon, Chimay, Couvin, Florenville, Gedinne et Virton.
  Toutefois, cette dérogation ne vise, en ce qui concerne les prestations de santé, que :
  - la médecine spéciale;
  - l'obstétrique;
  - l'hospitalisation;
  - les soins dentaires;
  - les fournitures pharmaceutiques, prescrites à l'occasion des soins visés ci-dessus;) <AR 1992-12-17/38, art. 8, 109; En vigueur : 01-07-1993>
  10° pour le bénéficiaire blessé au cours d'un accident sur le territoire national, dont l'état requiert des soins urgents et qui est transporté vers un établissement hospitalier situé à l'étranger, plus proche ou mieux accessible que tout établissement similaire situé en Belgique.
  Il en est de même du bénéficiaire qui se trouve inopinément dans un état requérant des soins urgents dans un établissement hospitalier.
  (11° Cette disposition est également applicable aux titulaires et aux personnes à leur charge, visés à l'article 1er de l'arrêté royal du 23 décembre 1993 étendant le champ d'application de l'assurance soins de santé obligatoire à certains membres de l'ancien personnel du secteur public en Afrique, lorsqu'ils résident sur le territoire d'un pays avec lequel la Belgique n'est pas liée par un instrument international en matière de sécurité sociale relatif aux soins de santé.) <AR 1994-09-15/45, art. 1, 123; En vigueur : 01-01-1994>
  § 2. Le remboursement des prestations de santé est subordonné à la condition qu'elles aient été données soit par une personne autorisée légalement à exercer l'art de guérir dans le pays où elles ont été données, soit dans un établissement hospitalier présentant les garanties médicales suffisantes ou qui est reconnu par les autorités du pays où il est situé. Les autorisations visées aux 1°, 2° et 5° sont immédiatement notifiées aux intéressés par le médecin-conseil qui verse une copie de la notification au dossier visé à l'article 171, premier alinéa. Lorsqu'elles concernent des titulaires, une copie de la notification est adressée au bureau provincial du Service du contrôle médical.
  (Les prestations de biologie clinique fournies à l'occasion d'une hospitalisation visée aux 2° et 3° du § 1 ci-dessus, sont remboursées aux tarifs applicables pour un patient non hospitalisé, conformément à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité.) <AR 1991-04-10/46, art. 1, 091; En vigueur : 04-07-1991>
  § 3. En application (de l'article 76quater, § 1er de la loi du 9 août 1963 susvisée), les indemnités d'incapacité de travail sont accordées lorsque le titulaire se trouve en dehors du territoire national pour autant qu'il soit dans une des situations visées au § 1er et qu'il remplisse les autres conditions d'octroi des indemnités d'incapacité de travail et notamment celles qui sont visées par l'article 56 de la loi du 9 août 1963 susvisée. <AR 1989-04-26/31, art. 41, 2°, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  (§ 4. L'allocation pour frais funéraires prévue à l'article 61 de la susdite loi du 9 août 1963 est due, même quand le titulaire est décédé hors de Belgique.) <AR 25-06-1969, art. 5>
Art.220. De in artikel 219 bepaalde bijdrage moet betaald worden uiterlijk op 30 juni voor het verlopen kalenderjaar. Het recht op de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging wordt opgeschort tot de bijdragen voor de tijdvakken van voortgezette verzekering zijn betaald.
Section 11. _ Des droits des titulaires qui peuvent prétendre la pension d'invalidité au titre de la législation sur le régime de retraite des ouvriers mineurs pendant les six derniers mois de l'incapacité primaire.
Afdeling 10. _ Buitenlands verleende prestaties.
Art. 221. § 1er. En application (de l'article 76quater, § 1er, de la loi du 9 août 1963 susvisée), les prescriptions de santé fournies en dehors du territoire national sont accordées :
Art.221. § 1. Bij toepassing (van artikel 76quater, § 1, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963) worden de buitenlands verleende geneeskundige verstrekkingen toegekend :
Art.223. L'ouvrier mineur, incapable de travailler au delà de la période fixée à l'article 222, peut recevoir, sous réserve de récupération, soit à sa charge, soit à celle de la Caisse de prévoyance, débitrice de la pension visée ci-après, l'indemnité d'incapacité primaire, à condition qu'il ait introduit une demande de pension d'invalidité au titre d'ouvrier mineur auprès de l'instance compétente en la matière et qu'il s'engage à rembourser à l'organisme assureur le montant des indemnités avancées à concurrence du montant de la pension obtenue. Lorsque ladite instance a refusé la pension, elle en avertit l'organisme assureur; l'indemnité d'incapacité primaire ne continue à être accordée que si l'état d'incapacité primaire ne continue à être accordée que si l'état d'incapacité de travail au sens de l'article 56 de la loi du 9 août 1963 susvisée est reconnu par le médecin-conseil.
Afdeling 11. _ Rechten van de gerechtigden die aanspraak hebben op invaliditeitspensioen krachtens de wetgeving op de rustpensioenregeling voor mijnwerkers, over de laatste zes maanden van de primaire arbeidsongeschiktheid.
Art.224. L'ouvrier mineur qui a droit, à l'expiration de la période fixée à l'article 222 à une pension d'invalidité au titre de la législation sur le régime de retraite des ouvriers mineurs peut prétendre jusqu'à l'expiration de la période d'un an fixée à l'article 46, alinéa premier de la loi du 9 août 1963 susvisée, la différence entre le montant de l'indemnité d'incapacité primaire et le montant de la pension d'invalidité, évaluée en jours ouvrables, octroyée au titre d'ouvrier mineur.
Art.222. Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 46, derde lid, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 loopt het recht op de primaire ongeschiktheidsuitkeringen af op het einde van de kalendermaand vóór die waarin de zesde maand arbeidsongeschiktheid eindigt indien deze uiterlijk de 15e van de maand afloopt en op het einde van de maand waarin de eerste zes maanden arbeidsongeschiktheid eindigen indien deze na de 15e van de maand aflopen.
Art. 223. L'ouvrier mineur, incapable de travailler au delà de la période fixée à l'article 222, peut recevoir, sous réserve de récupération, soit à sa charge, soit à celle de la Caisse de prévoyance, débitrice de la pension visée ci-après, l'indemnité d'incapacité primaire, à condition qu'il ait introduit une demande de pension d'invalidité au titre d'ouvrier mineur auprès de l'instance compétente en la matière et qu'il s'engage à rembourser à l'organisme assureur le montant des indemnités avancées à concurrence du montant de la pension obtenue. Lorsque ladite instance a refusé la pension, elle en avertit l'organisme assureur; l'indemnité d'incapacité primaire ne continue à être accordée que si l'état d'incapacité primaire ne continue à être accordée que si l'état d'incapacité de travail au sens de l'article 56 de la loi du 9 août 1963 susvisée est reconnu par le médecin-conseil.
  Le premier alinéa s'applique en outre, dès le début de l'incapacité de travail, à l'ouvrier mineur qui, tout en étant au travail, était au bénéfice de la pension susvisée dont le montant était réduit en application des dispositions réglant le cumul de pareille pension avec un salaire ou une rémunération.
Art.223. De mijnwerker die na het in artikel 222 vastgestelde tijdvak arbeidsongeschikt is, kan, onder voorbehoud van terugvordering hetzij te zijnen laste, hetzij ten laste van de Voorzorgskas welke het hierna bedoelde pensioen verschuldigd is, primaire ongeschiktheidsuitkeringen genieten op voorwaarde dat hij bij de ter zake bevoegde instantie een aanvraag om invaliditeitspensioen als mijnwerker heeft ingediend en dat hij de verbintenis aangaat het bedrag van de voorgeschoten uitkeringen aan de verzekeringsinstelling terug te betalen ten belope van het bedrag van het verkregen pensioen. Wanneer bedoelde instantie het pensioen heeft geweigerd stelt zij de verzekeringsinstelling daarvan in kennis; de primaire ongeschiktheidsuitkering wordt slechts verder toegekend wanneer de staat van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 56 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 door de adviserend geneesheer erkend is.
  Het eerste lid is daarenboven reeds bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid van toepassing op de mijnwerker die, hoewel hij aan de arbeid was, vorenbedoeld pensioen genoot waarvan het bedrag was verminderd bij toepassing van de bepalingen tot regeling van de cumulatie van een dergelijk pensioen met een loon of een bezoldiging.
Art.225. <AR 1996-06-10/39, art. 1, 143; En vigueur : 10-08-1994> Le taux de l'indemnité d'incapacité primaire est fixé a 60 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 87, alinéa 1er de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994. Pour le titulaire visé à l'article 86, § 1er, 1°, c) de la loi coordonnée susvisée, ainsi que pour le titulaire qui maintient la qualité précitée en vertu de l'article 131 de la même loi, le montant de l'indemnité d'incapacité primaire ne peut, pendant les six premiers mois d'incapacité de travail, être supérieur à celui de l'allocation de chômage à laquelle ils auraient pu prétendre s'ils ne s'étaient pas trouvés en état d'incapacité de travail. Les titulaires précités sont maintenus dans la catégorie de chômeurs qui à été fixée conformément aux dispositions de l'article 110, § 1er, § 2 ou § 3 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, au début de l'incapacité de travail, sauf si une modification intervient par suite, soit d'un décès ou d'une naissance, soit du mariage, du divorce ou de la séparation de corps du titulaire, au cours de la période précitée.
  Pour la détermination de la période de six mois visée à l'alinéa premier, il est tenu compte de la durée de la période de repos de maternité qui précède immédiatement la période d'incapacité de travail.
  (Alinéa 3 abrogé) <AR 1997-11-10/42, art. 1, 144; En vigueur : 1997-12-12>
  La mesure de limitation du montant de l'indemnité d'incapacité de travail à celui de l'allocation de chômage visée à l'alinéa 1er n'est toutefois pas applicable au chômeur temporaire. Sont assimilés à des chômeurs temporaires, pour l'application de la présente disposition, les travailleurs visés à l'article 28, § 3 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 susvisé et les travailleurs occupés à mi-temps dans le cadre de l'arrêté royal du 30 juillet 1994 relatif à la prépension à mi-temps.
Art.224. De mijnwerker die bij afloop van het in artikel 222 bepaalde tijdvak recht heeft op een invaliditeitspensioen krachtens de wetgeving op de rustpensioenregeling voor mijnwerkers, heeft, totdat het in artikel 46, eerste lid van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bepaalde eenjarige tijdvak afloopt, aanspraak op het verschil tussen het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering en het bedrag van het in werkdagen gewaardeerde invaliditeitspensioen dat hem als mijnwerker wordt toegekend.
  De mijnwerker die zijn aanvraag om invaliditeitspensioen als mijnwerker niet heeft ingediend vóór het einde van de zesde maand van zijn arbeidsongeschiktheid, ontvangt het in het vorig lid bedoelde verschil pas met ingang van de datum waarop zijn pensioen ingaat.
Art. 225bis. <AR 13-01-1976, art. 1> Le montant maximum de la rémunération visée à l'article 46, alinéa 1er de la loi du 9 août 1963 précitée est fixé à 1 083,33 F par jour.
  Ce montant est lié à l'indice-pivot 114,20 et est adapté aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément aux dispositions des articles 2, 4, § 1er et 6, 3° de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Afdeling 12. _ (Hoegrootheid van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, maximum- en minimum bedrag van de invaliditeitsuitkering.)
Art.226. Le taux de l'indemnité d'invalidité est fixé à (65 p.c.) de la rémunération perdue visée à l'article 46, alinéa 1er, de la loi du 9 août 1963 précitée. (Pour les titulaires dont l'incapacité de travail a pris cours avant le 1er janvier 1975, cette rémunération est majorée d'un montant de (29,42 frs), lié à l'indice 114,20.) (Pour le titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours à partir du 1er janvier 1975 et au plus tard le 31 décembre 1976, cette rémunération est majorée d'un montant de 15,13 F lié à l'indice 114,20.)
Art.225. <KB 1996-06-10/39, art. 1, 143; Inwerkingtreding : 10-08-1994> De hoegrootheid van de primaire ongeschiktheidsuitkering wordt bepaald op 60 pct. van het gederfde loon bedoeld in artikel 87, eerste lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. Voor de in artikel 86; § 1, 1°, c) van vorengenoemde gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde, evenals voor de gerechtigde die voormelde hoedanigheid behoudt krachtens artikel 131 van dezelfde wet, mag de primaire ongeschiktheidsuitkering gedurende de eerste zes maanden arbeidsongeschiktheid, niet méér bedragen dan de werkloosheidsuitkering waarop zij aanspraak zouden hebben indien zij zich niet in staat van arbeidsongeschiktheid bevonden. Vorenvermelde gerechtigden blijven verder behoren tot de categorie van werklozen die overeenkomstig het bepaalde in artikel 110, § 1, § 2, of § 3 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, is vastgesteld bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid, tenzij er zich in de loop van voornoemd tijdvak, een wijziging voordoet ten gevolge van hetzij een overlijden of een geboorte, hetzij het huwelijk, de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed van de gerechtigde.
  Voor het bepalen van de in het eerste lid genoemde periode van zes maanden wordt rekening gehouden met de duur van de periode van moederschapsrust onmiddellijk vóór de periode van arbeidsongeschiktheid.
  (Lid 3 opgeheven) <KB 1997-11-10/42, art. 1, 144; Inwerkingtreding : 1997-12-12>
  De maatregel ter beperking van het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering tot het bedrag van de in het eerste lid bedoelde werkloosheidsuitkering is evenwel niet van toepassing op de tijdelijke werkloze. Voor de toepassing van deze bepaling worden met tijdelijke werklozen gelijkgesteld, de werknemers, bedoeld in artikel 28, § 3 van vorengenoemd koninklijk besluit van 25 november 1991 en de werknemers die halftijds werken in het kader van het koninklijk besluit van 30 juli 1994 betreffende het halftijds brugpensioen.
Art.227. <AR 22-06-1983, art. 1> § 1. (Le montant journalier minimum de l'indemnité d'invalidité accordée aux titulaires qui ont la qualité de travailleur régulier, est fixé comme suite :
  1° pour les titulaires qui sont considérés comme travailleurs avec personne à charge, le montant journalier minimum est égal à 391,70 francs;
  2° pour les titulaires qui ne sont pas considérés comme travailleurs avec personne à charge, le montant journalier minimum est égal :
  a) pour les titulaires visés à l'article 229bis, à 313,45 francs;
  b) pour les titulaires non visés à l'article 229bis, à 280,43 francs.
  Les montants vises à l'alinéa précédent sont liés à l'indice-pivot 114,20.
  Ce montant journalier minimum n'est accordé qu'à la date à laquelle l'invalide qui n'a pas de personne à charge, visé à l'article 228 du présent arrêté atteint l'âge de 21 ans.) <AR 1994-05-16/31, art. 1, 120; En vigueur : 01-05-1994>
  § 2. (Le montant journalier minimum de l'indemnité d'invalidité accordée aux travailleurs non réguliers est égal au montant du minimum de moyens d'existence évalué en jours ouvrables, garanti en vertu de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence.
  Pour les titulaires ayant personne à charge au sens de l'article 93 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, ce montant correspond à celui garanti pour des conjoints vivant sous le même toit.
  Pour les titulaires n'ayant pas de personne à charge, ce montant correspond à celui garanti pour une personne isolée.
  Il y a lieu d'entendre par travailleurs non réguliers, les titulaires auxquels la qualité de travailleur régulier ne peut être reconnue conformément aux dispositions de l'article 228.) <AR 1996-02-02/32, art. 1, 138; En vigueur : 29-09-1995>
Art. 225bis. <KB 13-01-1976, art. 1> Het maximumbedrag van het loon bedoeld in artikel 46, eerste lid, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 wordt vastgesteld op 1 083,33 F per dag.
  Dit bedrag wordt gekoppeld aan de spilindex 114,20 en wordt aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 2, 4, § 1 en 6, 3°, van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Art. 226. <AR 19-07-1971, art. 3> Le taux de l'indemnité d'invalidité est fixé à (65 p.c.) de la rémunération perdue visée à l'article 46, alinéa 1er, de la loi du 9 août 1963 précitée. (Pour les titulaires dont l'incapacité de travail a pris cours avant le 1er janvier 1975, cette rémunération est majorée d'un montant de (29,42 frs), lié à l'indice 114,20.) (Pour le titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours à partir du 1er janvier 1975 et au plus tard le 31 décembre 1976, cette rémunération est majorée d'un montant de 15,13 F lié à l'indice 114,20.) <AR 26-06-1973, art. 1> <AR 20-12-1977, art. 1> <AR 13-12-1978, art. 1>
  (Pour les titulaires qui ne sont pas considérés comme travailleurs avec personnes à charge, ce taux est réduit à 45 ou 40 p.c. de la même rémunération, selon qu'il s'agit ou non de titulaires visés à l'article 229bis.) <AR 1986-07-30/31, art. 1, 027>
  (Le montant maximum de l'indemnité d'invalidité est fixé à 1 681,61 F pour le titulaire qui est considéré comme travailleur ayant personne à charge, et à 1 121,07 F pour le titulaire qui n'est pas considéré comme travailleur ayant personne à charge. Pour l'application de l'article 237, ces montants sont liés à l'indice 181,41.) <AR 1984-04-12/50, art. 1, 1°, 003>
  (Pour le titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours avant le 1er octobre 1974, le montant maximum de l'indemnité d'invalidité est fixé à partir du 1er juillet 1984 à 1 150,63 F pour le titulaire qui est considéré comme travailleur ayant personne à charge et à 770,04 F pour le titulaire qui n'est pas considéré comme travailleur ayant personne à charge. Pour l'application de l'article 237, ces montants sont liés à l'indice 181,41. Pour les titulaires dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tôt le 1er janvier 1974 et au plus tard le 30 septembre 1974 et dont l'incapacité subsiste au 1er juillet 1984, le montant de la rémunération perdue à prendre en considération pour le calcul de l'indemnité à allouer à partir de cette même date est le montant de la rémunération réelle se rapportant à la période de référence visée à l'article 46 de la loi du 9 août 1963 précitée, limité toutefois au montant maximum sur lequel étaient prélevées les cotisations pour l'assurance-indemnités. Ce montant maximum est augmenté de 10,24 p.c. avant l'application de l'alinéa premier du présent article.) <AR 1984-04-12/50, art. 1, 2°, 003>
  A partir du 1er janvier 1975 ces montants seront affectés du coefficient de réévaluation prévu à l'article 54 de la loi du 9 août 1963 susvisée.
Art.226. <KB 19-07-1971, art. 3> De hoegrootheid van de invaliditeitsuitkering wordt vastgesteld op (65 pct.) van het in artikel 46, eerste lid, van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, bedoelde gederfde loon. (Voor de gerechtigden, wier arbeidsongeschiktheid is ingegaan voor 1 januari 1975, wordt dit loon verhoogd met een bedrag van (29,42 F), gekoppeld aan het indexcijfer 114,20.) (Voor de gerechtigde wier arbeidsongeschiktheid van 1 januari 1975 af en uiterlijk op 31 december 1976 is ingegaan, wordt dit loon verhoogd met een bedrag van 15,13 F gekoppeld aan het indexcijfer 114,20.) <KB 26-06-1973, art. 1> <KB 20-12-1977, art. 1> <KB 13-12-1978, art. 1>
  (Voor de gerechtigden die niet worden beschouwd als werknemers met persoon ten laste, wordt deze hoegrootheid herleid tot 45 of 40 pct. van hetzelfde loon, naargelang het al dan niet in artikel 229bis bedoelde gerechtigden betreft.) <KB 1986-07-30/31, art. 1, 027>
  (Het maximumbedrag van de invaliditeitsuitkering wordt vastgesteld op 1 681,61 F voor de gerechtigde die wordt beschouwd als werknemer met persoon ten laste, en op 1 121,07 F voor de gerechtigde die niet wordt beschouwd als werknemer met persoon ten laste. Voor de toepassing van artikel 237 worden deze bedragen gekoppeld aan het indexcijfer 181,41.) <KB 1984-04-12/50, art. 1, 1° 003>
  (Voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid vóór 1 oktober 1974 is aangevangen, wordt het maximumbedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 juli 1984 vastgesteld op 1 150,63 F voor de gerechtigde die wordt beschouwd als werknemer met persoon ten laste en op 770,04 F voor de gerechtigde die niet wordt beschouwd als werknemer met persoon ten laste. Voor de toepassing van artikel 237 worden deze bedragen gekoppeld aan het indexcijfer 181,41. Voor de gerechtigden wier arbeidsongeschiktheid ten vroegste op 1 januari 1974 en ten laatste op 30 september 1974 is aangevangen en wier ongeschiktheid op 1 juli 1984 nog altijd aanhoudt, is het bedrag van het gederfde loon dat in aanmerking dient te worden genomen voor de berekening van de vanaf laatstgenoemde datum te verlenen uitkering gelijk aan het bedrag van het werkelijk loon over het in artikel 46 van de vorengenoemde wet van 9 augustus 1963 bedoelde refertetijdvak, zij het beperkt tot het maximumbedrag waarop de bijdragen voor de uitkeringsverzekering werden geheven. Dat maximumbedrag wordt met 10,24 pct. verhoogd vooraleer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast.) <KB 1984-04-12/50, art. 1, 2°, 003>
  Op deze bedragen wordt vanaf 1 januari 1975 de herwaarderingscoëfficient toegepast bedoeld in artikel 54 van voornoemde wet van 9 augustus 1963.
Art. 227. <AR 22-06-1983, art. 1> § 1. (Le montant journalier minimum de l'indemnité d'invalidité accordée aux titulaires qui ont la qualité de travailleur régulier, est fixé comme suite :
  1° pour les titulaires qui sont considérés comme travailleurs avec personne à charge, le montant journalier minimum est égal à 391,70 francs;
  2° pour les titulaires qui ne sont pas considérés comme travailleurs avec personne à charge, le montant journalier minimum est égal :
  a) pour les titulaires visés à l'article 229bis, à 313,45 francs;
  b) pour les titulaires non visés à l'article 229bis, à 280,43 francs.
  Les montants vises à l'alinéa précédent sont liés à l'indice-pivot 114,20.
  Ce montant journalier minimum n'est accordé qu'à la date à laquelle l'invalide qui n'a pas de personne à charge, visé à l'article 228 du présent arrêté atteint l'âge de 21 ans.) <AR 1994-05-16/31, art. 1, 120; En vigueur : 01-05-1994>
  § 2. (Le montant journalier minimum de l'indemnité d'invalidité accordée aux travailleurs non réguliers est égal au montant du minimum de moyens d'existence évalué en jours ouvrables, garanti en vertu de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence.
  Pour les titulaires ayant personne à charge au sens de l'article 93 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, ce montant correspond à celui garanti pour des conjoints vivant sous le même toit.
  Pour les titulaires n'ayant pas de personne à charge, ce montant correspond à celui garanti pour une personne isolée.
  Il y a lieu d'entendre par travailleurs non réguliers, les titulaires auxquels la qualité de travailleur régulier ne peut être reconnue conformément aux dispositions de l'article 228.) <AR 1996-02-02/32, art. 1, 138; En vigueur : 29-09-1995>
Art.227. <KB 22-06-1983, art. 1> § 1. (Het minimum dagbedrag van de invaliditeitsuitkering toe te kennen aan de gerechtigden die de hoedanigheid hebben van regelmatig werknemer, wordt als volgt vastgesteld :
  1° voor de gerechtigden die worden beschouwd als werknemers met persoon ten laste, is het minimum dagbedrag gelijk aan 391,70 frank;
  2° voor de gerechtigden die niet worden beschouwd als werknemers met persoon ten laste, is het minimum dagbedrag :
  a) voor de in artikel 229bis bedoelde gerechtigden, gelijk aan 313,45 frank;
  b) voor de niet in artikel 229bis bedoelde gerechtigden, gelijk aan 280,43 frank.
  De in het vorige lid bedoelde bedragen worden gekoppeld aan het indexcijfer 114,20.
  Dit minimum dagbedrag wordt pas toegekend vanaf de datum waarop de in artikel 228 van dit besluit bedoelde invalide die geen personen ten laste heeft, de leeftijd van 21 jaar bereikt.) <KB 1994-05-16/31, art. 1, 120; Inwerkingtreding : 01-05-1994>
  § 2. (Het minimum dagbedrag van de invaliditeitsuitkering toegekend aan niet-regelmatige werknemers is gelijk aan het in werkdagen gewaardeerde bedrag van het bestaansminimum dat wordt gewaarborgd krachtens de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum.
  Voor de gerechtigden met persoon ten laste, als bedoeld in artikel 93 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, stemt dat bedrag overeen met het bedrag dat wordt gewaarborgd voor samenwonende echtgenoten.
  Voor de gerechtigden die geen persoon ten laste hebben, stemt dat bedrag overeen met het bedrag dat wordt gewaarborgd voor een alleenstaande persoon.
  Onder niet-regelmatige werknemers dient verstaan te worden de gerechtigden aan wie de hoedanigheid van regelmatig werknemer niet kan worden toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 228.) <KB 1996-02-02/32, art. 1, 138; Inwerkingtreding : 29-09-1995>
Art. 227bis. <AR 06-07-1971, art. 2> Pour les titulaires devenus incapables de travailler entre le 2 avril 1964 et le 30 juin 1970 et dont l'incapacité persiste au 1er juillet 1971, le montant de la rémunération perdue, à prendre en considération pour le calcul de l'indemnité à allouer à partir de cette dernière date est le montant de la rémunération réelle se rapportant à la période de référence visée à l'article 46 de la loi du 9 août 1963 précitée, limité toutefois au montant maximum sur lequel étaient prélevées les cotisations pour l'assurance-soins de santé et sans que le montant mensuel de la rémunération puisse dépasser 14 300 F pendant le premier trimestre 1970 et 14 575 F pendant le deuxième trimestre 1970.
  (Avant application des articles 50, alinéa 4, 54 et 55 de la loi du 9 août 1963 précitée, le montant journalier de l'indemnité d'invalidité est augmentée de 25 p.c. pour les titulaires dont l'incapacité de travail a débuté avant le 2 avril 1964.) <AR 11-12-1974, art. 2>
Art. 227bis. <KB 06-07-1971, art. 2> Voor de gerechtigden die tussen 2 april 1964 en 30 juni 1970 arbeidsongeschikt werden en wier arbeidsongeschiktheid op 1 juli 1971 voortduurt, is het bedrag van het gederfde loon dat in aanmerking dient te worden genomen voor de berekening van de uitkering te verlenen van deze laatste datum af, gelijk aan het bedrag van het werkelijke loon over de bij artikel 46 van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde referteperiode, evenwel beperkt tot het maximumbedrag op hetwelk de bijdragen voor de verzekering voor geneeskundige verzorging werden ingehouden en zonder dat het maandbedrag van het loon 14 300 F mag overschrijden tijdens het eerste kwartaal 1970 en 14 575 F tijdens het tweede kwartaal 1970.
  (Vóór toepassing van de artikelen 50, vierde lid, 54 en 55 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 wordt het dagbedrag van de invaliditeitsuitkering verhoogd met 25 pct. voor de gerechtigden wier arbeidsongeschiktheid is aangevangen vóór 2 april 1964.) <KB 11-12-1974, art. 2>
Section 12bis. _ Des taux et des conditions d'octroi de l'indemnité de maternité.
Art. 227quinquies. Les taux de l'indemnité de maternité est fixé à 79,5 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 61quater, alinéa 3, de la loi du 9 août 1963, pendant les trente premiers jours de la période de repos de maternité telle qu'elle est définie aux articles 61quinquies et sexies de la même loi, et à 75 p.c. de la même rémunération, à partir du trente et unième jour de cette période.
  Toutefois, pendant les trente premiers jours de la période de repos de maternité, les titulaires visées à l'article 45, § 1er, 1° a) et b) de la loi du 9 août 1963 précitée, bénéficient d'une indemnité de maternité s'élevant à 82 p.c. de la rémunération perdue susvisée sans qu'il y ait lieu d'appliquer la limitation de la rémunération prévue à l'article 61quater, alinéa 3, susvisé.
Art. 227quater. (opgeheven) <KB 1983-12-31/33,art. 5, 002>
Art. 227sexies. Les titulaires en chômage complet contrôlé visées à l'article 61quater, dernier alinéa de la loi du 9 août 1963 précitée, ainsi que les titulaires qui maintiennent la qualité précitée en vertu de l'article 75 de la même loi, ont droit à une indemnité de base s'élevant à 60 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 61quater, alinéa 3 de la même loi; le montant de cette indemnité ne peut cependant être supérieur à celui de l'allocation de chômage à laquelle les titulaires précitées auraient pu prétendre si elles ne s'étaient pas trouvées en repos de maternité.
  La mesure de limitation visée à l'alinéa précédent cesse de s'appliquer dès qu'une période de (six mois) est écoulée, compte tenu de la durée de la période de repos de maternité et de la période d'incapacité de travail qui la précède immédiatement. <AR 1993-10-19/33, art. 2,118; En vigueur : 01-11-1993>
  Les titulaires visées à l'alinéa 1er du présent article ont droit en outre, à une indemnité complémentaire s'élevant à 19,5 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 61quater, alinéa 3 de la loi du 9 août 1963 précitée, pendant les trente premiers jours de la période de repos de maternité, et à 15 p.c. de la même rémunération, à partir du trente et unième jour de cette période.
Afdeling 12bis. _ Bedragen van de moederschapsuitkering en toekenningsvoorwaarden
Art. 227quinquies. Les taux de l'indemnité de maternité est fixé à 79,5 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 61quater, alinéa 3, de la loi du 9 août 1963, pendant les trente premiers jours de la période de repos de maternité telle qu'elle est définie aux articles 61quinquies et sexies de la même loi, et à 75 p.c. de la même rémunération, à partir du trente et unième jour de cette période.
Art. 227quinquies. <INGEVOEGD bij KB 1990-01-10/31, art. 3, 073; Inwerkingtreding : 10-01-1990> Het bedrag van de moederschapsuitkering wordt vastgesteld op 79,5 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 61quater, 3e lid, van de wet van 9 augustus 1963, tijdens de dertig eerste dagen van de periode van moederschapsrust, als bepaald in de artikelen 61quinquies en sexies van dezelfde wet, en op 75 pct. van het gederfde loon, vanaf de eenendertigste dag van deze periode.
  Tijdens de dertig eerste dagen evenwel van de periode van moederschapsrust genieten de gerechtigden, bedoeld in artikel 45, § 1, 1° a) en b), van voornoemde wet van 9 augustus 1963, een moederschapsuitkering, gelijk aan 82 pct. van voornoemd gederfd loon, zonder toepassing van de loonsbeperking, bepaald in voornoemd 3° lid van artikel 61quater.
Art. 227sexies. Les titulaires en chômage complet contrôlé visées à l'article 61quater, dernier alinéa de la loi du 9 août 1963 précitée, ainsi que les titulaires qui maintiennent la qualité précitée en vertu de l'article 75 de la même loi, ont droit à une indemnité de base s'élevant à 60 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 61quater, alinéa 3 de la même loi; le montant de cette indemnité ne peut cependant être supérieur à celui de l'allocation de chômage à laquelle les titulaires précitées auraient pu prétendre si elles ne s'étaient pas trouvées en repos de maternité.
  La mesure de limitation visée à l'alinéa précédent cesse de s'appliquer dès qu'une période de (six mois) est écoulée, compte tenu de la durée de la période de repos de maternité et de la période d'incapacité de travail qui la précède immédiatement. <AR 1993-10-19/33, art. 2,118; En vigueur : 01-11-1993>
  Les titulaires visées à l'alinéa 1er du présent article ont droit en outre, à une indemnité complémentaire s'élevant à 19,5 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 61quater, alinéa 3 de la loi du 9 août 1963 précitée, pendant les trente premiers jours de la période de repos de maternité, et à 15 p.c. de la même rémunération, à partir du trente et unième jour de cette période.
Art. 227sexies. <INGEVOEGD bij KB 1990-01-10/31, art. 3, 073; Inwerkingtreding : 10-01-1990> De gerechtigden in gecontroleerde volledige werkloosheid die worden bedoeld in artikel 61quater, laatste lid, van voornoemde wet van 9 augustus 1963, alsook de gerechtigden die voornoemde hoedanigheid krachtens artikel 75 van dezelfde wet behouden, hebben recht op een basisuitkering, gelijk aan 60 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 61quater, 3e lid, van dezelfde wet; het bedrag van deze uitkering mag echter niet hoger zijn dan dat van de werkloosheidsuitkering waarop voornoemde gerechtigden aanspraak hadden kunnen maken als zij niet in moederschapsrust waren geweest.
  De beperkende maatregel van het vorige lid houdt op van toepassing te zijn zodra een periode van (zes maanden) verstreken is, waarbij rekening gehouden wordt met de duur van de periode van moederschapsrust en de periode van arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voordien. <KB 1993-10-19/33, art. 2,118; Inwerkingtreding : 01-11-1993>
  De gerechtigden, bedoeld in het 1e lid van dit artikel, hebben bovendien recht op een aanvullende uitkering, gelijk aan 19,5 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 61quater, 3e lid, van voornoemde wet van 9 augustus 1963, gedurende de dertig eerste dagen van de periode van moederschapsrust, en gelijk aan 15 pct. van het gederfde loon vanaf de eenendertigste dag van deze periode.
Art. 227septies. Les taux de l'indemnité de maternité tels qu'ils sont fixés aux articles 227quinquies et sexies du présent arrêté, sont octroyés pendant une période de (quinze semaines au maximum.)
  Si la période de repos de maternité telle qu'elle est définie aux articles 61quinquies et sexies de la loi du 9 août 1963 précitée, est supérieure à (quinze semaines), le taux de l'indemnité de maternité est réduit à 60 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 61quater, alinéa 3 de la même loi, pour la partie de la période de repos de maternité qui excède (quinze semaines), sans préjudice de la mesure de limitation prévue à l'article 227sexies, alinéa 1er. <AR 1991-01-15/31, art. 1, 086; En vigueur : 01-01-1991>
Art. 227septies. <INGEVOEGD bij KB 1990-01-10/31, art. 3, 073; Inwerkingtreding : 10-01-1990> De bedragen van de moederschapsuitkering, zoals bepaald in de artikelen 227quinquies en sexies van dit besluit, worden verleend gedurende een periode van hoogstens (vijftien weken.)
  Duurt de periode van moederschapsrust, als bepaald in de artikelen 61quinquies en sexies van voornoemde wet van 9 augustus 1963, langer dan (vijftien weken), dan wordt het bedrag van de moederschapsuitkering beperkt tot 60 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 61quater, 3e lid, van dezelfde wet, voor het gedeelte van de periode van moederschapsrust, dat (vijftien weken) overschrijdt, onverminderd de beperkende maatregel van artikel 227sexies, 1e lid. <KB 1991-01-15/31, art. 1, 086; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
Art. 227nonies. <AR 1994-07-25/40, art. 1, 121; En vigueur : 01-10-1994> § 1. En cas de décès de la mère, le père de l'enfant peut, conformément à l'article 61quinquies, alinéa 4, de la loi du 9 août 1963, bénéficier, d'un congé de paternité, dont la durée ne peut excéder la partie du repos postnatal visé à l'article 61quinquies, alinéa 2, de la loi du 9 août 1963 non épuisé par la mère au moment de son décès.
  § 2. Le titulaire qui souhaite bénéficier du congé de paternité visé au § 1er, est tenu d'introduire une demande à cet effet, auprès de l'organisme assureur auquel il est affilié. Cette demande doit être accompagnée d'un extrait d'acte de décès de la mère et d'une attestation de l'établissement hospitalier, indiquant que le nouveau-né a quitte l'hôpital.
  § 3. Le père bénéficie d'une indemnité pour chaque jour ouvrable de la période de congé de paternité et pour chaque jour de cette même période assimilé à un jour ouvrable par un règlement du Comité de gestion du Service des indemnités. Le montant de cette indemnité est déterminé sur la base de la rémunération du père de l'enfant, conformément aux dispositions de l'article 61quater de la loi du 9 août 1963, et des articles 227quinquies à 227octies du présent arrêté, en fonction de la qualité de titulaire de père au sens de l'article 45, § 1er, de la loi précitée et compte tenu de la durée déjà écoulée du repos de maternité.
Art. 227octies. <INGEVOEGD bij KB 1990-01-10/31, art. 3, 073; Inwerkingtreding : 10-01-1990>
  Voor zover hiervan niet afgeweken wordt door afdeling 12bis van dit hoofdstuk, zijn de bepalingen van het koninklijk besluit van 4 november 1963 die op de uitkeringsverzekering betrekking hebben, van toepassing op de moederschapsverzekering.
Art. 227decies. <AR 1994-07-25/40, art. 1, 121; En vigueur : 01-10-1994> § 1. En cas d'hospitalisation de la mère, le père de l'enfant peut, conformément à l'article 61quinquies, alinéa 4, de la loi du 9 août 1963, bénéficier d'un congé de paternité prenant cours aux plus tôt à partir du huitième jour à compter de la naissance de l'enfant, à condition que l'hospitalisation de la mère ait une durée supérieure à sept jours et que le nouveau-né ait quitté l'hôpital.
  Le congé de paternité expire au moment ou l'hospitalisation de la mère prend fin et au plus tard au terme de la période correspondant au repos de maternité non encore épuisé par la mère au moment de son hospitalisation.
  § 2. Le titulaire qui souhaite bénéficier du congé de paternité visé au § 1er, est tenu d'introduire une demande à cet effet, auprès de l'organisme assureur auquel il est affilié. Cette demande doit être accompagnée d'une attestation de l'établissement hospitalier indiquant la date à laquelle l'hospitalisation de la mère a pris cours, certifiant que l'hospitalisation de la mère a une durée supérieure à sept jours et que le nouveau-né a quitté l'hôpital.
  § 3. Le père bénéficie, pour chaque jour ouvrable de la période de congé de paternité et pour chaque jour de cette même période assimilé à un jour ouvrable par un règlement du Comité de gestion du Service des indemnités, d'une indemnité dont le taux est fixé à 60 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 46, alinéa 1er, de la loi du 9 août 1963.
  Pour le titulaire en chômage complet contrôlé visé à l'article 45, § 1er, 1°, c), de la loi du 9 août 1963, ainsi que pour le titulaire qui maintient la qualité précitée en vertu de l'article 75 de la même loi, le montant de l'indemnité ne peut cependant être supérieur à celui de l'allocation de chômage à laquelle il aurait pu prétendre, s'il ne s'était pas trouvé en congé de paternité.
  Pour le titulaire visé à l'article 50 de la loi du 9 août 1963, le montant de l'indemnité ne peut être inférieur au montant de l'indemnité d'invalidité à laquelle il aurait pu prétendre s'il n'avait pas été en congé de paternité.
  § 4. La mère de l'enfant conserve, pendant la durée du congé de paternité, une indemnité calculée conformément aux dispositions des articles 227quinquies à 227octies du présent arrêté.
Afdeling 12ter. Omzetting van een deel van de nabevallingsrust in vaderschapsverlof.
Art. 227decies-bis. § 1. Dès réception de la demande de congé de paternité visée aux articles 227nonies ou 227decies, l'organisme assureur remet au titulaire une feuille de renseignements, le cas échéant, une attestation relative aux conditions d'assurance requises dans le cadre du secteur indemnités, ainsi qu'une attestation de reprise du travail ou du chômage, conformes aux modèles établis par le Comité de gestion du Service des indemnités.
Art. 227nonies. <KB 1994-07-25/40, art. 1, 121; Inwerkingtreding : 01-10-1994> § 1. In geval van overlijden van de moeder, kan de vader van het kind, overeenkomstig artikel 61quinquies, vierde lid van de wet van 9 augustus 1963, aanspraak maken op vaderschapsverlof, waarvan de duur het deel van de nabevallingsrust bedoeld in artikel 61quinquies, tweede lid van de wet van 9 augustus 1963, nog niet opgenomen door de moeder bij haar overlijden, niet mag overschrijden.
  § 2. De gerechtigde die aanspraak wenst te maken op vaderschapsverlof bedoeld in § 1, moet een aanvraag hiertoe indienen bij de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten. Bij deze aanvraag moeten een uittreksel uit de overlijdensakte van de moeder en een verklaring van de verplegingsinstelling, die vermeldt dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft, gevoegd worden.
  § 3. De vader heeft aanspraak op een uitkering over elke werkdag van het tijdvak van vaderschapsverlof en over iedere dag van datzelfde tijdvak, die krachtens een verordening van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen met een werkdag wordt gelijkgesteld. Het bedrag van deze uitkering wordt bepaald op basis van het loon van de vader van het kind, overeenkomstig de bepalingen van artikel 61quater van de wet van 9 augustus 1963 en van de artikelen 227quinquies tot 227octies van dit besluit, in functie van de hoedanigheid van gerechtigde van de vader in de zin van artikel 45, § 1, van de voornoemde wet en rekening houdend met de reeds verstreken duur van de moederschapsrust.
Art. 227decies. <AR 1994-07-25/40, art. 1, 121; En vigueur : 01-10-1994> § 1. En cas d'hospitalisation de la mère, le père de l'enfant peut, conformément à l'article 61quinquies, alinéa 4, de la loi du 9 août 1963, bénéficier d'un congé de paternité prenant cours aux plus tôt à partir du huitième jour à compter de la naissance de l'enfant, à condition que l'hospitalisation de la mère ait une durée supérieure à sept jours et que le nouveau-né ait quitté l'hôpital.
  Le congé de paternité expire au moment ou l'hospitalisation de la mère prend fin et au plus tard au terme de la période correspondant au repos de maternité non encore épuisé par la mère au moment de son hospitalisation.
  § 2. Le titulaire qui souhaite bénéficier du congé de paternité visé au § 1er, est tenu d'introduire une demande à cet effet, auprès de l'organisme assureur auquel il est affilié. Cette demande doit être accompagnée d'une attestation de l'établissement hospitalier indiquant la date à laquelle l'hospitalisation de la mère a pris cours, certifiant que l'hospitalisation de la mère a une durée supérieure à sept jours et que le nouveau-né a quitté l'hôpital.
  § 3. Le père bénéficie, pour chaque jour ouvrable de la période de congé de paternité et pour chaque jour de cette même période assimilé à un jour ouvrable par un règlement du Comité de gestion du Service des indemnités, d'une indemnité dont le taux est fixé à 60 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 46, alinéa 1er, de la loi du 9 août 1963.
  Pour le titulaire en chômage complet contrôlé visé à l'article 45, § 1er, 1°, c), de la loi du 9 août 1963, ainsi que pour le titulaire qui maintient la qualité précitée en vertu de l'article 75 de la même loi, le montant de l'indemnité ne peut cependant être supérieur à celui de l'allocation de chômage à laquelle il aurait pu prétendre, s'il ne s'était pas trouvé en congé de paternité.
  Pour le titulaire visé à l'article 50 de la loi du 9 août 1963, le montant de l'indemnité ne peut être inférieur au montant de l'indemnité d'invalidité à laquelle il aurait pu prétendre s'il n'avait pas été en congé de paternité.
  § 4. La mère de l'enfant conserve, pendant la durée du congé de paternité, une indemnité calculée conformément aux dispositions des articles 227quinquies à 227octies du présent arrêté.
Art. 227decies. <KB 1994-07-25/40, art. 1, 121; Inwerkingtreding : 01-10-1994> § 1. In geval van opname van de moeder in een ziekenhuis, kan de vader van het kind overeenkomstig artikel 61quinquies, vierde lid, van de wet van 9 augustus 1963, aanspraak maken op vaderschapsverlof dat ten vroegste een aanvang neemt vanaf de achtste dag te rekenen vanaf de geboorte van het kind, op voorwaarde dat de opname van de moeder in het ziekenhuis meer dan zeven dagen bedraagt en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
  Het vaderschapsverlof verstrijkt op het moment dat de opname van de moeder in het ziekenhuis een einde neemt en uiterlijk bij het verstrijken van de periode die overeenstemt met het moederschapsverlof dat door de moeder op het ogenblik van haar opname in het ziekenhuis nog niet was opgenomen.
  § 2. De gerechtigde die aanspraak wenst te maken op vaderschapsverlof bedoeld in § 1, moet een aanvraag hiertoe indienen bij de verzekeringsinstelling, waarbij hij is aangesloten. Bij deze aanvraag moet een verklaring van de verplegingsinrichting gevoegd worden die de datum vermeldt waarop de opname van de moeder in het ziekenhuis is aangevangen, en die bevestigt dat de opname van de moeder in het ziekenhuis meer bedraagt dan zeven dagen en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
  § 3. De vader heeft over elke werkdag van het tijdvak van vaderschapsverlof en over iedere dag van datzelfde tijdvak die krachtens een verordening van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen met een werkdag wordt gelijkgesteld, aanspraak op een uitkering waarvan de hoegrootheid wordt vastgesteld op 60 t.h. van het gederfde loon bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de wet van 9 augustus 1963.
  Voor de gerechtigde in gecontroleerde volledige werkloosheid, bedoeld in artikel 45, § 1, 1°, c), van de wet van 9 augustus 1963, evenals voor de gerechtigde die voornoemde hoedanigheid krachtens artikel 75 van dezelfde wet behoudt, mag het bedrag van de uitkering echter niet hoger zijn dan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken, indien hij niet met vaderschapsverlof was.
  Voor de gerechtigde, bedoeld in artikel 50 van de wet van 9 augustus 1963, mag het bedrag van de uitkering niet lager zijn dan het bedrag van de invaliditeitsuitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien hij niet met vaderschapsverlof was.
  § 4. De moeder van het kind behoudt gedurende het vaderschapsverlof, een uitkering die berekend wordt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 227quinquies en 227octies van dit besluit.
Art. 227undecies. <AR 1994-02-10/45, ART. 2, 119; En vigueur : 06-05-1994>
  Sont assimilées à une période au cours de laquelle la titulaire a continué à travailler pour la prolongation de la période de repos postnatal en application de l'article 61quinquies, alinéa 2, de la loi du 9 août 1963 :
  1° les périodes de vacances annuelles, en ce compris la période couverte par le traitement différé accordé aux enseignantes temporaires ou intérimaires après la fin du contrat de travail;
  2° la période pendant laquelle la titulaire siège comme conseiller ou juge social aux cours et tribunaux du travail;
  3° les jours pendant lesquels la titulaire a le droit de s'absenter du travail, avec maintien de sa rémunération normale, à l'occasion d'événements familiaux, pour l'accomplissement d'obligations civiques ou de missions civiles et en cas de comparution en justice et qui sont réglés légalement, réglementairement ou par convention collective de travail;
  4° les jours durant lesquels la titulaire a le droit de s'absenter du travail pour des raisons impérieuses qui sont réglées légalement, réglementairement ou par convention collective de travail;
  5° les jours pour lesquels la rémunération journalière garantie est accordée en application de l'article 27 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
  6° les périodes visées aux articles 49, 50 et 51 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
  7° la période de fermeture de l'entreprise qui résulte de mesures prises en application de la législation ou de la réglementation concernant la protection de l'environnement;
  8° les jours fériés, les jours de remplacement et les jours de repos compensatoire accordés en application de la loi du 4 janvier 1974 relative aux jours fériés;
  9° pour la titulaire qui travaille alternativement en régime de cinq et de six jours, le jour de la semaine du régime de cinq jours qui aurait normalement été travaillé s'il s'était agi d'une semaine du régime de six jours;
  10° les jours de repos compensatoire octroyés en application de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, de même que les jours de repos compensatoire qui sont octroyés suite à la réduction du temps de travail.
Art. 227decies-bis. § 1. Bij ontvangst van de aanvraag voor waderschapsverlof, bedoeld in de artikelen 227nonies of 227decies, bezorgt de verzekeringsinstelling aan de gerechtigde een inlichtingsblad, in voorkomend geval, een verklaring betreffende de in het kader van de sector uitkeringen gestelde voorwaarden van verzekering, alsook een verklaring van arbeidshervatting of van werkloosheid, conform de modellen die zijn vastgesteld door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.
Section 12quater. - De la prolongation de la période de repos postnatal.
Afdeling 12quater. - De verlenging van de nabevallingsrust.
Art.228. § 1er. Pour être considéré comme travailleur régulier au sens de l'article 50 de la loi du 9 août 1963, le travailleur visé à l'article 45, § 1er, 1° ou 2° de la même loi doit réunir simultanément les conditions ci-dessous :
Art. 227undecies. Voor het verlengen van de nabevallingsrust met toepassing van artikel 61quinquies, tweede lid, van de wet van 9 augustus 1963, worden gelijkgesteld met een periode tijdens welke de gerechtigde is blijven doorwerken :
Section 14. _ Du travailleur ayant "personne à charge".
Afdeling 13. _ Regelmatig werknemer.
Art.229. § 1er. Sont considérés comme travailleur ayant personne à charge au sens de l'article 50 de la loi du 9 août 1963 susvisée :
Art.228. § 1. Om als regelmatig werknemer als bedoeld in artikel 50 van de wet van 9 augustus 1963 te worden beschouwd, moet een in artikel 45, § 1, 1° of 2°, van dezelfde wet bedoelde werknemer gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoen:
Section 14bis. _ (Du travailleur sans personne à charge auquel une indemnité plus élevée peut être accordée pour perte de revenu unique.)
Afdeling 14. _ Werknemer met "personen ten laste"
Art. 229. § 1er. Sont considérés comme travailleur ayant personne à charge au sens de l'article 50 de la loi du 9 août 1963 susvisée :
Art.229. § 1. Worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste in de zin van artikel 50 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 :
Section 14bis. _ (Du travailleur sans personne à charge auquel une indemnité plus élevée peut être accordée pour perte de revenu unique.)
Afdeling 14bis. _ (Werknemer zonder persoon ten laste aan wie een hogere uitkering kan worden toegekend wegens verlies van enig inkomen.)
Art. 229ter. Par dérogation à l'article 229, § 2, alinéa 1er et à l'article 229bis, alinéa 1er, le titulaire visé à l'article 229, § 1er, 1° à 4° inclus, ainsi que le titulaire visé à l'article 229bis, conserve sa qualité lorsqu'il cohabite avec des personnes qui lui ont été confiées, soit dans le cadre de l'arrêté royal n° 81 du 10 novembre 1967 créant un fonds de soins médico-socio-pédagogiques pour handicapés, soit par un centre public d'aide sociale, soit par un établissement dont l'organisation a été arrêtée en vertu de l'article 6, alinéa 1er de la loi du 18 juin 1850 sur le régime des aliénés, soit encore en application de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse. Le titulaire précité conserve également sa qualité lorsqu'il fait lui-même l'objet d'une des formes précitées de placement familial.
Art. 229bis. Wordt beschouwd als werknemer zonder persoon ten laste aan wie een hogere uitkering kan worden toegekend wegens verlies van enig inkomen, zoals bedoeld in artikel 50, zesde lid, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, de gerechtigde die bewijst dat hij, hetzij alleen woont, hetzij uitsluitend samenwoont met personen die geen inkomen genieten en niet beschouwd worden als personen ten laste.
(Section 14ter.)
(Afdeling 14ter).
Art.230. (§ 1er. Par rémunération au sens de l'article 57, § 1er, 1°, de la loi du 9 août 1963, il y a également lieu d'entendre la rémunération forfaitaire à charge du Fonds de Sécurité d'existence des ouvriers de la construction, pour les jours de repos accordés dans le cadre de la réduction de la durée du travail.)
Art. 229ter. In afwijking op artikel 229, § 2, eerste lid en artikel 229bis, eerste lid, behoudt de bij artikel 229, § 1, 1° tot en met 4° bedoelde gerechtigde en de bij artikel 229bis bedoelde gerechtigde zijn hoedanigheid wanneer hij samenwoont met personen die hem toevertrouwd worden, hetzij in het kader van het koninklijk besluit nr. 81 van 10 november 1967 tot instelling van een Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten, hetzij door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, hetzij door een instelling waarvan de inrichting werd vastgesteld op basis van artikel 6, eerste lid van de wet van 18 juni 1850 op de behandeling van de krankzinnigen, hetzij nog bij toepassing van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming. De voormelde gerechtigde behoudt eveneens zijn hoedanigheid wanneer hijzelf het voorwerp uitmaakt van één van de voormelde vormen van gezinsplaatsing.
Section 16. _ (De la réduction des indemnités.)
Afdeling 15. _ (Weigering van de uitkeringen)
Art. 230. (§ 1er. Par rémunération au sens de l'article 57, § 1er, 1°, de la loi du 9 août 1963, il y a également lieu d'entendre la rémunération forfaitaire à charge du Fonds de Sécurité d'existence des ouvriers de la construction, pour les jours de repos accordés dans le cadre de la réduction de la durée du travail.)
Art.230. (§ 1.) Onder loon, als bedoeld in artikel 57, § 1, 1°, van de wet van 9 augustus 1963, moet ook worden verstaan het forfaitaire loon dat ten laste komt van het Fonds voor bestaanszekerheid van de bouwvakkers en wordt verleend over de rustdagen die in het kader van de verkorting van de arbeidsduur worden toegekend.)
Art.232. § 1er. (Le titulaire bénéficiant d'un revenu professionnel découlant d'un travail préalablement autorisé dans les conditions fixées au § 2 peut prétendre respectivement, selon qu'il a ou non des personnes à charge, à un montant égal à la différence entre 150 et 125 p.c. de l'indemnité d'incapacité de travail, fixée pour le titulaire ayant des personnes à charge, et le montant du revenu professionnel évalué en jours ouvrables, sans pouvoir dépasser le montant journalier de l'indemnité qui lui serait alloué s'il n'y avait pas de cumul. Les primes, participations aux bénéfices, treizième mois, gratifications et autres avantages de même nature, payes annuellement, sont censés faire partie du revenu professionnel du trimestre au cours duquel ils ont été alloués.
Afdeling 16. _ (Vermindering van de uitkeringen.)
Art. 232bis. § 1. (La titulaire visée à l'article 239bis, alinéa 1er, peut prétendre à une indemnité d'incapacité de travail dont le montant est fixé à 60 p.c.
Art.231. <KB 16-12-1969, art. 1> De gerechtigde die met uitwerking na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid, een (gewone, bijzondere of aanvullende tegemoetkoming) geniet als bepaald in de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen, kan respectievelijk aanspraak maken, naargelang hij personen ten laste heeft of niet, op een bedrag gelijk aan het verschil tussen 150 of 125 pct. van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, vastgesteld voor de gerechtigde met personen ten laste, en het bedrag van de gewone, bijzondere of aanvullende tegemoetkoming als bepaald in de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen, in werkdagen gewaardeerd, zonder het dagbedrag van de uitkering te mogen overschrijden dat hem zou toegekend worden indien er geen cumulatie was. <KB 11-12-1974, art. 1, 1°>
  (...) <KB 11-12-1974, art. 1, 2°>
  (Voor de toepassing van dit besluit wordt geen rekening gehouden met het bedrag van de tegemoetkoming voor hulp van derden, beoogd bij artikel 2, § 4, van de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de mindervaliden.) <KB 14-03-1974, art. 1>
  (De gerechtigde, die een tegemoetkoming geniet krachtens het koninklijk besluit van 24 december 1974 betreffende de gewone en de bijzondere tegemoetkomingen aan de minder-validen, heeft evenwel aanspraak op de onverminderde uitkering wegens arbeidsongeschiktheid.) <KB 17-06-1976, art. 1>
Art. 232. § 1er. (Le titulaire bénéficiant d'un revenu professionnel découlant d'un travail préalablement autorisé dans les conditions fixées au § 2 peut prétendre respectivement, selon qu'il a ou non des personnes à charge, à un montant égal à la différence entre 150 et 125 p.c. de l'indemnité d'incapacité de travail, fixée pour le titulaire ayant des personnes à charge, et le montant du revenu professionnel évalué en jours ouvrables, sans pouvoir dépasser le montant journalier de l'indemnité qui lui serait alloué s'il n'y avait pas de cumul. Les primes, participations aux bénéfices, treizième mois, gratifications et autres avantages de même nature, payes annuellement, sont censés faire partie du revenu professionnel du trimestre au cours duquel ils ont été alloués.
  Il y a lieu d'entendre par revenu professionnel, tout revenu visé à l'article 23, § 1er, 1°, 2° et 4°, du Code des impôts sur les revenus 1992 qu'un titulaire se procure par une activité personnelle, ainsi que toute indemnité, allocation ou rente compensant la perte de ce revenu.
  Le montant du revenu visé à l'article 23, § 1er, 1° et 2°, du Code des impôts sur les revenus 1992, obtenu par l'exercice d'une activité indépendante, est fictivement fixé à 100/80mes de la différence entre les bénéfices et profits bruts et les charges professionnelles y afférentes.
  Ne sont toutefois pas pris en considération pour l'application de la présente disposition, les revenus provenant :
  - d'un mandat de conseiller communal;
  - d'un mandat de membre du conseil d'un centre public d'aide sociale, à l'exclusion du mandat de président de ce conseil;
  - d'une fonction de juge social, de juge consulaire ou de conseiller social.
  Les allocations et compléments de rémunération accordés par les fonds pour le reclassement social et professionnel des handicapés, visés par le décret de la Communauté germanophone du 19 juin 1990, le décret de la Communauté flamande du 27 juin 1990 et le décret de la Communauté française du 3 juillet 1991, ne sont pas pris en considération pour opérer la réduction de l'indemnité d'incapacité de travail conformément aux dispositions du premier alinéa du présent article. Lesdits Fonds communautaires délivrent au titulaire une attestation établissant le calcul des allocations et compléments de rémunération qu'ils accordent. Cette attestation est jointe au dossier du titulaire.) <AR 1993-04-28/34, art. 9, 112; En vigueur : 15-06-1993>
  § 2. Pour obtenir l'autorisation d'exercer une activité professionnelle au cours de l'incapacité, le titulaire doit en faire la demande, préalablement à toute reprise d'activité, au médecin-conseil de son organisme assureur qui peut accorder l'autorisation pour autant qu'elle soit compatible avec l'affection en cause.
  Cette autorisation qui précise la nature, le volume et les conditions d'exercice de cette activité, est consignée dans le dossier médical et administratif de l'intéressé au siège de l'organisme assureur. L'autorisation est notifiée au titulaire. L'organisme assureur envoie une copie de cette autorisation (au service provincial du Service du contrôle médical de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité). <AR 1987-10-15/30, art. 3, 044, En vigueur : 01-11-1987>
Art.232. <KB 16-12-1969, art. 1> § 1. (De gerechtigde die een beroepsinkomen geniet dat voortvloeit uit een vooraf, onder de in § 2 bepaalde voorwaarden toegelaten arbeid, kan aanspraak maken naargelang hij personen ten laste heeft of niet, op een bedrag gelijk aan respectievelijk het verschil tussen 150 of 125 pct. van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, vastgesteld voor de gerechtigde met personen ten laste, en het in werkdagen gewaardeerde bedrag van het beroepsinkomen, zonder het dagbedrag van de uitkering te mogen overschrijden dat hem zou worden toegekend indien er geen cumulatie was. De premies, aandelen in de winst, dertiende maand, gratificaties en andere gelijkaardige voordelen die jaarlijks worden betaald, worden geacht deel uit te maken van het beroepsinkomen over het kwartaal waarin ze zijn verleend.
  Onder beroepsinkomen wordt verstaan, elk inkomen als bedoeld in artikel 23, § 1, 1°, 2° en 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat een gerechtigde zich door persoonlijke arbeid verschaft, evenals elke uitkering, vergoeding of rente die hem wegens het derven van dat inkomen wordt verleend.
  Het bedrag van het inkomen, als bedoeld in artikel 23, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, dat verkregen wordt door de uitoefening van een zelfstandige activiteit, wordt fictief vastgesteld op 100/80 van het verschil tussen de brutowinst en -baten en de desbetreffende bedrijfslasten.
  Voor de toepassing van deze bepaling worden nochtans niet in aanmerking genomen de inkomsten die voortvloeien uit :
  - een mandaat van gemeenteraadslid;
  - een mandaat van lid van de raad van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met uitsluiting van het mandaat van voorzitter van die raad;
  - een ambt van rechter in sociale zaken, van rechter in handelszaken of van raadsheer in sociale zaken.
  De uitkeringen en het aanvullend loon, verleend door de fondsen voor sociale en beroepsreclassering van de minder-validen, bedoeld in het decreet van 19 juni 1990 van de Duitstalige Gemeenschap, het decreet van 27 juni 1990 van de Vlaamse Gemeenschap, en het decreet van 3 juli 1991 van de Franse Gemeenschap, worden niet meegerekend om de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid te verminderen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. Evengenoemde Gemeenschapsfondsen bezorgen aan de gerechtigde een verklaring met de berekening van de uitkeringen en het aanvullend loon die ze verlenen. Die verklaring wordt bij het dossier van de gerechtigde gevoegd.) <KB 1993-04-28/34, art. 9, 112; Inwerkingtreding : 15-06-1993>
  § 2. Om de toelating te bekomen tot de uitoefening van een beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid, moet de gerechtigde vóór de hervatting van elke activiteit, hiertoe een aanvraag richten tot de adviserend geneesheer van zijn verzekeringsinstelling die de toelating kan verlenen voor zover zij verenigbaar is met de betrokken aandoening.
  Die toelating waarin de aard, het volume en de voorwaarden tot uitoefening van die activiteit nader zijn opgegeven, wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de betrokkene bij de verzekeringsinstelling geborgen. Aan de gerechtigde wordt kennis gegeven van de toelating. Een afschrift van deze toelating wordt door de verzekeringsinstelling gezonden (aan de provinciale dienst van de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering). <KB 1987-10-15/30, art. 3, 044; Inwerkingtreding : 01-11-1987>
Art. 232bis. § 1. (La titulaire visée à l'article 239bis, alinéa 1er, peut prétendre à une indemnité d'incapacité de travail dont le montant est fixé à 60 p.c.
  de la rémunération perdue visée à l'article 87, alinéa 1er de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, qu'elle percevait avant l'aménagement des conditions ou du temps de travail à risque ou le changement de poste de travail.
  Cette indemnité est limitée au montant égal à la différence entre 75 p.c. de la rémunération perdue visée à l'alinéa 1er et le montant du revenu professionnel évalué en jours ouvrables, que la titulaire perçoit à la suite soit de l'aménagement des conditions ou du temps de travail à risque, soit du changement de poste de travail.) <AR 1996-02-02/32, art. 2, 138; En vigueur : 15-05-1995>
  § 2. (La titulaire visée à l'article 239bis, alinéa 2, qui exerce plusieurs activités salariées et dont la suspension de l'exécution du contrat de travail ou la dispense de travail ne concerne qu'une ou plusieurs mais pas toutes ces activités, peut prétendre à une indemnité d'incapacité de travail dont le montant est fixé à 60 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 87, alinéa 1er de la loi coordonnée susvisée, découlant de la ou des activité(s) que la titulaire a cessé d'exercer.) <AR 1996-02-02/32, art. 2, 138; En vigueur : 15-05-1995>
  Cette indemnité est limitée au montant égal à la différence entre d'une part, 75 p.c. de la somme de la rémunération perdue visée à l'alinéa 1er et du revenu professionnel évalué en jours ouvrables, découlant de l'activité salariée que le titulaire a poursuivie, et d'autre part, le montant du revenu professionnel, évalué en jours ouvrables découlant de cette dernière activité.
  § 3. Pour l'application des §§ 1er et 2, il y lieu d'entendre par revenu professionnel, tout revenu que la titulaire se procure par son activité personnelle salariée, ainsi que toute indemnité, allocation ou rente compensant la perte de ce revenu.
  Les primes, participations aux bénéfices, treizième mois, gratifications et autres avantages de même nature, payés annuellement sont censés faire partie du revenu professionnel du trimestre au cours duquel ils ont été alloués.
Art. 232bis. <KB 1991-10-17/47, art. 2, 097; Inwerkingtreding : 22-12-1991> § 1. (De in artikel 239bis, eerste lid bedoelde gerechtigde heeft aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering waarvan het bedrag wordt vastgesteld op 60 pct. van het gederfd loon, bedoeld in artikel 87, eerste lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, dat ze verdiende voor de aanpassing van de arbeidsomstandigheden of de risicogebonden werktijden of voor de verandering van arbeidsplaats.
  Die uitkering wordt beperkt tot het bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen 75 pct. van het in het eerste lid bedoelde gederfd loon en het bedrag van het in werkdagen gewaardeerde beroepsinkomen, dat de gerechtigde ontvangt, hetzij na de aanpassing van de arbeidsomstandigheden of de risicogebonden werktijden hetzij na de verandering van arbeidsplaats.) <KB 1996-02-02/32, art. 2, 138; Inwerkingtreding : 15-05-1995>
  § 2. (De in artikel 239bis, tweede lid bedoelde gerechtigde die meerdere activiteiten in loondienst uitoefent en voor wie de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of de vrijstelling van arbeid slechts betrekking heeft op één of meer maar niet op al die activiteiten, heeft aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering waarvan het bedrag wordt vastgesteld op 60 pct. van het gederfd loon, bedoeld in artikel 87, eerste lid van voornoemde gecoördineerde wet, dat voortvloeit uit de activiteit of activiteiten die de gerechtigde onderbroken heeft.) <KB 1996-02-02/32, art. 2, 138; Inwerkingtreding : 15-05-1995>
  Die uitkering wordt beperkt tot het bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen eensdeels 75 pct. van de som gevormd door het in het 1e lid bedoelde gederfde loon en het in werkdagen gewaardeerde beroepsinkomen uit de activiteit in loondienst die de gerechtigde verder heeft uitgeoefend, en anderdeels het bedrag van het in werkdagen gewaardeerde beroepsinkomen uit laatstgenoemde activiteit.
  § 3. Voor de toepassing van de §§ 1 en 2 moet onder beroepsinkomen worden verstaan elk inkomen dat de gerechtigde zich door haar eigen activiteit in loondienst verschaft, evenals elke uitkering, vergoeding of rente die haar wegens het derven van dat inkomen wordt verleend.
  De premies, aandelen in de winst, dertiende maand, gratificaties en andere gelijkaardige voordelen die jaarlijks worden betaald, worden geacht deel uit te maken van het beroepsinkomen over het kwartaal waarin ze zijn verleend.
Art. 233. Le titulaire bénéficiant à la fois d'un revenu professionnel visé à l'article 232 et d'une allocation visée à l'article (231, alinéa 1er), peut prétendre respectivement, selon qu'il a ou non des personnes à charge, un montant égal à la différence entre 170 ou 145 p.c. de l'indemnité d'incapacité de travail, fixée pour le titulaire ayant des personnes à charge, et le montant du revenu professionnel et de l'allocation, évalués ensemble en jours ouvrables, sans pouvoir dépasser le montant journalier de l'indemnité qui lui serait alloué s'il n'y avait pas de cumul. <AR 17-06-1976, art. 2, 1°>
  (Toutefois lorsque le titulaire bénéficie simultanément d'un revenu professionnel, comme prévu à l'article 232, et d'une allocation visée à l'article 231, alinéa 3, les dispositions de l'article 232 sont appliquées.) <AR 17-06-1976, art. 2, 2°>
Art.233. De gerechtigde die tegelijkertijd een beroepsinkomen geniet als bedoeld in artikel 232, en een tegemoetkoming bedoeld in artikel (231, eerste lid,) kan respectievelijk aanspraak maken, naargelang hij personen ten laste heeft of niet, op een bedrag gelijk aan het verschil tussen 170 of 145 pct. van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, vastgesteld voor de gerechtigde met personen ten laste, en het bedrag van het beroepsinkomen en van de tegemoetkoming, samen in werkdagen gewaardeerd, zonder het dagbedrag van de uitkering te mogen overschrijden dat hem zou toegekend worden indien er geen cumulatie was. <KB 17-06-1976, art. 2, 1°>
  (Wanneer de gerechtigde evenwel tegelijkertijd een beroepsinkomen geniet als bedoeld in artikel 232, en een tegemoetkoming bedoeld in artikel 231, derde lid, worden de bepalingen van artikel 232 toegepast.) <KB 17-06-1976, art. 2, 2°>
Art. 235bis. <AR 16-12-1969, art. 1.> § 1er. Sans préjudice des dispositions de la législation en matière de pension de retraite et de survie, le titulaire, qui peut faire valoir ses droits à quelque titre que ce soit à une pension de vieillesse, de retraite, d'ancienneté ou à tout autre avantage tenant lieu de pareille pension, accordée soit par un organisme de sécurité sociale belge ou étranger, soit par un pouvoir public, par un établissement public ou d'utilité publique, peut prétendre respectivement, selon qu'il a ou non des personnes à charge, un montant égal à la différence entre 150 ou 125 p.c. de l'indemnité d'incapacité de travail, fixée pour le titulaire ayant des personnes à charge, et le montant de la pension ou de l'avantage en tenant lieu, évalué en jours ouvrables, sans pouvoir dépasser le montant journalier de l'indemnité qui lui serait alloué s'il n'y avait pas de cumul.
  § 2. Sans préjudice des dispositions de la législation en matière de pension de retraite et de survie, le titulaire bénéficiant d'une part, d'une pension de vieillesse, de retraite, d'ancienneté ou de tout autre avantage tenant lieu de pareille pension, accordée soit par un organisme de sécurité sociale belge ou étranger, soit par un pouvoir public, par un établissement public ou d'utilité publique, et d'autre part, soit d'un revenu professionnel visé à l'article 232, soit d'une allocation visée à l'article (231, alinéa 1er), soit des deux à la fois, peut prétendre respectivement, selon qu'il a ou non des personnes à charge, un montant égal à la différence entre 170 ou 145 p.c. de l'indemnité d'incapacité de travail, fixée pour le titulaire ayant des personnes à charge, et le montant de la pension ou de l'avantage en tenant lieu, accordé dans une des situations visées ci-dessus, et des revenus énumérés aux articles 231, alinéa 1er, et 232, évalués ensemble en jours ouvrables, sans pouvoir dépasser le montant journalier de l'indemnité qui lui serait alloué s'il n'y avait pas de cumul.
  (Pour l'application de l'alinéa précédent, il n'est pas tenu compte des allocations visées à l'article 231, alinéa 3.) <AR 17-06-1976, art. 3, 1° et 2°>
Art.234. <KB 16-12-1969, art. 1> De gerechtigde die geen personen ten laste heeft en die, hetzij in een gevangenis is opgesloten of in een gesticht voor sociale bescherming is geïnterneerd, hetzij (...) in een bedelaarstehuis is geplaatst, heeft recht op een uitkering die gelijk is aan de helft van de uitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien hij zich niet in een van de hierboven bedoelde toestanden bevond. <KB 1987-06-04/30, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 01-07-1987>
Art.236. <AR 1991-10-17/47, art. 3, 097; En vigueur : 22-12-1991> Pour évaluer en jours ouvrables la pension, l'allocation ou le revenu visés aux articles 224, 231, 232, 232bis, 233 et 235bis, il y a lieu d'en diviser le montant hebdomadaire, mensuel, trimestriel ou annuel respectivement par 6, 26, 78 ou 312.
Art.235. <KB 16-12-1969, art. 1> De uitkering wegens arbeidsongeschiktheid wordt verminderd met 10 pct. zolang de gerechtigde weigert zich te onderwerpen aan een programma inzake revalidatie of vakherscholing voorgesteld door zijn verzekeringsinstelling en beslist door het college van geneesheren-directeurs.
Art. 235bis. <AR 16-12-1969, art. 1.> § 1er. Sans préjudice des dispositions de la législation en matière de pension de retraite et de survie, le titulaire, qui peut faire valoir ses droits à quelque titre que ce soit à une pension de vieillesse, de retraite, d'ancienneté ou à tout autre avantage tenant lieu de pareille pension, accordée soit par un organisme de sécurité sociale belge ou étranger, soit par un pouvoir public, par un établissement public ou d'utilité publique, peut prétendre respectivement, selon qu'il a ou non des personnes à charge, un montant égal à la différence entre 150 ou 125 p.c. de l'indemnité d'incapacité de travail, fixée pour le titulaire ayant des personnes à charge, et le montant de la pension ou de l'avantage en tenant lieu, évalué en jours ouvrables, sans pouvoir dépasser le montant journalier de l'indemnité qui lui serait alloué s'il n'y avait pas de cumul.
  § 2. Sans préjudice des dispositions de la législation en matière de pension de retraite et de survie, le titulaire bénéficiant d'une part, d'une pension de vieillesse, de retraite, d'ancienneté ou de tout autre avantage tenant lieu de pareille pension, accordée soit par un organisme de sécurité sociale belge ou étranger, soit par un pouvoir public, par un établissement public ou d'utilité publique, et d'autre part, soit d'un revenu professionnel visé à l'article 232, soit d'une allocation visée à l'article (231, alinéa 1er), soit des deux à la fois, peut prétendre respectivement, selon qu'il a ou non des personnes à charge, un montant égal à la différence entre 170 ou 145 p.c. de l'indemnité d'incapacité de travail, fixée pour le titulaire ayant des personnes à charge, et le montant de la pension ou de l'avantage en tenant lieu, accordé dans une des situations visées ci-dessus, et des revenus énumérés aux articles 231, alinéa 1er, et 232, évalués ensemble en jours ouvrables, sans pouvoir dépasser le montant journalier de l'indemnité qui lui serait alloué s'il n'y avait pas de cumul.
  (Pour l'application de l'alinéa précédent, il n'est pas tenu compte des allocations visées à l'article 231, alinéa 3.) <AR 17-06-1976, art. 3, 1° et 2°>
Art. 235bis. <KB 16-12-1969, art. 1> § 1. Onverminderd de bepalingen van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen, kan de gerechtigde, die uit welke hoofde ook aanspraken kan doen gelden op een ouderdoms-, een rust-, een anciënniteitspensioen of op eender welk als dergelijk pensioen geldend voordeel, toegekend hetzij door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, hetzij door een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut, respectievelijk aanspraak maken, naargelang hij personen ten laste heeft of niet, op een bedrag gelijk aan het verschil tussen 150 of 125 pct. van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, vastgesteld voor de gerechtigde met personen ten laste, en het bedrag van het pensioen of van het als dusdanig geldend voordeel, in werkdagen gewaardeerd, zonder het dagbedrag van de uitkering te mogen overschrijden dat hem zou toegekend worden indien er geen cumulatie was.
  § 2. Onverminderd de bepalingen van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen, kan de gerechtigde, die enerzijds in het genot is van een ouderdoms-, een rust-, een anciënniteitspensioen of eender welk als dergelijk geldend voordeel, toegekend hetzij door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, hetzij door een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut, en anderzijds, hetzij een beroepsinkomen bedoeld in artikel 232, hetzij een tegemoetkoming bedoeld in artikel (231, eerste lid), hetzij beide geniet, respectievelijk aanspraak maken, naargelang hij personen ten laste heeft of niet, op een bedrag gelijk aan het verschil tussen 170 of 145 pct. van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, vastgesteld voor de gerechtigde met personen ten laste, en het bedrag van het pensioen of als dergelijk pensioen geldend voordeel, toegekend in een der hierboven bedoelde toestanden, en de in artikelen 231, eerste lid, en 232 opgesomde inkomens, samen in werkdagen gewaardeerd, zonder het dagbedrag van de uitkering te mogen overschrijden dat hem zou toegekend worden indien er geen cumulatie was.
  (Voor de toepassing van het vorig lid wordt geen rekening gehouden met de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 231, derde lid.) <KB 17-06-1976, art. 3, 1° en 2°>
Art.237. <AR 28-12-1971, art. 4> (Le montant des indemnités d'incapacité primaire et (d'invalidité et les montants) maximums et minimums de l'indemnité d'invalidité visés aux articles 226 et 227; (...) sont majorés ou diminués suivant les dispositions de l'article 4 de la loi du 2 août 1971, organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants. <AR 17-07-1974, art. 1> <AR 23-03-1982, art.5>
  La majoration ou la diminution est appliquée à partir du mois fixé à l'article 6, 3° de la loi du 2 août 1971 précitée.
  La majoration ou la diminution du montant des indemnités vise aux alinéas précédents n'est appliquée qu'aux titulaires dont le début de la période de référence pour le calcul des indemnités se situe avant la date à laquelle l'augmentation ou la diminution est appliquée (...). <AR 17-06-1976, art. 4>
  (...) <AR 13-01-1976, art. 4>
Art.236. Om het pensioen, de tegemoetkoming of het inkomen, bedoeld in de artikelen 224, 231, 232, 232bis, 233 en 235bis, in werkdagen te waarderen, moet het bedrag daarvan per week, per maand, per kwartaal of per jaar gedeeld worden door respectievelijk 6, 26, 78 of 312.
Section 17. _ (De l'application des indemnités aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation)
Afdeling 17. _ (Aanpassing van de uitkeringen aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen)
Art. 237. (Le montant des indemnités d'incapacité primaire et (d'invalidité et les montants) maximums et minimums de l'indemnité d'invalidité visés aux articles 226 et 227; (...) sont majorés ou diminués suivant les dispositions de l'article 4 de la loi du 2 août 1971, organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Art.237. (Het bedrag van de uitkeringen wegens primaire arbeidsongeschiktheid en (wegens invaliditeit, en de in de artikelen) 226 en 227 bedoelde maximum- en minimumbedragen van de invaliditeitsuitkeringen (...) worden verhoogd of verminderd overeenkomstig de bepalingen van artikel 4 van de wet van 2 augustus 1971, houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Section 19. _ Des conditions particulières d'ouverture du droit aux indemnités d'incapacité de travail.
Afdeling 18. _ Bedrag van de uitkering voor begrafeniskosten.
Art.239. (§1er) Sont censés atteindre le degré d'incapacité de travail requis, comme prévu (à l'article 100, § 1er de la loi " relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994) :
Art.238. <KB 1996-06-10/39, art. 2, 143; Inwerkingtreding : 03-07-1996> § 1. Het bedrag van de uitkering voor begrafeniskosten wordt vastgesteld op BEF 6 000.
  § 2. Voor de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 7° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 en voor de gerechtigden die een rustpensioen als mijnwerker genieten, voor begrafeniskosten alleen verleend indien zij, op de dag van hun overlijden, in vorenbedoelde hoedanigheid bij een verzekeringsinstelling zijn ingeschreven en aanspraak kunnen maken op geneeskundige verstrekkingen.
  § 3. De hoedanigheid van rechthebbende op de uitkering voor begrafeniskosten als bedoeld in artikel 86, § 2 van vorengenoemde gecoördineerde wet, wordt toegekend aan de personen die de begrafeniskosten werkelijk hebben gedragen. Als zodanig worden nooit beschouwd de begrafenisondernemers, hun verwanten, aangestelden of lasthebbers, behoudens wanneer zij de echtgenoot of een bloed- of aanverwant tot de derde graad zijn van de overledene, noch de privaatrechtelijke rechtspersonen die, in uitvoering van een verzekeringscontract, de begrafeniskosten geheel of gedeeltelijk ten laste hebben genomen.
Art. 239bis. <AR 1996-02-02/32, art. 4, 138; En vigueur : 15-05-1995> Est présumée incapable de travailler au sens de l'article 100, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, la titulaire enceinte, accouchée ou allaitante qui a fait l'objet d'une mesure visée aux articles 42, § 1er, alinéa 1er, 1° ou 2° ou 43, § 1er, alinéa 2, 1° de la loi du 16 mars 1971 sur le travail et dont la rémunération perçue à la suite soit de l'aménagement des conditions ou du temps de travail à risque soit du changement de poste de travail est inférieure à la rémunération découlant de son activité habituelle.
  Bénéficie de la même présomption d'incapacité de travail, la titulaire qui exerce plusieurs activités salariées et dont la suspension de l'exécution du contrat de travail ou la dispense de travail en application des articles 42, § 1er, alinéa 1er, 3°, 43, § 1er, alinéa 2, 2° ou 43bis, alinéa 2 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ne concerne qu'une ou plusieurs mais pas toutes ces activités.
  Les présomptions d'incapacité de travail visées aux alinéas précédents ne sont pas applicables aux titulaires qui entreprennent ou poursuivent une activité qui n'est pas soumise aux dispositions de la loi du 16 mars 1971 sur le travail.
Afdeling 19. _ Bijzondere voorwaarden inzake verkrijgen van het recht op de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid.
Art. 239. (§1er) Sont censés atteindre le degré d'incapacité de travail requis, comme prévu (à l'article 100, § 1er de la loi " relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994) :
Art.239. <KB 06-01-1969, art. 1> (§ 1) Worden geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid als bedoeld (bij artikel 100, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994) te bereiken : <KB 1996-02-02/32, art. 3, 138; Inwerkingtreding : 15-05-1995> <KB 1985-06-14/31, art. 1, 2°, 011>
  1° de gerechtigde wie het verboden is naar zijn werk te gaan gedurende de hierna vermelde periode, omdat hij in contact is gekomen met iemand die aangetast is door een van de volgende besmettelijke ziekten:
  Difterie......................... 7 dagen (met mogelijke verlenging indien de betrokkene kiemdrager is)
  Epidemische ecephalitis...........17 dagen
  Typhus en paratyphus..............12 dagen
  Meningitis cerebrospinalis........9 dagen
  Malleus...........................12 dagen
  Poliomyelitis.....................17 dagen
  Roodvonk..........................10 dagen
  Pokken............................18 dagen
  Deze perioden gaan in op de dag dat de gerechtigde met de zieke in contact is gekomen en niet op de dag waarop de kennisgeving van arbeidsonderbreking werd verzonden of afgegeven.
  2° (de zwangere of de bevallen gerechtigde, of de gerechtigde die borstvoeding geeft, voor wie de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is geschorst of die van arbeid is vrijgesteld in toepassing van de artikelen 42, § 1, eerste lid, 3°, 43, § 1, tweede lid, 2° of 43bis, tweede lid van de arbeidswet van 16 maart 1971.
  Voor de werkneemster die borstvoeding geeft, mag het tijdvak waarover zij geacht wordt de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken, evenwel geen periode overschrijden van vijf maanden vanaf de dag van de bevalling.) <KB 1996-02-02/32, art. 3, 138; Inwerkingtreding : 15-05-1995>
  3° (opgeheven) <KB 1990-01-10/31, art. 4, 073; Inwerkingtreding : 10-01-1990>
  (§ 2. Worden geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te behouden, de gerechtigden in staat van arbeidsongeschiktheid, tijdens de periode waarover zij een programma van herscholing of revalidatie volgen erkend door het college van geneesheren-directeurs optredend binnen het raam van de wet van 9 augustus 1963.) <KB 1985-06-14/31, art. 1, 2°, 011>
Art. 239bis. <AR 1996-02-02/32, art. 4, 138; En vigueur : 15-05-1995> Est présumée incapable de travailler au sens de l'article 100, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, la titulaire enceinte, accouchée ou allaitante qui a fait l'objet d'une mesure visée aux articles 42, § 1er, alinéa 1er, 1° ou 2° ou 43, § 1er, alinéa 2, 1° de la loi du 16 mars 1971 sur le travail et dont la rémunération perçue à la suite soit de l'aménagement des conditions ou du temps de travail à risque soit du changement de poste de travail est inférieure à la rémunération découlant de son activité habituelle.
  Bénéficie de la même présomption d'incapacité de travail, la titulaire qui exerce plusieurs activités salariées et dont la suspension de l'exécution du contrat de travail ou la dispense de travail en application des articles 42, § 1er, alinéa 1er, 3°, 43, § 1er, alinéa 2, 2° ou 43bis, alinéa 2 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ne concerne qu'une ou plusieurs mais pas toutes ces activités.
  Les présomptions d'incapacité de travail visées aux alinéas précédents ne sont pas applicables aux titulaires qui entreprennent ou poursuivent une activité qui n'est pas soumise aux dispositions de la loi du 16 mars 1971 sur le travail.
Art. 239bis. <KB 1996-02-02/32, art. 4, 138; Inwerkingtreding : 15-05-1995> Geacht wordt arbeidsongeschikt te zijn, als bedoeld in artikel 100, § 1 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de zwangere of bevallen gerechtigde of de gerechtigde die borstvoeding geeft op wie een maatregel toegepast is, als bedoeld in de artikelen 42, § 1, eerste lid, 1° of 2°, of 43, § 1, tweede lid, 1° van de arbeidswet van 16 maart 1971, en van wie het loon, hetzij na de aanpassing van de arbeidsomstandigheden of risicogebonden werktijden, hetzij na de verandering van arbeidsplaats, lager is dan het loon dat uit haar gewone activiteit voortvloeit.
  Hetzelfde vermoeden van arbeidsongeschiktheid geldt voor de gerechtigde die verschillende activiteiten in loondienst uitoefent en voor wie de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of de vrijstelling van arbeid in toepassing van de artikelen 42, § 1, eerste lid, 3°, 43, § 1, tweede lid, 2° of 43bis, tweede lid van de arbeidswet van 16 maart 1971 slechts betrekking heeft op één of meer, maar niet op al die activiteiten.
  De vermoedens van arbeisongeschiktheid bedoeld in de voorgaande leden zijn niet van toepassing op de gerechtigden die een activiteit aanvangen of verderzetten die niet onderworpen is aan de bepalingen van de arbeidswet van 16 maart 1971.
Art. 240ter. <AR 16-12-1969, art. 3> (§ 1.) Le titulaire occupé par plus d'un employeur et qui, en raison d'une ou de plusieurs, mais pas de toutes ces occupations, se trouve dans une des périodes prévues à l'article 57, § 1er, de la loi du 9 août 1963 précitée, ne peut prétendre une indemnité d'incapacité de travail qu'en fonction d'une occupation qui ne donne pas lieu à l'octroi d'une rémunération ou d'un avantage pécuniaire, au sens du même article 57, § 1er, de la loi du 9 août 1963. <AR 1984-12-17/31, art. 1, 007>
  (Pour l'application (du présent paragraphe), il y a lieu d'assimiler à une période d'occupation, la période visée à l'article 21, 1° de la loi du 9 août 1963 précitée pour laquelle le titulaire peut prétendre à une indemnité due pour rupture de louage de travail.) <AR 03-09-1971, art. 25> <AR 1984-12-17/31, art. 1, 007>
  § 2. (Le travailleur à temps partiel involontaire visé à l'article 101, § 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage qui, en raison de son occupation se trouve dans une période prévue à l'article 57, § 1er, 1°, 2° ou 3°, de la loi du 9 août 1963 susvisée, ne peut prétendre une indemnité d'incapacité de travail pendant ladite période qu'en fonction du nombre d'allocations de chômage qui auraient été octroyées par les caisses de paiement des allocations de chômage, s'il n'avait pas été en état d'incapacité de travail.) <AR 1993-04-28/34, art. 10, 112; En vigueur : 01-06-1992>
Art. 240quater. Le titulaire qui a réduit ses prestations de travail de moitié et qui bénéficie d'allocations de chômage conformément à l'arrêté royal du 30 juillet 1994 relatif à la prépension à mi-temps, peut prétendre à une indemnité d'incapacité de travail calculée en fonction de son activité à temps partiel, pendant la période au cours de laquelle il conserve le droit aux allocations de chômage en vertu de l'article 10, alinéa 3 de l'arrête royal du 30 juillet 1994 précité, sans bénéficier de la rémunération garantie visée à l'article 52, § 1er ou § 2 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
Art. 240bis. <KB 13-03-1973, art. 1> De gerechtigde kan aanspraak maken op de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, wanneer hij recht heeft op één van de in artikel 57, § 1, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 opgesomde voordelen of in afwachting dat hij een van die voordelen ontvangt, op voorwaarde dat hij zijn verzekeringsinstelling inlicht over:
  1° elk gegeven waardoor zijn recht kan worden uitgemaakt;
  2° elke ingestelde (vordering) of andere procedure ter verkrijging van het voordeel. <KB 03-09-1971, art. 25>
Art. 240ter. <AR 16-12-1969, art. 3> (§ 1.) Le titulaire occupé par plus d'un employeur et qui, en raison d'une ou de plusieurs, mais pas de toutes ces occupations, se trouve dans une des périodes prévues à l'article 57, § 1er, de la loi du 9 août 1963 précitée, ne peut prétendre une indemnité d'incapacité de travail qu'en fonction d'une occupation qui ne donne pas lieu à l'octroi d'une rémunération ou d'un avantage pécuniaire, au sens du même article 57, § 1er, de la loi du 9 août 1963. <AR 1984-12-17/31, art. 1, 007>
  (Pour l'application (du présent paragraphe), il y a lieu d'assimiler à une période d'occupation, la période visée à l'article 21, 1° de la loi du 9 août 1963 précitée pour laquelle le titulaire peut prétendre à une indemnité due pour rupture de louage de travail.) <AR 03-09-1971, art. 25> <AR 1984-12-17/31, art. 1, 007>
  § 2. (Le travailleur à temps partiel involontaire visé à l'article 101, § 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage qui, en raison de son occupation se trouve dans une période prévue à l'article 57, § 1er, 1°, 2° ou 3°, de la loi du 9 août 1963 susvisée, ne peut prétendre une indemnité d'incapacité de travail pendant ladite période qu'en fonction du nombre d'allocations de chômage qui auraient été octroyées par les caisses de paiement des allocations de chômage, s'il n'avait pas été en état d'incapacité de travail.) <AR 1993-04-28/34, art. 10, 112; En vigueur : 01-06-1992>
Art. 240ter. <KB 16-12-1969, art. 3> (§ 1.) De gerechtigde die door meer dan één werkgever is tewerkgesteld en die, uit hoofde van één of meer, maar niet van alle tewerkstellingen, zich in één van de in artikel 57, § 1, van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde tijdvakken bevindt, kan slechts aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit hoofde van één tewerkstelling die geen aanleiding geeft tot het toekennen van een loon of een geldelijk voordeel, als bedoeld in hetzelfde artikel 57, § 1, van de wet van 9 augustus 1963. <KB 1984-12-17/31, art. 1, 007>
  (Voor de toepassing (van deze paragraaf) dient het in artikel 21, 1°, van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, bedoelde tijdvak, voor hetwelk de gerechtigde aanspraak heeft op een vergoeding verschuldigd wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met een periode van tewerkstelling te worden gelijkgesteld.) <KB 3-9-1971, art. 25> <KB 1984-12-17/31, art. 1, 007>
  § 2. (De in artikel 101, § 1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering bedoelde onvrijwillig deeltijdse werknemer, die zich uit hoofde van zijn werkzaamheid bevindt in een tijdvak als bedoeld in artikel 57, § 1, 1°, 2° of 3°, van vorengenoemde wet van 9 augustus 1963, kan gedurende dat tijdvak slechts aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar rata van het aantal werkloosheidsuitkeringen dat hem door de uitbetalingsinstellingen van de werkloosheidsuitkeringen zou zijn verleend, indien hij niet arbeidsongeschikt was geweest.) <KB 1993-04-28/34, art. 10, 112; Inwerkingtreding : 01-06-1992>
Art.241. § 1er. L'octroi des prestations prévu (à l'article 76quater, § 2, de la loi du 9 août 1963 susvisée) est subordonné aux conditions que celui qui, pour lui-même ou pour les personnes à sa charge, fait appel aux prestations de l'assurance, mette son organisme assureur dans la possibilité d'exercer le droit vis é à cet article et l'informe : <AR 1989-04-26/31, art. 44, 063; >
  1° de ce que le dommage qui motive cet appel est susceptible d'être couvert par le droit commun ou par une autre législation belge ou étrangère;
  2° de tous les éléments ou circonstances de nature à établir si le dommage doit être réparé en vertu du droit commun ou d'une autre législation, y compris les informations ou actes judiciaires dont lui-même ou les personnes à sa charge seraient l'objet à propos du dommage;
  3° de toute action ou autre procédure engagée en vue d'obtenir pour lui-même ou pour les personnes à sa charge, la réparation du dommage en vertu du droit commun ou d'une autre législation.
  § 2. L'information visée au § 1er, 1°, peut être donnée au moyen du document vise à l'article 47 de la loi du 9 août 1963 susvisée, lorsque l'appel aux prestations porte notamment sur l'octroi de l'indemnité d'incapacité de travail.
  L'information visée au § 1er, 2°, peut être donnée au moyen du formulaire que l'organisme assureur fournit au titulaire aussitôt qu'il a reçu de celui-ci l'information visée au § 1er, 1°.
  Le modèle de ce formulaire est établi par le Service du contrôle administratif.
  § 3. Les dispositions des §§ 1er et 2 sont applicables aux bénéficiaires de l'allocation pour frais funéraires.
Art. 240quater. De gerechtigde die zijn arbeidsprestaties heeft gehalveerd en werkloosheidsuitkeringen geniet overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 juli 1994 betreffende het halftijds brugpensioen, kan aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die berekend wordt in functie van zijn deeltijdse activiteit, gedurende de periode tijdens dewelke hij krachtens artikel 10, derde lid van vorengenoemd koninklijk besluit van 30 juli 1994, het recht op werkloosheidsuitkeringen behoudt zonder dat hij het gewaarborgd loon geniet, als bedoeld in artikel 52, § 1 of § 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Section 21. _ (Dispositions monétaires en matière de cumul des indemnités et de prestations dues par l'étranger.
Afdeling 20. _ Toekenning van prestaties in geval van door een andere wetgeving gedekte schade.
Art. 241bis. § 1er. Lorsqu'en application des articles 46, alinéa 3, et (76quater, § 2, de la loi du 9 août 1963 susvisée) et des articles 224, 232, 233 et 235bis du présent arrêté, le montant de l'indemnité d'incapacité de travail est susceptible d'être modifié parce que le bénéficiaire perçoit une prestation attribuée par une législation étrangère ou un revenu professionnel acquis par l'exercice d'une activité autorisée par le médecin-conseil sur le territoire d'un autre pays, le montant de cette prestation ou de ce revenu est, pour le calcul de l'indemnité d'incapacité de travail, converti en francs belges au cours de change moyen trimestriel communiqué par la Banque Nationale de Belgique.
Art.241. § 1. De (in artikel 76quater, § 2, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963) bedoelde toekenning van prestaties is afhankelijk van de voorwaarden dat degene die, voor hem persoonlijk of voor de personen te zijnen laste, om verzekeringsprestaties verzoekt, zijn verzekeringsinstelling in de mogelijkheid stelt het in dat artikel bedoelde recht uit te oefenen en haar het volgende mededeelt: <KB 1989-04-26/31, art. 44, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  1° dat de schade waarvoor dat verzoek wordt gedaan, kan gedekt worden door het gemeen recht of door een andere Belgische of buitenlandse wetgeving;
  2° alle gegevens of omstandigheden waardoor kan worden uitgemaakt of de schadeloosstelling moet geschieden krachtens het gemeen recht of een ander wetgeving, met inbegrip van de gerechtelijke informaties of handelingen waarvan hijzelf of de personen te zijnen laste in verband met de schade het voorwerp zouden zijn;
  3° elke ingestelde vordering of andere procedure ter verkrijging, voor hem persoonlijk of voor de personen te zijnen laste, van de schadeloosstelling krachtens het gemeen recht of een andere wetgeving.
  § 2. De in § 1, 1°, bedoelde mededeling kan geschieden met het in artikel 47 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde document wanneer het verzoek om prestaties met name betrekking heeft op de toekenning van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid.
  De in § 1, 2°, bedoelde mededeling kan geschieden met het formulier dat de verzekeringsinstelling aan de gerechtigde uitreikt zodra ze van deze de in 3§ 1,1°, bedoelde mededeling heeft ontvangen.
  Het model van dat formulier wordt vastgesteld door de Dienst voor administratieve controle.
  § 3. De bepalingen van de §§ 1 en 2 zijn van toepassing op de rechthebbenden op de uitkering voor begrafeniskosten.
Art. 241ter. <AR 14-12-1978, art. 2> § 1er. Lorsque les arrérages reçus d'un organisme étranger, convertis en monnaie belge, ne couvrent pas le montant des avances ou des indemnités payées à titre provisionnel, la différence n'est pas récupérée lorsque cette différence est due, soit à la différence des taux de change respectifs appliqués pour le calcul du montant des sommes dues par l'organisme étranger et pour la réalisation de la valeur exprimée en monnaie étrangère, soit à l'adaptation conjoncturelle des indemnités.
  § 2. (.....) <AR 1983-12-31/33, art. 6, 002>
  § 3. (.....) <AR 1983-12-31/33, art. 6, 002>
Afdeling 21. _ (Monetaire beschikkingen inzake cumulatie van uitkeringen met door het buitenland verschuldigde uitkeringen)
Art. 241bis. § 1er. Lorsqu'en application des articles 46, alinéa 3, et (76quater, § 2, de la loi du 9 août 1963 susvisée) et des articles 224, 232, 233 et 235bis du présent arrêté, le montant de l'indemnité d'incapacité de travail est susceptible d'être modifié parce que le bénéficiaire perçoit une prestation attribuée par une législation étrangère ou un revenu professionnel acquis par l'exercice d'une activité autorisée par le médecin-conseil sur le territoire d'un autre pays, le montant de cette prestation ou de ce revenu est, pour le calcul de l'indemnité d'incapacité de travail, converti en francs belges au cours de change moyen trimestriel communiqué par la Banque Nationale de Belgique.
Art. 241bis. <KB 02-06-1976, art. 1> § 1. Indien, bij toepassing van de artikelen 46, derde lid, en (76quater, § 2, van de voornoemde wet van 9 augustus 1963) en van de artikelen 224, 232, 233 en 235bis van dit besluit het bedrag van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid mogelijk kan worden gewijzigd omdat de rechthebbende een krachtens een buitenlandse wettelijke regeling toegekende voorziening geniet of een bedrijfsinkomen verkregen door de uitoefening van een door de adviserend geneesheer toegelaten activiteit op het grondgebied van een ander land, wordt het bedrag van die voorziening of van dat inkomen voor de berekening van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid omgerekend in Belgische frank tegen de driemaandelijkse middenkoers die door de Nationale Bank van België is opgegeven. <KB 1989-04-26/31, art. 45, 1°, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  (Wanneer de buitenlandse voorziening wordt verleend ten bezware van een regeling van een E.E.G.-Lidstaat of wanneer het bedrijfsinkomen wordt verkregen door de uitoefening van een toegelaten activiteit op het grondgebied van een Lidstaat, moet evenwel als wisselkoers de koers worden genomen die bij omrekening in het kader van de E.E.G.-Verordeningen is vastgesteld.) <KB 30-07-1981, art. 1, 1°>
  Bij de berekening van het bedrag van de uitkering moet de volgende wisselkoers in aanmerking worden genomen :
  a) voor de toepassing van artikel (76quater, § 2, van de voornoemde wet van 9 augustus 1963) en van artikel 235bis van dit besluit, de wisselkoers die gelding heeft over het kwartaal waarin de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid gelegen is of, in voorkomend geval, de datum van ingang van de buitenlandse voorziening indien deze na de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid is toegekend; <KB 1989-04-26/31, art. 45, 2°, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  b) voor de toepassing van artikel 46, derde lid, van de voornoemde wet van 9 augustus 1963 en van artikel 224 van dit besluit, de wisselkoers die gelding heeft over het kwartaal waarin de datum van ingang gelegen is van het krachtens het invaliditeitspensioenstelsel voor de mijnwerkers verleende pensioen, dat een buitenlands pensioengedeelte bevat.
  c) voor de toepassing van de artikelen 232 en 233 van dit besluit, de wisselkoers die gelding heeft over het kwartaal waarin de datum van de arbeidshervatting gelegen is.
  § 2. De in § 1 van dit artikel bedoelde berekening dient te worden herzien :
  a) wanneer het bedrag van de voorziening of van het bedrijfsinkomen met (2) pct. gewijzigd wordt ten opzichte van het bedrag dat in aanmerking is genomen bij de eerste of de vorige berekening; de nieuwe berekening geschiedt tegen de wisselkoers die gelding heeft over het kwartaal waarin de dag valt van de wijziging van het bedrag van de voorziening of van het bedrijfsinkomen; <KB 30-07-1981, art. 2, 2°>
  b) wanneer de middenkoers van de vreemde munteenheid met (2) pct. verandert ten opzichte van die welke in aanmerking is genomen bij de eerste of de vorige berekening; de herziening geschiedt met uitwerking vanaf de eerste dag van het kwartaal waarin de met (2) pct. gewijzigde middenkoers van toepassing is; <KB 30-07-1981, art. 2, 2°>
  c) wanneer de hoegrootheid van de invaliditeitsuitkering verandert doordat de rechthebbende die personen te zijnen laste had, moet worden geacht niemand te zijnen laste te hebben, of omgekeerd; in dat geval wordt het bedrag van de voorziening of van het bedrijfsinkomen omgerekend tegen de wisselkoers die gelding heeft tijdens het kwartaal waarin zich de wijziging in de toestand voordoet.
  § 3. De wisselkoersen die door de Nationale Bank van België zijn opgegeven, worden door het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering bekendgemaakt vóór het begin van het kwartaal waarover ze gelding hebben.
  Die wisselkoersen stemmen overeen met de middenkoersen van :
  -het 1e kwartaal, voor de koersen die van toepassing zijn tijdens het 3e kwartaal;
  -het 2e kwartaal, voor de koersen die van toepassing zijn tijdens het 4e kwartaal;
  -het 3e kwartaal, voor de koersen die van toepassing zijn tijdens het 1e kwartaal van het jaar daarop;
  -het 4e kwartaal, voor de koersen die van toepassing zijn tijdens het 2e kwartaal van het jaar daarop.
  (De in het raam van de E.E.G.-verordeningen toepasselijke wisselkoersen worden eveneens door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering bekendgemaakt vóór het begin van het kwartaal waarover zij gelding hebben.) <KB 30-07-1981, art. 1, 3°>
  § 4. (...) <KB 1997-11-10/42, art. 1, 144; Inwerkingtreding : 1997-12-12>
Art. 241ter. <AR 14-12-1978, art. 2> § 1er. Lorsque les arrérages reçus d'un organisme étranger, convertis en monnaie belge, ne couvrent pas le montant des avances ou des indemnités payées à titre provisionnel, la différence n'est pas récupérée lorsque cette différence est due, soit à la différence des taux de change respectifs appliqués pour le calcul du montant des sommes dues par l'organisme étranger et pour la réalisation de la valeur exprimée en monnaie étrangère, soit à l'adaptation conjoncturelle des indemnités.
  § 2. (.....) <AR 1983-12-31/33, art. 6, 002>
  § 3. (.....) <AR 1983-12-31/33, art. 6, 002>
Art. 241ter. § 1. Wanneer de van een buitenlandse instelling ontvangen achterstallen, uitgerekend in Belgische munt, het bedrag van de voorschotten of provisionele uitkeringen niet dekken, wordt het verschil niet teruggevorderd wanneer dit verschil te wijten is, hetzij aan het verschil der respectieve wisselkoersen die werden gebruikt, enerzijds om de hoegrootheid der door de buitenlandse instelling verschuldigde sommen te berekenen of, anderzijds om de in vreemde munt uitgedrukte valuta te verzilveren, hetzij aan de conjuncturele aanpassing der uitkeringen.
Art.242. § 1er. Les contestations visées à l'article 86 de la loi du 9 août 1963 susvisée sont soumises en première instance au médecin-inspecteur principal de la province dans laquelle le médecin-conseil à sa résidence administrative.
HOOFDSTUK XI. _ Geneeskundige controle.
Art.243. § 1er. L'appel des décisions du médecin-inspecteur principal, prévu à l'article 86 de la loi du 9 août 1963 susvisée, est formé par acte motivé et signé, adressé sous la formalité de la recommandation à la poste, au président du Comité du Service du contrôle médical, au plus tard le troisième jour à partir de la notification visée au § 2 de l'article 242.
Eerste afdeling. _ Geschillen tussen de adviserend geneesheren en de geneesheren-inspecteurs.
Art. 242. § 1er. Les contestations visées à l'article 86 de la loi du 9 août 1963 susvisée sont soumises en première instance au médecin-inspecteur principal de la province dans laquelle le médecin-conseil à sa résidence administrative.
Art.242. § 1. De in artikel 86 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde geschillen worden in eerste aanleg voorgelegd aan de eerstaanwezend geneesheer-inspecteur van de provincie waarin de adviserend geneesheer zijn administratieve standplaats heeft.
  Het geschil wordt bij de eerstaanwezend geneesheer-inspecteur aangebracht met een gemotiveerd en ondertekend verzoekschrift dat hem ter post aangetekend wordt gezonden uiterlijk achtenveertig uur na de kennisgeving aan de verzoekende partij van de beslissing welke zij betwist.
  § 2. De eerstaanwezend geneesheer-inspecteur verzoekt de partijen onmiddellijk om overlegging van de bescheiden betreffende het geschil.
  Zijn beslissing wordt gemotiveerd; hij neemt ze binnen vijf dagen na ontvangst van het in § 1 bedoelde verzoekschrift en geeft de partijen ervan kennis binnen de vijf daaropvolgende dagen met een ter post aangetekend schrijven.
Art. 243. § 1er. L'appel des décisions du médecin-inspecteur principal, prévu à l'article 86 de la loi du 9 août 1963 susvisée, est formé par acte motivé et signé, adressé sous la formalité de la recommandation à la poste, au président du Comité du Service du contrôle médical, au plus tard le troisième jour à partir de la notification visée au § 2 de l'article 242.
  L'appel est suspensif.
  § 2. Dès réception de l'acte d'appel visé au § 1er, il est fixé jour aux parties pour produire tous éléments d'information nouveaux et comparaître devant le Comité du Service du contrôle médical.
  Cette communication est donnée aux parties sous la formalité de la recommandation à la poste.
  Le Comité du Service du contrôle médical statue dans les quinze jours de la réception de l'acte d'appel.
  Sa décision est motivée; elle est notifiée aux parties par lettre recommandée à la poste, dans les vingt jours de la réception de l'acte d'appel.
Art.243. § 1. Het beroep tegen de beslissingen van de eerstaanwezend geneesheer-inspecteur, bedoeld in artikel 86 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, wordt ingesteld met een gemotiveerde en ondertekende akte welke, uiterlijk de derde dag na de in artikel 242, § 2, bedoelde kennisgeving, ter post aangetekend gezonden wordt aan de voorzitter van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle.
  Het beroep werkt schorsend.
  § 2. Bij ontvangst van de in § 1 bedoelde akte van beroep wordt voor de partijen een dag vastgesteld om alle nieuwe inlichtingsgegevens over te leggen en te verschijnen voor het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle.
  Die mededeling wordt ter post aangetekend aan de partijen gedaan.
  Het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle doet uitspraak binnen vijftien dagen na ontvangst van de akte van beroep.
  Zijn beslissing wordt gemotiveerd; er wordt de partijen kennis van gegeven bij ter post aangetekend schrijven binnen twintig dagen na ontvangst van de akte van beroep.
Art. 244. Lorsque le médecin-inspecteur principal ou le Comité de Service du contrôle médical ont été amenés à ordonner un complément d'information, les délais qui leur sont impartis par les articles 242 et 243 pour prendre et notifier leurs décisions, sont prolongés de six jours.
Art.244. Wanneer de eerstaanwezend geneesheer-inspecteur of het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle een bijkomende informatie hebben moeten gelasten, worden de hun bij de artikelen 242 en 243 toegemeten termijnen om hun beslissingen te nemen en er kennis van te geven, met zes dagen verlengd.
Art.246. (.....) Il est institué auprès du Service du contrôle médical deux commissions qui ont pour mission de statuer sur les appels interjetés : <AR 28-11-1967, art. 1, 1°>
  1° (par les médecins-conseil, les médecins-inspecteurs, les médecins-inspecteurs principaux et les médecins-inspecteurs généraux contre les décisions prises à leur égard par le comité du Service du contrôle médical, en vertu de l'article 89 de la loi du 9 août 1963 susvisée); <AR 08-12-1976, art. 1, 2°>
  2° par les personnes et établissements frappés par les décisions prises par le Comité du Service du contrôle médical, en vertu de l'article 44 de la loi du 14 février 1961, d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier, modifié par l'article 140 de la loi du 9 août 1963 susvisée, interdisant l'intervention dans le coût des prestations de santé à la dispensation desquelles ils concourent.
Art.245. De dag waarop een termijn ingaat wordt daarin niet, de dag van afloop ervan wel medegerekend.
Art.247. Les commissions visées à l'article 246 siègent à Bruxelles. Une des commissions est d'expression française; elle connaît des affaires qui doivent être traitées en langue française ainsi que des affaires introduites en langue allemande. L'autre commission est d'expression néerlandaise; elle connaît des affaires qui doivent être traitées en langue néerlandaise.
Afdeling 2. _ Commissies van beroep.
Art.248. § 1er. Chaque commission est composée de :
Art.246. (.....) Bij de Dienst voor geneeskundige controle worden twee commissies ingesteld die tot opdracht hebben uitspraak te doen over de hogere beroepen ingesteld door : <KB 28-11-1967, art. 1, 1°>
  1° (de adviserend geneesheren, de geneesheren-inspecteurs, de eerstaanwezend geneesheren-inspecteurs en de geneesheren-inspecteurs-generaal tegen de beslissingen welke te hunnen opzichte door het comité van de Dienst voor geneeskundige controle zijn genomen krachtens artikel 89 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963); <KB 28-11-1967, art. 1, 2°>
  2° door de persoon en inrichtingen tegen wie door het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle beslissingen zijn genomen krachtens artikel 44 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, gewijzigd bij artikel 140 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 en waarbij tegemoetkoming wordt verboden in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen aan de verlening waarvan zij medewerken.
Art.249. § 1er. L'appel à une commission instituée à l'article 246 est formé par acte motivé et signé, adressé à la commission sous la formalité de la recommandation à la poste, dans les quinze jours à compter de la notification de la décision contestée.
  L'appel est suspensif.
  § 2. (Dès réception de l'acte d'appel, le secrétaire informe la partie citée et lui réclame son dossier.
  Le président de la commission la communique à un (inspecteur ou contrôleur, fonctionnaire ou agent au Service du contrôle médical), qu'il désigne pour faire rapport à la commission : lorsque les commissions d'appel sont appelées à se prononcer sur un appel interjeté par un médecin-inspecteur, par un médecin-inspecteur principal ou par un médecin-inspecteur général, le président désigne respectivement un médecin-inspecteur principal, un médecin-inspecteur général ou le médecin fonctionnaire dirigeant le service. Le médecin ainsi désigné se récuse lorsqu'il est intervenu dans les rétroactes de l'affaire en cause.) <AR 28-11-1967, art. 3, 1°> <AR 1995-04-21/38, art. 2, 131; En vigueur : 23-10-1995>
  § 3. Les parties peuvent se faire assister et représenter par un avocat ou par toute autre personne de leur choix, pour tous actes de procédure ainsi qu'à l'audience.
  § 4. Le secrétaire adresse convocation aux parties, dix jours au moins avant la date de l'audience; cette convocation se fait sous la formalité de la recommandation à la poste.
  Dans les cinq jours qui précèdent l'audience, les parties peuvent prendre connaissance du dossier et adresser un mémoire à la commission.
  § 5. (Le siège de la commission est valablement constitué lorsqu'il réunit :
  1° (un président effectif ou suppléant ou, si l'un et l'autre sont empêchés, un membre effectif ou suppléant, magistrat, visé à l'article 248, § 1er, alinéa 1er, 2°, faisant fonction de président;) <AR 1992-09-02/31 alias 1992-09-02/33, art. 1, 105; En vigueur : 01-09-1992>
  2° deux membres effectifs ou suppléants, magistrats, visés à l'article 248, § 1er, alinéa 1er, 2°;
  3° (au moins un) des membres effectifs ou suppléants visés à l'article 248, § 1er, alinéa 1er, 3° à 14°, qui peuvent siéger suivant les distinctions mentionnées à l'article 248, § 1er, alinéa 2; <AR 30-09-1976, art. 2>
  4° un secrétaire effectif ou suppléant.) <AR 07-10-1971, art. 2>
Art.247. De in artikel 246 bedoelde commissies houden zitting te Brussel. Een van de commissies is franstalig; ze neemt kennis van de zaken welke in het Frans moeten worden behandeld alsmede van de zaken welke in het Duits zijn ingediend. De andere commissie is nederlandstalig; ze neemt kennis van de zaken welke in het Nederlands moeten worden behandeld.
Art. 248. <AR 28-11-1967, art. 2> § 1er. Chaque commission est composée de :
  1° (un président et un président suppléant, magistrats d'une Cour d'appel ou d'une Cour du travail ou membres d'un Parquet général près d'une Cour d'appel ou d'un Auditorat général près d'une Cour du travail;) <AR 8-12-1976, art. 1>
  2° (deux membres effectifs et deux membres suppléants, magistrats d'une Cour d'appel ou d'une Cour du travail ou membres d'un Parquet général près d'une Cour d'appel ou d'un Auditorat général près d'une Cour du travail;) <AR 08-12-1976, art. 1>
  3° trois membres effectifs et trois membres suppléants, docteurs en médecine, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  4° trois membres effectifs et trois membres suppléants, docteurs en médecine, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives du corps médical en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  5° trois membres effectifs et trois membres suppléants, praticiens de l'art dentaire, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des praticiens de l'art dentaire, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  6° trois membres effectifs et trois membres suppléants, pharmaciens, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives du corps pharmaceutique en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  7° trois membres effectifs et trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des établissements hospitaliers en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  (8° trois membres effectifs et trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des accoucheuses, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  9° trois membres effectifs et trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des infirmières, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  10° trois membres effectifs et trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des (kinésithérapeutes), en nombre double de celui des mandats à attribuer; <AR 1992-10-20/35, art. 2, 108; En vigueur : 01-01-1993>
  11° trois membres effectifs et trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des bandagistes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  12° trois membres effectifs et trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des orthopédistes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  13° trois membres effectifs et trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des acousticiens, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  14° trois membres effectifs et trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des opticiens, en nombre double de celui des mandats à attribuer.) <AR 07-10-1971, art. 1, 1°>
  (15° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des logopèdes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  16° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des orthoptistes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  17° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des fournisseurs d'implants, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  18° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des licenciés en sciences habilites par le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions à fournir des prestations au sens de la loi du 9 août 1963 précitée, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  19° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des centres de rééducation, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  20° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des dispensateurs des prestations visées à l'article 34, 11°, de la loi du 9 août 1963 précitée, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
  21° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations représentatives des dispensateurs des prestations visées à l'article 34, 12°, de la loi du 9 août 1963 précitée, en nombre double de celui des mandats à attribuer.) <AR 1995-04-21/38, art. 1, 131; En vigueur : 23-10-1995>
  ((Toutefois, les membres visés à l'alinéa 1er, 3° à 21°), ne siègent que dans les affaires et suivant les distinctions mentionnées ci-après : <AR 1995-04-21/38, art. 1, 131; En vigueur : 23-10-1995>
  1° les membres vises à l'alinéa 1er, 4°, siègent dans les affaires mentionnées à l'article 246, 1°; lorsque l'appel a été interjeté par un médecin-conseil, siègent, en outre, les membres visés à l'alinéa 1er, 3°;
  2° (les membres visés à l'alinéa 1er, 4° à 21°, siègent dans les affaires mentionnées à l'article 246, 2°, suivant que l'appel a été interjeté respectivement par un médecin, un praticien de l'art dentaire, un pharmacien, un établissement hospitalier, une accoucheuse, un praticien de l'art infirmier, un kinésithérapeute, un bandagiste, un orthopédiste, un audicien, un opticien, un logopède, un orthoptiste, un fournisseur d'implants, un licencié en sciences habilité par le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions, un centre de rééducation ou un dispensateur autorisé à dispenser des prestations visées à l'article 34, 11° et 12°, de la loi du 9 août 1963 précitée. Pour ces affaires siègent, en outre, les membres visés à l'alinéa 1er, 3°.) <AR 1995-04-21/38, art. 1, 131; En vigueur : 23-10-1995>
  § 2. Le mandat des présidents et des membres a une durée de six ans; il est renouvelable. Toutefois, le premier renouvellement des mandats des présidents et des membres desdites commissions aura lieu le 1er janvier 1970.
  Les présidents et membres nommés en remplacement de présidents ou membres décédés ou démissionnaires, achèvent les mandats de ceux qu'ils remplacent.
  La limite d'âge des présidents et des membres est celle fixée par l'arrêté royal du 14 octobre 1937, fixant une limite d'âge pour toute personne nommée par arrêté royal ou ministériel dans les institutions, organismes ou sociétés par actions de la métropole ou de la colonie institués par une loi ou par un arrêté royal dans lesquels l'Etat ou la colonie sont représentés en vertu d'une loi, d'un arrêté royal, d'une concession, d'une convention ou de statuts.
  § 3. Les deux commissions prévues à l'article 146 établissent un règlement d'ordre intérieur commun.
  § 4. Le fonctionnaire dirigeant le Service de contrôle médical désigne parmi le personnel de ce service, auprès de chaque commission, un secrétaire et un secrétaire suppléant.
Art.248. <KB 28-11-1967, art. 2> § 1. Elke commissie bestaat uit :
  1° (een voorzitter en een plaatsvervangende voorzitter, magistraten bij een Hof van Beroep of een Arbeidshof of leden van een Parket-generaal bij een Hof van Beroep of van een Auditoraat-generaal bij een Arbeidshof;) <KB 08-12-1976, art. 1>
  2° (twee werkende en twee plaatsvervangende leden, magistraten bij een Hof van Beroep of een Arbeidshof of leden van een Parket-generaal bij een Hof van Beroep of van een auditoraat-generaal bij een Arbeidshof;) <KB 08-12-1976, art. 1>
  3° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden, doctors in de geneeskunde, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen;
  4° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden, doctors in de geneeskunde, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van het geneesherenkorps;
  5° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten, tandheelkundigen, die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van de tandheelkundigen;
  6° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden, apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van het apothekerskorps;
  7° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de verplegingsinrichtingen;
  (8° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de vroedvrouwen;
  9° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de verpleegsters;
  10° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de kinesitherapeuten;
  11° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de bandagisten;
  12° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de orthopedisten;
  13° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de gehoorprothesisten;
  14° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de opticiens.) <KB 07-10-1971, art. 1, 1°>
  (15° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de logopedisten;
  16° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de orthoptisten;
  17° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de verstrekkers van implantaten;
  18° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van licentiaten in de wetenschappen, die door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, zijn erkend om verstrekkingen uit te voeren als bedoeld in de voornoemde wet van 9 augustus 1963;
  19° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de revalidatiecentra;
  20° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de zorgverleners gemachtigd om de in artikel 34, 11°, van de voornoemde wet van 9 augustus 1963 bedoelde verstrekkingen uit te voeren;
  21° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de zorgverleners gemachtigd om de in artikel 34, 12°, van de voornoemde wet van 9 augustus 1963 bedoelde verstrekkingen uit te voeren.) <KB 1995-04-21/38, art. 1, 131; Inwerkingtreding : 23-10-1995>
  ((Evenwel, de leden bedoeld in het eerste lid, 3° tot 21°), zetelen slechts voor de zaken en volgens het hierna gemaakte onderscheid : <KB 1995-04-21/38, art. 1, 131; Inwerkingtreding : 23-10-1995>
  1° de leden bedoeld in het eerste lid, 4°, zetelen voor de zaken bedoeld bij artikel 246, 1°; wanneer het beroep aangetekend werd door een adviserend geneesheer, zetelen daarenboven de leden bedoeld bij het eerste lid, 3°;
  2° (de leden bedoeld in het eerste lid, 4° tot 21°, hebben zitting in de zaken bedoeld bij artikel 246, 2°, al naargelang het beroep aangetekend werd respectievelijk door een geneesheer, een tandheelkundige, een apotheker, een verplegingsinstelling, een vroedvrouw, een verpleeg kundige, een kinesitherapeut, een bandagist, een orthopedist, een gehoorprothesist, een opticien, een logopedist, een orthoptist, een verstrekker van implantaten, een door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft erkende licentiaat in de wetenschappen, een revalidatiecentrum of een zorgverlener gemachtigd om de in artikel 34, 11° en 12°, van de voornoemde wet van 9 augustus 1963 bedoelde verstrekkingen uit te voeren. Voor die zaken hebben daarenboven de leden bedoeld in het eerste lid, 3°, zitting.) <KB 1995-04-21/38, art. 1, 131; Inwerkingtreding : 23-10-1995>
  § 2. Het mandaat van de voorzitters en van de leden bedraagt zes jaar; het mandaat kan worden hernieuwd. Evenwel, wordt het mandaat van de voorzitters en van de leden van bedoelde commissies voor het eerst hernieuwd op 1 januari 1970.
  De ter vervanging van overleden of uittredende voorzitters of leden benoemde voorzitters en leden voltooien de mandaten van diegenen die zij vervangen.
  De leeftijdsgrens van de voorzitters en van de leden is deze bepaald bij het koninklijk besluit van 14 oktober 1937 houdende vaststelling van een leeftijdsgrens, voor elke persoon bij koninklijk of ministerieel besluit benoemd in de inrichtingen, organismen of actiënvennootschappen van het moederland of de kolonie die bij de wet of een koninklijk besluit werden tot stand gebracht of opgericht, of waarin het Rijk of de kolonie vertegenwoordigd zijn krachtens de wet, een koninklijk besluit, een concessie, een overeenkomst of statuten.
  § 3. De twee commissies voorzien bij artikel 246 maken een gemeenschappelijk huishoudelijk reglement op.
  § 4. De ambtenaar onder wiens leiding de Dienst voor geneeskundige controle staat, wijst onder het personeel van die dienst, bij elke commissie een secretaris en een plaatsvervangend secretaris aan.
Art. 249. § 1er. L'appel à une commission instituée à l'article 246 est formé par acte motivé et signé, adressé à la commission sous la formalité de la recommandation à la poste, dans les quinze jours à compter de la notification de la décision contestée.
  L'appel est suspensif.
  § 2. (Dès réception de l'acte d'appel, le secrétaire informe la partie citée et lui réclame son dossier.
  Le président de la commission la communique à un (inspecteur ou contrôleur, fonctionnaire ou agent au Service du contrôle médical), qu'il désigne pour faire rapport à la commission : lorsque les commissions d'appel sont appelées à se prononcer sur un appel interjeté par un médecin-inspecteur, par un médecin-inspecteur principal ou par un médecin-inspecteur général, le président désigne respectivement un médecin-inspecteur principal, un médecin-inspecteur général ou le médecin fonctionnaire dirigeant le service. Le médecin ainsi désigné se récuse lorsqu'il est intervenu dans les rétroactes de l'affaire en cause.) <AR 28-11-1967, art. 3, 1°> <AR 1995-04-21/38, art. 2, 131; En vigueur : 23-10-1995>
  § 3. Les parties peuvent se faire assister et représenter par un avocat ou par toute autre personne de leur choix, pour tous actes de procédure ainsi qu'à l'audience.
  § 4. Le secrétaire adresse convocation aux parties, dix jours au moins avant la date de l'audience; cette convocation se fait sous la formalité de la recommandation à la poste.
  Dans les cinq jours qui précèdent l'audience, les parties peuvent prendre connaissance du dossier et adresser un mémoire à la commission.
  § 5. (Le siège de la commission est valablement constitué lorsqu'il réunit :
  1° (un président effectif ou suppléant ou, si l'un et l'autre sont empêchés, un membre effectif ou suppléant, magistrat, visé à l'article 248, § 1er, alinéa 1er, 2°, faisant fonction de président;) <AR 1992-09-02/31 alias 1992-09-02/33, art. 1, 105; En vigueur : 01-09-1992>
  2° deux membres effectifs ou suppléants, magistrats, visés à l'article 248, § 1er, alinéa 1er, 2°;
  3° (au moins un) des membres effectifs ou suppléants visés à l'article 248, § 1er, alinéa 1er, 3° à 14°, qui peuvent siéger suivant les distinctions mentionnées à l'article 248, § 1er, alinéa 2; <AR 30-09-1976, art. 2>
  4° un secrétaire effectif ou suppléant.) <AR 07-10-1971, art. 2>
Art.249. § 1. Het hoger beroep bij een in artikel 246 ingestelde commissie wordt gedaan met een gemotiveerde en ondertekende akte welke binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing ter post aangetekend aan de commissie wordt gezonden.
  Het hoger beroep werkt schorsend.
  § 2. (Zodra hij de akte van hoger beroep ontvangt, geeft de secretaris daarvan kennis aan de gedaagde partij en vordert van deze haar dossier.
  De voorzitter van de commissie deelt dat dossier mede aan een (inspecteur of controleur, ambtenaar of agent bij de Dienst voor geneeskundige controle), die hij aanwijst om verslag uit te brengen bij de commissie : wanneer de commissies van beroep uitspraak moeten doen over een hoger beroep ingesteld door een geneesheer-inspecteur, een eerstaanwezend geneesheer-inspecteur of een geneesheer-inspecteur-generaal, wijst de voorzitter aan respectievelijk een eerstaanwezend geneesheer-inspecteur, een geneesheer-inspecteur-generaal of de geneesheer, leidend ambtenaar van de Dienst. De aldus aangewezen geneesheer-ambtenaar verschoont zich wanneer hij in de voorgeschiedenis van de betrokken zaak gemoeid is geweest.) <KB 28-11-1967, art. 3, 1°> <KB 1995-04-21/38, art. 2, 131; Inwerkingtreding : 23-10-1995>
  § 3. De partijen mogen zich voor alle handelingen inzake rechtspleging alsmede ter terechtzitting doen bijstaan en vertegenwoordigen door een advocaat of door ieder ander persoon van hun keuze.
  § 4. De secretaris roept de partijen ten minste tien dagen vór de datum van de terechtzitting op; die oproeping wordt ter post aangetekend.
  Binnen vijf dagen vóór de terechtzitting kunnen de partijen inzage nemen van het dossier en de commissie een memorie zenden.
  § 5. (De commissie houdt deugdelijk zitting wanneer aanwezig zijn :
  1° (een werkend of plaatsvervangend voorzitter of, als zowel de ene als de andere verhinderd is, een werkend of een plaatsvervangend lid, magistraat, bedoeld in artikel 248, § 1, 1e lid, 2°, die het voorzitterschap waarneemt;) <KB 1992-09-02/31 alias 1992-09-02/33, art. 1, 105; Inwerkingtreding : 01-09-1992>
  2° twee werkende of plaatsvervangende leden, magistraten, bedoeld bij artikel 248, § 1, eerste lid, 2°;
  3° (ten minste een) van de werkende of plaatsvervangende leden bedoeld bij artikel 248, § 1, eerste lid, 3° tot en met 14°, die mogen zetelen volgens het onderscheid dat bij artikel 248, § 1, tweede lid, gemaakt wordt; <KB 30-09-1976, art. 2>
  4° een werkende of plaatsvervangende secretaris.) <KB 07-10-1971, art. 2>
Art. 250. § 1er. Les débats devant la commission sont publics, à moins que cette publicité ne soit dangereuse pour l'ordre, les moeurs ou le respect du secret professionnel. Dans ce cas, la commission le déclare par décision.
  La commission entend l'exposé de l'affaire par (le rapporteur désigné). Elle entend ensuite les parties et reçoit toutes notes ou pièces que celles-ci désirent déposer à l'appui de leurs prétentions. <AR 1995-04-21/38, art. 3, 131; En vigueur : 23-10-1995>
  Si la commission le juge utile à son édification, elle peut ordonner la comparution personnelle de l'appelant ou de toute autre personne; elle peut de même ordonner qu'il soit procédé à une enquête complémentaire. En ce dernier cas, la commission désigne la personne ou le service chargé de procéder à cette enquête et détermine la mission d'enquête et le délai pour y procéder.
  Le rapport sur enquête complémentaire ordonné par la commission est établi en trois exemplaires qui sont adressés simultanément à la commission et aux parties.
  § 2. La clôture des débats est prononcé par le président de la commission. La commission délibère à huis clos; le secret des délibérations est gardé.
Art.250. § 1. De debatten voor de commissie zijn openbaar, tenzij die openbaarheid gevaar oplevert voor de orde, de goede zeden of de eerbiediging van het beroepsgeheim. Alsdan wordt zulks door de commissie bij beslissing verklaard.
  De commissie hoort de uiteenzetting van de zaak door (de aangewezen verslaggever). Vervolgens hoort ze de partijen en ontvangt alle nota's of stukken welke deze ter staving van hun beweringen wensen in te dienen. <KB 1995-04-21/38, art. 3, 131; Inwerkingtreding : 23-10-1995>
  Indien de commissie het te harer voorlichting nuttig acht, kan zij gelasten dat de appelant of ieder ander persoon persoonlijk opkomt; ze kan zelfs gelasten dat een bijkomend onderzoek wordt verricht. Alsdan wijst de commissie de persoon of de dienst aan die met bedoeld onderzoek wordt belast en bepaalt ze de onderzoeksopdracht en de termijn voor het verrichten ervan.
  Het verslag over het bijkomende onderzoek dat door de commissie is gelast, wordt opgemaakt in drie exemplaren welke gelijktijdig aan de commissie en aan de partijen worden gezonden.
  § 2. De debatten worden door de voorzitter van de commissie voor gesloten verklaard. De commissie beraadslaagt met gesloten deuren; de beraadslagingen worden geheim gehouden.
Art. 251. <AR 28-11-1967, art. 4> § 1er. Les décisions de la commission sont prises à la majorité des voix des président et membres visés à l'article 248, § 1er, 2°, du présent arrêté; l'abstention n'est pas permise.
  § 2. A peine de nullité, chaque décision est motivée et prononcée en audience publique; elle est signée par le président et le secrétaire.
  Pour le prononcé de la décision, la présence du président et du secrétaire suffit.
  § 3. Dans les sept jours du prononcé de toute décision, le secrétaire en adresse, sous la formalité de la recommandation à la poste, une copie par lui certifiée conforme :
  1° aux parties;
  2° au comité du Service de contrôle médical, lors même que celui-ci n'est pas partie.
  § 4. Lorsque dans les cas mentionnés à l'article 89, dernier alinéa, de la loi du 9 août 1963 susvisée, une commission émet un avis sur le renouvellement d'une suspension préventive d'un médecin-inspecteur, d'un médecin-inspecteur principal ou d'un médecin-inspecteur général, le secrétaire de cette commission adresse, dans les sept jours, sous la formalité de la recommandation à la poste, une copie de cet avis, par lui certifiée conforme, au Ministre de la Prévoyance sociale.
Art.251. <KB 28-11-1967, art. 4> § 1. De beslissingen van de commissie worden genomen bij meerderheid van stemmen van de voorzitter en de leden, bedoeld bij artikel 248, § 1, 2° van dit besluit; onthouding is niet geoorloofd.
  § 2. Op straffe van nietigheid, wordt elke beslissing gemotiveerd en in openbare terechtzitting uitgesproken; zij wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris.
  Voor de uitspraak van de beslissing volstaat de aanwezigheid van de voorzitter en van de secretaris.
  § 3. Binnen zeven dagen na de uitspraak van elke beslissing zendt de secretaris daarvan een door hem voor eensluidend gewaarmerkt afschrift ter post aangetekend :
  1° aan de partijen;
  2° aan het comité van de Dienst voor geneeskundige controle, zelfs wanneer deze geen partij is.
  § 4. Wanneer in de gevallen bedoeld bij artikel 89, laatste lid, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 een commissie een advies verstrekt betreffende de vernieuwing van een preventieve schorsing van een geneesheer-inspecteur, een eerstaanwezend geneesheer-inspecteur of een geneesheer-inspecteur-generaal, zendt de secretaris van die commissie, binnen de zeven dagen, een door hem voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van dat advies, ter post aangetekend aan de Minister van Sociale Voorzorg.
Art. 252. La commission se prononce sur tout appel dans les six semaines à compter de l'introduction de l'appel.
  Si la commission ordonne une comparution, en application des dispositions de l'article 250, § 1er, elle fixe la reprise de l'affaire dans le mois du prononcé de cette décision.
  Si la commission ordonne une enquête complémentaire, en application des dispositions de l'article 250, §1er, la décision qu'elle prend au vu du rapport établi à l'occasion de cette enquête est prononcée dans le mois du dépôt de ce rapport.
Art.252. De commissie doet over elk hoger beroep uitspraak binnen zes weken na de indiening van het hoger beroep.
Section 1. _ (Des sanctions applicables aux organismes assureurs et aux offices de tarification)
HOOFDSTUK XII. _ (Administratieve controle.)
Art.253. Les inspecteurs du Service du contrôle administratif ont qualité pour constater les infractions passibles des sanctions visées (à l'article 166 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994).
(...)
Art.254. Il y a lieu à l'application, à charge de l'organisme assureur, d'une sanction :
Afdeling 1. _ (Straffen die toepasselijk zijn op de verzekeringsinstellingen en op de tariferingsdiensten)
Art. 254bis. 1° 5 000 F, par document de prescription pharmaceutique qui n'est pas conforme au modèle fixé par la réglementation ou qui ne comporte pas les mentions requises et qui a fait l'objet d'une tarification;
Art.253. De inspecteurs van de Dienst voor administratieve controle zijn bevoegd om de overtredingen vast te stellen waarop de (in artikel 166 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994) bedoelde straffen staan. <KB 1996-03-15/34, art. 2, 139; Inwerkingtreding : 07-05-1996>
  Die vaststellingen zijn bewijskrachtig behoudens tegenbewijs.
Art. 254. <AR 18-01-1969, art. 2> Il y a lieu à l'application, à charge de l'organisme assureur, d'une sanction :
  1° de (5 000)F, lorsqu'il est en défaut d'avoir rempli l'une des obligations qui lui sont prescrites par les articles 84 et 96, alinéa 1er, de la loi du 9 du 9 août 1963 susvisée; <AR 1986-05-14/31, art. 9, 1°, 025>
  2° (de 1 000F, par mutualité ou office régional dont l'ensemble des documents administratifs et pièces justificatives de dépenses et de recettes d'un mois déterminé n'a pas été rassemblé avant la fin du mois suivant, conformément aux dispositions de l'article 96, alinéas 3 et 4 de la loi du 9 août 1963 susvisée;) <AR 1986-05-14/31, art. 9, 2°, 025>;
  3° de (1000) F par mutualité ou par office régional pour chaque mois de retard supplémentaire dans le rassemblement des documents et pièces visés au 2°; <AR 1986-05-14/31, art. 9, 3°>
  4° (de 1000 F, par pièce ou document, mentionné à la liste établie par le Comité du Service du contrôle administratif, qui n'a pas été établi, conservé, produit, rassemblé ou transmis dans les formes, délais et conditions prévus;)<AR 1986-05-14/31, art. 9, 4°, 025>
  5° (de 2 000 F, pour chaque mois de retard dans l'établissement, la transmission ou le rassemblement des documents ou des pièces visés au 4°. Toutefois, en cas de retard dans la transmission de documents de cotisation, la sanction n'est appliquée que pour chaque trimestre de retard;) <AR 1986-05-14/31, art. 9, 5°, 025>
  6°
  (a) de 2 500 F, lorsqu'il n'a pas exercé, dans le délai prescrit, l'action prévue à l'article 97, alinéa 4 de la loi du 9 août 1963 susvisée et n'a pas, par lettre recommandée à la poste dans le mois suivant l'expiration de ce délai, réclamé le remboursement d'un paiement indu d'un montant au moins égal à 400 F, à celui qui est tenu de l'effectuer en vertu dudit article 97;
  b) de 2 500 F, lorsqu'il n'a pas exerce, dans le délai prescrit, l'action prévue à l'article 97, alinéa 4 de la loi du 9 août 1963 susvisée et n'a pas, dans les trois mois suivant l'expiration de ce délai, saisi le tribunal compétent de la contestation portant sur les droits par lui prétendus à la récupération de prestations d'un montant, au moins égal à 6 000 F, qu'il considère comme indûment alloué.
  Toutefois, lorsque les faits font l'objet d'une instruction judiciaire ou de poursuites pénales, le délai précité de trois mois ne commence à courir qu'à partir, soit du classement sans suite, soit d'une ordonnance de non-lieu ou d'un jugement d'acquittement coulés en force de chose jugée. Si l'organisme assureur apporte la preuve que, bien qu'ayant fait toutes les démarches voulues pour être tenu au courant de la procédure, les décisions visées ci-avant ne lui ont été communiquées que tardivement, le délai précité ne prend cours qu'à dater du jour où il en a eu effectivement connaissance. La preuve de l'existence d'une instruction judiciaire ou de poursuites pénales doit être communiquée au service du contrôle administratif, dans les cinq mois de la notification;
  c) de 5 000 F, lorsqu'il a exercé l'action prévue à l'article 97, alinéa 4 de la loi du 9 août 1963 susvisée, mais n'a pas, en temps voulu, interrompu ou renouvelé l'interruption de la prescription visée à l'article 106, § 1er, 5° ou 6° de la même loi, à moins que le débiteur n'ait remboursé intégralement l'indu dans les délais prévus au 9° b).
  Les sanctions visées sous a) et b) ne sont pas appliquées lorsque, dans le courant des cinq mois suivant la notification de la constatation du paiement indu par le Service du contrôle administratif, l'organisme assureur a obtenu le remboursement intégral des sommes payées indûment ou a obtenu, de celui qui est tenu au remboursement, une déclaration datée et signée portant reconnaissance de sa dette envers lui;) <AR 1986-05-14/31, art. 9, 6°, 025>
  7°
  (a) de 2 000 F, lorsqu'il n'a ni exercé, dans le délai prescrit, l'action prévue par l'article 97, alinéa 4, de la loi du 9 août 1963 susvisée, ni inscrit, à l'expiration de ce délai, le montant du paiement indu dans le compte spécial prévu à l'article 97, alinéa 3, de la même loi;
  b) de 2 000 F, lorsqu'il n'a pas inscrit dans le compte spécial précité ((avant la fin du trimestre qui suit celui où il a effectué la constatation)), le montant du paiement indu qu'il a lui-même constaté;) <AR 1986-05-14/31, art. 9, 7°, 025> <AR 1993-04-27/33, art. 1, 111; En vigueur : 15-06-1993>
  8° (de 1 000 F, lorsque, sans motif légitime, il n'a pas, dans les trois mois suivant la notification par le Service du contrôle administratif, accordé à un bénéficiaire le paiement d'une prestation due ou le remboursement d'une cotisation payée indûment en vertu des dispositions légales ou réglementaires;) <AR 1986-05-14/31, art. 9, 8°, 025>
  9°
  (a) de 5 000 F, lorsque, à l'expiration d'un délai de deux ans, prenant cours à la date de la notification par le Service du contrôle administratif d'une constatation portant sur un paiement indu de 6 000 F au moins, il n'a ni exercé l'action prévue par l'article 97, alinéa 4, de la loi du 9 août 1963 susvisée, ni procédé à la récupération de ce montant, compte tenu des dispositions de l'article 106 de la même loi;
  b) de 5 000 F, lorsque, à l'expiration d'un délai de deux ans, prenant cours le jour où intervient un accord à l'amiable ou est prononcé un jugement ou un arrêt relatif au remboursement d'un paiement indu de 6 000 F au moins, il n'a pas procédé à la récupération du montant indu, compte tenu des dispositions de l'article 106 de la loi du 9 août 1963 susvisée.
  Cependant, si ce jugement ou arrêt est frappé d'une voie de recours par le débiteur, un nouveau délai de deux ans commence à partir du prononcé du jugement ou de l'arrêt statuant sur cette voie de recours.
  Toutefois, si par accord à l'amiable ou par jugement ou arrêt le remboursement d'un paiement indu est prévu sur une période de plus de deux ans, la sanction prévue n'est applicable qu'à l'expiration du délai ainsi détermine. S'il s'agit d'indemnités, l'accord précité doit avoir été approuvé par le Service des indemnités.
  La sanction n'est pas appliquée si, (dans le délai de trois mois) après l'expiration des délais prévus dans les alinéas précédents, l'organisme assureur a fait valoir auprès du Comité du Service du contrôle administratif que la non-récupération est due à une situation de force majeure reconnue comme telle par ledit Comité;) <AR 1986-05-14/31, art. 9, 9°, 025> <AR 1988-12-14/38, art. 1, 060; En vigueur : 21-01-1989>
  10° (de 3 000 F, par cas, lorsque le paiement du complément de cotisation n'est pas réclamé dans le délai visé à l'article 207 ou lorsqu'il a été constaté à plusieurs reprises que le complément de cotisation est insuffisant;) <AR 1986-05-14/31, art. 9, 10°, 025>
  11° de (1000) F par document qui devant être signé par un médecin-conseil agréé par le Service du contrôle médical, a été signé par une autre personne ou pourvu d'une griffe; <AR 1986-05-14/31, art. 9, 11°, 025>
  12° (a) de 5 000 F, lorsqu'il n'a pas donné l'information prévue par l'article 258 dans le délai fixe;
  b) de 5 000 F, lorsqu'il ne prend pas les dispositions nécessaires afin d'obtenir d'un dispensateur de soins dont les erreurs ou les fraudes ont entraîné des paiements indus d'au moins 6 000 F, tout dédommagement ou remboursement;) <AR 1986-05-14/31, art. 9, 12°, 025>
  13° ((de 5 000 F, lorsqu'il n'a pas rempli les obligations lui imposées par l'article 259;) <AR 1986-05-14/31, art. 9, 13°, 025>
  Toutefois, cette sanction n'est pas appliquée lorsque le montant du préjudice est inférieur à (6 000) F.) <AR 30-09-1976, art. 3, 5°> <AR 17-07-1981, art. 1, 13°>
  (14° (a) de F 5 000 par cas, lorsqu'il a, à plusieurs reprises, accordé des prestations ou perçu des cotisations insuffisantes, alors que les conditions pour accorder ces prestations ou pour bénéficier de la cotisation réduite n'étaient pas remplies;
  b) de F 5 000 par cas, lorsqu'il a, à plusieurs reprises, accordé des prestations d'un montant supérieur à celui fixé par les dispositions légales ou réglementaires, alors qu'il est dispensé de récupérer ces montants indus en application des dispositions de l'article 97, alinéa 5, de la loi du 9 août 1963 susvisée;) <AR 1991-03-22/36, art. 1, 089; En vigueur : 01-01-1991>
  15° de 1 500 F, par cas d'affiliation ou d'inscription en une qualité ou dans un régime erroné ou par cas d'octroi de l'intervention majorée, sans être en possession des pièces justificatives prévues par les dispositions légales et réglementaires ou en présence de tout élément duquel il apparaît que l'affiliation, l'inscription ou le droit susvisé ne pouvait être accordé ou maintenu;
  16°
  a) de 5 000 F, par cotisation payée par un bénéficiaire et qui n'a pas été comptabilisée;
  b) de 5 000 F, par cotisation payée par un bénéficiaire et qui n'a pas été inscrite aux documents prévus aux articles 308, 309, 311 et 319, dans les délais requis;
  17° de 5 000 F, lorsqu'il a imputé à l'assurance obligatoire une prestation qui aurait dû être prise en charge par un service subsidié ou non, organise dans le cadre de l'assurance libre;
  18° de 5 000 F, par infraction aux dispositions de l'article 262 et par sanction qui n'a pas été inscrite au document récapitulatif visé à l'article 318.) <AR 1986-05-14/31, art. 9, 14°, 025>
  (19° de F 5 000, en cas de paiement indu résultant d'une faute, d'une erreur ou d'une négligence de l'organisme assureur dans l'utilisation d'un système de traitement informatisé des données.
  Lorsqu'une nouvelle infraction est commise dans un délai de deux ans prenant cours à la date du prononcé d'une sanction sur base du précédent alinéa, une amende de F 5 000 est appliquée par cas de paiement indu.) <AR 1992-03-31/37, art. 1, 098; En vigueur : 15-05-1992>
  (20° de 5 000 F, par montant inscrit à tort sur les listes établies en vue de l'application de l'arrêté royal du 7 octobre 1993 fixant le pourcentage dont les frais d'administration des organismes assureurs sont majorés en cas de récupération de sommes payées indûment.) <AR 1996-03-15/34, art. 3, 139; En vigueur : 07-05-1996>
Art.254. <KB 18-01-1969, art. 2> Ten laste van de verzekeringsinstelling wordt een straf toegepast :
  1° van (5 000 F), wanneer ze heeft verzuimd één der verplichtingen te vervullen welke haar zijn voorgeschreven bij de artikelen 84 en 96, eerste lid, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963; <KB 1986-05-14/31, art. 9, 1°, 025>
  2° (van 1 000 F per ziekenfonds of per gewestelijk kantoor waarvan het geheel van de administratieve bescheiden en bewijsstukken van uitgaven en inkomsten met betrekking tot een bepaalde maand, niet vóór het einde van de daaropvolgende maand werd verzameld overeenkomstig de bepalingen van artikel 96, derde en vierde lid van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963;) <KB 1986-05-14/31, art. 9, 2°, 025>
  3° van (1 000) F per ziekenfonds of per gewestelijk kantoor, voor elke maand bijkomende vertraging in het verzamelen van de in 2° bedoelde bescheiden en stukken; <KB 1986-05-14/31, art. 9, 3°, 025>
  4° (van 1 000 F, per stuk of bescheid, vermeld op de door het Comité van de Dienst voor administratieve controle opgemaakte lijst, dat niet werd opgesteld, bewaard, voorgelegd, verzameld of overgemaakt in de voorgeschreven vormen, termijnen en voorwaarden;) <KB 1986-05-14/31, art. 9, 4°, 025>
  5° (van 2 000 F, voor elke maand vertraging bij het opstellen, het overmaken of het verzamelen van de in 4° bedoelde bescheiden of stukken. Ingeval van vertraging bij het overmaken van de bijdragebescheiden, wordt de sanctie slechts toegepast voor elk kwartaal vertraging;) <KB 1986-05-14/31, art. 9, 5°, 025>
  6°
  (a) van 2 500 F, wanneer zij de in artikel 97, vierde lid van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 omschreven vordering niet heeft ingesteld binnen de voorgeschreven termijn noch binnen de maand na afloop van deze termijn, de terugbetaling van een onverschuldigde betaling van ten minste 400 F, bij een ter post aangetekend schrijven heeft gevorderd van degene die krachtens genoemd artikel 97 gehouden is tot terugbetaling ervan;
  b) van 2 500 F, wanneer zij de in artikel 97, vierde lid van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 omschreven vordering niet heeft ingesteld binnen de voorgeschreven termijn, noch binnen de drie maanden na afloop van deze termijn de betwisting aangaande de aanspraken die zij beweert te hebben tot terugvordering van prestaties voor een bedrag gelijk aan ten minste 6 000 F welke ze als onverschuldigd toegekend beschouwt, niet aanhangig heeft gemaakt voor de bevoegde rechtbank.
  Wanneer de feiten evenwel het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk onderzoek of van een strafrechtelijke vervolging, neemt de voornoemde termijn van drie maanden slechts aanvang, hetzij vanaf een beslissing tot seponering, hetzij vanaf een bevelschrift tot buitenvervolgingstelling of een vrijspraak die in kracht van gewijsde zijn getreden. Indien de verzekeringsinstelling het bewijs levert dat, ofschoon zij alle vereiste maatregelen heeft getroffen om op de hoogte te worden gebracht van de rechtspleging, de voornoemde beslissingen haar niet of laattijdig werden meegedeeld, dan neemt de voornoemde termijn slechts aanvang de dag dat zij hiervan werkelijk kennis heeft gekregen. Het bewijs van het bestaan van een gerechtelijk onderzoek of een strafrechtelijke vervolging dient aan de Dienst voor administratieve controle te worden meegedeeld binnen de vijf maanden na de kennisgeving;
  c) van 5 000 F, wanneer zij de in artikel 97, vierde lid van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 omschreven vordering heeft ingesteld en de in artikel 106, § 1, 5° en 6° van dezelfde wet bedoelde verjaring niet ten gepaste tijde heeft gestuit of de stuiting ervan hernieuwd heeft, tenzij de schuldenaar het onverschuldigd betaalde bedrag integraal heeft terugbetaald binnen de termijn bepaald in 9° b).
  De onder a) en b) bedoelde straffen worden niet toegepast wanneer in de loop van de vijf maanden na de kennisgeving, door de Dienst voor administratieve controle van de vaststelling van de onrechtmatige betaling, de verzekeringsinstelling de ten onrechte betaalde sommen volledig terugbetaald gekregen heeft of een gedagtekende en ondertekende verklaring heeft ontvangen van degene die tot terugbetaling gehouden is, waarin deze zijn schuld tegenover haar erkent;) <KB 1986-05-14/31, art. 9, 6°, 025>
  7°
  (a) van 2 000 F, wanneer ze de in artikel 97, vierde lid, van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 omschreven vordering niet heeft ingesteld binnen de voorgeschreven termijn, noch het bedrag van de onverschuldigde betaling bij afloop van die termijn heeft geboekt op de daartoe bij artikel 97, derde lid, van dezelfde wet voorgeschreven bijzondere rekening;
  b) van 2 000 F, wanneer ze het bedrag van een door haar zelf vastgestelde onverschuldigde betaling ((vóór het einde van het kwartaal dat volgt op dat waarin zij de vaststelling heeft gedaan)) niet heeft ingeschreven in de vorenbedoelde bijzondere rekening;) <KB 1986-05-14/31, art. 9, 7°, 025> <KB 1993-04-27/33, art. 1, 111; Inwerkingtreding : 15-06-1993>
  8° (van 1 000 F, wanneer zij, zonder wettige reden binnen de drie maanden na kennisgeving door de Dienst voor administratieve controle, aan een rechthebbende het bedrag van een hem verschuldigde verstrekking of van een krachtens de wettelijke en reglementaire bepalingen niet verschuldigde bijdrage niet heeft terugbetaald;) <KB 1986-05-14/31, art. 9, 8°, 025>
  9°
  (a) van 5 000 F, wanneer zij na verloop van een termijn van twee jaar met ingang van de datum waarop de Dienst voor administratieve controle kennis heeft gegeven van een vaststelling van een onverschuldigde betaling van ten minste 6 000 F, noch in de artikel 97, vierde lid, van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 omschreven vordering heeft ingesteld, noch dit bedrag heeft teruggevorderd rekening houdend met de bepalingen van artikel 106 van dezelfde wet;
  b) van 5 000 F, wanneer zij, na verloop van een termijn van twee jaar die ingaat de dag waarop een minnelijke schikking wordt getroffen of een vonnis of een arrest wordt uitgesproken betreffende terugbetaling van een onverschuldigde betaling van ten minste 6 000 F, het bedrag van die onverschuldigde betaling niet heeft teruggevorderd, rekening houdend met de bepalingen van artikel 106 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963.
  Indien nochtans tegen dit vonnis of arrest door de schuldenaar een rechtsmiddel werd aangewend, begint een nieuwe termijn van twee jaar te lopen vanaf de uitspraak van het vonnis of het arrest betreffende dit rechtsmiddel.
  Wanneer evenwel bij minnelijke schikking of bij vonnis of arrest de terugbetaling van een onverschuldigde betaling gespreid wordt over een periode van meer dan twee jaar, dan is de voorziene sanctie slechts van toepassing na afloop van de aldus vastgestelde periode. Indien het uitkeringen betreft, moeten de voornoemde schikkingen door de Dienst voor uitkeringen zijn goedgekeurd.
  De sanctie wordt niet toegepast wanneer de verzekeringsinstelling (binnen de termijn van drie maanden) na het verstrijken van de termijnen voorzien in de voorgaande alinéa's, er zich bij het Comité van de Dienst voor administratieve controle op beroept dat de nietterugvordering het gevolg is van een toestand van overmacht die als dusdanig erkend wordt door het genoemd Comité;) <KB 1986-05-14/31, art. 9, 9°, 025> <KB 1988-12-14/38, art. 1, 060; Inwerkingtreding : 21-01-1989>
  10° (van 3 000 F, per geval, wanneer de betaling van de aanvullende bijdrage niet is gevorderd binnen de in artikel 207 voorziene termijn of wanneer herhaaldelijk wordt vastgesteld dat de aanvullende bijdrage onvoldoende is;) <KB 1986-05-14/31, art. 9, 10°, 025>
  11° van (1 000) F per bescheid dat moet ondertekend zijn door een adviserend geneesheer erkend door de Dienst voor geneeskundige controle, doch dat ondertekend is door een ander persoon of waarop een naamstempel staat; <KB 1986-05-14/31, art. 9, 11°, 025>
  12°
  (a) van 5 000 F, wanneer ze de in artikel 258 bepaalde inlichtingen niet binnen de gestelde termijn heeft bezorgd;
  b) van 5 000 F, wanneer ze niet de nodige maatregelen neemt teneinde volledige schadeloosstelling of terugbetaling te bekomen van een zorgverstrekker wiens vergissingen of bedrog onrechtmatige betalingen van minstens 6 000 F tot gevolg hadden;) <KB 1986-05-14/31, art. 9, 12°, 025>
  13° ((van 5 000 F, wanneer zij de haar bij artikel 259 opgelegde verplichtingen niet is nagekomen;) <KB 1986-05-14/31, art. 9, 13°, 025>
  Deze straf wordt nochtans niet toegepast wanneer het bedrag van de schade minder bedraagt dan (6 000) F.) <KB 30-09-1976, art. 3, 5°> <KB 17-07-1981, art. 1, 13°>
  (14° (a) van F 5 000 per geval, wanneer zij herhaaldelijk prestaties heeft verleend of ontoereikende bijdragen heeft geïnd, terwijl niet voldaan was aan de vereisten om die prestaties te verlenen of om de vermindering van de bijdragen te genieten;
  b) van F 5 000 per geval, wanneer zij herhaaldelijk prestaties verleend heeft van een hoger bedrag dan het bedrag dat is vastgesteld krachtens de wettelijke of reglementaire bepalingen, terwijl ze met toepassing van het bepaalde in artikel 97, vijfde lid, van voornoemde wet van 9 augustus 1963 ervan is vrijgesteld die ten onrechte betaalde bedragen terug te vorderen;) <KB 1991-03-22/36, art. 1, 089; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  15° van 1 500 F, per geval van aansluiting of inschrijving in een verkeerde hoedanigheid of in een verkeerd stelsel of per geval van verhoogde tegemoetkoming, zonder in het bezit te zijn van de bij de wettelijke en reglementaire bepalingen voorziene rechtvaardigingsstukken of bij aanwezigheid van elk element waaruit blijkt dat de aansluiting, de inschrijving of het hogergenoemd recht niet mocht toegekend of behouden blijven;
  16°
  a) van 5 000 F, per bijdrage die de rechthebbende betaalde en die niet werd geboekt;
  b) van 5 000 F, per bijdrage die de rechthebbende betaalde en die niet werd ingeschreven op de documenten voorzien bij de artikelen 308, 309, 311 en 319, binnen de voorziene termijnen;
  17° van 5 000 F, wanneer ze aan de verplichte verzekering een prestatie aanrekent die zou moeten ten laste genomen worden door een al dan niet betoelaagde dienst, georganiseerd in het kader van de vrije verzekering;
  18° van 5 000 F, per inbreuk op de bepalingen van artikel 262 en per sanctie die niet werd ingeschreven op de in artikel 318 bedoelde verzamelbescheiden.) <KB 1986-05-14/31, art. 9, 14°, 025>
  (19° van F 5 000, in geval van een onverschuldigde betaling, voortvloeiend uit een fout, een vergissing of een nalatigheid van de verzekeringsinstelling bij het gebruik van een systeem van geïnformatiseerde gegevensverwerking.) <KB 1992-03-31/37, art. 1, 098; Inwerkingtreding : 15-05-1992>
  (20° van 5 000 F per bedrag dat ten onrechte werd opgenomen op de lijsten opgesteld voor de toepassing van het koninklijk besluit van 7 oktober 1993 tot vaststelling van het percentage waarmee de administratiekosten van de verzekeringsinstellingen worden vermeerderd in geval van terugvordering van ten onrechte betaalde sommen.) <KB 1996-03-15/34, art. 3, 139; Inwerkingtreding : 07-05-1996>
Art. 254bis. 1° 5 000 F, par document de prescription pharmaceutique qui n'est pas conforme au modèle fixé par la réglementation ou qui ne comporte pas les mentions requises et qui a fait l'objet d'une tarification;
  2° 1 000 F, par prestation dont la tarification n'a pas été effectuée suivant les instructions du Tarif pharmaceutique officiel et les barèmes d'honoraires, tarifs, règlements et conventions nationales entre les pharmaciens et les organismes assureurs en vigueur;
  3° 1 000 F, par document de facturation qui n'a pas été établi ou transmis aux organismes assureurs dans la forme, le délai et les conditions prévus. Cette amende est augmentée de 2 000 F par mois de retard dans l'établissement ou la transmission du document de facturation;
  4° 2 500 F, lorsque l'office de tarification ne met pas les documents de prescription pharmaceutique, aux fins de vérification, à la disposition d'un organisme assureur qui en a fait la demande conformément à la réglementation;
  5° 1 000 F, par document de prescription pharmaceutique qui n'a pas été conservé ou annulé dans la forme, le délai et les conditions prévus;
  6° 5 000 F, lorsque l'office de tarification n'a pas rempli l'une des obligations qui lui sont prescrites par les articles 150 et 163 de la loi coordonnée susvisée;
  7° 5 000 F, lorsque l'office de tarification ne fournit pas à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité les renseignements concernant les abus ou les irrégularités qu'il a lui-même constatés.
Art. 254bis. <INGEVOEGD bij KB 1996-03-15/34, art. 4, 139; Inwerkingtreding : 07-05-1996> Ten laste van de tariferingsdiensten wordt een straf toegepast van :
  1° 5 000 F per geneesmiddelenvoorschrift dat niet conform is aan het door de reglementering vastgesteld model of dat niet de opgelegde vermeldingen bevat en dat het voorwerp van tarifering heeft uitgemaakt;
  2° 1 000 F per prestatie die niet werd getarifeerd volgens de onderrichtingen van het Officieel farmaceutisch tarief en de van kracht zijnde honorariumschalen, tarieven, reglementen en nationale overeenkomsten tussen de apothekers en de verzekeringsinstellingen;
  3° 1 000 F per faktureringsbescheid dat niet werd opgemaakt of overgemaakt aan de verzekeringsinstellingen in de vastgestelde vorm, termijn en voorwaarden. Deze geldboete wordt vermeerderd met 2 000 F voor elke maand vertraging bij het opstellen of het overmaken van het faktureringsbescheid;
  4° 2 500 F indien de tariferingsdienst de geneesmiddelenvoorschriften, met het oog op nazicht, niet ter beschikking stelt van de verzekeringsinstelling die hierom conform met de reglementering heeft gevraagd;
  5° 1 000 F per geneesmiddelenvoorschrift dat niet werd bewaard of ongeldig gemaakt in de vastgestelde vorm, termijn en voorwaarden;
  6° 5 000 F indien de tariferingsdienst één van de verplichtingen opgelegd door de artikelen 150 en 163 van de voornoemde gecoördineerde wet, niet heeft vervuld;
  7° 5 000 F indien de tariferingsdienst nalaat aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering de inlichtingen die betrekking hebben op de misbruiken of onregelmatigheden die hij zelf heeft vastgesteld, te verstrekken.
Art. 255. <AR 1996-03-15/34, art. 5, 139; En vigueur : 07-05-1996> Le Comité du Service du contrôle administratif ne peut prononcer des sanctions à charge des organismes assureurs ou des offices de tarification que si la moitié au moins de ses membres, autres que ceux visés à l'article 21, 4°, sont présents.
  Ses décisions en cette matière sont motivées. Elles sont prises à la majorité des voix des membres participant au vote, les abstentions n'étant pas admises. En cas de partage des voix, la sanction n'est pas prononcée.
  Les décisions portant prononcé de sanctions à charge des organismes assureurs ou des offices de tarification leur sont notifiées dans les 30 jours de ce prononcé par les soins du fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif; cette notification est donnée sous la formalité de la recommandation à la poste.
  L'amende administrative doit être payée dans les trente jours à partir du jour de la notification de la décision.
Art.255. <KB 1996-03-15/34, art. 5, 139; Inwerkingtreding : 07-05-1996> Het Comité van de Dienst voor administratieve controle kan de straffen ten laste van de verzekeringsinstellingen of van de tariferingsdiensten enkel uitspreken indien ten minste de helft van zijn leden, buiten de in artikel 21, 4°, bedoelde, aanwezig zijn.
  Zijn beslissingen ter zake zijn gemotiveerd. Ze worden genomen bij meerderheid van de stemmen der leden die aan de stemming deelnemen; onthoudingen zijn niet toegelaten. Bij staking van stemmen wordt de straf niet uitgesproken.
  Van de beslissingen houdende uitspraak van straffen ten laste van de verzekeringsinstellingen of van de tariferingsdiensten wordt aan deze door toedoen van de ambtenaar onder wiens leiding de Dienst voor administratieve controle staat, kennis gegeven binnen 30 dagen na die uitspraak; deze kennisgeving wordt ter post aangetekend toegestuurd.
  De administratieve geldboete moet betaald worden binnen de dertig dagen te rekenen vanaf de dag van kennisgeving van de beslissing.
Art. 256. <AR 1996-03-15/34, art. 6, 139; En vigueur : 07-05-1996> § 1er En cas de concours de plusieurs des infractions visées à l'article 254 ou à l'article 254bis, les sanctions prévues par ces dispositions sont cumulées.
  Lorsque le même fait constitue plusieurs infractions, la sanction la plus forte est seule appliquée.
  § 2. Si aucune sanction n'a été prononcée au cours des deux années précédentes du chef d'infraction de même nature, le Comité pourra décider qu'il sera sursis à l'exécution de la sanction pendant un délai de deux ans prenant cours le jour du prononcé.
   Si, pendant ce délai, il n'est relevé à charge de l'organisme assureur aucune nouvelle infraction, de la même mutualité, la sanction ne sera pas appliquée; il en sera de même pour l'office de tarification à charge duquel aucune nouvelle infraction n'est relevée pendant ce délai. Dans le cas contraire, les diverses sanctions seront cumulées.
Art.256. § 1. In geval van samenloop van verscheidene der in artikel 254 of artikel 254bis bedoelde overtredingen, worden de daarin bepaalde straffen samengevoegd.
Section 2. _ (De la diminution des montants mentionnés aux documents de dépenses)
Afdeling 2. _ (Vermindering van de op de uitgavenbescheiden vermelde bedragen.)
Art.257. En vue de l'application de l'article 97 de la loi du 9 août 1963 susvisée, l'Institut national d'assurance maladie-invalidité informe les organismes assureurs, dans les quinze jours, lorsqu'il a déposé plainte en justice ou transmis un dossier au Procureur du Roi concernant des erreurs ou des fraudes commises par un dispensateur de soins.
Art. 256bis. Indien de uitgaven vermeld op de in artikel 322bis bedoelde tabel minder bedragen dan de overeenkomstige uitgaven vermeld op het in artikel 313 bedoelde uitgavenbescheid, wordt bovendien het verschil in mindering gebracht van het bedrag dat voorkomt op het uitgavenbescheid. De hiervoor noodzakelijk zijnde vergelijking wordt uitgevoerd voor het geheel van alle disciplines samen waarvoor de in artikel 322bis bedoelde staat wordt opgesteld. Ze wordt slechts uitgevoerd vanaf het tweede volledig jaar waarvoor de in artikel 322bis bedoelde staat wordt opgesteld, en voor het eerst bij de afsluiting van de rekeningen met betrekking tot 1986.
Art.258. L'organisme assureur informe l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, Service du contrôle administratif, de toute créance née dans son chef à l'égard d'un dispensateur de soins dont les erreurs ou les fraudes ont entraîné des paiements indus d'un montant total au moins égal à F 6 000.
HOOFDSTUK XIII. _ (Terugvordering van de ten onrechte betaalde prestaties.)
Art. 257. En vue de l'application de l'article 97 de la loi du 9 août 1963 susvisée, l'Institut national d'assurance maladie-invalidité informe les organismes assureurs, dans les quinze jours, lorsqu'il a déposé plainte en justice ou transmis un dossier au Procureur du Roi concernant des erreurs ou des fraudes commises par un dispensateur de soins.
Art.257. <KB 30-09-1976, art. 4> Met het oog op de toepassing van artikel 97 van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, verwittigt het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering de verzekeringsinstellingen, binnen de vijftien dagen als het klacht heeft ingediend bij het gerecht of een dossier aan de procureur des Konings heeft gezonden in verband met vergissingen of bedrog vanwege een verzorgingsverstrekker.
  Daartoe deelt het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering de volgende gegevens mee : identiteit van de verstrekker, aard van de vergissingen die werden of van het bedrog dat werd vastgesteld, benevens het tijdvak waarop de vaststellingen slaan. Zodra het daarover is ingelicht, deelt het mede het gevolg dat de Procureur des Konings aan de zaak heeft gegeven en, in voorkomend geval, een afschrift van het strafdossier en de datum waarop de zaak zal voorkomen.
Art. 258. <AR 1994-08-24/35, art. 1, 122; En vigueur : 08-10-1994> L'organisme assureur informe l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, Service du contrôle administratif, de toute créance née dans son chef à l'égard d'un dispensateur de soins dont les erreurs ou les fraudes ont entraîné des paiements indus d'un montant total au moins égal à F 6 000.
  Cette information comporte l'identification complète du dispensateur, la nature et le détail des erreurs ou des fraudes constatées, le montant de la créance, la période sur laquelle portent les constatations et le fait qu'il y a eu ou non plainte en justice ou transmission du dossier à l'auditeur du travail ou au procureur du Roi.
  L'information au Service du contrôle administratif est donnée dans le mois qui suit l'inscription du montant des prestations indues au compte spécial conformément à l'article 260. L'organisme assureur communique également le montant total récupéré dans les deux mois qui suivent la date du dernier remboursement.
  Par dérogation aux alinéas précédents, si le remboursement intervient à la suite de renseignements fournis par le Service du contrôle administratif, l'organisme assureur l'informe uniquement du montant total récupéré auprès du dispensateur de soins, dans les deux mois qui suivent la date du dernier remboursement.
Art.258. <KB 1994-08-24/35, art. 1, 122; Inwerkingtreding : 08-10-1994> De verzekeringsinstelling moet het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, Dienst voor administratieve controle, in kennis stellen van elke schuldvordering ontstaan uit haar hoofde ten opzichte van een zorgverstrekker wiens vergissingen of bedrog aanleiding hebben gegeven tot onrechtmatige betalingen waarvan het totaal minstens F 6 000 bedraagt.
  Die kennisgeving omvat : volledige identificering van de verstrekker, aard en de gedetailleerde opgave van de vergissingen die werden of van het bedrog dat werd vastgesteld, het bedrag van de vordering, het tijdvak waarop de vaststellingen slaan, of er al dan niet klacht werd ingediend bij het gerecht dan wel of het dossier aan de arbeidsauditeur of aan de procureur des Konings is gezonden.
  De Dienst voor administratieve controle moet die kennisgeving ontvangen binnen de maand die volgt op de inschrijving van het bedrag van de onverschuldigde prestaties op de bijzondere rekening, overeenkomstig artikel 260. De verzekeringsinstelling deelt eveneens het totaal teruggevorderd bedrag mee binnen de twee maanden die volgen op de datum van de laatste terugbetaling.
  In afwijking van voorgaande leden deelt, ingeval de terugbetaling verkregen is ten gevolge van inlichtingen die door de Dienst voor administratieve controle zijn verstrekt, de verzekeringsinstelling binnen de twee maanden die volgen op de datum van de laatste terugbetaling enkel het bij de zorgverstrekker totaal teruggevorderd bedrag mee.
Art.261. <AR 30-09-1976, art. 4> La récupération des prestations payées indûment est effectuée par l'organisme assureur dans un délai de deux ans à partir de la date :
  a) de la constatation pour les cas visés à l'article 260 a;
  b) de la notification du Service du contrôle administratif pour les cas visés à l'article 260, b;
  c) du prononcé de la décision définitive pour les cas visés à l'article 260 c et d.
  Les délais fixés ci-dessus peuvent toutefois être prolongés lorsqu'il est établi que le remboursement s'étendra sur une période plus longue, soit par une décision judiciaire définitive, soit par un accord entre l'organisme assureur et le débiteur.
  Cet accord doit être approuvé par le Service des indemnités lorsqu'il s'agit d'indemnités payées indûment. Dans ces cas, le délai expire à la fin de la période fixée.
  (Toutefois, lorsque le montant total des prestations payées indûment est inférieur à 400 F, l'organisme assureur est dispensé de récupérer ce montant.) <AR 1991-03-22/36, art. 2, 089; 01-01-1991>
Art.259. <KB 30-09-1976, art. 4> Wanneer een verzorgingsverstrekker gerechtelijk veroordeeld is wegens bedrog inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering, moet de benadeelde verzekeringsinstelling binnen zes maanden, te rekenen vanaf de datum waarop ze van het vonnis kennis heeft gekregen, alle ter harer beschikking staande middelen, rechtsmiddelen inbegrepen, aanwenden om schadeloos te worden gesteld.
Art. 260. <AR 30-09-1976, art. 4> L'organisme assureur inscrit le montant des prestations payées indûment dans un compte spécial :
  a) (avant la fin du trimestre qui suit celui au cours duquel l'organisme assureur a lui-même constaté le paiement indu;) <AR 1993-04-27/33, art. 2, 111; En vigueur : 15-06-1993>
  b) dans les deux mois qui suivent la notification de la constatation par le Service du contrôle administratif lorsque cette constatation n'est pas contestée par l'organisme assureur devant le tribunal du travail;
  c) dès qu'il a connaissance de la décision judiciaire définitive prononcée suite à la contestation par l'organisme assureur de la constatation d'un paiement indu par le Service du contrôle administratif;
  d) dès qu'il a connaissance de la décision judiciaire définitive par laquelle un remboursement ou dédommagement définitif ou à titre provisionnel lui est accordé.
Art.260. <KB 30-09-1976, art. 4> De verzekeringsinstelling boekt het bedrag der ten onrechte betaalde prestaties op een bijzondere rekening :
  a) (vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarin de verzekeringsinstelling zelf de onverschuldigde betaling heeft vastgesteld;) <KB 1993-04-27/33, art. 2, 111; Inwerkingtreding : 15-06-1993>
  b) binnen de twee maanden die volgen op de kennisgeving van de vaststelling door de Dienst voor administratieve controle, indien deze vaststelling niet door de verzekeringsinstelling voor de Arbeidsrechtbank betwist wordt;
  c) zodra zij kennis heeft van de gerechtelijke eindbeslissing die gewezen is ingevolge het betwisten, door de verzekeringsinstelling, van de vaststelling van een onregelmatige betaling door de Dienst voor administratieve controle;
  d) zodra ze kennis heeft van de gewezen gerechtelijke eindbeslissing waarbij ze een definitieve of voorlopige terugbetaling of schadeloosstelling toegewezen krijgt.
Art. 261. <AR 30-09-1976, art. 4> La récupération des prestations payées indûment est effectuée par l'organisme assureur dans un délai de deux ans à partir de la date :
  a) de la constatation pour les cas visés à l'article 260 a;
  b) de la notification du Service du contrôle administratif pour les cas visés à l'article 260, b;
  c) du prononcé de la décision définitive pour les cas visés à l'article 260 c et d.
  Les délais fixés ci-dessus peuvent toutefois être prolongés lorsqu'il est établi que le remboursement s'étendra sur une période plus longue, soit par une décision judiciaire définitive, soit par un accord entre l'organisme assureur et le débiteur.
  Cet accord doit être approuvé par le Service des indemnités lorsqu'il s'agit d'indemnités payées indûment. Dans ces cas, le délai expire à la fin de la période fixée.
  (Toutefois, lorsque le montant total des prestations payées indûment est inférieur à 400 F, l'organisme assureur est dispensé de récupérer ce montant.) <AR 1991-03-22/36, art. 2, 089; 01-01-1991>
Art.261. <KB 30-09-1976, art. 4> De terugvordering van de ten onrechte betaalde prestaties wordt door de verzekeringsinstelling gedaan binnen een termijn van twee jaar, met ingang van de datum van :
  a) de vaststelling voor de gevallen bedoeld in artikel 260 a);
  b) de kennisgeving door de Dienst voor administratieve controle voor de gevallen bedoeld in artikel 260, b);
  c) de uitspraak van de eindbeslissing voor de gevallen bedoeld in artikel 260 c) en d).
  De hiervoren vastgestelde termijnen mogen evenwel verlengd worden wanneer bepaald is dat de terugbetaling over een langere periode zal lopen, hetzij bij een gerechtelijke eindbeslissing, hetzij bij een akkoord tussen de verzekeringsinstelling en de schuldenaar.
  Dat akkoord dient door de Dienst voor uitkeringen goedgekeurd te zijn wanneer het ten onrechte uitbetaalde uitkeringen betreft. In die gevallen verstrijkt de termijn na verloop van de aldus vastgestelde periode.
  (Indien het totaal van de ten onrechte betaalde prestaties minder dan F 400 bedraagt, is de verzekeringsinstelling van de terugvordering ervan vrijgesteld.) <KB 1991-03-22/36, art. 2, 089; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
Art. 262. <AR 30-09-1976, art. 4> A l'expiration des délais fixés à l'article 261, les montants des prestations payées indûment non encore récupérés sont amortis par leur inscription en frais d'administration.
  Toutefois, l'organisme assureur est dispensé de l'inscription en frais d'administration des montants non encore récupérés lorsque les trois conditions suivantes sont réunies :
  a) le paiement ne résulte pas d'une faute, d'une erreur ou d'une négligence de l'organisme assureur;
  b) l'organisme assureur en a poursuivi la récupération par tous les moyens dont il dispose, y compris la voie judiciaire;
  c) la non-récupération desdits montants est considérée comme justifiée par le fonctionnaire-dirigeant du Service du contrôle administratif.
Art.262. <KB 30-09-1976, art. 4> Bij afloop van de termijnen bepaald in artikel 261, dienen de ten onrechte betaalde prestaties, die nog niet teruggevorderd zijn, afgeschreven te worden door ze te boeken als administratiekosten.
  Nochtans is de verzekeringsinstelling ontslagen van de boeking als administratiekosten van de nog niet teruggevorderde bedragen, indien de volgende drie voorwaarden vervuld zijn :
  a) de betaling vloeit niet voort uit een fout, een vergissing of een nalatigheid van de verzekeringsinstelling;
  b) de verzekeringsinstelling heeft alle te harer beschikking staande middelen, rechtsmiddelen inbegrepen, aangewend om de terugbetaling te vorderen;
  c) de niet terugvordering van bedoelde bedragen wordt als gewettigd beschouwd door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle.
Art. 262ter. § 1. La décision du fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif est notifiée au bénéficiaire par lettre recommandée à la poste.
  La décision est également notifiée à l'organisme assureur.
  § 2. La décision du fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif, qui rejette l'existence de la force majeure, est motivée.
  La notification au bénéficiaire mentionne qu'appel peut être interjeté contre la décision auprès du tribunal du travail, ainsi que les formes dans lesquelles et les délais endéans lesquels l'appel doit être interjeté.
HOOFDSTUK XIIIbis. (Schorsing, wegens overmacht, van de verjaring van de vorderingen tot betaling van prestaties.)
Art. 262bis. Le fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité statue, pour chaque cas individuel où elle est convoquée, sur l'existence de la force majeure, qui suspend la prescription en vertu de l'article 106, § 1er, alinéa 5, de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité.
Art. 262bis. <INGEVOEGD bij KB 1991-07-12/32, art. 1, 094; Inwerkingtreding : 24-08-1991> De leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering oordeelt, voor elk geval afzonderlijk waarin die wordt ingeroepen, over het bestaan van de overmacht, die krachtens artikel 106, § 1, vijfde lid, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering de verjaring schorst.
Art. 262ter. § 1. La décision du fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif est notifiée au bénéficiaire par lettre recommandée à la poste.
  La décision est également notifiée à l'organisme assureur.
  § 2. La décision du fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif, qui rejette l'existence de la force majeure, est motivée.
  La notification au bénéficiaire mentionne qu'appel peut être interjeté contre la décision auprès du tribunal du travail, ainsi que les formes dans lesquelles et les délais endéans lesquels l'appel doit être interjeté.
Art. 262ter. <INGEVOEGD bij KB 1991-07-12/32, art. 1, 094; Inwerkingtreding : 24-08-1991> § 1. De beslissing van de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle wordt, bij een ter post aangetekende brief, ter kennis gebracht van de rechthebbende.
  De beslissing wordt eveneens meegedeeld aan de verzekeringsinstelling.
  § 2. De beslissing van de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle, die het bestaan van de overmacht afwijst, wordt met redenen omkleed.
  De kennisgeving aan de rechthebbende vermeldt dat tegen de beslissing beroep kan worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank, alsmede de vormen waarin en de termijnen waarbinnen het beroep dient te worden ingesteld.
Art.265. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.263. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.266. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.264. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.267. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.265. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.268. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.266. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.269. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.267. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.270. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.268. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.271. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.269. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.272. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.270. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.273. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.271. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.274. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.272. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.275. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.273. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.276. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.274. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.277. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.275. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.278. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.276. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.279. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.277. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.280. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.278. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.281. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.279. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.282. (abroge) <AR 10-10-1967>
Art.280. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.283. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.281. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.284. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.282. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.285. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.283. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.286. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.284. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.287. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.285. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.288. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.286. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.289. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.287. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.290. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.288. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.291. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.289. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.292. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.290. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.293. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.291. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.294. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.292. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.295. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.293. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.296. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.294. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.297. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.295. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.298. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.296. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.299. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.297. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.300. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.298. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.301. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.299. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.302. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.300. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.303. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.301. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.304. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.302. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.305. (abrogé) <AR 10-10-1967>
Art.303. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Art.306.
Art.304. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
CHAPITRE XIV. _ Des dispositions financières et statistiques.
Art.305. (opgeheven) <KB 10-10-1967>
Section 1ère. _ Des documents de recettes.
Art.306.
Art.307. Les organismes assureurs adressent à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, dans les formes et délais prescrits par le Conseil général de cet Institut, les documents de cotisation (visés à l'article 194, § 1er, 1 a 6).
HOOFDSTUK XIV. _ Financiële en statistische bepalingen.
Art.308. Les organismes assureurs sont tenus d'établir annuellement les listes nominatives de leurs bénéficiaires affiliés ou inscrits au 30 juin, en ventilant les cotisants des non-cotisants. Des mises à jour sont établies pour chaque trimestre.
Eerste afdeling. _ Ontvangstbescheiden.
Art.309. (Les organismes assureurs sont tenus d'établir trimestriellement les listes nominatives des titulaires et des ascendants qui ont payé une cotisation personnelle en application des articles 206, 213 bis, 213 ter et 219.)
Art.307. De verzekeringsinstellingen zenden het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering de (in artikel 194, § 1, 1 tot en met 6) bedoelde bijdragebescheiden in de door de Algemene Raad van dat Instituut voorgeschreven vormen en termijnen. <KB 1989-04-26/31, art. 46, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
Art. 308. <AR 1986-05-14/31, art. 11, 025> Les organismes assureurs sont tenus d'établir annuellement les listes nominatives de leurs bénéficiaires affiliés ou inscrits au 30 juin, en ventilant les cotisants des non-cotisants. Des mises à jour sont établies pour chaque trimestre.
  Les listes visées à l'alinéa 1er sont conformes aux modèles fixés par le Comité du service du contrôle administratif de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité et transmises à ce service dans les trois mois suivant la fin de la période à laquelle elles se rapportent.
Art.308. <KB 1986-05-14/31, art. 11, 025> De verzekeringsinstellingen zijn ertoe gehouden jaarlijks de naamlijsten op te stellen van de bij hen per 30 juni, aangesloten of ingeschreven rechthebbenden, met onderscheid tussen de bijdrageplichtigen en de niet-bijdrageplichtigen. Voor elk kwartaal worden bijwerkingen opgesteld.
  De in het eerste lid bedoelde lijsten stroken met de modellen die door het Comité van de dienst voor administratieve controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering zijn vastgesteld en worden binnen drie maanden na het einde van de periode waarop zij betrekking hebben overgezonden aan deze dienst.
Art. 309. <AR 1986-05-14/31, art. 12, 025> (Les organismes assureurs sont tenus d'établir trimestriellement les listes nominatives des titulaires et des ascendants qui ont payé une cotisation personnelle en application des articles 206, 213 bis, 213 ter et 219.) <AR 1989-04-26/31, art. 47, 063; En vigueur : 01-01-1989>
  Les listes visées à l'alinéa 1er sont conformes aux modèles fixés par le Comité du service du contrôle administratif de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité et transmises à ce service dans les trois mois suivant la fin du trimestre auquel elles se rapportent.
Art.309. <KB 1986-05-14/31, art. 12, 025> (De verzekeringsinstellingen zijn ertoe gehouden driemaandelijks de naamlijsten van de gerechtigden en de ascendenten op te stellen die een persoonlijke bijdrage hebben betaald in toepassing van de artikelen 206, 213 bis, 213 ter en 219.) <KB 1989-04-26/31, art. 47, 063; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  De in het eerste lid bedoelde lijsten stroken met de modellen vastgesteld door het Comité van de dienst voor administratieve controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en worden overgezonden aan deze dienst binnen de drie maanden volgend op de periode waarop zij betrekking hebben.
Art. 310. (abrogé) <AR 1986-05-14/31, art. 13, 025>
Art.310. (opgeheven) <KB 1986-05-14/31, art. 13, 025>
Art.312. <AR 1992-08-19/47, art. 1, 103; En vigueur : 01-07-1992> Afin de permettre aux services de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité de clôturer les comptes de l'assurance-maladie-invalidité, les organismes assureurs sont tenus, conformément aux modalités reprises dans la présente section, d'établir, d'une part, des documents mensuels comprenant toutes les dépenses comptabilisées au cours du mois concerné, visées au Titre III, chapitre 3, de la loi du 9 août 1963 susvisée et d'autre part, des documents trimestriels comprenant toutes les dépenses comptabilisées au cours du trimestre concerné, visées au Titre IV, chapitre 3, de la même loi. Ces documents de dépenses sont respectivement cumulatifs pour les mois et les trimestres d'un même exercice, à l'exception des documents visés aux articles 316 et 317.
  Ils sont établis, tant au niveau de l'organisme assureur qu'au niveau de chaque fédération ou de chaque office régional, conformément aux modèles fixés par le Comité de gestion du Service des soins de santé ou par le Comité de gestion du Service des indemnités, selon qu'il s'agit respectivement de dépenses visées au Titre III, chapitre 3 ou au Titre IV, chapitre 3, de la loi du 9 août 1963 susvisée.
  Les documents de dépenses établis par les organismes assureurs le sont sur base de la synthèse des documents de dépenses des fédérations ou offices régionaux, ces derniers documents ayant préalablement fait l'objet d'un contrôle et d'une tarification au niveau de l'organisme assureur.
  Les documents de dépenses établis au niveau des fédérations ou des offices régionaux sont transmis en double exemplaire par les organismes assureurs à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité dans les trois mois qui suivent le trimestre auquel ils se rapportent.
  Les documents de dépenses établis au niveau des organismes assureurs sont transmis en double exemplaire par les organismes assureurs à l'Institut national d'assurance maladie invalidité dans les trois mois qui suivent respectivement la fin du mois auquel ils se rapportent.
Art.311. <KB 1986-05-14/31, art. 14, 025> De verzekeringsinstellingen zijn ertoe gehouden jaarlijks de bescheiden op te stellen waarin de ontvangsten uit de door de rechthebbenden gestorte bijdragen en de gerechtelijke interesten, zijn opgenomen.
  Deze bescheiden stroken met de door de Algemene Raad van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering opgemaakte modellen en worden aan de Dienst voor administratieve controle overgemaakt binnen de drie maanden volgend op het einde van het jaar waarop zij betrekking hebben.
Art. 312bis. <AR 1986-05-14/31, art. 16, 025> Afin de permettre au Service du contrôle administratif de comparer les documents de dépenses avec la comptabilité des mutualités, des offices régionaux ou des organismes assureurs, des documents récapitulatifs séparés sont, pour chaque catégorie de dépenses visée à l'article 312, alinéa 1er, établis trimestriellement au niveau de chaque point de contrôle au sens de l'article 96, alinéa 4, de la loi du 9 août 1963 susvisée. Ils sont transmis au Service du contrôle administratif dans les délais visés à l'article 312, alinéa 4.
  Ils sont établis conformément au modèle fixé par le Comité du service du contrôle administratif et comprennent au moins les ventilations suivantes :
  1° le montant inscrit dans la comptabilité pendant le trimestre concerné des prestations payées au comptant et des factures vérifiées et tarifiées pendant le trimestre concerné;
  2° le montant des opérations mentionnées au 1° qui à la suite du contrôle de validité visé à l'article 312 n'ont pas été retenues pour l'inscription aux documents de dépenses;
  3° le montant de toutes les opérations mentionnées au 2° pendant le trimestre concerné ou un trimestre précédent, qui après régularisation ont été inscrites sur les documents de dépenses du trimestre concerné;
  4° le montant des dépenses reprises aux documents de dépenses visés à l'article 312 pendant le trimestre concerné ou les trimestres précédents, qui ont été rejetées pendant le trimestre concerné.
Afdeling 2. _ Uitgavenbescheiden.
Art.313. Les relevés relatifs aux soins de santé dont le modèle est établi par le Comité de gestion du Service des soins de santé, comportent au moins les renseignements ci-après :
Art.312. <KB 1992-08-19/47, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 01-07-1992> Ten einde de diensten van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering toe te laten de rekeningen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering af te sluiten, zijn de verzekeringsinstellingen verplicht, overeenkomstig de in deze afdeling vermelde modaliteiten, enerzijds maandelijkse bescheiden op te maken die alle tijdens de betrokken maand geboekte uitgaven bedoeld in titel III, hoofdstuk 3 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 omvatten en anderzijds trimestriële bescheiden op te maken die alle tijdens het betrokken trimester geboekte uitgaven bedoeld in titel IV, hoofdstuk 3 van dezelfde wet omvatten. Deze uitgavenbescheiden zijn cumulatief door de maanden, respectievelijk de trimesters, van eenzelfde dienstjaar, met uitzondering van de bescheiden bedoeld in de artikelen 316 en 317.
  Zij worden zowel op het niveau van de verzekeringsinstelling als op het niveau van elk verbond of elke gewestelijke dienst opgemaakt, overeenkomstig de modellen die worden vastgesteld door het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging of het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, naargelang het respectievelijk uitgaven bedoeld in Titel III, hoofdstuk 3 of in Titel IV, hoofdstuk 3 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 betreft.
  De door de verzekeringsinstellingen opgemaakte uitgavenbescheiden worden opgesteld aan de hand van de verzamelde uitgavenbescheiden van de verbonden of gewestelijke diensten, die voorafgaandelijk het voorwerp moeten hebben uitgemaakt van controle en tarificatie op het niveau van de verzekeringsinstelling.
  De op het niveau van de verbonden of gewestelijke diensten opgemaakte uitgavenbescheiden worden door de verzekeringsinstellingen in tweevoud overgemaakt aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering binnen drie maanden na het einde van het trimester waarop ze betrekking hebben.
  De op het niveau van de verzekeringsinstellingen opgemaakte uitgavenbescheiden worden door de verzekeringsinstellingen in tweevoud overgemaakt aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, binnen drie maanden na het einde van de maand, waarop ze betrekking hebben.
Art. 312bis. <AR 1986-05-14/31, art. 16, 025> Afin de permettre au Service du contrôle administratif de comparer les documents de dépenses avec la comptabilité des mutualités, des offices régionaux ou des organismes assureurs, des documents récapitulatifs séparés sont, pour chaque catégorie de dépenses visée à l'article 312, alinéa 1er, établis trimestriellement au niveau de chaque point de contrôle au sens de l'article 96, alinéa 4, de la loi du 9 août 1963 susvisée. Ils sont transmis au Service du contrôle administratif dans les délais visés à l'article 312, alinéa 4.
  Ils sont établis conformément au modèle fixé par le Comité du service du contrôle administratif et comprennent au moins les ventilations suivantes :
  1° le montant inscrit dans la comptabilité pendant le trimestre concerné des prestations payées au comptant et des factures vérifiées et tarifiées pendant le trimestre concerné;
  2° le montant des opérations mentionnées au 1° qui à la suite du contrôle de validité visé à l'article 312 n'ont pas été retenues pour l'inscription aux documents de dépenses;
  3° le montant de toutes les opérations mentionnées au 2° pendant le trimestre concerné ou un trimestre précédent, qui après régularisation ont été inscrites sur les documents de dépenses du trimestre concerné;
  4° le montant des dépenses reprises aux documents de dépenses visés à l'article 312 pendant le trimestre concerné ou les trimestres précédents, qui ont été rejetées pendant le trimestre concerné.
Art. 312bis. <KB 1986-05-14/31, art. 16, 025> Teneinde de Dienst voor administratieve controle toe te laten de uitgavenbescheiden te vergelijken met de boekhouding van de ziekenfondsen, de gewestelijke diensten of de verzekeringsinstellingen worden voor elk van de categorieën van uitgaven bedoeld in artikel 312, eerste lid, trimestrieel afzonderlijk verzamelbescheiden opgemaakt op het niveau van elk controlepunt als bedoeld in artikel 96, vierde lid van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963. Zij worden overgemaakt aan de Dienst voor administratieve controle binnen de termijnen bedoeld in artikel 312, vierde lid.
  Zij worden opgemaakt overeenkomstig een model dat wordt vastgesteld door het Comité van de dienst voor administratieve controle en omvatten tenminste volgende uitsplitsingen :
  1° het tijdens het betrokken trimester in de boekhouding ingeschreven bedrag van contant betaalde prestaties en van tijdens het betrokken trimester nageziene en getarifieerde facturen;
  2° het bedrag van de onder 1° vermelde operaties die ingevolge de validiteitscontrole bedoeld in artikel 312 niet werden weerhouden voor inschrijving op de uitgavenbescheiden;
  3° het bedrag van alle tijdens het betrokken of een voorgaand trimester onder 2° vermelde operaties die na regularisatie op de uitgavenbescheiden van het betrokken trimester worden ingeschreven;
  4° het bedrag van de tijdens het betrokken trimester of voorgaande trimesters op de in artikel 312 bedoelde uitgavenbescheiden opgenomen uitgaven, die tijdens het betrokken trimester worden afgevoerd.
Art. 313. Les relevés relatifs aux soins de santé dont le modèle est établi par le Comité de gestion du Service des soins de santé, comportent au moins les renseignements ci-après :
  - le montant des dépenses,
  - (le nombre de prestations
  - le nombre de jours en cas d'hospitalisation dans un établissement visé aux articles 19 et 23, 6°, 7°, 10°, 12° et 13° de la loi du 9 août 1963 susvisée.
  Ces données doivent tenir compte des ventilations suivantes) : <AR 1986-05-14/31, art. 17, 1°, 025>
  a)
  1. à l'exclusion des bénéficiaires visés sous 2, les titulaires visés à l'article 21, 1° à 6° de la loi du 9 août 1963 susvisée, et les personnes à leur charge répartis selon l'état social du titulaire, ainsi que les bénéficiaires vises à l'article 21, 11°, 12° et 13° de la loi du 9 août 1963 susvisée;
  2. les titulaires en état (...) d'invalidité et les personnes à leur charge, (...) <AR 21-5-1965, art. 2>
  3. les titulaires visés à l'article (21, alinéa 1er, 7°, 8° et 8°bis), de la loi du 9 août 1963 susvisée, et les personnes à leur charge, (...) <AR 3-9-1971, art. 29> <AR 21-5-1965, art. 2>
  4. les titulaires visés à l'article 21, 9° de la loi du 9 août 1963 susvisée, et (les personnes à leur charge, ainsi que les titulaires visés à l'article 21,13°, de la même loi du 9 août 1963.) <AR 1986-05-14/31, art. 17, 2°, 025>
  (En outre, les relevés relatifs aux groupes visés sous 2, 3 et 4 doivent être établis séparément selon que leurs revenus, tels qu'ils ont été fixés par le Roi, dépassent ou non le montant annuel détermine par Lui.) <AR 1986-05-14/31, art. 17, 3°, 025>
  b) les groupes de prestations prévues à l'article 23 de la loi du 9 août 1963 susvisée et, dans ces groupes, une distribution suivant les principaux types de prestations ou les principales catégories des tarifs de remboursement, tels qu'ils sont définis par le Comité de gestion du Service des soins de santé.
  (c) une ventilation selon que la prestation a été effectuée dans le courant de l'exercice en cours ou dans le courant d'un exercice précédent.) <AR 1986-05-14/31, art. 17, 4°, 025>
  (Les dispositions du présent article ne sont pas applicables aux dépenses résultant de la refacturation du prix de la journée d'entretien effectuée dans le cadre de l'article 9 de la loi du 23 décembre 1963 sur les hôpitaux.) <AR 13-01-1976, art. 1>
Art.313. De staten betreffende de geneeskundige verzorging waarvan het model wordt opgemaakt door het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging, bevatten ten minste volgende inlichtingen :
  het bedrag van de uitgaven,
  (het aantal verstrekkingen,
  het aantal dagen ziekenhuisverpleging in een inrichting bedoeld in de artikelen 19 en 23, 6°, 7°, 10°, 12° en 13° van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963.
  Deze gegevens moeten rekening houden met de volgende schiftingen:) <KB 1986-05-14/31, art. 17, 1°, 025>
  a)
  1. met uitsluiting van de onder 2 bedoelde rechthebbenden, de in artikel 21, 1°, tot en met 6°, van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde gerechtigden en de personen te hunnen laste, ingedeeld naar de stand van de gerechtigde, alsmede de in artikel 21, 11°, 12° en 13° van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde rechthebbenden;
  2. de gerechtigden in staat (...) van invaliditeit en de personen te hunnen laste, (...) <KB 21-05-1965, art. 2> <KB 3-09-1971, art. 29>
  3. de in artikel (21, eerste lid, 7°, 8° en 8°bis), van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde gerechtigden en de personen te hunnen laste, (...); <KB 03-09-1971, art. 29> <KB 21-05-1965, art. 2>
  4. de in artikel 21, 9° van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bedoelde gerechtigden en (de personen te hunnen laste, evenals de gerechtigden bedoeld in artikel 21, 13° van dezelfde wet van 9 augustus 1963.) <KB 1986-05-14/31, art. 17, 2°, 025>
  (De staten betreffende de onder 2, 3 en 4 bedoelde groepen, dienen daarenboven afzonderlijk te worden opgesteld naargelang hun inkomens zoals ze door de Koning zijn vastgesteld, al of niet meer bedragen dan het door Hem bepaalde jaarbedrag.) <KB 1986-05-14/31, art. 17, 3°, 025>
  b) de groepen van de in artikel 23 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963 bepaalde verstrekkingen en, in die groepen, een indeling volgens de voornaamste soorten van verstrekkingen of de voornaamste klassen van vergoedingstarieven, die zijn omschreven door het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging.
  (c) een schifting naargelang de verstrekking in het lopend boekjaar werd verricht, dan wel in een vorig boekjaar.) <KB 1986-05-14/31, art. 17, 4°, 025>
  (De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de uitgaven ingevolge herfacturering van de ligdagprijs, doorgevoerd in het raam van artikel 9 van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen.) <KB 13-01-1976, art. 1>.
Art.316. <AR 1990-01-10/31, art. 6, 073; En vigueur : 10-01-1990> Le Comité de gestion du Service des indemnités établit les modèles :
  1° des relevés nominatifs trimestriels relatifs à l'invalidité,
  2° des relevés nominatifs trimestriels relatifs à l'assurance maternité pour les titulaires en invalidité.
  Ces relevés comportent au moins les renseignements suivants :
  - l'identification du titulaire et notamment son indice statistique ainsi que le numéro qui lui est attribué par le Service des indemnités;
  - le montant payé;
  - le nombre de jours indemnisés.
Art.314. (opgeheven) <KB 1986-05-14/31, art. 18, 025>
Art. 315. <AR 1990-01-10/31, art. 5, 073; En vigueur : 10-01-1990> Le Comité de gestion du Service des indemnités établit les modèles :
  1° des relevés relatifs à l'incapacité primaire;
  2° des relevés relatifs à l'assurance maternité où les titulaires en invalidité ne sont pas prises en compte.
  Ces relevés comportent au moins les renseignements suivants :
  - le montant des dépenses;
  - le nombre de journées indemnisées,
  en observant la ventilation selon l'état social des titulaires.
Art.315. <KB 1990-01-10/31, art. 5, 073; Inwerkingtreding : 10-01-1990> Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen stelt het model vast :
  1° van de staten betreffende de primaire ongeschiktheid;
  2° van de staten betreffende de moederschapsverzekering waarin invalide gerechtigden niet in aanmerking genomen worden.
  Deze staten bevatten ten minste de volgende inlichtingen :
  - het bedrag van de uitgaven;
  - het aantal uitkeringsdagen,
  met inachtneming van de schifting naar de stand van de gerechtigden.
Art. 316. <AR 1990-01-10/31, art. 6, 073; En vigueur : 10-01-1990> Le Comité de gestion du Service des indemnités établit les modèles :
  1° des relevés nominatifs trimestriels relatifs à l'invalidité,
  2° des relevés nominatifs trimestriels relatifs à l'assurance maternité pour les titulaires en invalidité.
  Ces relevés comportent au moins les renseignements suivants :
  - l'identification du titulaire et notamment son indice statistique ainsi que le numéro qui lui est attribué par le Service des indemnités;
  - le montant payé;
  - le nombre de jours indemnisés.
Art.316. <KB 1990-01-10/31, art. 6, 073; Inwerkingtreding : 10-01-1990>
  Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen stelt het model vast :
  1° van de kwartaalstaten op naam betreffende de invaliditeit,
  2° van de kwartaalstaten op naam betreffende de moederschapsverzekering voor invalide gerechtigden.
  Deze staten bevatten ten minste de volgende inlichtingen :
  - identificering van de gerechtigde, inzonderheid zijn statistische aanwijzer, alsmede het nummer dat hem door de Dienst voor uitkeringen is toegewezen;
  - het betaalde bedrag;
  - het aantal uitkeringsdagen.
Art.318. <AR 1986-05-14/31, art. 19, 025> Les organismes assureurs sont tenus d'établir annuellement des documents récapitulatifs de toutes les dépenses visées à l'article 124 de la loi du 9 août 1963 susvisée, comptabilisées pendant l'exercice concerné.
  Ces documents récapitulatifs sont établis au niveau de l'organisme assureur, conformément à un modèle fixé par le Conseil général et comportent au moins les renseignements concernant les frais de personnel, les frais d'infrastructure, les frais de bureau, les amortissements, les paiements indus et les sanctions.
  Ces documents récapitulatifs sont transmis par les organismes assureurs, en double exemplaire, à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité dans les quatre mois suivant la fin de l'exercice auquel ils se rapportent.
Art.317. Voor de uitgaven in verband met het betalen van de uitkeringen voor begrafeniskosten worden kwartaalstaten op naam opgemaakt waarvan het model wordt vastgelegd door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.
Art.319. Les organismes assureurs sont tenus d'établir annuellement des documents récapitulatifs globaux de toutes les recettes et dépenses comptabilisées au cours de l'exercice considéré, se rapportant à la gestion du régime de l'assurance maladie-invalidité obligatoire, ainsi qu'un document récapitulatif se rapportant à la situation active et passive.
Afdeling 2bis. _ (Verzamelbescheiden en financiële bescheiden)
Art. 319bis. Les organismes assureurs sont tenus d'établir mensuellement des documents concernant la situation financière de l'assurance maladie-invalidité obligatoire.
Art.318. <KB 1986-05-14/31, art. 19, 025> De verzekeringsinstellingen zijn verplicht jaarlijks verzamelbescheiden op te maken van alle tijdens het betrokken dienstjaar geboekte uitgaven bedoeld in artikel 124 van de vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963.
  Deze verzamelbescheiden worden op het niveau van de verzekeringsinstelling opgemaakt, overeenkomstig een model dat wordt vastgesteld door de Algemene Raad en bevatten tenminste inlichtingen aangaande personeelskosten, kosten voor infrastructuur, kantoorkosten, afschrijvingen, onrechtmatige betalingen en sancties.
  Deze verzamelbescheiden worden door de verzekeringsinstellingen in tweevoud overgemaakt aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering binnen vier maanden na het einde van het dienstjaar waarop ze betrekking hebben.
Art. 319. Les organismes assureurs sont tenus d'établir annuellement des documents récapitulatifs globaux de toutes les recettes et dépenses comptabilisées au cours de l'exercice considéré, se rapportant à la gestion du régime de l'assurance maladie-invalidité obligatoire, ainsi qu'un document récapitulatif se rapportant à la situation active et passive.
  Ils sont établis tant au niveau des organismes assureurs qu'au niveau de chaque fédération ou de chaque office régional, conformément à des modèles fixés par le Conseil général.
  Ces documents récapitulatifs sont transmis par les organismes assureurs, en double exemplaire, à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité avant la fin du mois suivant l'établissement par le Conseil général des comptes annuels de gestion des différents secteurs de l'assurance maladie-invalidité.
Art.319. <KB 1986-05-14/31, art. 19, 025> De verzekeringsinstellingen zijn verplicht jaarlijks globale verzamelbescheiden op te maken van alle tijdens het betrokken dienstjaar geboekte ontvangsten en uitgaven met betrekking tot het beheer van het stelsel van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, alsmede een verzamelbescheid betreffende de stand van activa en passiva.
  Zij worden zowel op het niveau van de verzekeringsinstelling als op het niveau van elk verbond of elke gewestelijke dienst opgemaakt, overeenkomstig modellen vastgesteld door de Algemene Raad.
  Deze verzamelbescheiden worden door de verzekeringsinstellingen in tweevoud overgemaakt aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering vóór het einde van de maand na het opmaken van de jaarlijkse beheersrekeningen voor de verschillende takken van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering door de Algemene Raad.
Art. 319bis. <AR 1986-05-14/31, art. 19, 025> Les organismes assureurs sont tenus d'établir mensuellement des documents concernant la situation financière de l'assurance maladie-invalidité obligatoire.
  Ces documents sont établis tant au niveau de l'organisme assureur qu'au niveau de chaque fédération ou de chaque office régional, conformément aux modèles fixés par le Conseil général et comportent au moins les renseignements concernant les fonds disponibles au début et à la fin du mois concerné, les recettes et les dépenses au cours du mois concerné, l'état des emprunts et des factures impayées.
  Ces documents financiers sont transmis par les organismes assureurs, en double exemplaire, à l'institut national d'assurance maladie-invalidité avant le 25e jour du mois qui suit celui auquel ces documents se rapportent.
Art. 319bis. De verzekeringsinstellingen zijn verplicht maandelijks bescheiden op te maken betreffende de financiële stand van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Section 4. _ Des cadres statistiques.
Afdeling 3. _ Getalsterktestaten.
Art.321. Les organismes assureurs sont tenus, en considération des modalités de la présente section, d'établir des cadres statistiques conformément aux modèles fixés par le (Comité de l'assurance soins de santé) en ce qui concerne les cadres visés aux articles 322, 322bis, (322ter, 322quater et 322 quinquies) et par le Comité de gestion du service des indemnités en ce qui concerne les cadres visés aux articles 323 et 323bis.
Art.320. De verzekeringsinstellingen zijn ertoe gehouden driemaandelijks voor elk verbond of gewestelijke dienst de getalsterktestaten op te stellen op basis van de op de laatste dag van het betrokken trimester bekende effektieven.
Art.322. En ce qui concerne les prestations de santé, des cadres statistiques (mensuels) cumulatifs sont établis par numéro de code de la nomenclature ou pseudo-numéro de code de la nomenclature, pour les disciplines médicales et paramédicales, déterminées par le Comité de gestion du service des soins de santé. Ces cadres comportent les montants des dépenses, le nombre de prestations et le nombre de journées d'hospitalisation pour l'ensemble du régime général et du régime des travailleurs indépendants, sans distinction selon la fédération ou l'office régional. Les dépenses y afférentes doivent au moins atteindre le niveau des données figurant sur les documents de dépenses visés à l'article 313.
Afdeling 4. _ Statistische tabellen.
Art. 322bis. En ce qui concerne les prestations de santé, des cadres statistiques (semestriels) non cumulatifs sont établis par dispensateur, par médecin prescripteur ou par établissement hospitalier, pour les disciplines et selon les modalités déterminées par le Comité de gestion du Service des soins de santé. Les dépenses et (les prestations y afférentes) doivent au moins atteindre le niveau des données reprises dans les documents de dépenses visés à l'article 313.
Art.321. <KB 1986-05-14/31, art. 21, 025> De verzekeringsinstellingen zijn verplicht, met inachtneming van de in deze afdeling vermelde modaliteiten, statistische tabellen op te maken, overeenkomstig modellen die, voor wat de in de artikelen 322, 322bis, (322ter, 322 quater en 322 quinquies) bedoelde tabellen betreft, worden vastgesteld door het (Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging) en voor wat de in de artikelen 323 en 323bis bedoelde tabellen betreft, worden opgemaakt door het Beheerscomité van de dienst voor uitkeringen. <KB 1995-09-14/50, art. 1, 133, Inwerkingtreding : 10-11-1995>
Art. 322. <AR 1986-05-14/31, art. 22, 025> En ce qui concerne les prestations de santé, des cadres statistiques (mensuels) cumulatifs sont établis par numéro de code de la nomenclature ou pseudo-numéro de code de la nomenclature, pour les disciplines médicales et paramédicales, déterminées par le Comité de gestion du service des soins de santé. Ces cadres comportent les montants des dépenses, le nombre de prestations et le nombre de journées d'hospitalisation pour l'ensemble du régime général et du régime des travailleurs indépendants, sans distinction selon la fédération ou l'office régional. Les dépenses y afférentes doivent au moins atteindre le niveau des données figurant sur les documents de dépenses visés à l'article 313. <AR 1992-08-19/47, art. 2, 103; En vigueur : 01-07-1992>
  Les organismes assureurs transmettent leurs cadres aux services de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité dans les trois mois (qui suivent le mois) auquel ils se rapportent. <AR 1992-08-19/47, art. 2, 103; En vigueur : 01-07-1992>
Art.322. <KB 1986-05-14/31, art. 22, 025> Met betrekking tot de geneeskundige verstrekkingen worden (maandelijkse) cumulatieve statistische tabellen opgesteld per nomenclatuurkode of pseudonomenclatuurkode, voor de medische en paramedische disciplines, bepaald door het Beheerscomité van de dienst voor geneeskundige verzorging. Deze tabellen bevatten de bedragen van de uitgaven, het aantal verstrekkingen en het aantal verpleegdagen voor het geheel van de algemene regeling en de regeling der zelfstandigen samen, zonder onderscheid van verbond of gewestelijke dienst. De desbetreffende uitgaven dienen minstens het niveau te bereiken van de gegevens opgenomen op de in artikel 313 bedoelde uitgavenbescheiden. <KB 1992-08-19/47, art. 2, 103; Inwerkingtreding : 01-07-1992>
  De verzekeringsinstellingen zenden hun tabellen aan de diensten van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, binnen drie maanden na (de maand) waarop ze betrekking hebben. <KB 1992-08-19/47, art. 2, 103; Inwerkingtreding : 01-07-1992>
Art. 322quater. § 1er. En ce qui concerne les journées d'hospitalisation indemnisées, des cadres statistiques semestriels non cumulatifs sont établis par établissement hospitaliser et par service.
  § 2. En ce qui concerne les journées d'hospitalisation forfaitaires indemnisées en vertu d'une convention conclue avec les établissements hospitaliers, des cadres statistiques semestriels non cumulatifs mentionnant également la prestation de base qui a entraîné lesdits forfaits sont établis par établissement hospitalier.
  § 3. En ce qui concerne les produits pharmaceutiques délivrés au sein des établissements hospitaliers, des cadres statistiques semestriels non cumulatifs sont établis par catégorie, par produit, par établissement et par service.
  § 4. En ce qui concerne les interventions forfaitaires payées par journée, par mois, par demande ou par séance, des cadres statistiques semestriels non cumulatifs sont établis par centre de rééducation, par maison de repos et de soins, par maison de repos pour personnes âgées, par maison de soins psychiatriques et par initiative d'habitation protégée.
  § 5. Le Comité de l'assurance détermine les modalités selon lesquelles les organismes assureurs transmettent au Service des soins de santé de l'INAMI., dans les quatre mois suivant le semestre auquel ils se rapportent, les cadres statistiques visés aux paragraphes précédents. Les dépenses y afférentes doivent au moins atteindre le niveau des données reprises dans les documents de dépenses visés à l'article 313.
Art. 322bis. <INGEVOEGD bij KB 1986-05-14/31, art. 24, 025> Met betrekking tot de geneeskundige verstrekkingen worden (semestriële) niet-cumulatieve statistische tabellen opgesteld per verstrekker, per voorschrijvend geneesheer of per verplegingsinrichting, voor de disciplines en volgens de modaliteiten, bepaald door het Beheerscomité van de dienst voor geneeskundige verzorging. De desbetreffende uitgaven en (verstrekkingen) dienen minstens het niveau te bereiken van de gegevens opgenomen op de in artikel 313 bedoelde uitgavenbescheiden. <KB 1995-09-14/50, art. 2, 133, Inwerkingtreding : 10-11-1995>
  De verzekeringsinstellingen zenden hun tabellen aan de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering binnen vier maanden na het (semester) waarop ze betrekking hebben. <KB 1995-09-14/50, art. 2, 133, Inwerkingtreding : 10-11-1995>
Art. 322quinquies. En ce qui concerne les dépenses relatives aux bénéficiaires hospitalisés, des cadres statistiques par séjour hospitalier sont établis annuellement sur base des données comptabilisées pendant une période de six trimestres. Ces cadres statistiques comportent les données suivantes :
  1° un index qui reprend l'identification de l'établissement hospitalier au sein duquel le séjour a eu lieu, le numéro codé du séjour et la mention s'il s'agit d'une admission ou d'une réadmission;
  2° des caractéristiques du séjour et du patient :
  a) le service d'admission;
  b) le code titulaire indiquant le régime d'assurance et la catégorie d'assurés;
  c) la catégorie d'âge du patient;
  d) l'intervalle de jours entre deux admissions;
  e) les années et mois d'admission ou de réadmission et de sortie;
  3° le nombre de journées d'hospitalisation et le montant facturé;
  4° des données globalisées relatives à l'imagerie médicale;
  5° des données globalisées relatives aux produits pharmaceutiques, au sang et au plasma sanguin;
  6° des données détaillées par numéro de code de la nomenclature des prestations médicales et la mention de la qualification du dispensateur;
  7° des données globalisées relatives à la biologie clinique et la médecine nucléaire in vitro.
Art. 322ter. <INGEVOEGD bij KB 1986-05-14/31, art. 24, 025> Bij het opstellen van de in de artikelen 322 (322bis, 322quater en 322quinquies) voorziene statistische tabellen wordt door de verzekeringsinstellingen een validiteitskontrole uitgevoerd op de in te brengen gegevens. De lijst van de te kontroleren elementen wordt opgesteld door het Beheerscomité van de dienst voor geneeskundige verzorging. De uitgaven die het gevolg zijn van verwerpingen ingevolge de validiteitscontrole, komen niet in aanmerking voor boeking op de in artikel 313 bedoelde uitgavenbescheiden. <KB 1995-09-14/50, art. 3, 133, Inwerkingtreding : 10-11-1995>
Art. 322quater. § 1er. En ce qui concerne les journées d'hospitalisation indemnisées, des cadres statistiques semestriels non cumulatifs sont établis par établissement hospitaliser et par service.
  § 2. En ce qui concerne les journées d'hospitalisation forfaitaires indemnisées en vertu d'une convention conclue avec les établissements hospitaliers, des cadres statistiques semestriels non cumulatifs mentionnant également la prestation de base qui a entraîné lesdits forfaits sont établis par établissement hospitalier.
  § 3. En ce qui concerne les produits pharmaceutiques délivrés au sein des établissements hospitaliers, des cadres statistiques semestriels non cumulatifs sont établis par catégorie, par produit, par établissement et par service.
  § 4. En ce qui concerne les interventions forfaitaires payées par journée, par mois, par demande ou par séance, des cadres statistiques semestriels non cumulatifs sont établis par centre de rééducation, par maison de repos et de soins, par maison de repos pour personnes âgées, par maison de soins psychiatriques et par initiative d'habitation protégée.
  § 5. Le Comité de l'assurance détermine les modalités selon lesquelles les organismes assureurs transmettent au Service des soins de santé de l'INAMI., dans les quatre mois suivant le semestre auquel ils se rapportent, les cadres statistiques visés aux paragraphes précédents. Les dépenses y afférentes doivent au moins atteindre le niveau des données reprises dans les documents de dépenses visés à l'article 313.
Art. 322quater. <INGEVOEGD bij KB 1995-09-14/50, art. 4, 133, Inwerkingtreding : 10-11-1995> § 1. Met betrekking tot de vergoede verpleegdagen worden semestriële niet-cumulatieve statistische tabellen opgesteld per verpleeginrichting en per dienst.
  § 2. Met betrekking tot de forfaitaire verpleegdagen vergoed krachtens een overeenkomst met de verpleeginrichtingen, worden semestriële niet-cumulatieve statistische tabellen opgesteld per verpleeginrichting waarin eveneens de basisverstrekking wordt vermeld die tot de voormelde forfaits heeft geleid.
  § 3. Met betrekking tot de farmaceutische produkten die in verpleeginrichtingen worden afgeleverd, worden semestriële niet-cumulatieve statistische tabellen opgesteld per categorie, per produkt, per inrichting en per dienst.
  § 4. Met betrekking tot de forfaitaire vergoedingen die per dag, per maand, per aanvraag of per zitting worden betaald, worden semestriële niet-cumulatieve statistische tabellen opgesteld per revalidatiecentrum, per rust- en verzorgingstehuis, per rustoord voor bejaarden, per psychiatrisch verzorgingstehuis en per initiatief voor beschut wonen.
  § 5. Het Verzekeringscomité legt de modaliteiten vast volgens welke de verzekeringsinstellingen de statistische tabellen, bedoeld in de voorgaande paragrafen, aan de Dienst voor geneeskundige verzorging van het RIZIV. bezorgen binnen vier maanden na het semester waarop ze betrekking hebben. De uitgaven moeten op zijn minst het niveau bereiken van de gegevens welke opgenomen zijn in de in artikel 313 bedoelde uitgavenbescheiden.
Art. 322quinquies. En ce qui concerne les dépenses relatives aux bénéficiaires hospitalisés, des cadres statistiques par séjour hospitalier sont établis annuellement sur base des données comptabilisées pendant une période de six trimestres. Ces cadres statistiques comportent les données suivantes :
  1° un index qui reprend l'identification de l'établissement hospitalier au sein duquel le séjour a eu lieu, le numéro codé du séjour et la mention s'il s'agit d'une admission ou d'une réadmission;
  2° des caractéristiques du séjour et du patient :
  a) le service d'admission;
  b) le code titulaire indiquant le régime d'assurance et la catégorie d'assurés;
  c) la catégorie d'âge du patient;
  d) l'intervalle de jours entre deux admissions;
  e) les années et mois d'admission ou de réadmission et de sortie;
  3° le nombre de journées d'hospitalisation et le montant facturé;
  4° des données globalisées relatives à l'imagerie médicale;
  5° des données globalisées relatives aux produits pharmaceutiques, au sang et au plasma sanguin;
  6° des données détaillées par numéro de code de la nomenclature des prestations médicales et la mention de la qualification du dispensateur;
  7° des données globalisées relatives à la biologie clinique et la médecine nucléaire in vitro.
Art. 322quinquies. <INGEVOEGD bij KB 1995-09-14/50, art. 5, 133, Inwerkingtreding : 10-11-1995> Met betrekking tot de relatieve uitgaven die vergoed worden voor de in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, worden er jaarlijks per verblijf in een ziekenhuis statistische tabellen opgesteld op basis van de uitgaven geboekt over zes trimesters. Deze statistische tabellen bevatten volgende gegevens :
  1° een index die de identificatie van de verpleeginrichting waar het verblijf heeft plaatsgevonden, het gecodeerd nummer van het verblijf en de vermelding of het gaat om een opneming of heropneming, bevat;
  2° kenmerken van het verblijf en van de patiënt :
  a) de dienst van opname;
  b) de code gerechtigde die het verzekeringsregime en de categorie van verzekerde aanduidt;
  c) de leeftijdscategorie van de patiënt;
  d) het interval tussen twee opnames in dagen;
  e) de jaren en de maanden van opneming of heropneming en ontslag;
  3° het aantal verpleegdagen en het gefactureerd bedrag;
  4° de geglobaliseerde gegevens betreffende de medische beeldvorming;
  5° de geglobaliseerde gegevens betreffende de farmaceutische produkten, bloed en plasma;
  6° de gedetailleerde gegevens per nomenclatuurcodenummer van de geneeskundige verstrekkingen en de vermelding van de bekwaming van de verstrekker;
  7° de geglobaliseerde gegevens betreffende de klinische biologie en nucleaire geneeskunde in vitro.
Art. 323. <AR 1990-01-10/31, art. 7, 073; En vigueur : 10-01-1990> Les cadres statistiques relatifs aux indemnités d'incapacité primaire comportent les renseignements suivants :
  a) le nombre de cas d'incapacité de travail;
  b) le nombre de jours calendrier;
  c) le nombre de jours indemnisés;
  d) le montant des indemnités.
  Ces renseignements établis séparément pour les travailleurs et les chômeurs sont notamment ventilés par état social, sexe, groupes quinquennaux d'âge et durée d'incapacité de travail reconnue.
  Ces cadres statistiques sont établis annuellement par fédération ou par office régional et sont transmis au Service des indemnités de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité dans les cinq mois qui suivent la fin de l'exercice auquel ils se rapportent.
Art.323. <KB 1990-01-10/31, art. 7, 073; Inwerkingtreding : 10-01-1990> De statistische tabellen betreffende de primaire ongeschiktheidsuitkeringen bevatten de volgende gegevens :
  a) aantal gevallen van arbeidsongeschiktheid;
  b) aantal kalenderdagen;
  c) aantal vergoede dagen;
  d) het bedrag van de uitkeringen.
  Deze gegevens worden voor de werknemers en werklozen afzonderlijk opgemaakt en onder meer gesplitst naar sociale stand, kunne, vijfjarige leeftijdsgroepen en duur van erkende arbeidsongeschiktheid.
  Deze statistische tabellen worden jaarlijks opgesteld per verbond of per gewestelijke dienst en worden overgezonden aan de Dienst voor uitkeringen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering binnen vijf maanden volgend op het einde van het dienstjaar waarop zij betrekking hebben.
Art. 323bis. <AR 1990-01-10/31, art. 8, 073; En vigueur : 10-01-1990> Les cadres statistiques relatifs aux dépenses en assurance maternité effectuées pour des titulaires qui ne sont pas en période d'invalidité comportent les renseignements suivants :
  a) le nombre de cas de repos de maternité;
  b) le nombre de jours indemnisés;
  c) le montant des indemnités.
  Ces renseignements, établis séparément pour les travailleuses et les chômeuses, sont notamment ventilés par état social et groupes quinquennaux d'âge.
  Ces cadres statistiques sont établis annuellement par fédération ou par office régional et sont transmis au Service des indemnités de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité dans les cinq mois qui suivent la fin de l'exercice auquel ils se rapportent.
Art. 323bis. De statistische tabellen betreffende de uitgaven in de moederschapsverzekering voor gerechtigden die niet in een periode van invaliditeit zijn, bevatten de volgende gegevens :
Art.325. Par dérogation aux dispositions des articles 307 (à 323bis), les recettes, les dépenses et les relevés relatifs à des personnes qui bénéficient des prestations de l'assurance maladie-invalidité, en vertu de dispositions d'une convention internationale, font l'objet de documents et de relevés distincts de ceux prévus auxdits articles.
Afdeling 5. _ Bijzondere bepalingen ter zake van de internationale verdragen.
Art. 324. Les budgets et les comptes relatifs à l'application des conventions internationales sont distincts de ceux du régime général d'assurance maladie-invalidité prévus par les articles 8, 12 et 40 de la loi du 9 août 1963 susvisée.
Art.324. De begrotingen en rekeningen met betrekking tot de toepassing van de internationale verdragen staan los van die van de algemene regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering bepaald in de artikelen 8, 12 en 40 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963.
Art. 325. Par dérogation aux dispositions des articles 307 (à 323bis), les recettes, les dépenses et les relevés relatifs à des personnes qui bénéficient des prestations de l'assurance maladie-invalidité, en vertu de dispositions d'une convention internationale, font l'objet de documents et de relevés distincts de ceux prévus auxdits articles. <AR 1986-05-14/31, art. 27, 025>
  Les documents et relevés, établis séparément pour chaque convention internationale et chaque catégorie de bénéficiaires, contiennent tous les renseignements nécessaires aux Services de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité pour l'exécutions des obligations prévues par les dispositions de la loi du 9 août 1963 susvisé et lesdites conventions internationales.
Art.325. In afwijking van het bepaalde in de artikelen 307 (tot en met 323bis), worden voor de ontvangsten, de uitgaven en de staten met betrekking tot personen die krachtens de bepalingen van een internationaal verdrag prestaties van de ziekte- en invaliditeitsverzekering genieten, bescheiden en staten opgemaakt welke los staan van die bepaald in genoemde artikelen.
Art.326. Les organismes assureurs sont tenus :
HOOFDSTUK XV. _ Openbaarmaking.
Section 1ère. _ (De la publicité de la réglementation de l'assurance, des listes, des personnes agrées et des personnes agrées et des personnes et établissements, hospitaliers, ayant adhéré à une convention ou à un accord)
Afdeling 1. _ (Openbaarmaking van de verzekeringsreglementering van de lijsten van erkende personen en van personen en verplegingsinrichtingen, die tot een overeenkomst of tot een akkoord zijn toegetreden.)
Art. 326. Les organismes assureurs sont tenus :
Art.326. De verzekeringsinstellingen zijn ertoe gehouden:
Section 2. _ De la publicité des décisions d'interdiction d'intervention de l'assurance.
Afdeling 2. _ Openbaarmaking van de beslissingen tot verbod van verzekeringstegemoetkoming.
Art. 327. Lorsque les décisions portant interdiction d'intervention de l'assurance dans le coût des prestations de santé, prises en vertu de l'article 44 de la loi du 14 février 1961, d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier, modifié par l'article 140 de la loi du 9-8-196 susvisée, sont devenus définitives, le Comité du Service du contrôle médical est tenu d'en communiquer, et au Service du contrôle administratif.
Art.327. Wanneer de beslissingen tot verbod van verzekeringstegemoetkoming in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen, genomen krachtens artikel 44 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, gewijzigd bij artikel 140 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, definitief zijn geworden, is het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle er toe gehouden de inhoud ervan binnen drie werkdagen mede te delen aan de Dienst voor geneeskundige verzorging en aan de Dienst voor administratieve controle.
CHAPITRE XVII. _ Dispositions transitoires.
HOOFDSTUK XVI. _ Beëdiging.
Art. 328. La formule des serments visés à l'article 107 de la loi 9-8-1963 susvisée est la suivante:
Art.328. Het in artikel 107 van vorenbedoelde wet van 9 augustus 1963, bedoelde eedsformulier luidt:
Art.330. (Abrogé)
HOOFDSTUK XVII. _ Overgangsbepalingen.
Art. 330bis. (Abrogé)
Art.331. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 1964, sauf les dispositions des chapitres I, II, III - articles 45, 46, 47, 48, 1°, 49, 51, 52, 53, 54, 57, 58, 59, 60, 61 et 68 - VII - articles 138, 139, 140, 141, 142, 143 - XIII, article 306, deuxième alinéa, XVI et XVII qui entrent en vigueur le jour de la publication dudit arrêté au Moniteur Belge.
Art. 330quater. (Opgeheven)
Art.332. Notre Ministre de la Prévoyance sociale est chargé de l'exécution du présent arrêté.
HOOFDSTUK XVIII. _ Inwerkingtreding.
Art. 331. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 1964, sauf les dispositions des chapitres I, II, III - articles 45, 46, 47, 48, 1°, 49, 51, 52, 53, 54, 57, 58, 59, 60, 61 et 68 - VII - articles 138, 139, 140, 141, 142, 143 - XIII, article 306, deuxième alinéa, XVI et XVII qui entrent en vigueur le jour de la publication dudit arrêté au Moniteur Belge.
Art.331. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1964, behoudens de bepalingen van de hoofdstukken I, II, III artikelen 45, 46, 47, 48 - 1°, 49, 51, 52, 53, 54, 57, 58, 59, 60, 61 en 68; VII, artikelen 138, 139, 140, 141, 142 en 143 , XIII, artikel 306, tweede lid, XVI en XVII die in werking treden de dag van bekendmaking van genoemd besluit in het Belgisch Staatsblad.
Art. 332. Notre Ministre de la Prévoyance sociale est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Art.332. Onze Minister van Sociale Voorzorg is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. N. Annexes I. Demande d'inscription.
  II. (abrogé) <AR 1986-05-14/31, art. 28, 025>
  III. (abrogé) <AR 1986-05-14/31, art. 28, 025>
Art. N. Bijlagen. I. Inschrijvingsaanvraag.
  II. (opgeheven) <KB 1986-05-14/31, art. 28, 025>
  III. (opgeheven) <KB 1986-05-14/31, art. 28, 025>
  IV. Inhoudstafel .
-