Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220624.1F.1

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Handelsrecht

Texte intégral

Nr. C.21.0439.F 1. ETHIAS nv, 2. H. P., advocaat bij de balie Bergen, handelend in haar hoedanigheid van schuldbemiddelaar van N. M., Mr. François T’Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen AG INSURANCE nv, Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie, in aanwezigheid van N. M. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 2 juni 2021. Advocaat-generaal Philippe de Koster heeft op 8 juni 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Maxime Marchandise heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Philippe de Koster heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Artikel 35, § 3, Wet Landverzekeringsovereenkomst, thans artikel 89, § 3, Wet Verzekeringen 2014, bepaalt dat indien het schadegeval tijdig is aangemeld, de verjaring wordt gestuit tot op het ogenblik dat de verzekeraar aan de wederpartij schriftelijk kennis heeft gegeven van zijn beslissing. Wanneer de partij die van het schadegeval aangifte heeft gedaan, de vordering tot schadevergoeding niet zelf kan uitoefenen, maakt de kennisgeving door de verzekeraar van zijn beslissing enkel een einde aan de stuiting van de verjaring als die kennisgeving is gericht aan de partij die deze rechtsvordering kan instellen. Het arrest stelt vast dat “het pand van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] op 30 april 2005 werd vernield door een brand”, dat “de verjaring [werd] gestuit door de aangifte van het schadegeval op 26 mei 2005”, dat “[de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] op 26 augustus 2006 werd toegelaten tot de collectieve schuldenregeling”, dat “de raadsman van [de verweerster] per brief van 18 december 2006 aan de raadsman van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] heeft geantwoord dat zijn cliënte haar tussenkomst weigerde”, dat “[de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] [de verweerster] op 19 december 2006 heeft gedagvaard om haar te doen veroordelen tot betaling van de vergoeding voor het schadegeval van 30 april 2005” en dat het hof van beroep bij arrest van 21 januari 2013 “heeft beslist [dat] enkel de schuldbemiddelaar de hoedanigheid [heeft] [...] om” die procedure “te voeren”, waarbij die beslissing “in kracht van gewijsde is gegaan”. Het bestreden arrest dat oordeelt dat “de kennisgeving [door de verweerster] rechtsgeldig werd gedaan aan [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij, aan wie] de verzekeringsvergoeding verschuldigd is”, zodat de verjaringstermijn is ingegaan, terwijl het erop wijst dat er is geoordeeld dat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij de vordering tot schadevergoeding niet kon instellen, schendt de voormelde bepaling. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het de zaken voegt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door sectievoorzitter Mireille Delange, als voorzitter, en de raadsheren Marie-Claire Ernotte, Ariane Jacquemin, Maxime Marchandise en Marielle Moris, en in openbare rechtszitting van 24 juni 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Mireille Delange, in aanwezigheid van advocaat-generaal Philippe de Koster, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont. Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Ilse Couwenberg en overgeschreven met assistentie van griffier Elien Van Isterdael.