ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.8
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Strafrecht - Overige
Texte intégral
Nr. P.22.0211.N
C. V. G. H.,
beklaagde,
eiser,
met als raadsman mr. Hamid El Abouti, advocaat bij de balie Brussel.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 20 januari 2022.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 42 Wegverkeerswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel om beslissingen in strafzaken te motiveren: het bestreden vonnis beslist ten onrechte dat de eiser aan een lichamelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig lijdt zonder dat deze ongeschiktheid is bewezen; de eiser is nooit veroordeeld voor een ongeval met lichamelijk letsel of voor het niet onder controle hebben van zijn voertuig als gevolg van alcohol- of drugsgebruik, met name overtredingen die het mogelijk maken te beoordelen of de bestuurder nog of niet geschikt is om te rijden; de huisarts van de eiser heeft hem onderzocht en lichamelijk en geestelijk geschikt bevonden om te rijden; er ligt geen andersluidend medisch verslag voor; het openbaar ministerie heeft het niet nuttig geacht een medisch onderzoek te vragen van de eiser.
2. In zoverre het middel is gericht tegen het optreden van het openbaar ministerie en niet tegen het bestreden vonnis, is het niet ontvankelijk.
3. Artikel 42, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalt: “Verval van het recht tot sturen moet uitgesproken worden wanneer, naar aanleiding van een veroordeling of opschorting van straf of internering wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijk toedoen van de dader, de schuldige lichamelijk of geestelijk ongeschikt wordt bevonden tot het besturen van een motorvoertuig.”
4. De feitenrechter oordeelt onaantastbaar op grond van de hem overgelegde feitelijke gegevens of een beklaagde lichamelijk of geestelijk ongeschikt is om een motorvoertuig te besturen. De vaststelling van een dergelijke ongeschiktheid vereist niet noodzakelijk een voorafgaande veroordeling wegens het veroorzaken van een verkeersongeval met lichamelijk letsel of wegens het besturen van een voertuig onder invloed van alcohol of drugs. Een dergelijke vaststelling vereist evenmin noodzakelijk een verslag van een medisch deskundige, hoewel dit in het licht van de omstandigheden van de zaak aangewezen kan zijn.
5. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
7. Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser een ernstig probleem heeft met het gebruik van verdovende middelen achter het stuur, hetgeen wordt aangetoond door het uitermate hoge gehalte van cocaïne op het moment van de feiten (meer dan 2.000,00 ng/ml), maar ook door de recente veroordeling door de politierechtbank van Maaseik van 9 maart 2021. Het oordeelt ook dat de voorzichtige verklaring van eisers huisarts, na één onderzoek en een gesprek met de eiser en zonder gepaard te gaan met objectieve analyses van onder andere bloed- of urinestalen, niet overtuigt. Het bestreden vonnis wijst er ook op dat op het strafblad van de eiser niet minder dan zestien veroordelingen voor (ernstige) verkeersovertredingen zijn vermeld. Op grond van die redenen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat de eiser lichamelijk en geestelijk ongeschikt is om een motorvoertuig te besturen en dat een beveiligingsmaatregel in de zin van artikel 42 Wegverkeerswet is vereist om de samenleving te beschermen tegen de eiser die zich moedwillig in een toestand brengt die hem rijongeschikt maakt. Aldus is de beslissing ook regelmatig met redenen omkleed.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek
8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 80,91 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 31 mei 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.