ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220527.1F.5
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Belastingrecht
Texte intégral
Nr. F.21.0090.F
1. N. D., optredend in eigen naam en in hoedanigheid van erfgenaam van B. N.,
2. N. N., optredend in hoedanigheid van erfgenaam van B. N.,
Mr. Daniel Garabedian, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,
Mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 21 oktober 2020.
In een op 19 mei 2022 ter griffie van het Hof neergelegde akte verklaren de eisers het geding dat werd ingesteld door B.N., overleden op 26 juni 2021, te hervatten.
Advocaat-generaal Bénédicte Inghels heeft op 9 mei 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd op de griffie.
Raadsheer Sabine Geubel heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Bénédicte Inghels heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
Eerste onderdeel
Volgens artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, WIB92, zoals van toepassing, worden meerwaarden die zijn verkregen of vastgesteld uit hoofde of naar aanleiding van de volledige en definitieve stopzetting van één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid, volledig maar tijdelijk vrijgesteld wanneer ze zijn verkregen of vastgesteld ter gelegenheid van de inbreng van die bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid in een vennootschap, tegen verkrijging van aandelen die het maatschappelijk kapitaal van die vennootschap vertegenwoordigen.
Krachtens het derde lid, 2°, van die bepaling, zoals van toepassing op het geschil, is die uitzonderingsregeling slechts van toepassing voor zover de verrichting wordt verwezenlijkt overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen ter zake en, desgevallend, overeenkomstig vennootschapsrechtelijke bepalingen van gelijke aard van een andere lidstaat van de Europese Unie die van toepassing zijn op de inbrengende of verkrijgende intra-Europese vennootschap.
Krachtens artikel 679 Wetboek van Vennootschappen, zoals destijds van toepassing, is de inbreng van een bedrijfstak de rechtshandeling waarbij een vennootschap, zonder ontbinding, een bedrijfstak alsmede de daaraan verbonden activa en passiva overdraagt aan een andere vennootschap, tegen een vergoeding die uitsluitend bestaat in aandelen van de verkrijgende vennootschap.
Artikel 680 van dat wetboek omschrijft de bedrijfstak als een geheel dat op technisch en organisatorisch gebied een autonome activiteit uitoefent en op eigen kracht kan werken.
De inbreng van een bedrijfstak heeft, overeenkomstig artikel 763, tweede lid, van datzelfde wetboek, de overdracht van rechtswege van de daaraan verbonden activa en passiva aan de verkrijgende vennootschap tot gevolg, tenzij, ingeval de inbrenger een vennootschap is, de betrokken vennootschappen, zoals toegestaan door artikel 759, tweede lid, afzien van de onderwerping van de transactie aan de regeling zoals omschreven de artikelen 760, 762 en 764 tot 767, of, ingeval de inbrenger een natuurlijke persoon is, de betrokken partijen, in weerwil van de door artikel 768 van dat wetboek geboden mogelijkheid, niet voor de voormelde regeling kiezen.
Zelfs wanneer niet voor deze regeling wordt gekozen, zal de inbreng van een bedrijfstak niettemin overeenkomstig de overige bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen worden verwezenlijkt, met name deze met betrekking tot de inbreng in natura, met toepassing van de gemeenrechtelijke regels betreffende de tegenwerpelijkheid van overdrachten.
Bijgevolg is het voldoende dat de inbreng in een vennootschap van een bedrijfstak aan de criteria van de artikelen 679 en 680 Wetboek van Vennootschappen beantwoordt om te voldoen aan de in artikel 46, § 1, derde lid, 2°, WIB92 bepaalde vrijstellingsvoorwaarde.
Het arrest stelt vast dat “[de eisers] in de oprichtingsakte van [de verkrijgende vennootschap van de inbreng van een bedrijfstak], waarvan zij de hoofdaandeelhouders zijn, hebben beslist om de inbreng niet te onderwerpen aan de regeling zoals omschreven in de artikelen 759 tot 764 Wetboek van Vennootschappen”.
Met de overweging dat “de keuze voor de gewone procedure van inbreng in natura van actiefbestanddelen die de volledige rusthuisactiviteit omvatten die [de eiseres] als natuurlijke persoon exploiteerde en het feit dat zij hun inbreng niet hebben onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 759 tot 764 Wetboek van Vennootschappen, voor de [eisers] het verlies van het voordeel van de vrijstelling zoals bepaald in artikel 46, § 1, WIB92 tot gevolg heeft”, schendt het arrest die wetsbepaling.
Het onderdeel is gegrond.
Tweede onderdeel
Door de verweerder tegen het onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid afgeleid uit het gebrek aan belang
Het aannemen van het eerste onderdeel ontneemt elk overtollig karakter aan de in dit onderdeel bekritiseerde redenen.
Gegrondheid van het onderdeel
Krachtens artikel 46, § 2, eerste lid, WIB92, zoals van toepassing op het geschil, worden de ten name van de nieuwe belastingplichtige in aanmerking te nemen afschrijvingen, investeringsaftrekken, belastingkredieten voor onderzoek en ontwikkeling, minderwaarden of meerwaarden op de door de vroegere belastingplichtige afgestane activa bepaald alsof deze laatste niet van eigenaar waren veranderd, behoudens in de gevallen waarin toepassing is gemaakt van artikel 90, 8°.
Die bepaling stelt voor de gevallen waarin de meerwaarden verkregen uit een inbreng van een bedrijfstak bij de inbrenger krachtens artikel 46, § 1, van dat wetboek zijn vrijgesteld, een regeling van fiscale neutraliteit in bij de verkrijgende vennootschap van de inbreng, die laatstgenoemde verplicht tot het houden van haar fiscale balans alsof zij de persoon van de inbrenger zou voortzetten.
Hieruit volgt niet dat, wanneer de verkrijgende vennootschap van de inbreng van een bedrijfstak zich wegens schending van artikel 46, § 2, eerste lid, blootstelt aan een fiscale regularisatie, de inbrenger het recht op vrijstelling van de met naleving van artikel 46, eerste lid, 2°, en derde lid, verwezenlijkte stopzettingsmeerwaarde kan worden ontzegd.
Het arrest dat oordeelt dat de afschrijving van de activa van de bedrijfstak door de verkrijgende vennootschap op basis van hun inbrengwaarde en niet op basis van de waarde waartegen ze in de boekhouding van de inbrenger waren ingeschreven tot gevolg heeft dat “niet meer voldaan is aan de vrijstellingsvoorwaarden van de stopzettingsmeerwaarde”, schendt de voormelde wetsbepalingen.
In zoverre is het onderdeel gegrond.
Dictum
Het Hof,
Verleent de eisers akte van hun gedinghervatting.
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de feitenrechter.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door sectievoorzitter Christian Storck als voorzitter, de sectievoorzitters Mireille Delange en Michel Lemal, de raadsheren Sabine Geubel en Marielle Moris, en in openbare rechtszitting van 27 mei 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bénédicte Inghels met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van sectievoorzitter Geert Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Elien Van Isterdael.