Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220520.1F.6

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Burgerlijk recht

Résumé

De schuldeiser moet zijn schade aantonen; het gebrek aan bewijs van de schade waarvan de vergoeding wordt gevorderd, kan niet worden verholpen door het bedrag van die schade naar billijkheid te ramen.

Texte intégral

Nr. C.21.0378.F EASYFAIRS BELGIUM nv, Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen 1. MAISON MAX, vennootschap naar buitenlands recht, 2. J. B., 3. RUSADIA bv, 4. MMA IARD ASSURANCES MUTUELLES, vennootschap naar buitenlands recht, verweerster, Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie. in aanwezigheid van 1. ASSOCIATION INTERCOMMUNALE BUREAU ÉCONOMIQUE DE LA PROVINCE DE NAMUR cv, 2. DONEUX-HUY nv. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 1 april 2021. Raadsheer Marie-Claire Ernotte heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Philippe de Koster heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Het niet-bestreden arrest van 23 juni 2016 oordeelt, enerzijds, dat “niet redelijkerwijze kan worden betwist dat [de eerste drie verweersters], slachtoffers van de litigieuze diefstal, schade hebben geleden”, aangezien zij “de prijs voor hun deelname aan het Antica 2009-salon niet hadden betaald en er geen stand hadden gehad als zij er niets wensten tentoon te stellen en evenmin een kluis zouden hebben gehuurd om er hun juwelen aan het einde van de tentoonstellingsdag in weg te bergen” en dat “de aanvragen om toegang tot het salon [...] wel degelijk vermelden dat het gaat om de tentoonstelling van oude juwelen en sieraden” en, anderzijds, dat “wat de omvang van de schade betreft, [de eerste drie verweersters] deze op grond van stukken moeten bewijzen” en dat, “alvorens over het bedrag van de schade uitspraak te doen”, “het verantwoord is een deskundigenmaatregel te bevelen”. Eerste middel Artikel 1149 Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de aan de schuldeiser verschuldigde schadevergoeding bestaat in het verlies dat hij heeft geleden en in de winst die hij heeft moeten derven. Overeenkomstig artikel 1315 van dat wetboek, dat op de feiten van toepassing is, moet de schuldeiser zijn schade aantonen. Het gebrek aan bewijs van de schade waarvan de vergoeding wordt gevorderd, kan niet worden verholpen door het bedrag van die schade naar billijkheid te ramen. Het bestreden arrest dat vermeldt dat de derde verweerster 225.491,90 euro vordert voor de winstmarge die zij wegens de diefstal van de stukken niet heeft kunnen realiseren en 34.500 euro voor het verlies van de meerwaarde die voortvloeit uit de verhoging van de goudwaarde vanaf 2009, oordeelt dat eerst “precies moeten worden bepaald welke stukken werden gestolen en wat de aankoopwaarde van die stukken was”. Het wijst er vervolgens op dat “de exposanten aan het comité van deskundigen [van de eiseres] een inventaris moesten bezorgen met een omschrijving van de tentoongestelde voorwerpen, welke inzonderheid bedoeld was om een kwaliteitscontrole te verrichten”, maar dat de eerste drie verweersters “die inventarissen niet kunnen overleggen”, dat “[de eiseres] niet kan worden verweten deze niet vóór de opening van het salon te hebben opgevraagd” en dat “het argument volgens hetwelk de deskundige de stand van [de derde verweerster] zou hebben bezocht maar de voorwerpenlijst niet heeft willen meenemen, niet is aangetoond”. Het wijst er voorts op dat “deskundige R., voor de stukken van [de derde verweerster], een aankoopwaarde in aanmerking neemt die werd bepaald op grond van lijsten die door [laatstgenoemde] eenzijdig zijn opgemaakt, zonder dat kan worden nagegaan of de juwelen op het ogenblik van de diefstal wel degelijk op het salon aanwezig waren”, dat het “[door de derde verweerster aangevoerde] stuk niet is gedagtekend [en dat] niet is aangetoond dat het om de inventaris zou gaan die in het saloncharter wordt vermeld of dat dit stuk vóór de litigieuze diefstal [aan de eiseres] zou zijn overhandigd”, dat “de door [de derde verweerster] overgelegde foto’s niet zijn gedagtekend [en] niet kunnen aantonen dat de stukken in de nacht van de diefstal wel degelijk aanwezig waren”, dat de deskundige in zijn inleidende opmerkingen zelf heeft vermeld dat, “aangezien er geen zekerheid bestaat over de aard van de stukken en over hun reëel gewicht in goud, het gehele gewicht in goud van de gestolen stukken niet met zekerheid kan worden bepaald”, dat de derde verweerster “erop wijst dat zij haar volledige voorraad op haar stand had tentoongesteld, wat niet is bewezen”, aangezien zij weliswaar beweert “over geen enkele winkel of opslagplaats te beschikken waarin haar juwelen zouden kunnen worden bewaard, maar de vraag dan rijst hoe zij buiten de salons privéverkopen kan organiseren en de verschillende stukken jarenlang kan bewaren, daar [zij] gewag maakt van een omloopsnelheid van de voorraad die zij op drie jaar raamt”. Door uit die vermeldingen af te leiden dat “niet [...] met zekerheid kan worden aangetoond welke stukken in de nacht van de diefstal op het salon aanwezig waren”, en dat “er op dat punt twijfel bestaat”, heeft het bestreden arrest niet zonder schending van de voormelde wetsbepalingen kunnen oordelen dat, “aangezien de waarde van de aan [de derde verweerster] ontvreemde stukken en van die welke [bij laatstgenoemde] in bewaring zijn gegeven niet op een andere wijze kan worden bepaald, deze ex aequo et bono moet worden geraamd en” voor het geheel van de gestolen stukken “een bedrag van 150.000 euro in aanmerking moet worden genomen”. Het middel is gegrond. Tweede middel Door de eerste en de vierde verweersters tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: artikel 1315 Oud Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing Overeenkomstig artikel 1 Oud Burgerlijk Wetboek en artikel 3 Gerechtelijk Wetboek vormt het te leveren bewijs van de vervulling van de voorwaarden voor de contractuele aansprakelijkheid een regel van materieel recht en wordt dit bijgevolg geregeld door de wet die van toepassing is op de dag waarop de overeenkomst wordt gesloten. De grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen. Gegrondheid Het arrest wijst erop dat “de exposanten het comité van deskundigen een inventaris met een omschrijving van de tentoongestelde voorwerpen moesten bezorgen, maar dat [de eerste verweerster] [die] inventaris niet kan overleggen” en dat het voormelde comité “niet gehouden was [deze] op te vragen”. Het vermeldt dat, volgens de eerste verweerster, “haar volledige voorraad oude juwelen die zij voor salons en tentoonstellingen bestemt, werd ontvreemd” voor een bedrag van 357.012,20 euro, naast de juwelen die haar met het oog op de verkoop waren toevertrouwd, voor een bedrag van 238.100 euro. Het oordeelt dat, gelet op het aantal juwelen, “kan worden aangenomen dat het salon een winstgevende activiteit moet zijn en haar moet toelaten juwelen te verkopen, zo niet kan men zich niet voorstellen waarom ze op dat salon aanwezig zou zijn”. In dat opzicht wijst het arrest erop dat “de door [de eerste verweerster] overgelegde lijsten van haar eigen voorraad en van de voorraad ‘opslag voor verkoop’ niet zijn gedagtekend en dat, [aangezien] de diefstal na acht salondagen werd gepleegd, [...] men terecht ervan kan uitgaan dat [de eerste verweerster] in die acht dagen juwelen heeft verkocht, aangezien het onmogelijk is dat alle verkopen tijdens de laatste twee dagen van het salon hebben plaatsgevonden” en dat, “vreemd genoeg, [de eerste verweerster] verklaart slechts twee verkopen te hebben kunnen sluiten die, wegens de diefstal, geannuleerd moesten worden”. Het wijst er voorts op dat, hoewel “[de eerste verweerster] op bladzijde 3 van haar conclusie aanvoert dat haar volledige voorraad juwelen die zij voor salons en tentoonstellingen bestemt, werd ontvreemd, zij op bladzijde 12 van haar conclusie vermeldt dat nagenoeg haar gehele ‘antiekbeurs’-voorraad is gestolen”. Het voegt hieraan toe dat de deskundige in zijn voorverslag, “wat betreft [de eerste verweerster], erop heeft gewezen dat ‘de partijen hebben erkend dat er geen enkel bewijs bestond van de aanwezigheid van de voorraad op het salon op het ogenblik van de diefstal; [...] dat, ten slotte, aangezien er geen zekerheid bestaat over de aard van de stukken en hun reëel gewicht in goud, werd opgemerkt dat [...] de deskundige bezwaarlijk een advies zou kunnen uitbrengen over de impact van de evolutie van de koers van het goud en de edelstenen op de waarde van de voorraad’” en dat “hij geen advies kan uitbrengen over de evolutie van de voorraad van [de eerste verweerster] in de jaren voorafgaand aan het salon en evenmin [...] over [haar] beslissing [...] om het geheel dan wel een gedeelte van haar salonvoorraad mee te nemen”. Het oordeelt voorts dat “het door [de eerste verweerster] overgelegde stuk 17 niet is gedagtekend en niet kan aantonen welke juwelen naar het salon zijn meegenomen en op het ogenblik van de diefstal aanwezig waren”, dat, hoewel “uit stuk 18 van [haar] dossier [...] blijkt dat er van 31 januari 2010 tot 23 april 2012 betalingen aan derden zijn verricht, niet alle betalingen de mededeling ‘gestolen bewaargeving’ of ‘gestolen’ bevatten, zodat de mogelijkheid bestaat dat bepaalde betalingen om een andere reden dan de litigieuze diefstal werden verricht, temeer omdat sommige ervan dagtekenen van bijna een jaar na de diefstal”, en dat “de door haar verzekeraar [de vierde verweerster] betaalde vergoeding van 515.280 euro [de eiseres] niet kan binden”. Het bestreden arrest dat uit die vermeldingen afleidt dat “er niet enkel onzekerheid bestaat omtrent de stukken die daadwerkelijk naar het salon zijn meegenomen, maar vooral omtrent de stukken die in de nacht van de diefstal nog op het salon aanwezig waren” en dat “de door [de eerste verweerster] aangevoerde raming van haar schade op onzekerheden berust”, verantwoordt zijn beslissing dat “aangezien de schade van [de eerste verweerster] niet op een andere wijze kan worden bepaald, de waarde van de van [haar] gestolen stukken en van de [bij haar] in bewaring gegeven stukken [...], ex aequo et bono” moet worden geraamd op een bedrag van 400.000 euro, ter vergoeding van “de door de diefstal veroorzaakte schade”, niet naar recht. Het middel is gegrond. Derde middel Het bestreden arrest wijst erop dat “de exposanten het comité van deskundigen een inventaris met een omschrijving van de tentoongestelde voorwerpen moesten bezorgen, maar dat [de eerste verweerster] [die] inventaris niet kan overleggen” en dat het voormelde comité “niet gehouden was [deze] op te vragen”. Het oordeelt dat de tweede verweerster “het bewijs van de verschillende gestolen stukken en van hun waarde moet leveren”, dat “de lijst die door [laatstgenoemde] na de diefstal eenzijdig werd opgemaakt, niet volstaat om de omvang van de gestolen stukken te bepalen” en dat “zij in haar verklaring aan de politie van N. melding heeft gemaakt van de diefstal van negen stukken, terwijl zij tegenover de deskundige R. heeft verklaard dat het om tien stukken ging”. Het vermeldt dat de deskundige erop gewezen heeft dat “zijn opdracht er niet in bestaat te achterhalen of die stukken op het salon werden ontvreemd, maar of die stukken wel degelijk aan [de tweede verweerster] toebehoorden en wat de aankoopprijs ervan was” en dat hij “meende dat drie stukken wel degelijk bij professionals zijn gekocht en voor die stukken een aankoopwaarde van 2.472,50 euro in aanmerking kan worden genomen “, terwijl “hij [de] verwervingswaarde [van de] van particulieren gekochte stukken niet heeft kunnen bepalen, omdat deze niet door een factuur of aankoopbon worden gestaafd”. Het wijst er voorts op dat de tweede verweerster “niet aantoont dat zij haar gehele voorraad naar het salon had meegenomen en dat moet worden vastgesteld dat tussen het ogenblik waarop de voorraadstatus werd bepaald, namelijk 30 september 2009, en het ogenblik waarop de diefstal op het salon werd gepleegd, namelijk in de nacht van 20 op 21 november 2009, méér dan anderhalve maand is voorbijgegaan tijdens welke de stukken konden zijn verkocht, inzonderheid tijdens de eerste acht dagen van het salon”. Het bestreden arrest dat uit die vermeldingen afleidt dat “er [...] onzekerheid bestaat over de stukken die op het salon aanwezig waren in de nacht van de diefstal” en dat “de door [de tweede verweerster] voorgestelde berekeningswijze dus niet kan worden aangenomen”, verantwoordt zijn beslissing dat, “aangezien de schade niet op een andere wijze kan worden bepaald, deze ex aequo et bono moet worden geraamd” en een bedrag van 2.000 euro in aanmerking moet worden genomen ter “vergoeding van de door de diefstal veroorzaakte schade”, niet naar recht. Het middel is gegrond. De cassatie van de beslissing betreffende de waarde van de ten nadele van de derde verweerster gestolen stukken strekt zich uit tot de beslissingen betreffende de vergoeding van de bijkomende materiële schade en de kosten van het deskundigenonderzoek, die daarvan het gevolg zijn. De cassatie van de beslissing betreffende de waarde van de ten nadele van de eerste verweerster gestolen stukken strekt zich uit tot de beslissing betreffende het exploitatieverlies, wegens de noodzakelijke band tussen die beslissingen, en tot de beslissingen betreffende de kosten van het deskundigenonderzoek en de overige kosten, alsook tot de veroordeling van de eiseres tot betaling, aan de vierde verweerster, van 400.000 euro en van de kosten, die daarvan het gevolg zijn. De cassatie van de beslissing betreffende de vergoeding tot herstel van de door de diefstal aan de tweede verweerster berokkende schade strekt zich uit tot de kosten van het deskundigenonderzoek, die daarvan het gevolg is. Het vierde middel dat niet tot ruimere cassatie kan leiden, behoeft geen antwoord. De eiseres heeft er bovendien belang bij dat het arrest bindend wordt verklaard ten aanzien van de daartoe in het geding opgeroepen partijen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het akte verleent van de hervattingen van het geding, het arrest ten aanzien van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen bindend en tegenstelbaar verklaart en de eiseres veroordeelt tot betaling, - aan de derde verweerster, van 931,81 euro voor de kosten van de salondeelname en 750 euro voor de diefstal van de kluis, - aan de eerste verweerster, van 667,36 euro voor de kosten van de salondeelname, - aan de tweede verweerster, van 4.983 euro ter vergoeding van de stukgeslagen vitrines en 999,46 euro voor de kosten van de salondeelname. Verklaart het arrest bindend ten aanzien van de ‘Association intercommunale bureau économique de la province de Namur’ en de naamloze vennootschap Doneux-Huy. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat deze over aan de feitenrechter. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door sectievoorzitter Michel Lemal, als voorzitter, en de raadsheren Marie-Claire Ernotte, Ariane Jacquemin, Maxime Marchandise en Marielle Moris, en in openbare rechtszitting van 20 mei 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Michel Lemal, in aanwezigheid van advocaat-generaal Philippe de Koster, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont. Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Bart Wylleman en overgeschreven met assistentie van griffier Elien Van Isterdael.