ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220215.2N.2
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Strafrecht - Overige
Résumé
Uit artikel 780, eerste lid, 1°, Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat
het vonnis de namen moet bevatten van de rechters die over de zaak hebben
geoordeeld, volgt niet dat het vonnis melding moet maken van de voornamen
van de rechters.
Texte intégral
Nr. P.21.1382.N
B R,
beklaagde,
eiser,
met als raadsman mr. Luc Deceuninck, advocaat bij de balie Dendermonde.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 8 september 2021.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.
Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel in zijn geheel
1. Het middel voert schending aan van artikel 13 Grondwet, artikel 172 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 87, 92, § 1, 322, 779 en 780, eerste lid, 1°, Gerechtelijk Wetboek: de regelmatige samenstelling van de zetel van de rechtbank die de zaak heeft behandeld en het bestreden vonnis heeft geveld, wordt betwist; het bestreden vonnis en de processen-verbaal van de rechtszitting van 9 juni 2021 en 8 september 2021 vermelden niet de voornamen van de rechters die hebben gezeteld, waardoor hun identificatie niet mogelijk is; aldus kan niet worden nagegaan of S. Van Acker en D. Goetry inderdaad rechters zijn die zijn benoemd in de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen en of T. De Clercq inderdaad werd benoemd tot plaatsvervangend rechter in deze rechtbank en bovendien voldeed aan de in de artikelen 87 en 322 Gerechtelijk Wetboek bepaalde voorwaarden; het Hof kan daardoor evenmin de regelmatigheid van de rechtspleging nagaan.
2. Artikel 780, eerste lid, 1°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis de namen moet bevatten van de rechters die over de zaak hebben geoordeeld. Uit die bepaling volgt niet dat het vonnis melding moet maken van de voornamen van de rechters.
In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.
3. De vermelding in een vonnis van de hoedanigheid van de magistraten die in de zaak hebben gezeteld en over de zaak hebben geoordeeld, zoals de hoedanigheid van rechter of plaatsvervangend rechter, is een vermelding die geldt tot inschrijving wegens valsheid.
4. Bij afwezigheid van een valsheidsbetichting is het middel in zoverre niet ontvankelijk.
5. Uit de artikelen 87 en 322 Gerechtelijk Wetboek volgt niet dat in een vonnis dat mede werd gewezen door een plaatsvervangend rechter melding moet worden gemaakt van zijn aanwijzing door de voorzitter van de rechtbank of dat die aanwijzing moet blijken uit de stukken van de rechtspleging. Een plaatsvervangende rechter die mee zetelt en over de zaak uitspraak doet, wordt vermoed regelmatig te zijn aangewezen.
In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
6. Het Hof kan op basis van de stukken waarop het vermag acht te slaan, de wettigheid van het bestreden vonnis beoordelen.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
7. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 13 Grondwet, artikel 172 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 92, § 1 en 779 Gerechtelijk Wetboek is het afgeleid uit de bovenvermelde vergeefs aangevoerde wetsschendingen.
In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
Tweede middel
8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 163 en 176 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis verklaart de eiser schuldig op grond van de vaststelling dat de feiten niet werden betwist, terwijl uit de vermeldingen in het grievenformulier en het proces-verbaal van de rechtszitting van 9 juni 2021 blijkt dat de eiser de enige telastlegging heeft betwist; het bestreden vonnis is bijgevolg gesteund op een onjuiste motivering en daardoor is ook het opgelegde verval tot sturen niet nauwkeurig gemotiveerd.
9. Het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser de enige telastlegging betwist omdat hij niet de bestuurder van de personenauto Opel Zafira was op het ogenblik van de snelheidsovertreding, maar dat hij nalaat te bewijzen dat hij niet de bestuurder was op dat ogenblik, zodat zijn schuld als houder van de kentekenplaat voor dit voertuig bij toepassing van artikel 67bis Wegverkeerswet is bewezen. Het middel dat deze zelfstandige reden niet bekritiseert, is enkel gericht tegen de overtollige reden dat de raadsman van de eiser op de rechtszitting van 9 juni 2021 de feiten niet heeft betwist.
In zoverre kan middel niet tot cassatie leiden en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
10. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 163 en 176 Wetboek van Strafvordering is het afgeleid uit het vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek en is het evenmin ontvankelijk.
Derde middel
11. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 163 en 176 Wetboek van Strafvordering: enerzijds, zijn de appelrechters net als de eerste rechter, van oordeel dat het passend is om het herstel tot sturen afhankelijk te maken van een theoretisch en praktisch examen en van een medisch en psychologisch onderzoek, en, anderzijds, wijzigen zij het verstekvonnis van de politierechtbank om vervolgens het herstel tot sturen afhankelijk te maken van een theoretisch en praktisch examen en van een medisch en psychologisch onderzoek; aldus is er een tegenstrijdigheid tussen de motivering en het beschikkend gedeelte van het vonnis (eerste onderdeel); door die tegenstrijdigheid is het bestreden vonnis niet afdoende nauwkeurig gemotiveerd wat betreft de beslissing om het herstel tot sturen afhankelijk te maken van een theoretisch en praktisch examen en van een medisch en psychologisch onderzoek (tweede onderdeel).
12. De appelrechters oordelen bij de motivering van de straftoemeting dat aan de eiser een lagere geldboete en een verval voor een beperktere duur kan worden opgelegd in vergelijking met de door de eerste rechter opgelegde straffen. Zij oordelen bovendien net als de eerste rechter dat het passend is het herstel in het recht tot sturen afhankelijk te maken van de vier onderzoeken en examens. Het beschikkend gedeelte van het bestreden vonnis bepaalt vervolgens dat het verstekvonnis van de politierechtbank wordt gewijzigd in al zijn beschikkingen en het veroordeelt vervolgens de eiser tot een lagere geldboete en een verval van een minder lange duur dan opgelegd door de eerste rechter met het verstekvonnis, met dien verstande dat het herstel in het recht tot sturen opnieuw afhankelijk wordt gemaakt van het slagen in de vier examens en onderzoeken. Uit het geheel van die redenen en die beschikkingen, in hun samenhang gelezen, kan geen enkele tegenstrijdigheid worden afgeleid.
In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
13. Voor het overige is het middel afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde tegenstrijdigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
Ambtshalve onderzoek
14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 84,21 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 15 februari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant.