Aller au contenu principal

ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.12

Détails de la décision

🏛️ Hof van Cassatie 📅 🌐 NL

Matière

Strafrecht

Texte intégral

Nr. P.21.1557.N W. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tom Van Overbeke, advocaat bij de balie Limburg, tegen O. B., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Hasselt, van 14 oktober 2021. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. De appelrechters spreken de eiser vrij van de telastleggingen A en B en zij verklaren zich onbevoegd om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster. In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen (hierna KB Inschrijving Voertuigen): de appelrechters veroordelen de eiser wegens het overtreden van artikel 2, § 1, KB Inschrijving Voertuigen (telastlegging C) omdat hij een niet-ingeschreven voertuig heeft bestuurd; zij oordelen dat de eiser de plicht had zich ervan te vergewissen dat het voertuig geldig was ingeschreven voordat hij het in het verkeer bracht; artikel 2, § 1, KB Inschrijving Voertuigen bepaalt echter niet uitdrukkelijk dat een overtreding van deze bepaling slechts wordt begaan wanneer men kennis heeft van het gegeven dat het voertuig niet de nummerplaat draagt die bij de inschrijving was toegekend; in die zin is deze bepaling analoog met artikel 24, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen (hierna KB Technische Eisen Voertuigen), in welk geval de regelgever enkel diegene wenste te treffen die heeft nagelaten, alhoewel daartoe gehouden, de nodige maatregelen te nemen om de naleving te verzekeren van het daar bepaalde voorschrift betreffende de keuringsbewijzen; de eiser was als eenmalige bestuurder van het voertuig niet verplicht de nodige maatregelen te nemen om de naleving van de wettelijk verplichte inschrijving te verzekeren. 3. Artikel 2, § 1, KB Inschrijving Voertuigen bepaalt dat een voertuig slechts in het verkeer mag worden gebracht als het ingeschreven is en het de nummerplaat draagt die bij de inschrijving werd toegekend. Die bepaling houdt in dat de bestuurder van een voertuig, met inbegrip van de eenmalige bestuurder, zich ervan moet vergewissen of het voertuig voldoet aan de wettelijke inschrijvingsplicht alvorens het in het verkeer te brengen. In dat opzicht verschilt die verplichting niet van deze bepaald in artikel 24, § 1, eerste lid, KB Technische Eisen Voertuigen voor wat betreft het voldoen aan de in die bepaling voorgeschreven verplichtingen door de bestuurder van het voertuig. Voor het overige is niet vereist dat enige wetsbepaling een specifiek kennisvereiste voor het plegen van een hier bedoeld misdrijf bepaalt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 4. Uit de redenen van het beroepen vonnis blijkt dat een bestuurder en dus ook een eenmalige bestuurder van een voertuig zich moet vergewissen van de correcte inschrijving ervan alvorens het in het verkeer te brengen. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 5. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 25 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.