ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220120.1N.1
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Belastingrecht
Texte intégral
Nr. F.21.0020.N
P. H.,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. Werner Derijcke, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 65, bus 11, waar de eiser woonplaats kiest,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal-directeur van de Gewestelijke Directie BBI Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 5,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 24 maart 2020.
Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 9 december 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Krachtens artikel 333, eerste lid, WIB92, in de versie ervan die van toepassing is op het geschil, kan de administratie, onverminderd de bevoegdheden die haar bij de artikelen 351 tot 354 zijn toegekend, de in Titel VII, hoofdstuk III, bedoelde onderzoekingen verrichten en belastingen of aanvullende aanslagen eventueel vestigen, zelfs wanneer de aangifte van de belastingplichtige reeds werd aangenomen en de desbetreffende belastingen reeds werden betaald.
Bedoelde onderzoekingen mogen krachtens artikel 333, tweede lid, WIB92, in de versie ervan die van toepassing is op het geschil, zonder voorafgaande kennisgeving aan de belastingplichtige worden verricht gedurende het belastbaar tijdperk evenals in de termijn bedoeld in artikel 354, eerste lid, en in de termijn bedoeld in artikel 354, vierde lid, WIB92.
Op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk, mogen de bedoelde onderzoekingen bovendien krachtens artikel 333, derde lid, WIB92, in de versie ervan die van toepassing is op het geschil, worden verricht gedurende de in artikel 354, tweede lid, bedoelde aanvullende termijn van vier jaar. Die voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid.
2. Wanneer de administratie gegevens betreffende een belastingplichtige verkrijgt naar aanleiding van een onderzoeksdaad die niet lastens die belastingplichtige wordt verricht, is, opdat de administratie die onderzoeksdaad gedurende de in artikel 354, tweede lid, WIB92 bedoelde aanvullende termijn van vier jaar kon verrichten en opdat de administratie die gegevens lastens die belastingplichtige kan gebruiken, niet vereist dat zij de belastingplichtige voorafgaand aan deze onderzoeksdaad schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis geeft van de aanwijzingen van belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk.
3. De appelrechters stellen vast dat de vraag van de Belgische administratie aan haar Franse zusteradministratie niet in de voorgenomen taxatie van de eiser kaderde, vermits de administratie op dat moment nog niet wist of kon weten dat de eiser zou voorkomen op de lijst van de titularissen van een bankrekening bij HSBC. Vervolgens oordelen zij dat wanneer de administratie gegevens betreffende een belastingplichtige verkrijgt naar aanleiding van een controle die niet uitdrukkelijk lastens hem wordt gevoerd, ze logischerwijze niet bij machte is om de belastingplichtige te identificeren alvorens de inlichtingen te verkrijgen.
4. De appelrechters die op die gronden oordelen dat het feit dat vóór de vraag van 9 februari 2010 geen voorafgaande kennisgeving werd verricht in de zin van artikel 333, derde lid, WIB92, het onderzoek lastens hem niet nietig maakt en niet belet dat de gegevens die in antwoord op die vraag werden verkregen lastens hem konden worden gebruikt, verantwoorden hun beslissing naar recht.
Het middel kan niet worden aangenomen.
(…)
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat de verweerder het banktegoed van de eiser eind 2005 terecht als indicie belastbaar heeft gesteld en uitspraak doet over de kosten.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Koenraad Moens en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 20 januari 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende.