ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211118.1N.6
Détails de la décision
🏛️ Hof van Cassatie
📅
🌐 NL
Matière
Overige
Texte intégral
C.21.0034.N
Conclusie van advocaat-generaal Els Herregodts
Het middel
Eerste onderdeel
3. Met het eerste onderdeel komt eiser op tegen de beslissing van de appelrechters dat “(d)e complexiteit van deze zaak verantwoordt dat (eiser) door de eerste rechter werd veroordeeld tot betaling van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, ook al geniet hij tweedelijns juridische bijstand”.
Eiser voert aan dat de appelrechters, die oordelen dat de eerste rechter eiser terecht, bij vonnis van 24 december 2015, gelet op “de complexiteit van deze zaak”, zijnde één van de criteria opgesomd in het derde lid van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, heeft veroordeeld tot betaling van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd voor een niet in geld waardeerbare vordering, hetzij 1.320,00 euro, een criterium toepassen dat geen toepassing vindt wanneer de in het ongelijk gestelde partij de tweedelijns juridische bijstand geniet, zodat zij hun beslissing niet naar recht verantwoorden, doch de artikelen 1017, eerste lid, 1018, eerste lid, 6°, en 1022, eerste lid, 1022, derde lid, 1022, vierde lid, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010 tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering, alsmede de artikelen 1, eerste lid, 3, zoals van toepassing vóór de wijziging bij Koninklijk besluit van 29 maart 2019, en 7, tweede lid, van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, schenden.
Volgens eiser verantwoorden de appelrechters evenmin hun beslissing naar recht in zoverre aan verweerster een rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend die het minimumbedrag overstijgt. Volgens eiser schenden de appelrechters daarmee diezelfde voormelde bepalingen, inzonderheid artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010, de artikelen 23 en 159 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, alsmede het “standstill”-beginsel en het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter verbiedt toepassing te maken van een bepaling die een hogere rechtsnorm schendt.
4. Artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.
Krachtens artikel 1018, eerste lid, 6°, van het Gerechtelijk Wetboek omvatten de kosten de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.
Naar luid van artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.
Artikel 1, eerste lid, van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, bepaalt dat de basis-, minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek worden vastgesteld in dit besluit.
Krachtens artikel 3 van voormeld Koninklijk besluit bedraagt voor de geschillen(1) / rechtsvorderingen(2) die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 1.200 euro, het minimumbedrag 75 euro en het maximumbedrag 10.000 euro, hetzij na indexatie in 2015 respectievelijk 1.320,00 euro, 82,50 euro en 11.000 euro, en na indexatie in 2019 respectievelijk 1.440,00 euro, 90 euro en 12.000 euro.
Artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010, op 20 april 2019, bepaalt dat indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, de rechtsplegingsvergoeding wordt vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie.
Uit deze bepaling volgt dat er enkel van het minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding kan worden afgeweken wanneer er sprake is van een kennelijk onredelijke situatie. Het (enkele) feit dat de zaak complex is – zijnde één van de criteria opgesomd in het derde lid van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, verantwoordt geen afwijking van het minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.
Uit het arrest van 18 december 2008 nr. 182/2008 van het Grondwettelijk Hof volgt bovendien dat de bepaling van artikel 1022, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing, alleen in die zin kan worden geïnterpreteerd dat zij het de rechter mogelijk maakt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd door de rechtzoekende die juridische tweedelijnsbijstand geniet, vast te stellen onder het door de Koning bepaalde minimum, en het zelfs op een symbolisch bedrag vast te stellen wanneer hij, met een in het bijzonder op dat punt gemotiveerde beslissing, oordeelt dat het kennelijk onredelijk zou zijn die vergoeding op het door de Koning bepaalde minimum vast te stellen(3).
Een andere uitlegging werd onbestaanbaar geacht met de standstill-verplichting, die impliciet besloten ligt in artikel 23 van de Grondwet, aangezien de verplichting om een rechtsplegingsvergoeding te betalen die is vastgesteld op het door de Koning bepaalde minimum, het aan de begunstigde van de juridische bijstand geboden beschermingsniveau in aanzienlijke mate zou kunnen verminderen, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. Het systeem van de juridische tweedelijnsbijstand strekt immers ertoe de toegang tot de rechter mogelijk te maken voor de rechtzoekenden die niet over voldoende financiële middelen beschikken om de kosten en erelonen verbonden aan hun eigen verdediging te betalen(4). Artikel 23 van de Grondwet impliceert inzake het recht op juridische bijstand een standstill-verplichting, die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 23, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang(5) (6).
Het artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek dient derhalve in die zin te worden gelezen en toegepast dat het de rechter mogelijk maakt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding, verschuldigd door de rechtzoekende die juridische tweedelijnsbijstand geniet, vast te stellen onder het door de Koning bepaalde minimum, doch niet erboven, wanneer hij, met een in het bijzonder op dat punt gemotiveerde beslissing, oordeelt dat het kennelijk onredelijk zou zijn die vergoeding op het door de Koning bepaalde minimum vast te stellen.
5. De appelrechters stellen in het bestreden arrest uitdrukkelijk vast dat eiser tweedelijns juridische bijstand genoot.
Gelet op hetgeen voorafgaat, meen ik dat de appelrechters die vaststellen dat eiser voor de rechtspleging in eerste aanleg tweedelijns juridische bijstand genoot, doch niettemin eiser als in het in het ongelijk gestelde partij, gelet op de “complexiteit van de zaak”, veroordelen tot het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de rechtspleging in eerste aanleg, hun beslissing niet naar recht verantwoorden, zodat het onderdeel gegrond voorkomt.
Tweede onderdeel
6. Met het tweede onderdeel komt eiser op tegen de beslissing van de appelrechters dat “ook in hoger beroep (…) de complexiteit van deze zaak, waarbij een getuigenverhoor en tegenverhoor gehouden moesten worden, een voldoende verantwoording (is) om niet af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, ook al geniet (eiser) tweedelijns juridische bijstand”.
Eiser voert aan dat de appelrechters aldus oordelen dat ter zake het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gold als regel, behoudens afwijking, daar waar in deze eiser tweedelijns juridische bijstand genoot, zodat het door de Koning vastgestelde minimumbedrag aan rechtsplegingsvergoeding de regel is, waarvan slechts in het door artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde geval kan worden afgeweken. Volgens eiser verantwoorden de appelrechters hun beslissing om eiser te veroordelen tot betaling van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd voor een niet in geld waardeerbare vordering, hetzij 1.440,00 euro, niet naar recht, doch schenden zij de artikelen 1017, eerste lid, 1018, eerste lid, 6°, en 1022, eerste, derde en vierde lid van het Gerechtelijk Wetboek, evenals artikel 1, eerste lid, 3, en 7, tweede lid, van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.
De appelrechters verantwoorden, volgens eiser, hun beslissing evenmin naar recht in zoverre zij menen op grond van de complexiteit van het geschil de in het ongelijk gestelde partij die van de tweedelijns juridische bijstand geniet te kunnen veroordelen tot een hogere vergoeding dan het door de Koning vastgestelde minimum. Door aldus te oordelen schenden de appelrechters volgens eiser diezelfde voormelde bepalingen, inzonderheid artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Ten slotte voeren eisers aan dat de appelrechters evenmin hun beslissing naar recht verantwoorden in zoverre zij oordelen dat van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding, waartoe de in het ongelijk gestelde partij die van de tweedelijns juridische bijstand geniet, kan worden veroordeeld, kan worden afgeweken omwille van de complexiteit van het geschil. Hiermee schenden de appelrechters volgens eiser diezelfde bepalingen, inzonderheid artikel 1022, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
7. Ter gelegenheid van de bespreking van het eerste onderdeel werden de bepalingen van de artikelen 1017, eerste lid, 1018, eerste lid, 6° en 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek in herinnering gebracht.
Krachtens artikel 1022, vierde lid van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing ten tijde van de rechtspleging in hoge beroep, wordt, indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het bij koninklijk besluit vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter omkleedt zijn beslissing tot verlaging met bijzondere redenen(7).
Uit de voormelde bepaling volgt dat, indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, de rechter de rechtsplegingsvergoeding moet bepalen op het toepasselijke minimumbedrag, met dien verstande dat hij, mits bijzondere motivering (“omkleding met bijzondere redenen”) omwille van een kennelijk onredelijke situatie, de rechtsplegingsvergoeding kan verlagen onder het minimumbedrag.
8. De appelrechters stellen in het bestreden arrest uitdrukkelijk vast dat eiser tweedelijns juridische bijstand genoot.
Gelet op hetgeen voorafgaat, meen ik dat de appelrechters die vaststellen dat eiser voor de rechtspleging in hoger beroep tweedelijns juridische bijstand genoot, doch niettemin eiser als in het in het ongelijk gestelde partij, gelet op de “complexiteit van de zaak”, veroordelen tot het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de rechtspleging in hoger beroep, hun beslissing niet naar recht verantwoorden, zodat het onderdeel gegrond voorkomt.
Conclusie: Vernietiging in zoverre het bestreden arrest eiser veroordeelt tot een rechtsplegingsvergoeding van meer dan de minimumbedragen voor de rechtspleging in eerste aanleg en voor de rechtspleging in hoger beroep.
(1) Artikel 3, Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek zoals van toepassing vóór de wijziging bij Koninklijk besluit van 29 maart 2019.
(2) Artikel 3, Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek in zijn actuele versie.
(3) GwH 18 december 2008, nr. 182/2008, B.7.6.6.
(4) GwH 18 december 2008, nr. 182/2008, B.7.6.5.
(5) GwH 18 december 2008, nr. 182/2008, B.7.3.
(6) In navolging van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 18 december 2008, heeft de wetgever artikel 1022, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek aangepast. De bepaling “De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt” werd bij wet van 21 februari 2010, in werking getreden op 20 april 2019, vervangen door de bepaling “Wat dit punt betreft, omkleedt de rechter zijn beslissing tot verlaging met bijzondere redenen”, zodat thans duidelijk is dat de rechter de rechtsplegingsvergoeding, mits omkleding met bijzondere redenen, onder het minimumbedrag kan begroten wanneer het opleggen van dergelijk minimumbedrag kennelijk onredelijk zou zijn.
(7) Zie voetnoot 6.