ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.216.810
Détails de la décision
🏛️ Raad van State
📅 2011-12-12
🌐 NL
Arrest
Matière
Bestuursrecht
Résumé
Arrest nr 216.810 van 12 december 2011 Openbaar ambt - Federale en lokale
politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging
Texte intégral
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 216.810 van 12 december 2011
in de zaak A. 190.387/IX-6122
In zake : Guy DE BRUL
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGS/DSJ
gevestigd te 1050 Brussel Fritz Toussaintstraat 8
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 18 november 2008, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 23 september 2008 van de directeur-generaal van de algemene directie Gerechtelijke Politie van de federale politie waarbij aan Guy De Brul de tuchtstraf wordt opgelegd van de inhouding van 10 % van zijn wedde voor de duur van één maand.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 213.925 van 16 juni 2011 zijn de debatten heropend en is het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat belast met een verder onderzoek van de zaak.
IX-6122-1/12
Auditeur Geert De Bleeckere heeft een aanvullend verslag opgesteld.
De verzoeker en de verwerende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 december 2011.
Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Elke Goossens, die loco advocaat Pascal Lahousse verschijnt voor de verzoeker, en adviseur Els Van Rossem, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De feiten zijn uiteengezet in het arrest nr. 213.925 van 16 juni 2011.
3.2. Voor het actueel onderzoek is het wel dienstig het advies van de tuchtraad in herinnering te brengen omtrent volgende aspecten van de zaak:
- Het bewijs van de feiten:
IX-6122-2/12
“Het is niet bewezen dat betrokkene enige verantwoordelijkheid heeft in het zeer betreurenswaardig en voor de federale politie beschamend en volledig uit de hand gelopen incident dat aanleiding heeft gegeven tot de interventie van een groot deel van de federale recherche van Dendermonde en van de lokale politie van de PZ Aalst in de nacht van 23 op 24 november 2007.
Het is evenmin bewezen dat betrokkene aan HINP Rombaut zou hebben verklaard dat hij zijn vrouw en kinderen wilde vermoorden en nadien zelfmoord wilde plegen. Niemand anders heeft daarvan iets gemerkt. HINP Rombaut stelt daarenboven, zoals blijkt uit de verklaring van de HCP Boterberg aan de DGJ
onmiddellijk na de feiten dat betrokkene deze bedreigingen zou hebben geuit op de terugweg van de drankgelegenheid naar de parking.
Hoogst merkwaardig is de verklaring van HINP Rombaut op het ogenblik dat hij iedereen optrommelt dat betrokkene zich in zijn wagen bevindt en dreigt zich te zelfmoorden en dit terwijl deze kennelijk diep slaapt.
Op 11 december verklaart HINP Rombaut aan de lokale politie van Hamme nog dat HINP De Brul naarmate ze de kazerne naderden vroeg om hem met rust te laten en zich verbaal tegen hem (HINP Rombaut) begon te keren. In de verklaring van 28 januari 2008 past HINP Rombaut zijn versie aan de effectieve feiten aan. Volgens deze verklaring werd slechts over de familiale toestand van HINP De Brul gepraat op de parking nadat HINP Troch reeds vertrokken was.
Het komt de tuchtraad niet toe zich uit te laten over de wijze waarop HINP
Rombaut gereageerd heeft maar uit alle verklaringen blijkt dat HINP Rombaut volledig overstuur was. De verklaring van HINP Ringoot is verbijsterend. Op de vraag aan HINP Rombaut waarom hij zijn wapen op de wagen van betrokkene richt antwoordt deze ‘ik weet het niet’. Als hij zijn wapen uiteindelijk heeft neergelegd begint HINP Rombaut te wenen. Ook volgens commissaris Van Boxstael is HINP Rombaut volledig ontredderd.
Betrokkene integendeel is kalm. Hij is in slaap gevallen in zijn wagen op een privé-parking onttrokken aan het zicht van nieuwsgierige voorbijgangers.
Als hij in nogal apocalyptische omstandigheden wordt gewekt doet hij alles wat ze hem vragen en maakt hij geen enkele moeilijkheid. Hij reageert zeer rationeel op de toch wel uitzonderlijke situatie waarin hij is gewekt uit een diepe slaap.
HCP Boterberg leidt dan wel uit zijn gedrag af dat hij duidelijke tekenen van alcoholgebruik vertoont maar nergens blijkt, behoudens de alcoholgeur, welke die tekenen dan wel zouden kunnen zijn.
Alleen de bekentenis van betrokkene dat hij in die mate alcohol had verbruikt dat het verantwoord was om hem te vervangen in de permanentie bewijst het overmatig alcoholgebruik. Zulks kan niet afgeleid worden, noch door het aantal consumpties, noch de houding van betrokkene. De tuchtoverheid heeft nagelaten de geëigende procedure toe te passen om het overmatig dranggebruik vast te stellen door middel van een ademtest. Deze procedure is voorzien bij artikel 25 TWP en uitgewerkt in de artikels 13 tot 18
van het koninklijk besluit TWP. Deze reglementering werd niet nageleefd.”
- De kwalificatie van het tuchtvergrijp:
“Op 24 november als hoofdinspecteur bij de federale gerechtelijke politie, met dienst bevolen permanentie bereikbaar en terugroepbaar (Labo TWP), zijn
IX-6122-3/12
dienstverplichtingen niet te zijn nagekomen doordat hij na afloop van een vermaakuitstap in die mate kennelijk onder invloed van alcoholische dranken was dat hij diende vervangen te worden in de permanentierol.”
- De zwaarte van de tuchtstraf:
“Betrokkene die een blanco tuchtverleden heeft, die verscheidene malen werd gefeliciteerd voor de kwaliteit van zijn werk en die als een zeer goede politieambtenaar wordt bestempeld, is het slachtoffer geworden van het onbegrijpelijke optreden van HINP Rombaut. Hierdoor kwam hij in het oog van een storm terecht waarbij de federale politie overigens terecht verbolgen was over het imagoverlies ten gevolge van het moeilijk te vatten optreden van één van haar rechercheurs. Dit imagoverlies waarvoor betrokkene in geen enkele mate verantwoordelijk is, mag bij de beoordeling van de eventuele strafmaat geen enkele rol spelen.
De aanzet tot het drinken was een door de overheid toegelaten drink aangeboden op de dienst. Betrokkene is daarna, zoals geregeld gebeurt, samen met leden van de dienst naar een drankgelegenheid gegaan. Daar heeft hij gedronken maar niet in die mate dat het zijn collegae opgevallen is.
Betrokkene verklaart, zonder dat dit wordt tegengesproken door de feiten en terwijl dit niet van alle waarschijnlijkheid is ontbloot, dat hij zich te ruste heeft gelegd in zijn voertuig. Het is niet aangetoond dat voorbijgangers hem van op de openbare weg konden opmerken.
Het is wel aangetoond dat betrokkene teveel gedronken had maar of dit een klein beetje teveel, teveel, of veel teveel was, werd niet aangetoond en kan ook niet meer worden aangetoond.
Als werd bewezen dat betrokkene teveel heeft gedronken dan is dat uitsluitend omdat hij dit loyaal toegegeven heeft en hij deze loyale medewerking is blijven verlenen tot voor de tuchtraad.
Betrokkene werd in feite reeds gestraft door de gevolgen van de moeilijk vatbare reactie van HINP Rombaut terwijl hij, waarschijnlijk door de invloed van alcoholische dranken, sliep in zijn wagen op de parking van de kazerne. De reactie van HINP Rombaut was waarschijnlijk, al zal nooit kunnen uitgemaakt worden wat betrokkene juist heeft gezegd aan HINP Rombaut, rekening houdend met wat bewezen is, volledig buiten proportie. Ook zal de tuchtvervolging en de voorgestelde tuchtstraf voor de nodige spanning en daaraan gekoppelde moeilijkheden gezorgd hebben.
Ook dient bij de beoordeling rekening gehouden te worden met de tuchtstraf, die uiteindelijk werd opgelegd aan HINP Rombaut. Deze laatste had eveneens teveel gedronken en heeft door zijn houding het hele onwaardige incident uitgelokt.
Daarom blijkt het voor de goede werking van de dienst veeleer aangewezen met betrokkene een functioneringsgesprek te houden over de feiten en over de gevaren van alcoholgebruik voor de beschikbaarheid.
Indien de tuchtoverheid toch zou opteren voor een tuchtstraf lijkt de lichtste tuchtstraf van de waarschuwing evenredig met de ernst van de feiten die bewezen zijn in hoofde van betrokkene.
IX-6122-4/12
In ieder geval is de voorgestelde zware tuchtstraf van de schorsing bij tuchtmaatregel gedurende twee weken buiten verhouding tot het bewezen gebleven tuchtvergrijp.”
3.3. In zijn intentieverklaring om af te wijken van het advies van de tuchtraad overweegt de hogere tuchtoverheid:
“Ik beoog evenwel af te wijken van dit advies op basis van de volgende overwegingen :
• de omstandigheden waarin HINP Guy DE BRUL diende te worden vervangen, zoals uitvoerig omschreven in het tuchtdossier, impliceren dat hij de waardigheid van zijn ambt in het gedrang heeft gebracht doordat meerdere collega's van de FGP DENDERMONDE en collega's van de Politiezone dit de visu hebben vastgesteld enerzijds, en doordat het Ambt van de heer Procureur des Konings daarvan werd ingelicht via procesverbaal anderzijds • het feit dat HINP Guy DE BRUL onder invloed was van alcohol niet alleen blijkt uit de verklaring van de betrokkene maar eveneens uit de eensluidende verklaringen van de collega's, de vaststellingen van de interventieploeg en het informatieverslag van de Gerechtelijk Directeur • de punten 17, 18 en 28 van de deontologische code geschonden werden • het feit dat niet aangetoond is dat voorbijgangers HINP Guy DE BRUL van de openbare weg konden opmerken niet relevant is ter zake gelet op de overweging 1 supra De vaststelling dat HINP Guy DE BRUL de avond van de feiten in die mate alcohol heeft gebruikt alhoewel hij met permanentie was bevolen en de omstandigheden waarin zijn vervanging diende te gebeuren, dienen als een ernstig tuchtvergrijp te worden beschouwd.
In die zin dringt zich een zware tuchtstraf zich op.”
3.4. De bestreden beslissing bevat volgende motieven:
“Overwegende dat de eensluidende verklaringen van de collega's, de vaststellingen van de interventieploeg van de Lokale Politie en het informatieverslag van de Gerechtelijk Directeur, afdoende en objectief toelaten vast te stellen dat u duidelijk onder invloed was van alcoholische dranken op het ogenblik waarop u werd gewekt in uw voertuig op de parking;
Overwegende dat met deze objectieve vaststelling rekening moet worden gehouden bij het beoordelen van de feiten en het chronologisch verloop ervan;
Overwegende dat eveneens duidelijk blijkt uit het voorafgaand onderzoek (stuk 4/3) dat u emotioneel reageerde nadat u een telefonisch gesprek had gevoerd met uw kinderen; dat de aanwezige collega's in de herberg zich desbetreffend zorgen maakten;
Overwegende dat met deze objectieve vaststelling rekening moet worden gehouden bij het beoordelen van de feiten en het chronologisch verloop ervan;
IX-6122-5/12
Overwegende dat objectief vaststaat dat u samen met collega Gunther ROMBAUT de herberg heeft verlaten richting parking van het complex FGP
AALST; dat onderweg verder werd gepraat over uw persoonlijke - lees:
familiale - toestand; dat u bevestigt dat collega Gunther ROMBAUT onwetend was over uw familiale toestand (proces-verbaal van confrontatie);
Overwegende dat redelijkerwijze kan worden aangenomen dat collega Gunther ROMBAUT zich op dat ogenblik zorgen maakte, zich verder wou informeren en trachtte u tot redelijkheid te bedaren;
Overwegende dat u formeel ontkent dat u bedreigingen heeft geuit; dat collega Gunther ROMBAUT echter het tegenovergestelde beweert;
Overwegende dat de verklaring van collega Gunther ROMBAUT
overtuigend overkomt; dat inderdaad geen ander - geloofwaardig - uitleg kan worden gegeven aan het feit dat collega Gunther ROMBAUT, voordien onwetende over uw familiale toestand, zich in die mate bekommerde en aandrong om meer uitleg te hebben met betrekking tot uw emotionele en fysieke toestand, inbegrepen de bedreigingen, dat hij verzocht om telefonisch contact te kunnen nemen met uw ex-echtgenote;
Overwegende dat u dit zonder probleem heeft toegestaan door hem in verbinding te stellen met uw ex-echtgenote via uw persoonlijke gsm;
Overwegende dat uw verdediger (aanvullend schriftelijk pleidooi- pagina 1
alinea 2) het telefonische gesprek met uw ex-echtgenote als volgt rechtvaardigt:
‘Laatstgenoemde (lees : HINP Guy DE BRUL) geeft om van het gezaag af te zijn, zijn gsm en heeft het nummer van de telefoon van zijn ex-echtgenote ingedrukt, dat een dergelijk uitleg volstrekt ongeloofwaardig overkomt; dat -
integendeel - een weigering om op de vraag in te gaan, een duidelijk signaal zou zijn geweest naar collega Gunther ROMBAUT toe, dat verder aandringen op dat punt nutteloos was;
Overwegende dat het chronologisch verloop van de gebeurtenissen van die aard is geweest dat collega Gunther ROMBAUT geoordeeld heeft dat u in geen geval de parking kon verlaten gelet op uw fysieke (alcoholverbruik) en emotionele toestand; dat bovendien vaststaat dat hij niet wist of u al dan niet gewapend was;
Overwegende dat bijgevolg onbetwistbaar vaststaat dat u medeverantwoordelijk bent voor de wijze waarop uw collega Gunther ROMBAUT heeft gereageerd vanaf het ogenblik waarop u samen met hem de herberg verliet tot en met het ogenblik waarop hij telefonisch contact nam met collega Luc NYS;
Overwegende dat de verdediging verwijst naar een schending van de privacy in hoofde van de aanwezige collega's in de herberg, en in het bijzonder in hoofde van collega Gunther ROMBAUT:
Overwegende dat desbetreffend verwezen wordt naar het antwoord van collega Gunther ROMBAUT (bladzijde 8 van het proces-verbaal van confrontatie); dat u zijn antwoord stilzwijgend heeft goedgekeurd doordat u meende niets meer te moeten toevoegen aan uw verhoor; dat deze vaststelling afdoende duidelijk maakt dat dit verweermiddel ongeloofwaardig overkomt;
Overwegende dat niet kan worden ontkend dat een vermaakuitstap onder collega's die uitmondt in een tussenkomst van de interventiedienst van de Lokale politie, de waardigheid van uw ambt in het gedrang brengt;
IX-6122-6/12
Overwegende dat u niet ontkent dat u in de fout bent gegaan door alcoholische dranken te verbruiken hoewel u met permanentie was bevolen; dat u bijgevolg uw dienstverplichtingen niet bent nagekomen; dat dit als een ernstig tuchtvergrijp moet worden beschouwd;
Overwegende dat in geen geval kan worden aanvaard dat een personeelslid, met dienst bevolen ‘permanentie bereikbaar en terugroepbaar’ - met recht op een specifieke financiële verloning -, om reden van overmatig drankverbruik, zijn dienstverplichtingen niet kan nakomen in die mate dat hij moet vervangen worden opdat het algemeen belang van de dienst kan worden gewaarborgd; dat u onmiddellijk diende te worden vervangen - een vrijdagnacht ! -; dat dit negatieve gevolgen heeft gehad op het sociale en familiale leven van de collega die u heeft moeten vervangen;
Overwegende dat redelijkerwijze kan worden verwacht van een personeelslid met permanentie Labo TWP, dat hij te allen tijde in staat moet kunnen zijn om zeer gespecialiseerde politionele bijstand te kunnen verlenen;
dat de specificiteit van dergelijke opdrachten inderdaad van die aard is dat het betrokken personeelslid in staat moet zijn, op de plaats van een delict, om zeer nauwkeurig te kunnen optreden bij het opsporen, verzamelen en vrijwaren van (micro)sporen;
Overwegende dat uw gedrag de operationele inzet van de interventiedienst van de Lokale Politiezone nutteloos heeft gehypothekeerd; dat ondanks uw ontkenning, u inderdaad eveneens en gedeeltelijk verantwoordelijk bent op dit punt;
Overwegende de bijzonder negatieve publiciteit die moet worden vastgesteld t.a.v. de collega's van de interveniërende Politiezone en de gerechtelijke overheden; dat ondanks uw ontkenning, u inderdaad eveneens en gedeeltelijk verantwoordelijk bent op dit punt Overwegende dat de ernst van uw foutief gedrag streng moet worden afgekeurd en gesanctioneerd;
Overwegende dat een zware tuchtstraf zich bijgevolg ontegensprekelijk opdringt.”
IV. Onderzoek van het eerste middel
Standpunt van de partijen
4. De verzoeker voert de schending aan van het beginsel van de behoorlijke feitenvinding en van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat een tuchtstraf moet steunen op een zorgvuldig feitenonderzoek dat de overheid toelaat de feiten voor effectief bewezen te houden.
IX-6122-7/12
Hij ontwikkelt het middel als volgt: er wordt hem verweten dat hij, hoewel in dienst -bereikbaar en oproepbaar- onder invloed van alcoholische dranken was en slapend in zijn wagen werd aangetroffen. Hij ontkent niet enkele biertjes gedronken te hebben -het werd hem door de aanwezige verantwoordelijken ook niet verboden- maar hij was wel nog in staat om normaal te functioneren en uit de getuigenissen blijkt niet dat hij niet meer in staat was om zijn permanentieopdracht te vervullen. Voorts wordt hem verweten verantwoordelijk te zijn voor de ruchtbaarheid die de bedoening heeft gekregen en de imagoschade aan het korps FGP Dendermonde, aangezien hij door te dreigen met zelfmoord en moord op zijn gezin, zijn collega G. Rombaut danig heeft verontrust dat deze alarm geslagen heeft met een kettingreactie aan interventies tot gevolg. Voor dat verwijt bestaat evenwel geen bewijs. Er zijn geen getuigen van wat zich heeft voorgedaan;
integendeel, waar zijn collega G. Rombaut verklaarde dat de verzoeker zich reeds op weg naar de parking verbaal agressief gedroeg, heeft de persoon die de poort van de parking geopend heeft verklaard dat beiden kalm waren. De tuchtoverheid acht de verklaring van G. Rombaut geloofwaardiger omdat hij de echtgenote van de verzoeker zou opgebeld hebben, maar over dergelijk gesprek is niets bekend.
Uit niets blijkt dat de verzoeker een initiatief zou genomen hebben om de parking te verlaten of dreigementen uit te voeren; de tuchtoverheid gaat dan ook ten onrechte mee in de stelling dat G. Rombaut goede redenen had om de extreme maatregelen te treffen. Er zit ook geen rationaliteit in de houding van G. Rombaut:
hij verlaat een collega die op het punt zou staan een wanhoopsdaad te plegen; hij deed niets om de sleutels van het voertuig te bemachtigen of het wegrijden te beletten; nochtans was de verzoeker blijkbaar vrij weerloos en zou hij enkel verbaal agressief geweest zijn.
5. De verwerende partij antwoordt daarop dat aan de verzoeker verweten is dat hij onder invloed was van alcohol, wat betekent dat hij alcohol gedronken had en dat de verzoeker dit niet ontkent. Hij heeft bekend dat het verantwoord was hem te vervangen. Zij voegt daaraan toe dat, wat betreft het aantasten van de waardigheid van het ambt, de tuchtoverheid over een grote discretionaire bevoegdheid beschikt.
IX-6122-8/12
In haar laatste memorie stelt zij nog dat de reactie van G. Rombaut op het gebeuren “meer dan een serieuze aanwijzing is” dat er redenen waren voor de gedane interventie en dat de Raad van State moet uitmaken of de tuchtoverheid onredelijk is geweest door op die aanwijzing voort te bouwen.
Overigens is er niet alleen de houding van G. Rombaut, maar blijkt uit het dossier ook dat andere collega’s van de verzoeker gezien hebben dat er zich in de loop van de avond een “verandering in de gemoedstoestand” van de verzoeker heeft voorgedaan. Er blijkt ook geen reden te bestaan om het gedrag van G. Rombaut toe te schrijven aan iets anders dan het gedrag van de verzoeker; indien er van zijnentwege een overreactie is gebeurd, dan was de verzoeker daar zeker de aanleiding voor en is hij daar ook voor verantwoordelijk.
Beoordeling
6. De verzoeker heeft tijdens het onderzoek bekend dat hij een aantal glazen bier gedronken heeft. Op grond van dat drankgebruik heeft de hiërarchische meerdere van de verzoeker geoordeeld dat hij vervangen moest worden voor zijn permanentietaak, hetgeen dan voor de tuchtoverheid reden is geweest om een tuchtactie in te stellen.
Voor de appreciatie van de feitelijke toestand, met name de vraag of het drankgebruik van de verzoeker hem verhinderde zijn dienstopdracht naar behoren verder te zetten, kan de Raad van State zich niet in de plaats van de meerdere van de verzoeker en van de tuchtoverheid stellen. Uit de gegevens van het dossier blijkt alvast niet dat de beoordeling de grenzen van het redelijke kennelijk overschrijdt; integendeel: uit de verklaring van de verbalisanten die de verzoeker in zijn voertuig aangetroffen hebben -proces-verbaal DE.42.LB.016581/2007 van 24 november 2007- blijkt dat hij “duidelijk onder invloed van alcohol (was en dat) binnen het voertuig een sterke alcoholgeur hangt”.
IX-6122-9/12
Het middel is niet gegrond in de mate de verzoeker voorhoudt dat niet bewezen is dat hij onder invloed was van alcohol en hij daarom zijn permanentieopdracht niet verder kon zetten.
7. De verzoeker is van oordeel dat hij ten onrechte verantwoordelijk wordt gehouden voor het onaangepast optreden van de politiediensten en de imagoschade aan het korps, aangezien niet bewezen is dat hij zijn collega G. Rombaut dermate heeft kunnen verontrusten dat deze met reden het buitenmatig alarm dat hier ontplooid werd, opgeroepen heeft.
De tuchtoverheid heeft bij de kwalificatie van de tuchtfeiten in haar inleidend verslag rekening gehouden met en de verzoeker verantwoordelijk gehouden -omdat G. Rombaut sterk verontrust zou geworden zijn door de dreigementen van de verzoeker om geweld op zijn familie en op zichzelf te plegen-
voor het nodeloos machtsvertoon. In de bestreden beslissing is die redenering aangehouden: de directeur-generaal heeft alle geloof gehecht aan de verklaring van G. Rombaut omtrent de ernst van de door de verzoeker geuite dreigementen; hij vindt die verklaring “overtuigend” omdat anders geen geloofwaardige reden bedacht kan worden voor het insisteren, door G. Rombaut, op een telefonisch contact met de ex-echtgenote van de verzoeker; de uitleg van de verzoeker over het houden van het telefonisch gesprek -om van het gezaag af te zijn- heeft de directeur-generaal integendeel als “volstrekt ongeloofwaardig” afgewezen en hij heeft dan uit “het chronologisch verloop van de gebeurtenissen” afgeleid dat G. Rombaut terecht geoordeeld heeft dat de verzoeker, ook omdat hij niet wist of de verzoeker gewapend was, de parking niet mocht verlaten zodat de verzoeker “mede verantwoordelijk” is voor het gebeurde.
8. In zijn advies, hoger geciteerd, heeft de tuchtraad gesteld dat niet bewezen was dat de verzoeker aan G. Rombaut zou verklaard hebben dat hij zijn vrouw en kinderen wou vermoorden en nadien zelfmoord plegen. Hij heeft ter verantwoording daarvan, met verwijzing naar de gegevens van het dossier, uiteengezet dat de verklaringen van G. Rombaut niet gespeend waren van enige
IX-6122-10/12
tegenstrijdigheid en dat uit de verklaringen van de politiemensen die ter hulp zijn gesneld ook gebleken is dat G. Rombaut “volledig overstuur” was. Na lezing van het dossier kunnen de conclusies van de tuchtraad alleen maar bijgevallen worden, ook al omdat uit deze lezing eveneens blijkt dat ook G. Rombaut tijdens de vermaakuitstap alcohol gedronken had.
In de tuchtstrafbeslissing wordt de kritiek van de tuchtraad wat betreft de inschatting van de ernst van de situatie die zich aan G. Rombaut aandiende, terzijde geschoven omdat zijn verklaring “overtuigend” was. Hem wordt alle krediet gegeven; de verklaring van de verzoeker wordt als “volstrekt ongeloofwaardig” weggewuifd. Daarmee toont de verwerende partij evenwel niet aan dat de beoordeling van de tuchtraad verkeerd was. Het is immers niet uitgesloten dat de verklaring voor het paniekerig optreden van G. Rombaut gevonden kan worden in het feit dat ook G. Rombaut niet geheel nuchter meer was en dat hij nogal voorbarig geoordeeld heeft dat de situatie zeer ernstig was. In dat verband is ook nooit onderzocht wat er tijdens het telefonisch onderhoud met de echtgenote van de verzoeker gezegd is, terwijl dit toch wel relevant had kunnen zijn om de inschatting die G. Rombaut gemaakt heeft, te beoordelen. Voorts is niet duidelijk waarom G. Rombaut, indien hij dan al overtuigd was van de ernst van de situatie, op het ogenblik dat iemand de poort van de parking komt openen, geen uiting geeft aan zijn grote bekommernis en dat hij vervolgens de verzoeker ook nog alleen laat op een ogenblik dat hij de parking zou kunnen verlaten.
9. Vertrekkend van de beredenering die de tuchtraad op grond van bewijskrachtige gegevens van het dossier gemaakt heeft, biedt de uitleg in de tuchtstrafbeslissing geen afdoende verantwoording die de verwerende partij toelaat de tenlastelegging toch nog voor bewezen te houden.
Het middel is gegrond.
IX-6122-11/12
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt de beslissing van 23 september 2008 van de directeur-generaal van de algemene directie Gerechtelijke Politie van de federale politie waarbij aan Guy De Brul de tuchtstraf wordt opgelegd van de inhouding van 10 % van zijn wedde voor de duur van één maand.
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 12 december 2011, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
André Vandendriessche, kamervoorzitter, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
De griffier De voorzitter
Vera Wauters André Vandendriessche
IX-6122-12/12