Aller au contenu principal

Détails

Numac
FISCONET_3
Bron
Fisconet Plus
Langue
Nederlands
Type
BTW
Categorie
BTW
Status
Van kracht
Artikelen
209

BTW-Wetboek (BTW)

Art. 1. Artikel 1 W.Btw
Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 34/2018 d.d. 22.05.2018 (B.S. 22.05.2018, p. 41903)
Bij artikel 29 van de programmawet van 1 juli 2016 (B.S. 04.07.2016 – Ed. 2) werd art. 1, § 14, W.Btw ingevoegd met ingang van 01.07.2016.
Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 34/2018 van 22 maart 2018, de artikelen 29 tot 34 van de programmawet van 1 juli 2016, vernietigd (*) met tegenstelbaarheid “erga omnes” vanaf 22.05.2018 – Het Hof handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen.
De vernietigde tekst luidde als volgt:
(§ 14. Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder:

1° "kans- en geldspelen":
a) de spelen, onder welke benaming ook, die gelegenheid geven tot
mededinging naar prijzen of premies in geld of natura, waarbij de spelers noch bij het begin, noch in de loop of bij het einde van het spel kunnen tussenkomen en de winnaars uitsluitend door het lot of enig andere kansbepaling worden aangewezen;
b) de spelen, onder welke benaming ook, die gelegenheid geven tot
mededinging naar prijzen of premies in geld of natura, uitgeloofd aan de deelnemers van een prijskamp, van welke aard ook, tenzij de prijskamp de totstandbrenging van een contract tussen de winnaars en de organisator ervan tot gevolg heeft;

2° "loterijen": elke gelegenheid om door middel van te kopen deelbewijzen van

Art. 1bis. Artikel 1bis
(De tekst van art. 1bis, 10° en 11°, werd ingevoegd (Art. 3, W 07.04.2023, B.S. 18.04.2023, pg. 39876, Numac: 2023041376) met ingang van 01.01.2024 (Art. 11, W 07.04.2023))
Voor de toepassing van dit Wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt verstaan onder:

1° "Richtlijn 86/560/EEG": de Dertiende Richtlijn 86/560/EEG van de Raad van 17 november
1986 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen;

2° "Richtlijn 2006/112/EG": de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

3° "Richtlijn 2008/9/EG": de Richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot
vaststelling van nadere voorschriften voor de in Richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn;

4° "Richtlijn 2008/118/EG": de Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008
houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG;

5° "Richtlijn 2010/24/EU": de Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010
betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen;

6° “Verordening (EU) nr. 904/2010": de Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7
oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van de fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde;

7° “Verordening (EU) nr. 952/2013": de Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees
Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie;

8° "Verordening (EU) nr. 910/2014": de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG;

9° "Verordening (EU) 2016/679": de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees
Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).

10° "Richtlijn (EU) 2015/2366": de Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en
de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG;
- I / 6 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

11° "Verordening (EU) nr. 260/2012": de Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees
Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009.

Art. 2. Artikel 2
(De tekst van art. 2 is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (Art.2, W 28.12.1992))
De leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, zijn aan de belasting onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden.
De handelingen verricht door de curator van een gefailleerde belastingplichtige ter uitvoering van de hem toevertrouwde opdracht, of door een derde onder toezicht van de curator, worden geacht door de gefailleerde zelf te zijn verricht.

Art. 3. Artikel 3
(De tekst van art. 3 is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (Art.3, W 28.12.1992))
De invoer van goederen, door wie ook, is eveneens aan de belasting onderworpen wanneer de invoer in België plaatsvindt.

Art. 3bis. Artikel 3bis
(De tekst van art. 3bis is ingevoegd met ingang van 01.01.1993 (Art. 4, W 28.12.1992))
De intracommunautaire verwervingen van goederen, omschreven in artikel 25bis, worden, wanneer zij in België geschieden, eveneens aan de belasting onderworpen, wanneer ze onder bezwarende titel plaatsvinden onder de in artikel 25ter gestelde voorwaarden.
- I / 7 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
HOOFDSTUK II
BELASTINGPLICHT

Art. 4. Artikel 4
(De tekst van art. 4, § 1, tweede lid, werd ingevoegd met ingang van 03.11.2022 (Art. 4, W 16.10.2022, B.S. 24.10.2022, Ed. 2, pg. 77534, Numac: 2022033779))

§ 1. Belastingplichtige is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.
De in het eerste lid bedoelde voorwaarde dat de economische activiteit zelfstandig moet worden verricht, sluit loontrekkenden en andere personen van de belastingheffing uit, voor zover zij met hun werkgever een arbeidsovereenkomst hebben aangegaan of enige andere juridische band hebben waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat ten aanzien van de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de werkgever.

§ 2. De Koning kan, in de gevallen en volgens de regels die Hij bepaalt, de in België gevestigde personen die juridisch gezien wel zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, voor de toepassing van dit Wetboek als één belastingplichtige aanmerken.

Art. 5. Artikel 5
(De tekst van art. 5, werd opgeheven met ingang van 28.12.1992 (Art. 6, W 28.12.1992))
(opgeheven)

Art. 6. Artikel 6
(De tekst van art. 6, tweede en derde lid is van toepassing met ingang van 01.07.2007 (Art. 39, b) en c), W 27.12.2006, B.S. 28.12.2006)) (2)
De Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten van de Belgische Staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en de openbare instellingen worden niet als belastingplichtige aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen. (2)
De hoedanigheid van belastingplichtige wordt hen evenwel toegekend voor deze werkzaamheden of handelingen voor zover een behandeling als niet-belastingplichtige tot concurrentieverstoring van enige betekenis zou leiden.
Zij worden in elk geval als belastingplichtige voor de belasting over de toegevoegde waarde beschouwd voor de volgende werkzaamheden of handelingen, voor zover deze niet van onbeduidende omvang zijn:

1° de telecommunicatiediensten;
(2) Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 104/2008, d.d. 17.07.2008 (B.S. 11.08.2008)
Artikel 39, a), W 27.12.2006, tot wijziging van het eerste lid van art. 6, W.Btw, werd vernietigd met handhaving van de gevolgen van de vernietigende bepaling tot 31.12.2008. (Zie bijlage B).
- II / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

2° de levering en de voorziening van water, gas, elektriciteit en stoom;

3° het goederen- en personenvervoer;

4° de levering van goederen en het verrichten van diensten in het kader van de exploitatie
van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens;

5° de levering van nieuwe goederen geproduceerd voor de verkoop;

6° de handelingen van de landbouwinterventiebureaus met betrekking tot
landbouwproducten, die worden verricht op grond van verordeningen houdende een gemeenschappelijke marktordening voor deze producten;

7° de exploitatie van commerciële beurzen en tentoonstellingen;

8° de exploitatie en het verlenen van rechten op de exploitatie van een parkeergelegenheid,
een opslagplaats en/of een kampeerterrein;

9° de werkzaamheden inzake reclame;

10° de diensten van reisbureaus bedoeld in artikel 1, § 7;

11° de leveringen van goederen en de diensten verricht door bedrijfskantines, bedrijfswinkels,
coöperaties en soortgelijke inrichtingen;

12° de leveringen van goederen en de diensten verricht door radio- en televisieomroep-
diensten.

Art. 7. Artikel 7
(De tekst van art. 7, werd opgeheven met ingang van 27.12.1977 (Art. 3, W 27.12.1977))
(opgeheven)

Art. 8. Artikel 8
(De tekst van art. 8, werd gewijzigd met ingang van 25.05.2019 (Art. 8, W 02.05.2019, B.S. 15.05.2019, pg. 46586))

§ 1. Eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een goed bedoeld in artikel 1, § 9, eerste lid, 1°, heeft opgericht, heeft laten oprichten of heeft verkregen met voldoening van de belasting, en het uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van dat goed, onder bezwarende titel vervreemdt, heeft ten aanzien van de vervreemding van dit goed en het bijhorende terrein de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de vervreemding te doen met voldoening van de belasting.

§ 2. Eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een goed bedoeld in artikel 1, § 9, eerste lid, 1°, heeft opgericht, heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen en waarop hij, vóór het verstrijken van de in paragraaf 1 bepaalde termijn, onder bezwarende titel een zakelijk recht vestigt in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, heeft ten aanzien van deze vestiging de hoedanigheid van belastingplichtige wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de vestiging van dit zakelijk recht te doen met voldoening van de belasting.
Deze persoon heeft eveneens de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer de in het eerste lid beoogde vestiging van het zakelijk recht daarenboven betrekking heeft op het bijhorende terrein.
- II / 2 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 3. Eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, dat met voldoening van de belasting te zijnen bate werd gevestigd of aan hem werd overgedragen, binnen de in paragraaf 1 bepaalde termijn, onder bezwarende titel, overdraagt of wederoverdraagt, heeft ten aanzien van de overdracht of wederoverdracht van dit zakelijk recht op een goed bedoeld in artikel 1, § 9, eerste lid, 1°, de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling het zakelijk recht met voldoening van de belasting over te dragen of weder over te dragen.
Deze persoon heeft eveneens de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer de in het eerste lid beoogde overdracht of wederoverdracht van het zakelijk recht daarenboven betrekking heeft op het bijhorende terrein.

Art. 8bis. Artikel 8bis
(De tekst van art. 8bis, is van toepassing met ingang van 01.01.1995 (Art. 1, KB 23.12.1994))

§ 1. Als belastingplichtige wordt tevens aangemerkt eenieder die toevallig onder bezwarende titel een nieuw vervoermiddel levert onder de voorwaarden van artikel 39bis.

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel:

1° worden als vervoermiddel beschouwd: voor het personen- of goederenvervoer bestemde,
schepen met een lengte van meer dan 7,5 meter, luchtvaartuigen met een totaal opstijggewicht van meer dan 1550 kg en landvoertuigen die zijn uitgerust met een motor met een cilinderinhoud van meer dan 48 cc of met een vermogen van meer dan 7,2 kilowatt, met uitzondering van schepen bedoeld in artikel 42, § 1, 1°, a en b, en luchtvaartuigen, die niet zijn bestemd om door de Staat te worden gebruikt, bedoeld in artikel 42, § 2, 1°;

2° worden als nieuwe vervoermiddelen aangemerkt de vervoermiddelen bedoeld in 1°
wanneer:
- indien het landvoertuigen betreft, hun levering plaatsvindt binnen de zes maanden na de datum van hun eerste ingebruikneming of die niet meer dan 6000 kilometer hebben afgelegd;
- indien het boten betreft, hun levering plaatsvindt binnen de drie maanden na de
datum van hun eerste ingebruikneming of die niet meer dan 100 uren hebben gevaren;
- indien het luchtvaartuigen betreft, hun levering plaatsvindt binnen de drie maanden
na de datum van hun eerste ingebruikneming of die niet meer dan 40 uren hebben gevlogen.
Door of vanwege de Minister van Financiën wordt vastgesteld onder welke voorwaarden kan worden aangetoond dat het geleverde vervoermiddel een nieuw vervoermiddel is in de zin van dit artikel.
- II / 3 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
HOOFDSTUK III
WERKINGSSFEER
Afdeling 1
Levering van goederen
Onderafdeling 1
Bedoelde goederen en handelingen
(De titel van onderafdeling 1, werd ingevoegd met ingang van 01.01.2013 (Art. 4, W 17.12.2012, B.S. 21.12.2012))

Art. 9. Artikel 9 van de wet van 7 maart 1935 tot oprichting van een gedenkteken der regering van Koning Albert wordt met het volgende lid aangevuld: "De bepalingen betreffende de belasting over de toegevoegde waarde zijn van toepassing op de verrichtingen bedoeld in het eerste lid".

Art. 10. Artikel 10
(De tekst van art. 10, werd vervangen met ingang van 01.01.2013 (Art. 5, W 17.12.2013, B.S. 21.12.2013, ed. 2, erratum B.S. 22.01.2013))

§ 1. Als een levering van een goed wordt beschouwd de overdracht of de overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijk goed te beschikken.
Hier wordt onder meer bedoeld de terbeschikkingstelling van een goed aan de verkrijger of de overnemer ingevolge een contract tot overdracht of aanwijzing.

§ 2. Wordt eveneens beschouwd als een levering van een goed:
a) de eigendomsoverdracht van een goed tegen betaling van een vergoeding ingevolge een vordering door of namens de overheid en, meer algemeen, ingevolge een wet, een decreet, een ordonnantie, een besluit of een administratieve verordening;
b) de materiële afgifte van een goed ingevolge een overeenkomst waarbij een goed
gedurende een bepaalde periode in huur wordt gegeven of ingevolge een overeenkomst tot koop en verkoop op afbetaling, in beide gevallen onder het beding dat normaal het goed uiterlijk bij de betaling van de laatste termijn in eigendom wordt verkregen;
- III / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
c) de overdracht van een goed ingevolge een overeenkomst tot koop of verkoop in
commissie.

§ 3. De afgifte van een goed als verbruiklening en de teruggaaf ingevolge een zodanige lening worden ook als een levering onder bezwarende titel in de zin van paragraaf 1 beschouwd.

Art. 11. Artikel 11
(De tekst van art. 11 is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (Art.12, W 28.12.1992))
Als levering wordt niet beschouwd de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten.

Art. 12. Artikel 12
(De tekst van art. 12, § 1, eerste lid, 2°, a) en derde lid, werd vervangen met ingang van 10.07.2021 (Art. 4, W 27.06.2021, B.S. 30.06.2021, pg. 66732, Numac: 2021042511). Tijdens de periode van 01.03.2020 t.e.m. 31.12.2020 was er een afwijkende regeling van toepassing naar aanleiding van COVID-19, zie historiek, versie html)

§ 1. Met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld:

1° het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een roerend goed voor zijn privé-doeleinden of voor de privé-doeleinden van zijn personeel en, meer algemeen, voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan;

2° het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed om het om niet
te verstrekken, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan, met uitzondering van de onttrekkingen die worden gedaan met het oog op:
a) het verstrekken van handelsgeschenken van geringe waarde of handelsmonsters;
b) het verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden van voedingsmiddelen bestemd voor
de menselijke consumptie, met uitzondering van geestrijke dranken, waarvan de intrinsieke kenmerken niet meer toelaten dat ze, in gelijk welke schakel van het reguliere economische circuit, worden verkocht tegen de oorspronkelijke commercialisatievoorwaarden;
c) het verstrekken voor liefdadigheidsdoeleinden van levensnoodzakelijke niet-
voedingsmiddelen, andere dan goederen die op duurzame wijze kunnen worden gebruikt waarvan de intrinsieke kenmerken verhinderen dat ze, in gelijk welke schakel van het economische circuit, nog worden verkocht tegen de oorspronkelijke commercialisatievoorwaarden;

3° de ingebruikneming door een belastingplichtige, als bedrijfsmiddel, van een goed dat hij
anders dan als bedrijfsmiddel heeft opgericht, heeft laten oprichten, heeft vervaardigd, heeft laten vervaardigen, heeft verkregen of heeft ingevoerd of waarvoor, met toepassing van de belasting, te zijnen bate zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, werden gevestigd of aan hem werden overgedragen of wederovergedragen, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan;
- III / 2 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

4° de ingebruikneming door een belastingplichtige, anders dan als bedrijfsmiddel, van een
door hem vervaardigd roerend goed, voor het verrichten van handelingen waarvoor geen volledige aanspraak op aftrek van de belasting bestaat, wanneer voor de bestanddelen van dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan;

5° het onder zich hebben van een goed door een belastingplichtige of zijn rechthebbenden
ingeval hij de uitoefening van zijn economische activiteit beëindigt, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan; deze bepaling is niet van toepassing wanneer de rechthebbenden de activiteit van belastingplichtige onder de voorwaarden van artikel 11 verderzetten.
De Koning omschrijft het begrip bedrijfsmiddel voor de toepassing van dit Wetboek.
De Koning bepaalt de toepassingsvoorwaarden waaraan de in het eerste lid, 2°, bedoelde onttrekkingen moeten voldoen, met betrekking tot de waarde en de regelmaat van de handelsgeschenken evenals de uitgesloten goederen, de aard en de kenmerken van de in het eerste lid, 2°, b) en c), bedoelde goederen, de bedoelde liefdadigheidsdoeleinden, de omstandigheden waarin de bedoelde onverkoopbare goederen voor die doeleinden kunnen worden verstrekt, het bedrag dat als kosten in rekening kan worden gebracht en de vormvoorwaarden die moeten worden in acht genomen.

§ 2. De belastingplichtige die geregeld goederen bedoeld in artikel 1, § 9, eerste lid, 1°, die hij heeft opgericht of laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van hun eerste ingebruikneming of hun eerste inbezitneming, onder bezwarende titel vervreemdt, wordt geacht het goed dat bij het verstrijken van de bovengenoemde termijn niet is vervreemd voor eigen behoeften te onttrekken, wanneer dit goed op dat tijdstip nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de ingebruikneming bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. Deze belastingplichtige wordt eveneens geacht voor eigen behoeften het bijhorende terrein te onttrekken, als hiervoor een recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De onttrekking die hij op dat tijdstip geacht wordt te verrichten wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld.
De belastingplichtige die geregeld onder bezwarende titel zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, vestigt op goederen bedoeld in artikel 1, § eerste lid, 9, 1°, die hij heeft opgericht of laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen, uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van hun eerste ingebruikneming of hun eerste inbezitneming, wordt geacht het goed dat bij het verstrijken van de bovengenoemde termijn niet is vervreemd voor eigen behoeften te onttrekken, wanneer dit goed op dat tijdstip nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de ingebruikneming bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. Deze belastingplichtige wordt eveneens geacht voor eigen behoeften het bijhorende terrein te onttrekken, als hiervoor een recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De onttrekking die hij op dat tijdstip geacht wordt te verrichten wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld.
De in het eerste en het tweede lid bedoelde belastingplichtige in wiens voordeel een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, met voldoening van de belasting werd gevestigd of aan wie een dergelijk recht met voldoening van de belasting werd overgedragen, wordt geacht dat recht dat bij het verstrijken van de in het tweede lid gestelde termijn niet is overgedragen of wederovergedragen voor eigen behoeften te onttrekken, wanneer het in artikel 1, § 9, eerste lid, 1°, beoogde goed waarop het zakelijk recht betrekking heeft op dat tijdstip nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de ingebruikneming bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. Deze belastingplichtige wordt eveneens geacht voor eigen behoeften het zakelijk recht op het bijhorende terrein te onttrekken, als hiervoor een recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De onttrekking die hij op dat tijdstip geacht wordt te verrichten wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld.
- III / 3 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 12bis. Artikel 12bis
(De tekst van art. 12bis, tweede lid, 1°, werd gewijzigd (Art. 14, W 16.10.2022, B.S. 24.10.2022, Ed. 2, pg. 77534, Numac: 2022033779) met ingang van 01.01.2022 (Art. 16, W 16.10.2022))
De overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere lidstaat wordt gelijkgesteld met een levering van goederen onder bezwarende titel.
Als overbrenging naar een andere lidstaat wordt beschouwd iedere verzending of ieder vervoer van een lichamelijk roerend goed voor bedrijfsdoeleinden, door of voor rekening van de belastingplichtige, buiten België, maar binnen de Gemeenschap, voor zover het daarbij niet om een van de volgende handelingen gaat:

1° de levering van dat goed door de belastingplichtige binnen de lidstaat waar de installatie
of de montage onder de voorwaarden van artikel 14, § 3, plaatsvindt of binnen de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer onder de voorwaarden van artikel 15, §§ 1, 2 of 2bis;

2° de levering van dat goed door de belastingplichtige onder de voorwaarden van artikel 14,

§ 4;

3° de levering van dat goed door de belastingplichtige in het binnenland onder de
voorwaarden van de artikelen 39, § 1, 39bis en 42, §§ 1, 2 en 3;

4° de verrichting van een dienst voor de belastingplichtige in verband met expertises of
werkzaamheden betreffende dat goed, die materieel worden verricht op het grondgebied van de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, voor zover het goed na expertise of bewerking opnieuw wordt verzonden naar deze belastingplichtige in België vanwaar het oorspronkelijk was verzonden of vervoerd;

5° het tijdelijk gebruik van dat goed op het grondgebied van de lidstaat van aankomst van
de verzending of het vervoer van het goed, ten behoeve van diensten door de in België gevestigde belastingplichtige;

6° het tijdelijke gebruik van dat goed voor een periode van ten hoogste 24 maanden op het
grondgebied van een andere lidstaat waar de invoer van hetzelfde goed uit een derde land met het oog op tijdelijk gebruik in aanmerking zou komen voor de regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten;

7° de levering van gas via een op het grondgebied van de Gemeenschap gesitueerd
aardgassysteem of eender welk op een dergelijk systeem aangesloten net, de levering van elektriciteit of de levering van warmte of koude via warmte- of koudenetten, onder de in artikel 14bis bepaalde voorwaarden.
Wanneer één van de voorwaarden voor de toepassing van de bepalingen van het tweede lid hierboven niet meer wordt vervuld, wordt het goed evenwel beschouwd als overgebracht naar een andere lidstaat. In dat geval vindt de overbrenging plaats op het tijdstip waarop de voorwaarde niet meer wordt vervuld.

Art. 12ter. Artikel 12ter
(De tekst van art. 12ter, werd ingevoegd met ingang van 01.01.2020 (Art. 4, W 03.11.2019, B.S. 13.11.2019, pg. 104872. Errata B.S. 27.12.2019, Ed. 2, pg. 118384). Deze bepaling is van toepassing op de goederen die vanaf 1 januari 2020 worden verzonden of vervoerd van België naar een andere lidstaat of omgekeerd onder de regeling bedoeld in artikel 17bis van de richtlijn 2006/112/EG (Art. 11, W 03.11.2019))

§ 1. De overbrenging door een belastingplichtige in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep van een goed van zijn bedrijf naar een andere lidstaat, wordt niet behandeld als een levering van goederen onder bezwarende titel
- III / 4 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt geacht sprake te zijn van de regeling inzake voorraad op afroep wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1° de goederen worden verzonden of vervoerd door een belastingplichtige of door een derde
partij voor diens rekening naar een andere lidstaat om die goederen daar, in een later stadium en na aankomst, aan een andere belastingplichtige te leveren die ertoe gerechtigd zal zijn om over deze goederen als eigenaar te beschikken krachtens een bestaande overeenkomst tussen de beide belastingplichtigen;

2° de belastingplichtige die de goederen verzendt of vervoert, heeft zijn zetel van
economische activiteit niet gevestigd en heeft geen vaste inrichting in de lidstaat waarnaar de goederen worden verzonden of vervoerd;

3° de belastingplichtige voor wie de goederen zijn bestemd om te worden geleverd, is voor
btw-doeleinden geïdentificeerd in de lidstaat waarnaar de goederen worden verzonden of vervoerd, en zowel zijn identiteit als het btw-identificatienummer dat door die lidstaat aan hem is toegekend, zijn bij de in 2° bedoelde belastingplichtige bekend op het tijdstip waarop de verzending of het vervoer aanvangt;

4° de belastingplichtige die de goederen verzendt of vervoert, neemt het vervoer van de
goederen op in het in artikel 54bis, § 1, derde lid, bedoelde register en vermeldt de identiteit van de belastingplichtige die de goederen afneemt, evenals het btw- identificatienummer dat aan hem is toegekend door de lidstaat waarnaar de goederen worden verzonden of vervoerd, overeenkomstig artikel 53sexies, § 1, 4°, in de btw- opgave van de intracommunautaire handelingen.

§ 3. Wanneer aan de voorwaarden van paragraaf 2 is voldaan, wordt een levering van goederen overeenkomstig artikel 39bis, eerste lid, 1°, geacht te zijn verricht door de belastingplichtige die de goederen zelf heeft verzonden of vervoerd of voor zijn rekening door een derde heeft laten verzenden of vervoeren, op het tijdstip van de overdracht van de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken, aan de in paragraaf 2, 3°, bedoelde belastingplichtige, op voorwaarde dat de overdracht binnen de in paragraaf 4 bedoelde termijn plaatsvindt.

§ 4. Wanneer de goederen binnen twaalf maanden na aankomst van de goederen in de lidstaat waarnaar de goederen zijn verzonden of vervoerd, niet zijn geleverd aan de belastingplichtige voor wie zij waren bestemd, bedoeld in paragraaf 2, 3°, of paragraaf 6, en geen van de omstandigheden van paragraaf 7 zich hebben voorgedaan, wordt een overbrenging in de zin van artikel 12bis, eerste lid, geacht te zijn verricht op de dag na het verstrijken van de periode van twaalf maanden.

§ 5. Wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld, wordt geen overbrenging in de zin van artikel 12bis, eerste lid, geacht te zijn verricht:

1° de macht om te beschikken over de goederen is niet overgedragen en die goederen
worden teruggezonden naar België binnen de in paragraaf 4 bedoelde termijn;

2° de belastingplichtige die de goederen heeft verzonden of vervoerd, neemt de
terugzending ervan op in het in artikel 54bis, § 1, derde lid, bedoelde register.

§ 6. Wanneer de in paragraaf 2, 3°, bedoelde belastingplichtige binnen de in paragraaf 4 bedoelde termijn wordt vervangen door een andere belastingplichtige, wordt op het tijdstip van de vervanging geen overbrenging in de zin van artikel 12bis, eerste lid, geacht te zijn verricht, wanneer

1° de andere in paragraaf 2 bedoelde voorwaarden zijn vervuld;

2° de in paragraaf 2, 2°, bedoelde belastingplichtige de vervanging opneemt in het in artikel
54bis, § 1, derde lid, bedoelde register.
- III / 5 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 7. Wanneer één van de in de paragrafen 2 en 6 vastgelegde voorwaarden binnen de in paragraaf 4 bedoelde termijn niet langer is vervuld, wordt een overbrenging van goederen in de zin van artikel 12bis, eerste lid, geacht te zijn verricht op het tijdstip dat de desbetreffende voorwaarde niet langer is vervuld.
Wanneer de goederen worden geleverd aan een andere persoon dan de in paragraaf 2, 3°, of in paragraaf 6 bedoelde belastingplichtige, worden de in de paragrafen 2 en 6 bedoelde voorwaarden geacht niet langer te zijn vervuld onmiddellijk vóór een dergelijke levering.
Wanneer de goederen worden verzonden of vervoerd naar een ander land dan België, worden de in de paragrafen 2 en 6 bedoelde voorwaarden geacht niet langer te zijn vervuld onmiddellijk vóór de aanvang van een dergelijke verzending of een dergelijk vervoer.
In geval van vernietiging, verlies of diefstal van de goederen worden de in de paragrafen 2 en 6 bedoelde voorwaarden geacht niet langer te zijn vervuld op de datum waarop de goederen daadwerkelijk werden verwijderd of vernietigd, of wanneer het onmogelijk is om deze datum te bepalen, op de datum waarop werd vastgesteld dat de goederen waren vernietigd of verdwenen.

Art. 13. Artikel 13
(De tekst van art. 13, werd ingevoegd met ingang van 01.01.1971 (W 03.07.1969))

§ 1. De inkoopcommissionair wordt aangemerkt als koper en, ten opzichte van zijn lastgever, als verkoper van het goed dat door zijn toedoen wordt gekocht; de verkoopcommissionair wordt aangemerkt als verkoper en, ten opzichte van zijn lastgever, als koper van het goed dat door zijn toedoen wordt verkocht.

§ 2. Als commissionair wordt aangemerkt niet alleen hij die op eigen naam of onder firma voor rekening van een lastgever handelt, maar ook de tussenpersoon bij inkoop of de tussenpersoon bij verkoop, die in enigerlei hoedanigheid een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of ander daarmee gelijkstaand stuk respectievelijk van de verkoper ontvangt of aan de koper uitreikt.

§ 3. Voor de toepassing van de §§ 1 en 2 hoeft ten aanzien van inkoop- of verkoopcombinaties niet te worden nagegaan of zij al dan niet zijn opgericht in de vorm van een vennootschap of vereniging met rechtspersoonlijkheid.

Art. 13bis. Artikel 13bis
(Het artikel 13bis, werd ingevoegd met ingang van 01.07.2021 (Art. 4, W 02.04.2021, B.S. 13.04.2021, pg. 32957, Numac: 2021041096))

§ 1. Indien een belastingplichtige via het gebruik van een elektronische interface, zoals een marktplaats, platform, portaal of soortgelijk middel, afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro, faciliteert, wordt die belastingplichtige geacht die goederen zelf te hebben ontvangen en geleverd.

§ 2. Indien een belastingplichtige via het gebruik van een elektronische interface, zoals een marktplaats, platform, portaal of soortgelijk middel, de levering van goederen binnen de Gemeenschap door een niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige aan een niet- belastingplichtige, faciliteert, wordt de belastingplichtige die de levering faciliteert geacht die goederen zelf te hebben ontvangen en geleverd.
- III / 6 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Onderafdeling 2
Plaats van de levering van de goederen
(De titel van onderafdeling 2, werd ingevoegd met ingang van 01.01.2013 (Art. 7, W 17.12.2012, B.S. 21.12.2012))

Art. 14. Artikel 14
(De tekst van art. 14, werd gewijzigd met ingang van 01.07.2021: 1. § 6, werd ingevoegd (Art. 5, W 02.04.2021, B.S. 13.04.2021, pg. 32957, Numac: 2021041096); 2. § 5, werd aangevuld met een lid (Art. 15, W 16.10.2022, B.S. 24.10.2022, Ed. 2, pg. 77534, Numac: 2022033779) eveneens met ingang van 01.07.2021 (Art. 16, W 16.10.2022))

§ 1. Wanneer het goed niet wordt verzonden of vervoerd, wordt als plaats van levering aangemerkt de plaats waar het goed zich bevindt op het tijdstip van de levering.

§ 2. Wanneer het goed door de leverancier, door de afnemer of door een derde wordt verzonden of vervoerd, wordt als plaats van levering aangemerkt de plaats waar het goed zich bevindt op het tijdstip van vertrek van de verzending of het vervoer naar de afnemer.
In afwijking van het eerste lid, wanneer de plaats van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen in een derdelandsgebied of een derde land ligt, wordt de plaats van de levering, door de persoon op wiens naam de wegens de invoer verschuldigde belasting regelmatig is voldaan, evenals de plaats van eventuele daaropvolgende leveringen, geacht in de lidstaat van invoer van de goederen te liggen.

§ 3. Ingeval het door de leverancier, door de afnemer of door een derde verzonden of vervoerde goed door of voor rekening van de leverancier wordt geïnstalleerd of gemonteerd, wordt als plaats van de levering aangemerkt de plaats waar de installatie of de montage wordt verricht.

§ 4. Ingeval de levering van goederen wordt verricht aan boord van een schip, vliegtuig of trein en tijdens het in de Gemeenschap verrichte gedeelte van een passagiersvervoer, wordt als plaats van deze levering aangemerkt de plaats van vertrek van het passagiersvervoer.

§ 5. Wanneer dezelfde goederen het voorwerp van opeenvolgende leveringen uitmaken en die goederen van een lidstaat naar een andere lidstaat rechtstreeks van de eerste leverancier naar de laatste afnemer in de keten worden verzonden of vervoerd, wordt de verzending of het vervoer uitsluitend toegeschreven aan de levering aan de tussenhandelaar.
In afwijking van het eerste lid wordt de verzending of het vervoer uitsluitend aan de levering van goederen door de tussenhandelaar toegeschreven indien de tussenhandelaar aan zijn leverancier het btw-identificatienummer heeft meegedeeld dat de lidstaat waaruit de goederen worden verzonden of vervoerd, aan hem heeft toegekend.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder "tussenhandelaar" verstaan een andere leverancier in de keten dan de eerste leverancier in de keten, die de goederen ofwel zelf verzendt of zelf vervoert ofwel voor zijn rekening door een derde laat verzenden of vervoeren.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de in artikel 13bis bedoelde situaties.
- III / 7 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 6. Indien een belastingplichtige geacht wordt goederen te hebben ontvangen en geleverd overeenkomstig artikel 13bis, wordt de verzending of het vervoer van de goederen toegerekend aan de levering die door die belastingplichtige wordt verricht.

Art. 14bis. Artikel 14bis
(De tekst van art. 14bis, werd ingevoegd met ingang van 01.01.2013 (Art. 9, W 17.12.2012 (I), B.S. 21.12.2012, Ed. 2))
Ingeval van levering van gas via een aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net op het grondgebied van de Gemeenschap, van levering van elektriciteit of van levering van warmte of koude via warmte- of koudenetten wordt als plaats van de levering aangemerkt:
a) de plaats waar de afnemer de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting
heeft gevestigd waarvoor de goederen worden geleverd. Bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting wordt zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats als plaats van de levering aangemerkt, wanneer deze afnemer een belastingplichtige is wiens hoofdactiviteit op het gebied van de aankoop van gas, elektriciteit, warmte of koude bestaat in het opnieuw verkopen van die goederen en wiens eigen verbruik van die goederen verwaarloosbaar is;
b) de plaats waar de afnemer het effectieve gebruik en verbruik van deze goederen heeft
wanneer het gaat om leveringen niet bedoeld in a). Indien alle goederen of een deel ervan in werkelijkheid niet door deze afnemer worden gebruikt, worden deze niet- verbruikte goederen geacht te zijn gebruikt en verbruikt op de plaats waar hij de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de goederen worden geleverd. Bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting wordt hij geacht de goederen te hebben gebruikt en verbruikt in zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats.

Art. 15. Artikel 15
(1. De tekst van art. 15, werd vervangen met ingang van 01.07.2021 (Art. 6, W 02.04.2021, B.S. 13.04.2021, pg. 32957, Numac: 2021041096); 2. Een § 2bis, werd ingevoegd (Art. 20, W 27.12.2021, B.S. 31.12.2021 - Ed. 2, pg. 127779, Numac: 2021034489), eveneens met ingang van 01.07.2021 (Art. 22, tweede lid, W 27.12.2021))

§ 1. In afwijking van artikel 14, § 2, en met uitsluiting van de levering van goederen onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing bedoeld in de artikelen 312 tot 341 van de richtlijn 2006/112/EG, worden geacht in België plaats te vinden:

1° de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen wanneer de goederen zich in
België bevinden op het tijdstip van de aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer;

2° de afstandsverkopen, van uit een derdelandsgebied of een derde land, ingevoerde
goederen wanneer de goederen zich in België bevinden op het tijdstip van de aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer en de invoer in een andere lidstaat dan België plaatsvindt;

3° de afstandsverkopen uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde goederen
wanneer de goederen zich in België bevinden op het tijdstip van de aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer en de invoer in België plaatsvindt, mits de belasting op die goederen moet worden aangegeven in het kader van de bijzondere regeling bedoeld in titel XII, hoofdstuk 6, afdeling 4, van de richtlijn 2006/112/EG.
- III / 8 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Het eerste lid, 1°, is evenwel niet van toepassing wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn:

1° de leverancier is gevestigd of, bij gebreke van een vestiging, heeft zijn woonplaats of
gebruikelijke verblijfplaats in slechts één lidstaat, andere dan België;

2° de goederen worden verzonden of vervoerd naar België;

3° het totale bedrag, exclusief btw, van de diensten bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, tweede
lid, b), en van de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen naar een andere lidstaat dan degene bedoeld onder 1° is in het lopende kalenderjaar niet hoger dan 10 000 euro, en heeft dat bedrag ook niet overschreden in de loop van het voorafgaande kalenderjaar.
Wanneer in de loop van een kalenderjaar de drempel bedoeld in het tweede lid, 3°, wordt overschreden, is het eerste lid, 1°, van toepassing vanaf de eerste levering, in zijn geheel beschouwd, waarvoor de drempel is overschreden.
De voorwaarde bedoeld in het tweede lid, 3°, is niet van toepassing wanneer de leverancier in een lidstaat van vertrek van goederen ervoor heeft gekozen dat de leveringen plaatsvinden in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen of wanneer hij in zijn lidstaat van vestiging ervoor heeft gekozen dat de plaats van de diensten bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, wordt bepaald overeenkomstig punt b) van die bepaling.

§ 2. In afwijking van artikel 14, § 2, en met uitsluiting van de leveringen van goederen onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4, wordt de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van de aankomst van de verzending of het vervoer naar de afnemer als de plaats van levering aangemerkt van een intracommunautaire afstandsverkoop van goederen vanuit België.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn:

1° de leverancier is gevestigd of, bij gebreke van een vestiging, heeft zijn woonplaats of
gebruikelijke verblijfplaats in slechts één lidstaat;

2° de goederen worden verzonden of vervoerd vanuit België naar een andere lidstaat dan
degene bedoeld onder 1°;

3° het totale bedrag, exclusief btw, van de diensten bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, tweede
lid, b), en van de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen naar een andere lidstaat dan degene bedoeld onder 1° is in het lopende kalenderjaar niet hoger dan 10 000 euro, en heeft dat bedrag ook niet overschreden in de loop van het voorafgaande kalenderjaar.
Wanneer in de loop van een kalenderjaar de drempel bedoeld in het tweede lid, 3°, wordt overschreden, is het eerste lid van toepassing vanaf de eerste levering, in zijn geheel beschouwd, waarvoor de drempel is overschreden.
De voorwaarde van de drempel bedoeld in het tweede lid, 3°, is niet van toepassing wanneer de leverancier ervoor kiest dat de plaats van levering van de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen vanuit België zich bevindt in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen. Deze keuze geldt voor een periode van ten minste twee kalenderjaren en geldt eveneens voor de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen vanuit andere lidstaten dan België. Die optie heeft eveneens tot gevolg dat de diensten bedoeld in artikel 21bis, § 2, 9°, tweede lid, b), plaatsvinden in de lidstaat waar de afnemer is gevestigd of waar hij zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft.

§ 2bis. In afwijking van artikel 14, § 2, en met uitsluiting van de levering van goederen onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing bedoeld in de artikelen 312 tot 341 van de Richtlijn 2006/112/EG, worden geacht plaats te hebben in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer:

1° de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde
goederen in zendingen met een intrinsieke waarde van meer dan 150 euro, wanneer de
- III / 9 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
goederen zich op het tijdstip van de aankomst van de zending of van het vervoer van de goederen naar de afnemer in die lidstaat bevinden en de invoer in België plaatsvindt;

2° de afstandsverkopen van uit een derdelandsgebied of een derde land ingevoerde
goederen wanneer de goederen zich in die lidstaat bevinden op het tijdstip van aankomst van de zending of het vervoer van de goederen naar de afnemer en de invoer in België plaatsvindt, mits de belasting op die goederen moet worden aangegeven in het kader van de bijzondere regeling bedoeld in titel XII, hoofdstuk 6, afdeling 4, van de Richtlijn 2006/112/EG.

§ 3. De Koning bepaalt de modaliteiten van de mededeling van de gegevens bedoeld in paragraaf 2, derde lid, en de modaliteiten voor de uitoefening van de keuze bedoeld in paragraaf 2, vierde lid.
Onderafdeling 3
Belastbaar feit en opeisbaarheid van de belasting
(De titel van onderafdeling 3, werd ingevoegd met ingang van 01.01.2013 (Art. 11, W 17.12.2012, B.S. 21.12.2012))

Art. 16. Artikel 16
(De tekst van art. 16, § 2, derde lid, werd gewijzigd met ingang van 25.05.2019 (Art. 10, W 02.05.2019, B.S. 15.05.2019, pg. 46586))

§ 1. Voor leveringen van goederen vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip waarop de levering van het goed wordt verricht. De levering wordt verricht op het tijdstip waarop het goed ter beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt gesteld.
Wanneer het goed ter beschikking van de verkrijger of de overnemer is vóór het sluiten van het contract of wanneer de verkoper of overdrager het bezit van het goed behoudt na het sluiten van het contract, wordt de levering geacht te zijn verricht op het tijdstip waarop het contract uitwerking heeft.
Indien de levering de verzending of het vervoer omvat van het goed door of voor rekening van de leverancier, wordt de levering verricht op het tijdstip van de aankomst van de verzending of van het vervoer naar de afnemer of de overnemer, tenzij het goed door of voor rekening van de leverancier wordt geïnstalleerd of gemonteerd, in welk geval de levering wordt verricht op het tijdstip waarop de installatie of de montage wordt beëindigd.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, worden leveringen van goederen die aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen, met uitsluiting van de leveringen voorzien in artikel 10, § 2, b), geacht te zijn verricht bij het verstrijken van elke periode waarop een afrekening of betaling betrekking heeft.
Doorlopende leveringen van goederen gedurende een periode langer dan een kalendermaand, waarbij de goederen worden verzonden of vervoerd vanuit België naar een andere lidstaat en met vrijstelling van belasting worden geleverd of met vrijstelling van belasting door een belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden naar een andere lidstaat worden overgebracht, onder de in artikel 39bis vastgestelde voorwaarden, worden geacht te zijn verricht bij het verstrijken van elke kalendermaand totdat de levering van goederen wordt beëindigd.
Wat de vervreemding van goederen betreft bedoeld in artikel 1, § 9, eerste lid, alsook de vestiging, overdracht of wederoverdracht van de zakelijke rechten in de zin van artikel 9,
- III / 10 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
tweede lid, 2°, op zulke goederen, wordt de levering geacht te zijn verricht uiterlijk bij het verstrijken van de in artikel 44, § 3, 1°, bepaalde termijn.

Art. 17. Artikel 17
(De tekst van art. 17, §§ 5 en 6, werd ingevoegd met ingang van 01.07.2021 (Art. 7, W 02.04.2021, B.S. 13.04.2021, pg. 32957, Numac: 2021041096))

§ 1. In afwijking van artikel 16 wordt voor de leveringen van goederen de belasting opeisbaar over het gefactureerde bedrag op het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt, ongeacht of de uitreiking van de factuur plaatsvindt vóór of na het tijdstip waarop de levering wordt verricht.
De belasting wordt in elk geval opeisbaar op de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin het belastbare feit bedoeld in artikel 16, § 1, eerste lid, heeft plaatsgevonden wanneer geen factuur werd uitgereikt vóór deze datum
Wanneer de prijs of een deel ervan wordt ontvangen vóór het tijdstip waarop de levering van de goederen wordt verricht, wordt de belasting evenwel opeisbaar over het ontvangen bedrag, op het tijdstip waarop de betaling wordt ontvangen
Deze paragraaf is van toepassing op de leveringen van goederen waarvoor de belastingplichtige gehouden is een factuur uit te reiken op grond van artikel 53, § 2.

§ 2. In afwijking van artikel 16 en paragraaf 1, wordt, voor de leveringen van goederen die onder de voorwaarden van artikel 39bis zijn verricht, de belasting opeisbaar op het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt.
De belasting wordt in elk geval opeisbaar op de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin het belastbare feit heeft plaatsgevonden, wanneer geen factuur werd uitgereikt vóór deze datum.

§ 3. In afwijking van artikel 16 wordt voor de leveringen van roerende goederen verricht door een belastingplichtige die gewoonlijk goederen levert aan particulieren en waarvoor hij niet verplicht is een factuur uit te reiken, de belasting opeisbaar over het ontvangen bedrag op het tijdstip waarop de betaling of de subsidies als bedoeld in artikel 26, § 1, eerste lid, worden ontvangen.

§ 4. In afwijking van artikel 16 en paragraaf 1, wordt voor de leveringen van roerende goederen verricht door een belastingplichtige aan publiekrechtelijke lichamen als bedoeld in artikel 6, de belasting opeisbaar over het ontvangen bedrag op het tijdstip waarop de betaling of een deel ervan wordt ontvangen
Het eerste lid is niet van toepassing op de leveringen van roerende goederen waarvoor de belasting is verschuldigd door de medecontractant overeenkomstig artikel 51, §§ 2 en 4.

§ 5. In afwijking van artikel 16 en van paragraaf 1, vindt het belastbare feit van de levering van goederen door een belastingplichtige die geacht wordt die goederen te hebben ontvangen en geleverd overeenkomstig artikel 13bis en van de levering van goederen aan die belastingplichtige plaats, en wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip waarop de betaling is aanvaard.

§ 6. In afwijking van artikel 16 en van paragraaf 1, vindt het belastbare feit van de afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen waarvoor de belasting is aangegeven overeenkomstig de bijzondere regeling bedoeld in titel XII,
- III / 11 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
hoofdstuk 6, afdeling 4, van de richtlijn 2006/112/EG plaats, en wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip waarop de betaling is aanvaard.
Afdeling 2
Diensten
Onderafdeling 1
Bedoelde diensten
(De titel van onderafdeling 1, werd ingevoegd met ingang van 01.01.2013 (Art. 14, W 17.12.2012, B.S. 21.12.2012))

Art. 18. Artikel 18 W.Btw
Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 34/2018 d.d. 22.05.2018 (B.S. 22.05.2018, p. 41903)
Bij artikel 30 van de programmawet van 1 juli 2016 (B.S. 04.07.2016 – Ed. 2) werden in art. 18, § 1, tweede lid, 16° W.Btw, de woorden "kans- of gokspelen" vervangen door de woorden "kans- en geldspelen", met ingang van 01.07.2016.
Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 34/2018 van 22 maart 2018, de artikelen 29 tot 34 van de programmawet van 1 juli 2016, vernietigd (*) met tegenstelbaarheid “erga omnes” vanaf 22.05.2018 – Het Hof handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen.
De vernietigde tekst luidde als volgt:
(16° langs elektronische weg verrichte diensten. Worden inzonderheid als dusdanig beschouwd, de langs elektronische weg verrichte diensten die het leveren en onderbrengen van computersites tot voorwerp hebben, het onderhoud op afstand van programma's en uitrustingen, de levering van software en de bijwerking ervan, de levering van beelden, geschreven stukken en informatie en de terbeschikkingstelling van databanken, de levering van muziek of films, van spelen, met inbegrip van (kans- en geldspelen), en van uitzendingen of manifestaties op het gebied van politiek, cultuur, kunst, sport, wetenschappen of ontspanning en de levering van onderwijs op afstand. Het feit dat de dienstverrichter en de ontvanger langs elektronische weg berichten uitwisselen, betekent op zich niet dat de dienst langs elektronische weg wordt verricht.)
- Bijlage B. Arresten / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 19. Artikel 19
(De tekst van art. 19, § 2, eerste lid, werd vervangen en een tweede lid werd ingevoegd met ingang van 16.12.2017 (Art. 5, W 29.11.2017, B.S. 06.12.2017, pg. 107694))

§ 1. Met een dienst verricht onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed ander dan dat bedoeld in artikel 45, § 1quinquies, voor privé- doeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige, wanneer voor dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan.

§ 2. Met een dienst verricht onder bezwarende titel wordt eveneens gelijkgesteld de uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat:

1° voor de doeleinden van zijn economische activiteit, wanneer, ingeval dergelijk werk wordt verricht door een andere belastingplichtige, hij geen volledig recht op aftrek van de belasting zou hebben;

2° om niet, voor zijn privédoeleinden of deze van zijn personeel of, meer in het algemeen,
voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit.
In afwijking van het eerste lid, 1°, worden het werk dat bestaat in de oprichting van een gebouw door een in artikel 12, § 2, bedoelde belastingplichtige, alsook het herstellings-, onderhouds- en reinigingswerk niet gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel.
Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder werk in onroerende staat het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt.
- III / 13 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 3. Teneinde ernstige ongelijkheden in de concurrentieverhoudingen te voorkomen, kan de Koning, in de gevallen en volgens de regelen die Hij bepaalt, de uitvoering door een belastingplichtige, voor de doeleinden van zijn economische activiteit, van andere handelingen dan deze bedoeld in §§ 1 en 2, aan de belasting onderwerpen, wanneer de belastingplichtige, ingeval een dergelijke handeling door een andere belastingplichtige zou zijn verricht, geen recht zou hebben op volledige aftrek van de belasting.

Art. 19bis. Artikel 19bis
(De tekst van art. 19bis, werd opgeheven met ingang van 27.12.2015 (Art. 2, W 06.12.2015, B.S. 17.12.2015, pg. 75662)
(opgeheven)

Art. 20. Artikel 20
(De tekst van art. 20 is van toepassing met ingang van 01.01.2000 (Art.3, KB 28.12.1999))

§ 1. Onder voorbehoud van de toepassing van § 2 hierna, wordt een commissionair of een andere tussenpersoon als bedoeld in artikel 13, § 2, die tussenkomst verleent bij diensten, geacht die diensten zelf te hebben ontvangen en zelf te hebben verstrekt.
Artikel 13, § 3, is mede van toepassing op deze bepaling.

§ 2. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing op:

1° de reisbureaus in de zin van artikel 1, § 7, eerste lid, 2°;

2° de tussenpersonen in reizen beoogd in artikel 1, § 7, tweede lid, 2°.
Onderafdeling 2
Plaats van de dienst
(De titel van onderafdeling 2, werd ingevoegd met ingang van 01.01.2013 (Art. 15, W 17.12.2012, B.S. 21.12.2012))

Art. 21. Artikel 21
De tekst van art. 21, § 3, 3° werd vervangen met ingang van 31.12.2025 (Art. 3, W 19.12.2025, B.S. 31.12.2025)

§ 1. Voor de toepassing van deze bepaling en artikel 21bis, moet onder ′′belastingplichtige′′ worden verstaan de persoon bedoeld in artikel 4, de belastingplichtige die ook werkzaamheden of handelingen verricht die niet als handelingen bedoeld in artikel 2 worden aangemerkt, evenals de niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd.

§ 2. De plaats van diensten, verricht voor een als zodanig handelende belastingplichtige, is de plaats waar deze belastingplichtige de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd. Worden deze diensten evenwel verricht voor een vaste inrichting van de belastingplichtige op een andere plaats dan die waar hij de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, dan geldt als plaats van de dienst de plaats waar deze vaste inrichting zich bevindt. Bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, geldt als plaats van de dienst de woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats van de belastingplichtige die deze diensten afneemt.
- III / 14 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 3. In afwijking van paragraaf 2 wordt als plaats van de dienst aangemerkt:

1° de plaats waar het onroerend goed is gelegen, wanneer het gaat om een dienst die
verband houdt met een uit zijn aard onroerend goed. Zijn inzonderheid bedoeld het werk in onroerende staat, de diensten bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 8° tot 10° of 15°, het verlenen van gebruiksrechten op een onroerend goed, de diensten van experts en makelaars in onroerende goederen of de diensten die erop gericht zijn de uitvoering van bouwwerken voor te bereiden, te coördineren of er toezicht op te houden;

2° de plaats waar het vervoer wordt verricht, zulks naar verhouding van de afgelegde
afstanden, wanneer het personenvervoerdiensten betreft;

3° de plaats waar het evenement daadwerkelijk plaatsvindt wanneer de dienst bestaat in het
verlenen van toegang tot culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, educatieve, vermakelijkheids- of soortgelijke evenementen, zoals beurzen en tentoonstellingen, en met de toegangsverlening samenhangende diensten. Het eerste lid is niet van toepassing op het verlenen van toegang tot de in het eerste lid bedoelde evenementen indien de aanwezigheid virtueel is;

4° de plaats waar de dienst materieel wordt verricht in verband met restaurant- en
cateringdiensten met uitzondering van die welke materieel worden verricht aan boord van een schip, vliegtuig of trein tijdens het in de Gemeenschap verrichte gedeelte van een passagiersvervoer;

5° de plaats waar het vervoermiddel daadwerkelijk ter beschikking van de ontvanger wordt
gesteld indien het een verhuur op korte termijn van een vervoermiddel betreft.
Onder ′′verhuur op korte termijn′′ wordt verstaan het ononderbroken bezit of gebruik van het vervoermiddel gedurende een periode van ten hoogste dertig dagen en voor schepen ten hoogste negentig dagen;

6° de plaats van vertrek van het passagiersvervoer wanneer het restaurant- en
cateringdiensten betreft die materieel worden verricht aan boord van een schip, vliegtuig of trein tijdens het in de Gemeenschap verrichte gedeelte van het vervoer.

§ 4. Teneinde dubbele heffing of niet-heffing van de belasting alsmede concurrentieverstoring te voorkomen, kan de Koning, voor de diensten bedoeld in de paragrafen 2 en 3, 5° of voor sommige ervan:

1° de plaats van deze diensten, die krachtens dit artikel in België is gelegen, aanmerken als buiten de Gemeenschap te zijn gelegen, wanneer het werkelijke gebruik of de werkelijke exploitatie buiten de Gemeenschap geschieden;

2° de plaats van deze diensten die, krachtens dit artikel, buiten de Gemeenschap is gelegen,
aanmerken als in België te zijn gelegen, wanneer het werkelijke gebruik of de werkelijke exploitatie in België geschieden.

Art. 21bis. Artikel 21bis
De tekst van art. 21bis, § 2, 5° en §3, inleidende zin werd vervangen (Art. 4, W 19.12.2025, B.S. 31.12.2025, pg.99183, Numac : 2025009849) met ingang van 31.12.2025

§ 1. De plaats van diensten, verricht voor een niet-belastingplichtige, is de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd. Worden deze diensten evenwel verricht vanuit een vaste inrichting van de dienstverrichter, op een andere plaats dan die waar hij de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, dan geldt als plaats van de dienst de plaats waar deze vaste inrichting zich bevindt. Bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, geldt als plaats van de dienst de woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats van de dienstverrichter.
- III / 15 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt als plaats van de dienst aangemerkt:

1° de plaats waar het onroerend goed is gelegen, wanneer het gaat om een dienst die verband houdt met een uit zijn aard onroerend goed. Zijn inzonderheid bedoeld het werk in onroerende staat, de diensten bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 8° tot 10° of 15°, het verlenen van gebruiksrechten op een onroerend goed, de diensten van experts en makelaars in onroerende goederen of de diensten die erop gericht zijn de uitvoering van bouwwerken voor te bereiden, te coördineren of er toezicht op te houden;

2° de plaats waar het vervoer wordt verricht, zulks naar verhouding van de afgelegde
afstanden, wanneer het personenvervoerdiensten betreft;

3° de plaats waar het vervoer plaatsvindt, zulks naar verhouding van de afgelegde afstanden,
wanneer het andere goederenvervoerdiensten betreft dan het intracommunautair vervoer van goederen;

4° de plaats van het vertrek van het goederenvervoer wanneer het intracommunautair
goederenvervoer betreft;

5° de plaats waar het evenement of de activiteit daadwerkelijk plaatsvindt:
a) wanneer de dienst bestaat in het verlenen van toegang tot culturele, artistieke, sportieve,
wetenschappelijke, educatieve, vermakelijkheids- of soortgelijke evenementen, zoals beurzen en tentoonstellingen, en met de toegangverlening samenhangende diensten;
b) wanneer de dienst verband houdt met culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke,
educatieve, vermakelijkheids- of soortgelijke activiteiten, zoals beurzen en tentoonstellingen, met inbegrip van de diensten van de organisatoren van dergelijke activiteiten en alsmede van de daarmee samenhangende diensten;
Indien de in het eerste lid bedoelde diensten en de daarmee samenhangende diensten betrekking hebben op evenementen of activiteiten die worden gestreamd of anderszins virtueel ter beschikking worden gesteld, wordt evenwel als plaats van de dienst aangemerkt de plaats waar de niet-belastingplichtige is gevestigd of zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft;

6° de plaats waar de dienst materieel wordt verricht:
a) in verband met restaurant- en cateringdiensten met uitzondering van die welke materieel
worden verricht aan boord van een schip, vliegtuig of trein tijdens het in de Gemeenschap verrichte gedeelte van een passagiersvervoer;
b) in verband met een dienst die met vervoer samenhangt, zoals het laden, lossen, behandelen
en soortgelijke activiteiten;
c) in verband met expertises en werkzaamheden met betrekking tot lichamelijke roerende
goederen;

7° de plaats waar het vervoermiddel daadwerkelijk ter beschikking van de ontvanger wordt gesteld indien het een verhuur op korte termijn van een vervoermiddel betreft.
Onder ′′verhuur op korte termijn′′ wordt verstaan het ononderbroken bezit of gebruik van het
vervoermiddel gedurende een periode van ten hoogste dertig dagen en voor schepen ten hoogste negentig dagen;

7°bis de plaats waar de ontvanger van de dienst is gevestigd of zijn woonplaats of gebruikelijke
verblijfplaats heeft, indien het een verhuur anders dan op korte termijn van een vervoermiddel betreft;

7°ter in afwijking van het 7°bis, wanneer het vervoermiddel een pleziervaartuig betreft, de
plaats waar het vaartuig daadwerkelijk ter beschikking van de ontvanger wordt gesteld, indien de verhuur anders dan op korte termijn daadwerkelijk door de dienstverrichter wordt verricht vanuit de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting,
- III / 16 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
gevestigd op de plaats van de daadwerkelijke terbeschikkingstelling van het goed aan de ontvanger;

8° de plaats van vertrek van het passagiersvervoer wanneer het restaurant- en
cateringdiensten betreft die materieel worden verricht aan boord van een schip, vliegtuig of trein tijdens het in de Gemeenschap verrichte gedeelte van het vervoer;

9° de plaats waar de ontvanger van de dienst is gevestigd of zijn woonplaats of gebruikelijke
verblijfplaats heeft, wanneer de dienst tot voorwerp heeft:
a) telecommunicatiediensten;
b) radio- en televisieomroepdiensten;
c) langs elektronische weg verrichte diensten.
Het eerste lid is evenwel niet van toepassing wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a) de dienstverrichter is gevestigd of, bij gebreke van een vestiging, heeft zijn woonplaats of
gebruikelijke verblijfplaats in slechts één lidstaat;
b) de diensten worden verleend aan niet-belastingplichtigen die gevestigd zijn, hun woonplaats
of gebruikelijke verblijfplaats hebben in een andere dan de onder a) bedoelde lidstaat;
c) het totale bedrag, exclusief btw, van de diensten bedoeld onder b) en van de
intracommunautaire afstandsverkopen van goederen naar een andere lidstaat dan degene bedoeld onder a), is in het lopende kalenderjaar niet hoger dan 10 000 euro, en heeft dat bedrag ook niet overschreden in de loop van het voorafgaande kalenderjaar.
Wanneer de in het tweede lid, c), bedoelde drempel in de loop van een kalenderjaar wordt
overschreden, is het eerste lid van toepassing vanaf de eerste handeling, in zijn geheel beschouwd, waardoor de drempel wordt overschreden.
De belastingplichtigen die in aanmerking komen voor de toepassing van de bepalingen van het
tweede lid, kunnen ervoor opteren dat de plaats van de diensten wordt bepaald overeenkomstig het eerste lid. Deze optie geldt voor een periode van ten minste twee kalenderjaren en heeft eveneens tot gevolg dat de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen plaatsvinden in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen.
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de bepalingen van het derde en het vierde
lid, met name de mededeling van de informatie bedoeld in het derde lid en de uitoefeningsmodaliteiten van de optie bedoeld in het vierde lid;

10° de plaats waar de ontvanger van de dienst is gevestigd of zijn woonplaats of gebruikelijke
verblijfplaats heeft, wanneer de dienst wordt verleend aan een ontvanger die buiten de Gemeenschap is gevestigd of aldaar zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft, en voor zover de dienst tot voorwerp heeft:
a) de overdracht en het verlenen van auteursrechten, octrooien, licentierechten, fabrieks- en
handelsmerken en soortgelijke rechten;
b) diensten op het gebied van de reclame;
c) diensten verricht door raadgevende personen, ingenieurs, adviesbureaus, advocaten,
accountants en andere soortgelijke diensten, alsmede gegevensverwerking en informatieverschaffing;
d) de verplichting om een beroepsactiviteit of een onder a) bedoeld recht geheel of gedeeltelijk
niet uit te oefenen;
e) bank-, financiële en verzekeringsverrichtingen met inbegrip van herverzekeringsverrichtingen
en met uitzondering van de verhuur van safeloketten;
f) het beschikbaar stellen van personeel;
g) de verhuur van lichamelijke roerende goederen, met uitzondering van alle vervoermiddelen;
- III / 17 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
h) het bieden van toegang tot een op het grondgebied van de Gemeenschap gesitueerd
aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net, tot het elektriciteitssysteem of tot warmte- of koudenetten, alsmede het verrichten van transmissie- of distributiediensten via deze systemen of netten en het verrichten van andere daarmee rechtstreeks verbonden diensten;
i) (opgeheven)
j) (opgeheven)
k) (opgeheven)

11° (opgeheven);

12° de plaats waar de hoofdhandeling wordt verricht wanneer het de tussenkomst betreft van
een tussenpersoon die niet handelt als bedoeld in artikel 13, § 2.

§ 3. Teneinde dubbele heffing of niet-heffing van de belasting alsmede concurrentieverstoring te voorkomen, kan de Koning voor de diensten als bedoeld in de paragrafen 1 en 2, 5°, tweede lid, 7°, 9° en 10° of voor sommige ervan:

1° de plaats van deze diensten, die krachtens dit artikel in België is gelegen, aanmerken als
buiten de Gemeenschap te zijn gelegen, wanneer het werkelijke gebruik of de werkelijke exploitatie buiten de Gemeenschap geschieden;

2° de plaats van deze diensten, die krachtens dit artikel, buiten de Gemeenschap is gelegen, aanmerken als in het binnenland te zijn gelegen, wanneer het werkelijke gebruik of de werkelijke exploitatie in België geschieden.

Art. 21ter. Artikel 21ter
(De tekst van art. 21ter, werd ingevoegd met ingang van 01.01.2010 (Art. 9, W 26.11.2009, B.S. 04.12.2009))
In afwijking van de artikelen 21 en 21bis, worden de diensten bedoeld in artikel 18, § 2, tweede lid, geacht plaats te vinden op de plaats waar het reisbureau de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit het de dienst heeft verricht.
Onderafdeling 3
Belastbare feit en opeisbaarheid van de belasting
(De titel van onderafdeling 3, werd ingevoegd met ingang van 01.01.2013 (Art. 16, W 17.12.2012, B.S. 21.12.2012))

Art. 22. Artikel 22
(De tekst van art. 22, is vervangen met ingang van 01.01.2013 (Art. 17, W 17.12.2012 (I), B.S. 21.12.2012, Ed. 2, erratum B.S. 22.01.2013))

§ 1. Voor diensten vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip waarop de dienst is verricht.
- III / 18 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, worden diensten die aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen, geacht te zijn verricht bij het verstrijken van elke periode waarop een afrekening of betaling betrekking heeft.
Doorlopende diensten waarvoor de belasting wordt verschuldigd door de ontvanger van de dienst krachtens artikel 51, § 2, eerste lid, 1° en die gedurende een periode langer dan één jaar geen aanleiding geven tot afrekeningen of betalingen in die periode worden geacht te zijn verricht bij het verstrijken van elk kalenderjaar totdat de dienst wordt beëindigd.

Art. 22bis. Artikel 22bis
(De tekst van art. 22bis, § 3, werd gewijzigd met ingang van 01.01.2019 (Art. 5, W 11.02.2019, B.S. 22.02.2019, pg. 17992))

§ 1. In afwijking van artikel 22 wordt voor de diensten met uitsluiting van de in paragraaf 2 bedoelde intracommunautaire diensten, de belasting opeisbaar over het gefactureerde bedrag op het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt, ongeacht of de uitreiking plaatsvindt vóór of na het tijdstip waarop de dienst is verricht.
De belasting wordt in elk geval opeisbaar op de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin het belastbare feit bedoeld in artikel 22, heeft plaatsgevonden wanneer geen factuur werd uitgereikt vóór deze datum.
Wanneer de prijs of een deel ervan wordt ontvangen vóór het tijdstip waarop de dienst is verricht, wordt de belasting evenwel opeisbaar over het ontvangen bedrag, op het tijdstip waarop de betaling werd ontvangen.
Deze paragraaf is van toepassing op de diensten waarvoor de belastingplichtige gehouden is een factuur uit te reiken op grond van artikel 53, § 2.

§ 2. Voor de intracommunautaire diensten wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip waarop de dienst is verricht overeenkomstig artikel 22.
Wanneer de prijs of een deel ervan wordt ontvangen vóór het tijdstip waarop de dienst is verricht, wordt de belasting evenwel opeisbaar over het ontvangen bedrag, op het tijdstip waarop de betaling wordt ontvangen.
Onder "intracommunautaire diensten" wordt verstaan, diensten, andere dan die welke in de lidstaat waar deze belastbaar zijn van de belasting zijn vrijgesteld en waarvoor de belasting is verschuldigd door de ontvanger van de dienst krachtens de nationale bepaling die artikel 196 van de Richtlijn 2006/112/EG omzet in de lidstaat waar die diensten belastbaar zijn.

§ 3. In afwijking van artikel 22, wordt voor de diensten verricht door een belastingplichtige die gewoonlijk diensten verricht voor particulieren en waarvoor hij niet verplicht is een factuur uit te reiken, de belasting opeisbaar over het ontvangen bedrag op het tijdstip waarop de betaling of de subsidies als bedoeld in artikel 26, § 1, eerste lid, worden ontvangen.

§ 4. In afwijking van artikel 22 en paragraaf 1, wordt voor de diensten verricht door een belastingplichtige aan publiekrechtelijke lichamen als bedoeld in artikel 6, de belasting opeisbaar over het ontvangen bedrag op het tijdstip waarop de betaling of een deel ervan wordt ontvangen.
Het eerste lid is niet van toepassing op de diensten waarvoor de belasting is verschuldigd door de ontvanger of de medecontractant overeenkomstig artikel 51, §§ 2 en 4.
- III / 19 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Afdeling 2bis
Gemeenschappelijke bepalingen voor de afdelingen 1 en 2
(De titel van Afdeling 2bis, werd ingevoegd met ingang van 01.01.2019 (Art. 6, W 11.02.2019, B.S. 22.02.2019, pg. 17992))

Art. 22ter. Artikel 22ter
(Het artikel 22ter, werd ingevoegd met ingang van 01.01.2019 (Art. 7, W 11.02.2019, B.S. 22.02.2019, pg. 17992). Art. 22ter is slechts van toepassing op vouchers die na 31 december 2018 zijn uitgegeven (Art. 15, W 11.02.2019))

§ 1. Iedere overdracht van een voucher voor enkelvoudig gebruik door een belastingplichtige die in eigen naam handelt, wordt beschouwd als een levering van de goederen, respectievelijk de verrichting van de diensten, waarop de voucher betrekking heeft. De feitelijke overhandiging van de goederen of de feitelijke dienstverrichting, in ruil voor een door de verrichter van de levering van goederen of dienst als volledige of gedeeltelijke tegenprestatie aanvaarde voucher voor enkelvoudig gebruik, wordt niet als een zelfstandige handeling beschouwd.
Indien de overdracht van een voucher voor enkelvoudig gebruik wordt verricht door een belastingplichtige die in naam van een andere belastingplichtige handelt, wordt die overdracht beschouwd als de levering van de goederen, respectievelijk de verrichting van de diensten, waarop de voucher betrekking heeft door de andere belastingplichtige in wiens naam de belastingplichtige handelt.
Indien de verrichter van de levering van goederen of dienst niet de belastingplichtige is die, handelend in eigen naam, de voucher voor enkelvoudig gebruik heeft uitgegeven, wordt die verrichter met betrekking tot die voucher evenwel geacht de levering van goederen aan of dienst ten behoeve van die belastingplichtige te hebben verricht.

§ 2. De feitelijke overhandiging van de goederen of de feitelijke verrichting van de diensten in ruil voor een door de verrichter van de levering van goederen of dienst als volledige of gedeeltelijke tegenprestatie aanvaarde voucher voor meervoudig gebruik, is overeenkomstig artikel 2, eerste lid, aan de belasting onderworpen, terwijl iedere voorafgaande overdracht van deze voucher voor meervoudig gebruik niet aan de belasting onderworpen is.
Indien de voucher voor meervoudig gebruik wordt overgedragen door een belastingplichtige die niet de belastingplichtige is die overeenkomstig het eerste lid de aan de belasting onderworpen handeling verricht, zijn alle vormen van dienstverrichting, zoals distributie- of promotiediensten, onderworpen aan de belasting.
Afdeling 3
Invoer

Art. 23. Artikel 23
(De tekst van art. 23, § 4, 6°, werd vervangen met ingang van 16.12.2017 (Art. 6, W 29.11.2017, B.S. 06.12.2017, pg. 107694))

§ 1. Onder invoer van een goed moet worden verstaan:
- III / 20 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

1° het binnenkomen in de Gemeenschap van een goed dat niet voldoet aan de voorwaarden
van artikel 29 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of dat, als het onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal valt, zich niet in het vrije verkeer bevindt;

2° het binnenkomen in de Gemeenschap van een ander dan onder 1° bedoeld goed uit een
derde land of een derdelands gebied.

§ 2. Een invoer vindt plaats in België als de overeenkomstig de §§ 3, 4 en 5 aangemerkte Lid- Staat van invoer, België is.

§ 3. De invoer van een goed vindt plaats in de Lid-Staat op het grondgebied waarvan het zich ten tijde van het binnenkomen in de Gemeenschap bevindt.

§ 4. In afwijking van § 3 vindt de invoer van een in § 1, 1°, bedoeld goed plaats in de Lid- Staat op het grondgebied waarvan het goed aan één van de volgende regelingen wordt onttrokken, wanneer vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap, dat goed overeenkomstig de douanewetgeving:

1° bij de douane wordt aangebracht en eventueel wordt geplaatst onder een regeling van
tijdelijke opslag;

2° wordt geplaatst onder een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van
invoerrechten;

3° wordt geplaatst onder een regeling voor extern douanevervoer;

4° wordt geplaatst onder een regeling van vrije zones of vrije entrepots;

5° wordt geplaatst onder een regeling van douane-entrepots;

6° wordt geplaatst onder een regeling van actieve veredeling;

7° wordt geplaatst onder een regeling inzake de in de territoriale zee toegelaten goederen
voor boor- en werkeilanden.

§ 5. In afwijking van § 3 vindt, wanneer een in § 1, 2°, bedoeld goed vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap wordt geplaatst onder een regeling voor intern communautair douanevervoer of onder één van de door de Koning bepaalde fiscale regelingen die equivalent zijn aan de regelingen bedoeld in § 4, 1°, 2°, 4°, 5°, 6° en 7°, de invoer plaats in de Lid-Staat op het grondgebied waarvan het goed aan één van die regelingen wordt onttrokken.

Art. 24. Artikel 24
(De tekst van art. 24 is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (Art. 24, W 28.12.1992))

§ 1. Het belastbaar feit vindt plaats en de belasting wordt opeisbaar op het tijdstip waarop de invoer van het goed in België geschiedt.
De invoer in België geschiedt op het tijdstip waarop het goed in België wordt binnengebracht of, wanneer het goed vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap werd geplaatst onder één van de in artikel 23, §§ 4 en 5 bedoelde regelingen, op het tijdstip waarop dat goed in België aan die regeling wordt onttrokken.

§ 2. Indien de ingevoerde goederen echter zijn onderworpen aan invoerrechten, aan landbouwheffingen of aan heffingen van gelijke werking die zijn ingesteld in het kader van een
- III / 21 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
gemeenschappelijk beleid, wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip van het ontstaan van de douaneschuld.
In de andere gevallen waarin de ingevoerde goederen niet aan één van deze communautaire rechten zijn onderworpen, wordt het tijdstip van de opeisbaarheid van de belasting bepaald overeenkomstig de vigerende bepalingen met betrekking tot het vaststellen van het tijdstip van het ontstaan van de douaneschuld.

Art. 25. Artikel 25
(De tekst van art. 25 is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (Art.25, W 28.12.1992))
Hij die in een derde land of in een derdelands gebied goederen heeft verkregen of er voor zijn rekening goederen heeft laten bewerken, wordt behoudens tegenbewijs geacht die goederen in België nadien te hebben ingevoerd.
Afdeling 4
Intracommunautaire verwerving van goederen

Art. 25bis. Artikel 25bis
(De tekst van art. 25bis, § 3, werd ingevoegd met ingang van 01.01.2020 (Art. 5, W 03.11.2019, B.S. 13.11.2019, pg. 104872. Errata B.S. 27.12.2019, Ed. 2, pg. 118384). Deze bepaling is van toepassing op de goederen die vanaf 1 januari 2020 worden verzonden of vervoerd van België naar een andere lidstaat of omgekeerd onder de regeling bedoeld in artikel 17bis van de richtlijn 2006/112/EG (Art. 11, W 03.11.2019))

§ 1. Onder intracommunautaire verwerving van een goed wordt verstaan het verkrijgen van de macht om als eigenaar te beschikken over een lichamelijk roerend goed dat door de verkoper of de afnemer, of voor hun rekening, met als bestemming de afnemer is verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat dan die waaruit het goed is verzonden of vervoerd.

§ 2. Als intracommunautaire verwerving van goederen wordt tevens beschouwd, wanneer de goederen door de leverancier of de afnemer, of voor hun rekening, met als bestemming de afnemer in het binnenland, worden verzonden of vervoerd uit een andere Lid-Staat:

1° het verkrijgen van een lichamelijk roerend goed ingevolge een vordering door of namens
de overheid en, meer algemeen, ingevolge een wet, een decreet, een ordonnantie, een besluit of een administratieve verordening;

2° (opgeheven);

3° de ontvangst van een goed ingevolge een verbruiklening.

§ 3. Wordt eveneens beschouwd als een intracommunautaire verwerving van goederen, het verkrijgen door de belastingplichtige aan wie deze goederen worden geleverd van de macht om als eigenaar te beschikken over een lichamelijk roerend goed verkregen onder de regeling bedoeld in artikel 17bis van de richtlijn 2006/112/EG.
- III / 22 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 25quater. Artikel 25quater
(De tekst van art. 25quater, § 2, werd vervangen (Art. 3, W 20.12.2021, B.S. 28.12.2021, pg. 125175, Numac: 2021034485), met ingang van 01.07.2022 (Art. 5, W 20.12.2021))

§ 1. Met een intracommunautaire verwerving van een goed onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld het door een belastingplichtige voor de doeleinden van zijn economische activiteit bestemmen van een goed dat door of voor rekening van de belastingplichtige wordt verzonden of vervoerd uit een andere Lid-Staat waar het is vervaardigd, gewonnen, bewerkt, aangekocht, verworven in de zin van artikel 25ter, of door de belastingplichtige in het kader van zijn economische activiteit in die andere Lid-Staat is ingevoerd.
Deze gelijkstelling is slechts van toepassing in de gevallen waar overeenkomstig de artikelen 12bis en 12ter de overbrenging van het goed naar een andere Lid-Staat met een levering van goederen zou worden gelijkgesteld.

§ 2. Met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld de toewijzing door de strijdkrachten van een lidstaat die deelneemt aan een defensie-inspanning ter uitvoering van een Unieoptreden in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, ten behoeve van die strijdkrachten of het hen
- III / 24 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
begeleidende burgerpersoneel, van goederen die zij niet tegen de algemene belastingvoorwaarden van de interne markt van een lidstaat hebben verworven, wanneer de invoer van deze goederen niet in aanmerking zou kunnen komen voor de in artikel 42, § 3, eerste lid, 4° bis, bedoelde vrijstelling.
Met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld de toewijzing door de strijdkrachten van een staat die partij is bij het Noord- Atlantisch Verdrag, ten behoeve van deze strijdkrachten of het hen begeleidende burgerpersoneel, van goederen die zij niet tegen de algemene belastingvoorwaarden van de interne markt van een lidstaat hebben verworven, wanneer de invoer van deze goederen niet in aanmerking zou kunnen komen voor de in artikel 42, § 3, eerste lid, 5°, bedoelde vrijstelling.

Art. 25quinquies. Artikel 25quinquies
(De tekst van art. 25quinquies, § 4, werd vervangen met ingang van 17.07.2016 (Art. 4, W 27.06.2016, B.S. 07.07.2016, pg. 42305))

§ 1. Een intracommunautaire verwerving van goederen vindt in België plaats als de overeenkomstig de §§ 2 tot 4 aangemerkte plaats zich in België bevindt.

§ 2. Als plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen wordt aangemerkt de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of van het vervoer naar de afnemer.

§ 3. Onverminderd het bepaalde in § 2 wordt de plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen als bedoeld in artikel 25ter, § 1, evenwel geacht zich te bevinden op het grondgebied van de Lid-Staat die het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de afnemer deze verwerving heeft verricht, voor zover de afnemer niet aantoont dat de belasting op deze verwerving is geheven overeenkomstig § 2.
Indien echter op de verwerving op grond van § 2 belasting wordt geheven in de Lid-Staat van aankomst van de verzending of van het vervoer van de goederen, nadat de belasting erop is geheven op grond van het eerste lid, wordt de maatstaf van heffing dienovereenkomstig verlaagd in de Lid-Staat die het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de afnemer deze verwerving heeft verricht.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de intracommunautaire verwerving van goederen geacht overeenkomstig § 2 aan de belasting te zijn onderworpen wanneer:

1° de intracommunautaire verwerving van goederen is verricht in een andere Lid-Staat door
een belastingplichtige die voor de BTW-doeleinden in België is geïdentificeerd;

2° de intracommunautaire verwerving van goederen wordt verricht met het oog op een
volgende levering van deze goederen in die andere Lid-Staat door deze belastingplichtige;

3° de aldus door deze belastingplichtige verworven goederen worden rechtstreeks uit een
andere Lid-Staat dan België verzonden of vervoerd naar degene voor wie hij de volgende levering verricht;

4° degene voor wie de volgende levering is bestemd, is een andere belastingplichtige of een
niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd in de Lid-Staat van bestemming;

5° degene voor wie de volgende levering is bestemd, is door de in België voor BTW-
doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige aangewezen als tot voldoening van de belasting gehouden persoon uit hoofde van de levering die is verricht door deze belastingplichtige;
- III / 25 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

6° de in België voor BTW-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige heeft, voor de
levering die hij verricht onder de hierboven vermelde voorwaarden, naast de verplichting bepaald in 5° hierboven, de aangifteverplichtingen bedoeld in artikel 53sexies, § 1, 2°, nageleefd.

§ 4. Wanneer door een niet-belastingplichtige rechtspersoon verworven goederen uit een derdelandsgebied of een derde land worden verzonden of vervoerd en door deze niet- belastingplichtige rechtspersoon worden ingevoerd in een andere lidstaat dan die van aankomst van de verzending of het vervoer, worden de goederen geacht te zijn verzonden of vervoerd vanuit de lidstaat van invoer van de goederen en wordt de plaats van deze intracommunautaire verwerving bepaald overeenkomstig de paragrafen 2 en 3.

§ 5. Behoudens tegenbewijs, wordt de intracommunautaire verwerving van een goed geacht in België plaats te vinden wanneer de afnemer zijn intracommunautaire verwerving onder een ter uitvoering van artikel 50, § 1, toegekend BTW-identificatienummer heeft verricht of wanneer hij, op het tijdstip van de verwerving, in België een zetel van economische activiteit of een vaste inrichting heeft of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, een woonplaats of een gebruikelijke verblijfplaats.

Art. 25septies. Artikel 25septies
(De tekst van art. 25septies, werd opgeheven met ingang van 01.01.2013 (Art. 21, W 17.12.2012 (I), B.S. 21.12.2012, Ed. 2))
(opgeheven)
- III / 26 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
HOOFDSTUK IV
MAATSTAF VAN HEFFING

Art. 25sexies. Artikel 25sexies
(De tekst van art. 25sexies, werd vervangen met ingang van 01.01.2013 (Art. 20, W 17.12.2012 (I), B.S. 21.12.2012))

§ 1. Het belastbare feit vindt plaats op het tijdstip waarop de intracommunautaire verwerving van goederen wordt verricht.
De intracommunautaire verwerving van goederen wordt geacht te zijn verricht op het tijdstip waarop de levering van soortgelijke goederen, overeenkomstig artikel 16, in het binnenland wordt geacht te zijn verricht.

§ 2. De belasting wordt opeisbaar op het tijdstip van het uitreiken van de factuur overeenkomstig artikel 17, § 2, eerste lid.
De belasting wordt opeisbaar op de vijftiende dag van de maand volgend op die waarin het belastbare feit heeft plaatsgevonden, indien geen factuur werd uitgereikt voor deze datum.

Art. 25ter. Artikel 25ter
(De tekst van art. 25ter, § 1, eerste lid, werd vervangen; § 1, tweede lid, 2°, eerste lid, a) en tweede lid, 2°, vierde lid werden gewijzigd (Art. 3, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))

§ 1. Aan de belasting zijn onderworpen, wanneer ze in België plaatsvinden, de intracommunautaire verwervingen van goederen onder bezwarende titel door een belastingplichtige die als zodanig optreedt of door een niet-belastingplichtige rechtspersoon, wanneer de verkoper een belastingplichtige is die als zodanig optreedt, die in de lidstaat van aanvang van de verzending of het vervoer van de goederen niet onderworpen is aan de in titel XII, hoofdstuk 1, van Richtlijn 2006/112/EG bedoelde vrijstelling voor de door hem verrichte leveringen van goederen en die niet onder de bepalingen van de artikelen 14, § 3, 14bis en 15 valt.
In afwijking van het eerste lid zijn niet aan de belasting onderworpen:

1° de intracommunautaire verwervingen van goederen waarvan de levering in België
krachtens artikel 42, §§ 1, 2 en 3, eerste lid, 1° tot 8°, zou worden vrijgesteld;

2° de intracommunautaire verwervingen die betrekking hebben op goederen andere dan de
in artikel 8bis, § 2, bedoelde nieuwe vervoermiddelen en andere dan de produkten in België onderworpen aan de accijnzen krachtens de Richtlijn (EU) 2020/262, verricht:
a) door een belastingplichtige op wie de in de artikelen 56bis tot en met 56undecies bedoelde vrijstellingsregeling van belasting of de in artikel 57 bedoelde forfaitaire regeling toepasselijk is, door een belastingplichtige die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht waarvoor hij geen recht op aftrek heeft of door een niet-belastingplichtige rechtspersoon;
b) binnen de grenzen of ten belope van een totaal bedrag, exclusief de belasting over
de toegevoegde waarde die verschuldigd of voldaan is in de Lid-Staat waaruit de goederen zijn verzonden of vervoerd, dat in het lopende kalenderjaar niet hoger mag zijn dan een drempel van 11.200 EUR ;
c) mits het totale bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde die
verschuldigd of voldaan is in de Lid-Staat waaruit de goederen zijn verzonden of vervoerd, van de intracommunautaire verwervingen van goederen, andere dan de in artikel 8bis, § 2, bedoelde nieuwe vervoermiddelen en accijnsprodukten, in het voorafgaande kalenderjaar de in b) bedoelde drempel niet heeft overschreden.
De belastingplichtigen en de niet-belastingplichtige rechtspersonen die voor de toepassing van het 2° in aanmerking komen, hebben het recht om te kiezen voor het onderwerpen aan de belasting van al de door hen onder de voorwaarden van het eerste lid verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen. Deze keuze geldt voor een periode van ten minste twee kalenderjaren.
De Koning stelt de nadere regelen vast voor de uitoefening van die keuze.
De belastingplichtigen bedoeld in de artikelen 56bis tot en met 56undecies en 57 en degenen aan wie overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 4° of 5°, en § 2 een BTW- identificatienummer werd toegekend, worden geacht de hierboven bedoelde keuze te hebben gedaan, vanaf het ogenblik dat zij aan een leverancier hun nummer meedelen om een intracommunautaire verwerving te verrichten;

3° de intracommunautaire verwervingen van goederen verricht, door een niet in België
gevestigde maar voor BTW-doeleinden in een andere Lid-Staat geïdentificeerde belastingplichtige, onder de hieronder volgende voorwaarden:
a) de intracommunautaire verwerving van goederen wordt verricht met het oog op een volgende levering van deze goederen in België door deze belastingplichtige;
- III / 23 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
b) de aldus door deze belastingplichtige verworven goederen worden rechtstreeks uit
een andere Lid-Staat dan die waarin hij voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is, verzonden of vervoerd naar degene voor wie hij de volgende levering verricht;
c) degene voor wie de volgende levering is bestemd, is een andere belastingplichtige
of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor BTW-doeleinden in België is geïdentificeerd;
d) degene voor wie de volgende levering is bestemd, is, overeenkomstig artikel 51, § 2, eerste lid, 2° , aangewezen als tot voldoening van de belasting gehouden persoon uit hoofde van de levering die is verricht door de niet in België gevestigde belastingplichtige;

4° de intracommunautaire verwervingen van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen,
voorwerpen voor verzamelingen, antiquiteiten en tweedehandse vervoermiddelen, indien de verkoper een belastingplichtige wederverkoper is die als zodanig optreedt en het verworven goed in de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer aan de belasting werd onderworpen overeenkomstig de bijzondere regelingen bedoeld in de artikelen 312 tot en met 332 van de Richtlijn 2006/112/EG of wanneer de verkoper een organisator is van openbare veilingen die als zodanig optreedt en het verworven goed, ander dan een tweedehands vervoermiddel, in de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer aan de belasting werd onderworpen overeenkomstig de bijzondere regeling bedoeld in de artikelen 333 tot en met 341 van de Richtlijn 2006/112/EG.

§ 2. Aan de belasting zijn tevens onderworpen, wanneer ze in België plaatsvinden, de intracommunautaire verwervingen onder bezwarende titel van de in artikel 8bis, § 2, bedoelde nieuwe vervoermiddelen door ieder ander dan een als zodanig handelend belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon.

§ 3. Behoudens tegenbewijs, wordt ieder vervoermiddel dat in België het voorwerp uitmaakt van een intracommunautaire verwerving of van een bij artikel 25quater daarmee gelijkgestelde handeling, geacht nieuw te zijn in de zin van artikel 8bis, § 2, 2° .

§ 4. Aan de belasting is tevens onderworpen de toewijzing beoogd in artikel 25quater, § 2.

Art. 26. Artikel 26
(De tekst van art. 26 werd vervangen met ingang van 01.01.2019 (Art. 8, W 11.02.2019, B.S. 22.02.2019). Het nieuwe artikel 26 is slechts van toepassing op vouchers die na 31 december 2018 zijn uitgegeven (Art. 15, W 11.02.2019))

§ 1. Voor de leveringen van goederen en de diensten wordt de belasting berekend over alles wat de leverancier van het goed of de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verricht, of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks met de prijs van die handelingen verband houden.
Tot de maatstaf van heffing behoren onder meer de sommen die de leverancier van het goed of de dienstverrichter aan degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verricht in rekening brengt als kosten van commissie, verpakking, verzekering en vervoer, ongeacht of zulks al dan niet bij een afzonderlijk debetdocument wordt gedaan of ingevolge een afzonderlijke overeenkomst.
Belastingen, rechten en heffingen moeten eveneens in de maatstaf van heffing worden opgenomen.

§ 2. Onverminderd paragraaf 1 is de maatstaf van heffing voor de met betrekking tot een voucher voor meervoudig gebruik verrichte levering van goederen of dienst gelijk aan de tegenprestatie die betaald is voor de voucher of, bij ontstentenis van informatie over die tegenprestatie, de op de voucher voor meervoudig gebruik zelf of in de bijhorende documentatie vermelde monetaire waarde, verminderd met het bedrag van de belasting over de geleverde goederen of de verrichte diensten.

Art. 26bis. Artikel 26bis
(De tekst van art. 26bis is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (Art.9, KB 29.12.1992, B.S. 31.12.1992))
Voor de intracommunautaire verwerving van goederen bestaat de maatstaf van heffing uit dezelfde elementen als die welke in aanmerking worden genomen om overeenkomstig artikel 26, de maatstaf van heffing voor de levering van dezelfde goederen in het binnenland te bepalen.
De accijns die verschuldigd of voldaan is door degene die de intracommunautaire verwerving van een accijnsprodukt verricht, moet onder meer in de maatstaf van heffing worden opgenomen.
Wanneer de afnemer na het tijdstip waarop de intracommunautaire verwerving van goederen in België plaatsvindt teruggaaf verkrijgt van de in de Lid-Staat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen voldane accijns, wordt de maatstaf van heffing voor de intracommunautaire verwerving dienovereenkomstig verlaagd.
- IV / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 27. Artikel 27
(De tekst van art. 27, § 3, werd gewijzigd met ingang van 01.07.2021 (Art. 9, W 02.04.2021, B.S. 13.04.2021, pg. 32957, Numac: 2021041096))

§ 1. Indien de elementen voor de bepaling van de maatstaf van heffing bij invoer zijn uitgedrukt in de munteenheid van een derde land of van een lidstaat die de euro niet heeft aangenomen, wordt de wisselkoers vastgesteld overeenkomstig de geldende communautaire bepalingen voor de berekening van de douanewaarde.

§ 2. Indien de elementen voor de bepaling van de maatstaf van heffing voor een andere handeling dan een invoer van goederen zijn uitgedrukt in de munteenheid van een derde land of van een lidstaat die de euro niet heeft aangenomen, is de toepasselijke wisselkoers voor de omrekening tussen deze munteenheid en de euro:

1° de laatste indicatiekoers van de euro die wordt gepubliceerd door de Europese Centrale
Bank;

2° voor de deviezen waarvoor de Europese Centrale Bank geen indicatiekoers publiceert, de
laatste indicatiekoers van de euro die wordt gepubliceerd door de Nationale Bank van België.
Wanneer een wisselkoers wordt overeengekomen tussen de partijen, of wanneer een wisselkoers vermeld staat in het contract, op de factuur of op het vervangend stuk, en de werkelijk betaalde prijs overeenkomstig die koers is betaald, wordt de overeengekomen koers in aanmerking genomen.

§ 3. Wanneer de elementen voor de bepaling van de maatstaf van heffing van een in de artikelen 58ter, 58quater en 58quinquies bedoelde handeling zijn uitgedrukt in de munteenheid van een derde land of van een lidstaat die de euro niet heeft aangenomen, is in afwijking van paragraaf 2 voor de omrekening tussen deze munteenheid en de euro de wisselkoers van toepassing die gold op de laatste dag van de aangifteperiode die de Europese Centrale Bank voor die dag bekend heeft gemaakt of, bij gebreke, de wisselkoers voor de eerstvolgende dag van bekendmaking.

Art. 28. Artikel 28
(De tekst van art. 28 is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (Art.30, W 28.12.1992, B.S. 31.12.1992))
Tot de maatstaf van heffing behoren niet:

1° de sommen die als disconto van de prijs mogen worden afgetrokken;

2° de prijsverminderingen die door de leverancier of de dienstverrichter aan de afnemer
toegekend worden en die door deze laatste zijn verkregen op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt;

3° de interesten wegens te late betaling;

4° de kosten voor gewone en gebruikelijke verpakkingsmiddelen, indien de leverancier instemt met de terugbetaling ervan in geval van terugzending van die verpakkings- middelen;

5° de sommen voorgeschoten door de leverancier of de dienstverrichter voor uitgaven die hij
ten name en voor rekening van zijn medecontractant heeft gedaan;

6° de belasting over de toegevoegde waarde zelf.
- IV / 2 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 29. Artikel 29
(De tekst van art. 29, § 2, werd gewijzigd met ingang van 25.05.2019 (Art. 4, W 02.05.2019, B.S. 15.05.2019, pg. 46586))

§ 1. In de relatie tussen de leverancier van goederen of de dienstverrichter en zijn commissionair behoort het aan deze laatste toegekende commissieloon niet tot de maatstaf van heffing.
In de relatie tussen de verkrijger van goederen of de afnemer van diensten en zijn commissionair wordt het commissieloon, voor de berekening van de belasting, aan de prijs toegevoegd.

§ 2. De maatstaf van heffing van de dienst bedoeld in artikel 18, § 2, tweede lid, die een reisbureau in de zin van artikel 1, § 7, eerste lid, 2°, verleent aan de afnemer, wordt bepaald door de marge die de betrokkene terzake verwezenlijkt, dit wil zeggen door het verschil tussen het totaalbedrag te betalen door de afnemer, met uitsluiting van de belasting over de toegevoegde waarde en de werkelijke kosten, belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen, die het reisbureau draagt voor de goederen en de diensten die hem worden geleverd met het oog op zijn prestatie, in de mate waarin deze goederen en diensten rechtstreeks de afnemer ten goede komen.

Art. 30. Artikel 30
(De tekst van art. 30 werd vervangen met ingang van 01.01.2011 (Art. 146, W 23.12.2009, B.S. 30.12.2009))
Wanneer een belastingplichtige voor een niet gesplitste prijs een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het bijhorende terrein met voldoening van de belasting vervreemdt samen met een andere grond dan het bijhorende terrein, wordt de belasting berekend over de bedongen prijs en lasten, onder aftrek van de verkoopwaarde van de andere grond dan het bijhorende terrein, geraamd op het tijdstip van de vervreemding, doch met inachtneming van de staat van deze grond vóór de aanvang van het werk.

Art. 31. Artikel 31
(De tekst van art. 31, werd ingevoegd met ingang van 01.01.1971 (W 03.07.1969))
Bij vordering of onteigening door of vanwege de overheid wordt de vergoeding, met uitzondering van de wederbeleggingsvergoeding, geacht de te belasten prijs te zijn.

Art. 32. Artikel 32
(De tekst van art. 32 is van toepassing met ingang van 07.01.2007 (Art. 43, W 27.12.2006, B.S. 28.12.2006))
Als normale waarde wordt beschouwd het volledige bedrag dat een afnemer in de handelsfase waarin de levering van goederen of de dienst wordt verricht, bij eerlijke concurrentie zou moeten betalen aan een onafhankelijke leverancier of dienstverrichter op het grondgebied van het land waar de handeling belastbaar is, om de desbetreffende goederen of diensten op dat tijdstip te verkrijgen.
Indien er geen vergelijkbare verrichting voorhanden is, mag de normale waarde van een levering van goederen niet lager zijn dan de aankoopprijs van de goederen of van soortgelijke
- IV / 3 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
goederen of, indien er geen aankoopprijs is, de kostprijs, berekend op het tijdstip waarop die levering wordt verricht, en, met betrekking tot een dienst, een waarde die niet lager is dan de door de belastingplichtige voor het verrichten van die dienst gemaakte uitgaven.

Art. 33. Artikel 33
(De tekst van art. 33, § 1, 1°, werd gewijzigd (Art. 9, W 11.02.2019, B.S. 22.02.2019, pg. 17992) en § 2bis, werd ingevoegd (Art. 4, W 14.10.2018, B.S. 25.10.2018, pg. 81448, Erratum B.S. 30.11.2018) met ingang van 01.01.2019)

§ 1. De maatstaf van heffing is:

1° voor de handelingen bedoeld in artikel 10, § 3, en in artikel 12, de aankoopprijs van de
goederen of soortgelijke goederen of, indien er geen aankoopprijs is, de kostprijs, in voorkomend geval rekening houdend met artikel 26, § 1, tweede en derde lid, en met artikel 28, bepaald op het tijdstip waarop die handelingen worden verricht;

2° voor de handelingen bedoeld in artikel 19, § 1 en § 2, 2°, de door de belastingplichtige
gedane uitgaven;

3° voor de handelingen bedoeld in artikel 19, § 2, 1°, de overeenkomstig artikel 32
vastgestelde normale waarde van de dienst.

§ 2. In afwijking van artikel 26 is de maatstaf van heffing voor de levering van goederen of de diensten de normale waarde zoals die overeenkomstig artikel 32 is bepaald indien:

1° de tegenprestatie lager is dan de normale waarde;

2° de afnemer van de levering van goederen of de dienst geen volledig recht op aftrek heeft
van de verschuldigde belasting;

3° de afnemer verbonden is met de leverancier van de goederen of de dienstverrichter:
- ingevolge een arbeidsovereenkomst, met inbegrip van hun familieleden tot in de
vierde graad;
- als vennoot, lid of bestuurder van de vennootschap of rechtspersoon, met inbegrip
van hun familieleden tot in de vierde graad.

§ 2bis. In afwijking van artikel 26 is de maatstaf van heffing voor de in artikel 44, § 3, 2°, d), bedoelde verhuur, de normale waarde zoals die overeenkomstig artikel 32 is bepaald wanneer:

1° de tegenprestatie lager is dan de normale waarde;

2° de huurder geen volledig recht op aftrek heeft van de verschuldigde belasting;

3° de huurder op een van de volgende manieren verbonden is met de verhuurder:
a) ingevolge een arbeidsovereenkomst, met inbegrip van hun familieleden tot in de
vierde graad;
b) als vennoot, lid of bestuurder van de vennootschap of rechtspersoon, met inbegrip
van hun familieleden tot in de vierde graad;
c) ingevolge een rechtstreekse of onrechtstreekse controleverhouding in feite of in
rechte;
d) ingevolge het feit dat de meerderheid van de activa die zij hebben ingezet voor de
behoeften van hun economische activiteit rechtstreeks of onrechtstreeks toebehoren aan dezelfde persoon;
e) ingevolge het feit dat zij in rechte of in feite rechtstreeks of onrechtstreeks onder
een gemeenschappelijke leiding staan;
- IV / 4 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
f) ingevolge het feit dat zij hun werkzaamheden geheel of gedeeltelijk in
gemeenschappelijk overleg organiseren;
g) ingevolge het feit dat zij in rechte of in feite rechtstreeks of onrechtstreeks onder
de controlebevoegdheid staan van één persoon.

§ 3. Bij ruil en, meer algemeen, wanneer de tegenprestatie niet uitsluitend uit een geldsom bestaat, wordt die prestatie voor de berekening van de belasting op haar normale waarde gerekend.

Art. 33bis. Artikel 33bis
(De tekst van art. 33bis is ingevoegd met ingang van 07.01.2007 (Art. 115, W 27.04.2007) B.S. 08.05.2007)
Voor de levering van goederen bedoeld in artikel 12bis en voor de intracommunautaire verwerving van goederen bedoeld in artikel 25quater, wordt de maatstaf van heffing bepaald overeenkomstig artikel 33, § 1, 1°.

Art. 34. Artikel 34
(De tekst van art. 34, § 4, werd opgeheven en de vroegere § 5 wordt § 4 waarvan de tekst tevens werd vervangen met ingang van 01.01.2013 (Art. 23, W 17.12.2012 (I), B.S. 21.12.2012, Ed. 2))

§ 1. Voor de ingevoerde goederen is de maatstaf van heffing de waarde berekend volgens de geldende communautaire regels tot vaststelling van de douanewaarde, ook al heeft de invoer betrekking op goederen die om welke reden ook niet aan invoerrechten onderworpen zijn.

§ 2. In de maatstaf van heffing zoals bepaald in § 1 moeten worden opgenomen, voor zover zij niet reeds daarin zijn begrepen:

1° de in het buitenland verschuldigde rechten, heffingen en andere belastingen, alsmede die
welke ter zake van de invoer verschuldigd zijn, met uitzondering van de te heffen belasting over de toegevoegde waarde;

2° de bijkomende kosten, zoals van commissie, douaneformaliteiten, verpakking, vervoer en
verzekering, tot op de eerste plaats van bestemming van de goederen in België;
In de maatstaf van heffing moeten eveneens de in 2° bedoelde bijkomende kosten worden opgenomen wanneer zij voortvloeien uit het vervoer naar een andere plaats van bestemming in de Gemeenschap, indien deze plaats bekend is op het tijdstip waarop het belastbaar feit plaatsvindt.

§ 3. In de maatstaf van heffing worden daarentegen niet opgenomen:

1° de sommen die als disconto van de prijs mogen worden afgetrokken;

2° de prijsverminderingen die aan de koper of de afnemer worden toegekend en die zijn
verkregen op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt;

3° de interesten wegens te late betaling.

§ 4. De Koning omschrijft het begrip eerste plaats van bestemming bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 2°.
- IV / 5 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 35. Artikel 35
(De tekst van art. 35, tweede lid, werd gewijzigd met ingang van 25.05.2019 (Art. 5, W 02.05.2019, B.S. 15.05.2019, pg. 46586))
De Koning kan een minimummaatstaf van heffing bepalen voor de levering, de intracommunautaire verwerving en de invoer van:

1° automobielen, motorrijwielen en andere motorrijtuigen voor vervoer te land, ongeacht de
soort van de motor, alsmede voor aanhangwagens daarvoor;

2° jachten en plezierboten;

3° vliegtuigen, watervliegtuigen, hefschroefvliegtuigen en andere dergelijke toestellen, en
zweefvliegtuigen.
Hij kan eveneens de maatstaf van heffing van de dienst, bedoeld in artikel 18, § 2, tweede lid, vaststellen op een percentage van het totaal van de bedragen die het reisbureau in de zin van artikel 1, § 7, eerste lid, 2°, aanrekent aan de afnemer.

Art. 36. Artikel 36
(De tekst van art. 36, § 1, a), werd gewijzigd met ingang van 25.05.2019 (Art. 11, W 02.05.2019, B.S. 15.05.2019, pg. 46586))

§ 1. De maatstaf van heffing mag niet lager zijn dan de normale waarde zoals die is bepaald door artikel 32, eerste lid, ten aanzien van:
a) de met voldoening van de belasting vervreemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9, eerste
lid;
b) werk in onroerende staat, wanneer het betrekking heeft op te richten gebouwen.

§ 2. Wanneer de opdrachtgever meer dan één contract sluit voor de oprichting van een gebouw, mag het totaal van de maatstaven van heffing betreffende die contracten, niet lager zijn dan de normale waarde van de gezamenlijke werken.
Wanneer werken in onroerende staat betrekking hebben op de voltooiing van een gebouw dat met betaling van de belasting werd verkregen, mag het totaal van de maatstaven van heffing niet lager zijn dan het minimum dat in het vorige lid is aangegeven.

§ 3. In afwijking van artikel 32, eerste lid, kan de Koning ten aanzien van goederen en diensten bedoeld in de §§ 1 en 2, het tijdstip bepalen dat in aanmerking dient te worden genomen voor de vaststelling van de normale waarde.
- IV / 6 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
HOOFDSTUK V
TARIEF VAN DE BELASTING

Art. 37. Artikel 37
(De tekst van art. 37, § 2, werd gewijzigd met ingang van 03.11.2022 (Art. 17, W 16.10.2022, B.S. 24.10.2022, Ed. 2, pg. 77534, Numac: 2022033779))

§ 1. Bij in Ministerraad overlegd besluit bepaalt de Koning de tarieven en geeft Hij de indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, rekening houdend met de door de Europese Gemeenschappen ter zake uitgevaardigde reglementering.
Bij eenzelfde procedure kan Hij de indeling en de tarieven wijzigen wanneer de economische of sociale omstandigheden zulks vereisen.

§ 2. De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van paragraaf 1 van dit artikel, genomen besluiten. Die besluiten worden geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen een termijn van twaalf maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

Art. 38. Artikel 38
(De tekst van art. 38, § 5, werd gewijzigd met ingang van 03.11.2022 (Art. 18, W 16.10.2022, B.S. 24.10.2022, Ed. 2, pg. 77534, Numac: 2022033779))

§ 1. Het voor de leveringen van goederen en de diensten toe te passen tarief is het tarief dat van kracht is op het tijdstip waarop het belastbare feit plaatsvindt.
In de gevallen bedoeld in de artikelen 17 en 22bis, is het toe te passen tarief evenwel het tarief dat van kracht is op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt.

§ 2. Het voor de intracommunautaire verwerving van goederen toe te passen tarief is het tarief dat van kracht is op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt.

§ 3. Het voor de invoer van goederen toe te passen tarief is het tarief dat van kracht is op het tijdstip waarop het belastbare feit plaatsvindt.
In de gevallen bedoeld in artikel 24, § 2, is het toe te passen tarief evenwel het tarief dat van kracht is op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt.

§ 4. Wanneer de belasting opeisbaar wordt op een tijdstip dat niet samenvalt met dit van het belastbare feit, kan de Koning bij een tussenliggende tariefwijziging bepalen dat voor de door Hem aan te wijzen leveringen van goederen, diensten, intracommunautaire verwervingen en invoeren van goederen, het uiteindelijk toe te passen tarief, het tarief is dat van kracht is op het tijdstip waarop het belastbare feit plaatsvindt.

§ 5. De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van paragraaf 4 genomen besluiten. Die besluiten worden geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen een termijn van twaalf maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
- V / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 38bis. Artikel 38bis
(De tekst van art. 38bis, werd vervangen met ingang van 10.07.2021 (Art. 6, W 27.06.2021, B.S. 30.06.2021, Ed. 3, pg. 66732, Numac: 2021042511))
Het voor de intracommunautaire verwerving van een goed toe te passen tarief is het tarief dat in het binnenland voor de levering van eenzelfde goed wordt toegepast.
Het voor de invoer van goederen toe te passen tarief is het tarief dat in het binnenland voor de levering van eenzelfde goed wordt toegepast.

Art. 38ter. Artikel 38ter
(Het artikel 38ter, werd ingevoegd met ingang van 10.07.2021 (Art. 7, W 27.06.2021, B.S. 30.06.2021, Ed. 3, pg. 66732, Numac: 2021042511))
Iedere handeling die bijdraagt tot het vervaardigen, het bouwen, het monteren of het omvormen van een ander goed dan een uit zijn aard onroerend goed, is aan de belasting onderworpen aan het tarief dat geldt voor het goed beschouwd in de staat waarin het verkeert na de uitvoering van de handeling.
- V / 2 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
HOOFDSTUK VI
VRIJSTELLINGEN
Afdeling 1
Uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer

Art. 39. Artikel 39
(De tekst van art. 39, § 1, 4° en § 3, werd vervangen met ingang van 01.01.2013 (Art. 25, W 17.12.2012 (I), B.S. 21.12.2012, Ed. 2, erratum B.S. 22.01.2013))

§ 1. Van de belasting zijn vrijgesteld:

1° de leveringen van goederen die door of voor rekening van de verkoper worden verzonden
of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap;

2° de leveringen van goederen die door of voor rekening van een niet in België gevestigde
koper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap, met uitzondering van de door de koper zelf vervoerde goederen bestemd voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen en sportvliegtuigen of van andere vervoermiddelen voor privé-gebruik, en van de door een reiziger in zijn persoonlijke bagage meegenomen goederen;

3° de diensten, andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42, bestaande uit werkzaamheden met betrekking tot roerende goederen die zijn verworven of ingevoerd teneinde deze werkzaamheden te ondergaan en die naar een plaats buiten de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd door de dienstverrichter of de niet in België gevestigde ontvanger van de dienst dan wel voor hun rekening.

4° de leveringen van goederen aan een niet in de Gemeenschap gevestigde reiziger, die
deze goederen in België in bezit neemt en ze in zijn persoonlijke bagage uitvoert naar een plaats buiten de Gemeenschap uiterlijk op het einde van de derde maand volgend op de maand waarin de levering plaatsvond.

§ 2. Van de belasting zijn vrijgesteld:

1° de leveringen alsmede de intracommunautaire verwervingen van goederen die bestemd
zijn om in België te worden geplaatst onder een regeling als bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7°, alsmede de leveringen van deze goederen met handhaving van één van die regelingen;

2° de diensten, andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42, bestaande uit werkzaamheden met betrekking tot goederen die het voorwerp uitmaken van leveringen als bedoeld in 1° of die zich in België bevinden onder één van de regelingen bedoeld in 1°.

§ 3. De Koning bepaalt de voorwaarden die voor het verkrijgen van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde vrijstellingen moeten worden nageleefd en kan daarbij afwijken van de artikelen 16, § 1, 17, 22, § 1, en 22bis. Hij kan de vrijstelling bedoeld in paragraaf 1, 4°, beperken en bepaalt het totale bedrag per levering voor het verkrijgen van deze vrijstelling. Hij bepaalt eveneens de verplichtingen en de aansprakelijkheid tegenover de Staat van de tussenpersonen die bij het vervoer optreden voor rekening van de verkoper, de dienstverrichter of de niet in België gevestigde koper of ontvanger van de dienst.
- VI / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 39bis. Artikel 39bis
(De tekst van art. 39bis, eerste lid, 1°, inleidende zin en 3°, werd gewijzigd (Art. 4, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))
Van de belasting zijn vrijgesteld :

1° de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de in
de artikelen 56bis tot en met 56undecies bedoelde vrijstellingsregeling van belasting geniet, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, wanneer:
a) deze leveringen niet zijn onderworpen aan de bijzondere regeling van
belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4;
b) deze leveringen worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een
niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig handelt in een andere lidstaat, en die:
- in een andere lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd;
- dit btw-identificatienummer heeft meegedeeld aan zijn leverancier;

2° de leveringen van nieuwe vervoermiddelen in de zin van artikel 8bis, § 2, door de
verkoper, door de afnemer of voor hun rekening naar de afnemer verzonden of vervoerd, buiten België, maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor belastingplichtigen of voor niet-belastingplichtige rechtspersonen die er daar niet toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan de bovengenoemde vervoermiddelen en andere dan de accijnsprodukten bedoeld onder 3° aan de belasting te onderwerpen, of voor enige andere niet-belastingplichtige;

3° de leveringen van accijnsprodukten, door de verkoper, anders dan een belastingplichtige
die de in de artikelen 56bis tot en met 56undecies bedoelde vrijstellingsregeling van belasting geniet, door de afnemer of voor hun rekening naar de afnemer verzonden of vervoerd, buiten België, maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor belastingplichtigen of voor niet-belastingplichtige rechtspersonen die er daar niet toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan de vervoermiddelen bedoeld onder 2° en andere dan de bovengenoemde accijnsprodukten aan de belasting te onderwerpen, wanneer de verzending of het vervoer van de goederen plaatsvindt overeenkomstig artikel 18 of artikel 35 van Richtlijn (EU) 2020/262, en die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4;

4° de in artikel 12bis bedoelde leveringen van goederen andere dan die onderworpen aan de
bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4, waarvoor de vrijstelling als bedoeld in 1° zou gelden, indien zij voor een andere belastingplichtige zouden zijn verricht.
De in het eerste lid, 1°, bedoelde vrijstelling geldt niet indien de verkoper niet voldoet aan de verplichting om de in artikel 53sexies bedoelde btw-opgave van de intracommunautaire handelingen in te dienen of indien de door hem ingediende opgave niet de correcte informatie betreffende die leveringen bevat, tenzij hij de tekortkoming aan die verplichtingen terdege kan verantwoorden.
De Koning bepaalt de beperkingen en voorwaarden voor de toepassing van deze vrijstelling.

Art. 39quater. Artikel 39quater
(De tekst van art. 39quater, werd vervangen met ingang van 11.12.2023 (Art. 6, W 23.11.2023, B.S. 01.12.2023, pg. 111953, Numac: 2023047474))

§ 1. Worden van de belasting vrijgesteld:

1° de invoeren, de intracommunautaire verwervingen en de leveringen van goederen die worden geplaatst onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot;

2° de leveringen van goederen geplaatst onder een andere regeling van entrepot dan
douane-entrepot, met handhaving van die regeling;

3° de diensten andere dan die vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42, die
betrekking hebben op goederen die het voorwerp uitmaken van de in de bepaling onder 1° bedoelde handelingen of die zich in België bevinden onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot.
De in het eerste lid, 3°, bedoelde diensten die betrekking hebben op goederen die zich bevinden onder de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, zijn beperkt tot de handelingen die door de communautaire douanereglementering zouden toegelaten zijn wanneer deze goederen zich onder de regeling van douane-entrepot zouden bevinden.
De in het eerste lid bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op de in het tweede lid bedoelde diensten die betrekking hebben op goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering zonder handhaving van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot.
De toepassing van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot is, wat betreft de plaatsing van goederen onder die regeling en de diensten verricht op die goederen vóór hun plaatsing onder die regeling, onderworpen aan de uitreiking van een vergunning aan de in België gevestigde entrepothouder door de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.

§ 2. In de zin van dit artikel worden als andere entrepots dan douane-entrepots beschouwd:

1° voor accijnsproducten, de in België gelegen plaatsen die aangemerkt worden als
belastingentrepots in de zin van artikel 3, punt 11), van Richtlijn (EU) 2020/262;

2° voor andere goederen dan accijnsproducten:
a) voor de goederen die bestemd zijn voor de productie of de verwerking van
accijnsproducten, de in België gelegen plaatsen die aangemerkt worden als belasting- entrepots in de zin van artikel 3, punt 11), van Richtlijn (EU) 2020/262 waar accijnsproducten worden geproduceerd of verwerkt onder schorsing van accijnsrechten;
b) voor de andere goederen dan die bedoeld onder a), en die in België worden
ingevoerd in de zin van artikel 23, de in België gelegen plaatsen die overeenkomstig de communautaire douanereglementering als douane-entrepot worden gedefinieerd;
c) voor de andere goederen dan die onder a) en b), de in België gelegen plaatsen
erkend door de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.

§ 3. De plaatsing van goederen onder de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot is, voor de in de zin van artikel 23 in België ingevoerde goederen, beperkt tot dezelfde goederen als deze die overeenkomstig de geldende communautaire douanereglementering onder de regeling van douane-entrepot mogen worden geplaatst.
- VI / 3 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
De plaatsing van goederen onder de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot is, voor de andere dan de in het eerste lid bedoelde goederen, beperkt tot de volgende goederen:

1° tin opgenomen onder de GN-code 8001;

2° koper opgenomen onder de GN-codes 7402, 7403, 7405, 7407 en 7408;

3° zink opgenomen onder de GN-codes 7901 en 7905;

4° nikkel opgenomen onder de GN-code 7502;

5° aluminium opgenomen onder de GN-code 7601;

6° lood opgenomen onder de GN-code 7801;

7° indium opgenomen onder de GN-codes 8112 92 en 8112 99;

8° granen opgenomen onder de GN-codes 1001 tot en met 1005, 1006 uitsluitend wat padie
betreft, 1007 en 1008;

9° oliehoudende zaden en vruchten opgenomen onder de GN-codes 1201 tot en met 1207,
kokosnoten, paranoten en cashewnoten opgenomen onder de GN-code 0801, alsook andere noten opgenomen onder de GN-code 0802 en olijven opgenomen onder de GN- code 0711 20;

10° zaden en zaaigoed, opgenomen onder de GN-codes 1201 tot en met 1207;

11° koffie, ongebrand, opgenomen onder de GN-codes 0901 11 00 en 0901 12 00;

12° thee opgenomen onder de GN-code 0902;

13° cacaobonen, ook indien gebroken, al dan niet gebrand, opgenomen onder de GN-code
1801;

14° ruwe suiker opgenomen onder de GN-codes 1701 11 en 1701 12;

15° rubber, in primaire vormen of in platen, vellen of strippen, opgenomen onder de GN-
codes 4001 en 4002;

16° wol opgenomen onder de GN-code 5101;

17° chemische producten in bulk opgenomen onder de GN-codes in de hoofdstukken 28 en 29
en onder de GN-codes 3824 99 86, 3824 99 92, 3824 99 93 en 3824 99 96;

18° polymeren van ethyleen, in primaire vormen, opgenomen onder de GN-code 3901;

19° polymeren van propyleen of van andere olefinen, in primaire vormen, opgenomen onder
de GN-code 3902;

20° polymeren van styreen, in primaire vormen, opgenomen onder de GN-code 3903;

21° polymeren van vinylchloride of van andere halogeenolefinen, in primaire vormen,
opgenomen onder de GN-code 3904;

22° polyacetalen, andere polyethers en epoxyharsen, in primaire vormen; polycarbonaten,
alkydharsen, polyallylesters en andere polyesters, in primaire vormen, opgenomen onder de GN-code 3907;

23° energieproducten, met uitsluiting van gas geleverd via het aardgasdistributiesysteem
onder de in artikel 14bis bepaalde voorwaarden, opgenomen onder de GN-codes 2707, 2709, 2710 en 2711;

24° ethylalcohol opgenomen onder de GN-code 2207;

25° biodiesel en mengsels daarvan, opgenomen onder de GN-code 3826 00;

26° zilver opgenomen onder de GN-code 7106;
- VI / 4 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

27° goud, met uitzondering van beleggingsgoud gedefinieerd in artikel 1, § 8, opgenomen
onder de GN-code 7108;

28° platina, palladium en rhodium, respectievelijk opgenomen onder de GN-codes 7110 11
00, 7110 21 00 en 7110 31 00;

29° aardappelen opgenomen onder de GN-code 0701;

30° plantaardige vetten en oliën, alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet
chemisch gewijzigd, opgenomen onder de GN-codes 1507 tot en met 1515;

31° ruwe tabak opgenomen onder de GN-code 2401;

32° houtpulp opgenomen onder de GN-code 4703;

33° ruwe katoen opgenomen onder de GN-code 5201;

34° witte kristalsuiker opgenomen onder de GN-code 1701 99;

35° tellurium opgenomen onder de GN-code 2804 50;

36° selenium opgenomen onder de GN-code 2804 90;

37° iridium opgenomen onder de GN-code 7110 41;

38° ruthenium opgenomen onder de GN-code 7110 41;

39° kobalt opgenomen onder de GN-code 8105;

40° bismut opgenomen onder de GN-code 8106;

41° cadmium opgenomen onder de GN-code 8107;

42° antimoon opgenomen onder de GN-code 8110;

43° germanium opgenomen onder de GN-code 8112 30;

44° halffabricaten van ijzer of van niet-gelegeerd staal, opgenomen onder de GN-code 7207;

45° gallium opgenomen onder de GN-code 8112.
De goederen die bestemd zijn om in het kleinhandelsstadium te worden geleverd, zijn uitgesloten van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot.

§ 4. Wanneer accijnsproducten of goederen die bestemd zijn voor de productie of de verwerking van accijnsproducten, overeenkomstig paragraaf 3 toegelaten worden tot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot, en worden opgeslagen of zich bevinden in een in België gelegen plaats die aangemerkt wordt als belastingentrepot in de zin van artikel 3, punt 11), van Richtlijn (EU) 2020/262, worden ze geacht zich onder de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot te bevinden. De regeling wordt beëindigd bij de aangifte ten verbruik van de goederen voor de toepassing van de accijnsrechten of bij de daadwerkelijke uitslag van de goederen uit het belastingentrepot.

§ 5. De vrijstelling voor de in paragraaf 1 bedoelde handelingen wordt voorlopig verleend.
Deze vrijstelling wordt definitief voor de handelingen die voorafgaan aan:

1° een levering van goederen onder bezwarende titel met handhaving van de andere
regeling van entrepot dan douane-entrepot;

2° de onttrekking van de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-
entrepot door de belastingplichtige die een in artikel 10, § 1, bedoelde levering van goederen onder bezwarende titel verricht;

3° de onttrekking van de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-
entrepot door hun eigenaar, los van enige handelstransactie, in het kader van hetzij een in artikel 12bis, eerste lid, bedoelde overbrenging van goederen, hetzij een vervoer of een
- VI / 5 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
verzending van die goederen buiten de Gemeenschap verricht door die eigenaar of voor zijn rekening.
Wanneer, los van enige handelstransactie, de goederen aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot zijn onttrokken door hun eigenaar en ofwel in België blijven ofwel buiten België maar binnen de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van hun eigenaar met het oog op een in artikel 12bis, tweede lid, 4°, 5° of 6°, bedoelde handeling of in het kader van de in artikel 12ter bedoelde regeling, wordt de belasting opeisbaar over de volgende handelingen waarvoor voorlopige vrijstelling werd verleend:

1° de handeling waarbij de goederen onder de regeling worden geplaatst door de eigenaar, evenals over de aan hem verstrekte diensten met betrekking tot die goederen, wanneer de goederen niet het voorwerp hebben uitgemaakt van enige levering onder bezwarende titel tijdens hun verblijf in het entrepot;

2° de levering van goederen aan die eigenaar, evenals de aan hem verstrekte diensten met betrekking tot die goederen, wanneer de goederen het voorwerp hebben uitgemaakt van één of meerdere leveringen onder bezwarende titel tijdens hun verblijf in het entrepot.

§ 6. Behoudens tegenbewijs, wordt eenieder die goederen onttrekt aan de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot verondersteld ze te hebben onttrokken onder de voorwaarden van paragraaf 5, derde lid.
Behoudens tegenbewijs, worden de tekorten van goederen in het entrepot ander dan douane- entrepot, verondersteld te zijn onttrokken aan de andere regeling van entrepot dan douane- entrepot onder de voorwaarden van paragraaf 5, derde lid.

§ 7. De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van deze vrijstelling wat betreft de voldoening van de belasting in geval van regularisatie van de vrijstelling, de procedure voor de aanvraag en de uitreiking van de in paragraaf 1, vierde lid, bedoelde vergunning, de verplichtingen in hoofde van de personen die betrokken zijn bij de toepassing van deze vrijstelling en de sancties ingeval van overtreding van deze vrijstellingsregeling.

Art. 39ter. Artikel 39ter
(De tekst van art. 39ter, werd hersteld met ingang van 01.07.2021 (Art. 10, W 02.04.2021, B.S. 13.04.2021, pg. 32957, Numac: 2021041096))
- VI / 2 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Zijn vrijgesteld van de belasting, de leveringen van goederen aan de belastingplichtige die geacht wordt die goederen te hebben ontvangen en geleverd overeenkomstig artikel 13bis, § 2.

Art. 40. Artikel 40
(De tekst van art. 40, § 1, 1°bis, werd ingevoegd met ingang van 01.07.2021 (Art. 11, W 02.04.2021, B.S. 13.04.2021, pg. 32957, Numac: 2021041096))

§ 1. Van de belasting zijn vrijgesteld:

1° de invoer en de intracommunautaire verwerving:
a) van goederen waarvan de levering door belastingplichtigen in het binnenland in elk
geval is vrijgesteld;
b) van goederen die een definitieve vrijstelling genieten op grond van de door de
Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering;
c) (opgeheven);
d) van goederen verzonden of vervoerd vanuit een derdelandsgebied of een derde
land in een andere lidstaat dan België, indien de levering van deze goederen verricht door de persoon op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde belasting mag of moet worden voldaan uit hoofde van artikel 52, § 1, tweede lid, vrijgesteld is overeenkomstig artikel 39bis;

1°bis de invoer van goederen wanneer de belasting moet worden aangegeven in het kader van de bijzondere regeling bedoeld in titel XII, hoofdstuk 6, afdeling 4, van de richtlijn 2006/112/EG en wanneer, uiterlijk bij de indiening van de invoeraangifte, het individuele btw-identificatienummer voor de toepassing van de bijzondere regeling, van de
- VI / 6 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
leverancier of van de voor zijn rekening handelende tussenpersoon, dat is toegekend overeenkomstig artikel 369octodecies van de richtlijn 2006/112/EG, aan het bevoegde douanekantoor is verstrekt;

2° de wederinvoer, door degene die de goederen heeft uitgevoerd buiten de Gemeenschap:
a) van goederen in de staat waarin ze werden uitgevoerd buiten de Gemeenschap;
b) van goederen die buiten de Gemeenschap een herstelling, een bewerking, een
verwerking of een aanpassing hebben ondergaan;

2°bis de intracommunautaire verwervingen van goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt
van een overbrenging naar een andere lidstaat en in dezelfde toestand in België terugkeren;

3° de invoer van gas via een aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten
net, van gas dat van op een gastransportschip in een aardgassysteem of een upstreampijpleidingnet wordt ingebracht, van elektriciteit of van warmte of koude via warmte- of koudenetten wanneer de persoon op wiens naam de verschuldigde belasting bij de invoer mag of moet worden betaald, deze goederen heeft verworven onder de in artikel 14bis bepaalde voorwaarden.

§ 2. Van de belasting zijn eveneens vrijgesteld:

1° de levering en de verwerving van goederen die vanaf het binnenkomen in de
Gemeenschap werden geplaatst onder één van de in artikel 23, §§ 4 en 5, bedoelde regelingen, met handhaving van één van die regelingen;

2° de diensten, andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42, met betrekking tot goederen die zich in België bevinden onder één van de in artikel 23, §§ 4 en 5, bedoelde regelingen.

§ 3. De Koning bepaalt de voorwaarden die voor het verkrijgen van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde vrijstellingen moeten worden nageleefd en kan daarbij afwijken van artikel 21bis. Voor de invoeren bedoeld in paragraaf 1, 1°, b) en 2°, kan Hij de vrijstelling beperken of, ter voorkoming van concurrentieverstoring, bepalen dat zij geen toepassing vindt.

§ 4. Onverminderd de §§ 1 tot 3, kan de Koning, om de uitvoering van internationale akten te verzekeren, alle maatregelen nemen volgens welke gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de belasting bij de invoer van goederen wordt verleend onder de door Hem te stellen beperkingen en voorwaarden.

Art. 40bis. Artikel 40bis
(De tekst van art. 40bis is ingevoegd met ingang van 01.01.1993 (Art. 46, W 28.12.1992))
Van de belasting zijn vrijgesteld de intracommunautaire verwervingen van goederen waarvoor de afnemer van de goederen op grond van artikel 76, § 2, in ieder geval recht zou hebben op de volledige teruggave van de belasting die bij toepassing van de bepalingen van artikel 25ter zou verschuldigd zijn.
- VI / 7 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 41. Artikel 41
(De tekst van art. 41, § 2bis, werd ingevoegd (Art. 105, W 15.05.2014, B.S. 19.06.2014, pg. 46206) met ingang van 01.05.2014 (Art. 1, KB 13.06.2014, B.S. 25.06.2014, pg. 47827.))

§ 1. Van de belasting zijn vrijgesteld:

1° het zeevervoer van personen; het internationale luchtvervoer van personen; het vervoer
van door reizigers begeleide bagage en auto’s bij hier onder 1° bedoeld vervoer;

2° de diensten die betrekking hebben op de invoer van goederen en waarvan de waarde in
België of in een andere lidstaat opgenomen is in de maatstaf van heffing bij invoer;

3° de diensten die rechtstreeks verband houden met de uitvoer van goederen vanuit België
of vanuit een andere lidstaat buiten de Gemeenschap;

4° de diensten die rechtstreeks verband houden met goederen die:
a) in België vallen onder een regeling als bedoeld in artikel 23, §§ 4 en 5 of onder een
andere regeling van entrepot dan douane-entrepot;
b) in een andere lidstaat vallen onder een regeling die het equivalent is van de
regelingen bedoeld in a);

5° de diensten die rechtstreeks verband houden met handelingen die op grond van artikel
39, § 2, 1°, vrijgesteld zijn van de belasting;

6° het intracommunautaire vervoer van goederen naar of vanaf de eilanden die de autonome
regio’s van de Azoren en van Madeira vormen, het vervoer van goederen tussen deze eilanden alsmede de daarmee samenhangende handelingen.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, 3° tot 5° wordt onder meer bedoeld, de diensten die tot voorwerp hebben:

1° het vervoer van goederen;

2° het laden, lossen, overslaan en overpompen van goederen;

3° het wegen, meten en peilen van goederen;

4° het verpakken, overpakken en het uitpakken van goederen;

5° het behandelen, het stouwen en verstouwen van goederen;

6° het nazien, onderzoeken en in ontvangst nemen van goederen;

7° het beveiligen van goederen tegen slecht weer, diefstal, brandgevaar en ander gevaar
voor verlies of vernieling;

8° het opbergen en bewaren van goederen;

9° het verrichten van formaliteiten bij invoer, uitvoer uit de Gemeenschap of douanevervoer
en die zijn voorgeschreven overeenkomstig een communautaire bepaling.

§ 2. Van de belasting zijn vrijgesteld de diensten door makelaars en lasthebbers die niet handelen als bedoeld in artikel 13, § 2, wanneer die makelaars en lasthebbers tussenkomst verlenen bij:
a) leveringen van goederen of diensten die buiten de Gemeenschap plaatsvinden;
b) leveringen van goederen of diensten die vrijgesteld zijn ingevolge de artikelen 39,
39quater, 40, 41 en 42;
c) leveringen van goederen of diensten die in een andere lidstaat plaatsvinden en die in die
lidstaat zijn vrijgesteld ingevolge een nationale bepaling die de artikelen 146 tot en met 152 van de Richtlijn 2006/112/EG omzet.
- VI / 8 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 2bis. Van de belasting is vrijgesteld de dienst verricht door een reisbureau indien de handelingen waarvoor het, voor de totstandkoming van de reis, een beroep doet op andere belastingplichtigen door laatstgenoemden buiten de Gemeenschap worden verricht.
Indien de in het eerste lid bedoelde handelingen zowel binnen als buiten de Gemeenschap worden verricht, mag alleen het gedeelte van de dienst van het reisbureau betreffende de buiten de Gemeenschap verrichte handelingen worden vrijgesteld.

§ 3. De Koning bepaalt de toepassingsvoorwaarden van dit artikel.

Art. 42. Artikel 42
(In de tekst van art. 42, § 3, werd tussen het vierde en het vijfde lid, een lid ingevoegd met ingang van 03.11.2022 (Art. 19, W 16.10.2022, B.S. 24.10.2022, Ed. 2, pg. 77534, Numac: 2022033779))

§ 1. Van de belasting zijn vrijgesteld:

1° de levering:
a) van schepen voor de vaart op volle zee waarmee passagiersvervoer tegen betaling
plaatsvindt of die worden gebruikt voor de uitoefening van een industriële, handels- of visserijactiviteit;
b) van reddingsboten en -schepen voor hulpverlening op zee en schepen voor de
kustvisserij;
c) van oorlogsschepen;
d) van binnenschepen bestemd voor de binnenlandse commerciële vaart;

2° de levering aan bouwers, eigenaars en gebruikers van in 1° bedoelde vaartuigen, van
voorwerpen bestemd om in die vaartuigen te worden ingelijfd of om te dienen voor de exploitatie van die vaartuigen;

3° de diensten die tot voorwerp hebben de bouw, de verbouwing, de herstelling, het
onderhoud, de verhuur of de bevrachting van in 1° bedoelde vaartuigen of in 2° bedoelde voorwerpen;

4° de levering aan de eigenaars of gebruikers van in 1°, a, b en c, bedoelde vaartuigen, van
goederen bestemd voor de bevoorrading van die vaartuigen. De vrijstelling is nochtans niet toepasselijk op boordprovisie voor vaartuigen, die gebruikt worden voor de kustvisserij, terwijl met betrekking tot oorlogsschepen de vrijstelling beperkt is tot de bevoorrading van de schepen vallende onder de GN-Code 8906 10 00 van de Gecombineerde Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief van de Europese Gemeenschap en die het land verlaten met als bestemming een haven of ankerplaats in het buitenland;

5° de andere diensten dan deze genoemd in 3°, die verricht worden voor de rechtstreekse
behoeften van in 1°, a en b, bedoelde vaartuigen en hun lading, zoals het slepen, het loodsen, het meren, de reddings- en expertiseverrichtingen, het gebruik van de havens, de diensten als agent verleend door scheepsagenten aan rederijen, de diensten ten behoeve van de aan- en afvaart en het verblijf van de bedoelde vaartuigen in de havens, de diensten ten behoeve van passagiers en bemanning verleend voor rekening van rederijen.
De Koning bepaalt de beperkingen en de voorwaarden voor de toepassing van deze paragraaf.

§ 2. Van de belasting zijn vrijgesteld:

1° de levering van vliegtuigen, watervliegtuigen, hefschroefvliegtuigen en dergelijke
toestellen, bestemd voor gebruik door de Staat of door luchtvaartmaatschappijen die zich hoofdzakelijk toeleggen op het internationale vervoer van personen en van goederen tegen betaling;
- VI / 9 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

2° de levering aan bouwers, eigenaars en gebruikers van in 1° bedoelde luchtvaartuigen,
van voorwerpen bestemd om te worden ingelijfd in die toestellen of om te dienen voor de exploitatie ervan;

3° de diensten die tot voorwerp hebben de bouw, de verbouwing, de herstelling, het
onderhoud en de verhuur van in 1° en 2° bedoelde luchtvaartuigen en voorwerpen;

4° de levering aan in 1° bedoelde luchtvaartmaatschappijen, van goederen bestemd voor de bevoorrading van vliegtuigen, watervliegtuigen, hefschroefvliegtuigen en dergelijke toestellen welke die maatschappijen gebruiken;

5° de andere diensten dan deze genoemd in 3°, die verricht worden voor de rechtstreekse
behoeften van in 1° bedoelde toestellen, met uitzondering van de toestellen gebruikt door de Staat, en van hun lading, zoals het slepen, het loodsen, reddings- en expertiseverrichtingen, het gebruik van de luchthavens, de diensten ten behoeve van het landen, het opstijgen en het verblijf van toestellen op de luchthavens, de diensten als agent verleend door luchtvaartagenten aan die maatschappijen, de diensten aan passagiers en bemanning verleend voor rekening van luchtvaartmaatschappijen.
De Koning bepaalt de beperkingen en de voorwaarden voor de toepassing van deze paragraaf.

§ 3. Van de belasting zijn vrijgesteld:

1° de leveringen de invoeren van goederen en de diensten in het kader van de diplomatieke
en consulaire betrekkingen;

2° de leveringen van roerende goederen en de diensten, met uitzondering van werk in
onroerende staat, aan, alsook de invoeren van dergelijke goederen door de volgende personen, handelend voor hun persoonlijk gebruik en gehecht aan de zendingen en posten bedoeld onder 1°: de leden van het diplomatiek personeel, de leden van het administratief en technisch personeel, de consulaire beroepsambtenaren en de consulaire bedienden;

3° de leveringen, de invoeren van goederen en de diensten verricht voor de Europese
Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, de Europese Centrale Bank of de Europese Investeringsbank of voor de door de Europese Gemeenschappen opgerichte organen waarop het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen van toepassing is, zulks binnen de beperkingen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij dat protocol, bij de overeenkomsten tot toepassing van dat protocol of bij de vestigingsovereenkomsten, en voor zover zulks niet leidt tot verstoring van de mededinging;

3°bis de leveringen van goederen aan, de invoeren van goederen door of het verrichten van diensten voor de Europese Commissie of een krachtens het Unierecht opgericht agentschap of orgaan wanneer de Europese Commissie of een dergelijk agentschap of orgaan deze goederen of diensten aankoopt of deze goederen invoert in het kader van de uitvoering van de hen bij het Unierecht toevertrouwde taken ter bestrijding van de COVID-19-pandemie, tenzij de aangekochte goederen en diensten of de ingevoerde goederen onmiddellijk dan wel op een later tijdstip worden gebruikt voor latere leveringen onder bezwarende titel door de Europese Commissie of dergelijk agentschap of orgaan;

4° de leveringen, de invoeren van goederen en de diensten bestemd voor de andere dan in

3° bedoelde internationale instellingen en daaraan verbonden ambtenaren, voor zover in zulke vrijstelling is voorzien door een overeenkomst waarbij België toegetreden is;

4°bis de leveringen, de invoeren van goederen en de diensten, bestemd voor de strijdkrachten
van andere lidstaten, ten behoeve van die strijdkrachten of het hen begeleidende burgerpersoneel of voor de bevoorrading van hun messes of kantines, wanneer die strijdkrachten deelnemen aan een defensie-inspanning ter uitvoering van een Unieoptreden in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid;
- VI / 10 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

4°ter de leveringen van goederen en de diensten die naar een andere lidstaat werden verricht en bestemd zijn voor de strijdkrachten van een andere lidstaat dan de lidstaat van bestemming zelf, ten behoeve van deze strijdkrachten of het hen begeleidende burgerpersoneel of voor de bevoorrading van hun messes of kantines, wanneer die strijdkrachten deelnemen aan een defensie-inspanning ter uitvoering van een Unieoptreden in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid;

5° de leveringen, de invoeren van goederen en de diensten verricht, hetzij voor het officiële
gebruik van de krijgsmachten van vreemde Staten toegetreden tot het Noord-Atlantisch Verdrag of van het hen begeleidende burgerpersoneel, hetzij voor de bevoorrading van de messes en kantines van die krijgsmachten, voor zover de betreffende krijgsmachten deelnemen aan de gemeenschappelijke defensie-inspanning;

6° de leveringen van goederen en de diensten die naar een andere lidstaat werden verricht en bestemd zijn voor de strijdkrachten van een andere Staat toegetreden tot het Noord- Atlantisch Verdrag dan de lidstaat van bestemming zelf, voor het gebruik van die strijdkrachten of van het hen begeleidende burgerpersoneel, of voor de bevoorrading van de messes en kantines van die strijdkrachten, voor zover deze strijdkrachten deelnemen aan de gemeenschappelijke defensie-inspanning;

7° de leveringen, de invoeren van goederen en de diensten bestemd voor de instellingen die door een buitenlandse regering belast zijn met de aanleg, de inrichting en het onderhoud van begraafplaatsen en gedenktekens voor de in oorlogstijd overleden en hier te lande begraven leden van haar krijgsmacht;

8° de leveringen, de invoeren van goederen en de diensten bestemd voor de Noord-
Atlantische Vergadering en de leden van het Internationaal Secretariaat van die Vergadering, voor zover in de vrijstelling is voorzien door de wet van 14 augustus 1974 betreffende het statuut in België van de Noord-Atlantische Vergadering;

9° de leveringen, de intracommunautaire verwervingen en de invoeren van goud aan de
centrale banken;

10° de levering van goederen bestemd voor erkende organisaties die deze goederen uitvoeren
uit de Gemeenschap in het kader van hun menslievend, liefdadig of opvoedkundig werk buiten de Gemeenschap.
De in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde vrijstellingen, zijn onderworpen aan de gebruikelijke wederkerigheid in diplomatieke, consulaire en internationale relaties.
Wanneer niet langer is voldaan aan de vrijstellingsvoorwaarden van het eerste lid, 3° bis, stelt de Europese Commissie of het betrokken agentschap of orgaan voor wie de vrijstelling bij invoer is toegepast, die de vrijgestelde levering van goederen heeft ontvangen of voor wie de vrijgestelde dienst is verricht, de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde daarvan in kennis en is de invoer van die goederen, de levering van die goederen of die dienst aan de belasting onderworpen onder de voorwaarden die op dat ogenblik gelden. De Koning legt de nadere regels voor die kennisgeving vast, wat betreft de vermeldingen ervan en de vormvereisten die moeten worden nageleefd.
Tenzij een internationaal verdrag of zetelverdrag anders bepaalt, bepaalt de Koning de toepassingsvoorwaarden voor de toekenning van de in het eerste lid, 1° tot 8°, bedoelde vrijstellingen de voorwaarden waaronder van die vrijstellingen kan worden afgezien en de bedragen, de aard en de hoeveelheden van de goederen en diensten die voor die vrijstellingen in aanmerking komen. De Koning kan daarvoor de minister van Financiën of zijn gemachtigde belasten met het vastleggen van de procedure voor het bekomen van de vrijstellingen, van de periode waarbinnen de vrijstellingen moeten worden aangevraagd en van maximumdrempels per periode, in het bijzonder om misbruik tegen te gaan. Deze criteria kunnen door de minister van Financiën of zijn gemachtigde worden vastgelegd na raadpleging of op vraag van andere ministers. De Koning kan tevens bepalen dat de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen worden verleend bij wijze van teruggaaf.
De Koning legt de in het vierde lid bedoelde elementen vast bij in Ministerraad overlegd besluit. De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo
- VI / 11 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van het vierde lid genomen besluiten. Die besluiten worden geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen een termijn van twaalf maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer België de lidstaat van ontvangst is en tot op Europees niveau een uniforme belastingregeling is vastgesteld, worden onderworpen aan de door het vierde lid bepaalde voorwaarden:

1° de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen met uitzondering van de in 3° bis bedoelde
vrijstelling;

2° de in artikel 151, lid 1, van de Richtlijn 2006/112/EG bedoelde vrijstellingen, met
uitzondering van de in punt a ter) bedoelde vrijstelling.

§ 4. Van de belasting zijn vrijgesteld:

1° de leveringen van echte parels, natuurlijke edelstenen en dergelijke, aan personen die
uitsluitend handelaar in die goederen zijn;

2° de met betrekking tot die goederen aan dezelfde personen verstrekte diensten.
Door of vanwege de Minister van Financiën worden de perken en de voorwaarden voor de toepassing van deze paragraaf bepaald.

Art. 43. Artikel 43
(De tekst van art. 43, werd opgeheven met ingang van 28.12.1992 (Art. 49, W 28.12.1992))
(opgeheven)
Afdeling 2
Andere vrijstellingen

Art. 44. Artikel 44 W.Btw
1) Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 34/2018 d.d. 22.05.2018 (B.S. 22.05.2018, p. 41903)
Bij artikel 31 van de programmawet van 1 juli 2016 (B.S. 04.07.2016 – Ed. 2) werd art. 44, § 3, 13°, W.Btw vervangen met ingang van 01.07.2016.
Het Grondwettelijk Hof heeft bij het arrest nr. 34/2018 van 22 maart 2018, de artikelen 29 tot 34 van de programmawet van 1 juli 2016, vernietigd (*) met tegenstelbaarheid “erga omnes” vanaf 22.05.2018 – Het Hof handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen.
De vernietigde tekst luidde als volgt:
(13° a) de loterijen;
b) de andere kans- en geldspelen, met uitzondering van degene die langs elektronische weg worden verricht zoals bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 16°)
2) Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 194/2019 d.d. 05.12.2019 (B.S. 16.01.2020, p. 1273)
Bij artikel 110 van de wet van 26 december 2015 (B.S. 30.12.2015, Ed. 2, pg. 80634) werd artikel 44, § 1 en § 2, 1°, a), gewijzigd met ingang van 01.01.2016.
Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 194/2019 van 5 december 2019, de artikelen 110, 111 en 112 van de wet van 26 december 2015 gedeeltelijk vernietigd. Het Hof handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen voor wat alle belastbare feiten betreft die hebben plaatsgevonden vóór 01.10.2019.
Artikel 44, § 1 en § 2, 1°, a), dienen betreffende handelingen verricht vanaf 01.10.2019, te worden begrepen in samenlezing met dit arrest. Het Hof:
1. vernietigt :
- in artikel 44, § 1, 1°, tweede lid, van het BTW-Wetboek, zoals vervangen bij de wet van
26 december 2015 « houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht », de bepalingen vermeld onder litterae a) en b);
- artikel 44, § 1, van hetzelfde Wetboek, in zoverre het niet toelaat dat de vrijstelling van
btw voor diensten van chiropraxie en osteopathie wordt verleend aan andere beoefenaars van medische en paramedische beroepen dan die welke vermeld zijn in die paragraaf, wanneer die beroepsbeoefenaars de noodzakelijke kwalificaties bezitten om medische verzorging te verlenen waarvan het kwaliteitsniveau voldoende hoog is om soortgelijk te zijn aan de door de leden van een gereglementeerd medisch of paramedisch beroep aangeboden verzorging, wanneer deze laatsten de chiropraxie of de osteopathie uitoefenen;
- artikel 44, § 1, van hetzelfde Wetboek, in zoverre het de door tandartsen, vroedvrouwen, verpleegkundigen, zorgkundigen, organisaties van die beroepsbeoefenaars en paramedici verrichte diensten die betrekking hebben op ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter vrijstelt van btw;
- artikel 44, § 1, van hetzelfde Wetboek, in zoverre het voor de in die bepaling bedoelde
diensten die geen medische verzorging uitmaken, een btw-vrijstelling verleent;
- artikel 44, § 2, 1°, a), van hetzelfde Wetboek, in zoverre het voor de samenhangende
goederenleveringen en diensten een btw-vrijstelling verleent in de gevallen die door artikel 134 van de btw-richtlijn uitdrukkelijk van een vrijstelling zijn uitgesloten;
- artikel 44, § 2, 1°, a), van hetzelfde Wetboek, in zoverre het de medische verzorging
alsmede de diensten en de leveringen van goederen die daarmee nauw samenhangen, die betrekking hebben op ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter en die
- Bijlage B. Arresten / 2 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
worden verricht buiten ziekenhuizen, psychiatrische inrichtingen, klinieken en dispensaria, vrijstelt van btw;
2. handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen voor wat alle belastbare feiten betreft
die hebben plaatsgevonden vóór 1 oktober 2019.
De (gedeeltelijk of voorwaardelijk) vernietigde tekst Luidt/luidde als volgt:
(§ 1. Van de belasting zijn vrijgesteld de diensten door de nagenoemde personen
verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid:

1° artsen, tandartsen en kinesitherapeuten.
De vrijstelling bedoeld in de bepaling onder 1°, geldt niet voor de door artsen verrichte diensten die betrekking hebben op ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter:
((a) indien deze ingrepen en behandelingen, niet zijn opgenomen in de
nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;))
((b) indien deze ingrepen en behandelingen wel zijn opgenomen in de
nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, maar niet beantwoorden aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor tegemoetkoming overeenkomstig de reglementering betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;))

2° vroedvrouwen, verpleegkundigen en zorgkundigen;

3° beoefenaars van een erkend en gereglementeerd paramedisch beroep met
betrekking tot hun diensten van paramedische aard die zijn opgenomen in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.)

§ 2. Van de belasting zijn eveneens vrijgesteld:
(1°
a) de ziekenhuisverpleging en de medische verzorging alsmede de
diensten en de leveringen van goederen die daarmee nauw samenhangen, verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid door ziekenhuizen, psychiatrische inrichtingen, klinieken en dispensaria.
Van de vrijstelling bedoeld in de bepaling onder a) zijn uitgesloten, de ziekenhuisverpleging en de medische verzorging alsmede de diensten en de leveringen van goederen die daarmee nauw samenhangen die betrekking hebben op de ingrepen en behandelingen als bedoeld in paragraaf 1, 1°, tweede lid;)
((Onvoorwaardelijk vernietigd))

Art. 44bis. Artikel 44bis
(De tekst van art. 44bis is ingevoegd met ingang van 01.01.2000 (Art. 2, KB 30.12.1999))

§ 1. Van de belasting zijn vrijgesteld, de levering, de intracommunautaire verwerving en de invoer van beleggingsgoud, gedefinieerd in artikel 1, § 8, waaronder beleggingsgoud dat belichaamd is in certificaten voor toegewezen of niet-toegewezen goud of dat verhandeld wordt op goudrekeningen, en waaronder, in het bijzonder, goudleningen en swaps, die een eigendoms- of vorderingsrecht op beleggingsgoud belichamen, evenals voor handelingen betreffende beleggingsgoud bestaande in future- en termijncontracten die leiden tot de overdracht van een eigendoms- of vorderingsrecht met betrekking tot beleggingsgoud.
- VI / 19 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Onverminderd andere wettelijke bepalingen betreffende een latere vrijstelling, kunnen belastingplichtigen die beleggingsgoud produceren of goud omzetten in beleggingsgoud, onder de door of vanwege de Minister van Financiën gestelde voorwaarden, opteren voor belastingheffing met betrekking tot leveringen van beleggingsgoud aan een andere belastingplichtige.
Belastingplichtigen die in het kader van hun economische activiteit normaliter goud voor industriële doeleinden leveren, kunnen eveneens, onder de door of vanwege de Minister van Financiën gestelde voorwaarden, opteren voor belastingheffing met betrekking tot leveringen, aan een andere belastingplichtige, van beleggingsgoud bedoeld in artikel 1, § 8, 1°.

§ 2. Zijn eveneens van de belasting vrijgesteld, de diensten verstrekt door tussenpersonen die niet handelen in de voorwaarden van artikel 13, § 2, en die betrokken zijn bij de levering van beleggingsgoud voor hun opdrachtgever.
Indien de leverancier heeft geopteerd voor de belastingheffing van dergelijke leveringen, kunnen die tussenpersonen, onverminderd een latere vrijstelling, onder de door of vanwege de Minister van Financiën gestelde voorwaarden, opteren voor de belastingheffing van hun diensten.
- VI / 20 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
HOOFDSTUK VII
AFTREK VAN VOORBELASTING

Art. 45. Artikel 45
(De tekst van art. 45, § 1, 3°, werd vervangen (Art. 5, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))

§ 1. Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van:

1° belaste handelingen;

2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;

3° andere handelingen dan die welke zijn vrijgesteld krachtens artikel 284 van Richtlijn
2006/112/EG, verricht buiten België en waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in België zouden zijn verricht;

4° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant
buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;

5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen.

§ 1bis. Voor wat betreft de belasting geheven van leveringen, invoeren en intracommunautaire verwervingen van goederen en diensten met betrekking tot een door artikel 39bis vrijgestelde levering van een nieuw vervoermiddel in de zin van artikel 8bis, § 2, kunnen de belastingplichtigen bedoeld in artikel 8bis, § 1, of in artikel 57 alsook de belastingplichtigen die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verrichten waarvoor zij geen recht op aftrek hebben, in afwijking van § 1 de belasting slechts in aftrek brengen geheven op de levering, de invoer of de intracommunautaire verwerving van het genoemde vervoermiddel en dit binnen de grenzen of ten belope van het bedrag van de belasting dat op deze levering opeisbaar zou zijn indien ze niet vrijgesteld zou zijn op grond van genoemd artikel 39bis.

§ 1ter. Wat het beleggingsgoud betreft, gedefinieerd in artikel 1, § 8, mag elke belastingplichtige, voor zover de latere levering van dat goud is vrijgesteld krachtens artikel 44bis, § 1, eerste lid, van de door hem verschuldigde belasting in aftrek brengen:

1° de belasting geheven op de levering van goud hem gedaan door een persoon die heeft geopteerd voor de belastingheffing van die levering overeenkomstig artikel 44bis, § 1, tweede of derde lid;

2° de belasting geheven op de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van
ander dan beleggingsgoud, in de mate dat dit goud vervolgens door hem of voor zijn rekening wordt omgezet in beleggingsgoud;

3° de belasting geheven op de aan hem verstrekte diensten bestaande in een wijziging van
de vorm, het gewicht of de zuiverheid van het goud.

§ 1quater. Elke belastingplichtige die beleggingsgoud in de zin van artikel 1, § 8, produceert of die goud in beleggingsgoud omzet, kan van de door hem verschuldigde belasting in aftrek brengen, de belasting geheven op de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer
- VII / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
van goederen en diensten die verband houden met de productie of de omzetting van dat goud, voor zover de latere levering van dat goud is vrijgesteld krachtens artikel 44bis, § 1, eerste lid.

§ 1quinquies. Ten aanzien van de uit hun aard onroerende goederen en de andere bedrijfsmiddelen en diensten die op grond van artikel 48, § 2 aan de herziening zijn onderworpen en behoren tot het vermogen van de onderneming van de belastingplichtige, en die zowel voor de doeleinden van zijn economische activiteit als voor zijn privédoeleinden of voor de privé-doeleinden van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit worden gebruikt, mag de belastingplichtige de belasting geheven van de goederen en de diensten met betrekking tot die goederen slechts tot beloop van het gebruik voor de doeleinden van zijn economische activiteit in aftrek brengen.

§ 2. Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van autovoertuigen bestemd voor het vervoer van personen en/of goederen over de weg, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 pct. van de betaalde belasting.
Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de volgende autovoertuigen:
a) de voertuigen met een maximaal toegelaten massa van meer dan 3 500 kg;
b) de voertuigen voor personenvervoer met meer dan acht zitplaatsen, die van de
bestuurder niet inbegrepen;
c) de voertuigen die speciaal zijn ingericht voor het vervoer van zieken, gewonden en
gevangenen en voor lijkenvervoer;
d) de voertuigen die, omwille van hun technische kenmerken, niet kunnen worden
ingeschreven in het repertorium van de Dienst voor Inschrijving van de Voertuigen;
e) de voertuigen die speciaal zijn uitgerust voor het kamperen;
f) de auto's opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal
toegelaten massa 3.500 kg niet overschrijdt, "lichte vrachtauto's" genoemd;
g) de bromfietsen en de motorfietsen;
h) de voertuigen bestemd om te worden verkocht door een belastingplichtige die een
economische activiteit uitoefent die bestaat in de verkoop van autovoertuigen;
i) de voertuigen bestemd om te worden verhuurd door een belastingplichtige die een
economische activiteit uitoefent die bestaat in de verhuur van autovoertuigen aan om het even wie;
j) de voertuigen bestemd om uitsluitend te worden gebruikt voor bezoldigd
personenvervoer;
k) de nieuwe voertuigen in de zin van artikel 8bis, § 2, 2°, eerste gedachtestreep, andere dan deze bedoeld onder a) tot en met j), die het voorwerp uitmaken van een op grond van artikel 39bis vrijgestelde levering. In dit geval wordt de aftrek slechts uitgeoefend binnen de grenzen of ten belope van het bedrag van de belasting dat op deze levering opeisbaar zou zijn indien ze niet vrijgesteld zou zijn op grond van voornoemd artikel 39bis.
Onder "lichte vrachtauto", bedoeld in het tweede lid, f), wordt verstaan:
a) elke auto bestaande uit een volledig van de laadruimte afgesloten enkele of dubbele
cabine die ten hoogste respectievelijk twee of zes plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een open laadbak;
b) elke auto gelijktijdig bestaande uit een passagiersruimte die ten hoogste twee plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen en een daarvan afgesloten laadruimte waarvan de afstand, tussen elk punt van de scheidingswand achter de zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, steeds minstens
- VII / 2 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
50 pct. dient te bedragen van de lengte van de wielbasis. Deze laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een van het koetswerk deel uitmakende, vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankerings- plaatsen voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels;
c) elke auto gelijktijdig bestaande uit een passagiersruimte die ten hoogste zes plaatsen
mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen en een daarvan volledig afgesloten laadruimte waarvan de afstand, tussen elk punt van de scheidingswand achter de laatste rij zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, steeds minstens 50 pct. dient te bedragen van de lengte van de wielbasis. Deze laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een van het koetswerk deel uitmakende, vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankerings- plaatsen voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels.

§ 3. Voor aftrek komt niet in aanmerking de belasting ter zake van:

1° leveringen en intracommunautaire verwervingen van tabaksfabrikaten;

2° leveringen en intracommunautaire verwervingen van geestrijke dranken, daaronder niet
begrepen die welke bestemd zijn om te worden wederverkocht, om te worden verstrekt ter uitvoering van een dienst of om te worden aangeboden als handelsmonster of in het kader van een proeverij;

3° kosten van logies, spijzen en dranken in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 10° en

11°, daaronder niet begrepen de kosten die worden gedaan:
a) voor het personeel dat buiten de onderneming belast is met een levering van
goederen of een dienstverrichting;
b) door belastingplichtigen die op hun beurt dezelfde diensten onder bezwarende titel
verstrekken;

4° kosten van onthaal.

§ 4. De reisbureaus in de zin van artikel 1, § 7, eerste lid, 2°, kunnen de belasting niet in aftrek brengen die geheven is van de goederen en de diensten die andere belastingplichtigen hen leveren ten behoeve van de prestaties bedoeld in artikel 18, § 2, tweede lid, en die rechtstreeks de afnemers ten goede komen.

§ 5. De belastingplichtigen kunnen niet in aftrek brengen de verschuldigde of betaalde belasting in de situaties bedoeld in artikel 58, § 4, 5°.
In de mate dat hij leveringen verricht onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, mag de belastingplichtige wederverkoper de verschuldigde of betaalde belasting niet in aftrek brengen in de situaties bedoeld in artikel 58, § 4, 6°.

Art. 46. Artikel 46
(De tekst van art. 46, werd vervangen met ingang van 11.12.2023 (Art. 7, W 23.11.2023, B.S. 01.12.2023, pg. 111953, Numac: 2023047474 - Errata, B.S. 01.03.2024, pg. 28826, Numac: 2024001947))

§ 1. Wanneer de belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van artikel 45 aanspraak op aftrek bestaat, wordt de belasting ter zake van de voor die activiteit gebruikte goederen en diensten in aftrek gebracht volgens het algemeen verhoudingsgetal gevormd door het bedrag van de laatstbedoelde handelingen ten opzichte van het totale bedrag van de door de betrokkene verrichte handelingen. Hij stelt de administratie belast met de belasting over de
- VII / 3 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
toegevoegde waarde voorafgaandelijk in kennis dat hij zijn recht op aftrek uitoefent in overeenstemming met deze bepaling.
Voor elk kalenderjaar wordt het in het eerste lid bedoelde algemeen verhoudingsgetal voorlopig vastgesteld aan de hand van het bedrag van de handelingen die in de loop van het vorige jaar werden verricht. Wanneer een dergelijke referentie ontbreekt of niet relevant is, wordt het verhoudingsgetal voorlopig door de belastingplichtige geraamd uitgaande van zijn exploitatievooruitzichten.
Het verhoudingsgetal wordt voor elk kalenderjaar definitief vastgesteld op basis van de tijdens dat kalenderjaar uitgevoerde handelingen.
De belastingplichtige brengt de in het tweede en het derde lid bedoelde verhoudingsgetallen ter kennis aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.
Indien het in het derde lid bedoelde definitieve algemeen verhoudingsgetal groter is dan het in het tweede lid bedoelde voorlopige algemeen verhoudingsgetal, mag de belastingplichtige een bijkomende aftrek verrichten die gelijk is aan het verschil tussen de aftrek berekend overeenkomstig het definitieve verhoudingsgetal en de aftrek berekend overeenkomstig het voorlopige verhoudingsgetal. In het tegenovergestelde geval moet de belastingplichtige een bedrag aan belasting terugstorten gelijk aan het vastgestelde verschil.
De belastingplichtige die, op 31 december 2023, het recht op aftrek uitoefent overeenkomstig het eerste lid, doet de in het eerste lid bedoelde kennisgeving vóór 1 juli 2024.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, kan de belastingplichtige, op grond van een voorafgaande kennisgeving aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, het recht op aftrek uitoefenen met inachtneming van het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of van een deel daarvan.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder "het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een gedeelte daarvan" verstaan de bestemming van de goederen en diensten door de belastingplichtige hetzij uitsluitend voor de bedrijfssector waarvoor recht op aftrek bestaat, hetzij uitsluitend voor de bedrijfssector waarvoor geen recht op aftrek bestaat, dan wel voor die beide bedrijfssectoren samen.
De in het eerste lid bedoelde belastingplichtige past één of meer bijzondere verhoudingsgetallen toe voor de goederen en diensten die hij bestemt zowel voor de bedrijfssector waarvoor recht op aftrek bestaat, als voor de bedrijfssector waarvoor geen recht op aftrek bestaat. De belastingplichtige stelt die bijzondere verhoudingsgetallen vast overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, of op basis van alternatieve objectieve en verifieerbare criteria.
De belastingplichtige brengt de in het derde lid bedoelde verhoudingsgetallen ter kennis aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.
De belastingplichtige kan worden verplicht om het recht op aftrek uit te oefenen met inachtneming van het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of van een deel daarvan wanneer de aftrek volgens het in paragraaf 1 bedoelde verhoudingsgetal leidt tot ongelijkheid in de heffing van de belasting.
De belastingplichtige die, op 31 december 2022, het recht op aftrek uitoefent met inachtneming van het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of van een deel daarvan, doet de in het eerste lid bedoelde kennisgeving vóór 1 juli 2023.

§ 3. De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel, met betrekking tot de vorm van de in paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 2, eerste lid, bedoelde voorafgaandelijke kennisgeving alsook de in paragraaf 1, vierde en zesde lid, en paragraaf 2, vierde en zesde lid, bedoelde kennisgevingen, de termijn waarin die kennisgevingen gebeuren, de procedure volgens dewelke de administratie de bestanddelen van de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde kennisgeving kan betwisten en degene volgens dewelke de belastingplichtige kan worden
- VII / 4 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
verplicht om het recht op aftrek uit te oefenen met inachtneming van het werkelijk gebruik overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid.

Art. 47. Artikel 47
(De tekst van art. 47, 2° lid, wordt vervangen en het artikel wordt aangevuld met een lid (Art. 2, W 12.03.2023, B.S. 23.03.2023, pg. 33328, Numac: 2023041020) met ingang van 01.02.2024 (Art. 21, 3° lid, W 12.03.2023). De Koning kan een latere datum van inwerkingtreding bepalen dan die vermeld in artikel 21, eerste lid, zonder dat die datum later mag zijn dan 1 januari 2025 (Art. 21, 3° lid, W 12.03.2023). De datum van inwerkingtreding van de wet van 12.03.2023 werd effectief met een jaar uitgesteld (art. 35, KB 17.12.2023, B.S. 22.12.2023, pg. 120969, Numac: 2023048329). De wijziging van artikel 47, van het wetboek, wordt bijgevolg met evenveel maanden uitgesteld tot 01.02.2025) (5)
De aftrek wordt toegepast op de belasting over de toegevoegde waarde die door de belastingplichtige verschuldigd is over het tijdvak waarin het recht op aftrek is ontstaan.
Wanneer tijdens het aangiftetijdvak het af te trekken bedrag meer bedraagt dan dat van de verschuldigde belasting ter zake van de door de belastingplichtige verrichte leveringen en diensten, wordt het overschot waarvoor geen teruggaaf is gevraagd overeenkomstig artikel 76, § 1, ingeschreven op de Provisierekening btw..
De Koning bepaalt het minimumbedrag dat op de Provisierekening btw kan worden ingeschreven.

Art. 48. Artikel 48
(De tekst van art. 48, werd vervangen met ingang van 01.01.2019 (Art. 6, W 14.10.2018, B.S. 25.10.2018, pg. 81448. Erratum Franse tekst B.S. 30.11.2018, pg. 91.362)

§ 1. In geval van gedeeltelijke aftrek wordt een voorlopig af te trekken bedrag bepaald. Dat bedrag wordt herzien na het verstrijken van het jaar waarin het recht op aftrek is ontstaan.

§ 2. De aftrek van de belasting geheven van bedrijfsmiddelen en diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan bedrijfsmiddelen worden toegeschreven is onderworpen aan herziening gedurende een tijdvak van vijf jaar. De herziening wordt elk jaar verricht tot beloop van een vijfde van het bedrag van die belasting, wanneer enige wijziging is ingetreden in de factoren die aan de berekening van de aftrek ten grondslag liggen.
Voor de belasting geheven van onroerende bedrijfsmiddelen bepaald door de Koning, beloopt het herzieningstijdperk evenwel vijftien jaar en heeft de herziening elk jaar plaats tot beloop van een vijftiende van het bedrag van die belasting.
In afwijking van het eerste en het tweede lid, beloopt het herzieningstijdvak ten aanzien van de belasting geheven van gebouwen of gedeelten van gebouwen, desgevallend met inbegrip van het bijhorend terrein, verhuurd onder de voorwaarden van artikel 44, § 3, 2°, d), vijfentwintig
(5) Artikel 22, van de wet van 12.03.2023 ( B.S. 23.03.2023, pg. 33328, Numac: 2023041020) bepaalt:
“De Koning kan een latere datum van inwerkingtreding bepalen dan die vermeld in artikel 21, eerste lid, zonder dat die datum later mag zijn dan 1 januari 2025. In geval van toepassing van het eerste lid, worden de in artikel 138, tweede lid, van de wet van 13 april 2019 tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen, zoals ingevoegd bij artikel 16, en de in artikelen 19, 20 en 21, tweede en derde lid, vermelde data verlengd met hetzelfde aantal maanden als het aantal maanden waarmee de inwerkingtreding van deze wet wordt uitgesteld.”
- VII / 5 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
jaar en wordt de herziening elk jaar, al naargelang het geval, verricht tot beloop van een vijfde of een vijfentwintigste van het bedrag van die belasting.

Art. 49. Artikel 49
(De tekst van art. 49, inleidende zin werd gewijzigd; punt 4° werd vervangen en punt 6° werd ingevoegd met ingang van 11.12.2023 (Art. 8, W 23.11.2023, B.S. 01.12.2023, pg. 111953, Numac: 2023047474))
De Koning regelt de toepassing van de artikelen 45 tot 48 door te bepalen :

1° het tijdstip waarop het recht op aftrek ontstaat;

2° de termijnen waarbinnen en de regelen volgens welke de aftrek plaatsheeft, berekend
wordt en herzien wordt;

3° de wijze waarop de aftrek en de herziening plaatshebben en berekend worden wanneer
iemand de hoedanigheid van belastingplichtige verliest of wanneer er bij een belastingplichtige enige wijziging is ingetreden in de factoren die aan de berekening van de aftrek ten grondslag hebben gelegen;

4° de wijze waarop en de mate waarin de aftrek en de herziening worden verricht
overeenkomstig artikel 46, § 1, met inbegrip van de handelingen die uit het in artikel 46, § 1, bedoelde verhoudingsgetal moeten worden gesloten opdat dat niet tot ongelijkheid in de heffing van de belasting zou leiden;

5° de wijze waarop herzieningen moeten worden verricht ten aanzien van de belasting
geheven van gebouwen of gedeelten van gebouwen, desgevallend met inbegrip van het bijbehorend terrein, verhuurd onder de voorwaarden van artikel 44, § 3, 2°, d):
a) bij gehele of gedeeltelijke leegstand van het gebouw of gedeelte van het gebouw;
b) bij gehele of gedeeltelijke overdracht van bedoelde gebouwen of gedeelten van
gebouwen tijdens de looptijd van de huurovereenkomst en bij overdracht van de huur;
c) bij het sluiten of beëindigen van de huurovereenkomst.

6° de wijze waarop de bijzondere verhoudingsgetallen worden meegedeeld aan de
administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde door de belastingplichtigen die ook werkzaamheden of handelingen verrichten die niet als in artikel 2 bedoelde handelingen worden aangemerkt."
- VII / 6 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
HOOFDSTUK VIII
REGELING VOOR DE VOLDOENING VAN DE BELASTING

Art. 50. Artikel 50 W.Btw
Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 53/2020 d.d. 23.04.2020 (B.S. 20.05.2020, pg. 36291)
Bij de wet van 18 juli 2018 (B.S. 26.07.2018, pg. 59203) werd artikel 50, § 4, W.Btw met ingang van 01.01.2018 vervangen.
Het Grondwettelijk Hof heeft in het arrest nr. 53/2020 van 23 april 2020, de wet van 18 juli 2018 vernietigd (*) met tegenstelbaarheid “erga omnes” vanaf 20.05.2020 – Het Hof handhaaft
- Bijlage B. Arresten / 3 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
echter de gevolgen van de vernietigde bepalingen voor de activiteiten geleverd tot en met 31.12.2020.
Bij de wet van 24 december 2020 (B.S. 31.12.2020, pg. 98046), werd § 4 opnieuw vervangen met ingang van 01.01.2021 zodat de vernietiging weinig praktische gevolgen heeft.
De vernietigde tekst luidde als volgt:
(§ 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, 1°, kent de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde geen btw-identificatienummer toe aan de belastingplichtige natuurlijke personen op wie de in artikel 56bis bedoelde regeling van toepassing is en die uitsluitend diensten verrichten, wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn:

1° de plaats van de diensten is in België;

2° de diensten worden verricht voor andere doeleinden dan die van de
gebruikelijke economische activiteit van de belastingplichtige;

3° de diensten worden uitsluitend verricht voor natuurlijke personen die ze
bestemmen voor hun privégebruik of dat van andere personen;

4° de diensten worden uitsluitend verricht in het kader van:
a) overeenkomsten die tot stand zijn gebracht door tussenkomst van een
erkend elektronisch platform;
b) van overeenkomsten voor occasionele diensten tussen burgers bedoeld in
hoofdstuk 2 van titel 2 van de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie;

5° de vergoedingen met betrekking tot de onder 4°, a), bedoelde diensten
worden enkel door het in die bepaling bedoelde platform of door tussenkomst van dat platform aan de dienstverrichter betaald of toegekend;

6° alle diensten bedoeld onder 4°, b), evenals de voor de diensten
overeengekomen vergoeding worden geregistreerd in de elektronische toepassing bedoeld in artikel 25 van de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie;

7° de omzet die bestaat uit de vergoedingen bedoeld in de bepaling onder 5°, met
inbegrip van alle sommen die door dat platform of door tussenkomst van dat platform zijn ingehouden, verhoogd met de omzet die bestaat uit de vergoedingen bedoeld in de bepaling onder 6°, bedraagt per kalenderjaar niet meer dan 3 830 euro, geïndexeerd overeenkomstig artikel 178, § 1 en § 3, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.)

Art. 51. Artikel 51
(De tekst van art. 51, § 2, tweede lid, werd gewijzigd met ingang van 11.12.2023 (Art. 16, W 23.11.2023, B.S. 01.12.2023, pg. 111953, Numac: 2023047474))

§ 1. De belasting is verschuldigd:

1° door de belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een
belastbare dienst verricht;

2° door degene die in België een belastbare intracommunautaire verwerving van goederen
verricht;

3° door eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk.

§ 2. In afwijking van § 1, 1°, is de belasting verschuldigd:

1° door de ontvanger van de dienst wanneer de dienstverrichter een belastingplichtige is die
niet in België is gevestigd en de dienst krachtens artikel 21, § 2, geacht wordt in België plaats te vinden;

2° door de medecontractant die overeenkomstig artikel 50, voor BTW-doeleinden is
geïdentificeerd, wanneer het gaat om leveringen van goederen als bedoeld in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 3°, en voor zover de in artikel 53, § 2, eerste lid, beoogde factuur de door de Koning te bepalen vermeldingen bevat;

3° door de medecontractant wanneer het gaat om leveringen van goederen of diensten als
bedoeld in de artikelen 39, § 2, en 39quater;

4° door degene die de goederen onttrekt aan één van de regelingen bedoeld in de artikelen
39, § 2, en 39quater;

5° door de in België gevestigde medecontractant die gehouden is tot het indienen van de
aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of door de niet in België gevestigde medecontractant die een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, wanneer het gaat om een levering van goederen of een dienst verricht door een niet in België gevestigde belastingplichtige en de hier te lande belastbare handeling niet onder 1°, 2° en 6° van deze paragraaf is bedoeld, noch vrijgesteld is of verricht met vrijstelling van de belasting ingevolge de artikelen 39 tot 44bis;

6° door de medecontractant die onder een nummer dat de letters BE bevat voor BTW-
doeleinden is geïdentificeerd, wanneer de ingevolge artikel 14bis hier te lande belastbare handeling wordt verricht door een niet in België gevestigde belastingplichtige.
Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, 5° en 6°, wordt een leverancier of dienstverrichter die in België een vaste inrichting heeft, aangemerkt als een niet in België gevestigde belastingplichtige als deze inrichting niet betrokken is bij de levering van goederen of de dienst.

§ 3. Wanneer ten aanzien van goederen en diensten waarvoor de in artikel 59, § 2, bedoelde deskundige schatting kan worden gevorderd, wordt vastgesteld dat de belasting werd voldaan over een onvoldoende maatstaf, is de aanvullende belasting verschuldigd door degene tegen wie de schattingsprocedure wordt ingesteld.

§ 4. De Koning kan afwijken van § 1, 1°, om de medecontractant van de leverancier van goederen of van de dienstverrichter tot voldoening van de belasting te verplichten in de mate dat Hij zulks noodzakelijk acht om die voldoening te vrijwaren.
- VIII / 3 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 51bis. Artikel 51bis W.Btw
Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 34/2018 d.d. 22.05.2018 (B.S. 22.05.2018, p. 41903)
Bij artikel 32 van de programmawet van 1 juli 2016 (B.S. 04.07.2016 – Ed. 2) werd art. 51bis, § 1bis, W.Btw ingevoegd met ingang van 01.07.2016.
Het Grondwettelijk Hof heeft in het arrest nr. 34/2018 van 22 maart 2018, de artikelen 29 tot 34 van de programmawet van 1 juli 2016, vernietigd (*) met tegenstelbaarheid “erga omnes” vanaf 22.05.2018 – Het Hof handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen.
De vernietigde tekst luidde als volgt:
(§ 1bis. De medecontractant van de niet in België gevestigde schuldenaar van de belasting krachtens artikel 51, § 1, 1°, is met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting verschuldigd op de voor de medecontractant langs elektronische weg verrichte kans- en geldspelen bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 16°, wanneer de schuldenaar niet beschikt over een btw-identificatienummer in België, desgevallend in toepassing van één van de bijzondere regelingen bedoeld in artikel 58ter en artikel 58quater, noch beschikt
- Bijlage B. Arresten / 4 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
over een btw-identificatienummer toegekend door een andere lidstaat in toepassing van één van de bijzondere regelingen bedoeld in de artikelen 358bis tot en met 369duodecies van richtlijn 2006/112/EG.)

Art. 51ter. Artikel 51ter
(De tekst van art. 51ter, werd gewijzigd (Art. 7, W 20.11.2022, B.S. 30.11.2022, pg. 88145, Numac: 2022034191) met ingang van 01.01.2023 (Art. 38, W 20.11.2022))
De personen die bij toepassing van artikel 4, § 2, als één belastingplichtige worden aangemerkt, zijn ten opzichte van de Staat hoofdelijk gehouden tot de voldoening van de belasting, de nalatigheidsintresten, de geldboeten en de kosten die opeisbaar zijn ingevolge de handelingen die betrekking hebben op de periode waarin deze personen als één belastingplichtige worden aangemerkt voor de toepassing van dit Wetboek.

Art. 52. Artikel 52
(De tekst van art. 52, § 2, tweede lid en § 3, werd gewijzigd met ingang van 16.05.2014 (Art. 36, W 25.04.2014, B.S. 16.05.2014, pg. 39621))

§ 1. Ten aanzien van de belasting verschuldigd ter zake van invoer, stelt de Koning de voorwaarden waaronder de goederen in België mogen worden gebracht en schrijft Hij onder meer de verplichting voor ze op de door Hem te bepalen wijze aan te geven.
Onverminderd artikel 51bis, § 3, wijst de Koning aan op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde belasting mag of moet worden voldaan, en wie voor deze voldoening aansprakelijk is; Hij bepaalt het tijdstip waarop de belasting moet worden voldaan en de formaliteiten die daarbij moeten worden nagekomen.

§ 2. Er is overtreding van de verplichting de belasting te voldoen wanneer goederen in België worden gebracht zonder dat de ter uitvoering van § 1, eerste lid, genomen besluiten zijn nageleefd.
Bij invoer zonder aangifte kunnen de goederen en de ervoor gebezigde vervoermiddelen, in de gevallen en overeenkomstig de regelen inzake invoerrecht, in beslag genomen worden, verbeurdverklaard en vervolgens verkocht of teruggegeven worden, ook al zijn die goederen om welke reden ook niet aan invoerrecht onderworpen; de genoemde regelen vinden eveneens toepassing voor de schadeloosstelling van de persoon wiens goederen onrechtmatig in beslag zijn genomen. De inbeslagneming, de verbeurdverklaring, de verkoop of de teruggaaf worden verricht door of op verzoek van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen of de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.

§ 3. Wanneer regelmatig in België binnengebrachte goederen onder douanetoezicht zijn en niemand de aangifteformaliteiten komt voltooien, kan de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen over die goederen beschikken overeenkomstig de regelen inzake invoerrecht, ook al zijn de goederen om welke reden ook niet aan invoerrecht onderworpen.
- VIII / 6 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 52bis. Artikel 52bis
(De tekst van art. 52bis, § 3, werd vervangen met ingang van 01.04.2019 (Art. 2, W 26.11.2018, B.S. 04.12.2018, pg. 93842). Art. 19, W 26.11.2018: “Deze wet is niet van toepassing op het dwangbevel dat ter kennis werd gegeven of betekend werd vóór de datum van haar inwerkingtreding.”)

§ 1. Wanneer ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, ter gelegenheid van hun onderzoeken bij een belastingplichtige, feiten vaststellen die een geheel van overeenstemmende aanwijzingen van ernstige fraude, al dan niet georganiseerd, uitmaken en bijgedragen hebben tot de overtreding van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, kunnen zij bewarend beslag leggen op de roerende goederen waarvoor tijdens die onderzoeken niet is aangetoond dat zij uitsluitend aan derden toebehoren.
De in het eerste lid bedoelde ambtenaren, in het bezit van hun aanstellingsbewijs, stellen een proces-verbaal van beslag op dat met name de volgende vermeldingen moet bevatten:

1° de dag, de maand, het jaar en de plaats van het beslag;

2° de naam, voornaam, graad en hoedanigheid van de verbaliserende ambtenaren;

3° de identificatie van de beslagene door de vermelding van het ondernemingsnummer
indien gekend alsook van hetzij de naam, de voornaam en de woonplaats voor een natuurlijke persoon, hetzij de maatschappelijke benaming, de rechtsvorm en de maatschappelijke zetel voor een rechtspersoon;

4° de vermelding van de in het eerste lid bedoelde feiten vastgesteld door deze ambtenaren;

5° de motivatie van de hoogdringendheid van het beslag;

6° de vermelding en de specificatie van een belastingschuld die zeker is en vaststaand of
vatbaar voor een voorlopige raming;

7° de inventaris van de beslagen goederen die een voldoende nauwkeurige en gedetailleerde
omschrijving van de goederen bevat;

8° de handtekening van minstens twee verbaliserende ambtenaren;

9° de integrale weergave van artikel 507 van het Strafwetboek;

10° de rechtsmiddelen tegen de genomen maatregelen, het bevoegde gerechtelijk
arrondissement en de bevoegde rechtsinstantie;

11° de in het eerste lid bedoelde administratie die in geval van beroep moet worden
gedagvaard.
Indien het afschrift van het proces-verbaal niet aan de beslagene kan worden overhandigd tegen ontvangstbewijs op het ogenblik van het beslag, wordt dit afschrift onmiddellijk ter plekke achtergelaten en wordt het proces-verbaal van beslag - op straffe van nietigheid - hem binnen de veertien dagen bij aangetekende brief ter kennis gebracht.
Dit bewarend beslag mag geen afbreuk doen aan artikel 1408, §§ 1 en 2, van het Gerechtelijk Wetboek inzake de niet voor beslag vatbare goederen.
Ten gevolge van het bewarend beslag kunnen de goederen niet worden vervreemd of bezwaard gedurende een periode van drie jaar zonder dat evenwel enig voorrecht wordt verschaft. Het bewarend beslag geeft aanleiding tot het opmaken en het verzenden binnen drie werkdagen te rekenen vanaf de overhandiging of de betekening van het proces-verbaal, door de verbaliserende ambtenaren, van een bericht van beslag overeenkomstig artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek.

§ 2. Op straffe van nietigheid moet de geldigheid van het in § 1 bedoelde beslag bekrachtigd worden door de beslagrechter van het ambtsgebied waarin zich het kantoor belast met de
- VIII / 7 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
invordering van de fiscale schuld bevindt, binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van het in § 1, tweede lid, bedoelde proces-verbaal. De procedure wordt ingeleid op eenzijdig verzoekschrift. De beslissing van de beslagrechter is uitvoerbaar bij voorraad.
Bij toepassing van het principe van artikel 1420 van het Gerechtelijk Wetboek kan de beslagene binnen de drie maanden na overhandiging van het proces-verbaal van beslag of van de verzending van de aangetekende brief beroep instellen bij de beslagrechter van het ambtsgebied waarin zich het kantoor belast met de invordering van de fiscale schuld bevindt, om de opheffing of wijziging van het beslag te verkrijgen in het geval dat niet aan de voorwaarden van dit artikel werd voldaan. De beslagrechter kan het beslag wijzigen in de mate dat de waarde van de in § 1, tweede lid, 7°, bedoelde beslagen goederen het bedrag van de in § 1, tweede lid, 6°, bedoelde schuld op een disproportionele manier overschrijdt.
De beslagrechter kan het beslag tevens wijzigen of opheffen in geval van veranderde omstandigheden.
De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding overeenkomstig de artikelen 1035 tot 1041 van het Gerechtelijk Wetboek.
In voorkomend geval behoudt het beslag zijn bewarend karakter gedurende de rechtsgang van de ingeleide gerechtelijke procedure evenals tijdens een eventuele rechtsgang van de vordering in rechte ingeleid op grond van artikel 89, tweede lid.

§ 3. Op straffe van nietigheid van het beslag, wordt de belastingschuld in een innings- en invorderingsregister opgenomen overeenkomstig artikel 85 binnen drie maanden na de kennisgeving van het in § 1, tweede lid, bedoelde proces-verbaal van beslag.
De opname van de belastingschuld in het innings- en invorderingsregister kan maar door verzending van het innings- en invorderingsbericht bedoeld in artikel 85, § 3, worden ter kennis gebracht aan de beslagene na de bekrachtiging van het beslag door de beslagrechter zoals bepaald in § 2, eerste lid. In afwijking van artikel 85, § 3, wordt dit innings- en invorderingsbericht bij aangetekende zending ter kennis gegeven. De afgifte van het stuk bij de aanbieder van de universele postdienst geldt als kennisgeving vanaf de derde daaropvolgende werkdag.
Door de loutere kennisgeving van dit innings- en invorderingsbericht wordt het bewarend beslag omgezet in een uitvoerend beslag en de daaropvolgende tenuitvoerlegging ervan gebeurt overeenkomstig artikel 1497 van het Gerechtelijk Wetboek.
Het uitvoerend beslag op roerende goederen zal vervolgens plaatsvinden overeenkomstig de bepalingen van artikel 1499 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, onverminderd de mogelijkheid voor de beslagene, in geval van veranderde omstandigheden, om de wijziging of opheffing van het beslag te verzoeken voor de beslagrechter.

Art. 53. Artikel 53
Art. 53, met ingang van 01.01.2026 (§ 2, eerste lid, inleidende zin werd vervangen; § 2bis werd ingevoegd en § 3 werd vervangen (Art. 3, W 06.02.2024, B.S. 20.02.2024, pg. 24025, Numac: 2024001635))

§ 1. De belastingplichtige, met uitzondering van degene die geen enkel recht op aftrek heeft, is gehouden :

1° een aangifte in te dienen bij de aanvang, de wijziging of de stopzetting van zijn
werkzaamheid;
- VIII / 8 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

2° iedere maand een aangifte in te dienen waarin hij vermeldt (7) :
a) het bedrag der in dit Wetboek bedoelde handelingen die hij heeft verricht of die aan
hem werden verstrekt gedurende de vorige maand in het kader van zijn economische activiteit;
b) het bedrag van de opeisbare belasting, van de te verrichten aftrek en van de te
verrichten herzieningen;
c) de gegevens die de Koning noodzakelijk acht om te voldoen aan de door de
Gemeenschap uitgevaardigde regelgeving inzake statistieken en om de controle op de toepassing van de belasting te waarborgen;

3° de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de
bij 2° voorgeschreven aangifte.
In afwijking van het eerste lid is de in de artikelen 56bis tot en met 56undecies, bedoelde belastingplichtige gehouden tot de in het eerste lid, 1°, bepaalde verplichtingen.

§ 1bis. Paragraaf 1, eerste lid, 1°, is niet van toepassing op de belastingplichtige die uitsluitend handelingen verricht waarvoor hij gebruikmaakt van de bijzondere regeling bedoeld in titel XII, hoofdstuk 6, afdeling 2 of 4, van de richtlijn 2006/112/EG.
Paragraaf 1, eerste lid, 2° en 3°, is niet van toepassing op de belastingplichtige die uitsluitend handelingen verricht waarvoor hij gebruikmaakt van een bijzondere regeling bedoeld in titel XII, hoofdstuk 6, van de richtlijn 2006/112/EG.

§ 1ter. De administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde brengt aan de belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangifte een voorstel van vervangende aangifte ter kennis, na het verstrijken van een termijn van drie maanden volgend op het aangiftetijdvak, wanneer de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangifte niet binnen de vereiste termijn werd ingediend, behalve in de volgende gevallen:

1° wanneer de belastingplichtige niet als zodanig voor btw-doeleinden is geïdentificeerd
overeenkomstig artikel 50;

2° wanneer de belastingplichtige de in de paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangifte heeft
ingediend vóór de kennisgeving van deze vervangende aangifte;

3° wanneer de rechten van de Schatkist in gevaar zijn.
Het voorstel van vervangende aangifte bedoeld in het eerste lid herneemt het hoogste verschuldigde bedrag aan belasting opgenomen in de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangiften met betrekking tot de twaalf maanden voorafgaand aan het aangiftetijdvak van de niet binnen de vereiste termijn ingediende aangifte.
Bij gebrek aan een eerder ingediende aangifte in de loop van een aangiftetijdvak dat maximaal twaalf maanden aan het aangiftetijdvak van de niet-ingediende aangifte voorafgaat, of wanneer het in het tweede lid bedoelde bedrag lager is dan 2.100 euro, legt het in het eerste lid bedoelde voorstel van vervangende aangifte het verschuldigde bedrag aan belasting vast op 2.100 euro.
(7) Ten aanzien van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde aangiften waarvan de uiterste indieningsdatum vóór 1 januari 2024 valt en die op 1 januari 2024 nog niet het voorwerp uitgemaakt hebben van een definitieve rechtzetting, kan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde de in artikel 53, § 1ter, van hetzelfde Wetboek bedoelde procedure toepassen dan wel de procedure die van toepassing was overeenkomstig de vigerende bepalingen vóór de inwerkingtreding van deze wet (oorspronkelijk 01.01.2024) (Art. 21, 2° lid, W 12.03.2023). De datum van inwerkingtreding van de wet van 12.03.2023 werd met een jaar uitgesteld tot 01.01.2025 (art. 35, KB 17.12.2023, B.S. 22.12.2023, pg. 120969, Numac: 2023048329)
- VIII / 9 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Het in het eerste lid bedoelde voorstel van vervangende aangifte wordt aan de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige ter kennis gebracht bij aangetekende zending en heeft uitwerking op de derde werkdag volgend op de afgifte van die zending aan de aanbieder van de universele postdienst. Het bevat de volgende vermeldingen:

1° de vermelding "voorstel van vervangende aangifte";

2° het aangiftetijdvak waarvoor de belastingplichtige geen aangifte heeft ingediend;

3° het verschuldigde bedrag aan belasting die, al naargelang het geval, overeenstemt met:
a) het hoogste verschuldigde bedrag aan belasting opgenomen in de in het tweede lid
bedoelde aangiften, wanneer dat bedrag hoger is of gelijk aan 2.100 euro;
b) 2.100 euro, bij gebrek aan in het tweede lid bedoelde aangiften of wanneer het hoogste verschuldigde bedrag aan belasting opgenomen in de in het tweede lid bedoelde aangiften lager is dan 2.100 euro;

4° de wettelijke grondslag waarop de administratie zich steunt om het bedrag van de
verschuldigde belasting vast te stellen.
De in het eerste lid bedoelde belastingplichtige kan de in paragraaf 1, eerste lid, 2°, bedoelde niet ingediende aangifte indienen binnen een termijn van een maand vanaf de datum van uitwerking van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving van het voorstel van vervangende aangifte om het voorstel van vervangende aangifte te betwisten. De indiening van die aangifte maakt een einde aan de procedure van voorstel van vervangende aangifte.
Wanneer de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige de in het vijfde lid bedoelde aangifte niet heeft ingediend binnen de erin vermelde termijn, wordt de vervangende aangifte definitief en worden die aangifte en het verschuldigde bedrag aan belasting zoals vastgesteld in het in het eerste lid bedoelde voorstel van vervangende aangifte, aan de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige ter kennis gebracht bij aangetekende zending die de in het vierde lid bedoelde vermeldingen omvat. Die kennisgeving heeft uitwerking vanaf de derde werkdag volgend op de afgifte van de zending aan de aanbieder van de universele postdienst.
De belastingplichtige kan bezwaar indienen tegen de in het zesde lid bedoelde definitieve vervangende aangifte op het elektronische adres, binnen de termijn en volgens de modaliteiten, zoals bepaald door de Koning.
De kennisgeving van de definitieve vervangende aangifte doet geen afbreuk aan het recht van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde om de correcte toepassing na te gaan van de verschuldigde belasting ten aanzien van het aangiftetijdvak dat betrekking heeft op de vervangende aangifte en om desgevallend het bedrag ervan te corrigeren.
De in het eerste lid bedoelde belastingplichtige, voldoet zonder uitstel het in het zesde lid bedoelde verschuldigde bedrag aan belasting alsook de overeenkomstig artikel 91, § 1, eerste lid, 1° verschuldigde nalatigheidsinteresten.

§ 2. De belastingplichtige die andere leveringen van goederen of diensten verricht dan die welke krachtens artikel 44 zijn vrijgesteld en andere dan die welke bedoeld zijn in artikel 135, lid 1, punten a) tot g) van Richtlijn 2006/112/EG, reikt een factuur uit aan zijn medecontractant of zorgt ervoor dat in zijn naam en voor zijn rekening, door zijn medecontractant of een derde een factuur wordt uitgereikt:

1° wanneer hij een levering van goederen of een dienst heeft verricht voor een
belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon;

2° wanneer hij een levering van goederen heeft verricht bedoeld in artikel 15, §§ 1, 2 of 2bis, voor elke niet-belastingplichtige natuurlijke persoon, behalve wanneer hij gebruikmaakt van de bijzondere regeling bedoeld in titel XII, hoofdstuk 6, afdeling 3, van de richtlijn 2006/112/EG;
- VIII / 10 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

3° wanneer hij een levering van goederen, zoals bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 2°, heeft
verricht voor elke niet-belastingplichtige persoon;

4° wanneer de belasting opeisbaar wordt over de gehele of een deel van de prijs van de
handeling, bij toepassing van de artikelen 17, § 1, derde lid en § 4 en 22bis, § 1, derde lid, § 2, tweede lid en § 4, vooraleer een levering van een goed of een dienst bedoeld in 1° en 2°, wordt verricht.
De uitreiking van facturen door de medecontractant, in naam en voor rekening van de leverancier of de dienstverrichter, wordt toegestaan op voorwaarde dat er een voorafgaandelijk akkoord is tussen beide partijen en dat iedere factuur het voorwerp uitmaakt van een procedure van aanvaarding door de belastingplichtige die de levering van het goed of de dienst verricht.
Ieder document dat wijzigingen aanbrengt in en specifiek en ondubbelzinnig verwijst naar de oorspronkelijke factuur geldt als factuur.
Het gebruik van een elektronische factuur is toegestaan mits aanvaarding door de afnemer.
De Koning kan aan de belastingplichtigen de verplichting opleggen een factuur uit te reiken voor de leveringen van goederen of dienstverrichtingen, andere dan deze bedoeld in het eerste lid.

§ 2bis. In afwijking van paragraaf 2, eerste en vierde lid, reikt de in België gevestigde belastingplichtige, met uitsluiting van de belastingplichtigen op wie de in artikel 56 bedoelde regeling van toepassing is en van de gefailleerde belastingplichtigen ten aanzien van de activiteit waarvoor ze failliet zijn verklaard, aan zijn medecontractant een gestructureerde elektronische factuur uit of laat hij in zijn naam en voor zijn rekening, door zijn medecontractant of door een derde, een dergelijke factuur uitreiken:

1° wanneer hij, onder zijn krachtens artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, toegekende btw- identificatienummer of, in geval van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, onder het krachtens artikel 50, § 1, eerste lid, 6°, aan één van zijn leden toegekende sub-btw- identificatienummer, andere leveringen van goederen of diensten verricht dan die die krachtens artikel 44 zijn vrijgesteld, voor:
a) ofwel, een belastingplichtige die voor die handeling zijn btw-identificatienummer bedoeld in artikel 50, § 1, eerste lid, 1° of 3°, moet meedelen overeenkomstig artikel 53quater, § 1, eerste lid;
b) ofwel, een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, wanneer één van haar leden voor die handeling zijn sub-btw-identificatienummer bedoeld in artikel 50, § 1, eerste lid, 6°, moet meedelen overeenkomstig artikel 53quater, § 4, eerste lid;

2° wanneer de belasting opeisbaar wordt over de gehele of een deel van de prijs van de handelingen bedoeld in de bepaling onder 1° krachtens de artikelen 17, § 1, derde lid, en § 4, en artikel 22bis, § 1, derde lid, en § 4.".
De in het eerste lid bedoelde facturen beantwoorden aan de door de Koning vastgelegde normen inzake semantiek, syntaxis en wijze van overdracht. De in het eerste lid bedoelde belastingplichtige die gehouden is tot het uitreiken van een gestructureerde elektronische factuur mag van die normen afwijken mits akkoord tussen de betrokken partijen en op voorwaarde dat hij de Europese semantische en syntactische normen EN 16931-1 en CEN/TS 16931-2 in acht neemt.
Ieder document dat wijzigingen aanbrengt in en specifiek en ondubbelzinnig verwijst naar de oorspronkelijke in het eerste en het tweede lid bedoelde factuur geldt als gestructureerde elektronische factuur en wordt uitgereikt in hetzelfde formaat als de oorspronkelijke factuur.
De uitreiking, overeenkomstig het eerste lid, van een gestructureerde elektronische factuur door de medecontractant, in naam en voor rekening van de leverancier of dienstverrichter, wordt enkel toegestaan op voorwaarde dat er een voorafgaandelijk akkoord is tussen beide partijen en dat iedere factuur het voorwerp uitmaakt van een procedure van aanvaarding door de belastingplichtige die de levering van het goed of de dienst verricht.
- VIII / 11 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
De bestemmeling van een overeenkomstig deze paragraaf uitgereikte gestructureerde elektronische factuur, die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1° of 3°, voor btw- doeleinden is geïdentificeerd:

1° is in staat, zelf of via een derde in zijn naam en voor zijn rekening, die factuur te ontvangen in het formaat waarin ze werd uitgereikt;

2° kan geen beroep doen op het bepaalde in paragraaf 2, vierde lid.

§ 3. In het kader van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, is het lid dat goederen of diensten verschaft aan een ander lid ertoe gehouden een bijzonder stuk uit te reiken aan dat lid en een kopie daarvan op te stellen of ervoor te zorgen dat in zijn naam en voor zijn rekening, door het lid in zijn hoedanigheid van medecontractant of door een derde dergelijke stukken worden uitgereikt of opgesteld, als de in paragraaf 2 of 2bis bedoelde factuur niet werd uitgereikt.
De in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde voorwaarden zijn van toepassing wanneer het in het eerste lid bedoelde stuk wordt uitgereikt door de medecontractant in naam en voor rekening van het lid dat de goederen levert of de diensten verricht.
De in paragraaf 2bis, tweede tot en met vierde lid, bedoelde voorwaarden zijn van toepassing op de in het eerste lid bedoelde facturen en bijzondere stukken wanneer een gestructureerde elektronische factuur had moeten worden uitgereikt overeenkomstig paragraaf 2bis, eerste lid, als de bestemmeling van de factuur geen lid was geweest van dezelfde btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2.
De Koning kan andere verplichtingen bepalen om de juiste heffing van de belasting te waarborgen en om de fraude te vermijden.

Art. 53bis. Artikel 53bis
(De tekst van art. 53bis, § 1, eerste lid, werd gewijzigd (Art. 8, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))

§ 1. De belastingplichtigen op wie de vrijstellingsregeling van belasting bedoeld in de artikelen 56bis tot en met 56undecies of de regeling bedoeld in artikel 57, toepasselijk is, de belastingplichtigen die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verrichten waarvoor zij geen recht op aftrek hebben, alsmede de niet-belastingplichtige rechtspersonen moeten jaarlijks, vooraleer de eerste intracommunautaire verwerving van goederen te verrichten ten gevolge waarvan de in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, b, bedoelde drempel van 11.200 EUR wordt overschreden, een verklaring van het overschrijden van die drempel indienen.
Zij zijn evenwel van die verklaring ontslagen wanneer een dergelijke verklaring in de loop van het voorafgaande kalenderjaar werd ingediend of wanneer zij in de loop van datzelfde kalenderjaar voor hun intracommunautaire verwervingen van goederen gehouden waren tot het indienen van de in artikel 53ter bedoelde aangifte en het aldus aangegeven bedrag hoger was dan de genoemde drempel van 11.200 EUR.

§ 2. De belastingplichtigen die niet voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd moeten vooraleer een dienst zal worden verstrekt waarvoor zij de eerste maal schuldenaar worden van de belasting bij toepassing van artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, meedelen dat een dergelijke dienst hun voor de eerste maal wordt verstrekt.
De belastingplichtigen bedoeld in artikel 50, § 1, eerste lid, 5°, dienen eveneens vooraleer zij een eerste maal een dienst verstrekken die krachtens de communautaire bepalingen geacht wordt in een andere lidstaat plaats te vinden en waarvoor de belasting is verschuldigd door de
- VIII / 12 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
ontvanger van de dienst, mee te delen dat zij een dergelijke dienst voor de eerste maal verstrekken.

Art. 53decies. Artikel 53decies
(De tekst van art. 53decies, § 1, derde lid, werd vervangen met ingang van 01.07.2021 (Art. 15, W 02.04.2021, B.S. 13.04.2021, pg. 32957, Numac: 2021041096))

§ 1. Voor de facturering gelden de regels die van toepassing zijn in de lidstaat waar de levering van het goed of de dienst geacht wordt te zijn verricht, overeenkomstig het bepaalde in titel V van Richtlijn 2006/112/EG.
In afwijking van het eerste lid gelden voor de facturering de regels die van toepassing zijn in de lidstaat waar de leverancier of de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de levering van het goed of de dienst verricht, of, bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, de lidstaat waar de leverancier of dienstverrichter zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats heeft, wanneer:

1° de leverancier of de dienstverrichter niet gevestigd is in de lidstaat waar de levering van
het goed of de dienst overeenkomstig het bepaalde in titel V van Richtlijn 2006/112/EG
- VIII / 18 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
geacht wordt te zijn verricht, of zijn vaste inrichting in die lidstaat niet betrokken is bij het verrichten van de levering van het goed of de dienst in de zin van artikel 192bis van deze richtlijn, en de tot voldoening van de belasting gehouden persoon degene is voor wie de levering van het goed of de dienst wordt verricht.
Indien in dit geval de afnemer zelf de factuur uitreikt, is evenwel het eerste lid van toepassing;

2° de levering van het goed of de dienst niet geacht wordt in de Gemeenschap te zijn
verricht.
In afwijking van het eerste lid, is de facturering onderworpen aan de regels die van toepassing zijn in de lidstaat waar de belastingplichtige die gebruikmaakt van één van de bijzondere regelingen bedoeld in titel XII, hoofdstuk 6, van de richtlijn 2006/112/EG, is geïdentificeerd.

§ 2. De Koning kan de regels voor de uitreiking van facturen bepalen en maatregelen nemen wat de vereenvoudiging van facturen betreft.

Art. 53duodecies. Artikel 53duodecies
(Artikel 53duodecies, werd ingevoegd met ingang van 20.08.2018 (Art. 10, W 30.07.2018, B.S. 10.08.2018, pg. 62704 – Erratum B.S. 28.08.2018, pg. 66582))
De Koning regelt de praktische toepassingsmodaliteiten van de artikelen 53 tot en met 53undecies.

Art. 53octies. Artikel 53octies
(De tekst van art. 53octies, § 2, wordt opgeheven (Art. 215, W 12.05.2024, B.S. 30.05.2024, Ed. 2, pg. 68168, Numac: 2024003880) met ingang van 09.06.2024 (Art. 222, W 12.05.2024, B.S. 30.05.2024, Ed. 2, pg. 68168, Numac: 2024003880))

§ 1. De Koning kan toelaten dat de door Hem aan te wijzen groepen van belastingplichtigen de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangifte slechts driemaandelijks, zesmaandelijks of jaarlijks indienen.
Hij kan toelaten dat de door Hem aan te wijzen groepen van belastingplichtigen, onder de door Hem te stellen voorwaarden, de in artikel 53sexies bedoelde intracommunautaire opgave slechts voor elk kalenderkwartaal indienen binnen een termijn van ten hoogste één maand te rekenen vanaf het einde van dat kwartaal.
Hij kan aan belastingplichtigen de verplichting opleggen om ieder jaar op de door Hem te bepalen wijze de administratie in kennis te stellen van het totale bedrag van de goederen die zij geleverd en de diensten die zij verstrekt hebben, in de loop van het vorige jaar, aan iedere afnemer gevestigd in een land waarmee België een verdrag tot wederzijdse bijstand inzake omzetbelasting heeft gesloten.
Hij kan andere verplichtingen bepalen om de juiste heffing van de belasting te waarborgen en om de fraude te vermijden.

§ 1bis. De Koning kan onder de door Hem vast te stellen voorwaarden toestaan en zelfs verplichten dat de in de artikelen 53, § 1, eerste lid, 1° en 2°, en 53ter bedoelde aangiften
- VIII / 17 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
worden ingediend en dat de in de artikelen 53quinquies tot 53octies, § 1, bedoelde gegevens worden medegedeeld door middel van procedures waarbij informatica- en telegeleidings- technieken worden aangewend.

§ 2. (Opgeheven)

§ 3. De gegevens van de aangiften en de inlichtingen bedoeld in de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2°, 53ter, 53quinquies tot 53septies en 53octies, § 1bis, die door de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, fotografisch, optisch, elektronisch of volgens elke andere informatica- of telegeleidingstechniek worden geregistreerd, bewaard of weergegeven, evenals hun weergave op een leesbare drager, hebben bewijskracht voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.

§ 4. Onverminderd de toepassing van paragraaf 3, hebben de gegevens en de stukken die de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, opgesteld of verzonden in et kader van de toepassing van de wetgeving inzake de belasting over de toegevoegde waarde en die fotografisch, optisch, elektronisch of volgens elke andere informatica- of telegeleidingstechniek worden geregistreerd, bewaard of weergegeven, evenals hun weergave op een leesbare drager, bewijskracht.
Artikel 53nonies
(De tekst van art. 53nonies, § 1, tweede lid, is ingevoegd met ingang van 01.01.2004 (Art. 10, W 28.01.2004, B.S. 10.02.2004))

§ 1. De Koning bepaalt de regels met betrekking tot de aangifte en de betaling van de belasting verschuldigd ter zake van de in artikel 53ter, 1°, uitgesloten intracommunautaire verwervingen van nieuwe vervoermiddelen.
Hij kan dezelfde regels opleggen voor iedere andere intracommunautaire verwerving van een vervoermiddel, wanneer degene die de verwerving verricht geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft ten aanzien van de bij de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2° en 3° of 53ter, voorgeschreven verplichtingen.

§ 2. Hij neemt iedere andere maatregel met het oog op de controle en de betaling van de belasting verschuldigd ter zake van de levering, de invoer of de intracommunautaire verwerving van een vervoermiddel.

Art. 53quater. Artikel 53quater
(De tekst van art. 53quater, § 1, vijfde en zesde lid werd gewijzigd (Art. 9, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))

§ 1. De belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1° en 3°, of § 3, voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd, met uitsluiting van de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, delen hun btw-identificatienummer mee aan hun leveranciers of hun dienstverrichters en aan hun klanten.
In afwijking van het eerste lid, delen de in dat lid bedoelde belastingplichtigen hun btw- identificatienummer niet mee aan hun leveranciers en dienstverrichters ten aanzien van de volgende handelingen:

1° de leveringen van goederen verzonden of vervoerd vanuit een lidstaat van de
Gemeenschap naar een andere lidstaat dan België onder de voorwaarden van artikel 138, lid 1, van Richtlijn 2006/112/EG, behalve wanneer de in artikel 25quinquies, § 3, derde lid, bedoelde voorwaarden zijn vervuld;

2° de leveringen van goederen verzonden of vervoerd naar België onder de voorwaarden van
artikel 138, lid 1, van Richtlijn 2006/112/EG wanneer de in het eerste lid bedoelde belastingplichtigen overeenkomstig artikel 25ter, § 1, tweede lid, 3°, een intracommunautaire verwerving van goederen verrichten;

3° de diensten die plaatsvinden in België maar worden verricht voor een buiten België
gevestigde inrichting van de in het eerste lid bedoelde belastingplichtigen;

4° de leveringen van goederen en de diensten die plaatsvinden in een andere lidstaat dan
België.
In afwijking van het eerste lid, delen de in dat lid bedoelde belastingplichtigen hun btw- identificatienummer niet mee aan hun klanten ten aanzien van leveringen van goederen of diensten die plaatsvinden buiten België en waarvoor de belasting verschuldigd is door die belastingplichtigen, met uitzondering van de handelingen waarvoor gebruik wordt gemaakt van
- VIII / 13 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
de in artikel 58ter tot en met artikel 58quinquies bedoelde bijzondere regeling en waarvoor op grond van artikel 53, § 2, eerste en vijfde lid, een factuur moet worden uitgereikt.
In afwijking van het eerste lid zijn de in dat lid bedoelde in het buitenland gevestigde belastingplichtigen met een vaste inrichting in België er niet toe gehouden hun btw- identificatienummer mee te delen aan hun klanten ten aanzien van leveringen van goederen of diensten die plaatsvinden in België wanneer de levering van het goed of de dienst wordt verricht door een vestiging van de belastingplichtige in het buitenland en de vaste inrichting in België niet betrokken is bij de levering van goederen of de dienst.
In afwijking van het eerste lid, delen de belastingplichtigen onderworpen aan de in de artikelen 56bis tot en met 56undecies en 57 bedoelde bijzondere regelingen hun btw-identificatienummer niet mee aan hun leveranciers wanneer zij intracommunautaire verwervingen van goederen verrichten, indien zij de in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, eerste lid, b), bedoelde drempel van 11.200 euro niet hebben overschreden noch het in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, bedoelde keuzerecht hebben uitgeoefend.
In afwijking van het eerste lid, delen de belastingplichtigen onderworpen aan de in de artikelen 56bis tot en met 56undecies en 57 bedoelde bijzondere regelingen hun btw-identificatienummer niet mee aan hun leveranciers wanneer ze goederen aanschaffen in het kader van afstandsverkopen van goederen ingevoerd uit derdelandsgebieden of derde landen, andere dan accijnsproducten, indien zij de in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, eerste lid, b), bedoelde drempel van 11.200 euro niet hebben overschreden noch het in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, bedoelde keuzerecht hebben uitgeoefend.

§ 2. Zij die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 2°, voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd, delen hun btw-identificatienummer aan hun leveranciers of hun dienstverrichters mee:

1° wanneer zij krachtens artikel 51, § 1, 2°, of § 2, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de
belasting in België;

2° ten aanzien van leveringen van andere goederen dan de in artikel 8bis, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde nieuwe vervoermiddelen of accijnsproducten, die werden ingevoerd uit een derdelandsgebied of derde land.
De belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 4° en 5°, voor btw- doeleinden zijn geïdentificeerd, delen hun btw-identificatienummer aan hun leveranciers of hun dienstverrichters mee:

1° wanneer zij krachtens artikel 51, § 1, 2°, schuldenaar zijn van de belasting, behalve in
geval van intracommunautaire verwervingen van in artikel 8bis, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde nieuwe vervoermiddelen of van accijnsproducten wanneer hun intracommunautaire verwervingen van andere goederen krachtens artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, niet aan de belasting onderworpen zijn;

2° wanneer zij krachtens artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de belasting;

3° ten aanzien van leveringen van andere goederen dan de in artikel 8bis, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde nieuwe vervoermiddelen of accijnsproducten, die werden ingevoerd uit een derdelandsgebied of derde land en verzonden of vervoerd door of voor rekening van de leverancier, wanneer zij hun intracommunautaire verwervingen van goederen overeenkomstig artikel 25ter, § 1, eerste lid, aan de belasting onderwerpen.
In afwijking van het tweede lid mogen de belastingplichtigen die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verrichten die krachtens artikel 44 zijn vrijgesteld en waarvoor zij geen recht op aftrek hebben, hun btw-identificatienummer niet meedelen aan hun leveranciers wanneer ze goederen aanschaffen in het kader van afstandsverkopen van goederen ingevoerd uit derdelandsgebieden of derde landen, andere dan accijnsproducten, indien zij de in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, eerste lid, b), bedoelde drempel van 11.200 euro niet hebben overschreden noch het in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, bedoelde keuzerecht hebben uitgeoefend.
- VIII / 14 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 3. De belastingplichtigen die krachtens artikel 50, § 1, eerste lid, 5°, voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd moeten hun BTW-identificatienummer aan hun klanten mededelen wanneer zij diensten verrichten die krachtens de communautaire bepalingen geacht worden plaats te vinden in een andere lidstaat en waarvan de belasting is verschuldigd door de ontvanger van de dienst.

§ 4. De leden van de btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, delen hun in artikel 50, § 1, eerste lid, 6°, bedoelde sub-btw-identificatienummer, mee aan hun leveranciers of hun dienstverrichters en aan hun klanten.
In afwijking van het eerste lid, delen de in dat lid bedoelde leden hun sub-btw- identificatienummer niet mee aan hun leveranciers of dienstverrichters ten aanzien van de volgende handelingen:

1° de leveringen van goederen verzonden of vervoerd vanuit een lidstaat van de
Gemeenschap naar een andere lidstaat dan België onder de voorwaarden van artikel 138, lid 1, van Richtlijn 2006/112/EG, behalve wanneer de in artikel 25quinquies, § 3, derde lid, bedoelde voorwaarden zijn vervuld;

2° de diensten voor een buiten België gevestigde inrichting van de in het eerste lid bedoelde
leden;

3° de diensten die plaatsvinden buiten België en waarvoor de belasting verschuldigd is door
de in het eerste lid bedoelde leden.
In afwijking van het eerste lid, delen de in dat lid bedoelde leden hun sub-btw- identificatienummer niet mee aan hun klanten ten aanzien van leveringen van goederen of diensten die plaatsvinden buiten België en waarvoor de belasting verschuldigd is door die leden, met uitzondering van de handelingen waarvoor gebruik wordt gemaakt van de in artikel 58quater bedoelde bijzondere regeling.
De leden van de btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, delen aan hun leveranciers of hun dienstverrichters en hun klanten het in artikel 50, § 2, tweede lid, bedoelde sub-btw- identificatienummer mee, wanneer:

1° die btw-eenheid krachtens artikel 51, § 1, 2°, schuldenaar is van de belasting, behalve in geval van intracommunautaire verwervingen van in artikel 8bis, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde nieuwe vervoermiddelen of accijnsproducten wanneer haar intracommunautaire verwervingen van andere goederen krachtens artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, niet aan de belasting onderworpen zijn;

2° die btw-eenheid krachtens artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, schuldenaar is van de belasting;

3° de leden van die btw-eenheid diensten verrichten die krachtens de communautaire
bepalingen geacht worden plaats te vinden in een andere lidstaat en waarvoor de belasting is verschuldigd door de ontvanger van de dienst.

§ 5. De niet in België gevestigde belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger hebben laten erkennen of die overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, door een vooraf erkende persoon worden vertegenwoordigd, moeten bovendien, voor de handelingen die zij in België verrichten of ontvangen, de naam of benaming en het adres van hun aansprakelijke vertegenwoordiger in België of van de vooraf erkende persoon die hen vertegenwoordigt, aan hun klanten en hun leveranciers of hun dienstverrichters mededelen.

Art. 53quinquies. Artikel 53quinquies
(De tekst van art. 53quinquies, derde lid, werd gewijzigd (Art. 10, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))
- VIII / 15 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
De volgende belastingplichtigen zijn gehouden om jaarlijks aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde een lijst over te maken waarin voor elk lid van een btw- eenheid in de zin van artikel 4, § 2, en voor iedere belastingplichtige die voor btw-doeleinden moet geïdentificeerd zijn, met uitzondering van degene die uitsluitend handelingen verricht die krachtens artikel 44 van de belasting zijn vrijgesteld, aan wie ze in de loop van het vorige jaar goederen hebben geleverd of diensten hebben verstrekt, het totale bedrag van die handelingen alsmede het totale bedrag van de op die handelingen in rekening gebrachte belasting zijn vermeld:

1° de overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, voor btw-doeleinden geïdentificeerde
belastingplichtigen, met uitsluiting van de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2;

2° de leden van een in artikel 50, § 1, eerste lid, 6°, bedoelde btw-eenheid;

3° de overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, voor btw-doeleinden geïdentificeerde
belastingplichtigen;

4° de niet in België gevestigde belastingplichtigen die voor de handelingen die zij hier te
lande verrichten zijn vertegenwoordigd door een overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, vooraf erkende persoon;

5° de andere in artikel 50, § 3, bedoelde niet in België gevestigde belastingplichtigen.
De leden van een BTW-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd, zijn bovendien gehouden jaarlijks de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde in kennis te stellen van het totale bedrag van de in de loop van het vorige jaar voor elk van de andere leden van die BTW- eenheid verrichte handelingen.
De belastingplichtige op wie de in de artikelen 56bis tot en met 56undecies bedoelde vrijstellingsregeling van belasting van toepassing is en die geen enkele van de in het eerste lid, inleidende zin, bedoelde handelingen verricht, is niet gehouden de voornoemde administratie hiervan in kennis te stellen.

Art. 53septies. Artikel 53septies
(De tekst van art. 53septies is ingevoegd met ingang van 01.01.1993 (Art. 64, W 28.12.1992))
De Koning kan belastingplichtigen, die in België intracommunautaire verwervingen van goederen verrichten als bedoeld in de artikelen 25ter, § 1, en 25quater, opleggen om met betrekking tot iedere in een andere Lid-Staat voor BTW-doeleinden geïdentificeerde leverancier een gedetailleerde aangifte in te dienen van de gedane verwervingen, op voorwaarde evenwel dat dergelijke aangiften niet kunnen worden geëist voor tijdvakken van minder dan één maand.

Art. 53sexies. Artikel 53sexies
(De tekst van art. 53sexies, § 2, werd gedeeltelijk opgeheven en § 3 werd ingevoegd met ingang van 10.07.2021 (Art. 15, W 27.06.2021, B.S. 30.06.2021, Ed. 3, pg. 66732, Numac: 2021042511))

§ 1. De belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, met uitsluiting van de BTW-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, artikel 50, § 1, eerste lid, 3° en 5°, voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd, de leden van een BTW-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, alsook de niet in België gevestigde belastingplichtigen die voor de handelingen die zij hier te lande verrichten worden vertegenwoordigd door een overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, vooraf erkende persoon moeten iedere kalendermaand voor iedere persoon die in een andere lidstaat voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd, in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen die moet worden ingediend bij de administratie belast met de belasting over toegevoegde waarde de volgende gegevens meedelen, waarbij een onderscheid moet worden gemaakt naargelang de aard van de handelingen :

1° het totale bedrag van de krachtens artikel 39bis, eerste lid, 1° en 4°, vrijgestelde
leveringen van goederen en waarvoor de belasting in de loop van de vorige maand opeisbaar is geworden;

2° het totale bedrag van de leveringen van goederen bedoeld in artikel 25quinquies, § 3,
derde lid, verricht in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen en waarvoor de belasting in de loop van de vorige maand opeisbaar is geworden;

3° het totale bedrag van de andere diensten dan die welke in de lidstaat waar de diensten
belastbaar zijn van de belasting zijn vrijgesteld en waarvoor de belasting verschuldigd is
- VIII / 16 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
door de ontvanger krachtens de communautaire bepalingen en in de loop van de vorige maand opeisbaar is geworden.

4° het btw-identificatienummer van de belastingplichtige voor wie de goederen zijn bestemd
die in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep overeenkomstig de in artikel 12ter, § 2, bedoelde voorwaarden, in de loop van de vorige maand werden verzonden of vervoerd, evenals elke wijziging in de ingediende informatie

§ 2. De Koning kan bepalen dat de belastingplichtige die een levering verricht van een nieuw vervoermiddel in de zin van artikel 8bis, § 2, onder de voorwaarden van artikel 39bis, de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde de inlichtingen moet verschaffen die Hij bepaalt.

§ 3. De in de paragrafen 1 en 2 bedoelde gegevens worden door de belastingplichtige aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde verstrekt met het oog op de toepassing van de belasting en de controle daarop door de administratie in de lidstaat van vertrek en in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen en door de administratie in de lidstaat van vestiging van de dienstverrichter en in de lidstaat van vestiging van de afnemer.

Art. 53ter. Artikel 53ter
(De tekst van art. 53ter, eerste lid, is van toepassing met ingang van 01.01.2004 (Art. 8, W 28.01.2004, B.S. 10.02.2004))
De in artikel 51, § 1, 2°, en § 2 bedoelde schuldenaars van de belasting die niet gehouden zijn tot de verplichtingen bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° en 3°, moeten:

1° aangifte doen van de in de loop van een kalenderkwartaal verrichte belastbare
handelingen met uitsluiting van:
a) de intracommunautaire verwervingen van nieuwe vervoermiddelen in de zin van artikel 8bis, § 2, verricht door belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen op wie de afwijking bepaald in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2, toepasselijk is of door iedere andere niet-belastingplichtige;
b) de intracommunautaire verwervingen van accijnsprodukten als bedoeld in artikel
58, § 1bis, door belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen op wie de afwijking bepaald in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, toepasselijk is;

2° de verschuldigd geworden belasting voldoen binnen de termijn van indiening van deze
aangifte.

Art. 53terdecies. Artikel 53terdecies
(Artikel 53terdecies, werd ingevoegd met ingang van 25.05.2019 (Art. 37, W 02.05.2019, B.S. 15.05.2019, pg. 46579).

§ 1. Het formulier van de in artikelen 53, § 1, 2°, 53ter, 1°, 53quinquies en 53sexies, bedoelde aangiftes wordt ingevuld overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, gewaarmerkt, gedagtekend en ondertekend.

§ 2. De door de Federale Overheidsdienst Financiën ter beschikking gestelde elektronische aangifte die werd ingevuld en overgezonden overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, wordt gelijkgesteld met een gewaarmerkte, gedagtekende en ondertekende aangifte als bedoeld in paragraaf 1.

Art. 53undecies. Artikel 53undecies
(Artikel 53undecies, werd ingevoegd met ingang van 20.08.2018 (Art. 9, W 30.07.2018, B.S. 10.08.2018, pg. 62704 – Erratum B.S. 28.08.2018, p. 66582))
Wanneer de belastingplichtige failliet wordt verklaard, wordt de curator in het kader van de vereffening in de plaats gesteld van de belastingplichtige ten aanzien van alle rechten die zijn verleend en alle verplichtingen die zijn opgelegd aan de laatstgenoemde door het Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Art. 54. Artikel 54
- VIII / 19 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
(De tekst van art. 54, eerste lid, werd gewijzigd met ingang van 20.08.2018 (Art. 11, W 30.07.2018, B.S. 10.08.2018, pg. 62704 – Erratum B.S. 28.08.2018, pg. 66582))
Onverminderd de bevoegdheden die Hem bij de artikelen 51 tot 53duodecies worden verleend, bepaalt de Koning op welke wijze de maatstaf van heffing en het bedrag van de belasting worden afgerond, de wijze van voldoening van de belasting, de inhoud van de door de belastingplichtigen uit te reiken facturen, de door de belastingplichtigen en de niet- belastingplichtige rechtspersonen te houden en voor te leggen boeken en stukken, de verplichtingen van de medecontractanten van de schuldenaars van de belasting en alle andere voorzieningen, nodig om de voldoening van de belasting te verzekeren.
Hij regelt eveneens het stellen van een borg, het verlenen van een borgtocht en het verrichten van een provisionele storting, zo nodig met afwijking van de bepalingen betreffende de organisatie en de werking van de Deposito- en Consignatiekas.

Art. 54bis. Artikel 54bis
(De tekst van art. 54bis, § 1, werd vervangen met ingang van 10.07.2021 (Art. 16, W 27.06.2021, B.S. 30.06.2021, Ed. 3, pg. 66732, Numac: 2021042511))

§ 1. Iedere belastingplichtige, met uitsluiting van de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, evenals de leden van een btw-eenheid houden een register bij van de goederen die zij hebben verzonden of vervoerd, of die voor hun rekening werden verzonden of vervoerd, naar een andere lidstaat voor de handelingen bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 4° tot 6°.
Iedere belastingplichtige, met uitsluiting van de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, evenals de leden van een btw-eenheid houden een register bij om de lichamelijke roerende goederen te kunnen identificeren die vanuit een andere lidstaat naar hen zijn verzonden door of voor rekening van een in die andere lidstaat voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige en die het voorwerp zijn van een materieel werk of een expertise.
Iedere belastingplichtige, met uitsluiting van de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, evenals de leden van een btw-eenheid die goederen overbrengen in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep bedoeld in artikel 12ter, houden een register bij dat de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde in staat stelt de correcte toepassing van die regeling te controleren.
Iedere belastingplichtige, met uitsluiting van de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, evenals de leden van een btw-eenheid aan wie goederen worden geleverd in België in het kader van de in artikel 17bis van de richtlijn 2006/112/EG bedoelde regeling inzake voorraad op afroep, houden een register van deze goederen bij.

§ 2. De Koning kan de belastingplichtigen, die door Hem aan te wijzen goederen bewerken of verwerken, onder zich hebben of gebruiken, voorschrijven een goederenadministratie te houden en de maakloonwerkers opleggen een bijzonder register bij te houden waarin zij optekenen: de naam en het adres van de opdrachtgevers, alsmede, voor ieder van hen, de aard en de hoeveelheid van de gebruikte en van de bewerkte of verwerkte goederen.

§ 3. De Koning regelt de toepassingsmodaliteiten van de §§ 1 en 2.

Art. 54ter. Artikel 54ter
(Het artikel 54ter, werd ingevoegd met ingang van 01.07.2021 (Art. 16, W 02.04.2021, B.S. 13.04.2021, pg. 32957, Numac: 2021041096))
- VIII / 20 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Elke belastingplichtige, met uitsluiting van de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, en de leden van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, die via het gebruik van een elektronische interface zoals een marktplaats, platform, portaal of soortgelijk middel, de levering van goederen of het verrichten van diensten aan een niet-belastingplichtige binnen de Gemeenschap faciliteert, houdt een boekhouding bij onder de vorm van registers waarin hij die handelingen opneemt. Deze registers laten de belastingadministratie van de lidstaten waar die handelingen plaatsvinden toe te controleren of de btw correct werd toegepast.
De registers bedoeld in het eerste lid moeten op verzoek langs elektronische weg beschikbaar worden gesteld aan de belastingadministratie van de lidstaten waar die handelingen plaatsvinden.
De gegevens opgenomen in de registers bedoeld in het eerste lid moeten worden bewaard gedurende tien jaar vanaf het verstrijken van het jaar waarin de handeling heeft plaatsgevonden.
De Koning bepaalt de aard van de in het eerste lid bedoelde registers op te nemen gegevens en de manier waarop die registers moeten worden gehouden.

Art. 55. Artikel 55
(De tekst van art. 55, § 6, tweede lid werd gewijzigd met ingang van 11.12.2023 (Art. 12, W 23.11.2023, B.S. 01.12.2023, pg. 111953, Numac: 2023047474))

§ 1. Alvorens een niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige in België enige andere belastbare handeling verricht dan een handeling waarvoor de belasting krachtens artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, 2°, 5° en 6°, verschuldigd is door de medecontractant, en andere dan een handeling waarvoor de bijzondere regelingen bedoeld in de artikelen 58ter en 58quinquies van toepassing zijn, vanuit de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting die niet gevestigd is in een land waarmee er een rechtsinstrument bestaat inzake wederzijdse bijstand waarvan de strekking gelijk is aan die van Richtlijn 2010/24/EU en die van Verordening (EU) nr. 904/2010, moet hij, door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, een in België gevestigde aansprakelijk vertegenwoordiger laten erkennen.
De in het eerste lid bedoelde belastingplichtige die gebruikmaakt van de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58quater maar in België geen belastbare handelingen verricht andere dan waarvoor de belasting verschuldigd is door de medecontractant krachtens artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, 2°, 5° en 6°, moet alvorens enige belastbare handeling te verrichten onder die regeling, door de minister van Financiën of zijn gemachtigde een in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen.
Door of vanwege de Minister van Financiën kan echter worden bepaald in welke omstandigheden de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige wordt ontslagen van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen.

§ 2. De niet in België gevestigde belastingplichtige, die gevestigd is in een andere lidstaat van de Gemeenschap, kan, door of vanwege de Minister van Financiën, een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen, wanneer deze belastingplichtige hier te lande handelingen verricht die, indien zij door een niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige werden verricht, de erkenning van een in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger ingevolge § 1, zouden vereisen.
Het eerste lid is van toepassing op de belastingplichtigen die niet gevestigd zijn in de Gemeenschap en die uitsluitend handelingen verrichten vanuit de zetel van hun economische activiteit of een vaste inrichting die gevestigd is in een land waarmee er een rechtsinstrument bestaat inzake wederzijdse bijstand bedoeld in paragraaf 1, eerste lid.
- VIII / 21 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 3. De Koning bepaalt de voorwaarden en modaliteiten van erkenning van de aansprakelijke vertegenwoordiger bedoeld in §§ 1 of 2.
Voor de bijzondere handelingen die Hij in een lijst vastlegt, kan de Koning eveneens, binnen de beperkingen en onder de voorwaarden en modaliteiten die Hij bepaalt, aan de niet in België gevestigde belastingplichtige die er niet is geïdentificeerd overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, en die hier te lande uitsluitend handelingen verricht opgenomen in de voormelde lijst, toestaan te worden vertegenwoordigd door een persoon die vooraf door of vanwege de Minister van Financiën werd erkend.

§ 4. De aansprakelijke vertegenwoordiger bedoeld in §§ 1 of 2 wordt in de plaats gesteld van zijn lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ter uitvoering van dit Wetboek.
Die vertegenwoordiger of de vooraf erkende persoon bedoeld in § 3, tweede lid is met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, nalatigheidsinteresten en geldboeten die laatstgenoemde verschuldigd is krachtens onderhavig Wetboek.

§ 5. Bij overlijden van de aansprakelijke vertegenwoordiger bedoeld in § 1, bij intrekking van zijn erkenning of bij feiten die zijn onbekwaamheid tot gevolg hebben, moet onmiddellijk in zijn vervanging worden voorzien.

§ 6. Bij ontstentenis van identificatie van de belastingplichtige bedoeld in artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, of van vertegenwoordiging door een vooraf erkende persoon overeenkomstig § 3, tweede lid kan de invordering van de belasting, de nalatigheidsinteresten en de geldboeten geschieden ten laste van de medecontractant van de niet in België gevestigde belastingplichtige.
De medecontractant te goeder trouw, die bewijst dat hij aan zijn leverancier of zijn dienstverrichter wiens identiteit hij aantoont, de belasting geheel of gedeeltelijk heeft betaald, is evenwel in dezelfde mate ontslagen van deze verplichting.
- VIII / 22 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
HOOFDSTUK IX
BIJZONDERE REGELINGEN
Afdeling 1
Kleine ondernemingen
Onderafdeling 1
Regeling van de forfaitaire grond
(De titel van Onderafdeling 1, werd ingevoegd (Art. 11, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))

Art. 56. Artikel 56
(De tekst van art. 56, § 4, tweede en vierde lid, werd gewijzigd (Art. 12, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))

§ 1. Volgens door de Koning vast te stellen modaliteiten kunnen, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen, per bedrijfssector forfaitaire grondslagen van aanslag worden toegepast voor de belastingplichtigen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

1° een fysieke persoon zijn;

2° beroepswerkzaamheden uitoefenen die voor ten minste 75 pct. van de omzet bestaan uit
handelingen waarvoor geen verplichting bestaat tot uitreiking van een factuur voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde;

3° een jaaromzet hebben die niet meer bedraagt dan 750 000 euro, exclusief belasting over
de toegevoegde waarde;

4° geen leveringen van goederen en diensten verrichten waarvoor zij gehouden zijn aan de
klant het kasticket uit te reiken bedoeld in het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen.
Het eerste lid is van toepassing op vennootschappen onder firma, op commanditaire vennootschappen en op besloten vennootschappen tot 31 december 2019.
In afwijking van het eerste lid kunnen de forfaitaire grondslagen van aanslag worden toegepast op de belastingplichtigen die niet voldoen aan de in het eerste lid, 2°, gestelde voorwaarde, wanneer de handelingen waarvoor de uitreiking van een factuur verplicht is, geschieden ten bate van een gering aantal personen of betrekking hebben op hoeveelheden van goederen die niet merkelijk hoger zijn dan deze welke gewoonlijk aan particulieren worden geleverd. In geen geval mogen de handelingen waarvoor de uitreiking van een factuur verplicht is 40 pct. van de omzet overtreffen.
Volgens door de Koning vast te stellen modaliteiten kunnen, eveneens, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen, per bedrijfssector, bijzondere forfaitaire grondslagen van aanslag worden toegepast ten aanzien van belastingplichtigen die hun werkzaamheid uitoefenen in gelijkaardige bijzondere omstandigheden, onder meer wegens de aard of de hoedanigheid van de door hen geleverde goederen of de aard van de door hen verrichte diensten, of wegens hun wijze van bevoorrading of de door hen toegepaste winstmarges.
Ten aanzien van belastingplichtigen die hun werkzaamheid uitoefenen in omstandigheden die het onmogelijk maken de vastgestelde forfaitaire grondslagen van aanslag, zelfs de bijzondere, toe te passen, kunnen deze forfaitaire grondslagen, op hun verzoek, worden aangepast aan de werkzaamheid van die belastingplichtigen.
- IX / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 2. De omzet die als maatstaf dient om in aanmerking te komen voor de toepassing van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde forfaitaire grondslagen, wordt gevormd door het bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van:
a) de totale omzet van de verschillende beroepswerkzaamheden die door dezelfde
belastingplichtige worden uitgeoefend;
b) de totale omzet van de beroepswerkzaamheden die, in onverdeeldheid of in vereniging,
door verschillende belastingplichtigen worden uitgeoefend.
Wanneer echtgenoten een onderscheiden beroepswerkzaamheid uitoefenen wordt afzonderlijk rekening gehouden met de omzet van ieder van de echtgenoten, ongeacht hun huwelijks- voorwaarden.

§ 3. De belastingplichtige die onderworpen is aan de in paragraaf 1 bedoelde forfaitaire grondslagen wordt, behoudens tegenbewijs, geacht al de goederen die aan hem werden geleverd, die hij intracommunautair heeft verworven of die hij heeft ingevoerd, te hebben geleverd, al of niet na bewerking of verwerking, of ze te hebben gebruikt bij de uitvoering van diensten, onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. Dit vermoeden is in de regel van toepassing op elk aangiftetijdvak.
Wanneer de belastingplichtige niet jaarlijks een inventaris van zijn voorraad opmaakt, wordt die voorraad geacht constant te zijn gebleven.
Wanneer de belastingplichtige jaarlijks een inventaris van zijn voorraad opmaakt, wordt voor het vaststellen van de omzet van het tijdvak waarin de inventaris wordt opgemaakt het bedrag van de inkopen, de intracommunautaire verwervingen en de invoeren, naargelang het geval, vermeerderd of verminderd met het verschil in waarde, uitgedrukt in inkoopprijzen, van de goederen die in de opeenvolgende inventarissen van zijn voorraad werden opgenomen.
Wanneer de belastingplichtige die onderworpen is aan de in paragraaf 1 bedoelde forfaitaire grondslagen handelingen verricht die van de belasting zijn vrijgesteld of waarvoor geen forfaitaire grondslagen van aanslag werden vastgesteld, wordt bij de forfaitaire vaststelling van de omzet geen rekening gehouden met de goederen die aan hem werden geleverd, die hij intracommunautair heeft verworven of die hij heeft ingevoerd en die voor de bedoelde handelingen werden gebruikt. De belastingplichtige moet het bewijs leveren van dat gebruik.

§ 4. De belastingplichtige die aan de in paragraaf 1 bedoelde forfaitaire grondslagen is onderworpen, kan opteren voor de normale regeling van de belasting.
Hij kan evenwel opteren voor de vrijstellingsregeling van belasting bepaald in de artikelen 56bis tot en met 56undecies wanneer hij aan de gestelde voorwaarden voor de toepassing van die regeling voldoet.
Bij overgang naar de normale regeling van de belasting of naar de vrijstellingsregeling van belasting kan de belastingplichtige teruggaaf verkrijgen van de belasting die hij voldaan heeft voor de goederen die voor de toepassing van de forfaitaire regeling als geleverd worden beschouwd doch die hij nog in voorraad heeft.
De belastingplichtige die aan de normale regeling van de belasting of aan de in de artikelen 56bis tot en met 56undecies bedoelde vrijstellingsregeling van belasting is onderworpen, kan de in paragraaf 1 bedoelde forfaitaire grondslagen toepassen voor zover hij voldoet aan de voorwaarden die voor de toepassing van die regeling zijn bepaald en voor zover hij op het tijdstip van de overgang een inventaris van zijn voorraad opmaakt.

§ 5. De Koning stelt de praktische toepassingsvoorwaarden en de formaliteiten vast onder meer wat betreft de aanvang, de wijziging of de stopzetting van de activiteit, de belastingregeling en de modaliteiten voor de uitoefening van de in paragraaf 4 bedoelde opties.
- IX / 2 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Hij legt bovendien de modaliteiten vast voor de vaststelling door de administratie van de in paragraaf 1 bedoelde forfaitaire grondslagen.

§ 6. De aan de normale regeling van de belasting of aan de in artikel 56bis bedoelde vrijstellingsregeling van de belasting onderworpen belastingplichtige, kan de optie bedoeld in paragraaf 4, vierde lid, niet meer uitoefenen om vanaf 1 januari 2022 gebruik te maken van de forfaitaire grondslagen bedoeld in paragraaf 1.
De belastingplichtige die zijn economische activiteit aanvangt vanaf 1 januari 2022, kan de in paragraaf 1 bedoelde forfaitaire grondslagen niet toepassen.

§ 7. Dit artikel treedt buiten werking op 1 januari 2028.
Onderafdeling 2
Vrijstellingsregeling van belasting
(De titel Onderafdeling 2, werd ingevoegd (Art. 13, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))

Art. 56bis. Artikel 56bis
(De tekst van art. 56bis, werd vervangen (Art. 14, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))

§ 1. Voor de toepassing van deze onderafdeling, wordt verstaan onder:

1° "jaaromzet in België": het totale jaarlijkse bedrag van de leveringen van goederen en
diensten, exclusief btw, die door een belastingplichtige gedurende een kalenderjaar in België worden verricht;

2° "jaaromzet in de Unie": het totale jaarlijkse bedrag van de leveringen van goederen en
diensten, exclusief btw, die door een belastingplichtige gedurende een kalenderjaar op het grondgebied van de Gemeenschap worden verricht;

3° "gevestigde belastingplichtige": een belastingplichtige die de zetel van zijn economische
activiteit in een lidstaat heeft gevestigd, ongeacht of hij al dan niet beschikt over een vaste inrichting in een andere lidstaat.

§ 2. De btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, zijn uitgesloten van de vrijstellingsregeling van belasting.
Zijn daarenboven uitgesloten van de vrijstellingsregeling van belasting, voor het geheel van hun economische activiteit, de belastingplichtigen die geregeld volgende activiteiten verrichten:

1° werk in onroerende staat bedoeld in artikel 19, § 2, derde lid, alsook de daarmee
gelijkgestelde handelingen;

2° de leveringen van goederen en diensten waarvoor zij gehouden zijn aan de klant het
kassaticket af te leveren bedoeld in het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen;

3° de leveringen van oude materialen, gebruikte materialen die niet als zodanig kunnen worden hergebruikt, industrieel en niet-industrieel afval, afval voor hergebruik, gedeeltelijk verwerkt afval en schroot in de zin van artikel 199, lid 1, punt d), van
- IX / 3 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Richtlijn 2006/112/EG. De Koning stelt de lijst op van de door deze bepaling bedoelde goederen.
De in het tweede lid, 1°, bedoelde uitsluiting is niet van toepassing op de diensten verricht door belastingplichtige natuurlijke personen onder de in artikel 50, § 4 bedoelde voorwaarden.

§ 3. De vrijstellingsregeling van belasting is niet van toepassing op:

1° de in artikel 8 bedoelde handelingen;

2° de levering van in artikel 8bis, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde nieuwe vervoermiddelen verricht onder de in artikel 39bis, eerste lid, 1° en 2°, gestelde voorwaarden;

3° de in artikel 58, §§ 1 en 2, bedoelde handelingen;

4° de handelingen verricht op verborgen wijze, met name de handelingen die niet worden
aangegeven en de handelingen die niet geoorloofd zijn;

5° de in artikel 44, § 3, 2°, a), derde streepje, bedoelde handelingen, met uitzondering van
degene die worden verricht door een belastingplichtige natuurlijke persoon onder de voorwaarden van artikel 50, § 4.

Art. 56decies. Artikel 56decies
(Het artikel 56decies werd ingevoegd (Art. 22, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))

§ 1. De in deze onderafdeling bedoelde belastingplichtigen mogen gedurende een periode van één kalenderjaar niet van de vrijstellingsregeling van belasting genieten wanneer de overeenkomstig artikel 56ter, § 1, eerste lid of § 2, eerste lid, 2°, vastgestelde drempel in het voorafgaande kalenderjaar werd overschreden.
- IX / 8 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Wanneer tijdens een kalenderjaar de in artikel 56ter, § 1, eerste lid of § 2, eerste lid, 2°, bedoelde drempel wordt overschreden met:

1° ten hoogste tien pct., kan de belastingplichtige gedurende dat kalenderjaar de
vrijstellingsregeling van belasting blijven genieten;

2° meer dan tien pct., is de vrijstellingsregeling van belasting vanaf dat tijdstip niet langer
van toepassing.

§ 2. De niet in België maar in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige mag niet van de vrijstellingsregeling van belasting genieten wanneer de in artikel 56ter, § 2, eerste lid, 1°, bedoelde drempel voor de jaaromzet in de Unie in het voorafgaande kalenderjaar werd overschreden.
Wanneer tijdens een kalenderjaar de in artikel 56ter, § 2, eerste lid, 1°, bedoelde drempel voor de jaaromzet in de Unie wordt overschreden, is de vrijstellingsregeling van belasting die is verleend aan de niet in België maar in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige, vanaf dat tijdstip niet langer van toepassing.

Art. 56octies. Artikel 56octies
(Het artikel 56octies werd ingevoegd (Art. 20, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))
Het in artikel 56quater, § 1, 2°, bedoelde btw-identificatienummer wordt zonder verwijl gedeactiveerd of, wanneer de belastingplichtige van de vrijstelling gebruik blijft maken in een andere lidstaat of andere lidstaten dan België waar hij niet is gevestigd, worden de op grond van de artikelen 56quater, § 1, 1°, en 56quater, § 3, ontvangen gegevens ten aanzien van de betrokken lidstaat of lidstaten zonder verwijl aangepast in de volgende gevallen:
- IX / 7 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

1° het totale bedrag van de door de belastingplichtige aangegeven leveringen van goederen
en/of diensten overschrijdt het in artikel 284, lid 2, a), van Richtlijn 2006/112/EG bedoelde bedrag;

2° de andere lidstaat dan België waarin hij niet is gevestigd en die de vrijstelling verleent,
heeft gemeld dat de belastingplichtige niet in aanmerking komt voor de vrijstelling of dat de vrijstelling niet langer van toepassing is in die lidstaat;

3° de belastingplichtige heeft zijn beslissing om de toepassing van de vrijstellingsregeling te
beëindigen, gemeld;

4° de belastingplichtige heeft gemeld, of de administratie belast met de belasting over de
toegevoegde waarde kan anderszins aannemen, dat zijn werkzaamheden zijn beëindigd.
Artikel 56nonies
(Het artikel 56nonies werd ingevoegd (Art. 21, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))
De jaaromzet die als maatstaf dient voor de toepassing van de in deze onderafdeling bedoelde vrijstellingsregeling van belasting, wordt gevormd door de volgende bedragen, btw niet inbegrepen:

1° het bedrag van de leveringen van goederen en diensten, voor zover die belast zouden zijn
als ze waren verricht door een belastingplichtige op wie de vrijstellingsregeling van belasting niet van toepassing is;

2° het bedrag van de handelingen die in uitvoering van artikel 37 aan het verlaagde btw-
tarief van nul pct. onderworpen zijn alsook, desgevallend, het bedrag van de handelingen die op grond van artikel 98, lid 2, of artikel 105 bis, van Richtlijn 2006/112/EG zijn vrijgesteld met recht op aftrek van voorbelasting;

3° het bedrag van de op grond van de artikelen 39 tot en met 42 vrijgestelde handelingen alsook, desgevallend, het bedrag van de op grond van de artikelen 138, 146 tot en met 149, 151, 152 en 153, van Richtlijn 2006/112/EG vrijgestelde handelingen;

4° het bedrag van handelingen met betrekking tot onroerende goederen bedoeld in artikel
44, § 3, 1° en 2°, het bedrag van de handelingen van verzekering en herverzekering bedoeld in artikel 44, § 3, 4°, en het bedrag van de financiële handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 5° tot en met 11°, tenzij die handelingen met andere handelingen samenhangende handelingen zijn, alsook, desgevallend, het bedrag van de handelingen betreffende onroerende goederen bedoeld in artikel 135, lid 1, punten j) tot en met l) van Richtlijn 2006/112/EG, het bedrag van de handelingen van verzekering en herverzekering bedoeld in artikel 135, lid 1, punt a), van Richtlijn 2006/112/EG en het bedrag van de financiële handelingen bedoeld in artikel 135, lid 1, punten b) tot en met g), van Richtlijn 2006/112/EG, tenzij die handelingen met andere handelingen samenhangende handelingen zijn.
De overdracht van materiële of immateriële investeringsgoederen van de belastingplichtige wordt niet in aanmerking genomen voor het berekenen van de in het eerste lid bedoelde omzet.

Art. 56quater. Artikel 56quater
(Het artikel 56quater werd ingevoegd (Art. 16, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))

§ 1. De in België gevestigde belastingplichtige die de in titel XII, hoofdstuk 1, van Richtlijn 2006/112/EG bedoelde vrijstelling wenst te genieten in een andere lidstaat, waar hij niet is gevestigd en die die vrijstelling heeft ingevoerd:

1° richt een voorafgaande kennisgeving aan het daarvoor door de minister van Financiën of
zijn gemachtigde gecreëerde elektronisch adres;

2° wordt voor de toepassing van deze regeling geïdentificeerd door middel van het in artikel
50, § 1, 1°, bedoelde btw-identificatienummer, waaraan voor de toepassing van deze regeling het achtervoegsel "EX" wordt toegevoegd.

§ 2. De in paragraaf 1, 1°, bedoelde voorafgaande kennisgeving bevat de volgende gegevens:

1° de naam, de activiteit, de rechtsvorm en het adres van de belastingplichtige;

2° de lidstaat of lidstaten waar de belastingplichtige gebruik wil maken van de vrijstelling;

3° in voorkomend geval, het totale bedrag van de in België en in elk van de andere lidstaten
verrichte leveringen van goederen en/of diensten in het aan de kennisgeving voorafgaande kalenderjaar;

4° in voorkomend geval, het totale bedrag van de in België en in elk van de andere lidstaten
verrichte leveringen van goederen en/of diensten in het aan de kennisgeving voorafgaande gedeelte van het lopende kalenderjaar.

§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde belastingplichtige stelt, door middel van een actualisering van de in paragraaf 1, 1°, bedoelde voorafgaande kennisgeving, de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde vooraf in kennis van iedere wijziging van de in paragraaf 2 bedoelde gegevens, met inbegrip van het voornemen om gebruik te maken van de vrijstelling in een andere lidstaat of in andere lidstaten dan die aangegeven in de voorafgaande kennisgeving en van de beslissing om de toepassing van de vrijstelling in een andere lidstaat of in andere lidstaten dan België, waar hij niet is gevestigd, te beëindigen.
De in het eerste lid bedoelde beëindiging heeft uitwerking op de eerste dag van het kalenderkwartaal volgend op de ontvangst van de door de belastingplichtige verstrekte gegevens of, wanneer die in de laatste maand van een kalenderkwartaal worden ontvangen, op de eerste dag van de tweede maand van het volgende kalenderkwartaal.

§ 4. De vrijstelling geldt ten aanzien van de andere lidstaat dan België, waar de belastingplichtige niet is gevestigd en hij van de vrijstelling gebruik wil maken overeenkomstig:

1° een voorafgaande kennisgeving, vanaf de datum waarop de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde het individueel identificatienummer aan de belastingplichtige meedeelt; of

2° een actualisering van een voorafgaande kennisgeving, vanaf de datum waarop de
administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde het nummer aan de belastingplichtige bevestigt naar aanleiding van de actualisering.
- IX / 5 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
De in het eerste lid, 1° of 2°, bedoelde datum, valt niet later dan vijfendertig werkdagen na ontvangst van de in paragraaf 1, 1°, bedoelde voorafgaande kennisgeving of de in paragraaf 3, eerste lid, bedoelde actualisering van de voorafgaande kennisgeving, behalve in gevallen waarin, met het oog op het voorkomen van belastingfraude of belastingontwijking, de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde de belastingplichtige in kennis stelt dat zij meer tijd nodig heeft om de noodzakelijke controles uit te voeren.

§ 5. Wanneer de belastingplichtige overeenkomstig paragraaf 3, eerste lid, de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde in kennis stelt van zijn voornemen om gebruik te maken van de vrijstelling in een andere lidstaat of in andere lidstaten dan aangegeven in de in paragraaf 1, 1°, bedoelde voorafgaande kennisgeving, is hij niet verplicht de in paragraaf 2 bedoelde gegevens te verstrekken voor zover die reeds in eerdere krachtens artikel 56quinquies ingediende aangiften zijn opgenomen

Art. 56quinquies. Artikel 56quinquies
(Het artikel 56quinquies werd ingevoegd (Art. 17, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))

§ 1. De in België gevestigde belastingplichtige die in een andere lidstaat waar hij niet is gevestigd, de in titel XII, hoofdstuk 1, van Richtlijn 2006/112/EG bedoelde vrijstelling wenst te genieten, verstrekt de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde voor elk kalenderkwartaal, naast het in artikel 56quater, § 1, 2°, bedoelde btw-identificatienummer, de volgende gegevens:

1° het totale bedrag van de leveringen van goederen en/of diensten die tijdens het
kalenderkwartaal in België zijn verricht, of "0" wanneer geen leveringen van goederen of diensten zijn verricht;

2° het totale bedrag van de leveringen van goederen en/of diensten die tijdens het
kalenderkwartaal zijn verricht in de andere lidstaten dan België, of "0" wanneer geen leveringen van goederen of diensten zijn verricht.
De in het eerste lid bedoelde belastingplichtige verstrekt deze gegevens binnen één maand te rekenen vanaf het einde van het kalenderkwartaal.
Wanneer de in artikel 56ter, § 2, eerste lid, 1°, bedoelde drempel voor de jaaromzet in de Unie wordt overschreden, stelt de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde hiervan binnen vijftien werkdagen in kennis. Tegelijkertijd geeft de belastingplichtige het bedrag aan van de in het eerste lid bedoelde leveringen van goederen en/of diensten die zijn verricht vanaf het begin van het lopende kalenderkwartaal tot de datum waarop de jaaromzetdrempel in de Unie werd overschreden.

§ 2. De in artikel 56ter, § 1, eerste lid, bedoelde belastingplichtige deelt aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, voor elk kalenderjaar het totale bedrag mee van de leveringen van goederen en/of diensten die tijdens het kalenderjaar in België zijn verricht, of "0" wanneer geen leveringen van goederen of diensten zijn verricht.
De in het eerste lid bedoelde belastingplichtige deelt die gegevens mee uiterlijk op 31 maart volgend op het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar.

Art. 56septies. Artikel 56septies
(Het artikel 56septies werd ingevoegd (Art. 19, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))

§ 1. De niet in België maar in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige en die gebruikmaakt van de vrijstellingsregeling van belasting in België, dient, met betrekking tot de leveringen van goederen en/of diensten waarop die regeling van toepassing is:

1° niet te worden geïdentificeerd voor btw-doeleinden overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste
lid, 1° ;

2° geen in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangifte in te dienen.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige de in artikel 284 ter van Richtlijn 2006/112/EG bedoelde verplichtingen niet nakomt.

§ 2. De in België gevestigde belastingplichtige die gebruikmaakt van de vrijstelling in een andere lidstaat dan België waar hij niet is gevestigd, dient, met betrekking tot de leveringen van goederen en/of diensten waarop de vrijstelling in die lidstaat van toepassing is:

1° niet te worden geïdentificeerd voor btw-doeleinden overeenkomstig de artikelen 213 en
214 van Richtlijn 2006/112/EG;

2° geen in artikel 250 van Richtlijn 2006/112/EG bedoelde aangifte in te dienen.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige de in artikel 56quinquies bedoelde verplichtingen niet nakomt

Art. 56sexies. Artikel 56sexies
(Het artikel 56sexies werd ingevoegd (Art. 18, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))
- IX / 6 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Voor de toepassing van de artikelen 56ter, § 2, tweede lid, 56quater, § 2, 3° en 4°, en 56quinquies, § 1, eerste lid, geldt het volgende:

1° de bedragen bestaan uit de in artikel 56nonies bedoelde bedragen;

2° de bedragen worden uitgedrukt in euro;

3° wanneer de lidstaat die de vrijstelling verleent, verschillende in artikel 284, lid 1, tweede
alinea, van Richtlijn 2006/112/EG bedoelde drempels hanteert, geeft de belastingplichtige met betrekking tot deze lidstaat afzonderlijk het totale bedrag van de leveringen van goederen en/of diensten aan voor elke drempel die van toepassing kan zijn.
De in de artikelen 56ter, § 2, tweede lid, 56quater, § 3, en 56quinquies, § 1, eerste en derde lid, bedoelde gegevens worden meegedeeld op het daarvoor door de minister van Financiën of zijn gemachtigde gecreëerde elektronische adres.

Art. 56ter. Artikel 56ter
(Het artikel 56ter werd ingevoegd (Art. 15, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))

§ 1. De in België gevestigde belastingplichtigen waarvan de jaaromzet in België niet hoger is dan 25.000 euro, kunnen de vrijstellingsregeling van belasting genieten voor de levering van goederen en diensten die zij in België verrichten.
Wanneer verscheidene personen in onverdeeldheid of in vereniging een economische activiteit uitoefenen, wordt er voor de toepassing van het eerste lid rekening gehouden met het jaarlijks totaalbedrag van de omzetcijfers die ze samen realiseren.
Wanneer echtgenoten een onderscheiden economische activiteit uitoefenen, wordt er voor de toepassing van het eerste lid afzonderlijk rekening gehouden met de activiteit van ieder van de echtgenoten, ongeacht hun huwelijksvoorwaarden.
De in het eerste lid bedoelde belastingplichtige die de vrijstellingsregeling wenst toe te passen, stelt de administratie belast voor de belasting over de toegevoegde waarde van zijn voornemen in kennis op het moment van de aanvang van zijn economische activiteit.
Wanneer evenwel uit de omstandigheden duidelijk blijkt dat aan de voorwaarden gesteld voor de toepassing van de vrijstellingsregeling van belasting niet is voldaan, wordt de belastingplichtige onderworpen aan een andere belastingregeling.

§ 2. De niet in België maar in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtigen kunnen de vrijstellingsregeling van belasting genieten voor de levering van goederen en diensten die zij in België verrichten, wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn:

1° de jaaromzet in de Unie van de belastingplichtige bedraagt niet meer dan 100.000 euro of
zijn tegenwaarde in de nationale munteenheid, berekend volgens de wisselkoers die op 18 januari 2018 door de Europese Centrale Bank is bekendgemaakt;

2° de jaaromzet in België bedraagt niet meer dan 25.000 euro.
Niettegenstaande artikel 292 ter van Richtlijn 2006/112/EG, opdat een in het eerste lid bedoelde belastingplichtige de vrijstellingsregeling van belasting kan genieten:

1° richt hij een voorafgaande kennisgeving aan zijn lidstaat van vestiging;
- IX / 4 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

2° wordt hij voor de toepassing van de vrijstelling slechts in zijn lidstaat van vestiging onder
een individueel nummer geïdentificeerd, waaraan voor de toepassing van de vrijstellingsregeling het achtervoegsel "EX" wordt toegevoegd.

Art. 56undecies. Artikel 56undecies
(Het artikel 56undecies werd ingevoegd (Art. 23, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van deze onderafdeling wat betreft de vorm van de in artikelen 56ter, § 1, vierde lid en 56quater, § 1, 1°, bedoelde voorafgaandelijke kennisgeving, de wijziging of stopzetting van de activiteit of van de belastingregeling, de wijze waarop herzieningen worden doorgevoerd bij een wijziging van de belastingregeling en de wijze waarop de in de artikelen 56quater, § 3, en 56quinquies bedoelde gegevens aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde wordt verstrekt.
Afdeling 2
Landbouwondernemingen

Art. 57. Artikel 57
(De tekst van art. 57, § 6, eerste lid, 2° en § 9, eerste lid, werd gewijzigd (Art. 24, W 21.03.2024, B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac: 2024002757) met ingang van 01.01.2025 (Art. 26, W 21.03.2024))

§ 1. De in dit artikel bedoelde bijzondere regeling is van toepassing op de landbouwondernemers, met uitzondering van de in artikel 4, § 2, bedoelde btw-eenheden, die producten van hun bedrijf leveren of landbouwdiensten verrichten.
Wordt als landbouwondernemer aangemerkt in de zin van het eerste lid, de belastingplichtige wiens bedrijvigheid bestaat in:

1° algemene landbouw, groenteteelt, fruitteelt, bloementeelt, sierplantenteelt, champignon-
teelt, teelt van zaai- en pootgoed en druiventeelt;

2° veeteelt, pluimveeteelt, konijnenteelt en bijenteelt;

3° boomkweek;

4° bosbouw.
De in het eerste lid bedoelde landbouwondernemer is onderworpen aan de bij dit artikel ingestelde bijzondere regeling:
- IX / 9 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

1° wanneer hij door hem in zijn hoedanigheid van landbouwondernemer voortgebrachte
producten of geteelde dieren levert, in de staat waarin hij ze heeft voortgebracht of geteeld of na ze onderworpen te hebben aan een primaire verwerking die normaal bij de landbouwbedrijven behoort;

2° wanneer hij diensten verstrekt ter uitvoering van overeenkomsten van contractteelt of
contractmesterij met betrekking tot goederen of dieren waarvan de levering bedoeld zou zijn in de bepaling onder 1° indien de landbouwondernemer ze voor eigen rekening zou voortbrengen of telen;

3° wanneer hij, als onderlinge landbouwhulp, andere dan in de bepaling onder 2° bedoelde
diensten verstrekt en daarbij geen andere machines gebruikt dan die welke slechts uitzonderlijk dienen voor werk voor anderen;

4° wanneer hij goederen levert die hij in zijn bedrijf heeft gebruikt, met inbegrip van de
bedrijfsmiddelen;

5° wanneer hij aan een veeteeltbedrijf tegen vergoeding toelaat al dan niet vloeibare
dierlijke mest op landbouwgronden uit te spreiden of wanneer hij tegen vergoeding al dan niet vloeibare dierlijke mest ophaalt bij een dergelijk bedrijf om het uit te spreiden op landbouwgronden van dat bedrijf of van een andere landbouwer dan wel op zijn landbouwgronden;

6° wanneer hij tegen vergoeding bedorven of beschadigde land- of tuinbouwproducten
ophaalt om het op landbouwgronden uit te spreiden;

7° wanneer hij tijdelijk productiequota overdraagt;

8° wanneer hij emissierechten met betrekking tot de landbouwonderneming overdraagt;

9° wanneer hij premierechten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
overdraagt;

10° wanneer hij diensten verricht die bijdragen tot het voortbrengen van landbouw- of
bosbouwproducten met uitzondering van de bebossingswerkzaamheden voor rekening van bosuitbaters of houthandelaren en bebouwings- of oogstwerken uitgevoerd voor rekening van andere landbouwers.
In afwijking van het derde lid, is deze bijzondere regeling niet van toepassing ten aanzien van de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen verricht onder de voorwaarden van artikel 15, § 2.

§ 1bis. De in paragraaf 1 bedoelde landbouwondernemer is er ten aanzien van die werkzaamheid niet toe gehouden de verplichtingen na te leven die op het stuk van facturering, aangifte en voldoening van de belasting, aan belastingplichtigen zijn opgelegd, met uitzondering van de verplichtingen die voortvloeien uit de intracommunautaire handelingen die hij verricht.

§ 1ter. Zonder het voordeel van deze bijzondere regeling te verliezen voor de in paragraaf 1 bedoelde handelingen die hij in de uitoefening van zijn economische activiteit verricht, mag de landbouwondernemer de in het tweede lid opgesomde handelingen verrichten wanneer hij voor die handelingen onderworpen is aan de normale regeling van de belasting ofwel, in voorkomend geval, aan de bijzonder regeling voorzien in artikel 56, onder de hierna volgende voorwaarden:

1° die handelingen zijn uit hun aard verbonden met zijn hoofdactiviteit als
landbouwondernemer;

2° de omzet, exclusief btw, van die handelingen bedraagt gedurende het lopende
kalenderjaar en bedroeg gedurende het voorafgaande kalenderjaar niet meer dan dertig pct. van de totale omzet van de landbouwondernemer.
In het eerste lid, 1°, worden de volgende handelingen bedoeld:
- IX / 10 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

1° de leveringen van goederen en de diensten die betrekking hebben op in paragraaf 1,
derde lid, 1°, bedoelde producten of dieren die niet onderworpen zijn aan het tarief van zes pct., met uitzondering van ruwe en niet tot verbruik bereide tabak. De in dit artikel bedoelde bijzondere regeling blijft evenwel gelden voor de leveringen van die producten of die dieren aan de door de bevoegde overheid erkende coöperatieve producentenveilingen van landbouwproducten;

2° het verrichten van seizoengebonden werk in onroerende staat zoals het strooien van grind
of het ruimen van sneeuw op de wegen voor rekening van een gemeente, bebossingswerkzaamheden voor rekening van bosuitbaters of houthandelaren en bebouwings- of oogstwerken uitgevoerd voor rekening van andere landbouwers;

3° de verkoop van de via het bedrijf geproduceerde elektriciteit;

4° de overdracht van groenestroomcertificaten met betrekking tot de via het bedrijf
geproduceerde elektriciteit;

5° de overdracht van via het bedrijf geproduceerde thermische energie of
warmtekrachtkoppelingscertificaten;

6° de levering van goederen bedoeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, die een andere dan
primaire verwerking hebben ondergaan evenals de levering, op bijkomstige wijze, van dezelfde goederen of van in paragraaf 1, derde lid, 1°, bedoelde goederen die door een andere landbouwondernemer werden voortgebracht;

7° de verpachting van jachtgebieden;

8° de verhuur van substantiële of een geheel van meerdere bestanddelen van het
landbouwbedrijf wanneer de landbouwer zijn landbouwactiviteit voortzet met andere delen van het bedrijf;

9° de diensten die bestaan in het opmeten van landbouwpercelen en het nemen van
grondstalen;

10° de diensten op educatieve boerderijen en zorgboerderijen;

11° de terbeschikkingstelling van gemeubeld logies binnen het bedrijf en, meer algemeen, het
hoevetoerisme;

12° de restaurantdiensten binnen het bedrijf.
Deze paragraaf is van toepassing op de in paragraaf 1, derde lid, 1°, bedoelde intracommunautaire afstandsverkopen van goederen.

§ 2. De belasting geheven van de onderscheiden bestanddelen van de prijs van de genoemde leveringen en diensten die de landbouwondernemer verricht wordt hem bij wijze van forfaitaire compensaties terugbetaald.
De forfaitaire compensatie vloeit voort uit de toepassing van de forfaitaire compensatiepercentages op de prijs, exclusief belasting:

1° van de landbouwprodukten die de forfaitair belaste landbouwers hebben geleverd aan
andere belastingplichtigen dan die welke in het binnenland onder de forfaitaire regeling van dit artikel vallen;

2° van de landbouwprodukten die de forfaitair belaste landbouwers onder de voorwaarden
van artikel 39bis, eerste lid, 1°, hebben geleverd aan niet-belastingplichtige rechtspersonen op wie in de Lid-Staat van aankomst van de verzending of het vervoer van de aldus geleverde landbouwprodukten de in artikel 25ter, § 1, tweede lid, omschreven afwijking niet toepasselijk is;

3° van de landbouwdiensten die worden verricht door forfaitair belaste landbouwers voor
andere belastingplichtigen dan die welke in het binnenland onder de forfaitaire regeling bepaald in dit artikel vallen.
Deze compensatie sluit elke andere vorm van aftrek uit.
- IX / 11 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
De forfaitaire compensatiepercentages worden bepaald aan de hand van de macro-economische gegevens over de laatste drie jaar betreffende uitsluitend de landbouwondernemers onderworpen aan de regeling bedoeld in dit artikel. De percentages worden afgerond op een half procent naar beneden. Ze mogen niet tot gevolg hebben dat aan de landbouwondernemers onderworpen aan de regeling bedoeld in dit artikel gezamenlijk bedragen worden terugbetaald die hoger zijn dan de belastingvoordruk.

§ 3. Voor elke levering van landbouwprodukten en elke dienst als bedoeld onder § 2, tweede lid, 1°, 2° en 3°, geschiedt de betaling van de forfaitaire compensaties door de koper van de goederen of de ontvanger van de diensten.

§ 4. De belastingplichtige koper of ontvanger, die periodieke aangiften indient, is gemachtigd om, onder de voorwaarden van de artikelen 45 tot 49 en volgens nader door de Koning vast te stellen regels, van de door hem in het binnenland verschuldigde belasting het bedrag van de forfaitaire compensatie af te trekken dat hij aan de forfaitair belaste landbouwers heeft betaald.

§ 5. De Schatkist kent aan de koper of ontvanger terugbetaling toe van het bedrag van de forfaitaire compensatie dat hij aan de forfaitair belaste landbouwers heeft betaald uit hoofde van een van de volgende handelingen:

1° de leveringen van landbouwprodukten die worden verricht onder de voorwaarden van
artikel 39bis, 1°, wanneer de koper een belastingplichtige is, of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreedt in een andere Lid-Staat en op wie in deze Lid- Staat de in artikel 25ter, § 1, tweede lid, omschreven afwijking niet toepasselijk is;

2° de leveringen van landbouwprodukten die worden verricht onder de voorwaarden van
artikel 39, voor een belastingplichtige koper die buiten de Gemeenschap is gevestigd, in de mate dat deze landbouwprodukten door de koper gebruikt worden voor het verrichten van handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden of om diensten te verstrekken die geacht worden in België plaats te vinden en waarvoor de belasting overeenkomstig artikel 51, § 2, door de ontvanger verschuldigd is;

3° landbouwdiensten die worden verricht voor een binnen de Gemeenschap maar in een andere Lid-Staat gevestigde belastingplichtige ontvanger of voor een buiten de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige ontvanger, in de mate dat deze diensten door de ontvanger gebruikt worden voor het verrichten van handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden of om diensten te verstrekken die geacht worden in België plaats te vinden en waarvoor de belasting overeenkomstig artikel 51, § 2, door de ontvanger is verschuldigd.
De Koning stelt de nadere regels voor deze terugbetalingen vast.

§ 6. De landbouwondernemingen blijven evenwel onderworpen aan alle verplichtingen van belastingplichtigen:

1° wanneer de activiteit wordt uitgeoefend onder de vorm van een vennootschap met
rechtspersoonlijkheid die niet erkend is als landbouwonderneming bedoeld in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;

2° wanneer ze reeds belastingplichtige zijn wegens de uitoefening van een andere
werkzaamheid, behoudens wanneer ze, voor die werkzaamheid, onderworpen zijn aan de in de artikelen 56bis tot en met 56undecies bedoelde bijzondere regeling.
In afwijking van het eerste lid, 2°, mogen de landbouwondernemingen de in dit artikel vastgelegde regeling blijven toepassen ten aanzien van hun werkzaamheid die binnen het toepassingsgebied van deze regeling valt, wanneer ze daarnaast op bijkomstige wijze
- IX / 12 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
handelingen verrichten waarvoor ze aan de normale regeling of de in artikel 56 bedoelde regeling onderworpen zijn en die voldoen aan de volgende voorwaarden:

1° die handelingen zijn uit hun aard verbonden met de hoofdactiviteit van de
landbouwonderneming;

2° de door die handelingen gerealiseerde omzet, exclusief btw, bedraagt in de loop van het
kalenderjaar niet meer dan 30 pct. van het totale omzetcijfer van de landbouwondernemingen en heeft in de loop van het voorafgaande kalenderjaar dat percentage niet overschreden.
De Koning bepaalt de lijst van de handelingen die voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het tweede lid.

§ 7. De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel met betrekking tot de forfaitaire compensatiepercentages, de vermeldingen en de uitreikingsmodaliteiten van het door de belastingplichtige koper of ontvanger uitgereikte document aan de landbouwondernemer en de administratieve formaliteiten die noodzakelijk zijn om de toepassing van deze regeling doeltreffend te controleren.
Hij kan toelaten dat de landbouwondernemers onderworpen aan de in dit artikel vastgestelde regeling, de in artikel 53sexies, § 1, bedoelde inlichtingen slechts jaarlijks verstrekken.

§ 8. Landbouwondernemers bedoeld in § 1 kunnen kiezen voor de normale regeling van de belasting. De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan die keuze onderworpen is.

§ 9. De landbouwondernemer die de in paragraaf 1ter, eerste lid, bedoelde voorwaarden niet vervult of die andere dan de in paragrafen 1, derde lid en 1ter bedoelde handelingen verricht, verliest het voordeel van deze bijzondere regeling voor zijn gehele economische activiteit. In dat geval is hij onderworpen aan de normale regeling van de belasting voor zijn gehele economische activiteit, tenzij hij de in de artikelen 56bis tot en met 56undecies bedoelde bijzondere regeling toepast.
In de gevallen die concurrentieverstoringen teweegbrengen, wordt de landbouwondernemer, die financieel, economisch en organisatorisch nauw verbonden is met één of meerdere personen die juridisch gezien zelfstandig zijn en niet aan deze bijzondere regeling zijn onderworpen, door de administratie die belast is met de belasting over de toegevoegde waarde, uitgesloten van deze bijzondere regeling.
Afdeling 3
Andere bijzondere regelingen

Art. 58. Artikel 58
De tekst van art. 58, § 4, 4°, eerste lid, werd vervangen (Art. 5, W 19.12.2025, B.S. 31.12.2025, pg.99183, Numac : 2025009849) met ingang van 31.12.2025

§ 1. Ten aanzien van de in België, ingevoerde, in de zin van artikel 25ter verworven of geproduceerde tabaksfabrikaten, wordt de belasting geheven telkens wanneer voor die fabrikaten, overeenkomstig de wets- of verordeningsbepalingen ter zake, Belgische accijns moet worden voldaan. De belasting wordt berekend op de prijs vermeld op het fiscale bandje, of indien geen prijs is bepaald, over de maatstaf van heffing van de accijns.
- IX / 13 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
In afwijking van het eerste lid wordt de belasting evenwel niet geheven bij de levering aan passagiers aan boord van een schip, vliegtuig of trein, tijdens een intracommunautair reizigersvervoer, wanneer de plaats van vertrek van dat vervoer, bepaald overeenkomstig artikel 14, § 4, niet in België is gelegen.
Tabakssurrogaten zijn met tabaksfabrikaten gelijkgesteld, telkens wanneer die gelijkstelling bestaat voor de heffing van de accijns.
De geheven belasting toepasselijk volgens het eerste lid is de belasting verschuldigd ter zake van de invoer, de intracommunautaire verwerving en de levering van tabaksfabrikaten.
De Koning regelt de heffing van de belasting ter zake van tabaksfabrikaten en bepaalt wie tot de voldoening ervan gehouden is.

§ 1bis. Ten aanzien van de in België in de zin van artikel 25ter verworven accijnsprodukten, andere dan deze bedoeld in § 1, door een belastingplichtige of door een niet-belastingplichtige rechtspersoon op wie de afwijking bepaald in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, toepasselijk is, wordt de belasting geheven en, in voorkomend geval, teruggegeven door de bevoegde ambtenaar met ten minste een titel van attaché aangeduid door de administrateur-generaal van de douane en accijnzen.
De Koning regelt de toepassing van deze paragraaf. Hij regelt onder meer de heffing, de vrijstelling en de teruggaaf van de belasting ter zake van de in het vorige lid beoogde produkten en bepaalt wie tot de voldoening van de belasting gehouden is en wie recht heeft op vrijstelling of op de teruggaaf ervan.

§ 2. Ten aanzien van vis, schaal-, schelp- en weekdieren die rechtstreeks van het vissersvaartuig in de gemeentelijke vismijn van de aanvoerhaven worden gebracht om er openbaar te worden verkocht, wordt de belasting slechts verschuldigd op het tijdstip van de verkoop in de vismijn en wordt ze berekend over de prijs van die verkoop.
De Koning kan bepaalde verplichtingen inzake aangifte en controle opleggen om de voldoening van de belasting door de exploitant van de vismijn te verzekeren.

§ 3. Ten aanzien van de invoer van goederen die in kleine zendingen worden verstuurd of die voorkomen in de bagage van reizigers, kan het bedrag van de belasting worden berekend naar een tarief dat op een forfaitaire wijze is bepaald zonder inachtneming van de aard van de ingevoerde goederen.
De Koning bepaalt het forfaitaire tarief en geeft regelen voor de toepassing van deze paragraaf.

§ 4. Een bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge gerealiseerd door belastingplichtige wederverkopers is van toepassing op door hen verrichte leveringen van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, overeenkomstig de volgende bepalingen :

1° als belastingplichtige wederverkoper wordt aangemerkt de belastingplichtige die in het
kader van zijn economische activiteit gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten koopt, voor bedrijfsdoeleinden bestemt of invoert met het oog op wederverkoop, ongeacht of die belastingplichtige optreedt voor eigen rekening dan wel, ingevolge een overeenkomst tot aan- of verkoop in commissie, voor rekening van een derde;

2° de bedoelde leveringen van goederen zijn de door een belastingplichtige wederverkoper verrichte leveringen van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten die hem binnen de Gemeenschap zijn geleverd;
- door een niet-belastingplichtige; of
- IX / 14 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
- door een andere belastingplichtige, voor zover de levering van het goed door deze
andere belastingplichtige krachtens artikel 44, § 2, 13°, is vrijgesteld; of
- door een andere belastingplichtige, voor zover de levering van het goed door deze
andere belastingplichtige is vrijgesteld krachtens de artikelen 56bis tot en met 56undecies, en het een bedrijfsmiddel betreft; of
- door een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige wederverkoper overeenkomstig de onderhavige bijzondere regeling onderworpen is geweest aan de belasting;

3° de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge is niet van toepassing op de door een belastingplichtige wederverkoper verrichte leveringen van goederen die hem binnen de Gemeenschap zijn geleverd door personen die bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van de goederen, de vrijstelling van de belasting hebben genoten krachtens artikel 42, of die hebben genoten van de teruggaaf van de belasting krachtens artikel 77, § 2;

4° indien geen verlaagd tarief is toegepast op de betrokken kunstvoorwerpen, voorwerpen
voor verzamelingen en antiquiteiten die aan een belastingplichtige wederverkoper worden geleverd of door hem worden ingevoerd, kunnen belastingplichtige wederverkopers kiezen voor de toepassing van de bijzondere regeling op leveringen: a) van kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten die zij zelf hebben ingevoerd; b) van kunstvoorwerpen die aan hen zijn geleverd door de maker of diens rechthebbenden; c) van kunstvoorwerpen die aan hen zijn geleverd door een andere belastingplichtige dan een belastingplichtige wederverkoper.
De Koning bepaalt de regelen voor het uitoefenen van die keuze, welke geldt voor een periode gelijk aan ten minste twee kalenderjaren;

5° belastingplichtigen mogen de belasting die verschuldigd of voldaan is voor aan hen door
een belastingplichtige wederverkoper geleverde of te leveren goederen niet aftrekken van de belasting die zij verschuldigd zijn, voor zover de levering van die goederen door de belastingplichtige wederverkoper onderworpen is aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge;

6° voor zover de goederen gebruikt worden ten behoeve van zijn leveringen die
onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, mag de belastingplichtige wederverkoper van de belasting die hij verschuldigd is niet aftrekken :
a) de belasting die verschuldigd of voldaan is voor kunstvoorwerpen, voorwerpen voor
verzamelingen of antiquiteiten die hij zelf heeft ingevoerd;
b) de belasting die verschuldigd of voldaan is voor aan hem geleverde of te leveren
kunstvoorwerpen door de maker of diens rechthebbenden;
c) de belasting die verschuldigd of voldaan is voor aan hem geleverde of te leveren
kunstvoorwerpen door een andere belastingplichtige dan een belastingplichtige wederverkoper;

7° voor elke levering die onder de bijzondere regeling van belastingheffing over de
winstmarge valt, kan de belastingplichtige wederverkoper de normale regeling van de belasting toepassen.
Indien de belastingplichtige wederverkoper de normale regeling van de belasting toepast:
a) op de levering van een kunstvoorwerp, een voorwerp voor verzamelingen of een
antiquiteit dat hij zelf heeft ingevoerd, mag hij van de belasting die hij verschuldigd is, de bij invoer van dat goed verschuldigde of voldane belasting aftrekken;
b) op de levering van een kunstvoorwerp dat hem door de maker of diens
rechthebbenden werd geleverd, mag hij van de belasting die hij verschuldigd is de
- IX / 15 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
met betrekking tot het hem geleverde kunstvoorwerp verschuldigde of voldane belasting aftrekken;
c) op de levering van een kunstvoorwerp dat hem door een andere belastingplichtige dan een belastingplichtige wederverkoper werd geleverd, mag hij van de belasting die hij verschuldigd is de met betrekking tot het hem geleverde kunstvoorwerp verschuldigde of voldane belasting aftrekken.
Dat recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt voor de levering waarvoor de belastingplichtige wederverkoper voor de normale levering van de belasting kiest.
De stukken die dat recht op aftrek staven, moeten worden bewaard gedurende de termijn bedoeld in artikel 60, § 4.

8° de belastingplichtige wederverkoper mag de belasting over de leveringen van goederen waarop hij de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge toepast niet afzonderlijk vermelden op de factuur die hij uitreikt, op ieder als zodanig geldend stuk of op ieder verbeterend stuk;

9° de leveringen van nieuwe vervoermiddelen in de zin van artikel 8bis, § 2, verricht onder
de in artikel 39bis bedoelde voorwaarden, zijn uitgesloten van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge;

10° de belastingplichtige wederverkoper moet een register houden van de goederen
onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, die hij heeft verzonden of vervoerd, of die voor zijn rekening werden verzonden of vervoerd, naar een andere Lid-Staat met het oog op eventuele verkoop in de Lid-Staat van aankomst van de verzending of van het vervoer van de goederen;

11° indien de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge
een negatieve marge tot resultaat heeft, doet dat geen recht op terugbetaling van de belasting onstaan;

12° de leveringen van in deze paragraaf bedoelde goederen, voor dewelke de voorwaarden en
modaliteiten die voor de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge zijn gesteld, niet worden nageleefd, worden, behoudens tegenbewijs, geacht te zijn verricht onder de normale regeling van de belasting;

13° de Koning bepaalt de andere regelen en toepassingsmodaliteiten van de door deze paragraaf ingestelde regeling; inzonderheid definieert Hij de beoogde goederen en bepaalt Hij de maatstaf van heffing en de winstmarge.
Afdeling 4
- IX / 16 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Bijzondere regelingen van toepassing op diensten verricht voor niet-belastingplichtigen, afstandsverkopen van goederen of bepaalde binnenlandse leveringen van goederen
(Het opschrift van Afdeling 4, werd vervangen met ingang van 01.07.2021 (Art. 18, W 02.04.2021, B.S. 13.04.2021, pg. 32957, Numac: 2021041096))
Onderafdeling 1
Definities
(De titel Onderafdeling 1, werden ingevoegd met ingang van 01.01.2015 (Art. 72, W 25.04.2014, B.S. 16.05.2014, pg. 39621)

Art. 58bis. Artikel 58bis
(De tekst van art. 58bis, werd vervangen met ingang van 01.07.2021 (Art. 19, W 02.04.2021, B.S. 13.04.2021, pg. 32957, Numac: 2021041096))
Voor de toepassing van de artikelen 58ter tot 58quinquies, wordt verstaan onder "aangifte": de aangifte waarin alle gegevens staan die nodig zijn om het bedrag van de in elke lidstaat verschuldigde btw vast te stellen.
Onderafdeling 2
Bijzondere regeling voor diensten verricht door niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen
(De titel Onderafdeling 2, werd ingevoegd met ingang van 01.01.2015 (Art. 74, W 25.04.2014, B.S. 16.05.2014, pg. 39621)

Art. 58quater. Artikel 58quater
(De tekst van art. 58quater, § 6, vierde en vijfde lid, werd gewijzigd met ingang van 10.01.2022 (Art. 13, W 27.12.2021, B.S. 31.12.2021 - Ed. 2, pg. 127779, Numac: 2021034489))

§ 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

1° "niet in de lidstaat van verbruik gevestigde belastingplichtige": een belastingplichtige die
de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting in de Gemeenschap heeft gevestigd, maar die in de lidstaat van verbruik noch de zetel van zijn bedrijfsuitoefening, noch een vaste inrichting heeft;

2° "lidstaat van identificatie":
a) wanneer de belastingplichtige zijn zetel van bedrijfsuitoefening of één enkele vaste
inrichting in de Gemeenschap heeft gevestigd: de lidstaat waar de belastingplichtige de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd, of, indien hij de zetel van zijn bedrijfsuitoefening niet in de Gemeenschap heeft gevestigd, de lidstaat waar hij een vaste inrichting heeft;
b) wanneer de belastingplichtige zijn zetel van bedrijfsuitoefening niet in de
Gemeenschap heeft gevestigd maar daarin meer dan één vaste inrichting heeft: de lidstaat waar zich een vaste inrichting bevindt waaraan die belastingplichtige meldt dat hij van deze bijzondere regeling gebruikmaakt. De belastingplichtige is gedurende het betreffende kalenderjaar en de twee daaropvolgende kalenderjaren aan deze keuze gebonden;
c) wanneer een belastingplichtige de zetel van zijn bedrijfsuitoefening noch een vaste
inrichting in de Gemeenschap heeft gevestigd en er slechts één lidstaat is waar de verzending of het vervoer van de goederen aanvangt: de lidstaat waar de verzending of het vervoer van de goederen aanvangt;
d) wanneer een belastingplichtige noch de zetel van zijn bedrijfsuitoefening noch een vaste inrichting in de Gemeenschap heeft gevestigd en er meer dan één lidstaat is waar de verzending of het vervoer van de goederen aanvangt: de lidstaat waar de verzending of het vervoer van goederen aanvangt waaraan die belastingplichtige meldt dat hij van deze bijzondere regeling gebruikmaakt. De belastingplichtige is gedurende het betreffende kalenderjaar en de twee daaropvolgende kalenderjaren aan deze keuze gebonden;

3° "lidstaat van verbruik":
a) in het geval van de verrichting van een dienst: de lidstaat waar de dienst
overeenkomstig artikel 21bis geacht wordt plaats te vinden;
b) in het geval van een intracommunautaire afstandsverkoop van goederen: de
lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer;
- IX / 20 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
c) in het geval van de levering van goederen door een belastingplichtige die deze
levering faciliteert overeenkomstig artikel 13bis, § 2, indien de verzending of het vervoer van de geleverde goederen in dezelfde lidstaat begint en eindigt: deze lidstaat.

§ 2. Kunnen van deze bijzondere regeling gebruikmaken:

1° een belastingplichtige die intracommunautaire afstandsverkopen van goederen verricht;

2° een belastingplichtige die de levering van goederen faciliteert overeenkomstig artikel
13bis, § 2, indien de verzending of het vervoer van de geleverde goederen in dezelfde lidstaat begint en eindigt;

3° een niet in de lidstaat van verbruik gevestigde belastingplichtige die diensten verricht
voor een niet-belastingplichtige.
Deze bijzondere regeling is van toepassing op alle aldus door de betrokken belastingplichtige in de Gemeenschap geleverde goederen en verrichte diensten.

§ 3. De in paragraaf 2 bedoelde belastingplichtige die gebruikmaakt van deze bijzondere regeling met België als lidstaat van identificatie, doet opgave van het begin van zijn onder deze bijzondere regeling vallende economische activiteit op het elektronische adres dat daarvoor door de minister van Financiën of zijn gemachtigde is gecreëerd.

§ 4. Voor de belastbare handelingen die hij verricht in het kader van deze bijzondere regeling, maakt de in paragraaf 3 bedoelde belastingplichtige gebruik van zijn btw-identificatienummer dat aan hem werd toegekend overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1° of 3°.

§ 5. De in paragraaf 3 bedoelde belastingplichtige doet opgave op het elektronische adres bedoeld in paragraaf 3 van het tijdstip van de beëindiging van zijn activiteit onder deze bijzondere regeling, alsook van elke wijziging ervan waardoor hij niet langer aan de voorwaarden voldoet om van deze bijzondere regeling gebruik te mogen maken.
De in paragraaf 3 bedoelde belastingplichtige wordt uitgesloten van deze bijzondere regeling indien:

1° hij meldt dat hij niet langer leveringen van goederen noch diensten verricht die onder
deze bijzondere regeling vallen;

2° anderszins kan worden aangenomen dat zijn aan deze bijzondere regeling onderworpen
belastbare handelingen beëindigd zijn;

3° hij niet langer de voorwaarden vervult om van deze bijzondere regeling gebruik te mogen
maken;

4° hij bij voortduring niet voldoet aan de voorschriften van deze bijzondere regeling.

§ 6. De in paragraaf 3 bedoelde belastingplichtige dient langs elektronische weg een aangifte in voor elk kalenderkwartaal, ongeacht of al dan niet leveringen van goederen en diensten zijn verricht die onder deze bijzondere regeling vallen. De belastingplichtige dient die aangifte, opgesteld in euro, in uiterlijk vóór het einde van de maand volgend op het verstrijken van het belastingtijdvak waarop ze betrekking heeft.
De aangifte bevat het btw-identificatienummer en, voor elke lidstaat van verbruik waar de btw verschuldigd is, het totale bedrag, exclusief btw, de toepasselijke btw-tarieven, het totale bedrag van de overeenkomstige btw, uitgesplitst naar belastingtarieven, en de totale verschuldigde btw over de volgende gedurende het belastingtijdvak verrichte leveringen van goederen en diensten die onder deze bijzondere regeling vallen:

1° de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen die plaatsvinden in de lidstaat
van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen;
- IX / 21 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

2° de leveringen van goederen bedoeld in artikel 13bis, § 2, wanneer de verzending of het
vervoer van die goederen in dezelfde lidstaat begint en eindigt;

3° de diensten verricht voor niet-belastingplichtigen, met uitzondering van die diensten die
plaatsvinden in een lidstaat waar de dienstverrichter is gevestigd.
Wanneer de goederen door de in paragraaf 3 bedoelde belastingplichtige worden verzonden of vervoerd vanuit andere lidstaten dan België, bevat de aangifte ook het totale bedrag exclusief btw, de toepasselijke btw-tarieven, het totale bedrag van de overeenkomstige btw, uitgesplitst naar belastingtarieven, en de totale verschuldigde belasting over de volgende leveringen die onder deze bijzondere regeling vallen, voor elke lidstaat waaruit die goederen zijn verzonden of vervoerd:

1° de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen andere dan die verricht door een
belastingplichtige overeenkomstig artikel 13bis, § 2;

2° de leveringen van goederen bedoeld in het tweede lid, 2°, en de intracommunautaire
afstandsverkopen, verricht door een belastingplichtige overeenkomstig artikel 13bis, § 2.
Met betrekking tot de in het derde lid, 1°, bedoelde leveringen bevat de aangifte ook het individuele btw-identificatienummer of het fiscaal registratienummer dat door elk van die lidstaten waaruit zulke goederen worden verzonden of vervoerd is toegekend.
Met betrekking tot de in het derde lid, 2°, bedoelde leveringen bevat de aangifte ook het individuele btw-identificatienummer of het fiscaal registratienummer dat door elk van die lidstaten waaruit zulke goederen worden verzonden of vervoerd is toegekend, indien beschikbaar.
De aangifte bevat de in deze paragraaf bedoelde informatie, uitgesplitst naar lidstaat van verbruik.
Wanneer de belastingplichtige die onder deze bijzondere regeling vallende diensten verricht één of meer andere vaste inrichtingen heeft dan die in de lidstaat van identificatie, van waaruit de diensten worden verricht, bevat de btw-aangifte eveneens, per lidstaat waar hij een vaste inrichting heeft gevestigd en uitgesplitst naar lidstaat van verbruik, het totale bedrag exclusief btw, de toepasselijke btw-tarieven, het totale bedrag van de overeenkomstige btw, uitgesplitst naar belastingtarieven, en de totale verschuldigde belasting over die diensten, alsmede het individuele btw-identificatienummer of het fiscaal registratienummer van de inrichting.
Wanneer een reeds ingediende aangifte naderhand moet worden gewijzigd, worden deze wijzigingen in een volgende aangifte opgenomen uiterlijk drie jaar na de datum waarop de oorspronkelijke aangifte moest worden ingediend overeenkomstig het eerste lid. In die volgende aangifte worden de betrokken lidstaat van verbruik, het belastingtijdvak en het btw-bedrag waarvoor wijzigingen nodig zijn vermeld.
De in paragraaf 3 bedoelde belastingplichtige voldoet de btw onder verwijzing naar de betreffende aangifte, uiterlijk bij het verstrijken van de termijn waarbinnen de aangifte moet worden ingediend.

§ 7. De in paragraaf 3 bedoelde belastingplichtige voert van alle onder deze bijzondere regeling vallende handelingen een boekhouding onder de vorm van een register. Dat register omvat voldoende gegevens om de belastingautoriteiten van de lidstaat van verbruik in staat te stellen de juistheid van de aangifte te bepalen.
De gegevens opgenomen in de in het eerste lid bedoelde boekhouding moeten langs elektronische weg beschikbaar worden gesteld op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde alsook op dat van de ambtenaren van de bevoegde administratie van de lidstaat van verbruik.
Deze gegevens moeten worden bewaard gedurende tien jaar na afloop van het jaar waarin de handeling is verricht.
- IX / 22 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 8. De in paragraaf 3 bedoelde belastingplichtige die van deze regeling gebruik maakt, mag de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten die verband houden met onder deze regeling vallende handelingen niet in aftrek brengen in de in paragraaf 6 bedoelde aangifte. Hij mag die belasting evenwel recupereren bij wijze van teruggaaf overeenkomstig artikel 76, § 2.
Wanneer een niet in België gevestigde belastingplichtige die van deze bijzondere regeling gebruikmaakt in België ook handelingen verricht die niet onder deze bijzondere regeling vallen en waarvoor hij overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, a), moet geïdentificeerd zijn en gehouden is tot het indienen van de aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, mag hij de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten die verband houden met de handelingen die onder deze bijzondere regeling vallen in aftrek brengen in de aangifte die hij indient overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°.
De niet in België gevestigde belastingplichtige die van deze bijzondere regeling gebruikmaakt maar die België niet kiest als lidstaat van identificatie en die niet overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, a), in België moet geïdentificeerd zijn voor handelingen die niet onder deze bijzondere regeling vallen, mag de Belgische belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten die verband houden met zijn onder deze regeling vallende diensten bij wijze van teruggaaf recupereren overeenkomstig artikel 76, § 2.

§ 9. De Koning bepaalt de na te leven formaliteiten met betrekking tot de aangifte van de verrichte handelingen, de betaling van de verschuldigde belasting, het bijhouden van een gepaste boekhouding en de teruggaaf van de voorbelasting.
Onderafdeling 4
Bijzondere regeling van toepassing op afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen
(De titel, Onderafdeling 4, werd ingevoegd met ingang van 01.07.2021 (Art. 23, W 02.04.2021, B.S. 13.04.2021, pg. 32957, Numac: 2021041096))

Art. 58quinquies. Artikel 58quinquies
(De tekst van artikel 58quinquies, § 2, eerste lid, 3°, werd gewijzigd met ingang van 03.11.2022 (Art. 10, W 16.10.2022, B.S. 24.10.2022, Ed. 2, pg. 77534, Numac: 2022033779))

§ 1. Voor de toepassing van dit artikel hebben afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen uitsluitend betrekking op goederen, met uitzondering van de accijnsproducten, in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro.
Voor de toepassing van dit artikel, wordt verstaan onder:

1° "niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige": een belastingplichtige die de zetel van zijn bedrijfsuitoefening niet op het grondgebied van de Gemeenschap heeft gevestigd noch daar over een vaste inrichting beschikt;

2° "tussenpersoon": een in de Gemeenschap gevestigde persoon die door de
belastingplichtige die afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen verricht, is aangewezen als de persoon die gehouden is tot voldoening van de btw en die in naam en voor rekening van de belastingplichtige de in deze bijzondere regeling vastgestelde verplichtingen moet nakomen;

3° "lidstaat van identificatie":
a) wanneer de belastingplichtige niet in de Gemeenschap is gevestigd: de lidstaat
waar hij verkiest zich te registreren;
- IX / 23 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
b) wanneer de belastingplichtige de zetel van zijn bedrijfsuitoefening niet in de
Gemeenschap heeft gevestigd maar daar wel één of meer vaste inrichtingen heeft: de lidstaat met een vaste inrichting waar de belastingplichtige meldt dat hij van deze bijzondere regeling gebruik zal maken;
c) wanneer de belastingplichtige de zetel van zijn bedrijfsuitoefening in een lidstaat
heeft gevestigd: deze lidstaat;
d) wanneer de tussenpersoon de zetel van zijn bedrijfsuitoefening in een lidstaat heeft
gevestigd: deze lidstaat;
e) wanneer de tussenpersoon de zetel van zijn bedrijfsuitoefening niet in de
Gemeenschap heeft gevestigd, maar daar wel één of meer vaste inrichtingen heeft: de lidstaat met een vaste inrichting waar de tussenpersoon meldt dat hij van deze bijzondere regeling gebruik zal maken.
Voor de toepassing van de punten b) en e) is de belastingplichtige of de tussenpersoon, wanneer hij meer dan één vaste inrichting in de Gemeenschap heeft, gebonden door zijn beslissing betreffende de aanwijzing van de lidstaat van identificatie gedurende het betreffende kalenderjaar en de twee daaropvolgende jaren.

4° lidstaat van verbruik": de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de
goederen naar de afnemer.

§ 2. Kunnen gebruikmaken van deze bijzondere regeling:

1° elke in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige die afstandsverkopen van uit
derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen verricht;

2° elke al dan niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige die afstandsverkopen
van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen verricht, en die door een in de Gemeenschap gevestigde tussenpersoon is vertegenwoordigd;

3° elke belastingplichtige die gevestigd is in een derde land waarmee de Unie een
overeenkomst betreffende wederzijdse bijstand heeft gesloten waarvan het toepassingsgebied vergelijkbaar is met Richtlijn 2010/24/EU en met Verordening (EU) nr. 904/2010, en die afstandsverkopen van goederen vanuit dat derde land verricht.
De in het eerste lid bedoelde belastingplichtigen passen deze bijzondere regeling toe op al hun afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, kan een belastingplichtige hoogstens één tussenpersoon tegelijk aanwijzen.

§ 3. De in paragraaf 2 bedoelde belastingplichtige die van deze bijzondere regeling gebruikmaakt en België kiest als lidstaat van identificatie, of een voor zijn rekening handelende tussenpersoon, doet opgave van het begin van zijn onder deze bijzondere regeling vallende economische activiteit op het elektronische adres dat daarvoor door de minister van Financiën of zijn gemachtigde is gecreëerd vooraleer hij van deze bijzondere regeling gebruikmaakt.
De in het eerste lid bedoelde opgave van de belastingplichtige die geen beroep doet op een tussenpersoon, bevat de volgende identificatiegegevens:

1° naam;

2° postadres;

3° elektronisch adres en websites;

4° het btw-identificatienummer of het nationale belastingnummer.
De in het eerste lid bedoelde aangifte van de tussenpersoon verschaft de volgende bijkomende inlichtingen met betrekking tot zichzelf:

1° naam;

2° postadres;
- IX / 24 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

3° elektronisch adres;

4° het btw-identificatienummer.
De in het eerste lid bedoelde aangifte van de tussenpersoon bevat bovendien de volgende identificatiegegevens voor elke belastingplichtige die hij vertegenwoordigt:

1° naam;

2° postadres;

3° elektronisch adres en websites;

4° het btw-identificatienummer of het nationale belastingnummer;

5° het individuele btw-identificatienummer toegekend aan de tussenpersoon overeenkomstig
paragraaf 4.
Elke in het eerste lid bedoelde belastingplichtige of, in voorkomend geval, zijn tussenpersoon, deelt op het elektronisch adres bedoeld in het eerste lid elke wijziging mee met betrekking tot de identificatiegegevens bedoeld in het eerste lid tot het derde lid.

§ 4. Aan de in paragraaf 3, eerste lid, bedoelde belastingplichtige, wordt een individueel btw- identificatienummer toegekend voor de toepassing van deze bijzondere regeling.
Aan de in paragraaf 3, eerste lid, bedoelde tussenpersoon wordt een individueel identificatienummer toegekend voor de toepassing van deze bijzondere regeling.
Aan de in paragraaf 3, eerste lid, bedoelde tussenpersoon wordt eveneens een individueel btw- identificatienummer toegekend voor de toepassing van deze bijzondere regeling met betrekking tot iedere belastingplichtige waarvoor hij is aangesteld.
De overeenkomstig het eerste, tweede en derde lid toegekende identificatienummers worden langs elektronische weg aan de betrokkenen meegedeeld en worden door hen uitsluitend gebruikt voor de toepassing van deze bijzondere regeling.

§ 5. De in paragraaf 3, eerste lid, bedoelde belastingplichtige of zijn tussenpersoon, deelt langs elektronische weg de beëindiging van zijn activiteit die onder deze bijzondere regeling valt, alsook elke wijziging ervan waardoor dat hij niet langer aan de voorwaarden voldoet om van deze bijzondere regeling gebruik te mogen maken mee.
De btw-identificatie van de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige die niet van een tussenpersoon gebruikmaakt wordt doorgehaald wanneer:

1° hij meldt dat hij niet langer afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen
ingevoerde goederen verricht;

2° er anderszins kan worden aangenomen dat zijn belastbare activiteiten betreffende
afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen beëindigd zijn;

3° hij niet langer de voorwaarden vervult om van deze bijzondere regeling gebruik te mogen
maken;

4° hij bij voortduring niet voldoet aan de voorschriften van deze bijzondere regeling.
De btw-identificatie van de in het eerste lid bedoelde tussenpersoon wordt doorgehaald wanneer:

1° hij gedurende twee opeenvolgende kalenderkwartalen niet gehandeld heeft als
tussenpersoon voor rekening van een belastingplichtige die van deze bijzondere regeling gebruikmaakt;

2° hij niet langer de andere voorwaarden vervult om als tussenpersoon te kunnen optreden;

3° hij bij voortduring niet voldoet aan de voorschriften van de bijzondere regeling.
- IX / 25 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
De btw-identificatie van de in het eerste lid bedoelde belastingplichtige die van een tussenpersoon gebruikmaakt wordt doorgehaald wanneer:

1° de tussenpersoon de lidstaat van identificatie meedeelt dat deze belastingplichtige niet langer afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen verricht;

2° er anderszins kan worden aangenomen dat de belastbare activiteiten van deze
belastingplichtige betreffende afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen, beëindigd zijn;

3° de belastingplichtige niet langer de voorwaarden vervult om van de bijzondere regeling
gebruik te mogen maken;

4° de belastingplichtige bij voortduring niet voldoet aan de voorschriften van de bijzondere
regeling;

5° de tussenpersoon de lidstaat van identificatie meedeelt dat hij deze belastingplichtige niet
langer vertegenwoordigt.

§ 6. De in paragraaf 3, eerste lid, bedoelde belastingplichtige of zijn tussenpersoon, dient langs elektronische weg een aangifte in voor elke maand, ongeacht of al dan niet afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen zijn verricht. De belastingplichtige dient die aangifte, opgesteld in euro, in uiterlijk vóór het einde van de maand volgend op het verstrijken van het belastingtijdvak waarop de aangifte betrekking heeft.
Die aangifte bevat het btw-identificatienummer bedoeld in paragraaf 4 en, voor elke lidstaat van verbruik waar de btw verschuldigd is, het totale bedrag, de btw niet inbegrepen, van de afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen waarvoor btw gedurende het belastingtijdvak verschuldigd is geworden, en het totale bedrag van de belasting daarover, uitgesplitst naar belastingtarieven. De toepasselijke btw-tarieven en de totale verschuldigde belasting worden eveneens op de aangifte vermeld.
Wanneer een reeds ingediende aangifte achteraf moet worden gewijzigd, worden die wijzigingen in een volgende aangifte opgenomen, uiterlijk drie jaar na de datum waarop de oorspronkelijke aangifte moest worden ingediend overeenkomstig het eerste lid. In die volgende aangifte worden de betrokken lidstaat van verbruik, het belastingtijdvak en het btw-bedrag waarvoor wijzigingen nodig zijn, vermeld.
De in paragraaf 3, eerste lid, bedoelde belastingplichtige of zijn tussenpersoon, voldoet de btw onder verwijzing naar de betreffende aangifte, uiterlijk bij het verstrijken van de termijn waarbinnen de aangifte moet worden ingediend.

§ 7. De in paragraaf 3, eerste lid, bedoelde belastingplichtige, voert van alle onder deze bijzondere regeling vallende handelingen een boekhouding in de vorm van een register. De in paragraaf 3, eerste lid, bedoelde tussenpersoon voert voor alle door hem vertegenwoordigde belastingplichtigen een dergelijke boekhouding. Dit register omvat voldoende gegevens om de belastingautoriteiten van de lidstaat van verbruik in staat te stellen de juistheid van de aangifte te bepalen.
De gegevens opgenomen in de in het eerste lid bedoelde boekhouding moeten langs elektronische weg beschikbaar worden gesteld op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde alsook op dat van de ambtenaren van de bevoegde administratie van de lidstaat van verbruik.
Deze gegevens moeten worden bewaard gedurende tien jaar na afloop van het jaar waarin de handeling is verricht.
- IX / 26 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 8. De in paragraaf 3, eerste lid, bedoelde belastingplichtige, mag de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten die verband houden met onder deze regeling vallende handelingen niet in aftrek brengen in de in paragraaf 6 bedoelde aangifte. Hij mag die belasting evenwel bij wijze van teruggaaf recupereren overeenkomstig artikel 76, § 2.
Wanneer een belastingplichtige die van deze bijzondere regeling gebruikmaakt in België ook handelingen verricht die niet onder deze bijzondere regeling vallen en waarvoor hij overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, a), moet geïdentificeerd zijn, mag hij de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten die verband houden met de handelingen die onder deze bijzondere regeling vallen in aftrek brengen in de aangifte die hij indient overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°.
De belastingplichtige die van deze bijzondere regeling gebruikmaakt maar die België niet kiest als lidstaat van identificatie en die niet overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, a), in België moet geïdentificeerd zijn voor handelingen die niet onder deze bijzondere regeling vallen, mag de Belgische belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten die verband houden met zijn onder deze regeling vallende diensten bij wijze van teruggaaf recupereren overeenkomstig artikel 76, § 2.

§ 9. De Koning bepaalt de na te leven formaliteiten met betrekking tot de aangifte van de verrichte handelingen, de betaling van de verschuldigde belasting, het bijhouden van een gepaste boekhouding, de teruggaaf van de voorbelasting en de door de in paragraaf 3, eerste lid bedoelde tussenpersoon te vervullen formaliteiten om te kunnen worden aangewezen.
Afdeling 5
Bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer
(De titel, Afdeling 5, werd ingevoegd met ingang van 01.07.2021 (Art. 25, W 02.04.2021, B.S. 13.04.2021, pg. 32957, Numac: 2021041096))

Art. 58sexies. Artikel 58sexies
(Artikel 58sexies, werd ingevoegd met ingang van 01.07.2021 (Art. 26, W 02.04.2021, B.S. 13.04.2021, pg. 32957, Numac: 2021041096))

§ 1. Indien voor de invoer van goederen andere dan accijnsproducten, in zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan 150 euro geen gebruik wordt gemaakt van de bijzondere regeling bedoeld in artikel 58quinquies, kan de persoon die voor rekening van de persoon voor wie de goederen zijn bestemd de goederen bij de Algemene Administratie van Douane en Accijnzen aanbrengt, gebruikmaken van de bijzondere regeling voor de aangifte en de betaling van de belasting bij invoer bedoeld in deze afdeling met betrekking tot goederen waarvan de verzending of het vervoer in België wordt beëindigd, overeenkomstig de voorwaarden die gelden voor uitstel van betaling van douanerechten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie.

§ 2. Voor de toepassing van deze bijzondere regeling geldt dat:

1° de persoon voor wie de goederen bestemd zijn, schuldenaar is van de belasting
verschuldigd bij de invoer;

2° de persoon die de goederen bij de Algemene Administratie van Douane en Accijnzen
aanbrengt, de belasting int bij de persoon voor wie de goederen bestemd zijn, en die belasting voldoet overeenkomstig paragraaf 3.
- IX / 27 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 3. De persoon die de goederen bij de Algemene Administratie van Douane en Accijnzen aanbrengt, neemt de belasting die verschuldigd is overeenkomstig deze bijzondere regeling op in een maandelijkse aangifte die langs elektronische weg wordt ingediend uiterlijk de veertiende dag van de maand volgend op de maand waarop ze betrekking heeft. In de aangifte wordt het totale bedrag van de belasting vermeld dat in de desbetreffende kalendermaand is geïnd.
De in het eerste lid bedoelde persoon voldoet het totale bedrag van de in die aangifte opgenomen belasting ten laatste op de zestiende dag van de maand volgend op de maand waarop ze betrekking heeft.

§ 4. De personen die van deze bijzondere regeling gebruikmaken, houden van alle onder deze bijzondere regeling vallende handelingen een boekhouding bij onder de vorm van een register met voldoende gegevens om de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde in staat te stellen de juistheid van de aangegeven belasting te beoordelen. Dat register moet op verzoek langs elektronische weg beschikbaar worden gesteld aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.

§ 5. De Koning bepaalt de na te leven formaliteiten met betrekking tot de aangifte van de verrichte handelingen, de betaling van de verschuldigde belasting, het bijhouden en de voorlegging van een gepaste boekhouding en de teruggaaf van de voorbelasting.
- IX / 28 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
HOOFDSTUK X
BEWIJSMIDDELEN EN CONTROLEMAATREGELEN

Art. 58ter. Artikel 58ter
(De tekst van art. 58ter, werd vervangen met ingang van 01.07.2021 (Art. 20, W 02.04.2021, B.S. 13.04.2021, pg. 32957, Numac: 2021041096))

§ 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

1° "niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige": een belastingplichtige die de zetel van zijn bedrijfsuitoefening niet op het grondgebied van de Gemeenschap heeft gevestigd, noch daar over een vaste inrichting beschikt;

2° "lidstaat van identificatie": de lidstaat die de niet in de Gemeenschap gevestigde
belastingplichtige verkiest te contacteren om opgave te doen van het begin van zijn activiteit als belastingplichtige op het grondgebied van de Gemeenschap;

3° "lidstaat van verbruik": de lidstaat waar de dienst geacht wordt plaats te vinden
overeenkomstig artikel 21bis.

§ 2. Elke niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige die diensten verricht voor een niet-belastingplichtige die in een lidstaat gevestigd is of er zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats heeft, mag gebruikmaken van deze bijzondere regeling. Deze regeling is van toepassing op alle aldus in de Gemeenschap verrichte diensten.
- IX / 17 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 3. De niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige die België kiest als lidstaat van identificatie, doet opgave van het begin van zijn onder deze bijzondere regeling vallende activiteit aan het elektronisch adres dat daarvoor gecreëerd is door de minister van Financiën of zijn gemachtigde.
Deze aangifte bevat de volgende identificatiegegevens:

1° naam;

2° postadres;

3° elektronische adressen, met inbegrip van websites;

4° in voorkomend geval, het nationale belastingnummer;

5° een verklaring dat hij de zetel van zijn bedrijfsuitoefening niet op het grondgebied van de
Gemeenschap heeft gevestigd noch daar over een vaste inrichting beschikt.
De in het eerste lid bedoelde belastingplichtige deelt elke wijziging mee met betrekking tot de inlichtingen bedoeld in het tweede lid op het elektronische adres bedoeld in het eerste lid.

§ 4. Aan de in paragraaf 3 bedoelde belastingplichtige wordt een individueel btw- identificatienummer toegekend voor de toepassing van deze bijzondere regeling, dat hem langs elektronische weg wordt meegedeeld.

§ 5. De in paragraaf 3 bedoelde belastingplichtige deelt langs elektronische weg de beëindiging mee van zijn activiteit die onder deze bijzondere regeling valt, alsook van elke wijziging ervan waardoor hij niet langer aan de voorwaarden voldoet om van deze bijzondere regeling gebruik te mogen maken.
De btw-identificatie van de in paragraaf 3 bedoelde belastingplichtige wordt doorgehaald wanneer:

1° hij meldt dat hij niet langer diensten verricht die onder deze bijzondere regeling vallen;

2° er anderszins kan worden aangenomen dat zijn aan deze bijzondere regeling
onderworpen belastbare handelingen beëindigd zijn;

3° hij niet langer de voorwaarden vervult om van deze bijzondere regeling gebruik te mogen
maken;

4° hij bij voortduring niet aan de voorschriften van deze bijzondere regeling voldoet.

§ 6. De in paragraaf 3 bedoelde belastingplichtige die van deze bijzondere regeling gebruikmaakt, dient langs elektronische weg een aangifte in voor elk kalenderkwartaal, ongeacht of al dan niet onder deze bijzondere regeling vallende diensten zijn verricht. De belastingplichtige dient die aangifte, opgesteld in euro, in uiterlijk vóór het einde van de maand volgend op het verstrijken van elk kalenderkwartaal.
Deze aangifte bevat het btw-identificatienummer voor de toepassing van de bijzondere regeling en, voor elke lidstaat van verbruik waar de btw verschuldigd is, het totale bedrag, de btw niet inbegrepen, van de diensten die onder deze bijzondere regeling vallen en werden verricht gedurende het tijdvak waarop de aangifte betrekking heeft evenals het totale bedrag van de btw daarover, uitgesplitst naar belastingtarieven. De toepasselijke btw-tarieven en de totale verschuldigde btw worden eveneens op de aangifte vermeld.
Wanneer een reeds ingediende aangifte achteraf moet worden gewijzigd, worden die wijzigingen in een volgende aangifte opgenomen, uiterlijk drie jaar na de datum waarop de oorspronkelijke aangifte moest worden ingediend overeenkomstig het eerste lid. In die volgende aangifte worden de betrokken lidstaat van verbruik, het belastingtijdvak en het btw-bedrag waarvoor wijzigingen nodig zijn, vermeld.
- IX / 18 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
De in paragraaf 3 bedoelde belastingplichtige voldoet de btw onder verwijzing naar de betreffende aangifte, uiterlijk bij het verstrijken van de termijn waarbinnen de aangifte moet worden ingediend.

§ 7. De in paragraaf 3 bedoelde belastingplichtige, voert van alle handelingen waarop deze bijzondere regeling van toepassing is, een boekhouding in de vorm van een register. Dat register omvat voldoende gegevens om de belastingautoriteiten van de lidstaat van verbruik in staat te stellen de juistheid van de aangifte te bepalen.
De gegevens opgenomen in de in het eerste lid bedoelde boekhouding moeten langs elektronische weg beschikbaar worden gesteld op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde alsook op dat van de ambtenaren van de bevoegde administratie van de lidstaat van verbruik.
Deze gegevens moeten worden bewaard gedurende tien jaar na afloop van het jaar waarin de dienst is verricht.

§ 8. De in paragraaf 3 bedoelde belastingplichtige mag de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten die verband houden met zijn onder deze regeling vallende diensten niet in aftrek brengen in de in paragraaf 6 bedoelde aangifte. Hij mag die belasting evenwel bij wijze van teruggaaf recupereren overeenkomstig artikel 76, § 2.
Wanneer een niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige die van deze bijzondere regeling gebruik maakt ertoe gehouden is zich in België te laten identificeren voor activiteiten die niet onder deze bijzondere regeling vallen en waarvoor hij overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, a), moet geïdentificeerd zijn, mag hij de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten die verband houden met zijn onder deze regeling vallende diensten in aftrek brengen in de aangifte die moet worden ingediend overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°.
De niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige die van deze bijzondere regeling gebruikmaakt maar die België niet kiest als lidstaat van identificatie en niet overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, a), in België moet geïdentificeerd zijn voor handelingen die niet onder deze bijzondere regeling vallen, mag de Belgische belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten die verband houden met zijn onder deze regeling vallende diensten bij wijze van teruggaaf recupereren overeenkomstig artikel 76, § 2.

§ 9. De Koning bepaalt de na te leven formaliteiten met betrekking tot de aangifte van de verrichte handelingen, de betaling van de verschuldigde belasting, het bijhouden van een gepaste boekhouding en de teruggaaf van de voorbelasting.
- IX / 19 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Onderafdeling 3
Bijzondere regeling voor intracommunautaire afstandsverkopen van goederen, voor leveringen van goederen binnen een lidstaat door elektronische interfaces die die leveringen faciliteren en voor diensten verricht door in de Gemeenschap maar niet in de lidstaat van verbruik gevestigde belastingplichtigen
(Het opschrift van Onderafdeling 3, werd vervangen met ingang van 01.07.2021 (Art. 21, W 02.04.2021, B.S. 13.04.2021, pg. 32957, Numac: 2021041096)

Art. 59. Artikel 59
(De tekst van art. 59, § 1, derde lid, werd ingevoegd met ingang van 04.04.2022 (Art. 15, W 17.03.2022, B.S. 25.03.2022, pg. 24484, Numac: 2022020530))

§ 1. Iedere overtreding of elk misbruik van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën.
De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.
Onverminderd de toepassing van artikel 93quaterdecies, § 1, derde lid, kunnen de bewijselementen die door de fiscale ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën zoals bedoeld in artikel 63ter, § 1, worden verzameld tijdens hun medewerking aan een gemengd multidisciplinair onderzoeksteam zoals bedoeld in artikel 63ter, § 2, worden gebruikt ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld alsook ter vaststelling van een overtreding van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

§ 2. Onverminderd de in § 1 genoemde bewijsmiddelen, is de door de Koning aangewezen ambtenaar of de schuldenaar van de belasting bevoegd een deskundige schatting te vorderen om de normale waarde van de in artikel 36, §§ 1 en 2, bedoelde goederen en diensten te bepalen.
Die bevoegdheid bestaat eveneens ten aanzien van de diensten bedoeld in artikel 19, § 2, 1°, wanneer ze betrekking hebben op de oprichting van een gebouw.
De Koning geeft regelen in verband met de schattingsprocedure. Hij bepaalt de termijn waarbinnen die procedure moet worden ingesteld en wijst aan wie de kosten ervan moet dragen.

§ 3. (opgeheven)

Art. 60. Artikel 60 (8)
(De tekst van art. 60, § 5, tweede lid, werd gewijzigd met ingang van 11.12.2023 (Art. 13, W 23.11.2023, B.S. 01.12.2023, pg. 111953, Numac: 2023047474))

§ 1. Iedere belastingplichtige is ertoe gehouden de kopieën te bewaren van de facturen die door hemzelf, door zijn afnemer of zijn verkrijger of, in zijn naam en voor zijn rekening, door een derde worden uitgereikt.
Eenieder is gehouden zijn ontvangen facturen te bewaren.
(8) De wijziging bij artikel 103, W 20.11.2022 (bewaringstermijn van 10 jaar i.p.v. 7 jaar) is van toepassing
op de belastingen die opeisbaar geworden zijn vanaf 1 januari 2023 (Art. 105, eerste lid, W 20.11.2022)
- X / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 2. De belastingplichtige mag de plaats van bewaring van de in paragraaf 1 bedoelde facturen en kopieën van facturen vrij bepalen op voorwaarde dat hij deze op ieder verzoek en zonder onnodig uitstel ter beschikking stelt van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.
In afwijking van het eerste lid dienen alle kopieën van facturen die door in België gevestigde belastingplichtigen werden uitgereikt hetzij door henzelf, hetzij in hun naam en voor hun rekening door hun medecontractant of door een derde, en alle door hen ontvangen facturen op het Belgische grondgebied te worden bewaard, voor zover deze bewaring niet gebeurt in een elektronisch formaat dat een volledige online toegang tot de betrokken gegevens in België waarborgt.

§ 3. De facturen en kopieën van facturen bedoeld in paragraaf 1 dienen te worden bewaard gedurende tien jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op de datum van uitreiking.

§ 4. De boeken en andere stukken, waarvan dit Wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen het houden, het opstellen of het uitreiken voorschrijven, dienen te worden bewaard door hen die ze hebben gehouden, opgesteld, uitgereikt of ontvangen gedurende tien jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op hun sluiting wat boeken betreft, op hun datum wat de andere stukken betreft of op het jaar waarin het recht op aftrek is ontstaan in de gevallen bedoeld in artikel 58, § 4, 7°, tweede lid, indien het gaat om stukken bedoeld in artikel 58, § 4, 7°, vierde lid.
Belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen, gevestigd in België, zijn tot die verplichting ook gehouden ten aanzien van de facturen of de als zodanig geldende stukken in verband met de intracommunautaire verwervingen van goederen of met de in het buitenland verrichte aankopen, van de handelsboeken, de boekingsstukken, de contracten, de stukken met betrekking tot de bestelling van goederen en diensten, tot de verzending, tot de afgifte en tot de levering van goederen, van de rekeninguittreksels, van de betalingsstukken, alsmede van de andere boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid.
In afwijking van het tweede lid, begint de bewaringstermijn, ten aanzien van de gegevens met betrekking tot de analyses, de programma’s en de uitbating van geïnformatiseerde systemen, te lopen vanaf 1 januari van het jaar volgend op het laatste jaar waarin het in deze gegevens omschreven systeem werd gebruikt.
De Koning kan de in het eerste lid en paragraaf 3 bedoelde bewaringstermijn verlengen, teneinde de controle van de ter uitvoering van artikel 49, 2° en 3°, verrichte herzieningen van de aftrek te verzekeren. Hij kan, in de gevallen en volgens de regels die Hij bepaalt, de bewaringstermijn beperken van stukken, andere dan facturen en boeken.

§ 5. De authenticiteit van de herkomst, de integriteit van de inhoud, en de leesbaarheid van de factuur, op papier of in elektronisch formaat, moeten worden gewaarborgd vanaf het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt tot het einde van de bewaringstermijn.
Onder ′′authenticiteit van de herkomst′′ wordt verstaan het waarborgen van de identiteit van de leverancier of de dienstverrichter of de uitreiker van de factuur.
Onder ′′integriteit van de inhoud′′ wordt verstaan het feit dat de inhoud die voorgeschreven is door de toepasselijke regels inzake de facturering geen wijzigingen heeft ondergaan.
De belastingplichtige bepaalt zelf hoe de authenticiteit van de herkomst, de integriteit van de inhoud en de leesbaarheid van de factuur worden gewaarborgd. Elke bedrijfscontrole die een betrouwbaar controlespoor tussen een factuur en een levering van een goed of een dienst aantoont, kan worden gebruikt om deze waarborg te leveren.
- X / 2 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 6. Facturen moeten ofwel in een elektronisch formaat ofwel op papier worden bewaard.
Onder de bewaring van een factuur in een elektronisch formaat wordt verstaan de bewaring via elektronische apparatuur voor het bewaren van gegevens met inbegrip van digitale compressie.
De bewaring moet de authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de inhoud van deze facturen waarborgen.

Art. 61. Artikel 61
(In de tekst van art. 61, § 1, werd tussen het vierde en het vijfde lid een lid ingevoegd met ingang van 10.07.2021 (Art. 106, W 27.06.2021, B.S. 30.06.2021, Ed. 3, pg. 66736, Numac: 2021021157);

§ 1. Eenieder is gehouden de boeken, facturen, kopieën van facturen en andere stukken of hun kopieën, die hij overeenkomstig artikel 60 moet bewaren, op ieder verzoek van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, zonder verplaatsing en zonder onnodig uitstel, voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan.
De voorlegging van de boeken, facturen en andere stukken overeenkomstig het eerste lid, gebeurt, wat de btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, betreft, door de vertegenwoordiger aangeduid door de andere leden om in hun naam en voor hun rekening de rechten en de verplichtingen van die btw-eenheid uit te oefenen. De administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, kan echter eisen dat het lid van de btw-eenheid zelf de in het eerste lid bedoelde voorlegging van de boeken, facturen en andere stukken die hem aanbelangen verricht.
Wanneer een belastingplichtige de door hem verzonden of ontvangen facturen en kopieën van facturen in een elektronisch formaat bewaart, waarbij een onlinetoegang tot de zoals in artikel 60 bedoelde gegevens wordt gewaarborgd, heeft de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde het recht deze facturen en kopieën van facturen ter controle in te zien, te downloaden en te gebruiken, indien deze belastingplichtige in België is gevestigd of indien de belasting in België is verschuldigd. De bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat beschikken over eenzelfde bevoegdheid indien de belasting verschuldigd is in hun lidstaat.
Wanneer de boeken, facturen en andere stukken in een elektronisch formaat worden bewaard, heeft deze administratie het recht zich de op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm te doen voorleggen. Deze administratie kan eveneens de in het eerste lid bedoelde persoon verzoeken om in hun bijzijn en op zijn uitrusting kopieën te maken onder de door hen gewenste vorm van het geheel of een deel van de voormelde gegevens, evenals om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om de juiste heffing van de belasting na te gaan.
Onverminderd het recht van de belastingplichtige om mondelinge inlichtingen te vragen of te geven, heeft de voorlegging van de boeken, facturen, kopieën van facturen en andere stukken of hun kopieën bedoeld in het eerste lid, voor de natuurlijke personen en rechtspersonen bedoeld in het vierde lid, eveneens betrekking op de terbeschikkingstelling van die boeken, facturen en andere stukken via een beveiligd elektronisch platform van de FOD Financiën.
Wanneer zulks voor de controle nodig is, kan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde voor de facturen opgesteld in een andere taal dan één van de nationale talen, voor bepaalde belastingplichtigen of in bepaalde gevallen, een vertaling eisen in één van deze nationale talen van de facturen betreffende de leveringen van goederen en diensten die overeenkomstig de artikelen 14, 14bis, 15, 21 en 21bis in België plaatsvinden, alsmede van de facturen die worden ontvangen door de in België gevestigde belastingplichtigen.
De belastingplichtige bedoeld in artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, die geen aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen, evenals de niet in België gevestigde belastingplichtige bedoeld in artikel 50, § 3, moeten aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde een adres in België kenbaar maken waar de boeken, facturen, kopieën van
- X / 3 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
facturen en andere stukken bedoeld in het eerste lid zullen worden voorgelegd op ieder verzoek van de ambtenaren van die administratie.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie en op het Economisch en Sociaal Instituut voor de Middenstand ten aanzien van de individuele inlichtingen die zij in hun bezit hebben.

§ 2. De administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde heeft het recht om de boeken, facturen, kopieën van facturen en andere stukken of hun kopieën, die overeenkomstig artikel 60 moeten worden bewaard, te behouden, telkens wanneer zij meent dat de boeken, stukken of kopieën de verschuldigdheid van een belasting of een geldboete in hoofde van de betrokkene of van derden aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen.
Dat recht bestaat niet ten aanzien van de boeken die niet zijn afgesloten. Wanneer die boeken in een elektronisch formaat worden bewaard, heeft de voornoemde administratie het recht zich kopieën van die boeken te doen overhandigen onder de door haar gewenste vorm.
De in het eerste lid bedoelde retentie maakt het voorwerp uit van een proces-verbaal van retentie dat bewijs oplevert zolang het tegendeel niet is bewezen. Een afschrift van dit proces- verbaal wordt binnen de vijf werkdagen volgend op de retentie aan de in het eerste lid bedoelde persoon uitgereikt.

§ 3. De in dit artikel vermelde verplichtingen gelden eveneens wanneer de gegevens waar de administratie om verzoekt, zich digitaal in België of in het buitenland bevinden.

Art. 62. Artikel 62
(De tekst van art. 62, werd vervangen (Art. 4, W 12.03.2023, B.S. 23.03.2023, pg. 33328, Numac: 2023041020) met ingang 01.01.2024 (Art. 21, 1° lid, W 12.03.2023). De datum van inwerkingtreding van de wet van 12.03.2023 werd met een jaar uitgesteld tot 01.01.2025 (Art. 35, KB 17.12.2023, B.S. 22.12.2023, pg. 120969, Numac: 2023048329))
Onverminderd het recht van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde tot het vragen van mondelinge inlichtingen, is eenieder gehouden, op ieder verzoek van de ambtenaren van de voornoemde administratie, binnen een maand vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van de vraag om inlichtingen, welke termijn wegens gegronde redenen kan worden verlengd, schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden na te gaan.
De in het eerste lid bedoelde termijn wordt teruggebracht tot tien dagen wanneer:

1° de rechten van de Schatkist in gevaar zijn;

2° de vraag deel uitmaakt van de controle van een in artikel 76, § 1 of § 2, bedoeld
overschot van belasting.

Art. 62bis. Artikel 62bis
(De tekst van art. 62bis, tweede lid, werd vervangen met ingang van 31.12.2020 (Art. 19, W 20.12.2020, B.S. 30.12.2020, Ed. 1, pg. 96068, Numac: 2020044541. De inwerkingtreding werd bepaald bij art. 21))
In afwijking van de artikelen 61, § 1, en 62, § 1, mogen de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, teneinde de juiste toepassing van de belasting in hoofde van derden na te gaan, de voorlegging ter inzage van de andere dan in
- X / 4 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
artikel 60, § 4, eerste lid, bedoelde boeken en stukken alsmede het verstrekken van inlichtingen door de Bank van De Post, de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen slechts vorderen wanneer zij op grond van een machtiging verleend door de door de Minister van Financiën daartoe aangewezen ambtenaar optreden.
De ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde met ten minste de graad van adviseur-generaal hebben de machtiging om, wanneer de administratie over een of meer aanwijzingen van belastingontduiking beschikt, de in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beschikbare gegevens over een schuldenaar op te vragen bij het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van België.
De in het vorige lid vermelde machtiging wordt slechts verleend als alle andere wettelijke middelen voor het bekomen van de gewenste inlichtingen of informatie, behoudens het visitatierecht voorzien in artikel 63 uitgeput zijn en na de bevraging van de schuldenaar. Bij die bevraging wordt aan de schuldenaar meegedeeld dat bij gebreke aan antwoord het in het tweede lid bedoelde contactpunt zal worden geraadpleegd.
De raadpleging van het in het tweede lid bedoeld centraal aanspreekpunt gebeurt volgens de nadere regels in toepassing van artikel 322, § 3, derde lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

Art. 63. Artikel 63 W.Btw
Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 104/2019 d.d. 27.06.2019 (B.S. 04.03.2020, pg. 13431)
Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 104/2019 van 27 juni 2019, betreffende artikel 63, derde lid, een ongrondwettelijke interpretatie geformuleerd.
Het Hof zegt voor recht:
“Artikel 319, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en artikel 63, derde lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, in die zin geïnterpreteerd dat de door de politierechter verleende toestemming niet dient te worden gemotiveerd, schenden de artikelen 15 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij de politierechter niet vrijstellen van de verplichting om de machtiging tot visitatie uitdrukkelijk te motiveren, schenden niet de artikelen 15 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.”
Schending of geen schending, afhankelijk van de interpretatie.
De desbetreffende tekst luidt als volgt:
(Met hetzelfde doel mogen die ambtenaren eveneens op elk tijdstip, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die niet in het vorige lid zijn bedoeld en waar in dit Wetboek bedoelde handelingen verricht of vermoedelijk worden verricht. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en uitsluitend met de machtiging van de politierechter.)

Art. 63bis. Artikel 63bis
(De tekst van art. 63bis, eerste, tweede en derde lid, wordt opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 3, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). Deze wetswijziging is niet van toepassing op het administratieve dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde dat ter kennis werd gebracht of werd betekend vóór de datum van haar inwerkingtreding (Art. 138, W 13.04.2019))
De bevoegdheden waarover de ambtenaren bedoeld in de artikelen 61, 62, § 1, en 63, beschikken, kunnen worden toegekend aan ambtenaren van andere fiscale administraties. De Koning duidt deze administraties en, wanneer hij het nodig acht, de ambtenaren aan.

Art. 63ter. Artikel 63ter
(De tekst van art. 63ter, werd ingevoegd met ingang van 04.04.2022 (Art. 14, W 17.03.2022, B.S. 25.03.2022, pg. 24484, Numac: 2022020530))

§ 1. Bekleed worden met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, vijfentwintig fiscale ambtenaren met minstens de graad van attaché.
Het aantal van vijfentwintig fiscale ambtenaren kan door de Koning worden verhoogd na advies van het College van Procureurs-generaal.
De Koning kan de voorwaarden betreffende de ervaring en de opleiding van deze fiscale ambtenaren bepalen.

§ 2. De bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, toegekend aan de in paragraaf 1 bedoelde fiscale ambtenaren, kunnen slechts uitgeoefend worden met het oog op de opsporing en vaststelling van de inbreuken bedoeld in dit Wetboek of de tot uitvoering ervan genomen besluiten of in het artikel 505 van het Strafwetboek, prioritair maar niet exclusief georiënteerd op de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, en voor zover zij bijstand verlenen aan gemengde multidisciplinaire onderzoeksteams, opgericht op basis van het artikel 105, § 11 van de wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.

§ 3. De fiscale ambtenaren bedoeld in paragraaf 1 mogen evenwel geen bijstand verlenen aan een gemengd multidisciplinair onderzoeksteam voor zover zij betrokken zijn in een lopend administratief onderzoek waarop het onderzoek zoals bedoeld in paragraaf 2 betrekking heeft.

§ 4. Om hun bevoegdheden van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, te kunnen uitoefenen, leggen de fiscale ambtenaren bedoeld in paragraaf 1, in handen van de procureur-generaal van het rechtsgebied van hun woonplaats, de eed af in de volgende bewoordingen:
"Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk en het mij opgedragen ambt trouw waar te nemen."
Zij kunnen hun bevoegdheden buiten het rechtsgebied van hun woonplaats uitoefenen.

Art. 64. Artikel 64
- X / 6 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
(De tekst van art. 64, § 4, derde lid, werd vervangen en § 4 werd aangevuld met een vierde lid, met ingang van 20.08.2018 (Art. 13, W 30.07.2018, B.S. 10.08.2018, pg. 62704 – Erratum B.S. 28.08.2018, pg. 66582)).

§ 1. Hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen wordt behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

§ 2. Hij die diensten verricht, wordt behoudens tegenbewijs geacht dat te hebben gedaan onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

§ 3. Wanneer iemand als bedoeld in de paragrafen 1 of 2, handelingen verricht met betrekking tot goederen of diensten die aan een verschillend tarief onderworpen zijn, dan worden die handelingen behoudens tegenbewijs geacht voor het geheel betrekking te hebben op de goederen of de diensten waarvoor het hoogste tarief geldt.

§ 4. Behoudens tegenbewijs wordt ieder pas opgericht gebouw geacht door een belastingplichtige geleverd te zijn ter uitvoering van één of meer dienstverrichtingen met betrekking tot een werk in onroerende staat.
De eigenaar van een gebouw waarvoor deze bepaling geldt, is verplicht de plans en bestekken van dat gebouw, en de facturen betreffende de bouw ervan, te bewaren gedurende vijf jaar vanaf de datum van de betekening van het kadastrale inkomen. Hij moet ze voorleggen op ieder verzoek van de ambtenaren die belast zijn met de controle op de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde. Wanneer die voorlegging niet plaatsvindt, wordt de belasting, behoudens tegenbewijs, geacht niet te zijn voldaan voor de dienstverrichtingen waarvoor geen facturen worden voorgelegd.
Uiterlijk binnen drie maanden vanaf de datum van de betekening van het kadastrale inkomen verstrekt de eigenaar specifieke inlichtingen met betrekking tot het pas opgericht gebouw zoals vastgesteld door de Koning.
De inlichtingen bedoeld in het derde lid worden meegedeeld door middel van een formulier waarvan het model en de indieningsmodaliteiten worden bepaald door de Koning.

§ 5. Behoudens tegenbewijs wordt de levering van een goed geacht te zijn verricht op het tijdstip waarop het goed niet meer aanwezig is in het magazijn, de werkplaats, het depot of enige andere inrichting waarover de leverancier in België beschikt.

Art. 65. Artikel 65
(De tekst van art. 65, werd ingevoegd met ingang van 01.01.1971 (W 03.07.1969))
Op zicht gezonden of in consignatie gegeven goederen worden geacht door de geadresseerde of de consignataris te zijn gekocht, indien deze niet kan bewijzen dat hij ze onder zich houdt of ze aan de afzender of de consignant heeft teruggestuurd.

Art. 66. Artikel 66
- X / 7 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
(De tekst van art. 66, eerste lid, werd vervangen, het tweede lid werd gewijzigd en het vierde lid werd opgeheven (Art. 5, Wet 12.03.2023, B.S. 23.03.2023, pg. 33328, Numac: 2023041020) met ingang van 01.01.2024 (Art. 21, 1° lid, W 12.03.2023). De datum van inwerkingtreding van de wet van 12.03.2023 werd met een jaar uitgesteld tot 01.01.2025 (Art. 35, KB 17.12.2023, B.S. 22.12.2023, pg. 120969, Numac: 2023048329))
Onverminderd de toepassing van artikel 53, § 1ter, wanneer iemand die krachtens artikel 51, §§ 1, 2 of 4, schuldenaar is van de belasting de in de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2°, 53ter, 1°, of 53nonies, § 1, bedoelde aangifte niet heeft ingediend, geheel of ten dele in gebreke is gebleven de door dit Wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan voorgeschreven verplichtingen inzake het houden, het uitreiken, het bewaren of het voorleggen ter inzage van boeken of stukken na te komen, of niet heeft geantwoord op de vraag om inlichtingen bedoeld in artikel 62, kan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde ambtshalve hem een aanslag opleggen tot beloop van de belasting die verschuldigd is over het vermoedelijk bedrag van de handelingen die hij heeft verricht gedurende de maand of de maanden waarop de overtreding betrekking heeft.
De administratie kan ook ambtshalve een aanslag opleggen aan de bovengenoemde persoon die belastbare handelingen niet heeft opgetekend in het voorgeschreven boek of stuk, of die ten aanzien van dergelijke handelingen aan de medecontractant geen factuur heeft uitgereikt wanneer hij daartoe gehouden was, of een factuur heeft uitgereikt waarin de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan, of het bedrag van de op de handeling verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde niet juist zijn vermeld. In die gevallen kan de ambtshalve opgelegde aanslag betrekking hebben op het gehele gecontroleerde tijdvak.
Een aanslag kan evenwel niet ambtshalve worden opgelegd wanneer de in het vorige lid bedoelde overtredingen als louter toevallig dienen te worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatige factuur is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatige factuur is uitgereikt.

Art. 67. Artikel 67
(De tekst van art. 67, tweede lid werd vervangen en het derde lid werd ingevoegd (Art. 6, W 12.03.2023, B.S. 23.03.2023, pg. 33328, Numac: 2023041020) met ingang van 01.01.2024 (Art. 21, 1° lid, W 12.03.2023). De datum van inwerkingtreding van de wet van 12.03.2023 werd met een jaar uitgesteld tot 01.01.2025 (art. 35, KB 17.12.2023, B.S. 22.12.2023, pg. 120969, Numac: 2023048329))
Wanneer de in artikel 66 bedoelde persoon de hem ambtshalve opgelegde aanslag betwist, moet hij bewijzen dat deze aanslag overdreven is.
De administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde brengt vooraf de schuldenaar van de belasting, in de vorm en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, het bedrag en de verantwoording van de belasting die zij voornemens is te heffen ter kennis. De schuldenaar van de belasting kan zijn opmerkingen doen kennen
De administratie brengt de beslissing van ambtshalve aanslag ter kennis bij aangetekende zending. Deze kennisgeving heeft uitwerking op de derde werkdag volgend op de afgifte van de zending aan de aanbieder van de universele postdienst.

Art. 68. Artikel 68
- X / 8 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
(De tekst van art. 68, is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (Art. 82, W 28.12.1992))

§ 1. Alle goederen aanwezig binnen de tolkring, zoals deze wordt afgebakend, door de ter zake geldende douanereglementering worden behoudens tegenbewijs geacht in België te zijn ingevoerd. Deze bepaling geldt niet ten aanzien van de goederen die, wegens de aard of de hoeveelheid ervan, niet moeten geacht worden voor beroepsdoeleinden bestemd te zijn.

§ 2. Alle met een motor uitgeruste middelen van vervoer te land of te water, uitgezonderd zee- of binnenschepen bedoeld in de artikelen 1 en 271 van boek II van het Wetboek van Koophandel, alsook de aanhangwagens voor gebruik op de weg, worden, wanneer ze zich hier te lande bevinden, geacht te zijn ingevoerd, tenzij bewezen wordt dat ze in orde zijn ten aanzien van het invoerrecht en van de bij invoer geldende verbodsbepalingen, beperkingen en controlemaatregelen.

§ 3. Bij ontstentenis van het tegenbewijs toegelaten door de §§ 1 en 2, is de belasting opeisbaar volgens de ten aanzien van invoer geldende regelen. De belasting en de bij artikel 70, § 1, ingestelde geldboete zijn hoofdelijk verschuldigd door de importeur, de eigenaar, de houder en indien het om een voertuig gaat, de bestuurder ervan.

Art. 69. Artikel 69
(De tekst van art. 69, is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (Art. 83, W 28.12.1992))
Ontvangers belast met de heffing van een belasting op vervoermiddelen of aanhangwagens daarvoor, kunnen vóór de uitreiking van het stuk dat de voldoening van die belasting vaststelt, van de eigenaar het bewijs vorderen dat de belasting over de toegevoegde waarde voldaan is of dat hij ervan vrijgesteld is.
- X / 9 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
HOOFDSTUK XI
STRAFBEPALINGEN
Afdeling 1
Administratieve geldboeten

Art. 70. Artikel 70 W.Btw
Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 32/2020 d.d. 20.02.2020 (B.S. 13.07.2020, pg. 51923)
Bij artikel 34, 1°, van de wet van 27 december 1977 werd § 1bis ingevoegd in artikel 70 en nadien gewijzigd bij artikel 21 van de programmawet van 20 juli 2006 (B.S. 28.07.2006).
Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 32/2020 van 20 februari 2020, artikel 70, § 1bis van de wet van 20.09.2012 gedeeltelijk vernietigd.
Het Hof:
“III. In rechte
(...)
B.1.1. Artikel 70, § 1bis, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : BTW-Wetboek) maakt deel uit van de eerste afdeling (« Administratieve geldboeten ») van hoofdstuk XI (« Strafbepalingen ») van dat Wetboek.
Dat artikel 70, § 1bis, ingevoegd bij artikel 34, 1°, van de wet van 27 december 1977 « tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten » en vervolgens gewijzigd bij artikel 21 van de programmawet van 20 juli 2006, bepaalt :
- Bijlage B. Arresten / 5 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
« Ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, verbeurt een geldboete gelijk aan het dubbel van die belasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van § 1, eerste lid ».
B.1.2. Artikel 73 van het BTW-Wetboek, vervangen bij artikel 18 van de wet van 20 september 2012 « tot instelling van het ' una via '-principe in de vervolging van overtredingen van de fiscale wetgeving en tot verhoging van de fiscale penale boetes » en gewijzigd bij artikel 99 van de wet van 17 juni 2013 « houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling », bepaalt :
« Hij die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 euro tot 500 000 euro of met een van die straffen alleen.
Indien de in het eerste lid vermelde inbreuken gepleegd werden in het raam van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, wordt de schuldige gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot 5 jaar en met een geldboete van 250 euro tot 500 000 euro of met een van die straffen alleen ».
B.2. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 70, § 1bis, van het BTW-Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die wetsbepaling het de burgerlijke rechtbank niet mogelijk maakt om de sanctie waarin zij voorziet voor de belastingplichtige inzake de belasting over de toegevoegde waarde die de belasting op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze in aftrek heeft gebracht, gepaard te laten gaan met uitstel, terwijl die persoon, indien hij voor hetzelfde feit, bedoeld in artikel 73 van het BTW-Wetboek, voor de correctionele rechtbank werd vervolgd, het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf zou kunnen aanvragen met toepassing van artikel 8 van de wet van 29 juni 1964 « betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie ».
B.3. Een maatregel is een strafsanctie in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien hij volgens de internrechtelijke kwalificatie een strafrechtelijk karakter heeft of indien uit de aard van het strafbaar feit, namelijk de algemene draagwijdte en het preventieve en repressieve karakter van de bestraffing, blijkt dat het om een strafsanctie gaat, of nog, indien uit de aard en de ernst van de sanctie die de betrokkene ondergaat, blijkt dat hij een bestraffend en daardoor ontradend karakter heeft (EHRM, grote kamer, 15 november 2016, A en B t. Noorwegen, § § 105-107; grote kamer, 10 februari 2009, Zolotoukhine t. Rusland, § 53; grote kamer, 23 november 2006, Jussila t. Finland, § § 30-31).
De in artikel 70, § 1bis, van het BTW-Wetboek bedoelde fiscale geldboete heeft tot doel de onrechtmatige of ongeoorloofde aftrekken van de belasting over de toegevoegde waarde die in die bepaling worden beoogd, te voorkomen en te bestraffen. Zij heeft derhalve een repressief karakter en is strafrechtelijk in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
B.4. Artikel 8, § 1, eerste lid, van de wet van 29 juni 1964, vervangen bij artikel 37, 1°, van de wet van 5 februari 2016 « tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie », bepaalt :
« Indien de veroordeelde nog niet veroordeeld is geweest tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan drie jaar of tot een gelijkwaardige straf die in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek, kunnen de vonnisgerechten, wanneer zij niet tot één of meer hoofdvrijheidsstraffen van meer dan vijf jaar gevangenis veroordelen, gelasten dat de tenuitvoerlegging van de hoofd- en bijkomende straffen dan wel van een gedeelte ervan, wordt uitgesteld ».
B.5. In tegenstelling tot de belastingplichtige inzake de belasting over de toegevoegde waarde die voor de correctionele rechtbank wordt vervolgd omdat hij die belasting op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze in aftrek heeft gebracht, kan de persoon die, met toepassing van artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek, de in artikel 70, § 1bis, van het BTW- Wetboek bedoelde geldboete voor de burgerlijke rechtbank betwist, geen uitstel van de tenuitvoerlegging van die sanctie aanvragen, aangezien het uitstel van de tenuitvoerlegging van een straf krachtens de wet van 29 juni 1964 enkel door een strafgerecht kan worden bevolen.
B.6.1. Onder voorbehoud dat hij geen maatregel mag nemen die kennelijk onredelijk is, vermag de democratisch gekozen wetgever het repressief beleid zelf vast te stellen en aldus de beoordelingsvrijheid van de rechter te beperken.
- Bijlage B. Arresten / 6 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
De wetgever heeft evenwel meermaals geopteerd voor de individualisering van straffen, met name door de rechter toe te staan maatregelen tot uitstel toe te kennen.
B.6.2. Het staat aan de wetgever te oordelen of het wenselijk is de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer een inbreuk inzonderheid het algemeen belang schaadt, vooral in een aangelegenheid die, zoals te dezen, aanleiding geeft tot een aanzienlijke fraude. Die gestrengheid kan met name betrekking hebben op de maatregelen tot uitstel.
Het Hof zou een dergelijke keuze alleen kunnen afkeuren indien die kennelijk onredelijk zou zijn of indien de in het geding zijnde bepaling ertoe zou leiden aan een categorie van rechtsonderhorigen het recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijke en onpartijdige instantie, zoals gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, te ontzeggen.
B.7.1. Het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen heeft tot doel de nadelen die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van de straffen, te beperken en de re-integratie van de veroordeelde niet in het gedrang te brengen. Het kan worden bevolen met betrekking tot geldboeten. Bovendien blijkt uit artikel 157, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, vervangen bij artikel 2 van de wet van 19 december 2008 « tot wijziging van artikel 157 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 » en gewijzigd bij artikel 5, 1°, van de wet van 29 maart 2012 « houdende diverse bepalingen (II) », dat het uitstel door de wetgever niet onverenigbaar wordt geacht met een geldboete die wordt opgelegd door een andere overheid dan een strafgerecht.
De in het geding zijnde regeling van de fiscale geldboete kan allicht in diverse bestanddelen verschillen van de regeling van de in artikel 73 van het BTW-Wetboek voorgeschreven strafrechtelijke sanctie of van de regeling van de in andere aangelegenheden voorgeschreven administratieve sancties, ongeacht of het gaat om de verschillende formulering van de vereiste van het morele bestanddeel, om de mogelijkheid administratieve geldboeten samen te voegen, om de wijze van vaststelling van de straffen of om de toepassing van opdeciemen. Dergelijke verschillen kunnen weliswaar relevant zijn om de toepassing van specifieke regels op bepaalde gebieden te verantwoorden, maar ze zijn dat niet op het gebied dat het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag : ongeacht of het uitstel wordt verleend door de correctionele rechtbank of door een ander rechtscollege, zoals de burgerlijke rechtbank, kan het de veroordeelde ertoe aanzetten zijn gedrag te wijzigen, door de dreiging om, indien hij zou recidiveren, de veroordeling tot de betaling van een geldboete uit te voeren.
Indien de wet van 29 juni 1964 niet van toepassing is, komt het aan de wetgever toe ter zake te bepalen onder welke voorwaarden uitstel, net zoals eventueel probatie-uitstel, kan worden verleend en de voorwaarden en de rechtspleging volgens welke dat uitstel kan worden ingetrokken, vast te stellen.
B.7.2. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat artikel 70, § 1bis, van het BTW-Wetboek, in zoverre het het de burgerlijke rechtbank niet mogelijk maakt het voordeel van het uitstel te verlenen aan de in B.2 bedoelde belastingplichtige, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
B.7.3. Die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid heeft echter niet tot gevolg dat die bepaling, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
In zoverre het de burgerlijke rechtbank niet toelaat de geldboete waarin het voorziet, gepaard te laten gaan met uitstel, schendt artikel 70, § 1bis, van het BTW-Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 februari 2020.
- Bijlage B. Arresten / 7 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
De desbetreffende tekst luidt als volgt:
(§ 1bis. Ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, verbeurt een geldboete gelijk aan het dubbel van die belasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van § 1, eerste lid.)

Art. 71. Artikel 71
(De tekst van art. 71, is van toepassing met ingang van 07.01.2007 (Art. 117, W 27.04.2007) B.S. 08.05.2007)
Wanneer bij uitvoer of tot staving ervan stukken worden overgelegd waarop een grotere hoeveelheid goederen is vermeld dan de werkelijk uitgevoerde hoeveelheid, loopt de aangever een geldboete op gelijk aan het dubbel van het bedrag van de belasting die verschuldigd zou zijn indien de te veel aangegeven hoeveelheid hier te lande geleverd werd voor een prijs bepaald volgens de normale waarde van de goederen overeenkomstig artikel 32, eerste lid.
Wanneer bij uitvoer of tot staving ervan stukken worden overgelegd waarop een hogere prijs of waarde is vermeld dan de werkelijke prijs of waarde van de goederen, loopt de aangever een geldboete op gelijk aan het dubbel van het bedrag van de belasting die verschuldigd zou zijn indien soortgelijke goederen hier te lande geleverd werden voor een prijs die overeenstemt met de te veel aangegeven som.
Wanneer bij uitvoer of tot staving ervan stukken worden overgelegd waarop de aard of de soort van de goederen onjuist is vermeld, loopt de aangever een geldboete op gelijk aan het dubbel van het bedrag van de belasting die verschuldigd zou zijn indien goederen van de op de stukken vermelde aard of soort hier te lande geleverd werden voor een prijs bepaald volgens de normale waarde van de goederen overeenkomstig artikel 32, eerste lid.
De bij de drie vorige leden ingestelde geldboete bedraagt ten minste 50 EUR per overtreding; indien de aangever voor rekening van een lastgever handelt, is ze hoofdelijk verschuldigd door de aangever en de lastgever.
- XI / 2 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 72. Artikel 72 W.Btw
Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 61/2014 d.d. 03.04.2014 (B.S. 02.06.2014, pg. 42200)
Bij artikel 14 van de wet van 20 september 2012 (B.S. 22.10.2012), werd een tweede lid ingevoegd in artikel 72, met ingang van 01.11.2012.
Het Grondwettelijk Hof heeft in het arrest nr. 61/2014 van 3 april 2014, het artikel 14 van de wet van 20.09.2012 vernietigd (*).
Het vernietigde tweede lid luidde als volgt:
(Zonder afbreuk te doen aan de geldigheid van de bestuurs- of gerechtelijke handelingen verricht met het oog op de vestiging of de invordering van de belastingsschuld, worden de opeisbaarheid van de fiscale geldboeten en het verloop van de verjaring van de vordering tot voldoening geschorst wanneer het openbaar ministerie de in artikel 74 bedoelde strafvordering uitoefent. De aanhangigmaking bij de correctionele rechtbank maakt de fiscale geldboeten definitief niet opeisbaar. Daarentegen maakt de beschikking van buitenvervolgingstelling een einde aan de schorsing van de opeisbaarheid en de schorsing van de verjaring.)
____________________ (*) Arresten houdende vernietiging van de bestreden norm hebben een absoluut gezag van gewijsde vanaf hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Een vernietiging werkt retroactief, dat wil zeggen dat de vernietigde norm moet
- Bijlage B. Arresten / 8 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
worden geacht nooit te hebben bestaan. Indien nodig kan het Grondwettelijk Hof de terugwerkende kracht van de vernietiging verzachten door de gevolgen van de vernietigde norm te handhaven. De akten en reglementen en de rechterlijke beslissingen die op de vernietigde bepaling gesteund zijn, blijven bestaan. Maar naast het gebruik van de gewone rechtsmiddelen waar dat nog mogelijk is, laat de wet toe dat rechterlijke beslissingen of administratieve maatregelen die gesteund zijn op een naderhand vernietigde wet ingetrokken worden, voor zover dit gevraagd wordt binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Hof in het Belgisch Staatsblad. Het openbaar ministerie en de belanghebbende partijen beschikken daartoe over buitengewone rechtsmiddelen.
- Bijlage B. Arresten / 9 -

Art. 73. Artikel 73
(De tekst van art. 73, werd aangevuld met een derde lid, met ingang van 28.12.2019 (Art. 11, W 09.12.2019, B.S. 18.12.2019, pg. 114228. Addendum B.S. 09.01.2020, pg. 323))
Hij die met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 euro tot 500.000 euro of met een van die straffen alleen.
Indien de in het eerste lid vermelde inbreuken gepleegd werden in het raam van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, wordt de schuldige gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot 5 jaar en met een geldboete van 250 euro tot 500.000 euro of met een van die straffen alleen.
Fiscale fraude wordt in ieder geval als ernstig beschouwd wanneer de in het eerste lid bedoelde inbreuken, verbonden zijn met het grondgebied van ten minste twee lidstaten en een schade veroorzaken van ten minste 10.000.000 euro.

Art. 73bis. Artikel 73bis
(De tekst van art. 73bis, eerste lid, werd gewijzigd met ingang van 01.01.2013 (Art. 42, W 17.12.2012 (I), B.S. 21.12.2012, Ed. 2))
Met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van 250 EUR tot 500.000 euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft hij die, met het oogmerk om een van de in artikel 73 bedoelde misdrijven te plegen, valsheid pleegt in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften of in informatica, zoals bedoeld in artikel 210bis, § 1, van Boek II van het Strafwetboek of die van een zodanig vals geschrift gebruik maakt.
Hij die wetens en willens een vals getuigschrift opstelt dat de belangen van de Schatkist kan schaden of die van een dergelijk getuigschrift gebruik maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 250 EUR tot 500.000 euro of met één van die straffen alleen.
Artikel 73bis/1
(11) Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 61/2014, d.d. 03.04.2014 (B.S. 02.06.2014, pg. 42200).
Een tweede lid werd ingevoegd in art. 72, met ingang van 01.11.2012 (Art. 14, W 20.09.2012, B.S. 22.10.2012). Het Grondwettelijk Hof heeft artikel 14 van de wet van 20.09.2012 vernietigd. (Zie bijlage B).
- XI / 3 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
(De tekst van art. 73bis/1, werd ingevoegd met ingang van 01.01.2020 (Art. 111, W 05.05.2019, B.S. 24.05.2019, pg. 50023))
Ten einde te vermijden dat een veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, houdt de rechter bij de straftoemeting rekening met de verschuldigde administratieve geldboeten.
Artikel 42, 3°, van het Strafwetboek vindt geen toepassing op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit de fiscale misdrijven zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen in geval de vordering van de fiscale administratie gegrond wordt verklaard en tot een effectieve betaling van deze volledige vordering heeft geleid.

Art. 73decies. Artikel 73decies
(De tekst van art. 73decies, werd ingevoegd met ingang van 28.12.2019 (Art. 13, W 09.12.2019, B.S. 18.12.2019, pg. 114228. Addendum B.S. 09.01.2020, pg. 323))
Wanneer de in artikel 73, derde lid, bedoelde inbreuk gepleegd wordt door een criminele organisatie in de zin van artikel 324bis van het Strafwetboek, wordt de schuldige gestraft met een gevangenisstraf van 1 jaar tot 5 jaar en met een geldboete van 5.000 euro tot 500.000 euro of met een van die straffen alleen.

Art. 73octies. Artikel 73octies
(De tekst van art. 73octies, werd ingevoegd met ingang van 14.02.1981 (Art. 9, W 10.02.1981))
De schending van het bij artikel 93bis bepaalde beroepsgeheim wordt gestraft overeenkomstig de artikelen 66, 67 en 458 van het Strafwetboek.
Artikel 73nonies
(De tekst van art. 73nonies, werd ingevoegd met ingang van 28.12.2019 (Art. 12, W 09.12.2019, B.S. 18.12.2019, pg. 114228. Addendum B.S. 09.01.2020, pg. 323))
De poging om een in artikel 73, derde lid, bedoelde inbreuk te plegen, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie jaar en met een geldboete van 26 euro tot 50.000 euro of met een van die straffen alleen.

Art. 73quater. Artikel 73quater
(De tekst van art. 73quater, werd gewijzigd met ingang van 01.11.2012 (Art. 20, W 20.09.2012, B.S. 22.10.2012))
Hij die, rechtstreeks of onrechtstreeks, het verbod of de sluiting uitgesproken krachtens artikel 73ter overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en een geldboete van 250 EUR tot 500.000 euro of met één van die straffen alleen.

Art. 73quinquies. Artikel 73quinquies
- XI / 4 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
(De tekst van art. 73quinquies, § 3, werd gewijzigd met ingang van 01.11.2012 (Art. 21, W 20.09.2012, B.S. 22.10.2012))

§ 1. Alle bepalingen van het Eerste Boek van het Strafwetboek, met inbegrip van artikel 85, zijn van toepassing op de misdrijven bedoeld in de artikelen 73, 73bis en 73quater.

§ 2. (opgeheven)

§ 3. De wet van 5 maart 1952, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1969 en 25 juni 1975, betreffende de opdecimes op de strafrechtelijke geldboeten, is van toepassing op de misdrijven bedoeld in de artikelen 73, 73bis en 73quater.

Art. 73septies. Artikel 73septies
(De tekst van art. 73septies, werd ingevoegd met ingang van 14.02.1981 (Art. 9, W 10.02.1981))
De rechter kan bevelen dat ieder vonnis of arrest houdende veroordeling tot een gevangenisstraf, uitgesproken krachtens de artikelen 73, 73bis en 73quater, wordt aangeplakt in de plaatsen die hij bepaalt en, eventueel bij uittreksel, wordt bekendgemaakt op de wijze die hij bepaalt, een en ander op kosten van de veroordeelde.
Hetzelfde kan gelden voor iedere krachtens artikel 73ter uitgesproken beslissing tot verbod van het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België of tot sluiting van de in het land geëxploiteerde inrichtingen.
- XI / 5 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 73sexies. Artikel 73sexies
(De tekst van art. 73sexies, eerste en tweede lid, werd gewijzigd (Art. 10, W 20.11.2022, B.S. 30.11.2022, pg. 88145, Numac: 2022034191) met ingang van 01.01.2023 (Art. 38, W 20.11.2022))
De personen die als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis werden veroordeeld, zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting en nalatigheidsinteresten verschuldigd door de oorspronkelijke schuldenaar van de belasting.
De personen beschuldigd als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis zijn eveneens hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting en de nalatigheidsinteresten, zoals bedoeld in het eerste lid, wanneer de bestanddelen van de misdrijven bewezen verklaard zijn, wanneer ze genieten van:

1° een opschorting van de uitspraak van de veroordeling of een uitstel van de
tenuitvoerlegging van de straffen voorzien in de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie;

2° een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring voorzien in artikel 21ter van de
Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering;

3° de procedure van voorafgaande erkenning van schuld bedoeld in artikel 216 van het
Wetboek van Strafvordering;

4° de verjaring van de strafvordering.
De natuurlijke personen of de rechtspersonen zijn burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de geldboeten en kosten die het gevolg zijn van de veroordelingen welke krachtens de artikelen 73 tot 73quater tegen hun aangestelden of hun bestuurders, zaakvoerders of vereffenaars, in het kader van de uitoefening van hun functie, in rechte of in feite, zijn uitgesproken.

Art. 73ter. Artikel 73ter
(De tekst van art. 73ter is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (Art. 85, W 28.12.1992))

§ 1. Wanneer de beoefenaar van een van de volgende beroepen:

1° belastingadviseur;

2° zaakbezorger;

3° deskundige in belastingzaken of in boekhouden;

4° of enig ander beroep dat tot doel heeft voor één of meer personen die overeenkomstig
artikel 51, §§ 1, 2 en 4, schuldenaar van de belasting zijn, boek te houden of te helpen houden, ofwel voor eigen rekening ofwel als hoofd, lid of bediende van enigerlei vennootschap, vereniging, groepering of onderneming;

5° of, meer in het algemeen, het beroep dat erin bestaat één of meer personen die
overeenkomstig artikel 51, §§ 1, 2 en 4, schuldenaar van de belasting zijn, raad te geven of bij te staan bij het vervullen van de verplichtingen opgelegd bij dit Wetboek of bij de ter uitvoering ervan vastgestelde besluiten,wordt veroordeeld wegens een van de misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis, kan het vonnis hem verbod opleggen om gedurende drie maanden tot vijf jaar, rechtstreeks of onrechtstreeks, de hiervoren bedoelde beroepen op welke wijze ook uit te oefenen.
De rechter kan bovendien, mits hij zijn beslissing op dat stuk motiveert, voor een duur van drie maanden tot vijf jaar de sluiting bevelen van de inrichtingen van de vennootschap, vereniging, groepering of onderneming waarvan de veroordeelde hoofd, lid of bediende is.

§ 2. Het verbod en de sluiting bedoeld in § 1 treden in werking vanaf de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan.

Art. 74. Artikel 74
(De tekst van art. 74, § 2, eerste lid, werd gewijzigd; § 2, tweede lid, werd vervangen en § 3, eerste lid, werd gewijzigd met ingang van 01.01.2020 (Art. 112, W 05.05.2019, B.S. 24.05.2019, pg. 50023))

§ 1. De strafvordering wordt uitgeoefend door het openbaar ministerie.

§ 2. Het openbaar ministerie kan geen vervolging instellen indien het kennis heeft gekregen van de feiten ten gevolge van een klacht of een aangifte van een ambtenaar die niet de machtiging had waarvan sprake is in artikel 29, § 2, van het Wetboek van strafvordering.
Het openbaar ministerie beslist om al dan niet de strafvervolging in te stellen van de feiten waarvan het kennis heeft genomen gedurende het overleg bedoeld in artikel 29, § 3, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering binnen de 3 maanden na de initiële aangifte bedoeld in artikel 29, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek.

§ 3. Onverminderd het in artikel 29, § 3, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg, kan de procureur des Konings, indien hij een vervolging instelt wegens feiten die strafrechtelijk strafbaar zijn ingevolge de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, het advies vragen van de bevoegde adviseur-generaal. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies. De adviseur-generaal antwoordt op dit verzoek binnen vier maanden na de ontvangst ervan.
In geen geval schorst het verzoek om advies de strafvordering.
- XI / 6 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 74bis. Artikel 74bis
(De tekst van art. 74bis, vijfde lid, werd ingevoegd met ingang van 04.04.2022 (Art. 16, W 17.03.2022, B.S. 25.03.2022, pg. 24484, Numac: 2022020530))
De ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde mogen, op straffe van nietigheid van de akte van rechtspleging, slechts als getuige worden gehoord.
Het eerste lid is niet van toepassing op de krachtens artikel 71 van de wet van 28 december 1992 bij het parket gedetacheerde ambtenaren van die administratie.
Het eerste lid is evenmin van toepassing op de ambtenaren van die administratie die, krachtens artikel 31 van de wet van 30 maart 1994 tot uitvoering van het globaal plan op het stuk van de fiscaliteit, ter beschikking zijn gesteld van de federale politie.
Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaren die deelnemen aan het in artikel 29, § 3, tweede lid van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg.
Het eerste lid is niet van toepassing op de fiscale ambtenaren zoals bedoeld in artikel 63ter, § 1, die bijstand leveren aan de gemengde multidisciplinaire onderzoeksteams zoals bedoeld in artikel 63ter, § 2.

Art. 74ter. Artikel 74ter
(De tekst van art. 74ter, werd gewijzigd met ingang van 01.01.2020 (Art. 7, W 11.06.2020, B.S. 19.06.2020, pg. 44740))
In het kader van de kennisgeving en het overleg bedoeld in artikel 29, § 2 en § 3, eerste en tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, deelt de bevoegde adviseur-generaal of de ambtenaar die hij aanwijst, de gegevens van het fiscaal dossier met betrekking tot de feiten die strafrechtelijk strafbaar zijn ingevolge de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten mede aan het openbaar ministerie.
- XI / 7 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
HOOFDSTUK XII
TERUGGAAF VAN BELASTING

Art. 75. Artikel 75
(De tekst van art. 75, werd gewijzigd met ingang van 01.01.1978 (Art. 35, W 27.12.1977)
De belasting kan slechts worden teruggegeven in de gevallen waarin dit Wetboek voorziet.

Art. 76. Artikel 76
(De tekst van art. 76, § 1, werd vervangen (Art. 7, W 12.03.2023, B.S. 23.03.2023, pg. 33328, Numac: 2023041020) met ingang van 01.02.2024 (Art. 21, 3° lid, W 12.03.2023). De Koning kan een latere datum van inwerkingtreding bepalen dan die vermeld in artikel 21, eerste lid, zonder dat die datum later mag zijn dan 1 januari 2025 (Art. 22, 1° lid, W 12.03.2023). De datum van inwerkingtreding van de wet van 12.03.2023 werd met een jaar uitgesteld (art. 35, KB 17.12.2023, B.S. 22.12.2023, pg. 120969, Numac: 2023048329). Deze wijziging van artikel 76, van het wetboek, werd bijgevolg met evenveel maanden uitgesteld tot 01.02.2025) (12)

§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt, wanneer het bedrag van de belasting die overeenkomstig de artikelen 45 tot en met 48 voor aftrek in aanmerking komt tijdens het aangiftetijdvak van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangifte in dat tijdvak meer bedraagt dan het bedrag aan belastingen die verschuldigd zijn door de overeenkomstig artikel 50 voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige die tot indiening van die aangifte gehouden is, het overschot op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige of van zijn in artikel 55, §§ 1 of 2, bedoelde aansprakelijke vertegenwoordiger teruggegeven, onder de door de Koning bepaalde voorwaarden en modaliteiten, uiterlijk op het einde van de derde maand volgend op het aangiftetijdvak van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangifte.
De Koning bepaalt de gevallen waarin de in het eerste lid bedoelde termijn van drie maanden kan worden verminderd, alsook de termijn waarbinnen het overschot wordt teruggegeven.
Het in het eerste lid bedoelde overschot wordt evenwel slechts teruggegeven wanneer alle in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangiften met betrekking tot de laatste zes maanden die voorafgaan aan het aangiftetijdvak van de aangifte die aanleiding heeft gegeven tot het overschot binnen de in uitvoering van die bepaling opgelegde termijn zijn ingediend.
Indien het een belastingplichtige betreft die wordt vertegenwoordigd door een overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, vooraf erkende persoon, wordt het in het eerste lid bedoelde verzoek ingediend door die vooraf erkende persoon.
Wanneer het in het eerste lid bedoelde overschot niet wordt teruggevraagd of wanneer geheel of gedeeltelijk niet aan de voorwaarden voor teruggaaf is voldaan, wordt dat overschot naar de in artikel 83bis bedoelde Provisierekening btw van de belastingplichtige overgeschreven, mits het niet onderworpen is aan de in het zesde lid bedoelde inhouding.
Het voor teruggaaf vatbaar overschot, zonder onderscheid al naargelang de belastingplichtige al dan niet geopteerd heeft voor de teruggaaf, wordt ingehouden:
(12) Artikel 22, van de wet van 12.03.2023 ( B.S. 23.03.2023, pg. 33328, Numac: 2023041020) bepaalt:
“De Koning kan een latere datum van inwerkingtreding bepalen dan die vermeld in artikel 21, eerste lid, zonder dat die datum later mag zijn dan 1 januari 2025. In geval van toepassing van het eerste lid, worden de in artikel 138, tweede lid, van de wet van 13 april 2019 tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen, zoals ingevoegd bij artikel 16, en de in artikelen 19, 20 en 21, tweede en derde lid, vermelde data verlengd met hetzelfde aantal maanden als het aantal maanden waarmee de inwerkingtreding van deze wet wordt uitgesteld.”
- XII / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

1° tot beloop van een aan te zuiveren belastingschuld van die belastingplichtige in het
voordeel van de administratie, indien die belastingschuld geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is;

2° wanneer er ernstige vermoedens of bewijzen bestaan dat één of meerdere aangiften
bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, voor daaraan voorafgaande aangiftetijdvakken gegevens bevatten die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de ordonnancering ervan of de verrichting gelijkgesteld met een betaling kan gebeuren, om de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan;

3° wanneer de belastingplichtige niet binnen de in artikel 62, tweede lid, 2°, bedoelde
termijn de door de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde gevraagde inlichtingen heeft verstrekt die toelaten om de waarachtigheid van dat overschot te verantwoorden.
Voor de toepassing van de in het zesde lid bedoelde inhouding, wordt, behoudens tegenbewijs, de door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek opgelegde voorwaarde geacht vervuld te zijn.
De in het zesde lid bedoelde inhouding geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek. De Koning bepaalt de nadere regels voor de toepassing van deze inhouding.

§ 2. Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt, wanneer het bedrag van de te regulariseren belasting meer bedraagt dan het bedrag van de verschuldigde belasting door de belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon die gehouden is tot het indienen van de aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1°, het verschil teruggegeven binnen drie maanden.
De Koning bepaalt de toepassingsvoorwaarden van deze paragraaf met betrekking tot de te volgen procedure, de in acht te nemen termijnen en de vormvoorwaarden.
Het voor teruggaaf vatbaar overschot, zonder onderscheid naargelang de belastingplichtige al dan niet geopteerd heeft voor de teruggaaf, wordt ingehouden:

1° tot beloop van een aan te zuiveren belastingschuld van die belastingplichtige in het
voordeel van de administratie, indien die belastingschuld geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is;

2° wanneer er ernstige vermoedens of bewijzen bestaan dat de aangifte bedoeld in artikel
53ter, 1°, gegevens bevat die onjuist zijn en een belastingschuld in het vooruitzicht stellen zonder dat een daadwerkelijke bepaling ervan vóór het tijdstip van de ordonnancering ervan of de verrichting gelijkgesteld met een betaling kan gebeuren, om de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde toe te laten de waarachtigheid van die gegevens na te gaan.

3° wanneer de belastingplichtige niet binnen de in artikel 62, tweede lid, 2°, bedoelde
termijn de door de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde gevraagde inlichtingen heeft verstrekt die toelaten om de waarachtigheid van dat overschot te verantwoorden.
Voor de toepassing van de in het derde lid bedoelde inhouding, wordt, behoudens tegenbewijs, de door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek opgelegde voorwaarde geacht vervuld te zijn.
De in het derde lid bedoelde inhouding geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek. De Koning bepaalt de nadere regels voor de toepassing van deze inhouding.

§ 3. De niet in de paragrafen 1 of 2 bedoelde belastingplichtige kan, bij wijze van teruggaaf, de belasting recupereren die geheven werd van de aan hem geleverde goederen en verstrekte
- XII / 2 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
diensten, en van de door hem ingevoerde goederen en verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate waarin die belasting voor aftrek in aanmerking komt overeenkomstig de artikelen 45 tot 48.
De Koning bepaalt de toepassingsvoorwaarden van deze paragraaf met betrekking tot de te volgen procedure, de in acht te nemen termijnen, en de vormvoorwaarden.
Wanneer de teruggaaf moet plaatsvinden overeenkomstig de bepalingen inzake teruggaaf van de Richtlijn 86/560/EEG of de Richtlijn 2008/9/EG, regelt de Koning de toepassingsmodaliteiten van deze paragraaf met betrekking tot het personele toepassingsgebied, de belasting waarvoor om teruggaaf kan verzocht worden, de te volgen procedure, de vormvoorwaarden, het teruggaaftijdvak, de minimumbedragen, de in acht te nemen termijnen en de correcties, met inachtneming van het feit dat de teruggaaf op grond van de Richtlijn 85/560/EEG, waar die richtlijn dat toelaat, wordt verleend onder dezelfde voorwaarden als die van toepassing voor de teruggaaf op grond van de Richtlijn 2008/9/EG. De Koning kan daarbij afwijken van het bepaalde in artikel 82bis.

Art. 77. Artikel 77
(De tekst van art. 77, § 2, eerste lid, inleidende zin, werd vervangen en § 3 werd ingevoegd met ingang van 10.07.2021 (Art. 17, W 27.06.2021, B.S. 30.06.2021, Ed. 3, pg. 66732, Numac: 2021042511))

§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven:

1° wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is;

2° wanneer aan de medecontractant een prijsvermindering is toegestaan;

3° wanneer de leverancier zijn medecontractant crediteert wegens terugzending van
verpakkingen die voor het vervoer van geleverde goederen hebben gediend;

4° wanneer de overeenkomst vóór de levering van het goed of de uitvoering van de dienst
verbroken is;

5° wanneer de overeenkomst minnelijk of door een in kracht van gewijsde gegane
gerechtelijke beslissing vernietigd of ontbonden is;

6° wanneer het geleverde goed binnen zes maanden na de levering of de
intracommunautaire verwerving van een goed door de leverancier is teruggenomen zonder dat één van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen;

7° wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan.

§ 1bis. Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt de belasting die ter zake van de invoer werd geheven tot beloop van het passende bedrag teruggegeven:

1° in de gevallen als bedoeld in § 1, 1° en 2°;

2° in het geval als bedoeld in § 1, 3°, op voorwaarde dat de verpakking naar een plaats
buiten de Gemeenschap is teruggezonden;

3° in de gevallen als bedoeld in § 1, 5°, op voorwaarde dat de goederen binnen zes
maanden na de vernietiging of de ontbinding van de overeenkomst naar een plaats buiten de Gemeenschap wederuitgevoerd werden;
- XII / 3 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

4° wanneer het goed binnen zes maanden na de aangifte ten verbruik wederuitgevoerd is
naar de buiten de Gemeenschap gevestigde leverancier of naar de door de leverancier aangewezen bestemming buiten de Gemeenschap, zonder dat één van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen;

5° wanneer het goed, alvorens het toezicht van de douane te hebben verlaten, als gevolg
van overmacht of van ongeval is vernietigd, en volgens de douanereglementering teruggaaf van invoerrechten kan worden verleend, of zou kunnen worden verleend indien het goed aan invoerrechten onderworpen zou zijn geweest;

6° wanneer het goed, na ten verbruik te zijn aangegeven, wordt geplaatst onder één van de
regelingen bedoeld in artikel 23, §§ 4 en 5, en volgens de douanereglementering teruggaaf van invoerrechten kan worden verleend, of zou kunnen worden verleend indien het goed aan invoerrechten onderworpen zou zijn geweest;

7° wanneer het goed, als gevolg van maatregelen van het bevoegde gezag, niet mag worden
gebruikt voor het doel waartoe het is ingevoerd en het goed is wederuitgevoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap of onder ambtelijk toezicht is vernietigd.

§ 2. Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt de belasting betaald bij de verwerving en de invoer van een automobiel voor personenvervoer teruggegeven aan één van de hierna vermelde personen, mits die automobiel niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een levering onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4, en wordt gekocht door die persoon om door hem als persoonlijk vervoermiddel te worden gebruikt:
a) militaire en burgerlijke oorlogsinvaliden, die een invaliditeitspensioen van ten minste 50
pct. genieten;
b) personen die volledig blind zijn, volledig verlamd zijn aan de bovenste ledematen of wier
bovenste ledematen zijn geamputeerd, en personen met een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 pct. bedraagt.
Het voordeel van deze bepaling kan slechts worden ingeroepen voor één enkele automobiel tegelijk en veronderstelt het gebruik van elk verkregen voertuig door de verkrijger als persoonlijk vervoermiddel gedurende een periode van drie jaar. Indien gedurende deze periode de automobiel voor andere doeleinden wordt aangewend, of wordt afgestaan door de begunstigde, is deze gehouden de belasting die hem werd teruggegeven tot het passende beloop terug te storten in verhouding tot de nog te verlopen tijd tot het verstrijken van de periode.
De Koning bepaalt het uitgangspunt van de gebruiksperiode van drie jaar, preciseert de situaties die aanleiding geven tot de regularisatie en bepaalt er de modaliteiten van berekening en betaling van.

§ 3. De teruggaaf voorzien in de paragrafen 1 en 1bis wordt, al naargelang het geval, verleend aan degene die de belasting aan de Staat heeft voldaan of aan degene die in het bezit is van een invoerdocument dat hem vermeldt als persoon op wiens naam de belasting mag of moet worden voldaan overeenkomstig artikel 52, § 1, tweede lid, en dat de betaling van die belasting vaststelt.
De Koning kan bepalen dat:
1. de teruggaaf van de belasting geheven van een levering van goederen of van een dienst
wordt verleend aan een andere persoon dan die bedoeld in het eerste lid, wanneer een vrijstelling bedoeld in dit Wetboek wordt toegekend bij wijze van teruggaaf;
2. de teruggaaf van de belasting verschuldigd ter zake van invoer die werd voldaan aan de
Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen wordt verleend aan een andere persoon dan die bedoeld in het eerste lid.
- XII / 4 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 77bis. Artikel 77bis
(De tekst van art. 77bis, werd vervangen met ingang van 10.07.2021 (Art. 18, W 27.06.2021, B.S. 30.06.2021, Ed. 3, pg. 66732, Numac: 2021042511))
Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004 wordt, wanneer in het in artikel 25quinquies, § 4, bepaalde geval de door een niet- belastingplichtige rechtspersoon verworven goederen uit een derdelandsgebied of een derde land worden verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat dan België, de belasting betaald in geval van invoer van de goederen in België teruggegeven aan de niet-belastingplichtige rechtspersoon die in het bezit is van een invoerdocument dat hem vermeldt als persoon op wiens naam de belasting mag of moet worden voldaan overeenkomstig artikel 52, § 1, tweede lid, en dat de betaling van de belasting vaststelt, in de mate dat laatstgenoemde aantoont dat de intracommunautaire verwerving die hij verricht aan de belasting werd onderworpen in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen.

Art. 78. Artikel 78
(De tekst van art. 78, werd gewijzigd met ingang van 01.01.2004 (Art. 14, W 28.01.2004, B.S. 10.02.2004))
Wanneer degene die goederen levert, diensten verricht, intracommunautaire verwervingen van goederen verricht of schuldenaar is van de ter zake van invoer geheven belasting een belastingplichtige is of een niet-belastingplichtige rechtspersoon die, al naar het geval, gehouden zijn tot de indiening van de in de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2°, of 53ter, 1°, bepaalde aangifte, wordt het ingevolge artikel 77 terug te geven bedrag toegerekend op de belasting die ter zake van later verrichte handelingen verschuldigd wordt.

Art. 79. Artikel 79
(De tekst van art. 79, § 2, werd gewijzigd met ingang van 07.01.2007 (Art. 51, W 27.12.2006, B.S. 28.12.2006))

§ 1. Wanneer de teruggaaf verleend wordt op grond van een vergissing in de factuur of van het bepaalde in artikel 77, § 1, 2° tot 7°, moet de leverancier of de dienstverrichter aan de medecontractant een verbeterend stuk uitreiken met vermelding van het bedrag van de hem teruggegeven belasting.
Heeft de medecontractant deze belasting in aftrek gebracht, dan moet hij ze aan de Staat terugstorten door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen.
De leverancier of de dienstverrichter die tot beloop van het passende bedrag teruggaaf heeft bekomen van de belasting in geval van geheel of gedeeltelijk verlies van de schuldvordering van de prijs, moet, in de veronderstelling dat de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden en later het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som aan de schuldeiser betaalt, aan de Staat het bedrag van de belasting terugstorten dat overeenstemt met het ingevorderde bedrag, en dit door het op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting met betrekking tot de periode waarin hij deze storting heeft ontvangen.

§ 2. Ingeval van misbruik dient degene die de belasting op de betreffende handelingen in aftrek heeft gebracht, de aldus als BTW afgetrokken bedragen aan de Staat terug te storten.
De persoon die de belasting in aftrek heeft gebracht geheven van de goederen en de diensten die hem worden geleverd, van de goederen die hij heeft ingevoerd en van de
- XII / 5 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
intracommunautaire verwervingen die hij heeft verricht, is er toe gehouden de aldus afgetrokken bedragen aan de Staat terug te storten als hij, op het tijdstip waarop hij deze handeling heeft verricht, wist of moest weten dat de verschuldigde belasting, in de ketting van de handelingen, niet werd of zal worden gestort aan de Staat met de bedoeling de belasting te ontduiken.

Art. 80. Artikel 80
(De tekst van art. 80, vierde lid, werd ingevoegd met ingang van 10.07.2021 (Art. 19, W 27.06.2021, B.S. 30.06.2021, Ed. 3, pg. 66732, Numac: 2021042511))
De Koning bepaalt de formaliteiten en voorwaarden waaraan de teruggaaf onderworpen is, de wijze waarop ze geschiedt en de ambtenaar die ze verricht.
Hij stelt de minima vast die bereikt moeten zijn opdat op het verzoek om teruggaaf kan worden ingegaan. Wanneer het gaat om teruggaven aan iedere andere persoon dan een belastingplichtige gehouden tot het indienen van periodieke aangiften, stelt Hij deze minima vast overeenkomstig de bepalingen van artikel 17 van de Richtlijn 2008/9/EG van 12 februari 2008.
Hij kan bepalen dat geen teruggaaf plaatsvindt als de medecontractant van de leverancier of van de dienstverrichter, als degene die een intracommunautaire verwerving van een goed heeft verricht of als degene op wiens naam de wegens invoer verschuldigde belasting werd voldaan, een belastingplichtige is die periodieke aangiften indient en de belasting volledig in aftrek mag brengen.
Onverminderd het eerste lid, bepaalt Hij de toepassingsvoorwaarden van de teruggaven bedoeld in artikel 77, § 3, tweede lid, wat de personen betreft aan wie de teruggaaf wordt verleend, de omstandigheden waarin die teruggaven worden uitgevoerd en de formaliteiten die die personen moeten vervullen.
- XII / 6 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
HOOFDSTUK XIII
VERJARING

Art. 81. Artikel 81
(De tekst van art. 81, werd gewijzigd (Art. 11, W 20.11.2022, B.S. 30.11.2022, pg. 88145, Numac: 2022034191) met ingang van 01.01.2023 (Art. 38, W 20.11.2022))
De vordering tot voldoening van de belasting, van de nalatigheidsinteresten en van de administratieve geldboeten begint te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat.

Art. 81bis. Artikel 81bis (13)
(De tekst van art. 81bis, § 1, werd aangevuld met een lid, met ingang van 11.12.2023 (Art. 20, W 23.11.2023, B.S. 01.12.2023, pg. 111953, Numac: 2023047474))

§ 1. Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de nalatigheidsinteresten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, nalatigheidsinteresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
Bij niet-indiening van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde aangifte of laattijdige indiening ervan, wordt de in het eerste lid bedoelde termijn verlengd tot het vierde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
In afwijking van het eerste lid is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer:

1° een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet
werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er onrechtmachtige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd meegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere lidstaat van de Europese Unie, overeenkomstig de regels daartoe bepaald in dit Wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting of waarvoor een rechtsgrond bestaat die het uitwisselen van inlichtingen regelt, in verband met de belasting waarop die overeenkomst of die rechtsgrond van toepassing is;

2° een rechtsvordering aantoont dat, in België, belastbare handelingen niet werden
aangegeven, handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die erop van toepassing zijn;

3° bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat
belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn;
In afwijking van het eerste tot en met het derde lid, is er evenwel verjaring na het verstrijken van het tiende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft
(13) Artikel 81bis, § 1, W.Btw, zoals gewijzigd door de artikel 104, W 20.11.2022, is van toepassing op de belastingen die opeisbaar geworden zijn vanaf 1 januari 2023. De belastingen waarvan de opeisbaarheid zich heeft voorgedaan voor 1 januari 2023 blijven onderworpen aan de verjaringstermijnen van de vordering tot invordering bedoeld in artikel 81bis van het wetboek zoals deze van toepassing was voor de inwerkingtreding (01.01.2023) van deze wijziging. (Art. 105, W 20.11.2022) – Zie historiek.
- XIII / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
voorgedaan, wanneer de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. Voor de toepassing van het derde en het vierde lid, mag de ontvangst van de inlichting afkomstig van het buitenland, de rechtsvordering, de kennisname van de bewijskrachtige elementen of van de aanwijzingen van belastingontduiking, respectievelijk bedoeld in het derde lid, 1° tot en met 3°, en het vierde lid, zowel voor als na het verstrijken van de in het eerste en tweede lid bedoelde verjaringstermijn plaatsvinden.
De verjaring bedoeld in het derde lid, 2°, treedt ten vroegste in na het verstrijken van het kalenderjaar na het jaar waarin de rechterlijke beslissing met betrekking tot de rechtsvordering in kracht van gewijsde is gegaan.

§ 2. Indien de in artikel 59, § 2, bedoelde procedure uitwijst dat de belasting over een ontoereikende maatstaf werd voldaan, verjaart de vordering tot voldoening van de aanvullende belasting, van de nalatigheidsinteresten, van de administratieve geldboeten en van de procedurekosten, door verloop van twee jaar te rekenen van de laatste daad in die procedure.

Art. 82. Artikel 82
(De tekst van art. 82, werd gewijzigd (Art. 13, W 20.11.2022, B.S. 30.11.2022, pg. 88145, Numac: 2022034191) met ingang van 01.01.2023 (Art. 38, W 20.11.2022))
De vordering tot teruggaaf van de belasting, van de nalatigheidsinteresten en van de administratieve geldboeten begint te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat.

Art. 82bis. Artikel 82bis
(De tekst van art. 82bis, werd gewijzigd (Art. 14, W 20.11.2022, B.S. 30.11.2022, pg. 88145, Numac: 2022034191) met ingang van 01.01.2023 (Art. 38, W 20.11.2022))
Er is verjaring voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de nalatigheidsinteresten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

Art. 83. Artikel 83
(De tekst van art. 83, § 1, eerste en tweede lid en § 3, eerste lid, werd gewijzigd (Art. 15, W 20.11.2022, B.S. 30.11.2022, pg. 88145, Numac: 2022034191) met ingang van 01.01.2023 (Art. 38, W 20.11.2022)). (14)

§ 1. Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de nalatigheids- en moratoriuminteresten en de administratieve geldboeten, wordt de verjaring
(14) Het artikel zoals van kracht vóór 01.01.2020, blijft van toepassing op het administratieve dwangbevel
dat ter kennis werd gebracht of werd betekend vóór 01.01.2020 (Art. 138, W 13.04.2019). De Wet tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen van 13.04.2019 is niet van toepassing op het administratieve dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde dat ter kennis werd gebracht of werd betekend voor de datum van haar inwerkingtreding (art. 138, 1°); op fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen opgenomen in een kohier, een bijzonder kohier of een innings- en invorderingsregister, uitvoerbaar verklaard voor de datum van haar inwerkingtreding (art. 138, 5°); op fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, andere dan deze waarvan de inning en de invordering verzekerd zijn in toepassing van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot hun betaling, voor de datum van haar inwerkingtreding (art. 138, 6°).
- XIII / 2 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, met uitsluiting van artikel 2244, § 2. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is.
Elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing, de inning of de invordering van de belasting, de nalatigheids- en moratoriuminteresten en administratieve geldboeten, dat wordt ingesteld door de Belgische Staat of door een schuldenaar van deze belasting, deze nalatigheids- en moratoriuminteresten en deze geldboeten, met inbegrip van iedere persoon die niet is opgenomen in het innings- en invorderingsregister bedoeld in artikel 85, maar die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van dit Wetboek, het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, alsook door iedere andere persoon die een verkregen en dadelijk belang heeft om in rechte te treden, schorst de verjaring.
De schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

§ 2. Afstand van de op de verjaring verlopen termijn wordt ten aanzien van zijn gevolgen gelijkgesteld met de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde stuitingsdaden.

§ 3. Elke daad van onderzoek of van vervolging als bedoeld in artikel 22 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering betreffende de misdrijven bedoeld in artikel 73 en 73bis schorst de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, de nalatigheids- en moratoriuminteresten en de fiscale geldboeten die erop betrekking hebben.
De schorsing vangt aan met het op gang brengen van de strafvordering, en eindigt met het staken van de strafrechtelijke vervolging, het verval van de strafvordering of wanneer het vonnis of arrest in kracht van gewijsde is gegaan voor de misdrijven bedoeld in het eerste lid.
- XIII / 3 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
HOOFDSTUK XIV
INNING EN GEDINGEN
(De betiteling van hoofdstuk XIV, werd vervangen met ingang van 01.01.2020 (Art. 5, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412))

Art. 83bis. Artikel 83bis
(De tekst van art. 83bis, werd ingevoegd in Hoofdstuk XIV van het Wetboek (Art. 8, W 12.03.2023, B.S. 23.03.2023, pg. 33328, Numac: 2023041020) met ingang van 01.02.2024 (Art. 21, 3° lid, W 12.03.2023). De Koning kan een latere datum van inwerkingtreding bepalen dan die vermeld in artikel 21, eerste lid, zonder dat die datum later mag zijn dan 1 januari 2025 (Art. 22, 3° lid, W 12.03.2023). De datum van inwerkingtreding van de wet van 12.03.2023 werd effectief met een jaar uitgesteld (art. 35, KB 17.12.2023, B.S. 22.12.2023, pg. 120969, Numac: 2023048329). De invoering van artikel 83bis, van het wetboek, werd bijgevolg met evenveel maanden uitgesteld tot 01.02.2025) (15)
De administratie belast met de inning en de invordering van de belasting over de toegevoegde waarde houdt voor elke belastingplichtige gehouden tot indiening van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde periodieke aangiften een Provisierekening btw aan, die een boekhoudkundig instrument uitmaakt waarin volgende bedragen worden ingeschreven:

1° het in artikel 76, § 1, eerste lid, bedoelde overschot waarvan de teruggaaf niet werd
gevraagd overeenkomstig de door dit Wetboek vastgelegde modaliteiten of waarvoor de voorwaarden voor teruggaaf geheel of gedeeltelijk niet vervuld zijn, voor zover dat overschot niet het voorwerp uitmaakt van een in artikel 76, § 1, zesde lid, bedoelde inhouding;

2° elke som die op deze Provisierekening btw werd betaald volgens de door de Koning
bepaalde modaliteiten.
De belastingplichtige kan om teruggaaf verzoeken van de overeenkomstig het eerste lid op de Provisierekening btw ingeschreven bedragen.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de modaliteiten van de teruggaaf van de bedragen die zijn ingeschreven op de in het eerste lid bedoelde Provisierekening btw, de gevallen waarin er een einde wordt gesteld aan de inschrijving van die bedragen, de regels voor de werking van de Provisierekening btw alsook de voorwaarden en modaliteiten volgens dewelke de op de Provisierekening btw ingeschreven bedragen aangewend worden voor de betaling van schulden inzake de belasting over de toegevoegde waarde, bestaande uit belasting, boeten, nalatigheidsinteresten en kosten, waarvan de belastingplichtige in wiens naam de Provisierekening btw wordt aangehouden hoofd- of medeschuldenaar is.
Onverminderd de gevallen waarin er een einde wordt gesteld aan de inschrijving van de bedragen op de Provisierekening btw, vormen de op die Provisierekening ingeschreven bedragen geen te betalen of terug te geven sommen in de zin van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004.
(15) Artikel 22, van de wet van 12.03.2023 ( B.S. 23.03.2023, pg. 33328, Numac: 2023041020) bepaalt:
“De Koning kan een latere datum van inwerkingtreding bepalen dan die vermeld in artikel 21, eerste lid, zonder dat die datum later mag zijn dan 1 januari 2025. In geval van toepassing van het eerste lid, worden de in artikel 138, tweede lid, van de wet van 13 april 2019 tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen, zoals ingevoegd bij artikel 16, en de in artikelen 19, 20 en 21, tweede en derde lid, vermelde data verlengd met hetzelfde aantal maanden als het aantal maanden waarmee de inwerkingtreding van deze wet wordt uitgesteld.”
- XIV / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 84. Artikel 84
(De tekst van art. 84, werd gewijzigd met ingang van 06.04.1999 (Art. 57, W 15.03.1999))
Moeilijkheden inzake de heffing van de belasting die vóór het inleiden van een rechtsgeding ontstaan, worden opgelost door de Minister van Financiën.
De Minister van Financiën treft met de belastingschuldigen dadingen, voor zover deze niet leiden tot vrijstelling of vermindering van belasting.
Binnen de door de wet gestelde grenzen, wordt het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Art. 84bis. Artikel 84bis (16)
(De tekst van art. 84bis, werd opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 6, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). Deze wetswijziging is niet van toepassing op het administratieve dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde dat ter kennis werd gebracht of werd betekend vóór de datum van haar inwerkingtreding (Art. 138, W 13.04.2019)
(Opgeheven)

Art. 84decies. Artikel 84decies
(De tekst van art. 84decies, werd opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 12, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). (Zie noot bij art. 84bis)
(Opgeheven)

Art. 84octies. Artikel 84octies
(De tekst van art. 84octies, werd opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 10, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). (Zie noot bij art. 84bis)
(Opgeheven)
Artikel 84nonies
- XIV / 3 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
(De tekst van art. 84nonies, werd opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 11, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). (Zie noot bij art. 84bis)
(Opgeheven)

Art. 84quater. Artikel 84quater
(16) Het artikel zoals van kracht vóór 01.01.2020, blijft van toepassing op het administratieve dwangbevel
dat ter kennis werd gebracht of werd betekend vóór 01.01.2020. De Wet tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen van 13.04.2019 is niet van toepassing op het administratieve dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde dat ter kennis werd gebracht of werd betekend voor de datum van haar inwerkingtreding (art. 138, 1°); op fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen opgenomen in een kohier, een bijzonder kohier of een innings- en invorderingsregister, uitvoerbaar verklaard voor de datum van haar inwerkingtreding (art. 138, 5°); op fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, andere dan deze waarvan de inning en de invordering verzekerd zijn in toepassing van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot hun betaling, voor de datum van haar inwerkingtreding (art. 138, 6°).
- XIV / 2 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
(De tekst van art. 84quater, § 2, werd vervangen met ingang van 01.04.2019 (Art. 5, W 26.11.2018, B.S. 04.12.2018, pg. 93842). Art. 19, W 26.11.2018: “Deze wet is niet van toepassing op het dwangbevel dat ter kennis werd gegeven of betekend werd vóór de datum van haar inwerkingtreding.”).

§ 1. Ingeval een blijvend meningsverschil over de taxatie gebracht wordt voor de minister van Financiën of de door hem gemachtigde ambtenaar, kan de schuldenaar van de belasting een aanvraag tot bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld bij artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV).

§ 2. De aanvraag tot bemiddeling is onontvankelijk indien de schuldenaar van de belasting vooraf een rechtsvordering heeft ingesteld met toepassing van artikel 89, tweede lid, wanneer de deskundige schatting gevorderd werd met toepassing van artikel 59, § 2, of wanneer reeds uitspraak werd gedaan over de betwisting.
Wanneer de schuldenaar van de belasting een rechtsvordering instelt met toepassing van artikel 89, tweede lid, wanneer de deskundige schatting gevorderd is met toepassing van artikel 59, § 2, of wanneer over de betwisting uitspraak werd gedaan vóór de kennisgeving van het bemiddelingsverslag, is de fiscale bemiddelingsdienst ontheven van zijn bevoegdheid.

§ 3. Ingevolge het bemiddelingsverslag kan de administratieve beslissing het bedrag van de fiscale schuld aanpassen, voor zover dit geen vrijstelling of vermindering van belasting inhoudt. Het is evenwel niet toegelaten een aanvullende belasting te vestigen.

Art. 84quinquies. Artikel 84quinquies
(De tekst van art. 84quinquies, werd opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 7, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). (Zie noot bij art. 84bis)
(Opgeheven)

Art. 84septies. art. 84septies (derde lid, gewijzigd)
* 18.12.2015 - Koninklijk besluit tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 december 2015 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (B.S. 24.12.2015, pg. 77725)
Wijzigt met ingang van 01.01.2016:
- art. 56bis (wijziging bij W 06.12.2015, inwerkingtreding bepaald op 01.01.2016)
* 06.12.2015 - Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met betrekking tot de opeisbaarheid van de belasting (B.S. 17.12.2015, pg. 75660)
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 17 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Wijzigt met ingang van 01.01.2016:
- art. 17 (volledig artikel vervangen) - art. 22bis (volledig artikel vervangen) - art. 53 (§ 2, eerste lid, 4°, gewijzigd)
* 06.12.2015 - Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (B.S. 17.12.2015, pg. 75662)
Wijzigt met ingang van 01.01.2016:
- art. 56bis (§ 1, eerste lid, gewijzigd) * 06.12.2015 - Wet tot opheffing van artikel 19bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (B.S. 17.12.2015, pg. 75662)
Wijzigt met ingang van 27.12.2015:
- art. 19bis (artikel opgeheven) - art. 33 (§ 1, 3°, gewijzigd)
* 19.12.2014 - Programmawet (B.S. 29.12.2014, Ed. 2, pg. 106219)
Wijzigt met ingang van 01.01.2015:
- art. 18 (§ 1, tweede lid, 14°, vervangen) - art. 21bis (§ 2, 9°, vervangen; § 2, 10°, i), j), k), opgeheven; § 2, 11°, opgeheven;
en § 3, inleidende zin, gewijzigd) - art. 27 (§ 3, gewijzigd) - art. 50 (§ 1, eerste lid, 3°, vervangen) - art. 53 (§ 1bis, ingevoegd) - art. 55 (§ 1, eerste lid, vervangen) - In hoofdstuk IX, wordt vóór art. 58bis, een titel afdeling 4 ingevoegd, luidende "Bijzondere regelingen voor telecommunicatiediensten, radio- en televisie-omroepdiensten of elektronische diensten verricht voor niet-belastingplichtigen".
- In afdeling 4, wordt een onderafdeling 1 ingevoegd, luidende "Definities". - art. 58bis (volledig artikel vervangen) - In afdeling 4, wordt een onderafdeling 2 ingevoegd, luidende "Bijzondere regeling voor diensten verricht door niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen".
- art. 58ter (nieuw artikel ingevoegd) - In afdeling 4, wordt een onderafdeling 3 ingevoegd, luidende "Bijzondere regeling voor diensten verricht door in de Gemeenschap doch niet in de lidstaat van verbruik gevestigde belastingplichtigen".
- art. 58quater (nieuw artikel ingevoegd) - art. 91 (§ 1, eerste lid, 4°, ingevoegd) - art. 109 (artikel opgeheven)
* 12.05.2014 - Wet betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen (B.S. 30.06.2014, pg. 48469) en het koninklijk besluit van 13.07.2014 (B.S. 16.07.2014, pg. 53932)
Wijzigen met ingang van 16.07.2014:
- art. 44 (§ 3, 11° vervangen)
* 15.05.2014 - Wet houdende diverse bepalingen (B.S. 19.06.2014, blz. 46206) en het koninklijk besluit van 13.06.2014 (B.S. 25.06.2014, pg. 47827)
Wijzigen met ingang van 01.05.2014:
- art. 41 (§ 2bis, ingevoegd)
* Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 61/2014 d.d. 03.04.2014 (B.S. 02.06.2014, pg. 42200)
- art. 72 (§ 2, vernietigd)
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 18 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
* 15.05.2014 - Wet houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance (B.S. 22.05.2014, pg. 40603)
Wijzigt met ingang van 01.04.2014:
- art. 25ter (§ 1, tweede lid, 2°, gewijzigd) - art. 39bis (eerste lid, 1° en 3°, gewijzigd) - art. 50 (§ 1, tweede lid, gewijzigd) - art. 53 (§ 1, tweede lid, gewijzigd) - art. 53bis (§ 1, eerste lid, gewijzigd) - art. 53quater (§ 1, tweede lid, gewijzigd) - art. 56 (§ 2, opgeheven) - art. 56bis (nieuw artikel ingevoegd) - art. 57 (§ 6, 2°, gewijzigd) - art. 58 (§ 4, 2°, derde streepje, gewijzigd)
* 25.04.2014 - Wet tot aanpassing in de fiscale wetgeving van de benamingen van de administraties van de Federale Overheidsdienst Financiën en houdende verscheidene andere wetswijzigingen (B.S. 16.05.2014, pg. 39621)
Wijzigt met ingang van 16.05.2014:
- art. 50 (§ 1 en § 2, gewijzigd) - art. 52 (§ 2, tweede lid en § 3, gewijzigd) - art. 52bis (§ 1, eerste lid, gewijzigd) - art. 53quinquies (gewijzigd) - art. 53sexies (§ 1, inleidende zin en § 2, gewijzigd) - art. 53octies (§ 3 en § 4, gewijzigd) - art. 58bis (§ 2, 6°, gewijzigd) - art. 60 (§ 2, eerste lid, gewijzigd) - art. 61 (gewijzigd) - art. 62 (§ 1, gewijzigd) - art. 62bis (gewijzigd) - art. 74bis (eerste lid, gewijzigd) - art. 76 (§ 1, vierde lid, gewijzigd) - art. 84ter (gewijzigd) - art. 85 (§ 1, eerste lid, gewijzigd) - art. 92 (eerste lid, gewijzigd) - art. 93bis (gewijzigd) - art. 93terdecies (gewijzigd) - art. 93quaterdecies (§ 1, eerste lid, gewijzigd)
* 21.12.2013 - Wet houdende diverse fiscale en financiële bepalingen (B.S. 31.12.2013, Ed. 2, pg. 103992)
Wijzigt met ingang van 10.01.2014:
- art. 25ter (§ 1, tweede lid,1°, hersteld)
En wijzigt met ingang van 01.01.2014:
- art. 1 (§ 4, tweede lid, 2°, vervangen) - art. 42 (§ 3, eerste lid, 1° tot 8°, gewijzigd) - art. 44 (§ 3, 2°, a), aangevuld) - art. 61 (§ 2, vervangen)
* 17.06.2013 - Wet houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling (B.S. 25.11.2013, blz. 87131), errata (B.S. 27.11.2013, Ed. 3, blz. 92168)
- art. 41 (§ 1, eerste lid, 6°, in de Nederlandse tekst gewijzigd) - art. 101 (artikel in de Franse tekst gewijzigd)
* 30.07.2013 - Wet houdende diverse bepalingen (B.S. 01.08.2013, Ed. 2, blz. 48270)
Wijzigt met ingang van 01.01.2014:
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 19 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
- art. 44 (§ 1, 1°, opgeheven)
* 17.06.2013 - Wet houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling (B.S. 28.06.2013)
Wijzigt met ingang van 01.01.2014:
- art. 44 (§ 2, 4°, gewijzigd)
En wijzigt met ingang van 08.07.2013:
- art. 41 (§ 1, eerste lid, 6°, gewijzigd) - art. 42 (§ 3, eerste lid, 4° en 10°, gewijzigd) - art. 51bis (§ 3, aangevuld) - art. 73 (aangevuld met een tweede lid)
En wijzigt met ingang van 01.07.2013:
- Het opschrift vóór artikel 99 werd vervangen - art. 99 (artikel opgeheven en hersteld) - art. 100 (artikel opgeheven en hersteld) - art. 101 (artikel opgeheven en hersteld) - art. 102 (artikel opgeheven en hersteld) - art. 103 (artikel opgeheven en hersteld)
* 14.01.2013 - Wet houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie (B.S. 31.01.2013)
Wijzigt met ingang van 10.02.2013:
- art. 93quaterdecies (§ 1, derde lid, vervangen )
* 17.12.2012 – Wet tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde (B.S. 21.12.2012 – Ed. 2) errata (B.S. 22.01.2013 en B.S. 22.05.2013)
Wijzigt met ingang van 01.01.2013:
- art. 1 (§ 11, inleidende zin, gewijzigd en de §§ 12 en 13, ingevoegd ) - Vóór art. 9, werd de titel: “Onderafdeling 1. Bedoelde goederen en handelingen” ingevoegd
- art. 10 (volledig artikel vervangen ) - art. 12bis (volledig artikel vervangen ) - Vóór art. 14, werd de titel: “Onderafdeling 2. Plaats van de levering van de goederen” ingevoegd
- art. 14 (opnieuw hersteld ) - art. 14bis (nieuw artikel ingevoegd ) - art. 15 (volledig artikel vervangen ) - Vóór art. 16, werd de titel: “Onderafdeling 3. Belastbare feit en opeisbaarheid van de belasting” ingevoegd
- art. 16 (volledig artikel vervangen ) - art. 17 (volledig artikel vervangen ) - Vóór art. 18, werd de titel: “Onderafdeling 1. Bedoelde diensten” ingevoegd - Vóór art. 21, werd de titel: “Onderafdeling 2. Plaats van de dienst” ingevoegd - Vóór art. 22, werd de titel: “Onderafdeling 3. Belastbare feit en opeisbaarheid van de belasting” ingevoegd
- art. 22 (volledig artikel vervangen ) - art. 22bis (nieuw artikel ingevoegd ) - art. 25ter (§ 1, eerste lid, gewijzigd en tweede lid, 4°, vervangen ) - art. 25sexies (volledig artikel vervangen ) - art. 25septies (opgeheven ) - art. 27 (volledig artikel vervangen ) - art. 34 (§ 4 opgeheven; tekst van de vroegere §5 wordt vervangen en wordt §4) - art. 38 (§ 1, tweede lid, vervangen ) - art. 39 (§ 1, 4° en § 3, vervangen ) - art. 39quater (§ 1, tweede lid, gewijzigd )
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 20 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
- art. 40 (§ 1, 3°, gewijzigd ) - art. 51 (§ 1, 3° enkel franse tekst, vervangen en § 2, eerste lid, 6°, gewijzigd ) - art. 51bis (enkel franse tekst § 1, 1° en 2°, gewijzigd ) - art. 53 (de §§ 2 en 3, vervangen ) - art. 53octies (§ 1, vervangen ) - art. 53decies (nieuw artikel ingevoegd ) - art. 54 (eerste lid, vervangen ) - art. 54bis (§ 1, eerste lid, vervangen ) - art. 58 (§ 1, tweede lid en § 4, 7°, vierde lid en § 4, 8°, franse tekst, gewijzigd) - art. 60 (volledig artikel vervangen ) - art. 61 (volledig artikel vervangen ) - art. 62bis (gewijzigd ) - art. 64 (§ 3 franse tekst, § 4, tweede en derde lid, gewijzigd en § 5, ingevoegd ) - art. 66 (enkel de franse tekst van het eerste en tweede lid gewijzigd ) - art. 70 (§ 2, eerste lid, vervangen ) - art. 73bis (eerste lid, gewijzigd )
* 17.12.2012 – Wet tot wijziging van de belasting over de toegevoegde waarde (II) (B.S. 21.12.2012 – Ed. 2)
Wijzigt met ingang van 01.01.2013:
- art. 21bis (§ 2, 7°bis en 7°ter, ingevoegd )
* 20.09.2012 – Wet tot instelling van het « una via »-principe in de vervolging van overtredingen van de fiscale wetgeving en tot verhoging van de fiscale penale boetes (B.S. 22.10.2012)
Wijzigt met ingang van 01.11.2012:
- art. 72 (tweede lid, toegevoegd ) - art. 73 (volledig artikel vervangen ) - art. 73bis (gewijzigd ) - art. 73quater (gewijzigd ) - art. 73quinquies (gewijzigd ) - art. 74 (§§ 2 en 3, vervangen ) - art. 74bis (vierde lid, ingevoegd ) - art. 74ter (nieuw artikel ingevoegd )
* 22.06.2012 – Programmawet (B.S. 28.06.2012)
Wijzigt met ingang van 01.07.2012:
- art. 70 (§ 4, eerste lid, vervangen )
* 29.03.2012 – Programmawet (I) (B.S. 06.04.2012, Ed. 3)
Wijzigt met ingang van 16.04.2012:
- art. 63bis (een nieuw lid ingevoegd tussen het eerste en het tweede lid )
* 28.12.2011 – Wet houdende diverse bepalingen (B.S. 30.12.2011, Ed. 4)
Wijzigt met ingang van 01.01.2012:
- art. 49 (3° vervangen )
En wijzigt met ingang van 09.01.2012:
- art. 53octies (§ 4 ingevoegd )
* 05.04.2011 – Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (B.S. 21.04.2011) en de Wet van 28.12.2011 houdende diverse bepalingen (B.S. 30.12.2011, Ed. 4)
Wijzigen met ingang van 01.01.2012:
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 21 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
- art. 44 (§ 1, 1° gewijzigd, § 3, 14°, vervangen )
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 22 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Bijlage B Opmerkingen en arresten bij bepaalde artikelen

Art. 84sexies. Artikel 84sexies
(De tekst van art. 84sexies, werd opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 8, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). (Zie noot bij art. 84bis)
(Opgeheven)

Art. 84ter. Artikel 84ter
(De tekst van art. 84ter, werd vervangen (Art. 21, W 23.11.2023, B.S. 01.12.2023, pg. 111953, Numac: 2023047474) met ingang van 01.01.2023 - Artikel 84ter, zoals vervangen bij artikel 21, is van toepassing op de belasting die opeisbaar is vanaf 1 januari 2023 (Art. 22, W 23.11.2023))
Indien zij voornemens is de in artikel 81bis, § 1, vierde lid, bepaalde verjaringstermijn toe te passen, moet de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, op basis van aanwijzingen van fraude, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk kennis geven van de vermoedens van fraude die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

Art. 84undecies. Artikel 84undecies
(De tekst van art. 84undecies, werd opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 13, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). (Zie noot bij art. 84bis)
(Opgeheven)

Art. 85. Artikel 85 (17) (18)
(De tekst van art. 85, § 1, derde lid werd vervangen; tussen het vierde en vijfde lid, werd een lid ingevoegd; het zesde lid, dat het zevende lid werd, werd gewijzigd; het achtste lid, dat het negende lid werd, werd vervangen en het negende lid, dat het tiende lid werd, werd gewijzigd (Art. 9, W 12.03.2023, B.S. 23.03.2023, pg. 33328, Numac: 2023041020), met ingang van 01.01.2024 (Art. 21, 1° lid, W 12.03.2023). De datum van inwerkingtreding van de wet van 12.03.2023 werd met een jaar uitgesteld tot 01.01.2025 (art. 35, KB 17.12.2023, B.S. 22.12.2023, pg. 120969, Numac: 2023048329))

§ 1. Bij niet-betaling van de belastingschuld bestaande uit de belasting, nalatigheidsinteresten, fiscale geldboeten en toebehoren, wordt deze opgenomen in een innings- en invorderingsregister, die de uitvoerbare titel vormt voor de invordering van de belastingschuld en deze concretiseert. (19)
(17) Artikel 20, van de wet van 12.03.2023 ( B.S. 23.03.2023, pg. 33328, Numac: 2023041020) bepaalt:
“Alle bedragen die op de debetzijde van de rekeningen-courant zijn ingeschreven in de zin van artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van deze wet (01.01.2024), met uitzondering van de bedragen die aan de belastingplichtigen worden teruggegeven, worden opgenomen in het innings- en invorderingsregister vanaf 1 februari 2024, overeenkomstig artikel 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.”. (18) Artikel 22, van de wet van 12.03.2023 ( B.S. 23.03.2023, pg. 33328, Numac: 2023041020) bepaalt:
“De Koning kan een latere datum van inwerkingtreding bepalen dan die vermeld in artikel 21, eerste lid, zonder dat die datum later mag zijn dan 1 januari 2025. In geval van toepassing van het eerste lid, worden de in artikel 138, tweede lid, van de wet van 13 april 2019 tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, zoals ingevoegd bij artikel 16, en de in artikelen 19, 20 en 21, tweede en derde lid, vermelde data verlengd met hetzelfde aantal maanden als het aantal maanden waarmee de inwerkingtreding van deze wet wordt uitgesteld.” (19) Het minimumbedrag van de in artikel 85, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde belastingschuld die aanleiding kan geven tot invordering bedraagt 2,50 euro. (Art. 30, KB 17.12.2024, B.S. 24.12.2024, pg. 141374, Numac : 2024011600). Dit KB treedt in werking op 01.02.2025 (Art. 32, KB 17.12.2024)
- XIV / 4 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
De belastingschuld kan het voorwerp uitmaken van verbeterende innings- en invorderingsregisters in het geval van een latere wijziging, om welke reden dan ook, van de bedragen opgenomen in het innings- en invorderingsregister overeenkomstig het eerste lid.
De verantwoording van de belastingschuld wordt uiterlijk een maand vóór de opname ervan in het in het eerste of tweede lid bedoelde innings- en invorderingsregister, ter kennis gebracht van de belastingschuldige, behalve indien de rechten van de Schatkist in het gedrang komen. In dat laatste geval wordt zij ten laatste op het ogenblik dat de belastingschuld in een innings- en invorderingsregister wordt opgenomen aan de belastingschuldige ter kennis gebracht.
In afwijking van het derde lid, wordt voor de belasting die in een aangifte ingediend door de belastingplichtige opgenomen is, alsmede voor de ermee verbonden nalatigheidsinteresten, toebehoren en proportionele fiscale geldboeten, de kennisgeving van de verantwoording geacht te zijn gebeurd op het tijdstip en door het loutere feit van de indiening van deze aangifte.
Voor de belastingschuld die voortvloeit uit een in artikel 53, § 1ter, zesde lid, bedoelde vervangende aangifte, met inbegrip van nalatigheidsinteresten, toebehoren en daarmee verband houdende proportionele fiscale geldboeten, wordt de kennisgeving van de verantwoording geacht plaats te hebben gehad op de datum van uitwerking van de kennisgeving van die vervangende aangifte.
Voor de belasting, die het voorwerp van een schulderkenning uitmaakt, alsmede voor de ermee verbonden nalatigheidsinteresten, toebehoren en proportionele fiscale geldboeten, wordt de kennisgeving van de verantwoording geacht te zijn gebeurd op het tijdstip en door het loutere feit van de ondertekening van de schulderkenning.
Behoudens in de gevallen bedoeld in het vierde tot zesde lid, is de datum van kennisgeving de derde werkdag volgend op de datum waarop de verantwoording van de belastingschuld werd afgegeven aan de aanbieder van de universele postdienst.
Mits de uitdrukkelijke toestemming van de belastingschuldige, kan de verantwoording van de belastingschuld hem uitsluitend ter kennis worden gebracht op elektronische wijze. In dat geval geldt de terbeschikkingstelling op elektronische wijze als rechtsgeldige kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld.
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de in het achtste lid bedoelde procedure, alsook het minimumbedrag van de in het eerste lid bedoelde belastingschuld die aanleiding kan geven tot de invordering.
Het derde tot het negende lid zijn niet van toepassing op de belastingschuld die voortvloeit uit de toepassing van de artikelen 66 en 67.

§ 2. De innings- en invorderingsregisters worden opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door de administrateur-generaal van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde of door de door hem gedelegeerde ambtenaar.
De Federale Overheidsdienst Financiën vertegenwoordigd door de Voorzitter van het Directiecomité is de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de Verordening (EU) 2016/679.
De Koning regelt de wijze van opmaak van de innings- en invorderingsregisters.

§ 3. Van zodra het innings- en invorderingsregister uitvoerbaar wordt verklaard, wordt de opname van de fiscale schuld in dit register aan de belastingschuldige ter kennis gebracht door de verzending, onder gesloten omslag, van een innings- en invorderingsbericht. Dit vermeldt de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister waarop het betrekking heeft.
In afwijking van het eerste lid kan de belastingschuldige, mits hij een uitdrukkelijke verklaring in die zin aflegt, er evenwel voor opteren om de innings- en invorderingsberichten uitsluitend op elektronische wijze, te ontvangen. In dit geval geldt de aanbieding op elektronische wijze als rechtsgeldige verzending van het innings- en invorderingsbericht.
- XIV / 5 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de in het tweede lid bedoelde procedure.

§§ 4, 5 en 6 (Opgeheven) (20)

Art. 85bis. Artikel 85bis
(De tekst van art. 85bis, werd opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 15, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). (Zie noot bij art. 84bis)
(Opgeheven)

Art. 85ter. Artikel 85ter
(De tekst van art. 85ter, werd opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 16, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). (Zie noot bij art. 84bis)
(Opgeheven)

Art. 86. Artikel 86
(De tekst van art. 86, werd opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 17, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). (Zie noot bij art. 84bis)
(Opgeheven)

Art. 87. Artikel 87
(De tekst van art. 87, werd opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 18, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). (Zie noot bij art. 84bis)
(Opgeheven)

Art. 88. Artikel 88
(De tekst van art. 88, werd opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 19, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). (Zie noot bij art. 84bis)
(Opgeheven)

Art. 88bis. Artikel 88bis
(De tekst van art. 88bis, werd opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 20, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). (Zie noot bij art. 84bis)
(Opgeheven)
(20) De tekst van art. 85, §§ 4, 5 en 6, werd opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 14, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). Deze wetswijziging is niet van toepassing op het administratieve dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde dat ter kennis werd gebracht of werd betekend vóór de datum van haar inwerkingtreding (Art. 138, W 13.04.2019)) (zie noot bij art. 84bis.
- XIV / 6 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 88ter. Artikel 88ter
(De tekst van art. 88ter, werd opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 21, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). (Zie noot bij art. 84bis)
(Opgeheven)

Art. 89. Artikel 89
(De tekst van art. 89, werd opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 22, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). (Zie noot bij art. 84bis)
(Opgeheven)

Art. 89bis. Artikel 89bis
(De tekst van art. 89bis, werd opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 23, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). (Zie noot bij art. 84bis)
(Opgeheven)

Art. 90. Artikel 90
(De tekst van art. 90, werd vervangen (Art. 21, W 20.12.2024, B.S. 31.12.2024, pg. 144062, Numac: 2024011891) met ingang van 10.01.2025 (tiende dag na publicatie))
Inzake de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet, kunnen de verschijning in persoon in naam van de Staat alsook elke procedurehandeling worden gedaan door elke ambtenaar van een belastingadministratie.
Wanneer in toepassing van artikel 4bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, de belastingadministratie tussenkomt in een strafzaak door middel van de burgerlijke vordering, kan de verschijning in persoon namens de Belgische Staat alsook elke procedurehandeling worden gedaan door elke ambtenaar van een belastingadministratie.

Art. 91. Artikel 91
(De tekst van art. 91, § 4, eerste lid, 1°, werd aangevuld en het eerste lid werd aangevuld met een punt 1°/1, met ingang van 08.01.2024 (Art. 86, W 28.12.2023, B.S. 29.12.2023, pg. 125014, Numac: 2023048795))

§ 1. Een nalatigheidsinterest, aan de rentevoet zoals bepaald overeenkomstig het tweede lid, is van rechtswege verschuldigd wanneer de belasting niet voldaan is:

1° binnen de termijn die ter uitvoering van de artikelen 52, 53, § 1, eerste lid, 3°, 53ter, 2°,
en 53octies is gesteld;

2° binnen de termijn die ter uitvoering van artikel 53nonies is gesteld;

3° binnen de termijn die ter uitvoering van artikel 54 is gesteld, voor de belastingplichtigen
bedoeld in artikel 8;

4° binnen de termijn vastgesteld in de artikelen 58ter, § 6, vierde lid, 58quater, § 6,
negende lid, 58quinquies, § 6, vierde lid, en 58sexies, § 3, tweede lid, en in uitvoering van de artikelen 367, eerste lid, 369decies, eerste lid, en 369tervicies, eerste lid, van de Richtlijn 2006/112/EG.
- XIV / 7 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
De rentevoet van de nalatigheidsinterest stemt overeen met deze bepaald overeenkomstig artikel 2, § 2/1, eerste lid, 1°, van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest, verhoogd met 4 procentpunten.
Deze nalatigheidsinterest wordt maandelijks berekend over het totaal van de verschuldigde belastingen, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. Elk gedeelte van een maand wordt als een volle maand gerekend.
De nalatigheidsinterest van een maand wordt slechts gevorderd indien hij 5 euro bereikt.

§ 2. Wanneer de in artikel 59, § 2, bedoelde procedure uitwijst dat de belasting werd voldaan over een ontoereikende maatstaf, is een nalatigheidsinterest van rechtswege verschuldigd te rekenen vanaf de kennisgeving van de vordering tot schatting; die nalatigheidsinterest wordt op de in paragraaf 1, tweede tot vierde lid, bepaalde wijze berekend.

§ 3. Een nalatigheidsinterest, tegen de rentevoet zoals bepaald in paragraaf 1, tweede lid, is verschuldigd over de in te vorderen belastingen die niet bedoeld zijn in de paragrafen 1 en 2, alsmede over de in te vorderen boeten, te rekenen vanaf:

1° de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister wanneer de
sommen in een innings- en invorderingsregister opgenomen zijn overeenkomstig artikel 85;

2° de kennisgeving of de betekening van een dwangbevel wanneer de sommen werden
opgenomen in een dwangbevel dat eerder dan 1 april 2019 werd kennisgegeven of betekend;

3° het ogenblik waarop de gerechtelijke beslissing houdende veroordeling tot betaling van
deze sommen in kracht van gewijsde is getreden in de andere gevallen.
Deze nalatigheidsinterest wordt maandelijks berekend over het totaal van de verschuldigde sommen, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. Elk gedeelte van een maand wordt als een volle maand gerekend.
De nalatigheidsinterest van een maand wordt slechts gevorderd indien hij 5 euro bereikt.

§ 4. Een moratoriuminterest tegen de rentevoet zoals bepaald in paragraaf 1, tweede lid, verminderd met twee procentpunten, is van rechtswege verschuldigd over de belastingen die moeten worden teruggegeven:

1° krachtens artikel 76, § 1, eerste en derde lid, te rekenen vanaf het verstrijken van de in deze bepaling bepaalde termijn of de termijn die in uitvoering van artikel 76, § 1, derde lid, is voorzien;

1°/1. krachtens artikel 76, § 2, eerste en tweede lid, te rekenen vanaf het verstrijken van de
termijn die in uitvoering van art. 76, § 2, tweede lid, is voorzien;

2° krachtens artikel 76, § 3, derde lid, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op het
verstrijken van de termijnen voorzien in uitvoering van deze bepaling.
Deze moratoriuminterest wordt maandelijks berekend over het totaal van de terug te geven belastingen bedoeld in het eerste lid, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. Elk gedeelte van een maand wordt als een volle maand gerekend.
De moratoriuminterest van een maand is slechts verschuldigd indien deze 5 euro bereikt.
Wanneer de administratie niet over de noodzakelijke gegevens beschikt om de terug te betalen sommen te vereffenen overeenkomstig het eerste lid, 1°, is geen moratoriuminterest verschuldigd voor de periode vanaf het tijdstip waarop de sommen hadden moeten zijn uitbetaald indien de administratie over de voormelde gegevens had beschikt, tot het einde van
- XIV / 8 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
de maand volgend op de maand waarin de noodzakelijke gegevens om de terug te betalen sommen te vereffenen aan de administratie zijn meegedeeld.

§ 5. Een moratoriuminterest tegen de rentevoet bepaald in paragraaf 1, tweede lid, verminderd met twee procentpunten, is verschuldigd over de terug te geven belastingen die niet bedoeld worden in paragraaf 4, alsmede over de terug te betalen boeten, vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de administratie in gebreke werd gesteld door aanmaning of door een andere daarmee gelijkstaande akte. Wanneer de betaling van de terug te betalen bedragen gebeurt na de ingebrekestelling, is de moratoriuminterest verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand van de werkelijke betaling.
Deze moratoriuminterest wordt maandelijks berekend op het bedrag van elke betaling afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. Elk gedeelte van een maand wordt als een gehele volle maand gerekend.
De moratoriuminterest van een maand is slechts verschuldigd indien deze 5 euro bereikt.
Er is echter geen interest verschuldigd wanneer:

1° de teruggave voortvloeit uit de kwijtschelding of de vermindering van een geldboete,
verleend bij wijze van genade;

2° de administratie niet over de noodzakelijke gegevens beschikt om de terug te betalen
sommen te vereffenen en deze gegevens door haar niet met redelijke inspanningen kunnen worden verkregen. Geen moratoriuminterest is verschuldigd voor de periode vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de sommen hadden moeten zijn uitbetaald op grond van een ingebrekestelling van de administratie indien zij over de noodzakelijke gegevens had beschikt, tot het einde van de maand volgend op de maand waarin de noodzakelijke gegevens om de terug te betalen sommen te vereffenen aan de administratie zijn meegedeeld.

Art. 92. Artikel 92
(De tekst van art. 92, werd gewijzigd (Art. 18, W 20.11.2022, B.S. 30.11.2022, pg. 88145, Numac: 2022034191) met ingang van 01.01.2023 (Art. 38, W 20.11.2022) (De huidige tekst is niet van toepassing op het administratieve dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde dat ter kennis werd gebracht of werd betekend vóór 01.01.2020 (Art. 138, W 13.04.2019). (Zie noot bij art. 84bis)
De bepalingen van dit Wetboek doen geen afbreuk aan het recht van de Staat om het herstel van de schade te vorderen die kan bestaan uit de niet-betaling van de belastingen, nalatigheidsinteresten, administratieve geldboeten en bijbehoren, door een burgerlijke partijstelling of door een aansprakelijkheidsvordering.

Art. 92bis. Artikel 92bis
(De tekst van art. 92bis is ingevoegd met ingang van 01.01.1999 (Art. 62, W 15.03.1999))
De termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing.
- XIV / 9 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 92ter. Artikel 92ter
(De tekst van art. 93ter, werd ingevoegd met ingang van 10.12.2022 (Art. 91, W 20.11.2022, B.S. 30.11.2022, pg. 88145, Numac: 2022034191))
In geval van niet-naleving door de belastingplichtige of van eenieder, van de verplichtingen opgenomen in de artikelen 60, 61, 62, 62bis, 63, van dit Wetboek, kan de fiscale administratie van de in het tweede lid bevoegde rechter eisen dat de betrokken belastingplichtige veroordeeld wordt tot betaling van een dwangsom in overeenstemming met de artikelen 1385bis tot 1385nonies van het Gerechtelijk Wetboek.
De vordering wordt aanhangig gemaakt bij de rechter die bevoegd is om te oordelen over de toepassing van de belastingwet zoals bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek en deze vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding.
De dwangsom kan gevorderd worden wanneer de onderzoekingen uitgevoerd worden op vraag van een Staat waarmee België een rechtsgrond tot uitwisselen van inlichtingen heeft inzake de belasting over de toegevoegde waarde.

Art. 93. Artikel 93
(De tekst van art. 93 is van toepassing met ingang van 10.01.2005 (Art. 381, W 27.12.2004, B.S. 31.12.2004))
Het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening mag door een advocaat worden ondertekend en neergelegd.
- XIV / 10 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
HOOFDSTUK XV
BEROEPSGEHEIM

Art. 93bis. Artikel 93bis
(De tekst van art. 93bis, tweede lid, werd gewijzigd met ingang van 10.07.2021 (Art. 108, W 27.06.2021, B.S. 30.06.2021, Ed. 3, pg. 66736, Numac: 2021021157))
Hij die, uit welken hoofde ook, optreedt bij de toepassing van de belastingwetten of die toegang heeft tot de ambtsvertrekken van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, is, buiten het uitoefenen van zijn ambt, verplicht tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan hij wegens de uitvoering van zijn opdracht kennis heeft.
De ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, oefenen hun ambt uit wanneer zij aan andere administratieve diensten van de Staat, aan de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges, aan de administraties van de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten, evenals aan de openbare instellingen of organismen inlichtingen verstrekken. De inlichtingen worden aan de bovengenoemde diensten verstrekt voor zover zij nodig zijn om de uitvoering van hun wettelijke of bestuursrechtelijke taken te verzekeren. Dit verstrekken van inlichtingen moet gebeuren met inachtneming van de bepalingen van de ter zake door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering.
Personen die deel uitmaken van diensten waaraan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, ingevolge het vorige lid inlichtingen van fiscale aard heeft verstrekt, zijn tot dezelfde geheimhouding verplicht en mogen de bekomen inlichtingen niet gebruiken buiten het kader van de wettelijke bepalingen voor de uitvoering waarvan zij zijn verstrekt.
Personen die deel uitmaken van diensten waaraan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, ingevolge het vorige lid inlichtingen van fiscale aard heeft verstrekt, zijn tot dezelfde geheimhouding verplicht en mogen de bekomen inlichtingen niet gebruiken buiten het kader van de wettelijke bepalingen voor de uitvoering waarvan zij zijn verstrekt.
Onder openbare instellingen of inrichtingen dienen verstaan de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de Staat mede beheert, waaraan de Staat een waarborg verstrekt, op welker bedrijvigheid de Staat toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel aangewezen wordt door de regering, op haar voordracht of met haar goedkeuring.
Artikel 93bis/1
(De tekst van art. 93bis/1, werd ingevoegd met ingang van 01.04.2019 (Art. 31, W 11.02.2019, B.S. 22.03.2019, pg. 28349))
In afwijking van artikel 4 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, mogen de verzoeken om inlichtingen van buitenlandse autoriteiten en de antwoorden verstrekt aan die autoriteiten evenals elke andere correspondentie tussen de bevoegde autoriteiten niet openbaar worden gemaakt zolang het onderzoek van de buitenlandse autoriteit niet is afgesloten en voor zover de openbaarmaking nadelig zou zijn voor het voormelde onderzoek, tenzij de buitenlandse autoriteit haar uitdrukkelijk akkoord heeft gegeven voor deze openbaarmaking.
Het in het eerste lid bedoelde akkoord wordt geacht te zijn bekomen wanneer de buitenlandse autoriteit niet reageert binnen een termijn van 90 dagen te rekenen vanaf het verzenden door de Belgische Staat van de vraag tot openbaarmaking, en de informatie niet verschaft dat de vertrouwelijkheid van de uitgewisselde gegevens en de correspondentie volgens de voorwaarden van dit artikel moet voortduren, wanneer de persoon in wiens hoofde het onderzoek door de buitenlandse Staat wordt gevoerd uitdrukkelijk deze toegang aan de Belgische Staat heeft gevraagd.
- XV / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
HOOFDSTUK XVI
AANSPRAKELIJKHEID EN PLICHTEN VAN SOMMIGE OPENBARE AMBTENAREN EN ANDERE PERSONEN
(Hoofdstuk XVI, dat de artikelen 93ter tot 93undeciesE bevat, werd opgeheven met ingang van 01.01.2020 (Art. 25, W 13.04.2019, B.S. 30.04.2019, pg. 41412). De artikelen van dit hoofdstuk blijven evenwel van toepassing op de gevallen bedoeld in art. 138, W 13.04.2019) (21)

Art. 93decies. Artikel 93decies
(Opgeheven) (12)
Artikel 93undeciesA
(Opgeheven) (12)
Artikel 93undeciesB
(Opgeheven) (12)
Artikel 93undeciesC
(Opgeheven) (12) (23)
Artikel 93undeciesD
(23) Voor de gevallen bedoeld in art. 138, W 13.04.2019: De tekst van art. 93undeciesC, § 1, eerste lid, werd gewijzigd met ingang van 01.05.2019 (Art. 86, W 17.03.2019, B.S. 10.05.2019, pg. 45450). Die wijziging van § 1, eerste lid werd later nogmaals gewijzigd (Art. 24, W 20.12.2021, B.S. 28.12.2021, pg. 125177, Numac:2021034484), eveneens met ingang van 01.05.2019 (Art. 30, W 20.12.2021) – Zie de historiek, versie in html.
- XVI / 2 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
(Voor de gevallen waarin het artikel nog steeds van toepassing is, werd de tekst van het eerste lid gewijzigd (Art. 89, W 28.12.2023, B.S. 29.12.2023, pg. 125014, Numac: 2023048795). Deze wijziging is van toepassing voor openbare verkopen van roerende goederen na 10.01.2024 (Art. 90, tweede lid, W 28.12.2023))
(Opgeheven) (12)
Artikel 93undeciesE
(Opgeheven) (12)
- XVI / 3 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
HOOFDSTUK XVII
VERPLICHTINGEN VAN BETALINGSDIENSTAANBIEDERS
(Het opschrift van hoofdstuk XVII, werd hersteld (Art. 4, W 07.04.2023, B.S. 18.04.2023, pg. 39876, Numac: 2023041376) met ingang van 01.01.2024 (Art. 11, W 07.04.2023))

Art. 93duodecies. Artikel 93duodecies (24)
(De tekst van art. 93duodecies, werd hersteld (Art. 5, W 07.04.2023, B.S. 18.04.2023, pg. 39876, Numac: 2023041376) met ingang van 01.01.2024 (Art. 11, W 07.04.2023))
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

1° "betalingsdienstaanbieder": één van de categorieën van betalingsdienstaanbieders als bedoeld in artikel 1, lid 1, punten a) tot d), van Richtlijn (EU) 2015/2366, of een natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie op grond van artikel 32 van die richtlijn een vrijstelling is verleend;

2° "betalingsdienst": één van de in Richtlijn (EU) 2015/2366, bijlage I, in de punten 3 tot en
met 6 beschreven bedrijfsactiviteiten;

3° "betaling": behoudens de uitsluitingen bedoeld in artikel 3 van Richtlijn (EU) 2015/2366, een "betalingstransactie" zoals bedoeld in artikel 4, punt 5, van die richtlijn of een "geldtransfer" zoals bedoeld in artikel 4, punt 22, van die richtlijn;

4° "betaler": een "betaler" zoals bedoeld in artikel 4, punt 8, van Richtlijn (EU) 2015/2366;

5° "begunstigde": een "begunstigde" zoals bedoeld in artikel 4, punt 9, van Richtlijn (EU)
2015/2366;

6° "lidstaat van herkomst": de "lidstaat van herkomst" zoals bedoeld in artikel 4, punt 1, van
Richtlijn (EU) 2015/2366;

7° "lidstaat van ontvangst": de "lidstaat van ontvangst" zoals bedoeld in artikel 4, punt 2,
van Richtlijn (EU) 2015/2366;

8° "betaalrekening": een "betaalrekening" zoals bedoeld in artikel 4, punt 12, van Richtlijn
(EU) 2015/2366;

9° "IBAN": "IBAN" zoals bedoeld in artikel 2, punt 15, van Verordening (EU) nr. 260/2012;

10° "BIC": "BIC" zoals bedoeld in artikel 2, punt 16, van Verordening (EU) nr. 260/2012.
Artikel 93duodecies/1
(24) De tekst zoals van kracht vóór 01.01.2020, blijft evenwel van toepassing op het administratieve
dwangbevel dat ter kennis werd gebracht of werd betekend vóór 01.01.2020. De Wet tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen van 13.04.2019 is niet van toepassing op het administratieve dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde dat ter kennis werd gebracht of werd betekend voor de datum van haar inwerkingtreding (art. 138, 1°); op fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen opgenomen in een kohier, een bijzonder kohier of een innings- en invorderingsregister, uitvoerbaar verklaard voor de datum van haar inwerkingtreding (art. 138, 5°); op fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, andere dan deze waarvan de inning en de invordering verzekerd zijn in toepassing van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot hun betaling, voor de datum van haar inwerkingtreding (art. 138, 6°).
- XVII / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
(De tekst van art. 93duodecies/1, werd ingevoegd (Art. 6, W 07.04.2023, B.S. 18.04.2023, pg. 39876, Numac: 2023041376) met ingang van 01.01.2024 (Art. 11, W 07.04.2023)

§ 1. De betalingsdienstaanbieders houden registers bij van begunstigden en van betalingen betreffende betalingsdiensten die zij voor elk kalenderkwartaal verlenen, om de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in staat te stellen controles uit te oefenen op de leveringen van goederen en diensten die overeenkomstig het bepaalde in titel V van Richtlijn 2006/112/EG geacht worden plaats te vinden in een lidstaat, om de doelstelling inzake bestrijding van btw- fraude te behalen.

§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde verplichting is alleen van toepassing onder de volgende voorwaarden:

1° de verstrekte betalingsdiensten houden verband met grensoverschrijdende betalingen;

2° de betalingsdienstaanbieder verleent in de loop van een kalenderkwartaal
betalingsdiensten die betrekking hebben op meer dan vijfentwintig grensoverschrijdende betalingen aan dezelfde begunstigde.
Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, wordt een betaling als grensoverschrijdende betaling aangemerkt indien de betaler zich in een lidstaat bevindt en de begunstigde in een andere lidstaat, in een derdelandsgebied of in een derde land.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, wordt het aantal grensoverschrijdende betalingen berekend op basis van de door de betalingsdienstaanbieders verleende betalingsdiensten per lidstaat en per in artikel 93duodecies/2, tweede lid, bedoelde identificatiecode. Indien de betalingsdienstaanbieder over informatie beschikt dat de begunstigde meerdere identificatiecodes heeft, wordt de berekening per begunstigde verricht.

§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde verplichting is niet van toepassing op door de betalingsdienstaanbieders van de betaler verleende betalingsdiensten voor elke betaling waarbij ten minste één van de betalingsdienstaanbieders van de begunstigde in een lidstaat is gevestigd als dat blijkt uit de BIC van die betalingsdienstaanbieder of uit een andere bedrijfsidentificatiecode die de betalingsdienstaanbieder en zijn locatie ondubbelzinnig identificeert. De betalingsdienstaanbieders van de betaler nemen niettemin deze betalingsdiensten in aanmerking voor de in paragraaf 2, eerste lid, 2°, en derde lid, bedoelde berekening.

§ 4. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde verplichting van toepassing is, worden de registers:

1° door de betalingsdienstaanbieder in elektronische vorm gehouden en bewaard voor een
periode van drie kalenderjaren vanaf het einde van het kalenderjaar van de betalingsdatum;

2° overeenkomstig artikel 24ter van Verordening (EU) nr. 904/2010, beschikbaar gesteld
aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde om die toe te laten haar verplichtingen te vervullen die voortvloeien uit lid 3 van die bepaling, wanneer:
a) België de lidstaat van herkomst is van de betalingsdienstaanbieder;
b) België de lidstaat van ontvangst is van de betalingsdienstaanbieder, wanneer België
niet zijn lidstaat van herkomst is maar hij in België betalingsdiensten verleent.
Artikel 93duodecies/2
- XVII / 2 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
(De tekst van art. 93duodecies/1, werd ingevoegd (Art. 7, W 07.04.2023, B.S. 18.04.2023, pg. 39876, Numac: 2023041376) met ingang van 01.01.2024 (Art. 11, W 07.04.2023)
Voor de toepassing van artikel 93duodecies/1, § 2, tweede lid, en onverminderd de bepalingen van titel V van Richtlijn 2006/112/EG, wordt de locatie van de betaler geacht in de lidstaat te zijn die overeenstemt met:

1° het IBAN van de betaalrekening van de betaler of enige andere identificatiecode die de
betaler ondubbelzinnig identificeert en de locatie van de betaler opgeeft;

2° bij gebrek aan een in 1° bedoelde identificatiecode, de BIC of een andere
bedrijfsidentificatiecode die de namens de betaler handelende betalingsdienstaanbieder ondubbelzinnig identificeert en de locatie van de betalingsdienstaanbieder opgeeft.
Voor de toepassing van artikel 93duodecies/1, § 2, tweede lid, en onverminderd de bepalingen van titel V van Richtlijn 2006/112/EG, wordt de locatie van de begunstigde geacht in de lidstaat te zijn die overeenstemt met:

1° het IBAN van de betaalrekening van de begunstigde of enige andere identificatiecode die
de begunstigde ondubbelzinnig identificeert en de locatie van de begunstigde opgeeft;

2° bij gebrek aan een in 1° bedoelde identificatiecode, de BIC of een andere
bedrijfsidentificatiecode die de namens de begunstigde handelende betalingsdienst- aanbieder ondubbelzinnig identificeert en de locatie van de betalingsdienstaanbieder opgeeft.
Artikel 93duodecies/3
(De tekst van art. 93duodecies/1, werd ingevoegd (Art. 8, W 07.04.2023, B.S. 18.04.2023, pg. 39876, Numac: 2023041376) met ingang van 01.01.2024 (Art. 11, W 07.04.2023)
De in artikel 93duodecies/1, § 1, bedoelde registers bevatten de volgende gegevens:

1° de BIC of enige andere bedrijfsidentificatiecode die de betalingsdienstaanbieder
ondubbelzinnig identificeert;

2° de naam of bedrijfsnaam van de begunstigde zoals deze wordt vermeld in de registers
van de betalingsdienstaanbieder;

3° indien voorhanden, een btw-identificatienummer of een ander nationaal fiscaal nummer
van de begunstigde;

4° het IBAN of, indien er geen IBAN voorhanden is, enige andere identificatiecode die de
begunstigde ondubbelzinnig identificeert en de locatie van de begunstigde geeft;

5° de BIC of een andere bedrijfsidentificatiecode die de namens de begunstigde handelende
betalingsdienstaanbieder ondubbelzinnig identificeert en de locatie van de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde geeft, indien de begunstigde middelen ontvangt zonder over een betaalrekening te beschikken;

6° indien voorhanden, het adres van de begunstigde zoals het wordt vermeld in de registers
van de betalingsdienstaanbieder;

7° de bijzonderheden van elke grensoverschrijdende betaling als bedoeld in artikel
93duodecies/1, § 2, eerste lid, 1° ;

8° de bijzonderheden van alle terugbetalingen waarvan is vastgesteld dat zij verband
houden met de grensoverschrijdende betalingen als bedoeld in 7°.
De in het eerste lid, 7° en 8°, bedoelde informatie bevat de volgende bijzonderheden:

1° de datum en het tijdstip van de betaling of de terugbetaling;
- XVII / 3 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

2° het bedrag en de valuta van de betaling of de terugbetaling;

3° de lidstaat van oorsprong van de door de begunstigde of in zijn naam ontvangen betaling,
de lidstaat van bestemming van de terugbetaling, naargelang het geval, en de informatie die is gebruikt om de oorsprong van de bestemming van de betaling of de terugbetaling overeenkomstig artikel 93duodecies/2 vast te stellen;

4° alle verwijzingen die de betaling ondubbelzinnig identificeren;

5° in voorkomend geval, informatie waaruit blijkt dat de betaling in de fysieke locatie van de
handelaar is geïnitieerd.
Artikel 93duodecies/4
(De tekst van art. 93duodecies/1, werd ingevoegd (Art. 9, W 07.04.2023, B.S. 18.04.2023, pg. 39876, Numac: 2023041376) met ingang van 01.01.2024 (Art. 11, W 07.04.2023)
De administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde bewaart de in artikel 93duodecies/3 bedoelde informatie in een nationaal elektronisch systeem tot en met 31 december van het vijfde jaar na het jaar waarin die gegevens overeenkomstig artikel 93duodecies/1, § 4, 2°, ter beschikking werden gesteld, om de correcte toepassing van de verplichtingen van de betalingsdienstaanbieders te kunnen controleren en om die gegevens te kunnen samenvoegen met andere reeds beschikbare gegevens om gerichte fiscale controles uit te voeren op basis van risico-indicatoren.
Artikel 93duodecies/5
(De tekst van art. 93duodecies/1, werd ingevoegd (Art. 10, W 07.04.2023, B.S. 18.04.2023, pg. 39876, Numac: 2023041376) met ingang van 01.01.2024 (Art. 11, W 07.04.2023)
De Koning bepaalt het tijdstip van de in artikel 93duodecies/1, § 4, 2°, bedoelde terbeschikkingstelling van de registers evenals de nadere regels met betrekking tot de manier waarop die terbeschikkingstelling gebeurt.
- XVII / 4 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
HOOFDSTUK XVIII
WEDERZIJDSE BIJSTAND

Art. 93octies. Artikel 93octies
(Pro memorie: Het artikel 93octies, werd vóór de opheffing op 01.01.2020, nog hersteld met ingang van 30.12.2019 (Art. 2, W 23.04.2020, B.S. 11.05.2020, pg. 33377) – Zie voor deze herstelde tekst, welke in bepaalde gevallen ook na 01.01.2020 nog van toepassing kan zijn (12), de historiek van dit artikel in de html-versie van het Btw-Wetboek). Betreffende de gevallen waarvoor het artikel, zoals van kracht vóór 01.01.2020, nog steeds van toepassing kan zijn, werd het eerste lid gewijzigd met ingang van 03.11.2022 (Art. 13, W 16.10.2022, B.S. 24.10.2022, Ed. 2, pg. 77534, Numac: 2022033779))
(Opgeheven) (12)
Artikel 93nonies
(Opgeheven) (12)

Art. 93quater. Artikel 93quater
(Pro memorie: Het artikel 93quater, werd vóór de opheffing op 01.01.2020, nog gewijzigd met ingang van 30.12.2019 (Art. 2, W 23.04.2020, B.S. 11.05.2020, pg. 33377) – Zie voor deze gewijzigde tekst, welke in bepaalde gevallen ook na 01.01.2020 nog van toepassing kan zijn (12), de historiek van dit artikel in de html-versie van het Btw-Wetboek) (Voor de gevallen waarin het artikel nog steeds van toepassing is, werd de tekst van § 1 gewijzigd (Art. 87, W 28.12.2023, B.S. 29.12.2023, pg. 125014, Numac: 2023048795). Deze wijziging is van toepassing voor alle situaties waarin de berichten bedoeld in artikel 93ter, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde verzonden worden na 01.01.2024 (Art. 90, W 28.12.2023) – Zie de historiek)
(Opgeheven) (12) (13)

Art. 93quaterdecies. art. 93quaterdecies (§ 1, eerste lid, gewijzigd)
* 11.02.2019 - Wet houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen (B.S. 22.03.2019, pg. 28349)
Wijzigt met ingang van 01.04.2019:
- art. 62 (§ 2, opgeheven) - art. 66 (eerste lid, gewijzigd) - art. 93bis/1 (nieuw artikel ingevoegd) - art. 93ter (volledig artikel vervangen) - art. 93quinquies (volledig artikel vervangen) - art. 93octies (artikel opgeheven) - art. 93nonies (gewijzigd) - art. 93decies (volledig artikel vervangen) - art. 93undeciesA (volledig artikel vervangen)
En wijzigt met ingang van 01.09.2019:
- art. 93quater (volledig artikel vervangen)
* 11.02.2019 - Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met betrekking tot de behandeling van vouchers en de bijzondere regelingen voor telecommunicatie-diensten, radio- en televisieomroepdiensten of elektronische diensten verricht voor niet-belastingplichtigen (B.S. 22.02.2019, pg. 17992)
Wijzigt met ingang van 01.01.2019:
- art. 1 (§ 15, ingevoegd) - art. 17 (§ 3, gewijzigd) - art. 21bis (§ 2, 9°, vervangen) - art. 22bis (§ 3, gewijzigd) - In Hoofdstuk III, wordt een afdeling 2bis ingevoegd, luidende: "Gemeenschappelijke bepalingen voor de afdelingen 1 en 2"
- art. 22ter (nieuw artikel ingevoegd) - art. 26 (volledig artikel vervangen) - art. 33 (§ 1, 1°, gewijzigd) - art. 53decies (§ 1, aangevuld met een lid) - art. 58bis (1° en 2°, gewijzigd) - art. 58ter (§ 1, 1°, gewijzigd en § 3, tweede lid, 5°, vervangen) - art. 58quater (§ 2, vervangen)
* 26.11.2018 - Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de automatisering van de uitvoerbare titel inzake de belasting over de toegevoegde waarde betreft (B.S. 04.12.2018, pg. 93842)
Wijzigt met ingang van 01.04.2019:
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 13 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
- art. 52bis (§ 3, vervangen) - art. 83 (§ 1, tweede lid en § 2, vervangen) - art. 84bis (artikel gewijzigd) - art. 84quater (§ 2, vervangen) - art. 84quinquies (§ 3, gewijzigd) - art. 84septies (eerste en tweede lid, gewijzigd) - art. 84nonies (tweede lid, gewijzigd) - art. 85 (artikel vervangen) - art. 85bis (§ 1, eerste lid, § 2 en § 5, eerste lid, 1° en 2°, gewijzigd) - art. 86 (volledig artikel vervangen) - art. 88 (volledig artikel vervangen) - art. 89 (volledig artikel vervangen) - art. 89bis (volledig artikel vervangen) - art. 91 (§§ 1, 2 en 3, gewijzigd; § 2bis ingevoegd en § 4 vervangen) - art. 93quinquies (§ 1, eerste en tweede lid, gewijzigd) - art. 93undeciesB (§§ 1 en 3, gewijzigd) - art. 93undeciesD (artikel gewijzigd)
* 14.10.2018 - Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de optionele belastingheffing inzake verhuur van uit hun aard onroerende goederen betreft en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20, van 20 juli 1970, tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven wat het verlaagde btw-tarief inzake de belaste verhuur van uit hun aard onroerende goederen betreft (B.S. 25.10.2018, pg. 81448 – Erratum B.S. 30.11.2018, pg. 91362)
Wijzigt met ingang van 01.01.2019:
- art. 1 (§ 9, aangevuld met een lid) - art. 9 (tweede lid, 2°, aangevuld) - art. 33 (§ 2bis, ingevoegd) - art. 44 (§ 3, 2°, vervangen) - art. 48 (volledig artikel vervangen) - art. 49 (5°, ingevoegd)
* 30.07.2018 - Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde (B.S. 10.08.2018, pg. 62704 – Erratum B.S. 28.08.2018, pg. 66582)
Wijzigt met ingang van 20.08.2018:
- art. 12 (§ 1, eerste lid, 2°, vervangen en § 1, aangevuld met een lid) - art. 15 (§ 2, tweede en derde lid, vervangen) - art. 44 (§ 2, 2°, tweede lid, laatste streepje, gewijzigd ; § 2, 12°, vervangen en § 3, - 14°, gewijzigd) - art. 45 (§ 3, 2°, vervangen) - art. 53decies (§ 2, vervangen) - art. 53undecies (nieuw artikel ingevoegd) - art. 53duodecies (nieuw artikel ingevoegd) - art. 54 (eerste lid, gewijzigd) - art. 56bis (§ 2, tweede lid, 1°, gewijzigd) - art. 64 (§ 4, derde lid, vervangen en § 4, aangevuld met een lid) - art. 93undeciesC (§ 1, eerste lid, gewijzigd)
En wijzigt met ingang van 01.10.2018:
- art. 53quater (§ 1, tussen het eerste en het tweede lid, een lid ingevoegd)
En wijzigt met ingang van 01.01.2019:
- art. 56 (volledig artikel vervangen)
* 18.07.2018 - Wet betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie (B.S. 26.07.2018, pg. 59203)
Wijzigt met ingang van 01.01.2018:
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 14 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
- art. 50 (§ 4, vervangen)
* 11.07.2018 - Wet in het kader van de integratie van de hypotheekkantoren in de Administratie Rechtszekerheid van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de nieuwe organisatie- en bevoegdheidsverdeling binnen de Administratie Rechtszekerheid (B.S. 20.07.2018, Ed. 2, pg. 58339)
Wijzigt met ingang van 30.07.2018:
- art. 93undeciesA (eerste lid, gewijzigd) * 08.07.2018 - Wet houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest (B.S. 16.07.2018, pg. 56680)
Wijzigt met ingang van 26.07.2018:
- art. 62bis (tweede en derde lid, gewijzigd) - art. 63bis (derde lid, gewijzigd)
* Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 34/2018 d.d. 22.03.2018 (B.S. 22.05.2018, pg. 41903)
Vernietigt de artikelen 29 tot 34 van de Programmawet van 01.07.2016 (I) (B.S. 04.07.2016, pg. 40970). Het Hof handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen. Hierbij werd met tegenstelbaarheid “erga omnes” vanaf 22.05.2018:
- art. 1 (§ 14, invoering vernietigd) - art. 18 (§ 1, tweede lid, 16°, wijziging vernietigd) - art. 44 (§ 3, 13°, vervanging vernietigd) - art. 51bis (§ 1bis, invoering vernietigd)
* 26.03.2018 - Wet betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie (B.S. 30.03.2018 – Ed. 2, pg. 31620)
Wijzigt met ingang van 09.04.2018:
- art. 73sexies (volledig artikel vervangen) - art. 83 (§ 1, eerste lid, eerste zin, aangevuld; tweede lid, gewijzigd en § 3, ingevoegd) - art. 93undeciesE (nieuw artikel ingevoegd)
* 25.12.2017 – Wet houdende diverse fiscale bepalingen III (B.S. 29.12.2017, pg. 116414)
Wijzigt met ingang van 08.01.2018:
- art. 105 (artikel opgeheven)
* 29.11.2017 –Wet tot wijziging van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, met betrekking tot de opeisbaarheid van de belasting, de met diensten gelijkgestelde handelingen, de regeling van actieve veredeling bij invoer en de vrijstelling van de belasting voor de levering van schepen voor de vaart op volle zee (B.S. 06.12.2017, pg. 107694)
Wijzigt met ingang van 16.12.2017:
- art. 17 (§ 1, vierde lid, gewijzigd) - art. 19 (§ 2, eerste lid, vervangen en een tweede lid ingevoegd) - art. 22bis (§ 1, vierde lid, gewijzigd) - art. 23 (§ 4, 6°, vervangen) - art. 25ter (§ 1, tweede lid, 2°, inleidende zin, gewijzigd) - art. 39bis (eerste lid, 3°, gewijzigd) - art. 39quater (§ 2, 1°, gewijzigd) - art. 42 (§ 1, eerste lid, 1°, a) en b), vervangen) - art. 44 (§ 2bis, derde lid, gewijzigd) - art. 53octies (§ 2, gewijzigd) - art. 77bis (de Franstalige tekst, gewijzigd)
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 15 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
* 11.08.2017 – Wet houdende invoeging van het Boek XX "Insolventie van ondernemingen", in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht (B.S. 11.09.2017, pg. 83100)
Wijzigt met ingang van 01.05.2018:
- art. 93undeciesC (§§ 6 en 7, ingevoegd)
* 10.07.2017 – Wet tot versterking van de rol van de fiscale bemiddelingsdienst (B.S. 20.07.2017, pg. 74108)
Wijzigt met ingang van 01.09.2017:
- art. 85ter (volledig artikel vervangen)
* 30.06.2017 – Wet houdende maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude (B.S. 07.07.2017, pg. 71034)
Wijzigt met ingang van 17.07.2017:
- art. 52bis (volledig artikel vervangen)
* 03.08.2016 – Programmawet (II) (B.S. 16.08.2016, pg. 52195)
Wijzigt met ingang van 26.08.2016:
- art. 44 (§ 3, 11°, vervangen)
* 27.06.2016 – Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - errata (B.S. 11.08.2016, Ed. 2, pg. 50973)
Verbetert:
- art. 1 (§ 3, erratum Nederlandse tekst) - art. 44 (§ 2, 12°, erratum Franse tekst)
* 27.06.2016 - Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (B.S. 07.07.2016, pg. 42305) errata (B.S. 11.08.2016, Ed. 2, pg. 50973)
Wijzigt met ingang van 17.07.2016:
- art. 1 (§ 3 en § 4, tweede lid, 2°, vervangen) - art. 23 (§ 1, 1°, gewijzigd) - art. 25quinquies (§ 4, vervangen) - art. 37 (§ 2, vervangen) - art. 44 (§ 2, 12°, vervangen) - art. 45 (§ 2, tweede lid, f), vervangen; k), gewijzigd en een lid toegevoegd aan § 2) - art. 74bis (artikel gewijzigd) - art. 77bis (artikel gewijzigd) - art. 93quaterdecies (§ 1, vierde lid, gewijzigd)
* 01.07.2016 – Programmawet (I) (B.S. 04.07.2016, pg. 40970)
Wijzigt met ingang van 14.07.2016:
- art. 61 (§ 3, ingevoegd) - art. 62bis (leden 2, 3 en 4, ingevoegd) - art. 63bis (een nieuw lid ingevoegd tussen het tweede en het derde lid) - art. 81bis (§ 1, tweede lid, 1°, vervangen en een derde lid ingevoegd) - art. 85bis (volledig artikel vervangen)
En wijzigt met ingang van 01.07.2016:
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 16 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
- art. 1 (§ 14, ingevoegd) - art. 18 (§ 1, tweede lid, 16°, in de Nederlandse tekst gewijzigd) - art. 44 (§ 2, 1bis, opgeheven; § 2bis, ingevoegd en § 3, 13°, vervangen) - art. 50 (§ 4, ingevoegd) - art. 51bis (§ 1bis, ingevoegd) - art. 53quinquies (derde lid, ingevoegd) - art. 56bis (§ 2, derde lid, ingevoegd)
* 26.05.2016 - Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met betrekking tot de vrijstelling van de diensten verricht aan hun leden door zelfstandige groeperingen van personen (B.S. 09.06.2016, pg. 34919)
Wijzigt met ingang van 01.07.2016:
- art. 44 (§ 2, 1bis, opgeheven en § 2bis, ingevoegd)
* 27.04.2016 - Wet tot aanpassing van de bepalingen tot toekenning van titels en graden in de fiscale wetboeken en de wettelijke bepalingen met betrekking tot de douane en accijnzen, en houdende diverse andere bepalingen (B.S. 06.05.2016, pg. 30290)
Wijzigt met ingang van 16.05.2016:
- art. 58 (§ 1bis, eerste lid, gewijzigd) - art. 74 (§ 3, eerste lid, gewijzigd) - art. 74ter (gewijzigd) - art. 84bis (gewijzigd) - art. 84quinquies (gewijzigd) - art. 84sexies (§ 2, gewijzigd) - art. 84octies (§ 1, eerste lid en § 2, eerste lid, gewijzigd) - art. 84nonies (eerste lid, gewijzigd) - art. 84decies (2°, gewijzigd) - art. 85 (§ 1, gewijzigd) - art. 88bis (§ 1, eerste lid en § 3, gewijzigd) - art. 88ter (§ 1, inleidende zin en § 2, eerste lid, gewijzigd) - art. 92 (eerste lid, gewijzigd) - art. 93quinquies (§ 1, derde lid, gewijzigd)
* 26.12.2015 - Wet houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht (B.S. 30.12.2015, Ed. 2, pg. 80634)
Wijzigt met ingang van 01.01.2016:
- art. 44 (§ 1 en § 2, 1°, vervangen)
* 18.12.2015 - Wet houdende fiscale en diverse bepalingen (B.S. 28.12.2015, Ed. 2, pg. 79587)
Wijzigt met ingang van 07.01.2016:

Art. 93quinquies. Artikel 93quinquies
(21) De artikelen zoals van kracht vóór 01.01.2020, blijven van toepassing op het administratieve dwangbevel dat ter kennis werd gebracht of werd betekend vóór 01.01.2020. - Zie voor deze teksten, welke in bepaalde gevallen ook na 01.01.2020 nog van toepassing kunnen zijn, de historiek van deze artikelen in de html-versie van het Btw-Wetboek. De Wet tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen van 13.04.2019 is niet van toepassing op het administratieve dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde dat ter kennis werd gebracht of werd betekend voor de datum van haar inwerkingtreding (art. 138, 1°); op fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen opgenomen in een kohier, een bijzonder kohier of een innings- en invorderingsregister, uitvoerbaar verklaard voor de datum van haar inwerkingtreding (art. 138, 5°); op fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, andere dan deze waarvan de inning en de invordering verzekerd zijn in toepassing van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing houdende veroordeling tot hun betaling, voor de datum van haar inwerkingtreding (art. 138, 6°).
(22) Voor de gevallen bedoeld in art. 138, W 13.04.2019, zie: K.B. 22.06.2020 tot uitvoering van de artikelen 93ter tot 93quinquies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 412bis, 433 tot 435 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de artikelen 35 tot 37, 43 tot 45 en 47 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen en de artikelen 157 tot 159 en 161 van de programmawet (I) van 29 maart 2012, inzake het e-notariaat (B.S., 26.06.2020, blz. 47298 – Numac: 2019041722)
- XVI / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
(Voor de gevallen waarin het artikel nog steeds van toepassing is, werd de tekst van § 1, tweede lid en § 3, eerste lid gewijzigd (Art. 88, W 28.12.2023, B.S. 29.12.2023, pg. 125014, Numac: 2023048795). Deze wijzigingen zijn van toepassing voor alle situaties waarin de berichten bedoeld in artikel 93ter, § 1, van het Wetboek verzonden worden na 01.01.2024 (Art. 90, W 28.12.2023))
(Opgeheven) (12) (13)

Art. 93ter. Artikel 93ter
(Pro memorie: Het artikel 93ter, werd vóór de opheffing op 01.01.2020, nog gewijzigd met ingang van 30.12.2019 (Art. 2, W 23.04.2020, B.S. 11.05.2020, pg. 33377) – Zie voor deze gewijzigde tekst, welke in bepaalde gevallen ook na 01.01.2020 nog van toepassing kan zijn (12), de historiek van dit artikel in de html-versie van het Btw-Wetboek)
(Opgeheven) (12) (22)

Art. 93terdecies. Artikel 93terdecies
(De tekst van art. 93terdecies, werd gewijzigd met ingang van 16.05.2014 (Art. 52, W 25.04.2014, B.S. 16.05.2014, pg. 39621))
Met de belastingbesturen van de andere Lid-Staten mag de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde inlichtingen uitwisselen die van nut kunnen zijn voor de juiste vaststelling van de belasting over de toegevoegde waarde binnen de Gemeenschap.
Van de inlichtingen die van de belastingbesturen van de andere Lid-Staten worden verkregen, wordt op dezelfde wijze gebruik gemaakt als van de gelijkaardige inlichtingen die de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde rechtstreeks inzamelt, met dien verstande dat zulk gebruik moet gebeuren met inachtneming van de bepalingen van de ter zake door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering.
De inlichtingen ten behoeve van de belastingbesturen van de andere Lid-Staten worden op dezelfde wijze ingezameld als de inlichtingen die de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde te eigen behoeve inzamelt. Ze worden doorgezonden om slechts te worden gebruikt voor de, in de ter zake door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering, bepaalde doeleinden.
De administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde kan eveneens, ter uitvoering van een akkoord dat met de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat wordt gesloten, op het nationale grondgebied de aanwezigheid toestaan van ambtenaren van het belastingbestuur van die Lid-Staat om alle inlichtingen in te zamelen die van nut kunnen zijn voor de juiste vaststelling van de belasting over de toegevoegde waarde binnen de Gemeenschap.
De inlichtingen die door een ambtenaar van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde in het buitenland worden ingezameld in het kader van een akkoord dat met een Lid-Staat is gesloten, kunnen op dezelfde wijze worden gebruikt als de inlichtingen die in België door de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde worden ingezameld, met dien verstande dat zulk gebruik moet gebeuren met inachtneming van de bepalingen van de ter zake door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering.
- XVIII / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
HOOFDSTUK XIX
AAN ALLE BELASTINGEN GEMENE BEPALINGEN

Art. 94. Artikel 94
(De tekst van art. 94, werd ingevoegd met ingang van 01.01.1971 (W 03.07.1969))
Opgeheven worden de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de overdrachttaks, de factuurtaks op de overdrachten en op de werkaannemingscontracten, de taks op de roerende verhuringen en op het vervoer, de weeldetaks en de taks op de betalingen wegens huurprijs van brandkasten in de banken.
Met inbegrip van de wijzigingen die ze zullen hebben ondergaan op de dag waarop dit Wetboek in werking treedt, worden inzonderheid opgeheven:

1° de titels I, II, III, IV en VI van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen;

2° de wet van 16 juni 1932 waarbij de Regering ertoe gemachtigd wordt, in sommige
gevallen en binnen zekere perken, het percentage van de overdrachttaks bij invoer te verhogen;

3° in artikel 1 van de wet van 27 december 1965 tot wijziging van het Wetboek der met het
zegel gelijkgestelde taksen:
a) de §§ 1 en 2, voor zover ze betrekking hebben op de in het eerste lid genoemde
taksen;
b) § 3;

4° de titels I, II, III, IV en VI van de Algemene Verordening op de met het zegel
gelijkgestelde taksen;

5° het koninklijk besluit van 11 maart 1953 tot verhoging van de overdrachttaks bij invoer;

6° het ministerieel besluit van 23 december 1964 houdende Aanvullende Verordening op de
met het zegel gelijkgestelde taksen.

Art. 95. Artikel 95
(De tekst van art. 95, werd ingevoegd met ingang van 01.01.1971 (W 03.07.1969))

§ 1. In artikel 1, eerste lid, van de wet van 29 juni 1951 tot verlening van sommige fiscale vrijstellingen aan de "United States Educational Foundation in Belgium", opgericht door het akkoord tot financiering van een programma op het gebied van cultuur en opvoeding, tussen de Verenigde Staten van Amerika enerzijds, en België en het Groothertogdom Luxemburg anderzijds, ondertekend te Brussel op 8 oktober 1948, worden de woorden "van overdrachtsbelasting en weeldebelasting" geschrapt.

§ 2. In artikel 1, eerste lid, van de wet van 24 maart 1959 betreffende de regeling inzake belastingen voor leveringen aan krijgsmachten van de bij het Noord-Atlantisch Verdrag toegetreden Staten, worden de woorden "en van de overdrachts-, factuur- en weeldetaks" geschrapt.
- Opheffing en inwerkingtreding / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 97. Artikel 97
(De tekst van art. 97, werd ingevoegd met ingang van 01.01.1971 (W 03.07.1969))
De bepalingen van vóór de inwerkingtreding van dit Wetboek, die sommige publiekrechtelijke rechtspersonen en openbare diensten voor de toepassing van de belastingwetten met de Staat gelijkstellen, gelden niet voor de door dit Wetboek ingevoerde belasting.
INWERKINGTREDING

Art. 98. Artikel 98
(De tekst van artikel 98, werd ingevoegd met ingang van 01.01.1971 (W 03.07.1969))
Deze wet treedt in werking op 1 januari 1971.
- Opheffing en inwerkingtreding / 2 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
ALGEMENE EN BIJZONDERE OVERGANGSBEPALINGEN
– TIJDELIJKE BEPALINGEN
(De tekst van het opschrift werd vervangen met ingang van 01.07.2013 (Art. 55, W 17.06.2013, B.S. 28.06.2013, pg. 41014)

Art. 99. Artikel 99
(De tekst van art. 99, werd met ingang van 01.07.2013 opgeheven bij art. 50 en hersteld bij art. 56, W 17.06.2013, B.S. 28.06.2013, pg. 41014)
Voor de toepassing van de overgangsmaatregelen in het kader van de toetreding tot de Europese Unie, wordt verstaan onder:

1° "Gemeenschap": het grondgebied van de Gemeenschap als omschreven in artikel 1, § 2,

2°, vóór de toetreding van de nieuwe lidstaten;

2° "nieuwe lidstaten": het grondgebied van de lidstaten die na 1 januari 2013 tot de
Europese Unie zijn toegetreden, als omschreven voor elk van deze lidstaten in artikel 1, § 2, 1° ;

3° "uitgebreide Gemeenschap": het grondgebied van de Gemeenschap als omschreven in
artikel 1, § 2, 2°, na de toetreding van de nieuwe lidstaten.

Art. 100. Artikel 100
(De tekst van art. 100, werd met ingang van 01.07.2013 opgeheven bij art. 51 en hersteld bij art. 57, W 17.06.2013, B.S. 28.06.2013, pg. 41014)
De bepalingen die van toepassing waren op het tijdstip dat een goed onder een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten of onder één van de in artikel 23, § 4, 1° en 4° tot 7° bedoelde regelingen werd geplaatst, blijven van toepassing totdat het goed na de datum van toetreding aan de regeling wordt onttrokken, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:

1° het goed is vóór de datum van toetreding in de Gemeenschap of in één van de nieuwe
lidstaten binnengebracht;

2° het goed is onder de regeling geplaatst bij het binnenbrengen ervan in de Gemeenschap
of in één van de nieuwe lidstaten;

3° het goed is niet vóór de datum van toetreding aan deze regeling onttrokken.

Art. 101. Artikel 101
(De tekst van art. 101, werd met ingang van 01.07.2013 opgeheven bij art. 52 en hersteld bij art. 58, W 17.06.2013, B.S. 28.06.2013, pg. 41014)
De bepalingen die van toepassing waren op het tijdstip dat een goed onder een regeling voor douanevervoer werd geplaatst, blijven van toepassing totdat het goed na de datum van toetreding aan de regeling wordt onttrokken, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:

1° het goed is vóór de datum van toetreding onder een regeling voor douanevervoer
geplaatst;

2° het goed is niet vóór de datum van toetreding aan de regeling onttrokken.
- Overgangsbepalingen / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

Art. 102. Artikel 102
(De tekst van art. 102, werd met ingang van 01.07.2013 opgeheven bij art. 53 en hersteld bij art. 59, W 17.06.2013, B.S. 28.06.2013, pg. 41014)
Met de invoer van een goed in België in de zin van artikel 23 wordt gelijkgesteld, voor zover wordt aangetoond dat het zich in het vrije verkeer in één van de nieuwe lidstaten bevond:

1° elke onttrekking, met inbegrip van een onregelmatige onttrekking, van dat goed in België
aan een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten waaronder het goed vóór de datum van toetreding werd geplaatst onder de in artikel 100 bedoelde voorwaarden;

2° elke onttrekking, met inbegrip van een onregelmatige onttrekking, van dat goed in België
aan één van de in artikel 23, § 4, 1° en 4° tot 7°, bedoelde regelingen waaronder het goed vóór de datum van toetreding werd geplaatst onder de in artikel 100 bedoelde voorwaarden;

3° het einde in België van één van de in artikel 101 bedoelde regelingen, waarmee vóór de datum van toetreding op het grondgebied van één van de nieuwe lidstaten een aanvang werd gemaakt ten behoeve van een vóór die datum onder bezwarende titel verrichte levering van dat goed binnen het grondgebied van deze lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige;

4° elke onregelmatigheid of overtreding die werd begaan tijdens een in artikel 101 bedoelde
regeling voor douanevervoer waarmee een aanvang werd gemaakt onder de in punt 3° bedoelde voorwaarden.
Eveneens wordt met de invoer van een goed in België in de zin van artikel 23 gelijkgesteld, het gebruik in België, na de datum van toetreding, door een belastingplichtige of een niet- belastingplichtige, van een goed dat hem vóór de datum van toetreding binnen het grondgebied van één van de nieuwe lidstaten is geleverd wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld:

1° de levering van dat goed is of kon worden vrijgesteld in één van de nieuwe lidstaten uit
hoofde van zijn uitvoer;

2° het goed is niet voor de datum van toetreding ingevoerd in de Gemeenschap.

Art. 103. Artikel 103
(De tekst van art. 103, werd met ingang van 01.07.2013 opgeheven bij art. 54 en hersteld bij art. 60, W 17.06.2013, B.S. 28.06.2013, pg. 41014)
In afwijking van artikel 24 vindt de invoer van een goed in de zin van artikel 102 plaats zonder dat een belastbaar feit plaatsvindt wanneer één van de volgende voorwaarden vervuld is:

1° het ingevoerde goed wordt verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de uitgebreide
Gemeenschap;

2° het in de zin van artikel 102, eerste lid, 1°, ingevoerde goed is geen vervoermiddel en
wordt teruggezonden of vervoerd naar de lidstaat waaruit het werd uitgevoerd en naar degene die het heeft uitgevoerd;

3° het in de zin van artikel 102, eerste lid, 1°, ingevoerde goed is een vervoermiddel dat vóór de datum van toetreding onder de algemene belastingvoorwaarden van de binnenlandse markt van één van de nieuwe lidstaten werd verworven of ingevoerd, of waarvoor, uit hoofde van de uitvoer ervan, geen vrijstelling of teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde werd verleend.
De in het eerste lid, 3°, bedoelde voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld wanneer de periode tussen de eerste ingebruikneming van het vervoermiddel en de datum van toetreding tot de
- Overgangsbepalingen / 2 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Europese Unie langer is dan acht jaar en het bedrag van de belasting die in hoofde van de invoer verschuldigd zou zijn niet meer bedraagt dan 5 euro.

Art. 104. Artikel 104
(De tekst van art. 104, werd ingevoegd met ingang van 01.01.1993 (Art. 97, W 28.12.1992))
Wanneer een goed in verband met de afgifte ervan door of voor rekening van de leverancier wordt verzonden of vervoerd en deze verzending of dat vervoer uitsluitend in België wordt verricht, vindt de levering van het goed, in afwijking van artikel 16, § 1, tweede lid, plaats op het tijdstip van de aanvang van de verzending of van het vervoer, wanneer dat tijdstip vóór 1 januari 1993 ligt en de aankomst van de verzending of van het vervoer van het goed na 31 december 1992 plaatsvindt.

Art. 105. Artikel 105
(De tekst van art. 105, werd opgeheven met ingang van 08.01.2018 (Art. 14, W 25.12.2017, B.S. 29.12.2017, pg. 116414))
(opgeheven)

Art. 106. Artikel 106
(De tekst van art. 106, werd ingevoegd met ingang van 01.01.1993 (Art. 24, KB 29.12.1992))

§ 1. Wanneer goederen:
- vóór 1 januari 1993 in België zijn binnengebracht,
en - vanaf hun binnenkomst in België werden geplaatst onder een douaneregeling inzake
tijdelijke opslag, inzake doorvoer, inzake entrepot of voor tijdelijke invoer, of onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot,
en - niet vóór 1 januari 1993 aan die regeling zijn onttrokken,
blijven de bepalingen die van toepassing waren op het tijdstip dat de goederen onder die regeling werden geplaatst van toepassing gedurende het verblijf onder die regeling, waarvan de duur wordt bepaald overeenkomstig genoemde bepalingen.

§ 2. Met een invoer van een goed in België in de zin van artikel 23 wordt gelijkgesteld:

1° elke onttrekking, met inbegrip van een onregelmatige onttrekking, van dit goed in België
aan de regeling voor tijdelijke invoer waaronder het vóór 1 januari 1993 werd geplaatst op de in § 1 bedoelde voorwaarden;

2° elke onttrekking, met inbegrip van een onregelmatige onttrekking, van dit goed in België
aan de regeling inzake tijdelijke opslag of inzake entrepot waaronder het goed vóór 1 januari 1993 werd gebracht op de in § 1 bedoelde voorwaarden;

3° het einde in België van een intern communautair douanevervoer dat vóór 1 januari 1993
in de Gemeenschap werd aangevangen ten behoeve van een vóór 1 januari 1993 verrichte levering onder bezwarende titel in de Gemeenschap door een als zodanig optredende belastingplichtige;
- Overgangsbepalingen / 3 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

4° het einde in België van een vóór 1 januari 1993 aangevangen extern douanevervoer;

5° elke onregelmatigheid of overtreding die werd begaan ter gelegenheid van of tijdens een
intern communautair douanevervoer dat werd aangevangen op de onder 3° bedoelde voorwaarden, of van een onder 4° bedoeld extern douanevervoer;

6° de bestemming in België, door een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige, van goederen die hem zijn geleverd, vóór 1 januari 1993, in het binnenland van een andere Lid-Staat, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- de levering van deze goederen is of kan worden vrijgesteld uit hoofde van hun
invoer;
- de goederen zijn niet ingevoerd in België vóór 1 januari 1993.
Voor de toepassing van 3° wordt met "intern communautair douanevervoer" gelijkgesteld de verzending van goederen per post.

§ 3. In afwijking van artikel 24 wordt de invoer van een goed in de zin van § 2 verricht zonder dat een belastbaar feit plaatsvindt wanneer:
- het ingevoerde goed uit de Gemeenschap wordt verzonden of vervoerd
of - het in de zin van § 2, 1°, ingevoerde goed geen vervoermiddel is en herverzonden of
vervoerd wordt naar de Lid-Staat waaruit het werd uitgevoerd en naar degene die het heeft uitgevoerd
of - het in de zin van § 2, 1°, ingevoerde goed een vervoermiddel is dat vóór 1 januari 1993 onder de algemene belastingvoorwaarden van de binnenlandse markt van een Lid-Staat werd verkregen of ingevoerd en/of waarvoor, uit hoofde van zijn uitvoer, geen vrijstelling of teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde werd verleend. Aan deze voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan wanneer de eerste ingebruikneming van het vervoermiddel dateert van vóór 1 januari 1985.

Art. 107. Artikel 107
(De tekst van art. 107, werd ingevoegd met ingang van 01.01.1995 (Art. 3, KB 07.08.1995))

§ 1. Wanneer goederen afkomstig uit de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland of het Koninkrijk Zweden:
- vóór 1 januari 1995 zijn binnengebracht in de Gemeenschap zoals die bestond vóór de
toetreding van die Lid-Staten
en - sedert hun binnenkomst in voornoemde Gemeenschap werden geplaatst onder een
regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten of onder één van de in artikel 23, § 4,1° en 4° tot 7°, bedoelde regelingen
en - niet vóór 1 januari 1995 aan deze regeling zijn onttrokken,
blijven de bepalingen die van toepassing waren op het tijdstip dat de goederen onder deze regeling werden geplaatst van toepassing tot op het ogenblik dat de goederen aan deze regeling worden onttrokken.

§ 2. Wanneer een goed:
- Overgangsbepalingen / 4 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
- vóór 1 januari 1995 werd geplaatst onder de regeling voor gemeenschappelijk
douanevervoer of een andere regeling voor douanevervoer en - niet vóór die datum aan deze regeling is onttrokken,
blijven de bepalingen die van toepassing waren op het tijdstip dat het goed onder deze regeling werd geplaatst van toepassing tot op het ogenblik dat het goed aan deze regeling wordt onttrokken.

§ 3. Met de invoer van een goed in België in de zin van artikel 23 wordt gelijkgesteld, voor zover wordt aangetoond dat het een goed betreft dat zich in het vrije verkeer bevond in de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland of het Koninkrijk Zweden:

1° elke onttrekking, met inbegrip van een onregelmatige onttrekking, van dat goed in België
aan een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten waaronder het goed vóór 1 januari 1995 werd geplaatst onder de in § 1 bedoelde voorwaarden;

2° elke onttrekking, met inbegrip van een onregelmatige onttrekking, van dat goed in België
aan één van de in artikel 23, § 4, 1° en 4° tot 7°, bedoelde regelingen waaronder het goed vóór 1 januari 1995 werd geplaatst onder de in § 1 bedoelde voorwaarden;

3° het einde in België van één van de in § 2 bedoelde regelingen, waarmee vóór 1 januari
1995 werd aangevangen binnen de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland of het Koninkrijk Zweden ten behoeve van een vóór deze datum onder bezwarende titel verrichte levering van dat goed binnen één van deze Lid-Staten door een als zodanig handelende belastingplichtige;

4° elke onregelmatigheid of overtreding die werd begaan tijdens één van de in § 2 bedoelde
regelingen aangevangen op de onder 3° bedoelde voorwaarden.

§ 4. Eveneens wordt met de invoer van een goed in België in de zin van artikel 23 gelijkgesteld, de bestemming in België, door een belastingplichtige of een niet- belastingplichtige, van een goed dat hem is geleverd, vóór 1 januari 1995, binnen de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland of het Koninkrijk Zweden wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- de levering van dat goed is of kon worden vrijgesteld uit hoofde van zijn uitvoer in de
Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland of het Koninkrijk Zweden;
- dat goed is niet vóór 1 januari 1995 ingevoerd in één van de Lid-Staten van de
Gemeenschap zoals die bestond vóór de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

§ 5. In afwijking van artikel 24 wordt de invoer van een goed in de zin van de §§ 3 en 4 verricht zonder dat een belastbaar feit plaatsvindt wanneer:

1° het goed uit de Gemeenschap wordt verzonden of vervoerd of 2° het in de zin van §3, onder 1°, ingevoerde goed geen vervoermiddel is en herverzonden of vervoerd wordt naar de Lid-Staat waaruit het werd uitgevoerd en naar degene die het heeft uitgevoerd
of 3° het in de zin van § 3, onder 1°, ingevoerde goed een vervoermiddel is dat vóór 1 januari 1995 onder de algemene belastingvoorwaarden van de binnenlandse markt van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland of het Koninkrijk Zweden werd verworven of ingevoerd en/of waarvoor, uit hoofde van zijn uitvoer, geen vrijstelling of teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde werd verleend.
- Overgangsbepalingen / 5 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Aan deze voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan wanneer de datum van de eerste ingebruikneming van het vervoermiddel voorafgaat aan 1 januari 1987.

Art. 107bis. Artikel 107bis
(De tekst van art. 107bis, is van toepassing met ingang van 01.05.2004 (Art. 4, W 17.06.2004, B.S. 28.06.2004))

§ 1. Wanneer goederen afkomstig uit de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië of de Slowaakse Republiek:
- vóór 1 mei 2004 zijn binnengebracht in de Gemeenschap zoals die bestond vóór de
toetreding van die lid-Staten
en - sedert hun binnenkomst in voornoemde Gemeenschap werden geplaatst onder een
regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten of onder één van de in artikel 23, § 4, 1° en 4° tot 7°, bedoelde regelingen
en - niet vóór 1 mei 2004 aan deze regeling zijn onttrokken,
blijven de bepalingen die van toepassing waren op het tijdstip dat de goederen onder deze regeling werden geplaatst van toepassing tot op het ogenblik dat de goederen aan deze regeling worden onttrokken.

§ 2. Wanneer een goed:
- vóór 1 mei 2004 werd geplaatst onder de regeling voor gemeenschappelijk douane-
vervoer of een andere regeling voor douanevervoer
en - niet vóór die datum aan deze regeling is onttrokken,
blijven de bepalingen die van toepassing waren op het tijdstip dat het goed onder deze regeling werd geplaatst van toepassing tot op het ogenblik dat het goed aan deze regeling wordt onttrokken.

§ 3. Met de invoer van een goed in België in de zin van artikel 23 wordt gelijkgesteld, voor zover wordt aangetoond dat het een goed betreft dat zich in het vrije verkeer bevond in de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië of de Slowaakse Republiek:

1° elke onttrekking, met inbegrip van een onregelmatige onttrekking, van dat goed in België
aan een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten waaronder het goed vóór 1 mei 2004 werd geplaatst onder de in § 1 bedoelde voorwaarden;

2° elke onttrekking, met inbegrip van een onregelmatige onttrekking, van dat goed in België
aan één van de in artikel 23, § 4, 1° en 4° tot 7°, bedoelde regelingen waaronder het goed vóór 1 mei 2004 werd geplaatst onder de in § 1 bedoelde voorwaarden;

3° het einde in België van één van de in § 2 bedoelde regelingen, waarmee vóór 1 mei 2004
werd aangevangen binnen de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië of de Slowaakse Republiek
- Overgangsbepalingen / 6 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
ten behoeve van een vóór deze datum onder bezwarende titel verrichte levering van dat goed binnen één van deze lid-Staten door een als zodanig handelende belastingplichtige;

4° elke onregelmatigheid of overtreding die werd begaan tijdens één van de in § 2 bedoelde
regelingen aangevangen op de onder 3° bedoelde voorwaarden.

§ 4. Eveneens wordt met de invoer van een goed in België in de zin van artikel 23 gelijkgesteld, de bestemming in België, door een belastingplichtige of een niet- belastingplichtige, van een goed dat hem is geleverd, vóór 1 mei 2004, binnen de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië of de Slowaakse Republiek wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- de levering van dat goed is of kon worden vrijgesteld uit hoofde van zijn uitvoer in de
Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië of de Slowaakse Republiek;
- dat goed is niet vóór 1 mei 2004 ingevoerd in één van de lid-Staten van de Gemeenschap
zoals die bestond vóór de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek.

§ 5. In afwijking van artikel 24 wordt de invoer van een goed in de zin van de §§ 3 en 4 verricht zonder dat een belastbaar feit plaatsvindt wanneer:

1° het goed uit de Gemeenschap wordt verzonden of vervoerd
of 2° het in de zin van § 3, 1°, ingevoerde goed geen vervoermiddel is en herverzonden of
vervoerd wordt naar de lidstaat waaruit het werd uitgevoerd en naar degene die het heeft uitgevoerd
of 3° het in de zin van § 3, 1°, ingevoerde goed een vervoermiddel is dat vóór 1 mei 2004
onder de algemene belastingvoorwaarden van de binnenlandse markt van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië of de Slowaakse Republiek werd verworven of ingevoerd en/of waarvoor, uit hoofde van zijn uitvoer, geen vrijstelling of teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde werd verleend.
Aan deze voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan wanneer de datum van de eerste ingebruikneming van het vervoermiddel voorafgaat aan 1 mei 1996.

Art. 107ter. Artikel 107ter
(De tekst van art. 107ter is van toepassing met ingang van 01.01.2007 (Art. 130, W 27.04.2007, B.S. 08.05.2007))

§ 1. Wanneer goederen afkomstig uit de Republiek Bulgarije of Roemenië:
- vóór 1 januari 2007 zijn binnengebracht in de Gemeenschap zoals die bestond vóór de
toetreding van die lidstaten
en
- Overgangsbepalingen / 7 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
- sedert hun binnenkomst in voornoemde Gemeenschap werden geplaatst onder een
regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten of onder één van de in artikel 23, § 4, 1° en 4° tot 7°, bedoelde regelingen
en - niet vóór 1 januari 2007 aan deze regeling zijn onttrokken,
blijven de bepalingen die van toepassing waren op het tijdstip dat de goederen onder deze regeling werden geplaatst van toepassing tot op het ogenblik dat de goederen aan deze regeling worden onttrokken.

§ 2. Wanneer een goed:
- vóór 1 januari 2007 werd geplaatst onder de regeling voor gemeenschappelijk
douanevervoer of een andere regeling voor douanevervoer
En - niet vóór die datum aan deze regeling is onttrokken,
blijven de bepalingen die van toepassing waren op het tijdstip dat het goed onder deze regeling werd geplaatst van toepassing tot op het ogenblik dat het goed aan deze regeling wordt onttrokken.

§ 3. Met de invoer van een goed in België in de zin van artikel 23 wordt gelijkgesteld, voor zover wordt aangetoond dat het een goed betreft dat zich in het vrije verkeer bevond in de Republiek Bulgarije of Roemenië:

1° elke onttrekking, met inbegrip van een onregelmatige onttrekking, van dat goed in België
aan een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten waaronder het goed vóór 1 januari 2007 werd geplaatst onder de in § 1 bedoelde voorwaarden;

2° elke onttrekking, met inbegrip van een onregelmatige onttrekking, van dat goed in België
aan één van de in artikel 23, § 4, 1° en 4° tot 7°, bedoelde regelingen waaronder het goed vóór 1 januari 2007 werd geplaatst onder de in § 1 bedoelde voorwaarden;

3° het einde in België van één van de in § 2 bedoelde regelingen, waarmee vóór 1 januari
2007 werd aangevangen binnen de Republiek Bulgarije of Roemenië ten behoeve van een vóór deze datum onder bezwarende titel verrichte levering van dat goed binnen één van deze lidstaten door een als zodanig handelende belastingplichtige;

4° elke onregelmatigheid of overtreding die werd begaan tijdens één van de in § 2 bedoelde
regelingen aangevangen op de onder 3° bedoelde voorwaarden.

§ 4. Eveneens wordt met de invoer van een goed in België in de zin van artikel 23 gelijkgesteld, de bestemming in België, door een belastingplichtige of een niet- belastingplichtige, van een goed dat hem is geleverd, vóór 1 januari 2007, binnen de Republiek Bulgarije of Roemenië wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- de levering van dat goed is of kon worden vrijgesteld uit hoofde van zijn uitvoer in de
Republiek Bulgarije of Roemenië;
- dat goed is niet vóór 1 januari 2007 ingevoerd in één van de lidstaten van de
Gemeenschap zoals die bestond vóór de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië.
- Overgangsbepalingen / 8 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026

§ 5. In afwijking van artikel 24 wordt de invoer van een goed in de zin van de §§ 3 en 4 verricht zonder dat een belastbaar feit plaatsvindt wanneer:

1° het goed uit de Gemeenschap wordt verzonden of vervoerd
of 2° het in de zin van § 3, 1°, ingevoerde goed geen vervoermiddel is en herverzonden of
vervoerd wordt naar de lidstaat waaruit het werd uitgevoerd en naar degene die het heeft uitgevoerd
of 3° het in de zin van § 3, 1°, ingevoerde goed een vervoermiddel is dat vóór 1 januari 2007 onder de algemene belastingvoorwaarden van de binnenlandse markt van de Republiek Bulgarije of Roemenië werd verworven of ingevoerd en/of waarvoor, uit hoofde van zijn uitvoer, geen vrijstelling of teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde werd verleend.
Aan deze voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan wanneer de datum van de eerste ingebruikneming van het vervoermiddel voorafgaat aan 1 januari 1999.

Art. 108. Artikel 108
(De tekst van art. 108 is ingevoegd met ingang van 01.01.1996 (Art. 21, KB 22.12.1995))

§ 1. Wanneer goederen:
- vóór 1 januari 1996 in België zijn ingevoerd,
en - vanaf hun invoer in België werden geplaatst onder een andere regeling van entrepot dan
douane-entrepot,
en - niet vóór 1 januari 1996 aan die regeling zijn onttrokken,
blijven de bepalingen die van toepassing waren op het tijdstip dat de goederen onder die regeling werden geplaatst van toepassing gedurende het verblijf onder die regeling, onder voorbehoud van de bepalingen van § 2.

§ 2. De goederen bedoeld in § 1 moeten uiterlijk op 31 december 1996 ten verbruik worden aangegeven.

Art. 109. Artikel 109
(De tekst van art. 109, werd opgeheven met ingang van 01.01.2015 (Art. 79, W 19.12.2014, B.S. 29.12.2014, Ed. 2, pg. 106219)
(opgeheven)
- Overgangsbepalingen / 9 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Bijlage A
Recente wijzigingen, volgens de officiële publicatie
* Wet van 19.12.2025 - Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de plaats van sommige diensten en betreffende de winstmargeregeling op de levering van kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten (B.S. 31.12.2025, pg. 99183, Numac: 2025009849)
Wijzigt met ingang van 31.12.2025:
- art.21 (§3, 3°)
- art.21bis (§§ 2,3)
- art.58 (§4,4°)
* 20.12.2024 - Wet houdende diverse fiscale bepalingen (B.S. 31.12.2024, pg. 144062, Numac: 2024011891)
Wijzigt met ingang van 10.01.2025:
- art. 90 (artikel vervangen)
* 16.05.2024 - Wet houdende aanpassing van het bijzonder fiscaal strafrecht aan het nieuw strafwetboek (B.S. 21.06.2024, Ed. 2, pg. 77671, Numac: 2024005238)
Wijzigt met ingang van 09.04.2026 (toekomstig recht):
- art. 52bis (§ 1, tweede lid, 9°, gewijzigd) - art. 63ter (§ 2, gewijzigd) - art. 73 (artikel vervangen) - art. 73bis (artikel vervangen) - art. 73bis/1 (tweede lid, gewijzigd en aangevuld met een lid) - art. 73quater (artikel vervangen) - art. 73quinquies (artikel vervangen) - art. 73quinquies/1 (nieuw artikel ingevoegd) - art. 73octies (artikel gewijzigd) - art. 73nonies (artikel vervangen) - art. 73decies (artikel vervangen)
* 12.05.2024 - Wet tot digitalisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de burgers, de bedrijven, de rechtspersonen en bepaalde derden en tot opheffing van de wet van 26 januari 2021 betreffende de dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten (B.S. 30.05.2024, Ed. 2, pg. 68168, Numac: 2024003880)
heft de wet van 26.01.2021 betreffende de dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten op.
Wijzigt met ingang ten laatste op 01.01.2028 (toekomstig recht):
- art. 1 (§§ 16 en 17, ingevoegd) - art. 53octies (§§ 1bis en 2, opgeheven) - art. 61 (§ 1, vijfde lid en § 2, derde lid, gewijzigd) - Hoofdstuk Xbis wordt ingevoegd, luidende: "Hoofdstuk Xbis. Digitalisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de belastingplichtigen, de niet-belastingplichtige rechtspersonen en de niet-belastingplichtige natuurlijke personen"
- art. 69bis (nieuw artikel ingevoegd) - art. 69ter (nieuw artikel ingevoegd)
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 1 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
- art. 69quater (nieuw artikel ingevoegd) - art. 69quinquies (nieuw artikel ingevoegd) - art. 69sexies (nieuw artikel ingevoegd) - art. 69septies (nieuw artikel ingevoegd) - art. 69octies (nieuw artikel ingevoegd) - art. 84ter (artikel vervangen) - art. 85 (§ 1, zevende lid en § 3, vervangen)
En wijzigt met ingang van 09.06.2024:
- art. 53octies (§ 2, opgeheven) * 21.03.2024 - Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de bijzondere vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen (B.S. 09.04.2024, pg. 40955, Numac : 2024002757)
Wijzigt met ingang ten laatste op 01.01.2025:
- art. 25ter (§ 1, eerste lid, vervangen; § 1, tweede lid, 2°, eerste lid, a), gewijzigd en § 1, tweede lid, 2°, vierde lid, gewijzigd)
- art. 39bis (eerste lid, inleidende zin, 1° en 3°, gewijzigd) - art. 45 (§ 1, 3°, vervangen) - art. 50 (§ 1, eerste lid, 1°, vervangen; § 1, tweede lid, gewijzigd en § 4, inleidende zin, gewijzigd)
- art. 53 (§ 1, tweede lid, gewijzigd) - art. 53bis (§ 1, eerste lid, gewijzigd) - art. 53quater (§ 1, vijfde en zesde lid, gewijzigd) - art. 53quinquies (derde lid, gewijzigd) - In Hoofdstuk IX, afdeling 1, wordt een onderafdeling 1 ingevoegd, die artikel 56 van het Wetboek bevat, luidende: "Onderafdeling 1 - Regeling van de forfaitaire grondslagen"
- art. 56 (§ 4, tweede en vierde lid, gewijzigd) - In Hoofdstuk IX, afdeling 1, wordt na artikel 56 een onderafdeling 2 ingevoegd, luidende: "Onderafdeling 2 - Vrijstellingsregeling van belasting"
- art. 56bis (§ 1, eerste lid, gewijzigd) - art. 56ter (nieuw artikel ingevoegd) - art. 56quater (nieuw artikel ingevoegd) - art. 56quinquies (nieuw artikel ingevoegd) - art. 56sexies (nieuw artikel ingevoegd) - art. 56septies (nieuw artikel ingevoegd) - art. 56octies (nieuw artikel ingevoegd) - art. 56nonies (nieuw artikel ingevoegd) - art. 56decies (nieuw artikel ingevoegd) - art. 56undecies (nieuw artikel ingevoegd) - art. 57 (§ 6, eerste lid, 2° en § 9, eerste lid, gewijzigd) - art. 58 (§ 4, 2°, derde streepje, gewijzigd)
* 06.02.2024 - Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wat de invoering van de verplichting tot elektronische facturering betreft (B.S. 20.02.2024, pg. 24025, Numac: 2024001635)
Wijzigt met ingang van 01.01.2026 :
- art. 1 (§ 13, 3°, ingevoegd) - art. 53 (§ 2, eerste lid, inleidende zin vervangen; § 2bis ingevoegd en § 3 vervangen)
* 28.12.2023 - Wet houdende diverse fiscale bepalingen (B.S. 29.12.2023, pg. 125014, Numac: 2023048795)
Wijzigt betreffende de openbare verkopen van roerende goederen na 10.01.2024:
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 2 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
- art. 93undeciesD (eerste lid, gewijzigd (voor de gevallen waarin het artikel nog van kracht is))
En wijzigt met ingang van 08.01.2024:
- art. 91 (§ 4, eerste lid, 1°, aangevuld en 1°/1 ingevoegd)
En wijzigt betreffende de berichten bedoeld in art. 93ter, § 1 W.Btw verzonden na 01.01.2024:
- art. 93quater (§ 1, gewijzigd (voor de gevallen waarin het artikel nog van kracht is)) - art. 93quinquies (§ 1, tweede lid en § 3, eerste lid, gewijzigd (voor de gevallen waarin het artikel nog van kracht is))
* 22.12.2023 - Wet houdende diverse fiscale bepalingen (B.S. 29.12.2023, pg. 125007, Numac: 2023048700. Bij erratum werd in de Nederlandse titel het woord “fiscale” toegevoegd)
Wijzigt met ingang van 01.01.2025:
- art. 76 (§ 1, derde lid, vervangen en § 2, derde lid, 3°, ingevoegd)
* 17.12.2023 - Koninklijk besluit tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 2bis, 3, 14, 19, 22, 31, 41 en 44 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde en tot uitstel van de datum van inwerkingtreding van de wet van 12 maart 2023 tot modernisering van de btw-ketting en van de inning van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen binnen de FOD Financiën (B.S. 22.12.2023, pg. 120969, Numac: 2023048329)
De oorspronkelijke inwerkingtreding van de wet van 12.03.2023 - Wet tot modernisering van de btw-ketting en van de inning van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen binnen de FOD Financiën - op 01.01.2024, werd uitgesteld tot 01.01.2025 (art. 35, KB 17.12.2023). De inwerkingtreding van de wijzigingen op 01.02.2024, werden hierdoor met evenveel maanden (12) uitgesteld tot 01.02.2025 (Art. 22, tweede lid, W 12.03.2023)
* 23.11.2023 - Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en houdende bijzondere invorderingsregels van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (B.S. 01.12.2023, pg. 111953, Numac: 2023047474 - Errata, B.S. 01.03.2024, pg. 28826, Numac: 2024001947)
Wijzigt met ingang van 01.01.2024:
- art. 51bis (§ 3bis, ingevoegd) - art. 53quater (§§ 1, 2 en 4, vervangen en § 5, gewijzigd) - art. 93duodecies/4 (artikel vervangen)
En wijzigt met ingang van 11.12.2023:
- art. 1bis (4°, vervangen) - art. 25ter (§ 1, tweede lid, 2°, gewijzigd) - art. 39bis (eerste lid, 3°, gewijzigd) - art. 39quater (artikel vervangen) - art. 46 (artikel vervangen) - art. 49 (inleidende zin, gewijzigd; punt 4°, vervangen en punt 6°, ingevoegd) - art. 50 (§ 1, punt 2°, inleidende zin; punt 4° en punt 5°, gewijzigd) - art. 51 (§ 2, tweede lid, gewijzigd) - art. 51bis (§ 2, gewijzigd – enkel in de Franse tekst) - art. 53quinquies (eerste lid, vervangen en derde lid, gewijzigd) - art. 55 (§ 6, tweede lid, gewijzigd) - art. 57 (§ 1, vervangen; § 1bis en § 1ter, ingevoegd; § 7, eerste lid, vervangen en § 9, ingevoegd)
- art. 60 (§ 5, tweede lid, gewijzigd)
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 3 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
- art. 70 (§ 2, tweede lid, gewijzigd - enkel in de Franse tekst) - art. 81bis (§ 1, aangevuld met een lid)
En wijzigt met ingang van 01.01.2023:
- art. 84ter (artikel vervangen)
* 07.04.2023 - Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de invoering van bepaalde informatieverplichtingen voor betalingsdienstaanbieders (B.S. 18.04.2023, pg. 39876, Numac: 2023041376)
Wijzigt met ingang van 01.01.2024:
- art. 1bis (nummers 10° en 11°, ingevoegd) - Het opschrift van hoofdstuk XVII wordt hersteld als volgt: “Verplichtingen van betalingsdienstaanbieders”
- art. 93duodecies (artikel hersteld) - art. 93duodecies/1 (nieuw artikel ingevoegd) - art. 93duodecies/2 (nieuw artikel ingevoegd) - art. 93duodecies/3 (nieuw artikel ingevoegd) - art. 93duodecies/4 (nieuw artikel ingevoegd) - art. 93duodecies/5 (nieuw artikel ingevoegd)
* 12.03.2023 - Wet tot modernisering van de btw-ketting en van de inning van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen binnen de FOD Financiën (B.S. 23.03.2023, p. 33328, Numac: 2023041020). De oorspronkelijke inwerkingtreding van deze wet op 01.01.2024, werd uitgesteld tot 01.01.2025 (art. 35, KB 17.12.2023, B.S. 22.12.2023, pg. 120969, Numac: 2023048329). De inwerkingtreding van de wijzigingen op 01.02.2024, werden hierdoor met evenveel maanden (12) uitgesteld tot 01.02.2025 (Art. 22, tweede lid, W 12.03.2023).
Wijzigt met ingang van 01.02.2025:
- art. 47 (tweede lid vervangen en het artikel wordt aangevuld met een lid) - art. 76 (§ 1, vervangen) - art. 83bis (nieuw artikel ingevoegd)
En wijzigt met ingang van 01.01.2025:
- art. 53 (§ 1ter, ingevoegd) - art. 62 (artikel vervangen) - art. 66 (eerste lid vervangen, tweede lid gewijzigd en het vierde lid opgeheven) - art. 67 (tweede lid vervangen en derde lid ingevoegd) - art. 85 (§ 1, gewijzigd)
* 21.12.2022 - Wet houdende diverse fiscale bepalingen (B.S. 29.12.2022, pg. 102555, Numac: 2022043130)
Wijzigt met ingang van 01.01.2022:
- art. 44 (§ 2, 12°, gewijzigd – enkel de Franse tekst)
* 20.11.2022 - Wet houdende diverse fiscale en financiële bepalingen (B.S. 30.11.2022, pg. 88145, Numac: 2022034191)
Wijzigt met ingang van 01.01.2023:
- art. 51ter (artikel gewijzigd) - art. 55 (§ 4, tweede lid en § 6, eerste lid, gewijzigd)
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 4 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
- art. 60 (§§ 3 en 4, gewijzigd) - art. 70 (§ 4, tweede lid, gewijzigd) - art. 73sexies (eerste en tweede lid, gewijzigd) - art. 81 (artikel gewijzigd) - art. 81bis (§§ 1 en 2, gewijzigd) - art. 82 (artikel gewijzigd) - art. 82bis (artikel gewijzigd) - art. 83 (§ 1, eerste en tweede lid en § 3, eerste lid, gewijzigd) - art. 85 (§§ 1 en 3, gewijzigd) - art. 91 (volledig artikel vervangen)
En wijzigt met ingang van 10.12.2022:
- art. 92ter (nieuw artikel ingevoegd)
* 16.10.2022 - Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde (B.S. 24.10.2022, Ed. 2, pg. 77534, Numac : 2022033779)
Wijzigt met ingang van 03.11.2022:
- art. 1 (§§ 2; 5; 6; 7, eerste en tweede lid; 8; 9; 12; 15; 16; 17; 18; 19 en 20 gewijzigd; §§ 10 en 13 vervangen en §§ 21; 22 en 23 ingevoegd) - art. 1bis (nieuw artikel ingevoegd) - art. 4 (§ 1, tweede lid, ingevoegd) - art. 18 (§ 1, tweede lid,1° en 14°, gewijzigd) - art. 37 (§ 2, gewijzigd) - art. 38 (§ 5, gewijzigd) - art. 42 (in § 3, werd tussen het vierde en het vijfde lid, een lid ingevoegd) - art. 44 (§ 2, 14°, ingevoegd; § 2bis, eerste lid, 1° en de eerste zin onder 2°, vervangen en § 3, 14°, opgeheven)
- art. 53octies (§ 2, tweede lid, gewijzigd) - art. 55 (§ 1, eerste lid, gewijzigd) - art. 58quinquies (§ 2, eerste lid, 3°, gewijzigd) - art. 85 (§ 2, tweede lid, gewijzigd) - art. 91 (§ 3, 2°, eerste lid, gewijzigd) - art. 93octies (betreffende de gevallen waarvoor het artikel, zoals van kracht vóór 01.01.2020, nog steeds van toepassing kan zijn, werd het eerste lid gewijzigd)
En wijzigt met ingang van 01.01.2022:
- art. 12bis (tweede lid, 1°, gewijzigd)
En wijzigt met ingang van 01.07.2021:
- art. 14 (§ 5, aangevuld met een lid)
* 05.07.2022 - Wet houdende diverse fiscale bepalingen (B.S. 15.07.2022, pg. 56392, Numac: 2022032714)
Wijzigt met ingang van 25.07.2022:
- art. 53octies (§ 4, gewijzigd)
* 18.04.2022 - Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 74 van de wet van 11 augustus 2017 houdende invoeging van het Boek XX "Insolventie van ondernemingen", in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan boek XX, en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan boek XX, in boek I van het Wetboek van economisch recht (B.S. 01.06.2022, pg. 46913, Numac: 2022031918)
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 5 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
- art. 93undeciesB (De wijziging bij het huidige uitvoeringsbesluit betreft de identieke aanpassing als deze welke reeds werd doorgevoerd, met ingang van 01.05.2019, bij artikel 85 van de Wet van 17.03.2019 tot aanpassing van bepaalde federale fiscale bepalingen aan het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (B.S. 10.05.2019))
* 17.03.2022 - Wet houdende diverse fiscale bepalingen en fraudebestrijding (B.S. 25.03.2022, pg. 24484, Numac: 2022020530)
Wijzigt met ingang van 04.04.2022:
- art. 59 (§ 1, aangevuld met een lid) - art. 63ter (nieuw artikel ingevoegd) - art. 74bis (aangevuld met een lid)
* 21.01.2022 - Wet houdende diverse fiscale bepalingen (B.S. 28.01.2022, pg. 7606, Numac: 2022040046)
Wijzigt met ingang van 07.02.2022:
- art. 53octies (§ 2, eerste lid, gewijzigd)
En wijzigt met ingang van 01.04.2021:
- art. 53octies (§ 1bis, ingevoegd en § 3, gewijzigd)
* 27.12.2021 - Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde (B.S. 31.12.2021 - Ed. 2, pg. 127779, Numac : 2021034489. Errata B.S. 10.02.2022, pg. 9775)
Wijzigt met ingang van 01.01.2023 :
- art. 46 (§ 2, vervangen)
En wijzigt met ingang van 01.07.2022:
- art. 44 (§ 3, 2°, a), vervangen)
En wijzigt met ingang van 10.01.2022 :
- art. 44 (§ 2, 11°, vervangen) - art. 50 (§ 1, tweede lid, gewijzigd) - art. 53quater (§ 1, derde lid gewijzigd; § 2 vervangen en § 4, tweede lid vervangen) - art. 58quater (§ 6, vierde en vijfde lid, gewijzigd) - art. 58quinquies (§ 9, vervangen) - art. 76 (§ 1, vierde lid, vervangen; § 2, vervangen en § 3, ingevoegd) - art. 91 (§ 1, eerste lid, 4°, vervangen)
En wijzigt met ingang van 01.01.2022 :
- art. 53 (§ 2, eerste lid, 2°, gewijzigd) - art. 56 (§§ 6 en 7, ingevoegd) - art. 57 (§ 2, aangevuld met een lid; § 6, vervangen en § 7, eerste lid, vervangen)
En wijzigt met ingang van 01.07.2021 :
- art. 15 (§ 2bis, ingevoegd)
* 27.12.2021 - Programmawet (B.S. 31.12.2021 - Ed. 1, pg. 126438, Numac : 2021043625)
Wijzigt met ingang van 01.01.2022:
- art. 56bis (§ 3, 6°, ingevoegd)
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 6 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
* 20.12.2021 - Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de vrijstellingen van de belasting ter uitvoering van activiteiten in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid binnen het Uniekader en betreffende tijdelijke vrijstellingen bij invoer en bepaalde leveringen van goederen en diensten in reactie op de COVID-19- pandemie (B.S. 28.12.2021, pg. 125175, Numac : 2021034485)
Wijzigt met ingang van 01.07.2022:
- art. 25quater (§ 2, vervangen) - art. 42 (§ 3, eerste lid, 4°bis en 4°ter, ingevoegd)
En wijzigt met ingang van 01.01.2021:
- art. 42 (§ 3, eerste lid, 3°bis ingevoegd; in § 3 werd tussen het tweede en derde lid een nieuw lid ingevoegd en § 3 werd aangevuld met een nieuw lid)
* 20.12.2021 - Wet tot invoering van diverse bepalingen inzake de invordering en tot aanpassing van bepalingen ten gevolge van de invoering van het wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (B.S. 28.12.2021, pg. 125177, Numac : 2021034484)
Wijzigt met ingang van 01.05.2019:
- art. 93undeciesC (§ 1, eerste lid, gewijzigd - het artikel kan nog van toepassing zijn op de gevallen bedoeld in art. 138, W 13.04.2019)
* 18.07.2021 - Wet houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19- pandemie (B.S. 29.07.2021, pg. 76957, Numac: 2021021520)
Wijzigt met ingang van 01.07.2021:
- art. 91 (tijdelijke afwijking van het geldende artikel (W 02.04.2021, Numac: 2021020750) verlengd t.e.m. september 2021)
* 11.07.2021 - Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de vrijstelling van de belasting inzake medische verzorging betreft (B.S. 20.07.2021, pg. 71593, Numac: 2021031804. Errata B.S. 09.09.2021, pg. 95519, Numac: 2021032818)
Wijzigt met ingang van 01.01.2022:
- art. 44 (§ 1 en § 2, 1°, a), vervangen)
* 27.06.2021 - Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde (B.S. 30.06.2021, Ed. 3, pg. 66732, Numac: 2021042511)
Wijzigt met ingang van 10.07.2021:
- art. 1 (§ 3bis, ingevoegd en § 4, eerste lid, 4°; § 4, tweede lid, 4° en § 5, 1°, opgeheven)
- art. 12 (§ 1, eerste lid, 2°, a) en derde lid, vervangen) - art. 38 (artikel vervangen) - art. 38bis (artikel vervangen) - art. 38ter (nieuw artikel ingevoegd) - art. 39bis (eerste lid, 3°, gewijzigd) - art. 44 (§ 2bis, eerste lid, 1° en § 3, 11°, a), gewijzigd) - art. 50 (§ 4, 4°, gewijzigd) - art. 53sexies (§ 2, gedeeltelijk opgeheven en § 3, ingevoegd) - art. 54bis (§ 1, vervangen) - art. 77 (§ 2, eerste lid, inleidende zin, vervangen en § 3, ingevoegd) - art. 77bis (artikel vervangen) - art. 80 (vierde lid, ingevoegd)
En wijzigt met ingang van 01.01.2022:
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 7 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
- art. 44 (§ 2bis, eerste lid, 1° - voor de zelfstandige groeperingen van personen opgericht vóór 1 juli 2021 voor diensten verricht aan leden die vóór 1 juli 2021 tot die groeperingen zijn toegetreden)
* 27.06.2021 - Wet houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten (B.S. 30.06.2021, Ed. 3, pg. 66736, Numac: 2021021157)
Wijzigt met ingang van 10.07.2021:
- art. 61 (in § 1, werd tussen het vierde en het vijfde lid een lid ingevoegd) - art. 93bis (tweede lid, gewijzigd) * 29.04.2021 - Besluit (EU) 2021/689 van de Raad van 29 april 2021 betreffende de sluiting, namens de Unie, van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord- Ierland, anderzijds, en van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake beveiligingsprocedures voor de uitwisseling en bescherming van gerubriceerde gegevens (PB L 149/2 d.d. 30.04.2021)
Definitieve toepassing van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst met het Verenigd Koninkrijk, vanaf 01.05.2021 – Zie noot bij artikel 1 van het wetboek.
* 02.04.2021 - Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de regeling betreft die van toepassing is op afstandsverkopen van goederen en op bepaalde leveringen van goederen en diensten (B.S. 13.04.2021, pg. 32957, Numac: 2021041096)
Wijzigt met ingang van 01.07.2021:
- art. 1 (§§ 19 en 20, ingevoegd) - art. 13bis (nieuw artikel ingevoegd) - art. 14 (§ 6, ingevoegd) - art. 15 (artikel vervangen) - art. 17 (§§ 5 en 6, ingevoegd) - art. 21bis (§ 2, 9°, gewijzigd) - art. 27 (§ 3, gewijzigd) - art. 39ter (artikel hersteld) - art. 40 (§ 1, 1°bis, ingevoegd) - art. 50 (§ 1, eerste lid, 3°, vervangen) - art. 53 (§ 1bis en § 2, eerste lid, 2°, vervangen) - art. 53quater (§§ 1 en 2, aangevuld met een lid) - art. 53decies (§ 1, derde lid, vervangen) - art. 54ter (nieuw artikel ingevoegd) - art. 55 (§ 1, eerste lid, gewijzigd en een nieuw lid ingevoegd tussen het eerste en het tweede lid)
- Het opschrift van hoofdstuk IX, afdeling 4, wordt vervangen als volgt: "Bijzondere regelingen van toepassing op diensten verricht voor niet-belastingplichtigen, afstandsverkopen van goederen of bepaalde binnenlandse leveringen van goederen" - art. 58bis (artikel vervangen) - art. 58ter (artikel vervangen) - Het opschrift van hoofdstuk IX, afdeling 4, onderafdeling 3, wordt vervangen als volgt: "Bijzondere regeling voor intracommunautaire afstandsverkopen van goederen, voor leveringen van goederen binnen een lidstaat door elektronische interfaces die die leveringen faciliteren en voor diensten verricht door in de Gemeenschap maar niet in de lidstaat van verbruik gevestigde belastingplichtigen"
- art. 58quater (artikel vervangen) - Hoofdstuk IX, afdeling 4, onderafdeling 4, wordt ingevoegd luidende: "Bijzondere regeling van toepassing op afstandsverkopen van uit derdelandsgebieden of derde landen ingevoerde goederen"
- art. 58quinquies (nieuw artikel ingevoegd) - Hoofdstuk IX, afdeling 5, wordt ingevoegd luidende: "Bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van de btw bij invoer"
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 8 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
- art. 58sexies (nieuw artikel ingevoegd)
* 02.04.2021 - Wet houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19- pandemie (B.S. 13.04.2021, pg. 32911, Numac: 2021020750)
Wijzigt met ingang van 01.04.2021:
- art. 53octies (§ 1, derde en vierde lid, opgeheven) - art. 91 (tijdelijke afwijking voor de maanden april, mei en juni 2021 ingevoerd)
* 23.02.2021 - Besluit nr. 1/2021 van de partnerschapsraad die is opgericht bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese unie en de Europese gemeenschap voor atoomenergie, enerzijds, en het verenigd koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds van 23 februari 2021, met betrekking tot de datum waarop de voorlopige toepassing overeenkomstig de Handels- en samenwerkingsovereenkomst wordt beëindigd (2021/356) (PB L 68/227 van 26.02.2021)
De voorlopige toepassing van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst met het Verenigd Koninkrijk, werd verlengd tot 30.04.2021 – Zie noot bij artikel 1 van het wetboek.
* 26.01.2021 - Wet betreffende de dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten (B.S. 10.02.2021, pg. 12719)
Wijzigt met ingang van 01.04.2021:
- art. 53octies (§ 2, vervangen)
En wijzigt met ingang van 01.01.2025 (toekomstig recht):
- art. 1 (§§ 16 tot 18, ingevoegd) - art. 53octies (§ 3, vervangen en § 4, opgeheven) - art. 53terdecies (§ 1, vervangen en aangevuld met een lid, en § 2 vervangen) - art. 61 (§ 2, derde lid, wordt aangevuld en nieuw lid ingevoegd) - art. 62 (§ 2, hersteld) - art. 63 (aangevuld met een vijfde lid) - art. 64 (§ 4, aangevuld met een vijfde lid) - De titel “Hoofdstuk Xbis. Dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de belastingplichtigen, de niet-belastingplichtige rechts-personen en de niet- belastingplichtige natuurlijke personen”, wordt ingevoegd - art. 69bis (nieuw artikel ingevoegd) - art. 69ter (nieuw artikel ingevoegd) - art. 69quater (nieuw artikel ingevoegd) - art. 69quinquies (nieuw artikel ingevoegd) - art. 69sexies (nieuw artikel ingevoegd) - art. 69septies (nieuw artikel ingevoegd) - art. 69octies (nieuw artikel ingevoegd) - art. 84ter (enig lid gewijzigd en wordt eerste lid en tweede lid ingevoegd) - art. 84quater (§ 1 enig lid gewijzigd en wordt eerste lid en tweede lid ingevoegd) - art. 85 (§ 1, derde lid gewijzigd; in § 1 wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd; in § 1 wordt het zesde lid, dat het zevende lid wordt, vervangen; in § 1 wordt het zevende lid, dat het achtste lid wordt, vervangen en het bestaande achtste lid wordt opgeheven; in § 3, wordt het eerste lid gewijzigd en wordt het tweede lid vervangen)
* 30.12.2020 - Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanië en Noord- Ierland, anderzijds (PB L 444 van 31.12.2020, pg. 14-1462)
Kennisgeving betreffende de voorlopige toepassing van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, van de Overeenkomst tussen de Europese
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 9 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
Unie en het Verenigd Koninkrijk van Groot- Brittannië en Noord-Ierland inzake beveiligingsprocedures voor de uitwisseling en bescherming van gerubriceerde gegevens, en van de Overeenkomst tussen de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voor samenwerking op het gebied van het veilige en vreedzame gebruik van kernenergie (PB L1/1 van 01.01.2021).
Verandering van status van het Verenigd Koninkrijk van lidstaat van de Europese Unie naar derde land, met toepassing van de handels- en samenwerkingsovereenkomsten van 30.12.2020 - Reële voorlopige toepassing van de “Brexit” met ingang van 01.01.2021 tot 28.02.2021
* 24.12.2020 - Wet betreffende het verenigingswerk (B.S. 31.12.2020, pg. 98046 en gewijzigd bij art. 128, 2°, W 21.01.2022, B.S. 28.01.2022, p. 7606)
Wijzigt met ingang van 01.01.2021:
- art. 50 (§ 4, vervangen)
* 20.12.2020 - Programmawet (B.S. 30.12.2020 – pg. 96068)
Wijzigt met ingang van 31.12.2020:
- art. 62bis (tweede lid, vervangen)
* 15.07.2020 - Wet houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA III) (B.S. 23.07.2020, pg. 55186, erratum B.S., 31.07.2020, blz. 56523)
Tijdelijke maatregelen met ingang van 01.03.2020 t.e.m. 31.12.2020 :
- art. 12 (gedeeltelijke verlenging tot 31.12.2020 van de afwijkende bepalingen)
* Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 32/2020 d.d. 20.02.2020 (B.S. 13.07.2020, pg. 51923)
Absoluut gezag van gewijsde 13.07.2020:
- art. 70 (§ 1bis, ongrondwettelijke interpretatie)
* 11.06.2020 - Wet tot aanpassing van verscheidene belastingwetboeken aan de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek (B.S. 19.06.2020, pg. 44740)
Wijzigt met ingang van 01.01.2020:
- art. 74bis (vierde lid, gewijzigd) - art. 74ter (artikel gewijzigd)
* 29.05.2020 - Wet houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (B.S., 11.06.2020, pg. 42500)
Tijdelijke maatregelen met ingang van 01.03.2020 t.e.m. 01.09.2020 (verlengbaar bij KB):
- art. 12 (tijdelijke afwijking van de principieel toepasselijke tekst)
* Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 53/2020 d.d. 23.04.2020 (B.S. 20.05.2020, pg 36291)
Absoluut gezag van gewijsde op 20.05.2020:
- art. 50 (de vervanging van § 4, met ingang van 01.01.2018 bij de wet van 18.07.2018 (B.S. 26.07.2018) werd vernietigd. Het Hof handhaaft echter de gevolgen van de vernietigde bepalingen voor de activiteiten geleverd tot en met 31.12.2020)
* 23.04.2020 - Wet houdende wijzigingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van de minnelijke en gedwongen
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 10 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en de programmawet (I) van 29 maart 2012, inzake de verwerking van persoongegevens via het e-notariaat (B.S. 11.05.2020, pg. 33377)
Wijzigt met ingang van 30.12.2019: (Zie evenwel de wet van 13.04.2019)
- art. 93ter (§ 1, eerste lid, inleidende zin, vervangen; § 1, eerste lid, 2°, gewijzigd; in § 1 werden vier leden ingevoegd tussen het eerste en het tweede lid dat het zesde lid werd, werd gewijzigd)
- art. 93quater (§ 1, 2°, gewijzigd en het artikel werd aangevuld met een paragraaf 4) - art. 93octies (artikel hersteld)
* Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 32/2020 d.d. 20.02.2020 (https://www.const-court.be)
Het arrest werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 13.07.2020:
- art. 70 (§ 1bis, ongrondwettelijke interpretatie)
* Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 104/2019 d.d. 27.06.2019 (B.S. 04.03.2020, pg. 13431)
Absoluut gezag van gewijsde 04.03.2020:
- art. 63 (derde lid, ongrondwettelijke interpretatie)
* Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 194/2019 d.d. 05.12.2019 (B.S. 16.01.2020, pg. 1273)
Vernietigt met ingang van 01.10.2020:
- art. 44 (§ 1 en § 2, 1°, a), werden gedeeltelijk en voorwaardelijk vernietigd)
* 09.12.2019 - Wet tot wijziging van de algemene wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977 en het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde ter omzetting van richtlijn (EU) 2017/1371 (B.S. 18.12.2019, pg. 114228)
Wijzigt met ingang van 28.12.2019:
- art. 73 (derde lid, ingevoegd) - art. 73nonies (nieuw artikel ingevoegd) - art. 73decies (nieuw artikel ingevoegd)
* 03.11.2019 - Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde ter omzetting van richtlijn (EU) 2019/475 en richtlijn (EU) 2018/1910 (B.S. 13.11.2019, pg. 104872. Errata M.B. 27.12.2019, Ed. 2, p. 118384)
Wijzigt met ingang van 01.01.2020:
- art. 1 (§ 4, vervangen) - art. 12ter (nieuw artikel ingevoegd) - art. 14 (§ 5, ingevoegd) - art. 25bis (§ 3, ingevoegd) - art. 25quater (§ 1, tweede lid, gewijzigd) - art. 39bis (eerste lid, 1°, vervangen en na het eerste lid is een nieuw lid ingevoegd) - art. 53sexies (§ 1, inleidende zin, gewijzigd) - art. 54bis (§ 1, derde en vierde lid, ingevoegd)
* 05.05.2019 - Wet houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek (B.S. 24.05.2019, pg. 50023)
Wijzigt met ingang van 01.01.2020:
- art. 73bis/1 (nieuw artikel ingevoegd) - art. 74 (§ 2, eerste lid, en § 3, eerste lid gewijzigd; § 2, tweede lid, vervangen)
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 11 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
* 02.05.2019 - Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging van de belastingvermindering voor giften (B.S. 15.05.2019, pg. 46586)
Wijzigt met ingang van 25.05.2019:
- art. 1 (§ 7, eerste lid, 1°, gewijzigd; eerste lid, 2°, vervangen en tweede lid, 1°, vervangen)
- art. 8 (artikel gewijzigd) - art. 12 (§ 2, gewijzigd) - art. 16 (§ 2, derde lid, gewijzigd) - art. 18 (§ 2, tweede lid, gewijzigd) - art. 29 (§ 2, gewijzigd) - art. 35 (tweede lid, gewijzigd) - art. 36 (§ 1, a), gewijzigd) - art. 44 (§ 3, 1°, gewijzigd) - art. 45 (§ 4, gewijzigd) - art. 53quater (§ 1, derde lid, gewijzigd) - art. 55 (§ 1, eerste lid, vervangen en § 2, aangevuld met een lid)
En wijzigt met ingang van 01.04.2019:
- art. 85 (het artikel werd, met ingang van 01.04.2019, vervangen bij wet van 26.11.2018 en bij de huidige wet opnieuw gewijzigd met dezelfde datum van inwerkingtreding)
* 02.05.2019 - Wet houdende diverse fiscale bepalingen 2019-I (B.S. 15.05.2019, pg. 46579)
Wijzigt met ingang van 01.01.2019:
- art. 37 (§ 2, vervangen)
En wijzigt met ingang van 25.05.2019:
- art. 42 (§ 3, 2° lid, vervangen en § 3 aangevuld met een derde lid) - art. 53terdecies (nieuw artikel ingevoegd)
* 17.03.2019 - Wet tot aanpassing van bepaalde federale fiscale bepalingen aan het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (B.S. 10.05.2019, pg. 45450)
Wijzigt met ingang van 01.05.2019:
- art. 56 (§ 1, 2° lid, vervangen) - art. 57 (§ 6, 1°, vervangen) - art. 93undeciesB (§ 4, gewijzigd) - art. 93undeciesC (§ 1, eerste lid, gewijzigd)
* 07.04.2019 - Wet tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde teneinde schenkingen van niet-voedingsmiddelen aan de meest behoeftigen van btw vrij te stellen (B.S. 06.05.2019, pg. 43454)
Wijzigt met ingang van 16.05.2019:
- art. 12 (§ 1, eerste lid, 2°, aangevuld met c))
* 13.04.2019 - Wet tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (B.S. 30.04.2019, pg. 41412)
Wijzigt met ingang van 01.01.2020:
- art. 63bis (eerste, tweede en derde lid, opgeheven) - art. 83 (§ 1, tweede lid, vervangen en § 2, vervangen) - De titel van Hoofdstuk XIV, wordt vervangen door: "Hoofdstuk XIV. Inning en gedingen" - art. 84bis (artikel opgeheven) - art. 84quinquies (artikel opgeheven) - art. 84sexies (artikel opgeheven) - art. 84septies (artikel opgeheven)
- Bijlage A. Recente wijzigingen / 12 -
FOD Financiën (AABEO) W.Btw - bijw. nr. 62 / 01.02.2026
- art. 84octies (artikel opgeheven) - art. 84nonies (artikel opgeheven) - art. 84decies (artikel opgeheven) - art. 84undecies (artikel opgeheven) - art. 85 (paragrafen 4, 5 en 6, opgeheven) - art. 85bis (artikel opgeheven) - art. 85ter (artikel opgeheven) - art. 86 (artikel opgeheven) - art. 87 (artikel opgeheven) - art. 88 (artikel opgeheven) - art. 88bis (artikel opgeheven) - art. 88ter (artikel opgeheven) - art. 89 (artikel opgeheven) - art. 89bis (artikel opgeheven) - art. 92 (artikel vervangen) - Hoofdstuk XVI, dat de artikelen 93ter tot 93undeciesE bevat, wordt opgeheven - Hoofdstuk XVII, dat artikel 93duodecies bevat, wordt opgeheven