Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
14 JANUARI 2026. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 november 1969 houdende algemeen reglement betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen en het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap
Titre
14 JANVIER 2026. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 17 novembre 1969 portant règlement général relatif à l'octroi d'allocations aux handicapés et l'arrêté royal du 22 mai 2003 relatif à la procédure concernant le traitement des dossiers en matière des allocations aux personnes handicapées
Informations sur le document
Info du document
Tekst (7)
Texte (7)
Artikel 1. In artikel 48, tweede lid, van het koninklijk besluit van 17 november 1969 houdende algemeen reglement betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen, wordt het woord "postassignaties" vervangen door de woorden "circulaire cheques".
Article 1er. Dans l'article 48, alinéa 2, de l'arrêté royal du 17 novembre 1969 portant règlement général relatif à l'octroi d'allocations aux handicapés, les mots " d'assignations postales " sont remplacés par les mots " de chèques circulaires ".
Art. 2. In artikel 58, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen door het koninklijk besluit van 22 mei 2003, wordt het woord "postassignatie" vervangen door de woorden "circulaire cheque".
Art. 2. Dans l'article 58, alinéa 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 22 mai 2003, les mots " de l'assignation postale " sont remplacés par les mots " du chèque circulaire ".
Art. 3. Artikel 24 van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 september 2004, wordt vervangen als volgt:
"Art. 24. § 1. De tegemoetkomingen worden per maand en per twaalfden uitbetaald.
§ 2. De uitbetaling van de tegemoetkomingen wordt uitgevoerd door overschrijving op een betaalrekening geopend bij een betalingsdienstaanbieder op naam van de persoon met een handicap of waarvan hij medetitularis is.
Onverminderd artikel 29, gaat de persoon aan wie de tegemoetkoming wordt uitbetaald, ermee akkoord dat bedragen die ten onrechte betaald werden ten gevolge van overlijden of vertrek naar het buitenland, teruggevorderd kunnen worden via de betalingsdienstaanbieder die de betaalrekening beheert. Deze machtiging blijft van kracht na het overlijden van de gerechtigde. In dit kader wordt een overeenkomst afgesloten tussen de betalingsdienstaanbieder en de Dienst waarin de wederzijdse rechten en verplichtingen nader worden omschreven. De Minister kan nader bepalen wat in de overeenkomst moet staan.
Voor de toepassing van deze paragraaf, wordt onder "betalingsdienstaanbieder", begrepen de rechtspersonen bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder, en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen, of bedoeld in het recht van een andere lidstaat die de Richtlijn 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG, omzet.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 gebeurt de uitbetaling van de tegemoetkomingen:
1° aan de persoon die de ouderlijke macht uitoefent over de gerechtigde;
2° aan de bewindvoerder van goederen bedoeld in artikel 494, c), van het oud Burgerlijk wetboek, van de gerechtigde, op voorwaarde dat deze uitdrukkelijk onbekwaam werd verklaard om zijn rechten en plichten in fiscale en sociale zaken uit te oefenen. Als er meerdere bewindvoerders van goederen aangeduid zijn, aan de bewindvoerder van goederen die bevoegd werd verklaard om handelingen te stellen met betrekking tot de rechten en plichten in fiscale en sociale zaken;
3° aan de voogd wanneer het een minderjarige betreft die onder voogdij staat;
4° aan de voorlopige bewindvoerder aangesteld door de commissie voor sociale bescherming of door de vrederechter bij toepassing van artikel 29 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en de gewoontemisdadigers.
In de gevallen bedoeld in vorig lid, geschiedt de betaling op een betaalrekening geopend bij een betalingsdienstaanbieder op naam van de gerechtigde waarop de ouder, de aangestelde bewindvoerder van goederen, de voogd of de voorlopig bewindvoerder een volmacht heeft.
§ 4. In afwijking van paragraaf 2, als de gerechtigde geen toegang heeft tot de basisbankdienst zoals bedoeld in de artikelen VII.56/1 tot VII.59/3 van Boek VII van het Wetboek van economisch recht van 28 februari 2013, kan de uitbetaling gebeuren door middel van circulaire cheques waarvan het bedrag betaalbaar is in handen van de gerechtigde.
Deze afwijking is niet mogelijk indien de tegemoetkoming wordt uitbetaald aan een ander persoon dan de persoon met een handicap in toepassing van paragraaf 3, 2° en 4°.".
"Art. 24. § 1. De tegemoetkomingen worden per maand en per twaalfden uitbetaald.
§ 2. De uitbetaling van de tegemoetkomingen wordt uitgevoerd door overschrijving op een betaalrekening geopend bij een betalingsdienstaanbieder op naam van de persoon met een handicap of waarvan hij medetitularis is.
Onverminderd artikel 29, gaat de persoon aan wie de tegemoetkoming wordt uitbetaald, ermee akkoord dat bedragen die ten onrechte betaald werden ten gevolge van overlijden of vertrek naar het buitenland, teruggevorderd kunnen worden via de betalingsdienstaanbieder die de betaalrekening beheert. Deze machtiging blijft van kracht na het overlijden van de gerechtigde. In dit kader wordt een overeenkomst afgesloten tussen de betalingsdienstaanbieder en de Dienst waarin de wederzijdse rechten en verplichtingen nader worden omschreven. De Minister kan nader bepalen wat in de overeenkomst moet staan.
Voor de toepassing van deze paragraaf, wordt onder "betalingsdienstaanbieder", begrepen de rechtspersonen bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder, en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen, of bedoeld in het recht van een andere lidstaat die de Richtlijn 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG, omzet.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 gebeurt de uitbetaling van de tegemoetkomingen:
1° aan de persoon die de ouderlijke macht uitoefent over de gerechtigde;
2° aan de bewindvoerder van goederen bedoeld in artikel 494, c), van het oud Burgerlijk wetboek, van de gerechtigde, op voorwaarde dat deze uitdrukkelijk onbekwaam werd verklaard om zijn rechten en plichten in fiscale en sociale zaken uit te oefenen. Als er meerdere bewindvoerders van goederen aangeduid zijn, aan de bewindvoerder van goederen die bevoegd werd verklaard om handelingen te stellen met betrekking tot de rechten en plichten in fiscale en sociale zaken;
3° aan de voogd wanneer het een minderjarige betreft die onder voogdij staat;
4° aan de voorlopige bewindvoerder aangesteld door de commissie voor sociale bescherming of door de vrederechter bij toepassing van artikel 29 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en de gewoontemisdadigers.
In de gevallen bedoeld in vorig lid, geschiedt de betaling op een betaalrekening geopend bij een betalingsdienstaanbieder op naam van de gerechtigde waarop de ouder, de aangestelde bewindvoerder van goederen, de voogd of de voorlopig bewindvoerder een volmacht heeft.
§ 4. In afwijking van paragraaf 2, als de gerechtigde geen toegang heeft tot de basisbankdienst zoals bedoeld in de artikelen VII.56/1 tot VII.59/3 van Boek VII van het Wetboek van economisch recht van 28 februari 2013, kan de uitbetaling gebeuren door middel van circulaire cheques waarvan het bedrag betaalbaar is in handen van de gerechtigde.
Deze afwijking is niet mogelijk indien de tegemoetkoming wordt uitbetaald aan een ander persoon dan de persoon met een handicap in toepassing van paragraaf 3, 2° en 4°.".
Art. 3. L'article 24 de l'arrêté royal du 22 mai 2003 relatif à la procédure concernant le traitement des dossiers en matière des allocations aux personnes handicapées, modifié par l'arrêté royal du 13 septembre 2004, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 24. § 1er. Les allocations sont payées par mois et par douzièmes.
§ 2. Le paiement des allocations est effectué par virement sur un compte de paiement ouvert auprès d'un prestataire de services de paiement, au nom du bénéficiaire ou dont la personne handicapée est co-titulaire.
Sans préjudice de l'article 29, la personne à laquelle l'allocation est payée marque son accord pour que les montants versés indûment à la suite de son décès ou de son départ à l'étranger puissent être récupérés auprès du prestataire de services de paiement qui gère le compte de paiement. Cette autorisation reste en vigueur après le décès du bénéficiaire. Dans ce cadre, une convention est conclue entre le prestataire de services de paiement et le Service, dans lequel les droits et obligations réciproques sont précisés. Le Ministre peut déterminer plus précisément le contenu de cette convention.
Pour l'application du présent paragraphe, on entend par " prestataire de services ", les personnes morales visées à l'article 5, § 1er, de la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, et à l'activité d'émission de monnaie électronique, et à l'accès aux systèmes de paiement, ou visés par le droit d'un autre Etat membre qui transpose la directive 2015/2366 du Parlement Européen et du Conseil du 25 novembre 2015 concernant les services de paiement dans le marché intérieur, modifiant les directives 2002/65/CE, 2009/110/CE et 2013/36/UE et le règlement (UE) n° 1093/2010, et abrogeant la directive 2007/64/CE.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, les allocations sont payées :
1° à la personne qui exerce l'autorité parentale sur le bénéficiaire ;
2° à l'administrateur des biens, visé à l'article 494, c), de l'ancien Code civil, du bénéficiaire pour autant que le bénéficiaire ait été déclaré expressément incapable d'exercer ses droits et obligations en matière fiscale et sociale. Lorsqu'il y a plusieurs administrateurs des biens désignés, à l'administrateur des biens déclaré compétent pour accomplir les actes relatifs aux droits et obligations en matière fiscale et sociale;
3° au tuteur lorsqu'il s'agit d'un mineur d'âge qui est soumis à la tutelle;
4° à l'administrateur provisoire désigné par la commission de défense sociale ou désigné par le juge de paix en application de l'article 29 de la loi du 1er juillet 1964 de défense sociale à l'égard des anormaux et des délinquants d'habitude.
Dans les cas visés à l'alinéa précédent, le paiement est effectué sur un compte de paiement ouvert auprès d'un prestataire de services de paiement au nom du bénéficiaire, sur lequel le parent, l'administrateur des biens désigné, le tuteur ou l'administrateur provisoire a procuration.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 2, dans le cas où le bénéficiaire ne dispose pas d'accès au service bancaire de base visé aux articles VII.56/1 à VII59/3 du Livre VII du Code de droit économique du 28 février 2013, le paiement peut s'effectuer au moyen de chèques circulaires dont le montant est payable au bénéficiaire.
Cette dérogation n'est pas possible si l'allocation est payée à une autre personne que la personne en situation de handicap en application du paragraphe 3, 2° et 4°. ".
" Art. 24. § 1er. Les allocations sont payées par mois et par douzièmes.
§ 2. Le paiement des allocations est effectué par virement sur un compte de paiement ouvert auprès d'un prestataire de services de paiement, au nom du bénéficiaire ou dont la personne handicapée est co-titulaire.
Sans préjudice de l'article 29, la personne à laquelle l'allocation est payée marque son accord pour que les montants versés indûment à la suite de son décès ou de son départ à l'étranger puissent être récupérés auprès du prestataire de services de paiement qui gère le compte de paiement. Cette autorisation reste en vigueur après le décès du bénéficiaire. Dans ce cadre, une convention est conclue entre le prestataire de services de paiement et le Service, dans lequel les droits et obligations réciproques sont précisés. Le Ministre peut déterminer plus précisément le contenu de cette convention.
Pour l'application du présent paragraphe, on entend par " prestataire de services ", les personnes morales visées à l'article 5, § 1er, de la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, et à l'activité d'émission de monnaie électronique, et à l'accès aux systèmes de paiement, ou visés par le droit d'un autre Etat membre qui transpose la directive 2015/2366 du Parlement Européen et du Conseil du 25 novembre 2015 concernant les services de paiement dans le marché intérieur, modifiant les directives 2002/65/CE, 2009/110/CE et 2013/36/UE et le règlement (UE) n° 1093/2010, et abrogeant la directive 2007/64/CE.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, les allocations sont payées :
1° à la personne qui exerce l'autorité parentale sur le bénéficiaire ;
2° à l'administrateur des biens, visé à l'article 494, c), de l'ancien Code civil, du bénéficiaire pour autant que le bénéficiaire ait été déclaré expressément incapable d'exercer ses droits et obligations en matière fiscale et sociale. Lorsqu'il y a plusieurs administrateurs des biens désignés, à l'administrateur des biens déclaré compétent pour accomplir les actes relatifs aux droits et obligations en matière fiscale et sociale;
3° au tuteur lorsqu'il s'agit d'un mineur d'âge qui est soumis à la tutelle;
4° à l'administrateur provisoire désigné par la commission de défense sociale ou désigné par le juge de paix en application de l'article 29 de la loi du 1er juillet 1964 de défense sociale à l'égard des anormaux et des délinquants d'habitude.
Dans les cas visés à l'alinéa précédent, le paiement est effectué sur un compte de paiement ouvert auprès d'un prestataire de services de paiement au nom du bénéficiaire, sur lequel le parent, l'administrateur des biens désigné, le tuteur ou l'administrateur provisoire a procuration.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 2, dans le cas où le bénéficiaire ne dispose pas d'accès au service bancaire de base visé aux articles VII.56/1 à VII59/3 du Livre VII du Code de droit économique du 28 février 2013, le paiement peut s'effectuer au moyen de chèques circulaires dont le montant est payable au bénéficiaire.
Cette dérogation n'est pas possible si l'allocation est payée à une autre personne que la personne en situation de handicap en application du paragraphe 3, 2° et 4°. ".
Art. 4. In artikel 25, eerste lid, van hetzelfde besluit, wordt het woord "postassignatie" telkens vervangen door de woorden "circulaire cheque".
Art. 4. Dans l'article 25, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " par assignation postale " sont chaque fois remplacés par les mots " par chèque circulaire ".
Art. 5. In artikel 34, tweede lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden "via postassignatie, op de uitgiftedatum ervan" vervangen door het woord "via circulaire cheque, op de uitgiftedatum ervan".
Art. 5. Dans l'article 34, alinéa 2, du même arrêté, les mots " par assignation postale, à la date d'émission de celle-ci " sont remplacés par le mot " par chèque circulaire, à la date d'émission de celui-ci ".
Art. 6. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2026.
Art. 6. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2026.
Art. 7. De minister bevoegd voor Personen met een handicap is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 7. Le ministre qui a les Personnes handicapées dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.