Artikel 1. Onverminderd de artikelen 293 tot 299bis van het Gerechtelijk Wetboek, is dit besluit van toepassing op het gerechtspersoneel, met uitzondering van de referendarissen bij het Hof van Cassatie.
De uitoefening van de mandaten bedoeld in de wet van 18 september 1986 tot instelling van het politiek verlof voor het personeel van de overheidsdiensten, valt niet onder de toepassing van dit koninklijk besluit.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
19 DECEMBER 2025. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de aanvullende regels van onverenigbaarheid inzake cumulatie voor de leden van het gerechtspersoneel, met uitzondering van de referendarissen bij het Hof van Cassatie, bedoeld in artikel 353ter derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek
Titre
19 DECEMBRE 2025. - Arrêté royal fixant les règles d'incompatibilité supplémentaires en matière de cumul pour les membres du personnel judiciaire, à l'exception des référendaires près la Cour de cassation, visés à l'article 353ter, alinéa 3, du Code judiciaire
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (17)
Texte (17)
HOOFDSTUK 1. - Aanvullende regels inzake cumulatie
CHAPITRE 1er. - Règles complémentaires en matière de cumul
Article 1er. Sans préjudice des articles 293 à 299bis du Code judiciaire, le présent arrêté est applicable au personnel judiciaire, à l'exception des référendaires près la Cour de cassation.
L'exercice des mandats visés par la loi du 18 septembre 1986 instituant le congé politique pour les membres du personnel des services publics n'est pas visé par le présent arrêté royal.
L'exercice des mandats visés par la loi du 18 septembre 1986 instituant le congé politique pour les membres du personnel des services publics n'est pas visé par le présent arrêté royal.
Art. 2. Het lid van het gerechtspersoneel mag geen, op welke wijze ook bezoldigde, activiteit uitoefenen buiten zijn ambt, tenzij er geen sprake is van een belangenconflict en hij een machtiging tot cumulatie bekomen heeft.
Art. 2. Le membre du personnel judiciaire ne peut exercer une activité, rémunérée de quelque façon que ce soit, hors de ses fonctions, sauf s'il n'y a pas de conflits d'intérêts et qu'après avoir obtenu une autorisation de cumul.
Art. 3. De machtiging tot cumulatie wordt verleend voor een periode van ten hoogste vier jaar. Haar verlenging is onderworpen aan een nieuwe machtiging. De machtiging tot cumulatie mag geen terugwerkende kracht hebben.
Art. 3. L'autorisation de cumul est accordée pour une période maximale de quatre ans. Son renouvellement est soumis à une nouvelle autorisation. L'autorisation de cumul ne peut pas avoir d'effet rétroactif.
Art. 4. Een machtiging tot cumulatie kan enkel verleend worden als de activiteit wordt uitgeoefend buiten de uren waarop het lid van het gerechtspersoneel zijn ambt vervult. De activiteit dient in elk geval volledig bijkomstig te blijven ten overstaan van het uitgeoefend ambt.
Een activiteit kan slechts worden uitgeoefend mits inachtname van de wetten en reglementen die de uitoefening van die activiteit regelen. In voorkomend geval, wordt bewijs daarvan geleverd aan de instantie die de machtiging tot cumulatie verleent.
Het lid van het gerechtspersoneel mag de activiteit enkel uitoefenen indien deze activiteit de waardigheid van zijn ambt binnen de rechterlijke orde niet in het gedrang brengt of het vertrouwen van het publiek in de rechterlijke orde niet ondermijnt.
Het lid van het gerechtspersoneel mag de activiteit niet uitoefenen indien hij hierdoor een potentieel doelwit voor corruptie of infiltratie door criminele organisaties wordt.
In het kader van de uitoefening van zijn activiteit mag het lid van het gerechtspersoneel zich in geen geval beroepen op zijn ambt binnen de rechterlijke orde.
Een activiteit kan slechts worden uitgeoefend mits inachtname van de wetten en reglementen die de uitoefening van die activiteit regelen. In voorkomend geval, wordt bewijs daarvan geleverd aan de instantie die de machtiging tot cumulatie verleent.
Het lid van het gerechtspersoneel mag de activiteit enkel uitoefenen indien deze activiteit de waardigheid van zijn ambt binnen de rechterlijke orde niet in het gedrang brengt of het vertrouwen van het publiek in de rechterlijke orde niet ondermijnt.
Het lid van het gerechtspersoneel mag de activiteit niet uitoefenen indien hij hierdoor een potentieel doelwit voor corruptie of infiltratie door criminele organisaties wordt.
In het kader van de uitoefening van zijn activiteit mag het lid van het gerechtspersoneel zich in geen geval beroepen op zijn ambt binnen de rechterlijke orde.
Art. 4. Une autorisation de cumul ne peut être accordée que si l'activité s'exerce en dehors des heures pendant lesquelles le membre du personnel judiciaire accomplit sa fonction. L'activité doit en toute hypothèse rester tout à fait accessoire par rapport aux fonctions exercées.
Une activité ne peut être cumulée que dans le respect des lois et règlements organisant l'exercice de cette activité. Preuve en est fournie, le cas échéant, à l'instance qui autorise le cumul.
Le membre du personnel judiciaire ne peut exercer l'activité que si celle-ci ne porte pas atteinte à la dignité de sa fonction au sein de l'ordre judiciaire ou ne compromet pas la confiance du public en l'ordre judiciaire.
Le membre du personnel judiciaire ne peut exercer l'activité s'il risque de devenir une cible potentielle de corruption ou d'infiltration par des organisations criminelles.
Dans le cadre de l'exercice de son activité, le membre du personnel judicaire ne peut en aucun cas se prévaloir de sa fonction au sein de l'ordre judiciaire.
Une activité ne peut être cumulée que dans le respect des lois et règlements organisant l'exercice de cette activité. Preuve en est fournie, le cas échéant, à l'instance qui autorise le cumul.
Le membre du personnel judiciaire ne peut exercer l'activité que si celle-ci ne porte pas atteinte à la dignité de sa fonction au sein de l'ordre judiciaire ou ne compromet pas la confiance du public en l'ordre judiciaire.
Le membre du personnel judiciaire ne peut exercer l'activité s'il risque de devenir une cible potentielle de corruption ou d'infiltration par des organisations criminelles.
Dans le cadre de l'exercice de son activité, le membre du personnel judicaire ne peut en aucun cas se prévaloir de sa fonction au sein de l'ordre judiciaire.
Art. 5. De vraag tot cumulatie wordt door het lid van het gerechtspersoneel ingediend bij het bevoegde directiecomité, uitgezonderd bij de steundiensten en het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring, waar de vraag tot cumulatie wordt ingediend bij de directeur.
De vraag tot cumulatie omvat verplicht:
1° de zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de beoogde activiteit;
2° de duur van de beoogde activiteit;
3° de gemotiveerde bevestiging dat de activiteit geen aanleiding kan geven, zelfs in de toekomst, tot een toestand van belangenconflict.
Wanneer de instantie bedoeld in het eerste lid het nodig acht, vraagt het aan het lid van het gerechtspersoneel bijkomende informatie of verantwoordingsstukken.
De instantie bedoeld in het eerste lid zendt de vraag, met zijn beoordeling, aan de Minister van Justitie. De beslissing de machtiging tot cumulatie te verlenen of te weigeren wordt genomen door de Minister van Justitie. De Minister van Justitie vraagt, wanneer hij het nodig acht, aan het lid van het gerechtspersoneel bijkomende informatie of verantwoordingsstukken.
Bij gebreke aan een beslissing binnen de twee maanden na de aanvraag, wordt de machtiging tot cumulatie ambtshalve verleend. De termijn wordt op drie maanden gebracht als gebruik wordt gemaakt van het derde lid of het vierde lid, derde zin.
De vraag tot cumulatie omvat verplicht:
1° de zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de beoogde activiteit;
2° de duur van de beoogde activiteit;
3° de gemotiveerde bevestiging dat de activiteit geen aanleiding kan geven, zelfs in de toekomst, tot een toestand van belangenconflict.
Wanneer de instantie bedoeld in het eerste lid het nodig acht, vraagt het aan het lid van het gerechtspersoneel bijkomende informatie of verantwoordingsstukken.
De instantie bedoeld in het eerste lid zendt de vraag, met zijn beoordeling, aan de Minister van Justitie. De beslissing de machtiging tot cumulatie te verlenen of te weigeren wordt genomen door de Minister van Justitie. De Minister van Justitie vraagt, wanneer hij het nodig acht, aan het lid van het gerechtspersoneel bijkomende informatie of verantwoordingsstukken.
Bij gebreke aan een beslissing binnen de twee maanden na de aanvraag, wordt de machtiging tot cumulatie ambtshalve verleend. De termijn wordt op drie maanden gebracht als gebruik wordt gemaakt van het derde lid of het vierde lid, derde zin.
Art. 5. La demande de cumul est introduite par le membre du personnel judiciaire auprès du comité de direction compétent, à l'exception des services d'appui et de l'Organe Central pour la Saisie et la Confiscation, pour lesquels la demande de cumul est introduite auprès du directeur.
La demande de cumul comprend obligatoirement :
1° la description aussi précise que possible de l'activité envisagée ;
2° la durée de l'activité envisagée ;
3° l'affirmation motivée que l'activité ne peut pas faire naître, même dans le futur, une situation de conflit d'intérêt.
Si l'instance visée à l'alinéa 1er l'estime nécessaire, elle sollicite du membre du personnel judiciaire des compléments d'information ou des pièces justificatives.
L'instance visée à l'alinéa 1er transmet la demande, avec son appréciation, au Ministre de la Justice. La décision d'accorder ou de refuser le cumul est prise par le Ministre de la Justice. Le Ministre de la Justice, s'il l'estime nécessaire, sollicite du membre du personnel des compléments d'information ou des pièces justificatives.
A défaut de décision dans les deux mois de la demande, l'autorisation de cumul est accordée d'office. Le délai est porté à trois mois s'il est fait usage de l'alinéa 3 ou de l'alinéa 4, troisième phrase.
La demande de cumul comprend obligatoirement :
1° la description aussi précise que possible de l'activité envisagée ;
2° la durée de l'activité envisagée ;
3° l'affirmation motivée que l'activité ne peut pas faire naître, même dans le futur, une situation de conflit d'intérêt.
Si l'instance visée à l'alinéa 1er l'estime nécessaire, elle sollicite du membre du personnel judiciaire des compléments d'information ou des pièces justificatives.
L'instance visée à l'alinéa 1er transmet la demande, avec son appréciation, au Ministre de la Justice. La décision d'accorder ou de refuser le cumul est prise par le Ministre de la Justice. Le Ministre de la Justice, s'il l'estime nécessaire, sollicite du membre du personnel des compléments d'information ou des pièces justificatives.
A défaut de décision dans les deux mois de la demande, l'autorisation de cumul est accordée d'office. Le délai est porté à trois mois s'il est fait usage de l'alinéa 3 ou de l'alinéa 4, troisième phrase.
Art. 6. Elke machtiging tot cumulatie wordt ambtshalve opgeschort wanneer het lid van het gerechtspersoneel afwezig is wegens ziekte, wegens een arbeidsongeval, wegens een ongeval op weg van of naar het werk of wegens een beroepsziekte, wanneer hij in disponibiliteit wegens ziekte is of werkt volgens het stelsel van verminderde prestaties wegens medische redenen, of tijdens de duur van een ordemaatregel die hem werd opgelegd met betrekking tot feiten in verband met de uitoefening van de bijkomstige activiteit.
De machtiging tot cumulatie wordt opgeschort tijdens de periodes bedoeld in de artikelen 90/1, § 3 en 90/4, § 3, van het koninklijk besluit van 16 maart 2001 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan sommige personeelsleden van de diensten die de rechterlijke macht terzijde staan.
De opschorting van de machtiging heeft geen effect op de duur ervan.
De machtiging tot cumulatie wordt opgeschort tijdens de periodes bedoeld in de artikelen 90/1, § 3 en 90/4, § 3, van het koninklijk besluit van 16 maart 2001 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan sommige personeelsleden van de diensten die de rechterlijke macht terzijde staan.
De opschorting van de machtiging heeft geen effect op de duur ervan.
Art. 6. Toute autorisation de cumul est suspendue d'office lorsque le membre du personnel judicaire est absent pour maladie, par suite d'un accident de travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail ou d'une maladie professionnelle, lorsqu'il est en disponibilité pour maladie ou lorsqu'il travaille selon le régime des prestations réduites pour raisons médicales, ou pendant la durée d'une mesure d'ordre qui lui a été imposée pour des faits liées à l'exercice de l'activité accessoire.
L'autorisation de cumul est suspendue pendant les périodes visées aux articles 90/1, § 3 et 90/4, § 3, de l'arrêté royal du 16 mars 2001 relatif aux congés et aux absences accordés à certains membres du personnel des services qui assistent le pouvoir judiciaire.
La suspension de l'autorisation n'a aucun impact sur la durée de celle-ci.
L'autorisation de cumul est suspendue pendant les périodes visées aux articles 90/1, § 3 et 90/4, § 3, de l'arrêté royal du 16 mars 2001 relatif aux congés et aux absences accordés à certains membres du personnel des services qui assistent le pouvoir judiciaire.
La suspension de l'autorisation n'a aucun impact sur la durée de celle-ci.
Art. 7. § 1. De machtiging tot cumulatie wordt beëindigd in geval van niet-naleving van de toelatingsvoorwaarden bedoeld in artikel 4, vastgesteld door de instantie bedoeld in artikel 5, eerste lid.
De machtiging tot cumulatie wordt eveneens beëindigd in geval van een tuchtsanctie met betrekking tot feiten in verband met de uitoefening van de bijkomstige activiteit.
§ 2. De instantie bedoeld in artikel 5, eerste lid, zendt een gemotiveerde vraag tot beëindiging van de machtiging tot cumulatie aan de Minister van Justitie. De beslissing tot beëindiging van de machtiging tot cumulatie wordt genomen door de Minister van Justitie.
De machtiging tot cumulatie wordt eveneens beëindigd in geval van een tuchtsanctie met betrekking tot feiten in verband met de uitoefening van de bijkomstige activiteit.
§ 2. De instantie bedoeld in artikel 5, eerste lid, zendt een gemotiveerde vraag tot beëindiging van de machtiging tot cumulatie aan de Minister van Justitie. De beslissing tot beëindiging van de machtiging tot cumulatie wordt genomen door de Minister van Justitie.
Art. 7. § 1er. L'autorisation de cumul prend fin en cas de non-respect des conditions d'octroi visées à l'article 4, constaté par l'instance visée à l'article 5, alinéa 1er.
L'autorisation de cumul prend également fin en cas de sanction disciplinaire portant sur des faits en lien avec l'exercice de l'activité accessoire.
§ 2. L'instance visée à l'article 5, alinéa 1er, transmet une demande motivée de cessation de l'autorisation de cumul au Ministre de la Justice. La décision de mettre fin à l'autorisation de cumul est prise par le Ministre de la Justice.
L'autorisation de cumul prend également fin en cas de sanction disciplinaire portant sur des faits en lien avec l'exercice de l'activité accessoire.
§ 2. L'instance visée à l'article 5, alinéa 1er, transmet une demande motivée de cessation de l'autorisation de cumul au Ministre de la Justice. La décision de mettre fin à l'autorisation de cumul est prise par le Ministre de la Justice.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 16 maart 2001 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan sommige personeelsleden van de diensten die de rechterlijke macht terzijde staan
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté royal du 16 mars 2001 relatif aux congés et aux absences accordés à certains membres du personnel des services qui assistent le pouvoir judiciaire
Art. 8. Artikel 63 van het koninklijk besluit van 16 maart 2001 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan sommige personeelsleden van de diensten die de rechterlijke macht terzijde staan, wordt aangevuld met de volgende zin:
"Hij is verplicht de minister bevoegd voor Justitie op de hoogte te brengen van de aard van die activiteit.".
"Hij is verplicht de minister bevoegd voor Justitie op de hoogte te brengen van de aard van die activiteit.".
Art. 8. L'article 63 de l'arrêté royal du 16 mars 2001 relatif aux congés et aux absences accordés à certains membres du personnel des services qui assistent le pouvoir judiciaire est complété par la phrase suivante :
" Il est tenu d'informer le ministre qui a la Justice dans ces attributions de la nature de cette activité. ".
" Il est tenu d'informer le ministre qui a la Justice dans ces attributions de la nature de cette activité. ".
Art. 9. In artikel 70 van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 19 december 2014 en het koninklijk besluit van 6 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
" § 1. Behoudens de onverenigbaarheden die voortvloeien uit de artikelen 293, 297, 298, 298bis, 299bis, tweede zin en 353ter van het Gerechtelijk Wetboek en mits voorafgaandelijke mededeling aan de minister bevoegd voor Justitie van de aard van de uitgeoefende activiteit, kunnen de onderbrekingsuitkeringen gecumuleerd worden met de inkomsten die voortvloeien, ofwel uit het uitoefenen van een politiek mandaat, ofwel uit een bijkomende activiteit als loontrekkende die reeds gedurende ten minste drie maanden werd uitgeoefend voor de onderbreking van de loopbaan, ofwel uit de uitoefening van een zelfstandige activiteit. De cumulatie van inkomsten uit een zelfstandige activiteit is echter uitsluitend mogelijk in geval van volledige onderbreking en dit slechts gedurende een periode van maximum twaalf maanden.";
2° in paragraaf 1 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:
"De onderbrekingsuitkeringen kunnen ook gecumuleerd worden met de uitoefening van een bijkomende zelfstandige activiteit in geval van een vermindering van de arbeidsprestaties. In dat geval, in zoverre deze zelfstandige activiteit reeds uitgeoefend werd gedurende ten minste twaalf maanden die het begin van de vermindering van de arbeidsprestaties voorafgaan, wordt de cumulatie toegelaten gedurende een periode van maximum:
- vierentwintig maanden, in geval van vermindering met 1/2 van een voltijdse betrekking;
- zestig maanden, in geval van vermindering met 1/5 of 1/10 van een voltijdse betrekking.";
3° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als zelfstandige activiteit beschouwd, de activiteit die het lid van het gerechtspersoneel, op grond van de van kracht zijnde reglementering, ertoe verplicht zich in te schrijven bij het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der zelfstandigen.";
4° paragraaf 2, tweede lid, wordt aangevuld met de woorden "of bij meer dan twaalf, vierentwintig of zestig maanden zelfstandige activiteit, zoals bepaald in § 1, tweede lid.".
1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
" § 1. Behoudens de onverenigbaarheden die voortvloeien uit de artikelen 293, 297, 298, 298bis, 299bis, tweede zin en 353ter van het Gerechtelijk Wetboek en mits voorafgaandelijke mededeling aan de minister bevoegd voor Justitie van de aard van de uitgeoefende activiteit, kunnen de onderbrekingsuitkeringen gecumuleerd worden met de inkomsten die voortvloeien, ofwel uit het uitoefenen van een politiek mandaat, ofwel uit een bijkomende activiteit als loontrekkende die reeds gedurende ten minste drie maanden werd uitgeoefend voor de onderbreking van de loopbaan, ofwel uit de uitoefening van een zelfstandige activiteit. De cumulatie van inkomsten uit een zelfstandige activiteit is echter uitsluitend mogelijk in geval van volledige onderbreking en dit slechts gedurende een periode van maximum twaalf maanden.";
2° in paragraaf 1 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:
"De onderbrekingsuitkeringen kunnen ook gecumuleerd worden met de uitoefening van een bijkomende zelfstandige activiteit in geval van een vermindering van de arbeidsprestaties. In dat geval, in zoverre deze zelfstandige activiteit reeds uitgeoefend werd gedurende ten minste twaalf maanden die het begin van de vermindering van de arbeidsprestaties voorafgaan, wordt de cumulatie toegelaten gedurende een periode van maximum:
- vierentwintig maanden, in geval van vermindering met 1/2 van een voltijdse betrekking;
- zestig maanden, in geval van vermindering met 1/5 of 1/10 van een voltijdse betrekking.";
3° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als zelfstandige activiteit beschouwd, de activiteit die het lid van het gerechtspersoneel, op grond van de van kracht zijnde reglementering, ertoe verplicht zich in te schrijven bij het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der zelfstandigen.";
4° paragraaf 2, tweede lid, wordt aangevuld met de woorden "of bij meer dan twaalf, vierentwintig of zestig maanden zelfstandige activiteit, zoals bepaald in § 1, tweede lid.".
Art. 9. Dans l'article 70 du même arrêté royal, modifié par l'arrêté royal du 19 décembre 2014 et l'arrêté royal du 6 décembre 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sous réserve des incompatibilités découlant des articles 293, 297, 298, 298bis, 299bis, deuxième phrase et 353ter du Code judiciaire et moyennant information préalable au ministre qui a la Justice dans ses attributions de la nature de l'activité exercée, les allocations d'interruption peuvent être cumulées avec les revenus provenant, soit de l'exercice d'un mandat politique, soit d'une activité accessoire en tant que travailleur salarié déjà exercée pendant au moins trois mois avant l'interruption de la carrière, soit de l'exercice d'une activité indépendante. Toutefois, le cumul des revenus provenant d'une activité indépendante n'est possible qu'en cas d'interruption complète et seulement pendant une période de maximum douze mois. " ;
2° dans le paragraphe 1er, un alinéa est inséré entre les alinéas 1er et 2, rédigé comme suit :
" Les allocations d'interruption peuvent aussi être cumulées avec l'exercice d'une activité indépendante complémentaire en cas de réduction des prestations de travail. Dans ce cas, pour autant que cette activité indépendante ait déjà été exercée durant au moins les douze mois qui précèdent le début de la réduction des prestations de travail, le cumul est autorisé pendant une période maximale de :
- vingt-quatre mois, en cas de réduction d'1/2 d'un emploi à temps plein ;
- soixante mois, en cas de réduction d'1/5 ou d'1/10 d'un emploi à temps plein. " ;
3° le paragraphe 1er est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
" Pour l'application du présent paragraphe, est considérée comme activité indépendante, l'activité qui impose au membre du personnel judiciaire, sur base de la réglementation en vigueur, de s'inscrire auprès de l'Institut national d'Assurances sociales pour travailleurs indépendants. " ;
4° le paragraphe 2, alinéa 2, est complété par les mots " ou le jour où il compte plus de douze, vingt-quatre ou soixante mois d'activité indépendante, tel que visé au § 1er, alinéa 2. ".
1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sous réserve des incompatibilités découlant des articles 293, 297, 298, 298bis, 299bis, deuxième phrase et 353ter du Code judiciaire et moyennant information préalable au ministre qui a la Justice dans ses attributions de la nature de l'activité exercée, les allocations d'interruption peuvent être cumulées avec les revenus provenant, soit de l'exercice d'un mandat politique, soit d'une activité accessoire en tant que travailleur salarié déjà exercée pendant au moins trois mois avant l'interruption de la carrière, soit de l'exercice d'une activité indépendante. Toutefois, le cumul des revenus provenant d'une activité indépendante n'est possible qu'en cas d'interruption complète et seulement pendant une période de maximum douze mois. " ;
2° dans le paragraphe 1er, un alinéa est inséré entre les alinéas 1er et 2, rédigé comme suit :
" Les allocations d'interruption peuvent aussi être cumulées avec l'exercice d'une activité indépendante complémentaire en cas de réduction des prestations de travail. Dans ce cas, pour autant que cette activité indépendante ait déjà été exercée durant au moins les douze mois qui précèdent le début de la réduction des prestations de travail, le cumul est autorisé pendant une période maximale de :
- vingt-quatre mois, en cas de réduction d'1/2 d'un emploi à temps plein ;
- soixante mois, en cas de réduction d'1/5 ou d'1/10 d'un emploi à temps plein. " ;
3° le paragraphe 1er est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
" Pour l'application du présent paragraphe, est considérée comme activité indépendante, l'activité qui impose au membre du personnel judiciaire, sur base de la réglementation en vigueur, de s'inscrire auprès de l'Institut national d'Assurances sociales pour travailleurs indépendants. " ;
4° le paragraphe 2, alinéa 2, est complété par les mots " ou le jour où il compte plus de douze, vingt-quatre ou soixante mois d'activité indépendante, tel que visé au § 1er, alinéa 2. ".
Art. 10. Artikel 71, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 18 juli 2019, wordt aangevuld met de volgende zin:
"Het is evenmin van toepassing op de leden van het gerechtspersoneel die het recht op uitkeringen verloren hebben omdat zij de termijn van zelfstandige activiteit voorzien in artikel 70, § 2, tweede lid, overschreden hebben.".
"Het is evenmin van toepassing op de leden van het gerechtspersoneel die het recht op uitkeringen verloren hebben omdat zij de termijn van zelfstandige activiteit voorzien in artikel 70, § 2, tweede lid, overschreden hebben.".
Art. 10. L'article 71, alinéa 2, du même arrêté royal, modifié par l'arrêté royal du 18 juillet 2019, est complété par la phrase suivante :
" Il ne s'applique pas non plus aux membres du personnel judiciaire qui ont perdu le droit aux allocations d'interruption parce qu'ils ont dépassé le délai d'activité indépendante prévu à l'article 70, § 2, alinéa 2. ".
" Il ne s'applique pas non plus aux membres du personnel judiciaire qui ont perdu le droit aux allocations d'interruption parce qu'ils ont dépassé le délai d'activité indépendante prévu à l'article 70, § 2, alinéa 2. ".
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepaling
CHAPITRE 3. - Disposition transitoire
Art. 11. De activiteiten waarvoor reeds bij de inwerkingtreding van dit koninklijk besluit een machtiging tot cumulatie werd toegestaan, mogen gedurende zes maanden vanaf de inwerkingtreding van dit koninklijk besluit verder worden uitgeoefend zodat in de tussentijd een nieuwe machtiging tot cumulatie kan worden aangevraagd.
Art. 11. Les activités pour lesquelles une autorisation de cumul a déjà été accordée lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté royal, peuvent continuer à être exercées pendant six mois à partir de l'entrée en vigueur du présent arrêté royal, afin qu'une nouvelle autorisation de cumul puisse être demandée dans l'intervalle.
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtredingen en slotbepaling
CHAPITRE 4. - Entrées en vigueur et disposition finale
Art. 12. Treden in werking op 31 december 2025:
1° artikelen 31 tot 33, 38 en 39 van de wet van 7 mei 2024 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het statuut van het gerechtspersoneel;
2° dit koninklijk besluit.
1° artikelen 31 tot 33, 38 en 39 van de wet van 7 mei 2024 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het statuut van het gerechtspersoneel;
2° dit koninklijk besluit.
Art. 12. Entrent en vigueur le 31 décembre 2025 :
1° les articles 31 à 33, 38 et 39 de la loi du 7 mai 2024 portant des dispositions diverses relatives au statut du personnel judiciaire ;
2° le présent arrêté.
1° les articles 31 à 33, 38 et 39 de la loi du 7 mai 2024 portant des dispositions diverses relatives au statut du personnel judiciaire ;
2° le présent arrêté.
Art. 13. De minister bevoegd voor Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 13. Le ministre qui a la Justice dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.