Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
5 SEPTEMBER 2025. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft de toezichtopdrachten voor de personeelsleden van de Mestbank, en tot wijziging van de VLAREME van 28 oktober 2016, wat betreft de oprichting van het opvolgingsorgaan
Titre
5 SEPTEMBRE 2025. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, en ce qui concerne les missions de surveillance pour les membres du personnel de la Mestbank et modifiant le VLAREME du 28 octobre 2016, en ce qui concerne la création de l'organe de suivi
Informations sur le document
Info du document
Tekst (5)
Texte (5)
Artikel 1. In artikel 29, 7°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2017, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2019 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 21 mei 2021 en 20 januari 2023, wordt de zinsnede "1.3.2.2, § 1, 1°, 2° en 3° " vervangen door de zinsnede "1.3.2.1, 1.3.2.2, § 1".
Article 1er. Dans l'article 29, 7°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 décembre 2017, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 2019 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 21 mai 2021 et 20 janvier 2023, le membre de phrase " l'article 1.3.2.2, § 1er, 1°, 2° et 3° " est remplacé par le membre de phrase " les articles 1.3.2.1, 1.3.2.2, § 1er ".
Art. 2. In artikel 1.1.2 van de VLAREME van 28 oktober 2016, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 december 2017, 8 januari 2021 en 21 mei 2021, wordt punt 1° opgeheven.
Art. 2. Dans l'article 1.1.2 du VLAREME du 28 octobre 2016, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 22 décembre 2017, 8 janvier 2021 et 21 mai 2021, le point 1° est abrogé.
Art. 3. In artikel 3.2.7, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor aanvragen voor het verkrijgen van een compensatievergoeding waarvoor het bemestingsverbod zal ingaan vanaf het kalenderjaar 2025 of een volgend kalenderjaar, is, aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, ook voldaan als het perceel of de percelen waarvoor een compensatievergoeding gevraagd wordt, in 2023 tot het bedrijf van een landbouwer behoorden en waarbij het perceel of de percelen in kwestie:
1° hetzij sindsdien behoren tot het bedrijf van een andere landbouwer door een overdracht die behoort tot een van de overdrachten, als vermeld in artikel 41bis, § 4, tweede, derde, vierde of zevende lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006. In geval van een overdracht in kwestie, wordt:
a) ook de mogelijkheid om een compensatievergoeding te verkrijgen, overgedragen aan de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel sindsdien behoort;
b) moet, als deze landbouwer een aanvraag tot het bekomen van een compensatievergoeding indient, in afwijking van het eerste lid, de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, voldaan zijn in hoofde van de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel sindsdien behoort;
c) moeten, als deze landbouwer een aanvraag tot het bekomen van een compensatievergoeding indient, in afwijking van het vierde lid, de identificatiegegevens, vermeld in het vierde lid, 1°, van de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel sindsdien behoort, bij de aanvraag gevoegd worden evenals, in voorkomend geval, het rekeningnummer, vermeld in het vierde lid, 3° ;
2° hetzij in de jaren 2023 tot en met 2027 in maximaal 3 niet opeenvolgende kalenderjaren, behoorde tot het bedrijf van een andere landbouwer ten gevolge van een seizoenspacht. In geval het perceel of de percelen in kwestie in het jaar 2023 of het jaar 2024 tot het bedrijf van een verschillende landbouwer behoorden, ten gevolge van een seizoenspacht, wordt, bij de aanvraag tot het bekomen van een compensatievergoeding, een verklaring gevoegd, ondertekend door de beide betrokken landbouwers, waarin vermeld wordt in welk jaar, door welke landbouwer, het perceel tot het bedrijf van de landbouwer in kwestie behoorde ten gevolge van een seizoenspacht. In geval het perceel of de percelen in kwestie, in het jaar 2023 tot het bedrijf van een landbouwer behoorden ten gevolge van een seizoenspacht, wordt:
a) ook de mogelijkheid om een compensatievergoeding te verkrijgen, overgedragen aan de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel in 2024 behoorde;
b) moet, als de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel in 2024 behoorde een aanvraag tot het bekomen van een compensatievergoeding indient, in afwijking van het eerste lid, de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, voldaan zijn in hoofde van de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel in 2024 behoorde;
c) moeten, als de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel in 2024 behoorde een aanvraag tot het bekomen van een compensatievergoeding indient, in afwijking van het vierde lid, de identificatiegegevens, vermeld in het vierde lid, 1°, van de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel in 2024 behoorde, bij de aanvraag gevoegd worden evenals, in voorkomend geval, het rekeningnummer, vermeld in het vierde lid, 3°. ";
2° het tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
"In afwijking van het eerste lid, 2° en 3°, en het tweede lid, 2°, wordt, voor percelen die aangeduid zijn op basis van ruimtelijke uitvoeringsplannen die definitief zijn vastgesteld na 1 januari 2025 maar vóór 1 januari 2028, als vermeld in artikel 3.2.6, § 1, tweede lid, 1°, het jaar 2023 vervangen door het jaar vóór het jaar van de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan in kwestie en het jaar 2024 vervangen door het jaar van de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan in kwestie.".
3° in het vijfde lid, dat het zesde lid wordt, wordt het woord "vierde" vervangen door het woord "vijfde";
4° aan het vijfde lid, dat het zesde lid wordt, wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"3° voor aanvragen voor een compensatievergoeding die uiterlijk op 31 oktober 2025 ingediend worden, de landbouwer in kwestie het bemestingsverbod al laten ingaan vanaf 1 januari 2025 of 1 januari 2026.".
1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor aanvragen voor het verkrijgen van een compensatievergoeding waarvoor het bemestingsverbod zal ingaan vanaf het kalenderjaar 2025 of een volgend kalenderjaar, is, aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, ook voldaan als het perceel of de percelen waarvoor een compensatievergoeding gevraagd wordt, in 2023 tot het bedrijf van een landbouwer behoorden en waarbij het perceel of de percelen in kwestie:
1° hetzij sindsdien behoren tot het bedrijf van een andere landbouwer door een overdracht die behoort tot een van de overdrachten, als vermeld in artikel 41bis, § 4, tweede, derde, vierde of zevende lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006. In geval van een overdracht in kwestie, wordt:
a) ook de mogelijkheid om een compensatievergoeding te verkrijgen, overgedragen aan de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel sindsdien behoort;
b) moet, als deze landbouwer een aanvraag tot het bekomen van een compensatievergoeding indient, in afwijking van het eerste lid, de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, voldaan zijn in hoofde van de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel sindsdien behoort;
c) moeten, als deze landbouwer een aanvraag tot het bekomen van een compensatievergoeding indient, in afwijking van het vierde lid, de identificatiegegevens, vermeld in het vierde lid, 1°, van de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel sindsdien behoort, bij de aanvraag gevoegd worden evenals, in voorkomend geval, het rekeningnummer, vermeld in het vierde lid, 3° ;
2° hetzij in de jaren 2023 tot en met 2027 in maximaal 3 niet opeenvolgende kalenderjaren, behoorde tot het bedrijf van een andere landbouwer ten gevolge van een seizoenspacht. In geval het perceel of de percelen in kwestie in het jaar 2023 of het jaar 2024 tot het bedrijf van een verschillende landbouwer behoorden, ten gevolge van een seizoenspacht, wordt, bij de aanvraag tot het bekomen van een compensatievergoeding, een verklaring gevoegd, ondertekend door de beide betrokken landbouwers, waarin vermeld wordt in welk jaar, door welke landbouwer, het perceel tot het bedrijf van de landbouwer in kwestie behoorde ten gevolge van een seizoenspacht. In geval het perceel of de percelen in kwestie, in het jaar 2023 tot het bedrijf van een landbouwer behoorden ten gevolge van een seizoenspacht, wordt:
a) ook de mogelijkheid om een compensatievergoeding te verkrijgen, overgedragen aan de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel in 2024 behoorde;
b) moet, als de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel in 2024 behoorde een aanvraag tot het bekomen van een compensatievergoeding indient, in afwijking van het eerste lid, de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, voldaan zijn in hoofde van de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel in 2024 behoorde;
c) moeten, als de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel in 2024 behoorde een aanvraag tot het bekomen van een compensatievergoeding indient, in afwijking van het vierde lid, de identificatiegegevens, vermeld in het vierde lid, 1°, van de landbouwer tot wiens bedrijf het perceel in 2024 behoorde, bij de aanvraag gevoegd worden evenals, in voorkomend geval, het rekeningnummer, vermeld in het vierde lid, 3°. ";
2° het tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
"In afwijking van het eerste lid, 2° en 3°, en het tweede lid, 2°, wordt, voor percelen die aangeduid zijn op basis van ruimtelijke uitvoeringsplannen die definitief zijn vastgesteld na 1 januari 2025 maar vóór 1 januari 2028, als vermeld in artikel 3.2.6, § 1, tweede lid, 1°, het jaar 2023 vervangen door het jaar vóór het jaar van de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan in kwestie en het jaar 2024 vervangen door het jaar van de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan in kwestie.".
3° in het vijfde lid, dat het zesde lid wordt, wordt het woord "vierde" vervangen door het woord "vijfde";
4° aan het vijfde lid, dat het zesde lid wordt, wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"3° voor aanvragen voor een compensatievergoeding die uiterlijk op 31 oktober 2025 ingediend worden, de landbouwer in kwestie het bemestingsverbod al laten ingaan vanaf 1 januari 2025 of 1 januari 2026.".
Art. 3. A l'article 3.2.7, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 décembre 2024, les modifications suivantes sont apportées :
1° il est inséré entre les alinéas 1er et 2, un nouvel alinéa, rédigé comme suit :
" Pour les demandes visant à obtenir une indemnité compensatoire dans le cadre de l'interdiction d'épandage applicable à partir de l'année calendaire 2025 ou d'une année calendaire ultérieure, la condition, visée à l'alinéa 1er, 2°, est également satisfaite si la ou les parcelle(s) pour laquelle/lesquelles une indemnité compensatoire est demandée appartenait/appartenaient en 2023 à l'exploitation d'un agriculteur et si la ou les parcelle(s) en question :
1° soit appartient/appartiennent depuis lors à l'exploitation d'un autre agriculteur à la suite d'un transfert relevant de l'un des transferts tels que visés à l'article 41bis, § 4, alinéas 2, 3, 4 et 7, du décret sur les engrais du 22 décembre 2006. Dans le cas de l'un des transferts en question :
a) la possibilité d'obtenir une indemnité compensatoire est également transférée à l'agriculteur dont l'exploitation comprend depuis lors la parcelle ;
b) si cet agriculteur introduit une demande visant à obtenir une indemnité compensatoire par dérogation à l'alinéa 1er, la condition, visée à l'alinéa 1er, 1°, doit être satisfaite par l'agriculteur dont l'exploitation comprend depuis lors la parcelle ;
c) si cet agriculteur introduit une demande visant à obtenir une indemnité compensatoire, par dérogation à l'alinéa 4, les données d'identification, visées à l'alinéa 4, 1°, de l'agriculteur dont l'exploitation comprend depuis lors la parcelle, doivent être jointes à la demande ainsi que, le cas échéant, le numéro de compte visé à l'alinéa 4, 3° ;
2° soit appartient/appartiennent au cours de la période 2023 à 2027 à l'exploitation d'un autre agriculteur pendant au maximum trois années calendaires non consécutives dans le cadre d'un bail saisonnier. Si la ou les parcelle(s) en question appartenait/appartenaient en 2023 ou 2024 à l'exploitation d'un autre agriculteur dans le cadre d'un bail saisonnier, la demande visant à obtenir une indemnité compensatoire est accompagnée d'une déclaration signée par les deux agriculteurs concernés, précisant l'année et l'identité de l'agriculteur auquel la parcelle appartenait dans le cadre d'un bail saisonnier. Si la ou les parcelle(s) en question appartenait/appartenaient en 2023 à l'exploitation d'un agriculteur dans le cadre d'un bail saisonnier :
a) la possibilité d'obtenir une indemnité compensatoire est également transférée à l'agriculteur dont l'exploitation comprenait la parcelle en 2024 ;
b) si l'agriculteur dont l'exploitation comprenait la parcelle en 2024 introduit une demande visant à obtenir une indemnité compensatoire, par dérogation à l'alinéa 1er, la condition, visée à l'alinéa 1er, 1°, doit être satisfaite par l'agriculteur dont l'exploitation comprenait la parcelle en 2024 ;
c) si l'agriculteur dont l'exploitation comprenait la parcelle en 2024 introduit une demande visant à obtenir une indemnité compensatoire, par dérogation à l'alinéa 4, la demande est accompagnée des données d'identification, visées à l'alinéa 4, 1°, de l'agriculteur dont l'exploitation comprenait la parcelle en 2024, ainsi que, le cas échéant, le numéro de compte, visé à l'alinéa 4, 3°. " ;
2° l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, 2° et 3°, et à l'alinéa 2, 2°, pour les parcelles désignées sur la base des plans d'exécution spatiaux adoptés définitivement après le 1er janvier 2025 mais avant le 1er janvier 2028, tel que visé à l'article 3.2.6, § 1er, alinéa 2, 1°, l'année 2023 est remplacée par l'année précédant celle de l'adoption définitive du plan d'exécution spatial en question et l'année 2024 est remplacée par l'année de l'adoption définitive du plan d'exécution spatial en question. ".
3° dans l'alinéa 5 existant, qui devient l'alinéa 6, le membre de phrase " l'alinéa 4 " est remplacé par le membre de phrase " l'alinéa 5 " ;
4° l'alinéa 5 existant, qui devient l'alinéa 6, est complété par un point 3° rédigé comme suit :
" 3° pour les demandes d'indemnité compensatoire introduites au plus tard le 31 octobre 2025, l'agriculteur en question peut déjà faire courir l'interdiction d'épandage à partir du 1er janvier 2025 ou du 1er janvier 2026. ".
1° il est inséré entre les alinéas 1er et 2, un nouvel alinéa, rédigé comme suit :
" Pour les demandes visant à obtenir une indemnité compensatoire dans le cadre de l'interdiction d'épandage applicable à partir de l'année calendaire 2025 ou d'une année calendaire ultérieure, la condition, visée à l'alinéa 1er, 2°, est également satisfaite si la ou les parcelle(s) pour laquelle/lesquelles une indemnité compensatoire est demandée appartenait/appartenaient en 2023 à l'exploitation d'un agriculteur et si la ou les parcelle(s) en question :
1° soit appartient/appartiennent depuis lors à l'exploitation d'un autre agriculteur à la suite d'un transfert relevant de l'un des transferts tels que visés à l'article 41bis, § 4, alinéas 2, 3, 4 et 7, du décret sur les engrais du 22 décembre 2006. Dans le cas de l'un des transferts en question :
a) la possibilité d'obtenir une indemnité compensatoire est également transférée à l'agriculteur dont l'exploitation comprend depuis lors la parcelle ;
b) si cet agriculteur introduit une demande visant à obtenir une indemnité compensatoire par dérogation à l'alinéa 1er, la condition, visée à l'alinéa 1er, 1°, doit être satisfaite par l'agriculteur dont l'exploitation comprend depuis lors la parcelle ;
c) si cet agriculteur introduit une demande visant à obtenir une indemnité compensatoire, par dérogation à l'alinéa 4, les données d'identification, visées à l'alinéa 4, 1°, de l'agriculteur dont l'exploitation comprend depuis lors la parcelle, doivent être jointes à la demande ainsi que, le cas échéant, le numéro de compte visé à l'alinéa 4, 3° ;
2° soit appartient/appartiennent au cours de la période 2023 à 2027 à l'exploitation d'un autre agriculteur pendant au maximum trois années calendaires non consécutives dans le cadre d'un bail saisonnier. Si la ou les parcelle(s) en question appartenait/appartenaient en 2023 ou 2024 à l'exploitation d'un autre agriculteur dans le cadre d'un bail saisonnier, la demande visant à obtenir une indemnité compensatoire est accompagnée d'une déclaration signée par les deux agriculteurs concernés, précisant l'année et l'identité de l'agriculteur auquel la parcelle appartenait dans le cadre d'un bail saisonnier. Si la ou les parcelle(s) en question appartenait/appartenaient en 2023 à l'exploitation d'un agriculteur dans le cadre d'un bail saisonnier :
a) la possibilité d'obtenir une indemnité compensatoire est également transférée à l'agriculteur dont l'exploitation comprenait la parcelle en 2024 ;
b) si l'agriculteur dont l'exploitation comprenait la parcelle en 2024 introduit une demande visant à obtenir une indemnité compensatoire, par dérogation à l'alinéa 1er, la condition, visée à l'alinéa 1er, 1°, doit être satisfaite par l'agriculteur dont l'exploitation comprenait la parcelle en 2024 ;
c) si l'agriculteur dont l'exploitation comprenait la parcelle en 2024 introduit une demande visant à obtenir une indemnité compensatoire, par dérogation à l'alinéa 4, la demande est accompagnée des données d'identification, visées à l'alinéa 4, 1°, de l'agriculteur dont l'exploitation comprenait la parcelle en 2024, ainsi que, le cas échéant, le numéro de compte, visé à l'alinéa 4, 3°. " ;
2° l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, 2° et 3°, et à l'alinéa 2, 2°, pour les parcelles désignées sur la base des plans d'exécution spatiaux adoptés définitivement après le 1er janvier 2025 mais avant le 1er janvier 2028, tel que visé à l'article 3.2.6, § 1er, alinéa 2, 1°, l'année 2023 est remplacée par l'année précédant celle de l'adoption définitive du plan d'exécution spatial en question et l'année 2024 est remplacée par l'année de l'adoption définitive du plan d'exécution spatial en question. ".
3° dans l'alinéa 5 existant, qui devient l'alinéa 6, le membre de phrase " l'alinéa 4 " est remplacé par le membre de phrase " l'alinéa 5 " ;
4° l'alinéa 5 existant, qui devient l'alinéa 6, est complété par un point 3° rédigé comme suit :
" 3° pour les demandes d'indemnité compensatoire introduites au plus tard le 31 octobre 2025, l'agriculteur en question peut déjà faire courir l'interdiction d'épandage à partir du 1er janvier 2025 ou du 1er janvier 2026. ".
Art. 4. In hoofdstuk 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 december 2017, 30 maart 2018, 8 januari 2021 en 19 juli 2024, wordt afdeling 3, die bestaat uit artikel 12.3.1, vervangen door wat volgt:
"Afdeling 3. Het opvolgingsorgaan
Art. 12.3.1. § 1. Er wordt een opvolgingsorgaan als vermeld in artikel 3, § 9, 4° /1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, opgericht.
Het opvolgingsorgaan bestaat uit de volgende leden:
1° één vertegenwoordiger van de Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur;
2° één vertegenwoordiger van de Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, die tevens personeelslid is van de VLM;
3° twee vertegenwoordigers van de VLM, op voordracht van de VLM;
4° één vertegenwoordiger van de VMM, op voordracht van de Vlaamse Milieumaatschappij;
5° één vertegenwoordiger van het Agentschap voor Landbouw en Zeevisserij, op voordracht van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij;
6° één vertegenwoordiger van het Departement Omgeving, op voordracht van het Departement Omgeving;
7° zeven vertegenwoordigers van de erkende landbouworganisaties, waarvan minimaal één vertegenwoordiger uit de biologische sector, op voordracht van de erkende landbouworganisaties;
8° zeven vertegenwoordigers van de erkende milieu- en natuurorganisaties, op voordracht van de erkende milieu- en natuurorganisaties.
In het tweede lid wordt verstaan onder:
1° Agentschap Landbouw en Zeevisserij: het Agentschap Landbouw en Zeevisserij, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2023 tot oprichting van een intern verzelfstandigd agentschap "Landbouw en Zeevisserij";
2° Departement Omgeving: het Departement Omgeving, vermeld in artikel 29, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
3° VMM: de Vlaamse Milieumaatschappij, vermeld in artikel 10.2.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
De vertegenwoordiger, vermeld in het tweede lid, 2°, wordt aangewezen als de voorzitter.
Een van de vertegenwoordigers, vermeld in het tweede lid, 3°, wordt aangewezen als secretaris en beheert het secretariaat van het opvolgingsorgaan..
Bij afwezigheid van de vertegenwoordiger, vermeld in het tweede lid, 2°, die aangewezen is als voorzitter, neemt de vertegenwoordiger, vermeld in het tweede lid, 1°, het voorzitterschap op zich.
§ 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, benoemt de leden en benoemt voor elk lid, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, een plaatsvervanger. De plaatsvervangende leden worden benoemd volgens dezelfde procedure als de procedure die gevolgd is voor de benoeming van de effectieve leden van wie ze plaatsvervanger zijn.
§ 3. Het opvolgingsorgaan zal een huishoudelijk reglement opstellen, waarin de volgende elementen bepaald kunnen worden:
1° de plaats en de frequentie van de vergaderingen van het opvolgingsorgaan en de wijze waarop het opvolgingsorgaan volledig of gedeeltelijk digitaal kan vergaderen;
2° de wijze waarop de leden van het opvolgingsorgaan op de hoogte worden gebracht van een geplande vergadering;
3° de wijze waarop de agenda van de vergaderingen van het opvolgingsorgaan wordt bepaald;
4° de wijze waarop de notulen van de vergaderingen worden opgesteld en goedgekeurd;
5° de taken van de voorzitter en van de secretaris van het opvolgingsorgaan;
6° de mogelijkheid om, rekening houdend met de thema 's die vermeld zijn op de agenda van het opvolgingsorgaan, op vraag van minstens één lid van het opvolgingsorgaan, vertegenwoordigers van andere relevante organisaties of administraties evenals vertegenwoordigers uit de academische wereld of van onderzoekscentra of praktijkcentra uit te nodigen om deel te nemen aan vergaderingen van het opvolgingsorgaan;
7° de wijze waarop overleg wordt gepleegd over de agendapunten die op de agenda staan en de nadere bepalingen over de praktische werking van het opvolgingsorgaan, waaronder de wijze waarop, binnen het opvolgingsorgaan, geprobeerd zal worden om een consensus te bereiken voor de agendapunten die vermeld zijn op de agenda;
8° de procedure om het huishoudelijk reglement vast te leggen en te wijzigen.
§ 4. Minstens over de volgende zaken wordt binnen het opvolgingsorgaan overleg gepleegd:
1° het evalueren van het bestaande mestbeleid;
2° het vormgeven van aanpassingen aan het mestbeleid en aan mestactieplannen;
3° het verduidelijken en uitwerken van maatregelen in het kader van het mestbeleid;
4° het bespreken van de maatregelen die gelden op beschermingsstroken in het kader van waterkwaliteit en waterveiligheid;
5° de begeleiding van land- en tuinbouwers met het oog op het behalen van een betere waterkwaliteit;
6° het bespreken van de MAP-meetpunten;
7° het uitwerken van de principes "grondgebondenheid" en "veedichtheid";
8° het bespreken en aktenemen van wetenschappelijk onderzoek in het kader van het mestbeleid;
9° het opvolgen van de maatregelen inzake grondloze tuinbouw;
10° het bespreken van maatregelen voor mestverwerkers en vergistingsinstallaties;
11° het bespreken van de goede bodem-, teelt- en bemestingspraktijken;
12° het verduidelijken van de auto-executieve maatregelen;
13° het bespreken van de opstart van gebiedscoalities.
§ 5. De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, kan de nadere regels bepalen over de invulling van de taken en de goede werking van het opvolgingsorgaan.
§ 6. De contact- en identificatiegegevens van de leden van het opvolgingsorgaan worden verwerkt in het kader van de uitvoering van een taak van algemeen belang, zijnde de organisatie en de werking van het opvolgingsorgaan. De VLM treedt, als beheerder van het secretariaat van het opvolgingsorgaan, op als verwerkingsverantwoordelijke en informeert de leden van het opvolgingsorgaan over de uitoefening van hun rechten in het kader van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.".
"Afdeling 3. Het opvolgingsorgaan
Art. 12.3.1. § 1. Er wordt een opvolgingsorgaan als vermeld in artikel 3, § 9, 4° /1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, opgericht.
Het opvolgingsorgaan bestaat uit de volgende leden:
1° één vertegenwoordiger van de Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur;
2° één vertegenwoordiger van de Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, die tevens personeelslid is van de VLM;
3° twee vertegenwoordigers van de VLM, op voordracht van de VLM;
4° één vertegenwoordiger van de VMM, op voordracht van de Vlaamse Milieumaatschappij;
5° één vertegenwoordiger van het Agentschap voor Landbouw en Zeevisserij, op voordracht van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij;
6° één vertegenwoordiger van het Departement Omgeving, op voordracht van het Departement Omgeving;
7° zeven vertegenwoordigers van de erkende landbouworganisaties, waarvan minimaal één vertegenwoordiger uit de biologische sector, op voordracht van de erkende landbouworganisaties;
8° zeven vertegenwoordigers van de erkende milieu- en natuurorganisaties, op voordracht van de erkende milieu- en natuurorganisaties.
In het tweede lid wordt verstaan onder:
1° Agentschap Landbouw en Zeevisserij: het Agentschap Landbouw en Zeevisserij, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2023 tot oprichting van een intern verzelfstandigd agentschap "Landbouw en Zeevisserij";
2° Departement Omgeving: het Departement Omgeving, vermeld in artikel 29, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
3° VMM: de Vlaamse Milieumaatschappij, vermeld in artikel 10.2.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
De vertegenwoordiger, vermeld in het tweede lid, 2°, wordt aangewezen als de voorzitter.
Een van de vertegenwoordigers, vermeld in het tweede lid, 3°, wordt aangewezen als secretaris en beheert het secretariaat van het opvolgingsorgaan..
Bij afwezigheid van de vertegenwoordiger, vermeld in het tweede lid, 2°, die aangewezen is als voorzitter, neemt de vertegenwoordiger, vermeld in het tweede lid, 1°, het voorzitterschap op zich.
§ 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, benoemt de leden en benoemt voor elk lid, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, een plaatsvervanger. De plaatsvervangende leden worden benoemd volgens dezelfde procedure als de procedure die gevolgd is voor de benoeming van de effectieve leden van wie ze plaatsvervanger zijn.
§ 3. Het opvolgingsorgaan zal een huishoudelijk reglement opstellen, waarin de volgende elementen bepaald kunnen worden:
1° de plaats en de frequentie van de vergaderingen van het opvolgingsorgaan en de wijze waarop het opvolgingsorgaan volledig of gedeeltelijk digitaal kan vergaderen;
2° de wijze waarop de leden van het opvolgingsorgaan op de hoogte worden gebracht van een geplande vergadering;
3° de wijze waarop de agenda van de vergaderingen van het opvolgingsorgaan wordt bepaald;
4° de wijze waarop de notulen van de vergaderingen worden opgesteld en goedgekeurd;
5° de taken van de voorzitter en van de secretaris van het opvolgingsorgaan;
6° de mogelijkheid om, rekening houdend met de thema 's die vermeld zijn op de agenda van het opvolgingsorgaan, op vraag van minstens één lid van het opvolgingsorgaan, vertegenwoordigers van andere relevante organisaties of administraties evenals vertegenwoordigers uit de academische wereld of van onderzoekscentra of praktijkcentra uit te nodigen om deel te nemen aan vergaderingen van het opvolgingsorgaan;
7° de wijze waarop overleg wordt gepleegd over de agendapunten die op de agenda staan en de nadere bepalingen over de praktische werking van het opvolgingsorgaan, waaronder de wijze waarop, binnen het opvolgingsorgaan, geprobeerd zal worden om een consensus te bereiken voor de agendapunten die vermeld zijn op de agenda;
8° de procedure om het huishoudelijk reglement vast te leggen en te wijzigen.
§ 4. Minstens over de volgende zaken wordt binnen het opvolgingsorgaan overleg gepleegd:
1° het evalueren van het bestaande mestbeleid;
2° het vormgeven van aanpassingen aan het mestbeleid en aan mestactieplannen;
3° het verduidelijken en uitwerken van maatregelen in het kader van het mestbeleid;
4° het bespreken van de maatregelen die gelden op beschermingsstroken in het kader van waterkwaliteit en waterveiligheid;
5° de begeleiding van land- en tuinbouwers met het oog op het behalen van een betere waterkwaliteit;
6° het bespreken van de MAP-meetpunten;
7° het uitwerken van de principes "grondgebondenheid" en "veedichtheid";
8° het bespreken en aktenemen van wetenschappelijk onderzoek in het kader van het mestbeleid;
9° het opvolgen van de maatregelen inzake grondloze tuinbouw;
10° het bespreken van maatregelen voor mestverwerkers en vergistingsinstallaties;
11° het bespreken van de goede bodem-, teelt- en bemestingspraktijken;
12° het verduidelijken van de auto-executieve maatregelen;
13° het bespreken van de opstart van gebiedscoalities.
§ 5. De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, kan de nadere regels bepalen over de invulling van de taken en de goede werking van het opvolgingsorgaan.
§ 6. De contact- en identificatiegegevens van de leden van het opvolgingsorgaan worden verwerkt in het kader van de uitvoering van een taak van algemeen belang, zijnde de organisatie en de werking van het opvolgingsorgaan. De VLM treedt, als beheerder van het secretariaat van het opvolgingsorgaan, op als verwerkingsverantwoordelijke en informeert de leden van het opvolgingsorgaan over de uitoefening van hun rechten in het kader van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.".
Art. 4. Au chapitre 12 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 22 décembre 2017, 30 mars 2018, 8 janvier 2021 et 19 juillet 2024, la section 3, comprenant l'article 12.3.1, est remplacé par ce qui suit :
" Section 3. L'organe de suivi
Art. 12.3.1. § 1er. Un organe de suivi est créé tel que visé à l'article 3, § 9, 4° /1, du décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
L'organe de suivi se compose des membres suivants :
1° un représentant du ministre flamand qui a l'environnement et la nature dans ses attributions ;
2° un représentant du ministre flamand qui a l'environnement et la nature dans ses attributions, qui est également membre du personnel de la VLM ;
3° deux représentants de la VLM, sur proposition de la VLM ;
4° un représentant de la VMM, sur proposition de la VMM ;
5° un représentant de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche (" Agentschap voor Landbouw en Zeevisserij), sur proposition de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche ;
6° un représentant du Département de l'Environnement (" Departement Omgeving "), sur proposition du Département de l'Environnement ;
7° sept représentants des organisations agricoles agréées, dont au moins un représentant du secteur biologique, sur proposition des organisations agricoles agréées ;
8° sept représentants des organisations agréées de protection de l'environnement et de la nature, sur proposition des organisations agréées de protection de l'environnement et de la nature.
Dans l'alinéa 2, on entend par :
1° Agence de l'Agriculture et de la Pêche : l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche, créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2023 portant création d'une agence autonomisée interne Agence de l'Agriculture et de la Pêche ;
2° Département de l'Environnement : le Département de l'Environnement visé à l'article 29, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande ;
3° VMM : la Société flamande de l'Environnement (" Vlaamse Milieumaatschappij "), visée à l'article 10.2.1 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
Le représentant, visé à l'alinéa 2, 2°, est désigné comme président.
L'un des représentants, visés à l'alinéa 2, 3°, est désigné comme secrétaire et gère le secrétariat de l'organe de suivi.
En cas d'absence du représentant, visé à l'alinéa 2, 2°, qui a été désigné comme président, le représentant, visé à l'alinéa 2, 1°, assume la présidence.
§ 2. Le ministre flamand qui a l'environnement et la nature dans ses attributions nomme les membres et nomme un suppléant pour chaque membre visé au paragraphe 1er, alinéa 2. Les membres suppléants sont nommés selon la même procédure que celle prévue pour les membres effectifs qu'ils remplacent.
§ 3. L'organe de suivi établira un règlement d'ordre intérieur qui peut préciser les éléments suivants :
1° le lieu et la fréquence des réunions de l'organe de suivi et la façon dont l'organe de suivi peut se réunir entièrement ou partiellement par voie électronique ;
2° la manière dont les membres de l'organe de suivi sont informés d'une réunion prévue ;
3° la manière dont l'ordre du jour des réunions de l'organe de suivi est déterminé ;
4° la manière dont les procès-verbaux des réunions sont établis et adoptés ;
5° les tâches du président et du secrétaire de l'organe de suivi ;
6° la possibilité d'inviter des représentants d'autres organisations ou administrations pertinentes ainsi que des représentants issus du monde académique, de centres de recherche ou de centres de pratique à participer aux réunions de l'organe de suivi, en tenant compte des thèmes inscrits à l'ordre du jour de l'organe de suivi et à la demande d'au moins un membre de l'organe de suivi ;
7° les modalités de concertation concernant les points inscrits à l'ordre du jour et les modalités relatives au fonctionnement pratique de l'organe de suivi, y compris la manière dont il sera tenté, au sein de l'organe de suivi, de parvenir à un consensus sur les points inscrits à l'ordre du jour ;
8° la procédure d'établissement et de modification du règlement d'ordre intérieur.
§ 4. Au sein de l'organe de suivi, une concertation est menée au moins sur les points suivants :
1° évaluer la politique existante en matière d'engrais ;
2° élaborer des adaptations à la politique et aux plans d'action en matière d'engrais ;
3° clarifier et mettre en oeuvre des mesures dans le cadre de la politique en matière d'engrais ;
4° discuter des mesures applicables aux bandes de protection dans le cadre de la qualité et de la sécurité de l'eau ;
5° accompagner des agriculteurs et horticulteurs en vue d'améliorer la qualité de l'eau ;
6° discuter des points de mesure du MAP (plan d'action en matière d'engrais) ;
7° élaborer les principes de " liaison au sol " et " densité de bétail " ;
8° discuter et prendre connaissance de la recherche scientifique dans le cadre de la politique en matière d'engrais ;
9° assurer le suivi des mesures relatives à l'horticulture hors-sol ;
10° discuter des mesures pour des transformateurs d'engrais et des installations de fermentation ;
11° discuter des bonnes pratiques en matière de sol, de culture et de fertilisation ;
12° clarifier les mesures auto-exécutoires ;
13° discuter du lancement de coalitions territoriales.
§ 5. Le ministre flamand qui a l'environnement et la nature dans ses attributions peut arrêter des modalités relatives à la concrétisation des tâches et au bon fonctionnement de l'organe de suivi.
§ 6. Les données de contact et d'identification des membres de l'organe de suivi sont traitées dans le cadre de l'exécution d'une mission d'intérêt public, à savoir l'organisation et le fonctionnement de l'organe de suivi. La VLM, en sa qualité de gestionnaire du secrétariat de l'organe de suivi, agit en tant que responsable du traitement et informe les membres de l'organe de suivi de l'exercice de leurs droits dans le cadre du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la Directive 95/46/CE. ".
" Section 3. L'organe de suivi
Art. 12.3.1. § 1er. Un organe de suivi est créé tel que visé à l'article 3, § 9, 4° /1, du décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
L'organe de suivi se compose des membres suivants :
1° un représentant du ministre flamand qui a l'environnement et la nature dans ses attributions ;
2° un représentant du ministre flamand qui a l'environnement et la nature dans ses attributions, qui est également membre du personnel de la VLM ;
3° deux représentants de la VLM, sur proposition de la VLM ;
4° un représentant de la VMM, sur proposition de la VMM ;
5° un représentant de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche (" Agentschap voor Landbouw en Zeevisserij), sur proposition de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche ;
6° un représentant du Département de l'Environnement (" Departement Omgeving "), sur proposition du Département de l'Environnement ;
7° sept représentants des organisations agricoles agréées, dont au moins un représentant du secteur biologique, sur proposition des organisations agricoles agréées ;
8° sept représentants des organisations agréées de protection de l'environnement et de la nature, sur proposition des organisations agréées de protection de l'environnement et de la nature.
Dans l'alinéa 2, on entend par :
1° Agence de l'Agriculture et de la Pêche : l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche, créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 septembre 2023 portant création d'une agence autonomisée interne Agence de l'Agriculture et de la Pêche ;
2° Département de l'Environnement : le Département de l'Environnement visé à l'article 29, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande ;
3° VMM : la Société flamande de l'Environnement (" Vlaamse Milieumaatschappij "), visée à l'article 10.2.1 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
Le représentant, visé à l'alinéa 2, 2°, est désigné comme président.
L'un des représentants, visés à l'alinéa 2, 3°, est désigné comme secrétaire et gère le secrétariat de l'organe de suivi.
En cas d'absence du représentant, visé à l'alinéa 2, 2°, qui a été désigné comme président, le représentant, visé à l'alinéa 2, 1°, assume la présidence.
§ 2. Le ministre flamand qui a l'environnement et la nature dans ses attributions nomme les membres et nomme un suppléant pour chaque membre visé au paragraphe 1er, alinéa 2. Les membres suppléants sont nommés selon la même procédure que celle prévue pour les membres effectifs qu'ils remplacent.
§ 3. L'organe de suivi établira un règlement d'ordre intérieur qui peut préciser les éléments suivants :
1° le lieu et la fréquence des réunions de l'organe de suivi et la façon dont l'organe de suivi peut se réunir entièrement ou partiellement par voie électronique ;
2° la manière dont les membres de l'organe de suivi sont informés d'une réunion prévue ;
3° la manière dont l'ordre du jour des réunions de l'organe de suivi est déterminé ;
4° la manière dont les procès-verbaux des réunions sont établis et adoptés ;
5° les tâches du président et du secrétaire de l'organe de suivi ;
6° la possibilité d'inviter des représentants d'autres organisations ou administrations pertinentes ainsi que des représentants issus du monde académique, de centres de recherche ou de centres de pratique à participer aux réunions de l'organe de suivi, en tenant compte des thèmes inscrits à l'ordre du jour de l'organe de suivi et à la demande d'au moins un membre de l'organe de suivi ;
7° les modalités de concertation concernant les points inscrits à l'ordre du jour et les modalités relatives au fonctionnement pratique de l'organe de suivi, y compris la manière dont il sera tenté, au sein de l'organe de suivi, de parvenir à un consensus sur les points inscrits à l'ordre du jour ;
8° la procédure d'établissement et de modification du règlement d'ordre intérieur.
§ 4. Au sein de l'organe de suivi, une concertation est menée au moins sur les points suivants :
1° évaluer la politique existante en matière d'engrais ;
2° élaborer des adaptations à la politique et aux plans d'action en matière d'engrais ;
3° clarifier et mettre en oeuvre des mesures dans le cadre de la politique en matière d'engrais ;
4° discuter des mesures applicables aux bandes de protection dans le cadre de la qualité et de la sécurité de l'eau ;
5° accompagner des agriculteurs et horticulteurs en vue d'améliorer la qualité de l'eau ;
6° discuter des points de mesure du MAP (plan d'action en matière d'engrais) ;
7° élaborer les principes de " liaison au sol " et " densité de bétail " ;
8° discuter et prendre connaissance de la recherche scientifique dans le cadre de la politique en matière d'engrais ;
9° assurer le suivi des mesures relatives à l'horticulture hors-sol ;
10° discuter des mesures pour des transformateurs d'engrais et des installations de fermentation ;
11° discuter des bonnes pratiques en matière de sol, de culture et de fertilisation ;
12° clarifier les mesures auto-exécutoires ;
13° discuter du lancement de coalitions territoriales.
§ 5. Le ministre flamand qui a l'environnement et la nature dans ses attributions peut arrêter des modalités relatives à la concrétisation des tâches et au bon fonctionnement de l'organe de suivi.
§ 6. Les données de contact et d'identification des membres de l'organe de suivi sont traitées dans le cadre de l'exécution d'une mission d'intérêt public, à savoir l'organisation et le fonctionnement de l'organe de suivi. La VLM, en sa qualité de gestionnaire du secrétariat de l'organe de suivi, agit en tant que responsable du traitement et informe les membres de l'organe de suivi de l'exercice de leurs droits dans le cadre du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la Directive 95/46/CE. ".
Art. 5. De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 5. Le ministre flamand qui a l'environnement et la nature dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.