Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
30 APRIL 2025. - Uittreksel uit arrest nr. 72/2025 van 30 april 2025
Titre
30 AVRIL 2025. - Extrait de l'arrêt n° 72/2025 du 30 avril 2025
Tekst (1)
Texte (1)
Artikel M. Uittreksel uit arrest nr. 72/2025 van 30 april 2025
Rolnummer 8215
In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 5 van het Vlaamse programmadecreet van 22 december 2023 " bij de begroting 2024 ", ingesteld door het Algemeen Christelijk Vakverbond van België en anderen.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 mei 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 mei 2024, is beroep tot vernietiging van artikel 5 van het Vlaamse programmadecreet van 22 december 2023 " bij de begroting 2024 " (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2023) ingesteld door het Algemeen Christelijk Vakverbond van België, Ann Vermorgen, het Algemeen Belgisch Vakverbond, Thierry Bodson, de Algemene Centrale der Liberale Vakverbonden van België, Gert Truyens, de vzw " Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen ", de vzw " Nederlandstalige Vrouwenraad ", de vzw " ella - kenniscentrum gender en etniciteit ", de vzw " Furia ", de vzw " Femma ", de vzw " Rebelle ", de vzw " Kinderdagverblijf D'n Opvang ", de vzw " Kinderdagverblijf De Ketjes ", de vzw " Samenwerken aan Kinderopvang Brussel ", de vzw " EVA Bxl ", de vzw " Vlaams Patiëntenplatform ", de vzw " ZIJkant, de progressieve vrouwenbeweging ", de vzw " Humanistisch Verbond ", de vzw " Gelijke Rechten voor Iedere Persoon met een handicap ", de vzw " Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning Kapoentje ", de vzw " Elmer " en de vzw " Villa boempatat ", bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Lies Michielsen, mr. Rosalie Daneels en mr. Timo Lehaen, advocaten bij de balie van Antwerpen, en door mr. Mieke Van den Broeck, advocate bij de balie te Brussel.
(...)
II. In rechte
(...)
Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan
B.1.1. Het beroep tot vernietiging heeft betrekking op de voorrangsregels inzake de toegang tot de op basis van het inkomen gesubsidieerde kinderopvang in de Vlaamse Gemeenschap.
B.1.2. Het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 20 april 2012 " houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters " (hierna : het decreet van 20 april 2012) legt het decretale kader vast met betrekking tot de organisatie van de opvang van kinderen in de voorschoolse leeftijd binnen de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Gemeenschap beoogt met kinderopvang " een dienstverlening aan gezinnen die een economische, pedagogische en sociale functie heeft, die kwaliteitsvol, beschikbaar, betaalbaar en rechtstreeks toegankelijk is voor elk kind zonder onderscheid, in aanvulling op de opvoeding van het kind in zijn gezin, met respect voor de draagkracht van het kind, zijn thuismilieu en de keuzevrijheid van het gezin " (artikel 3, eerste lid, van het decreet van 20 april 2012). Binnen het beschikbare aanbod aan kinderopvang en binnen een afgesproken budgettair kader heeft elk gezin met een behoefte aan kinderopvang recht op kinderopvang (artikel 3, tweede en vijfde lid, van het decreet van 20 april 2012). De kinderopvang wordt in de Vlaamse Gemeenschap uitgebouwd met als doel aan alle gezinnen die behoefte hebben aan kinderopvang, binnen een redelijke termijn en op een redelijke afstand een kwaliteitsvolle en betaalbare opvangplaats te kunnen aanbieden (artikel 3, derde lid, van het decreet van 20 april 2012).
B.1.3. In het decreet van 20 april 2012 wordt de subsidiëring van de kinderopvanglocaties in verschillende trappen georganiseerd. De erkende kinderopvanglocaties die aan bepaalde voorwaarden voldoen, kunnen een basissubsidie verkrijgen (artikel 7) (trap 1). Daarnaast voorziet het decreet in twee aanvullende subsidies die de erkende kinderopvanglocaties boven op de basissubsidie kunnen verkrijgen indien zij aan bijkomende voorwaarden beantwoorden. Enerzijds is er de subsidie op basis van het inkomen van het gezin (artikel 8, § 1) (trap 2). Anderzijds kunnen de erkende kinderopvanglocaties boven op de subsidie op basis van het inkomen van het gezin een subsidie voor de realisatie van de toegang tot kinderopvang voor kwetsbare gezinnen verkrijgen (artikel 9) (trap 3). Ten slotte kunnen de erkende kinderopvanglocaties, ongeacht de subsidies vermeld in de artikelen 7, 8 en 9, een subsidie ontvangen voor flexibele en inclusieve kinderopvang (artikel 10).
B.2.1. Zolang het aanbod niet volstaat voor alle gezinnen met een behoefte aan kinderopvang, bepaalt de Vlaamse Regering welke groepen bij voorrang gebruik kunnen maken van de kinderopvanglocaties van trap 2 en trap 3 (artikel 3, zevende lid). Om dezelfde reden moet een kinderopvang waarvoor de gezinnen betalen op basis van het inkomen (trap 2), voor de toekenning van de aanvullende subsidie onder meer rekening houden met de voorrangsregels die door de decreetgever zijn bepaald in artikel 8, § 1, eerste lid, van het decreet van 20 april 2012.
B.2.2. Tot vóór de aanneming van artikel 5 van het Vlaamse programmadecreet van 22 december 2023 " bij de begroting 2024 " (hierna : het decreet van 22 december 2023), dat het voorwerp uitmaakt van het beroep tot vernietiging, bepaalde artikel 8 van het decreet van 20 april 2012 :
" § 1. De organisator met een vergunning voor gezinsopvang of een vergunning voor groepsopvang kan bovenop de subsidie, vermeld in artikel 7, een subsidie ontvangen van het agentschap voor de realisatie van kinderopvang waarvoor de gezinnen betalen op basis van het inkomen, en voor de realisatie van de toegang tot de kinderopvang voor gezinnen die beantwoorden aan kenmerken die bij voorrang betrekking hebben op :
1° de werksituatie, met minstens het kenmerk dat kinderopvang noodzakelijk is om toegang te hebben tot de arbeidsmarkt of om een beroepsgerichte opleiding in het kader hiervan te kunnen volgen, en verder :
2° de financiële situatie;
3° de gezinssamenstelling;
4° de aanwezigheid van pleegkinderen, als bedoeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, in het gezin en die in aanmerking komen voor kinderopvang als bedoeld in artikel 2, 2°.
De financiële bijdrage van de gezinnen voor de kinderopvang van een pleegkind als vermeld in het eerste lid, 4°, of van een kind van een minderjarige tienermoeder, stemt overeen met het laagst mogelijke inkomenstarief, onafhankelijk van het inkomen van het pleeggezin of van het gezin van de minderjarige.
[...]
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt :
[...]
2° de voorrangsregels voor de toegang, vermeld in § 1 en § 2, waarbij absolute voorrang is in het kader van de werksituatie, de minimaal te behalen resultaten op dat vlak en de wijze waarop die resultaten worden gemeten;
3° de nadere regels voor de kenmerken, vermeld in § 1, en de wijze waarop ze formeel worden vastgesteld.
[...] ".
Artikel 22, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 november 2013 " houdende de subsidies en de eraan gekoppelde voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening door gezinsopvang en groepsopvang van baby's en peuters " (hierna : het Subsidiebesluit), vóór de vervanging ervan bij artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2024 " tot wijziging van het Vergunningsbesluit van 22 november 2013 en het Subsidiebesluit van 22 november 2013 in het kader van de uitvoering van de septemberverklaring van de Vlaamse Regering van 2023 ", concretiseerde de voorrangsregeling bepaald in artikel 8, § 1.
Artikel 22 van het Subsidiebesluit bepaalde :
" De organisator geeft op de volgende wijze voorrang aan bepaalde gezinnen :
1° er is absolute voorrang voor gezinnen waarvoor kinderopvang noodzakelijk is in het kader van de werksituatie. De organisator geeft daarbij, bij keuze tussen aanvragen, altijd voorrang aan de aanvraag van het gezin, waarvoor kinderopvang noodzakelijk is om werk te zoeken of te houden of om een beroepsgerichte opleiding daarvoor te volgen;
2° er is voorrang voor alleenstaanden;
3° er is voorrang voor gezinnen die een inkomen hebben dat lager is dan een bepaald bedrag;
4° er is voorrang voor pleegkinderen die kinderopvang nodig hebben;
5° er is voorrang voor kinderen van wie een broer of zus in de kinderopvanglocatie opgevangen wordt.
Daarbij zorgt de organisator ervoor dat minstens 20 % van alle kinderen die op jaarbasis opgevangen worden, kinderen zijn van gezinnen die beantwoorden aan ten minste twee van de eerste vier kenmerken, vermeld in het eerste lid. Ook kinderen uit een kwetsbaar gezin tellen mee voor de berekening van dat percentage. Dat percentage wordt berekend over alle kinderopvanglocaties van de subsidiegroep die het inkomenstarief, vermeld in artikel 28, toepassen. Zolang 20 % niet bereikt is, kan afgeweken worden van de absolute voorrang, vermeld in het eerste lid, 1°.
De organisator neemt de wijze waarop hij die voorrang toepast, op in zijn huishoudelijk reglement
De minister bepaalt de nadere regels, onder meer het bedrag van het inkomen ".
B.2.3. Artikel 5 van het decreet van 22 december 2023 wijzigt, met ingang van 1 januari 2024, artikel 8 van het decreet van 20 april 2012 als volgt :
" 1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt :
` § 1. De organisator met een vergunning voor gezinsopvang of een vergunning voor groepsopvang kan bovenop de subsidie, vermeld in artikel 7, een subsidie ontvangen van het agentschap voor de realisatie van kinderopvang waarvoor de gezinnen betalen op basis van het inkomen, en voor de realisatie van voorrang bij de toegang tot de kinderopvang voor gezinnen waarvoor kinderopvang noodzakelijk is om te werken of om een opleiding met het oog op werk te volgen.
Bij de voorrang, vermeld in het eerste lid, geeft de organisator absolute voorrang aan :
1° gezinnen die in totaliteit minstens hetzij 4/5de werken, hetzij een 4/5de dagopleiding met het oog op werk volgen, hetzij een 4/5de combinatie van werken en opleiding met het oog op werk realiseren;
2° broertjes of zusjes van kinderen die op hetzelfde moment reeds gebruikmaken van dezelfde kinderopvang;
3° pleegkinderen als bedoeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, in het gezin en die in aanmerking komen voor kinderopvang als bedoeld in artikel 2, 2°.
De financiële bijdrage van de gezinnen voor de kinderopvang van een pleegkind als vermeld in het tweede lid, 3°, of van een kind van een minderjarige tienermoeder, stemt overeen met het laagst mogelijke inkomenstarief, onafhankelijk van het inkomen van het pleeggezin of van het gezin van de minderjarige.
De organisator kan afwijken op de voorrang, vermeld in het eerste lid, ten belope van maximaal 10 % van alle kinderen die op jaarbasis opgevangen worden in de kinderopvanglocatie, in het belang van het kind of omwille van een gezondheids- of welzijnssituatie in het gezin. ';
2° in paragraaf 3, eerste lid, wordt punt 2° vervangen door wat volgt :
` 2° de nadere regels voor de voorrangscriteria en de wijze waarop ze formeel zullen worden vastgesteld. ';
3° in paragraaf 3, eerste lid, wordt punt 3° opgeheven ".
B.2.4. Artikel 5 van het decreet van 22 december 2023 wijzigt de voorrangsregels inzake de toegang tot de op basis van het inkomen gesubsidieerde kinderopvang derhalve op drie punten. Ten eerste worden de financiële situatie en de gezinssamenstelling geschrapt als voorrangscategorie. Voorts wordt er binnen de voorrangscategorie die verband houdt met de werk- of opleidingssituatie, een absolute voorrang ingevoerd voor gezinnen die in totaliteit minstens 4/5de werken, een 4/5de-dagopleiding met het oog op werk volgen of een 4/5de-combinatie van werken en opleiding met het oog op werk realiseren. Ten slotte wordt de verplichting, die was opgenomen in artikel 22, tweede lid, van het Subsidiebesluit, dat minstens 20 % van alle kinderen die op jaarbasis opgevangen worden, kinderen zijn van gezinnen die beantwoorden aan ten minste twee van de eerste vier kenmerken zoals bepaald in het eerste lid van dat artikel, of die uit kwetsbare gezinnen komen, opgeheven en vervangen door de mogelijkheid voor de organisatoren van kinderopvang om ten belope van maximaal 10 % van het aantal vergunde kinderopvangplaatsen per kinderopvanglocatie af te wijken van de nieuwe voorrangsregels " in het belang van het kind of omwille van een gezondheids- of welzijnssituatie in het gezin ".
B.3.1. De parlementaire voorbereiding van het decreet van 22 december 2023 licht de wijziging van de voorrangsregels als volgt toe :
" De Vlaamse overheid wil kinderopvang realiseren die kwaliteitsvol, beschikbaar, betaalbaar en rechtstreeks toegankelijk is voor elk kind zonder onderscheid.
Binnen het beschikbare aanbod aan kinderopvang heeft elk gezin met een behoefte aan kinderopvang, recht op kinderopvang.
Zolang het aanbod niet volstaat voor alle gezinnen met een behoefte aan kinderopvang is het nodig om te werken met voorrangsregels in de kinderopvangvoorzieningen die een subsidie voor inkomenstarief ontvangen. Deze voorrangsregels hebben betrekking op de werksituatie.
Zo is deze voorrang absoluut voor gezinnen die minstens 4/5de werken of een 4/5de dagopleiding met het oog op werk volgen. Ook voor broertjes en zusjes die op hetzelfde moment gebruik maken van dezelfde kinderopvang en voor pleegkinderen geldt een absolute voorrang.
Concreet betekent dit dat bij gelijktijdige opvangvragen, een organisator van kinderopvang verplicht is om de aanvraag van het gezin dat beantwoordt aan deze criteria voor te nemen. Wanneer er geen vraag gesteld werd door een gezin met absolute voorrang wordt de plaats ter beschikking gesteld aan een gezin met voorrang omwille van werk of opleiding, maar dat dus niet gemiddeld minstens 4/5de werkt.
Wat de 4/5de betreft, als er meer dan één persoon de verantwoordelijkheid voor het kind draagt, moeten ze samen gemiddeld 4/5de werken of een dagopleiding volgen. Als de ene 5/5de werkt en de andere 3/5de dan is dat samen gemiddeld 4/5de en vallen ze ook onder deze voorwaarde.
De redenering is dat wie meer nood heeft aan kinderopvang voorrang krijgt. De prioritering voor fulltime werkenden geeft mensen de kans om ook als ze kleine kinderen hebben, fulltime te blijven werken. De redenering is dat wie voltijdse kinderopvang nodig heeft, voorrang krijgt. Wie minder dan 4/5de werkt of een opleiding volgt, zal makkelijker een alternatief voor formele opvang vinden dan wie 4/5de of voltijds werkt en heeft in die zin dus minder nood aan voltijdse kinderopvang.
Onder een 4/5de dagopleiding met het oog op werk verstaan we een intensief traject naar werk geattesteerd door VDAB, een intensief inburgeringstraject of een opleiding die leidt tot een onderwijskwalificatie. Bovendien kan werk en opleiding gecombineerd worden om de 4/5de te berekenen.
In het belang van het kind of omwille van een gezondheids- of welzijnssituatie in het gezin kan een organisator kinderopvang voor maximaal 10 % van het aantal kinderopvangplaatsen per kinderopvanglocatie afwijken van deze voorrangsregels. Deze afwijking wordt toegepast op basis van een doorverwijzing van een professional. Zo wordt een evenwicht gecreëerd tussen de economische, pedagogische en sociale functie van kinderopvang.
Bij gelijktijdige opvangvragen van gezinnen die voldoen aan de absolute voorrang kan de organisator binnen zijn eigen opnamebeleid nog eigen criteria hanteren. Bijvoorbeeld voorrang voor werkende gezinnen uit de eigen gemeente. De organisator neemt de wijze waarop hij deze voorrang toepast op in zijn huishoudelijk reglement.
We beperken de administratieve overlast voor de organisator. De organisator past de voorrang toe op basis van een verklaring op eer op het moment van de aanvraag. Eénmaal de plaats is toegewezen wordt dit niet opnieuw bekeken. De organisator hoeft geen documenten op te vragen noch te bewaren. Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om te kunnen aantonen via de nodige attesten dat ze voldoen aan de voorwaarden. De organisator dient de aanvrager hier wel over te informeren.
De nadere regels zullen bepaald worden door de Vlaamse Regering, met oog voor beperking van administratieve lasten " (Parl. St., Vlaams Parlement, 2023-2024, nr. 1870/1, pp. 4-5).
Met betrekking tot de schrapping van de voorrangscategorieën inzake de financiële situatie en de gezinssamenstelling, liet de gemachtigde van de Regering, daarnaar gevraagd door de afdeling wetgeving van de Raad van State in het kader van haar advies over het voorontwerp van decreet dat tot het decreet van 22 december 2023 heeft geleid, het volgende optekenen :
" Deze criteria worden niet meer als criteria op zich opgenomen, maar wel mogelijks via de afwijking van 10 % en via de absolute voorrang voor broers, zussen en pleegkinderen. Daarnaast kan de organisator binnen zijn eigen opnamebeleid nog eigen criteria hanteren om vragen tegen elkaar af te wegen, bijvoorbeeld als er tegelijkertijd twee opvangvragen zijn van gezinnen die 4/5den werken of opleiding volgen, kan de organisator in zijn opnamebeleid bepalen dat er voorrang gegeven wordt aan de alleenstaande ouder of de ouder met een laag inkomen " (Parl. St., Vlaams Parlement, 2023-2024, nr. 1870/1, p. 114).
B.3.2. De wijziging van de voorrangsregels gaat gepaard met een investering van bijkomende middelen in de kinderopvang. Zo wordt in het kader van de uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2024 voorzien in een bijkomend bedrag van 270 miljoen euro (Parl. St., Vlaams Parlement, 2023-2024, nr. 15/6-J, pp. 5, 11 en 65). Die middelen zijn onder meer bestemd voor het creëren van 5 000 bijkomende opvangplaatsen, waarvan 3 000 in trap 1 en 2 000 in trap 2 (ibid., p. 14), een verlaging van de kind-begeleiderratio (ibid., p. 11) en een verhoging van de basissubsidie (ibid., p. 11). Daarnaast werd de capaciteit van de kinderopvanglocaties van trap 2 ook uitgebreid door " de omschakeling van meer dan achtduizend plaatsen van trap 1 naar trap 2 in 2023 en 2024 " (ibid., p. 14).
Ten aanzien van het voorwerp van het beroep
B.4. Het Hof dient de omvang van het beroep tot vernietiging te bepalen op basis van de inhoud van het verzoekschrift.
Het Hof kan slechts uitdrukkelijk bestreden wetskrachtige bepalingen vernietigen waartegen middelen worden aangevoerd en, in voorkomend geval, bepalingen die niet worden bestreden maar die onlosmakelijk zijn verbonden met de bepalingen die moeten worden vernietigd.
B.5.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van het volledige artikel 5 van het decreet van 22 december 2023. Uit het verzoekschrift blijkt evenwel dat enkel grieven worden ontwikkeld tegen de voorrangsregels die zijn neergelegd in artikel 8, § 1, eerste, tweede en vierde lid, van het decreet van 20 april 2012, zoals vervangen bij artikel 5, 1°, van het decreet van 22 december 2023. Het Hof beperkt zijn onderzoek derhalve tot die bepaling.
B.5.2. Artikel 8, § 1, derde lid, van het decreet van 20 april 2012, zoals vervangen bij artikel 5, 1°, van het decreet van 22 december 2023, betreft de financiële bijdrage van de gezinnen voor de kinderopvang van een pleegkind of van een minderjarige tienermoeder. Die bepaling, waartegen geen grieven worden ontwikkeld, is niet onlosmakelijk verbonden met de door de verzoekende partijen bestreden voorrangsregeling.
Artikel 8, § 3, 2° en 3°, van het decreet van 20 april 2012, zoals vervangen, respectievelijk opgeheven bij artikel 5, 2° en 3°, van het decreet van 22 december 2023, betreft machtigingen aan de Vlaamse Regering om de bestreden voorrangsregeling nader vast te stellen en is bijgevolg wel onlosmakelijk verbonden met de bestreden bepaling. Indien het Hof het beroep gegrond acht, zouden die bepalingen derhalve bij wijze van gevolgtrekking kunnen worden vernietigd.
B.6.1. Tijdens de procedure voor het Hof werd artikel 8, § 1, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012, zoals vervangen bij artikel 5, 1°, van het decreet van 22 december 2023, opnieuw vervangen, door twee decreten.
B.6.2. Artikel 8, § 1, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012 werd een eerste maal vervangen bij artikel 2 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 17 mei 2024 " houdende wijziging van artikel 8 van het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters, wat betreft de invoering van het laagste tarief van de ouderbijdrage voor kinderopvang voor kinderen van moeders die zijn ingeschreven in het secundair onderwijs " (hierna : het decreet van 17 mei 2024). Artikel 2 van het decreet van 17 mei 2024 bepaalt :
" In het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters wordt artikel 8, § 1, tweede lid, vervangen door wat volgt :
` De financiële bijdrage van de gezinnen voor de kinderopvang van een pleegkind als vermeld in het eerste lid, 4°, of van een kind van een moeder die op het moment van de aanvraag is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in de leertijd, stemt overeen met het laagst mogelijke inkomenstarief, onafhankelijk van het inkomen van het pleeggezin of van het gezin van de moeder. ' ".
Vanaf 1 september 2024, datum van inwerkingtreding van het voormelde artikel 2, luidde artikel 8, § 1, van het decreet van 20 april 2012 dan ook als volgt :
" De organisator met een vergunning kan bovenop de subsidie, vermeld in artikel 7, een subsidie ontvangen van het agentschap voor de realisatie van kinderopvang en van opvang van schoolgaande kinderen binnen de vergunde opvang waarvoor de gezinnen betalen op basis van het inkomen, en voor de realisatie van voorrang bij de toegang tot de kinderopvang voor gezinnen waarvoor kinderopvang noodzakelijk is om te werken of om een opleiding met het oog op werk te volgen.
De financiële bijdrage van de gezinnen voor de kinderopvang van een pleegkind als vermeld in het eerste lid, 4°, of van een kind van een moeder die op het moment van de aanvraag is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor het gewoon of buitengewoon secundair onderwijs of in de leertijd, stemt overeen met het laagst mogelijke inkomenstarief, onafhankelijk van het inkomen van het pleeggezin of van het gezin van de moeder.
De financiële bijdrage van de gezinnen voor de kinderopvang van een pleegkind als vermeld in het tweede lid, 3°, of van een kind van een minderjarige tienermoeder, stemt overeen met het laagst mogelijke inkomenstarief, onafhankelijk van het inkomen van het pleeggezin of van het gezin van de minderjarige.
De organisator kan afwijken op de voorrang, vermeld in het eerste lid, ten belope van maximaal 10 % van alle kinderen die op jaarbasis opgevangen worden in de kinderopvanglocatie, in het belang van het kind of omwille van een gezondheids- of welzijnssituatie in het gezin ".
Artikel 2 van het decreet van 17 mei 2024 heeft derhalve de decretale voorrangsregels inzake het minstens 4/5de werken, een 4/5de-dagopleiding met het oog op werk volgen en een 4/5de-combinatie van werken en opleiding met het oog op werk realiseren vanaf 1 september 2024 opgeheven.
B.6.3. Bij artikel 2 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 20 december 2024 " tot wijziging van artikel 8 van het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters, wat een technische rechtzetting betreft " (hierna : het decreet van 20 december 2024) werd artikel 8, § 1, tweede lid, van het decreet van 20 april 2012 evenwel opnieuw vervangen :
" In artikel 8, § 1, van het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
` Bij de voorrang, vermeld in het eerste lid, geeft de organisator absolute voorrang aan :
1° gezinnen die in totaliteit minstens hetzij vier vijfde werken, hetzij een viervijfdedagopleiding met het oog op werk volgen, hetzij een viervijfdecombinatie van werken en opleiding met het oog op werk realiseren;
2° broertjes of zusjes van kinderen die op hetzelfde moment al gebruikmaken van dezelfde kinderopvang;
3° pleegkinderen als vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, in het gezin en die in aanmerking komen voor kinderopvang als vermeld in artikel 2, 2°. ' ".
B.6.4. Uit de parlementaire voorbereiding bij het decreet van 20 december 2024 blijkt dat de decreetgever de bedoeling had om de materiële vergissing die werd begaan bij het decreet van 17 mei 2024, recht te zetten en de oorspronkelijke bepaling, die het voorwerp uitmaakt van dit beroep, te herstellen :
" Artikel 2 herstelt het oorspronkelijke tweede lid van artikel 8, § 1, dat onbedoeld vervangen werd met het decreet houdende wijziging van artikel 8 van het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters, wat betreft de invoering van het laagste tarief van de ouderbijdrage voor kinderopvang voor kinderen van moeders die zijn ingeschreven in het secundair onderwijs " (Parl. St., Vlaams Parlement, 2024-2025, nr. 172/1, p. 2).
Bijgevolg zijn artikel 2 van het decreet van 17 mei 2024 en artikel 2 van het decreet van 20 december 2024 onlosmakelijk verbonden met het door de verzoekende partijen uitdrukkelijk bestreden artikel 5 van het decreet van 22 december 2023.
Ten gronde
Wat betreft de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie
B.7. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 5 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, de artikelen 2 en 6 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 2 van het Verdrag inzake de rechten van het kind.
De verzoekende partijen bekritiseren de, in B.2.4 vermelde, drievoudige wijziging van de voorrangsregels die de bestreden bepaling invoert, die volgens hen verschillende categorieën van personen benadeelt, te weten personen die deeltijds werken, personen die arbeidsongeschikt zijn, werkzoekenden, vrouwen, personen met een handicap, personen met een ziek kind of een kind met een handicap, personen die zich in een armoedesituatie bevinden, personen met een migratieachtergrond en alleenstaande ouders.
B.8. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.
B.9.1. Om de inachtneming van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te beoordelen, is het niet relevant twee decretale bepalingen te vergelijken die op verschillende ogenblikken van toepassing waren. Het behoort tot de beoordelingsvrijheid van de decreetgever een doelstelling na te streven die verschilt van die welke hij vroeger nastreefde en bepalingen aan te nemen die ze kunnen verwezenlijken. De enkele omstandigheid dat de decreetgever een maatregel heeft genomen die verschilt van die welke hij vroeger heeft genomen, houdt op zich geen discriminatie in. Elke decreetswijziging zou onmogelijk worden, indien zou worden aangenomen dat een nieuwe regeling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou schenden om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere regeling wijzigt.
B.9.2. Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen hun middel niet beperken tot een vergelijking tussen de vroegere versie van artikel 8, § 1, van het decreet van 20 april 2012 en de versie na de vervanging ervan bij de bestreden bepaling, maar dat zij die vergelijking uitsluitend maken om aan te tonen dat de bestreden bepaling onevenredig is ten aanzien van het door de decreetgever nagestreefde doel.
B.9.3. De door de Vlaamse Regering opgeworpen exceptie wordt verworpen.
B.10.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling, wat betreft de voorrang bij de toegang tot de op basis van het inkomen gesubsidieerde kinderopvang, een verschil in behandeling in het leven roept tussen gezinnen die minstens 4/5de werken, een 4/5de-dagopleiding met het oog op werk volgen of een 4/5de-combinatie van werken en opleiding met het oog op werk realiseren, en gezinnen die, om welke reden dan ook, niet aan een van die criteria beantwoorden. Volgens de verzoekende partijen is dat verschil in behandeling niet redelijk verantwoord.
B.10.2. De verzoekende partijen voeren eveneens aan dat de bestreden voorrangsregeling geen onderscheid maakt tussen mannen en vrouwen en dat zij van toepassing is ongeacht of een van de ouders een handicap heeft, ongeacht of het kind ziek is of een handicap heeft, ongeacht of de betrokken personen zich in een armoedesituatie bevinden of een migratieachtergrond hebben en ongeacht of het betrokken gezin een eenouder- of een meeroudergezin is. De verzoekende partijen voeren aan dat die categorieën van personen zich in wezenlijk verschillende omstandigheden bevinden, dat zij op een identieke wijze worden behandeld door de bestreden bepaling en dat die gelijke behandelingen niet redelijk verantwoord zijn.
B.11. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
B.12. Uit de in B.3.1 vermelde parlementaire voorbereiding en uit de bij het Hof ingediende memories van de Vlaamse Regering blijkt dat de decreetgever met de wijziging van de voorrangsregels beoogt om, zolang het aantal opvangplaatsen ontoereikend is, in sterkere mate rekening te houden met de werksituatie van de gezinnen die een behoefte aan kinderopvang hebben, evenals om de tewerkstellingsgraad te verhogen.
De redenering van de decreetgever is " dat wie meer nood heeft aan kinderopvang voorrang krijgt. De prioritering voor fulltime werkenden geeft mensen de kans om ook als ze kleine kinderen hebben, fulltime te blijven werken. De redenering is dat wie voltijdse kinderopvang nodig heeft, voorrang krijgt. Wie minder dan 4/5de werkt of een opleiding volgt, zal makkelijker een alternatief voor formele opvang vinden dan wie 4/5de of voltijds werkt en heeft in die zin dus minder nood aan voltijdse kinderopvang " (Parl. St., Vlaams Parlement, 2023-2024, nr. 1870/1, p. 5).
B.13. Rekening houdend met dwingende budgettaire beperkingen, staat het aan de decreetgever om de voorwaarden te bepalen onder welke hij bepaalde initiatieven of instellingen met overheidsmiddelen wil subsidiëren. Het komt het Hof niet toe het oordeel van de bevoegde wetgever te bekritiseren voor zover het niet strijdig is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.
B.14.1. In haar advies bij het voorontwerp van het bestreden decreet merkte de afdeling wetgeving van de Raad van State op :
" Het staat niet bij voorbaat vast dat gezinnen die voldoen aan het 4/5-criterium, in die mate meer nood hebben aan kinderopvang dan andere categorieën van gezinnen die minder dan 4/5 werken, dat organisatoren van kinderopvang voortaan aan de eerstgenoemde categorie van gezinnen een dergelijk principiële voorrang moeten verlenen om in aanmerking te blijven komen voor de aanvullende subsidie. De gemachtigde maakt in dat verband gewag van een ` inschatting ', maar er worden geen objectieve gegevens aangevoerd om het uitgangspunt van de stellers van het voorontwerp te onderbouwen. De Raad van State beschikt zelf niet over het vereiste feitelijke inzicht om zich hierover op sluitende wijze uit te kunnen spreken, maar het wil hem voorkomen dat de nood aan kinderopvang bijvoorbeeld even groot kan zijn bij een gezin, waarin een van de betrokken ouders (of de enige ouder) halftijds werkt, alleszins voor de tijdstippen waarop de betrokken ouder of ouders aan het werk zijn. Het niet 4/5 werken of niet volgen van een 4/5-dagopleiding met het oog op werk impliceert met andere woorden niet dat tijd beschikbaar is voor de opvang van de eigen kinderen en dat er geen nood zou zijn aan kinderopvang die vergelijkbaar kan zijn met die van de eerstgenoemde categorie van gezinnen. Dat geldt des te meer voor gezinnen die niet tot die categorie behoren en die ook een aantoonbare nood hebben aan kinderopvang, maar die omwille van hun financiële situatie of omwille van hun samenstelling geen beroep kunnen doen op private en duurdere vormen van kinderopvang. Door het wegvallen van de criteria van de gezinssamenstelling en de financiële situatie kunnen zij bovendien geen beroep meer doen op deze alternatieve voorrangscriteria.
De argumentatie van de gemachtigde met betrekking tot de mogelijkheid van de organisatoren van kinderopvang om ten belope van maximaal 10 % van het aantal vergunde kinderopvangplaatsen per opvanglocatie, af te wijken van de voorrangscategorieën in het belang van het kind of omwille van een gezondheids- of welzijnssituatie, neemt niet weg dat het slechts gaat om maximaal 10 % en dat de betrokken organisatoren bovendien niet verplicht zijn om ervan gebruik te maken, terwijl de thans ontworpen voorrangscategorieën wel degelijk bindend zijn voor het kunnen ontvangen van de aanvullende subsidie " (Parl. St., Vlaams Parlement, 2023-2024, nr. 1870/1, p. 114).
B.14.2. De decreetgever vermag bij de voorrang voor de toegang tot de door de overheid gesubsidieerde kinderopvang in sterkere mate rekening te houden met de werk- en opleidingssituatie van de gezinnen die een behoefte aan kinderopvang hebben.
B.14.3. Door evenwel een 4/5de-tewerkstelling en een 4/5de-dagopleiding te vereisen, bemoeilijkt de bestreden bepaling voor een aanzienlijke groep gezinnen de toegang tot kinderopvang.
Noch uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 22 december 2023, noch uit de bij het Hof ingediende memories van de Vlaamse Regering blijkt dat de gezinnen die minder dan 4/5de werken of een dagopleiding volgen in die mate minder nood hebben aan kinderopvang omwille van hun tewerkstelling of opleiding en in die mate gemakkelijker een alternatief voor formele kinderopvang kunnen vinden dan de gezinnen die minstens 4/5de werken of een dagopleiding volgen, dat hun een absolute voorrang voor de toegang tot kinderopvang kan worden ontzegd. De loutere veronderstelling dat zij voor een minder lange tijdsduur opvang zouden behoeven, doet geen afbreuk aan het feit dat zij, minstens voor de tijdstippen waarop zij werken of een opleiding volgen, evenzeer nood hebben aan kinderopvang teneinde hun tewerkstelling te behouden of hun opleiding verder te zetten. Tot slot blijkt niet dat de door de Vlaamse Regering aangevoerde doelstelling om de tewerkstellingsgraad te verhogen, niet eveneens geldt ten aanzien van gezinnen die minder dan 4/5de werken of een 4/5de-dagopleiding volgen. Die personen hebben eveneens nood aan kinderopvang om hun huidige graad van tewerkstelling of opleiding te behouden en desgevallend te verhogen.
Bijgevolg is het, ten aanzien van de door de decreetgever nagestreefde doelstelling om in sterkere mate rekening te houden met de werksituatie van de gezinnen die een behoefte aan kinderopvang hebben en om de tewerkstellingsgraad te verhogen, niet redelijk verantwoord dat een absolute voorrang wordt gegeven aan gezinnen die in totaliteit minstens 4/5de werken of een dagopleiding volgen.
B.14.4. Zoals ook is opgemerkt door de afdeling wetgeving van de Raad van State, treft de bestreden bepaling daarenboven in het bijzonder gezinnen die minder dan 4/5de werken of een dagopleiding volgen en die ook een aantoonbare nood hebben aan kinderopvang, doch die wegens hun financiële situatie of wegens hun gezinssamenstelling geen beroep kunnen doen op private en duurdere vormen van kinderopvang. Door het wegvallen, bij de bestreden bepaling, van de criteria van de financiële situatie en de gezinssamenstelling kunnen zij daarenboven geen beroep meer doen op die alternatieve voorrangscriteria.
B.14.5. De mogelijkheid voor kinderopvanginitiatieven om ten belope van maximaal 10 % van de opvangplaatsen per locatie van die absolute voorrang af te wijken in het belang van het kind of op grond van een gezondheids- of welzijnssituatie, doet niet af aan die conclusie. Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft vermeld in haar advies, neemt die mogelijkheid niet weg dat het slechts gaat om maximaal 10 % en dat de betrokken organisatoren bovendien niet verplicht zijn om ervan gebruik te maken, terwijl de voorrangscategorieën die de bestreden bepaling invoert wel degelijk bindend zijn voor het kunnen ontvangen van de aanvullende subsidie (ibid. p. 114). Bovendien is de toepassing van een dergelijke uitzondering enkel mogelijk na advies door een instantie die werkt met kinderen, en geldt het maximum van 10 % niet alleen voor uitzonderingen op grond van de werksituatie, de financiële situatie en de gezinssituatie, maar ook ten aanzien van alle andere mogelijke gevallen waarin het belang van het kind of een gezondheids- of welzijnssituatie een uitzondering kan verantwoorden.
B.14.6. Het eerste middel, in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is gegrond. Bijgevolg dient artikel 8, § 1, eerste, tweede en vierde lid, van het decreet van 20 april 2012, zoals vervangen bij artikel 5, 1°, van het decreet van 22 december 2023, te worden vernietigd.
Aangezien artikel 8, § 3, 2° en 3°, van het decreet van 20 april 2012, zoals vervangen, respectievelijk opgeheven bij artikel 5, 2° en 3°, van het decreet van 22 december 2023, artikel 2 van het decreet van 17 mei 2024 en artikel 2 van het decreet van 20 december 2024 onlosmakelijk verbonden zijn met de te vernietigen bepaling, dienen zij eveneens te worden vernietigd.
Als gevolg van die vernietiging zijn de voorrangsregels zoals neergelegd in artikel 8 van het decreet van 20 april 2012, in de versie vóór de wijziging ervan bij het bestreden artikel 5 van het decreet van 22 december 2023, opnieuw van toepassing.
B.15. Aangezien de overige middelen niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden, moeten zij niet worden onderzocht.
Om die redenen,
het Hof
- vernietigt artikel 8, § 1, eerste, tweede en vierde lid, en § 3, 2° en 3°, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 20 april 2012 " houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters ", zoals vervangen, respectievelijk opgeheven bij artikel 5 van het Vlaamse programmadecreet van 22 december 2023 " bij de begroting 2024 ";
- vernietigt artikel 2 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 17 mei 2024 " houdende wijziging van artikel 8 van het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters, wat betreft de invoering van het laagste tarief van de ouderbijdrage voor kinderopvang voor kinderen van moeders die zijn ingeschreven in het secundair onderwijs ";
- vernietigt artikel 2 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 20 december 2024 " tot wijziging van artikel 8 van het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters, wat een technische rechtzetting betreft ".
Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 april 2025.
Article M. Extrait de l'arrêt n° 72/2025 du 30 avril 2025
Numéro du rôle : 8215
En cause : le recours en annulation de l'article 5 du décret-programme flamand du 22 décembre 2023 " accompagnant le budget 2024 ", introduit par la Confédération des syndicats chrétiens de Belgique et autres.
La Cour constitutionnelle,
composée des présidents Luc Lavrysen et Pierre Nihoul, et des juges Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin et Magali Plovie, assistée du greffier Frank Meersschaut, présidée par le président Luc Lavrysen,
après en avoir délibéré, rend l'arrêt suivant :
I. Objet du recours et procédure
Par requête adressée à la Cour par lettre recommandée à la poste le 13 mai 2024 et parvenue au greffe le 14 mai 2024, un recours en annulation de l'article 5 du décret-programme flamand du 22 décembre 2023 " accompagnant le budget 2024 " (publié au Moniteur belge du 29 décembre 2023) a été introduit par la Confédération des syndicats chrétiens de Belgique, Ann Vermorgen, la Fédération générale du travail de Belgique, Thierry Bodson, la Centrale générale des syndicats libéraux de Belgique, Gert Truyens, l'ASBL " Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen ", l'ASBL " Nederlandstalige Vrouwenraad ", l'ASBL " ella - kenniscentrum gender en etniciteit ", l'ASBL " Furia ", l'ASBL " Femma ", l'ASBL " Rebelle ", l'ASBL " Kinderdagverblijf D'n Opvang ", l'ASBL " Kinderdagverblijf De Ketjes ", l'ASBL " Samenwerken aan Kinderopvang Brussel ", l'ASBL " EVA Bxl ", l'ASBL " Vlaams Patiëntenplatform ", l'ASBL " ZIJkant, de progressieve vrouwenbeweging ", l'ASBL " Humanistisch Verbond ", l'ASBL " Gelijke Rechten voor Iedere Persoon met een handicap ", l'ASBL " Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning Kapoentje ", l'ASBL " Elmer " et l'ASBL " Villa boempatat ", assistés et représentés par Me Lies Michielsen, Me Rosalie Daneels et Me Timo Lehaen, avocats au barreau d'Anvers, et par Me Mieke Van den Broeck, avocate au barreau de Bruxelles.
(...)
II. En droit
(...)
Quant à la disposition attaquée et à son contexte
B.1.1. Le recours en annulation porte sur les règles de priorité relatives à l'accès à l'accueil d'enfants subventionné sur la base du revenu en Communauté flamande.
B.1.2. Le décret de la Communauté flamande du 20 avril 2012 " portant organisation de l'accueil de bébés et de bambins " (ci-après : le décret du 20 avril 2012) fixe le cadre décrétal relatif à l'organisation de l'accueil des enfants en âge préscolaire au sein de la Communauté flamande. Celle-ci vise, dans le cadre de l'accueil d'enfants, à offrir aux familles " des services ayant une fonction économique, pédagogique et sociale, qui sont qualitatifs, disponibles, abordables et directement accessibles à chaque enfant sans distinction, à titre de complément à l'éducation de l'enfant au sein de sa famille, en respectant la capacité de l'enfant, son environnement familial et la liberté de choix de la famille " (article 3, alinéa 1er, du décret du 20 avril 2012). Dans les limites de l'offre disponible d'accueil d'enfants et dans un cadrebudgétaire convenu, chaque famille ayant un besoin d'accueil d'enfants a droit à cet accueil (article 3, alinéas 2 et 5, du décret du 20 avril 2012). En Communauté flamande, l'accueil d'enfants est élaboré dans le but de pouvoir offrir, à toutes les familles qui en ont besoin, une place d'accueil de qualité et abordable, dans un délai et à une distance raisonnables (article 3, alinéa 3, du décret du 20 avril 2012).
B.1.3. Le décret du 20 avril 2012 organise le subventionnement des structures d'accueil en différents paliers. Les structures d'accueil d'enfants agréées qui satisfont à certaines conditions peuvent obtenir une subvention de base (article 7) (palier 1). Ensuite, le décret prévoit deux subventions complémentaires que les structures d'accueil d'enfants agréées peuvent obtenir en plus de la subvention de base si elles satisfont à des conditions supplémentaires. D'une part, il est prévu une subvention sur la base du revenu de la famille (article 8, § 1er) (palier 2). D'autre part, les structures d'accueil d'enfants agréées peuvent, en plus de la subvention sur la base du revenu de la famille, obtenir une subvention pour la réalisation de l'accès à l'accueil d'enfants pour les familles vulnérables (article 9) (palier 3). Enfin, les structures d'accueil d'enfants agréées peuvent, indépendamment des subventions mentionnées aux articles 7, 8 et 9, recevoir une subvention pour l'accueil d'enfants flexible et inclusif (article 10).
B.2.1. Tant que l'offre est insuffisante pour toutes les familles ayant un besoin d'accueil d'enfants, le Gouvernement flamand détermine les groupes pouvant prioritairement recourir aux structures d'accueil d'enfants des paliers 2 et 3 (article 3, alinéa 7). Pour le même motif, une structure d'accueil d'enfants que les familles paient sur la base du revenu (palier 2) doit, pour l'octroi de la subvention complémentaire, tenir compte notamment des règles de priorité que le législateur décrétal a prévues à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, du décret du 20 avril 2012.
B.2.2. Avant l'adoption de l'article 5 du décret-programme flamand du 22 décembre 2023 " accompagnant le budget 2024 " (ci-après : le décret du 22 décembre 2023), qui fait l'objet du recours en annulation, l'article 8 du décret du 20 avril 2012 disposait :
" § 1er. L'organisateur disposant d'une autorisation pour l'accueil familial ou d'une autorisation pour l'accueil d'un groupe d'enfants peut recevoir, outre la subvention visée à l'article 7, une subvention de l'agence pour la réalisation de l'accueil d'enfants pour lequel les familles paient sur la base du revenu, et pour la réalisation de l'accès à l'accueil d'enfants pour les familles répondant aux caractéristiques concernant par priorité :
1° la situation de travail, comprenant au moins la caractéristique que l'accueil d'enfants est nécessaire pour avoir accès au marché de l'emploi ou pour pouvoir suivre une formation professionnelle dans ce cadre, et ensuite :
2° la situation financière;
3° la composition du ménage;
4° la présence d'enfants placés, tels que visés à l'article 2, 10°, du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial, dans la famille et qui sont éligibles à l'accueil d'enfants tel que visé à l'article 2, 2°.
La participation financière des familles à l'accueil d'un enfant placé, tel que visé à l'alinéa 1er, 4°, ou d'un enfant d'une mère adolescente mineure correspond au tarif de revenu minimum, quel que soit le revenu de la famille d'accueil ou de la famille de la mineure.
[...]
§ 3. Le Gouvernement flamand détermine :
[...]
2° les règles prioritaires pour l'accès, visé aux §§ 1er et 2, en accordant une priorité absolue dans le cadre de la situation de travail, les résultats minimaux à obtenir à ce niveau et la manière dont ces résultats sont mesurés;
3° les modalités relatives aux caractéristiques, visées au § 1er, et la manière dont elles sont constatées formellement.
[...] ".
L'article 22 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 novembre 2013 " relatif aux subventions et aux conditions y afférentes pour la réalisation de services spécifiques par l'accueil familial et l'accueil en groupe de bébés et de bambins " (ci-après : l'arrêté du 22 novembre 2013), avant son remplacement par l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2024 " modifiant l'Arrêté d'autorisation du 22 novembre 2013 et l'Arrêté de subvention du 22 novembre 2013 dans le cadre de la mise en oeuvre de la Déclaration de septembre 2023 du Gouvernement flamand ", concrétisait le régime de priorité visé à l'article 8, § 1er.
L'article 22 de l'arrêté du 22 novembre 2013 disposait :
" L'organisateur donne priorité à des familles spécifiques de la façon suivante :
1° une priorité absolue s'applique aux familles dont l'accueil des enfants est nécessaire dans le cadre de la situation de travail. Parmi les demandes, l'organisateur donnera toujours priorité à la demande de la famille pour laquelle l'accueil des enfants est nécessaire dans le cadre de la recherche ou du maintien d'un emploi ou du suivi d'une formation professionnelle;
2° priorité est donnée aux isolés;
3° priorité est donnée aux familles dont les revenus sont inférieurs à un certain montant;
4° priorité est donnée aux enfants placés qui ont besoin d'accueil des enfants;
5° priorité est donnée aux enfants dont le frère ou la soeur sont gardés dans l'emplacement d'accueil des enfants.
L'organisateur assure en même temps qu'au moins 20 % de tous les enfants gardés au cours d'une année, sont des enfants de familles qui répondent à au moins deux des quatre premières caractéristiques, visées à l'alinéa premier. Des enfants issus d'une famille fragilisée sont aussi pris en compte pour le calcul de ce pourcentage. Ce pourcentage est calculé sur la base de tous les emplacements d'accueil des enfants du groupe de subventions qui appliquent le tarif sur base des revenus, visé à l'article 28. Tant que les 20 % n'ont pas été atteints, on peut déroger de la priorité absolue, visée à l'alinéa premier, 1°.
L'organisateur intègre le mode selon lequel il applique cette priorité dans son règlement d'ordre intérieur.
Le ministre définit les modalités, entre autres le montant des revenus ".
B.2.3. L'article 5 du décret du 22 décembre 2023 modifie, à partir du 1er janvier 2024, l'article 8 du décret du 20 avril 2012 comme suit :
" 1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
` § 1er. L'organisateur disposant d'une autorisation pour l'accueil familial ou d'une autorisation pour l'accueil d'un groupe d'enfants peut recevoir, outre la subvention visée à l'article 7, une subvention de l'agence pour l'organisation de l'accueil d'enfants pour lequel les familles paient sur la base du revenu, et pour la mise en oeuvre des conditions d'accès prioritaire à l'accueil d'enfants pour les familles pour lesquelles la garde d'enfants est nécessaire pour travailler ou pour suivre une formation en vue d'un emploi.
Lors de l'attribution de la priorité visée à l'alinéa 1er, l'organisateur donne la priorité absolue aux :
1° ménages qui au total travaillent au moins à 4/5e temps, soit qui suivent une formation de jour à 4/5e temps en vue de l'emploi, soit qui combinent travail et formation en vue de l'emploi dans une proportion de 4/5e;
2° frères et soeurs d'enfants utilisant déjà au même moment les mêmes services de garde d'enfants;
3° enfants placés, tels que visés à l'article 2, 10°, du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial, dans la famille et qui sont éligibles à la garde d'enfants visée à l'article 2, 2°.
La participation financière des familles à la garde d'un enfant placé, tel que visé à l'alinéa [2, 3° ], ou d'un enfant d'une mère adolescente mineure correspond au tarif de revenu minimum, quel que soit le revenu de la famille d'accueil ou de la famille de la mineure.
L'organisateur peut déroger à la priorité visée à l'alinéa 1er, de 10 % maximum du nombre total d'enfants accueillis sur base annuelle dans le milieu d'accueil, dans l'intérêt de l'enfant ou en raison d'une situation de santé ou de bien-être de la famille. ';
2° au paragraphe 3, alinéa 1er, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
` 2° les détails des critères de priorité et la manière dont ils seront formellement adoptés. ';
3° au paragraphe 3, alinéa 1er, le point 3° est abrogé ".
B.2.4. L'article 5 du décret du 22 décembre 2023 modifie dès lors sur trois points les règles de priorité relatives à l'accès à l'accueil d'enfants subventionné sur la base du revenu. Premièrement, la situation financière et la composition de la famille sont supprimées en tant que catégories prioritaires. Ensuite, au sein de la catégorie prioritaire en rapport avec la situation de travail ou de formation, il est accordé une priorité absolue aux familles qui, au total, au moins à 4/5e temps, travaillent, suivent une formation de jour en vue d'un emploi ou combinent les deux. Enfin, l'obligation qui était prévue à l'article 22, alinéa 2, de l'arrêté du 22 novembre 2013, selon laquelle au moins 20 % de tous les enfants gardés au cours d'une année devaient être issus de familles répondant à au moins deux des quatre premières caractéristiques, énoncées à l'alinéa 1er de cet article, ou de familles vulnérables, a été abrogée et remplacée par la possibilité pour les organisateurs d'un accueil d'enfants de déroger aux nouvelles règles prioritaires au maximum pour 10 % du nombre de places d'accueil d'enfants agréées par structure d'accueil d'enfants " dans l'intérêt de l'enfant ou en raison d'une situation de santé ou de bien-être [au sein] de la famille ".
B.3.1. Les travaux préparatoires du décret du 22 décembre 2023 exposent comme suit la modification des règles de priorité :
" L'autorité flamande entend réaliser un accueil d'enfants qualitatif, disponible, abordable et directement accessible pour chaque enfant, sans distinction.
Dans les limites de l'offre disponible, chaque famille ayant besoin d'un accueil d'enfants a droit à un tel accueil.
Tant que l'offre est insuffisante pour toutes les familles ayant besoin d'un accueil d'enfants, il convient de recourir à des règles de priorité dans les structures d'accueil d'enfants qui perçoivent une subvention basée sur le taux de revenu. Ces règles de priorité portent sur la situation de travail.
Ainsi, sont absolument prioritaires les familles qui travaillent au moins à 4/5e temps ou suivent au moins à 4/5e temps une formation de jour en vue d'un emploi. Sont également absolument prioritaires les frères et soeurs qui font usage, au même moment, du même accueil d'enfants, ainsi que les enfants placés.
Cela signifie concrètement qu'en cas de demandes d'accueil simultanées, un organisateur d'accueil d'enfants est tenu de donner la priorité à la famille qui répond à ces critères. En l'absence d'une demande d'une famille bénéficiant d'une priorité absolue, la place est mise à la disposition d'une famille qui est prioritaire en raison du travail ou d'une formation, mais qui ne travaille donc pas en moyenne au moins à 4/5e temps.
En ce qui concerne le 4/5e temps, lorsque plusieurs personnes sont responsables de l'enfant, celles-ci doivent, ensemble, travailler ou suivre une formation de jour à 4/5e temps en moyenne. Si l'une travaille à 5/5e temps et l'autre à 3/5e temps, cela fait en moyenne un 4/5e temps et elles répondent également à cette condition.
Le raisonnement est le suivant : celui qui a davantage besoin d'un accueil d'enfants est prioritaire. La priorité accordée à ceux qui travaillent à temps plein leur permet de continuer à le faire même s'ils ont des enfants en bas âge. Le raisonnement est que celui qui a besoin d'un accueil d'enfants à temps plein est prioritaire. Les personnes qui travaillent ou suivent une formation à moins de 4/5e temps trouveront plus facilement une alternative à un accueil formel que celles qui travaillent à 4/5e temps ou à temps plein, et n'ont donc besoin que dans une moindre mesure d'un accueil d'enfants à temps plein.
Par formation à 4/5e temps en vue d'un emploi, il faut entendre un parcours intensif en vue d'un emploi, attesté par le VDAB, un parcours d'intégration civique intensif ou une formation qui aboutit à une qualification pédagogique. Par ailleurs, il est possible de combiner un emploi et une formation pour calculer le 4/5e temps.
Dans l'intérêt de l'enfant ou en raison d'une situation de santé ou de bien-être au sein de la famille, un organisateur d'accueil d'enfants peut, pour maximum 10 % du nombre de places d'accueil d'enfants, par structure d'accueil d'enfants, déroger à ces règles de priorité. Cette dérogation est appliquée sur la base d'un renvoi par un professionnel. Un équilibre est ainsi ménagé entre la fonction économique, la fonction pédagogique et la fonction sociale de l'accueil d'enfants.
En cas de demandes d'accueil simultanées formulées par des familles qui satisfont aux critères de priorité absolue, l'organisateur peut aussi, dans le cadre de sa propre politique d'accueil, appliquer ses propres critères, en donnant par exemple la priorité aux familles actives de sa propre commune. Il inscrit dans son règlement d'ordre intérieur la façon dont il applique cette priorité.
Nous limitons la surcharge administrative pour l'organisateur. Celui-ci applique la priorité sur la base d'une déclaration sur l'honneur au moment de la demande. Une fois la place attribuée, la demande n'est plus réexaminée. L'organisateur ne doit pas demander de documents, ni les conserver. C'est au demandeur de démontrer via les attestations nécessaires qu'il remplit les conditions. L'organisateur doit toutefois informer le demandeur à ce sujet.
Le Gouvernement flamand arrêtera les modalités, en veillant à limiter les charges administratives " (Doc. parl., Parlement flamand, 2023-2024, n° 1870/1, pp. 4-5).
En ce qui concerne la suppression des catégories prioritaires relatives à la situation financière et à la composition de la famille, le délégué du Gouvernement, interrogé par la section de législation du Conseil d'Etat dans le cadre de son avis relatif à l'avant-projet de décret qui a abouti au décret du 22 décembre 2023, a indiqué ce qui suit :
" Il ne s'agit plus de critères à proprement parler, mais d'éléments potentiellement pris en compte dans la dérogation de 10 % et la priorité absolue pour les frères, soeurs et enfants placés. Par ailleurs, dans le cadre de sa propre politique d'accueil, l'organisateur peut encore utiliser des critères propres pour faire la balance entre les demandes, par exemple lorsque deux demandes d'accueil sont introduites simultanément par des familles qui travaillent ou suivent une formation à 4/5e temps. Il peut aussi prévoir que la priorité sera donnée au parent isolé ou à faible revenu " (ibid., p. 114).
B.3.2. La modification des règles de priorité est assortie d'un investissement de moyens supplémentaires pour l'accueil d'enfants. Ainsi, dans le cadre du budget des dépenses de la Communauté flamande pour l'exercice 2024, il est prévu un montant supplémentaire de 270 millions d'euros (Doc. parl., Parlement flamand, 2023-2024, n° 15/6-J, pp. 5, 11 et 65). Ces moyens sont affectés notamment à la création de 5 000 places d'accueil supplémentaires, dont 3 000 au palier 1 et 2 000 au palier 2 (ibid., p. 14), à une baisse du ratio enfant-accompagnateur (ibid., p. 11) et à une augmentation de la subvention de base (ibid.). Par ailleurs, la capacité des structures d'accueil d'enfants du palier 2 est également étendue par " la conversion de plus de 8 000 places du palier 1 au palier 2 en 2023 et 2024 " (ibid., p. 14).
Quant à l'objet du recours
B.4. La Cour doit déterminer l'étendue du recours en annulation sur la base du contenu de la requête.
La Cour peut uniquement annuler des dispositions législatives explicitement attaquées contre lesquelles des moyens sont invoqués et, le cas échéant, des dispositions qui ne sont pas attaquées mais qui sont indissociablement liées aux dispositions qui doivent être annulées.
B.5.1. Les parties requérantes demandent l'annulation de l'intégralité de l'article 5 du décret du 22 décembre 2023. Il ressort toutefois de la requête que des griefs sont seulement articulés contre les règles de priorité contenues dans l'article 8, § 1er, alinéas 1er, 2 et 4, du décret du 20 avril 2012, tel qu'il a été remplacé par l'article 5, 1°, du décret du 22 décembre 2023. La Cour limite par conséquent son examen à cette disposition.
B.5.2. L'article 8, § 1er, alinéa 3, du décret du 20 avril 2012, tel qu'il a été remplacé par l'article 5, 1°, du décret du 22 décembre 2023, porte sur la participation financière des familles à la garde d'un enfant placé ou d'une mère adolescente mineure. Cette disposition, contre laquelle aucun grief n'est articulé, n'est pas indissociablement liée au régime de priorité attaqué par les parties requérantes.
L'article 8, § 3, 2° et 3°, du décret du 20 avril 2012, tel qu'il a été respectivement remplacé et abrogé par l'article 5, 2° et 3°, du décret du 22 décembre 2023, habilite le Gouvernement flamand à arrêter des modalités relatives au régime prioritaire attaqué et est dès lors indissociablement lié à la disposition attaquée. Si la Cour déclare le recours fondé, l'article 8, § 3, 2° et 3°, pourrait dès lors être annulé par voie de conséquence.
B.6.1. Au cours de la procédure devant la Cour, l'article 8, § 1er, alinéa 2, du décret du 20 avril 2012, tel qu'il a été remplacé par l'article 5, 1°, du décret du 22 décembre 2023, a été à nouveau remplacé par deux décrets.
B.6.2. L'article 8, § 1er, alinéa 2, du décret du 20 avril 2012 a été remplacé une première fois par l'article 2 du décret de la Communauté flamande du 17 mai 2024 " modifiant l'article 8 du décret du 20 avril 2012 portant organisation des milieux d'accueil de la petite enfance, en ce qui concerne l'introduction du tarif minimum de la cotisation parentale pour la garde d'enfants de mères inscrites dans l'enseignement secondaire " (ci-après : le décret du 17 mai 2024). L'article 2 du décret du 17 mai 2024 dispose :
" Dans le décret du 20 avril 2012 portant organisation des milieux d'accueil de la petite enfance, l'article 8, § 1er, alinéa 2, est remplacé par ce qui suit :
` La participation financière des familles à la garde d'un enfant placé tel que visé à l'alinéa 1er, 4°, ou d'un enfant d'une mère qui, au moment de la demande, est inscrite dans un établissement d'enseignement reconnu, financé ou subventionné par la Communauté flamande pour l'enseignement secondaire ordinaire ou spécial ou en apprentissage, correspond au tarif de revenu minimum, quel que soit le revenu de la famille d'accueil ou de la famille de la mère '. ".
A partir du 1er septembre 2024, date d'entrée en vigueur dudit article 2, l'article 8, § 1er, du décret du 20 avril 2012 disposait donc :
" L'organisateur disposant d'une autorisation peut recevoir, outre la subvention visée à l'article 7, une subvention de l'agence pour l'organisation de l'accueil d'enfants et de l'accueil d'enfants scolarisés dans l'accueil autorisé pour lequel les familles paient sur la base du revenu, et pour la mise en oeuvre des conditions d'accès prioritaire à l'accueil d'enfants pour les familles pour lesquelles la garde d'enfants est nécessaire pour travailler ou pour suivre une formation en vue d'un emploi.
La participation financière des familles à la garde d'un enfant placé tel que visé à l'alinéa 1er, 4°, ou d'un enfant d'une mère qui, au moment de la demande, est inscrite dans un établissement d'enseignement reconnu, financé ou subventionné par la Communauté flamande pour l'enseignement secondaire ordinaire ou spécial ou en apprentissage, correspond au tarif de revenu minimum, quel que soit le revenu de la famille d'accueil ou de la famille de la mère.
La participation financière des familles à la garde d'un enfant placé, tel que visé à l'alinéa [2, 3° ], ou d'un enfant d'une mère adolescente mineure correspond au tarif de revenu minimum, quel que soit le revenu de la famille d'accueil ou de la famille de la mineure.
L'organisateur peut déroger à la priorité visée à l'alinéa 1er, de 10 % maximum du nombre total d'enfants accueillis sur base annuelle dans le milieu d'accueil, dans l'intérêt de l'enfant ou en raison d'une situation de santé ou de bien-être de la famille ".
L'article 2 du décret du 17 mai 2024 a dès lors abrogé au 1er septembre 2024 les règles de priorité décrétales en ce qui concerne le fait de travailler au moins à 4/5e temps, de suivre au moins à 4/5e temps une formation de jour en vue d'un emploi ou de combiner les deux au moins à 4/5e temps.
B.6.3. Par l'article 2 du décret de la Communauté flamande du 20 décembre 2024 " modifiant l'article 8 du décret du 20 avril 2012 portant organisation des milieux d'accueil de la petite enfance, en ce qui concerne une rectification technique " (ci-après : le décret du 20 décembre 2024), l'article 8, § 1er, alinéa 2, du décret du 20 avril 2012 a cependant à nouveau été remplacé :
" Dans l'article 8, § 1er, du décret du 20 avril 2012 portant organisation des milieux d'accueil de la petite enfance, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
` Lors de l'attribution de la priorité visée à l'alinéa 1er, l'organisateur donne la priorité absolue aux :
1° ménages qui au total travaillent au moins à 4/5e temps, soit qui suivent une formation de jour à 4/5e temps en vue de l'emploi, soit qui combinent travail et formation en vue de l'emploi dans une proportion de 4/5e;
2° frères et soeurs d'enfants utilisant déjà au même moment les mêmes services de garde d'enfants;
3° enfants placés, tels que visés à l'article 2, 10°, du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial, dans la famille et qui sont éligibles à la garde d'enfants visée à l'article 2, 2°. ' ".
B.6.4. Il ressort des travaux préparatoires du décret du 20 décembre 2024 que le législateur décrétal entendait rectifier l'erreur matérielle qui avait été commise dans le cadre du décret du 17 mai 2024 et rétablir la disposition initiale, qui fait l'objet du recours présentement examiné :
" L'article 2 rétablit l'alinéa 2 initial de l'article 8, § 1er, qui avait été involontairement remplacé par le décret modifiant l'article 8 du décret du 20 avril 2012 portant organisation des milieux d'accueil de la petite enfance, en ce qui concerne l'introduction du tarif minimum de la cotisation parentale pour la garde d'enfants de mères inscrites dans l'enseignement secondaire " (Doc. parl., Parlement flamand, 2024-2025, n° 172/1, p. 2).
Par conséquent, l'article 2 du décret du 17 mai 2024 et l'article 2 du décret du 20 décembre 2024 sont indissociablement liés à l'article 5, expressément attaqué par les parties requérantes, du décret du 22 décembre 2023.
Quant au fond
En ce qui concerne la violation du principe d'égalité et de non-discrimination
B.7. Les parties requérantes prennent un premier moyen de la violation, par la disposition attaquée, des articles 10 et 11 de la Constitution, lus en combinaison ou non avec l'article 14 de la Convention européenne des droits de l'homme, avec l'article 5 de la Convention relative aux droits des personnes handicapées, avec les articles 2 et 6 du Pacte international relatif aux droits économiques, sociaux et culturels, avec l'article 26 du Pacte international relatif aux droits civils et politiques et avec l'article 2 de la Convention relative aux droits de l'enfant.
Les parties requérantes critiquent la triple modification, mentionnée en B.2.4, des règles de priorité opérée par la disposition attaquée, qui, selon elles, lèse diverses catégories de personnes, à savoir les personnes qui travaillent à temps partiel, les personnes en incapacité de travail, les demandeurs d'emploi, les femmes, les personnes atteintes d'un handicap, les personnes qui ont un enfant malade ou atteint d'un handicap, les personnes en situation de précarité, les personnes issues de l'immigration et les familles monoparentales.
B.8. Les articles 10 et 11 de la Constitution garantissent le principe d'égalité et de non-discrimination.
B.9.1. Pour vérifier le respect du principe d'égalité et de non-discrimination, il n'est pas pertinent de comparer entre elles deux dispositions décrétales qui étaient applicables à des moments différents. Il relève du pouvoir d'appréciation du législateur décrétal de poursuivre un objectif différent de celui qu'il poursuivait antérieurement et d'adopter des dispositions de nature à le réaliser. La seule circonstance que le législateur décrétal a pris une mesure différente de celle qu'il avait adoptée antérieurement n'établit en soi aucune discrimination. Sous peine de rendre impossible toute modification décrétale, il ne peut être soutenu qu'une disposition nouvelle violerait le principe d'égalité et de non-discrimination par cela seul qu'elle modifie les conditions d'application de la règle antérieure.
B.9.2. Il ressort de la requête que les parties requérantes ne limitent pas leur moyen à une comparaison entre la version antérieure de l'article 8, § 1er, du décret du 20 avril 2012 et la version postérieure à son remplacement par la disposition attaquée, mais qu'elles opèrent cette comparaison dans le seul but de démontrer que la disposition attaquée est disproportionnée au but poursuivi par le législateur décrétal.
B.9.3. L'exception invoquée par le Gouvernement flamand est rejetée.
B.10.1. En ce qui concerne la priorité pour l'accès à l'accueil d'enfants subventionné sur la base du revenu, les parties requérantes font valoir que la disposition attaquée établit une différence de traitement entre, d'une part, les familles qui travaillent au moins à 4/5e temps, suivent au moins à 4/5e temps une formation de jour en vue d'un emploi ou combinent les deux au moins à 4/5e temps et, d'autre part, les familles qui, pour quelque raison que ce soit, ne répondent pas à un de ces critères. Selon les parties requérantes, cette différence de traitement n'est pas raisonnablement justifiée.
B.10.2. Les parties requérantes font également valoir que le régime de priorité attaqué n'établit pas de distinction entre les hommes et les femmes et qu'il s'applique indépendamment du fait que l'un des parents soit ou non en situation de handicap, que l'enfant soit malade ou en situation de handicap, que les personnes concernées se trouvent ou non dans une situation de précarité, qu'elles soient ou non issues de l'immigration et que la famille soit ou non monoparentale. Les parties requérantes font valoir que ces catégories de personnes se trouvent dans des situations essentiellement différentes, qu'elles sont traitées de la même manière par la disposition attaquée et que ces identités de traitement ne sont pas raisonnablement justifiées.
B.11. Le principe d'égalité et de non-discrimination n'exclut pas qu'une différence de traitement soit établie entre des catégories de personnes, pour autant qu'elle repose sur un critère objectif et qu'elle soit raisonnablement justifiée. Ce principe s'oppose, par ailleurs, à ce que soient traitées de manière identique, sans qu'apparaisse une justification raisonnable, des catégories de personnes se trouvant dans des situations qui, au regard de la mesure critiquée, sont essentiellement différentes.
L'existence d'une telle justification doit s'apprécier en tenant compte du but et des effets de la mesure critiquée ainsi que de la nature des principes en cause; le principe d'égalité et de non-discrimination est violé lorsqu'il est établi qu'il n'existe pas de rapport raisonnable de proportionnalité entre les moyens employés et le but visé.
B.12. Il ressort des travaux préparatoires mentionnés en B.3.1 et des mémoires que le Gouvernement flamand a introduits à la Cour qu'en modifiant les règles de priorité, le législateur décrétal vise, tant que le nombre de places d'accueil est insuffisant, à prendre davantage en compte la situation de travail des familles qui ont besoin d'un accueil d'enfants et à augmenter le taux d'emploi.
Le raisonnement du législateur décrétal est le suivant : " celui qui a davantage besoin d'un accueil d'enfants est prioritaire. La priorité accordée à ceux qui travaillent à temps plein leur permet de continuer à le faire même s'ils ont des enfants en bas âge. Le raisonnement est que celui qui a besoin d'un accueil d'enfants à temps plein est prioritaire. Les personnes qui travaillent ou suivent une formation à moins de 4/5e temps trouveront plus facilement une alternative à un accueil formel que celles qui travaillent à 4/5e temps ou à temps plein, et n'ont donc besoin que dans une moindre mesure d'un accueil d'enfants à temps plein " (Doc. parl., Parlement flamand, 2023-2024, n° 1870/1, p. 5).
B.13. Compte tenu des limites budgétaires contraignantes, il appartient au législateur décrétal de fixer les conditions auxquelles il entend subventionner certaines initiatives ou certains établissements au moyen de deniers publics. Il n'appartient pas à la Cour de critiquer l'appréciation du législateur compétent, pour autant que celle-ci ne soit pas contraire au principe d'égalité et de non-discrimination.
B.14.1. Dans son avis relatif à l'avant-projet du décret attaqué, la section de législation du Conseil d'Etat a observé :
" Il n'est pas établi que les ménages qui satisfont au critère du 4/5e temps ont davantage besoin d'un accueil d'enfants que d'autres catégories de familles qui travaillent à moins de 4/5e temps au point que les organisateurs d'un accueil d'enfants devraient dorénavant accorder aux familles de la première catégorie une telle priorité de principe pour continuer à entrer en considération pour la subvention complémentaire. Le délégué évoque à cet égard une ` estimation ', mais aucune donnée objective n'est avancée pour étayer la prémisse des auteurs de l'avant-projet. Le Conseil d'Etat ne dispose lui-même pas des connaissances de fait requises à cet égard pour pouvoir se prononcer de manière concluante, mais il lui semble plausible que le besoin d'accueil d'enfants peut par exemple être aussi important dans une famille dans laquelle un des parents concernés (ou l'unique parent) travaille à mi-temps, en tout cas pour les périodes durant lesquelles le ou les parents concernés travaillent. En d'autres termes, le fait de ne pas travailler à 4/5e temps ou de ne pas suivre une formation de jour à 4/5e temps en vue d'un emploi n'implique pas qu'il reste du temps pour la garde de ses propres enfants et qu'il n'y aurait pas un besoin d'accueil d'enfants qui puisse être comparable à celui des familles de la première catégorie. Il en est d'autant plus ainsi pour les familles qui ne relèvent pas de cette catégorie et qui ont également un besoin démontrable d'accueil d'enfants, mais qui, en raison de leur situation financière ou de leur composition, ne peuvent pas faire appel à des formes d'accueil d'enfants privées et plus onéreuses. Du fait de la suppression des critères relatifs à la composition de la famille et à la situation financière, ces familles ne peuvent en outre plus recourir à ces critères de priorité alternatifs.
L'argumentation du délégué concernant la possibilité dont disposent les organisateurs d'un accueil d'enfants de déroger, à concurrence de 10 % au maximum du nombre de places d'accueil d'enfants autorisées par structure d'accueil, aux catégories prioritaires dans l'intérêt de l'enfant ou en raison d'une situation de santé ou de bien-être n'empêche pas qu'il ne s'agisse que de 10 % au maximum et que les organisateurs concernés ne soient en outre pas tenus d'en faire usage, alors que les catégories prioritaires en projet sont effectivement obligatoires pour pouvoir bénéficier de la subvention complémentaire " (Doc. parl., Parlement flamand, 2023-2024, n° 1870/1, p. 114).
B.14.2. Pour déterminer les priorités dans l'accès à l'accueil d'enfants subventionné par les pouvoirs publics, le législateur décrétal peut tenir compte dans une plus large mesure de la situation en matière d'emploi et de formation des familles qui ont besoin d'un accueil d'enfants.
B.14.3. En exigeant un emploi ou une formation de jour à 4/5e temps, la disposition attaquée complique toutefois l'accès à l'accueil d'enfants pour un nombre considérable de familles.
Ni les travaux préparatoires du décret du 22 décembre 2023 ni les mémoires introduits auprès de la Cour par le Gouvernement flamand ne font apparaître que les familles qui travaillent ou suivent une formation de jour à moins de 4/5e temps, en comparaison de celles qui travaillent ou suivent une formation de jour au moins à 4/5e temps, présentent un besoin en matière d'accueil d'enfants dû à leur emploi ou à leur formation à ce point moindre et qu'elles peuvent trouver une alternative à l'accueil d'enfants à proprement parler à ce point plus facilement que pourrait leur être déniée une priorité absolue pour l'accès à l'accueil d'enfants. La simple supposition que ces personnes auraient moins longtemps besoin d'un accueil ne porte pas atteinte au fait que ces personnes, au moins pour les périodes durant lesquelles elles travaillent ou suivent une formation, ont dans la même mesure besoin d'un accueil d'enfants afin de garder leur emploi ou de poursuivre leur formation. Enfin, il n'apparaît pas que l'objectif invoqué par le Gouvernement flamand d'augmenter le taux d'emploi ne s'applique pas également aux familles qui travaillent à moins de 4/5e temps ou suivent une formation de jour à moins de 4/5e temps. Ces personnes ont elles aussi besoin d'un accueil d'enfants pour conserver leur niveau actuel d'emploi ou de formation et, le cas échéant, pour l'augmenter.
Par conséquent, au regard de l'objectif poursuivi par le législateur décrétal de tenir compte dans une plus forte mesure de la situation de travail des familles nécessitant un accueil d'enfants et d'augmenter le taux d'emploi, il n'est pas raisonnablement justifié de donner une priorité absolue aux familles qui, au total, travaillent au moins à 4/5e temps ou suivent une formation de jour au moins à 4/5e temps.
B.14.4. Comme l'a également observé la section de législation du Conseil d'Etat, la disposition attaquée frappe en outre en particulier les familles qui travaillent ou suivent une formation de jour à moins de 4/5e temps et qui ont également un besoin démontrable d'accueil d'enfants mais qui, en raison de leur situation financière ou de leur composition, ne peuvent pas recourir à des formes privées et plus onéreuses d'accueil d'enfants. Du fait que la disposition attaquée supprime les critères relatifs à la situation financière et à la composition de la famille, ces familles ne peuvent en outre plus recourir à ces critères de priorité alternatifs.
B.14.5. La possibilité dont disposent les organisateurs d'accueil d'enfants de déroger, à concurrence de 10 % au maximum des places d'accueil par structure, à cette priorité absolue dans l'intérêt de l'enfant ou en raison d'une situation de santé ou de bien-être ne change rien à cette conclusion. Ainsi que la section de législation du Conseil d'Etat l'a mentionné dans son avis, cette possibilité ne modifie en rien le fait qu'il ne s'agisse que d'un maximum de 10 % et que les organisateurs concernés ne sont de surcroît pas obligés d'en faire usage, alors que les catégories prioritaires instaurées par la disposition attaquée sont, elles, contraignantes pour pouvoir obtenir une subvention complémentaire (ibid., p. 114). Par ailleurs, l'application d'une telle exception n'est possible qu'à la suite d'un avis rendu par une instance travaillant avec des enfants, et le maximum de 10 % s'applique non seulement aux exceptions en raison de la situation professionnelle, financière et familiale, mais aussi à tous les autres cas possibles dans lesquels l'intérêt de l'enfant ou une situation de santé ou de bien-être est susceptible de justifier une exception.
B.14.6. En ce qu'il est pris de la violation des articles 10 et 11 de la Constitution, le premier moyen est fondé. Par conséquent, l'article 8, § 1er, alinéas 1er, 2 et 4, du décret du 20 avril 2012, tel qu'il a été remplacé par l'article 5, 1°, du décret du 22 décembre 2023, doit être annulé.
Dès lors que l'article 8, § 3, 2° et 3°, du décret du 20 avril 2012, tel qu'il a été respectivement remplacé et abrogé par l'article 5, 2° et 3°, du décret du 22 décembre 2023, l'article 2 du décret du 17 mai 2024 et l'article 2 du décret du 20 décembre 2024 sont indissociablement liés à la disposition à annuler, il y a lieu de les annuler eux aussi.
Par suite de cette annulation, les règles de priorité contenues dans l'article 8 du décret du 20 avril 2012, dans la version antérieure à sa modification par l'article 5, attaqué, du décret du 22 décembre 2023, sont à nouveau applicables.
B.15. Dès lors que les autres moyens ne peuvent donner lieu à une annulation plus étendue, ils ne doivent pas être examinés.
Par ces motifs,
la Cour
- annule l'article 8, § 1er, alinéas 1er, 2 et 4, et § 3, 2° et 3°, du décret de la Communauté flamande du 20 avril 2012 " portant organisation de l'accueil de bébés et de bambins ", tel qu'il a été respectivement remplacé et abrogé par l'article 5 du décret-programme flamand du 22 décembre 2023 " accompagnant le budget 2024 ";
- annule l'article 2 du décret de la Communauté flamande du 17 mai 2024 " modifiant l'article 8 du décret du 20 avril 2012 portant organisation des milieux d'accueil de la petite enfance, en ce qui concerne l'introduction du tarif minimum de la cotisation parentale pour la garde d'enfants de mères inscrites dans l'enseignement secondaire ";
- annule l'article 2 du décret de la Communauté flamande du 20 décembre 2024 " modifiant l'article 8 du décret du 20 avril 2012 portant organisation des milieux d'accueil de la petite enfance, en ce qui concerne une rectification technique ".
Ainsi rendu en langue néerlandaise, en langue française et en langue allemande, conformément à l'article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, le 30 avril 2025.