Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° gecoördineerde wetten: de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
2° algemene procedureregeling: het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
3° voorzitter: de voorzitter van de kamer waar het verzoek aanhangig werd gemaakt of de staatsraad die door die voorzitter is aangewezen om hem te vervangen;
4° auditeur: het lid van het auditoraat dat aangewezen is om het dossier te onderzoeken;
5° derde-belanghebbende: de persoon die belang heeft bij de oplossing van de zaak;
6° verzoekende partij tot tussenkomst: de derde-belanghebbende die heeft verzocht om tussen te komen;
7° elektronische procesvoering: de procesvoering bedoeld in artikel 85bis van de algemene procedureregeling;
8° ernstig middel: het middel bedoeld in artikel 17, § 1, derde lid, 2°, van de gecoördineerde wetten.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
19 NOVEMBER 2024. - Koninklijk besluit tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Titre
19 NOVEMBRE 2024. - Arrêté royal déterminant la procédure en référé et modifiant divers arrêtés relatifs à la procédure devant la section du contentieux administratif du Conseil d'Etat
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
TITEL I. - Algemene bepalingen
TITEL II. - Procedure
HOOFDSTUK I. - Algemene procedureregels
HOOFDSTUK II. - Bijzondere regels in de gevalle...
TITEL III. - Terechtzitting en arresten
TITEL IV. - Intrekking en wijziging van het arr...
TITEL V. - Tussengeschillen
TITEL VI. - Wijzigings-, overgangs- en slotbepa...
Table des matières
TITRE Ier. - Dispositions générales
TITRE II. - De la procédure
CHAPITRE Ier. - Des règles générales de procédure
CHAPITRE II. - Des règles particulières dans le...
TITRE III. - De l'audience et des arrêts
TITRE IV. - De la rétractation et de la modific...
TITRE V. - Des incidents
TITRE VI. - Dispositions modificatives, transit...
Tekst (40)
Texte (40)
TITEL I. - Algemene bepalingen
TITRE Ier. - Dispositions générales
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par :
1° les lois coordonnées : les lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973 ;
2° le règlement général de procédure : l'arrêté du Régent du 23 août 1948 déterminant la procédure devant la section du contentieux administratif du Conseil d'Etat ;
3° le président : le président de la chambre saisie de l'affaire ou le conseiller d'Etat désigné par ce dernier pour le remplacer ;
4° l'auditeur : le membre de l'auditorat désigné pour l'examen du dossier ;
5° le tiers intéressé : la personne qui a intérêt à la solution de l'affaire ;
6° la partie requérante en intervention : le tiers intéressé qui a demandé à intervenir ;
7° la procédure électronique : la procédure visée à l'article 85bis du règlement général de procédure ;
8° le moyen sérieux : le moyen visé à l'article 17, § 1er, alinéa 3, 2°, des lois coordonnées.
1° les lois coordonnées : les lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973 ;
2° le règlement général de procédure : l'arrêté du Régent du 23 août 1948 déterminant la procédure devant la section du contentieux administratif du Conseil d'Etat ;
3° le président : le président de la chambre saisie de l'affaire ou le conseiller d'Etat désigné par ce dernier pour le remplacer ;
4° l'auditeur : le membre de l'auditorat désigné pour l'examen du dossier ;
5° le tiers intéressé : la personne qui a intérêt à la solution de l'affaire ;
6° la partie requérante en intervention : le tiers intéressé qui a demandé à intervenir ;
7° la procédure électronique : la procédure visée à l'article 85bis du règlement général de procédure ;
8° le moyen sérieux : le moyen visé à l'article 17, § 1er, alinéa 3, 2°, des lois coordonnées.
Art. 2. Onder voorbehoud van artikel 3 van dit besluit en tenzij de bepalingen van dit besluit hiervan afwijken, zijn de artikelen 67, 84, 84/1 en 85bis van de algemene procedureregeling, alsook de artikelen 12, tweede, derde en vijfde lid, 16 tot 25, 86, 87, 88, 90 en 91, eerste lid, van diezelfde regeling van toepassing op de procedures in administratief kort geding.
Tenzij wanneer van de elektronische procesvoering gebruik wordt gemaakt, worden bij elk processtuk zes afschriften gevoegd die door degene die het stuk ondertekent, voor eensluidend zijn verklaard. Er kan worden bevolen aanvullende afschriften te bezorgen.
Tenzij wanneer van de elektronische procesvoering gebruik wordt gemaakt, worden bij elk processtuk zes afschriften gevoegd die door degene die het stuk ondertekent, voor eensluidend zijn verklaard. Er kan worden bevolen aanvullende afschriften te bezorgen.
Art. 2. Sous réserve de l'article 3 du présent arrêté et à moins que des dispositions du présent arrêté n'y dérogent, les articles 67, 84, 84/1 et 85bis du règlement général de procédure, de même que les articles 12, alinéas 2, 3 et 5, 16 à 25, 86, 87, 88, 90 et 91, alinéa 1er, de ce même règlement sont applicables aux procédures en référé administratif.
Sauf en cas de recours à la procédure électronique, à tout acte de procédure sont jointes six copies certifiées conformes par le signataire de l'acte. La remise de copies supplémentaires peut être ordonnée.
Sauf en cas de recours à la procédure électronique, à tout acte de procédure sont jointes six copies certifiées conformes par le signataire de l'acte. La remise de copies supplémentaires peut être ordonnée.
Art. 3. § 1. Overeenkomstig artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten wordt de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen ingesteld en behandeld met toepassing van de elektronische procesvoering, in elk geval wanneer de partijen worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat of wanneer ze een overheid zijn als bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, van die wetten.
Voor de andere partijen is het gebruik van de elektronische procesvoering facultatief.
§ 2. Aan partijen voor wie de elektronische procesvoering niet verplicht is, en onverminderd artikel 84 van de algemene procedureregeling, kunnen de mededelingen, oproepingen en kennisgevingen per bode worden bezorgd, tegen ontvangstmelding.
In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kunnen die mededelingen, oproepingen en kennisgevingen ook worden bezorgd per elektronisch bericht, tegen ontvangstmelding.
§ 3. In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de verzoekende partij voor wie de elektronische procesvoering niet verplicht is of voor wie de elektronische procesvoering niet beschikbaar is wegens informaticaproblemen, een kopie van het verzoekschrift per bode, tegen ontvangstmelding, aan de Raad van State zenden; ze verzendt het verzoekschrift uiterlijk de eerstvolgende werkdag ook overeenkomstig paragraaf 1 van dit artikel.
Voor de andere partijen is het gebruik van de elektronische procesvoering facultatief.
§ 2. Aan partijen voor wie de elektronische procesvoering niet verplicht is, en onverminderd artikel 84 van de algemene procedureregeling, kunnen de mededelingen, oproepingen en kennisgevingen per bode worden bezorgd, tegen ontvangstmelding.
In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kunnen die mededelingen, oproepingen en kennisgevingen ook worden bezorgd per elektronisch bericht, tegen ontvangstmelding.
§ 3. In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de verzoekende partij voor wie de elektronische procesvoering niet verplicht is of voor wie de elektronische procesvoering niet beschikbaar is wegens informaticaproblemen, een kopie van het verzoekschrift per bode, tegen ontvangstmelding, aan de Raad van State zenden; ze verzendt het verzoekschrift uiterlijk de eerstvolgende werkdag ook overeenkomstig paragraaf 1 van dit artikel.
Art. 3. § 1er. Conformément à l'article 17, § 1er, alinéa 2, des lois coordonnées, la demande de suspension ou de mesures provisoires est introduite et traitée selon la procédure électronique, en tout cas lorsque les parties sont assistées ou représentées par un avocat ou qu'elles sont une autorité visée à l'article 14, § 1er, alinéa 1er, de ces lois.
Pour les autres parties, l'utilisation de la procédure électronique est facultative.
§ 2. A l'égard des parties pour lesquelles la procédure électronique n'est pas obligatoire et sans préjudice de l'article 84 du règlement général de procédure, les communications, les convocations et les notifications peuvent avoir lieu par porteur, contre accusé de réception.
En cas d'extrême urgence, ces communications, convocations et notifications peuvent également être envoyées par courrier électronique, contre accusé de réception.
§ 3. En cas d'extrême urgence, la partie requérante pour laquelle la procédure électronique n'est pas obligatoire ou qui se trouve dans l'impossibilité d'y avoir recours en raison de défaillances informatiques, peut adresser une copie de la requête au Conseil d'Etat par porteur, contre accusé de réception ; elle adresse aussi la requête conformément au paragraphe 1er du présent article au plus tard le premier jour ouvrable qui suit.
Pour les autres parties, l'utilisation de la procédure électronique est facultative.
§ 2. A l'égard des parties pour lesquelles la procédure électronique n'est pas obligatoire et sans préjudice de l'article 84 du règlement général de procédure, les communications, les convocations et les notifications peuvent avoir lieu par porteur, contre accusé de réception.
En cas d'extrême urgence, ces communications, convocations et notifications peuvent également être envoyées par courrier électronique, contre accusé de réception.
§ 3. En cas d'extrême urgence, la partie requérante pour laquelle la procédure électronique n'est pas obligatoire ou qui se trouve dans l'impossibilité d'y avoir recours en raison de défaillances informatiques, peut adresser une copie de la requête au Conseil d'Etat par porteur, contre accusé de réception ; elle adresse aussi la requête conformément au paragraphe 1er du présent article au plus tard le premier jour ouvrable qui suit.
TITEL II. - Procedure
TITRE II. - De la procédure
HOOFDSTUK I. - Algemene procedureregels
CHAPITRE Ier. - Des règles générales de procédure
Art. 4. § 1. De vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen bevat:
1° het opschrift "vordering tot schorsing" of "vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen", of deze beide vermeldingen, naast in voorkomend geval de vermelding "beroep tot nietigverklaring";
2° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of zetel van de verzoekende partij en de gekozen woonplaats bedoeld in artikel 84, § 2, eerste lid, van de algemene procedureregeling, alsook een telefoonnummer waarop of andere contactgegevens waarmee deze partij snel te bereiken is;
3° de naam en de woonplaats of zetel van de verwerende partij;
4° de vermelding van de akte of van het reglement waartegen de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen is gericht;
5° overeenkomstig artikel 17, § 2, eerste lid van de gecoördineerde wetten, een uiteenzetting van de feiten die, volgens de verzoekende partij, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van het verzoek tot schorsing of voorlopige maatregelen wordt ingeroepen;
6° indien het verzoekschrift tot nietigverklaring nog niet is ingediend, een uiteenzetting van de feiten en van minstens één ernstig middel;
7° indien het verzoekschrift tot nietigverklaring al is ingediend, de verwijzing naar het beroep waarvan de vordering het accessorium vormt en de aanduiding van het ernstige middel of de ernstige middelen die worden aangevoerd tot staving van deze vordering.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 6°, is artikel 2, § 1, tweede tot vierde lid, van de algemene procedureregeling van toepassing.
§ 2. De vordering bedoeld in § 1 bevat in voorkomend geval voorts:
1° de beschrijving van de gevorderde voorlopige maatregelen en een uiteenzetting van de feiten waarin wordt aangetoond dat de voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om de belangen van de partij die ze vordert, te vrijwaren;
2° het bedrag van en de nadere regels betreffende de met toepassing van artikel 17, § 11, van de gecoördineerde wetten gevorderde dwangsom.
§ 3. Indien de vordering bedoeld in § 1 wordt ingesteld door een partij die geen gebruik maakt van de elektronische procesvoering, wordt ze door die partij ondertekend en gedagtekend.
Indien die vordering wordt ingesteld door een partij die wordt bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat, voldoet laatstgenoemde aan de voorwaarden van artikel 19, vierde lid, van de gecoördineerde wetten.
§ 4. De artikelen 2, § 2, 3 en 3bis van de algemene procedureregeling zijn van toepassing, onder voorbehoud van de termijn bedoeld in het tweede en het derde lid van het laatstgenoemde artikel, die wordt ingekort tot vijf werkdagen.
Artikel 3quater van diezelfde regeling is eveneens van toepassing.
§ 5. De hoofdgriffier bezorgt onverwijld een afschrift van de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen aan:
1° de auditeur-generaal ;
2° de kamervoorzitter.
§ 6. Het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, van de algemene procedureregeling worden betaald overeenkomstig artikel 71 van de algemene procedureregeling, onder voorbehoud van de termijnen van dertig en van vijftien dagen, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, die worden ingekort tot respectievelijk tien en vijf werkdagen.
1° het opschrift "vordering tot schorsing" of "vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen", of deze beide vermeldingen, naast in voorkomend geval de vermelding "beroep tot nietigverklaring";
2° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of zetel van de verzoekende partij en de gekozen woonplaats bedoeld in artikel 84, § 2, eerste lid, van de algemene procedureregeling, alsook een telefoonnummer waarop of andere contactgegevens waarmee deze partij snel te bereiken is;
3° de naam en de woonplaats of zetel van de verwerende partij;
4° de vermelding van de akte of van het reglement waartegen de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen is gericht;
5° overeenkomstig artikel 17, § 2, eerste lid van de gecoördineerde wetten, een uiteenzetting van de feiten die, volgens de verzoekende partij, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van het verzoek tot schorsing of voorlopige maatregelen wordt ingeroepen;
6° indien het verzoekschrift tot nietigverklaring nog niet is ingediend, een uiteenzetting van de feiten en van minstens één ernstig middel;
7° indien het verzoekschrift tot nietigverklaring al is ingediend, de verwijzing naar het beroep waarvan de vordering het accessorium vormt en de aanduiding van het ernstige middel of de ernstige middelen die worden aangevoerd tot staving van deze vordering.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 6°, is artikel 2, § 1, tweede tot vierde lid, van de algemene procedureregeling van toepassing.
§ 2. De vordering bedoeld in § 1 bevat in voorkomend geval voorts:
1° de beschrijving van de gevorderde voorlopige maatregelen en een uiteenzetting van de feiten waarin wordt aangetoond dat de voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om de belangen van de partij die ze vordert, te vrijwaren;
2° het bedrag van en de nadere regels betreffende de met toepassing van artikel 17, § 11, van de gecoördineerde wetten gevorderde dwangsom.
§ 3. Indien de vordering bedoeld in § 1 wordt ingesteld door een partij die geen gebruik maakt van de elektronische procesvoering, wordt ze door die partij ondertekend en gedagtekend.
Indien die vordering wordt ingesteld door een partij die wordt bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat, voldoet laatstgenoemde aan de voorwaarden van artikel 19, vierde lid, van de gecoördineerde wetten.
§ 4. De artikelen 2, § 2, 3 en 3bis van de algemene procedureregeling zijn van toepassing, onder voorbehoud van de termijn bedoeld in het tweede en het derde lid van het laatstgenoemde artikel, die wordt ingekort tot vijf werkdagen.
Artikel 3quater van diezelfde regeling is eveneens van toepassing.
§ 5. De hoofdgriffier bezorgt onverwijld een afschrift van de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen aan:
1° de auditeur-generaal ;
2° de kamervoorzitter.
§ 6. Het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, van de algemene procedureregeling worden betaald overeenkomstig artikel 71 van de algemene procedureregeling, onder voorbehoud van de termijnen van dertig en van vijftien dagen, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, die worden ingekort tot respectievelijk tien en vijf werkdagen.
Art. 4. § 1er. La demande de suspension ou de mesures provisoires contient :
1° l'intitulé " demande de suspension " ou " demande de mesures provisoires ", ou ces deux mentions, en plus, le cas échéant, de celle de " requête en annulation " ;
2° les nom, qualité, domicile ou siège de la partie requérante et domicile élu visé à l'article 84, § 2, alinéa 1er, du règlement général de procédure, ainsi qu'un numéro de téléphone ou toute autre coordonnée à laquelle cette partie peut être contactée rapidement ;
3° le nom et le domicile ou le siège de la partie adverse ;
4° la mention de l'acte ou du règlement qui fait l'objet de la demande de suspension ou de mesures provisoires ;
5° conformément à l'article 17, § 2, alinéa 1er des lois coordonnées, un exposé des faits qui, selon la partie requérante, justifient l'urgence invoquée à l'appui de la demande de suspension ou des mesures provisoires;
6° si la requête en annulation n'a pas encore été introduite, un exposé des faits et d'au moins un moyen sérieux ;
7° si la requête en annulation a déjà été introduite, la référence de ce recours dont la demande est l'accessoire et l'indication du moyen sérieux ou des moyens sérieux invoqués à l'appui de celui-ci.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 6°, l'article 2, § 1er, alinéas 2 à 4, du règlement général de procédure est applicable.
§ 2. La demande visée au § 1er contient, en outre, le cas échéant :
1° la description des mesures provisoires sollicitées et un exposé des faits qui établit que les mesures provisoires sont nécessaires afin de préserver les intérêts de celui qui les demande ;
2° le montant et les modalités de l'astreinte demandée en application de l'article 17, § 11, des lois coordonnées.
§ 3. Si la demande visée au § 1er est introduite par une partie qui ne recourt pas à la procédure électronique, elle est signée et datée par cette partie.
Si cette demande est introduite par une partie qui est assistée ou représentée par un avocat, celui-ci satisfait aux conditions de l'article 19, alinéa 4, des lois coordonnées.
§ 4. Les articles 2, § 2, 3 et 3bis du règlement général de procédure sont applicables, sous réserve du délai visé aux alinéas 2 et 3 de ce dernier article, qui est réduit à cinq jours ouvrables.
L'article 3quater de ce même règlement est également applicable.
§ 5. Une copie de la demande de suspension ou de mesures provisoires est communiquée sans délai par le greffier en chef :
1° à l'auditeur général ;
2° au président de chambre.
§ 6. Le droit de rôle et la contribution visée à l'article 66, 6°, du règlement général de procédure sont acquittés conformément à l'article 71 du règlement général de procédure, sous réserve des délais de trente et quinze jours visés à l'alinéa 4 de cet article qui sont réduits respectivement à dix et cinq jours ouvrables.
1° l'intitulé " demande de suspension " ou " demande de mesures provisoires ", ou ces deux mentions, en plus, le cas échéant, de celle de " requête en annulation " ;
2° les nom, qualité, domicile ou siège de la partie requérante et domicile élu visé à l'article 84, § 2, alinéa 1er, du règlement général de procédure, ainsi qu'un numéro de téléphone ou toute autre coordonnée à laquelle cette partie peut être contactée rapidement ;
3° le nom et le domicile ou le siège de la partie adverse ;
4° la mention de l'acte ou du règlement qui fait l'objet de la demande de suspension ou de mesures provisoires ;
5° conformément à l'article 17, § 2, alinéa 1er des lois coordonnées, un exposé des faits qui, selon la partie requérante, justifient l'urgence invoquée à l'appui de la demande de suspension ou des mesures provisoires;
6° si la requête en annulation n'a pas encore été introduite, un exposé des faits et d'au moins un moyen sérieux ;
7° si la requête en annulation a déjà été introduite, la référence de ce recours dont la demande est l'accessoire et l'indication du moyen sérieux ou des moyens sérieux invoqués à l'appui de celui-ci.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 6°, l'article 2, § 1er, alinéas 2 à 4, du règlement général de procédure est applicable.
§ 2. La demande visée au § 1er contient, en outre, le cas échéant :
1° la description des mesures provisoires sollicitées et un exposé des faits qui établit que les mesures provisoires sont nécessaires afin de préserver les intérêts de celui qui les demande ;
2° le montant et les modalités de l'astreinte demandée en application de l'article 17, § 11, des lois coordonnées.
§ 3. Si la demande visée au § 1er est introduite par une partie qui ne recourt pas à la procédure électronique, elle est signée et datée par cette partie.
Si cette demande est introduite par une partie qui est assistée ou représentée par un avocat, celui-ci satisfait aux conditions de l'article 19, alinéa 4, des lois coordonnées.
§ 4. Les articles 2, § 2, 3 et 3bis du règlement général de procédure sont applicables, sous réserve du délai visé aux alinéas 2 et 3 de ce dernier article, qui est réduit à cinq jours ouvrables.
L'article 3quater de ce même règlement est également applicable.
§ 5. Une copie de la demande de suspension ou de mesures provisoires est communiquée sans délai par le greffier en chef :
1° à l'auditeur général ;
2° au président de chambre.
§ 6. Le droit de rôle et la contribution visée à l'article 66, 6°, du règlement général de procédure sont acquittés conformément à l'article 71 du règlement général de procédure, sous réserve des délais de trente et quinze jours visés à l'alinéa 4 de cet article qui sont réduits respectivement à dix et cinq jours ouvrables.
Art. 5. § 1. Binnen een termijn van zeven werkdagen te rekenen vanaf de dag waarop de rekening bedoeld in artikel 71, eerste lid, van de algemene procedureregeling gecrediteerd is, stelt de voorzitter in overleg met de auditeur de procedurekalender bij beschikking vast overeenkomstig artikel 17, § 4, eerste lid van de gecoördineerde wetten.
Die beschikking bepaalt:
1° de uiterste datum van indiening van het volledige administratief dossier, tenzij de afdeling bestuursrechtspraak in het kader van het beroep tot nietigverklaring reeds in het bezit werd gesteld van dat dossier;
2° de uiterste datum van indiening van de nota met opmerkingen van de verwerende partij;
3° in voorkomend geval, op basis van de aanwijzingen van de auditeur, de derden-belanghebbenden en de uiterste datum van indiening van hun verzoekschrift tot tussenkomst; die beschikking kan worden gewijzigd volgens dezelfde regels indien na de kennisgeving ervan andere derden-belanghebbenden worden geïdentificeerd of zich kenbaar maken;
4° in geval van toepassing van artikel 3quater van de algemene procedureregeling, de uiterste datum van indiening van het verzoekschrift tot tussenkomst, welke datum wordt vermeld in het bericht bedoeld in dit artikel;
5° indien al een verzoekschrift tot tussenkomst is ingediend, de uiterste datum van indiening van de nota met opmerkingen van de verzoekende partij tot tussenkomst;
6° de dag en het uur van de terechtzitting die moet worden gehouden binnen zestig dagen te rekenen vanaf de datum van de beschikking, onverminderd de toepassing van artikel 17, § 4, achtste en negende lid, van de gecoördineerde wetten.
De beschikking bedoeld in het eerste lid kan, in overleg met de auditeur, eveneens worden gewijzigd wanneer andere omstandigheden dan die welke worden vermeld in het tweede lid, 3°, tweede zin, dit rechtvaardigen.
§ 2. De hoofdgriffier bezorgt onverwijld een afschrift van de beschikking aan:
1° de auditeur;
2° de partijen;
3° de derden-belanghebbenden.
Aan de verwerende partij en in voorkomend geval aan de verzoekende partij tot tussenkomst en de derden-belanghebbenden wordt samen met die beschikking een afschrift van de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen bezorgd.
Die beschikking bepaalt:
1° de uiterste datum van indiening van het volledige administratief dossier, tenzij de afdeling bestuursrechtspraak in het kader van het beroep tot nietigverklaring reeds in het bezit werd gesteld van dat dossier;
2° de uiterste datum van indiening van de nota met opmerkingen van de verwerende partij;
3° in voorkomend geval, op basis van de aanwijzingen van de auditeur, de derden-belanghebbenden en de uiterste datum van indiening van hun verzoekschrift tot tussenkomst; die beschikking kan worden gewijzigd volgens dezelfde regels indien na de kennisgeving ervan andere derden-belanghebbenden worden geïdentificeerd of zich kenbaar maken;
4° in geval van toepassing van artikel 3quater van de algemene procedureregeling, de uiterste datum van indiening van het verzoekschrift tot tussenkomst, welke datum wordt vermeld in het bericht bedoeld in dit artikel;
5° indien al een verzoekschrift tot tussenkomst is ingediend, de uiterste datum van indiening van de nota met opmerkingen van de verzoekende partij tot tussenkomst;
6° de dag en het uur van de terechtzitting die moet worden gehouden binnen zestig dagen te rekenen vanaf de datum van de beschikking, onverminderd de toepassing van artikel 17, § 4, achtste en negende lid, van de gecoördineerde wetten.
De beschikking bedoeld in het eerste lid kan, in overleg met de auditeur, eveneens worden gewijzigd wanneer andere omstandigheden dan die welke worden vermeld in het tweede lid, 3°, tweede zin, dit rechtvaardigen.
§ 2. De hoofdgriffier bezorgt onverwijld een afschrift van de beschikking aan:
1° de auditeur;
2° de partijen;
3° de derden-belanghebbenden.
Aan de verwerende partij en in voorkomend geval aan de verzoekende partij tot tussenkomst en de derden-belanghebbenden wordt samen met die beschikking een afschrift van de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen bezorgd.
Art. 5. § 1er. Dans un délai de sept jours ouvrables à compter du jour où le compte visé à l'article 71, alinéa 1er, du règlement général de procédure est crédité, le président fixe par ordonnance, en concertation avec l'auditeur, le calendrier de la procédure, conformément à l'article 17, § 4, alinéa 1er des lois coordonnées.
Cette ordonnance détermine :
1° la date ultime du dépôt du dossier administratif complet, à moins que la section du contentieux administratif n'ait été mise en possession de celui-ci dans le cadre du recours en annulation ;
2° la date ultime du dépôt de la note d'observations de la partie adverse ;
3° le cas échéant, sur la base des indications de l'auditeur, les tiers intéressés et la date ultime du dépôt de leur requête en intervention ; cette ordonnance peut être modifiée selon les mêmes modalités si d'autres tiers intéressés sont identifiés ou se manifestent après sa notification ;
4° en cas d'application de l'article 3quater du règlement général de procédure, la date ultime du dépôt de la requête en intervention, cette date étant mentionnée dans l'avis prévu par cet article ;
5° si une requête en intervention a déjà été introduite, la date ultime du dépôt de la note d'observations de la partie requérante en intervention ;
6° le jour et l'heure de l'audience qui doit se tenir dans les soixante jours de la date de l'ordonnance, sans préjudice de l'application de l'article 17, § 4, alinéas 8 et 9, des lois coordonnées.
L'ordonnance visée à l'alinéa 1er peut également être modifiée, en concertation avec l'auditeur, lorsque d'autres circonstances que celles énoncées à l'alinéa 2, 3°, seconde phrase, le justifient.
§ 2. Une copie de l'ordonnance est notifiée sans délai par le greffier en chef :
1° à l'auditeur ;
2° aux parties ;
3° aux tiers intéressés.
Une copie de la demande de suspension ou de mesures provisoires est transmise à la partie adverse et, le cas échéant, à la partie requérante en intervention et aux tiers intéressés, conjointement avec cette ordonnance.
Cette ordonnance détermine :
1° la date ultime du dépôt du dossier administratif complet, à moins que la section du contentieux administratif n'ait été mise en possession de celui-ci dans le cadre du recours en annulation ;
2° la date ultime du dépôt de la note d'observations de la partie adverse ;
3° le cas échéant, sur la base des indications de l'auditeur, les tiers intéressés et la date ultime du dépôt de leur requête en intervention ; cette ordonnance peut être modifiée selon les mêmes modalités si d'autres tiers intéressés sont identifiés ou se manifestent après sa notification ;
4° en cas d'application de l'article 3quater du règlement général de procédure, la date ultime du dépôt de la requête en intervention, cette date étant mentionnée dans l'avis prévu par cet article ;
5° si une requête en intervention a déjà été introduite, la date ultime du dépôt de la note d'observations de la partie requérante en intervention ;
6° le jour et l'heure de l'audience qui doit se tenir dans les soixante jours de la date de l'ordonnance, sans préjudice de l'application de l'article 17, § 4, alinéas 8 et 9, des lois coordonnées.
L'ordonnance visée à l'alinéa 1er peut également être modifiée, en concertation avec l'auditeur, lorsque d'autres circonstances que celles énoncées à l'alinéa 2, 3°, seconde phrase, le justifient.
§ 2. Une copie de l'ordonnance est notifiée sans délai par le greffier en chef :
1° à l'auditeur ;
2° aux parties ;
3° aux tiers intéressés.
Une copie de la demande de suspension ou de mesures provisoires est transmise à la partie adverse et, le cas échéant, à la partie requérante en intervention et aux tiers intéressés, conjointement avec cette ordonnance.
Art. 6. § 1. Het verzoekschrift tot tussenkomst bevat:
1° het opschrift "verzoekschrift tot tussenkomst";
2° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of zetel van de verzoekende partij tot tussenkomst en de gekozen woonplaats, bedoeld in artikel 84, § 2, eerste lid, van de algemene procedureregeling, alsook een telefoonnummer waarop of andere contactgegevens waarmee deze partij snel te bereiken is;
3° de vermelding van de zaak waarin de verzoekende partij tot tussenkomst wenst tussen te komen, alsook het rolnummer waaronder de zaak ingeschreven is, als het gekend is;
4° een uiteenzetting van het belang van de verzoekende partij tot tussenkomst bij de beslechting van de zaak alsook de uiteenzetting van haar argumenten.
Als voor het verzoekschrift tot tussenkomst een verdere uiteenzetting nodig is, bevat het een samenvatting van de argumenten van de verzoekende partij tot tussenkomst.
Artikel 4, § 3, van dit besluit en de artikelen 2, § 2, en 3, 4°, van de algemene procedureregeling zijn van toepassing op het verzoekschrift tot tussenkomst.
§ 2. De hoofdgriffier bezorgt onverwijld een afschrift van het verzoekschrift tot tussenkomst aan:
1° de voorzitter;
2° de auditeur;
3° de andere partijen.
§ 3. Wanneer de verzoekende partij tot tussenkomst het door haar verschuldigde recht niet betaalt binnen een termijn van tien werkdagen volgend op de ontvangst van het overschrijvingsformulier, of ten laatste bij de sluiting van de debatten wanneer deze plaatsvindt voor het verstrijken van die termijn, wordt de tussenkomst in het kortgedingarrest afgewezen, tenzij overmacht of een onoverkomelijke dwaling wordt bewezen.
1° het opschrift "verzoekschrift tot tussenkomst";
2° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of zetel van de verzoekende partij tot tussenkomst en de gekozen woonplaats, bedoeld in artikel 84, § 2, eerste lid, van de algemene procedureregeling, alsook een telefoonnummer waarop of andere contactgegevens waarmee deze partij snel te bereiken is;
3° de vermelding van de zaak waarin de verzoekende partij tot tussenkomst wenst tussen te komen, alsook het rolnummer waaronder de zaak ingeschreven is, als het gekend is;
4° een uiteenzetting van het belang van de verzoekende partij tot tussenkomst bij de beslechting van de zaak alsook de uiteenzetting van haar argumenten.
Als voor het verzoekschrift tot tussenkomst een verdere uiteenzetting nodig is, bevat het een samenvatting van de argumenten van de verzoekende partij tot tussenkomst.
Artikel 4, § 3, van dit besluit en de artikelen 2, § 2, en 3, 4°, van de algemene procedureregeling zijn van toepassing op het verzoekschrift tot tussenkomst.
§ 2. De hoofdgriffier bezorgt onverwijld een afschrift van het verzoekschrift tot tussenkomst aan:
1° de voorzitter;
2° de auditeur;
3° de andere partijen.
§ 3. Wanneer de verzoekende partij tot tussenkomst het door haar verschuldigde recht niet betaalt binnen een termijn van tien werkdagen volgend op de ontvangst van het overschrijvingsformulier, of ten laatste bij de sluiting van de debatten wanneer deze plaatsvindt voor het verstrijken van die termijn, wordt de tussenkomst in het kortgedingarrest afgewezen, tenzij overmacht of een onoverkomelijke dwaling wordt bewezen.
Art. 6. § 1er. La requête en intervention contient :
1° l'intitulé " requête en intervention " ;
2° les nom, qualité, domicile ou siège de la partie requérante en intervention et domicile élu visé à l'article 84, § 2, alinéa 1er, du règlement général de procédure, ainsi qu'un numéro de téléphone ou toute autre coordonnée à laquelle cette partie peut être contactée rapidement ;
3° l'indication de l'affaire dans laquelle la partie requérante en intervention demande à intervenir ainsi que le numéro de rôle sous lequel l'affaire est inscrite, s'il est connu ;
4° un exposé de l'intérêt qu'a la partie requérante en intervention à la solution de l'affaire ainsi que l'énoncé de ses arguments.
Si la requête en intervention nécessite des développements, elle comprend un résumé des arguments de la partie requérante en intervention.
L'article 4, § 3, du présent arrêté, ainsi que les articles 2, § 2, et 3, 4°, du règlement général de procédure sont applicables à la requête en intervention.
§ 2. Une copie de la requête en intervention est communiquée sans délai par le greffier en chef :
1° au président ;
2° à l'auditeur ;
3° aux autres parties.
§ 3. Lorsque la partie requérante en intervention n'acquitte pas le droit dont elle est redevable dans un délai de dix jours ouvrables suivant la réception de la formule de virement ou, au plus tard, à la clôture des débats dans le cas où celle-ci survient avant l'expiration de ce délai, l'arrêt prononcé en référé rejette l'intervention, sauf si la force majeure ou l'erreur invincible est établie.
1° l'intitulé " requête en intervention " ;
2° les nom, qualité, domicile ou siège de la partie requérante en intervention et domicile élu visé à l'article 84, § 2, alinéa 1er, du règlement général de procédure, ainsi qu'un numéro de téléphone ou toute autre coordonnée à laquelle cette partie peut être contactée rapidement ;
3° l'indication de l'affaire dans laquelle la partie requérante en intervention demande à intervenir ainsi que le numéro de rôle sous lequel l'affaire est inscrite, s'il est connu ;
4° un exposé de l'intérêt qu'a la partie requérante en intervention à la solution de l'affaire ainsi que l'énoncé de ses arguments.
Si la requête en intervention nécessite des développements, elle comprend un résumé des arguments de la partie requérante en intervention.
L'article 4, § 3, du présent arrêté, ainsi que les articles 2, § 2, et 3, 4°, du règlement général de procédure sont applicables à la requête en intervention.
§ 2. Une copie de la requête en intervention est communiquée sans délai par le greffier en chef :
1° au président ;
2° à l'auditeur ;
3° aux autres parties.
§ 3. Lorsque la partie requérante en intervention n'acquitte pas le droit dont elle est redevable dans un délai de dix jours ouvrables suivant la réception de la formule de virement ou, au plus tard, à la clôture des débats dans le cas où celle-ci survient avant l'expiration de ce délai, l'arrêt prononcé en référé rejette l'intervention, sauf si la force majeure ou l'erreur invincible est établie.
Art. 7. § 1. Indien voor het antwoord op de middelen een verdere uiteenzetting nodig is, bevat de nota met opmerkingen een samenvatting van de argumenten van de verwerende partij of van de verzoekende partij tot tussenkomst.
Indien de memorie van antwoord of een verzoekschrift tot tussenkomst reeds is ingediend in het kader van de procedure tot nietigverklaring, heeft de nota met opmerkingen van de verwerende partij of van de verzoekende partij tot tussenkomst enkel betrekking op de spoedeisendheid of op de noodzaak van de gevorderde schorsing of van de gevorderde voorlopige maatregelen alsook in voorkomend geval op de afweging van de belangen bedoeld in artikel 17, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten.
§ 2. De hoofdgriffier bezorgt onverwijld een afschrift van de nota met opmerkingen van de verwerende partij of van de verzoekende partij tot tussenkomst aan:
1° de voorzitter;
2° de auditeur;
3° de andere partijen.
§ 3. Overeenkomstig artikel 17, § 4, zesde lid, van de gecoördineerde wetten wordt een nota met opmerkingen die niet binnen de in de procedurekalender bepaalde termijn wordt ingediend, ambtshalve uit de debatten geweerd.
Indien de memorie van antwoord of een verzoekschrift tot tussenkomst reeds is ingediend in het kader van de procedure tot nietigverklaring, heeft de nota met opmerkingen van de verwerende partij of van de verzoekende partij tot tussenkomst enkel betrekking op de spoedeisendheid of op de noodzaak van de gevorderde schorsing of van de gevorderde voorlopige maatregelen alsook in voorkomend geval op de afweging van de belangen bedoeld in artikel 17, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten.
§ 2. De hoofdgriffier bezorgt onverwijld een afschrift van de nota met opmerkingen van de verwerende partij of van de verzoekende partij tot tussenkomst aan:
1° de voorzitter;
2° de auditeur;
3° de andere partijen.
§ 3. Overeenkomstig artikel 17, § 4, zesde lid, van de gecoördineerde wetten wordt een nota met opmerkingen die niet binnen de in de procedurekalender bepaalde termijn wordt ingediend, ambtshalve uit de debatten geweerd.
Art. 7. § 1er. Si la réponse aux moyens nécessite des développements, la note d'observations comprend un résumé des arguments de la partie adverse ou de la partie requérante en intervention.
Si le mémoire en réponse ou une requête en intervention a déjà été déposé dans le cadre de la procédure en annulation, la note d'observations de la partie adverse ou de la partie requérante en intervention ne porte que sur l'urgence ou la nécessité de la suspension ou des mesures provisoires sollicitées, ainsi que le cas échéant sur la balance des intérêts visée à l'article 17, § 2, alinéa 2, des lois coordonnées.
§ 2. Une copie de la note d'observations de la partie adverse ou de la partie requérante en intervention est communiquée sans délai par le greffier en chef :
1° au président ;
2° à l'auditeur ;
3° aux autres parties.
§ 3. Conformément à l'article 17, § 4, alinéa 6, des lois coordonnées, la note d'observations qui n'est pas déposée dans le délai fixé par le calendrier de la procédure, est écartée d'office des débats.
Si le mémoire en réponse ou une requête en intervention a déjà été déposé dans le cadre de la procédure en annulation, la note d'observations de la partie adverse ou de la partie requérante en intervention ne porte que sur l'urgence ou la nécessité de la suspension ou des mesures provisoires sollicitées, ainsi que le cas échéant sur la balance des intérêts visée à l'article 17, § 2, alinéa 2, des lois coordonnées.
§ 2. Une copie de la note d'observations de la partie adverse ou de la partie requérante en intervention est communiquée sans délai par le greffier en chef :
1° au président ;
2° à l'auditeur ;
3° aux autres parties.
§ 3. Conformément à l'article 17, § 4, alinéa 6, des lois coordonnées, la note d'observations qui n'est pas déposée dans le délai fixé par le calendrier de la procédure, est écartée d'office des débats.
HOOFDSTUK II. - Bijzondere regels in de gevallen van uiterst dringende noodzakelijkheid
CHAPITRE II. - Des règles particulières dans les cas d'extrême urgence
Art. 8. § 1. In de gevallen waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd en de vordering bijgevolg moet worden behandeld binnen een termijn van vijftien dagen of minder, zijn artikel 4, § 1, eerste lid, 2° tot 4°, 6° en 7° en tweede lid, en §§ 2, 3 en 5 van dit besluit, alsook de artikelen 2, § 2, en 3 van de algemene procedureregeling van toepassing op die vordering.
Die vordering bevat bovendien:
1° het opschrift "vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid" of "vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid", of die beide vermeldingen, naast, in voorkomend geval, de vermelding "beroep tot nietigverklaring";
2° een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen.
Wanneer het opschrift van het verzoekschrift niet vermeldt dat de zaak moet worden behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid, wordt de zaak behandeld volgens de regels bepaald in hoofdstuk I.
§ 2. Het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, van de algemene procedureregeling worden betaald overeenkomstig artikel 71, eerste tot derde lid, van de algemene procedureregeling, zonder dat die betaling een voorafgaande voorwaarde is om de procedurekalender vast te stellen of om de vordering aan de andere partijen of derden-belanghebbenden te bezorgen.
Die vordering bevat bovendien:
1° het opschrift "vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid" of "vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid", of die beide vermeldingen, naast, in voorkomend geval, de vermelding "beroep tot nietigverklaring";
2° een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen.
Wanneer het opschrift van het verzoekschrift niet vermeldt dat de zaak moet worden behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid, wordt de zaak behandeld volgens de regels bepaald in hoofdstuk I.
§ 2. Het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, van de algemene procedureregeling worden betaald overeenkomstig artikel 71, eerste tot derde lid, van de algemene procedureregeling, zonder dat die betaling een voorafgaande voorwaarde is om de procedurekalender vast te stellen of om de vordering aan de andere partijen of derden-belanghebbenden te bezorgen.
Art. 8. § 1er. Dans les cas où l'extrême urgence est invoquée et où, par conséquent, la demande doit être traitée dans un délai égal ou inférieur à quinze jours, l'article 4, § 1er, alinéa 1er, 2° à 4°, 6° et 7°, et alinéa 2, et §§ 2, 3 et 5, du présent arrêté, de même que les articles 2, § 2, et 3 du règlement général de procédure sont applicables à cette demande.
Celle-ci contient en outre :
1° l'intitulé " demande de suspension d'extrême urgence " ou " demande de mesures provisoires d'extrême urgence ", ou ces deux mentions, en plus, le cas échéant, de celle de " requête en annulation " ;
2° un exposé des faits justifiant l'extrême urgence.
Lorsque l'intitulé de la requête ne précise pas que l'affaire doit être traitée en extrême urgence, elle est traitée selon les règles prévues dans le chapitre Ier.
§ 2. Le droit de rôle et la contribution visée à l'article 66, 6°, du règlement général de procédure sont acquittés conformément à l'article 71, alinéas 1er à 3, du règlement général de procédure, sans que leur paiement soit une condition préalable à la fixation du calendrier de la procédure, ni à la transmission de la demande aux autres parties ou tiers intéressés.
Celle-ci contient en outre :
1° l'intitulé " demande de suspension d'extrême urgence " ou " demande de mesures provisoires d'extrême urgence ", ou ces deux mentions, en plus, le cas échéant, de celle de " requête en annulation " ;
2° un exposé des faits justifiant l'extrême urgence.
Lorsque l'intitulé de la requête ne précise pas que l'affaire doit être traitée en extrême urgence, elle est traitée selon les règles prévues dans le chapitre Ier.
§ 2. Le droit de rôle et la contribution visée à l'article 66, 6°, du règlement général de procédure sont acquittés conformément à l'article 71, alinéas 1er à 3, du règlement général de procédure, sans que leur paiement soit une condition préalable à la fixation du calendrier de la procédure, ni à la transmission de la demande aux autres parties ou tiers intéressés.
Art. 9. § 1. De voorzitter stelt, in overleg met de auditeur, onverwijld bij beschikking de procedurekalender vast overeenkomstig artikel 17, § 5, eerste lid, van de gecoördineerde wetten.
De beschikking bedoeld in het eerste lid bepaalt:
1° de uiterste datum en uur van indiening van het volledige administratief dossier, tenzij de afdeling bestuursrechtspraak in het kader van het beroep tot nietigverklaring reeds in het bezit werd gesteld van dat dossier;
2° de uiterste datum en uur van indiening van de nota met opmerkingen van de verwerende partij;
3° in voorkomend geval, op basis van de aanwijzingen van de auditeur, de derden-belanghebbenden en de uiterste datum en uur van indiening van hun verzoekschrift tot tussenkomst; die beschikking kan worden gewijzigd volgens dezelfde regels indien na de kennisgeving ervan andere derden-belanghebbenden worden geïdentificeerd of zich kenbaar maken; diegenen die niet worden aangewezen, kunnen een verzoekschrift tot tussenkomst indienen tot op de terechtzitting waarop de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen wordt behandeld;
4° indien al een verzoekschrift tot tussenkomst is ingediend, de uiterste datum en uur van indiening van de nota met opmerkingen van de verzoekende partij tot tussenkomst;
5° de dag en het uur van de terechtzitting.
De beschikking bedoeld in het eerste lid kan, in overleg met de auditeur, eveneens worden gewijzigd wanneer andere omstandigheden dan die welke worden vermeld in het tweede lid, 3°, tweede zin, dit rechtvaardigen.
§ 2. De voorzitter kan de partijen en de derden-belanghebbenden bij beschikking bijeenroepen, eventueel te zijnen huize, of in voorkomend geval, overeenkomstig artikel 27/1 van de gecoördineerde wetten, op het door hem aangegeven uur, zelfs op dagen die geen werkdagen zijn en van dag tot dag of van uur tot uur.
§ 3. De hoofdgriffier bezorgt onverwijld een afschrift van de beschikking aan:
1° de auditeur;
2° de partijen;
3° de derden-belanghebbenden.
Een afschrift van de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen volgens de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt samen met die beschikking bezorgd aan de verwerende partij en, in voorkomend geval, aan de verzoekende partij tot tussenkomst en de derden-belanghebbenden.
De beschikking bedoeld in het eerste lid bepaalt:
1° de uiterste datum en uur van indiening van het volledige administratief dossier, tenzij de afdeling bestuursrechtspraak in het kader van het beroep tot nietigverklaring reeds in het bezit werd gesteld van dat dossier;
2° de uiterste datum en uur van indiening van de nota met opmerkingen van de verwerende partij;
3° in voorkomend geval, op basis van de aanwijzingen van de auditeur, de derden-belanghebbenden en de uiterste datum en uur van indiening van hun verzoekschrift tot tussenkomst; die beschikking kan worden gewijzigd volgens dezelfde regels indien na de kennisgeving ervan andere derden-belanghebbenden worden geïdentificeerd of zich kenbaar maken; diegenen die niet worden aangewezen, kunnen een verzoekschrift tot tussenkomst indienen tot op de terechtzitting waarop de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen wordt behandeld;
4° indien al een verzoekschrift tot tussenkomst is ingediend, de uiterste datum en uur van indiening van de nota met opmerkingen van de verzoekende partij tot tussenkomst;
5° de dag en het uur van de terechtzitting.
De beschikking bedoeld in het eerste lid kan, in overleg met de auditeur, eveneens worden gewijzigd wanneer andere omstandigheden dan die welke worden vermeld in het tweede lid, 3°, tweede zin, dit rechtvaardigen.
§ 2. De voorzitter kan de partijen en de derden-belanghebbenden bij beschikking bijeenroepen, eventueel te zijnen huize, of in voorkomend geval, overeenkomstig artikel 27/1 van de gecoördineerde wetten, op het door hem aangegeven uur, zelfs op dagen die geen werkdagen zijn en van dag tot dag of van uur tot uur.
§ 3. De hoofdgriffier bezorgt onverwijld een afschrift van de beschikking aan:
1° de auditeur;
2° de partijen;
3° de derden-belanghebbenden.
Een afschrift van de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen volgens de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt samen met die beschikking bezorgd aan de verwerende partij en, in voorkomend geval, aan de verzoekende partij tot tussenkomst en de derden-belanghebbenden.
Art. 9. § 1er. Le président fixe par ordonnance, en concertation avec l'auditeur et sans délai, le calendrier de la procédure, conformément à l'article 17, § 5, alinéa 1er, des lois coordonnées.
L'ordonnance visée à l'alinéa 1er détermine :
1° la date et l'heure ultimes du dépôt du dossier administratif complet, à moins que la section du contentieux administratif n'ait été mise en possession de celui-ci dans le cadre du recours en annulation ;
2° la date et l'heure ultimes du dépôt de la note d'observations de la partie adverse ;
3° le cas échéant, sur la base des indications de l'auditeur, les tiers intéressés et la date et l'heure ultimes du dépôt de leur requête en intervention ; cette ordonnance peut être modifiée selon les mêmes modalités si d'autres tiers intéressés sont identifiés ou se manifestent après sa notification ; ceux qui ne sont pas désignés peuvent introduire une requête en intervention jusqu'à l'audience au cours de laquelle la demande de suspension ou de mesures provisoires sera débattue ;
4° si une requête en intervention a déjà été introduite, la date et l'heure ultimes du dépôt de la note d'observations de la partie requérante en intervention ;
5° le jour et l'heure de l'audience.
L'ordonnance visée à l'alinéa 1er peut également être modifiée, en concertation avec l'auditeur, lorsque d'autres circonstances que celles énoncées à l'alinéa 2, 3°, seconde phrase, le justifient.
§ 2. Le président peut convoquer par ordonnance les parties ainsi que les tiers intéressés éventuellement à son hôtel ou, le cas échéant, conformément à l'article 27/1 des lois coordonnées, à l'heure indiquée par lui, même les jours qui ne sont pas des jours ouvrables et de jour à jour ou d'heure en heure.
§ 3. Une copie de l'ordonnance est notifiée sans délai par le greffier en chef :
1° à l'auditeur ;
2° aux parties ;
3° aux tiers intéressés.
Une copie de la demande de suspension ou de mesures provisoires d'extrême urgence est transmise à la partie adverse et, le cas échéant, à la partie requérante en intervention et aux tiers intéressés, conjointement avec cette ordonnance.
L'ordonnance visée à l'alinéa 1er détermine :
1° la date et l'heure ultimes du dépôt du dossier administratif complet, à moins que la section du contentieux administratif n'ait été mise en possession de celui-ci dans le cadre du recours en annulation ;
2° la date et l'heure ultimes du dépôt de la note d'observations de la partie adverse ;
3° le cas échéant, sur la base des indications de l'auditeur, les tiers intéressés et la date et l'heure ultimes du dépôt de leur requête en intervention ; cette ordonnance peut être modifiée selon les mêmes modalités si d'autres tiers intéressés sont identifiés ou se manifestent après sa notification ; ceux qui ne sont pas désignés peuvent introduire une requête en intervention jusqu'à l'audience au cours de laquelle la demande de suspension ou de mesures provisoires sera débattue ;
4° si une requête en intervention a déjà été introduite, la date et l'heure ultimes du dépôt de la note d'observations de la partie requérante en intervention ;
5° le jour et l'heure de l'audience.
L'ordonnance visée à l'alinéa 1er peut également être modifiée, en concertation avec l'auditeur, lorsque d'autres circonstances que celles énoncées à l'alinéa 2, 3°, seconde phrase, le justifient.
§ 2. Le président peut convoquer par ordonnance les parties ainsi que les tiers intéressés éventuellement à son hôtel ou, le cas échéant, conformément à l'article 27/1 des lois coordonnées, à l'heure indiquée par lui, même les jours qui ne sont pas des jours ouvrables et de jour à jour ou d'heure en heure.
§ 3. Une copie de l'ordonnance est notifiée sans délai par le greffier en chef :
1° à l'auditeur ;
2° aux parties ;
3° aux tiers intéressés.
Une copie de la demande de suspension ou de mesures provisoires d'extrême urgence est transmise à la partie adverse et, le cas échéant, à la partie requérante en intervention et aux tiers intéressés, conjointement avec cette ordonnance.
Art. 10. In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid wordt het verzoekschrift tot tussenkomst ingediend overeenkomstig artikel 6.
Art. 10. En cas d'extrême urgence, la requête en intervention est introduite conformément à l'article 6.
TITEL III. - Terechtzitting en arresten
TITRE III. - De l'audience et des arrêts
Art. 11. Artikel 27 van de algemene procedureregeling is van toepassing op de terechtzitting.
Alle partijen moeten verschijnen of vertegenwoordigd zijn.
Wanneer de verzoekende partij noch verschijnt noch vertegenwoordigd is, wordt de vordering tot schorsing, tot het opleggen van een dwangsom of tot het bevelen van voorlopige maatregelen afgewezen. Hetzelfde geldt voor de vordering tot intrekking of tot wijziging van het arrest waarbij een schorsing is uitgesproken, een dwangsom is opgelegd of voorlopige maatregelen zijn bevolen.
De andere partijen die niet verschijnen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering.
De voorzitter of een staatsraad, naargelang van het geval, brengt verslag uit over de stand van de zaak.
De auditeur stelt de vragen die nodig zijn voor zijn advies.
De partijen of hun advocaten zetten hun opmerkingen mondeling uiteen.
Aan het einde van de debatten geeft de auditeur zijn advies. Indien hij evenwel nieuwe gegevens wenst aan te brengen, zet hij deze uiteen; daarna worden de partijen over die gegevens gehoord, en vervolgens geeft de auditeur zijn advies.
De voorzitter verklaart de debatten voor gesloten en neemt de zaak in beraad.
Alle partijen moeten verschijnen of vertegenwoordigd zijn.
Wanneer de verzoekende partij noch verschijnt noch vertegenwoordigd is, wordt de vordering tot schorsing, tot het opleggen van een dwangsom of tot het bevelen van voorlopige maatregelen afgewezen. Hetzelfde geldt voor de vordering tot intrekking of tot wijziging van het arrest waarbij een schorsing is uitgesproken, een dwangsom is opgelegd of voorlopige maatregelen zijn bevolen.
De andere partijen die niet verschijnen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering.
De voorzitter of een staatsraad, naargelang van het geval, brengt verslag uit over de stand van de zaak.
De auditeur stelt de vragen die nodig zijn voor zijn advies.
De partijen of hun advocaten zetten hun opmerkingen mondeling uiteen.
Aan het einde van de debatten geeft de auditeur zijn advies. Indien hij evenwel nieuwe gegevens wenst aan te brengen, zet hij deze uiteen; daarna worden de partijen over die gegevens gehoord, en vervolgens geeft de auditeur zijn advies.
De voorzitter verklaart de debatten voor gesloten en neemt de zaak in beraad.
Art. 11. L'article 27 du règlement général de procédure est applicable à l'audience.
Toutes les parties doivent être présentes ou représentées.
Si la partie requérante est ni présente ni représentée, la demande tendant à l'octroi de la suspension, de l'astreinte ou de mesures provisoires, est rejetée. Il en va de même de la demande tendant à la rétractation ou à la modification de l'arrêt ayant ordonné une suspension, une astreinte ou des mesures provisoires.
Les autres parties qui ne sont ni présentes ni représentées sont censées acquiescer à la demande.
Le président ou un conseiller, selon le cas, fait rapport sur l'état de l'affaire.
L'auditeur pose les questions nécessaires à son avis.
Les parties ou leurs avocats présentent leurs observations orales.
A la fin des débats, l'auditeur est entendu en son avis. Toutefois, s'il entend faire état d'éléments nouveaux, il les expose ; les parties sont alors entendues sur ces éléments et ensuite l'auditeur en son avis.
Le président prononce la clôture des débats et met la cause en délibéré.
Toutes les parties doivent être présentes ou représentées.
Si la partie requérante est ni présente ni représentée, la demande tendant à l'octroi de la suspension, de l'astreinte ou de mesures provisoires, est rejetée. Il en va de même de la demande tendant à la rétractation ou à la modification de l'arrêt ayant ordonné une suspension, une astreinte ou des mesures provisoires.
Les autres parties qui ne sont ni présentes ni représentées sont censées acquiescer à la demande.
Le président ou un conseiller, selon le cas, fait rapport sur l'état de l'affaire.
L'auditeur pose les questions nécessaires à son avis.
Les parties ou leurs avocats présentent leurs observations orales.
A la fin des débats, l'auditeur est entendu en son avis. Toutefois, s'il entend faire état d'éléments nouveaux, il les expose ; les parties sont alors entendues sur ces éléments et ensuite l'auditeur en son avis.
Le président prononce la clôture des débats et met la cause en délibéré.
Art. 12. De artikelen 34 tot 37 van de algemene procedureregeling zijn van toepassing op het arrest.
Art. 12. Les articles 34 à 37 du règlement général de procédure sont applicables à l'arrêt.
Art. 13. In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de voorzitter de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het arrest bevelen.
Art. 13. En cas d'extrême urgence, le président peut ordonner l'exécution immédiate de l'arrêt.
Art. 14. Het arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen wordt onverwijld ter kennis gebracht van de partijen alsook van de derden-belanghebbenden die overeenkomstig artikel 5, § 1, tweede lid, 3°, zijn aangewezen.
Art. 14. L'arrêt par lequel il est statué sur la demande de suspension ou de mesures provisoires est notifié sans délai aux parties ainsi qu'aux tiers intéressés désignés conformément à l'article 5, § 1er, alinéa 2, 3°.
Art. 15. Het arrest dat de schorsing beveelt, wordt onverwijld bekendgemaakt op dezelfde wijze als de geschorste akte of het geschorste reglement of, indien deze niet zijn bekendgemaakt, op de wijze waarop zij hadden moeten zijn bekendgemaakt. Hetzelfde geldt voor het arrest houdende intrekking, opheffing of wijziging van de schorsing.
De Raad van State bepaalt of het arrest in zijn geheel of bij uittreksel moet worden bekendgemaakt.
Die bekendmaking geschiedt onverwijld door de verwerende partij, op verzoek van de hoofdgriffier.
De Raad van State bepaalt of het arrest in zijn geheel of bij uittreksel moet worden bekendgemaakt.
Die bekendmaking geschiedt onverwijld door de verwerende partij, op verzoek van de hoofdgriffier.
Art. 15. L'arrêt ordonnant la suspension est publié sans délai dans les mêmes formes que l'acte ou le règlement suspendus ou, si ceux-ci n'ont pas été publiés, dans les formes où ils auraient dû l'être. Il en est de même de l'arrêt rétractant, levant ou modifiant la suspension.
Le Conseil d'Etat détermine si l'arrêt doit être publié en entier ou par extrait.
Cette publication est faite sans délai par la partie adverse à la requête du greffier en chef.
Le Conseil d'Etat détermine si l'arrêt doit être publié en entier ou par extrait.
Cette publication est faite sans délai par la partie adverse à la requête du greffier en chef.
Art. 16. In het belang van een goede rechtsbedeling kan de voorzitter beslissen dat de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wordt behandeld en afgedaan samen met de vordering tot schorsing.
Art. 16. Dans l'intérêt d'une bonne administration de la justice, le président peut décider que la demande de mesures provisoires est instruite et jugée avec la demande de suspension.
Art. 17. Om de toepassing van artikel 17, § 8, eerste, tweede en vierde lid, van de gecoördineerde wetten te waarborgen, roept de voorzitter de partijen op om spoedig voor hem te verschijnen.
Zijn arrest wordt gewezen nadat de partijen zijn gehoord en de auditeur zijn advies heeft gegeven.
Het arrest wordt onverwijld ter kennis van de partijen gebracht.
Zijn arrest wordt gewezen nadat de partijen zijn gehoord en de auditeur zijn advies heeft gegeven.
Het arrest wordt onverwijld ter kennis van de partijen gebracht.
Art. 17. Pour assurer l'application de l'article 17, § 8, alinéas 1er, 2 et 4 des lois coordonnées, le président convoque les parties à comparaître devant lui à bref délai.
Son arrêt est rendu après que les parties et l'auditeur en son avis ont été entendus.
L'arrêt est notifié sans délai aux parties.
Son arrêt est rendu après que les parties et l'auditeur en son avis ont été entendus.
L'arrêt est notifié sans délai aux parties.
TITEL IV. - Intrekking en wijziging van het arrest waarbij de schorsing wordt uitgesproken of voorlopige maatregelen worden bevolen
TITRE IV. - De la rétractation et de la modification de l'arrêt prononçant la suspension ou ordonnant des mesures provisoires
Art. 18. Het verzoekschrift tot intrekking of tot wijziging van het arrest dat de schorsing of voorlopige maatregelen beveelt, bevat:
1° de vermelding van het arrest waarvan de intrekking of de wijziging wordt gevorderd;
2° een uiteenzetting van de feiten en de motieven die de intrekking of de wijziging rechtvaardigen.
Artikel 4, § 3, is van toepassing op dat verzoekschrift.
1° de vermelding van het arrest waarvan de intrekking of de wijziging wordt gevorderd;
2° een uiteenzetting van de feiten en de motieven die de intrekking of de wijziging rechtvaardigen.
Artikel 4, § 3, is van toepassing op dat verzoekschrift.
Art. 18. La requête tendant à la rétractation ou à la modification de l'arrêt ordonnant la suspension ou des mesures provisoires contient :
1° l'indication de l'arrêt dont la rétractation ou la modification est demandée ;
2° un exposé des faits et des motifs justifiant la rétractation ou la modification.
L'article 4, § 3, est applicable à cette requête.
1° l'indication de l'arrêt dont la rétractation ou la modification est demandée ;
2° un exposé des faits et des motifs justifiant la rétractation ou la modification.
L'article 4, § 3, est applicable à cette requête.
Art. 19. De hoofdgriffier zendt onverwijld een afschrift van het verzoekschrift aan de voorzitter, aan de auditeur-generaal en aan de andere partijen.
Art. 19. Une copie de la requête est notifiée sans délai par le greffier en chef au président, à l'auditeur général et aux autres parties.
Art. 20. Iedere partij kan binnen acht werkdagen na de kennisgeving van het verzoekschrift een aanvullend dossier en een nota met opmerkingen aan de hoofdgriffier zenden.
De hoofdgriffier zendt een afschrift van de nota met opmerkingen aan de voorzitter, aan de auditeur en aan de andere partijen.
Elke te laat ingediende nota met opmerkingen wordt uit de debatten geweerd.
De hoofdgriffier zendt een afschrift van de nota met opmerkingen aan de voorzitter, aan de auditeur en aan de andere partijen.
Elke te laat ingediende nota met opmerkingen wordt uit de debatten geweerd.
Art. 20. Dans les huit jours ouvrables de la notification de la requête, toute partie peut transmettre au greffier en chef un dossier complémentaire et une note d'observations.
Une copie de la note d'observations est notifiée par le greffier en chef au président, à l'auditeur et aux autres parties.
Toute note d'observations tardive est écartée des débats.
Une copie de la note d'observations est notifiée par le greffier en chef au président, à l'auditeur et aux autres parties.
Toute note d'observations tardive est écartée des débats.
Art. 21. De auditeur maakt binnen acht werkdagen na ontvangst van het dossier een verslag op over de vordering; in voorkomend geval verzoekt hij de partijen nadere uitleg te verstrekken over de vragen die hij aangeeft.
Art. 21. Dans les huit jours ouvrables de la réception du dossier, l'auditeur rédige un rapport sur la demande ; le cas échéant, il invite les parties à s'expliquer plus amplement sur les questions qu'il indique.
Art. 22. Na kennisneming van het verslag bepaalt de voorzitter bij beschikking de dag van de terechtzitting waarop de kamer de vordering tot intrekking of tot wijziging behandelt.
De hoofdgriffier brengt onverwijld een afschrift van die beschikking ter kennis van de auditeur en van de partijen.
Het verslag wordt bij de beschikking gevoegd.
De hoofdgriffier brengt onverwijld een afschrift van die beschikking ter kennis van de auditeur en van de partijen.
Het verslag wordt bij de beschikking gevoegd.
Art. 22. Sur le vu du rapport, le président fixe par ordonnance la date de l'audience à laquelle la demande de rétractation ou de modification sera examinée par la chambre.
Une copie de cette ordonnance est notifiée sans délai par le greffier en chef à l'auditeur et aux parties.
Le rapport est joint à l'ordonnance.
Une copie de cette ordonnance est notifiée sans délai par le greffier en chef à l'auditeur et aux parties.
Le rapport est joint à l'ordonnance.
TITEL V. - Tussengeschillen
TITRE V. - Des incidents
Art. 23. In het geval dat een partij een overgelegd stuk van valsheid beticht, wordt op de terechtzitting te werk gegaan overeenkomstig artikel 51, eerste tot vierde lid, van de algemene procedureregeling.
Indien de kamer oordeelt dat het stuk van wezenlijk belang is voor haar beslissing, beslist zij bij voorraad of het stuk in aanmerking moet worden genomen.
Indien de kamer oordeelt dat het stuk van wezenlijk belang is voor haar beslissing, beslist zij bij voorraad of het stuk in aanmerking moet worden genomen.
Art. 23. Dans le cas où une partie s'inscrit en faux contre une pièce produite, il est procédé à l'audience conformément à l'article 51, alinéas 1er à 4, du règlement général de procédure.
Si la chambre estime que la pièce est essentielle pour sa décision, elle décide au provisoire si cette pièce doit être retenue.
Si la chambre estime que la pièce est essentielle pour sa décision, elle décide au provisoire si cette pièce doit être retenue.
Art. 24. De artikelen 59, 60 en 62 tot 65 van de algemene procedureregeling zijn van toepassing.
Art. 24. Les articles 59, 60 et 62 à 65 du règlement général de procédure sont applicables.
TITEL VI. - Wijzigings-, overgangs- en slotbepalingen
TITRE VI. - Dispositions modificatives, transitoires et finales
Art. 25. In artikel 14septies van de algemene procedureregeling, zoals ingevoegd bij het koninklijk besluit van 28 januari 2014, worden de woorden "derde lid" vervangen door de woorden "vierde lid".
Art. 25. Dans l'article 14septies du règlement général de procédure, tel qu'inséré par l'arrêté royal du 28 janvier 2014, les mots " alinéa 3 " sont remplacés par les mots " alinéa 4 ".
Art. 26. In artikel 70, § 1, tweede lid, en § 2, tweede lid, van dezelfde regeling, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 25 december 2017, worden de woorden "artikel 17, § 6 of § 7" telkens vervangen door de woorden "artikel 17, § 9 of § 10".
Art. 26. Dans l'article 70, § 1er, alinéa 2, et § 2, alinéa 2, du même règlement, tel que modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 25 décembre 2017, les mots " l'article 17, § 6 ou § 7 " sont chaque fois remplacés par les mots " l'article 17, § 9 ou § 10 ".
Art. 27. Artikel 85, tweede lid, van dezelfde regeling, zoals ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 april 2007, wordt opgeheven.
Art. 27. L'article 85, alinéa 2, du même règlement, tel qu'inséré par l'arrêté royal du 25 avril 2007, est abrogé.
Art. 28. Artikel 88 van dezelfde regeling, gewijzigd bij koninklijk besluit van 31 december 1968, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De werkdag is de dag die noch een zaterdag, noch een zondag, noch een wettelijke feestdag is.".
"De werkdag is de dag die noch een zaterdag, noch een zondag, noch een wettelijke feestdag is.".
Art. 28. L'article 88 du même règlement, tel que modifié par l'arrêté royal du 31 décembre 1968, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Le jour ouvrable est celui qui n'est ni un samedi, ni un dimanche, ni un jour férié légal. ".
" Le jour ouvrable est celui qui n'est ni un samedi, ni un dimanche, ni un jour férié légal. ".
Art. 29. Artikel 43 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De werkdag is de dag die noch een zaterdag, noch een zondag, noch een wettelijke feestdag is.".
"De werkdag is de dag die noch een zaterdag, noch een zondag, noch een wettelijke feestdag is.".
Art. 29. L'article 43 de l'arrêté royal du 30 novembre 2006 déterminant la procédure en cassation devant le Conseil d'Etat est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Le jour ouvrable est celui qui n'est ni un samedi, ni un dimanche, ni un jour férié légal. ".
" Le jour ouvrable est celui qui n'est ni un samedi, ni un dimanche, ni un jour férié légal. ".
Art. 30. Het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023, wordt opgeheven.
Het blijft evenwel van toepassing op de vorderingen tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen die zijn ingesteld, in voorkomend geval bij uiterst dringende noodzakelijkheid, voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Het blijft evenwel van toepassing op de vorderingen tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen die zijn ingesteld, in voorkomend geval bij uiterst dringende noodzakelijkheid, voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 30. L'arrêté royal du 5 décembre 1991 déterminant la procédure en référé devant le Conseil d'Etat, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 21 juillet 2023, est abrogé.
Il reste toutefois applicable aux demandes de suspension ou de mesures provisoires introduites, le cas échéant, sous le bénéfice de l'extrême urgence, avant la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
Il reste toutefois applicable aux demandes de suspension ou de mesures provisoires introduites, le cas échéant, sous le bénéfice de l'extrême urgence, avant la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 31. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2025.
Art. 31. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2025.
Art. 32. De minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 32. Le ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.