Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° decreet van 26 januari 2024: het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof;
2° Departement Omgeving: het departement, vermeld in artikel 29 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
3° gemiddelde veebezetting die overeenkomt met de vergunning: het aantal vergunde of geakteerde standplaatsen, in voorkomend geval per diercategorie vermenigvuldigd met (1 - het getal van het leegstandspercentage gedeeld door 100), waarbij het leegstandspercentage voor die diercategorie opgenomen is in de lijst die is opgenomen in bijlage 1, die bij het decreet van 26 januari 2024 is gevoegd.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
20 SEPTEMBER 2024. - Besluit van de Vlaamse Regering over de afwijkende berekeningsmethode van de referentiesituatie 2021, de vrijstelling van reductieverplichtingen en de aanwijzing van verwerkingsverantwoordelijken
Titre
20 SEPTEMBRE 2024. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif à la méthode de calcul dérogatoire de la situation de référence 2021, à l'exemption d'obligations de réduction et à la désignation de responsables du traitement
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Definities
HOOFDSTUK 2. - Afwijkende berekeningsmethode va...
HOOFDSTUK 3. - Vaststelling van de PAS-referent...
HOOFDSTUK 4. - Vrijstellingsregeling voor klein...
HOOFDSTUK 5. - Woonrecht
HOOFDSTUK 6. - Monitoring en borging
HOOFDSTUK 7. - Vergunningenregister
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Définitions
CHAPITRE 2. - Méthode de calcul dérogatoire de ...
CHAPITRE 3. - Détermination de la référence 203...
CHAPITRE 4. - Régime d'exemption pour les petit...
CHAPITRE 5. - Droit au logement
CHAPITRE 6. - Surveillance et garantie
CHAPITRE 7. - Registre des permis
CHAPITRE 8. - Dispositions finales
Tekst (26)
Texte (26)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° décret du 26 janvier 2024 : le décret du 26 janvier 2024 sur l'approche programmatique de l'azote ;
2° Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire : le département visé à l'article 29 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande ;
3° densité moyenne du cheptel, qui correspond à l'autorisation : le nombre autorisé ou homologué d'emplacements, le cas échéant par catégorie d'animaux, multiplié par (1 - le chiffre du pourcentage d'inoccupation divisé par 100), le pourcentage d'inoccupation pour cette catégorie d'animaux étant repris à la liste figurant à l'annexe 1, jointe au décret du 26 janvier 2024.
1° décret du 26 janvier 2024 : le décret du 26 janvier 2024 sur l'approche programmatique de l'azote ;
2° Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire : le département visé à l'article 29 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande ;
3° densité moyenne du cheptel, qui correspond à l'autorisation : le nombre autorisé ou homologué d'emplacements, le cas échéant par catégorie d'animaux, multiplié par (1 - le chiffre du pourcentage d'inoccupation divisé par 100), le pourcentage d'inoccupation pour cette catégorie d'animaux étant repris à la liste figurant à l'annexe 1, jointe au décret du 26 janvier 2024.
HOOFDSTUK 2. - Afwijkende berekeningsmethode van de referentiesituatie 2021
CHAPITRE 2. - Méthode de calcul dérogatoire de la situation de référence 2021
Art. 2. De gemiddelde veebezetting voor het jaar 2021, vermeld in de Mestbankaangifte, wordt op verzoek van de exploitant in de situaties, vermeld in artikel 5, zevende lid, van het decreet van 26 januari 2024, als niet representatief beschouwd voor de diersoort varkens, pluimvee of rundvee op voorwaarde dat het verschil tussen de gemiddelde veebezetting voor de diersoort in kwestie in het productiejaar 2021, uitgedrukt in ammoniakemissies in kg NH3/jaar overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 van het decreet van 26 januari 2024, en de veebezetting die wordt bepaald conform dit hoofdstuk, uitgedrukt in ammoniakemissies op dezelfde wijze als voormeld, minstens 7% bedraagt.
De gemiddelde veebezetting op basis van de gegevens van de Mestbankaangifte die conform dit hoofdstuk als representatief wordt beschouwd, wordt voor de IIOA in kwestie, in voorkomend geval verhoogd met de leegstandspercentages die opgenomen zijn in de lijst die is opgenomen in bijlage 1, die bij het decreet van 26 januari 2024 is gevoegd, begrensd tot de vergunde of geakteerde aantallen voor de IIOA in kwestie.
Als voor de berekening van de referentiesituatie 2021 conform dit hoofdstuk uitgegaan wordt van het aantal vergunde dierplaatsen als veebezetting en de gemiddelde veebezetting die overeenkomt met de vergunning hoger is dan het aantal nutriëntenemissierechten waarover de landbouwer in kwestie op 1 januari 2024 beschikt, wordt voor de berekening van de referentiesituatie 2021 de veebezetting begrensd tot het aantal nutriëntenemissierechten waarover de landbouwer in kwestie op 1 januari 2024 beschikt.
De gemiddelde veebezetting op basis van de gegevens van de Mestbankaangifte die conform dit hoofdstuk als representatief wordt beschouwd, wordt voor de IIOA in kwestie, in voorkomend geval verhoogd met de leegstandspercentages die opgenomen zijn in de lijst die is opgenomen in bijlage 1, die bij het decreet van 26 januari 2024 is gevoegd, begrensd tot de vergunde of geakteerde aantallen voor de IIOA in kwestie.
Als voor de berekening van de referentiesituatie 2021 conform dit hoofdstuk uitgegaan wordt van het aantal vergunde dierplaatsen als veebezetting en de gemiddelde veebezetting die overeenkomt met de vergunning hoger is dan het aantal nutriëntenemissierechten waarover de landbouwer in kwestie op 1 januari 2024 beschikt, wordt voor de berekening van de referentiesituatie 2021 de veebezetting begrensd tot het aantal nutriëntenemissierechten waarover de landbouwer in kwestie op 1 januari 2024 beschikt.
Art. 2. La densité moyenne du cheptel pour l'année 2021, visée à la déclaration à la Banque d'engrais, est considérée, à la demande de l'exploitant dans les situations visées à l'article 5, alinéa 7, du décret du 26 janvier 2024, comme non représentative pour les espèces porcine, avicole ou bovine à condition que la différence entre la densité moyenne du cheptel de l'espèce concernée dans l'année de production 2021, exprimée en émissions d'ammoniac en kg NH3/an conformément aux dispositions de l'article 5 du décret du 26 janvier 2024, et la densité du cheptel déterminée conformément au présent chapitre, exprimée en émissions d'ammoniac selon les mêmes modalités que celles mentionnées ci-dessus, soit au moins égale à 7 %.
La densité moyenne du cheptel sur la base des données de la déclaration à la Banque d'engrais qui est considérée comme représentative conformément au présent chapitre, est augmentée, pour l'IIOA en question, le cas échéant, des pourcentages d'inoccupation repris à la liste figurant à l'annexe 1, jointe au décret du 26 janvier 2024, limités aux nombres autorisés ou homologués pour l'IIOA en question.
Si, pour le calcul de la situation de référence 2021 conformément au présent chapitre, le nombre de places d'animaux autorisées est utilisé comme densité du cheptel et que la densité moyenne du cheptel correspondant à l'autorisation dépasse le nombre de droits d'émission d'éléments fertilisants dont dispose l'agriculteur en question au 1er janvier 2024, alors, pour le calcul de la situation de référence 2021, la densité du cheptel est limitée au nombre de droits d'émission d'éléments fertilisants dont dispose l'agriculteur en question au 1er janvier 2024.
La densité moyenne du cheptel sur la base des données de la déclaration à la Banque d'engrais qui est considérée comme représentative conformément au présent chapitre, est augmentée, pour l'IIOA en question, le cas échéant, des pourcentages d'inoccupation repris à la liste figurant à l'annexe 1, jointe au décret du 26 janvier 2024, limités aux nombres autorisés ou homologués pour l'IIOA en question.
Si, pour le calcul de la situation de référence 2021 conformément au présent chapitre, le nombre de places d'animaux autorisées est utilisé comme densité du cheptel et que la densité moyenne du cheptel correspondant à l'autorisation dépasse le nombre de droits d'émission d'éléments fertilisants dont dispose l'agriculteur en question au 1er janvier 2024, alors, pour le calcul de la situation de référence 2021, la densité du cheptel est limitée au nombre de droits d'émission d'éléments fertilisants dont dispose l'agriculteur en question au 1er janvier 2024.
Art. 3. Onder investeringen inzake dierplaatsen als vermeld in artikel 5, zevende lid, 1°, van het decreet van 26 januari 2024, wordt een investering sinds 1 januari 2017 en vóór 23 februari 2024 verstaan die betrekking heeft op de dierplaatsen voor varkens, pluimvee of rundvee.
Art. 3. Par investissements en matière d'espaces réservés aux animaux, tels que visés à l'article 5, alinéa 7, 1°, du décret du 26 janvier 2024, on entend un investissement depuis le 1er janvier 2017 et avant le 23 février 2024 qui concerne des places d'animaux pour les porcs, les volailles ou les bovins.
Art. 4. Om de referentiesituatie 2021 te berekenen, worden op verzoek van de exploitant in de situatie, vermeld in artikel 5, zevende lid, 1°, van het decreet van 26 januari 2024, waarin voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2 en 3 van dit besluit, in de volgende gevallen de volgende bepalingen toegepast:
1° als de investering inzake dierplaatsen hetzij een verleende vergunning betreft die een uitbreiding van het aantal vergunde dierplaatsen inhield, hetzij een investering inzake dierplaatsen betreft die de uitvoering inhoudt van een in 2016 verleende vergunning die een uitbreiding van het aantal vergunde dierplaatsen inhield, wordt uitgegaan van het aantal vergunde dierplaatsen als veebezetting;
2° als de investering inzake dierplaatsen geen uitbreiding van het aantal vergunde dierplaatsen inhield en de investering inzake dierplaatsen voor varkens of rundvee een overname van de exploitatie betreft die in voorkomend geval op reglementaire wijze is gemeld aan de bevoegde overheid, wordt uitgegaan van de gemiddelde veebezetting conform de Mestbankaangifte van maximaal twee jaar vóór of drie jaar na de investering, die het meest representatief is om de gemiddelde veebezetting weer te geven van de IIOA in kwestie zoals die in 2021 zou geweest zijn rekening houdend met de overname en voor zover het ten laatste de gemiddelde veebezetting conform de Mestbankaangifte van 2023 betreft;
3° als de investering inzake dierplaatsen geen uitbreiding van het aantal vergunde dierplaatsen inhield en de investering inzake dierplaatsen voor pluimvee een overname van de exploitatie betreft die in voorkomend geval op reglementaire wijze is gemeld aan de bevoegde overheid, wordt uitgegaan van de gemiddelde veebezetting conform de Mestbankaangifte van het jaar na de investering;
4° als de investering inzake dierplaatsen geen uitbreiding van het aantal vergunde dierplaatsen inhield en punt 2° en 3° niet van toepassing zijn, wordt uitgegaan van de gegevens van de Mestbankaangifte van het productiejaar dat voorafging aan het productiejaar waarin de investering is gedaan of, als dat meer representatief is om de gemiddelde veebezetting weer te geven van de IIOA in kwestie zoals die in 2021 zou geweest zijn rekening houdend met de investering inzake dierplaatsen, de gegevens van de Mestbankaangifte van het productiejaar dat volgt op het productiejaar waarin de investering is gedaan, voor zover het ten laatste de gegevens van de Mestbankaangifte van 2023 betreft.
In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt voor een investering inzake dierplaatsen als vermeld in het eerste lid, 2°, die door een overname is gedaan in 2021, 2022 of 2023, uitgegaan van het aantal vergunde dierplaatsen als veebezetting.
In afwijking van het eerste lid, 3°, wordt voor een investering inzake dierplaatsen als vermeld in het eerste lid, 3°, die door een overname is gedaan in 2023, uitgegaan van het aantal vergunde dierplaatsen als veebezetting.
Voor de toepassing van dit artikel wordt, als de exploitant van de varkens-, pluimvee- of rundveehouderij een rechtspersoon is, het overnemen van meer dan 20% van de aandelen van de rechtspersoon in kwestie, ook als een overname beschouwd.
1° als de investering inzake dierplaatsen hetzij een verleende vergunning betreft die een uitbreiding van het aantal vergunde dierplaatsen inhield, hetzij een investering inzake dierplaatsen betreft die de uitvoering inhoudt van een in 2016 verleende vergunning die een uitbreiding van het aantal vergunde dierplaatsen inhield, wordt uitgegaan van het aantal vergunde dierplaatsen als veebezetting;
2° als de investering inzake dierplaatsen geen uitbreiding van het aantal vergunde dierplaatsen inhield en de investering inzake dierplaatsen voor varkens of rundvee een overname van de exploitatie betreft die in voorkomend geval op reglementaire wijze is gemeld aan de bevoegde overheid, wordt uitgegaan van de gemiddelde veebezetting conform de Mestbankaangifte van maximaal twee jaar vóór of drie jaar na de investering, die het meest representatief is om de gemiddelde veebezetting weer te geven van de IIOA in kwestie zoals die in 2021 zou geweest zijn rekening houdend met de overname en voor zover het ten laatste de gemiddelde veebezetting conform de Mestbankaangifte van 2023 betreft;
3° als de investering inzake dierplaatsen geen uitbreiding van het aantal vergunde dierplaatsen inhield en de investering inzake dierplaatsen voor pluimvee een overname van de exploitatie betreft die in voorkomend geval op reglementaire wijze is gemeld aan de bevoegde overheid, wordt uitgegaan van de gemiddelde veebezetting conform de Mestbankaangifte van het jaar na de investering;
4° als de investering inzake dierplaatsen geen uitbreiding van het aantal vergunde dierplaatsen inhield en punt 2° en 3° niet van toepassing zijn, wordt uitgegaan van de gegevens van de Mestbankaangifte van het productiejaar dat voorafging aan het productiejaar waarin de investering is gedaan of, als dat meer representatief is om de gemiddelde veebezetting weer te geven van de IIOA in kwestie zoals die in 2021 zou geweest zijn rekening houdend met de investering inzake dierplaatsen, de gegevens van de Mestbankaangifte van het productiejaar dat volgt op het productiejaar waarin de investering is gedaan, voor zover het ten laatste de gegevens van de Mestbankaangifte van 2023 betreft.
In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt voor een investering inzake dierplaatsen als vermeld in het eerste lid, 2°, die door een overname is gedaan in 2021, 2022 of 2023, uitgegaan van het aantal vergunde dierplaatsen als veebezetting.
In afwijking van het eerste lid, 3°, wordt voor een investering inzake dierplaatsen als vermeld in het eerste lid, 3°, die door een overname is gedaan in 2023, uitgegaan van het aantal vergunde dierplaatsen als veebezetting.
Voor de toepassing van dit artikel wordt, als de exploitant van de varkens-, pluimvee- of rundveehouderij een rechtspersoon is, het overnemen van meer dan 20% van de aandelen van de rechtspersoon in kwestie, ook als een overname beschouwd.
Art. 4. Pour le calcul de la situation de référence 2021, à la demande de l'exploitant dans la situation visée à l'article 5, alinéa 7, 1°, du décret du 26 janvier 2024, lorsque les conditions visées aux articles 2 et 3 du présent arrêté sont remplies, les dispositions suivantes sont appliquées dans les cas suivants :
1° si l'investissement en matière d'espaces réservés aux animaux concerne soit une autorisation accordée qui impliquait une augmentation du nombre de places d'animaux autorisées, soit un investissement en matière d'espaces réservés aux animaux qui implique la mise en oeuvre d'une autorisation accordée en 2016 qui impliquait une augmentation du nombre de places d'animaux autorisées, le nombre de places d'animaux autorisées est utilisé comme densité du cheptel ;
2° si l'investissement en matière d'espaces réservés aux animaux n'impliquait pas d'augmentation du nombre de places d'animaux autorisées et que l'investissement en matière d'espaces réservés aux animaux pour les porcs ou les bovins concerne une reprise d'exploitation qui, le cas échéant, a été dûment notifiée à l'autorité compétente, on se base sur la densité moyenne du cheptel conformément à la déclaration à la Banque d'engrais jusqu'à maximum deux ans avant ou trois ans après l'investissement, qui est la plus représentative pour refléter la densité moyenne du cheptel de l'IIOA en question telle qu'elle aurait été en 2021 compte tenu de la reprise et, dans la mesure où elle concerne, au plus tard, la densité moyenne du cheptel conformément à la déclaration à la Banque d'engrais de 2023 ;
3° si l'investissement en matière d'espaces réservés aux animaux n'impliquait pas d'augmentation du nombre de places d'animaux autorisées et que l'investissement en matière d'espaces réservés aux animaux pour la volaille concerne une reprise de l'exploitation qui, le cas échéant, a été dûment notifiée à l'autorité compétente, on se base sur la densité moyenne du cheptel conformément à la déclaration à la Banque d'engrais de l'année suivant l'investissement ;
4° si l'investissement en matière d'espaces réservés aux animaux n'impliquait pas d'augmentation du nombre de places d'animaux autorisées et que les points 2° et 3° ne s'appliquent pas, on se base sur les données de la déclaration à la Banque d'engrais de l'année de production précédant l'année de production au cours de laquelle l'investissement a été réalisé ou, si cela est plus représentatif pour refléter la densité moyenne du cheptel de l'IIOA en question telle qu'elle aurait été en 2021 compte tenu de l'investissement en matière d'espaces réservés aux animaux, sur les données de la déclaration à la Banque d'engrais de l'année de production suivant l'année de production au cours de laquelle l'investissement a été réalisé, pour autant qu'il s'agisse des données de la déclaration à la Banque d'engrais de 2023 au plus tard.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, pour un investissement en matière d'espaces réservés aux animaux tel que visé à l'alinéa 1er, 2°, réalisé par une reprise en 2021, 2022 ou 2023, le nombre de places d'animaux autorisées est considéré comme la densité du cheptel.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 3°, pour un investissement en matière d'espaces réservés aux animaux tel que visé à l'alinéa 1er, 3°, réalisé par une reprise en 2023, le nombre de places d'animaux autorisées est considéré comme la densité du cheptel.
Pour l'application du présent article, si l'exploitant de l'exploitation porcine, de l'aviculture ou de l'élevage de bovins est une personne morale, la reprise de plus de 20 % des actions de la personne morale en question est également considérée comme une reprise.
1° si l'investissement en matière d'espaces réservés aux animaux concerne soit une autorisation accordée qui impliquait une augmentation du nombre de places d'animaux autorisées, soit un investissement en matière d'espaces réservés aux animaux qui implique la mise en oeuvre d'une autorisation accordée en 2016 qui impliquait une augmentation du nombre de places d'animaux autorisées, le nombre de places d'animaux autorisées est utilisé comme densité du cheptel ;
2° si l'investissement en matière d'espaces réservés aux animaux n'impliquait pas d'augmentation du nombre de places d'animaux autorisées et que l'investissement en matière d'espaces réservés aux animaux pour les porcs ou les bovins concerne une reprise d'exploitation qui, le cas échéant, a été dûment notifiée à l'autorité compétente, on se base sur la densité moyenne du cheptel conformément à la déclaration à la Banque d'engrais jusqu'à maximum deux ans avant ou trois ans après l'investissement, qui est la plus représentative pour refléter la densité moyenne du cheptel de l'IIOA en question telle qu'elle aurait été en 2021 compte tenu de la reprise et, dans la mesure où elle concerne, au plus tard, la densité moyenne du cheptel conformément à la déclaration à la Banque d'engrais de 2023 ;
3° si l'investissement en matière d'espaces réservés aux animaux n'impliquait pas d'augmentation du nombre de places d'animaux autorisées et que l'investissement en matière d'espaces réservés aux animaux pour la volaille concerne une reprise de l'exploitation qui, le cas échéant, a été dûment notifiée à l'autorité compétente, on se base sur la densité moyenne du cheptel conformément à la déclaration à la Banque d'engrais de l'année suivant l'investissement ;
4° si l'investissement en matière d'espaces réservés aux animaux n'impliquait pas d'augmentation du nombre de places d'animaux autorisées et que les points 2° et 3° ne s'appliquent pas, on se base sur les données de la déclaration à la Banque d'engrais de l'année de production précédant l'année de production au cours de laquelle l'investissement a été réalisé ou, si cela est plus représentatif pour refléter la densité moyenne du cheptel de l'IIOA en question telle qu'elle aurait été en 2021 compte tenu de l'investissement en matière d'espaces réservés aux animaux, sur les données de la déclaration à la Banque d'engrais de l'année de production suivant l'année de production au cours de laquelle l'investissement a été réalisé, pour autant qu'il s'agisse des données de la déclaration à la Banque d'engrais de 2023 au plus tard.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, pour un investissement en matière d'espaces réservés aux animaux tel que visé à l'alinéa 1er, 2°, réalisé par une reprise en 2021, 2022 ou 2023, le nombre de places d'animaux autorisées est considéré comme la densité du cheptel.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 3°, pour un investissement en matière d'espaces réservés aux animaux tel que visé à l'alinéa 1er, 3°, réalisé par une reprise en 2023, le nombre de places d'animaux autorisées est considéré comme la densité du cheptel.
Pour l'application du présent article, si l'exploitant de l'exploitation porcine, de l'aviculture ou de l'élevage de bovins est une personne morale, la reprise de plus de 20 % des actions de la personne morale en question est également considérée comme une reprise.
Art. 5. De gemiddelde veebezetting voor het jaar 2021, vermeld in de Mestbankaangifte, wordt op verzoek van de exploitant in de situatie, vermeld in artikel 5, zevende lid, 2°, van het decreet van 26 januari 2024, als niet representatief beschouwd als de vergunning na 1 januari 2022 de eerste vergunning is voor de varkens-, pluimvee- of rundveehouderij in kwestie.
Art. 5. La densité moyenne du cheptel pour l'année 2021, visée à la déclaration à la Banque d'engrais, est considérée comme non représentative à la demande de l'exploitant dans la situation visée à l'article 5, alinéa 7, 2°, du décret du 26 janvier 2024, si l'autorisation postérieure au 1er janvier 2022 est la première autorisation pour l'exploitation porcine, l'aviculture ou l'élevage de bovins en question.
Art. 6. Om de referentiesituatie 2021 te berekenen, wordt op verzoek van de exploitant in de situatie, vermeld in artikel 5, zevende lid, 2°, van het decreet van 26 januari 2024, waarin voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2 en 5 van dit besluit, uitgegaan van het aantal vergunde dierplaatsen als veebezetting.
Art. 6. Pour le calcul de la situation de référence 2021, à la demande de l'exploitant dans la situation visée à l'article 5, alinéa 7, 2°, du décret du 26 janvier 2024, lorsque les conditions visées aux articles 2 et 5 du présent arrêté sont remplies, le nombre de places d'animaux autorisées est considéré comme la densité du cheptel.
Art. 7. De gemiddelde veebezetting voor het jaar 2021, vermeld in de Mestbankaangifte, wordt op verzoek van de exploitant in de situatie, vermeld in artikel 5, zevende lid, 3°, van het decreet van 26 januari 2024, als niet representatief beschouwd op voorwaarde dat de overmachtssituatie die een impact had op de gemiddelde veebezetting in 2021, te wijten is aan een van de volgende redenen:
1° het overlijden in 2019, 2020 of 2021 van de exploitant, zijn echtgenoot, echtgenote of wettelijk samenwonende partner, of van een andere naaste die een actieve rol speelde op de IIOA in kwestie;
2° een langdurige arbeidsongeschiktheid in 2019, 2020 of 2021 van de exploitant, zijn echtgenoot, echtgenote of wettelijk samenwonende partner, of van een andere naaste die een actieve rol speelde op de IIOA in kwestie;
3° een erkende natuurramp die het bedrijf in 2019, 2020 of 2021 zwaar getroffen heeft;
4° een ongeluk waardoor de veehouderijgebouwen op het bedrijf in 2019, 2020 of 2021 zijn verloren gegaan;
5° een epizoötie waardoor het bedrijf is getroffen in 2019, 2020 of 2021;
6° het overlijden of een ernstige, langdurige ziekte, in 2019, 2020 of 2021 van een minderjarig kind van de exploitant, van zijn echtgenoot, echtgenote of wettelijk samenwonende partner.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, kan na advies van de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie, een andere dan de in het eerste lid vermelde situatie aanvaarden als een overmachtssituatie met een impact op de gemiddelde veebezetting in 2021, als het eveneens een van de menselijke wil onafhankelijke en onvermijdbare gebeurtenis betreft die de exploitant niet kon voorzien en waarvan hij de gevolgen niet kon vermijden. De gebeurtenis moet zich voorgedaan hebben in 2019, 2020 of 2021.
1° het overlijden in 2019, 2020 of 2021 van de exploitant, zijn echtgenoot, echtgenote of wettelijk samenwonende partner, of van een andere naaste die een actieve rol speelde op de IIOA in kwestie;
2° een langdurige arbeidsongeschiktheid in 2019, 2020 of 2021 van de exploitant, zijn echtgenoot, echtgenote of wettelijk samenwonende partner, of van een andere naaste die een actieve rol speelde op de IIOA in kwestie;
3° een erkende natuurramp die het bedrijf in 2019, 2020 of 2021 zwaar getroffen heeft;
4° een ongeluk waardoor de veehouderijgebouwen op het bedrijf in 2019, 2020 of 2021 zijn verloren gegaan;
5° een epizoötie waardoor het bedrijf is getroffen in 2019, 2020 of 2021;
6° het overlijden of een ernstige, langdurige ziekte, in 2019, 2020 of 2021 van een minderjarig kind van de exploitant, van zijn echtgenoot, echtgenote of wettelijk samenwonende partner.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, kan na advies van de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie, een andere dan de in het eerste lid vermelde situatie aanvaarden als een overmachtssituatie met een impact op de gemiddelde veebezetting in 2021, als het eveneens een van de menselijke wil onafhankelijke en onvermijdbare gebeurtenis betreft die de exploitant niet kon voorzien en waarvan hij de gevolgen niet kon vermijden. De gebeurtenis moet zich voorgedaan hebben in 2019, 2020 of 2021.
Art. 7. La densité moyenne du cheptel pour l'année 2021, visée à la déclaration à la Banque d'engrais, est considérée comme non représentative à la demande de l'exploitant dans la situation visée à l'article 5, alinéa 7, 3°, du décret du 26 janvier 2024, à condition que la situation de force majeure ayant un impact sur la densité moyenne du cheptel en 2021 soit due à l'une des raisons suivantes :
1° le décès en 2019, 2020 ou 2021 de l'exploitant, de son conjoint, de sa conjointe ou de son cohabitant légal, ou d'une autre personne proche ayant joué un rôle actif dans l'IIOA en question ;
2° une incapacité de travail de longue durée en 2019, 2020 ou 2021 de l'exploitant, de son conjoint, de sa conjointe ou de son cohabitant légal, ou de toute autre personne proche ayant joué un rôle actif dans l'IIOA en question ;
3° une calamité naturelle reconnue qui a gravement affecté l'entreprise en 2019, 2020 ou 2021 ;
4° un accident entraînant la perte des bâtiments d'élevage de l'exploitation en 2019, 2020 ou 2021 ;
5° une épizootie affectant l'exploitation en 2019, 2020 ou 2021 ;
6° le décès ou la maladie grave et prolongée, en 2019, 2020 ou 2021, d'un enfant mineur de l'exploitant, de son conjoint, de sa conjointe ou de son cohabitant légal.
Le ministre flamand en charge de l'environnement et de la nature peut, après avis de la Commission Situation de référence APA dérogatoire, accepter une situation autre que celle mentionnée à l'alinéa 1er comme situation de force majeure ayant un impact sur la densité moyenne du cheptel en 2021, s'il s'agit également d'un événement indépendant de la volonté humaine et inévitable que l'exploitant ne pouvait pas prévoir et dont il ne pouvait pas éviter les conséquences. L'événement doit avoir eu lieu en 2019, 2020 ou 2021.
1° le décès en 2019, 2020 ou 2021 de l'exploitant, de son conjoint, de sa conjointe ou de son cohabitant légal, ou d'une autre personne proche ayant joué un rôle actif dans l'IIOA en question ;
2° une incapacité de travail de longue durée en 2019, 2020 ou 2021 de l'exploitant, de son conjoint, de sa conjointe ou de son cohabitant légal, ou de toute autre personne proche ayant joué un rôle actif dans l'IIOA en question ;
3° une calamité naturelle reconnue qui a gravement affecté l'entreprise en 2019, 2020 ou 2021 ;
4° un accident entraînant la perte des bâtiments d'élevage de l'exploitation en 2019, 2020 ou 2021 ;
5° une épizootie affectant l'exploitation en 2019, 2020 ou 2021 ;
6° le décès ou la maladie grave et prolongée, en 2019, 2020 ou 2021, d'un enfant mineur de l'exploitant, de son conjoint, de sa conjointe ou de son cohabitant légal.
Le ministre flamand en charge de l'environnement et de la nature peut, après avis de la Commission Situation de référence APA dérogatoire, accepter une situation autre que celle mentionnée à l'alinéa 1er comme situation de force majeure ayant un impact sur la densité moyenne du cheptel en 2021, s'il s'agit également d'un événement indépendant de la volonté humaine et inévitable que l'exploitant ne pouvait pas prévoir et dont il ne pouvait pas éviter les conséquences. L'événement doit avoir eu lieu en 2019, 2020 ou 2021.
Art. 8. Om de referentiesituatie 2021 te berekenen, wordt op verzoek van de exploitant in de situatie, vermeld in artikel 5, zevende lid, 3°, van het decreet van 26 januari 2024, waarin voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2 en 7 van dit besluit, uitgegaan van de gegevens van de Mestbankaangifte voor het productiejaar dat voorafging aan het jaar waarin het overlijden, de langdurige arbeidsongeschiktheid, de natuurramp, het ongeluk, de epizoötie of de gebeurtenis, vermeld in artikel 7, eerste lid, zich heeft voorgedaan, waarbij in geval van een langdurige arbeidsongeschiktheid als vermeld in artikel 7, eerste lid, 2°, van dit besluit, die zich heeft voorgedaan in verschillende jaren, uitgegaan wordt van de gegevens van de Mestbankaangifte voor het productiejaar dat voorafging aan het jaar waarin de langdurige arbeidsongeschiktheid begonnen is, en uiterlijk de gegevens van het jaar 2018.
Art. 8. Pour calculer la situation de référence 2021, à la demande de l'exploitant dans la situation visée à l'article 5, alinéa 7, 3°, du décret du 26 janvier 2024, dans lesquelles les conditions visées aux articles 2 et 7 du présent arrêté sont remplies, on se base sur les données de la déclaration à la Banque d'engrais pour l'année de production précédant l'année au cours de laquelle le décès, l'incapacité de travail de longue durée, la calamité naturelle, l'accident, l'épizootie ou l'événement, visé à l'article 7, alinéa 1er, est survenu, étant entendu qu'en cas d'incapacité de travail de longue durée telle que visée à l'article 7, alinéa 1er, 2°, du présent arrêté, survenue au cours d'années différentes, on se base sur les données de la déclaration à la Banque d'engrais pour l'année de production qui a précédé l'année au cours de laquelle l'incapacité de travail de longue durée a commencé et, au plus tard, les données de l'année 2018.
Art. 9. De exploitant die om de referentiesituatie 2021 te bepalen wil uitgaan van andere gegevens dan de gegevens van de Mestbankaangifte voor het productiejaar 2021 conform artikel 5, zevende lid, van het decreet van 26 januari 2024, dient daarvoor uiterlijk tegen 30 september 2026 een aanvraag in met een beveiligde zending bij de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie. De exploitant voegt daarbij de nodige bewijsdocumenten om te staven dat hij zich in een van de situaties, vermeld in artikel 5, zevende lid, van het voormelde decreet, bevindt en dat hij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk. Een investering inzake dierplaatsen als vermeld in artikel 4, eerste lid, 1° of 4°, van dit besluit, wordt aangetoond met een factuur.
Als de exploitant conform het eerste lid een aanvraag heeft ingediend, gaat de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie, binnen zestig dagen vanaf de dag na de datum waarop de voormelde commissie de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, na of de exploitant zich bevindt in een van de situaties, vermeld in artikel 5, zevende lid, van het voormelde decreet, en of hij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk.
Als de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, zijn vervuld, staat de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie de afwijkende berekeningsmethode van de referentiesituatie 2021 toe en brengt de exploitant met een beveiligde zending op de hoogte van de afwijkende berekeningsmethode van de referentiesituatie 2021, die geldt conform dit hoofdstuk.
Als de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie meent dat de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, niet zijn vervuld, maakt de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie een ontwerpbeslissing op en brengt ze de exploitant daarvan op de hoogte met een beveiligde zending. De exploitant kan binnen de dertig dagen nadat hij op de hoogte is gebracht van de ontwerpbeslissing, zijn opmerkingen hierover met een beveiligde zending bezorgen aan de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie. De Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie neemt binnen zestig dagen vanaf de dag na de datum waarop zij de beveiligde zending met de ontwerpbeslissing heeft verzonden een definitieve beslissing, in voorkomend geval na ontvangst van de opmerkingen van de exploitant, over het al of niet vervuld zijn van de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, en in het positieve geval, van de afwijkende berekeningsmethode van de referentiesituatie 2021, die geldt conform dit hoofdstuk.
Als de exploitant conform het eerste lid een aanvraag heeft ingediend, gaat de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie, binnen zestig dagen vanaf de dag na de datum waarop de voormelde commissie de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, na of de exploitant zich bevindt in een van de situaties, vermeld in artikel 5, zevende lid, van het voormelde decreet, en of hij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk.
Als de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, zijn vervuld, staat de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie de afwijkende berekeningsmethode van de referentiesituatie 2021 toe en brengt de exploitant met een beveiligde zending op de hoogte van de afwijkende berekeningsmethode van de referentiesituatie 2021, die geldt conform dit hoofdstuk.
Als de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie meent dat de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, niet zijn vervuld, maakt de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie een ontwerpbeslissing op en brengt ze de exploitant daarvan op de hoogte met een beveiligde zending. De exploitant kan binnen de dertig dagen nadat hij op de hoogte is gebracht van de ontwerpbeslissing, zijn opmerkingen hierover met een beveiligde zending bezorgen aan de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie. De Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie neemt binnen zestig dagen vanaf de dag na de datum waarop zij de beveiligde zending met de ontwerpbeslissing heeft verzonden een definitieve beslissing, in voorkomend geval na ontvangst van de opmerkingen van de exploitant, over het al of niet vervuld zijn van de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, en in het positieve geval, van de afwijkende berekeningsmethode van de referentiesituatie 2021, die geldt conform dit hoofdstuk.
Art. 9. L'exploitant qui souhaite utiliser d'autres données que celles de la déclaration à la Banque d'engrais pour l'année de production 2021 conformément à l'article 5, alinéa 7, du décret du 26 janvier 2024 pour déterminer la situation de référence 2021, introduit à cet effet une demande par envoi sécurisé auprès de la Commission Situation de référence APA dérogatoire au plus tard le 30 septembre 2026. L'exploitant joint les pièces justificatives nécessaires pour prouver qu'il se trouve dans l'une des situations mentionnées à l'article 5, alinéa 7, du décret précité et qu'il remplit les conditions visées au présent chapitre. Un investissement en matière d'espaces réservés aux animaux, tel que visé à l'article 4, alinéa 1er, 1° ou 4°, du présent arrêté, est démontré par une facture.
Si l'exploitant a introduit une demande conformément à l'alinéa 1er, la Commission Situation de référence APA dérogatoire vérifie, dans un délai de soixante jours à compter du jour suivant la date à laquelle la commission précitée a reçu l'envoi sécurisé, visé à l'alinéa 1er, si l'exploitant se trouve dans l'une des situations mentionnées à l'article 5, alinéa 7, du décret précité et s'il remplit les conditions visées au présent chapitre.
Si les conditions visées à l'alinéa 2 sont remplies, la Commission Situation de référence APA dérogatoire autorise la méthode de calcul dérogatoire de la situation de référence 2021 et informe l'exploitant par envoi sécurisé de la méthode de calcul dérogatoire de la situation de référence 2021, qui s'applique conformément au présent chapitre.
Si la Commission Situation de référence APA dérogatoire considère que les conditions visées à l'alinéa 2 ne sont pas remplies, la Commission Situation de référence APA dérogatoire établit un projet de décision et le notifie à l'exploitant par envoi sécurisé. Dans un délai de 30 jours après avoir été informé du projet de décision, l'exploitant peut adresser ses remarques par envoi sécurisé à la Commission Situation de référence APA dérogatoire. La Commission Situation de référence APA dérogatoire prend une décision définitive dans un délai de 60 jours à compter du jour suivant la date d'expédition de l'envoi sécurisé contenant le projet de décision, le cas échéant après avoir reçu les remarques de l'exploitant, sur le respect ou non des conditions visées à l'alinéa 2, et, dans le cas positif, de la méthode de calcul dérogatoire de la situation de référence 2021, applicable conformément au présent chapitre.
Si l'exploitant a introduit une demande conformément à l'alinéa 1er, la Commission Situation de référence APA dérogatoire vérifie, dans un délai de soixante jours à compter du jour suivant la date à laquelle la commission précitée a reçu l'envoi sécurisé, visé à l'alinéa 1er, si l'exploitant se trouve dans l'une des situations mentionnées à l'article 5, alinéa 7, du décret précité et s'il remplit les conditions visées au présent chapitre.
Si les conditions visées à l'alinéa 2 sont remplies, la Commission Situation de référence APA dérogatoire autorise la méthode de calcul dérogatoire de la situation de référence 2021 et informe l'exploitant par envoi sécurisé de la méthode de calcul dérogatoire de la situation de référence 2021, qui s'applique conformément au présent chapitre.
Si la Commission Situation de référence APA dérogatoire considère que les conditions visées à l'alinéa 2 ne sont pas remplies, la Commission Situation de référence APA dérogatoire établit un projet de décision et le notifie à l'exploitant par envoi sécurisé. Dans un délai de 30 jours après avoir été informé du projet de décision, l'exploitant peut adresser ses remarques par envoi sécurisé à la Commission Situation de référence APA dérogatoire. La Commission Situation de référence APA dérogatoire prend une décision définitive dans un délai de 60 jours à compter du jour suivant la date d'expédition de l'envoi sécurisé contenant le projet de décision, le cas échéant après avoir reçu les remarques de l'exploitant, sur le respect ou non des conditions visées à l'alinéa 2, et, dans le cas positif, de la méthode de calcul dérogatoire de la situation de référence 2021, applicable conformément au présent chapitre.
Art. 10. § 1. Er wordt een Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie opgericht die beslist of voor de aanvragen tot afwijkende referentiesituatie als vermeld in artikel 9, eerste lid, voldaan is aan de voorwaarden voor een afwijkende referentiesituatie.
De Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie bestaat uit:
1° een vertegenwoordiger van het Departement Omgeving, die het voorzitterschap op zich neemt;
2° een vertegenwoordiger van de Vlaamse Landmaatschappij;
3° een vertegenwoordiger van de landcommissie, vermeld in artikel 2.2.1 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, van de provincie waarin de betrokken IIOA gelegen is waarvoor een afwijkende PAS-referentiesituatie aangevraagd wordt;
4° een vertegenwoordiger van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, benoemt de leden van de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie op voordracht van de leden door de respectievelijke entiteiten.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, benoemt op dezelfde wijze per effectief lid een plaatsvervanger.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, kan nadere regels bepalen inzake de werking van de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie en inzake het opstellen van een huishoudelijk reglement door die Commissie.
§ 2. Bij de ontvangst van een aanvraag stelt de voorzitter een zittingsdag vast en deelt de datum van de zittingsdag mee aan de leden van de voormelde Commissie.
§ 3. De Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie beraadslaagt met gesloten deuren.
De Commissie, vermeld in het eerste lid, beraadslaagt geldig als minstens drie vierde van de effectieve of plaatsvervangende leden aanwezig is. De plaatsvervanger mag alleen zetelen als het effectieve lid verhinderd is.
§ 4. De Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie beslist bij meerderheid van de aanwezige leden.
§ 5. Van elke vergadering van de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie stelt de voorzitter een verslag op.
De Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie bestaat uit:
1° een vertegenwoordiger van het Departement Omgeving, die het voorzitterschap op zich neemt;
2° een vertegenwoordiger van de Vlaamse Landmaatschappij;
3° een vertegenwoordiger van de landcommissie, vermeld in artikel 2.2.1 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, van de provincie waarin de betrokken IIOA gelegen is waarvoor een afwijkende PAS-referentiesituatie aangevraagd wordt;
4° een vertegenwoordiger van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, benoemt de leden van de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie op voordracht van de leden door de respectievelijke entiteiten.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, benoemt op dezelfde wijze per effectief lid een plaatsvervanger.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, kan nadere regels bepalen inzake de werking van de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie en inzake het opstellen van een huishoudelijk reglement door die Commissie.
§ 2. Bij de ontvangst van een aanvraag stelt de voorzitter een zittingsdag vast en deelt de datum van de zittingsdag mee aan de leden van de voormelde Commissie.
§ 3. De Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie beraadslaagt met gesloten deuren.
De Commissie, vermeld in het eerste lid, beraadslaagt geldig als minstens drie vierde van de effectieve of plaatsvervangende leden aanwezig is. De plaatsvervanger mag alleen zetelen als het effectieve lid verhinderd is.
§ 4. De Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie beslist bij meerderheid van de aanwezige leden.
§ 5. Van elke vergadering van de Commissie Afwijkende PAS-referentiesituatie stelt de voorzitter een verslag op.
Art. 10. § 1er. Une Commission Situation de référence APA dérogatoire est établie, qui décide si les conditions d'une situation de référence dérogatoire sont remplies pour les demandes de situation de référence dérogatoire telles que visées à l'article 9, alinéa 1er.
La Commission Situation de référence APA dérogatoire est composée de :
1° un représentant du Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire, qui assume la présidence ;
2° un représentant de l'Agence flamande terrienne ;
3° un représentant de la commission foncière, visée à l'article 2.2.1 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale, de la province dans laquelle se situe l'IIOA concernée pour laquelle une situation de référence APA dérogatoire est demandée ;
4° un représentant de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche.
Le ministre flamand en charge de l'environnement et de la nature nomme les membres de la Commission Situation de référence APA dérogatoire sur la proposition des entités respectives.
Le ministre flamand en charge de l'environnement et de la nature nomme selon les mêmes modalités un suppléant pour chaque membre effectif.
Le ministre flamand en charge de l'environnement et de la nature peut arrêter des modalités relatives au fonctionnement de la Commission Situation de référence APA dérogatoire et à l'établissement d'un règlement d'ordre intérieur par cette Commission.
§ 2. Lors de la réception d'une demande, le président fixe un jour de séance et communique la date du jour de séance aux membres de la Commission précitée.
§ 3. La Commission Situation de référence APA dérogatoire délibère à huis clos.
La Commission, visée à l'alinéa 1er, délibère valablement lorsqu'au moins trois quarts des membres effectifs ou suppléants sont présents. Le suppléant ne peut siéger que lorsque le membre effectif est empêché.
§ 4. La Commission Situation de référence APA dérogatoire décide à la majorité des membres présents.
§ 5. Le président établit un rapport de chaque réunion de la Commission Situation de référence APA dérogatoire.
La Commission Situation de référence APA dérogatoire est composée de :
1° un représentant du Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire, qui assume la présidence ;
2° un représentant de l'Agence flamande terrienne ;
3° un représentant de la commission foncière, visée à l'article 2.2.1 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale, de la province dans laquelle se situe l'IIOA concernée pour laquelle une situation de référence APA dérogatoire est demandée ;
4° un représentant de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche.
Le ministre flamand en charge de l'environnement et de la nature nomme les membres de la Commission Situation de référence APA dérogatoire sur la proposition des entités respectives.
Le ministre flamand en charge de l'environnement et de la nature nomme selon les mêmes modalités un suppléant pour chaque membre effectif.
Le ministre flamand en charge de l'environnement et de la nature peut arrêter des modalités relatives au fonctionnement de la Commission Situation de référence APA dérogatoire et à l'établissement d'un règlement d'ordre intérieur par cette Commission.
§ 2. Lors de la réception d'une demande, le président fixe un jour de séance et communique la date du jour de séance aux membres de la Commission précitée.
§ 3. La Commission Situation de référence APA dérogatoire délibère à huis clos.
La Commission, visée à l'alinéa 1er, délibère valablement lorsqu'au moins trois quarts des membres effectifs ou suppléants sont présents. Le suppléant ne peut siéger que lorsque le membre effectif est empêché.
§ 4. La Commission Situation de référence APA dérogatoire décide à la majorité des membres présents.
§ 5. Le président établit un rapport de chaque réunion de la Commission Situation de référence APA dérogatoire.
HOOFDSTUK 3. - Vaststelling van de PAS-referentie 2030
CHAPITRE 3. - Détermination de la référence 2030 de l'APA
Art. 11. Als de gemiddelde veebezetting overeenkomstig de gegevens van de Mestbankaangifte met toepassing van artikel 5, vijfde lid, van het decreet van 26 januari 2024 of met toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 2 van dit besluit begrensd moet worden tot de vergunde aantallen of tot de aantallen waarvan akte genomen is, wordt de begrenzing uitgevoerd voor het geheel van de vergunde dieren of van de dieren waarvan akte genomen is van elke diersoort in kwestie, namelijk varkens, pluimvee of rundvee.
Als die begrenzing ertoe leidt dat het totaal van de ammoniakemissies van de vergunde dieren of van de dieren waarvan akte genomen is, gespecificeerd per diercategorie of stalsysteem, lager zou zijn dan het totaal van de ammoniakemissies van de dieren, zoals begrensd, wordt de begrenzing daaraan aangepast.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, bepaalt, na tenminste het advies van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij ingewonnen te hebben, de wijze waarop de aanpassing van de begrenzing, vermeld in het tweede lid, uitgevoerd wordt.
Als die begrenzing ertoe leidt dat het totaal van de ammoniakemissies van de vergunde dieren of van de dieren waarvan akte genomen is, gespecificeerd per diercategorie of stalsysteem, lager zou zijn dan het totaal van de ammoniakemissies van de dieren, zoals begrensd, wordt de begrenzing daaraan aangepast.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, bepaalt, na tenminste het advies van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij ingewonnen te hebben, de wijze waarop de aanpassing van de begrenzing, vermeld in het tweede lid, uitgevoerd wordt.
Art. 11. Si, selon les données de la déclaration à la Banque d'engrais, la densité moyenne du cheptel doit être limitée aux nombres autorisés ou homologués conformément à l'article 5, alinéa 5, du décret du 26 janvier 2024 ou aux dispositions du chapitre 2 du présent arrêté, la limitation est effectuée pour la totalité des animaux autorisés ou des animaux homologués de chaque espèce animale concernée, à savoir les porcs, les volailles ou les bovins.
Si cette limitation a pour effet que les émissions totales d'ammoniac des animaux autorisés ou des animaux homologués, spécifiés par catégorie d'animaux ou par système d'étable, sont inférieures aux émissions totales d'ammoniac des animaux, telles que limitées, la limitation est ajustée en conséquence.
Le ministre flamand en charge de l'environnement et de la nature détermine, après avoir recueilli au moins l'avis de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche, la manière dont l'ajustement de la limitation visé à l'alinéa 2 est effectué.
Si cette limitation a pour effet que les émissions totales d'ammoniac des animaux autorisés ou des animaux homologués, spécifiés par catégorie d'animaux ou par système d'étable, sont inférieures aux émissions totales d'ammoniac des animaux, telles que limitées, la limitation est ajustée en conséquence.
Le ministre flamand en charge de l'environnement et de la nature détermine, après avoir recueilli au moins l'avis de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche, la manière dont l'ajustement de la limitation visé à l'alinéa 2 est effectué.
HOOFDSTUK 4. - Vrijstellingsregeling voor kleinschalige veehouderijen, voor biologische veehouderijen en voor bepaalde andere veehouderijen
CHAPITRE 4. - Régime d'exemption pour les petits élevages, les élevages biologiques et certains autres élevages
Art. 12. Voor de volgende diercategorieën zijn geen ammoniakemissiereducerende maatregelen vastgesteld:
1° ander pluimvee dan kippen;
2° beren als vermeld in artikel 27, § 1, eerste lid, 2°, van het Mestdecreet van 22 december 2006.
1° ander pluimvee dan kippen;
2° beren als vermeld in artikel 27, § 1, eerste lid, 2°, van het Mestdecreet van 22 december 2006.
Art. 12. Aucune mesure de réduction des émissions d'ammoniac n'a été arrêtée pour les catégories d'animaux suivantes :
1° les volailles autres que les poulets ;
2° les verrats, tels que visés à l'article 27, § 1er, alinéa 1er, 2°, du Décret Engrais du 22 décembre 2006.
1° les volailles autres que les poulets ;
2° les verrats, tels que visés à l'article 27, § 1er, alinéa 1er, 2°, du Décret Engrais du 22 décembre 2006.
Art. 13. Voor de verwerkingen, vermeld in artikel 12 van het decreet van 26 januari 2024, is de overheid die bevoegd is om te beslissen over de vrijstelling, de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.
Art. 13. Pour les traitements visés à l'article 12 du décret du 26 janvier 2024, l'autorité compétente pour décider de l'exemption est le responsable du traitement mentionné à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données.
HOOFDSTUK 5. - Woonrecht
CHAPITRE 5. - Droit au logement
Art. 14. Voor de verwerkingen, vermeld in artikel 40 van het decreet van 26 januari 2024, treedt de overheid die bevoegd is om te beslissen over een omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie, op als de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.
Art. 14. Pour les traitements visés à l'article 40 du décret du 26 janvier 2024, l'autorité compétente pour décider d'une demande de permis d'environnement pour l'exploitation est le responsable du traitement mentionné à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données.
HOOFDSTUK 6. - Monitoring en borging
CHAPITRE 6. - Surveillance et garantie
Art. 15. Voor de verwerkingen, vermeld in artikel 47, 51 en 54 van het decreet van 26 januari 2024, treedt het Departement Omgeving op als de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.
Art. 15. Pour les traitements, visés aux articles 47, 51 et 54 du décret du 26 janvier 2024, le Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire agit en tant que responsable du traitement, visé à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données.
HOOFDSTUK 7. - Vergunningenregister
CHAPITRE 7. - Registre des permis
Art. 16. Voor de verwerkingen, vermeld in artikel 56 van het decreet van 26 januari 2024, treedt het Departement Omgeving op als de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.
Art. 16. Pour les traitements, visés à l'article 56 du décret du 26 janvier 2024, le Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire agit en tant que responsable du traitement, visé à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données.
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions finales
Art. 17. Dit besluit treedt in werking op de dag die volgt op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 17. Le présent arrêté entre en vigueur le jour suivant sa publication au Moniteur belge.
Art. 18. De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 18. Le ministre flamand qui a l'environnement et la nature dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.