Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
26 SEPTEMBER 2024. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 maart 2001 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan sommige personeelsleden van de diensten die de rechterlijke macht terzijde staan en het koninklijk besluit van 10 november 2006 betreffende het statuut, de loopbaan en de bezoldigingsregeling van het gerechtspersoneel
Titre
26 SEPTEMBRE 2024. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 16 mars 2001 relatif aux congés et aux absences accordés à certains membres du personnel des services qui assistent le pouvoir judiciaire et l'arrêté royal du 10 novembre 2006 portant statut, carrière et statut pécuniaire du personnel judiciaire
Informations sur le document
Numac: 2024009007
Datum: 2024-09-26
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2024009007
Date: 2024-09-26
Moniteur: Voir
Tekst (49)
Texte (49)
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepaling
CHAPITRE Ier. - Disposition introductive
Artikel 1. Dit besluit zet de Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad, gedeeltelijk om.
Article 1er. Le présent arrêté transpose partiellement la Directive (UE) 2019/1158 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 concernant l'équilibre entre vie professionnelle et vie privée des parents et des aidants et abrogeant la Directive 2010/18/UE du Conseil.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 16 maart 2001 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan sommige personeelsleden van de diensten die de rechterlijke macht terzijde staan
CHAPITRE II. - Modifications de l'arrêté royal du 16 mars 2001 relatif aux congés et aux absences accordés à certains membres du personnel des services qui assistent le pouvoir judiciaire
Art. 2. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 maart 2001 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan sommige personeelsleden van de diensten die de rechterlijke macht terzijde staan, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 oktober 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in paragraaf 1, eerste lid, 4°, worden de woorden "en de parketjuristen" vervangen door de woorden ", de parketjuristen en de criminologen";
  b) in paragraaf 1, eerste lid, 5°, worden de woorden "en de adviseurs" ingevoegd tussen de woorden "de attachés" en de woorden "in de dienst";
  c) in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "en de parketjuristen" vervangen door de woorden ", de parketjuristen en de criminologen";
  d) in paragraaf 3, eerste lid, worden de bapalingen onder 2° en 4° opgeheven;
  e) in paragraaf 4, eerste lid, wordt de bepaling onder 2° aangevuld met de volgende zin:
  "het artikel 30, § 4, van dezelfde wet is evenwel van toepassing op het personeelslid dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen en dat gebruik maakt van het omstandigheidsverlof voorzien bij dit besluit, bij de geboorte van een kind;";
  f) in paragraaf 4, eerste lid, wordt de bepaling onder 7° vervangen als volgt:
  "7° het adoptieverlof en het opvangverlof, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30ter, §§ 1 tot 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Het artikel 30ter, § 4, van dezelfde wet is evenwel van toepassing op het personeelslid dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven en dat gebruik maakt van het adoptieverlof voorzien bij dit besluit;";
  g) in paragraaf 4, eerste lid, worden de bepalingen onder 7° /1 en 7° /2 ingevoegd, luidende:
  "7° /1 het pleegzorgverlof, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
  7° /2 het pleegouderverlof, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30sexies, §§ 1 tot 4 en § 6, van de wet van 3 juli 1978 betreffende arbeidsovereenkomsten. Het artikel 30sexies, § 5, van dezelfde wet is evenwel van toepassing op het personeelslid dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven en dat gebruik maakt van het pleegouderverlof voorzien bij dit besluit;";
  h) paragraaf 4, eerste lid, wordt aangevuld met de bepalingen onder 16° en 17°, luidende :
  "16° het zorgverlof, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30bis, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeids-overeenkomsten. Het artikel 30bis, § 2, zevende tot en met het negende lid, van dezelfde wet is evenwel van toepassing op het personeelslid dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven en gebruik maakt van het zorgverlof bepaald bij dit besluit;
  17° het verlof om dwingende redenen van familiaal belang.".
Art. 2. Dans l'article 1er de l'arrêté royal du 16 mars 2001 relatif aux congés et aux absences accordés à certains membres du personnel des services qui assistent le pouvoir judiciaire, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 19 octobre 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, les mots " et aux juristes de parquet " sont remplacés par les mots " , aux juristes de parquet et aux criminologues " ;
  b) dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 5°, les mots " et aux conseillers " sont insérés entre les mots " aux attachés " et les mots " au service " ;
  c) dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots " et les juristes de parquet " sont remplacés par les mots " , les juristes de parquet et les criminologues " ;
  d) dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les 2° et 4° sont abrogés ;
  e) dans le paragraphe 4, alinéa 1er, le 2° est complété par la phrase suivante :
  " l'article 30, § 4, de la même loi est cependant applicable au membre du personnel engagé par contrat de travail qui fait usage du congé de circonstances, prévu par le présent arrêté, à la naissance d'un enfant ; " ;
  f) dans le paragraphe 4, alinéa 1er, le 7° est remplacé comme suit :
  " 7° au congé d'adoption et au congé d'accueil, dans la mesure où le membre du personnel n'a pas fait usage des dispositions de l'article 30ter, §§ 1er à 3 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. L'article 30ter, § 4, de la même loi est cependant applicable au membre du personnel engagé par contrat de travail qui fait usage du congé d'adoption prévu par le présent arrêté ; " ;
  g) dans le paragraphe 4, alinéa 1er, sont insérés les 7° /1 et 7° /2 rédigés comme suit :
  " 7° /1 au congé pour soins d'accueil, dans la mesure où le membre du personnel n'a pas fait usage des dispositions de l'article 30quater de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ;
  7° /2 au congé parental d'accueil, dans la mesure où le membre du personnel n'a pas fait usage des dispositions de l'article 30sexies, §§ 1er à 4 et § 6 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. L'article 30sexies, § 5, de la même loi est cependant applicable au membre du personnel engagé par contrat de travail qui fait usage du congé parental d'accueil prévu par le présent arrêté ; " ;
  h) le paragraphe 4, alinéa 1er, est complété par les 16° et 17° rédigés comme suit :
  " 16° au congé d'aidant, dans la mesure où le membre du personnel n'a pas fait usage des dispositions de l'article 30bis, § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. L'article 30bis, § 2, alinéas 7 à 9, de la même loi est cependant applicable au membre du personnel engagé par contrat de travail qui fait usage du congé d'aidant défini par le présent arrêté ;
  17° au congé pour motifs impérieux d'ordre familial. ".
Art. 3. In artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 7 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) het eerste lid wordt aangevuld met de bepalingen onder 3°, 4°, 5° en 6°, luidende:
  "3° langdurige pleegzorg: pleegzorg zoals omschreven in artikel 30sexies, § 6, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
  4° kortdurende pleegzorg: alle vormen van pleegzorg die niet voldoen aan de voorwaarden van langdurige pleegzorg;
  5° pleegkind: het kind waarvoor het personeelslid of zijn echtgeno(o)t(e) in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;
  6° pleegvader en -moeder: de pleegouder die in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;";
  b) het eerste lid wordt aangevuld met de bepaling onder 7°, luidende:
  "7° aangetekende zending : een aangetekende zending en wanneer ze elektronisch gebeurt, verzonden via een gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging in de zin van artikel 3.37. van de verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.";
  c) het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, 2°, wordt onder werkdagen verstaan alle dagen met uitzondering van de zaterdagen, zondagen en feestdagen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, voor de toepassing van artikel 6/2 en artikel 46, derde lid.".
Art. 3. Dans l'article 2 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 7 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  a) l'alinéa 1er est complété par les 3°, 4°, 5° et 6° rédigés comme suit :
  " 3° placement familial de longue durée : le placement décrit à l'article 30sexies, § 6, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ;
  4° placement familial de courte durée : toutes les formes de placement familial qui ne remplissent pas les conditions du placement familial de longue durée ;
  5° enfant placé : l'enfant pour lequel le membre du personnel ou son conjoint, a été désigné dans le cadre du placement familial par le tribunal, par un service de placement agréé par la communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse ;
  6° père ou mère d'accueil : le parent d'accueil qui a été désigné dans le cadre du placement familial par le tribunal, par un service de placement agréé par la communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse ; " ;
  b) l'alinéa 1er est complété par le 7° rédigé comme suit :
  "7° envoi recommandé : un envoi recommandé, et s'il est électronique, envoyé via un service d'envoi recommandé électronique qualifié au sens de l'article 3.37. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE. " ;
  c) l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Par dérogation aux dispositions de l'alinéa 1er, 2°, on entend par jours ouvrables tous les jours à l'exception des samedis, dimanches et jours fériés visés à l'article 10, alinéa 1er, pour l'application de l'article 6/2 et de l'article 46, alinéa 3. ".
Art. 4. In artikel 6 van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "14 tot 30" worden telkens vervangen door de woorden "14 tot 30bis";
  2° in het eerste lid worden de woorden "Onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 331, 331bis en 332 van het Gerechtelijk Wetboek, worden de verloven" vervangen door de woorden "De verloven worden";
  3° in het tweede lid, bepaling onder 3°, worden de woorden "en de adviseurs" ingevoegd tussen de woorden "aan de attachés" en de woorden "in de dienst";
  4° in het tweede lid, bepaling onder 4° worden de woorden "en parketjuristen" vervangen door de woorden ", de parketjuristen en de criminologen".
Art. 4. A l'article 6 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 30 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots " 14 à 30 " sont chaque fois remplacés par les mots " 14 à 30bis " ;
  2° dans l'alinéa 1er, les mots " Sous réserve de l'application des articles 331, 331bis et 332 du Code judiciaire, les " sont remplacés par le mot " Les " ;
  3° dans l'alinéa 2, 3°, les mots " et aux conseillers " sont insérés entre les mots " aux attachés " et les mots " au service " ;
  4° dans l'alinéa 2, 4°, les mots " et aux juristes de parquet " sont remplacés par les mots " , aux juristes de parquet et aux criminologues ".
Art. 5. In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk Ibis ingevoegd met titel "De flexibele werkregelingen", bestaand uit de artikel 6/2, luidende:
  "Hoofdstuk Ibis. De flexibele werkregelingen
Art. 5. Dans le même arrêté, un chapitre Ibis intitulé " Des formules souples de travail ", est inséré, comportant l'article 6/2, rédigé comme suit :
  " Chapitre Ibis. Des formules souples de travail
Art. 6/2. § 1. Onverminderd de wettelijke of reglementaire bepalingen die voorzien in een recht op aanpassing van de bestaande arbeidsregeling en het bestaande uurrooster, heeft het personeelslid het recht om voor een aaneengesloten periode van maximum twaalf maanden een flexibele werkregeling aan te vragen voor zorgdoeleinden.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
  1° flexibele werkregeling: een aanpassing van het bestaande werkrooster van het personeelslid;
  2° zorgdoeleinden:
  a) de zorg voor zijn kind vanaf de geboorte tot het kind twaalf jaar wordt;
  b) de zorg voor een kind in het kader van een adoptie, vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar het personeelslid zijn verblijfplaats heeft, en dit tot het kind twaalf jaar wordt;
  c) het verlenen van persoonlijke zorg of steun aan een welbepaald gezinslid of familielid dat om medische reden behoefte heeft aan zorg of steun;
  3° gezinslid: elk persoon die samenleeft met het personeelslid op dezelfde woonplaats;
  4° familielid: de echtgenoot van het personeelslid of de persoon met wie het personeelslid wettelijk samenwoont, zoals geregeld door de artikelen 1475 en volgende van het oud Burgerlijk Wetboek, alsook de bloedverwanten in de eerste graad van het personeelslid;
  5° een medische reden als gevolg waarvan men behoefte heeft aan zorg of steun: elke gezondheidstoestand, al dan niet het gevolg van een ziekte of medische ingreep, die door de behandelende arts als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de arts oordeelt dat er een behoefte is aan zorg of steun, dit is elke vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of verzorging.
  De leeftijdsgrens bepaald in het tweede lid, 2°, a) en b) wordt vastgesteld op 21 jaar wanneer het kind voor ten minste 66 % getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag of dat ten minste 9 punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag.
  Aan de voorwaarde van de twaalfde of eenentwintigste verjaardag moet zijn voldaan uiterlijk gedurende de aangevraagde periode.
  § 2. Het personeelslid maakt gebruik van het recht om een flexibele werkregeling aan te vragen voor het doel waarvoor het is ingesteld. Hij onthoudt zich van elk misbruik ervan.
  § 3. Het personeelslid dat een flexibele werkregeling wenst te bekomen, bezorgt de overheid waaronder hij ressorteert hiertoe minstens twee maanden en hoogstens drie maanden vooraf een schriftelijke aanvraag. Deze termijn kan worden ingekort op verzoek van het personeelslid en als de overheid hiermee akkoord gaat.
  De aanvraag gebeurt hetzij door de overhandiging van een geschrift aan de overheid waaronder hij ressorteert waarbij deze laatste een duplicaat tekent als bericht van ontvangst, hetzij door aangetekende zending, hetzij op elektronische wijze mits ontvangstbevestiging van het bericht door de overheid waaronder hij ressorteert.
  Uit de aanvraag moet blijken dat het personeelslid zich beroept op het recht om flexibele werkregelingen aan te vragen. De aanvraag bevat minstens de volgende elementen:
  1° de gewenste flexibele werkregeling;
  2° de begin- en einddatum van de aaneengesloten periode waarvoor de flexibele werkregeling wordt gevraagd en die niet meer dan twaalf maanden kan omvatten;
  3° het zorgdoeleinde waarvoor de flexibele werkregeling wordt gevraagd, met inbegrip van de identiteit van de persoon ten behoeve van wie de flexibele werkregeling wordt aangevraagd.
  § 4. De overheid waaronder het personeelslid ressorteert beoordeelt deze aanvraag en geeft er een schriftelijk gevolg aan binnen de maand volgend op de aanvraag.
  De overheid waaronder het personeelslid ressorteert kan de aanvraag inwilligen, weigeren of een met redenen omkleed tegenvoorstel doen bestaande uit een andere flexibele werkregeling of periode die beter aansluit bij zijn eigen behoeften.
  Het uitblijven van een antwoord van de overheid waaronder het personeelslid ressorteert wordt gelijkgesteld met een akkoord.
  § 5. De overheid waaronder het personeelslid ressorteert en het personeelslid kunnen in onderling akkoord een flexibele werkregeling overeenkomen voor een aaneengesloten periode van meer dan twaalf maanden.
  § 6. Uiterlijk op het moment dat de flexibele werkregeling een aanvang neemt, verstrekt het personeelslid de overheid waaronder hij ressorteert het document of de documenten tot staving van het ingeroepen zorgdoeleinde.
  Ingeval de aanvraag is ingediend met het oog op het verlenen van persoonlijke zorg of steun aan een welbepaald gezinslid of familielid dat om een medische reden behoefte heeft aan zorg of steun wordt het bewijs hiervan geleverd aan de hand van een attest dat ten vroegste in het kalenderjaar van de aanvraag is afgeleverd door de behandelend arts van het betrokken gezinslid of familielid en waaruit blijkt dat dit gezinslid of familielid om een medische reden behoefte heeft aan zorg of steun. Dit attest mag de medische reden zelf niet vermelden.
  § 7. Het personeelslid heeft het recht om de flexibele werkregeling vroegtijdig stop te zetten ten einde zijn oorspronkelijk uurrooster te hervatten, mits hij de overheid onder welke hij ressorteert hiervan tien werkdagen vooraf schriftelijk op de hoogte brengt en mits hij minstens één maand heeft gewerkt volgens de overeengekomen flexibele werkregeling.".
Art. 6/2. § 1er. Sans préjudice des dispositions légales ou réglementaires prévoyant un droit à l'adaptation du régime et de l'horaire de travail existants, le membre du personnel a le droit de demander, pour une période continue de douze mois maximum, une formule souple de travail dans le but de s'occuper d'un proche.
  Pour l'application du présent article, on entend par :
  1° formule souple de travail : un aménagement de l'horaire de travail existant du membre du personnel ;
  2° dans le but de s'occuper d'un proche :
  a) s'occuper de son enfant de la naissance jusqu'à ce que l'enfant atteigne son douzième anniversaire ;
  b) s'occuper d'un enfant dans le cadre d'une adoption, à partir de l'inscription de l'enfant comme faisant partie de son ménage au registre de la population ou au registre des étrangers de la commune où le membre du personnel a sa résidence et ce, jusqu'à ce que l'enfant atteigne son douzième anniversaire ;
  c) l'octroi de soins personnels ou d'une aide personnelle à un membre déterminé du ménage ou de la famille qui nécessite des soins ou une aide pour une raison médicale ;
  3° membre du ménage : toute personne cohabitant avec le membre du personnel ;
  4° membre de la famille : le conjoint du membre du personnel ou la personne avec qui le membre du personnel cohabite légalement, au sens des articles 1475 et suivants de l'ancien Code civil, de même que les parents du membre du personnel jusqu'au premier degré ;
  5° une raison médicale rendant nécessaires des soins ou une aide : tout état de santé, consécutif ou non à une maladie ou à une intervention médicale, considéré comme tel par le médecin traitant et pour lequel le médecin estime qu'il nécessite des soins ou une aide, à savoir toute forme d'assistance ou de soin de type social, familial ou émotionnel.
  L'âge limite déterminé à l'alinéa 2, 2°, a) et b) est fixé à 21 ans lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale d'au moins 66 % ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont reconnus dans le pilier I de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ou qu'au moins 9 points sont reconnus dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
  La condition relative au douzième ou au vingt et unième anniversaire doit être satisfaite au plus tard pendant la période demandée.
  § 2. Le membre du personnel fait usage du droit de demander une formule souple de travail en vue de l'objectif pour lequel il a été instauré. Il s'abstient de tout usage abusif.
  § 3. Le membre du personnel qui souhaite obtenir une formule souple de travail transmet à l'autorité dont il relève une demande écrite au moins deux mois et au plus trois mois à l'avance. Ce délai peut être réduit à la demande du membre du personnel et moyennant l'accord de l'autorité.
  La demande est effectuée soit par la remise d'un écrit à l'autorité dont il relève dont ce dernier signe un double à titre d'accusé de réception, soit par envoi recommandé, soit par voie électronique moyennant un accusé de réception de l'autorité dont il relève.
  Il doit apparaître de la demande que le membre du personnel invoque le droit à une formule souple de travail. En outre, la demande contient au moins les éléments suivants :
  1° la formule souple de travail souhaitée ;
  2° les dates de début et de fin de la période continue pour laquelle la formule souple de travail est demandée et qui ne peut pas compter plus de douze mois ;
  3° le but de s'occuper d'un proche pour lequel la formule souple de travail est demandée, y compris l'identité de la personne pour laquelle la formule souple de travail est demandée.
  § 4. L'autorité dont le membre du personnel relève examine la demande et fournit une réponse écrite dans le mois suivant la demande.
  L'autorité dont le membre du personnel relève peut accepter ou rejeter la demande, ou faire une contreproposition motivée consistant en une autre formule souple de travail ou une autre période répondant mieux à ses propres besoins.
  L'absence de réponse de l'autorité dont le membre du personnel relève est assimilée à un accord.
  § 5. L'autorité dont le membre du personnel relève et le membre du personnel peuvent convenir de commun accord d'une formule souple de travail pour une période continue de plus de douze mois.
  § 6. Au plus tard au moment où débute la formule souple de travail, le membre du personnel fournit à l'autorité dont il relève le document ou les documents à l'appui du but invoqué.
  Dans le cas où la demande est introduite en vue de fournir des soins personnels ou une aide personnelle à un membre déterminé du ménage ou de la famille nécessitant des soins ou une aide pour une raison médicale, la preuve en est fournie au moyen d'une attestation délivrée par le médecin traitant du membre du ménage ou de la famille concerné au plus tôt au cours de l'année civile de la demande et dont il apparait que le membre du ménage ou de la famille nécessite des soins ou une aide pour une raison médicale. Cette attestation ne peut pas indiquer la raison médicale elle-même.
  § 7. Le membre du personnel a le droit de mettre fin anticipativement à la formule souple de travail afin de reprendre son horaire de travail initial, à condition d'en informer par écrit l'autorité dont il relève dix jours ouvrables à l'avance et d'avoir travaillé pendant au moins un mois selon la formule souple de travail convenue. ".
Art. 6. In artikel 7 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 2 juni 2010 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 november 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het achtste streepje worden de woorden "vanaf 64 jaar" vervangen door de woorden "op 64 jaar";
  2° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder een negende en een tiende streepje, luidende:
  "- op 65 jaar: 34 werkdagen;
  - vanaf 66 jaar: 35 werkdagen.".
Art. 6. A l'article 7 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 2 juin 2010 et modifié par l'arrêté royal du 27 novembre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au huitième tiret, les mots " à partir de 64 ans " sont remplacés par les mots " à 64 ans " ;
  2° l'article est complété par les neuvième et dixième tirets, rédigés comme suit :
  " - à 65 ans : 34 jours ouvrables ;
  - à partir de 66 ans : 35 jours ouvrables. ".
Art. 7. In artikel 9, § 1, vijfde lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 7 oktober 2013 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 juli 2018, worden de woorden "geboorteverlof, adoptieverlof en pleegzorgverlof toegekend bij het artikel 30, § 2, het artikel 30ter en het artikel 30quater" vervangen door de woorden "geboorteverlof, adoptieverlof, pleegzorgverlof en pleegouderverlof toegekend bij het artikel 30, § 2, het artikel 30ter, het artikel 30quater en het artikel 30sexies".
Art. 7. Dans l'article 9, § 1er, alinéa 5, du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 7 octobre 2013 et modifié par l'arrêté royal du 30 juillet 2018, les mots " congé à l'occasion d'une naissance, d'adoption et pour soins d'accueil accordé par l'article 30, § 2, l'article 30ter et l'article 30quater " sont remplacés par les mots " congé à l'occasion d'une naissance, congé d'adoption, congé pour soins d'accueil et congé parental d'accueil accordé par l'article 30, § 2, l'article 30ter, l'article 30quater et l'article 30sexies ".
Art. 8. In artikel 11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 oktober 2013 en 3 februari 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in het eerste lid, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt:
  "2° de geboorte van een kind waarvan de afstamming langs de zijde van het personeelslid vaststaat. Bij ontstentenis van een persoon die dit verlof opneemt op grond van de afstamming met het kind heeft het personeelslid dat samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats met de moeder van het kind recht op het verlof. Het recht op moederschapsverlof, vermeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, sluit voor een zelfde ouder het recht op het omstandigheidsverlof bij de geboorte uit. Het verlof bedraagt 20 werkdagen;";
  b) in het eerste lid, wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt:
  "3° overlijden van de echtgeno(o)t(e) van het personeelslid, overlijden van het natuurlijk kind of het adoptiekind, van het personeelslid, of van diens echtgeno(o)t(e): 10 werkdagen, waarbij drie werkdagen door het personeelslid te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en zeven werkdagen door het personeelslid te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden. Er kan van de beide perioden waarin deze verlofdagen moeten opgenomen worden, afgeweken worden op vraag van het personeelslid mits een akkoord van de werkgever;";
  c) in het eerste lid, wordt een bepaling onder 3° /1 ingevoegd, luidende:
  "3° /1 overlijden van de vader, moeder, schoonvader, stiefvader, schoonmoeder, stiefmoeder, schoondochter, schoonzoon van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e): vier werkdagen waarbij drie werkdagen door het personeelslid te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en één werkdag door het personeelslid te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden. Er kan van de beide perioden waarin deze werkdagen moeten opgenomen worden, afgeweken worden op vraag van het personeelslid mits een akkoord van de werkgever;";
  d) in het eerste lid, wordt een bepaling onder 7° /1 ingevoegd, luidende:
  "7° /1 overlijden van een pleegkind van het personeelslid of van zijn echtgeno(o)t(e) in het kader van kortdurende pleegzorg op het moment van het overlijden: 1 werkdag;";
  e) het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende:
  "De banden die ontstaan ingevolge een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg worden, voor de toepassing van het eerste lid, 3° en 3° /1, gelijkgesteld met de door die bepalingen geviseerde familiebanden, op voorwaarde dat het overlijden zich voordoet, hetzij tijdens een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg, hetzij na afloop van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg. In dat verband wordt het pleegkind gelijkgesteld met het kind, de pleegmoeder met de moeder, de pleegvader met de vader, en zo verder.
  De banden die ontstaan ingevolge een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg worden, voor de toepassing van het eerste lid, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° en 10°, gelijkgesteld met de door die bepalingen geviseerde familiebanden, op voorwaarde dat de gebeurtenis zich voordoet, hetzij tijdens een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg, hetzij na afloop van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg waarbij het pleegkind gedurende een onafgebroken periode van drie jaar op permanente en affectieve wijze deel heeft uitgemaakt van het pleeggezin. In dat verband wordt het pleegkind gelijkgesteld met het kind, de pleegmoeder met de moeder, de pleegvader met de vader, en zo verder.".
Art. 8. Dans l'article 11 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux du 7 octobre 2013 et du 3 février 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans l'alinéa 1er, le 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° la naissance d'un enfant dont la filiation est établie à l'égard du membre du personnel. A défaut d'une personne qui prend ce congé sur la base de la filiation avec l'enfant, le membre du personnel qui vit en couple avec la mère de l'enfant au même domicile a droit au congé. Le droit au congé de maternité visé à l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail exclut pour un même parent le droit au congé de circonstances à la naissance. Le congé s'élève à 20 jours ouvrables ; " ;
  b) dans l'alinéa 1er, le 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° le décès du conjoint du membre du personnel, le décès de l'enfant naturel ou de l'enfant adoptif du membre du personnel ou de son conjoint, ou le décès de son conjoint : 10 jours ouvrables, dont trois jours ouvrables à choisir par le membre du personnel pendant la période qui prend cours le jour du décès et s'achève le jour des funérailles et sept jours ouvrables à choisir par le membre du personnel dans l'année qui suit le jour du décès. Il peut être dérogé, à la demande du membre du personnel et moyennant l'accord de l'employeur, aux deux périodes au cours desquelles ces jours de congé doivent être pris ; " ;
  c) dans l'alinéa 1er, il est inséré un 3° /1 rédigé comme suit :
  " 3° /1 le décès du père, de la mère, du beau-père, du second mari de la mère, de la belle-mère, de la seconde femme du père, de la belle-fille, du beau-fils du membre du personnel ou de son conjoint : quatre jours ouvrables dont trois jours ouvrables à choisir par le membre du personnel pendant la période qui prend cours le jour du décès et s'achève le jour des funérailles et un jour ouvrable à choisir par le membre du personnel dans l'année qui suit le jour du décès. Il peut être dérogé, à la demande du membre du personnel et moyennant l'accord de l'employeur, aux deux périodes au cours desquelles ces jours ouvrables doivent être pris ; " ;
  d) dans l'alinéa 1er, il est inséré un 7° /1 rédigé comme suit :
  " 7° /1 le décès d'un enfant qui était placé auprès du membre du personnel ou de son conjoint dans le cadre d'un placement familial de courte durée au moment du décès : 1 jour ouvrable ; " ;
  e) l'article est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
  " Les liens qui découlent d'un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée sont, pour l'application de l'alinéa 1er, 3° et 3° /1, assimilés aux liens familiaux consacrés par ces dispositions, à condition que le décès survienne soit pendant un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée, soit après la fin d'un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée. Dans ce contexte, l'enfant placé est assimilé à l'enfant, la mère d'accueil à la mère, le père d'accueil au père, et ainsi de suite.
  Les liens qui découlent d'un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée sont, pour l'application de l'alinéa 1er, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° et 10°, assimilés aux liens familiaux consacrés par ces dispositions, à condition que l'événement survienne soit pendant un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée, soit après la fin d'un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée dans lequel l'enfant placé a fait partie de la famille d'accueil de manière permanente et affective pendant une période ininterrompue de trois ans. Dans ce contexte, l'enfant placé est assimilé à l'enfant, la mère d'accueil à la mère, le père d'accueil au père, et ainsi de suite. ".
Art. 9. In hetzelfde besluit wordt een artikel 11/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 11/1. In geval een verlof wegens ziekte andere dan een beroepsziekte, of ten gevolge van een ongeval, ander dan een arbeidsongeval of een ongeval van of naar het werk, aansluit op de afwezigheid wegens het omstandigheidsverlof dat op grond van artikel 11, 3°, wordt toegekend, dan worden de opgenomen dagen van omstandigheidsverlof vanaf de vijfde dag in mindering gebracht van het saldo van de verloven waarop artikel 38 recht geeft, op voorwaarde dat deze vijfde dag aansluit op een vierde dag afwezigheid toegestaan op grond van artikel 11, 3°.
  In afwijking van het eerste lid, gebeurt de aanrekening voor bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeel op de periode van het gewaarborgd loon zoals bepaald in artikel 52 en artikel 70 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.".
Art. 9. Dans le même arrêté, il est inséré un article 11/1, rédigé comme suit :
  " Art. 11/1. Si un congé résultant d'une maladie autre qu'une maladie professionnelle, ou d'un accident autre qu'un accident du travail ou qu'un accident survenu sur le chemin du travail, suit directement l'absence résultant du congé de circonstance accordé conformément à l'article 11, 3°, les jours du congé de circonstance pris à partir du cinquième jour sont décomptés du solde des congés auxquels donne droit l'article 38, à condition que le cinquième jour suive un quatrième jour d'absence autorisé conformément à l'article 11, 3°.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, l'imputation pour le personnel engagé par contrat de travail est effectuée sur la période de la rémunération garantie, comme prévu dans les articles 52 et 70 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. ".
Art. 10. Artikel 17 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 7 oktober 2013, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 17. § 1. Het personeelslid bekomt zorgverlof met het oog op het verlenen van persoonlijke zorg of steun aan een gezinslid of een familielid dat om medische redenen behoefte heeft aan zorg of steun.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
  1° gezinslid: het bepaalde onder artikel 6/2, § 1, tweede lid, 3° ;
  2° familielid: het bepaalde onder artikel 6/2, § 1, tweede lid, 4° ;
  3° een medische reden als gevolg waarvan men behoefte heeft aan zorg of steun: het bepaalde onder artikel 6/2, § 1, tweede lid, 5°.
  Het personeelslid dat gebruik wenst te maken van het zorgverlof, deelt dit vooraf mee aan de overheid waaronder hij ressorteert.
  Het personeelslid legt zo spoedig mogelijk ter staving een doktersattest voor dat in het jaar waarin het zorgverlof wordt opgenomen door de behandelend arts van het betrokken gezinslid of het familielid is afgeleverd en waaruit blijkt dat dit gezinslid of familielid om een medische reden behoefte heeft aan zorg of steun. Dit attest mag de medische reden zelf niet vermelden.
  § 2. De duur van de verloven bedoeld in § 1 is beperkt tot vijf werkdagen per jaar. Het verlof wordt genomen per dag, in aaneensluitende dagen of per halve dag.
  De duur van de verloven bedoeld in § 1 wordt verminderd met het aantal werkdagen zorgverlof dat reeds werd opgenomen in hetzelfde jaar in toepassing van artikel 30bis, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
  § 3. De verloven bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit.".
Art. 10. L'article 17 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 7 octobre 2013, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 17. § 1er. Le membre du personnel obtient le congé d'aidant dans le but de fournir des soins personnels ou une aide personnelle à un membre du ménage ou à un membre de la famille qui nécessite des soins ou une aide pour une raison médicale.
  Pour l'application du présent article, on entend par :
  1° membre du ménage : la disposition de l'article 6/2, § 1er, alinéa 2, 3° ;
  2° membre de la famille : la disposition de l'article 6/2, § 1er, alinéa 2, 4° ;
  3° une raison médicale rendant nécessaires des soins ou une aide : la disposition de l'article 6/2, § 1er, alinéa 2, 5°.
  Le membre du personnel qui souhaite faire usage du congé d'aidant en informe préalablement l'autorité dont il relève.
  Le membre du personnel fournit aussi vite que possible, à titre de preuve, un certificat médical délivré par le médecin traitant du membre du ménage ou de la famille concerné au cours de l'année où le congé d'aidant est pris et dont il apparait que le membre du ménage ou de la famille nécessite des soins ou une aide pour une raison médicale. Cette attestation ne peut pas indiquer la raison médicale elle-même.
  § 2. La durée des congés visés au § 1er est limitée à cinq jours ouvrables par an. Le congé peut être pris par jour, par jours consécutifs ou par demi-jour.
  La durée des congés visés au § 1er est réduite du nombre de jours ouvrables de congé d'aidant déjà pris au cours de la même année, en application de l'article 30bis, § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
  § 3. Les congés visés dans le présent article sont assimilés à des périodes d'activité de service. ".
Art. 11. In artikel 30 van hetzelfde besluit, worden de woorden "vaderschapsverlof" telkens vervangen door de woorden "omgezet moederschapsverlof" en worden de woorden "de vader" telkens vervangen door de woorden "de vader of de meemoeder".
Art. 11. Dans l'article 30 du même arrêté, les mots " congé de paternité " sont chaque fois remplacés par les mots " congé de maternité converti " et les mots " le père " sont chaque fois remplacés par les mots " le père ou la coparente ".
Art. 12. In artikel 31, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in het eerste lid, worden de woorden "bij de geboorte of bij de adoptie van zijn kind of bij de plaatsing van een kind in een opvanggezin in het kader van de pleegzorg" vervangen door de woorden "bij de geboorte of bij de adoptie van zijn kind";
  b) in het derde lid wordt de bepaling onder 3° opgeheven;
  c) in het vierde lid, worden de woorden "of dat ten minste 9 punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag" ingevoegd tussen de woorden "betreffende de kinderbijslag" en de woorden ", is er geen leeftijdsgrens".
Art. 12. Dans l'article 31, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 30 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans l'alinéa 1er, les mots " lors de la naissance, de l'adoption de son enfant ou le placement d'un enfant dans une famille d'accueil dans le cadre de la politique d'accueil " sont remplacés par les mots " lors de la naissance ou de l'adoption de son enfant " ;
  b) dans l'alinéa 3, le 3° est supprimé ;
  c) dans l'alinéa 4, les mots " ou que 9 points au moins ont été reconnus dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales " sont insérés entre les mots " relative aux allocations familiales " et les mots " , il n'y a pas de limite d'âge ".
Art. 13. Het opschrift van hoofdstuk VI van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 7 oktober 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Hoofdstuk VI.- Adoptieverlof, opvangverlof, pleegouderverlof en pleegzorgverlof".
Art. 13. L'intitulé du chapitre VI du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 7 octobre 2013, est remplacé comme suit :
  " Chapitre VI. Congé d'adoption, congé d'accueil, congé parental d'accueil et congé pour soins d'accueil ".
Art. 14. Artikel 33 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 juli 2006 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 oktober 2013 en 30 juli 2018, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 33. § 1. Een adoptieverlof wordt toegestaan gedurende een periode van maximum zes weken aan het personeelslid dat een minderjarig kind adopteert.
  Het adoptieverlof van zes weken per adoptieouder wordt als volgt opgetrokken voor de adoptieouder of voor beide adoptieouders samen:
  1° met drie weken vanaf 1 november 2024;
  2° met vier weken vanaf 1 januari 2025;
  3° met vijf weken vanaf 1 januari 2027.
  In geval van twee adoptieouders worden deze bijkomende weken onderling tussen hen verdeeld.
  Het tweede lid is enkel van toepassing op aanvragen gebeurd overeenkomstig paragraaf 2 vanaf de inwerkingtreding van de betrokken optrekking en voor zover het adoptieverlof ten vroegste aanvangt vanaf diezelfde datum van inwerkingtreding.
  Het verlof kan worden gesplitst in weken en dient te worden genomen uiterlijk binnen de zeven maanden na de opname van het kind in het gezin van het personeelslid. In het kader van een interlandelijke adoptie kan het personeelslid op zijn vraag ten hoogste vier weken van dit verlof opnemen vooraleer het kind effectief in het gezin wordt opgenomen om de daadwerkelijke opvang van kind in zijn gezin voor te bereiden.
  § 2. Het personeelslid dat het verlof wenst te genieten bij toepassing van dit artikel deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. De mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
  Het personeelslid dient de volgende documenten voor te leggen:
  1° een attest, uitgereikt door de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap, waarin de toewijzing van het kind aan het personeelslid wordt bevestigd, om het verlof van ten hoogste vier weken te verkrijgen vooraleer het kind wordt opgenomen in het gezin;
  2° een attest dat de inschrijving van het kind in het bevolkings- of vreemdelingenregister bevestigt om het resterend verlof te kunnen opnemen;
  3° een verklaring op eer die, al naargelang het geval, de verdeling van de bijkomende weken adoptieverlof tussen de twee adoptieouders of de toewijzing van deze weken aan de enige adoptieouder die van dit verlof gebruik maakt, vastlegt. Deze verklaring op eer is enkel nodig als het adoptiegezin bestaat uit twee adoptieouders.
  § 3. De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld, wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66% of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten worden toegekend in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag of dat ten minste 9 punten worden toegekend in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag.
  De maximumduur van het adoptieverlof wordt met twee weken per adoptieouder verlengd bij de gelijktijdige adoptie van meerdere minderjarige kinderen.
  De maximumduur van het adoptieverlof wordt verminderd met vier weken, wanneer het personeelslid voor hetzelfde kind een omstandigheidsverlof in toepassing van artikel 11, eerste lid, 2°, of een geboorteverlof in toepassing van artikel 30, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten heeft genoten.
  De maximumduur van het adoptieverlof wordt verminderd met het aantal weken opvangverlof in toepassing van artikel 33bis dat het personeelslid reeds heeft genoten voor hetzelfde kind.".
Art. 14. L'article 33 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 12 juillet 2006 et modifié par les arrêtés royaux du 7 octobre 2013 et du 30 juillet 2018, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 33. § 1er. Un congé d'adoption est accordé pendant une période de maximum six semaines au membre du personnel qui adopte un enfant mineur.
  Le congé d'adoption de six semaines par parent adoptif est allongé pour le parent adoptif ou pour les deux parents adoptifs ensemble :
  1° de trois semaines à partir du 1er novembre 2024 ;
  2° de quatre semaines à partir du 1er janvier 2025 ;
  3° de cinq semaines à partir du 1er janvier 2027.
  S'il y a deux parents adoptifs, ceux-ci se répartissent entre eux les semaines supplémentaires.
  L'alinéa 2 ne s'applique qu'aux demandes introduites conformément au paragraphe 2 à partir de l'entrée en vigueur de l'allongement concerné et pour autant que le congé d'adoption prenne cours au plus tôt à partir de la même date d'entrée en vigueur.
  Le congé peut être fractionné par semaine et doit être pris au plus tard dans les sept mois qui suivent l'accueil de l'enfant dans la famille du membre du personnel. Dans le cadre d'une adoption internationale, le membre du personnel peut, à sa demande, prendre maximum quatre semaines de ce congé avant que l'enfant ne soit effectivement accueilli dans la famille afin de préparer l'accueil effectif de l'enfant dans sa famille.
  § 2. Le membre du personnel qui souhaite bénéficier du congé par application du présent article communique à l'autorité dont il relève la date à laquelle le congé prendra cours et sa durée. Cette communication se fait par écrit au moins un mois avant le début du congé à moins que l'autorité n'accepte un délai plus court à la demande de l'intéressé.
  Le membre du personnel doit présenter les documents suivants :
  1° une attestation, délivrée par l'autorité centrale communautaire compétente, qui confirme l'attribution de l'enfant au membre du personnel pour obtenir le congé de quatre semaines au plus avant que l'enfant ne soit accueilli dans la famille ;
  2° une attestation qui confirme l'inscription de l'enfant au registre de la population ou au registre des étrangers pour pouvoir prendre le congé restant ;
  3° une déclaration sur l'honneur attestant, selon le cas, de la répartition des semaines supplémentaires de congé d'adoption entre les deux parents adoptifs ou de l'attribution de ces semaines au seul parent adoptif qui utilise ce congé. Cette déclaration sur l'honneur n'est nécessaire que si la famille adoptive se compose de deux parents adoptifs.
  § 3. La durée maximum du congé d'adoption est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66% au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ou d'au moins 9 points dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
  La durée maximum du congé d'adoption est allongé de deux semaines par parent adoptif en cas d'adoption simultanée de plusieurs enfants mineurs.
  La durée maximum du congé d'adoption est réduite de quatre semaines, lorsque le membre du personnel a obtenu pour le même enfant un congé de circonstances en application de l'article 11, alinéa 1er, 2°, ou un congé à l'occasion d'une naissance en application de l'article 30, § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
  La durée maximum du congé d'adoption est réduite du nombre de semaines de congé d'accueil en application de l'article 33bis, que le membre du personnel a déjà obtenu pour le même enfant. ".
Art. 15. In artikel 33bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "of die een minderjarige opneemt in zijn gezin ingevolge een rechterlijke beslissing tot plaatsing in een opvanggezin" opgeheven;
  2° het derde lid wordt aangevuld met de woorden "of dat ten minste 9 punten worden toegekend in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag".
Art. 15. A l'article 33bis du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 12 juillet 2006, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots " ou qui accueille un mineur dans sa famille suite à une décision judiciaire de placement dans une famille d'accueil " sont abrogés ;
  2° l'alinéa 3 est complété par les mots " ou que 9 points au moins ont été reconnus dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ".
Art. 16. In hetzelfde besluit wordt een artikel 33quater ingevoegd, luidende:
  "Art. 33quater. § 1. Onverminderd artikel 33ter, heeft het personeelslid dat is aangesteld als pleegouder door de rechtbank, door een door een gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming en die naar aanleiding van een plaatsing in het kader van een langdurige pleegzorg een minderjarig kind in zijn gezin onthaalt, met het oog op de zorg voor dit kind, eenmalig recht op pleegouderverlof gedurende een aaneengesloten periode van maximum zes weken.
  Indien het personeelslid ervoor kiest om niet het toegestane maximum aantal weken pleegouderverlof op te nemen, dient het verlof ten minste een week of een veelvoud van een week te bedragen.
  Het pleegouderverlof van zes weken per ouder wordt als volgt opgetrokken voor de pleegouder of voor beide pleegouders samen:
  1° met drie weken vanaf 1 november 2024;
  2° met vier weken vanaf 1 januari 2025;
  3° met vijf weken vanaf 1 januari 2027.
  Het derde lid is enkel van toepassing op aanvragen gebeurd overeenkomstig paragraaf 2 vanaf de inwerkingtreding van de betrokken optrekking en voor zover het pleegouderverlof ten vroegste aanvangt vanaf diezelfde datum van inwerkingtreding.
  Indien het pleeggezin bestaat uit twee personen, die beiden zijn aangesteld als pleegouder van het kind, worden de bijkomende weken bedoeld in het derde lid onderling tussen hen verdeeld.
  § 2. Om het recht op pleegouderverlof te kunnen uitoefenen, moet dit verlof een aanvang nemen binnen twaalf maanden volgend op de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin van het personeelslid in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar hij zijn verblijfplaats heeft.
  Het personeelslid dat het verlof wenst te genieten bij toepassing van dit artikel deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. De mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
  Het personeelslid dient, ten laatste bij de aanvang van het pleegouderverlof, de volgende documenten voor te leggen:
  1° de documenten ter staving van de gebeurtenis die het recht op pleegouderverlof doet ontstaan;
  2° een verklaring op eer die, al naargelang het geval, de verdeling van de bijkomende weken pleegouderverlof tussen de twee pleegouders of de toewijzing van deze weken aan de enige pleegouder die van dit verlof gebruik maakt, vastlegt. Deze verklaring op eer is enkel nodig als het pleeggezin bestaat uit twee pleegouders.
  § 3. De maximumduur van het pleegouderverlof wordt verdubbeld, wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten worden toegekend in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag of dat ten minste 9 punten worden toegekend in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag.
  De maximumduur van het pleegouderverlof wordt met twee weken per pleegouder verlengd ingeval van gelijktijdig onthaal van meerdere minderjarige kinderen naar aanleiding van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg.
  De maximumduur van het pleegouderverlof wordt verminderd met het aantal weken opvangverlof in toepassing van artikel 33bis dat het personeelslid reeds heeft genoten voor hetzelfde kind.".
Art. 16. Dans le même arrêté, il est inséré un article 33quater, rédigé comme suit :
  " Art. 33quater. § 1er. Sans préjudice de l'article 33ter, le membre du personnel qui est désigné comme parent d'accueil par le tribunal, par un service de placement agréé par une communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse et qui dans le cadre d'un placement familial de longue durée, accueille un enfant mineur dans sa famille, a droit une seule fois, pour prendre soin de cet enfant, à un congé parental d'accueil pendant une période ininterrompue de maximum six semaines.
  Dans le cas où le membre du personnel choisit de ne pas prendre le nombre maximal de semaines prévues dans le cadre du congé parental d'accueil, le congé doit être au moins d'une semaine ou d'un multiple d'une semaine.
  Le congé parental d'accueil de six semaines par parent est allongé de la manière suivante pour le parent d'accueil ou pour les deux parents d'accueil ensemble :
  1° de trois semaines à partir du 1er novembre 2024;
  2° de quatre semaines à partir du 1er janvier 2025;
  3° de cinq semaines à partir du 1er janvier 2027.
  L'alinéa 3 ne s'applique qu'aux demandes introduites conformément au paragraphe 2 à partir de l'entrée en vigueur de l'allongement concerné et pour autant que le congé parental d'accueil prenne cours au plus tôt à partir de la même date d'entrée en vigueur.
  Si la famille d'accueil comprend deux personnes, qui sont désignées ensemble comme parent d'accueil de l'enfant, ceux-ci se répartissent entre eux les semaines supplémentaires visées à l'alinéa 3.
  § 2. Pour pouvoir exercer le droit au congé parental d'accueil, ce congé doit prendre cours dans les douze mois qui suivent l'inscription de l'enfant comme faisant partie du ménage du membre du personnel dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers de sa commune de résidence.
  Le membre du personnel qui souhaite bénéficier du congé par application du présent article communique à l'autorité dont il relève la date à laquelle le congé prendra cours et sa durée. La communication se fait par écrit au minimum un mois avant le début du congé, sauf si l'autorité accepte un délai plus court à la demande de la personne intéressée.
  Le membre du personnel doit, au plus tard au début du congé parental d'accueil, présenter les documents suivants :
  1° les documents attestant l'évènement qui ouvre le droit au congé parental d'accueil ;
  2° une déclaration sur l'honneur attestant, selon le cas, de la répartition des semaines supplémentaires de congé parental d'accueil entre les deux parents d'accueil ou de l'attribution de ces semaines au seul parent d'accueil qui utilise ce congé. Cette déclaration sur l'honneur n'est nécessaire que si la famille d'accueil se compose de deux parents d'accueil.
  § 3. La durée maximum du congé parental d'accueil est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ou d'au moins 9 points dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
  La durée maximum du congé parental d'accueil est allongée de deux semaines par parent d'accueil en cas d'accueil simultané de plusieurs enfants mineurs dans le cadre d'un placement de longue durée.
  La durée maximum du congé parental d'accueil est réduite du nombre de semaines de congé d'accueil en application de l'article 33bis, que le membre du personnel a déjà obtenu pour le même enfant. ".
Art. 17. In artikel 34 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 7 oktober 2013, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
  "Het adoptieverlof, het opvangverlof, het pleegzorgverlof en het pleegouderverlof worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.".
Art. 17. Dans l'article 34 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 7 octobre 2013, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Le congé d'adoption, le congé d'accueil, le congé pour soins d'accueil et le congé parental d'accueil sont assimilés à une période d'activité de service. ".
Art. 18. In artikel 35, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 7 oktober 2013, worden de woorden "vijfenveertig werkdagen" vervangen door de woorden "twintig werkdagen".
Art. 18. Dans l'article 35, alinéa 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 7 octobre 2013, les mots " quarante cinq jours ouvrables " sont remplacés par les mots " vingt jours ouvrables ".
Art. 19. Artikel 37 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 juli 2004, wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Voorafgaand aan de vermindering bepaald in het eerste lid wordt de maximumduur van het verlof om dwingende redenen van familiaal belang voor het personeelslid in dienst genomen met een arbeidsovereenkomst verminderd met de maximumduur van het verlof bedoeld in artikel 30bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Voor deze berekening wordt één werkdag verlof om dwingende redenen van familiaal belang gelijkgesteld met één dag verlof om dwingende redenen in toepassing van artikel 30bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.".
Art. 19. L'article 37 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 14 juillet 2004, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Préalablement à la réduction visée à l'alinéa 1er, la durée maximum du congé pour motifs impérieux d'ordre familial est réduite, pour le membre du personnel engagé par contrat de travail, de la durée maximum du congé visé à l'article 30bis de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. Pour ce calcul, un jour ouvrable de congé pour motifs impérieux d'ordre familial est assimilé à un jour de congé pour raisons impérieuses en application de l'article 30bis de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. ".
Art. 20. In artikel 44bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 7 oktober 2013, worden de woorden "directeur-generaal van het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie" vervangen door de woorden "directeur van de Stafdienst Personeel en Organisatie".
Art. 20. Dans l'article 44bis du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 7 octobre 2013, les mots " directeur général de la Direction générale de l'Organisation judiciaire " sont remplacés par les mots " directeur du Service d'encadrement Personnel et Organisation ".
Art. 21. In artikel 46 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) het eerste lid wordt aangevuld met de bepaling onder 3°, luidende:
  "3° wanneer hij als persoon met een handicap, verhinderd is voltijds te werken als gevolg van zijn handicap; onder "persoon met een handicap" wordt verstaan de persoon bedoeld onder artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende de inclusie van personen met een handicap en redelijke aanpassingen tijdens selecties.";
  b) het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "In afwijking van het eerste lid, 1°, kan het personeelslid eveneens vragen om zijn ambt met verminderde prestaties wegens medische redenen uit te oefenen wanneer hij na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van tenminste dertig dagen het werk minder dan tien werkdagen heeft hervat.".
Art. 21. Dans l'article 46 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 20 juillet 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  a) l'alinéa 1er est complété par le 3° rédigé comme suit :
  " 3° lorsque, en tant que personne handicapée, il est empêché de travailler à temps plein en conséquence de son handicap ; par " personne handicapée ", on entend la personne visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 6 octobre 2005 portant l'inclusion des personnes handicapées et des aménagements raisonnables lors de sélections. " ;
  b) l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, le membre du personnel peut également demander d'exercer sa fonction dans le cadre de prestations réduites pour raisons médicales lorsqu'il a repris le travail pour moins de dix jours ouvrables après une absence ininterrompue pour maladie de minimum trente jours. ".
Art. 22. In artikel 47 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
  " § 1. Het personeelslid bedoeld in artikel 46, eerste lid, 1°, kan zijn ambt opnieuw opnemen ten belope van 40 %, 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties voor een periode van maximum vier maanden.
  De verminderde prestaties mogen worden toegestaan voor een periode van één maand, tenzij de arts van het Bestuur van de medische expertise uitdrukkelijk beslist om meerdere aansluitende maanden toe te staan. Verlengingen mogen worden toegestaan indien het Bestuur van de medische expertise bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de gezondheidstoestand van het personeelslid dit wettigt en op voorwaarde dat de maximumduur van vier maanden nog niet wordt overschreden. De bepalingen van artikel 49 zijn van toepassing.";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "bedoeld in artikel 46, 2°, kan zijn ambt opnieuw opnemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties voor een periode van maximum twaalf maanden" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 46, eerste lid, 2°, kan zijn ambt opnieuw opnemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van de normale prestaties voor een periode van maximum vierentwintig maanden";
  3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "ten hoogste twaalf maanden" vervangen door de woorden "ten hoogste vierentwintig maanden";
  4° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, luidende:
  " § 2/1. Het personeelslid, bedoeld in artikel 46, eerste lid, 3°, kan zijn ambt opnemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van de normale prestaties voor een periode van maximum vierentwintig maanden, tenzij de arts van het Bestuur van de medische expertise oordeelt dat het nieuw onderzoek vroeger moet plaatsvinden.
  Mits aan de in het eerste lid bedoelde maximumperiode van vierentwintig maanden is voldaan, mogen de verlengingen worden toegestaan, indien het Bestuur van de medische expertise bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de gezondheidstoestand van het personeelslid dit wettigt. De bepalingen van artikel 49 zijn van toepassing.";
  5° in paragraaf 3 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
  "Bij elk onderzoek oordeelt de arts van het Bestuur van de medische expertise of het personeelslid geschikt is om een bepaald arbeidspercentage van de normale prestaties zoals bedoeld in paragrafen 1, 2 en 2/1 te leveren.";
  6° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "bedoeld in paragraaf 2" vervangen door de woorden "bedoeld in paragrafen 2 en 2/1";
  7° in paragraaf 4, tweede lid, worden de woorden "bedoeld in paragraaf 2" vervangen door de woorden "bedoeld in paragrafen 2 en 2/1".
Art. 22. A l'article 47 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 20 juillet 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Le membre du personnel visé à l'article 46, alinéa 1er, 1°, peut reprendre sa fonction à concurrence de 40 %, 50 %, 60 % ou 80 % de ses prestations normales pour une période de maximum quatre mois.
  Les prestations réduites peuvent être accordées pour une période d'un mois sauf si le médecin de l'Administration de l'expertise médicale décide explicitement d'accorder plusieurs mois consécutifs. Les prolongations peuvent être accordées si l'Administration de l'expertise médicale estime lors d'un nouvel examen que l'état de santé du membre du personnel le justifie et à condition que la durée maximum de quatre mois ne soit pas encore dépassée. Les dispositions de l'article 49 sont d'application. " ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " visé à l'article 46, 2°, peut reprendre sa fonction à concurrence de 50 %, 60 % ou 80 % de ses prestations normales pour une période de maximum douze mois " sont remplacés par les mots " visé à l'article 46, alinéa 1er, 2°, peut reprendre sa fonction à concurrence de 50 %, 60 % ou 80 % des prestations normales pour une période de maximum vingt-quatre mois " ;
  3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots " tout au plus douze mois " sont remplacés par les mots " tout au plus vingt-quatre mois " ;
  4° il est inséré un paragraphe 2/1 rédigé comme suit :
  " § 2/1. Le membre du personnel visé à l'article 46, alinéa 1er, 3°, peut reprendre sa fonction à concurrence de 50 %, 60 % ou 80 % des prestations normales pour une période de maximum vingt-quatre mois sauf si le médecin de l'Administration de l'expertise médicale estime que le nouvel examen doit avoir lieu plus tôt.
  Pour autant que la période maximum de vingt-quatre mois visée à l'alinéa 1er soit respectée, des prolongations peuvent être accordées si l'Administration de l'expertise médicale estime lors d'un nouvel examen que l'état de santé du membre du personnel le justifie. Les dispositions de l'article 49 sont d'application. " ;
  5° dans le paragraphe 3, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " A chaque examen, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale juge si le membre du personnel est apte à prester un pourcentage de travail déterminé des prestations normales tel que visé aux paragraphes 1er, 2 et 2/1. " ;
  6° dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots " visé au paragraphe 2 " sont remplacés par les mots " visé aux paragraphes 2 et 2/1 " ;
  7° dans le paragraphe 4, alinéa 2, les mots " visées au paragraphe 2 " sont remplacés par les mots " visées aux paragraphes 2 et 2/1 ".
Art. 23. In artikel 48 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 juli 2010 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 7 oktober 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
  "Het personeelslid, bedoeld in artikel 46, eerste lid, 1°, 2° en 3°, geniet zijn volledige wedde voor de eerste vier maanden van de verminderde prestaties wegens medische redenen.";
  2° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "Het personeelslid, bedoeld in artikel 46, 2°, geniet vanaf de vierde maand" vervangen door de woorden "Het personeelslid, bedoeld in artikel 46, eerste lid, 2° en 3°, geniet vanaf de vijfde maand";
  3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "artikel 46, 2° " vervangen door de woorden `artikel 46, eerste lid, 2° en 3° ".
Art. 23. A l'article 48 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 20 juillet 2010 et modifié par l'arrêté royal du 7 octobre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Le membre du personnel visé à l'article 46, alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, bénéficie de son traitement complet pour les quatre premiers mois des prestations réduites pour raisons médicales. " ;
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots " Le membre du personnel visé à l'article 46, 2°, bénéficie à partir du quatrième mois " sont remplacés par les mots " Le membre du personnel visé à l'article 46, alinéa 1er, 2° et 3°, bénéficie à partir du cinquième mois " ;
  3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " article 46, 2° " sont remplacés par les mots " article 46, alinéa 1er, 2° et 3° ".
Art. 24. In artikel 49 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, worden het tweede en het derde lid vervangen als volgt:
  "Het personeelslid, bedoeld in artikel 46, eerste lid, 1°, dient een voorstel tot planning van de verminderde prestaties wegens medische redenen voor te leggen van zijn behandelend arts. In het voorstel vermeldt de behandelend arts de vermoedelijke datum van de volledige werkhervatting en de progressiviteit van de verminderde prestaties. Bij ontstentenis van het progressief karakter van de verminderde prestaties vermeldt de behandelend arts de medische reden hiervan.
  Het personeelslid, bedoeld in artikel 46, eerste lid, 2° en 3°, dient een recent omstandig geneeskundig verslag voor te leggen van een arts-specialist. In dit verslag vermeldt de arts-specialist de vermoedelijke aanvangsdatum van de verminderde prestaties en het voorgestelde arbeidspercentage, alsook de medische redenen die dit arbeidspercentage verantwoorden.";
  2° in paragraaf 2, worden de woorden "ten belope van 50%, 60% of 80%" vervangen door de woorden "ten belope van een arbeidspercentage bedoeld in artikel 47";
  3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "artikel 46, 1° en 2° " vervangen door de woorden "artikel 46, eerste lid, 1°, 2° en 3° ";
  4° in paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "ter post aangetekende brief" vervangen door de woorden "aangetekende zending".
Art. 24. A l'article 49 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 20 juillet 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les alinéas 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit :
  " Le membre du personnel, visé à l'article 46, alinéa 1er, 1°, doit produire une proposition de planning de prestations réduites pour raisons médicales établie par son médecin traitant. Dans la proposition, le médecin traitant mentionne la date probable de reprise intégrale du travail, ainsi que la progressivité des prestations réduites. A défaut du caractère progressif des prestations réduites, le médecin traitant en indique la raison médicale.
  Le membre du personnel, visé à l'article 46, alinéa 1er, 2° et 3°, doit présenter un rapport médical détaillé récent établi par un médecin spécialiste. Dans ce rapport, le médecin spécialiste mentionne la date probable du début des prestations réduites et le pourcentage de travail proposé, ainsi que les raisons médicales justifiant ce pourcentage de travail. " ;
  2° dans le paragraphe 2, les mots " à concurrence de 50 %, de 60 % ou de 80 % " sont remplacés par les mots " à concurrence d'un pourcentage de travail visé à l'article 47 " ;
  3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " article 46, 1° et 2° " sont remplacés par les mots " article 46, alinéa 1er, 1°, 2° et 3° " ;
  4° dans le paragraphe 3, alinéa 4, les mots " lettre recommandée à la poste " sont remplacés par les mots " envoi recommandé ".
Art. 25. In artikel 50 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, worden de woorden "ten belope van 50 %, 60 % of 80 %" vervangen door de woorden "ten belope van een arbeidspercentage, bedoeld in artikel 47" en worden de woorden "directeur-generaal van het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie" vervangen door de woorden "directeur van de Stafdienst Personeel en Organisatie":
  2° in het tweede lid, worden de woorden "directeur-generaal van het Directoraat-generaal Rechterlijke organisatie" vervangen door de woorden "directeur van de Stafdienst Personeel en Organisatie".
Art. 25. A l'article 50 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 20 juillet 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots " à concurrence de 50 %, de 60 % ou de 80 % " sont remplacés par les mots " à concurrence d'un pourcentage de travail visé à l'article 47 " et les mots " directeur général de la Direction générale de l'organisation judiciaire " sont remplacés par les mots " directeur du Service d'encadrement Personnel et Organisation " ;
  2° dans l'alinéa 2, les mots " directeur général de la Direction générale de l'organisation judiciaire " sont remplacés par les mots " directeur du Service d'encadrement Personnel et Organisation ".
Art. 26. In hoofdstuk IX van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 31 juli 2009 en laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 juli 2018, wordt een artikel 56/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 56/1. Tijdens een afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval heeft een personeelslid de mogelijkheid met het oog op zijn werkhervatting om deel te nemen aan opleidingsactiviteiten en aan activiteiten in het kader van terug-naar-werkbegeleiding.".
Art. 26. Dans le chapitre IX du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 31 juillet 2009 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 30 juillet 2018, il est inséré un article 56/1 rédigé comme suit :
  " Art. 56/1. Pendant une absence par suite de maladie ou accident, un membre du personnel a la possibilité, en vue de sa reprise du travail, de participer à des activités de formation et à des activités dans le cadre de l'accompagnement retour au travail. ".
Art. 27. In artikel 57, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 31 juli 2009, worden de woorden "twee maal" vervangen door de woorden "drie maal".
Art. 27. A l'article 57, alinéa 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 31 juillet 2009, les mots " à deux reprises " sont remplacés par les mots " à trois reprises ".
Art. 28. In artikel 59, zesde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 31 juli 2009, worden de woorden "ter post aangetekende brief" vervangen door de woorden "aangetekende zending".
Art. 28. Dans l'article 59, alinéa 6, du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 31 juillet 2009, les mots " lettre recommandée à la poste " sont remplacés par les mots " envoi recommandé ".
Art. 29. Artikel 60 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 31 juli 2009, wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Het personeelslid dient een gemotiveerde aanbeveling van zijn behandelend arts voor te leggen waaruit blijkt dat het verblijf in het buitenland de genezing en/of de behandeling niet in gevaar brengt. De arts vermeldt eveneens de begin- en einddatum van de aangevraagde verblijfperiode in het buitenland.".
Art. 29. L'article 60 du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 31 juillet 2009, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Le membre du personnel doit soumettre une recommandation motivée de son médecin traitant qui démontre que le séjour à l'étranger ne met pas en danger la guérison et/ou le traitement. Le médecin mentionne également les dates de début et de fin de la période de séjour à l'étranger demandée. ".
Art. 30. In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk IXquater ingevoegd met titel "Het re-integratietraject van een personeelslid bij ziekte of ongeval", bestaand uit de artikelen 60ter tot 60quinquies, luidende:
  "Hoofdstuk IXquater. Het re-integratietraject van een personeelslid bij ziekte of ongeval.
Art. 30. Dans le même arrêté, un chapitre IXquater intitulé " Le trajet de réintégration d'un membre du personnel en cas de maladie ou d'accident ", est inséré, comportant les articles 60ter à 60quinquies, rédigé comme suit :
  " Chapitre IXquater. Le trajet de réintégration d'un membre du personnel en cas de maladie ou d'accident.
Art. 60ter. Dit hoofdstuk beoogt de re-integratie te bevorderen van het personeelslid dat afwezig is wegens ziekte en ongeval met uitsluiting van de afwezigheden als gevolg van een arbeidsongeval, een ongeval van en naar het werk en een beroepsziekte.
  Voor de toepassing van hoofdstuk VI van titel 4 van boek I van de Codex over het welzijn op het werk wordt de rol van de arts van het Bestuur van de medische expertise zoals bepaald in dit hoofdstuk gelijkgesteld met de rol van de adviserend arts.
Art. 60ter. Le présent chapitre vise à promouvoir la réintégration du membre du personnel qui est absent pour cause de maladie et d'accident, à l'exclusion des absences à la suite d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail et d'une maladie professionnelle.
  Pour l'application du chapitre VI du titre 4 du livre 1er du code du bien-être au travail, le rôle du médecin de l'Administration de l'expertise médicale visé dans ce chapitre est assimilé au rôle du médecin-conseil.
Art. 60quater. § 1. Ten laatste tien weken na de aanvang van de afwezigheidsperiode wegens ziekte of ongeval maakt de arts van het Bestuur van de medische expertise, op basis van het medisch dossier van het personeelslid, een eerste inschatting van diens restcapaciteit op.
  § 2. De arts van het Bestuur van de medische expertise plaatst het personeelslid op basis van de inschatting in één van de volgende vier categorieën:
  1° categorie 1: er kan redelijkerwijze worden aangenomen dat het personeelslid uiterlijk tegen het einde van de zesde maand van de afwezigheid wegens ziekte spontaan zijn functie opnieuw kan uitoefenen;
  2° categorie 2: een werkhervatting lijkt om medische redenen niet tot de mogelijkheden te behoren;
  3° categorie 3: een werkhervatting is voorlopig niet aan de orde, omdat de prioriteit dient uit te gaan naar de medische diagnose of de medische behandeling;
  4° categorie 4: een werkhervatting lijkt mogelijk te zijn door het aanbieden van tijdelijk of definitief aangepast werk of ander werk.
  § 3. De arts van het Bestuur van de medische expertise gaat niet tot de in de paragraaf 1 bedoelde inschatting over als het personeelslid de preventieadviseur-arbeidsarts al verzocht heeft om een re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van titel 4 van boek I van de Codex over het welzijn op het werk, op te starten.
Art. 60quater. § 1er. Au plus tard dix semaines après le début de la période d'absence pour cause de maladie ou d'accident, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale effectue, sur la base du dossier médical du membre du personnel, une première estimation des capacités restantes du membre du personnel.
  § 2. Sur la base de l'estimation, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale classe le membre du personnel dans une des quatre catégories suivantes :
  1° catégorie 1 : il peut être présumé raisonnablement qu'au plus tard à la fin du sixième mois de l'absence pour maladie, le membre du personnel pourra spontanément exercer à nouveau sa fonction ;
  2° catégorie 2 : une reprise du travail ne semble pas possible pour des raisons médicales ;
  3° catégorie 3 : une reprise du travail n'est momentanément pas d'actualité parce que la priorité doit être accordée au diagnostic médical ou au traitement médical ;
  4° catégorie 4 : une reprise du travail semble possible par la proposition d'un travail adapté temporairement ou définitivement ou d'un autre travail.
  § 3. Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale ne procède pas à l'estimation visée au paragraphe 1er si le membre du personnel a déjà demandé au conseiller en prévention-médecin du travail de démarrer un trajet de réintégration visé au chapitre VI du titre 4 du livre Ier du code du bien-être au travail.
Art. 60quinquies. § 1. In de volgende gevallen en mits de toestemming van het personeelslid verwijst de arts van het Bestuur van de medische expertise het personeelslid door naar de preventieadviseur-arbeidsarts met het oog op het onderzoek om een re-integratietraject op te kunnen starten zoals bedoeld in hoofdstuk VI van titel 4 van boek I van de Codex over het welzijn op het werk:
  1° het personeelslid is, op het moment van de in artikel 60quater bedoelde inschatting, geplaatst in categorie 1. Het personeelslid is nog altijd afwezig wegens ziekte of ongeval na zes maanden en de arts van het Bestuur van de medische expertise maakt, op basis van het medisch dossier van het personeelslid, een nieuwe inschatting dat een werkhervatting mogelijk lijkt te zijn door het aanbieden van tijdelijk of definitief aangepast werk of ander werk;
  2° het personeelslid is, op het moment van de in artikel 60quater, bedoelde inschatting, geplaatst in categorie 3. De arts van het Bestuur van de medische expertise herbekijkt om de twee maanden de situatie van het personeelslid. Bij dergelijke herevaluatie is gebleken dat voor het personeelslid een werkhervatting mogelijk lijkt te zijn door het aanbieden van tijdelijk of definitief aangepast werk of ander werk;
  3° het personeelslid wordt overeenkomstig artikel 60quater, in categorie 4 geplaatst.
  De arts van het Bestuur van de medische expertise consulteert de preventieadviseur-arbeidsarts zes maanden na doorverwijzing om de status te kennen. Indien een re-integratietraject werd opgestart, zal de arts van het Bestuur van de medische expertise om de drie maanden de preventieadviseur-arbeidsarts consulteren teneinde de actuele status te kennen. Indien op dat moment nog geen re-integratietraject werd opgestart, zal de arts van het Bestuur van de medische expertise de situatie op basis van het dossier herevalueren en beslissen welke mogelijke stappen aangewezen zijn.
  § 2. Zodra de arts van het Bestuur van de medische expertise een kopie krijgt van het re-integratieplan overeenkomstig artikel I.4-74. van de Codex over het welzijn op het werk, gaat hij na of het uitvoeren van het re-integratieplan een einde maakt aan de arbeidsongeschiktheid.
  Indien dit re-integratieplan verminderde prestaties wegens medische redenen inhoudt zoals bepaald in artikel 46, is het personeelslid er niet toe gehouden om de toelating van de arts van het Bestuur van de medische expertise aan te vragen, maar gaat laatstgenoemde zelf na of het re-integratieplan overeenstemt met de voorwaarden voor de verminderde prestaties wegens medische redenen. In voorkomend geval beschrijft de arts van het Bestuur van de medische expertise de modaliteiten van zijn toelating.
  De arts van het Bestuur van de medische expertise deelt zo spoedig mogelijk zijn bevindingen met betrekking tot de verminderde prestaties wegens medische redenen aan de preventieadviseur-arbeidsarts mee.
  Als de arts van het Bestuur van de medische expertise geen reactie geeft binnen de drie weken na ontvangst van de kopie van het re-integratieplan, wordt er verondersteld dat de beslissing van de arts van het Bestuur van de medische expertise in verband met de verminderde prestaties wegens medische redenen positief is.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1, verwijst de arts van het Bestuur van de medische expertise het personeelslid niet door naar de preventieadviseur-arbeidsarts wanneer uit de inschatting blijkt dat de werkhervatting mogelijk lijkt te zijn met aangepast werk onder de vorm van verminderde prestaties wegens medische redenen.
  De arts van het Bestuur van de medische expertise nodigt het personeelslid uit om zijn medische toestand en de toekenning van de verminderde prestaties wegens medische redenen zoals bedoeld in artikel 46, eerste lid, 1°, te beoordelen. De bepalingen van artikel 47, artikel 48, artikel 49, § 2 en § 3 en artikel 50 zijn van toepassing.
  De arts van het Bestuur van de medische expertise bepaalt de aanvangsdatum en de duur van de machtiging tot verminderde prestaties wegens medische redenen in toepassing van artikel 47, § 1.".
Art. 60quinquies. § 1er. Dans les cas suivants et moyennant le consentement du membre du personnel, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale renvoie le membre du personnel au conseiller en prévention-médecin du travail en vue de l'examen visant à démarrer un trajet de réintégration visé au chapitre VI du titre 4 du livre Ier du code du bien-être au travail :
  1° le membre du personnel est classé en catégorie 1 au moment de l'estimation visée à l'article 60quater. Le membre du personnel est encore toujours absent pour cause de maladie ou d'accident après six mois et le médecin de l'Administration de l'expertise médicale effectue, sur la base du dossier médical du membre du personnel, une nouvelle estimation selon laquelle une reprise du travail semble possible par la proposition d'un travail adapté temporairement ou définitivement ou d'un autre travail ;
  2° le membre du personnel est classé en catégorie 3 au moment de l'estimation visée à l'article 60quater. Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale réévalue tous les deux mois la situation du membre du personnel. Une telle évaluation a laissé apparaître qu'une reprise du travail semble possible pour le membre du personnel par la proposition d'un travail adapté temporairement ou définitivement ou d'un autre travail ;
  3° le membre du personnel est classé en catégorie 4 conformément à l'article 60quater.
  Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale consulte le conseiller en prévention-médecin du travail six mois après le renvoi afin de connaître le statut. Si un trajet de réintégration a été démarré, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale consultera tous les trois mois le conseiller en prévention-médecin du travail afin de connaître le statut actuel. Si, à ce moment-là, aucun trajet de réintégration n'a encore été démarré, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale réévaluera la situation sur la base du dossier et décidera des étapes éventuelles appropriées.
  § 2. Dès que le médecin de l'Administration de l'expertise médicale reçoit une copie du plan de réintégration conformément à l'article I.4-74. du code du bien-être au travail, il vérifie si l'exécution du plan de réintégration met fin à l'état d'incapacité de travail.
  Si ce plan de réintégration comprend des prestations réduites pour raisons médicales comme prévu à l'article 46, le membre du personnel n'est pas obligé de demander l'autorisation du médecin de l'Administration de l'expertise médicale, mais ce dernier vérifiera lui-même si le plan de réintégration répond aux conditions posées pour les prestations réduites pour raisons médicales. Le cas échéant, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale décrit les modalités de son autorisation.
  Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale communique le plus rapidement possible au conseiller en prévention-médecin du travail ses conclusions quant aux prestations réduites pour raisons médicales.
  Lorsque le médecin de l'Administration de l'expertise médicale ne réagit pas dans les trois semaines après la réception de la copie du plan de réintégration, il est présumé que la décision du médecin de l'Administration de l'expertise médicale concernant les prestations réduites pour raisons médicales est positive.
  § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale ne renvoie pas le membre du personnel au conseiller en prévention-médecin du travail s'il ressort de l'estimation que la reprise du travail semble être possible avec du travail adapté sous forme de prestations réduites pour raisons médicales.
  Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale invite le membre du personnel à évaluer sa situation médicale et l'octroi des prestations réduites pour raisons médicales telles que visées à l'article 46, alinéa 1er, 1°. Les dispositions de l'article 47, de l'article 48, de l'article 49, § 2 et § 3, et de l'article 50 sont d'application.
  Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale fixe la date initiale et la durée de l'autorisation des prestations réduites pour raisons médicales en application de l'article 47, § 1er. ".
Art. 31. In artikel 90 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 juli 2004 en 31 juli 2009, wordt de bepaling onder 1°, vervangen als volgt:
  "1° verlof in het kader van de moederschapsbescherming, omgezet moederschapsverlof, ouderschapsverlof, adoptieverlof, opvangverlof en pleegouderverlof;".
Art. 31. Dans l'article 90 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux du 14 juillet 2004 et du 31 juillet 2009, le 1° est remplacé comme suit :
  " 1° congé dans le cadre de la protection de la maternité, congé de maternité converti, congé parental, congé d'adoption, congé d'accueil et congé parental d'accueil ; ".
HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit van 10 november 2006 betreffende het statuut, de loopbaan en de bezoldigingsregeling van het gerechtspersoneel
CHAPITRE III. - Modification de l'arrêté royal du 10 novembre 2006 portant statut, carrière et statut pécuniaire du personnel judiciaire
Art. 32. In artikel 84, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 november 2006 betreffende het statuut, de loopbaan en de bezoldigingsregeling van het gerechtspersoneel, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 23 maart 2019, worden de woorden "en een loopbaanonderbreking voor erkende mantelzorg" ingevoegd tussen de woorden "of medische bijstand te verstrekken" en de woorden ", niet aangerekend".
Art. 32. Dans l'article 84, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 10 novembre 2006 portant statut, carrière et statut pécuniaire du personnel judiciaire, inséré par l'arrêté royal du 23 mars 2019, les mots " et une interruption de carrière pour aidants proches reconnus " sont insérés entre les mots " assistance médicale " et les mots " ne sont pas ".
HOOFDSTUK IV. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE IV. - Dispositions transitoires
Art. 33. Artikel 11 van het koninklijk besluit van 16 maart 2001 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan sommige personeelsleden van de diensten die de rechterlijke macht terzijde staan, zoals gewijzigd door artikel 8, is van toepassing op de omstandigheden die plaatsvinden na de inwerkingtreding van artikel 8.
Art. 33. L'article 11 de l'arrêté royal du 16 mars 2001 relatif aux congés et aux absences accordés à certains membres du personnel des services qui assistent le pouvoir judiciaire, tel que modifié par l'article 8 s'applique aux circonstances qui ont lieu après l'entrée en vigueur de l'article 8.
Art. 34. Artikel 11/1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 16 maart 2001 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan sommige personeelsleden van de diensten die de rechterlijke macht terzijde staan, ingevoegd bij artikel 9, is van toepassing op de omstandigheden die plaatsvinden na de inwerkingtreding van artikel 9.
Art. 34. L'article 11/1, alinéa 2, de l'arrêté royal du 16 mars 2001 relatif aux congés et aux absences accordés à certains membres du personnel des services qui assistent le pouvoir judiciaire, inséré par l'article 9, s'applique aux circonstances qui ont lieu après l'entrée en vigueur de l'article 9.
Art. 35. Artikel 33 van het koninklijk besluit van 16 maart 2001 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan sommige personeelsleden van de diensten die de rechterlijke macht terzijde staan, vervangen bij artikel 14, en artikel 33quater ingevoegd bij artikel 16, zijn enkel van toepassing op aanvragen die worden ingediend vanaf 1 november 2024 en voor zover het verlof ten vroegste aanvangt vanaf 1 november 2024.
Art. 35. L'article 33 de l'arrêté royal du 16 mars 2001 relatif aux congés et aux absences accordés à certains membres du personnel des services qui assistent le pouvoir judiciaire, remplacé par l'article 14, et l'article 33quater, inséré par l'article 16, s'appliquent aux demandes introduites à partir du 1er novembre 2024 et pour autant que le congé commence au plus tôt le 1er novembre 2024.
Art. 36. Artikelen 46 tot 50 van het koninklijk besluit van 16 maart 2001 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan sommige personeelsleden van de diensten die de rechterlijke macht terzijde staan, zoals gewijzigd door de artikelen 21 tot en met 25, zijn van toepassing op alle eerste aanvragen ingediend na de inwerkingtreding van deze artikelen en de verlengingen van de eerste aanvragen ingediend na de inwerkingtreding van deze artikelen, met uitzondering van de verlengingen aangevraagd voor de verminderde prestaties wegens medische redenen in toepassing van artikel 46, eerste lid, 1°.
Art. 36. Les articles 46 à 50 de l'arrêté royal du 16 mars 2001 relatif aux congés et aux absences accordés à certains membres du personnel des services qui assistent le pouvoir judiciaire tels que modifiés par les articles 21 à 25 s'appliquent à toutes les premières demandes introduites après l'entrée en vigueur de ces articles et aux prolongations des premières demandes introduites après l'entrée en vigueur de ces articles, à l'exception des prolongations demandées pour des prestations réduites pour raisons médicales en application de l'article 46, alinéa 1er, 1°.
Art. 37. Voor de personeelsleden die voor de inwerkingtreding van dit besluit, een uitzonderlijk verlof wegens overmacht hebben opgenomen in het jaar 2024, wordt de maximumduur van het zorgverlof voor 2024 verminderd met het reeds opgenomen uitzonderlijk verlof wegens overmacht.
Art. 37. Pour les membres du personnel ayant pris un congé exceptionnel pour cas de force majeure au cours de l'année 2024 avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, la durée maximum du congé d'aidant pour 2024 est réduite du congé exceptionnel pour cas de force majeure déjà pris.
Art. 38. Voor de personeelsleden die voor de bekendmaking van dit besluit een verlof om dwingende redenen van familiaal belang hebben opgenomen in het jaar 2024, mag de som van de verschillende verlofperiodes om dwingende redenen van familiaal belang tussen 1 januari 2024 en 31 december 2024 niet meer bedragen dan vijfenveertig werkdagen en mag de som van de verschillende verlofperiodes om dwingende redenen van familiaal belang tussen de bekendmaking van dit besluit en 31 december 2024 niet meer bedragen dan twintig werkdagen.
Art. 38. Pour les membres du personnel ayant pris un congé pour motifs impérieux d'ordre familial au cours de l'année 2024 avant la publication du présent arrêté, la somme des différentes périodes de congé pour motifs impérieux d'ordre familial entre le 1er janvier 2024 et le 31 décembre 2024 ne peut pas excéder quarante-cinq jours ouvrables, et la somme des différentes périodes de congé pour motifs impérieux d'ordre familial entre la publication du présent arrêté et le 31 décembre 2024 ne peut pas excéder vingt jours ouvrables.
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen
CHAPITRE V. - Dispositions finales
Art. 39. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na afloop van een termijn van tien dagen te rekenen van de dag volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van de artikelen 3, b), 24, 4° en 28 die in werking treden tien dagen na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad en het artikel 4, 2° dat in werking treedt op 1 januari 2025.
Art. 39. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du mois qui suit l'expiration d'un délai de dix jours prenant cours le jour suivant sa publication au Moniteur belge, à l'exception des articles 3, b), 24, 4° et 28 qui entrent en vigueur dix jours après la publication du présent arrêté et de l'article 4, 2° qui entre en vigueur le 1er janvier 2025.
Art. 40. De minister bevoegd voor Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 40. Le ministre qui a la Justice dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.