Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
5 JULI 2024. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende overdracht van personeel van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges naar de dienst van de Bestuursrechtscolleges en tot vaststelling van de rechtspositie van dit personeel en van de bestuursrechters van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, wat de nadere regeling van de rechtspositieregeling van de effectieve bestuursrechters betreft
Titre
5 JUILLET 2024. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 portant transfert du personnel de certaines juridictions administratives flamandes au Service des Juridictions administratives et fixant le statut de ce personnel et des juges administratifs de certaines juridictions administratives flamandes, en ce qui concerne les modalités du statut juridique des juges administratifs effectifs
Informations sur le document
Numac: 2024007995
Datum: 2024-07-05
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2024007995
Date: 2024-07-05
Moniteur: Voir
Table des matières
Table des matières
Tekst (7)
Texte (7)
Artikel 1. Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende overdracht van personeel van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges naar de dienst van de Bestuursrechtscolleges en tot vaststelling van de rechtspositie van dit personeel en van de bestuursrechters van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023, wordt vervangen door wat volgt:
  "Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
  1° advocaat: een persoon die als advocaat ingeschreven is op het tableau van de Orde der Advocaten of een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie die, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, gerechtigd is het beroep van advocaat uit te oefenen of een titel van advocaat te voeren;
  2° algemene vergadering: de algemene vergadering, vermeld in artikel 2, 5° van het decreet;
  3° bestuursrechter: de effectieve, aanvullende of plaatsvervangende bestuursrechter of de bijzitter, vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet;
  4° beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen, vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet:
  a) een aangetekende brief;
  b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
  c) elke andere door de Vlaamse Regering toegestane betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan vastgesteld worden;
  5° decreet: het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges;
  6° dienst van de Bestuursrechtscolleges: de dienst van de Bestuursrechtscolleges, vermeld in artikel 6 van het decreet;
  7° eerste voorzitter: de voorzitter van de algemene vergadering, vermeld in artikel 2, 6°, van het decreet;
  8° functioneel bevoegde minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving;
  9° selectiecommissie: de selectiecommissie, vermeld in artikel 49, § 4, van het decreet;
  10° tuchtoverheid: de instanties, vermeld in artikel 59 van het decreet;
  11° Vlaams bestuursrechtscollege: een van de volgende instanties, vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet:
  a) het Handhavingscollege, opgericht bij artikel 16.4.19, § 1, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
  b) de Raad voor Vergunningsbetwistingen, opgericht bij artikel 4.8.1. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
  c) de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, opgericht bij artikel 202 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011;
  d) de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, opgericht bij artikel II.285 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;
  12° voorzitter: de voorzitter van een Vlaams bestuursrechtscollege, vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet.
  Voor de toepassing van het VPS wordt:
  1° de entiteit dienst van de Bestuursrechtscolleges beschouwd als een entiteit als vermeld in artikel I 2, 3°, van het VPS;
  2° de eerste voorzitter beschouwd als een lijnmanager als vermeld in artikel I 2, 10°, van het VPS.".
Article 1er. L'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 portant transfert du personnel de certaines juridictions administratives flamandes au Service des Juridictions administratives et fixant le statut de ce personnel et des juges administratifs de certaines juridictions administratives flamandes, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023, est remplacé par ce qui suit :
  " Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
  1° avocat : une personne qui est inscrite en tant qu'avocat au tableau de l'Ordre des Avocats ou un ressortissant d'un Etat membre de l'Union européenne qui, selon les dispositions du Code judiciaire, est habilité à exercer la profession d'avocat ou à porter un titre d'avocat ;
  2° assemblée générale : l'assemblée générale, visée à l'article 2, 5°, du décret ;
  3° juge administratif : le juge administratif effectif, complémentaire ou suppléant ou l'assesseur, visé à l'article 2, 3°, du décret ;
  4° envoi sécurisé : une des façons de notification suivantes, visées à l'article 2, 8°, du décret :
  a) une lettre recommandée ;
  b) une remise contre récépissé ;
  c) toute autre modalité de notification autorisée par le Gouvernement flamand par laquelle la date de notification peut être établie avec certitude ;
  5° décret : le décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes ;
  6° service des Juridictions administratives : le service des Juridictions administratives, visé à l'article 6 du décret ;
  7° premier président : le président de l'assemblée générale, visé à l'article 2, 6°, du décret ;
  8° ministre fonctionnellement compétent : le ministre flamand, qui a la justice et le maintien dans ses attributions ;
  9° commission de sélection : la commission de sélection, visée à l'article 49, § 4, du décret ;
  10° autorité disciplinaire : les instances, visées à l'article 59 du décret ;
  11° juridiction administrative flamande : une des instances suivantes, visées à l'article 2, 1°, du décret :
  a) le Collège de maintien, établi par l'article 16.4.19, § 1er, alinéa 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ;
  b) le Conseil pour les Contestations des Autorisations, établi par l'article 4.8.1. du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
  c) le Conseil des Contestations électorales, établi par l'article 202 du Décret électoral local et provincial du 8 juillet 2011 ;
  d) le Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études, établi par l'article II.285 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 ;
  12° président : le président d'une juridiction administrative flamande, visé à l'article 2, 4°, du décret.
  Pour l'application du statut du personnel flamand :
  1° l'entité service des Juridictions administratives est considérée comme une entité telle que visée à l'article I 2, 3°, du statut du personnel flamand ;
  2° le premier président est considéré comme un manager de ligne tel que visé à l'article I 2, 10°, du statut du personnel flamand. ".
Art. 2. In hoofdstuk 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023, wordt afdeling 1 vervangen door wat volgt:
  "Afdeling 1. Selectie en benoeming van de effectieve bestuursrechters
  Art. 6. De vacantverklaring van de functie van effectieve bestuursrechter, vermeld in artikel 49, § 3, van het decreet, en de oproep tot de kandidaten worden minstens aangekondigd door de bekendmaking van een officieel bericht in het Belgisch Staatsblad en op de webpagina van de dienst van de Bestuursrechtscolleges.
  Het bericht, vermeld in het eerste lid, vermeldt de nadere regels en de vormvereisten en de termijn voor de indiening van de aanvragen tot deelneming aan de selectieprocedure die worden bepaald conform artikel 49, § 4 van het decreet.
  Art. 6/1. De kandidaten dienen hun aanvraag tot deelneming aan de selectieprocedure op straffe van onontvankelijkheid in binnen ten minste dertig dagen na de bekendmaking van het officiële bericht in het Belgisch Staatsblad, vermeld in artikel 6, eerste lid.
  De kandidaten voegen bij hun aanvraag een afschrift van hun diploma, en ook de andere stukken en gegevens, vermeld in het voormelde officiële bericht, waaruit blijkt dat ze voldoen aan de benoemingsvoorwaarden, vermeld in artikel 49 van het decreet.
  Art. 6/2. § 1. De selectiecommissie bestaat uit maximaal acht stemgerechtigde leden.
  Maximaal de helft van de stemgerechtigde leden, vermeld in het eerste lid, is lid van de algemene vergadering.
  De stemgerechtigde leden, vermeld in het eerste lid, die geen lid zijn van de algemene vergadering, zijn actief of zijn actief geweest zijn in een van de volgende functies:
  1° advocaat;
  2° hoogleraar aan een universiteit of hogeschool;
  3° personeelslid van de Vlaamse overheid met minstens rang A2, behalve als personeelslid van de dienst van de Bestuursrechtscolleges, met minstens een rang A2;
  Afhankelijk van het Vlaams bestuursrechtscollege waarbij de functie vacant is, voldoen de stemgerechtigde leden die geen lid zijn van de algemene vergadering, vermeld in het derde lid, aan de benoemingsvoorwaarden, vermeld in artikel 49, § 1, tweede of derde lid, van het decreet.
  § 2. De selectiecommissie kan zich laten bijstaan door maximaal twee personeelsleden van de dienst van de Bestuursrechtscolleges, als leden met adviserende stem.
  § 3. De selectiecommissie wijst onder de stemgerechtigde leden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, een voorzitter aan.
  De selectiecommissie wijst onder de stemgerechtigde leden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, of de adviserende leden, vermeld in paragraaf 2, een secretaris aan.
  § 4. Alle stemgerechtigde en adviserende leden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 2, hebben burgerlijke en politieke rechten. De voormelde leden zijn niet veroordeeld door een in kracht van gewijsde gegane veroordeling, zelfs niet met uitstel, of tot een correctionele of criminele straf, tenzij ze in eer en rechten hersteld zijn.
  Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op personen die in het buitenland tot een soortgelijke straf zijn veroordeeld door een in kracht van gewijsde gegane veroordeling.
  Art. 6/3. § 1. De selectiecommissie maakt van de selectieproef, vermeld in artikel 49, § 4 van het decreet, en van de eventuele onderdelen daarvan, telkens een proces-verbaal op, dat de voorzitter en de secretaris van de selectiecommissie ondertekenen.
  De processen-verbaal, vermeld in het eerste lid, bevatten voor elke kandidaat al de volgende elementen:
  1° een samenvatting van de beraadslaging;
  2° de individuele beoordeling die de stemgerechtigde leden hebben gegeven op ieder onderdeel en op de totaliteit van de selectieproef;
  3° het gemiddelde van de individuele beoordelingen, vermeld in punt 2°.
  § 2. Geen stemgerechtigd of adviserend lid van de selectiecommissie als vermeld in artikel 6/2, § 1 en § 2, kan aanwezig of betrokken zijn bij een onderdeel van de selectieproef waarin de volgende personen identificeerbaar zijn:
  1° een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad;
  2° een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt;
  3° een bloed- of aanverwant van de persoon, vermeld in punt 2°, tot en met de vierde graad.
  Art. 6/4. Als geen enkele kandidaat wordt geselecteerd, deelt de eerste voorzitter dat mee aan de functioneel bevoegde minister binnen dertig dagen na de ondertekening van het relevante proces-verbaal, vermeld in artikel 6/3, § 1 .
  Als geen enkele kandidaat wordt voorgedragen, bezorgt de eerste voorzitter de gemotiveerde beslissing daarover aan de functioneel bevoegde minister binnen dertig dagen na datum van het interview, vermeld in artikel 49, § 4, tweede lid, van het decreet.
  Als de algemene vergadering een gemotiveerde voordracht doet, bezorgt de eerste voorzitter de beslissing met die voordracht aan de functioneel bevoegde minister dertig dagen na datum van het interview, vermeld in artikel 49, § 4, tweede lid, van het decreet.
  In de gevallen en binnen de termijnen, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, bezorgt de eerste voorzitter aan de functioneel bevoegde minister ook de processen-verbaal, vermeld in artikel 6/3.
  In de gevallen en binnen de termijnen, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, bezorgt de eerste voorzitter aan de niet-geselecteerde of niet-voorgedragen kandidaten een kopie van hun verbeterde en beoordeelde selectieproef en van de processen-verbaal, vermeld in artikel 6/3, als die processen-verbaal op hen betrekking hebben.".
Art. 2. Dans le chapitre 3 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023, la section 1re est remplacée par ce qui suit :
  " Section 1re. Sélection et nomination des juges administratifs effectifs
  Art. 6. La déclaration de vacance de la fonction de juge administratif effectif, visée à l'article 49, § 3, du décret, et l'appel à candidatures sont au moins annoncés par la publication d'un avis officiel au Moniteur belge et sur la page web du service des Juridictions administratives.
  L'avis, visé à l'alinéa 1er, stipule les modalités et les formalités et le délai pour l'introduction des demandes de participation à la procédure de sélection qui sont déterminées conformément à l'article 49, § 4, du décret.
  Art. 6/1. Les candidats introduisent leur demande de participation à la procédure de sélection sous peine d'irrecevabilité au moins dans les trente jours après la publication de l'avis officiel au Moniteur belge, visée à l'article 6, alinéa 1er.
  Les candidats joignent à leur demande une copie de leur diplôme, ainsi que les autres documents et données, visés à l'avis officiel précité, d'où il ressort qu'ils remplissent les conditions de nomination, visées à l'article 49 du décret.
  Art. 6/2. § 1er. La commission de sélection est composée de maximum huit membres ayant voix délibérative.
  Au maximum la moitié des membres ayant voix délibérative, visés à l'alinéa 1er, est membre de l'assemblée générale.
  Les membres ayant voix délibérative, visés à l'alinéa 1er, qui ne sont pas membres de l'assemblée générale, sont actifs ou ont été actifs dans l'une des fonctions suivantes :
  1° avocat :
  2° professeur à une université ou une haute école ;
  3° membre du personnel de l'Autorité flamande de rang A2 au moins, sauf si membre du personnel du service des Juridictions administratives, de rang A2 au moins ;
  En fonction de la juridiction administrative flamande où la fonction est vacante, les membres ayant voix délibérative qui ne sont pas membres de l'assemblée générale, visés à l'alinéa 3, remplissent les conditions de nomination, visées à l'article 49, § 1er, alinéa 2 ou 3, du décret.
  § 2. La commission de sélection peut se faire assister de maximum deux membres du personnel du service des Juridictions administratives, en tant que membres ayant voix consultative.
  § 3. La commission de sélection désigne un président parmi les membres ayant voix délibérative, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er.
  La commission de sélection désigne un secrétaire parmi les membres ayant voix délibérative, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, ou les membres ayant voix consultative, visés au paragraphe 2.
  § 4. Tous les membres ayant voix délibérative et consultative, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, et au paragraphe 2, jouissent des droits civils et politiques. Les membres précités n'ont pas été condamnés par une condamnation passée en force de chose jugée, même pas avec sursis, ou à une peine correctionnelle ou criminelle, sauf s'ils ont été réhabilités.
  L'alinéa 1er s'applique par analogie aux personnes qui ont été condamnées à l'étranger à une peine de même nature par un jugement coulé en force de chose jugée.
  Art. 6/3. § 1er. La commission de sélection dresse chaque fois un procès-verbal de l'épreuve de sélection, visée à l'article 49, § 4, du décret, et des éventuelles parties de celle-ci, qui est signé par le président et le secrétaire de la commission de sélection.
  Les procès-verbaux, visés à l'alinéa 1er, contiennent pour chaque candidat tous les éléments suivants :
  1° un résumé de la délibération ;
  2° l'appréciation individuelle donnée par les membres ayant voix délibérative pour chaque partie et pour la totalité de l'épreuve de sélection ;
  3° la moyenne des appréciations individuelles, visées au point 2°.
  § 2. Aucun membre ayant voix délibérative ou consultative de la commission de sélection tels que visé à l'article 6/2, § 1er et § 2, ne peut assister à ou être impliqué dans une partie de l'épreuve de sélection où les personnes suivantes sont identifiables :
  1° un parent ou allié jusqu'au quatrième degré inclus ;
  2° une personne avec laquelle il forme un ménage de fait ;
  3° un parent ou allié de la personne, visée au point 2°, jusqu'au quatrième degré inclus.
  Art. 6/4. Si aucun candidat n'est sélectionné, le premier président le communique au ministre fonctionnellement compétent dans les trente jours suivant la signature du procès-verbal pertinent, visé à l'article 6/3, § 1er.
  Si aucun candidat n'est proposé, le premier président remet la décision motivée à ce sujet au ministre fonctionnellement compétent dans les trente jours suivant la date de l'entretien, visé à l'article 49, § 4, alinéa 2, du décret.
  Si l'assemblée générale émet une proposition motivée, le premier président remet la décision avec cette proposition au ministre fonctionnellement compétent dans les trente jours suivant la date de l'entretien, visé à l'article 49, § 4, alinéa 2, du décret.
  Dans les cas et dans les délais, visés aux alinéas 1er à 3, le premier président remet également les procès-verbaux, visés à l'article 6/3, au ministre fonctionnellement compétent.
  Dans les cas et dans les délais, visés aux alinéas 1er à 3, le premier président remet aux candidats non sélectionnés ou non proposés une copie de leur épreuve de sélection corrigée et évaluée, et des procès-verbaux, visés à l'article 6/3, si ces procès-verbaux les concernent. ".
Art. 3. In artikel 8 van hetzelfde besluit, wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt:
  "De bestuursrechter doet in de uitoefening van zijn functie geen politieke voorkeur blijken. Hij neemt gereserveerdheid en discretie in acht over de interne werking van het Vlaams bestuursrechtscollege en over beslist beleid dat betrekking heeft op of raakt aan materies die tot zijn bevoegdheden behoren."
Art. 3. L'article 8 du même arrêté est complété par un alinéa 3, rédigé comme suit :
  " Le juge administratif ne fait paraître aucune préférence politique dans l'exercice de sa fonction. Il fait preuve de réserve et de discrétion sur le fonctionnement interne de la juridiction administrative flamande et sur la politique décidée qui a trait ou qui touche à des matières relevant de ses compétences. "
Art. 4. In hoofdstuk 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023, worden afdelingen 4 en 5 vervangen door wat volgt:
  "Afdeling 4. Evaluatie van de eerste voorzitter en de effectieve bestuursrechters
  Art. 16. De evaluatiecriteria, vermeld in artikel 54, § 2, eerste lid, van het decreet, zijn opgenomen in bijlage 3 die bij dit besluit is gevoegd.
  Art. 17. De evaluatie, vermeld in artikel 54 van het decreet, wordt voorafgegaan door een planningsgesprek dat plaatsvindt bij de start van de evaluatieperiode, vermeld in artikel 54, § 1, van het decreet.
  Het planningsgesprek, vermeld in het eerste lid, heeft als doel om in onderling overleg tussen de evaluator en de geëvalueerde de doelstellingen voor de komende evaluatieperiode vast te stellen op grond van de concrete functiebeschrijving en rekening houdend met de organisatorische context. De voormelde doelstellingen zijn specifiek, meetbaar, aanvaardbaar en realiseerbaar.
  Van het planningsgesprek, vermeld in het eerste lid, wordt een schriftelijk verslag gemaakt. De evaluator en de geëvalueerde ondertekenen het voormelde verslag en de evaluator voegt het bij het evaluatiedossier.
  Art. 18. § 1. Tijdens de evaluatieperiode, vermeld in artikel 54, § 1, van het decreet, vinden minstens één keer per jaar functioneringsgesprekken plaats.
  De functioneringsgesprekken, vermeld in het eerste lid, worden in de volgende gevallen gevoerd:
  1° er zijn redenen om de doelstellingen aan te passen die zijn vastgesteld tijdens het planningsgesprek, vermeld in artikel 17;
  2° op initiatief van de evaluator;
  3° op verzoek van de geëvalueerde.
  De functioneringsgesprekken, vermeld in het eerste lid, geven aanleiding tot het formuleren van conclusies die in een bondig verslag opgenomen worden. De evaluator en de geëvalueerde ondertekenen het voormelde verslag. Als de geëvalueerde niet akkoord gaat met de conclusies van het functioneringsgesprek, kan die zijn opmerkingen aan het verslag toevoegen. De evaluator voegt het verslag bij het evaluatiedossier.
  § 2. De plannings- en functioneringsgesprekken, vermeld in paragraaf 1, vinden plaats tussen de personen, vermeld in artikel 54, § 2, tweede lid, van het decreet, al naargelang de situatie, vermeld in het voormelde artikel.
  Art. 19. Voorafgaand aan de evaluatie, vermeld in artikel 54 van het decreet, vindt een evaluatiegesprek plaats tussen de personen, vermeld in artikel 54, § 2, tweede lid, van het decreet, al naargelang de situatie, vermeld in het voormelde artikel.
  De evaluatie, vermeld in het eerste lid, steunt op het evaluatiegesprek, vermeld in het eerste lid, en op de verslagen van het planningsgesprek en de functioneringsgesprekken, vermeld in artikel 17 en 18.
  De voormelde evaluatie leidt tot de vermelding "goed", "te ontwikkelen" of "onvoldoende". De vermelding "onvoldoende" kan alleen worden toegekend in geval van kennelijk ondermaats functioneren.
  Art. 20. De evaluator stelt een ontwerp van evaluatie op dat al een voorstel voor een vermelding "goed", "te ontwikkelen" of "onvoldoende" kan bevatten. De geëvalueerde wordt minstens tien dagen voor het evaluatiegesprek, vermeld in artikel 19, met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van het ontwerp van evaluatie.
  Als de evaluator na het evaluatiegesprek beslist dat de geëvalueerde een vermelding "goed" verdient, stelt hij een definitieve evaluatie op en bezorgt hij een afschrift van de evaluatie binnen vijftien dagen na het evaluatiegesprek, vermeld in artikel 19, eerste lid, aan de geëvalueerde. Als de evaluator beslist dat de geëvalueerde de vermelding "te ontwikkelen " of "onvoldoende" verdient, stelt hij een voorlopige evaluatie op.
  Art. 21. In geval van een voorlopige evaluatie als vermeld in artikel 20, tweede lid, bezorgt de evaluator aan de geëvalueerde een kopie van de voorlopige evaluatie met een beveiligde zending.
  De geëvalueerde kan, op straffe van verval, binnen vijftien dagen vanaf de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, zijn schriftelijke opmerkingen met een beveiligde zending bezorgen aan de evaluator, die het origineel bij het evaluatiedossier voegt.
  De evaluator stelt binnen vijftien dagen na de dag waarop hij de opmerkingen, vermeld in het tweede lid, heeft ontvangen, een definitieve schriftelijke evaluatie op waarin hij die opmerkingen beantwoordt. Binnen vijftien dagen nadat de evaluator de definitieve evaluatie heeft ondertekend, stuurt die een afschrift ervan met beveiligde zending naar de geëvalueerde.
  Art. 22. Het beroep, vermeld in artikel 55 van het decreet, wordt met een beveiligde zending ingediend bij de beroepscommissie, vermeld in het voormelde artikel. Voormelde beroepscommissie telt ten minste drie leden.
  De beroepscommissie, vermeld in het eerste lid, hoort de geëvalueerde als die daarom in zijn beroepschrift heeft verzocht. Als de geëvalueerde vraagt om te worden gehoord, maar niet kan verschijnen, laat hij zich vertegenwoordigen door zijn raadsman. Als de geëvalueerde, hoewel hij werd opgeroepen met een beveiligde zending, waarin de reden van de oproeping, alsook de plaats en datum van verschijning zijn vermeld, zonder geldige reden niet verschijnt of zich niet laat vertegenwoordigen bij gewettigde afwezigheid, wordt hij geacht af te zien van zijn beroep. De beslissing die vóór het beroep is genomen, wordt in dat geval de definitieve beslissing.
  De beroepscommissie, vermeld in het eerste lid, neemt binnen dertig dagen vanaf de dag waarop ze het voormelde beroepschrift heeft ontvangen, een met redenen omklede eindbeslissing over de evaluatie. De beslissingen van de beroepscommissie worden genomen bij meerderheid van stemmen.
  De beroepscommissie deelt de beslissing, vermeld in het derde lid, mee aan de geëvalueerde met een beveiligde zending binnen vijftien kalenderdagen na de beslissing in kwestie.
  Art. 23. De evaluatiedossiers van de effectieve bestuursrechters worden bewaard bij de eerste voorzitter en de evaluatiedossiers van de eerste voorzitter worden bewaard bij de oudste effectieve bestuursrechter uit het evaluatiecollege, vermeld in artikel 54, § 2, van het decreet.
  De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen altijd door de betrokkenen ingekeken worden.
  Bij elke benoeming, elke voordracht of hernieuwing van een mandaat wordt het evaluatiedossier van de laatste zes jaar van de betrokkene gevoegd ter attentie van de benoemende overheid.
  Afdeling 5. Tuchtregeling en ordemaatregel
  Art. 24. § 1. De tuchtoverheid brengt met een beveiligde zending de betrokkene op de hoogte van het opstarten van een tuchtprocedure en van de precieze feiten die daartoe aanleiding hebben gegeven, uiterlijk binnen zes maanden nadat de tuchtoverheid van die feiten kennis heeft gekregen.
  § 2. Een tuchtstraf kan alleen worden opgelegd nadat de eerste voorzitter of de effectieve bestuursrechter is gehoord of behoorlijk is opgeroepen. De eerste voorzitter of de effectieve bestuursrechter wordt opgeroepen met een beveiligde zending, waarin de reden van de oproeping, de ten laste gelegde feiten, de overwogen tuchtstraf, de plaats waar en de termijn waarbinnen het dossier kan worden geraadpleegd, alsook de plaats en datum van de hoorzitting zijn vermeld.
  Het tuchtdossier wordt ten minste vijftien kalenderdagen voor de dag van de hoorzitting ter beschikking gesteld van de eerste voorzitter of de betrokken effectieve bestuursrechter en van de persoon naar zijn keuze. De eerste voorzitter of de effectieve bestuursrechter kan kosteloos een afschrift van het tuchtdossier krijgen.
  De eerste voorzitter of de effectieve bestuursrechter kan zich voor de tuchtoverheid laten bijstaan of vertegenwoordigen door een persoon naar zijn keuze. De tuchtoverheid kan echter de persoonlijke verschijning van de eerste voorzitter of de betrokken effectieve bestuursrechter bevelen.
  Behalve op uitdrukkelijk andersluidend verzoek van de eerste voorzitter of de betrokken effectieve bestuursrechter vindt de hoorzitting plaats achter gesloten deuren.
  Als de eerste voorzitter of de effectieve bestuursrechter, hoewel hij volgens de voorschriften werd opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt of zich niet laat vertegenwoordigen bij gewettigde afwezigheid, wordt hij geacht af te zien van het verhoor.
  § 3. Het verslag van de hoorzitting, vermeld in paragraaf 2, wordt onmiddellijk bij het dossier gevoegd. De betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om, binnen vijftien dagen vanaf de dag die volgt op het horen, zijn schriftelijke opmerkingen te bezorgen, die worden toegevoegd aan het dossier.
  De tuchtoverheid spreekt de tuchtstraf uit binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de effectieve of geplande hoorzitting met de eerste voorzitter of de effectieve bestuursrechter.
  Art. 25. Als de tuchtoverheid oordeelt dat er geen tuchtstraf wordt opgelegd, brengt voormelde tuchtoverheid de betrokkene daar onmiddellijk van op de hoogte met beveiligde zending.
  Als de tuchtoverheid, vermeld in het eerste lid, beslist dat een tuchtstraf gerechtvaardigd is, legt voormelde tuchtoverheid die tuchtstraf op met een met redenen omklede beslissing. De voormelde beslissing wordt binnen 15 dagen na de dag waarop de beslissing werd genomen met een beveiligde zending meegedeeld aan de betrokkene en aan de functioneel bevoegde minister. Als de tuchtprocedure het directe gevolg is van een klacht, wordt de klager op de hoogte gebracht van het dispositief van de beslissing.
  Art. 26. Zodra een tuchtprocedure is ingesteld, kan het onderzoek van een verzoek tot ontslag dat de betrokkene heeft ingediend, geschorst worden tot de tuchtprocedure is beëindigd.
  Art. 27. § 1. Het beroep, vermeld in artikel 60 van het decreet, wordt met een beveiligde zending ingediend bij de beroepscommissie, vermeld in het voormelde artikel. Deze beroepscommissie telt ten minste drie leden. De beslissingen van de beroepscommissie worden genomen bij meerderheid van stemmen.
  § 2. De beroepscommissie hoort de eerste voorzitter of de effectieve bestuursrechter alvorens een beslissing te nemen.
  Behalve bij gewettigde verhindering verschijnt de eerste voorzitter of de effectieve bestuursrechter persoonlijk. De eerste voorzitter of de effectieve bestuursrechter mag zich voor zijn verdediging laten bijstaan door een persoon van zijn keuze of bij gewettigde verhindering zich door die persoon van zijn keuze laten vertegenwoordigen.
  Als de eerste voorzitter of de effectieve bestuursrechter, hoewel hij volgens de voorschriften werd opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt of zich niet laat vertegenwoordigen bij gewettigde afwezigheid, wordt hij geacht af te zien van zijn beroep. De uitspraak die vóór het beroep werd gedaan, wordt in dat geval de definitieve uitspraak.
  § 3. De beroepscommissie neemt een beslissing binnen dertig kalenderdagen na de hoorzitting voor de beroepscommissie.
  De beroepscommissie kan de tuchtstraf bevestigen, een lichtere tuchtstraf opleggen of geen tuchtstraf opleggen.
  De beroepscommissie deelt de beslissing mee aan de eerste voorzitter of de effectieve bestuursrechter en aan de functioneel bevoegde minister met een beveiligde zending binnen vijftien kalenderdagen na de beslissing in kwestie.
  Art. 28. Elke tuchtstraf, met uitzondering van de afzetting en het ontslag van ambtswege, wordt doorgehaald onder de voorwaarden, vermeld in het tweede lid. Doorhaling geldt voor de toekomst.
  De doorhaling van de tuchtstraffen gebeurt van rechtswege na een termijn waarvan de duur is vastgesteld op:
  1° een jaar voor de blaam;
  2° twee jaar voor de inhouding van salaris;
  3° drie jaar voor de tuchtschorsing.
  Art. 29. De tuchtoverheid spreekt de ordemaatregel, vermeld in artikel 62 van het decreet, uit voor de duur van hoogstens drie maanden. De maatregel kan worden verlengd voor periodes van hoogstens drie maanden tot de eindbeslissing.
  Er kan geen ordemaatregel worden genomen zonder dat de eerste voorzitter of de betrokken effectieve bestuursrechter vooraf is gehoord of behoorlijk is opgeroepen conform de procedure, vermeld in artikel 24, § 2 van dit besluit.
  In afwijking van het tweede lid kan een voorlopige ordemaatregel worden genomen zonder dat de eerste voorzitter of de effectieve bestuursrechter vooraf werd gehoord in de volgende gevallen:
  1° bij uiterst dringende noodzakelijkheid;
  2° als de feiten op grond waarvan de voorgenomen ordemaatregel wordt overwogen, vatbaar zijn voor directe, eenvoudige vaststelling door de bevoegde overheid en er geen appreciatiebevoegdheid bestaat;
  3° als de eerste voorzitter of de effectieve bestuursrechter tegen wie de maatregel wordt overwogen, niet binnen een redelijke termijn kan worden bereikt.
  De eerste voorzitter of de effectieve bestuursrechter wordt in dat geval na het toepassen van de voorlopige ordemaatregel onmiddellijk gehoord. Die voorlopige ordemaatregel vervalt na tien kalenderdagen, tenzij de tuchtoverheid die maatregel binnen die termijn heeft bekrachtigd.
  De eerste voorzitter of de effectieve bestuursrechter wordt gehoord telkens als een verlenging van de ordemaatregel wordt overwogen. De oproeping daarvoor vermeldt de gegevens die aanleiding geven tot de maatregel tot verlenging.
  De personen, vermeld in artikel 62, tweede lid, van het decreet, al naargelang de situatie brengt de betrokkene met een beveiligde zending op de hoogte van de beslissing om een ordemaatregel te nemen. De voormelde kennisgeving vermeldt ook het recht om beroep, conform de procedure vermeld in artikel 27 van dit besluit, in te stellen en de vorm en de termijn van de ordemaatregel.
  Art. 30. Een ordemaatregel als vermeld in artikel 62 van het decreet, kan een inhouding van 20% van de brutobezoldiging met zich meebrengen.
  Als een tuchtmaatregel met inhouding van salaris wordt uitgesproken tegen een persoon die het voorwerp is geweest van een ordemaatregel met vermindering van salaris, heeft de tuchtmaatregel op zijn vroegst uitwerking op de dag waarop de ordemaatregel is ingegaan.
  Het bedrag van het salaris dat tijdens de duur van de ordemaatregel ingehouden is, wordt afgetrokken van het bedrag van verlies van salaris dat voortvloeit uit de tuchtmaatregel met inhouding van salaris. Als het bedrag van de ingehouden salaris hoger is dan het bedrag van het verlies van salaris dat voortvloeit uit de tuchtmaatregel met inhouding van salaris, wordt het verschil aan de betrokkene uitbetaald.
  De ingehouden bedragen worden aan de betrokkene uitbetaald als de ordemaatregel niet gevolgd wordt door een tuchtmaatregel of een strafrechtelijke veroordeling wegens dezelfde feiten, of als de strafvordering vervallen is of aanleiding heeft gegeven tot een beschikking van buitenvervolgingstelling of tot een seponering.
  Art. 31. De tuchtdossiers van de effectieve bestuursrechters worden bewaard bij de eerste voorzitter en de tuchtdossiers van de eerste voorzitter worden bewaard bij de oudste effectieve bestuursrechter uit het tuchtcollege, vermeld in artikel 59, 2°, van het decreet.
  De tuchtdossiers zijn vertrouwelijk en kunnen altijd door de betrokkenen ingekeken worden.
Art. 4. Dans le chapitre 3 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023, les sections 4 et 5 sont remplacées par ce qui suit :
  " Section 4. Evaluation du premier président et des juges administratifs effectifs
  Art. 16. Les critères d'évaluation, visés à l'article 54, § 2, du décret, sont repris à l'annexe 3 jointe au présent arrêté.
  Art. 17. L'évaluation, visée à l'article 54 du décret, est précédée d'un entretien de planification qui a lieu au début de la période d'évaluation, visée à l'article 54, § 1er, du décret.
  L'entretien de planification, visé à l'alinéa 1er, a pour but de fixer d'un commun accord entre l'évaluateur et l'évalué les objectifs pour la prochaine période d'évaluation sur la base de la description de fonction concrète et tenant compte du contexte organisationnel. Les objectifs précités sont spécifiques, mesurables, acceptables et réalisables.
  Un rapport écrit de l'entretien de planification, visé à l'alinéa 1er, est établi. L'évaluateur et l'évalué signent le rapport précité et l'évaluateur l'ajoute au dossier d'évaluation.
  Art. 18. § 1er. Pendant la période d'évaluation, visée à l'article 54, § 1er, du décret, des entretiens de fonctionnement ont lieu au moins une fois tous les ans.
  Les entretiens de fonctionnement, visés à l'alinéa 1er, sont menés dans les cas suivants :
  1° il existe des raisons d'adapter les objectifs qui ont été fixés lors de l'entretien de planification, visé à l'article 17 ;
  2° à l'initiative de l'évaluateur ;
  3° à la demande de l'évalué.
  Les entretiens de fonctionnement, visés à l'alinéa 1er, donnent lieu à la formulation de conclusions qui sont reprises dans un rapport succinct. L'évaluateur et l'évalué signent le rapport précité. Si l'évalué n'est pas d'accord avec les conclusions de l'entretien de fonctionnement, il peut ajouter ses remarques au rapport. L'évaluateur ajoute le rapport au dossier d'évaluation.
  § 2. Les entretiens de planification et de fonctionnement, visés au paragraphe 1er, sont menés entre les personnes, visées à l'article 54, § 2, alinéa 2, du décret, en fonction de la situation, visée à l'article précité.
  Art. 19. Préalablement à l'évaluation, visée à l'article 54 du décret, un entretien d'évaluation est mené entre les personnes, visées à l'article 54, § 2, alinéa 2, du décret, en fonction de la situation, visée à l'article précité.
  L'évaluation, visée à l'alinéa 1er, est fondée sur l'entretien d'évaluation, visé à l'alinéa 1er, et sur les rapports de l'entretien de planification et des entretiens de fonctionnement, visés aux articles 17 et 18.
  L'évaluation précitée donne lieu à la mention " bien ", " à développer " ou " insuffisant ". La mention " insuffisant " peut uniquement être attribuée en cas de fonctionnement manifestement insuffisant.
  Art. 20. L'évaluateur rédige un projet d'évaluation qui peut déjà comporter une proposition de mention " bien ", " à développer " ou " insuffisant ". L'évalué est informé de l'objet de l'évaluation par envoi sécurisé au moins dix jours avant l'entretien d'évaluation, visé à l'article 19.
  Si l'évaluateur décide après l'entretien d'évaluation que l'évalué mérite une mention " bien ", il rédige une évaluation définitive et il remet une copie de l'évaluation à l'évalué dans les quinze jours suivant l'entretien d'évaluation, visé à l'article 19, alinéa 1er. Si l'évaluateur décide que l'évalué mérite la mention " à développer " ou " insuffisant ", il rédige une évaluation provisoire.
  Art. 21. Dans le cas d'une évaluation provisoire telle que visée à l'article 20, alinéa 2, l'évaluateur remet à l'évalué une copie de l'évaluation provisoire par envoi sécurisé.
  L'évalué peut, sous peine de déchéance, remettre ses remarques écrites par envoi sécurisé dans les quinze jours suivant la notification, visée à l'alinéa 1er, à l'évaluateur, qui ajoute l'original au dossier d'évaluation.
  L'évaluateur rédige dans les quinze jours suivant le jour où il a reçu les remarques, visées à l'alinéa 2, une évaluation écrite définitive dans laquelle il répond à ces remarques. Dans les quinze jours suivant la signature de l'évaluation définitive par l'évaluateur, il en envoie une copie par envoi sécurisé à l'évalué.
  Art. 22. Le recours, visé à l'article 55 du décret, est introduit par envoi sécurisé à la commission de recours, visée à l'article précité. La commission de recours précitée compte au moins trois membres.
  La commission de recours, visée à l'alinéa 1er, entend l'évalué si celui-ci en a fait la demande dans sa déclaration de recours. Si l'évalué demande à être entendu, mais ne peut comparaître, il se fait représenter par son conseil. Si l'évalué, bien qu'il ait été convoqué par envoi sécurisé, mentionnant le motif de la convocation ainsi que le lieu et la date de la comparution, ne comparaît pas sans raison valable ou ne se fait pas représenter en cas d'absence légitime, il est réputé renoncer à son recours. Le cas échéant, la décision prise avant le recours devient la décision définitive.
  La commission de recours, visée à l'alinéa 1er, prend dans les trente jours à compter du jour où elle a reçu la déclaration de recours précitée, une décision finale motivée sur l'évaluation. Les décisions de la commission de recours sont prises à la majorité des voix.
  La commission de recours communique la décision, visée à l'alinéa 3, à l'évalué par envoi sécurisé dans les quinze jours calendaires suivant la décision en question.
  Art. 23. Les dossiers d'évaluation des juges administratifs effectifs sont conservés chez le premier président et les dossiers d'évaluation du premier président sont conservés chez le juge administratif effectif le plus âgé du collège d'évaluation, visé à l'article 54, § 2, du décret.
  Les évaluations sont confidentielles et peuvent être consultées à tout moment par les intéressés.
  Lors de chaque nomination, présentation ou renouvellement de mandat, le dossier d'évaluation des six dernières années de l'intéressé est joint à l'attention de l'autorité investie du pouvoir de nomination.
  Section 5. Régime disciplinaire et mesure d'ordre
  Art. 24. § 1er. L'autorité disciplinaire informe l'intéressé par envoi sécurisé du lancement d'une procédure disciplinaire et des faits précis qui y ont donné lieu, au plus tard dans les six mois après que l'autorité disciplinaire a pris connaissance de ces faits.
  § 2. Une sanction disciplinaire peut uniquement être imposée après que le premier président ou le juge administratif effectif a été entendu ou dûment convoqué. Le premier président ou le juge administratif effectif est convoqué par envoi sécurisé, contenant l'objet de la convocation, un exposé des faits reprochés, la sanction disciplinaire envisagée, le lieu et le délai pendant lequel le dossier peut être consulté, ainsi que le lieu et la date de l'audition.
  Le dossier disciplinaire est mis à disposition du premier président ou du juge administratif effectif concerné et de la personne de son choix au moins quinze jours calendaires avant le jour de l'audition. Le premier président ou le juge administratif effectif peut obtenir gratuitement une copie du dossier disciplinaire.
  Le premier président ou le juge administratif effectif peut se faire assister ou représenter par la personne de son choix devant l'autorité disciplinaire. L'autorité disciplinaire peut cependant ordonner la comparution personnelle du premier président ou du juge administratif effectif.
  Sauf demande contraire expresse du premier président ou du juge administratif effectif concerné, l'audition a lieu à huis clos.
  Si le premier président ou le juge administratif effectif, bien que convoqué conformément aux prescriptions, ne comparaît pas sans motif valable ou ne se fait pas représenter en cas d'absence légitime, il est réputé renoncer à son audition.
  § 3. Le rapport de l'audition, visée au paragraphe 2, est immédiatement joint au dossier. L'intéressé a la possibilité, dans les quinze jours à compter du jour qui suit l'audition, de remettre ses remarques écrites, qui sont jointes au dossier.
  L'autorité disciplinaire prononce la sanction disciplinaire dans un délai de trente jours calendaires après l'audition effective ou planifiée avec le premier président ou le juge administratif effectif.
  Art. 25. Si l'autorité disciplinaire estime qu'aucune sanction disciplinaire n'est imposée, l'autorité disciplinaire précitée en informe immédiatement l'intéressé par envoi sécurisé.
  Si l'autorité disciplinaire, visée à l'alinéa 1er, décide qu'une sanction disciplinaire est justifiée, l'autorité disciplinaire précitée impose cette sanction disciplinaire par une décision motivée. La décision précitée est communiquée à l'intéressé et au ministre fonctionnellement compétent par envoi sécurisé dans les 15 jours après le jour où la décision a été prise. Si la procédure disciplinaire est la conséquence directe d'une plainte, le plaignant est informé du dispositif de la décision.
  Art. 26. Dès qu'une procédure disciplinaire a été instaurée, l'examen d'une demande de révocation introduite par l'intéressé peut être suspendu jusqu'à la fin de la procédure disciplinaire.
  Art. 27. § 1er. Le recours, visé à l'article 60 du décret, est introduit par envoi sécurisé à la commission de recours, visée à l'article précité. Cette commission de recours compte au moins trois membres. Les décisions de la commission de recours sont prises à la majorité des voix.
  § 2. La commission de recours entend le premier président ou le juge administratif effectif avant de prendre une décision.
  Sauf en cas d'empêchement légitime, le premier président ou le juge administratif effectif comparaît en personne. Pour sa défense, le premier président ou le juge administratif effectif peut se faire assister d'une personne de son choix ou, en cas d'empêchement légitime, se faire représenter par cette personne de son choix.
  Si le premier président ou le juge administratif effectif, bien que convoqué conformément aux prescriptions, ne comparaît pas sans motif valable ou ne se fait pas représenter en cas d'absence légitime, il est réputé renoncer à son recours. Le prononcé qui a été fait avant le recours devient dans ce cas le prononcé définitif.
  § 3. La commission de recours prend une décision dans les trente jours calendaires suivant l'audition devant la commission de recours.
  La commission de recours peut confirmer la sanction disciplinaire, imposer une sanction disciplinaire plus légère ou ne pas imposer de sanction disciplinaire.
  La commission de recours fait part de la décision au premier président ou au juge administratif effectif et au ministre fonctionnellement compétent par envoi sécurisé dans les quinze jours calendaires après la décision en question.
  Art. 28. Toute sanction disciplinaire, à l'exception de la révocation et de la démission d'office, est radiée aux conditions visées à l'alinéa 2. La radiation n'a d'effet que pour l'avenir.
  La radiation des sanctions disciplinaires a lieu de plein droit après une période dont la durée est fixée à :
  1° un an pour le blâme ;
  2° deux ans pour la retenue de traitement ;
  3° trois ans pour la suspension disciplinaire.
  Art. 29. L'autorité disciplinaire prononce la mesure d'ordre, visée à l'article 62 du décret, pour la durée de trois mois au maximum. La mesure peut être prolongée pour des périodes de trois mois au maximum jusqu'à la décision finale.
  Aucune mesure d'ordre ne peut être prise sans que le premier président ou le juge administratif effectif concerné n'ait été entendu préalablement ou dûment convoqué conformément à la procédure, visée à l'article 24, § 2, du présent arrêté.
  Par dérogation à l'alinéa 2, une mesure d'ordre provisoire peut être prise sans que le premier président ou le juge administratif effectif n'ait été entendu préalablement dans les cas suivants :
  1° en cas d'extrême urgence ;
  2° si les faits en vertu desquels la mesure d'ordre projetée est envisagée, sont susceptibles d'une constatation directe et simple par l'autorité compétente et qu'il n'existe pas de compétence d'appréciation ;
  3° si le premier président ou le juge administratif effectif à l'encontre duquel la mesure est envisagée, ne peut pas être joint dans un délai raisonnable.
  Le cas échéant, le premier président ou le juge administratif effectif est entendu immédiatement après l'application de la mesure d'ordre provisoire. Cette mesure d'ordre provisoire cesse de produire ses effets après dix jours calendaires, sauf si l'autorité disciplinaire a sanctionné cette mesure dans ce délai.
  Le premier président ou le juge administratif effectif est entendu chaque fois qu'une prolongation de la mesure d'ordre est envisagée. La convocation à cet effet contient les données qui donnent lieu à la mesure de prolongation.
  Les personnes, visées à l'article 62, alinéa 2, du décret, informent l'intéressé, en fonction de la situation, par envoi sécurisé, de la décision de prendre une mesure d'ordre. La notification précitée mentionne également le droit d'introduire un recours, conformément à la procédure visée à l'article 27 du présent arrêté, et la forme et le délai de la mesure d'ordre.
  Art. 30. Une mesure d'ordre telle que visée à l'article 62 du décret peut impliquer une retenue de 20 % de la rémunération brute.
  Lorsqu'une mesure disciplinaire avec retenue de salaire est prononcée à l'encontre d'une personne qui a fait l'objet d'une mesure d'ordre avec réduction de traitement, la mesure disciplinaire produit ses effets au plus tôt le jour où la mesure d'ordre a pris cours.
  Le montant du traitement retenu pendant la mesure d'ordre est déduit du montant de la perte de traitement liée à la mesure disciplinaire entraînant une retenue de traitement. Si le montant du traitement retenu est plus important que le montant de la perte de traitement liée à la mesure disciplinaire entraînant une retenue de traitement, la différence est liquidée à la personne concernée.
  Les sommes retenues sont liquidées à la personne concernée lorsque la mesure d'ordre n'est pas suivie par une mesure disciplinaire ou une condamnation pénale pour les mêmes faits ou si l'action pénale est éteinte ou s'il y a eu une ordonnance de non-lieu ou un classement sans suite.
  Art. 31. Les dossiers disciplinaires des juges administratifs effectifs sont conservés chez le premier président et les dossiers disciplinaires du premier président sont conservés chez le juge administratif effectif le plus âgé du collège disciplinaire, visé à l'article 59, 2°, du décret.
  Les dossiers disciplinaires sont confidentiels et peuvent être consultés à tout moment par les intéressés.
Art. 5. De Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 5. Le ministre flamand qui a la justice et le maintien dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N.   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-08-2024, p. 99632)
Art. N.   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-08-2024, p. 99640)