Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:
a) een aangetekende brief;
b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
c) elke andere toegelaten betekeningswijze dan de betekeniswijzen, vermeld in punt a) en b), waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
2° decreet van 26 april 2024: het decreet van 26 april 2024 tot ondersteuning van omgevingsverenigingen en omgevingsprojecten;
3° departement: het departement Omgeving, als vermeld in artikel 29, § 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
4° meerjarennota: een tweejarenplan dat de werking van de vereniging voor de periode van een kortlopende erkenning als vermeld in artikel 51, eerste lid van het decreet van 26 april 2024, beschrijft;
5° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur;
6° startnota: een document dat de werking van de vereniging die een startsubsidie aanvraagt, voor de periode van de startsubsidie beschrijft;
7° subsidieloket: een digitaal platform dat ter beschikking wordt gesteld op de website van het departement waarop verenigingen de aanvragen tot erkenning en subsidiëring, tot een startsubsidie en tot een kortlopende erkenning, en ook alle documenten die verenigingen moeten bezorgen in het kader van de opvolging en evaluatie van hun werking, moeten indienen;
8° subsidieperiode: de periode waarbinnen een omgevingsvereniging een subsidie ontvangt in uitvoering van dit besluit;
9° werkingsgebied: het gebied waarbinnen een omgevingsvereniging een actieve werking heeft.
Als de bevoegde entiteit, vermeld in artikel 2, 4° van het decreet van 26 april 2024 tot ondersteuning van omgevingsverenigingen en omgevingsprojecten, wordt aangeduid het departement Omgeving, vermeld in artikel 29, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
7 JUNI 2024. - Besluit van de Vlaamse Regering tot de erkenning en subsidiëring van omgevingsverenigingen
Titre
7 JUIN 2024. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif à l'agrément et au subventionnement des associations environnementales.(TRADUCTION)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Definities
HOOFDSTUK 2. - Samenstelling en werking van de ...
Afdeling 1. - De erkenningscommissie
Afdeling 2. - De begeleidingscommissie
HOOFDSTUK 3. - De procedure tot erkenning van o...
Afdeling 1. - De aanvraagprocedure
Afdeling 2. - Beoordeling van de ontvankelijkhe...
Afdeling 3. - Beoordeling van de kwaliteit van ...
HOOFDSTUK 4. - Subsidiëring van de erkende omge...
HOOFDSTUK 5. - Voortgangscontrole en tussentijd...
Afdeling 1. - Gewestelijke omgevingsvereniginge...
Onderafdeling 1. - Functionele en financiële ra...
Onderafdeling 2. - Evaluatie in de loop van de ...
Afdeling 2. - Regionale omgevingsverenigingen
Onderafdeling 1. - Functionele en financiële ra...
Onderafdeling 2. - Evaluatie in de loop van de ...
HOOFDSTUK 6. - Eindrapportering en eindevaluatie
HOOFDSTUK 7. - De startsubsidie
Afdeling 1. - De aanvraagprocedure
Afdeling 2. - De beoordeling van de ontvankelij...
Afdeling 3. - De beoordeling van de kwaliteit v...
Afdeling 4. - Subsidiëring
Afdeling 5. - Rapportering en evaluatie
HOOFDSTUK 8. - Sancties, subsidievereisten en b...
Afdeling 1. - Sancties
Afdeling 2. - Subsidievereisten
Afdeling 3. - Beleidsevaluatie
HOOFDSTUK 9. - De kortlopende erkenning
Afdeling 1. - De aanvraagprocedure
Afdeling 2. - De beoordeling van de ontvankelij...
Afdeling 3. - De beoordeling van de kwaliteit v...
Afdeling 4. - Subsidiëring
Afdeling 5. - Rapportering en evaluatie
HOOFDSTUK 10. - Slotbepalingen
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Définitions
CHAPITRE 2. - Composition et fonctionnement des...
Section 1re. - La commission d'agrément
Section 2. - La commission d'accompagnement
CHAPITRE 3. - La procédure d'agrément des assoc...
Section 1re. - La procédure de demande
Section 2. - Evaluation des conditions de recev...
Section 3. - Evaluation de la qualité du foncti...
CHAPITRE 4. - Subventionnement des associations...
CHAPITRE 5. - Suivi et évaluation intermédiaire...
Section 1re. - Associations environnementales r...
Sous-section 1re. - Rapport et suivi fonctionne...
Sous-section 2. - Evaluation au cours de la pér...
Section 2. - Associations environnementales sup...
Sous-section 1re. - Rapport et suivi fonctionne...
Sous-section 2. - Evaluation au cours de la pér...
CHAPITRE 6. - Rapport final et évaluation finale
CHAPITRE 7. - La subvention de démarrage
Section 1re. - La procédure de demande
Section 2. - L'évaluation des conditions de rec...
Section 3. - L'évaluation de la qualité du fonc...
Section 4. - Subventionnement
Section 5. - Rapport et évaluation
CHAPITRE 8. - Sanctions, exigences en matière d...
Section 1re. - Sanctions
Section 2. - Exigences en matière de subvention
Section 3. - Evaluation de la politique
CHAPITRE 9. - L'agrément à court terme
Section 1re. - La procédure de demande
Section 2. - Evaluation des conditions de recev...
Section 3. - L'évaluation de la qualité du fonc...
Section 4. - Subventionnement
Section 5. - Rapport et évaluation
CHAPITRE 10. - Dispositions finales
Tekst (105)
Texte (105)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° envoi sécurisé : l'un des modes de signification suivants :
a) une lettre recommandée ;
b) une remise contre récépissé ;
c) tout autre mode de signification autorisé que ceux visés aux points a) et b), par lequel la date de notification peut être établie avec certitude ;
2° décret du 26 avril 2024 : le décret du 26 avril 2024 visant à soutenir des associations environnementales et des projets environnementaux ;
3° département : le Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire (" Departement Omgeving "), tel que visé à l'article 29, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande ;
4° note pluriannuelle : un plan biennal qui décrit le fonctionnement de l'association pour la période d'un agrément à court terme, tel que visé à l'article 51, alinéa 1er, du décret du 26 avril 2024 ;
5° ministre : le ministre flamand qui a l'environnement et la nature dans ses attributions ;
6° note de départ : un dàèocument qui décrit le fonctionnement de l'association demandant une subvention de démarrage, pour la période de la subvention de démarrage ;
7° guichet de subvention : une plate-forme numérique qui est mise à disposition sur le site web du département sur laquelle les associations doivent introduire les demandes d'agrément et de subventionnement, de subvention de démarrage et d'agrément à court terme, ainsi que tous les documents que les associations doivent remettre dans le cadre du suivi et de l'évaluation de leur fonctionnement ;
8° période de subvention : la période pendant laquelle une association environnementale reçoit une subvention en application du présent arrêté ;
9° zone d'action : la zone dans laquelle une association environnementale est active.
Est désignée en tant qu'entité compétente, telle que visée à l'article 2, 4° du décret du 26 avril 2024 visant à soutenir des associations environnementales et des projets environnementaux, le Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire, visé à l'article 29, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande.
1° envoi sécurisé : l'un des modes de signification suivants :
a) une lettre recommandée ;
b) une remise contre récépissé ;
c) tout autre mode de signification autorisé que ceux visés aux points a) et b), par lequel la date de notification peut être établie avec certitude ;
2° décret du 26 avril 2024 : le décret du 26 avril 2024 visant à soutenir des associations environnementales et des projets environnementaux ;
3° département : le Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire (" Departement Omgeving "), tel que visé à l'article 29, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande ;
4° note pluriannuelle : un plan biennal qui décrit le fonctionnement de l'association pour la période d'un agrément à court terme, tel que visé à l'article 51, alinéa 1er, du décret du 26 avril 2024 ;
5° ministre : le ministre flamand qui a l'environnement et la nature dans ses attributions ;
6° note de départ : un dàèocument qui décrit le fonctionnement de l'association demandant une subvention de démarrage, pour la période de la subvention de démarrage ;
7° guichet de subvention : une plate-forme numérique qui est mise à disposition sur le site web du département sur laquelle les associations doivent introduire les demandes d'agrément et de subventionnement, de subvention de démarrage et d'agrément à court terme, ainsi que tous les documents que les associations doivent remettre dans le cadre du suivi et de l'évaluation de leur fonctionnement ;
8° période de subvention : la période pendant laquelle une association environnementale reçoit une subvention en application du présent arrêté ;
9° zone d'action : la zone dans laquelle une association environnementale est active.
Est désignée en tant qu'entité compétente, telle que visée à l'article 2, 4° du décret du 26 avril 2024 visant à soutenir des associations environnementales et des projets environnementaux, le Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire, visé à l'article 29, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande.
HOOFDSTUK 2. - Samenstelling en werking van de commissies
CHAPITRE 2. - Composition et fonctionnement des commissions
Afdeling 1. - De erkenningscommissie
Section 1re. - La commission d'agrément
Art. 2. § 1. De minister richt een erkenningscommissie op met daarin een afdeling bevoegd voor de beoordeling van de regionale omgevingsverenigingen en een afdeling bevoegd voor de beoordeling van de gewestelijke omgevingsverenigingen, de gewestelijke koepelvereniging voor omgeving en de gewestelijke ledenverenigingen voor omgeving.
De minister kiest externe experten uit een lijst van kandidaat-commissieleden die het departement samenstelt, en benoemt die externe experten als externe commissieleden van de erkenningscommissie.
§ 2. Als de externe commissieleden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, vaststellen dat ze voor een of meer omgevingsverenigingen niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 11, § 2, derde lid, van het decreet van 26 april 2024, melden ze dat aan het departement. De voormelde externe commissieleden onthouden zich van de beoordeling van de omgevingsvereniging in kwestie.
Het departement vervangt externe commissieleden als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, bij de beoordeling van de erkenningsaanvragen als voor een of meer omgevingsverenigingen het externe commissielid in kwestie niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 11, § 2, derde lid, van het decreet van 26 april 2024.
De minister kiest externe experten uit een lijst van kandidaat-commissieleden die het departement samenstelt, en benoemt die externe experten als externe commissieleden van de erkenningscommissie.
§ 2. Als de externe commissieleden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, vaststellen dat ze voor een of meer omgevingsverenigingen niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 11, § 2, derde lid, van het decreet van 26 april 2024, melden ze dat aan het departement. De voormelde externe commissieleden onthouden zich van de beoordeling van de omgevingsvereniging in kwestie.
Het departement vervangt externe commissieleden als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, bij de beoordeling van de erkenningsaanvragen als voor een of meer omgevingsverenigingen het externe commissielid in kwestie niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 11, § 2, derde lid, van het decreet van 26 april 2024.
Art. 2. § 1er. Le ministre crée une commission d'agrément composée d'une division chargée d'évaluer les associations environnementales supralocales et d'une division chargée d'évaluer les associations régionales, l'association coordinatrice régionale pour l'environnement et les associations-membres régionales pour l'environnement.
Le ministre élit des experts externes parmi une liste de candidats-membres de la commission que le département compose, et nomme ces experts externes en tant que membres externes de la commission d'agrément.
§ 2. Si les membres externes de la commission visés au paragraphe 1er, alinéa 2, constatent qu'ils ne satisfont pas, pour une ou plusieurs associations environnementales, aux conditions visées à l'article 11, § 2, alinéa 3, du décret du 26 avril 2024, ils le signalent au département. Les membres externes de la commission susmentionnés s'abstiennent d'évaluer l'association environnementale en question.
Le département remplace les membres externes de la commission tels que visés au paragraphe 1er, alinéa 2, lors de l'évaluation des demandes d'agrément si, pour une ou plusieurs associations environnementales, le membre externe de la commission ne satisfait pas aux conditions visées à l'article 11, § 2, alinéa 3, du décret du 26 avril 2024.
Le ministre élit des experts externes parmi une liste de candidats-membres de la commission que le département compose, et nomme ces experts externes en tant que membres externes de la commission d'agrément.
§ 2. Si les membres externes de la commission visés au paragraphe 1er, alinéa 2, constatent qu'ils ne satisfont pas, pour une ou plusieurs associations environnementales, aux conditions visées à l'article 11, § 2, alinéa 3, du décret du 26 avril 2024, ils le signalent au département. Les membres externes de la commission susmentionnés s'abstiennent d'évaluer l'association environnementale en question.
Le département remplace les membres externes de la commission tels que visés au paragraphe 1er, alinéa 2, lors de l'évaluation des demandes d'agrément si, pour une ou plusieurs associations environnementales, le membre externe de la commission ne satisfait pas aux conditions visées à l'article 11, § 2, alinéa 3, du décret du 26 avril 2024.
Art. 3. Het voorzitterschap wordt opgenomen door een extern commissielid als vermeld in artikel 2, § 1, tweede lid.
Het departement verzorgt het secretariaat van de erkenningscommissie.
Het departement maakt een huishoudelijk reglement op voor de werking van de erkenningscommissie. De minister beslist over de goedkeuring van het voormelde huishoudelijk reglement.
Het departement verzorgt het secretariaat van de erkenningscommissie.
Het departement maakt een huishoudelijk reglement op voor de werking van de erkenningscommissie. De minister beslist over de goedkeuring van het voormelde huishoudelijk reglement.
Art. 3. La présidence est assurée par un membre externe de la commission, tel que visé à l'article 2, § 1er, alinéa 2.
Le département assure le secrétariat de la commission d'agrément.
Le département établit un règlement d'ordre intérieur pour le fonctionnement de la Commission d'agrément. Le ministre décide de l'approbation du règlement d'ordre intérieur susmentionné.
Le département assure le secrétariat de la commission d'agrément.
Le département établit un règlement d'ordre intérieur pour le fonctionnement de la Commission d'agrément. Le ministre décide de l'approbation du règlement d'ordre intérieur susmentionné.
Art. 4. Het mandaat van de erkenningscommissie eindigt nadat de minister een beslissing heeft genomen over de toekenning van de erkenningen.
In de volgende gevallen kan de minister beslissen om het mandaat van een extern commissielid als vermeld in artikel 2, § 1, tweede lid, van dit besluit, ambtshalve te beëindigen:
1° het externe commissielid woont twee keer na elkaar zonder voorafgaande kennisgeving de vergaderingen niet bij of neemt twee keer na elkaar niet deel aan de commissiewerkzaamheden;
2° het externe commissielid voldoet niet meer aan de voorwaarden, vermeld in artikel 11, § 2, derde lid, van het decreet van 26 april 2024;
3° het externe commissielid verricht activiteiten of vervult functies die onverenigbaar zijn met het mandaat.
De ambtshalve beëindiging van het mandaat, vermeld in het tweede lid, wordt schriftelijk meegedeeld aan het externe commissielid in kwestie.
Externe commissieleden kunnen hun mandaat zelf opzeggen aan de hand van een schriftelijke kennisgeving aan het departement.
In de volgende gevallen kan de minister beslissen om het mandaat van een extern commissielid als vermeld in artikel 2, § 1, tweede lid, van dit besluit, ambtshalve te beëindigen:
1° het externe commissielid woont twee keer na elkaar zonder voorafgaande kennisgeving de vergaderingen niet bij of neemt twee keer na elkaar niet deel aan de commissiewerkzaamheden;
2° het externe commissielid voldoet niet meer aan de voorwaarden, vermeld in artikel 11, § 2, derde lid, van het decreet van 26 april 2024;
3° het externe commissielid verricht activiteiten of vervult functies die onverenigbaar zijn met het mandaat.
De ambtshalve beëindiging van het mandaat, vermeld in het tweede lid, wordt schriftelijk meegedeeld aan het externe commissielid in kwestie.
Externe commissieleden kunnen hun mandaat zelf opzeggen aan de hand van een schriftelijke kennisgeving aan het departement.
Art. 4. Le mandat de la commission d'agrément prend fin après que le ministre a pris une décision sur l'attribution des agréments.
Dans les cas suivants, le ministre peut décider de mettre fin d'office au mandat d'un membre externe de la commission, tel que visé à l'article 2, § 1er, alinéa 2, du présent arrêté :
1° le membre externe de la commission n'assiste pas deux fois de suite aux réunions sans notification préalable ou ne participe pas deux fois de suite aux travaux de la commission ;
2° le membre externe de la commission ne satisfait plus aux conditions visées à l'article 11, § 2, alinéa 3, du décret du 26 avril 2024 ;
3° le membre externe de la commission exerce des activités ou des fonctions incompatibles avec le mandat.
La cessation d'office du mandat, visée à l'alinéa 2, est notifiée par écrit au membre externe de la commission concerné.
Les membres externes de la commission peuvent mettre fin à leur mandat moyennant une notification écrite adressée au département.
Dans les cas suivants, le ministre peut décider de mettre fin d'office au mandat d'un membre externe de la commission, tel que visé à l'article 2, § 1er, alinéa 2, du présent arrêté :
1° le membre externe de la commission n'assiste pas deux fois de suite aux réunions sans notification préalable ou ne participe pas deux fois de suite aux travaux de la commission ;
2° le membre externe de la commission ne satisfait plus aux conditions visées à l'article 11, § 2, alinéa 3, du décret du 26 avril 2024 ;
3° le membre externe de la commission exerce des activités ou des fonctions incompatibles avec le mandat.
La cessation d'office du mandat, visée à l'alinéa 2, est notifiée par écrit au membre externe de la commission concerné.
Les membres externes de la commission peuvent mettre fin à leur mandat moyennant une notification écrite adressée au département.
Art. 5. Externe commissieleden als vermeld in artikel 2, § 1, tweede lid, van dit besluit, kunnen voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen als vermeld in artikel 11, § 3, tweede lid, van het decreet van 26 april 2024, die op de volgende wijze wordt samengesteld:
1° een forfaitaire vergoeding van 100 euro per erkenningsaanvraag die het externe commissielid individueel beoordeelt;
2° een vergoeding voor de verplaatsingskosten voor deelname aan de bijeenkomsten van de erkenningscommissie, die op de volgende wijze wordt bepaald:
a) een vergoeding voor de werkelijke kosten om het openbaar vervoer te gebruiken op basis van de bewijsstukken;
b) een vergoeding voor de gemaakte reiskosten voor verplaatsingen met eigen vervoer volgens de regeling die geldt voor de vergoeding van binnenlandse dienstreizen van personeelsleden van de Vlaamse overheid.
Een extern commissielid als vermeld in artikel 2, § 1, tweede lid, dat de voorzittersrol van een erkenningscommissie opneemt, kan daarvoor een aanvullende vergoeding van 100 euro ontvangen.
De forfaitaire vergoeding, vermeld in het eerste lid, 1°, en de vergoeding voor de voorzittersrol, vermeld in het tweede lid, kunnen per erkenningsperiode aangepast worden aan de evolutie van de gezondheidsindex.
De modaliteiten voor de aanvraag en de uitbetaling van de vergoedingen worden vastgelegd in het huishoudelijk reglement van de erkenningscommissie, vermeld in artikel 3, derde lid.
1° een forfaitaire vergoeding van 100 euro per erkenningsaanvraag die het externe commissielid individueel beoordeelt;
2° een vergoeding voor de verplaatsingskosten voor deelname aan de bijeenkomsten van de erkenningscommissie, die op de volgende wijze wordt bepaald:
a) een vergoeding voor de werkelijke kosten om het openbaar vervoer te gebruiken op basis van de bewijsstukken;
b) een vergoeding voor de gemaakte reiskosten voor verplaatsingen met eigen vervoer volgens de regeling die geldt voor de vergoeding van binnenlandse dienstreizen van personeelsleden van de Vlaamse overheid.
Een extern commissielid als vermeld in artikel 2, § 1, tweede lid, dat de voorzittersrol van een erkenningscommissie opneemt, kan daarvoor een aanvullende vergoeding van 100 euro ontvangen.
De forfaitaire vergoeding, vermeld in het eerste lid, 1°, en de vergoeding voor de voorzittersrol, vermeld in het tweede lid, kunnen per erkenningsperiode aangepast worden aan de evolutie van de gezondheidsindex.
De modaliteiten voor de aanvraag en de uitbetaling van de vergoedingen worden vastgelegd in het huishoudelijk reglement van de erkenningscommissie, vermeld in artikel 3, derde lid.
Art. 5. Les membres externes de la commission, tels que visés à l'article 2, § 1er, alinéa 2, du présent arrêté, peuvent recevoir pour leur travail une rémunération telle que visée à l'article 11, § 3, alinéa 2, du décret du 26 avril 2024, composée comme suit :
1° une indemnité forfaitaire de 100 euros par demande d'agrément que le membre externe de la commission évalue individuellement ;
2° une indemnité relative aux frais de déplacement pour la participation aux réunions de la commission d'agrément, qui est déterminée de la manière suivante :
a) une indemnité relative aux frais réels d'utilisation des transports publics sur la base des pièces justificatives ;
b) une indemnité relative aux frais de voyage encourus pour les déplacements par leurs propres moyens conformément au régime applicable au remboursement des voyages de services intérieurs des membres de l'Autorité flamande.
Un membre externe de la commission, tel que visé à l'article 2, § 1er, alinéa 2, qui assume le rôle de président d'une commission d'agrément peut recevoir à cet effet une indemnité supplémentaire de 100 euros.
L'indemnité forfaitaire, visée à l'alinéa 1er, 1°, et l'indemnité relative au rôle de président, visée à l'alinéa 2, peuvent être adaptées, par période d'agrément, à l'évolution de l'indice santé.
Les modalités relatives à la demande et au paiement des indemnités sont fixées dans le règlement d'ordre intérieur de la commission d'agrément, visé à l'article 3, alinéa 3.
1° une indemnité forfaitaire de 100 euros par demande d'agrément que le membre externe de la commission évalue individuellement ;
2° une indemnité relative aux frais de déplacement pour la participation aux réunions de la commission d'agrément, qui est déterminée de la manière suivante :
a) une indemnité relative aux frais réels d'utilisation des transports publics sur la base des pièces justificatives ;
b) une indemnité relative aux frais de voyage encourus pour les déplacements par leurs propres moyens conformément au régime applicable au remboursement des voyages de services intérieurs des membres de l'Autorité flamande.
Un membre externe de la commission, tel que visé à l'article 2, § 1er, alinéa 2, qui assume le rôle de président d'une commission d'agrément peut recevoir à cet effet une indemnité supplémentaire de 100 euros.
L'indemnité forfaitaire, visée à l'alinéa 1er, 1°, et l'indemnité relative au rôle de président, visée à l'alinéa 2, peuvent être adaptées, par période d'agrément, à l'évolution de l'indice santé.
Les modalités relatives à la demande et au paiement des indemnités sont fixées dans le règlement d'ordre intérieur de la commission d'agrément, visé à l'article 3, alinéa 3.
Afdeling 2. - De begeleidingscommissie
Section 2. - La commission d'accompagnement
Art. 6. § 1. Het departement stelt per erkenningsperiode een pool samen met externe experten als vermeld in artikel 12, § 2, van het decreet van 26 april 2024.
De minister benoemt de externe experten van de pool, vermeld in het eerste lid.
§ 2. Per omgevingsvereniging wordt conform artikel 12, § 2, eerste lid, van het decreet van 26 april 2024 een begeleidingscommissie samengesteld die bestaat uit minimaal twee externe experten als externe commissieleden, en minstens één vertegenwoordiger van het departement.
Het departement kiest de externe commissieleden, vermeld in het eerste lid, uit de pool, vermeld in paragraaf 1.
§ 3. Als de externe commissieleden, vermeld in paragraaf 2, vaststellen dat ze voor een of meer omgevingsverenigingen niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 2, vierde lid, van het decreet van 26 april 2024, melden ze dat aan het departement. De voormelde externe commissieleden onthouden zich van de evaluatie van de omgevingsvereniging in kwestie.
Het departement vervangt externe commissieleden als vermeld in paragraaf 2, bij de evaluatie van de omgevingsverenigingen als het zelf vaststelt dat voor een of meer omgevingsverenigingen het externe commissielid in kwestie niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 2, vierde lid, van het decreet van 26 april 2024 .
De minister benoemt de externe experten van de pool, vermeld in het eerste lid.
§ 2. Per omgevingsvereniging wordt conform artikel 12, § 2, eerste lid, van het decreet van 26 april 2024 een begeleidingscommissie samengesteld die bestaat uit minimaal twee externe experten als externe commissieleden, en minstens één vertegenwoordiger van het departement.
Het departement kiest de externe commissieleden, vermeld in het eerste lid, uit de pool, vermeld in paragraaf 1.
§ 3. Als de externe commissieleden, vermeld in paragraaf 2, vaststellen dat ze voor een of meer omgevingsverenigingen niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 2, vierde lid, van het decreet van 26 april 2024, melden ze dat aan het departement. De voormelde externe commissieleden onthouden zich van de evaluatie van de omgevingsvereniging in kwestie.
Het departement vervangt externe commissieleden als vermeld in paragraaf 2, bij de evaluatie van de omgevingsverenigingen als het zelf vaststelt dat voor een of meer omgevingsverenigingen het externe commissielid in kwestie niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 2, vierde lid, van het decreet van 26 april 2024 .
Art. 6. § 1er. Le département compose un pool d'experts externes tel que visé à l'article 12, § 2, du décret du 26 avril 2024 pour chaque période d'agrément.
Le ministre nomme les experts externes du pool visé au paragraphe 1er.
§ 2. Conformément à l'article 12, § 2, alinéa 1er, du décret du 26 avril 2024, une commission d'accompagnement, qui est composée d'au moins deux experts externes en tant que membres externes de la commission et d'au moins un représentant du département, est constituée pour chaque association environnementale.
Le département élit les membres externes de la commission, visés à l'alinéa 1er, parmi le pool visé au paragraphe 1er.
§ 3. Si les membres externes de la commission visés au paragraphe 2, constatent qu'ils ne satisfont pas, pour une ou plusieurs associations environnementales, aux conditions visées à l'article 12, § 2, alinéa 4, du décret du 26 avril 2024, ils le signalent au département. Les membres externes de la commission susmentionnés s'abstiennent d'évaluer l'association environnementale en question.
Le département remplace les membres externes de la commission, tels que visés au paragraphe 2, lors de l'évaluation des associations environnementales s'il constate, pour une ou plusieurs associations environnementales, que le membre externe de la commission ne satisfait pas aux conditions visées à l'article 12, § 2, alinéa 4, du décret du 26 avril 2024.
Le ministre nomme les experts externes du pool visé au paragraphe 1er.
§ 2. Conformément à l'article 12, § 2, alinéa 1er, du décret du 26 avril 2024, une commission d'accompagnement, qui est composée d'au moins deux experts externes en tant que membres externes de la commission et d'au moins un représentant du département, est constituée pour chaque association environnementale.
Le département élit les membres externes de la commission, visés à l'alinéa 1er, parmi le pool visé au paragraphe 1er.
§ 3. Si les membres externes de la commission visés au paragraphe 2, constatent qu'ils ne satisfont pas, pour une ou plusieurs associations environnementales, aux conditions visées à l'article 12, § 2, alinéa 4, du décret du 26 avril 2024, ils le signalent au département. Les membres externes de la commission susmentionnés s'abstiennent d'évaluer l'association environnementale en question.
Le département remplace les membres externes de la commission, tels que visés au paragraphe 2, lors de l'évaluation des associations environnementales s'il constate, pour une ou plusieurs associations environnementales, que le membre externe de la commission ne satisfait pas aux conditions visées à l'article 12, § 2, alinéa 4, du décret du 26 avril 2024.
Art. 7. Het departement beheert het secretariaat van de begeleidingscommissies.
Het departement maakt een huishoudelijk reglement op voor de werking van de begeleidingscommissies. De minister beslist over de goedkeuring van het voormelde huishoudelijk reglement.
Het departement maakt een huishoudelijk reglement op voor de werking van de begeleidingscommissies. De minister beslist over de goedkeuring van het voormelde huishoudelijk reglement.
Art. 7. Le département gère le secrétariat des commissions d'accompagnement.
Le département établit un règlement d'ordre intérieur pour le fonctionnement des commissions d'accompagnement. Le ministre décide de l'approbation du règlement d'ordre intérieur susmentionné.
Le département établit un règlement d'ordre intérieur pour le fonctionnement des commissions d'accompagnement. Le ministre décide de l'approbation du règlement d'ordre intérieur susmentionné.
Art. 8. Het mandaat van de leden van de begeleidingscommissies eindigt samen met de erkenningsperiode waarvoor het mandaat is verkregen.
In de volgende gevallen kan de minister beslissen om het mandaat van een extern commissielid als vermeld in artikel 6, § 2, van dit besluit, ambtshalve te beëindigen:
1° het externe commissielid woont twee keer na elkaar zonder voorafgaande kennisgeving de vergaderingen niet bij of neemt twee keer na elkaar niet deel aan de commissiewerkzaamheden;
2° het externe commissielid voldoet niet meer aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 2, vierde lid, van het decreet van 26 april 2024;
3° het externe commissielid verricht activiteiten of vervult functies die onverenigbaar zijn met het mandaat.
De ambtshalve beëindiging van het mandaat, vermeld in het tweede lid, wordt schriftelijk meegedeeld aan het externe commissielid in kwestie.
Een extern commissielid kan het mandaat opzeggen aan de hand van een schriftelijke kennisgeving aan het departement.
In de volgende gevallen kan de minister beslissen om het mandaat van een extern commissielid als vermeld in artikel 6, § 2, van dit besluit, ambtshalve te beëindigen:
1° het externe commissielid woont twee keer na elkaar zonder voorafgaande kennisgeving de vergaderingen niet bij of neemt twee keer na elkaar niet deel aan de commissiewerkzaamheden;
2° het externe commissielid voldoet niet meer aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, § 2, vierde lid, van het decreet van 26 april 2024;
3° het externe commissielid verricht activiteiten of vervult functies die onverenigbaar zijn met het mandaat.
De ambtshalve beëindiging van het mandaat, vermeld in het tweede lid, wordt schriftelijk meegedeeld aan het externe commissielid in kwestie.
Een extern commissielid kan het mandaat opzeggen aan de hand van een schriftelijke kennisgeving aan het departement.
Art. 8. Le mandat des membres des commissions d'accompagnement prend fin en même temps que la période d'agrément pour laquelle le mandat a été obtenu.
Dans les cas suivants, le ministre peut décider de mettre fin d'office au mandat d'un membre externe de la commission, tel que visé à l'article 6, § 2, du présent arrêté :
1° le membre externe de la commission n'assiste pas deux fois de suite aux réunions sans notification préalable ou ne participe pas deux fois de suite aux travaux de la commission ;
2° le membre externe de la commission ne satisfait plus aux conditions visées à l'article 12, § 2, alinéa 4, du décret du 26 avril 2024 ;
3° le membre externe de la commission exerce des activités ou des fonctions incompatibles avec le mandat.
La cessation d'office du mandat visée à l'alinéa 2, est notifiée par écrit au membre externe de la commission concerné.
Un membre externe de la commission peut mettre fin à son mandat moyennant une notification écrite adressée au département.
Dans les cas suivants, le ministre peut décider de mettre fin d'office au mandat d'un membre externe de la commission, tel que visé à l'article 6, § 2, du présent arrêté :
1° le membre externe de la commission n'assiste pas deux fois de suite aux réunions sans notification préalable ou ne participe pas deux fois de suite aux travaux de la commission ;
2° le membre externe de la commission ne satisfait plus aux conditions visées à l'article 12, § 2, alinéa 4, du décret du 26 avril 2024 ;
3° le membre externe de la commission exerce des activités ou des fonctions incompatibles avec le mandat.
La cessation d'office du mandat visée à l'alinéa 2, est notifiée par écrit au membre externe de la commission concerné.
Un membre externe de la commission peut mettre fin à son mandat moyennant une notification écrite adressée au département.
Art. 9. Externe commissieleden als vermeld in artikel 6, § 2, van dit besluit, kunnen voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen als vermeld in artikel 12, § 3, tweede lid, van het decreet van 26 april 2024, die op de volgende wijze is samengesteld:
1° een forfaitaire vergoeding van 400 euro per begeleidingscommissie waaraan het externe commissielid participeert;
2° een vergoeding voor de verplaatsingskosten voor het gesprek met de omgevingsvereniging en voor de verplaatsingskosten voor de hoorzitting als dat van toepassing is, die op de volgende wijze wordt bepaald:
a) een vergoeding voor de werkelijke kosten om het openbaar vervoer te gebruiken op basis van de bewijsstukken;
b) een vergoeding voor de gemaakte reiskosten voor verplaatsingen met eigen vervoer volgens de regeling die geldt voor de vergoeding van binnenlandse dienstreizen van personeelsleden van de Vlaamse overheid;
3° een vergoeding van 50 euro per hoorzitting als vermeld in artikel 29 van dit besluit, waaraan het externe commissielid participeert.
De forfaitaire vergoeding, vermeld in het eerste lid, 1°, en de vergoeding voor deelname aan de hoorzitting, vermeld in eerste lid, 3°, kunnen aangepast worden aan de evolutie van de gezondheidsindex.
De modaliteiten voor de aanvraag en de uitbetaling van de vergoedingen worden vastgelegd in het huishoudelijk reglement, vermeld in artikel 7, tweede lid.
1° een forfaitaire vergoeding van 400 euro per begeleidingscommissie waaraan het externe commissielid participeert;
2° een vergoeding voor de verplaatsingskosten voor het gesprek met de omgevingsvereniging en voor de verplaatsingskosten voor de hoorzitting als dat van toepassing is, die op de volgende wijze wordt bepaald:
a) een vergoeding voor de werkelijke kosten om het openbaar vervoer te gebruiken op basis van de bewijsstukken;
b) een vergoeding voor de gemaakte reiskosten voor verplaatsingen met eigen vervoer volgens de regeling die geldt voor de vergoeding van binnenlandse dienstreizen van personeelsleden van de Vlaamse overheid;
3° een vergoeding van 50 euro per hoorzitting als vermeld in artikel 29 van dit besluit, waaraan het externe commissielid participeert.
De forfaitaire vergoeding, vermeld in het eerste lid, 1°, en de vergoeding voor deelname aan de hoorzitting, vermeld in eerste lid, 3°, kunnen aangepast worden aan de evolutie van de gezondheidsindex.
De modaliteiten voor de aanvraag en de uitbetaling van de vergoedingen worden vastgelegd in het huishoudelijk reglement, vermeld in artikel 7, tweede lid.
Art. 9. Les membres externes de la commission, tels que visés à l'article 6, § 2, du présent arrêté, peuvent recevoir pour leur travail une rémunération telle que visée à l'article 12, § 3, alinéa 2, du décret du 26 avril 2024, composée comme suit :
1° une indemnité forfaitaire de 400 euros pour chaque commission d'accompagnement à laquelle le membre externe de la commission participe ;
2° une indemnité relative aux frais de déplacement pour la discussion avec l'association environnementale et relative aux frais de déplacement pour l'audience, le cas échéant, qui est déterminée de la manière suivante :
a) une indemnité relative aux frais réels d'utilisation des transports publics sur la base des pièces justificatives ;
b) une indemnité relative aux frais de voyage encourus pour les déplacements par leurs propres moyens conformément au régime applicable au remboursement des voyages de services intérieurs des membres de l'Autorité flamande ;
3° une indemnité de 50 euros par audience, telle que visée à l'article 29 du présent arrêté, à laquelle le membre externe de la commission participe.
L'indemnité forfaitaire visée à l'alinéa 1er, 1°, et l'indemnité relative à la participation à l'audience visée à l'alinéa 1er, 3°, peuvent être adaptées à l'évolution de l'indice santé.
Les modalités relatives à la demande et au paiement des indemnités sont fixées dans le règlement d'ordre intérieur visé à l'article 7, alinéa 2.
1° une indemnité forfaitaire de 400 euros pour chaque commission d'accompagnement à laquelle le membre externe de la commission participe ;
2° une indemnité relative aux frais de déplacement pour la discussion avec l'association environnementale et relative aux frais de déplacement pour l'audience, le cas échéant, qui est déterminée de la manière suivante :
a) une indemnité relative aux frais réels d'utilisation des transports publics sur la base des pièces justificatives ;
b) une indemnité relative aux frais de voyage encourus pour les déplacements par leurs propres moyens conformément au régime applicable au remboursement des voyages de services intérieurs des membres de l'Autorité flamande ;
3° une indemnité de 50 euros par audience, telle que visée à l'article 29 du présent arrêté, à laquelle le membre externe de la commission participe.
L'indemnité forfaitaire visée à l'alinéa 1er, 1°, et l'indemnité relative à la participation à l'audience visée à l'alinéa 1er, 3°, peuvent être adaptées à l'évolution de l'indice santé.
Les modalités relatives à la demande et au paiement des indemnités sont fixées dans le règlement d'ordre intérieur visé à l'article 7, alinéa 2.
HOOFDSTUK 3. - De procedure tot erkenning van omgevingsverenigingen
CHAPITRE 3. - La procédure d'agrément des associations environnementales
Afdeling 1. - De aanvraagprocedure
Section 1re. - La procédure de demande
Art. 10. Een omgevingsvereniging dient via het subsidieloket een aanvraag tot erkenning in uiterlijk op 10 januari van het jaar dat de erkenningsperiode voorafgaat.
De erkenningsaanvraag, vermeld in het eerste lid, voor omgevingsverenigingen die al erkend zijn, bevat al de volgende documenten:
1° een volledig ingevuld aanvraagformulier;
2° de meest recente statuten van de omgevingsvereniging die in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt;
3° het meerjarenplan voor de komende erkenningsperiode dat het bestuursorgaan heeft goedgekeurd.
De erkenningsaanvraag, vermeld in het eerste lid, voor omgevingsverenigingen die nog niet zijn erkend, bevat al de volgende documenten:
1° de documenten, vermeld in het tweede lid;
2° de meest recente jaarrekening of de meest recente jaarrekening en staat van ontvangsten en uitgaven en staat van het vermogen, naargelang de boekhouding die wordt gevoerd;
3° de jaarverslagen van de laatste twee werkingsjaren die de aanvraag voorafgaan.
De erkenningsaanvraag, vermeld in het eerste lid, voor omgevingsverenigingen die al erkend zijn, bevat al de volgende documenten:
1° een volledig ingevuld aanvraagformulier;
2° de meest recente statuten van de omgevingsvereniging die in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt;
3° het meerjarenplan voor de komende erkenningsperiode dat het bestuursorgaan heeft goedgekeurd.
De erkenningsaanvraag, vermeld in het eerste lid, voor omgevingsverenigingen die nog niet zijn erkend, bevat al de volgende documenten:
1° de documenten, vermeld in het tweede lid;
2° de meest recente jaarrekening of de meest recente jaarrekening en staat van ontvangsten en uitgaven en staat van het vermogen, naargelang de boekhouding die wordt gevoerd;
3° de jaarverslagen van de laatste twee werkingsjaren die de aanvraag voorafgaan.
Art. 10. Une association environnementale introduit une demande d'agrément par l'intermédiaire du guichet de subvention au plus tard le 10 janvier de l'année précédant la période d'agrément.
La demande d'agrément visée à l'alinéa 1er, pour les associations environnementales qui sont déjà agréées, comprend tous les documents suivants :
1° un formulaire de demande entièrement complété ;
2° les statuts les plus récents de l'association environnementale publiés au Moniteur belge ;
3° le plan pluriannuel pour la prochaine période d'agrément que l'organe d'administration a approuvé.
La demande d'agrément, visée à l'alinéa 1er, pour les associations environnementales qui ne sont pas encore agréées, comprend tous les documents suivants :
1° les documents visés à l'alinéa 2 ;
2° les comptes annuels les plus récents ou les comptes annuels les plus récents et un état des recettes et dépenses et un état du patrimoine, selon la comptabilité qui est menée ;
3° les rapports annuels des deux dernières années d'activité précédant la demande.
La demande d'agrément visée à l'alinéa 1er, pour les associations environnementales qui sont déjà agréées, comprend tous les documents suivants :
1° un formulaire de demande entièrement complété ;
2° les statuts les plus récents de l'association environnementale publiés au Moniteur belge ;
3° le plan pluriannuel pour la prochaine période d'agrément que l'organe d'administration a approuvé.
La demande d'agrément, visée à l'alinéa 1er, pour les associations environnementales qui ne sont pas encore agréées, comprend tous les documents suivants :
1° les documents visés à l'alinéa 2 ;
2° les comptes annuels les plus récents ou les comptes annuels les plus récents et un état des recettes et dépenses et un état du patrimoine, selon la comptabilité qui est menée ;
3° les rapports annuels des deux dernières années d'activité précédant la demande.
Art. 11. § 1. Een gewestelijke omgevingsvereniging, een gewestelijke koepelvereniging voor omgeving en een gewestelijke ledenvereniging voor omgeving werken de volgende elementen uit in hun meerjarenplan:
1° de visie en missie van de omgevingsvereniging;
2° een omgevingsanalyse die de omgevingsuitdagingen voor de werking van de omgevingsvereniging beschrijft en onderbouwt;
3° een beschrijving van de omvang en resultaten van de bestaande werking van de omgevingsvereniging, die bestaat uit de volgende elementen:
a) een beschrijving van de bestaande werking van de omgevingsvereniging en van haar werkingsgebied;
b) een beschrijving van het antwoord dat de omgevingsvereniging biedt op de bestaande uitdagingen;
c) een beschrijving van de resultaten die de omgevingsvereniging al realiseert met haar werking;
d) een beschrijving van de positionering van de omgevingsvereniging, zowel thematisch als qua doelgroepen en partnerschappen;
4° de zelfevaluatie van de inhoudelijke en zakelijke werking. In de zelfevaluatie schetst de omgevingsvereniging haar sterktes en zwaktes en geeft de omgevingsvereniging aan welke uitdagingen en opportuniteiten die sterktes en zwaktes geven voor de toekomstige werking van de omgevingsvereniging;
5° een beschrijving van de wijze waarop een erkende omgevingsvereniging gevolg heeft gegeven aan de aanbevelingen van de begeleidingscommissie, vermeld in artikel 20, vierde lid van het decreet van 26 april 2024, als dat van toepassing is;
6° een overzicht en beschrijving van:
a) de dagelijkse werking;
b) de personeelsstructuur;
c) de organisatiestructuur;
d) de bestuursorganen;
7° de strategische en operationele doelstellingen van de omgevingsvereniging voor de uitvoering van de kernopdrachten, vermeld in artikel 7, 8 en 9 van het decreet van 26 april 2024, voor de komende erkenningsperiode;
8° een financieel plan, dat bestaat uit een meerjarenbegroting voor de komende erkenningsperiode en een beschrijving van de wijze waarop de inkomsten en uitgaven in de loop van de erkenningsperiode zullen evolueren;
9° het overzicht van het aantal leden en het aantal lokale afdelingen per Vlaamse provincie van de gewestelijke ledenvereniging voor omgeving als dat van toepassing is;
10° het overzicht van de omgevingsverenigingen die lid zijn van de gewestelijke koepelvereniging voor omgeving als dat van toepassing is;
11° een managementsamenvatting.
§ 2. Als bijlage bij het meerjarenplan voegt een gewestelijke omgevingsvereniging, een gewestelijke koepelvereniging voor omgeving en een gewestelijke ledenvereniging voor omgeving een meerjarenverbintenis voor de komende erkenningsperiode toe. Het departement stelt een sjabloon voor de voormelde meerjarenverbintenis ter beschikking via de website van het departement.
De meerjarenverbintenis, vermeld in het eerste lid, concretiseert het meerjarenplan en bevat de volgende onderdelen:
1° per operationele doelstelling van het meerjarenplan een beschrijving van de beoogde resultaten na vijf jaar. De omgevingsvereniging geeft in de voormelde beschrijving per doelstelling concreet aan welke impact ze nastreeft bij de beoogde doelgroep en welke interventies ze daarvoor zal nemen of welke inspanning ze daarvoor zal leveren. Waar dat mogelijk en relevant is, geeft de omgevingsvereniging ook aan welke impact ze nastreeft op het vlak van de omgevingskwaliteit;
2° per operationele doelstelling een overzicht van de kwalitatieve en, waar mogelijk, kwantitatieve indicatoren waarmee de omgevingsvereniging de voortgang van de resultaten jaarlijks zal opvolgen. Voor elke indicator worden jaarlijkse streefwaarden gegeven en de streefwaarde na vijf jaar;
3° als dat van toepassing is, geeft de omgevingsvereniging aan op welke wijze en in welke mate de voorgestelde operationele doelstellingen bijdragen aan de realisatie van Vlaamse omgevingsdoelstellingen als vermeld in artikel 3, § 1, derde lid, van het decreet van 26 april 2024.
1° de visie en missie van de omgevingsvereniging;
2° een omgevingsanalyse die de omgevingsuitdagingen voor de werking van de omgevingsvereniging beschrijft en onderbouwt;
3° een beschrijving van de omvang en resultaten van de bestaande werking van de omgevingsvereniging, die bestaat uit de volgende elementen:
a) een beschrijving van de bestaande werking van de omgevingsvereniging en van haar werkingsgebied;
b) een beschrijving van het antwoord dat de omgevingsvereniging biedt op de bestaande uitdagingen;
c) een beschrijving van de resultaten die de omgevingsvereniging al realiseert met haar werking;
d) een beschrijving van de positionering van de omgevingsvereniging, zowel thematisch als qua doelgroepen en partnerschappen;
4° de zelfevaluatie van de inhoudelijke en zakelijke werking. In de zelfevaluatie schetst de omgevingsvereniging haar sterktes en zwaktes en geeft de omgevingsvereniging aan welke uitdagingen en opportuniteiten die sterktes en zwaktes geven voor de toekomstige werking van de omgevingsvereniging;
5° een beschrijving van de wijze waarop een erkende omgevingsvereniging gevolg heeft gegeven aan de aanbevelingen van de begeleidingscommissie, vermeld in artikel 20, vierde lid van het decreet van 26 april 2024, als dat van toepassing is;
6° een overzicht en beschrijving van:
a) de dagelijkse werking;
b) de personeelsstructuur;
c) de organisatiestructuur;
d) de bestuursorganen;
7° de strategische en operationele doelstellingen van de omgevingsvereniging voor de uitvoering van de kernopdrachten, vermeld in artikel 7, 8 en 9 van het decreet van 26 april 2024, voor de komende erkenningsperiode;
8° een financieel plan, dat bestaat uit een meerjarenbegroting voor de komende erkenningsperiode en een beschrijving van de wijze waarop de inkomsten en uitgaven in de loop van de erkenningsperiode zullen evolueren;
9° het overzicht van het aantal leden en het aantal lokale afdelingen per Vlaamse provincie van de gewestelijke ledenvereniging voor omgeving als dat van toepassing is;
10° het overzicht van de omgevingsverenigingen die lid zijn van de gewestelijke koepelvereniging voor omgeving als dat van toepassing is;
11° een managementsamenvatting.
§ 2. Als bijlage bij het meerjarenplan voegt een gewestelijke omgevingsvereniging, een gewestelijke koepelvereniging voor omgeving en een gewestelijke ledenvereniging voor omgeving een meerjarenverbintenis voor de komende erkenningsperiode toe. Het departement stelt een sjabloon voor de voormelde meerjarenverbintenis ter beschikking via de website van het departement.
De meerjarenverbintenis, vermeld in het eerste lid, concretiseert het meerjarenplan en bevat de volgende onderdelen:
1° per operationele doelstelling van het meerjarenplan een beschrijving van de beoogde resultaten na vijf jaar. De omgevingsvereniging geeft in de voormelde beschrijving per doelstelling concreet aan welke impact ze nastreeft bij de beoogde doelgroep en welke interventies ze daarvoor zal nemen of welke inspanning ze daarvoor zal leveren. Waar dat mogelijk en relevant is, geeft de omgevingsvereniging ook aan welke impact ze nastreeft op het vlak van de omgevingskwaliteit;
2° per operationele doelstelling een overzicht van de kwalitatieve en, waar mogelijk, kwantitatieve indicatoren waarmee de omgevingsvereniging de voortgang van de resultaten jaarlijks zal opvolgen. Voor elke indicator worden jaarlijkse streefwaarden gegeven en de streefwaarde na vijf jaar;
3° als dat van toepassing is, geeft de omgevingsvereniging aan op welke wijze en in welke mate de voorgestelde operationele doelstellingen bijdragen aan de realisatie van Vlaamse omgevingsdoelstellingen als vermeld in artikel 3, § 1, derde lid, van het decreet van 26 april 2024.
Art. 11. § 1er. Une association environnementale régionale, une association coordinatrice régionale pour l'environnement et une association-membre régionale pour l'environnement élaborent les éléments suivants dans leur plan pluriannuel :
1° la vision et la mission de l'association environnementale ;
2° une analyse environnementale qui décrit et justifie les défis environnementaux pour le fonctionnement de l'association environnementale ;
3° une description de l'ampleur et des résultats du fonctionnement existant de l'association environnementale, qui comprend les éléments suivants :
a) une description du fonctionnement existant de l'association environnementale et de sa zone d'action ;
b) une description de la réponse apportée par l'association environnementale aux défis existants ;
c) une description des résultats que l'association environnementale a déjà réalisés grâce à ses actions ;
d) une description du positionnement de l'association environnementale, tant sur le plan thématique qu'en termes de groupes cibles et de partenariats ;
4° l'auto-évaluation des activités de fond et des activités commerciales. Dans l'auto-évaluation, l'association environnementale souligne ses forces et faiblesses et indique les défis et les opportunités que ces forces et faiblesses représentent pour le fonctionnement futur de l'association environnementale ;
5° une description de la manière dont une association environnementale agréée a donné suite aux recommandations de la commission d'accompagnement visées à l'article 20, alinéa 4, du décret du 26 avril 2024, le cas échéant ;
6° une vue d'ensemble et une description :
a) du fonctionnement quotidien ;
b) de la structure du personnel ;
c) de la structure organisationnelle ;
d) des organes d'administration ;
7° les objectifs stratégiques et opérationnels de l'association environnementale pour l'exécution des missions essentielles visées aux articles 7, 8 et 9 du décret du 26 avril 2024, pour la prochaine période d'agrément ;
8° un plan financier, composé d'un budget pluriannuel pour la prochaine période d'agrément et d'une description de la manière dont les recettes et dépenses évolueront au cours de la période d'agrément ;
9° la vue d'ensemble du nombre de membres et du nombre de divisions locales par province flamande de l'association-membre régionale pour l'environnement, le cas échéant ;
10° la vue d'ensemble des associations environnementales qui sont membres de l'association coordinatrice régionale pour l'environnement, le cas échéant ;
11° un résumé exécutif.
§ 2. Une association environnementale régionale, une association coordinatrice régionale pour l'environnement et une association-membre régionale pour l'environnement joignent, à titre d'annexe au plan pluriannuel, un engagement pluriannuel pour la prochaine période d'agrément. Le département met à disposition sur son site web un modèle pour l'engagement pluriannuel susmentionné.
L'engagement pluriannuel visé à l'alinéa 1er, concrétise le plan pluriannuel et comprend les éléments suivants :
1° pour chaque objectif opérationnel du plan pluriannuel, une description des résultats visés après cinq ans. Dans la description susmentionnée, l'association environnementale précise, pour chaque objectif, l'impact qu'elle poursuit auprès du groupe cible visé et les interventions ou efforts qu'elle déploiera pour y parvenir. Lorsque cela est possible et pertinent, l'association environnementale indique également l'impact qu'elle poursuit en termes de qualité de l'environnement ;
2° pour chaque objectif opérationnel, une vue d'ensemble des indicateurs qualitatifs et, si possible, quantitatifs qui permettront à l'association environnementale de suivre annuellement l'avancement des résultats. Des valeurs cibles annuelles sont indiquées pour chaque indicateur, ainsi que la valeur cible après cinq ans ;
3° le cas échéant, l'association environnementale indique de quelle manière et dans quelle mesure les objectifs opérationnels proposés contribuent à la réalisation des objectifs environnementaux flamands tels que visés à l'article 3, § 1er, alinéa 3, du décret du 26 avril 2024.
1° la vision et la mission de l'association environnementale ;
2° une analyse environnementale qui décrit et justifie les défis environnementaux pour le fonctionnement de l'association environnementale ;
3° une description de l'ampleur et des résultats du fonctionnement existant de l'association environnementale, qui comprend les éléments suivants :
a) une description du fonctionnement existant de l'association environnementale et de sa zone d'action ;
b) une description de la réponse apportée par l'association environnementale aux défis existants ;
c) une description des résultats que l'association environnementale a déjà réalisés grâce à ses actions ;
d) une description du positionnement de l'association environnementale, tant sur le plan thématique qu'en termes de groupes cibles et de partenariats ;
4° l'auto-évaluation des activités de fond et des activités commerciales. Dans l'auto-évaluation, l'association environnementale souligne ses forces et faiblesses et indique les défis et les opportunités que ces forces et faiblesses représentent pour le fonctionnement futur de l'association environnementale ;
5° une description de la manière dont une association environnementale agréée a donné suite aux recommandations de la commission d'accompagnement visées à l'article 20, alinéa 4, du décret du 26 avril 2024, le cas échéant ;
6° une vue d'ensemble et une description :
a) du fonctionnement quotidien ;
b) de la structure du personnel ;
c) de la structure organisationnelle ;
d) des organes d'administration ;
7° les objectifs stratégiques et opérationnels de l'association environnementale pour l'exécution des missions essentielles visées aux articles 7, 8 et 9 du décret du 26 avril 2024, pour la prochaine période d'agrément ;
8° un plan financier, composé d'un budget pluriannuel pour la prochaine période d'agrément et d'une description de la manière dont les recettes et dépenses évolueront au cours de la période d'agrément ;
9° la vue d'ensemble du nombre de membres et du nombre de divisions locales par province flamande de l'association-membre régionale pour l'environnement, le cas échéant ;
10° la vue d'ensemble des associations environnementales qui sont membres de l'association coordinatrice régionale pour l'environnement, le cas échéant ;
11° un résumé exécutif.
§ 2. Une association environnementale régionale, une association coordinatrice régionale pour l'environnement et une association-membre régionale pour l'environnement joignent, à titre d'annexe au plan pluriannuel, un engagement pluriannuel pour la prochaine période d'agrément. Le département met à disposition sur son site web un modèle pour l'engagement pluriannuel susmentionné.
L'engagement pluriannuel visé à l'alinéa 1er, concrétise le plan pluriannuel et comprend les éléments suivants :
1° pour chaque objectif opérationnel du plan pluriannuel, une description des résultats visés après cinq ans. Dans la description susmentionnée, l'association environnementale précise, pour chaque objectif, l'impact qu'elle poursuit auprès du groupe cible visé et les interventions ou efforts qu'elle déploiera pour y parvenir. Lorsque cela est possible et pertinent, l'association environnementale indique également l'impact qu'elle poursuit en termes de qualité de l'environnement ;
2° pour chaque objectif opérationnel, une vue d'ensemble des indicateurs qualitatifs et, si possible, quantitatifs qui permettront à l'association environnementale de suivre annuellement l'avancement des résultats. Des valeurs cibles annuelles sont indiquées pour chaque indicateur, ainsi que la valeur cible après cinq ans ;
3° le cas échéant, l'association environnementale indique de quelle manière et dans quelle mesure les objectifs opérationnels proposés contribuent à la réalisation des objectifs environnementaux flamands tels que visés à l'article 3, § 1er, alinéa 3, du décret du 26 avril 2024.
Art. 12. § 1. Een regionale omgevingsvereniging werkt de volgende elementen uit in haar meerjarenplan:
1° een beschrijving van de situering van de omgevingsvereniging, van haar inhoudelijke en zakelijke werking, van haar werkingsgebied, en van de uitdagingen waar ze voor staat. De omgevingsvereniging geeft in de voormelde beschrijving aan op welke wijze haar inhoudelijke en zakelijke werking gelinkt is aan de kernopdrachten, vermeld in artikel 6 van het decreet van 26 april 2024;
2° een beschrijving van de wijze waarop een omgevingsvereniging gevolg heeft gegeven aan de aanbevelingen van het departement, vermeld in artikel 23, tweede lid, van het decreet van 26 april 2024, als dat van toepassing is;
3° een overzicht en beschrijving van:
a) de dagelijkse werking;
b) de personeelsstructuur;
c) de organisatiestructuur;
d) de bestuursorganen;
4° een strategische visietekst die de werking schetst voor de komende erkenningsperiode. De voormelde visietekst bevat de visie, missie en de maatschappelijke positionering van de omgevingsvereniging;
5° de doelstellingen ter uitvoering van de kernopdrachten, vermeld in artikel 6 van het decreet van 26 april 2024, voor de komende erkenningsperiode;
6° een financieel plan, dat bestaat uit een meerjarenbegroting voor de komende erkenningsperiode en een beschrijving van de financiering die de omgevingsvereniging tot stand brengt om haar meerjarenplan te realiseren;
7° het overzicht van de gemeenten die behoren tot het werkingsgebied van de regionale omgevingsvereniging;
8° een managementsamenvatting.
§ 2. Als bijlage bij het meerjarenplan voegt een regionale omgevingsvereniging een meerjarenverbintenis voor de komende erkenningsperiode toe. Het departement stelt een sjabloon voor de voormelde meerjarenverbintenis ter beschikking via de website van het departement.
De meerjarenverbintenis, vermeld in het eerste lid, concretiseert het meerjarenplan en bevat de volgende onderdelen:
1° per doelstelling van het meerjarenplan een beschrijving van de beoogde resultaten na vijf jaar. De omgevingsvereniging geeft in de voormelde beschrijving per doelstelling concreet aan welke impact ze nastreeft bij de beoogde doelgroep en welke interventies ze daarvoor zal nemen of welke inspanning ze daarvoor zal leveren. Waar dat mogelijk en relevant is, geeft ze ook aan welke impact ze nastreeft op het vlak van de omgevingskwaliteit;
2° per doelstelling een overzicht van de kwalitatieve en, waar dat mogelijk is, kwantitatieve indicatoren waarmee de omgevingsvereniging de voortgang van de resultaten jaarlijks zal opvolgen. Voor elke indicator worden jaarlijkse streefwaarden gegeven en de streefwaarde na vijf jaar;
4° als dat van toepassing is, geeft de omgevingsvereniging aan op welke wijze en in welke mate de voorgestelde doelstelling bijdraagt aan de realisatie van Vlaamse omgevingsdoelstellingen als vermeld in artikel 3, § 1, derde lid, van het decreet van 26 april 2024.
1° een beschrijving van de situering van de omgevingsvereniging, van haar inhoudelijke en zakelijke werking, van haar werkingsgebied, en van de uitdagingen waar ze voor staat. De omgevingsvereniging geeft in de voormelde beschrijving aan op welke wijze haar inhoudelijke en zakelijke werking gelinkt is aan de kernopdrachten, vermeld in artikel 6 van het decreet van 26 april 2024;
2° een beschrijving van de wijze waarop een omgevingsvereniging gevolg heeft gegeven aan de aanbevelingen van het departement, vermeld in artikel 23, tweede lid, van het decreet van 26 april 2024, als dat van toepassing is;
3° een overzicht en beschrijving van:
a) de dagelijkse werking;
b) de personeelsstructuur;
c) de organisatiestructuur;
d) de bestuursorganen;
4° een strategische visietekst die de werking schetst voor de komende erkenningsperiode. De voormelde visietekst bevat de visie, missie en de maatschappelijke positionering van de omgevingsvereniging;
5° de doelstellingen ter uitvoering van de kernopdrachten, vermeld in artikel 6 van het decreet van 26 april 2024, voor de komende erkenningsperiode;
6° een financieel plan, dat bestaat uit een meerjarenbegroting voor de komende erkenningsperiode en een beschrijving van de financiering die de omgevingsvereniging tot stand brengt om haar meerjarenplan te realiseren;
7° het overzicht van de gemeenten die behoren tot het werkingsgebied van de regionale omgevingsvereniging;
8° een managementsamenvatting.
§ 2. Als bijlage bij het meerjarenplan voegt een regionale omgevingsvereniging een meerjarenverbintenis voor de komende erkenningsperiode toe. Het departement stelt een sjabloon voor de voormelde meerjarenverbintenis ter beschikking via de website van het departement.
De meerjarenverbintenis, vermeld in het eerste lid, concretiseert het meerjarenplan en bevat de volgende onderdelen:
1° per doelstelling van het meerjarenplan een beschrijving van de beoogde resultaten na vijf jaar. De omgevingsvereniging geeft in de voormelde beschrijving per doelstelling concreet aan welke impact ze nastreeft bij de beoogde doelgroep en welke interventies ze daarvoor zal nemen of welke inspanning ze daarvoor zal leveren. Waar dat mogelijk en relevant is, geeft ze ook aan welke impact ze nastreeft op het vlak van de omgevingskwaliteit;
2° per doelstelling een overzicht van de kwalitatieve en, waar dat mogelijk is, kwantitatieve indicatoren waarmee de omgevingsvereniging de voortgang van de resultaten jaarlijks zal opvolgen. Voor elke indicator worden jaarlijkse streefwaarden gegeven en de streefwaarde na vijf jaar;
4° als dat van toepassing is, geeft de omgevingsvereniging aan op welke wijze en in welke mate de voorgestelde doelstelling bijdraagt aan de realisatie van Vlaamse omgevingsdoelstellingen als vermeld in artikel 3, § 1, derde lid, van het decreet van 26 april 2024.
Art. 12. § 1er. Une association environnementale supralocale élabore les éléments suivants dans son plan pluriannuel :
1° une description de la situation de l'association environnementale, de ses activités de fond et de ses activités commerciales, de sa zone d'action et des défis auxquels elle est confrontée. Dans la description susmentionnée, l'association environnementale indique de quelle manière ses activités de fond et ses activités commerciales sont liées aux missions essentielles visées à l'article 6 du décret du 26 avril 2024 ;
2° une description de la manière dont une association environnementale a donné suite aux recommandations du département visées à l'article 23, alinéa 2, du décret du 26 avril 2024, le cas échéant ;
3° un aperçu et une description :
a) du fonctionnement quotidien ;
b) de la structure du personnel ;
c) de la structure organisationnelle ;
d) des organes d'administration ;
4° un texte de vision stratégique qui décrit le fonctionnement pour la prochaine période d'agrément. Ce texte de vision contient la vision, la mission et le positionnement social de l'association environnementale ;
5° les objectifs pour l'exécution des missions essentielles visées à l'article 6 du décret du 26 avril 2024, pour la prochaine période d'agrément ;
6° un plan financier, composé d'un budget pluriannuel pour la prochaine période d'agrément et d'une description du financement que l'association environnementale met en place pour réaliser son plan pluriannuel ;
7° la vue d'ensemble des communes appartenant à la zone d'action de l'association environnementale supralocale ;
8° un résumé exécutif.
§ 2. Une association environnementale supralocale joint, à titre d'annexe au plan pluriannuel, un engagement pluriannuel pour la prochaine période d'agrément. Le département met à disposition sur son site web un modèle pour l'engagement pluriannuel susmentionné.
L'engagement pluriannuel visé à l'alinéa 1er, concrétise le plan pluriannuel et comprend les éléments suivants :
1° pour chaque objectif du plan pluriannuel, une description des résultats visés après cinq ans. Dans la description susmentionnée, l'association environnementale précise, pour chaque objectif, l'impact qu'elle poursuit auprès du groupe cible visé et les interventions ou efforts qu'elle déploiera pour y parvenir. Lorsque cela est possible et pertinent, elle indique également l'impact qu'elle poursuit en termes de qualité de l'environnement ;
2° pour chaque objectif, une vue d'ensemble des indicateurs qualitatifs et, si possible, quantitatifs qui permettront à l'association environnementale de suivre annuellement l'avancement des résultats. Des valeurs cibles annuelles sont indiquées pour chaque indicateur, ainsi que la valeur cible après cinq ans ;
3° le cas échéant, l'association environnementale indique de quelle manière et dans quelle mesure l'objectif proposé contribue à la réalisation des objectifs environnementaux flamands tels que visés à l'article 3, § 1er, alinéa 3, du décret du 26 avril 2024.
1° une description de la situation de l'association environnementale, de ses activités de fond et de ses activités commerciales, de sa zone d'action et des défis auxquels elle est confrontée. Dans la description susmentionnée, l'association environnementale indique de quelle manière ses activités de fond et ses activités commerciales sont liées aux missions essentielles visées à l'article 6 du décret du 26 avril 2024 ;
2° une description de la manière dont une association environnementale a donné suite aux recommandations du département visées à l'article 23, alinéa 2, du décret du 26 avril 2024, le cas échéant ;
3° un aperçu et une description :
a) du fonctionnement quotidien ;
b) de la structure du personnel ;
c) de la structure organisationnelle ;
d) des organes d'administration ;
4° un texte de vision stratégique qui décrit le fonctionnement pour la prochaine période d'agrément. Ce texte de vision contient la vision, la mission et le positionnement social de l'association environnementale ;
5° les objectifs pour l'exécution des missions essentielles visées à l'article 6 du décret du 26 avril 2024, pour la prochaine période d'agrément ;
6° un plan financier, composé d'un budget pluriannuel pour la prochaine période d'agrément et d'une description du financement que l'association environnementale met en place pour réaliser son plan pluriannuel ;
7° la vue d'ensemble des communes appartenant à la zone d'action de l'association environnementale supralocale ;
8° un résumé exécutif.
§ 2. Une association environnementale supralocale joint, à titre d'annexe au plan pluriannuel, un engagement pluriannuel pour la prochaine période d'agrément. Le département met à disposition sur son site web un modèle pour l'engagement pluriannuel susmentionné.
L'engagement pluriannuel visé à l'alinéa 1er, concrétise le plan pluriannuel et comprend les éléments suivants :
1° pour chaque objectif du plan pluriannuel, une description des résultats visés après cinq ans. Dans la description susmentionnée, l'association environnementale précise, pour chaque objectif, l'impact qu'elle poursuit auprès du groupe cible visé et les interventions ou efforts qu'elle déploiera pour y parvenir. Lorsque cela est possible et pertinent, elle indique également l'impact qu'elle poursuit en termes de qualité de l'environnement ;
2° pour chaque objectif, une vue d'ensemble des indicateurs qualitatifs et, si possible, quantitatifs qui permettront à l'association environnementale de suivre annuellement l'avancement des résultats. Des valeurs cibles annuelles sont indiquées pour chaque indicateur, ainsi que la valeur cible après cinq ans ;
3° le cas échéant, l'association environnementale indique de quelle manière et dans quelle mesure l'objectif proposé contribue à la réalisation des objectifs environnementaux flamands tels que visés à l'article 3, § 1er, alinéa 3, du décret du 26 avril 2024.
Afdeling 2. - Beoordeling van de ontvankelijkheidsvoorwaarden en de erkenningsvoorwaarden
Section 2. - Evaluation des conditions de recevabilité et des conditions de reconnaissance
Art. 13. Het departement onderzoekt de ontvankelijkheid van de erkenningsaanvraag, binnen tien dagen na de uiterste datum van indiening van de erkenningsaanvragen, vermeld in artikel 10, eerste lid, van dit besluit, aan de hand van de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in artikel 13, tweede lid, van het decreet van 26 april 2024.
Als de voormelde erkenningsaanvraag laattijdig is ingediend, verklaart het departement de erkenningsaanvraag niet-ontvankelijk.
Als de voormelde erkenningsaanvraag onvolledig is, beschikt de aanvrager over tien dagen nadat de aanvrager van die onvolledigheid op de hoogte is gebracht, om die erkenningsaanvraag te vervolledigen. Als de vereniging de aanvraag onvoldoende, niet of niet tijdig vervolledigt, verklaart het departement de erkenningsaanvraag niet-ontvankelijk.
Het departement brengt de omgevingsvereniging schriftelijk op de hoogte van de niet-ontvankelijkheid van haar dossier.
Het departement legt de ontvankelijke aanvragen ter beoordeling voor aan de erkenningscommissie.
Als de voormelde erkenningsaanvraag laattijdig is ingediend, verklaart het departement de erkenningsaanvraag niet-ontvankelijk.
Als de voormelde erkenningsaanvraag onvolledig is, beschikt de aanvrager over tien dagen nadat de aanvrager van die onvolledigheid op de hoogte is gebracht, om die erkenningsaanvraag te vervolledigen. Als de vereniging de aanvraag onvoldoende, niet of niet tijdig vervolledigt, verklaart het departement de erkenningsaanvraag niet-ontvankelijk.
Het departement brengt de omgevingsvereniging schriftelijk op de hoogte van de niet-ontvankelijkheid van haar dossier.
Het departement legt de ontvankelijke aanvragen ter beoordeling voor aan de erkenningscommissie.
Art. 13. Le département examine la recevabilité de la demande d'agrément dans un délai de dix jours à compter de la date limite d'introduction des demandes d'agrément visée à l'article 10, alinéa 1er, du présent arrêté, sur la base des conditions de recevabilité visées à l'article 13, alinéa 2, du décret du 26 avril 2024.
Si la demande d'agrément susmentionnée est introduite tardivement, le département déclare la demande d'agrément irrecevable.
Si la demande d'agrément susmentionnée est incomplète, le demandeur dispose d'un délai de dix jours à compter de la date à laquelle il a été informé de l'incomplétude de la demande pour compléter la demande d'agrément. Si l'association ne complète pas suffisamment la demande ou ne la complète pas en temps utile, le département déclare la demande d'agrément irrecevable.
Le département informe par écrit l'association environnementale de l'irrecevabilité de son dossier.
Le département soumet les demandes recevables pour évaluation à la commission d'agrément.
Si la demande d'agrément susmentionnée est introduite tardivement, le département déclare la demande d'agrément irrecevable.
Si la demande d'agrément susmentionnée est incomplète, le demandeur dispose d'un délai de dix jours à compter de la date à laquelle il a été informé de l'incomplétude de la demande pour compléter la demande d'agrément. Si l'association ne complète pas suffisamment la demande ou ne la complète pas en temps utile, le département déclare la demande d'agrément irrecevable.
Le département informe par écrit l'association environnementale de l'irrecevabilité de son dossier.
Le département soumet les demandes recevables pour évaluation à la commission d'agrément.
Art. 14. De omgevingsvereniging die een erkenningsaanvraag als vermeld in artikel 10, eerste lid, van dit besluit, indient, voldoet aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 15, 1°, van het decreet van 26 april 2024, als het belangeloze doel dat ze nastreeft en de activiteiten die ze tot voorwerp heeft, vermeld in haar statuten, hoofdzakelijk gericht zijn op het bevorderen van de omgevingskwaliteit.
De omgevingsvereniging voldoet aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 15, 2°, van het decreet van 26 april 2024, als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° uiterlijk opgericht zijn op 1 januari van het tweede jaar dat het jaar van de uiterste indieningsdatum van de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 10, eerste lid, van dit besluit, voorafgaat.
2° in de twee jaren die het jaar van de uiterste indieningsdatum van de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 10, eerste lid, van dit besluit, voorafgaan, activiteiten te hebben ontplooid die gericht waren op het bevorderen van de omgevingskwaliteit in het Vlaamse Gewest.
De omgevingsvereniging voldoet aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 15, 3°, van het decreet van 26 april 2024, als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° minimaal 20% van de inkomsten van de omgevingsvereniging, namelijk de ontvangsten, zijn afkomstig van andere bronnen dan de subsidie die in het kader van de erkenning als omgevingsvereniging aan de omgevingsvereniging kan worden toegekend. De voormelde voorwaarde geldt voor de inkomsten van elk jaar van de subsidieperiode en de naleving ervan blijkt uit de meerjarenbegroting;
2° ze toont aan dat ze op korte en langere termijn aan haar financiële verplichtingen kan voldoen.
De omgevingsvereniging voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 15, 4°, van het decreet van 26 april 2024, als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° haar eigen financiën beheren;
2° werkgever en opdrachtgever zijn van het personeel en daarvoor een eigen personeelsbeleid voeren;
3° een onafhankelijk management en bestuur hebben;
4° een eigen activiteitenprogramma bepalen en uitvoeren in eigen naam;
5° over een eigen post- of bankrekening beschikken;
6° een eigen communicatiebeleid voeren.
De omgevingsvereniging voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 15, 5°, van het decreet van 26 april 2024, als uit de bestaande werking van de omgevingsvereniging blijkt dat ze een werking heeft die voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° ze vervult de kernopdrachten die voor haar categorie van toepassing zijn, in het werkingsgebied dat voor haar categorie van toepassing is, vermeld in artikel 6, eerste en tweede lid, artikel 7, eerste en tweede lid, artikel 8, eerste lid en artikel 9, eerste lid, van het voormelde decreet;
2° ze zet in op al de activiteiten die voor haar categorie van toepassing zijn, vermeld in artikel 6, derde lid, artikel 7, derde lid, artikel 8, tweede lid en artikel 9, derde lid.
De omgevingsvereniging voldoet aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 15, 2°, van het decreet van 26 april 2024, als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° uiterlijk opgericht zijn op 1 januari van het tweede jaar dat het jaar van de uiterste indieningsdatum van de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 10, eerste lid, van dit besluit, voorafgaat.
2° in de twee jaren die het jaar van de uiterste indieningsdatum van de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 10, eerste lid, van dit besluit, voorafgaan, activiteiten te hebben ontplooid die gericht waren op het bevorderen van de omgevingskwaliteit in het Vlaamse Gewest.
De omgevingsvereniging voldoet aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 15, 3°, van het decreet van 26 april 2024, als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° minimaal 20% van de inkomsten van de omgevingsvereniging, namelijk de ontvangsten, zijn afkomstig van andere bronnen dan de subsidie die in het kader van de erkenning als omgevingsvereniging aan de omgevingsvereniging kan worden toegekend. De voormelde voorwaarde geldt voor de inkomsten van elk jaar van de subsidieperiode en de naleving ervan blijkt uit de meerjarenbegroting;
2° ze toont aan dat ze op korte en langere termijn aan haar financiële verplichtingen kan voldoen.
De omgevingsvereniging voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 15, 4°, van het decreet van 26 april 2024, als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° haar eigen financiën beheren;
2° werkgever en opdrachtgever zijn van het personeel en daarvoor een eigen personeelsbeleid voeren;
3° een onafhankelijk management en bestuur hebben;
4° een eigen activiteitenprogramma bepalen en uitvoeren in eigen naam;
5° over een eigen post- of bankrekening beschikken;
6° een eigen communicatiebeleid voeren.
De omgevingsvereniging voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 15, 5°, van het decreet van 26 april 2024, als uit de bestaande werking van de omgevingsvereniging blijkt dat ze een werking heeft die voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° ze vervult de kernopdrachten die voor haar categorie van toepassing zijn, in het werkingsgebied dat voor haar categorie van toepassing is, vermeld in artikel 6, eerste en tweede lid, artikel 7, eerste en tweede lid, artikel 8, eerste lid en artikel 9, eerste lid, van het voormelde decreet;
2° ze zet in op al de activiteiten die voor haar categorie van toepassing zijn, vermeld in artikel 6, derde lid, artikel 7, derde lid, artikel 8, tweede lid en artikel 9, derde lid.
Art. 14. L'association environnementale qui introduit une demande d'agrément telle que visée à l'article 10, alinéa 1er, du présent arrêté, satisfait à la condition de reconnaissance, visée à l'article 15, 1°, du décret du 26 avril 2024, si le but désintéressé qu'elle poursuit et les activités qu'elle a pour objet, mentionnés dans ses statuts, visent principalement à promouvoir la qualité de l'environnement.
L'association environnementale satisfait à la condition de reconnaissance visée à l'article 15, 2°, du décret du 26 avril 2024, si elle satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° être constituée au plus tard le 1er janvier de la deuxième année précédant l'année de la date limite d'introduction de la demande d'agrément visée à l'article 10, alinéa 1er, du présent arrêté.
2° avoir développé des activités visant à promouvoir la qualité de l'environnement dans la Région flamande au cours des deux années précédant l'année de la date limite d'introduction de la demande d'agrément visée à l'article 10, alinéa 1er, du présent arrêté.
L'association environnementale satisfait à la condition de reconnaissance visée à l'article 15, 3°, du décret du 26 avril 2024, si elle satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° au moins 20 % des revenus de l'association environnementale, c'est-à-dire des recettes, proviennent d'autres sources que la subvention qui peut être attribuée à l'association environnementale dans le cadre de l'agrément en tant qu'association environnementale. La condition susmentionnée s'applique aux revenus de chaque année de la période de subvention et son respect est attesté par le budget pluriannuel ;
2° elle démontre sa capacité à satisfaire à ses obligations financières à court et à plus long terme.
L'association environnementale satisfait à la condition d'agrément visée à l'article 15, 4°, du décret du 26 avril 2024, si elle satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° gérer ses propres finances ;
2° être l'employeur et le commettant du personnel et mener à cet effet une propre gestion du personnel ;
3° avoir une gestion et une administration indépendantes ;
4° déterminer et exécuter son propre programme d'activités en son nom propre ;
5° disposer de son propre compte postal ou bancaire ;
6° mener sa propre politique de communication.
L'association environnementale satisfait à la condition d'agrément visée à l'article 15, 5°, du décret du 26 avril 2024, s'il ressort du fonctionnement existant de l'association environnementale qu'elle a un fonctionnement qui satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° elle remplit les missions essentielles applicables à sa catégorie dans la zone d'action applicable à sa catégorie visées à l'article 6, alinéas 1er et 2, à l'article 7, alinéas 1er et 2, à l'article 8, alinéa 1er, et à l'article 9, alinéa 1er, du décret précité ;
2° elle s'engage à mener toutes les activités applicables à sa catégorie, visées à l'article 6, alinéa 3, à l'article 7, alinéa 3, à l'article 8, alinéa 2, et à l'article 9, alinéa 3.
L'association environnementale satisfait à la condition de reconnaissance visée à l'article 15, 2°, du décret du 26 avril 2024, si elle satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° être constituée au plus tard le 1er janvier de la deuxième année précédant l'année de la date limite d'introduction de la demande d'agrément visée à l'article 10, alinéa 1er, du présent arrêté.
2° avoir développé des activités visant à promouvoir la qualité de l'environnement dans la Région flamande au cours des deux années précédant l'année de la date limite d'introduction de la demande d'agrément visée à l'article 10, alinéa 1er, du présent arrêté.
L'association environnementale satisfait à la condition de reconnaissance visée à l'article 15, 3°, du décret du 26 avril 2024, si elle satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° au moins 20 % des revenus de l'association environnementale, c'est-à-dire des recettes, proviennent d'autres sources que la subvention qui peut être attribuée à l'association environnementale dans le cadre de l'agrément en tant qu'association environnementale. La condition susmentionnée s'applique aux revenus de chaque année de la période de subvention et son respect est attesté par le budget pluriannuel ;
2° elle démontre sa capacité à satisfaire à ses obligations financières à court et à plus long terme.
L'association environnementale satisfait à la condition d'agrément visée à l'article 15, 4°, du décret du 26 avril 2024, si elle satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° gérer ses propres finances ;
2° être l'employeur et le commettant du personnel et mener à cet effet une propre gestion du personnel ;
3° avoir une gestion et une administration indépendantes ;
4° déterminer et exécuter son propre programme d'activités en son nom propre ;
5° disposer de son propre compte postal ou bancaire ;
6° mener sa propre politique de communication.
L'association environnementale satisfait à la condition d'agrément visée à l'article 15, 5°, du décret du 26 avril 2024, s'il ressort du fonctionnement existant de l'association environnementale qu'elle a un fonctionnement qui satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° elle remplit les missions essentielles applicables à sa catégorie dans la zone d'action applicable à sa catégorie visées à l'article 6, alinéas 1er et 2, à l'article 7, alinéas 1er et 2, à l'article 8, alinéa 1er, et à l'article 9, alinéa 1er, du décret précité ;
2° elle s'engage à mener toutes les activités applicables à sa catégorie, visées à l'article 6, alinéa 3, à l'article 7, alinéa 3, à l'article 8, alinéa 2, et à l'article 9, alinéa 3.
Art. 15. Als de omgevingsvereniging niet voldoet aan al de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 15 van het decreet van 26 april 2024, bezorgt de erkenningscommissie het advies om haar niet te erkennen als omgevingsvereniging aan de minister.
Als de omgevingsvereniging in de loop van de erkenningsperiode niet meer zou voldoen aan een van de erkenningsvoorwaarden, kan de minister op advies van het departement, de erkenning onmiddellijk intrekken en de subsidie, vermeld in artikel 24, § 1, stopzetten of de subsidie aanpassen. Het departement vordert subsidies die al zijn uitbetaald, verhoudingsgewijs terug.
Als de omgevingsvereniging in de loop van de erkenningsperiode niet meer zou voldoen aan een van de erkenningsvoorwaarden, kan de minister op advies van het departement, de erkenning onmiddellijk intrekken en de subsidie, vermeld in artikel 24, § 1, stopzetten of de subsidie aanpassen. Het departement vordert subsidies die al zijn uitbetaald, verhoudingsgewijs terug.
Art. 15. Si l'association environnementale ne satisfait pas à toutes les conditions de reconnaissance visées à l'article 15 du décret du 26 avril 2024, la commission d'agrément émet au ministre l'avis de ne pas l'agréer en tant qu'association environnementale.
Si, au cours de la période d'agrément, l'association environnementale ne satisfait plus à l'une des conditions de reconnaissance, le ministre peut, sur avis du département, immédiatement retirer l'agrément et mettre fin ou adapter la subvention visée à l'article 24, § 1er. Le département récupère proportionnellement les subventions qui ont déjà été payées.
Si, au cours de la période d'agrément, l'association environnementale ne satisfait plus à l'une des conditions de reconnaissance, le ministre peut, sur avis du département, immédiatement retirer l'agrément et mettre fin ou adapter la subvention visée à l'article 24, § 1er. Le département récupère proportionnellement les subventions qui ont déjà été payées.
Afdeling 3. - Beoordeling van de kwaliteit van de werking
Section 3. - Evaluation de la qualité du fonctionnement
Art. 16. De beoordeling van de kwaliteit van de werking, vermeld in artikel 17 van het decreet van 26 april 2024, is een kwalitatieve, beschrijvende beoordeling met een kwantitatieve weergave in een score op basis van het beoordelingskader, vermeld in artikel 18 van dit besluit.
Art. 16. L'évaluation de la qualité du fonctionnement, visée à l'article 17 du décret du 26 avril 2024, est une évaluation qualitative et descriptive, comprenant une représentation quantitative sous la forme d'un score basé sur le cadre d'évaluation, visé à l'article 18 du présent arrêté.
Art. 17. De erkenningscommissie beoordeelt het beoordelingscriterium, vermeld in artikel 17, eerste lid, 1°, van het decreet van 26 april 2024, op basis van de volgende subcriteria:
1° de mate waarin missie, visie en doelstellingen op een heldere en specifieke manier linken met het verbeteren van de omgevingskwaliteit;
2° de mate waarin visie, missie, doelstellingen en de werking die de omgevingsvereniging vooropstelt, coherent samenhangen;
3° de mate waarin de doelstellingen en resultaten die de omgevingsvereniging vooropstelt, impact nastreven op Vlaamse omgevingsdoelstellingen;
4° de mate waarin de doelstellingen en resultaten die de omgevingsvereniging vooropstelt, maatschappelijke impact nastreven;
5° de mate waarin de omgevingsvereniging inspeelt op actuele uitdagingen, problemen en behoeften inzake de omgevingskwaliteit.
De erkenningscommissie beoordeelt het beoordelingscriterium, vermeld in artikel 17, eerste lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024, op basis van de mate waarin de omgevingsvereniging elke kernopdracht die voor haar categorie van toepassing is, vermeld in artikel 6 tot en met 9 van het voormelde decreet, afzonderlijk vervult.
De erkenningscommissie beoordeelt het beoordelingscriterium, vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°, van het decreet van 26 april 2024, op basis van de volgende subcriteria:
1° de mate waarin de omgevingsvereniging een gezond financieel beleid voert;
2° de mate waarin het personeel voldoende omkaderd wordt om individueel en in teamververband, als dat van toepassing is, optimaal te kunnen functioneren;
3° de mate van goed bestuur en de mate waarin de omgevingsvereniging verbeteringen op het vlak van goed bestuur nastreeft;
4° de mate waarin de zakelijke werking de inhoudelijke werking van de omgevingsvereniging ondersteunt.
1° de mate waarin missie, visie en doelstellingen op een heldere en specifieke manier linken met het verbeteren van de omgevingskwaliteit;
2° de mate waarin visie, missie, doelstellingen en de werking die de omgevingsvereniging vooropstelt, coherent samenhangen;
3° de mate waarin de doelstellingen en resultaten die de omgevingsvereniging vooropstelt, impact nastreven op Vlaamse omgevingsdoelstellingen;
4° de mate waarin de doelstellingen en resultaten die de omgevingsvereniging vooropstelt, maatschappelijke impact nastreven;
5° de mate waarin de omgevingsvereniging inspeelt op actuele uitdagingen, problemen en behoeften inzake de omgevingskwaliteit.
De erkenningscommissie beoordeelt het beoordelingscriterium, vermeld in artikel 17, eerste lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024, op basis van de mate waarin de omgevingsvereniging elke kernopdracht die voor haar categorie van toepassing is, vermeld in artikel 6 tot en met 9 van het voormelde decreet, afzonderlijk vervult.
De erkenningscommissie beoordeelt het beoordelingscriterium, vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°, van het decreet van 26 april 2024, op basis van de volgende subcriteria:
1° de mate waarin de omgevingsvereniging een gezond financieel beleid voert;
2° de mate waarin het personeel voldoende omkaderd wordt om individueel en in teamververband, als dat van toepassing is, optimaal te kunnen functioneren;
3° de mate van goed bestuur en de mate waarin de omgevingsvereniging verbeteringen op het vlak van goed bestuur nastreeft;
4° de mate waarin de zakelijke werking de inhoudelijke werking van de omgevingsvereniging ondersteunt.
Art. 17. La commission d'agrément évalue le critère d'évaluation visé à l'article 17, alinéa 1er, 1°, du décret du 26 avril 2024, sur la base des sous-critères suivants :
1° la mesure dans laquelle la mission, la vision et les objectifs contribuent de manière claire et spécifique à l'amélioration de la qualité de l'environnement ;
2° la mesure dans laquelle la vision, la mission, les objectifs et le fonctionnement fixés par l'association environnementale sont liés de manière cohérente ;
3° la mesure dans laquelle les objectifs et les résultats fixés par l'association environnementale poursuivent un impact sur les objectifs environnementaux flamands ;
4° la mesure dans laquelle les objectifs et les résultats fixés par l'association environnementale poursuivent un impact social ;
5° la mesure dans laquelle l'association environnementale répond aux défis, problèmes et besoins actuels en matière de qualité de l'environnement.
La commission d'agrément évalue le critère d'évaluation visé à l'article 17, alinéa 1er, 2°, du décret du 26 avril 2024, en se fondant sur la mesure dans laquelle l'association environnementale remplit séparément chaque mission essentielle applicable à sa catégorie, visée aux articles 6 à 9 du décret précité.
La commission d'agrément évalue le critère d'évaluation, visé à l'article 17, alinéa 1er, 3°, du décret du 26 avril 2024, sur la base des sous-critères suivants :
1° la mesure dans laquelle l'association environnementale mène une politique financière saine ;
2° la mesure dans laquelle le personnel est suffisamment encadré pour fonctionner de manière optimale individuellement et en équipe, le cas échéant ;
3° la mesure de bonne gouvernance et la mesure dans laquelle l'association environnementale cherche à améliorer la bonne gouvernance ;
4° la mesure dans laquelle les activités commerciales soutiennent les activités de fond de l'association environnementale.
1° la mesure dans laquelle la mission, la vision et les objectifs contribuent de manière claire et spécifique à l'amélioration de la qualité de l'environnement ;
2° la mesure dans laquelle la vision, la mission, les objectifs et le fonctionnement fixés par l'association environnementale sont liés de manière cohérente ;
3° la mesure dans laquelle les objectifs et les résultats fixés par l'association environnementale poursuivent un impact sur les objectifs environnementaux flamands ;
4° la mesure dans laquelle les objectifs et les résultats fixés par l'association environnementale poursuivent un impact social ;
5° la mesure dans laquelle l'association environnementale répond aux défis, problèmes et besoins actuels en matière de qualité de l'environnement.
La commission d'agrément évalue le critère d'évaluation visé à l'article 17, alinéa 1er, 2°, du décret du 26 avril 2024, en se fondant sur la mesure dans laquelle l'association environnementale remplit séparément chaque mission essentielle applicable à sa catégorie, visée aux articles 6 à 9 du décret précité.
La commission d'agrément évalue le critère d'évaluation, visé à l'article 17, alinéa 1er, 3°, du décret du 26 avril 2024, sur la base des sous-critères suivants :
1° la mesure dans laquelle l'association environnementale mène une politique financière saine ;
2° la mesure dans laquelle le personnel est suffisamment encadré pour fonctionner de manière optimale individuellement et en équipe, le cas échéant ;
3° la mesure de bonne gouvernance et la mesure dans laquelle l'association environnementale cherche à améliorer la bonne gouvernance ;
4° la mesure dans laquelle les activités commerciales soutiennent les activités de fond de l'association environnementale.
Art. 18. Voor de beoordeling van de kwaliteit van de werking, vermeld in artikel 17 van het decreet van 26 april 2024, werkt het departement een beoordelingskader uit dat toelaat om:
1° voor de beoordelingscriteria, vermeld in artikel 17, eerste lid, 1° tot en met 3°, van het voormelde decreet, een score per beoordelingscriterium en een totaalscore toe te kennen op basis van de kwalitatieve beoordeling van de voormelde beoordelingscriteria;
2° voor de beoordelingscriteria, vermeld in artikel 17, eerste lid, 4° en 5°, van het voormelde decreet, een kwalitatieve waarde toe te kennen;
3° de drempelwaardes te bepalen voor een verhoging of een verlaging van de basissubsidie als vermeld in artikel 18, § 2, van het voormelde decreet.
De minister beslist over de goedkeuring van het beoordelingskader, vermeld in het eerste lid.
1° voor de beoordelingscriteria, vermeld in artikel 17, eerste lid, 1° tot en met 3°, van het voormelde decreet, een score per beoordelingscriterium en een totaalscore toe te kennen op basis van de kwalitatieve beoordeling van de voormelde beoordelingscriteria;
2° voor de beoordelingscriteria, vermeld in artikel 17, eerste lid, 4° en 5°, van het voormelde decreet, een kwalitatieve waarde toe te kennen;
3° de drempelwaardes te bepalen voor een verhoging of een verlaging van de basissubsidie als vermeld in artikel 18, § 2, van het voormelde decreet.
De minister beslist over de goedkeuring van het beoordelingskader, vermeld in het eerste lid.
Art. 18. Pour l'évaluation de la qualité du fonctionnement, visée à l'article 17 du décret du 26 avril 2024, le département élabore un cadre d'évaluation qui permet :
1° pour les critères d'évaluation visés à l'article 17, alinéa 1er, 1° à 3°, du décret précité, d'attribuer un score par critère d'évaluation et un score global basé sur l'évaluation qualitative des critères d'évaluation précités ;
2° pour les critères d'évaluation visés à l'article 17, alinéa 1er, 4° et 5°, du décret précité, d'attribuer une valeur qualitative ;
3° de déterminer les valeurs seuils pour une augmentation ou une diminution de la subvention de base, telle que visée à l'article 18, § 2, du décret précité.
Le ministre décide de l'approbation du cadre d'évaluation visé à l'alinéa 1er.
1° pour les critères d'évaluation visés à l'article 17, alinéa 1er, 1° à 3°, du décret précité, d'attribuer un score par critère d'évaluation et un score global basé sur l'évaluation qualitative des critères d'évaluation précités ;
2° pour les critères d'évaluation visés à l'article 17, alinéa 1er, 4° et 5°, du décret précité, d'attribuer une valeur qualitative ;
3° de déterminer les valeurs seuils pour une augmentation ou une diminution de la subvention de base, telle que visée à l'article 18, § 2, du décret précité.
Le ministre décide de l'approbation du cadre d'évaluation visé à l'alinéa 1er.
Art. 19. Na onderzoek van het dossier kan de erkenningscommissie tot de volgende beoordeling komen:
1° een positieve beoordeling van de kwaliteit van de werking van de omgevingsvereniging;
2° een negatieve beoordeling van de kwaliteit van de werking van de omgevingsvereniging;
3° een voorwaardelijk positieve beoordeling van de kwaliteit van de werking van de omgevingsvereniging.
Een omgevingsvereniging die voldoet aan de volgende voorwaarden, krijgt een positieve beoordeling als vermeld in het eerste lid, 1° :
1° ze behaalt een totale score van minimaal 50%;
2° ze behaalt een score van minimaal 50% voor elk van de beoordelingscriteria, vermeld in artikel 17, eerste lid, 1° en 2°, van het decreet van 26 april 2024;
3° het beoordelingscriterium, vermeld in artikel 17, eerste lid, 4°, van het voormelde decreet, en, als dat van toepassing is, het beoordelingscriterium, vermeld in artikel 17, eerste lid, 5°, van het voormelde decreet, worden positief beoordeeld.
Een omgevingsvereniging die aan een van de volgende voorwaarden voldoet, krijgt een negatieve beoordeling als vermeld in het eerste lid, 2° :
1° ze behaalt een totale score die lager is dan 50%;
2° ze behaalt een score die lager is dan 50% voor een van de beoordelingscriteria, vermeld in artikel 17, eerste lid, 1° en 2°, van het decreet van 26 april 2024;
3° het beoordelingscriterium, vermeld in artikel 17, eerste lid, 5°, van het voormelde decreet van 26 april 2024, als dat van toepassing is, wordt negatief beoordeeld.
Een omgevingsvereniging die voldoet aan de volgende voorwaarden, krijgt een voorwaardelijke positieve beoordeling als vermeld in het eerste lid, 3° :
1° ze behaalt een totale score van minimaal 50%;
2° ze behaalt een score van minimaal 50% voor elk van de beoordelingscriteria, vermeld in artikel 17, eerste lid, 1° en 2°, van het decreet van 26 april 2024;
3° het beoordelingscriterium, vermeld in artikel 17, eerste lid, 4°, van het voormelde decreet, wordt negatief beoordeeld;
4° het beoordelingscriterium, vermeld in artikel 17, eerste lid, 5°, van het voormelde decreet, als dat van toepassing, wordt positief beoordeeld.
1° een positieve beoordeling van de kwaliteit van de werking van de omgevingsvereniging;
2° een negatieve beoordeling van de kwaliteit van de werking van de omgevingsvereniging;
3° een voorwaardelijk positieve beoordeling van de kwaliteit van de werking van de omgevingsvereniging.
Een omgevingsvereniging die voldoet aan de volgende voorwaarden, krijgt een positieve beoordeling als vermeld in het eerste lid, 1° :
1° ze behaalt een totale score van minimaal 50%;
2° ze behaalt een score van minimaal 50% voor elk van de beoordelingscriteria, vermeld in artikel 17, eerste lid, 1° en 2°, van het decreet van 26 april 2024;
3° het beoordelingscriterium, vermeld in artikel 17, eerste lid, 4°, van het voormelde decreet, en, als dat van toepassing is, het beoordelingscriterium, vermeld in artikel 17, eerste lid, 5°, van het voormelde decreet, worden positief beoordeeld.
Een omgevingsvereniging die aan een van de volgende voorwaarden voldoet, krijgt een negatieve beoordeling als vermeld in het eerste lid, 2° :
1° ze behaalt een totale score die lager is dan 50%;
2° ze behaalt een score die lager is dan 50% voor een van de beoordelingscriteria, vermeld in artikel 17, eerste lid, 1° en 2°, van het decreet van 26 april 2024;
3° het beoordelingscriterium, vermeld in artikel 17, eerste lid, 5°, van het voormelde decreet van 26 april 2024, als dat van toepassing is, wordt negatief beoordeeld.
Een omgevingsvereniging die voldoet aan de volgende voorwaarden, krijgt een voorwaardelijke positieve beoordeling als vermeld in het eerste lid, 3° :
1° ze behaalt een totale score van minimaal 50%;
2° ze behaalt een score van minimaal 50% voor elk van de beoordelingscriteria, vermeld in artikel 17, eerste lid, 1° en 2°, van het decreet van 26 april 2024;
3° het beoordelingscriterium, vermeld in artikel 17, eerste lid, 4°, van het voormelde decreet, wordt negatief beoordeeld;
4° het beoordelingscriterium, vermeld in artikel 17, eerste lid, 5°, van het voormelde decreet, als dat van toepassing, wordt positief beoordeeld.
Art. 19. Après examen du dossier, la commission d'agrément peut procéder à l'évaluation suivante :
1° une évaluation positive de la qualité du fonctionnement de l'association environnementale ;
2° une évaluation négative de la qualité du fonctionnement de l'association environnementale ;
3° une évaluation positive conditionnelle de la qualité du fonctionnement de l'association environnementale.
Une association environnementale qui satisfait aux conditions suivantes reçoit une évaluation positive telle que visée à l'alinéa 1er, 1° :
1° elle obtient un score total d'au moins 50 % ;
2° elle obtient un score d'au moins 50 % pour chacun des critères d'évaluation visés à l'article 17, alinéa 1er, 1° et 2°, du décret du 26 avril 2024 ;
3° le critère d'évaluation visé à l'article 17, alinéa 1er, 4°, du décret précité et, le cas échéant, le critère d'évaluation, visé à l'article 17, alinéa 1er, 5°, du décret précité, sont évalués positivement.
Une association environnementale qui remplit l'une des conditions suivantes reçoit une évaluation négative telle que visée à l'alinéa 1er, 2° :
1° elle obtient un score total inférieur à 50 % ;
2° elle obtient un score inférieur à 50 % pour l'un des critères d'évaluation visés à l'article 17, alinéa 1er, 1° et 2°, du décret du 26 avril 2024 ;
3° le critère d'évaluation visé à l'article 17, alinéa 1er, 5°, du décret précité du 26 avril 2024, est, le cas échéant, évalué négativement.
Une association environnementale qui satisfait aux conditions suivantes reçoit une évaluation positive conditionnelle telle que visée à l'alinéa 1er, 3° :
1° elle obtient un score total d'au moins 50 % ;
2° elle obtient un score d'au moins 50 % pour chacun des critères d'évaluation visés à l'article 17, alinéa 1er, 1° et 2°, du décret du 26 avril 2024 ;
3° le critère d'évaluation visé à l'article 17, alinéa 1er, 4°, du décret précité, est évalué négativement
4° le critère d'évaluation visé à l'article 17, alinéa 1er, 5°, du décret précité, est, le cas échéant, évalué positivement.
1° une évaluation positive de la qualité du fonctionnement de l'association environnementale ;
2° une évaluation négative de la qualité du fonctionnement de l'association environnementale ;
3° une évaluation positive conditionnelle de la qualité du fonctionnement de l'association environnementale.
Une association environnementale qui satisfait aux conditions suivantes reçoit une évaluation positive telle que visée à l'alinéa 1er, 1° :
1° elle obtient un score total d'au moins 50 % ;
2° elle obtient un score d'au moins 50 % pour chacun des critères d'évaluation visés à l'article 17, alinéa 1er, 1° et 2°, du décret du 26 avril 2024 ;
3° le critère d'évaluation visé à l'article 17, alinéa 1er, 4°, du décret précité et, le cas échéant, le critère d'évaluation, visé à l'article 17, alinéa 1er, 5°, du décret précité, sont évalués positivement.
Une association environnementale qui remplit l'une des conditions suivantes reçoit une évaluation négative telle que visée à l'alinéa 1er, 2° :
1° elle obtient un score total inférieur à 50 % ;
2° elle obtient un score inférieur à 50 % pour l'un des critères d'évaluation visés à l'article 17, alinéa 1er, 1° et 2°, du décret du 26 avril 2024 ;
3° le critère d'évaluation visé à l'article 17, alinéa 1er, 5°, du décret précité du 26 avril 2024, est, le cas échéant, évalué négativement.
Une association environnementale qui satisfait aux conditions suivantes reçoit une évaluation positive conditionnelle telle que visée à l'alinéa 1er, 3° :
1° elle obtient un score total d'au moins 50 % ;
2° elle obtient un score d'au moins 50 % pour chacun des critères d'évaluation visés à l'article 17, alinéa 1er, 1° et 2°, du décret du 26 avril 2024 ;
3° le critère d'évaluation visé à l'article 17, alinéa 1er, 4°, du décret précité, est évalué négativement
4° le critère d'évaluation visé à l'article 17, alinéa 1er, 5°, du décret précité, est, le cas échéant, évalué positivement.
Art. 20. § 1. Het departement bezorgt de negatieve beoordeling van de erkenningscommissie over de meerjarenverbintenis, vermeld in artikel 19, eerste lid, 2°, schriftelijk aan de omgevingsvereniging.
Het departement nodigt omgevingsverenigingen met een voorwaardelijke positieve beoordeling als vermeld in artikel 19, eerste lid, 3°, uiterlijk vier maanden na de uiterste indieningsdatum van de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 10, eerste lid, schriftelijk uit om een aangepaste meerjarenverbintenis in te dienen.
De omgevingsvereniging dient uiterlijk binnen dertig dagen nadat ze de uitnodiging tot aanpassing, vermeld in het tweede lid, heeft ontvangen, een aangepaste meerjarenverbintenis in bij het departement via het subsidieloket.
§ 2. Nadat de erkenningscommissie de aangepaste meerjarenverbintenis, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen, beoordeelt de erkenningscommissie die aangepaste meerjarenverbintenis en neemt ze een van de volgende beslissingen:
1° als de kwaliteit van de meerjarenverbintenis voldoet, krijgt de omgevingsvereniging een positieve beoordeling als vermeld in artikel 17, tweede lid, 1°, van het decreet van 26 april 2024;
2° als de kwaliteit van de meerjarenverbintenis niet voldoet, krijgt de omgevingsvereniging een negatieve beoordeling als vermeld in artikel 17, tweede lid, 2°, van het voormelde decreet.
Als de omgevingsvereniging geen aangepaste meerjarenverbintenis indient binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, derde lid, krijgt de omgevingsvereniging een negatieve beoordeling als vermeld in artikel 17, tweede lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024.
Het departement nodigt omgevingsverenigingen met een voorwaardelijke positieve beoordeling als vermeld in artikel 19, eerste lid, 3°, uiterlijk vier maanden na de uiterste indieningsdatum van de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 10, eerste lid, schriftelijk uit om een aangepaste meerjarenverbintenis in te dienen.
De omgevingsvereniging dient uiterlijk binnen dertig dagen nadat ze de uitnodiging tot aanpassing, vermeld in het tweede lid, heeft ontvangen, een aangepaste meerjarenverbintenis in bij het departement via het subsidieloket.
§ 2. Nadat de erkenningscommissie de aangepaste meerjarenverbintenis, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen, beoordeelt de erkenningscommissie die aangepaste meerjarenverbintenis en neemt ze een van de volgende beslissingen:
1° als de kwaliteit van de meerjarenverbintenis voldoet, krijgt de omgevingsvereniging een positieve beoordeling als vermeld in artikel 17, tweede lid, 1°, van het decreet van 26 april 2024;
2° als de kwaliteit van de meerjarenverbintenis niet voldoet, krijgt de omgevingsvereniging een negatieve beoordeling als vermeld in artikel 17, tweede lid, 2°, van het voormelde decreet.
Als de omgevingsvereniging geen aangepaste meerjarenverbintenis indient binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, derde lid, krijgt de omgevingsvereniging een negatieve beoordeling als vermeld in artikel 17, tweede lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024.
Art. 20. § 1er. Le département communique par écrit à l'association environnementale l'évaluation négative de la commission d'agrément sur l'engagement pluriannuel visée à l'article 19, alinéa 1er, 2°.
Le département invite par écrit les associations environnementales ayant reçu une évaluation positive conditionnelle, telle que visée à l'article 19, alinéa 1er, 3°, à introduire un engagement pluriannuel adapté au plus tard quatre mois après la date limite d'introduction de la demande d'agrément, visée à l'article 10, alinéa 1er.
L'association environnementale introduit un engagement pluriannuel adapté auprès du département, par l'intermédiaire du guichet de subvention, au plus tard 30 jours après avoir reçu l'invitation à l'adaptation visée à l'alinéa 2.
§ 2. Une fois que la commission d'agrément a reçu l'engagement pluriannuel adapté visé à l'alinéa 1er, elle évalue cet engagement pluriannuel adapté et prend l'une des décisions suivantes :
1° si la qualité de l'engagement pluriannuel est satisfaisante, l'association environnementale reçoit une évaluation positive telle que visée à l'article 17, alinéa 2, 1°, du décret du 26 avril 2024 ;
2° si la qualité de l'engagement pluriannuel n'est pas satisfaisante, l'association environnementale reçoit une évaluation négative telle que visée à l'article 17, alinéa 2, 2°, du décret précité ;
Si l'association environnementale n'introduit pas d'engagement pluriannuel adapté dans le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 3, l'association environnementale reçoit une évaluation négative telle que visée à l'article 17, alinéa 2, 2°, du décret du 26 avril 2024.
Le département invite par écrit les associations environnementales ayant reçu une évaluation positive conditionnelle, telle que visée à l'article 19, alinéa 1er, 3°, à introduire un engagement pluriannuel adapté au plus tard quatre mois après la date limite d'introduction de la demande d'agrément, visée à l'article 10, alinéa 1er.
L'association environnementale introduit un engagement pluriannuel adapté auprès du département, par l'intermédiaire du guichet de subvention, au plus tard 30 jours après avoir reçu l'invitation à l'adaptation visée à l'alinéa 2.
§ 2. Une fois que la commission d'agrément a reçu l'engagement pluriannuel adapté visé à l'alinéa 1er, elle évalue cet engagement pluriannuel adapté et prend l'une des décisions suivantes :
1° si la qualité de l'engagement pluriannuel est satisfaisante, l'association environnementale reçoit une évaluation positive telle que visée à l'article 17, alinéa 2, 1°, du décret du 26 avril 2024 ;
2° si la qualité de l'engagement pluriannuel n'est pas satisfaisante, l'association environnementale reçoit une évaluation négative telle que visée à l'article 17, alinéa 2, 2°, du décret précité ;
Si l'association environnementale n'introduit pas d'engagement pluriannuel adapté dans le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 3, l'association environnementale reçoit une évaluation négative telle que visée à l'article 17, alinéa 2, 2°, du décret du 26 avril 2024.
Art. 21. § 1. Na een positieve beoordeling als vermeld in artikel 17, tweede lid, 1°, van het decreet van 26 april 2024, bezorgt de erkenningscommissie het advies om de omgevingsvereniging te erkennen aan de minister.
Na een negatieve beoordeling als vermeld in artikel 17, tweede lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024, bezorgt de erkenningscommissie het advies om de omgevingsvereniging niet te erkennen aan de minister.
De erkenningscommissie kan op basis van de beoordeling van de kwaliteit van de werking, vermeld in artikel 17 van het decreet van 26 april 2024, de minister adviseren om voor omgevingsverenigingen met een positieve beoordeling als vermeld in artikel 17, tweede lid, 1° van voormelde decreet, een verhoging of verlaging van de basissubsidie toe te passen als vermeld in artikel 18, § 2, van het voormelde decreet.
§ 2. Het advies van de erkenningscommissie bevat de volgende onderdelen per categorie van omgevingsverenigingen:
1° een verslag van de beoordeling van de erkenningscommissie van de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 14 van het decreet van 26 april 2024, en van de kwaliteit van de werking, vermeld in artikel 17 van voormelde decreet;
2° een overzicht van de omgevingsverenigingen die niet voldoen aan de erkenningsvoorwaarden;
3° een gerangschikte lijst op basis van de totaalscore, vermeld in artikel 18, 1°, van dit besluit, van de omgevingsverenigingen die de erkenningscommissie door een positieve beoordeling, voordraagt voor erkenning en de onderbouwing hiervoor;
4° een gerangschikte lijst op basis van de totaalscore, vermeld in artikel 18, 1°, van dit besluit, van de omgevingsverenigingen die de erkenningscommissie door een negatieve beoordeling, niet voordraagt voor erkenning en de onderbouwing hiervoor;
5° in voorkomend geval een voorstel om het basissubsidiebedrag te verhogen of te verlagen als vermeld in artikel 18, § 2, van het decreet van 26 april 2024.
Na een negatieve beoordeling als vermeld in artikel 17, tweede lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024, bezorgt de erkenningscommissie het advies om de omgevingsvereniging niet te erkennen aan de minister.
De erkenningscommissie kan op basis van de beoordeling van de kwaliteit van de werking, vermeld in artikel 17 van het decreet van 26 april 2024, de minister adviseren om voor omgevingsverenigingen met een positieve beoordeling als vermeld in artikel 17, tweede lid, 1° van voormelde decreet, een verhoging of verlaging van de basissubsidie toe te passen als vermeld in artikel 18, § 2, van het voormelde decreet.
§ 2. Het advies van de erkenningscommissie bevat de volgende onderdelen per categorie van omgevingsverenigingen:
1° een verslag van de beoordeling van de erkenningscommissie van de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 14 van het decreet van 26 april 2024, en van de kwaliteit van de werking, vermeld in artikel 17 van voormelde decreet;
2° een overzicht van de omgevingsverenigingen die niet voldoen aan de erkenningsvoorwaarden;
3° een gerangschikte lijst op basis van de totaalscore, vermeld in artikel 18, 1°, van dit besluit, van de omgevingsverenigingen die de erkenningscommissie door een positieve beoordeling, voordraagt voor erkenning en de onderbouwing hiervoor;
4° een gerangschikte lijst op basis van de totaalscore, vermeld in artikel 18, 1°, van dit besluit, van de omgevingsverenigingen die de erkenningscommissie door een negatieve beoordeling, niet voordraagt voor erkenning en de onderbouwing hiervoor;
5° in voorkomend geval een voorstel om het basissubsidiebedrag te verhogen of te verlagen als vermeld in artikel 18, § 2, van het decreet van 26 april 2024.
Art. 21. § 1er. Après une évaluation positive telle que visée à l'article 17, alinéa 2, 1°, du décret du 26 avril 2024, la commission d'agrément émet au ministre l'avis d'agréer l'association environnementale.
Après une évaluation négative telle que visée à l'article 17, alinéa 2, 2°, du décret du 26 avril 2024, la commission d'agrément émet au ministre l'avis de ne pas agréer l'association environnementale.
Sur la base de l'évaluation de la qualité du fonctionnement, visée à l'article 17 du décret du 26 avril 2024, la commission d'agrément peut conseiller au ministre d'appliquer une augmentation ou une diminution de la subvention de base, telle que visée à l'article 18, § 2, du décret précité, pour les associations environnementales ayant reçu une évaluation positive, telle que visée à l'article 17, alinéa 2, 1° du décret précité.
§ 2. L'avis de la commission d'agrément contient les éléments suivants pour chaque catégorie d'associations environnementales :
1° un rapport de l'évaluation par la commission d'agrément des conditions de reconnaissance visées à l'article 14 du décret du 26 avril 2024, et de la qualité du fonctionnement visée à l'article 17 du décret précité ;
2° une vue d'ensemble des associations environnementales qui ne satisfont pas aux conditions de reconnaissance ;
3° une liste de classement basée sur le score total visé à l'article 18, 1°, du présent arrêté, des associations environnementales que la commission d'agrément, par une évaluation positive, propose pour l'agrément et la justification à cet égard ;
4° une liste de classement basée sur le score total visé à l'article 18, 1°, du présent arrêté, des associations environnementales que la commission d'agrément, par une évaluation négative, ne propose pas pour l'agrément et la justification à cet égard ;
5° le cas échéant, une proposition d'augmentation ou de diminution du montant de la subvention de base telle que visée à l'article 18, § 2, du décret du 26 avril 2024.
Après une évaluation négative telle que visée à l'article 17, alinéa 2, 2°, du décret du 26 avril 2024, la commission d'agrément émet au ministre l'avis de ne pas agréer l'association environnementale.
Sur la base de l'évaluation de la qualité du fonctionnement, visée à l'article 17 du décret du 26 avril 2024, la commission d'agrément peut conseiller au ministre d'appliquer une augmentation ou une diminution de la subvention de base, telle que visée à l'article 18, § 2, du décret précité, pour les associations environnementales ayant reçu une évaluation positive, telle que visée à l'article 17, alinéa 2, 1° du décret précité.
§ 2. L'avis de la commission d'agrément contient les éléments suivants pour chaque catégorie d'associations environnementales :
1° un rapport de l'évaluation par la commission d'agrément des conditions de reconnaissance visées à l'article 14 du décret du 26 avril 2024, et de la qualité du fonctionnement visée à l'article 17 du décret précité ;
2° une vue d'ensemble des associations environnementales qui ne satisfont pas aux conditions de reconnaissance ;
3° une liste de classement basée sur le score total visé à l'article 18, 1°, du présent arrêté, des associations environnementales que la commission d'agrément, par une évaluation positive, propose pour l'agrément et la justification à cet égard ;
4° une liste de classement basée sur le score total visé à l'article 18, 1°, du présent arrêté, des associations environnementales que la commission d'agrément, par une évaluation négative, ne propose pas pour l'agrément et la justification à cet égard ;
5° le cas échéant, une proposition d'augmentation ou de diminution du montant de la subvention de base telle que visée à l'article 18, § 2, du décret du 26 avril 2024.
Art. 22. De minister beslist binnen zes maanden na de uiterste indieningsdatum van de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 10, eerste lid, over de erkenning van omgevingsverenigingen.
Als het beschikbare budget ontoereikend is, kan de minister beslissen om een of meer omgevingsverenigingen die conform artikel 21, § 2, 3°, de laagst gerangschikte positief beoordeelde omgevingsverenigingen zijn, niet te erkennen.
Het departement bezorgt de beslissing van de minister met een beveiligde zending aan de omgevingsvereniging.
Als het beschikbare budget ontoereikend is, kan de minister beslissen om een of meer omgevingsverenigingen die conform artikel 21, § 2, 3°, de laagst gerangschikte positief beoordeelde omgevingsverenigingen zijn, niet te erkennen.
Het departement bezorgt de beslissing van de minister met een beveiligde zending aan de omgevingsvereniging.
Art. 22. Le ministre décide de l'agrément des associations environnementales dans un délai de six mois à compter de la date limite d'introduction de la demande d'agrément visée à l'article 10, alinéa 1er.
Si le budget disponible est insuffisant, le ministre peut décider de ne pas agréer une ou plusieurs associations environnementales qui sont les moins bien classées parmi les associations environnementales ayant reçu une évaluation positive conformément à l'article 21, § 2, 3°.
Le département communique la décision du ministre par envoi sécurisé à l'association environnementale.
Si le budget disponible est insuffisant, le ministre peut décider de ne pas agréer une ou plusieurs associations environnementales qui sont les moins bien classées parmi les associations environnementales ayant reçu une évaluation positive conformément à l'article 21, § 2, 3°.
Le département communique la décision du ministre par envoi sécurisé à l'association environnementale.
HOOFDSTUK 4. - Subsidiëring van de erkende omgevingsverenigingen
CHAPITRE 4. - Subventionnement des associations environnementales agréées
Art. 23. De basissubsidie voor een erkende regionale omgevingsvereniging bedraagt jaarlijks 85.000 euro.
De basissubsidie voor een erkende gewestelijke omgevingsvereniging bedraagt jaarlijks 150.000 euro.
De basissubsidie voor een erkende gewestelijke ledenvereniging voor omgeving bedraagt jaarlijks 1.015.000 euro.
De basissubsidie voor de erkende gewestelijke koepelvereniging voor omgeving bedraagt jaarlijks 1.080.000 euro.
De basissubsidie, vermeld in het eerste lid, kan voorafgaand aan de start van een erkenningsperiode worden aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex conform de volgende formule: nieuw bedrag voor de basissubsidie = bedrag van de basissubsidie, vermeld in het eerste lid, dat vermenigvuldigd wordt met de aangepaste gezondheidsindex gedeeld door de gezondheidsindex van mei 2024.
De basissubsidie voor een erkende gewestelijke omgevingsvereniging bedraagt jaarlijks 150.000 euro.
De basissubsidie voor een erkende gewestelijke ledenvereniging voor omgeving bedraagt jaarlijks 1.015.000 euro.
De basissubsidie voor de erkende gewestelijke koepelvereniging voor omgeving bedraagt jaarlijks 1.080.000 euro.
De basissubsidie, vermeld in het eerste lid, kan voorafgaand aan de start van een erkenningsperiode worden aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex conform de volgende formule: nieuw bedrag voor de basissubsidie = bedrag van de basissubsidie, vermeld in het eerste lid, dat vermenigvuldigd wordt met de aangepaste gezondheidsindex gedeeld door de gezondheidsindex van mei 2024.
Art. 23. La subvention de base pour une association environnementale supralocale agréée s'élève annuellement à 85 000 euros.
La subvention de base pour une association environnementale régionale agréée s'élève annuellement à 150 000 euros.
La subvention de base pour une association-membre régionale agréée s'élève annuellement à 1 015 000 euros.
La subvention de base pour l'association coordinatrice régionale agréée s'élève annuellement à 1 080 000 euros.
La subvention de base, visée à l'alinéa 1er, peut être adaptée à l'évolution de l'indice santé avant le début d'une période d'agrément, selon la formule suivante : nouveau montant de la subvention de base = montant de la subvention de bases visée à l'alinéa 1er, qui est multiplié par l'indice santé adapté divisé par l'indice santé de mai 2024.
La subvention de base pour une association environnementale régionale agréée s'élève annuellement à 150 000 euros.
La subvention de base pour une association-membre régionale agréée s'élève annuellement à 1 015 000 euros.
La subvention de base pour l'association coordinatrice régionale agréée s'élève annuellement à 1 080 000 euros.
La subvention de base, visée à l'alinéa 1er, peut être adaptée à l'évolution de l'indice santé avant le début d'une période d'agrément, selon la formule suivante : nouveau montant de la subvention de base = montant de la subvention de bases visée à l'alinéa 1er, qui est multiplié par l'indice santé adapté divisé par l'indice santé de mai 2024.
Art. 24. § 1. De minister beslist binnen de perken van de beschikbare kredieten over de hoogte van de werkingssubsidie, vermeld in artikel 18, § 2, van het decreet van 26 april 2024, voor de erkende omgevingsverenigingen binnen zes maanden na de uiterste indieningsdatum van de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 10, eerste lid, van dit besluit.
De minister kan eenzijdig de werkingssubsidie, vermeld in het eerste lid, naar beneden bijstellen wegens beleidswijzigingen of besparingsmaatregelen.
Het departement bezorgt de beslissing over de hoogte van de werkingssubsidie samen met de beslissing over de erkenning met een beveiligde zending aan de omgevingsvereniging.
§ 2. De werkingssubsidie, vermeld in paragraaf 1, wordt jaarlijks toegekend door de minister in het eerste kwartaal en wordt op de volgende wijze in schijven uitbetaald:
1° een eerste schijf van 70% in het eerste kwartaal van het jaar waarop de werkingssubsidie betrekking heeft;
2° het saldo binnen dertig dagen nadat het departement de functionele rapportering, vermeld in artikel 19, tweede lid, 1°, en artikel 22, tweede lid, 1°, van het decreet van 26 april 2024, heeft ontvangen of binnen dertig dagen nadat het departement de financiële rapportering, vermeld in artikel 22, tweede lid, 2°, van het voormelde decreet, heeft ontvangen voor de jaren waarin de regionale omgevingsvereniging geen functionele rapportering indient.
De minister kan het hoofd van het departement belasten met de jaarlijkse toekenning van de werkingssubsidie, vermeld in het eerste lid.
De minister kan eenzijdig de werkingssubsidie, vermeld in het eerste lid, naar beneden bijstellen wegens beleidswijzigingen of besparingsmaatregelen.
Het departement bezorgt de beslissing over de hoogte van de werkingssubsidie samen met de beslissing over de erkenning met een beveiligde zending aan de omgevingsvereniging.
§ 2. De werkingssubsidie, vermeld in paragraaf 1, wordt jaarlijks toegekend door de minister in het eerste kwartaal en wordt op de volgende wijze in schijven uitbetaald:
1° een eerste schijf van 70% in het eerste kwartaal van het jaar waarop de werkingssubsidie betrekking heeft;
2° het saldo binnen dertig dagen nadat het departement de functionele rapportering, vermeld in artikel 19, tweede lid, 1°, en artikel 22, tweede lid, 1°, van het decreet van 26 april 2024, heeft ontvangen of binnen dertig dagen nadat het departement de financiële rapportering, vermeld in artikel 22, tweede lid, 2°, van het voormelde decreet, heeft ontvangen voor de jaren waarin de regionale omgevingsvereniging geen functionele rapportering indient.
De minister kan het hoofd van het departement belasten met de jaarlijkse toekenning van de werkingssubsidie, vermeld in het eerste lid.
Art. 24. § 1er. Le ministre décide, dans les limites des crédits disponibles, du montant de la subvention de fonctionnement, visée à l'article 18, § 2, du décret du 26 avril 2024, pour les associations environnementales agréées dans les six mois suivant la date limite d'introduction de la demande d'agrément, visée à l'article 10, alinéa 1er, du présent arrêté.
Le ministre peut ajuster unilatéralement à la baisse la subvention de fonctionnement visée à l'alinéa 1er, en raison de changements politiques ou de mesures d'économie.
Le département communique la décision sur le montant de la subvention de fonctionnement ainsi que la décision sur l'agrément par envoi sécurisé à l'association environnementale.
§ 2. La subvention de fonctionnement visée au paragraphe 1er, est attribuée annuellement par le ministre au cours du premier trimestre et est payée par tranches, de la manière suivante :
1° une première tranche de 70 % au cours du premier trimestre de l'année à laquelle la subvention de fonctionnement se rapporte ;
2° le solde dans les trente jours suivant la réception par le département du rapport fonctionnel, visé à l'article 19, alinéa 2, 1°, et à l'article 22, alinéa 2, 1°, du décret du 26 avril 2024, ou dans les trente jours suivant la réception par le département du rapport financier, visé à l'article 22, alinéa 2, 2°, du décret précité, pour les années durant lesquelles l'association environnementale supralocale n'introduit pas de rapport fonctionnel.
Le ministre peut charger le chef du département de l'attribution annuelle de la subvention de fonctionnement, visée à l'alinéa 1er.
Le ministre peut ajuster unilatéralement à la baisse la subvention de fonctionnement visée à l'alinéa 1er, en raison de changements politiques ou de mesures d'économie.
Le département communique la décision sur le montant de la subvention de fonctionnement ainsi que la décision sur l'agrément par envoi sécurisé à l'association environnementale.
§ 2. La subvention de fonctionnement visée au paragraphe 1er, est attribuée annuellement par le ministre au cours du premier trimestre et est payée par tranches, de la manière suivante :
1° une première tranche de 70 % au cours du premier trimestre de l'année à laquelle la subvention de fonctionnement se rapporte ;
2° le solde dans les trente jours suivant la réception par le département du rapport fonctionnel, visé à l'article 19, alinéa 2, 1°, et à l'article 22, alinéa 2, 1°, du décret du 26 avril 2024, ou dans les trente jours suivant la réception par le département du rapport financier, visé à l'article 22, alinéa 2, 2°, du décret précité, pour les années durant lesquelles l'association environnementale supralocale n'introduit pas de rapport fonctionnel.
Le ministre peut charger le chef du département de l'attribution annuelle de la subvention de fonctionnement, visée à l'alinéa 1er.
HOOFDSTUK 5. - Voortgangscontrole en tussentijdse evaluatie van de erkende en gesubsidieerde omgevingsverenigingen
CHAPITRE 5. - Suivi et évaluation intermédiaire des associations environnementales agréées et subventionnées
Afdeling 1. - Gewestelijke omgevingsverenigingen, gewestelijke ledenverenigingen voor omgeving en gewestelijke koepelvereniging voor omgeving
Section 1re. - Associations environnementales régionales, associations-membres régionales pour l'environnement et association coordinatrice régionale pour l'environnement
Onderafdeling 1. - Functionele en financiële rapportering en voortgangscontrole
Sous-section 1re. - Rapport et suivi fonctionnels et financiers
Art. 25. § 1. De omgevingsvereniging bezorgt de functionele rapportering, vermeld in artikel 19, tweede lid, 1°, van het decreet van 26 april 2024, uiterlijk op 1 maart aan het departement via het subsidieloket.
De functionele rapportering, vermeld in het eerste lid, van het laatste werkingsjaar van een erkenningsperiode wordt samen met het eindverslag, vermeld in artikel 35, eerste lid ingediend.
De functionele rapportering, vermeld in het eerste lid, bestaat uit een schematisch overzicht met de voortgang van de meerjarenverbintenis aan de hand van indicatoren conform een sjabloon dat het departement ter beschikking stelt.
§ 2. De omgevingsvereniging bezorgt de financiële rapportering, vermeld in artikel 19, tweede lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024, uiterlijk op 1 juli aan het departement via het subsidieloket.
De financiële rapportering, vermeld in het eerste lid, bestaat uit de volgende elementen:
1° de jaarrekening en als dat van toepassing is, het verslag van de revisor of commissaris-revisor voor het voorbije jaar;
2° een overzicht van de subsidies die de omgevingsvereniging in het voorbije jaar heeft ontvangen. Het voormelde overzicht wordt opgesteld conform het sjabloon dat het departement ter beschikking stelt.
Het departement kan met het oog op de controle van de gescheiden boekhouding, vermeld in artikel 10, vierde lid, van het decreet van 26 april 2024, bijkomende informatie opvragen.
De functionele rapportering, vermeld in het eerste lid, van het laatste werkingsjaar van een erkenningsperiode wordt samen met het eindverslag, vermeld in artikel 35, eerste lid ingediend.
De functionele rapportering, vermeld in het eerste lid, bestaat uit een schematisch overzicht met de voortgang van de meerjarenverbintenis aan de hand van indicatoren conform een sjabloon dat het departement ter beschikking stelt.
§ 2. De omgevingsvereniging bezorgt de financiële rapportering, vermeld in artikel 19, tweede lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024, uiterlijk op 1 juli aan het departement via het subsidieloket.
De financiële rapportering, vermeld in het eerste lid, bestaat uit de volgende elementen:
1° de jaarrekening en als dat van toepassing is, het verslag van de revisor of commissaris-revisor voor het voorbije jaar;
2° een overzicht van de subsidies die de omgevingsvereniging in het voorbije jaar heeft ontvangen. Het voormelde overzicht wordt opgesteld conform het sjabloon dat het departement ter beschikking stelt.
Het departement kan met het oog op de controle van de gescheiden boekhouding, vermeld in artikel 10, vierde lid, van het decreet van 26 april 2024, bijkomende informatie opvragen.
Art. 25. § 1er. L'association environnementale transmet au département, par l'intermédiaire du guichet de subvention, au plus tard le 1er mars, le rapport fonctionnel visé à l'article 19, alinéa 2, 1°, du décret du 26 avril 2024.
Le rapport fonctionnel visé à l'alinéa 1er, de la dernière année d'activité d'une période d'agrément est introduit en même temps que le rapport final visé à l'article 35, alinéa 1er.
Le rapport fonctionnel visé à l'alinéa 1er, est composé d'une vue d'ensemble schématique montrant l'avancement de l'engagement pluriannuel à l'aide d'indicateurs, conformément à un modèle mis à disposition par le département.
§ 2. L'association environnementale transmet au département, par l'intermédiaire du guichet de subvention, au plus tard le 1er juillet, le rapport financier visé à l'article 19, alinéa 2, 2°, du décret du 26 avril 2024.
Le rapport financier visé à l'alinéa 1er, comprend les éléments suivants :
1° les comptes annuels et, le cas échéant, le rapport du commissaire des comptes ou du commissaire-réviseur pour l'année écoulée ;
2° un aperçu des subventions reçues par l'association environnementale au cours de l'année écoulée. L'aperçu précité est établi conformément au modèle mis à disposition par le département.
Le département peut demander des informations supplémentaires en vue du contrôle de la comptabilité séparée visée à l'article 10, alinéa 4, du décret du 26 avril 2024.
Le rapport fonctionnel visé à l'alinéa 1er, de la dernière année d'activité d'une période d'agrément est introduit en même temps que le rapport final visé à l'article 35, alinéa 1er.
Le rapport fonctionnel visé à l'alinéa 1er, est composé d'une vue d'ensemble schématique montrant l'avancement de l'engagement pluriannuel à l'aide d'indicateurs, conformément à un modèle mis à disposition par le département.
§ 2. L'association environnementale transmet au département, par l'intermédiaire du guichet de subvention, au plus tard le 1er juillet, le rapport financier visé à l'article 19, alinéa 2, 2°, du décret du 26 avril 2024.
Le rapport financier visé à l'alinéa 1er, comprend les éléments suivants :
1° les comptes annuels et, le cas échéant, le rapport du commissaire des comptes ou du commissaire-réviseur pour l'année écoulée ;
2° un aperçu des subventions reçues par l'association environnementale au cours de l'année écoulée. L'aperçu précité est établi conformément au modèle mis à disposition par le département.
Le département peut demander des informations supplémentaires en vue du contrôle de la comptabilité séparée visée à l'article 10, alinéa 4, du décret du 26 avril 2024.
Art. 26. Het departement volgt de voortgang van de meerjarenverbintenis van de gewestelijke koepelvereniging voor omgeving en de gewestelijke ledenverenigingen voor omgeving jaarlijks op, op basis van de functionele en financiële rapportering, vermeld in artikel 25, en een gesprek met de omgevingsvereniging.
Het departement volgt de voortgang van de meerjarenverbintenis van de gewestelijke omgevingsverenigingen jaarlijks op, op basis van de functionele en financiële rapportering, vermeld in artikel 25. Het departement schrijft zijn bevindingen neer in een verslag en bezorgt dat verslag voor 1 oktober schriftelijk aan de omgevingsvereniging.
Het departement volgt de voortgang van de meerjarenverbintenis van de gewestelijke omgevingsverenigingen jaarlijks op, op basis van de functionele en financiële rapportering, vermeld in artikel 25. Het departement schrijft zijn bevindingen neer in een verslag en bezorgt dat verslag voor 1 oktober schriftelijk aan de omgevingsvereniging.
Art. 26. Le département suit annuellement l'avancement de l'engagement pluriannuel de l'association coordinatrice régionale pour l'environnement et des associations-membres régionales pour l'environnement, sur la base des rapports fonctionnel et financier visés à l'article 25, et d'une discussion avec l'association environnementale.
Le département suit annuellement l'avancement de l'engagement pluriannuel des associations environnementales régionales, sur la base des rapports fonctionnel et financier visés à l'article 25. Le département consigne ses conclusions dans un rapport qu'il transmet par écrit à l'association environnementale avant le 1er octobre.
Le département suit annuellement l'avancement de l'engagement pluriannuel des associations environnementales régionales, sur la base des rapports fonctionnel et financier visés à l'article 25. Le département consigne ses conclusions dans un rapport qu'il transmet par écrit à l'association environnementale avant le 1er octobre.
Onderafdeling 2. - Evaluatie in de loop van de erkenningsperiode
Sous-section 2. - Evaluation au cours de la période d'agrément
Art. 27. De omgevingsvereniging bezorgt het voortgangsverslag, vermeld in artikel 20, eerste lid, van het decreet van 26 april 2024, in het derde jaar van de erkenningsperiode, uiterlijk op 1 maart, aan het departement via het subsidieloket.
Het voortgangsverslag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
1° de wijze waarop de doelstellingen in de voorbije twee jaren zijn uitgevoerd;
2° de behaalde resultaten op kwantitatief en kwalitatief vlak;
3° het antwoord dat de omgevingsvereniging heeft geboden op de uitdagingen die in haar meerjarenplan zijn geschetst;
4° een kritische zelfevaluatie die de sterktes en zwaktes schetst en die de eventuele verbeterpunten en nieuwe opportuniteiten aangeeft voor de rest van de erkenningsperiode, minstens voor de invulling van de kernopdrachten die voor haar categorie van toepassing zijn, vermeld in artikel 7 tot en met 9 van het decreet van 26 april 2024, en met betrekking tot goed bestuur;
5° de voortgang van de financiële planning.
Het voortgangsverslag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
1° de wijze waarop de doelstellingen in de voorbije twee jaren zijn uitgevoerd;
2° de behaalde resultaten op kwantitatief en kwalitatief vlak;
3° het antwoord dat de omgevingsvereniging heeft geboden op de uitdagingen die in haar meerjarenplan zijn geschetst;
4° een kritische zelfevaluatie die de sterktes en zwaktes schetst en die de eventuele verbeterpunten en nieuwe opportuniteiten aangeeft voor de rest van de erkenningsperiode, minstens voor de invulling van de kernopdrachten die voor haar categorie van toepassing zijn, vermeld in artikel 7 tot en met 9 van het decreet van 26 april 2024, en met betrekking tot goed bestuur;
5° de voortgang van de financiële planning.
Art. 27. L'association environnementale transmet au département, par l'intermédiaire du guichet de subvention, au cours de la troisième année de la période d'agrément, au plus tard le 1er mars, le rapport d'avancement visé à l'article 20, alinéa 1er, du décret du 26 avril 2024.
Le rapport d'avancement visé à l'alinéa 1er, comprend tous les éléments suivants :
1° les modalités selon lesquelles les objectifs ont été exécutés au cours des deux dernières années ;
2° les résultats obtenus sur le plan quantitatif et qualitatif ;
3° la réponse apportée par l'association environnementale aux défis énoncés dans son plan pluriannuel ;
4° une auto-évaluation critique soulignant ses forces et faiblesses et identifiant les éventuels points d'amélioration et les nouvelles opportunités pour le reste de la période d'agrément, au moins pour l'accomplissement des missions essentielles applicables à sa catégorie, visées aux articles 7 à 9 du décret du 26 avril 2024, et en matière de bonne gouvernance ;
5° l'avancement de la planification financière.
Le rapport d'avancement visé à l'alinéa 1er, comprend tous les éléments suivants :
1° les modalités selon lesquelles les objectifs ont été exécutés au cours des deux dernières années ;
2° les résultats obtenus sur le plan quantitatif et qualitatif ;
3° la réponse apportée par l'association environnementale aux défis énoncés dans son plan pluriannuel ;
4° une auto-évaluation critique soulignant ses forces et faiblesses et identifiant les éventuels points d'amélioration et les nouvelles opportunités pour le reste de la période d'agrément, au moins pour l'accomplissement des missions essentielles applicables à sa catégorie, visées aux articles 7 à 9 du décret du 26 avril 2024, et en matière de bonne gouvernance ;
5° l'avancement de la planification financière.
Art. 28. § 1. De begeleidingscommissie evalueert de kwaliteit van de werking van de omgevingsverenigingen conform artikel 20, tweede lid, van het decreet van 26 april 2024, op basis van al de volgende elementen:
1° het voortgangsverslag, vermeld in artikel 27 van dit besluit;
2° de informatie die over de omgevingsvereniging publiek beschikbaar is;
3° het gesprek met de omgevingsvereniging.
De begeleidingscommissie heeft toegang tot alle documenten van het erkenningsdossier van de omgevingsvereniging uit de lopende erkenningsperiode en heeft ook toegang tot de erkenningsdossiers van de omgevingsvereniging uit voorgaande periodes als dat van toepassing is.
De evaluatie betreft een kwalitatieve, beschrijvende evaluatie aan de hand van de evaluatiecriteria, vermeld in artikel 20, tweede lid, van het decreet van 26 april 2024.
§ 2. Het evaluatiecriterium, vermeld in artikel 20, tweede lid, 1°, van het decreet van 26 april 2024, wordt beoordeeld op basis van de volgende subcriteria:
1° de status van de uitvoering van de doelstellingen;
2° de ambitie waarmee de omgevingsvereniging de doelstellingen realiseert;
3° de mate waarin de omgevingsvereniging voldoende zelfkritisch is en de werking waar nodig, bijstuurt;
4° de mate waarin de inspanningen zijn verantwoord bij gebrek aan resultaten.
Het evaluatiecriterium, vermeld in artikel 20, tweede lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024, wordt beoordeeld op basis van de volgende subcriteria:
1° de mate waarin de omgevingsvereniging een impactvolle bijdrage heeft geleverd aan Vlaamse omgevingsdoelstellingen als vermeld in artikel 3, § 1, derde lid, van het decreet van 26 april 2024;
2° de mate waarin de omgevingsvereniging maatschappelijke impact heeft gerealiseerd in het Vlaamse Gewest;
3° de mate waarin de omgevingsvereniging heeft ingespeeld op actuele uitdagingen, problemen en behoeften inzake omgevingskwaliteit.
Het evaluatiecriterium vermeld in artikel 20, tweede lid, 3°, van het decreet van 26 april 2024, wordt beoordeeld op basis van de volgende subcriteria:
1° de ambitie waarmee de omgevingsvereniging de kernopdrachten die voor haar categorie van toepassing zijn, vermeld in artikel 7 tot en met 9 van het voormelde decreet, vervult;
2° de relevantie en effectiviteit van de ingezette instrumenten.
Het evaluatiecriterium, vermeld in artikel 20, tweede lid, 4°, van het decreet van 26 april 2024, wordt beoordeeld op basis van de volgende subcriteria:
1° de mate waarin de omgevingsvereniging haar financiële plan, vermeld in artikel 11, § 1, 8°, realiseert;
2° de financiële toestand van de omgevingsvereniging;
3° de mate waarin de omgevingsvereniging haar werking verbetert op het vlak van goed bestuur.
§ 3. Op basis van een evaluatie als vermeld in paragraaf 1 en 2, stelt de begeleidingscommissie een evaluatieverslag op.
Het departement bezorgt schriftelijk het evaluatieverslag, vermeld in het eerste lid, aan de omgevingsvereniging binnen zestig dagen na het gesprek, vermeld in artikel 28, § 1, eerste lid, 3°.
1° het voortgangsverslag, vermeld in artikel 27 van dit besluit;
2° de informatie die over de omgevingsvereniging publiek beschikbaar is;
3° het gesprek met de omgevingsvereniging.
De begeleidingscommissie heeft toegang tot alle documenten van het erkenningsdossier van de omgevingsvereniging uit de lopende erkenningsperiode en heeft ook toegang tot de erkenningsdossiers van de omgevingsvereniging uit voorgaande periodes als dat van toepassing is.
De evaluatie betreft een kwalitatieve, beschrijvende evaluatie aan de hand van de evaluatiecriteria, vermeld in artikel 20, tweede lid, van het decreet van 26 april 2024.
§ 2. Het evaluatiecriterium, vermeld in artikel 20, tweede lid, 1°, van het decreet van 26 april 2024, wordt beoordeeld op basis van de volgende subcriteria:
1° de status van de uitvoering van de doelstellingen;
2° de ambitie waarmee de omgevingsvereniging de doelstellingen realiseert;
3° de mate waarin de omgevingsvereniging voldoende zelfkritisch is en de werking waar nodig, bijstuurt;
4° de mate waarin de inspanningen zijn verantwoord bij gebrek aan resultaten.
Het evaluatiecriterium, vermeld in artikel 20, tweede lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024, wordt beoordeeld op basis van de volgende subcriteria:
1° de mate waarin de omgevingsvereniging een impactvolle bijdrage heeft geleverd aan Vlaamse omgevingsdoelstellingen als vermeld in artikel 3, § 1, derde lid, van het decreet van 26 april 2024;
2° de mate waarin de omgevingsvereniging maatschappelijke impact heeft gerealiseerd in het Vlaamse Gewest;
3° de mate waarin de omgevingsvereniging heeft ingespeeld op actuele uitdagingen, problemen en behoeften inzake omgevingskwaliteit.
Het evaluatiecriterium vermeld in artikel 20, tweede lid, 3°, van het decreet van 26 april 2024, wordt beoordeeld op basis van de volgende subcriteria:
1° de ambitie waarmee de omgevingsvereniging de kernopdrachten die voor haar categorie van toepassing zijn, vermeld in artikel 7 tot en met 9 van het voormelde decreet, vervult;
2° de relevantie en effectiviteit van de ingezette instrumenten.
Het evaluatiecriterium, vermeld in artikel 20, tweede lid, 4°, van het decreet van 26 april 2024, wordt beoordeeld op basis van de volgende subcriteria:
1° de mate waarin de omgevingsvereniging haar financiële plan, vermeld in artikel 11, § 1, 8°, realiseert;
2° de financiële toestand van de omgevingsvereniging;
3° de mate waarin de omgevingsvereniging haar werking verbetert op het vlak van goed bestuur.
§ 3. Op basis van een evaluatie als vermeld in paragraaf 1 en 2, stelt de begeleidingscommissie een evaluatieverslag op.
Het departement bezorgt schriftelijk het evaluatieverslag, vermeld in het eerste lid, aan de omgevingsvereniging binnen zestig dagen na het gesprek, vermeld in artikel 28, § 1, eerste lid, 3°.
Art. 28. § 1er. La commission d'accompagnement évalue la qualité du fonctionnement des associations environnementales, conformément à l'article 20, alinéa 2, du décret du 26 avril 2024, sur la base de tous les éléments suivants :
1° le rapport d'avancement visé à l'article 27 du présent arrêté ;
2° les informations publiquement disponibles sur l'association environnementale ;
3° la discussion avec l'association environnementale.
La commission d'accompagnement a accès à tous les documents du dossier d'agrément de l'association environnementale pour la période d'agrément en cours et, le cas échéant, aux dossiers d'agrément de l'association environnementale pour les périodes précédentes.
L'évaluation porte sur une évaluation qualitative et descriptive qui utilise les critères d'évaluation visés à l'article 20, alinéa 2, du décret du 26 avril 2024.
§ 2. Le critère d'évaluation visé à l'article 20, alinéa 2, 1°, du décret du 26 avril 2024, est évalué sur la base des sous-critères suivants :
1° le statut de l'exécution des objectifs ;
2° l'ambition avec laquelle l'association environnementale réalise les objectifs ;
3° la mesure dans laquelle l'association environnementale est suffisamment autocritique et adapte son fonctionnement si nécessaire ;
4° la mesure dans laquelle les efforts ont été justifiés par l'absence de résultats.
Le critère d'évaluation visé à l'article 20, alinéa 2, 2°, du décret du 26 avril 2024, est évalué sur la base des sous-critères suivants :
1° la mesure dans laquelle l'association environnementale a contribué de manière significative aux objectifs environnementaux flamands tels que visés à l'article 3, § 1er, alinéa 3, du décret du 26 avril 2024 ;
2° la mesure dans laquelle l'association environnementale a réalisé un impact social dans la Région flamande ;
3° la mesure dans laquelle l'association environnementale a répondu aux défis, problèmes et besoins actuels en matière de qualité de l'environnement.
Le critère d'évaluation visé à l'article 20, alinéa 2, 3°, du décret du 26 avril 2024, est évalué sur la base des sous-critères suivants :
1° l'ambition avec laquelle l'association environnementale remplit les missions essentielles applicables à sa catégorie visées aux articles 7 à 9 du décret précité ;
2° la pertinence et l'efficacité des instruments mis en oeuvre.
Le critère d'évaluation visé à l'article 20, alinéa 2, 4°, du décret du 26 avril 2024, est évalué sur la base des sous-critères suivants :
1° la mesure dans laquelle l'association environnementale réalise son plan financier visé à l'article 11, § 1er, 8° ;
2° la situation financière de l'association environnementale ;
3° la mesure dans laquelle l'association environnementale améliore son fonctionnement en matière de bonne gouvernance.
§ 3. Sur la base de l'évaluation visée aux paragraphes 1er et 2, la commission d'accompagnement établit un rapport d'évaluation.
Le département transmet par écrit à l'association environnementale le rapport d'évaluation visé à l'alinéa 1er, dans les soixante jours suivant la discussion visée à l'article 28, § 1er, alinéa 1er, 3°.
1° le rapport d'avancement visé à l'article 27 du présent arrêté ;
2° les informations publiquement disponibles sur l'association environnementale ;
3° la discussion avec l'association environnementale.
La commission d'accompagnement a accès à tous les documents du dossier d'agrément de l'association environnementale pour la période d'agrément en cours et, le cas échéant, aux dossiers d'agrément de l'association environnementale pour les périodes précédentes.
L'évaluation porte sur une évaluation qualitative et descriptive qui utilise les critères d'évaluation visés à l'article 20, alinéa 2, du décret du 26 avril 2024.
§ 2. Le critère d'évaluation visé à l'article 20, alinéa 2, 1°, du décret du 26 avril 2024, est évalué sur la base des sous-critères suivants :
1° le statut de l'exécution des objectifs ;
2° l'ambition avec laquelle l'association environnementale réalise les objectifs ;
3° la mesure dans laquelle l'association environnementale est suffisamment autocritique et adapte son fonctionnement si nécessaire ;
4° la mesure dans laquelle les efforts ont été justifiés par l'absence de résultats.
Le critère d'évaluation visé à l'article 20, alinéa 2, 2°, du décret du 26 avril 2024, est évalué sur la base des sous-critères suivants :
1° la mesure dans laquelle l'association environnementale a contribué de manière significative aux objectifs environnementaux flamands tels que visés à l'article 3, § 1er, alinéa 3, du décret du 26 avril 2024 ;
2° la mesure dans laquelle l'association environnementale a réalisé un impact social dans la Région flamande ;
3° la mesure dans laquelle l'association environnementale a répondu aux défis, problèmes et besoins actuels en matière de qualité de l'environnement.
Le critère d'évaluation visé à l'article 20, alinéa 2, 3°, du décret du 26 avril 2024, est évalué sur la base des sous-critères suivants :
1° l'ambition avec laquelle l'association environnementale remplit les missions essentielles applicables à sa catégorie visées aux articles 7 à 9 du décret précité ;
2° la pertinence et l'efficacité des instruments mis en oeuvre.
Le critère d'évaluation visé à l'article 20, alinéa 2, 4°, du décret du 26 avril 2024, est évalué sur la base des sous-critères suivants :
1° la mesure dans laquelle l'association environnementale réalise son plan financier visé à l'article 11, § 1er, 8° ;
2° la situation financière de l'association environnementale ;
3° la mesure dans laquelle l'association environnementale améliore son fonctionnement en matière de bonne gouvernance.
§ 3. Sur la base de l'évaluation visée aux paragraphes 1er et 2, la commission d'accompagnement établit un rapport d'évaluation.
Le département transmet par écrit à l'association environnementale le rapport d'évaluation visé à l'alinéa 1er, dans les soixante jours suivant la discussion visée à l'article 28, § 1er, alinéa 1er, 3°.
Art. 29. Omgevingsverenigingen met een negatieve evaluatie en aanbevelingen als vermeld in artikel 20, vierde lid, van het decreet van 26 april 2024, kunnen vragen om gehoord te worden. Ze richten hun vraag daartoe schriftelijk aan het departement binnen vijftien dagen nadat ze het evaluatieverslag, vermeld in artikel 28, § 3, eerste lid, van dit besluit, hebben ontvangen.
De hoorzitting vindt plaats binnen negentig dagen nadat het departement de vraag, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen.
Binnen dertig dagen na de hoorzitting, vermeld in het tweede lid, bezorgt het departement met een beveiligde zending de definitieve evaluatie van de begeleidingscommissie aan de omgevingsvereniging.
De hoorzitting vindt plaats binnen negentig dagen nadat het departement de vraag, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen.
Binnen dertig dagen na de hoorzitting, vermeld in het tweede lid, bezorgt het departement met een beveiligde zending de definitieve evaluatie van de begeleidingscommissie aan de omgevingsvereniging.
Art. 29. Les associations environnementales ayant reçu une évaluation négative et des recommandations telles que visées à l'article 20, alinéa 4, du décret du 26 avril 2024, peuvent demander à être entendues. Elles adressent leur demande à cet effet par écrit au département dans les quinze jours suivant la réception du rapport d'évaluation visé à l'article 28, § 3, alinéa 1er, du présent arrêté.
L'audience a lieu dans les nonante jours suivant la réception par le département de la demande visée à l'alinéa 1er.
Dans les trente jours suivant l'audience, visée à l'alinéa 2, le département transmet, par envoi sécurisé, l'évaluation définitive de la commission d'accompagnement à l'association environnementale.
L'audience a lieu dans les nonante jours suivant la réception par le département de la demande visée à l'alinéa 1er.
Dans les trente jours suivant l'audience, visée à l'alinéa 2, le département transmet, par envoi sécurisé, l'évaluation définitive de la commission d'accompagnement à l'association environnementale.
Afdeling 2. - Regionale omgevingsverenigingen
Section 2. - Associations environnementales supralocales
Onderafdeling 1. - Functionele en financiële rapportering en voortgangscontrole
Sous-section 1re. - Rapport et suivi fonctionnels et financiers
Art. 30. § 1. De omgevingsvereniging bezorgt de functionele rapportering, vermeld in artikel 22, tweede lid, 1°, van het decreet van 26 april 2024, voor 1 maart van het tweede en het vierde jaar van de erkenningsperiode, aan het departement via het subsidieloket.
De functionele rapportering, vermeld in het eerste lid, bestaat uit een schematisch overzicht met de voortgang van de meerjarenverbintenis aan de hand van indicatoren conform het sjabloon dat het departement ter beschikking stelt.
§ 2. De omgevingsvereniging bezorgt de financiële rapportering, vermeld in artikel 22, tweede lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024, uiterlijk op 1 juli aan het departement via het subsidieloket.
De financiële rapportering, vermeld in het eerste lid, bestaat uit al de volgende elementen:
1° de financiële verslaggeving die de omgevingsvereniging in het kader van het voldoen aan haar financiële verplichtingen moet neerleggen voor het voorbije jaar;
2° een overzicht van de subsidies die de omgevingsvereniging in het voorbije jaar heeft ontvangen. Het voormelde overzicht wordt opgesteld conform het sjabloon dat het departement ter beschikking stelt.
Het departement kan met het oog op de controle van de gescheiden boekhouding, vermeld in artikel 10, vierde lid, van het decreet van 26 april 2024, bijkomende informatie opvragen.
De functionele rapportering, vermeld in het eerste lid, bestaat uit een schematisch overzicht met de voortgang van de meerjarenverbintenis aan de hand van indicatoren conform het sjabloon dat het departement ter beschikking stelt.
§ 2. De omgevingsvereniging bezorgt de financiële rapportering, vermeld in artikel 22, tweede lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024, uiterlijk op 1 juli aan het departement via het subsidieloket.
De financiële rapportering, vermeld in het eerste lid, bestaat uit al de volgende elementen:
1° de financiële verslaggeving die de omgevingsvereniging in het kader van het voldoen aan haar financiële verplichtingen moet neerleggen voor het voorbije jaar;
2° een overzicht van de subsidies die de omgevingsvereniging in het voorbije jaar heeft ontvangen. Het voormelde overzicht wordt opgesteld conform het sjabloon dat het departement ter beschikking stelt.
Het departement kan met het oog op de controle van de gescheiden boekhouding, vermeld in artikel 10, vierde lid, van het decreet van 26 april 2024, bijkomende informatie opvragen.
Art. 30. § 1er. L'association environnementale transmet au département, par l'intermédiaire du guichet de subvention, avant le 1er mars des deuxième et quatrième années de la période d'agrément, le rapport fonctionnel visé à l'article 22, alinéa 2, 1°, du décret du 26 avril 2024.
Le rapport fonctionnel visé à l'alinéa 1er, est composé d'une vue d'ensemble schématique montrant l'avancement de l'engagement pluriannuel à l'aide d'indicateurs, conformément au modèle mis à disposition par le département.
§ 2. L'association environnementale transmet au département, par l'intermédiaire du guichet de subvention, au plus tard le 1er juillet, le rapport financier visé à l'article 22, alinéa 2, 2°, du décret du 26 avril 2024.
Le rapport financier visé à l'alinéa 1er, comprend tous les éléments suivants :
1° le rapport financier que l'association environnementale doit déposer pour l'année écoulée en vue de satisfaire à ses obligations financières ;
2° un aperçu des subventions reçues par l'association environnementale au cours de l'année écoulée. L'aperçu susmentionné est établi conformément au modèle mis à disposition par le département.
Le département peut demander des informations supplémentaires en vue de contrôler la comptabilité séparée visée à l'article 10, alinéa 4, du décret du 26 avril 2024.
Le rapport fonctionnel visé à l'alinéa 1er, est composé d'une vue d'ensemble schématique montrant l'avancement de l'engagement pluriannuel à l'aide d'indicateurs, conformément au modèle mis à disposition par le département.
§ 2. L'association environnementale transmet au département, par l'intermédiaire du guichet de subvention, au plus tard le 1er juillet, le rapport financier visé à l'article 22, alinéa 2, 2°, du décret du 26 avril 2024.
Le rapport financier visé à l'alinéa 1er, comprend tous les éléments suivants :
1° le rapport financier que l'association environnementale doit déposer pour l'année écoulée en vue de satisfaire à ses obligations financières ;
2° un aperçu des subventions reçues par l'association environnementale au cours de l'année écoulée. L'aperçu susmentionné est établi conformément au modèle mis à disposition par le département.
Le département peut demander des informations supplémentaires en vue de contrôler la comptabilité séparée visée à l'article 10, alinéa 4, du décret du 26 avril 2024.
Art. 31. Het departement volgt de voortgang van de meerjarenverbintenis van de regionale omgevingsverenigingen tweejaarlijks op, op basis van de functionele en financiële rapportering, vermeld in artikel 30. Het departement schrijft zijn bevindingen neer in een verslag en bezorgt dat verslag voor 1 oktober schriftelijk aan de omgevingsvereniging.
Art. 31. Le département suit tous les deux ans l'avancement de l'engagement pluriannuel des associations environnementales supralocales, sur la base des rapports fonctionnel et financier visés à l'article 30. Le département consigne ses conclusions dans un rapport qu'il transmet par écrit à l'association environnementale avant le 1er octobre.
Onderafdeling 2. - Evaluatie in de loop van de erkenningsperiode
Sous-section 2. - Evaluation au cours de la période d'agrément
Art. 32. § 1. De omgevingsvereniging bezorgt het voortgangsverslag, vermeld in artikel 22, derde lid, van het decreet van 26 april 2024, op verzoek van het departement binnen de termijn die het departement vaststelt in zijn verzoek, via het subsidieloket.
Het voortgangsverslag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
1° de wijze waarop de doelstellingen zijn uitgevoerd in de werkingsjaren waarover er verslag wordt uitgebracht;
2° de behaalde resultaten op kwantitatief en kwalitatief vlak.
§ 2. Er kan een gesprek plaatsvinden tussen het departement en de omgevingsvereniging over de voortgang van de meerjarenverbintenis als het departement of de omgevingsvereniging daarom verzoekt.
Het voortgangsverslag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
1° de wijze waarop de doelstellingen zijn uitgevoerd in de werkingsjaren waarover er verslag wordt uitgebracht;
2° de behaalde resultaten op kwantitatief en kwalitatief vlak.
§ 2. Er kan een gesprek plaatsvinden tussen het departement en de omgevingsvereniging over de voortgang van de meerjarenverbintenis als het departement of de omgevingsvereniging daarom verzoekt.
Art. 32. § 1er. L'association environnementale transmet, par l'intermédiaire du guichet de subvention, le rapport d'avancement visé à l'article 22, alinéa 3, du décret du 26 avril 2024, à la demande du département dans le délai fixé par le département dans sa demande.
Le rapport d'avancement visé à l'alinéa 1er, comprend tous les éléments suivants :
1° les modalités selon lesquelles les objectifs sont exécutés durant les années d'activité pour lesquelles un rapport est émis ;
2° les résultats obtenus sur le plan quantitatif et qualitatif.
§ 2. Une discussion peut avoir lieu entre le département et l'association environnementale sur l'avancement de l'engagement pluriannuel si le département ou l'association environnementale en fait la demande.
Le rapport d'avancement visé à l'alinéa 1er, comprend tous les éléments suivants :
1° les modalités selon lesquelles les objectifs sont exécutés durant les années d'activité pour lesquelles un rapport est émis ;
2° les résultats obtenus sur le plan quantitatif et qualitatif.
§ 2. Une discussion peut avoir lieu entre le département et l'association environnementale sur l'avancement de l'engagement pluriannuel si le département ou l'association environnementale en fait la demande.
Art. 33. Het departement evalueert de omgevingsvereniging op basis van het voortgangsverslag, vermeld in artikel 32, § 1, en aan de hand van de volgende evaluatiecriteria en subcriteria:
1° de voortgang van het meerjarenplan en de meerjarenverbintenis aan de hand van:
a) de mate waarin de vooropgestelde doelstellingen en resultaten zijn behaald;
b) de mate waarin inspanningen zijn geleverd voor niet-behaalde doelstellingen en resultaten;
2° de mate waarin de omgevingsvereniging haar kernopdrachten vervult aan de hand van:
a) de ambitie waarmee de omgevingsvereniging de kernopdrachten vervult;
b) de relevantie en effectiviteit van de ingezette instrumenten.
Op basis van de evaluatie, vermeld in het eerste lid, stelt het departement een evaluatieverslag op en bezorgt dat verslag schriftelijk aan de omgevingsvereniging uiterlijk zestig dagen nadat het departement het voortgangsverslag, vermeld in artikel 32, § 1, heeft ontvangen of na het gesprek, vermeld in artikel 32, § 2, als dat van toepassing is.
1° de voortgang van het meerjarenplan en de meerjarenverbintenis aan de hand van:
a) de mate waarin de vooropgestelde doelstellingen en resultaten zijn behaald;
b) de mate waarin inspanningen zijn geleverd voor niet-behaalde doelstellingen en resultaten;
2° de mate waarin de omgevingsvereniging haar kernopdrachten vervult aan de hand van:
a) de ambitie waarmee de omgevingsvereniging de kernopdrachten vervult;
b) de relevantie en effectiviteit van de ingezette instrumenten.
Op basis van de evaluatie, vermeld in het eerste lid, stelt het departement een evaluatieverslag op en bezorgt dat verslag schriftelijk aan de omgevingsvereniging uiterlijk zestig dagen nadat het departement het voortgangsverslag, vermeld in artikel 32, § 1, heeft ontvangen of na het gesprek, vermeld in artikel 32, § 2, als dat van toepassing is.
Art. 33. Le département évalue l'association environnementale sur la base du rapport d'avancement visé à l'article 32, § 1er, et en utilisant les critères et sous-critères d'évaluation suivants :
1° l'avancement du plan pluriannuel et de l'engagement pluriannuel, selon :
a) la mesure dans laquelle les objectifs et les résultats fixés ont été atteints ;
b) la mesure dans laquelle des efforts ont été déployés pour les objectifs et les résultats non atteints ;
2° la mesure dans laquelle l'association environnementale remplit ses missions essentielles, selon :
a) l'ambition avec laquelle l'association environnementale remplit ses missions essentielles ;
b) la pertinence et l'efficacité des instruments mis en oeuvre.
Sur la base de l'évaluation, visée à l'alinéa 1er, le département établit un rapport d'évaluation et le remet par écrit à l'association environnementale au plus tard soixante jours après la réception par le département du rapport d'avancement, visé à l'article 32, § 1er, ou après la discussion, visée à l'article 32, § 2, le cas échéant.
1° l'avancement du plan pluriannuel et de l'engagement pluriannuel, selon :
a) la mesure dans laquelle les objectifs et les résultats fixés ont été atteints ;
b) la mesure dans laquelle des efforts ont été déployés pour les objectifs et les résultats non atteints ;
2° la mesure dans laquelle l'association environnementale remplit ses missions essentielles, selon :
a) l'ambition avec laquelle l'association environnementale remplit ses missions essentielles ;
b) la pertinence et l'efficacité des instruments mis en oeuvre.
Sur la base de l'évaluation, visée à l'alinéa 1er, le département établit un rapport d'évaluation et le remet par écrit à l'association environnementale au plus tard soixante jours après la réception par le département du rapport d'avancement, visé à l'article 32, § 1er, ou après la discussion, visée à l'article 32, § 2, le cas échéant.
Art. 34. Omgevingsverenigingen met een negatieve evaluatie en aanbevelingen als vermeld in artikel 23, tweede lid, van het decreet van 26 april 2024, kunnen vragen om gehoord te worden. Ze richten hun vraag daartoe aan het departement binnen vijftien dagen nadat ze het evaluatieverslag, vermeld in artikel 33, tweede lid, van dit besluit, hebben ontvangen.
De hoorzitting vindt plaats binnen negentig dagen nadat het departement de vraag, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen.
Binnen dertig dagen na de hoorzitting, vermeld in het tweede lid, bezorgt het departement met een beveiligde zending zijn definitieve evaluatie aan de omgevingsvereniging.
De hoorzitting vindt plaats binnen negentig dagen nadat het departement de vraag, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen.
Binnen dertig dagen na de hoorzitting, vermeld in het tweede lid, bezorgt het departement met een beveiligde zending zijn definitieve evaluatie aan de omgevingsvereniging.
Art. 34. Les associations environnementales ayant reçu une évaluation négative et des recommandations telles que visées à l'article 23, alinéa 2, du décret du 26 avril 2024, peuvent demander à être entendues. Elles adressent leur demande à cet effet au département dans les quinze jours suivant la réception du rapport d'évaluation, visé à l'article 33, alinéa 2, du présent arrêté.
L'audience a lieu dans les nonante jours suivant la réception par le département de la demande visée à l'alinéa 1er.
Dans les trente jours suivant l'audience visée à l'alinéa 2, le département transmet, par envoi sécurisé, son évaluation définitive à l'association environnementale.
L'audience a lieu dans les nonante jours suivant la réception par le département de la demande visée à l'alinéa 1er.
Dans les trente jours suivant l'audience visée à l'alinéa 2, le département transmet, par envoi sécurisé, son évaluation définitive à l'association environnementale.
HOOFDSTUK 6. - Eindrapportering en eindevaluatie
CHAPITRE 6. - Rapport final et évaluation finale
Art. 35. De omgevingsverenigingen bezorgen voor de eindevaluatie van het departement, vermeld in artikel 21, eerste lid, en artikel 24, eerste lid, van het decreet van 26 april 2024, binnen zes maanden nadat de erkenningsperiode is afgelopen, een eindverslag aan het departement via het subsidieloket.
Het eindverslag, vermeld in het eerste lid, beschrijft al de volgende elementen:
1° de wijze waarop de doelstellingen in de voorbije erkenningsperiode zijn uitgevoerd;
2° de behaalde resultaten op kwantitatief en kwalitatief vlak;
3° het antwoord dat de omgevingsvereniging heeft geboden op de uitdagingen die ze in haar meerjarenplan heeft geschetst;
4° de verantwoording van de aanwending van de subsidie;
5° de gegevens die nodig zijn om de beleidsevaluatie, vermeld in artikel 56, te kunnen uitvoeren.
Het eindverslag, vermeld in het eerste lid, beschrijft al de volgende elementen:
1° de wijze waarop de doelstellingen in de voorbije erkenningsperiode zijn uitgevoerd;
2° de behaalde resultaten op kwantitatief en kwalitatief vlak;
3° het antwoord dat de omgevingsvereniging heeft geboden op de uitdagingen die ze in haar meerjarenplan heeft geschetst;
4° de verantwoording van de aanwending van de subsidie;
5° de gegevens die nodig zijn om de beleidsevaluatie, vermeld in artikel 56, te kunnen uitvoeren.
Art. 35. Les associations environnementales transmettent au département, par l'intermédiaire du guichet de subvention, un rapport final pour l'évaluation finale du département, visé à l'article 21, alinéa 1er, et à l'article 24, alinéa 1er, du décret du 26 avril 2024, dans un délai de six mois à compter de la fin de la période d'agrément.
Le rapport final visé à l'alinéa 1er, décrit tous les éléments suivants :
1° les modalités selon lesquelles les objectifs ont été exécutés au cours de la période d'agrément écoulée ;
2° les résultats obtenus sur le plan quantitatif et qualitatif ;
3° la réponse apportée par l'association environnementale aux défis qu'elle a énoncés dans son plan pluriannuel ;
4° la justification de l'emploi de la subvention ;
5° les données nécessaires pour pouvoir effectuer l'évaluation de la politique visée à l'article 56.
Le rapport final visé à l'alinéa 1er, décrit tous les éléments suivants :
1° les modalités selon lesquelles les objectifs ont été exécutés au cours de la période d'agrément écoulée ;
2° les résultats obtenus sur le plan quantitatif et qualitatif ;
3° la réponse apportée par l'association environnementale aux défis qu'elle a énoncés dans son plan pluriannuel ;
4° la justification de l'emploi de la subvention ;
5° les données nécessaires pour pouvoir effectuer l'évaluation de la politique visée à l'article 56.
Art. 36. § 1. Het departement evalueert de omgevingsvereniging voor de voorbije erkenningsperiode op basis van het eindverslag, vermeld in artikel 35, en stelt een eindevaluatie op. In de voormelde eindevaluatie gaat het departement al de volgende elementen na:
1° de mate waarin de vooropgestelde doelstellingen en resultaten zijn behaald;
2° de mate waarin inspanningen zijn geleverd voor niet-behaalde doelstellingen en resultaten;
3° de mate waarin de subsidie is aangewend voor de doelen waarvoor ze is bestemd.
Het departement bezorgt de eindevaluatie, vermeld in het eerste lid, schriftelijk aan de omgevingsvereniging voor 1 november.
§ 2. Omgevingsverenigingen met een negatieve eindevaluatie kunnen vragen om gehoord te worden. Ze richten hun vraag daartoe aan het departement binnen vijftien dagen nadat ze de eindevaluatie, vermeld in paragraaf 1, hebben ontvangen.
De hoorzitting vindt plaats binnen dertig dagen nadat het departement de vraag, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen.
Het departement bezorgt binnen dertig dagen na de hoorzitting, vermeld in het tweede lid, de eindevaluatie met een beveiligde zending aan de omgevingsvereniging.
§ 3. Het departement vordert het deel van de subsidie terug, in verhouding tot het ontbreken van de verantwoording in de eindrapportering voor doelstellingen die in de meerjarenverbintenis zijn opgenomen, die niet zijn gerealiseerd.
Het departement vordert subsidies terug die niet werden aangewend voor de doelen waarvoor ze bestemd waren.
1° de mate waarin de vooropgestelde doelstellingen en resultaten zijn behaald;
2° de mate waarin inspanningen zijn geleverd voor niet-behaalde doelstellingen en resultaten;
3° de mate waarin de subsidie is aangewend voor de doelen waarvoor ze is bestemd.
Het departement bezorgt de eindevaluatie, vermeld in het eerste lid, schriftelijk aan de omgevingsvereniging voor 1 november.
§ 2. Omgevingsverenigingen met een negatieve eindevaluatie kunnen vragen om gehoord te worden. Ze richten hun vraag daartoe aan het departement binnen vijftien dagen nadat ze de eindevaluatie, vermeld in paragraaf 1, hebben ontvangen.
De hoorzitting vindt plaats binnen dertig dagen nadat het departement de vraag, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen.
Het departement bezorgt binnen dertig dagen na de hoorzitting, vermeld in het tweede lid, de eindevaluatie met een beveiligde zending aan de omgevingsvereniging.
§ 3. Het departement vordert het deel van de subsidie terug, in verhouding tot het ontbreken van de verantwoording in de eindrapportering voor doelstellingen die in de meerjarenverbintenis zijn opgenomen, die niet zijn gerealiseerd.
Het departement vordert subsidies terug die niet werden aangewend voor de doelen waarvoor ze bestemd waren.
Art. 36. § 1er. Le département évalue l'association environnementale pour la période d'agrément écoulée, sur la base du rapport final visé à l'article 35, et établit une évaluation finale. Dans l'évaluation finale susmentionnée, le département vérifie tous les éléments suivants :
1° la mesure dans laquelle les objectifs et les résultats fixés ont été atteints ;
2° la mesure dans laquelle des efforts ont été déployés pour les objectifs et les résultats non atteints ;
3° la mesure dans laquelle la subvention a été utilisée aux fins auxquelles elle était destinée.
Le département transmet par écrit à l'association environnementale l'évaluation finale visée à l'alinéa 1er, au plus tard le 1er novembre.
§ 2. Les associations environnementales ayant reçu une évaluation finale négative peuvent demander à être entendues. Elles adressent leur demande à cet effet au département dans les quinze jours suivant la réception de l'évaluation finale visée au paragraphe 1er.
L'audience a lieu dans les trente jours suivant la réception par le département de la demande visée à l'alinéa 1er.
Dans les trente jours suivant l'audience visée à l'alinéa 2, le département transmet, par envoi sécurisé, l'évaluation finale à l'association environnementale.
§ 3. Le département récupère la partie de la subvention, proportionnellement à l'absence de justification dans le rapport final pour les objectifs repris dans l'engagement pluriannuel qui n'ont pas été atteints.
Le département récupère les subventions qui n'ont pas été utilisées aux fins auxquelles elles étaient destinées.
1° la mesure dans laquelle les objectifs et les résultats fixés ont été atteints ;
2° la mesure dans laquelle des efforts ont été déployés pour les objectifs et les résultats non atteints ;
3° la mesure dans laquelle la subvention a été utilisée aux fins auxquelles elle était destinée.
Le département transmet par écrit à l'association environnementale l'évaluation finale visée à l'alinéa 1er, au plus tard le 1er novembre.
§ 2. Les associations environnementales ayant reçu une évaluation finale négative peuvent demander à être entendues. Elles adressent leur demande à cet effet au département dans les quinze jours suivant la réception de l'évaluation finale visée au paragraphe 1er.
L'audience a lieu dans les trente jours suivant la réception par le département de la demande visée à l'alinéa 1er.
Dans les trente jours suivant l'audience visée à l'alinéa 2, le département transmet, par envoi sécurisé, l'évaluation finale à l'association environnementale.
§ 3. Le département récupère la partie de la subvention, proportionnellement à l'absence de justification dans le rapport final pour les objectifs repris dans l'engagement pluriannuel qui n'ont pas été atteints.
Le département récupère les subventions qui n'ont pas été utilisées aux fins auxquelles elles étaient destinées.
HOOFDSTUK 7. - De startsubsidie
CHAPITRE 7. - La subvention de démarrage
Afdeling 1. - De aanvraagprocedure
Section 1re. - La procédure de demande
Art. 37. De minister kan een oproep voor een startsubsidie voor niet-erkende omgevingsverenigingen als vermeld in artikel 25 van het decreet van 26 april 2024, lanceren in het eerste en het tweede jaar van een erkenningsperiode.
De oproep, vermeld in het eerste lid, wordt vóór 1 juli gelanceerd.
De oproep, vermeld in het eerste lid, wordt vóór 1 juli gelanceerd.
Art. 37. Le ministre peut lancer un appel à subvention de démarrage pour les associations environnementales non agréées telles que visées à l'article 25 du décret du 26 avril 2024, au cours des première et deuxième années d'une période d'agrément.
L'appel visé à l'alinéa 1er, est lancé avant le 1er juillet.
L'appel visé à l'alinéa 1er, est lancé avant le 1er juillet.
Art. 38. De aanvraag van een startsubsidie wordt uiterlijk op 1 februari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de oproep is gelanceerd, via het subsidieloket ingediend.
De aanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende documenten:
1° een volledig ingevuld aanvraagformulier;
2° een kopie van de meest recente statuten die in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt;
3° een startnota die het bestuursorgaan van de omgevingsvereniging heeft goedgekeurd. De voormelde startnota bevat al de volgende elementen:
a) een beknopte visietekst die de toekomstige werking van de omgevingsvereniging schetst. De voormelde visietekst bevat de missie, visie en de maatschappelijke positionering van de omgevingsvereniging;
b) de doelstellingen van de omgevingsvereniging met indicatoren om die op te volgen voor de subsidieperiode;
c) de beoogde resultaten van de omgevingsvereniging voor de subsidieperiode;
d) een beschrijving van de beslissingsorganen, de dagelijkse werking, de interne organisatie van de omgevingsvereniging en de personeelsstructuur en de wijze waarop die zal evolueren in de loop van de subsidieperiode;
e) een financieel plan met een overzicht van de financiering voor het eerste jaar van de subsidieperiode en de geplande evolutie in de financiering voor het tweede jaar en het derde jaar van de subsidieperiode, als dat van toepassing is;
f) een beschrijving van het streefbeeld en groeiscenario voor de verdere uitbouw van de omgevingsvereniging om aan de kernopdrachten en het bijbehorende werkingsgebied van de gekozen categorie, vermeld in artikel 6 en 7 van het decreet van 26 april 2024 te voldoen.
De aanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende documenten:
1° een volledig ingevuld aanvraagformulier;
2° een kopie van de meest recente statuten die in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt;
3° een startnota die het bestuursorgaan van de omgevingsvereniging heeft goedgekeurd. De voormelde startnota bevat al de volgende elementen:
a) een beknopte visietekst die de toekomstige werking van de omgevingsvereniging schetst. De voormelde visietekst bevat de missie, visie en de maatschappelijke positionering van de omgevingsvereniging;
b) de doelstellingen van de omgevingsvereniging met indicatoren om die op te volgen voor de subsidieperiode;
c) de beoogde resultaten van de omgevingsvereniging voor de subsidieperiode;
d) een beschrijving van de beslissingsorganen, de dagelijkse werking, de interne organisatie van de omgevingsvereniging en de personeelsstructuur en de wijze waarop die zal evolueren in de loop van de subsidieperiode;
e) een financieel plan met een overzicht van de financiering voor het eerste jaar van de subsidieperiode en de geplande evolutie in de financiering voor het tweede jaar en het derde jaar van de subsidieperiode, als dat van toepassing is;
f) een beschrijving van het streefbeeld en groeiscenario voor de verdere uitbouw van de omgevingsvereniging om aan de kernopdrachten en het bijbehorende werkingsgebied van de gekozen categorie, vermeld in artikel 6 en 7 van het decreet van 26 april 2024 te voldoen.
Art. 38. La demande de subvention de démarrage est introduite par l'intermédiaire du guichet de subvention au plus tard le 1er février de l'année suivant l'année du lancement de l'appel.
La demande visée à l'alinéa 1er, comprend tous les documents suivants :
1° un formulaire de demande entièrement complété ;
2° une copie des statuts les plus récents publiés au Moniteur belge ;
3° une note de départ approuvée par l'organe d'administration de l'association environnementale. La note de départ susmentionnée comprend tous les éléments suivants :
a) un texte de vision succinct qui décrit le fonctionnement futur de l'association environnementale. Ce texte de vision contient la vision, la mission et le positionnement social de l'association environnementale ;
b) les objectifs de l'association environnementale et les indicateurs permettant de les suivre pendant la période de subvention ;
c) les résultats visés par l'association environnementale pour la période de subvention ;
d) une description des organes de décision, du fonctionnement quotidien, de l'organisation interne de l'association environnementale et de la structure du personnel, ainsi que de leur évolution au cours de la période de subvention ;
e) un plan financier décrivant le financement pour la première année de la période de subvention et l'évolution prévue du financement pour les deuxième et troisième années de la période de subvention, le cas échéant ;
f) une description de l'objectif et du scénario de croissance pour le développement futur de l'association environnementale afin de satisfaire aux missions essentielles et à la zone d'action correspondante de la catégorie choisie visée aux articles 6 et 7 du décret du 26 avril 2024.
La demande visée à l'alinéa 1er, comprend tous les documents suivants :
1° un formulaire de demande entièrement complété ;
2° une copie des statuts les plus récents publiés au Moniteur belge ;
3° une note de départ approuvée par l'organe d'administration de l'association environnementale. La note de départ susmentionnée comprend tous les éléments suivants :
a) un texte de vision succinct qui décrit le fonctionnement futur de l'association environnementale. Ce texte de vision contient la vision, la mission et le positionnement social de l'association environnementale ;
b) les objectifs de l'association environnementale et les indicateurs permettant de les suivre pendant la période de subvention ;
c) les résultats visés par l'association environnementale pour la période de subvention ;
d) une description des organes de décision, du fonctionnement quotidien, de l'organisation interne de l'association environnementale et de la structure du personnel, ainsi que de leur évolution au cours de la période de subvention ;
e) un plan financier décrivant le financement pour la première année de la période de subvention et l'évolution prévue du financement pour les deuxième et troisième années de la période de subvention, le cas échéant ;
f) une description de l'objectif et du scénario de croissance pour le développement futur de l'association environnementale afin de satisfaire aux missions essentielles et à la zone d'action correspondante de la catégorie choisie visée aux articles 6 et 7 du décret du 26 avril 2024.
Afdeling 2. - De beoordeling van de ontvankelijkheidsvoorwaarden en de subsidievoorwaarden
Section 2. - L'évaluation des conditions de recevabilité et des conditions de subvention
Art. 39. Het departement onderzoekt de ontvankelijkheid van de aanvraag binnen tien dagen na de uiterste indieningsdatum, vermeld in artikel 38, eerste lid van dit besluit aan de hand van de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in artikel 26, eerste lid, van het decreet van 26 april 2024.
Als de voormelde aanvraag laattijdig is ingediend, verklaart het departement de aanvraag voor een startsubsidie niet-ontvankelijk.
Als de voormelde aanvraag, onvolledig is, heeft de aanvrager tien dagen nadat het departement de aanvrager op de hoogte heeft gebracht van die onvolledigheid, om die aanvraag te vervolledigen. Als de aanvrager de aanvraag onvoldoende, niet of niet tijdig vervolledigt, verklaart het departement de aanvraag voor een startsubsidie niet-ontvankelijk.
Het departement brengt de omgevingsvereniging schriftelijk op de hoogte van de niet-ontvankelijkheid van haar dossier.
Als de voormelde aanvraag laattijdig is ingediend, verklaart het departement de aanvraag voor een startsubsidie niet-ontvankelijk.
Als de voormelde aanvraag, onvolledig is, heeft de aanvrager tien dagen nadat het departement de aanvrager op de hoogte heeft gebracht van die onvolledigheid, om die aanvraag te vervolledigen. Als de aanvrager de aanvraag onvoldoende, niet of niet tijdig vervolledigt, verklaart het departement de aanvraag voor een startsubsidie niet-ontvankelijk.
Het departement brengt de omgevingsvereniging schriftelijk op de hoogte van de niet-ontvankelijkheid van haar dossier.
Art. 39. Le département examine la recevabilité de la demande dans un délai de dix jours à compter de la date d'introduction visée à l'article 38, alinéa 1er, du présent arrêté, sur la base des conditions de recevabilité visées à l'article 26, alinéa 1er, du décret du 26 avril 2024.
Si la demande susmentionnée est introduite tardivement, le département déclare la demande pour l'obtention d'une subvention de démarrage irrecevable.
Si la demande susmentionnée est incomplète, le demandeur dispose d'un délai de dix jours à compter de la date à laquelle il a été informé par le département de cette incomplétude pour compléter la demande. Si le demandeur ne complète pas suffisamment la demande ou ne la complète pas en temps utile, le département déclare la demande pour l'obtention d'une subvention de démarrage irrecevable.
Le département informe par écrit l'association environnementale de l'irrecevabilité de son dossier.
Si la demande susmentionnée est introduite tardivement, le département déclare la demande pour l'obtention d'une subvention de démarrage irrecevable.
Si la demande susmentionnée est incomplète, le demandeur dispose d'un délai de dix jours à compter de la date à laquelle il a été informé par le département de cette incomplétude pour compléter la demande. Si le demandeur ne complète pas suffisamment la demande ou ne la complète pas en temps utile, le département déclare la demande pour l'obtention d'une subvention de démarrage irrecevable.
Le département informe par écrit l'association environnementale de l'irrecevabilité de son dossier.
Art. 40. Een omgevingsvereniging voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 27, eerste lid, 1° van het decreet van 26 april 2024, als het belangeloze doel dat de omgevingsvereniging nastreeft en de activiteiten die ze tot voorwerp heeft, zoals vermeld in haar statuten, hoofdzakelijk gericht zijn op het bevorderen van de omgevingskwaliteit.
Een omgevingsvereniging voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024, als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° ze bepaalt een eigen activiteitenprogramma en voert dat uit in eigen naam;
2° ze beschikt over een eigen post- of bankrekening;
3° ze engageert zich om voor het einde van het eerste jaar van de startsubsidie een eigen website te hebben met minstens informatie over wat de omgevingsvereniging doet en waarom, wie de omgevingsvereniging vertegenwoordigt en op welke wijze de omgevingsvereniging kan worden gecontacteerd. Het voormelde engagement blijkt uit het streefbeeld en groeiscenario voor de verdere uitbouw van de omgevingsvereniging, vermeld in artikel 38, tweede lid, 3°, f), van dit besluit.
Een omgevingsvereniging voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 27, eerste lid, 3°, van het decreet van 26 april 2024, als ze de volgende elementen aantoont:
1° alle kernopdrachten en activiteiten die van toepassing zijn voor de categorie waarvoor ze een startsubsidie aanvraagt, vermeld in artikel 6 en 7 van het decreet van 26 april 2024, neemt ze op in de loop van de subsidieperiode;
2° haar werking is gericht op de realisatie van het werkingsgebied dat van toepassing is.
Een omgevingsvereniging voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024, als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° ze bepaalt een eigen activiteitenprogramma en voert dat uit in eigen naam;
2° ze beschikt over een eigen post- of bankrekening;
3° ze engageert zich om voor het einde van het eerste jaar van de startsubsidie een eigen website te hebben met minstens informatie over wat de omgevingsvereniging doet en waarom, wie de omgevingsvereniging vertegenwoordigt en op welke wijze de omgevingsvereniging kan worden gecontacteerd. Het voormelde engagement blijkt uit het streefbeeld en groeiscenario voor de verdere uitbouw van de omgevingsvereniging, vermeld in artikel 38, tweede lid, 3°, f), van dit besluit.
Een omgevingsvereniging voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 27, eerste lid, 3°, van het decreet van 26 april 2024, als ze de volgende elementen aantoont:
1° alle kernopdrachten en activiteiten die van toepassing zijn voor de categorie waarvoor ze een startsubsidie aanvraagt, vermeld in artikel 6 en 7 van het decreet van 26 april 2024, neemt ze op in de loop van de subsidieperiode;
2° haar werking is gericht op de realisatie van het werkingsgebied dat van toepassing is.
Art. 40. Une association environnementale satisfait à la condition visée à l'article 27, alinéa 1er, 1°, du décret du 26 avril 2024, si le but désintéressé qu'elle poursuit et les activités qu'elle a pour objet, tels que mentionnés dans ses statuts, visent principalement à promouvoir la qualité de l'environnement.
Une association environnementale satisfait à la condition visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, du décret du 26 avril 2024, si elle satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° elle détermine et exécute son propre programme d'activités en son nom propre ;
2° elle dispose de son propre compte postal ou bancaire ;
3° elle s'engage à avoir son propre site web à la fin de la première année de la subvention de démarrage, contenant au moins des informations sur ce que l'association environnementale fait et pourquoi, qui représente l'association environnementale et comment l'association environnementale peut être contactée. L'engagement susmentionné se reflète dans l'objectif et le scénario de croissance pour le développement futur de l'association environnementale visés à l'article 38, alinéa 2, 3°, f) du présent arrêté.
Une association environnementale satisfait à la condition visée à l'article 27, alinéa 1er, 3°, du décret du 26 avril 2024, si elle démontre les éléments suivants :
1° toutes les missions essentielles et les activités applicables à la catégorie pour laquelle elle demande une subvention de démarrage visées aux articles 6 et 7 du décret du 26 avril 2024, sont exercées au cours de la période de subvention ;
2° son fonctionnement vise la réalisation de la zone d'action applicable.
Une association environnementale satisfait à la condition visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, du décret du 26 avril 2024, si elle satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° elle détermine et exécute son propre programme d'activités en son nom propre ;
2° elle dispose de son propre compte postal ou bancaire ;
3° elle s'engage à avoir son propre site web à la fin de la première année de la subvention de démarrage, contenant au moins des informations sur ce que l'association environnementale fait et pourquoi, qui représente l'association environnementale et comment l'association environnementale peut être contactée. L'engagement susmentionné se reflète dans l'objectif et le scénario de croissance pour le développement futur de l'association environnementale visés à l'article 38, alinéa 2, 3°, f) du présent arrêté.
Une association environnementale satisfait à la condition visée à l'article 27, alinéa 1er, 3°, du décret du 26 avril 2024, si elle démontre les éléments suivants :
1° toutes les missions essentielles et les activités applicables à la catégorie pour laquelle elle demande une subvention de démarrage visées aux articles 6 et 7 du décret du 26 avril 2024, sont exercées au cours de la période de subvention ;
2° son fonctionnement vise la réalisation de la zone d'action applicable.
Art. 41. Als de omgevingsvereniging niet voldoet aan al de subsidievoorwaarden voor een startsubsidie, vermeld in artikel 27, eerste lid, van het decreet van 26 april 2024, bezorgt het departement het advies om de omgevingsvereniging geen startsubsidie toe te kennen aan de minister.
Als de omgevingsvereniging in de loop van de subsidieperiode van een startsubsidie niet meer voldoet aan een van de subsidievoorwaarden voor een startsubsidie als vermeld in artikel 27, eerste lid, van het decreet van 26 april 2024, kan de minister op advies van het departement de startsubsidie stopzetten. Het departement vordert subsidies die al zijn uitbetaald, verhoudingsgewijs terug.
Als de omgevingsvereniging in de loop van de subsidieperiode van een startsubsidie niet meer voldoet aan een van de subsidievoorwaarden voor een startsubsidie als vermeld in artikel 27, eerste lid, van het decreet van 26 april 2024, kan de minister op advies van het departement de startsubsidie stopzetten. Het departement vordert subsidies die al zijn uitbetaald, verhoudingsgewijs terug.
Art. 41. Si l'association environnementale ne satisfait pas à toutes les conditions de subvention pour l'obtention d'une subvention de démarrage, visées à l'article 27, alinéa 1er, du décret du 26 avril 2024, le département transmet au ministre l'avis de ne pas attribuer de subvention de démarrage à l'association environnementale.
Si, au cours de la période de subvention d'une subvention de démarrage, l'association environnementale ne satisfait plus à l'une des conditions de subvention pour l'obtention d'une subvention de démarrage, visées à l'article 27, alinéa 1er, du décret du 26 avril 2024, le ministre peut mettre fin à la subvention de démarrage sur avis du département. Le département récupère proportionnellement les subventions qui ont déjà été payées.
Si, au cours de la période de subvention d'une subvention de démarrage, l'association environnementale ne satisfait plus à l'une des conditions de subvention pour l'obtention d'une subvention de démarrage, visées à l'article 27, alinéa 1er, du décret du 26 avril 2024, le ministre peut mettre fin à la subvention de démarrage sur avis du département. Le département récupère proportionnellement les subventions qui ont déjà été payées.
Afdeling 3. - De beoordeling van de kwaliteit van de werking
Section 3. - L'évaluation de la qualité du fonctionnement
Art. 42. De beoordeling van de kwaliteit van de werking, vermeld in artikel 28 van het decreet van 26 april 2024, is een kwalitatieve, beschrijvende beoordeling met een kwantitatieve weergave in een score op basis van het beoordelingskader, vermeld in artikel 44 van dit besluit.
Art. 42. L'évaluation de la qualité du fonctionnement visée à l'article 28 du décret du 26 avril 2024, est une évaluation qualitative et descriptive, comprenant une représentation quantitative sous la forme d'un score basé sur le cadre d'évaluation visé à l'article 44 du présent arrêté.
Art. 43. Het departement beoordeelt het criterium, vermeld in artikel 28, eerste lid, 1°, van het decreet van 26 april 2024, op basis van de volgende beoordelingselementen:
1° de mate waarin de missie en visie helder, voldoende specifiek en overtuigend zijn;
2° de mate waarin de omgevingsvereniging SMART-doelstellingen vooropstelt met relevante indicatoren voor de periodieke opvolging;
3° de mate waarin uit de missie, visie en doestellingen duidelijk blijkt dat de omgevingsvereniging bijdraagt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit en aan de realisatie van Vlaamse omgevingsdoelstellingen als vermeld in artikel 3, § 1, derde lid van het voormelde decreet;
4° de mate waarin missie, visie en doelstellingen samenhangen en een geloofwaardig verhaal vertellen dat strookt met de voorgestelde werking.
Het departement beoordeelt het criterium, vermeld in artikel 28, eerste lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024, op basis van de volgende elementen:
1° de ambitie die de omgevingsvereniging vooropstelt in het streefbeeld voor het vervullen van de verschillende kernopdrachten van de categorie waarvoor de omgevingsvereniging een startsubsidie aanvraagt;
2° de mate waarin het groeiscenario, vermeld in artikel 38, tweede lid, 3°, f), van dit besluit, ervoor zal zorgen dat de omgevingsvereniging die ambitie zal bereiken tegen het einde van de subsidieperiode;
3° de mate waarin het groeiscenario, ervoor zal zorgen dat de omgevingsvereniging een werking zal uitrollen om het werkingsgebied dat voor de categorie van toepassing is, te realiseren;
4° de mate waarin het streefbeeld en groeiscenario, duidelijk aangeven welke resultaten de omgevingsvereniging op het einde van de subsidieperiode wil bereiken op het vlak van zakelijke en inhoudelijke werking.
Het departement beoordeelt het criterium, vermeld in artikel 28, eerste lid, 3°, van het decreet van 26 april 2024, op basis van de volgende elementen:
1° de legitimiteit en transparantie van de beslissingsstructuren;
2° de mate waarin de organisatiestructuur en de beslissingsstructuren de werking ondersteunen.
Het departement beoordeelt het criterium, vermeld in artikel 28, eerste lid, 4°, van het decreet van 26 april 2024, op basis van de volgende beoordelingselementen:
1° de mate waarin het financiële plan, vermeld in artikel 38, tweede lid, 3°, e), de realisatie van het streefbeeld en groeiscenario ondersteunt;
2° de mate waarin de omgevingsvereniging naar een evenwichtige verdeling van de inkomsten streeft;
3° de mate waarin de omgevingsvereniging in staat is 20% eigen middelen te genereren tegen het einde van de subsidieperiode.
1° de mate waarin de missie en visie helder, voldoende specifiek en overtuigend zijn;
2° de mate waarin de omgevingsvereniging SMART-doelstellingen vooropstelt met relevante indicatoren voor de periodieke opvolging;
3° de mate waarin uit de missie, visie en doestellingen duidelijk blijkt dat de omgevingsvereniging bijdraagt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit en aan de realisatie van Vlaamse omgevingsdoelstellingen als vermeld in artikel 3, § 1, derde lid van het voormelde decreet;
4° de mate waarin missie, visie en doelstellingen samenhangen en een geloofwaardig verhaal vertellen dat strookt met de voorgestelde werking.
Het departement beoordeelt het criterium, vermeld in artikel 28, eerste lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024, op basis van de volgende elementen:
1° de ambitie die de omgevingsvereniging vooropstelt in het streefbeeld voor het vervullen van de verschillende kernopdrachten van de categorie waarvoor de omgevingsvereniging een startsubsidie aanvraagt;
2° de mate waarin het groeiscenario, vermeld in artikel 38, tweede lid, 3°, f), van dit besluit, ervoor zal zorgen dat de omgevingsvereniging die ambitie zal bereiken tegen het einde van de subsidieperiode;
3° de mate waarin het groeiscenario, ervoor zal zorgen dat de omgevingsvereniging een werking zal uitrollen om het werkingsgebied dat voor de categorie van toepassing is, te realiseren;
4° de mate waarin het streefbeeld en groeiscenario, duidelijk aangeven welke resultaten de omgevingsvereniging op het einde van de subsidieperiode wil bereiken op het vlak van zakelijke en inhoudelijke werking.
Het departement beoordeelt het criterium, vermeld in artikel 28, eerste lid, 3°, van het decreet van 26 april 2024, op basis van de volgende elementen:
1° de legitimiteit en transparantie van de beslissingsstructuren;
2° de mate waarin de organisatiestructuur en de beslissingsstructuren de werking ondersteunen.
Het departement beoordeelt het criterium, vermeld in artikel 28, eerste lid, 4°, van het decreet van 26 april 2024, op basis van de volgende beoordelingselementen:
1° de mate waarin het financiële plan, vermeld in artikel 38, tweede lid, 3°, e), de realisatie van het streefbeeld en groeiscenario ondersteunt;
2° de mate waarin de omgevingsvereniging naar een evenwichtige verdeling van de inkomsten streeft;
3° de mate waarin de omgevingsvereniging in staat is 20% eigen middelen te genereren tegen het einde van de subsidieperiode.
Art. 43. Le département évalue le critère visé à l'article 28, alinéa 1er, 1°, du décret du 26 avril 2024, sur la base des éléments d'évaluation suivants :
1° la mesure dans laquelle la mission et la vision sont claires, suffisamment spécifiques et convaincantes ;
2° la mesure dans laquelle l'association environnementale fixe des objectifs SMART avec des indicateurs pertinents pour le suivi périodique ;
3° la mesure dans laquelle la mission, la vision et les objectifs montrent clairement que l'association environnementale contribue à l'amélioration de la qualité de l'environnement et à la réalisation des objectifs environnementaux flamands visés à l'article 3, § 1er, alinéa 3, du décret précité ;
4° la mesure dans laquelle la mission, la vision et les objectifs sont liés et racontent une histoire crédible correspondant au fonctionnement proposé.
Le département évalue le critère visé à l'article 28, alinéa 1er, 2°, du décret du 26 avril 2024, sur la base des éléments suivants :
1° l'ambition que l'association environnementale fixe dans l'objectif pour remplir les différentes missions essentielles de la catégorie pour laquelle l'association environnementale demande une subvention de démarrage ;
2° la mesure dans laquelle le scénario de croissance visé à l'article 38, alinéa 2, 3°, f), du présent arrêté, garantira que l'association environnementale atteindra cette ambition à la fin de la période de subvention ;
3° la mesure dans laquelle le scénario de croissance garantira que l'association environnementale déploiera un fonctionnement visant à réaliser la zone d'action applicable à la catégorie ;
4° la mesure dans laquelle l'objectif et le scénario de croissance indiquent clairement les résultats que l'association environnementale souhaite atteindre à la fin de la période de subvention en ce qui concerne les activités commerciales et les activités de fond.
Le département évalue le critère visé à l'article 28, alinéa 1er, 3°, du décret du 26 avril 2024, sur la base des éléments suivants :
1° la légitimité et la transparence des structures décisionnelles ;
2° la mesure dans laquelle la structure organisationnelle et les structures décisionnelles soutiennent le fonctionnement.
Le département évalue le critère visé à l'article 28, alinéa 1er, 4°, du décret du 26 avril 2024, sur la base des éléments d'évaluation suivants :
1° la mesure dans laquelle le plan financier visé à l'article 38, alinéa 2, 3°, e) soutient la réalisation de l'objectif et du scénario de croissance ;
2° la mesure dans laquelle l'association environnementale poursuit une répartition équilibrée des revenus ;
3° la mesure dans laquelle l'association environnementale est capable de générer 20 % de ses ressources propres à la fin de la période de subvention.
1° la mesure dans laquelle la mission et la vision sont claires, suffisamment spécifiques et convaincantes ;
2° la mesure dans laquelle l'association environnementale fixe des objectifs SMART avec des indicateurs pertinents pour le suivi périodique ;
3° la mesure dans laquelle la mission, la vision et les objectifs montrent clairement que l'association environnementale contribue à l'amélioration de la qualité de l'environnement et à la réalisation des objectifs environnementaux flamands visés à l'article 3, § 1er, alinéa 3, du décret précité ;
4° la mesure dans laquelle la mission, la vision et les objectifs sont liés et racontent une histoire crédible correspondant au fonctionnement proposé.
Le département évalue le critère visé à l'article 28, alinéa 1er, 2°, du décret du 26 avril 2024, sur la base des éléments suivants :
1° l'ambition que l'association environnementale fixe dans l'objectif pour remplir les différentes missions essentielles de la catégorie pour laquelle l'association environnementale demande une subvention de démarrage ;
2° la mesure dans laquelle le scénario de croissance visé à l'article 38, alinéa 2, 3°, f), du présent arrêté, garantira que l'association environnementale atteindra cette ambition à la fin de la période de subvention ;
3° la mesure dans laquelle le scénario de croissance garantira que l'association environnementale déploiera un fonctionnement visant à réaliser la zone d'action applicable à la catégorie ;
4° la mesure dans laquelle l'objectif et le scénario de croissance indiquent clairement les résultats que l'association environnementale souhaite atteindre à la fin de la période de subvention en ce qui concerne les activités commerciales et les activités de fond.
Le département évalue le critère visé à l'article 28, alinéa 1er, 3°, du décret du 26 avril 2024, sur la base des éléments suivants :
1° la légitimité et la transparence des structures décisionnelles ;
2° la mesure dans laquelle la structure organisationnelle et les structures décisionnelles soutiennent le fonctionnement.
Le département évalue le critère visé à l'article 28, alinéa 1er, 4°, du décret du 26 avril 2024, sur la base des éléments d'évaluation suivants :
1° la mesure dans laquelle le plan financier visé à l'article 38, alinéa 2, 3°, e) soutient la réalisation de l'objectif et du scénario de croissance ;
2° la mesure dans laquelle l'association environnementale poursuit une répartition équilibrée des revenus ;
3° la mesure dans laquelle l'association environnementale est capable de générer 20 % de ses ressources propres à la fin de la période de subvention.
Art. 44. Het departement werkt een beoordelingskader uit dat toelaat om een score per beoordelingscriterium te bepalen en een totaalscore toe te kennen op basis van de kwalitatieve beoordeling van de beoordelingscriteria, vermeld in artikel 28, eerste lid, van het decreet van 26 april 2024.
De minister beslist over de goedkeuring van het beoordelingskader, vermeld in het eerste lid.
De minister beslist over de goedkeuring van het beoordelingskader, vermeld in het eerste lid.
Art. 44. Le département élabore un cadre d'évaluation permettant de déterminer un score par critère d'évaluation et d'attribuer un score total sur la base de l'évaluation qualitative des critères d'évaluation visés à l'article 28, alinéa 1er, du décret du 26 avril 2024.
Le ministre décide de l'approbation du cadre d'évaluation visé à l'alinéa 1er.
Le ministre décide de l'approbation du cadre d'évaluation visé à l'alinéa 1er.
Art. 45. § 1. Het departement geeft een positieve beoordeling als vermeld in artikel 28, tweede lid, 1°, van het decreet van 26 april 2024, als de omgevingsvereniging voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° ze behaalt een totaalscore van minimaal 50%;
2° ze behaalt een score van minimaal 50% voor elk van de criteria, vermeld in artikel 28, eerste lid, 1° en 2°, van het voormelde decreet.
Het departement geeft een negatieve beoordeling als vermeld in artikel 28, tweede lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024, als de omgevingsvereniging voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
1° ze behaalt een totaalscore lager dan 50%;
2° ze behaalt een score lager dan 50% voor een van de criteria, vermeld in artikel 28, eerste lid, 1° en 2°, van het voormelde decreet.
§ 2. Het departement stelt een advies op dat de volgende onderdelen per categorie van omgevingsverenigingen die een startsubsidie aanvragen, bevat:
1° een verslag van de beoordeling van het departement van de voorwaarden voor een startsubsidie, vermeld in artikel 27 van het decreet van 26 april 2024, en van de kwaliteit van de werking, vermeld in artikel 28 van het voormelde decreet;
2° een overzicht van de omgevingsverenigingen die niet voldoen aan de voorwaarden voor een startsubsidie;
3° een gerangschikte lijst op basis van de totaalscore van omgevingsverenigingen die het departement door een positieve beoordeling voordraagt voor een startsubsidie en de onderbouwing hiervoor;
4° een gerangschikte lijst op basis van de totaalscore van omgevingsverenigingen die het departement door een negatieve beoordeling niet voordraagt voor een startsubsidie en de onderbouwing hiervoor.
Het departement bezorgt het advies, vermeld in het eerste lid, aan de minister.
1° ze behaalt een totaalscore van minimaal 50%;
2° ze behaalt een score van minimaal 50% voor elk van de criteria, vermeld in artikel 28, eerste lid, 1° en 2°, van het voormelde decreet.
Het departement geeft een negatieve beoordeling als vermeld in artikel 28, tweede lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024, als de omgevingsvereniging voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
1° ze behaalt een totaalscore lager dan 50%;
2° ze behaalt een score lager dan 50% voor een van de criteria, vermeld in artikel 28, eerste lid, 1° en 2°, van het voormelde decreet.
§ 2. Het departement stelt een advies op dat de volgende onderdelen per categorie van omgevingsverenigingen die een startsubsidie aanvragen, bevat:
1° een verslag van de beoordeling van het departement van de voorwaarden voor een startsubsidie, vermeld in artikel 27 van het decreet van 26 april 2024, en van de kwaliteit van de werking, vermeld in artikel 28 van het voormelde decreet;
2° een overzicht van de omgevingsverenigingen die niet voldoen aan de voorwaarden voor een startsubsidie;
3° een gerangschikte lijst op basis van de totaalscore van omgevingsverenigingen die het departement door een positieve beoordeling voordraagt voor een startsubsidie en de onderbouwing hiervoor;
4° een gerangschikte lijst op basis van de totaalscore van omgevingsverenigingen die het departement door een negatieve beoordeling niet voordraagt voor een startsubsidie en de onderbouwing hiervoor.
Het departement bezorgt het advies, vermeld in het eerste lid, aan de minister.
Art. 45. § 1er. Le département donne une évaluation positive telle que visée à l'article 28, alinéa 2, 1°, du décret du 26 avril 2024, si l'association environnementale satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° elle obtient un score total d'au moins 50 % ;
2° elle obtient un score d'au moins 50 % pour chacun des critères visés à l'article 28, alinéa 1er, 1° et 2°, du décret précité.
Le département donne une évaluation négative telle que visée à l'article 28, alinéa 2, 2°, du décret du 26 avril 2024, si l'association environnementale remplit l'une des conditions suivantes :
1° elle obtient un score total inférieur à 50 % ;
2° elle obtient un score inférieur à 50 % pour l'un des critères visés à l'article 28, alinéa 1er, 1° et 2°, du décret précité.
§ 2. Le département établit un avis contenant les éléments suivants pour chaque catégorie d'associations environnementales demandant une subvention de démarrage :
1° un rapport de l'évaluation par le département des conditions pour l'obtention d'une subvention de démarrage visées à l'article 27 du décret du 26 avril 2024, et de la qualité du fonctionnement visée à l'article 28 du décret précité ;
2° une vue d'ensemble des associations environnementales qui ne satisfont pas aux conditions pour l'obtention d'une subvention de démarrage ;
3° une liste de classement basée sur le score total des associations environnementales que le département, par une évaluation positive, propose pour une subvention de démarrage et la justification à cet égard ;
4° une liste de classement basée sur le score total des associations environnementales que le département, par une évaluation négative, ne propose pas pour une subvention de démarrage et la justification à cet égard ;
Le département transmet l'avis visé à l'alinéa 1er au ministre.
1° elle obtient un score total d'au moins 50 % ;
2° elle obtient un score d'au moins 50 % pour chacun des critères visés à l'article 28, alinéa 1er, 1° et 2°, du décret précité.
Le département donne une évaluation négative telle que visée à l'article 28, alinéa 2, 2°, du décret du 26 avril 2024, si l'association environnementale remplit l'une des conditions suivantes :
1° elle obtient un score total inférieur à 50 % ;
2° elle obtient un score inférieur à 50 % pour l'un des critères visés à l'article 28, alinéa 1er, 1° et 2°, du décret précité.
§ 2. Le département établit un avis contenant les éléments suivants pour chaque catégorie d'associations environnementales demandant une subvention de démarrage :
1° un rapport de l'évaluation par le département des conditions pour l'obtention d'une subvention de démarrage visées à l'article 27 du décret du 26 avril 2024, et de la qualité du fonctionnement visée à l'article 28 du décret précité ;
2° une vue d'ensemble des associations environnementales qui ne satisfont pas aux conditions pour l'obtention d'une subvention de démarrage ;
3° une liste de classement basée sur le score total des associations environnementales que le département, par une évaluation positive, propose pour une subvention de démarrage et la justification à cet égard ;
4° une liste de classement basée sur le score total des associations environnementales que le département, par une évaluation négative, ne propose pas pour une subvention de démarrage et la justification à cet égard ;
Le département transmet l'avis visé à l'alinéa 1er au ministre.
Art. 46. De minister neemt binnen de perken van de beschikbare kredieten een beslissing over de aanvragen voor een startsubsidie binnen zes maanden na de uiterste indieningsdatum van de aanvraag voor een startsubsidie, vermeld in artikel 38, eerste lid.
De startsubsidie start op 1 januari van het jaar dat volgt op de datum van de beslissing, vermeld in het eerste lid, en wordt jaarlijks toegekend voor de resterende duur van de erkenningsperiode.
Als het beschikbare budget ontoereikend is, kan de minister beslissen om een of meer omgevingsverenigingen die conform artikel 45, § 2, eerste lid, 3°, de laagst gerangschikte positief beoordeelde omgevingsverenigingen zijn, geen startsubsidie toe te kennen.
Het departement bezorgt de beslissing van de minister met een beveiligde zending aan de omgevingsvereniging.
De startsubsidie start op 1 januari van het jaar dat volgt op de datum van de beslissing, vermeld in het eerste lid, en wordt jaarlijks toegekend voor de resterende duur van de erkenningsperiode.
Als het beschikbare budget ontoereikend is, kan de minister beslissen om een of meer omgevingsverenigingen die conform artikel 45, § 2, eerste lid, 3°, de laagst gerangschikte positief beoordeelde omgevingsverenigingen zijn, geen startsubsidie toe te kennen.
Het departement bezorgt de beslissing van de minister met een beveiligde zending aan de omgevingsvereniging.
Art. 46. Le ministre prend, dans la limite des crédits disponibles, une décision sur les demandes de subvention de démarrage dans un délai de six mois à compter de la date limite d'introduction de la demande de subvention de démarrage visée à l'article 38, alinéa 1er.
La subvention de démarrage commence le 1er janvier de l'année qui suit la date de la décision visée à l'alinéa 1er, et est attribuée annuellement pour la durée restante de la période d'agrément.
Si le budget disponible est insuffisant, le ministre peut décider de ne pas attribuer de subvention de démarrage à une ou plusieurs associations environnementales qui sont les moins bien classées parmi les associations environnementales ayant reçu une évaluation positive conformément à l'article 45, § 2, alinéa 1er, 3°.
Le département communique la décision du ministre par envoi sécurisé à l'association environnementale.
La subvention de démarrage commence le 1er janvier de l'année qui suit la date de la décision visée à l'alinéa 1er, et est attribuée annuellement pour la durée restante de la période d'agrément.
Si le budget disponible est insuffisant, le ministre peut décider de ne pas attribuer de subvention de démarrage à une ou plusieurs associations environnementales qui sont les moins bien classées parmi les associations environnementales ayant reçu une évaluation positive conformément à l'article 45, § 2, alinéa 1er, 3°.
Le département communique la décision du ministre par envoi sécurisé à l'association environnementale.
Afdeling 4. - Subsidiëring
Section 4. - Subventionnement
Art. 47. § 1. De startsubsidie voor een regionale omgevingsvereniging bedraagt 40.000 euro.
De startsubsidie voor een gewestelijke omgevingsvereniging bedraagt 80.000 euro.
De startsubsidie, vermeld in het eerste lid, wordt in de maand mei van het jaar dat voorafgaat aan elke erkenningsperiode, aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex conform de volgende formule: nieuw bedrag = basissubsidie bedrag x aangepaste gezondheidsindex/gezondheidsindex april 2024.
§ 2. De startsubsidie, vermeld in paragraaf 1, wordt jaarlijkse toegekend in het eerste kwartaal en wordt op de volgende wijze in schijven uitbetaald:
1° een eerste schrijf van 80% in het eerste kwartaal van het jaar waarop de subsidie van toepassing is;
2° het saldo van 20% in het vierde kwartaal van het jaar waarop de subsidie van toepassing is.
De minister kan het hoofd van het departement belasten met de jaarlijkse toekenning van de startsubsidie, vermeld in het eerste lid.
De startsubsidie voor een gewestelijke omgevingsvereniging bedraagt 80.000 euro.
De startsubsidie, vermeld in het eerste lid, wordt in de maand mei van het jaar dat voorafgaat aan elke erkenningsperiode, aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex conform de volgende formule: nieuw bedrag = basissubsidie bedrag x aangepaste gezondheidsindex/gezondheidsindex april 2024.
§ 2. De startsubsidie, vermeld in paragraaf 1, wordt jaarlijkse toegekend in het eerste kwartaal en wordt op de volgende wijze in schijven uitbetaald:
1° een eerste schrijf van 80% in het eerste kwartaal van het jaar waarop de subsidie van toepassing is;
2° het saldo van 20% in het vierde kwartaal van het jaar waarop de subsidie van toepassing is.
De minister kan het hoofd van het departement belasten met de jaarlijkse toekenning van de startsubsidie, vermeld in het eerste lid.
Art. 47. § 1er. La subvention de démarrage pour une association environnementale supralocale s'élève à 40 000 euros.
La subvention de démarrage pour une association environnementale régionale s'élève à 80 000 euros.
La subvention de démarrage visée à l'alinéa 1er, est adaptée à l'évolution de l'indice santé au mois de mai de l'année précédant chaque période d'agrément, selon la formule suivante : nouveau montant = montant de la subvention de base x indice santé adapté/indice santé avril 2024.
§ 2. La subvention de démarrage visée au paragraphe 1er, est attribuée annuellement au cours du premier trimestre et est payée par tranches, de la manière suivante :
1° une première tranche de 80 % au cours du premier trimestre de l'année à laquelle la subvention s'applique ;
2° le solde de 20 % au cours du quatrième trimestre de l'année à laquelle la subvention s'applique.
Le ministre peut charger le chef du département de l'attribution annuelle de la subvention de démarrage visée à l'alinéa 1er.
La subvention de démarrage pour une association environnementale régionale s'élève à 80 000 euros.
La subvention de démarrage visée à l'alinéa 1er, est adaptée à l'évolution de l'indice santé au mois de mai de l'année précédant chaque période d'agrément, selon la formule suivante : nouveau montant = montant de la subvention de base x indice santé adapté/indice santé avril 2024.
§ 2. La subvention de démarrage visée au paragraphe 1er, est attribuée annuellement au cours du premier trimestre et est payée par tranches, de la manière suivante :
1° une première tranche de 80 % au cours du premier trimestre de l'année à laquelle la subvention s'applique ;
2° le solde de 20 % au cours du quatrième trimestre de l'année à laquelle la subvention s'applique.
Le ministre peut charger le chef du département de l'attribution annuelle de la subvention de démarrage visée à l'alinéa 1er.
Afdeling 5. - Rapportering en evaluatie
Section 5. - Rapport et évaluation
Art. 48. Voor de evaluatie, vermeld in artikel 30, eerste lid, van het decreet van 26 april 2024, bezorgt de omgevingsvereniging met een startsubsidie een voortgangsverslag in het tweede jaar van de subsidieperiode uiterlijk op 1 maart via het subsidieloket.
Het voortgangsverslag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
1° een globale beschrijvende evaluatie van de doelstellingen en de vooropgestelde resultaten uit de startnota en de eventuele bijstelling ervan voor de rest van de subsidieperiode;
2° een stand van zaken over de realisatie van het streefbeeld en het groeiscenario voor de verdere uitbouw van de omgevingsvereniging, vermeld in artikel 38, tweede lid, 3°, f).
Het voortgangsverslag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
1° een globale beschrijvende evaluatie van de doelstellingen en de vooropgestelde resultaten uit de startnota en de eventuele bijstelling ervan voor de rest van de subsidieperiode;
2° een stand van zaken over de realisatie van het streefbeeld en het groeiscenario voor de verdere uitbouw van de omgevingsvereniging, vermeld in artikel 38, tweede lid, 3°, f).
Art. 48. Pour l'évaluation visée à l'article 30, alinéa 1er, du décret du 26 avril 2024, l'association environnementale bénéficiant d'une subvention de démarrage transmet, par l'intermédiaire du guichet de subvention, un rapport d'avancement au cours de la deuxième année de la période de subvention, au plus tard le 1er mars.
Le rapport d'avancement visé à l'alinéa 1er, comprend tous les éléments suivants :
1° une évaluation descriptive globale des objectifs et des résultats fixés à partir de la note de départ et leur ajustement éventuel pour le reste de la période de subvention ;
2° un état d'avancement de la réalisation de l'objectif et du scénario de croissance pour le développement futur de l'association environnementale visés à l'article 38, alinéa 2, 3°, f).
Le rapport d'avancement visé à l'alinéa 1er, comprend tous les éléments suivants :
1° une évaluation descriptive globale des objectifs et des résultats fixés à partir de la note de départ et leur ajustement éventuel pour le reste de la période de subvention ;
2° un état d'avancement de la réalisation de l'objectif et du scénario de croissance pour le développement futur de l'association environnementale visés à l'article 38, alinéa 2, 3°, f).
Art. 49. Het departement evalueert de kwaliteit van de werking van de omgevingsverenigingen met een startsubsidie op basis van het voortgangsverslag, vermeld in artikel 48, en de informatie die over de omgevingsvereniging publiek beschikbaar is, aan de hand van de volgende evaluatiecriteria:
1° de evolutie van de realisatie van het streefbeeld, vermeld in artikel 38, tweede lid, 3°, f);
2° de evolutie van de realisatie van het werkingsgebied;
3° de evolutie van de realisatie van het financiële plan, vermeld in artikel 38, tweede lid, 3°, e).
Op basis van de evaluatie, vermeld in het eerste lid, stelt het departement een evaluatieverslag op. Het bezorgt dat evaluatieverslag schriftelijk voor 1 juli aan de omgevingsvereniging.
1° de evolutie van de realisatie van het streefbeeld, vermeld in artikel 38, tweede lid, 3°, f);
2° de evolutie van de realisatie van het werkingsgebied;
3° de evolutie van de realisatie van het financiële plan, vermeld in artikel 38, tweede lid, 3°, e).
Op basis van de evaluatie, vermeld in het eerste lid, stelt het departement een evaluatieverslag op. Het bezorgt dat evaluatieverslag schriftelijk voor 1 juli aan de omgevingsvereniging.
Art. 49. Le département évalue la qualité du fonctionnement des associations environnementales bénéficiant d'une subvention de démarrage sur la base du rapport d'avancement visé à l'article 48, et des informations publiquement disponibles sur l'association environnementale, en utilisant les critères d'évaluation suivants :
1° l'évolution de la réalisation de l'objectif visé à l'article 38, alinéa 2, 3°, f) ;
2° l'évolution de la réalisation de la zone d'action ;
3° l'évolution de la réalisation du plan financier visé à l'article 38, alinéa 2, 3°, e).
Sur la base de l'évaluation visée à l'alinéa 1er, le département établit un rapport d'évaluation. Il transmet ce rapport d'évaluation par écrit à l'association environnementale avant le 1er juillet.
1° l'évolution de la réalisation de l'objectif visé à l'article 38, alinéa 2, 3°, f) ;
2° l'évolution de la réalisation de la zone d'action ;
3° l'évolution de la réalisation du plan financier visé à l'article 38, alinéa 2, 3°, e).
Sur la base de l'évaluation visée à l'alinéa 1er, le département établit un rapport d'évaluation. Il transmet ce rapport d'évaluation par écrit à l'association environnementale avant le 1er juillet.
Art. 50. De omgevingsvereniging met een startsubsidie bezorgt haar financiële verantwoording, vermeld in artikel 31, eerste lid, van het decreet van 26 april 2024, uiterlijk op 1 juli via het subsidieloket.
De financiële verantwoording, vermeld in het eerste lid, bestaat uit al de volgende elementen:
1° de financiële verslaggeving die de omgevingsvereniging in het kader van het voldoen aan haar financiële verplichtingen moet neerleggen voor het voorbije jaar;
2° een overzicht van de subsidies die de omgevingsvereniging in het voorbije jaar heeft ontvangen. Het voormelde overzicht wordt opgesteld conform het sjabloon dat het departement ter beschikking stelt.
Het departement kan met het oog op de controle van de gescheiden boekhouding, vermeld in artikel 10, vierde lid, van het decreet van 26 april 2024, bijkomende informatie opvragen.
De financiële verantwoording, vermeld in het eerste lid, bestaat uit al de volgende elementen:
1° de financiële verslaggeving die de omgevingsvereniging in het kader van het voldoen aan haar financiële verplichtingen moet neerleggen voor het voorbije jaar;
2° een overzicht van de subsidies die de omgevingsvereniging in het voorbije jaar heeft ontvangen. Het voormelde overzicht wordt opgesteld conform het sjabloon dat het departement ter beschikking stelt.
Het departement kan met het oog op de controle van de gescheiden boekhouding, vermeld in artikel 10, vierde lid, van het decreet van 26 april 2024, bijkomende informatie opvragen.
Art. 50. L'association environnementale bénéficiant d'une subvention de démarrage transmet, par l'intermédiaire du guichet de subvention, sa justification financière visée à l'article 31, alinéa 1er, du décret du 26 avril 2024, au plus tard le 1er juillet.
La justification financière visée à l'alinéa 1er, comprend tous les éléments suivants :
1° le rapport financier que l'association environnementale doit déposer pour l'année écoulée en vue de satisfaire à ses obligations financières ;
2° un aperçu des subventions reçues par l'association environnementale au cours de l'année écoulée. La vue d'ensemble susmentionnée est établie conformément au modèle mis à disposition par le département.
Le département peut demander des informations supplémentaires en vue de contrôler la comptabilité séparée visée à l'article 10, alinéa 4, du décret du 26 avril 2024.
La justification financière visée à l'alinéa 1er, comprend tous les éléments suivants :
1° le rapport financier que l'association environnementale doit déposer pour l'année écoulée en vue de satisfaire à ses obligations financières ;
2° un aperçu des subventions reçues par l'association environnementale au cours de l'année écoulée. La vue d'ensemble susmentionnée est établie conformément au modèle mis à disposition par le département.
Le département peut demander des informations supplémentaires en vue de contrôler la comptabilité séparée visée à l'article 10, alinéa 4, du décret du 26 avril 2024.
Art. 51. Met het oog op de eindevaluatie, vermeld in artikel 32 van het decreet van 26 april 2024, bezorgt de omgevingsvereniging met een startsubsidie binnen zes maanden na het einde van de subsidieperiode van de startsubsidie een eindverslag via het subsidieloket.
Het eindverslag, vermeld in eerste lid, beschrijft al de volgende elementen:
1° de behaalde resultaten voor de gestelde doelstellingen en de onderbouwing daarvoor;
2° de mate waarin en de wijze waarop het streefbeeld, vermeld in artikel 38, tweede lid, 3°, f), is gerealiseerd;
3° de verantwoording van de aanwending van de subsidie.
Het eindverslag, vermeld in eerste lid, beschrijft al de volgende elementen:
1° de behaalde resultaten voor de gestelde doelstellingen en de onderbouwing daarvoor;
2° de mate waarin en de wijze waarop het streefbeeld, vermeld in artikel 38, tweede lid, 3°, f), is gerealiseerd;
3° de verantwoording van de aanwending van de subsidie.
Art. 51. En vue de l'évaluation finale visée à l'article 32 du décret du 26 avril 2024, l'association environnementale bénéficiant d'une subvention de démarrage transmet un rapport final, par l'intermédiaire du guichet de subvention, dans les six mois suivant la fin de la période de subvention de la subvention de démarrage.
Le rapport final visé à l'alinéa 1er, décrit tous les éléments suivants :
1° les résultats obtenus par rapport aux objectifs fixés et la justification à cet égard ;
2° la mesure dans laquelle et les modalités selon lesquelles l'objectif visé à l'article 38, alinéa 2, 3°, f), a été réalisé ;
3° la justification de l'emploi de la subvention.
Le rapport final visé à l'alinéa 1er, décrit tous les éléments suivants :
1° les résultats obtenus par rapport aux objectifs fixés et la justification à cet égard ;
2° la mesure dans laquelle et les modalités selon lesquelles l'objectif visé à l'article 38, alinéa 2, 3°, f), a été réalisé ;
3° la justification de l'emploi de la subvention.
Art. 52. § 1. Het departement evalueert de omgevingsvereniging met een startsubsidie voor de voorbije subsidieperiode op basis van het eindverslag, vermeld in artikel 51. In de voormelde eindevaluatie gaat het departement al de volgende elementen na:
1° de mate waarin de vooropgestelde doelstellingen en resultaten zijn behaald;
2° de mate waarin het streefbeeld, vermeld in artikel 38, tweede lid, 3°, f), en het werkingsgebied zijn gerealiseerd;
3° de mate waarin de inspanningen zijn geleverd voor niet-behaalde doelstellingen en resultaten;
4° de mate waarin de subsidie is aangewend voor de doelen waarvoor ze is bestemd.
Het departement bezorgt de eindevaluatie, vermeld in het eerste lid, schriftelijk aan de omgevingsvereniging met een startsubsidie voor 1 november.
§ 2. Omgevingsverenigingen met een startsubsidie met een negatieve eindevaluatie kunnen vragen om gehoord te worden. Ze richten hun vraag daartoe aan het departement binnen vijftien dagen nadat ze de eindevaluatie, vermeld in paragraaf 1, hebben ontvangen.
De hoorzitting vindt plaats binnen dertig dagen nadat het departement de vraag, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen.
Het departement bezorgt binnen dertig dagen na de hoorzitting zijn eindevaluatie met een beveiligde zending aan de omgevingsvereniging met een startsubsidie.
§ 3. Het departement vordert het deel van de subsidie terug, in verhouding tot het ontbreken van de verantwoording in de eindrapportering voor de doelstellingen die in de startnota zijn opgenomen, maar die niet gerealiseerd zijn.
Het departement vordert subsidies terug die niet werden aangewend voor de doelen waarvoor ze bestemd waren.
1° de mate waarin de vooropgestelde doelstellingen en resultaten zijn behaald;
2° de mate waarin het streefbeeld, vermeld in artikel 38, tweede lid, 3°, f), en het werkingsgebied zijn gerealiseerd;
3° de mate waarin de inspanningen zijn geleverd voor niet-behaalde doelstellingen en resultaten;
4° de mate waarin de subsidie is aangewend voor de doelen waarvoor ze is bestemd.
Het departement bezorgt de eindevaluatie, vermeld in het eerste lid, schriftelijk aan de omgevingsvereniging met een startsubsidie voor 1 november.
§ 2. Omgevingsverenigingen met een startsubsidie met een negatieve eindevaluatie kunnen vragen om gehoord te worden. Ze richten hun vraag daartoe aan het departement binnen vijftien dagen nadat ze de eindevaluatie, vermeld in paragraaf 1, hebben ontvangen.
De hoorzitting vindt plaats binnen dertig dagen nadat het departement de vraag, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen.
Het departement bezorgt binnen dertig dagen na de hoorzitting zijn eindevaluatie met een beveiligde zending aan de omgevingsvereniging met een startsubsidie.
§ 3. Het departement vordert het deel van de subsidie terug, in verhouding tot het ontbreken van de verantwoording in de eindrapportering voor de doelstellingen die in de startnota zijn opgenomen, maar die niet gerealiseerd zijn.
Het departement vordert subsidies terug die niet werden aangewend voor de doelen waarvoor ze bestemd waren.
Art. 52. § 1er. Le département évalue l'association environnementale bénéficiant d'une subvention de démarrage pour la période de subvention écoulée, sur la base du rapport final visé à l'article 51. Dans l'évaluation finale susmentionnée, le département vérifie tous les éléments suivants :
1° la mesure dans laquelle les objectifs et les résultats fixés ont été atteints ;
2° la mesure dans laquelle l'objectif visé à l'article 38, alinéa 2, 3°, f), et la zone d'action ont été réalisés ;
3° la mesure dans laquelle des efforts ont été déployés pour les objectifs et les résultats non atteints ;
4° la mesure dans laquelle la subvention a été utilisée aux fins auxquelles elle était destinée.
Le département transmet par écrit à l'association environnementale bénéficiant d'une subvention de démarrage l'évaluation finale visée à l'alinéa 1er, au plus tard le 1er novembre.
§ 2. Les associations environnementales bénéficiant d'une subvention de démarrage qui ont reçu une évaluation finale négative peuvent demander à être entendues. Elles adressent leur demande à cet effet au département dans les quinze jours suivant la réception de l'évaluation finale, visé au paragraphe 1er.
L'audience a lieu dans les trente jours suivant la réception par le département de la demande visée à l'alinéa 1er.
Dans les trente jours suivant l'audience, le département transmet, par envoi sécurisé, l'évaluation finale à l'association environnementale bénéficiant d'une subvention de démarrage.
§ 3. Le département récupère la partie de la subvention, proportionnellement à l'absence de justification dans le rapport final pour les objectifs repris dans la note de départ, mais qui n'ont pas été atteints.
Le département récupère les subventions qui n'ont pas été utilisées aux fins auxquelles elles étaient destinées.
1° la mesure dans laquelle les objectifs et les résultats fixés ont été atteints ;
2° la mesure dans laquelle l'objectif visé à l'article 38, alinéa 2, 3°, f), et la zone d'action ont été réalisés ;
3° la mesure dans laquelle des efforts ont été déployés pour les objectifs et les résultats non atteints ;
4° la mesure dans laquelle la subvention a été utilisée aux fins auxquelles elle était destinée.
Le département transmet par écrit à l'association environnementale bénéficiant d'une subvention de démarrage l'évaluation finale visée à l'alinéa 1er, au plus tard le 1er novembre.
§ 2. Les associations environnementales bénéficiant d'une subvention de démarrage qui ont reçu une évaluation finale négative peuvent demander à être entendues. Elles adressent leur demande à cet effet au département dans les quinze jours suivant la réception de l'évaluation finale, visé au paragraphe 1er.
L'audience a lieu dans les trente jours suivant la réception par le département de la demande visée à l'alinéa 1er.
Dans les trente jours suivant l'audience, le département transmet, par envoi sécurisé, l'évaluation finale à l'association environnementale bénéficiant d'une subvention de démarrage.
§ 3. Le département récupère la partie de la subvention, proportionnellement à l'absence de justification dans le rapport final pour les objectifs repris dans la note de départ, mais qui n'ont pas été atteints.
Le département récupère les subventions qui n'ont pas été utilisées aux fins auxquelles elles étaient destinées.
HOOFDSTUK 8. - Sancties, subsidievereisten en beleidsevaluatie
CHAPITRE 8. - Sanctions, exigences en matière de subvention et évaluation de la politique
Afdeling 1. - Sancties
Section 1re. - Sanctions
Art. 53. Als het departement bij de uitvoering van het toezicht, vermeld in artikel 47 van het decreet van 26 april 2024, vaststelt dat de omgevingsvereniging niet voldoet aan de subsidievereisten, vermeld in artikel 48 van het voormelde decreet, kan het de uitbetaling van de subsidie opschorten totdat de omgevingsvereniging voldoet aan die subsidievereisten.
Art. 53. Si, lors de l'exécution de la surveillance, visée à l'article 47 du décret du 26 avril 2024, le département constate que l'association environnementale ne satisfait pas aux exigences en matière de subvention, visées à l'article 48 du décret précité, il peut suspendre le paiement de la subvention jusqu'à ce que l'association environnementale satisfasse à ces exigences en matière de subvention.
Art. 54. § 1. Als de omgevingsvereniging geen functionele rapportering als vermeld in artikel 25, § 1, eerste lid, en artikel 30, § 1, eerste lid, indient, wordt de uitbetaling van de subsidie, vermeld in artikel 24, § 2, opgeschort tot de omgevingsvereniging die functionele rapportering heeft ingediend.
Als de omgevingsvereniging geen financiële rapportering als vermeld in artikel 30, § 2, eerste lid, indient, wordt de uitbetaling van het saldo, vermeld in artikel 24, § 2, eerste lid, 2°, opgeschort tot de omgevingsvereniging die financiële rapportering heeft ingediend.
§ 2. Als een omgevingsvereniging die een werkingssubsidie ontvangt, de rapporteringsdocumenten, vermeld in artikel 25, § 1, eerste lid, en § 2, eerste lid, artikel 27, eerste lid, artikel 30, § 1, eerste lid, en § 2, eerste lid, artikel 32, § 1, eerste lid, artikel 35, eerste lid, artikel 48, eerste lid, artikel 50, eerste lid, en artikel 51, eerste lid, niet indient binnen de uiterste indieningsdatum, vermeld in de voormelde artikelen, vraagt het departement aan de voormelde omgevingsvereniging om die ontbrekende documenten tegen een bepaalde datum in te dienen.
Als de omgevingsvereniging de ontbrekende documenten niet indient tegen de datum, vermeld in het eerste lid, vervalt de beslissing tot toekenning van de subsidie voor de periode waarop de rapportering betrekking heeft en wordt het subsidiebedrag teruggevorderd dat al is uitbetaald.
Als de omgevingsvereniging geen financiële rapportering als vermeld in artikel 30, § 2, eerste lid, indient, wordt de uitbetaling van het saldo, vermeld in artikel 24, § 2, eerste lid, 2°, opgeschort tot de omgevingsvereniging die financiële rapportering heeft ingediend.
§ 2. Als een omgevingsvereniging die een werkingssubsidie ontvangt, de rapporteringsdocumenten, vermeld in artikel 25, § 1, eerste lid, en § 2, eerste lid, artikel 27, eerste lid, artikel 30, § 1, eerste lid, en § 2, eerste lid, artikel 32, § 1, eerste lid, artikel 35, eerste lid, artikel 48, eerste lid, artikel 50, eerste lid, en artikel 51, eerste lid, niet indient binnen de uiterste indieningsdatum, vermeld in de voormelde artikelen, vraagt het departement aan de voormelde omgevingsvereniging om die ontbrekende documenten tegen een bepaalde datum in te dienen.
Als de omgevingsvereniging de ontbrekende documenten niet indient tegen de datum, vermeld in het eerste lid, vervalt de beslissing tot toekenning van de subsidie voor de periode waarop de rapportering betrekking heeft en wordt het subsidiebedrag teruggevorderd dat al is uitbetaald.
Art. 54. § 1er. Si l'association environnementale n'introduit pas de rapport fonctionnel, tel que visé à l'article 25, § 1er, alinéa 1er, et à l'article 30, § 1er, alinéa 1er, le paiement de la subvention, visée à l'article 24, § 2, est suspendu jusqu'à ce que l'association environnementale ait introduit ce rapport fonctionnel.
Si l'association environnementale n'introduit pas de rapport financier tel que visé à l'article 30, § 2, alinéa 1er, le paiement du solde visé à l'article 24, § 2, alinéa 1er, 2°, est suspendu jusqu'à ce que l'association environnementale ait introduit ce rapport financier.
§ 2. Si une association environnementale bénéficiant d'une subvention de fonctionnement n'introduit pas les documents de rapport, visés à l'article 25, § 1er, alinéa 1er, et § 2, alinéa 1er, à l'article 27, alinéa 1er, à l'article 30, § 1er, alinéa 1er, et § 2, alinéa 1er, à l'article 32, § 1er, alinéa 1er, à l'article 35, alinéa 1er, à l'article 48, alinéa 1er, à l'article 50, alinéa 1er, et à l'article 51, alinéa 1er, à la date limite d'introduction, visée aux articles susmentionnés, le département demandera à l'association environnementale susmentionnée d'introduire les documents manquants dans un délai déterminé.
Si l'association environnementale n'introduit pas les documents manquants à la date visée à l'alinéa 1er, la décision d'attribution de la subvention pour la période à laquelle le rapport se rapporte échoit et le montant de la subvention déjà payé est récupéré.
Si l'association environnementale n'introduit pas de rapport financier tel que visé à l'article 30, § 2, alinéa 1er, le paiement du solde visé à l'article 24, § 2, alinéa 1er, 2°, est suspendu jusqu'à ce que l'association environnementale ait introduit ce rapport financier.
§ 2. Si une association environnementale bénéficiant d'une subvention de fonctionnement n'introduit pas les documents de rapport, visés à l'article 25, § 1er, alinéa 1er, et § 2, alinéa 1er, à l'article 27, alinéa 1er, à l'article 30, § 1er, alinéa 1er, et § 2, alinéa 1er, à l'article 32, § 1er, alinéa 1er, à l'article 35, alinéa 1er, à l'article 48, alinéa 1er, à l'article 50, alinéa 1er, et à l'article 51, alinéa 1er, à la date limite d'introduction, visée aux articles susmentionnés, le département demandera à l'association environnementale susmentionnée d'introduire les documents manquants dans un délai déterminé.
Si l'association environnementale n'introduit pas les documents manquants à la date visée à l'alinéa 1er, la décision d'attribution de la subvention pour la période à laquelle le rapport se rapporte échoit et le montant de la subvention déjà payé est récupéré.
Afdeling 2. - Subsidievereisten
Section 2. - Exigences en matière de subvention
Art. 55. De gesubsidieerde omgevingsvereniging vermeldt bij alle publieke communicatie in het kader van de gesubsidieerde werking, vermeld in artikel 48, 1°, van het decreet van 26 april 2024, het logo van de Vlaamse overheid dat het departement via zijn website ter beschikking stelt.
Art. 55. L'association environnementale subventionnée mentionne le logo de l'Autorité flamande, que le département met à disposition via son site web, dans toute communication publique dans le cadre du fonctionnement subventionné visé à l'article 48, 1°, du décret du 26 avril 2024.
Afdeling 3. - Beleidsevaluatie
Section 3. - Evaluation de la politique
Art. 56. Het departement onderwerpt dit besluit elke vijf jaar aan een beleidsevaluatie conform artikel 76/1, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019.
De eerste beleidsevaluatie vindt plaats binnen een jaar nadat de eerste erkenningsperiode, vermeld in artikel 16, tweede lid van het decreet van 26 april 2024 afloopt.
De minister bepaalt:
1° de indicatoren voor de beleidsevaluatie, vermeld in het eerste lid;
2° de gegevens die de omgevingsverenigingen moeten aanleveren bij hun eindrapportering om de beleidsevaluatie, vermeld in het eerste lid, te kunnen uitvoeren.
De eerste beleidsevaluatie vindt plaats binnen een jaar nadat de eerste erkenningsperiode, vermeld in artikel 16, tweede lid van het decreet van 26 april 2024 afloopt.
De minister bepaalt:
1° de indicatoren voor de beleidsevaluatie, vermeld in het eerste lid;
2° de gegevens die de omgevingsverenigingen moeten aanleveren bij hun eindrapportering om de beleidsevaluatie, vermeld in het eerste lid, te kunnen uitvoeren.
Art. 56. Le département soumet le présent arrêté à une évaluation politique tous les cinq ans, conformément à l'article 76/1, § 2, du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019.
La première évaluation politique a lieu dans un délai d'un an après l'expiration de la première période d'agrément visée à l'article 16, alinéa 2, du décret du 26 avril 2024.
Le ministre détermine :
1° les indicateurs pour l'évaluation politique visée à l'alinéa 1er ;
2° les données que les associations environnementales doivent fournir dans leur rapport final pour pouvoir exécuter l'évaluation de la politique visée à l'alinéa 1er.
La première évaluation politique a lieu dans un délai d'un an après l'expiration de la première période d'agrément visée à l'article 16, alinéa 2, du décret du 26 avril 2024.
Le ministre détermine :
1° les indicateurs pour l'évaluation politique visée à l'alinéa 1er ;
2° les données que les associations environnementales doivent fournir dans leur rapport final pour pouvoir exécuter l'évaluation de la politique visée à l'alinéa 1er.
HOOFDSTUK 9. - De kortlopende erkenning
CHAPITRE 9. - L'agrément à court terme
Afdeling 1. - De aanvraagprocedure
Section 1re. - La procédure de demande
Art. 57. De minister kan eenmalig een oproep voor een kortlopende erkenning, vermeld in artikel 51 van het decreet van 26 april 2024, lanceren voor omgevingsverenigingen die niet erkend zijn conform het decreet van 29 april 1991 tot vaststelling van de algemene regelen inzake de erkenning en subsidiëring van de milieu-, natuur-, en ruimteverenigingen.
De oproep, vermeld in het eerste lid, vermeldt de uiterste indieningsdatum voor de aanvragen tot kortlopende erkenning.
De oproep, vermeld in het eerste lid, vermeldt de uiterste indieningsdatum voor de aanvragen tot kortlopende erkenning.
Art. 57. Le ministre peut lancer une seule fois un appel à l'agrément à court terme, visé à l'article 51 du décret du 26 avril 2024, pour les associations environnementales qui ne sont pas agréées conformément au décret du 29 avril 1991 fixant les règles générales relatives à l'agrément et au subventionnement des associations écologiques.
L'appel visé à l'alinéa 1er, mentionne la date limite d'introduction pour les demandes d'agrément à court terme.
L'appel visé à l'alinéa 1er, mentionne la date limite d'introduction pour les demandes d'agrément à court terme.
Art. 58. § 1. De omgevingsvereniging bezorgt een aanvraag voor een kortlopende erkenning als vermeld in artikel 57, uiterlijk op de uiterste indieningsdatum die vermeld is in de oproep, aan het departement via het subsidieloket.
De aanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende documenten:
1° een volledig ingevuld aanvraagformulier;
2° een kopie van de meest recente statuten die in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt;
3° de laatste jaarrekening of de laatste jaarrekening, de staat van ontvangsten en uitgaven en de staat van het vermogen, naargelang de boekhouding die de omgevingsvereniging voert om te voldoen aan haar financiële verplichtingen;
4° een meerjarennota voor de erkenningsperiode van twee jaar die het bestuursorgaan van de omgevingsvereniging heeft goedgekeurd.
§ 2. De meerjarennota, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 4°, bevat al de volgende elementen:
1° een beschrijving van de situering van de omgevingsvereniging, haar werking, zowel inhoudelijk als zakelijk, haar werkingsgebied en de uitdagingen waar ze voor staat. De omgevingsvereniging geeft in de voormelde beschrijving aan op welke wijze haar werking gelinkt is met de kernopdrachten van de categorie waarvoor ze een kortlopende erkenning aanvraagt, vermeld in artikel 6, 7 en 8 van het decreet van 26 april 2024;
2° een overzicht en beschrijving van de dagelijkse werking, de personeelsstructuur, de organisatiestructuur en de bestuursorganen;
3° een financieel plan, dat bestaat uit een begroting voor de duur van de erkenningsperiode van de kortlopende erkenning en een beschrijving van de wijze waarop de inkomsten en uitgaven zullen evolueren in de vermelde erkenningsperiode;
4° een beknopte strategische visietekst die de werking van omgevingsvereniging schetst voor de komende erkenningsperiode. De voormelde visietekst bevat de missie, de visie en de maatschappelijke positionering van de omgevingsvereniging;
5° een beschrijving van de doelstellingen voor de kortlopende erkenning ter uitvoering van de kernopdrachten die voor haar categorie van toepassing zijn, vermeld in artikel 6, 7 en 8 van het voormelde decreet, de activiteiten die binnen de kortlopende erkenning zullen opgezet worden en tot welke resultaten die zullen leiden. In de voormelde beschrijving wordt aangegeven op welke wijze de voormelde doelstellingen bijdragen aan de Vlaamse omgevingsdoelstellingen, vermeld in artikel 3, § 1, derde lid, van het decreet van 26 april 2024;
6° voor een regionale omgevingsvereniging: het overzicht van de gemeenten die behoren tot het werkingsgebied van de regionale omgevingsvereniging;
7° voor een gewestelijke ledenvereniging voor omgeving: het overzicht van het aantal leden en het aantal lokale afdelingen per Vlaamse provincie van de gewestelijke ledenvereniging voor omgeving;
8° een managementsamenvatting.
De aanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende documenten:
1° een volledig ingevuld aanvraagformulier;
2° een kopie van de meest recente statuten die in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt;
3° de laatste jaarrekening of de laatste jaarrekening, de staat van ontvangsten en uitgaven en de staat van het vermogen, naargelang de boekhouding die de omgevingsvereniging voert om te voldoen aan haar financiële verplichtingen;
4° een meerjarennota voor de erkenningsperiode van twee jaar die het bestuursorgaan van de omgevingsvereniging heeft goedgekeurd.
§ 2. De meerjarennota, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 4°, bevat al de volgende elementen:
1° een beschrijving van de situering van de omgevingsvereniging, haar werking, zowel inhoudelijk als zakelijk, haar werkingsgebied en de uitdagingen waar ze voor staat. De omgevingsvereniging geeft in de voormelde beschrijving aan op welke wijze haar werking gelinkt is met de kernopdrachten van de categorie waarvoor ze een kortlopende erkenning aanvraagt, vermeld in artikel 6, 7 en 8 van het decreet van 26 april 2024;
2° een overzicht en beschrijving van de dagelijkse werking, de personeelsstructuur, de organisatiestructuur en de bestuursorganen;
3° een financieel plan, dat bestaat uit een begroting voor de duur van de erkenningsperiode van de kortlopende erkenning en een beschrijving van de wijze waarop de inkomsten en uitgaven zullen evolueren in de vermelde erkenningsperiode;
4° een beknopte strategische visietekst die de werking van omgevingsvereniging schetst voor de komende erkenningsperiode. De voormelde visietekst bevat de missie, de visie en de maatschappelijke positionering van de omgevingsvereniging;
5° een beschrijving van de doelstellingen voor de kortlopende erkenning ter uitvoering van de kernopdrachten die voor haar categorie van toepassing zijn, vermeld in artikel 6, 7 en 8 van het voormelde decreet, de activiteiten die binnen de kortlopende erkenning zullen opgezet worden en tot welke resultaten die zullen leiden. In de voormelde beschrijving wordt aangegeven op welke wijze de voormelde doelstellingen bijdragen aan de Vlaamse omgevingsdoelstellingen, vermeld in artikel 3, § 1, derde lid, van het decreet van 26 april 2024;
6° voor een regionale omgevingsvereniging: het overzicht van de gemeenten die behoren tot het werkingsgebied van de regionale omgevingsvereniging;
7° voor een gewestelijke ledenvereniging voor omgeving: het overzicht van het aantal leden en het aantal lokale afdelingen per Vlaamse provincie van de gewestelijke ledenvereniging voor omgeving;
8° een managementsamenvatting.
Art. 58. § 1er. L'association environnementale transmet au département, par l'intermédiaire du guichet de subvention, une demande d'agrément à court terme telle que visée à l'article 57, au plus tard à la date limite d'introduction mentionnée dans l'appel.
La demande visée à l'alinéa 1er, comprend tous les documents suivants :
1° un formulaire de demande dûment complété ;
2° une copie des statuts les plus récents publiés au Moniteur belge ;
3° les derniers comptes annuels ou les derniers comptes annuels, l'état des recettes et dépenses et l'état du patrimoine, selon la comptabilité tenue par l'association environnementale pour satisfaire à ses obligations financières ;
4° une note pluriannuelle pour la période d'agrément de deux ans approuvée par l'organe d'administration de l'association environnementale.
§ 2. La note pluriannuelle visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 4°, comprend tous les éléments suivants :
1° une description de la situation de l'association environnementale, de ses activités tant de fond que commerciales, de sa zone d'action et des défis auxquels elle est confrontée. Dans la description susmentionnée, l'association environnementale indique de quelle manière son fonctionnement est lié aux missions essentielles de la catégorie pour laquelle elle demande un agrément à court terme, visées aux articles 6, 7 et 8 du décret du 26 avril 2024 ;
2° une vue d'ensemble et une description du fonctionnement quotidien, de la structure du personnel, de la structure organisationnelle et des organes d'administration ;
3° un plan financier, composé d'un budget pour la durée de la période d'agrément de l'agrément à court terme et d'une description de la manière dont les recettes et dépenses évolueront au cours de la période d'agrément susmentionnée ;
4° un texte de vision stratégique succinct qui décrit le fonctionnement de l'association environnementale pour la prochaine période d'agrément. Ce texte de vision contient la vision, la mission et le positionnement social de l'association environnementale ;
5° une description des objectifs pour l'agrément à court terme en vue de l'exécution des missions essentielles applicables à sa catégorie, telles que visées aux articles 6, 7 et 8 du décret précité, les activités qui seront exercées dans le cadre de l'agrément à court terme et les résultats auxquels elles aboutiront. La description susmentionnée indique de quelle manière les objectifs susmentionnés contribuent aux objectifs environnementaux flamands visés à l'article 3, § 1er, alinéa 3, du décret du 26 avril 2024 ;
6° pour une association environnementale supralocale : l'aperçu des communes appartenant à la zone d'action de l'association environnementale supralocale ;
7° pour une association-membre régionale pour l'environnement : l'aperçu du nombre de membres et du nombre de divisions locales par province flamande de l'association-membre régionale pour l'environnement ;
8° un résumé destiné à la direction.
La demande visée à l'alinéa 1er, comprend tous les documents suivants :
1° un formulaire de demande dûment complété ;
2° une copie des statuts les plus récents publiés au Moniteur belge ;
3° les derniers comptes annuels ou les derniers comptes annuels, l'état des recettes et dépenses et l'état du patrimoine, selon la comptabilité tenue par l'association environnementale pour satisfaire à ses obligations financières ;
4° une note pluriannuelle pour la période d'agrément de deux ans approuvée par l'organe d'administration de l'association environnementale.
§ 2. La note pluriannuelle visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 4°, comprend tous les éléments suivants :
1° une description de la situation de l'association environnementale, de ses activités tant de fond que commerciales, de sa zone d'action et des défis auxquels elle est confrontée. Dans la description susmentionnée, l'association environnementale indique de quelle manière son fonctionnement est lié aux missions essentielles de la catégorie pour laquelle elle demande un agrément à court terme, visées aux articles 6, 7 et 8 du décret du 26 avril 2024 ;
2° une vue d'ensemble et une description du fonctionnement quotidien, de la structure du personnel, de la structure organisationnelle et des organes d'administration ;
3° un plan financier, composé d'un budget pour la durée de la période d'agrément de l'agrément à court terme et d'une description de la manière dont les recettes et dépenses évolueront au cours de la période d'agrément susmentionnée ;
4° un texte de vision stratégique succinct qui décrit le fonctionnement de l'association environnementale pour la prochaine période d'agrément. Ce texte de vision contient la vision, la mission et le positionnement social de l'association environnementale ;
5° une description des objectifs pour l'agrément à court terme en vue de l'exécution des missions essentielles applicables à sa catégorie, telles que visées aux articles 6, 7 et 8 du décret précité, les activités qui seront exercées dans le cadre de l'agrément à court terme et les résultats auxquels elles aboutiront. La description susmentionnée indique de quelle manière les objectifs susmentionnés contribuent aux objectifs environnementaux flamands visés à l'article 3, § 1er, alinéa 3, du décret du 26 avril 2024 ;
6° pour une association environnementale supralocale : l'aperçu des communes appartenant à la zone d'action de l'association environnementale supralocale ;
7° pour une association-membre régionale pour l'environnement : l'aperçu du nombre de membres et du nombre de divisions locales par province flamande de l'association-membre régionale pour l'environnement ;
8° un résumé destiné à la direction.
Afdeling 2. - De beoordeling van de ontvankelijkheidsvoorwaarden en erkenningsvoorwaarden
Section 2. - Evaluation des conditions de recevabilité et des conditions d'agrément
Art. 59. Het departement onderzoekt de ontvankelijkheid van de kortlopende erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 51 van het decreet van 26 april 2024, binnen tien dagen na de uiterste indieningsdatum van de aanvraag voor een kortlopende erkenning, vermeld in artikel 58, § 1, eerste lid, van dit besluit.
Als de voormelde aanvraag laattijdig is ingediend, verklaart het departement de aanvraag voor een kortlopende erkenning niet-ontvankelijk.
Als de voormelde aanvraag onvolledig is, beschikt de aanvrager over tien dagen nadat het departement de aanvrager van die onvolledigheid op de hoogte heeft gebracht, om die aanvraag te vervolledigen. Als de vereniging de aanvraag onvoldoende, niet of niet tijdig vervolledigt, verklaart het departement de aanvraag voor een kortlopende erkenning niet-ontvankelijk.
De omgevingsvereniging wordt door het departement schriftelijk op de hoogte gebracht van de niet-ontvankelijkheid van haar dossier.
Als de voormelde aanvraag laattijdig is ingediend, verklaart het departement de aanvraag voor een kortlopende erkenning niet-ontvankelijk.
Als de voormelde aanvraag onvolledig is, beschikt de aanvrager over tien dagen nadat het departement de aanvrager van die onvolledigheid op de hoogte heeft gebracht, om die aanvraag te vervolledigen. Als de vereniging de aanvraag onvoldoende, niet of niet tijdig vervolledigt, verklaart het departement de aanvraag voor een kortlopende erkenning niet-ontvankelijk.
De omgevingsvereniging wordt door het departement schriftelijk op de hoogte gebracht van de niet-ontvankelijkheid van haar dossier.
Art. 59. Le département examine la recevabilité de la demande d'agrément à court terme, visée à l'article 51 du décret du 26 avril 2024, dans un délai de dix jours à compter de la date limite d'introduction de la demande pour un agrément à court terme, visé à l'article 58, § 1er, alinéa 1er, du présent arrêté.
Si la demande susmentionnée est introduite tardivement, le département déclare la demande pour l'obtention d'un agrément à court terme irrecevable.
Si la demande susmentionnée est incomplète, le demandeur dispose d'un délai de dix jours à compter de la date à laquelle il a été informé par le département de cette incomplétude pour compléter la demande. Si l'association ne complète pas suffisamment la demande ou ne la complète pas en temps utile, le département déclare la demande pour l'obtention d'un agrément à court terme irrecevable.
Le département informe par écrit l'association environnementale de l'irrecevabilité de son dossier.
Si la demande susmentionnée est introduite tardivement, le département déclare la demande pour l'obtention d'un agrément à court terme irrecevable.
Si la demande susmentionnée est incomplète, le demandeur dispose d'un délai de dix jours à compter de la date à laquelle il a été informé par le département de cette incomplétude pour compléter la demande. Si l'association ne complète pas suffisamment la demande ou ne la complète pas en temps utile, le département déclare la demande pour l'obtention d'un agrément à court terme irrecevable.
Le département informe par écrit l'association environnementale de l'irrecevabilité de son dossier.
Art. 60. De erkenningscommissie beoordeelt de erkenningsvoorwaarden conform artikel 53 van het decreet van 26 april 2024.
De omgevingsvereniging die een erkenningsaanvraag als vermeld in artikel 58, § 1, eerste lid, van dit besluit, indient, voldoet aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 15, 1°, van het decreet van 26 april 2024, als het belangeloze doel dat ze nastreeft en de activiteiten die ze tot voorwerp heeft, vermeld in haar statuten, hoofdzakelijk gericht zijn op het bevorderen van de omgevingskwaliteit.
De omgevingsvereniging voldoet aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 15, 2°, van het decreet van 26 april 2024, als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° uiterlijk opgericht zijn op 1 januari van het tweede jaar dat het jaar van de uiterste indieningsdatum van de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 58, § 1, eerste lid, van dit besluit, voorafgaat.
2° in de twee jaren die het jaar van de uiterste indieningsdatum van de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 58, § 1, eerste lid, van dit besluit, voorafgaan, activiteiten te hebben ontplooid die gericht waren op het bevorderen van de omgevingskwaliteit in het Vlaamse Gewest.
De omgevingsvereniging voldoet aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 15, 3°, van het decreet van 26 april 2024, als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° minimaal 20% van de inkomsten van de omgevingsvereniging, namelijk de ontvangsten, zijn afkomstig van andere bronnen dan de subsidie die in het kader van de erkenning als omgevingsvereniging aan de omgevingsvereniging kan worden toegekend. De voormelde voorwaarde geldt voor de inkomsten van elk jaar van de subsidieperiode en de naleving ervan blijkt uit het financieel plan;
2° ze toont aan dat ze op korte en langere termijn aan haar financiële verplichtingen kan voldoen.
De omgevingsvereniging voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 15, 4°, van het decreet van 26 april 2024, als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° haar eigen financiën beheren;
2° werkgever en opdrachtgever zijn van het personeel en daarvoor een eigen personeelsbeleid voeren;
3° een onafhankelijk management en bestuur hebben;
4° een eigen activiteitenprogramma bepalen en uitvoeren in eigen naam;
5° over een eigen post- of bankrekening beschikken;
6° een eigen communicatiebeleid voeren.
De omgevingsvereniging voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 15, 5°, van het decreet van 26 april 2024, als uit de bestaande werking van de omgevingsvereniging blijkt dat ze een werking heeft die voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° ze vervult de kernopdrachten die voor haar categorie van toepassing zijn, in het werkingsgebied dat voor haar categorie van toepassing is, vermeld in artikel 6, eerste en tweede lid, artikel 7, eerste en tweede lid en artikel 8, eerste lid, van het voormelde decreet;
2° ze zet in op al de activiteiten die voor haar categorie van toepassing zijn, vermeld in artikel 6, derde lid, artikel 7, derde lid en artikel 8, tweede lid, van het voormelde decreet.
Na een negatieve beoordeling van de erkenningsvoorwaarden door de erkenningscommissie bezorgt het departement het advies van de erkenningscommissie om de omgevingsvereniging in kwestie niet te erkennen aan de minister.
De omgevingsvereniging die een erkenningsaanvraag als vermeld in artikel 58, § 1, eerste lid, van dit besluit, indient, voldoet aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 15, 1°, van het decreet van 26 april 2024, als het belangeloze doel dat ze nastreeft en de activiteiten die ze tot voorwerp heeft, vermeld in haar statuten, hoofdzakelijk gericht zijn op het bevorderen van de omgevingskwaliteit.
De omgevingsvereniging voldoet aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 15, 2°, van het decreet van 26 april 2024, als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° uiterlijk opgericht zijn op 1 januari van het tweede jaar dat het jaar van de uiterste indieningsdatum van de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 58, § 1, eerste lid, van dit besluit, voorafgaat.
2° in de twee jaren die het jaar van de uiterste indieningsdatum van de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 58, § 1, eerste lid, van dit besluit, voorafgaan, activiteiten te hebben ontplooid die gericht waren op het bevorderen van de omgevingskwaliteit in het Vlaamse Gewest.
De omgevingsvereniging voldoet aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 15, 3°, van het decreet van 26 april 2024, als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° minimaal 20% van de inkomsten van de omgevingsvereniging, namelijk de ontvangsten, zijn afkomstig van andere bronnen dan de subsidie die in het kader van de erkenning als omgevingsvereniging aan de omgevingsvereniging kan worden toegekend. De voormelde voorwaarde geldt voor de inkomsten van elk jaar van de subsidieperiode en de naleving ervan blijkt uit het financieel plan;
2° ze toont aan dat ze op korte en langere termijn aan haar financiële verplichtingen kan voldoen.
De omgevingsvereniging voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 15, 4°, van het decreet van 26 april 2024, als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° haar eigen financiën beheren;
2° werkgever en opdrachtgever zijn van het personeel en daarvoor een eigen personeelsbeleid voeren;
3° een onafhankelijk management en bestuur hebben;
4° een eigen activiteitenprogramma bepalen en uitvoeren in eigen naam;
5° over een eigen post- of bankrekening beschikken;
6° een eigen communicatiebeleid voeren.
De omgevingsvereniging voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 15, 5°, van het decreet van 26 april 2024, als uit de bestaande werking van de omgevingsvereniging blijkt dat ze een werking heeft die voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° ze vervult de kernopdrachten die voor haar categorie van toepassing zijn, in het werkingsgebied dat voor haar categorie van toepassing is, vermeld in artikel 6, eerste en tweede lid, artikel 7, eerste en tweede lid en artikel 8, eerste lid, van het voormelde decreet;
2° ze zet in op al de activiteiten die voor haar categorie van toepassing zijn, vermeld in artikel 6, derde lid, artikel 7, derde lid en artikel 8, tweede lid, van het voormelde decreet.
Na een negatieve beoordeling van de erkenningsvoorwaarden door de erkenningscommissie bezorgt het departement het advies van de erkenningscommissie om de omgevingsvereniging in kwestie niet te erkennen aan de minister.
Art. 60. La commission d'agrément évalue les conditions d'agrément conformément à l'article 53 du décret du 26 avril 2024.
L'association environnementale qui introduit une demande d'agrément telle que visée à l'article 58, § 1er, alinéa 1er, du présent arrêté, satisfait à la condition d'agrément, visée à l'article 15, 1°, du décret du 26 avril 2024, si le but désintéressé qu'elle poursuit et les activités qu'elle a pour objet, mentionnés dans ses statuts, visent principalement à promouvoir la qualité de l'environnement.
L'association environnementale satisfait à la condition d'agrément visée à l'article 15, 2°, du décret du 26 avril 2024, si elle satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° être constituée au plus tard le 1er janvier de la deuxième année précédant l'année de la date limite d'introduction de la demande d'agrément visée à l'article 58, § 1er, alinéa 1er, du présent arrêté.
2° avoir développé des activités visant à promouvoir la qualité de l'environnement dans la Région flamande au cours des deux années précédant l'année de la date limite d'introduction de la demande d'agrément visée à l'article 58, § 1er, alinéa 1er, du présent arrêté.
L'association environnementale satisfait à la condition d'agrément visée à l'article 15, 3°, du décret du 26 avril 2024, si elle satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° au moins 20 % des revenus de l'association environnementale, c'est-à-dire des recettes, proviennent d'autres sources que la subvention qui peut être attribuée à l'association environnementale dans le cadre de l'agrément en tant qu'association environnementale. La condition susmentionnée s'applique aux revenus de chaque année de la période de subvention et son respect est attesté par le plan financier ;
2° elle démontre sa capacité à satisfaire à ses obligations financières à court et à plus long terme.
L'association environnementale satisfait à la condition d'agrément visée à l'article 15, 4°, du décret du 26 avril 2024, si elle satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° gérer ses propres finances ;
2° être l'employeur et le commettant du personnel et mener à cet effet une propre gestion du personnel ;
3° avoir une gestion et une administration indépendantes ;
4° déterminer et exécuter son propre programme d'activités en son nom propre ;
5° disposer d'un propre compte postal ou bancaire ;
6° mener sa propre politique de communication.
L'association environnementale satisfait à la condition d'agrément visée à l'article 15, 5°, du décret du 26 avril 2024, s'il ressort du fonctionnement existant de l'association environnementale qu'elle a un fonctionnement qui satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° elle remplit les missions essentielles applicables à sa catégorie dans la zone d'action applicable à sa catégorie visées à l'article 6, alinéas 1er et 2, à l'article 7, alinéas 1er et 2, et à l'article 8, alinéa 1er, du décret précité ;
2° elle s'engage à mener toutes les activités applicables à sa catégorie visées à l'article 6, alinéa 3, à l'article 7, alinéa 3, et à l'article 8, alinéa 2, du décret précité.
Après une évaluation négative des conditions de reconnaissance par la commission d'agrément, le département transmet au ministre l'avis de la commission d'agrément de ne pas agréer l'association environnementale en question.
L'association environnementale qui introduit une demande d'agrément telle que visée à l'article 58, § 1er, alinéa 1er, du présent arrêté, satisfait à la condition d'agrément, visée à l'article 15, 1°, du décret du 26 avril 2024, si le but désintéressé qu'elle poursuit et les activités qu'elle a pour objet, mentionnés dans ses statuts, visent principalement à promouvoir la qualité de l'environnement.
L'association environnementale satisfait à la condition d'agrément visée à l'article 15, 2°, du décret du 26 avril 2024, si elle satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° être constituée au plus tard le 1er janvier de la deuxième année précédant l'année de la date limite d'introduction de la demande d'agrément visée à l'article 58, § 1er, alinéa 1er, du présent arrêté.
2° avoir développé des activités visant à promouvoir la qualité de l'environnement dans la Région flamande au cours des deux années précédant l'année de la date limite d'introduction de la demande d'agrément visée à l'article 58, § 1er, alinéa 1er, du présent arrêté.
L'association environnementale satisfait à la condition d'agrément visée à l'article 15, 3°, du décret du 26 avril 2024, si elle satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° au moins 20 % des revenus de l'association environnementale, c'est-à-dire des recettes, proviennent d'autres sources que la subvention qui peut être attribuée à l'association environnementale dans le cadre de l'agrément en tant qu'association environnementale. La condition susmentionnée s'applique aux revenus de chaque année de la période de subvention et son respect est attesté par le plan financier ;
2° elle démontre sa capacité à satisfaire à ses obligations financières à court et à plus long terme.
L'association environnementale satisfait à la condition d'agrément visée à l'article 15, 4°, du décret du 26 avril 2024, si elle satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° gérer ses propres finances ;
2° être l'employeur et le commettant du personnel et mener à cet effet une propre gestion du personnel ;
3° avoir une gestion et une administration indépendantes ;
4° déterminer et exécuter son propre programme d'activités en son nom propre ;
5° disposer d'un propre compte postal ou bancaire ;
6° mener sa propre politique de communication.
L'association environnementale satisfait à la condition d'agrément visée à l'article 15, 5°, du décret du 26 avril 2024, s'il ressort du fonctionnement existant de l'association environnementale qu'elle a un fonctionnement qui satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° elle remplit les missions essentielles applicables à sa catégorie dans la zone d'action applicable à sa catégorie visées à l'article 6, alinéas 1er et 2, à l'article 7, alinéas 1er et 2, et à l'article 8, alinéa 1er, du décret précité ;
2° elle s'engage à mener toutes les activités applicables à sa catégorie visées à l'article 6, alinéa 3, à l'article 7, alinéa 3, et à l'article 8, alinéa 2, du décret précité.
Après une évaluation négative des conditions de reconnaissance par la commission d'agrément, le département transmet au ministre l'avis de la commission d'agrément de ne pas agréer l'association environnementale en question.
Afdeling 3. - De beoordeling van de kwaliteit van de werking
Section 3. - L'évaluation de la qualité du fonctionnement
Art. 61. De beoordeling door de erkenningscommissie, vermeld in artikel 54 van het decreet van 26 april 2024, is een kwalitatieve, beschrijvende beoordeling met een kwantitatieve weergave in een score op basis van het beoordelingskader, vermeld in artikel 18 van dit besluit.
De erkenningscommissie geeft een positieve beoordeling als vermeld in artikel 17, tweede lid, 1°, van het decreet van 26 april 2024, als de omgevingsvereniging, aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° ze behaalt een totale score van minimaal 50%;
2° ze behaalt een score van minimaal 50% voor elk van de criteria, vermeld in artikel 17, eerste lid, 1° en 2°, van het voormelde decreet.
De erkenningscommissie geeft een negatieve beoordeling als vermeld in artikel 17, tweede lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024, als de omgevingsvereniging aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° ze behaalt een totale score die lager is dan 50%;
2° ze behaalt een score die lager is dan 50% voor een van de criteria, vermeld in artikel 17, eerste lid 1° en 2°, van het voormelde decreet.
De erkenningscommissie geeft een positieve beoordeling als vermeld in artikel 17, tweede lid, 1°, van het decreet van 26 april 2024, als de omgevingsvereniging, aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° ze behaalt een totale score van minimaal 50%;
2° ze behaalt een score van minimaal 50% voor elk van de criteria, vermeld in artikel 17, eerste lid, 1° en 2°, van het voormelde decreet.
De erkenningscommissie geeft een negatieve beoordeling als vermeld in artikel 17, tweede lid, 2°, van het decreet van 26 april 2024, als de omgevingsvereniging aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° ze behaalt een totale score die lager is dan 50%;
2° ze behaalt een score die lager is dan 50% voor een van de criteria, vermeld in artikel 17, eerste lid 1° en 2°, van het voormelde decreet.
Art. 61. L'évaluation par la commission d'agrément visée à l'article 54 du décret du 26 avril 2024, est une évaluation qualitative et descriptive, comprenant une représentation quantitative sous la forme d'un score basé sur le cadre d'évaluation visé à l'article 18 du présent arrêté.
La commission d'agrément donne une évaluation positive telle que visée à l'article 17, alinéa 2, 1°, du décret du 26 avril 2024, si l'association environnementale satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° elle obtient un score total d'au moins 50 % ;
2° elle obtient un score d'au moins 50 % pour chacun des critères visés à l'article 17, alinéa 1er, 1° et 2°, du décret précité ;
La commission d'agrément donne une évaluation négative telle que visée à l'article 17, alinéa 2, 2°, du décret du 26 avril 2024, si l'association environnementale remplit l'une des conditions suivantes :
1° elle obtient un score total inférieur à 50 % ;
2° elle obtient un score inférieur à 50 % pour l'un des critères visés à l'article 17, alinéa 1er, 1° et 2°, du décret précité ;
La commission d'agrément donne une évaluation positive telle que visée à l'article 17, alinéa 2, 1°, du décret du 26 avril 2024, si l'association environnementale satisfait à toutes les conditions suivantes :
1° elle obtient un score total d'au moins 50 % ;
2° elle obtient un score d'au moins 50 % pour chacun des critères visés à l'article 17, alinéa 1er, 1° et 2°, du décret précité ;
La commission d'agrément donne une évaluation négative telle que visée à l'article 17, alinéa 2, 2°, du décret du 26 avril 2024, si l'association environnementale remplit l'une des conditions suivantes :
1° elle obtient un score total inférieur à 50 % ;
2° elle obtient un score inférieur à 50 % pour l'un des critères visés à l'article 17, alinéa 1er, 1° et 2°, du décret précité ;
Art. 62. De erkenningscommissie stelt een advies op dat de volgende onderdelen per categorie van omgevingsverenigingen bevat:
1° een verslag van de beoordeling van de erkenningscommissie van de erkenningsvoorwaarden als vermeld in artikel 53 van het decreet van 26 april 2024, en van de kwaliteit van de vereniging als vermeld in artikel 54 van het voormelde decreet;
2° een overzicht van de omgevingsverenigingen die niet voldoen aan de erkenningsvoorwaarden;
3° een gerangschikte lijst op basis van de totaalscore van de omgevingsverenigingen die de erkenningscommissie door een positieve beoordeling voordraagt voor een kortlopende erkenning en de onderbouwing hiervoor;
4° een gerangschikte lijst op basis van de totaalscore van omgevingsverenigingen die de erkenningscommissie door een negatieve beoordeling niet voordraagt voor een kortlopende erkenning en de onderbouwing hiervoor.
Als het beschikbare budget ontoereikend is, kan de minister beslissen om een of meer omgevingsverenigingen die conform het eerste lid, 3°, de laagst gerangschikte positief beoordeelde omgevingsverenigingen zijn, geen kortlopende erkenning toe te kennen.
De minister beslist binnen de perken van de beschikbare kredieten vóór 31 december 2024 over de toekenning van een kortlopende erkenning.
Het departement bezorgt de beslissing van de minister met een beveiligde zending aan de omgevingsvereniging.
1° een verslag van de beoordeling van de erkenningscommissie van de erkenningsvoorwaarden als vermeld in artikel 53 van het decreet van 26 april 2024, en van de kwaliteit van de vereniging als vermeld in artikel 54 van het voormelde decreet;
2° een overzicht van de omgevingsverenigingen die niet voldoen aan de erkenningsvoorwaarden;
3° een gerangschikte lijst op basis van de totaalscore van de omgevingsverenigingen die de erkenningscommissie door een positieve beoordeling voordraagt voor een kortlopende erkenning en de onderbouwing hiervoor;
4° een gerangschikte lijst op basis van de totaalscore van omgevingsverenigingen die de erkenningscommissie door een negatieve beoordeling niet voordraagt voor een kortlopende erkenning en de onderbouwing hiervoor.
Als het beschikbare budget ontoereikend is, kan de minister beslissen om een of meer omgevingsverenigingen die conform het eerste lid, 3°, de laagst gerangschikte positief beoordeelde omgevingsverenigingen zijn, geen kortlopende erkenning toe te kennen.
De minister beslist binnen de perken van de beschikbare kredieten vóór 31 december 2024 over de toekenning van een kortlopende erkenning.
Het departement bezorgt de beslissing van de minister met een beveiligde zending aan de omgevingsvereniging.
Art. 62. La commission d'agrément émet un avis qui contient les éléments suivants pour chaque catégorie d'associations environnementales :
1° un rapport de l'évaluation par la commission d'agrément des conditions de reconnaissance telles que visées à l'article 53 du décret du 26 avril 2024, et de la qualité de l'association telle que visée à l'article 54 du décret précité ;
2° un aperçu des associations environnementales qui ne satisfont pas aux conditions de reconnaissance ;
3° une liste de classement basée sur le score total des associations environnementales que la commission d'agrément, par une évaluation positive, propose pour un agrément à court terme et la justification à cet égard ;
4° une liste de classement basée sur le score total des associations environnementales que la commission d'agrément, par une évaluation négative, ne propose pas pour un agrément à court terme et la justification à cet égard ;
Si le budget disponible est insuffisant, le ministre peut décider de ne pas attribuer d'agrément à court terme à une ou plusieurs associations environnementales qui sont les moins bien classées parmi les associations environnementales ayant reçu une évaluation positive conformément à l'alinéa 1er, 3°.
Le ministre décide, dans les limites des crédits disponibles, avant le 31 décembre 2024, de l'attribution d'un agrément à court terme.
Le département communique la décision du ministre par envoi sécurisé à l'association environnementale.
1° un rapport de l'évaluation par la commission d'agrément des conditions de reconnaissance telles que visées à l'article 53 du décret du 26 avril 2024, et de la qualité de l'association telle que visée à l'article 54 du décret précité ;
2° un aperçu des associations environnementales qui ne satisfont pas aux conditions de reconnaissance ;
3° une liste de classement basée sur le score total des associations environnementales que la commission d'agrément, par une évaluation positive, propose pour un agrément à court terme et la justification à cet égard ;
4° une liste de classement basée sur le score total des associations environnementales que la commission d'agrément, par une évaluation négative, ne propose pas pour un agrément à court terme et la justification à cet égard ;
Si le budget disponible est insuffisant, le ministre peut décider de ne pas attribuer d'agrément à court terme à une ou plusieurs associations environnementales qui sont les moins bien classées parmi les associations environnementales ayant reçu une évaluation positive conformément à l'alinéa 1er, 3°.
Le ministre décide, dans les limites des crédits disponibles, avant le 31 décembre 2024, de l'attribution d'un agrément à court terme.
Le département communique la décision du ministre par envoi sécurisé à l'association environnementale.
Afdeling 4. - Subsidiëring
Section 4. - Subventionnement
Art. 63. De werkingssubsidie, vermeld in artikel 55 van het decreet van 26 april 2024, wordt jaarlijks toegekend in het eerste kwartaal en wordt op de volgende wijze in schijven uitbetaald:
1° een eerste schijf van 70% in het eerste kwartaal van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft;
2° het saldo in het derde kwartaal, binnen dertig dagen na de dag waarop het departement de financiële rapportering, vermeld in artikel 56 van het voormelde decreet, heeft ontvangen.
De minister kan het hoofd van het departement belasten met de jaarlijkse toekenning van de werkingssubsidie voor de kortlopende erkenning vermeld in het eerste lid.
1° een eerste schijf van 70% in het eerste kwartaal van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft;
2° het saldo in het derde kwartaal, binnen dertig dagen na de dag waarop het departement de financiële rapportering, vermeld in artikel 56 van het voormelde decreet, heeft ontvangen.
De minister kan het hoofd van het departement belasten met de jaarlijkse toekenning van de werkingssubsidie voor de kortlopende erkenning vermeld in het eerste lid.
Art. 63. La subvention de fonctionnement visée à l'article 55 du décret du 26 avril 2024, est attribuée annuellement au cours du premier trimestre et est payée par tranches, de la manière suivante :
1° une première tranche de 70 % au cours du premier trimestre de l'année à laquelle la subvention se rapporte ;
2° le solde du troisième trimestre, dans un délai de trente jours à compter de la réception par le département du rapport financier visé à l'article 56 du décret précité.
Le ministre peut charger le chef du département de l'attribution annuelle de la subvention de fonctionnement pour l'agrément à court terme, visée à l'alinéa 1er.
1° une première tranche de 70 % au cours du premier trimestre de l'année à laquelle la subvention se rapporte ;
2° le solde du troisième trimestre, dans un délai de trente jours à compter de la réception par le département du rapport financier visé à l'article 56 du décret précité.
Le ministre peut charger le chef du département de l'attribution annuelle de la subvention de fonctionnement pour l'agrément à court terme, visée à l'alinéa 1er.
Afdeling 5. - Rapportering en evaluatie
Section 5. - Rapport et évaluation
Art. 64. De omgevingsvereniging bezorgt de financiële rapportering, vermeld in artikel 56, eerste lid, van het decreet van 26 april 2024, uiterlijk op 1 juli aan het departement via het subsidieloket.
De financiële rapportering, vermeld in het eerste lid, bestaat uit de volgende elementen:
1° de jaarrekening en het verslag van de revisor of commissaris-revisor als dat van toepassing is, en het jaarverslag voor het voorbije jaar, of de jaarrekening, de staat van ontvangsten en de staat van het vermogen voor het voorbije jaar, naargelang de boekhouding die de omgevingsvereniging voert om te voldoen aan haar financiële verplichtingen;
2° een overzicht van de subsidies die de omgevingsvereniging in het voorbije jaar heeft ontvangen. Het voormelde overzicht wordt opgemaakt conform het sjabloon dat het departement ter beschikking stelt.
Het departement kan voor de controle van de gescheiden boekhouding, vermeld in artikel 10, vierde lid, van het decreet van 26 april 2024, bijkomende informatie opvragen.
Als de omgevingsvereniging geen financiële rapportering als vermeld in het eerste lid, indient, wordt de uitbetaling van het saldo, vermeld in artikel 63, 2°, opgeschort totdat de rapportering wordt ingediend.
Als de financiële rapportering, vermeld in het eerste lid, niet wordt ingediend binnen de termijn die het departement bepaalt, nadat het dat heeft gevraagd nadat de uiterste indieningsdatum, vermeld in het eerste lid, is verstreken, vervalt de beslissing tot toekenning van de subsidie voor het jaar waarop die beslissing betrekking heeft en wordt het subsidiebedrag teruggevorderd dat al is uitbetaald.
De financiële rapportering, vermeld in het eerste lid, bestaat uit de volgende elementen:
1° de jaarrekening en het verslag van de revisor of commissaris-revisor als dat van toepassing is, en het jaarverslag voor het voorbije jaar, of de jaarrekening, de staat van ontvangsten en de staat van het vermogen voor het voorbije jaar, naargelang de boekhouding die de omgevingsvereniging voert om te voldoen aan haar financiële verplichtingen;
2° een overzicht van de subsidies die de omgevingsvereniging in het voorbije jaar heeft ontvangen. Het voormelde overzicht wordt opgemaakt conform het sjabloon dat het departement ter beschikking stelt.
Het departement kan voor de controle van de gescheiden boekhouding, vermeld in artikel 10, vierde lid, van het decreet van 26 april 2024, bijkomende informatie opvragen.
Als de omgevingsvereniging geen financiële rapportering als vermeld in het eerste lid, indient, wordt de uitbetaling van het saldo, vermeld in artikel 63, 2°, opgeschort totdat de rapportering wordt ingediend.
Als de financiële rapportering, vermeld in het eerste lid, niet wordt ingediend binnen de termijn die het departement bepaalt, nadat het dat heeft gevraagd nadat de uiterste indieningsdatum, vermeld in het eerste lid, is verstreken, vervalt de beslissing tot toekenning van de subsidie voor het jaar waarop die beslissing betrekking heeft en wordt het subsidiebedrag teruggevorderd dat al is uitbetaald.
Art. 64. L'association environnementale transmet au département, par l'intermédiaire du guichet de subvention, au plus tard le 1er juillet, le rapport financier visé à l'article 56, alinéa 1er, du décret du 26 avril 2024.
Le rapport financier visé à l'alinéa 1er, comprend les éléments suivants :
1° les comptes annuels et le rapport du commissaire des comptes ou du commissaire-réviseur, le cas échéant, et le rapport annuel pour l'année écoulée, ou les comptes annuels, l'état des recettes et l'état du patrimoine pour l'année écoulée, selon la comptabilité tenue par l'association environnementale pour satisfaire à ses obligations financières ;
2° un aperçu des subventions reçues par l'association environnementale au cours de l'année écoulée. L'aperçu susmentionné est établi conformément au modèle mis à disposition par le département.
Le département peut demander des informations supplémentaires en vue de contrôler la comptabilité séparée, visée à l'article 10, alinéa 4, du décret du 26 avril 2024.
Si l'association environnementale n'introduit pas de rapport financier tel que visé à l'alinéa 1er, le paiement du solde visé à l'article 63, 2°, est suspendu jusqu'à ce que le rapport soit introduit.
Si le rapport financier visé à l'alinéa 1er, n'est pas introduit dans le délai fixé par le département, qui l'a demandé après l'expiration de la date limite d'introduction, visée à l'alinéa 1er, la décision d'attribution de la subvention pour l'année à laquelle cette décision se rapporte échoit et le montant de la subvention déjà payé est récupéré.
Le rapport financier visé à l'alinéa 1er, comprend les éléments suivants :
1° les comptes annuels et le rapport du commissaire des comptes ou du commissaire-réviseur, le cas échéant, et le rapport annuel pour l'année écoulée, ou les comptes annuels, l'état des recettes et l'état du patrimoine pour l'année écoulée, selon la comptabilité tenue par l'association environnementale pour satisfaire à ses obligations financières ;
2° un aperçu des subventions reçues par l'association environnementale au cours de l'année écoulée. L'aperçu susmentionné est établi conformément au modèle mis à disposition par le département.
Le département peut demander des informations supplémentaires en vue de contrôler la comptabilité séparée, visée à l'article 10, alinéa 4, du décret du 26 avril 2024.
Si l'association environnementale n'introduit pas de rapport financier tel que visé à l'alinéa 1er, le paiement du solde visé à l'article 63, 2°, est suspendu jusqu'à ce que le rapport soit introduit.
Si le rapport financier visé à l'alinéa 1er, n'est pas introduit dans le délai fixé par le département, qui l'a demandé après l'expiration de la date limite d'introduction, visée à l'alinéa 1er, la décision d'attribution de la subvention pour l'année à laquelle cette décision se rapporte échoit et le montant de la subvention déjà payé est récupéré.
Art. 65. De erkende omgevingsverenigingen bezorgen binnen zes maanden nadat de kortlopende erkenning is afgelopen, een eindverslag als vermeld in artikel 56, tweede lid, van het decreet van 26 april 2024, aan het departement via het subsidieloket.
Het eindverslag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
1° een overzicht van de behaalde resultaten ten opzichte van de gestelde doelstellingen en de onderbouwing daarvoor;
2° de verantwoording van de aanwending van de subsidie.
Als het eindverslag, vermeld in het eerste lid, niet wordt ingediend binnen de termijn die het departement bepaalt, nadat het dat heeft gevraagd nadat de uiterste indieningsdatum, vermeld in het eerste lid, is verstreken, vervalt de beslissing tot toekenning van de subsidie en wordt het subsidiebedrag dat al is uitbetaald, teruggevorderd.
Het eindverslag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
1° een overzicht van de behaalde resultaten ten opzichte van de gestelde doelstellingen en de onderbouwing daarvoor;
2° de verantwoording van de aanwending van de subsidie.
Als het eindverslag, vermeld in het eerste lid, niet wordt ingediend binnen de termijn die het departement bepaalt, nadat het dat heeft gevraagd nadat de uiterste indieningsdatum, vermeld in het eerste lid, is verstreken, vervalt de beslissing tot toekenning van de subsidie en wordt het subsidiebedrag dat al is uitbetaald, teruggevorderd.
Art. 65. Les associations environnementales agréées transmettent au département, par l'intermédiaire du guichet de subvention, un rapport final tel que visé à l'article 56, alinéa 2, du décret du 26 avril 2024, dans un délai de six mois à compter de la fin de l'agrément à court terme.
Le rapport final visé à l'alinéa 1er, comprend tous les éléments suivants :
1° une vue d'ensemble des résultats obtenus par rapport aux objectifs fixés et la justification à cet égard ;
2° la justification de l'emploi de la subvention.
Si le rapport final visé à l'alinéa 1er, n'est pas introduit dans le délai fixé par le département, qui l'a demandé après l'expiration de la date limite d'introduction visée à l'alinéa 1er, la décision d'attribution de la subvention échoit et le montant de la subvention déjà payé est récupéré.
Le rapport final visé à l'alinéa 1er, comprend tous les éléments suivants :
1° une vue d'ensemble des résultats obtenus par rapport aux objectifs fixés et la justification à cet égard ;
2° la justification de l'emploi de la subvention.
Si le rapport final visé à l'alinéa 1er, n'est pas introduit dans le délai fixé par le département, qui l'a demandé après l'expiration de la date limite d'introduction visée à l'alinéa 1er, la décision d'attribution de la subvention échoit et le montant de la subvention déjà payé est récupéré.
Art. 66. § 1. Het departement evalueert de erkende omgevingsvereniging voor de voorbije erkenningsperiode op basis van het eindverslag, vermeld in artikel 65, en stelt een eindevaluatie op. In de voormelde eindevaluatie gaat het departement al de volgende elementen na:
1° de mate waarin de vooropgestelde doelstellingen en resultaten zijn behaald;
2° de mate waarin inspanningen zijn geleverd voor niet-behaalde doelstellingen en resultaten;
3° de mate waarin de subsidie is aangewend voor de doelen waarvoor ze is bestemd.
Het departement bezorgt de eindevaluatie, vermeld in het eerste lid, schriftelijk aan de omgevingsvereniging voor 1 november.
§ 2. Omgevingsverenigingen met een negatieve eindevaluatie als vermeld in paragraaf 1, kunnen vragen om gehoord te worden. Ze richten hun vraag daartoe aan het departement binnen vijftien dagen nadat ze de eindevaluatie, vermeld in paragraaf 1, hebben ontvangen.
De hoorzitting vindt plaats binnen dertig dagen nadat het departement de vraag, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen.
Het departement bezorgt binnen dertig dagen na de hoorzitting haar eindevaluatie met een beveiligde zending aan de omgevingsvereniging.
§ 3. Het departement vordert het deel van de subsidie terug, in verhouding tot het ontbreken van de verantwoording in de eindrapportering voor doelstellingen die in de meerjarennota zijn opgenomen, maar die niet zijn gerealiseerd.
Het departement vordert subsidies terug die niet werden aangewend voor de doelen waarvoor ze bestemd waren.
1° de mate waarin de vooropgestelde doelstellingen en resultaten zijn behaald;
2° de mate waarin inspanningen zijn geleverd voor niet-behaalde doelstellingen en resultaten;
3° de mate waarin de subsidie is aangewend voor de doelen waarvoor ze is bestemd.
Het departement bezorgt de eindevaluatie, vermeld in het eerste lid, schriftelijk aan de omgevingsvereniging voor 1 november.
§ 2. Omgevingsverenigingen met een negatieve eindevaluatie als vermeld in paragraaf 1, kunnen vragen om gehoord te worden. Ze richten hun vraag daartoe aan het departement binnen vijftien dagen nadat ze de eindevaluatie, vermeld in paragraaf 1, hebben ontvangen.
De hoorzitting vindt plaats binnen dertig dagen nadat het departement de vraag, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen.
Het departement bezorgt binnen dertig dagen na de hoorzitting haar eindevaluatie met een beveiligde zending aan de omgevingsvereniging.
§ 3. Het departement vordert het deel van de subsidie terug, in verhouding tot het ontbreken van de verantwoording in de eindrapportering voor doelstellingen die in de meerjarennota zijn opgenomen, maar die niet zijn gerealiseerd.
Het departement vordert subsidies terug die niet werden aangewend voor de doelen waarvoor ze bestemd waren.
Art. 66. § 1er. Le département évalue l'association environnementale agréée pour la période d'agrément écoulée, sur la base du rapport final visé à l'article 65, et établit une évaluation finale. Dans l'évaluation finale susmentionnée, le département vérifie tous les éléments suivants :
1° la mesure dans laquelle les objectifs et les résultats fixés ont été atteints ;
2° la mesure dans laquelle des efforts ont été déployés pour les objectifs et les résultats non atteints ;
3° la mesure dans laquelle la subvention a été utilisée aux fins auxquelles elle était destinée.
Le département transmet par écrit l'évaluation finale visée à l'alinéa 1er, à l'association environnementale au plus tard le 1er novembre.
§ 2. Les associations environnementales ayant reçu une évaluation finale négative telle que visée au paragraphe 1er, peuvent demander à être entendues. Elles adressent leur demande à cet effet au département dans les quinze jours suivant la réception du rapport d'évaluation visé au paragraphe 1er.
L'audience a lieu dans les trente jours suivant la réception par le département de la demande visée à l'alinéa 1er.
Dans les trente jours suivant l'audience, le département transmet, par envoi sécurisé, l'évaluation finale à l'association environnementale.
§ 3. Le département récupère la partie de la subvention, proportionnellement à l'absence de justification dans le rapport final pour les objectifs repris dans la note pluriannuelle, mais qui n'ont pas été atteints.
Le département récupère les subventions qui n'ont pas été utilisées aux fins auxquelles elles étaient destinées.
1° la mesure dans laquelle les objectifs et les résultats fixés ont été atteints ;
2° la mesure dans laquelle des efforts ont été déployés pour les objectifs et les résultats non atteints ;
3° la mesure dans laquelle la subvention a été utilisée aux fins auxquelles elle était destinée.
Le département transmet par écrit l'évaluation finale visée à l'alinéa 1er, à l'association environnementale au plus tard le 1er novembre.
§ 2. Les associations environnementales ayant reçu une évaluation finale négative telle que visée au paragraphe 1er, peuvent demander à être entendues. Elles adressent leur demande à cet effet au département dans les quinze jours suivant la réception du rapport d'évaluation visé au paragraphe 1er.
L'audience a lieu dans les trente jours suivant la réception par le département de la demande visée à l'alinéa 1er.
Dans les trente jours suivant l'audience, le département transmet, par envoi sécurisé, l'évaluation finale à l'association environnementale.
§ 3. Le département récupère la partie de la subvention, proportionnellement à l'absence de justification dans le rapport final pour les objectifs repris dans la note pluriannuelle, mais qui n'ont pas été atteints.
Le département récupère les subventions qui n'ont pas été utilisées aux fins auxquelles elles étaient destinées.
HOOFDSTUK 10. - Slotbepalingen
CHAPITRE 10. - Dispositions finales
Art. 67. Het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2015 houdende de erkenning en subsidiëring van milieu- en natuurverenigingen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017 en 17 mei 2019, wordt opgeheven.
Art. 67. L'arrêté du Gouvernement flamand du 18 décembre 2015 relatif à l'agrément et au subventionnement d'associations de défense de la nature et de l'environnement, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 24 février 2017 et 17 mai 2019, est abrogé.
Art. 68. Artikel 26, 27, 28, 29, § 1, § 2 en § 3, artikel 36, 37, 38, 39, § 1, § 2 en § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2015 houdende de erkenning en subsidiëring van milieu- en natuurverenigingen, zoals van kracht op 30 juni 2024 blijven tot en met 30 juni 2027 van toepassing voor de opvolging en evaluatie van de erkende milieu- en natuurverenigingen op basis van het decreet van 29 april 1991 tot vaststelling van de algemene regelen inzake de erkenning en subsidiëring van de milieu- en natuurverenigingen.
Art. 68. Les articles 26, 27, 28, 29, § 1er, § 2 et § 3, les articles 36, 37, 38, 39, § 1er, § 2 et § 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 décembre 2015 relatif à l'agrément et au subventionnement d'associations de défense de la nature et de l'environnement, tels qu'en vigueur le 30 juin 2024, restent applicables jusqu'au 30 juin 2027 pour le suivi et l'évaluation des associations agréées de défense de la nature et de l'environnement, conformément au décret du 29 avril 1991 fixant les règles générales relatives à l'agrément et au subventionnement des associations écologiques.
Art. 69. Het decreet van 26 april 2024 treedt in werking op 1 juli 2024.
Art. 69. Le décret du 26 avril 2024 entre en vigueur le 1er juillet 2024.
Art. 70. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2024.
Art. 70. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er juillet 2024.
Art. 71. De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 71. La ministre flamande qui a l'environnement et la nature dans ses attributions est chargée de l'exécution du présent arrêté.