Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
17 MEI 2024. - Decreet tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en diverse andere decreten, wat betreft de milieueffectrapportage(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 06-08-2024 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Titre
17 MAI 2024. - Décret modifiant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement et divers autres décrets, pour ce qui est des rapports d'incidence sur l'environnement(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 06-08-2024 et mise à jour au 28-11-2025)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het decreet van ...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het decreet van ...
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het Bodemdecreet...
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex...
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het decreet van ...
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van het decreet van ...
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
Afdeling 1. - Overgangsbepalingen
Afdeling 2. - Evaluatie en inwerkingtreding
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
CHAPITRE 2. - Modifications du décret du 5 avri...
CHAPITRE 3. - Modifications du décret du 21 oct...
CHAPITRE 4. - Modifications du Décret relatif a...
CHAPITRE 5. - Modifications du Code flamand de ...
CHAPITRE 6. - Modifications du décret du 25 avr...
CHAPITRE 7. - Modifications du décret du 25 avr...
CHAPITRE 8. - Dispositions finales
Section 1re. - Dispositions transitoires
Section 2. - Evaluation et entrée en vigueur
Tekst (151)
Texte (151)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière régionale.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
CHAPITRE 2. - Modifications du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art. 2. In het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt titel IV, die bestaat uit artikel 4.1.1 tot en met 4.7.2, opgeheven.
Art. 2. Dans le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, le titre IV, qui se compose des articles 4.1.1 à 4.7.2, est abrogé.
Art. 3. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij decreet van 26 januari 2024, wordt een titel IV ingevoegd, die luidt als volgt:
"Titel IV. Milieueffectrapportage".
"Titel IV. Milieueffectrapportage".
Art. 3. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré un titre IV, rédigé comme suit :
" Titre IV. Rapports d'incidence sur l'environnement ".
" Titre IV. Rapports d'incidence sur l'environnement ".
Art. 4. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in titel IV, ingevoegd bij artikel 3, een hoofdstuk 1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 1. Definities, algemene bepalingen en bepalingen over de milieueffecten van acties van andere landen of gewesten".
"Hoofdstuk 1. Definities, algemene bepalingen en bepalingen over de milieueffecten van acties van andere landen of gewesten".
Art. 4. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le titre IV, inséré par l'article 3, un chapitre 1er, rédigé comme suit :
" Chapitre 1er. Définitions, dispositions générales et dispositions relatives aux incidences environnementales des actions d'autres pays ou régions ".
" Chapitre 1er. Définitions, dispositions générales et dispositions relatives aux incidences environnementales des actions d'autres pays ou régions ".
Art. 5. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 4, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 1. Definities".
"Afdeling 1. Definities".
Art. 5. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 1er, inséré par l'article 4, une section 1re, rédigée comme suit :
" Section 1re. Définitions ".
" Section 1re. Définitions ".
Art. 6. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 1, ingevoegd bij artikel 5, een artikel 4.1.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.1.1. In deze titel wordt verstaan onder:
1° actie: een plan, een programma of een project;
2° betrokken publiek: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon en ook elke vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of mogelijk ondervindt van of belanghebbende is bij de besluitvorming over de voorgenomen actie, waarbij niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten, geacht worden belanghebbende te zijn;
3° bevoegde overheid: de overheid die bevoegd is om een plan of programma vast te stellen of om over de vergunningsaanvraag van een project te beslissen;
4° grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten: de milieueffecten van een voorgenomen actie die zich volledig of gedeeltelijk situeert op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, die worden teweeggebracht in een andere verdragspartij bij het verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend te Espoo op 25 februari 1991, in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een ander gewest;
5° initiatiefnemer:
a) voor de verplichtingen voor de ruimtelijke uitvoeringsplannen waarbij het ruimtelijk uitvoeringsplan het kader vormt voor een of meer projecten van een of meer privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen: de overheid die het initiatief neemt om een ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken conform artikel 2.2.7, 2.2.12 en 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, tenzij die privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen een schriftelijk verzoek tot overname van die verplichtingen indienen bij de overheid die het initiatief neemt om een ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken conform artikel 2.2.7, 2.2.12 en 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en die overheid het verzoek inwilligt;
b) voor de verplichtingen voor andere ruimtelijke uitvoeringsplannen dan de ruimtelijke uitvoeringsplannen, vermeld in punt a): de overheid die het initiatief neemt om een ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken conform artikel 2.2.7, 2.2.12 en 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
c) voor de verplichtingen voor andere plannen en programma's dan de plannen en programma's, vermeld in punt a) en b): de instantie die het initiatief neemt om een plan of programma op te stellen of te wijzigen;
d) voor de verplichtingen voor projecten: de aanvrager van een vergunning voor een project;
6° milieubeoordeling: het proces dat bestaat uit de volgende stappen:
a) een milieueffectrapport voorbereiden en opstellen;
b) raadplegingen van adviesinstanties en het betrokken publiek uitvoeren;
c) het onderzoek door de bevoegde overheid van de informatie die in het milieueffectrapport is gepresenteerd, en, in voorkomend geval, van alle aanvullende informatie die de initiatiefnemer verstrekt, en van alle relevante informatie die via de raadplegingen, vermeld in punt b), is ontvangen;
d) voor projecten: de gemotiveerde conclusie van de bevoegde overheid over de aanzienlijke effecten van de actie op het milieu. In die conclusie wordt rekening gehouden met de resultaten van het onderzoek, vermeld in punt c), de beslissing over de goedkeuring of afkeuring van het project-MER en, in voorkomend geval, haar eigen aanvullende onderzoek;
e) voor plannen en programma's: de verklaring die samenvat op welke wijze milieuoverwegingen in het plan of programma zijn geïntegreerd en op welke wijze in de besluitvorming met het opgestelde milieueffectrapport en de resultaten van de raadplegingen, vermeld in punt b), rekening is gehouden, en die de redenen samenvat waarom is gekozen voor het plan of programma zoals het is aangenomen, in het licht van andere redelijke alternatieven die zijn behandeld;
f) de integratie van de gemotiveerde conclusie van de bevoegde overheid in de beslissing over de vergunningsaanvraag voor het project;
g) de informatieverstrekking over de beslissing over de actie;
7° milieueffectrapport, afgekort MER: een geheel van milieu-informatie, ongeacht de drager, waarin van een voorgenomen actie en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, de te verwachten aanzienlijke gevolgen voor mens en milieu in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geanalyseerd en geëvalueerd. In het milieueffectrapport wordt aangegeven op welke wijze de aanzienlijke milieueffecten vermeden, beperkt, verholpen of gecompenseerd kunnen worden;
8° plan-MER: een milieueffectrapport over een plan of programma;
9° project-MER: een milieueffectrapport over een project;
10° milieueffectrapportage, afgekort m.e.r.: het uitvoeren van een milieubeoordeling of het nagaan aan de hand van een screening of een milieubeoordeling vereist is;
11° niet-technische samenvatting: een samenvatting van het milieueffectrapport die voldoende begrijpelijk is en het publiek en de instantie die bij de besluitvorming zijn betrokken, voldoende inzichten verschaft om zich een oordeel te kunnen vormen over de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van een voorgenomen actie;
12° plan of programma: een plan of een programma, met inbegrip van een plan of een programma dat de Europese Unie meefinanciert, en de wijzigingen ervan, dat voldoet aan al de volgende voorwaarden:
a) het is door een instantie op regionaal, provinciaal of gemeentelijk niveau opgesteld en/of vastgesteld of het is door een instantie opgesteld om door een wetgevingsprocedure door het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering te worden vastgesteld;
b) het is op grond van wettelijke of van bestuursrechtelijke bepalingen voorgeschreven;
13° project:
a) de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken;
b) andere ingrepen in natuurlijk milieu of landschap, inclusief de ingrepen voor de ontginning van bodemschatten;
14° publiek: een of meer natuurlijke of rechtspersonen en hun verenigingen, organisaties of groepen;
15° scoping: een geheel van milieu-informatie, ongeacht de drager, waarin de reikwijdte, het detailleringsniveau en de inhoudelijke aanpak van het milieueffectrapport worden vastgesteld;
16° scopingadvies: een advies over de reikwijdte, het detailleringsniveau en de inhoudelijke aanpak van de informatie die de initiatiefnemer in het milieueffectrapport moet opnemen;
17° screening: een geheel van milieu-informatie, ongeacht de drager, waarin van een voorgenomen actie wordt aangegeven of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn;
18° vergunning: de beslissing van de bevoegde overheid waardoor de initiatiefnemer het recht verkrijgt om het project uit te voeren;
19° Vlaams expertisecentrum milieueffectrapportage, afgekort Vlaams expertisecentrum m.e.r: de instantie binnen het Departement Omgeving die belast is met taken van milieueffectrapportage.".
"Art. 4.1.1. In deze titel wordt verstaan onder:
1° actie: een plan, een programma of een project;
2° betrokken publiek: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon en ook elke vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of mogelijk ondervindt van of belanghebbende is bij de besluitvorming over de voorgenomen actie, waarbij niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten, geacht worden belanghebbende te zijn;
3° bevoegde overheid: de overheid die bevoegd is om een plan of programma vast te stellen of om over de vergunningsaanvraag van een project te beslissen;
4° grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten: de milieueffecten van een voorgenomen actie die zich volledig of gedeeltelijk situeert op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, die worden teweeggebracht in een andere verdragspartij bij het verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend te Espoo op 25 februari 1991, in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een ander gewest;
5° initiatiefnemer:
a) voor de verplichtingen voor de ruimtelijke uitvoeringsplannen waarbij het ruimtelijk uitvoeringsplan het kader vormt voor een of meer projecten van een of meer privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen: de overheid die het initiatief neemt om een ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken conform artikel 2.2.7, 2.2.12 en 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, tenzij die privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen een schriftelijk verzoek tot overname van die verplichtingen indienen bij de overheid die het initiatief neemt om een ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken conform artikel 2.2.7, 2.2.12 en 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en die overheid het verzoek inwilligt;
b) voor de verplichtingen voor andere ruimtelijke uitvoeringsplannen dan de ruimtelijke uitvoeringsplannen, vermeld in punt a): de overheid die het initiatief neemt om een ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken conform artikel 2.2.7, 2.2.12 en 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
c) voor de verplichtingen voor andere plannen en programma's dan de plannen en programma's, vermeld in punt a) en b): de instantie die het initiatief neemt om een plan of programma op te stellen of te wijzigen;
d) voor de verplichtingen voor projecten: de aanvrager van een vergunning voor een project;
6° milieubeoordeling: het proces dat bestaat uit de volgende stappen:
a) een milieueffectrapport voorbereiden en opstellen;
b) raadplegingen van adviesinstanties en het betrokken publiek uitvoeren;
c) het onderzoek door de bevoegde overheid van de informatie die in het milieueffectrapport is gepresenteerd, en, in voorkomend geval, van alle aanvullende informatie die de initiatiefnemer verstrekt, en van alle relevante informatie die via de raadplegingen, vermeld in punt b), is ontvangen;
d) voor projecten: de gemotiveerde conclusie van de bevoegde overheid over de aanzienlijke effecten van de actie op het milieu. In die conclusie wordt rekening gehouden met de resultaten van het onderzoek, vermeld in punt c), de beslissing over de goedkeuring of afkeuring van het project-MER en, in voorkomend geval, haar eigen aanvullende onderzoek;
e) voor plannen en programma's: de verklaring die samenvat op welke wijze milieuoverwegingen in het plan of programma zijn geïntegreerd en op welke wijze in de besluitvorming met het opgestelde milieueffectrapport en de resultaten van de raadplegingen, vermeld in punt b), rekening is gehouden, en die de redenen samenvat waarom is gekozen voor het plan of programma zoals het is aangenomen, in het licht van andere redelijke alternatieven die zijn behandeld;
f) de integratie van de gemotiveerde conclusie van de bevoegde overheid in de beslissing over de vergunningsaanvraag voor het project;
g) de informatieverstrekking over de beslissing over de actie;
7° milieueffectrapport, afgekort MER: een geheel van milieu-informatie, ongeacht de drager, waarin van een voorgenomen actie en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, de te verwachten aanzienlijke gevolgen voor mens en milieu in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geanalyseerd en geëvalueerd. In het milieueffectrapport wordt aangegeven op welke wijze de aanzienlijke milieueffecten vermeden, beperkt, verholpen of gecompenseerd kunnen worden;
8° plan-MER: een milieueffectrapport over een plan of programma;
9° project-MER: een milieueffectrapport over een project;
10° milieueffectrapportage, afgekort m.e.r.: het uitvoeren van een milieubeoordeling of het nagaan aan de hand van een screening of een milieubeoordeling vereist is;
11° niet-technische samenvatting: een samenvatting van het milieueffectrapport die voldoende begrijpelijk is en het publiek en de instantie die bij de besluitvorming zijn betrokken, voldoende inzichten verschaft om zich een oordeel te kunnen vormen over de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van een voorgenomen actie;
12° plan of programma: een plan of een programma, met inbegrip van een plan of een programma dat de Europese Unie meefinanciert, en de wijzigingen ervan, dat voldoet aan al de volgende voorwaarden:
a) het is door een instantie op regionaal, provinciaal of gemeentelijk niveau opgesteld en/of vastgesteld of het is door een instantie opgesteld om door een wetgevingsprocedure door het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering te worden vastgesteld;
b) het is op grond van wettelijke of van bestuursrechtelijke bepalingen voorgeschreven;
13° project:
a) de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken;
b) andere ingrepen in natuurlijk milieu of landschap, inclusief de ingrepen voor de ontginning van bodemschatten;
14° publiek: een of meer natuurlijke of rechtspersonen en hun verenigingen, organisaties of groepen;
15° scoping: een geheel van milieu-informatie, ongeacht de drager, waarin de reikwijdte, het detailleringsniveau en de inhoudelijke aanpak van het milieueffectrapport worden vastgesteld;
16° scopingadvies: een advies over de reikwijdte, het detailleringsniveau en de inhoudelijke aanpak van de informatie die de initiatiefnemer in het milieueffectrapport moet opnemen;
17° screening: een geheel van milieu-informatie, ongeacht de drager, waarin van een voorgenomen actie wordt aangegeven of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn;
18° vergunning: de beslissing van de bevoegde overheid waardoor de initiatiefnemer het recht verkrijgt om het project uit te voeren;
19° Vlaams expertisecentrum milieueffectrapportage, afgekort Vlaams expertisecentrum m.e.r: de instantie binnen het Departement Omgeving die belast is met taken van milieueffectrapportage.".
Art. 6. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 1re, insérée par l'article 5, un article 4.1.1, rédigé comme suit :
" Art. 4.1.1. Dans le présent titre, on entend par :
1° action : un plan, un programme ou un projet ;
2° public concerné : toute personne physique ou morale, ainsi que toute association, toute organisation ou tout groupe doté de la personnalité morale qui est affecté ou qui risque d'être affecté par le processus décisionnel concernant l'action envisagée ou qui a un intérêt à faire valoir à cet égard, les organisations non gouvernementales qui oeuvrent en faveur de la protection de l'environnement étant réputées avoir un intérêt ;
3° autorité compétente : l'autorité qui est compétente pour adopter un plan ou un programme ou pour statuer sur la demande d'autorisation d'un projet ;
4° incidences environnementales transfrontalières ou transrégionales : les incidences environnementales d'une action envisagée se situant entièrement ou partiellement sur le territoire de la Région flamande, qui sont déclenchées sur le territoire d'une autre partie à la Convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signée à Espoo le 25 février 1991, d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou d'une autre région ;
5° initiateur :
a) pour ce qui concerne les obligations relatives aux plans d'exécution spatiale lorsque le plan d'exécution spatiale constitue le cadre pour un ou plusieurs projets d'une ou plusieurs personnes physiques ou morales de droit privé ou public : l'autorité qui prend l'initiative d'établir un plan d'exécution spatiale conformément aux articles 2.2.7, 2.2.12 et 2.2.18 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, sauf si ces personnes physiques ou morales de droit privé ou public introduisent une demande écrite de reprise de ces obligations auprès de l'autorité qui prend l'initiative d'élaborer un plan d'exécution spatiale conformément aux articles 2.2.7, 2.2.12 et 2.2.18 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 et que cette autorité accède à cette demande ;
b) pour ce qui concerne les obligations relatives aux plans d'exécution spatiale autres que les plans d'exécution spatiale visés au point a) : l'autorité qui prend l'initiative d'établir un plan d'exécution spatiale conformément aux articles 2.2.7, 2.2.12 et 2.2.18 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ;
c) pour ce qui concerne les obligations relatives aux plans et programmes autres que les plans et programmes visés aux points a) et b) : l'autorité qui prend l'initiative d'établir ou de modifier un plan ou programme ;
d) pour ce qui concerne les obligations liées aux projets : le demandeur d'une autorisation pour un projet ;
6° évaluation environnementale : le processus qui est constitué des étapes suivantes :
a) l'élaboration et la rédaction d'un rapport sur les incidences environnementales ;
b) la réalisation de consultations avec les organes consultatifs et le public concerné ;
c) l'examen par l'autorité compétente des informations présentées dans le rapport sur les incidences environnementales et, le cas échéant, de toute information complémentaire fournie par l'initiateur, ainsi que de toute information pertinente reçue dans le cadre des consultations visées au point b) ;
d) pour les projets : la conclusion motivée de l'autorité compétente sur les incidences notables de l'action sur l'environnement. Cette conclusion tient compte des résultats de l'examen visé au point c), de la décision relative à l'approbation ou au rejet du RIE du projet et, le cas échéant, de son propre examen complémentaire ;
e) pour les plans et programmes : la déclaration résumant la manière dont les considérations environnementales ont été intégrées dans le plan ou programme et la manière dont le processus décisionnel tient compte du rapport sur les incidences environnementales rédigé et des résultats des consultations, visées au point b), ainsi que les raisons du choix du plan ou programme tel qu'adopté, compte tenu des autres alternatives raisonnables abordées ;
f) l'intégration de la conclusion motivée de l'autorité compétente dans la décision relative à la demande d'autorisation pour le projet ;
g) la fourniture d'informations sur la décision relative à l'action ;
7° rapport sur les incidences environnementales, en abrégé RIE : un ensemble d'informations environnementales, quel que soit le support, dans lequel sont analysées et évaluées dans leur cohérence interne de manière systématique et scientifiquement étayée les conséquences notables prévisibles pour l'homme et l'environnement d'une action envisagée et des alternatives à prendre raisonnablement en compte . Le rapport sur les incidences environnementales indique de quelle façon les incidences environnementales notables peuvent être évitées, limitées, remédiées ou compensées ;
8° RIE de plan : un rapport sur les incidences environnementales relatif à un plan ou programme ;
9° RIE du projet : un rapport sur les incidences environnementales relatif à un projet ;
10° rapport d'incidence sur l'environnement, en abrégé R.I.E. : la réalisation d'une évaluation environnementale ou la vérification, par le biais d'un screening, de la nécessité d'une évaluation environnementale ;
11° résumé non technique : un résumé du rapport sur les incidences environnementales qui est suffisamment compréhensible et qui fournit au public et à l'autorité, impliqués dans le processus décisionnel, des informations suffisantes pour leur permettre de se forger une opinion sur les incidences environnementales notables probables d'une action envisagée ;
12° plan ou programme : un plan ou programme, en ce compris un plan ou programme cofinancé par l'Union européenne, et ses modifications, qui remplit toutes les conditions suivantes :
a) il a été élaboré et/ou adopté par une autorité au niveau régional, provincial ou communal ou il a été élaboré par une autorité en vue d'être adopté par le biais d'une procédure législative par le Parlement flamand ou le Gouvernement flamand ;
b) il est prescrit en vertu de dispositions législatives, réglementaires ou administratives ;
13° projet :
a) la réalisation de travaux de construction ou d'autres installations ou ouvrages ;
b) d'autres interventions dans le milieu naturel ou le paysage, en ce compris celles destinées à l'exploitation des ressources du sol ;
14° public : une ou plusieurs personnes physiques ou morales et leurs associations, organisations ou groupes ;
15° scoping : un ensemble d'informations environnementales, quel que soit le support, qui définit le champ d'application, le niveau de détail et l'approche de fond du rapport sur les incidences environnementales ;
16° avis de cadrage : un avis sur le champ d'application, le niveau de détail et l'approche de fond des informations qui doivent être présentées par l'initiateur dans le rapport sur les incidences environnementales ;
17° screening : un ensemble d'informations environnementales, quel que soit le support, qui indique si une action envisagée est susceptible d'avoir des incidences environnementales notables ;
18° autorisation : la décision de l'autorité compétente accordant à l'initiateur le droit de réaliser le projet ;
19° Centre d'Expertise flamand pour les rapports d'incidence sur l'environnement, en abrégé Centre d'Expertise flamand R.I.E. : l'autorité au sein du Département Environnement en charge des tâches relatives aux rapports des incidences sur l'environnement. ".
" Art. 4.1.1. Dans le présent titre, on entend par :
1° action : un plan, un programme ou un projet ;
2° public concerné : toute personne physique ou morale, ainsi que toute association, toute organisation ou tout groupe doté de la personnalité morale qui est affecté ou qui risque d'être affecté par le processus décisionnel concernant l'action envisagée ou qui a un intérêt à faire valoir à cet égard, les organisations non gouvernementales qui oeuvrent en faveur de la protection de l'environnement étant réputées avoir un intérêt ;
3° autorité compétente : l'autorité qui est compétente pour adopter un plan ou un programme ou pour statuer sur la demande d'autorisation d'un projet ;
4° incidences environnementales transfrontalières ou transrégionales : les incidences environnementales d'une action envisagée se situant entièrement ou partiellement sur le territoire de la Région flamande, qui sont déclenchées sur le territoire d'une autre partie à la Convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signée à Espoo le 25 février 1991, d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou d'une autre région ;
5° initiateur :
a) pour ce qui concerne les obligations relatives aux plans d'exécution spatiale lorsque le plan d'exécution spatiale constitue le cadre pour un ou plusieurs projets d'une ou plusieurs personnes physiques ou morales de droit privé ou public : l'autorité qui prend l'initiative d'établir un plan d'exécution spatiale conformément aux articles 2.2.7, 2.2.12 et 2.2.18 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, sauf si ces personnes physiques ou morales de droit privé ou public introduisent une demande écrite de reprise de ces obligations auprès de l'autorité qui prend l'initiative d'élaborer un plan d'exécution spatiale conformément aux articles 2.2.7, 2.2.12 et 2.2.18 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 et que cette autorité accède à cette demande ;
b) pour ce qui concerne les obligations relatives aux plans d'exécution spatiale autres que les plans d'exécution spatiale visés au point a) : l'autorité qui prend l'initiative d'établir un plan d'exécution spatiale conformément aux articles 2.2.7, 2.2.12 et 2.2.18 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ;
c) pour ce qui concerne les obligations relatives aux plans et programmes autres que les plans et programmes visés aux points a) et b) : l'autorité qui prend l'initiative d'établir ou de modifier un plan ou programme ;
d) pour ce qui concerne les obligations liées aux projets : le demandeur d'une autorisation pour un projet ;
6° évaluation environnementale : le processus qui est constitué des étapes suivantes :
a) l'élaboration et la rédaction d'un rapport sur les incidences environnementales ;
b) la réalisation de consultations avec les organes consultatifs et le public concerné ;
c) l'examen par l'autorité compétente des informations présentées dans le rapport sur les incidences environnementales et, le cas échéant, de toute information complémentaire fournie par l'initiateur, ainsi que de toute information pertinente reçue dans le cadre des consultations visées au point b) ;
d) pour les projets : la conclusion motivée de l'autorité compétente sur les incidences notables de l'action sur l'environnement. Cette conclusion tient compte des résultats de l'examen visé au point c), de la décision relative à l'approbation ou au rejet du RIE du projet et, le cas échéant, de son propre examen complémentaire ;
e) pour les plans et programmes : la déclaration résumant la manière dont les considérations environnementales ont été intégrées dans le plan ou programme et la manière dont le processus décisionnel tient compte du rapport sur les incidences environnementales rédigé et des résultats des consultations, visées au point b), ainsi que les raisons du choix du plan ou programme tel qu'adopté, compte tenu des autres alternatives raisonnables abordées ;
f) l'intégration de la conclusion motivée de l'autorité compétente dans la décision relative à la demande d'autorisation pour le projet ;
g) la fourniture d'informations sur la décision relative à l'action ;
7° rapport sur les incidences environnementales, en abrégé RIE : un ensemble d'informations environnementales, quel que soit le support, dans lequel sont analysées et évaluées dans leur cohérence interne de manière systématique et scientifiquement étayée les conséquences notables prévisibles pour l'homme et l'environnement d'une action envisagée et des alternatives à prendre raisonnablement en compte . Le rapport sur les incidences environnementales indique de quelle façon les incidences environnementales notables peuvent être évitées, limitées, remédiées ou compensées ;
8° RIE de plan : un rapport sur les incidences environnementales relatif à un plan ou programme ;
9° RIE du projet : un rapport sur les incidences environnementales relatif à un projet ;
10° rapport d'incidence sur l'environnement, en abrégé R.I.E. : la réalisation d'une évaluation environnementale ou la vérification, par le biais d'un screening, de la nécessité d'une évaluation environnementale ;
11° résumé non technique : un résumé du rapport sur les incidences environnementales qui est suffisamment compréhensible et qui fournit au public et à l'autorité, impliqués dans le processus décisionnel, des informations suffisantes pour leur permettre de se forger une opinion sur les incidences environnementales notables probables d'une action envisagée ;
12° plan ou programme : un plan ou programme, en ce compris un plan ou programme cofinancé par l'Union européenne, et ses modifications, qui remplit toutes les conditions suivantes :
a) il a été élaboré et/ou adopté par une autorité au niveau régional, provincial ou communal ou il a été élaboré par une autorité en vue d'être adopté par le biais d'une procédure législative par le Parlement flamand ou le Gouvernement flamand ;
b) il est prescrit en vertu de dispositions législatives, réglementaires ou administratives ;
13° projet :
a) la réalisation de travaux de construction ou d'autres installations ou ouvrages ;
b) d'autres interventions dans le milieu naturel ou le paysage, en ce compris celles destinées à l'exploitation des ressources du sol ;
14° public : une ou plusieurs personnes physiques ou morales et leurs associations, organisations ou groupes ;
15° scoping : un ensemble d'informations environnementales, quel que soit le support, qui définit le champ d'application, le niveau de détail et l'approche de fond du rapport sur les incidences environnementales ;
16° avis de cadrage : un avis sur le champ d'application, le niveau de détail et l'approche de fond des informations qui doivent être présentées par l'initiateur dans le rapport sur les incidences environnementales ;
17° screening : un ensemble d'informations environnementales, quel que soit le support, qui indique si une action envisagée est susceptible d'avoir des incidences environnementales notables ;
18° autorisation : la décision de l'autorité compétente accordant à l'initiateur le droit de réaliser le projet ;
19° Centre d'Expertise flamand pour les rapports d'incidence sur l'environnement, en abrégé Centre d'Expertise flamand R.I.E. : l'autorité au sein du Département Environnement en charge des tâches relatives aux rapports des incidences sur l'environnement. ".
Art. 7. In artikel 4.1.1, 6°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij artikel 6 van dit decreet, worden de woorden ", de beslissing over de goedkeuring of afkeuring van het project-MER" opgeheven.
Art. 7. Dans l'article 4.1.1, 6°, du même décret, inséré par l'article 6 du présent décret, les mots " , la décision relative à l'approbation ou au rejet du RIE du projet " sont abrogés.
Art. 8. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 4, een afdeling 2 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 2. Algemene bepalingen".
"Afdeling 2. Algemene bepalingen".
Art. 8. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 1er, inséré par l'article 4, une section 2, rédigée comme suit :
" Section 2. Dispositions générales ".
" Section 2. Dispositions générales ".
Art. 9. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 2, ingevoegd bij artikel 8, een artikel 4.1.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.1.2. Behoudens andersluidende bepalingen in de sectorale regelgeving voor plannen, programma's en projecten, mag voor de adviesaanvragen, vermeld in deze titel, aan de vereiste van een advies worden voorbijgegaan als er geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn die de Vlaamse Regering bepaalt.".
"Art. 4.1.2. Behoudens andersluidende bepalingen in de sectorale regelgeving voor plannen, programma's en projecten, mag voor de adviesaanvragen, vermeld in deze titel, aan de vereiste van een advies worden voorbijgegaan als er geen advies wordt uitgebracht binnen de termijn die de Vlaamse Regering bepaalt.".
Art. 9. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 2, insérée par l'article 8, un article 4.1.2, rédigé comme suit :
" Art. 4.1.2. Sauf dispositions contraires dans la réglementation sectorielle pour les plans, les programmes et les projets, il peut être passé outre l'exigence d'un avis pour les demandes d'avis, visées dans le présent titre, si aucun avis n'est émis dans le délai fixé par le Gouvernement flamand. ".
" Art. 4.1.2. Sauf dispositions contraires dans la réglementation sectorielle pour les plans, les programmes et les projets, il peut être passé outre l'exigence d'un avis pour les demandes d'avis, visées dans le présent titre, si aucun avis n'est émis dans le délai fixé par le Gouvernement flamand. ".
Art. 10. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 2 een artikel 4.1.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.1.3. De procedures, vermeld in deze titel, en ook de milieubeoordeling en de terbeschikkingstelling van de relevante milieu-informatie kunnen volledig of gedeeltelijk digitaal verlopen conform de regels die de Vlaamse Regering bepaalt.".
"Art. 4.1.3. De procedures, vermeld in deze titel, en ook de milieubeoordeling en de terbeschikkingstelling van de relevante milieu-informatie kunnen volledig of gedeeltelijk digitaal verlopen conform de regels die de Vlaamse Regering bepaalt.".
Art. 10. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 2, un article 4.1.3, rédigé comme suit :
" Art. 4.1.3. Les procédures, visées dans le présent titre, ainsi que l'évaluation environnementale et la mise à disposition des informations environnementales pertinentes peuvent se dérouler entièrement ou partiellement par voie numérique conformément aux règles fixées par le Gouvernement flamand. ".
" Art. 4.1.3. Les procédures, visées dans le présent titre, ainsi que l'évaluation environnementale et la mise à disposition des informations environnementales pertinentes peuvent se dérouler entièrement ou partiellement par voie numérique conformément aux règles fixées par le Gouvernement flamand. ".
Art. 11. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 2 een artikel 4.1.4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.1.4. Voor een plan of een programma dat conform artikel 4.3.2 onder de werkingssfeer van deze titel valt, kan de Vlaamse Regering bepalen op welke wijze de bepalingen over de screening of de milieubeoordeling in de besluitvorming over het plan of programma geïntegreerd worden.
Als bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering geen wijze van integratie is bepaald, dan gelden voor een plan of programma dat overeenkomstig artikel 4.3.2 onder de werkingssfeer van deze titel valt, de bepalingen zoals voorzien in deze titel.".
"Art. 4.1.4. Voor een plan of een programma dat conform artikel 4.3.2 onder de werkingssfeer van deze titel valt, kan de Vlaamse Regering bepalen op welke wijze de bepalingen over de screening of de milieubeoordeling in de besluitvorming over het plan of programma geïntegreerd worden.
Als bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering geen wijze van integratie is bepaald, dan gelden voor een plan of programma dat overeenkomstig artikel 4.3.2 onder de werkingssfeer van deze titel valt, de bepalingen zoals voorzien in deze titel.".
Art. 11. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 2, un article 4.1.4, rédigé comme suit :
" Art. 4.1.4. Pour un plan ou programme qui, conformément à l'article 4.3.2, relève du champ d'application du présent titre, le Gouvernement flamand peut déterminer la manière dont les dispositions relatives au screening ou à l'évaluation environnementale sont intégrées dans le processus décisionnel relatif au plan ou programme.
Si un décret ou une décision du Gouvernement flamand ne spécifie pas de mode d'intégration, un plan ou programme relevant du champ d'application du présent titre, conformément à l'article 4.3.2, est soumis aux dispositions prévues par le présent titre. ".
" Art. 4.1.4. Pour un plan ou programme qui, conformément à l'article 4.3.2, relève du champ d'application du présent titre, le Gouvernement flamand peut déterminer la manière dont les dispositions relatives au screening ou à l'évaluation environnementale sont intégrées dans le processus décisionnel relatif au plan ou programme.
Si un décret ou une décision du Gouvernement flamand ne spécifie pas de mode d'intégration, un plan ou programme relevant du champ d'application du présent titre, conformément à l'article 4.3.2, est soumis aux dispositions prévues par le présent titre. ".
Art. 12. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 2 een artikel 4.1.5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.1.5. Voor een project dat conform artikel 4.3.3 onder de werkingssfeer van deze titel valt, kan de Vlaamse Regering bepalen op welke wijze de bepalingen over de screening of de milieubeoordeling in de besluitvorming over dit project geïntegreerd worden.
Als bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering geen wijze van integratie is bepaald, dan gelden voor een project dat overeenkomstig artikel 4.3.3 onder de werkingssfeer van deze titel valt, de bepalingen zoals voorzien in deze titel.".
"Art. 4.1.5. Voor een project dat conform artikel 4.3.3 onder de werkingssfeer van deze titel valt, kan de Vlaamse Regering bepalen op welke wijze de bepalingen over de screening of de milieubeoordeling in de besluitvorming over dit project geïntegreerd worden.
Als bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering geen wijze van integratie is bepaald, dan gelden voor een project dat overeenkomstig artikel 4.3.3 onder de werkingssfeer van deze titel valt, de bepalingen zoals voorzien in deze titel.".
Art. 12. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 2, un article 4.1.5, rédigé comme suit :
" Art. 4.1.5. Pour un projet qui, conformément à l'article 4.3.3, relève du champ d'application du présent titre, le Gouvernement flamand peut déterminer la manière dont les dispositions relatives au screening ou à l'évaluation environnementale sont intégrées dans le processus décisionnel relatif au projet.
Si un décret ou une décision du Gouvernement flamand ne spécifie pas de mode d'intégration, un projet relevant du champ d'application du présent titre, conformément à l'article 4.3.3, est soumis aux dispositions prévues par le présent titre. ".
" Art. 4.1.5. Pour un projet qui, conformément à l'article 4.3.3, relève du champ d'application du présent titre, le Gouvernement flamand peut déterminer la manière dont les dispositions relatives au screening ou à l'évaluation environnementale sont intégrées dans le processus décisionnel relatif au projet.
Si un décret ou une décision du Gouvernement flamand ne spécifie pas de mode d'intégration, un projet relevant du champ d'application du présent titre, conformément à l'article 4.3.3, est soumis aux dispositions prévues par le présent titre. ".
Art. 13. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 4, een afdeling 3 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 3. Milieueffecten van acties van andere landen of gewesten".
"Afdeling 3. Milieueffecten van acties van andere landen of gewesten".
Art. 13. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 1er, inséré par l'article 4, une section 3, rédigée comme suit :
" Section 3. Incidences environnementales des actions d'autres pays ou régions ".
" Section 3. Incidences environnementales des actions d'autres pays ou régions ".
Art. 14. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 3, ingevoegd bij artikel 13, een artikel 4.1.6 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.1.6. Als een overheid met bevoegdheid in het Vlaamse Gewest vaststelt dat een voorgenomen actie in een andere verdragspartij bij het verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend te Espoo op 25 februari 1991, een andere lidstaat van de Europese Unie of een ander gewest of de federale overheid mogelijk aanzienlijke milieueffecten kan hebben op haar grondgebied of als het Vlaamse Gewest daarvan door de bevoegde autoriteiten van een andere verdragspartij bij het voormelde verdrag, een andere lidstaat van de Europese Unie of een ander gewest of de federale overheid op de hoogte wordt gebracht, neemt die overheid contact op met de bevoegde autoriteiten van de betrokken staat of het betrokken gewest of de federale overheid om mee te delen of ze wil deelnemen aan de milieubeoordeling van de voorgenomen actie in de betrokken staat of het betrokken gewest of de federale overheid.
De Vlaamse Regering stelt de wijze vast waarop de adviesinstanties, die de Vlaamse Regering aanwijst, en het betrokken publiek in het Vlaamse Gewest binnen een redelijke termijn worden geïnformeerd over de voorgenomen actie, de gelegenheid krijgen om zich over de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van de voorgenomen actie uit te spreken en op de hoogte worden gebracht van de informatie over de beslissing over de voorgenomen actie die de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of betrokken gewesten of de federale overheid bezorgen.".
"Art. 4.1.6. Als een overheid met bevoegdheid in het Vlaamse Gewest vaststelt dat een voorgenomen actie in een andere verdragspartij bij het verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend te Espoo op 25 februari 1991, een andere lidstaat van de Europese Unie of een ander gewest of de federale overheid mogelijk aanzienlijke milieueffecten kan hebben op haar grondgebied of als het Vlaamse Gewest daarvan door de bevoegde autoriteiten van een andere verdragspartij bij het voormelde verdrag, een andere lidstaat van de Europese Unie of een ander gewest of de federale overheid op de hoogte wordt gebracht, neemt die overheid contact op met de bevoegde autoriteiten van de betrokken staat of het betrokken gewest of de federale overheid om mee te delen of ze wil deelnemen aan de milieubeoordeling van de voorgenomen actie in de betrokken staat of het betrokken gewest of de federale overheid.
De Vlaamse Regering stelt de wijze vast waarop de adviesinstanties, die de Vlaamse Regering aanwijst, en het betrokken publiek in het Vlaamse Gewest binnen een redelijke termijn worden geïnformeerd over de voorgenomen actie, de gelegenheid krijgen om zich over de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van de voorgenomen actie uit te spreken en op de hoogte worden gebracht van de informatie over de beslissing over de voorgenomen actie die de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of betrokken gewesten of de federale overheid bezorgen.".
Art. 14. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 3, insérée par l'article 13, un article 4.1.6, rédigé comme suit :
" Art. 4.1.6. Si une autorité compétente en Région flamande détermine qu'une action envisagée dans une autre partie à la Convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signée à Espoo le 25 février 1991, un autre Etat membre de l'Union européenne ou une autre région ou l'autorité fédérale est susceptible d'avoir des incidences environnementales notables probables sur son territoire, ou si la Région flamande en est informée par les autorités compétentes d'une autre partie à la Convention susmentionnée, d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou d'une autre région ou de l'autorité fédérale, cette autorité prend contact avec les autorités compétentes de l'Etat ou de la région concerné(e) ou de l'autorité fédérale pour faire savoir si elle souhaite participer à l'évaluation environnementale de l'action envisagée dans l'Etat ou la région concerné(e) ou l'autorité fédérale.
Le Gouvernement flamand fixe la manière dont les organes consultatifs, qu'il désigne, et le public concerné en Région flamande sont informés de l'action envisagée dans un délai raisonnable, ont l'opportunité de se prononcer sur les incidences environnementales notables probables de l'action envisagée et sont tenus au courant des informations relatives à la décision sur l'action envisagée fournies par les autorités compétentes des Etats ou régions concernés ou de l'autorité fédérale. ".
" Art. 4.1.6. Si une autorité compétente en Région flamande détermine qu'une action envisagée dans une autre partie à la Convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signée à Espoo le 25 février 1991, un autre Etat membre de l'Union européenne ou une autre région ou l'autorité fédérale est susceptible d'avoir des incidences environnementales notables probables sur son territoire, ou si la Région flamande en est informée par les autorités compétentes d'une autre partie à la Convention susmentionnée, d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou d'une autre région ou de l'autorité fédérale, cette autorité prend contact avec les autorités compétentes de l'Etat ou de la région concerné(e) ou de l'autorité fédérale pour faire savoir si elle souhaite participer à l'évaluation environnementale de l'action envisagée dans l'Etat ou la région concerné(e) ou l'autorité fédérale.
Le Gouvernement flamand fixe la manière dont les organes consultatifs, qu'il désigne, et le public concerné en Région flamande sont informés de l'action envisagée dans un délai raisonnable, ont l'opportunité de se prononcer sur les incidences environnementales notables probables de l'action envisagée et sont tenus au courant des informations relatives à la décision sur l'action envisagée fournies par les autorités compétentes des Etats ou régions concernés ou de l'autorité fédérale. ".
Art. 15. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in titel IV, ingevoegd bij artikel 3, een hoofdstuk 2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 2. Doelstelling en kenmerken van de milieubeoordeling en relaties tussen effectbeoordelingen".
"Hoofdstuk 2. Doelstelling en kenmerken van de milieubeoordeling en relaties tussen effectbeoordelingen".
Art. 15. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le titre IV, inséré par l'article 3, un chapitre 2, rédigé comme suit :
" Chapitre 2. Objectif et caractéristiques de l'évaluation environnementale et relations entre les évaluations des incidences ".
" Chapitre 2. Objectif et caractéristiques de l'évaluation environnementale et relations entre les évaluations des incidences ".
Art. 16. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 15, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 1. Doelstelling en kenmerken van de milieubeoordeling".
"Afdeling 1. Doelstelling en kenmerken van de milieubeoordeling".
Art. 16. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 2, inséré par l'article 15, une section 1re, rédigée comme suit :
" Section 1re. Objectif et caractéristiques de l'évaluation environnementale ".
" Section 1re. Objectif et caractéristiques de l'évaluation environnementale ".
Art. 17. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 1, ingevoegd bij artikel 16, een artikel 4.2.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.2.1. Om in een hoog niveau van milieubescherming te voorzien, beoogt de milieubeoordeling, in de besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken, aan het milieubelang en de gezondheid van de mens een plaats toe te kennen die evenwaardig is aan de sociale, economische en andere maatschappelijke belangen.
Om de doelstelling, vermeld in het eerste lid, te realiseren, heeft de milieubeoordeling de volgende essentiële kenmerken:
1° de systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de mogelijke aanzienlijke gevolgen voor mens en milieu, van een voorgenomen actie en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor de actie of onderdelen ervan, en de beschrijving en evaluatie van de mogelijke maatregelen om de gevolgen van de voorgenomen actie op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen of, als dat mogelijk is, te compenseren;
2° de kwaliteitsbeoordeling van de verzamelde informatie;
3° de raadpleging van het betrokken publiek en de informatieverstrekking over de doorwerking van de milieubeoordeling in de besluitvorming over de voorgenomen actie.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de bevoegde overheid beschikken over of hebben toegang tot voldoende expertise om het milieueffectrapport te onderzoeken en de kwaliteit ervan te beoordelen.".
"Art. 4.2.1. Om in een hoog niveau van milieubescherming te voorzien, beoogt de milieubeoordeling, in de besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken, aan het milieubelang en de gezondheid van de mens een plaats toe te kennen die evenwaardig is aan de sociale, economische en andere maatschappelijke belangen.
Om de doelstelling, vermeld in het eerste lid, te realiseren, heeft de milieubeoordeling de volgende essentiële kenmerken:
1° de systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de mogelijke aanzienlijke gevolgen voor mens en milieu, van een voorgenomen actie en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor de actie of onderdelen ervan, en de beschrijving en evaluatie van de mogelijke maatregelen om de gevolgen van de voorgenomen actie op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen of, als dat mogelijk is, te compenseren;
2° de kwaliteitsbeoordeling van de verzamelde informatie;
3° de raadpleging van het betrokken publiek en de informatieverstrekking over de doorwerking van de milieubeoordeling in de besluitvorming over de voorgenomen actie.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de bevoegde overheid beschikken over of hebben toegang tot voldoende expertise om het milieueffectrapport te onderzoeken en de kwaliteit ervan te beoordelen.".
Art. 17. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 1re, insérée par l'article 16, un article 4.2.1, rédigé comme suit :
" Art. 4.2.1. Afin d'assurer un niveau élevé de protection de l'environnement, l'évaluation environnementale vise, dans le cadre du processus décisionnel relatif à des actions susceptibles d'avoir des incidences environnementales notables, à réserver à l'intérêt environnemental et à la santé humaine une place équivalente aux intérêts sociaux, économiques et sociétaux autres.
Afin de réaliser l'objectif visé à l'alinéa 1er, l'évaluation environnementale présente les caractéristiques essentielles suivantes :
1° l'analyse et l'évaluation systématiques et scientifiquement étayées des conséquences notables probables pour l'homme et l'environnement d'une action envisagée et des alternatives à prendre raisonnablement en compte pour l'action en question ou des parties de celle-ci, ainsi que la description et l'évaluation des mesures possibles pour éviter, limiter, remédier ou, dans la mesure du possible, compenser de manière cohérente les conséquences de l'action envisagée ;
2° l'évaluation de la qualité des informations rassemblées ;
3° la consultation du public concerné et la fourniture d'informations sur les répercussions de l'évaluation environnementale sur le processus décisionnel relatif à l'action envisagée.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et l'autorité compétente disposent ou ont accès à une expertise suffisante pour examiner le rapport sur les incidences environnementales et en évaluer la qualité. ".
" Art. 4.2.1. Afin d'assurer un niveau élevé de protection de l'environnement, l'évaluation environnementale vise, dans le cadre du processus décisionnel relatif à des actions susceptibles d'avoir des incidences environnementales notables, à réserver à l'intérêt environnemental et à la santé humaine une place équivalente aux intérêts sociaux, économiques et sociétaux autres.
Afin de réaliser l'objectif visé à l'alinéa 1er, l'évaluation environnementale présente les caractéristiques essentielles suivantes :
1° l'analyse et l'évaluation systématiques et scientifiquement étayées des conséquences notables probables pour l'homme et l'environnement d'une action envisagée et des alternatives à prendre raisonnablement en compte pour l'action en question ou des parties de celle-ci, ainsi que la description et l'évaluation des mesures possibles pour éviter, limiter, remédier ou, dans la mesure du possible, compenser de manière cohérente les conséquences de l'action envisagée ;
2° l'évaluation de la qualité des informations rassemblées ;
3° la consultation du public concerné et la fourniture d'informations sur les répercussions de l'évaluation environnementale sur le processus décisionnel relatif à l'action envisagée.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et l'autorité compétente disposent ou ont accès à une expertise suffisante pour examiner le rapport sur les incidences environnementales et en évaluer la qualité. ".
Art. 18. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 15, een afdeling 2 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 2. Relaties tussen effectbeoordelingen".
"Afdeling 2. Relaties tussen effectbeoordelingen".
Art. 18. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 2, inséré par l'article 15, une section 2, rédigée comme suit :
" Section 2. Relations entre les évaluations des incidences ".
" Section 2. Relations entre les évaluations des incidences ".
Art. 19. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 2, ingevoegd bij artikel 18, een artikel 4.2.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.2.2. Voor plannen en programma's die deel uitmaken van een hiërarchie van plannen en programma's, wordt, om overlapping van milieubeoordelingen te voorkomen, rekening gehouden met de uitvoering van de milieubeoordeling op verschillende niveaus van de hiërarchie.".
"Art. 4.2.2. Voor plannen en programma's die deel uitmaken van een hiërarchie van plannen en programma's, wordt, om overlapping van milieubeoordelingen te voorkomen, rekening gehouden met de uitvoering van de milieubeoordeling op verschillende niveaus van de hiërarchie.".
Art. 19. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 2, insérée par l'article 18, un article 4.2.2, rédigé comme suit :
" Art. 4.2.2. Pour les plans et programmes faisant partie d'une hiérarchie de plans et programmes, il sera tenu compte de l'évaluation environnementale réalisée à différents niveaux de la hiérarchie afin d'éviter le chevauchement des évaluations environnementales. ".
" Art. 4.2.2. Pour les plans et programmes faisant partie d'une hiérarchie de plans et programmes, il sera tenu compte de l'évaluation environnementale réalisée à différents niveaux de la hiérarchie afin d'éviter le chevauchement des évaluations environnementales. ".
Art. 20. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 2 een artikel 4.2.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.2.3. Bij de milieubeoordeling wordt, om overlapping van milieubeoordelingen te voorkomen, rekening gehouden met het stadium van het ruimere besluitvormingsproces waarin de voorgenomen actie zich voordoet en met de mate waarin bepaalde aspecten beter op andere niveaus van het besluitvormingsproces kunnen worden beoordeeld.".
"Art. 4.2.3. Bij de milieubeoordeling wordt, om overlapping van milieubeoordelingen te voorkomen, rekening gehouden met het stadium van het ruimere besluitvormingsproces waarin de voorgenomen actie zich voordoet en met de mate waarin bepaalde aspecten beter op andere niveaus van het besluitvormingsproces kunnen worden beoordeeld.".
Art. 20. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 2, un article 4.2.3, rédigé comme suit :
" Art. 4.2.3. Afin d'éviter le chevauchement des évaluations environnementales, l'évaluation environnementale tiendra compte du stade du processus décisionnel plus vaste auquel l'action envisagée intervient et de la mesure dans laquelle certains aspects peuvent être mieux évalués à d'autres niveaux du processus décisionnel. ".
" Art. 4.2.3. Afin d'éviter le chevauchement des évaluations environnementales, l'évaluation environnementale tiendra compte du stade du processus décisionnel plus vaste auquel l'action envisagée intervient et de la mesure dans laquelle certains aspects peuvent être mieux évalués à d'autres niveaux du processus décisionnel. ".
Art. 21. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 2 een artikel 4.2.4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.2.4. In voorkomend geval wordt in milieubeoordelingen rekening gehouden met de volgende elementen:
1° relevante informatie over de milieueffecten uit milieueffectrapporten die het resultaat zijn van milieubeoordelingen die krachtens deze titel zijn uitgevoerd in eerdere stadia van het ruimere besluitvormingsproces;
2° de beschikbare resultaten en relevante informatie over de milieueffecten die zijn verkregen door andere relevante beoordelingen die uitgevoerd zijn op grond van wetgeving, als en in de mate waarin die informatie de bevoegde overheid in staat stelt om zich op geïnformeerde wijze over de aanzienlijke milieueffecten van de voorgenomen actie uit te spreken.".
"Art. 4.2.4. In voorkomend geval wordt in milieubeoordelingen rekening gehouden met de volgende elementen:
1° relevante informatie over de milieueffecten uit milieueffectrapporten die het resultaat zijn van milieubeoordelingen die krachtens deze titel zijn uitgevoerd in eerdere stadia van het ruimere besluitvormingsproces;
2° de beschikbare resultaten en relevante informatie over de milieueffecten die zijn verkregen door andere relevante beoordelingen die uitgevoerd zijn op grond van wetgeving, als en in de mate waarin die informatie de bevoegde overheid in staat stelt om zich op geïnformeerde wijze over de aanzienlijke milieueffecten van de voorgenomen actie uit te spreken.".
Art. 21. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 2, un article 4.2.4, rédigé comme suit :
" Art. 4.2.4. Le cas échéant, les évaluations environnementales tiendront compte des éléments suivants :
1° les informations pertinentes sur les incidences environnementales issues des rapports sur les incidences environnementales résultant des évaluations environnementales réalisées, en vertu du présent titre, à des stades antérieurs du processus décisionnel plus vaste ;
2° les résultats et informations pertinentes disponibles sur les incidences environnementales obtenus à partir d'autres évaluations pertinentes réalisées en vertu de la législation, si et dans la mesure où ces informations permettent à l'autorité compétente de se prononcer en connaissance de cause sur les incidences environnementales notables de l'action envisagée. ".
" Art. 4.2.4. Le cas échéant, les évaluations environnementales tiendront compte des éléments suivants :
1° les informations pertinentes sur les incidences environnementales issues des rapports sur les incidences environnementales résultant des évaluations environnementales réalisées, en vertu du présent titre, à des stades antérieurs du processus décisionnel plus vaste ;
2° les résultats et informations pertinentes disponibles sur les incidences environnementales obtenus à partir d'autres évaluations pertinentes réalisées en vertu de la législation, si et dans la mesure où ces informations permettent à l'autorité compétente de se prononcer en connaissance de cause sur les incidences environnementales notables de l'action envisagée. ".
Art. 22. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 2 een artikel 4.2.5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.2.5. Hoofdstuk 4, afdeling 2, worden niet verplicht toegepast als de te verwachten aanzienlijke milieueffecten van een voorgenomen actie al zijn onderzocht in een milieueffectrapport dat voldoet aan de bepalingen van hoofdstuk 4, afdeling 2, en de bevoegde overheid in staat is om zich op geïnformeerde wijze over de aanzienlijke milieueffecten van de voorgenomen actie uit te spreken.".
"Art. 4.2.5. Hoofdstuk 4, afdeling 2, worden niet verplicht toegepast als de te verwachten aanzienlijke milieueffecten van een voorgenomen actie al zijn onderzocht in een milieueffectrapport dat voldoet aan de bepalingen van hoofdstuk 4, afdeling 2, en de bevoegde overheid in staat is om zich op geïnformeerde wijze over de aanzienlijke milieueffecten van de voorgenomen actie uit te spreken.".
Art. 22. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 2, un article 4.2.5, rédigé comme suit :
" Art. 4.2.5. Le chapitre 4, section 2, n'est pas obligatoirement appliqué si les incidences environnementales notables prévisibles d'une action envisagée ont déjà été examinées dans un rapport sur les incidences environnementales conforme aux dispositions du chapitre 4, section 2, et si l'autorité compétente est en mesure de se prononcer en connaissance de cause sur les incidences environnementales notables de l'action envisagée. ".
" Art. 4.2.5. Le chapitre 4, section 2, n'est pas obligatoirement appliqué si les incidences environnementales notables prévisibles d'une action envisagée ont déjà été examinées dans un rapport sur les incidences environnementales conforme aux dispositions du chapitre 4, section 2, et si l'autorité compétente est en mesure de se prononcer en connaissance de cause sur les incidences environnementales notables de l'action envisagée. ".
Art. 23. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 2 een artikel 4.2.6 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.2.6. Als verschillende beoordelingen van de milieueffecten worden uitgevoerd, krachtens deze titel of andere gewestelijke of federale regelgeving, adviseert het Vlaams expertisecentrum m.e.r. op eigen initiatief of op verzoek van de initiatiefnemer(s) over de mogelijkheid tot afstemming of integratie van de verschillende rapporten en, als dat mogelijk is, van de verschillende beoordelingen. Er wordt naar gestreefd dat de verschillende beoordelingen zo veel mogelijk gelijktijdig worden uitgevoerd.
De Vlaamse Regering stelt de modaliteiten vast van de afstemming en integratie van de beoordelingen en rapporten in de gevallen, vermeld in dit artikel.".
"Art. 4.2.6. Als verschillende beoordelingen van de milieueffecten worden uitgevoerd, krachtens deze titel of andere gewestelijke of federale regelgeving, adviseert het Vlaams expertisecentrum m.e.r. op eigen initiatief of op verzoek van de initiatiefnemer(s) over de mogelijkheid tot afstemming of integratie van de verschillende rapporten en, als dat mogelijk is, van de verschillende beoordelingen. Er wordt naar gestreefd dat de verschillende beoordelingen zo veel mogelijk gelijktijdig worden uitgevoerd.
De Vlaamse Regering stelt de modaliteiten vast van de afstemming en integratie van de beoordelingen en rapporten in de gevallen, vermeld in dit artikel.".
Art. 23. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 2, un article 4.2.6, rédigé comme suit :
" Art. 4.2.6. Lorsque différentes évaluations des incidences environnementales sont réalisées, en vertu du présent titre ou d'une autre réglementation régionale ou fédérale, le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émettra, d'initiative ou à la demande de l'initiateur ou des initiateurs, un avis sur la possibilité d'adéquation ou d'intégration des différents rapports et, dans la mesure du possible, des différentes évaluations. L'objectif est d'assurer, dans la mesure du possible, l'exécution simultanée des différentes évaluations.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités concernant l'adéquation et l'intégration des évaluations et des rapports dans les cas visés au présent article. ".
" Art. 4.2.6. Lorsque différentes évaluations des incidences environnementales sont réalisées, en vertu du présent titre ou d'une autre réglementation régionale ou fédérale, le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émettra, d'initiative ou à la demande de l'initiateur ou des initiateurs, un avis sur la possibilité d'adéquation ou d'intégration des différents rapports et, dans la mesure du possible, des différentes évaluations. L'objectif est d'assurer, dans la mesure du possible, l'exécution simultanée des différentes évaluations.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités concernant l'adéquation et l'intégration des évaluations et des rapports dans les cas visés au présent article. ".
Art. 24. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in titel IV, ingevoegd bij artikel 3, een hoofdstuk 3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 3. Werkingssfeer en screening".
"Hoofdstuk 3. Werkingssfeer en screening".
Art. 24. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le titre IV, inséré par l'article 3, un chapitre 3, rédigé comme suit :
" Chapitre 3. Champ d'application et screening ".
" Chapitre 3. Champ d'application et screening ".
Art. 25. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 3, ingevoegd bij artikel 24, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 1. Werkingssfeer".
"Afdeling 1. Werkingssfeer".
Art. 25. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 3, inséré par l'article 24, une section 1re, rédigée comme suit :
" Section 1re. Champ d'application ".
" Section 1re. Champ d'application ".
Art. 26. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 1, ingevoegd bij artikel 25, een artikel 4.3.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.3.1. Voor de volgende plannen en programma's is geen milieueffectrapportage vereist:
1° plannen of programma's die uitsluitend bestemd zijn voor nationale defensie of noodsituaties;
2° financiële of begrotingsplannen en -programma's.
Voor projecten of projectonderdelen die uitsluitend bestemd zijn voor defensie, of voor projecten die uitsluitend de respons op civiele noodsituaties tot doel hebben, is er geen milieueffectrapportage vereist als de Vlaamse Regering beslist per geval dat de toepassing van een milieueffectrapportage nadelige gevolgen heeft voor die doeleinden.".
"Art. 4.3.1. Voor de volgende plannen en programma's is geen milieueffectrapportage vereist:
1° plannen of programma's die uitsluitend bestemd zijn voor nationale defensie of noodsituaties;
2° financiële of begrotingsplannen en -programma's.
Voor projecten of projectonderdelen die uitsluitend bestemd zijn voor defensie, of voor projecten die uitsluitend de respons op civiele noodsituaties tot doel hebben, is er geen milieueffectrapportage vereist als de Vlaamse Regering beslist per geval dat de toepassing van een milieueffectrapportage nadelige gevolgen heeft voor die doeleinden.".
Art. 26. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 1re, insérée par l'article 25, un article 4.3.1, rédigé comme suit :
" Art. 4.3.1. Les plans et programmes suivants ne nécessitent pas de rapport d'incidence sur l'environnement :
1° les plans ou programmes destinés exclusivement à la défense nationale ou aux situations d'urgence ;
2° les plans et programmes financiers ou budgétaires.
Pour les projets ou les parties de projets ayant pour seul objet la défense, ou pour les projets ayant pour seul objet la réponse à des situations d'urgence à caractère civil, un rapport d'incidence sur l'environnement n'est pas requis si le Gouvernement flamand décide au cas par cas que l'application d'un rapport d'incidence sur l'environnement va à l'encontre de ces besoins. ".
" Art. 4.3.1. Les plans et programmes suivants ne nécessitent pas de rapport d'incidence sur l'environnement :
1° les plans ou programmes destinés exclusivement à la défense nationale ou aux situations d'urgence ;
2° les plans et programmes financiers ou budgétaires.
Pour les projets ou les parties de projets ayant pour seul objet la défense, ou pour les projets ayant pour seul objet la réponse à des situations d'urgence à caractère civil, un rapport d'incidence sur l'environnement n'est pas requis si le Gouvernement flamand décide au cas par cas que l'application d'un rapport d'incidence sur l'environnement va à l'encontre de ces besoins. ".
Art. 27. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 1 een artikel 4.3.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.3.2. § 1. Een milieubeoordeling wordt uitgevoerd voor de volgende plannen en programma's:
1° de plannen of programma's die voorbereid worden voor landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, regionale ontwikkeling, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor een project als vermeld in bijlage I en II van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage;
2° de plannen of programma's waarvoor, gelet op het mogelijke effect op gebieden, een passende beoordeling vereist is conform artikel 36ter, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
§ 2. Voor de plannen of programma's, vermeld in paragraaf 1, die het gebruik bepalen van kleine gebieden op provinciaal of gemeentelijk niveau, of voor kleine wijzigingen aan die plannen of programma's, is een milieubeoordeling alleen vereist als op basis van de screening blijkt dat het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
Voor andere plannen of programma's dan de plannen of programma's, vermeld in paragraaf 1, die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten, is een milieubeoordeling vereist als op basis van de screening blijkt dat het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
§ 3. Als er geen milieubeoordeling vereist is conform paragraaf 1 of 2, kan een overheid vrijwillig een milieubeoordeling uitvoeren waarbij de bepalingen van hoofdstuk 4 van overeenkomstige toepassing zijn.
Als bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering een wijze van integratie is bepaald, wordt de milieubeoordeling, vermeld in het eerste lid, conform die bepalingen uitgevoerd.".
"Art. 4.3.2. § 1. Een milieubeoordeling wordt uitgevoerd voor de volgende plannen en programma's:
1° de plannen of programma's die voorbereid worden voor landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, regionale ontwikkeling, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor een project als vermeld in bijlage I en II van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage;
2° de plannen of programma's waarvoor, gelet op het mogelijke effect op gebieden, een passende beoordeling vereist is conform artikel 36ter, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
§ 2. Voor de plannen of programma's, vermeld in paragraaf 1, die het gebruik bepalen van kleine gebieden op provinciaal of gemeentelijk niveau, of voor kleine wijzigingen aan die plannen of programma's, is een milieubeoordeling alleen vereist als op basis van de screening blijkt dat het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
Voor andere plannen of programma's dan de plannen of programma's, vermeld in paragraaf 1, die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten, is een milieubeoordeling vereist als op basis van de screening blijkt dat het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
§ 3. Als er geen milieubeoordeling vereist is conform paragraaf 1 of 2, kan een overheid vrijwillig een milieubeoordeling uitvoeren waarbij de bepalingen van hoofdstuk 4 van overeenkomstige toepassing zijn.
Als bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering een wijze van integratie is bepaald, wordt de milieubeoordeling, vermeld in het eerste lid, conform die bepalingen uitgevoerd.".
Art. 27. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 1re, un article 4.3.2, rédigé comme suit :
" Art. 4.3.2. § 1er. Une évaluation environnementale sera réalisée pour les plans et programmes suivants :
1° les plans ou programmes en cours de préparation pour l'agriculture, la sylviculture, la pêche, l'énergie, l'industrie, le transport, le développement régional, la gestion des déchets, la gestion de l'eau, les télécommunications, le tourisme et l'aménagement du territoire ou l'utilisation du sol et qui constituent le cadre pour l'octroi d'autorisations futures pour un projet tel que visé aux annexes I et II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 décembre 2004 établissant les catégories de projets soumises à l'évaluation des incidences sur l'environnement ;
2° les plans ou programmes pour lesquels, compte tenu de l'incidence possible sur les régions, une évaluation appropriée est requise en vertu de l'article 36ter, § 3, alinéa 1er, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
§ 2. Pour les plans ou programmes, visés au paragraphe 1er, qui déterminent l'utilisation de petites zones au niveau provincial ou communal, ou pour les modifications mineures apportées à ces plans ou programmes, une évaluation environnementale n'est requise que si le screening montre que le plan ou le programme peut avoir des incidences environnementales notables.
Pour les plans ou programmes autres que les plans ou programmes, visés au paragraphe 1er, qui constituent le cadre pour l'octroi d'autorisations futures pour des projets, une évaluation environnementale est requise s'il s'avère sur la base du screening que le plan ou le programme peut avoir des incidences environnementales notables.
§ 3. Si aucune évaluation environnementale n'est requise en vertu du paragraphe 1er ou 2, une autorité peut volontairement procéder à une évaluation environnementale lorsque les dispositions du chapitre 4 s'appliquent mutatis mutandis.
Si un décret ou une décision du Gouvernement flamand prévoit un mode d'intégration, l'évaluation environnementale, visée à l'alinéa 1er, sera réalisée conformément à ces dispositions. ".
" Art. 4.3.2. § 1er. Une évaluation environnementale sera réalisée pour les plans et programmes suivants :
1° les plans ou programmes en cours de préparation pour l'agriculture, la sylviculture, la pêche, l'énergie, l'industrie, le transport, le développement régional, la gestion des déchets, la gestion de l'eau, les télécommunications, le tourisme et l'aménagement du territoire ou l'utilisation du sol et qui constituent le cadre pour l'octroi d'autorisations futures pour un projet tel que visé aux annexes I et II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 décembre 2004 établissant les catégories de projets soumises à l'évaluation des incidences sur l'environnement ;
2° les plans ou programmes pour lesquels, compte tenu de l'incidence possible sur les régions, une évaluation appropriée est requise en vertu de l'article 36ter, § 3, alinéa 1er, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
§ 2. Pour les plans ou programmes, visés au paragraphe 1er, qui déterminent l'utilisation de petites zones au niveau provincial ou communal, ou pour les modifications mineures apportées à ces plans ou programmes, une évaluation environnementale n'est requise que si le screening montre que le plan ou le programme peut avoir des incidences environnementales notables.
Pour les plans ou programmes autres que les plans ou programmes, visés au paragraphe 1er, qui constituent le cadre pour l'octroi d'autorisations futures pour des projets, une évaluation environnementale est requise s'il s'avère sur la base du screening que le plan ou le programme peut avoir des incidences environnementales notables.
§ 3. Si aucune évaluation environnementale n'est requise en vertu du paragraphe 1er ou 2, une autorité peut volontairement procéder à une évaluation environnementale lorsque les dispositions du chapitre 4 s'appliquent mutatis mutandis.
Si un décret ou une décision du Gouvernement flamand prévoit un mode d'intégration, l'évaluation environnementale, visée à l'alinéa 1er, sera réalisée conformément à ces dispositions. ".
Art. 28. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 1 een artikel 4.3.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.3.3. § 1. Voor een vergunning kan worden verleend, wordt de volgende milieueffectrapportage uitgevoerd voor de volgende vergunningsplichtige projecten:
1° een milieubeoordeling: voor de categorieën van projecten die de Vlaamse Regering aanwijst als projecten die van rechtswege aan een milieubeoordeling zijn onderworpen;
2° een milieubeoordeling of een screening: voor de andere categorieën van projecten dan de projecten, vermeld in punt 1°, die de Vlaamse Regering aanwijst aan de hand van de criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd.
§ 2. De volgende projecten vallen niet onder de werkingssfeer van deze titel:
1° de loutere hernieuwing van de vergunning, vermeld in artikel 70 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
2° de omzetting, vermeld in artikel 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
§ 3. Een initiatiefnemer van een voorgenomen project kan in alle gevallen een milieubeoordeling uitvoeren conform hoofdstuk 4.
Als bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering een wijze van integratie is bepaald, wordt de milieubeoordeling, vermeld in het eerste lid, conform die bepalingen uitgevoerd.
§ 4. In de andere gevallen dan de gevallen, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, kan de initiatiefnemer het Vlaams expertisecentrum m.e.r. verzoeken een advies uit te brengen over de kwaliteit van een project-MER dat hij heeft opgemaakt.
§ 5. De Vlaamse Regering kan op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer een welbepaald project dat aan een milieubeoordeling moet worden onderworpen, in uitzonderlijke gevallen vrijstellen van de verplichting tot milieubeoordeling als de toepassing van de bepalingen over de milieubeoordeling nadelige gevolgen heeft voor het doel van het project en als aan de doelstellingen van deze titel wordt voldaan.
In het geval, vermeld in het eerste lid, gaat de Vlaamse Regering na of er geen andere vorm van beoordeling geschikt is en stelt de verzamelde informatie alsmede de gegevens over en de redenen van de vrijstelling ter beschikking van het publiek.
Voor de vergunningsbeslissing wordt genomen, brengt de Vlaamse Regering de Europese Commissie op de hoogte van de redenen waarom de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is verleend en verschaft ze haar alle informatie die aan de bevolking ter beschikking is gesteld.
Als het project aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben of als de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten daarom verzoeken, worden de betrokken bevoegde autoriteiten vóór de vergunningsbeslissing wordt genomen, op de hoogte gebracht van de redenen waarom de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is verleend.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de vrijstelling en de inhoud van het gemotiveerde verzoek, vermeld in het eerste lid, en voor de kennisgeving, vermeld in het vierde lid.
§ 6. Een project dat met een specifiek decreet wordt aangenomen, kan door het decreet in kwestie vrijgesteld worden van de bepalingen over de openbare raadpleging over het project-MER, zoals vastgelegd in hoofdstuk 4 van deze titel, als aan de doelstellingen, vermeld in artikel 4.2.1, wordt voldaan.
Als het project aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben of als de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten daarom verzoeken, worden de betrokken bevoegde autoriteiten vóór de vergunningsbeslissing wordt genomen op de hoogte gebracht van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid.
Vanaf 16 mei 2025 brengt het Vlaams expertisecentrum m.e.r. om de twee jaar de Europese Commissie op de hoogte van elk geval waarin de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is verleend.".
"Art. 4.3.3. § 1. Voor een vergunning kan worden verleend, wordt de volgende milieueffectrapportage uitgevoerd voor de volgende vergunningsplichtige projecten:
1° een milieubeoordeling: voor de categorieën van projecten die de Vlaamse Regering aanwijst als projecten die van rechtswege aan een milieubeoordeling zijn onderworpen;
2° een milieubeoordeling of een screening: voor de andere categorieën van projecten dan de projecten, vermeld in punt 1°, die de Vlaamse Regering aanwijst aan de hand van de criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd.
§ 2. De volgende projecten vallen niet onder de werkingssfeer van deze titel:
1° de loutere hernieuwing van de vergunning, vermeld in artikel 70 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
2° de omzetting, vermeld in artikel 390 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
§ 3. Een initiatiefnemer van een voorgenomen project kan in alle gevallen een milieubeoordeling uitvoeren conform hoofdstuk 4.
Als bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering een wijze van integratie is bepaald, wordt de milieubeoordeling, vermeld in het eerste lid, conform die bepalingen uitgevoerd.
§ 4. In de andere gevallen dan de gevallen, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, kan de initiatiefnemer het Vlaams expertisecentrum m.e.r. verzoeken een advies uit te brengen over de kwaliteit van een project-MER dat hij heeft opgemaakt.
§ 5. De Vlaamse Regering kan op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer een welbepaald project dat aan een milieubeoordeling moet worden onderworpen, in uitzonderlijke gevallen vrijstellen van de verplichting tot milieubeoordeling als de toepassing van de bepalingen over de milieubeoordeling nadelige gevolgen heeft voor het doel van het project en als aan de doelstellingen van deze titel wordt voldaan.
In het geval, vermeld in het eerste lid, gaat de Vlaamse Regering na of er geen andere vorm van beoordeling geschikt is en stelt de verzamelde informatie alsmede de gegevens over en de redenen van de vrijstelling ter beschikking van het publiek.
Voor de vergunningsbeslissing wordt genomen, brengt de Vlaamse Regering de Europese Commissie op de hoogte van de redenen waarom de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is verleend en verschaft ze haar alle informatie die aan de bevolking ter beschikking is gesteld.
Als het project aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben of als de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten daarom verzoeken, worden de betrokken bevoegde autoriteiten vóór de vergunningsbeslissing wordt genomen, op de hoogte gebracht van de redenen waarom de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is verleend.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de vrijstelling en de inhoud van het gemotiveerde verzoek, vermeld in het eerste lid, en voor de kennisgeving, vermeld in het vierde lid.
§ 6. Een project dat met een specifiek decreet wordt aangenomen, kan door het decreet in kwestie vrijgesteld worden van de bepalingen over de openbare raadpleging over het project-MER, zoals vastgelegd in hoofdstuk 4 van deze titel, als aan de doelstellingen, vermeld in artikel 4.2.1, wordt voldaan.
Als het project aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben of als de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten daarom verzoeken, worden de betrokken bevoegde autoriteiten vóór de vergunningsbeslissing wordt genomen op de hoogte gebracht van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid.
Vanaf 16 mei 2025 brengt het Vlaams expertisecentrum m.e.r. om de twee jaar de Europese Commissie op de hoogte van elk geval waarin de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is verleend.".
Art. 28. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 1re, un article 4.3.3, rédigé comme suit :
" Art. 4.3.3. § 1er. Avant qu'une autorisation ne puisse être accordée, le rapport d'incidence sur l'environnement suivant sera réalisé pour les projets soumis à autorisation suivants :
1° une évaluation environnementale : pour les catégories de projets que le Gouvernement flamand désigne comme des projets soumis de plein droit à une évaluation environnementale ;
2° une évaluation environnementale ou un screening : pour les catégories de projets autres que les projets, visés au point 1°, que le Gouvernement flamand désigne sur la base des critères, visés à l'annexe I, jointe au présent décret.
§ 2. Les projets suivants n'entrent pas dans le champ d'application du présent titre :
1° le renouvellement pur et simple du permis, visé à l'article 70 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
2° la conversion, visée à l'article 390 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement.
§ 3. L'initiateur d'un projet envisagé peut dans tous les cas effectuer une évaluation environnementale conformément au chapitre 4.
Si un décret ou une décision du Gouvernement flamand prévoit un mode d'intégration, l'évaluation environnementale, visée à l'alinéa 1er, sera réalisée conformément à ces dispositions.
§ 4. Dans les cas autres que ceux visés aux paragraphes 1er à 3, l'initiateur peut demander au Centre d'Expertise flamand R.I.E. d'émettre un avis sur la qualité d'un RIE du projet qu'il a élaboré.
§ 5. Le Gouvernement flamand peut, à la demande motivée de l'initiateur, dispenser exceptionnellement un projet bien spécifique devant être soumis à une évaluation environnementale de l'obligation d'évaluation environnementale si l'application des dispositions relatives à l'évaluation environnementale va à l'encontre de l'objet du projet et si les objectifs du présent titre sont réalisés.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, le Gouvernement flamand vérifie si aucune autre forme d'évaluation n'est appropriée et met à la disposition du public les informations rassemblées ainsi que les données relatives à la dispense et les raisons de la dispense.
Avant que la décision d'autorisation ne soit prise, le Gouvernement flamand informe la Commission européenne des raisons de la dispense, visée à l'alinéa 1er, et lui fournit toutes les informations mises à la disposition de la population.
Si le projet est susceptible d'avoir des incidences environnementales transfrontalières ou transrégionales notables, ou si les autorités compétentes des Etats ou régions concernés en font la demande, les autorités compétentes en question seront informées des raisons de la dispense, visée à l'alinéa 1er, avant que la décision d'autorisation ne soit prise.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant la dispense et le contenu de la demande motivée, visés à l'alinéa 1er, ainsi que concernant la notification, visée à l'alinéa 4.
§ 6. Un projet adopté par un décret spécifique peut être dispensé par le décret en question des dispositions relatives à la consultation publique sur le RIE du projet, telles que fixées au chapitre 4 du présent titre, si les objectifs, visés à l'article 4.2.1, sont réalisés.
Si le projet est susceptible d'avoir des incidences environnementales transfrontalières ou transrégionales notables, ou si les autorités compétentes des Etats ou régions concernés en font la demande, les autorités compétentes en question seront informées de la dispense, visée à l'alinéa 1er, avant que la décision d'autorisation ne soit prise.
A compter du 16 mai 2025, le Centre d'Expertise flamand R.I.E. informera la Commission européenne tous les deux ans de chaque cas dans lequel la dispense, visée à l'alinéa 1er, a été accordée. ".
" Art. 4.3.3. § 1er. Avant qu'une autorisation ne puisse être accordée, le rapport d'incidence sur l'environnement suivant sera réalisé pour les projets soumis à autorisation suivants :
1° une évaluation environnementale : pour les catégories de projets que le Gouvernement flamand désigne comme des projets soumis de plein droit à une évaluation environnementale ;
2° une évaluation environnementale ou un screening : pour les catégories de projets autres que les projets, visés au point 1°, que le Gouvernement flamand désigne sur la base des critères, visés à l'annexe I, jointe au présent décret.
§ 2. Les projets suivants n'entrent pas dans le champ d'application du présent titre :
1° le renouvellement pur et simple du permis, visé à l'article 70 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ;
2° la conversion, visée à l'article 390 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement.
§ 3. L'initiateur d'un projet envisagé peut dans tous les cas effectuer une évaluation environnementale conformément au chapitre 4.
Si un décret ou une décision du Gouvernement flamand prévoit un mode d'intégration, l'évaluation environnementale, visée à l'alinéa 1er, sera réalisée conformément à ces dispositions.
§ 4. Dans les cas autres que ceux visés aux paragraphes 1er à 3, l'initiateur peut demander au Centre d'Expertise flamand R.I.E. d'émettre un avis sur la qualité d'un RIE du projet qu'il a élaboré.
§ 5. Le Gouvernement flamand peut, à la demande motivée de l'initiateur, dispenser exceptionnellement un projet bien spécifique devant être soumis à une évaluation environnementale de l'obligation d'évaluation environnementale si l'application des dispositions relatives à l'évaluation environnementale va à l'encontre de l'objet du projet et si les objectifs du présent titre sont réalisés.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, le Gouvernement flamand vérifie si aucune autre forme d'évaluation n'est appropriée et met à la disposition du public les informations rassemblées ainsi que les données relatives à la dispense et les raisons de la dispense.
Avant que la décision d'autorisation ne soit prise, le Gouvernement flamand informe la Commission européenne des raisons de la dispense, visée à l'alinéa 1er, et lui fournit toutes les informations mises à la disposition de la population.
Si le projet est susceptible d'avoir des incidences environnementales transfrontalières ou transrégionales notables, ou si les autorités compétentes des Etats ou régions concernés en font la demande, les autorités compétentes en question seront informées des raisons de la dispense, visée à l'alinéa 1er, avant que la décision d'autorisation ne soit prise.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant la dispense et le contenu de la demande motivée, visés à l'alinéa 1er, ainsi que concernant la notification, visée à l'alinéa 4.
§ 6. Un projet adopté par un décret spécifique peut être dispensé par le décret en question des dispositions relatives à la consultation publique sur le RIE du projet, telles que fixées au chapitre 4 du présent titre, si les objectifs, visés à l'article 4.2.1, sont réalisés.
Si le projet est susceptible d'avoir des incidences environnementales transfrontalières ou transrégionales notables, ou si les autorités compétentes des Etats ou régions concernés en font la demande, les autorités compétentes en question seront informées de la dispense, visée à l'alinéa 1er, avant que la décision d'autorisation ne soit prise.
A compter du 16 mai 2025, le Centre d'Expertise flamand R.I.E. informera la Commission européenne tous les deux ans de chaque cas dans lequel la dispense, visée à l'alinéa 1er, a été accordée. ".
Art. 29. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 1 een artikel 4.3.4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.3.4. De Vlaamse Regering kan de criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, nader definiëren. Op grond van die criteria moet het mogelijk zijn uit te maken of een voorgenomen actie al dan niet aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
Elke vaststelling of vervanging van de criteria, vermeld in het eerste lid, wordt meegedeeld aan de Europese Commissie.".
"Art. 4.3.4. De Vlaamse Regering kan de criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, nader definiëren. Op grond van die criteria moet het mogelijk zijn uit te maken of een voorgenomen actie al dan niet aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
Elke vaststelling of vervanging van de criteria, vermeld in het eerste lid, wordt meegedeeld aan de Europese Commissie.".
Art. 29. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 1re, un article 4.3.4, rédigé comme suit :
" Art. 4.3.4. Le Gouvernement flamand peut spécifier les critères, visés à l'annexe I, jointe au présent décret. Ces critères doivent permettre de déterminer si une action envisagée est susceptible ou non d'avoir des incidences environnementales notables.
Toute définition ou remplacement des critères, visés à l'alinéa 1er, est notifié(e) à la Commission européenne. ".
" Art. 4.3.4. Le Gouvernement flamand peut spécifier les critères, visés à l'annexe I, jointe au présent décret. Ces critères doivent permettre de déterminer si une action envisagée est susceptible ou non d'avoir des incidences environnementales notables.
Toute définition ou remplacement des critères, visés à l'alinéa 1er, est notifié(e) à la Commission européenne. ".
Art. 30. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 3, ingevoegd bij artikel 24, een afdeling 2 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 2. Screening van plannen, programma's en projecten".
"Afdeling 2. Screening van plannen, programma's en projecten".
Art. 30. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 3, inséré par l'article 24, une section 2, rédigée comme suit :
" Section 2. Screening des plans, programmes et projets ".
" Section 2. Screening des plans, programmes et projets ".
Art. 31. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 2, ingevoegd bij artikel 30, een artikel 4.3.5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.3.5. § 1. Voor de plannen of programma's, vermeld in artikel 4.3.2, § 2, toetst de initiatiefnemer aan de hand van de criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, in een screening of het voorgenomen plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de vorm en de inhoud van de voormelde screening.
De initiatiefnemer raadpleegt de instanties die door de Vlaamse Regering worden aangewezen, en het Vlaams expertisecentrum m.e.r. over de screening, vermeld in het eerste lid. De voormelde instanties en het Vlaams expertisecentrum m.e.r. brengen hun advies uit op de wijze en binnen de termijn die de Vlaamse Regering bepaalt.
§ 2. Als voor een plan of een programma als vermeld in artikel 4.3.2, § 2, geen milieubeoordeling wordt uitgevoerd, motiveert de bevoegde overheid aan de hand van de criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, waarom het voorgenomen plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De bevoegde overheid houdt daarbij rekening met de screening en de verleende adviezen, vermeld in paragraaf 1.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast over de wijze van de bekendmaking van de screening en van de motivatie, vermeld in het eerste lid.".
"Art. 4.3.5. § 1. Voor de plannen of programma's, vermeld in artikel 4.3.2, § 2, toetst de initiatiefnemer aan de hand van de criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, in een screening of het voorgenomen plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de vorm en de inhoud van de voormelde screening.
De initiatiefnemer raadpleegt de instanties die door de Vlaamse Regering worden aangewezen, en het Vlaams expertisecentrum m.e.r. over de screening, vermeld in het eerste lid. De voormelde instanties en het Vlaams expertisecentrum m.e.r. brengen hun advies uit op de wijze en binnen de termijn die de Vlaamse Regering bepaalt.
§ 2. Als voor een plan of een programma als vermeld in artikel 4.3.2, § 2, geen milieubeoordeling wordt uitgevoerd, motiveert de bevoegde overheid aan de hand van de criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, waarom het voorgenomen plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De bevoegde overheid houdt daarbij rekening met de screening en de verleende adviezen, vermeld in paragraaf 1.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast over de wijze van de bekendmaking van de screening en van de motivatie, vermeld in het eerste lid.".
Art. 31. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 2, insérée par l'article 30, un article 4.3.5, rédigé comme suit :
" Art. 4.3.5. § 1er. Pour les plans ou programmes, visés à l'article 4.3.2, § 2, l'initiateur vérifie, à l'aide des critères, visés à l'annexe I, jointe au présent décret, dans le cadre d'un screening si le plan ou programme envisagé est susceptible d'avoir des incidences environnementales notables. Le Gouvernement flamand fixe d'autres modalités concernant la forme et le contenu du screening précité.
L'initiateur consulte les organes désignés par le Gouvernement flamand et le Centre d'Expertise flamand R.I.E. au sujet du screening, visé à l'alinéa 1er. Les autorités susmentionnées et le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émettent leur avis de la manière et dans les délais fixés par le Gouvernement flamand.
§ 2. Si aucune évaluation environnementale n'est réalisée pour un plan ou programme, visé à l'article 4.3.2, § 2, l'autorité compétente motivera, à l'aide des critères, visés à l'annexe I, jointe au présent décret, les motifs pour lesquels le plan ou programme envisagé est susceptible d'avoir des incidences environnementales notables. A cet égard, l'autorité compétente tient compte du screening et des avis émis, visés au paragraphe 1er.
Le Gouvernement flamand fixe d'autres modalités concernant le mode de publication du screening et de la motivation, visée à l'alinéa 1er. ".
" Art. 4.3.5. § 1er. Pour les plans ou programmes, visés à l'article 4.3.2, § 2, l'initiateur vérifie, à l'aide des critères, visés à l'annexe I, jointe au présent décret, dans le cadre d'un screening si le plan ou programme envisagé est susceptible d'avoir des incidences environnementales notables. Le Gouvernement flamand fixe d'autres modalités concernant la forme et le contenu du screening précité.
L'initiateur consulte les organes désignés par le Gouvernement flamand et le Centre d'Expertise flamand R.I.E. au sujet du screening, visé à l'alinéa 1er. Les autorités susmentionnées et le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émettent leur avis de la manière et dans les délais fixés par le Gouvernement flamand.
§ 2. Si aucune évaluation environnementale n'est réalisée pour un plan ou programme, visé à l'article 4.3.2, § 2, l'autorité compétente motivera, à l'aide des critères, visés à l'annexe I, jointe au présent décret, les motifs pour lesquels le plan ou programme envisagé est susceptible d'avoir des incidences environnementales notables. A cet égard, l'autorité compétente tient compte du screening et des avis émis, visés au paragraphe 1er.
Le Gouvernement flamand fixe d'autres modalités concernant le mode de publication du screening et de la motivation, visée à l'alinéa 1er. ".
Art. 32. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 2 een artikel 4.3.6 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.3.6. § 1. Voor de projecten die de Vlaamse Regering conform artikel 4.3.3, § 1, 2°, aanwijst, toetst de initiatiefnemer aan de hand van de criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, in een screening of het voorgenomen project aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
§ 2. De bevoegde overheid beslist zo snel mogelijk en uiterlijk binnen negentig dagen na de dag waarop de initiatiefnemer de screening bij de bevoegde overheid heeft ingediend of het project aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen.
Als de bevoegde overheid beslist dat het project aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen, vermeldt de bevoegde overheid de belangrijkste redenen die haar beslissing motiveren. In die motivering wordt verwezen naar de relevante criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd.
Als de bevoegde overheid beslist dat het project niet aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen, vermeldt de bevoegde overheid de belangrijkste redenen die haar beslissing motiveren. In die motivering wordt verwezen naar de relevante criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, en, als de initiatiefnemer deze heeft voorgesteld, de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.
Als de bevoegde overheid tevens de initiatiefnemer is, zorgt de bevoegde overheid in elk geval binnen de organisatie van administratieve bevoegdheden voor een passende scheiding tussen conflicterende functies opdat de taak vermeld in het eerste lid op een objectieve wijze kan verricht worden.
§ 3. Als uit de toets, vermeld in paragraaf 1, of uit de beslissing van de bevoegde overheid, vermeld in paragraaf 2, blijkt dat het voorgenomen project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, onderwerpt de initiatiefnemer het voorgenomen project aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4.
§ 4. De screening, vermeld in paragraaf 1, bevat ten minste de volgende elementen:
1° een beschrijving en verduidelijking van het voorgenomen project met in het bijzonder:
a) een beschrijving van de fysieke kenmerken van het hele project en, als dat relevant is, van sloopwerken;
b) een beschrijving van de locatie van het project met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project een invloed kan hebben;
2° een beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project;
3° als er informatie over deze effecten beschikbaar is: een beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project ten gevolge van:
a) de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen, als dat van toepassing is;
b) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, namelijk bodem, land, water en biodiversiteit;
4° in voorkomend geval een beschrijving van de kenmerken van het voorgenomen project of van de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke milieueffecten zouden zijn geweest.
Bij de opmaak van de screening, vermeld in paragraaf 1, wordt, als dat relevant is, rekening gehouden met de criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, en wordt, als dat relevant is, rekening gehouden met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van de milieueffecten die zijn gemaakt met toepassing van deze titel of met toepassing van andere regelgeving.
Als de initiatiefnemer beslist dat het project niet aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen, vermeldt de initiatiefnemer de belangrijkste redenen die zijn beslissing motiveren. In die motivering wordt verwezen naar de relevante criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd.
De Vlaamse Regering stelt de vorm en de inhoud van de screening, vermeld in paragraaf 1, vast.
§ 5. De beslissing, vermeld in paragraaf 2, wordt bekendgemaakt op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt.".
"Art. 4.3.6. § 1. Voor de projecten die de Vlaamse Regering conform artikel 4.3.3, § 1, 2°, aanwijst, toetst de initiatiefnemer aan de hand van de criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, in een screening of het voorgenomen project aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
§ 2. De bevoegde overheid beslist zo snel mogelijk en uiterlijk binnen negentig dagen na de dag waarop de initiatiefnemer de screening bij de bevoegde overheid heeft ingediend of het project aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen.
Als de bevoegde overheid beslist dat het project aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen, vermeldt de bevoegde overheid de belangrijkste redenen die haar beslissing motiveren. In die motivering wordt verwezen naar de relevante criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd.
Als de bevoegde overheid beslist dat het project niet aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen, vermeldt de bevoegde overheid de belangrijkste redenen die haar beslissing motiveren. In die motivering wordt verwezen naar de relevante criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, en, als de initiatiefnemer deze heeft voorgesteld, de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.
Als de bevoegde overheid tevens de initiatiefnemer is, zorgt de bevoegde overheid in elk geval binnen de organisatie van administratieve bevoegdheden voor een passende scheiding tussen conflicterende functies opdat de taak vermeld in het eerste lid op een objectieve wijze kan verricht worden.
§ 3. Als uit de toets, vermeld in paragraaf 1, of uit de beslissing van de bevoegde overheid, vermeld in paragraaf 2, blijkt dat het voorgenomen project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, onderwerpt de initiatiefnemer het voorgenomen project aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4.
§ 4. De screening, vermeld in paragraaf 1, bevat ten minste de volgende elementen:
1° een beschrijving en verduidelijking van het voorgenomen project met in het bijzonder:
a) een beschrijving van de fysieke kenmerken van het hele project en, als dat relevant is, van sloopwerken;
b) een beschrijving van de locatie van het project met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project een invloed kan hebben;
2° een beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project;
3° als er informatie over deze effecten beschikbaar is: een beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project ten gevolge van:
a) de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen, als dat van toepassing is;
b) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, namelijk bodem, land, water en biodiversiteit;
4° in voorkomend geval een beschrijving van de kenmerken van het voorgenomen project of van de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke milieueffecten zouden zijn geweest.
Bij de opmaak van de screening, vermeld in paragraaf 1, wordt, als dat relevant is, rekening gehouden met de criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, en wordt, als dat relevant is, rekening gehouden met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van de milieueffecten die zijn gemaakt met toepassing van deze titel of met toepassing van andere regelgeving.
Als de initiatiefnemer beslist dat het project niet aan een milieubeoordeling conform hoofdstuk 4 moet worden onderworpen, vermeldt de initiatiefnemer de belangrijkste redenen die zijn beslissing motiveren. In die motivering wordt verwezen naar de relevante criteria, vermeld in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd.
De Vlaamse Regering stelt de vorm en de inhoud van de screening, vermeld in paragraaf 1, vast.
§ 5. De beslissing, vermeld in paragraaf 2, wordt bekendgemaakt op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt.".
Art. 32. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 2, un article 4.3.6, rédigé comme suit :
" Art. 4.3.6. § 1er. Pour les projets que le Gouvernement flamand désigne conformément à l'article 4.3.3, § 1er, 2°, l'initiateur vérifie, à l'aide des critères, visés à l'annexe I, jointe au présent décret, dans le cadre d'un screening si le projet envisagé est susceptible d'avoir des incidences environnementales notables.
§ 2. L'autorité compétente décide dès que possible et au plus tard dans un délai de nonante jours à compter de la date à laquelle l'initiateur a soumis le screening à l'autorité compétente si le projet doit être soumis à une évaluation environnementale conformément au chapitre 4.
Si l'autorité compétente décide que le projet doit être soumis à une évaluation environnementale conformément au chapitre 4, l'autorité compétente mentionne les principales raisons qui motivent sa décision. Dans cette motivation, il est fait référence aux critères pertinents, visés à l'annexe I, jointe au présent décret.
Si l'autorité compétente décide que le projet ne doit pas être soumis à une évaluation environnementale conformément au chapitre 4, l'autorité compétente mentionne les principales raisons qui motivent sa décision. Dans cette motivation, il est fait référence aux critères pertinents, visés à l'annexe I, jointe au présent décret, et, si l'initiateur les a proposées, les mesures prévues pour éviter ou prévenir ce qui aurait autrement pu avoir des incidences environnementales négatives notables.
Si l'autorité compétente est également l'initiateur, elle assure en tout état de cause une séparation appropriée des fonctions conflictuelles dans l'organisation des compétences administratives, de sorte que la tâche, visée à l'alinéa 1er, puisse être accomplie de manière objective.
§ 3. Si la vérification, visée au paragraphe 1er, ou la décision de l'autorité compétente, visée au paragraphe 2, montre que le projet envisagé est susceptible d'avoir des incidences environnementales notables, l'initiateur soumet le projet envisagé à une évaluation environnementale conformément au chapitre 4.
§ 4. Le screening, visé au paragraphe 1er, comprend au moins les éléments suivants :
1° une description et une clarification du projet envisagé, en ce compris en particulier :
a) une description des caractéristiques physiques de l'ensemble du projet et, le cas échéant, des travaux de démolition ;
b) une description de la localisation du projet, en accordant une attention particulière à la sensibilité environnementale des zones susceptibles d'être affectées par le projet ;
2° une description des incidences environnementales notables probables du projet envisagé ;
3° si des informations sur ces incidences sont disponibles : une description des incidences environnementales notables probable du projet envisagé résultant :
a) des résidus et émissions attendus ainsi que de la production de déchets, le cas échéant ;
b) de l'utilisation des ressources naturelles, en particulier le sol, les terres, l'eau et la biodiversité ;
4° le cas échéant, une description des caractéristiques du projet envisagé ou des mesures prévues pour éviter ou prévenir ce qui aurait autrement pu avoir des incidences environnementales notables.
Lors de l'élaboration du screening, visé au paragraphe 1er, il est tenu compte, le cas échéant, des critères, visés à l'annexe I, jointe au présent décret, ainsi que, le cas échéant, des résultats disponibles d'autres évaluations pertinentes des incidences environnementales réalisées en application du présent titre ou en application d'une autre réglementation.
Si l'initiateur décide que le projet ne doit pas être soumis à une évaluation environnementale conformément au chapitre 4, il mentionne les principales raisons qui motivent sa décision. Dans cette motivation, il est fait référence aux critères pertinents, visés à l'annexe I, jointe au présent décret.
Le Gouvernement flamand fixe la forme et le contenu du screening, visé au paragraphe 1er.
§ 5. La décision, visée au paragraphe 2, est publiée selon les modalités prévues par le Gouvernement flamand. ".
" Art. 4.3.6. § 1er. Pour les projets que le Gouvernement flamand désigne conformément à l'article 4.3.3, § 1er, 2°, l'initiateur vérifie, à l'aide des critères, visés à l'annexe I, jointe au présent décret, dans le cadre d'un screening si le projet envisagé est susceptible d'avoir des incidences environnementales notables.
§ 2. L'autorité compétente décide dès que possible et au plus tard dans un délai de nonante jours à compter de la date à laquelle l'initiateur a soumis le screening à l'autorité compétente si le projet doit être soumis à une évaluation environnementale conformément au chapitre 4.
Si l'autorité compétente décide que le projet doit être soumis à une évaluation environnementale conformément au chapitre 4, l'autorité compétente mentionne les principales raisons qui motivent sa décision. Dans cette motivation, il est fait référence aux critères pertinents, visés à l'annexe I, jointe au présent décret.
Si l'autorité compétente décide que le projet ne doit pas être soumis à une évaluation environnementale conformément au chapitre 4, l'autorité compétente mentionne les principales raisons qui motivent sa décision. Dans cette motivation, il est fait référence aux critères pertinents, visés à l'annexe I, jointe au présent décret, et, si l'initiateur les a proposées, les mesures prévues pour éviter ou prévenir ce qui aurait autrement pu avoir des incidences environnementales négatives notables.
Si l'autorité compétente est également l'initiateur, elle assure en tout état de cause une séparation appropriée des fonctions conflictuelles dans l'organisation des compétences administratives, de sorte que la tâche, visée à l'alinéa 1er, puisse être accomplie de manière objective.
§ 3. Si la vérification, visée au paragraphe 1er, ou la décision de l'autorité compétente, visée au paragraphe 2, montre que le projet envisagé est susceptible d'avoir des incidences environnementales notables, l'initiateur soumet le projet envisagé à une évaluation environnementale conformément au chapitre 4.
§ 4. Le screening, visé au paragraphe 1er, comprend au moins les éléments suivants :
1° une description et une clarification du projet envisagé, en ce compris en particulier :
a) une description des caractéristiques physiques de l'ensemble du projet et, le cas échéant, des travaux de démolition ;
b) une description de la localisation du projet, en accordant une attention particulière à la sensibilité environnementale des zones susceptibles d'être affectées par le projet ;
2° une description des incidences environnementales notables probables du projet envisagé ;
3° si des informations sur ces incidences sont disponibles : une description des incidences environnementales notables probable du projet envisagé résultant :
a) des résidus et émissions attendus ainsi que de la production de déchets, le cas échéant ;
b) de l'utilisation des ressources naturelles, en particulier le sol, les terres, l'eau et la biodiversité ;
4° le cas échéant, une description des caractéristiques du projet envisagé ou des mesures prévues pour éviter ou prévenir ce qui aurait autrement pu avoir des incidences environnementales notables.
Lors de l'élaboration du screening, visé au paragraphe 1er, il est tenu compte, le cas échéant, des critères, visés à l'annexe I, jointe au présent décret, ainsi que, le cas échéant, des résultats disponibles d'autres évaluations pertinentes des incidences environnementales réalisées en application du présent titre ou en application d'une autre réglementation.
Si l'initiateur décide que le projet ne doit pas être soumis à une évaluation environnementale conformément au chapitre 4, il mentionne les principales raisons qui motivent sa décision. Dans cette motivation, il est fait référence aux critères pertinents, visés à l'annexe I, jointe au présent décret.
Le Gouvernement flamand fixe la forme et le contenu du screening, visé au paragraphe 1er.
§ 5. La décision, visée au paragraphe 2, est publiée selon les modalités prévues par le Gouvernement flamand. ".
Art. 33. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in titel IV, ingevoegd bij artikel 3, een hoofdstuk 4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 4. Milieubeoordeling van plannen, programma's en projecten".
"Hoofdstuk 4. Milieubeoordeling van plannen, programma's en projecten".
Art. 33. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le titre IV, inséré par l'article 3, un chapitre 4, rédigé comme suit :
" Chapitre 4. Evaluation environnementale des plans, programmes et projets ".
" Chapitre 4. Evaluation environnementale des plans, programmes et projets ".
Art. 34. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 33, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 1. Openbaarheid".
"Afdeling 1. Openbaarheid".
Art. 34. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 4, inséré par l'article 33, une section 1re, rédigée comme suit :
" Section 1re. Publicité ".
" Section 1re. Publicité ".
Art. 35. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 1, ingevoegd bij artikel 34, een artikel 4.4.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.4.1. De verplichtingen tot actieve openbaarheid, vermeld in dit hoofdstuk, doen geen afbreuk aan de toepassing van artikel II.3 en II.4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
De initiatiefnemer kan in elke fase van de milieubeoordeling, vermeld in afdeling 2 tot en met 5, conform de regels die de Vlaamse Regering bepaalt, verzoeken om bepaalde milieu-informatie volledig of gedeeltelijk aan de openbaarheid te onttrekken. Een dergelijk verzoek wordt door de betrokken overheidsinstantie behandeld conform artikel II.36 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.".
"Art. 4.4.1. De verplichtingen tot actieve openbaarheid, vermeld in dit hoofdstuk, doen geen afbreuk aan de toepassing van artikel II.3 en II.4 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
De initiatiefnemer kan in elke fase van de milieubeoordeling, vermeld in afdeling 2 tot en met 5, conform de regels die de Vlaamse Regering bepaalt, verzoeken om bepaalde milieu-informatie volledig of gedeeltelijk aan de openbaarheid te onttrekken. Een dergelijk verzoek wordt door de betrokken overheidsinstantie behandeld conform artikel II.36 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.".
Art. 35. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 1re, insérée par l'article 34, un article 4.4.1, rédigé comme suit :
" Art. 4.4.1. Les obligations de publicité active, visées dans le présent chapitre , sont sans préjudice de l'application des articles II.3 et II.4 du décret administratif du 7 décembre 2018.
A chaque étape de l'évaluation environnementale, visée aux section s 2 à 5, l'initiateur peut, conformément aux modalités fixées par le Gouvernement flamand, demander la soustraction intégrale ou partielle de certaines informations environnementales à la publicité. Cette demande sera traitée par l'autorité publique concernée conformément à l'article II.36 du décret administratif du 7 décembre 2018. ".
" Art. 4.4.1. Les obligations de publicité active, visées dans le présent chapitre , sont sans préjudice de l'application des articles II.3 et II.4 du décret administratif du 7 décembre 2018.
A chaque étape de l'évaluation environnementale, visée aux section s 2 à 5, l'initiateur peut, conformément aux modalités fixées par le Gouvernement flamand, demander la soustraction intégrale ou partielle de certaines informations environnementales à la publicité. Cette demande sera traitée par l'autorité publique concernée conformément à l'article II.36 du décret administratif du 7 décembre 2018. ".
Art. 36. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 33, een afdeling 2 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 2. Aanmelding en scoping".
"Afdeling 2. Aanmelding en scoping".
Art. 36. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 4, inséré par l'article 33, une section 2, rédigée comme suit :
" Section 2. Notification et scoping ".
" Section 2. Notification et scoping ".
Art. 37. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 2, ingevoegd bij artikel 36, een artikel 4.4.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.4.2. § 1. De initiatiefnemer meldt aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. het voornemen om een plan-MER op te stellen voor een voorgenomen plan of programma.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. maakt de aanmelding, vermeld in het eerste lid, bekend.
De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van de aanmelding, vermeld in het eerste lid, en stelt de wijze vast waarop die aanmelding moet gebeuren en bekendgemaakt moet worden, en ook de termijn daarvoor.
§ 2. De initiatiefnemer vraagt een scopingadvies over een voorstel van scoping aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de adviesinstanties die de Vlaamse Regering aanwijst.
De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van het voorstel van scoping en stelt nadere regels vast voor de wijze waarop en de termijnen waarin het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de adviesinstanties hun scopingadvies, vermeld in het eerste lid, moeten verlenen.
§ 3. De initiatiefnemer kan participatie over de scoping organiseren.
§ 4. De initiatiefnemer kan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. verzoeken een geïntegreerd scopingadvies te verlenen over het voorstel van scoping. In dat geval is de adviesvraag aan het Vlaams expertisecentrum, vermeld in paragraaf 2, niet verplicht.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. houdt bij het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in het eerste lid, rekening met de adviezen, vermeld in paragraaf 2.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de wijze waarop en de termijnen waarin het Vlaams expertisecentrum m.e.r. het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in het eerste lid, verleent en ter beschikking stelt aan de geraadpleegde adviesinstanties en het betrokken publiek.
§ 5. Als bij de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, of bij de advisering, vermeld in paragraaf 2 of 4, blijkt dat het plan of programma aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben, of als de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten daarom verzoeken, deelt het Vlaams expertisecentrum m.e.r. de informatie die de initiatiefnemer heeft bezorgd, mee aan de betrokken bevoegde autoriteiten en deelt het ook de termijn mee waarin de bevoegde autoriteit kan bekendmaken of ze wil deelnemen aan de milieubeoordeling over het voorgenomen plan of programma. De Vlaamse Regering bepaalt de voormelde termijn.
De mededeling, vermeld in het eerste lid, gebeurt uiterlijk op het moment dat de aanmelding wordt bekendgemaakt conform paragraaf 1, tweede lid, respectievelijk op het moment dat het Vlaams expertisecentrum m.e.r. het scopingadvies verleent.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de wijze waarop de informatie, vermeld in het eerste lid, wordt meegedeeld.".
"Art. 4.4.2. § 1. De initiatiefnemer meldt aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. het voornemen om een plan-MER op te stellen voor een voorgenomen plan of programma.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. maakt de aanmelding, vermeld in het eerste lid, bekend.
De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van de aanmelding, vermeld in het eerste lid, en stelt de wijze vast waarop die aanmelding moet gebeuren en bekendgemaakt moet worden, en ook de termijn daarvoor.
§ 2. De initiatiefnemer vraagt een scopingadvies over een voorstel van scoping aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de adviesinstanties die de Vlaamse Regering aanwijst.
De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud van het voorstel van scoping en stelt nadere regels vast voor de wijze waarop en de termijnen waarin het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de adviesinstanties hun scopingadvies, vermeld in het eerste lid, moeten verlenen.
§ 3. De initiatiefnemer kan participatie over de scoping organiseren.
§ 4. De initiatiefnemer kan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. verzoeken een geïntegreerd scopingadvies te verlenen over het voorstel van scoping. In dat geval is de adviesvraag aan het Vlaams expertisecentrum, vermeld in paragraaf 2, niet verplicht.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. houdt bij het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in het eerste lid, rekening met de adviezen, vermeld in paragraaf 2.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de wijze waarop en de termijnen waarin het Vlaams expertisecentrum m.e.r. het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in het eerste lid, verleent en ter beschikking stelt aan de geraadpleegde adviesinstanties en het betrokken publiek.
§ 5. Als bij de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, of bij de advisering, vermeld in paragraaf 2 of 4, blijkt dat het plan of programma aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben, of als de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten daarom verzoeken, deelt het Vlaams expertisecentrum m.e.r. de informatie die de initiatiefnemer heeft bezorgd, mee aan de betrokken bevoegde autoriteiten en deelt het ook de termijn mee waarin de bevoegde autoriteit kan bekendmaken of ze wil deelnemen aan de milieubeoordeling over het voorgenomen plan of programma. De Vlaamse Regering bepaalt de voormelde termijn.
De mededeling, vermeld in het eerste lid, gebeurt uiterlijk op het moment dat de aanmelding wordt bekendgemaakt conform paragraaf 1, tweede lid, respectievelijk op het moment dat het Vlaams expertisecentrum m.e.r. het scopingadvies verleent.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de wijze waarop de informatie, vermeld in het eerste lid, wordt meegedeeld.".
Art. 37. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 2, insérée par l'article 36, un article 4.4.2, rédigé comme suit :
" Art. 4.4.2. § 1er. L'initiateur notifie au Centre d'Expertise flamand R.I.E. son intention d'élaborer un RIE de plan pour un plan ou programme envisagé.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. publie la notification, visée à l'alinéa 1er.
Le Gouvernement flamand détermine le contenu de la notification, visée à l'alinéa 1er, et fixe les modalités de cette notification et de sa publication, ainsi que le délai pour ce faire.
§ 2. L'initiateur demande un avis de cadrage sur une proposition de cadrage au Centre d'Expertise flamand R.I.E. et aux organes consultatifs désignés par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand détermine le contenu de la proposition de cadrage et fixe d'autres modalités concernant les modalités et les délais dans lesquels le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et les organes consultatifs doivent émettre leur avis de cadrage, visé à l'alinéa 1er.
§ 3. L'initiateur peut organiser la participation au scoping.
§ 4. L'initiateur peut demander au Centre d'Expertise flamand R.I.E. d'émettre un avis de cadrage intégré sur la proposition de cadrage. Dans ce cas, la demande d'avis au centre d'expertise flamand, visée au paragraphe 2, n'est pas obligatoire.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. tient compte des avis, visés au paragraphe 2, dans le cadre de l'avis de cadrage intégré, visé à l'alinéa 1er.
Le Gouvernement flamand fixe d'autres modalités concernant la façon et les délais dans lesquels le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet l'avis de cadrage intégré, visé à l'alinéa 1er, et le met à la disposition des organes consultatifs consultés et du public concerné.
§ 5. Si la notification, visée au paragraphe 1er, ou l'avis, visé au paragraphe 2 ou 4, montre que le plan ou programme est susceptible d'avoir des incidences environnementales transfrontalières ou transrégionales notables, ou si les autorités compétentes des Etats ou régions concernés en font la demande, le Centre d'Expertise flamand R.I.E. communiquera les informations fournies par l'initiateur aux autorités compétentes en question, ainsi que le délai dans lequel l'autorité compétente peut faire savoir si elle souhaite participer à l'évaluation environnementale du plan ou programme envisagé. Le Gouvernement flamand fixe le délai précité.
La communication, visée à l'alinéa 1er, a lieu au plus tard au moment où la notification est publiée conformément au paragraphe 1er, alinéa 2, ou au moment où le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet l'avis de cadrage.
Le Gouvernement flamand fixe d'autres modalités concernant la façon dont les informations, visées à l'alinéa 1er, sont communiquées. ".
" Art. 4.4.2. § 1er. L'initiateur notifie au Centre d'Expertise flamand R.I.E. son intention d'élaborer un RIE de plan pour un plan ou programme envisagé.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. publie la notification, visée à l'alinéa 1er.
Le Gouvernement flamand détermine le contenu de la notification, visée à l'alinéa 1er, et fixe les modalités de cette notification et de sa publication, ainsi que le délai pour ce faire.
§ 2. L'initiateur demande un avis de cadrage sur une proposition de cadrage au Centre d'Expertise flamand R.I.E. et aux organes consultatifs désignés par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand détermine le contenu de la proposition de cadrage et fixe d'autres modalités concernant les modalités et les délais dans lesquels le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et les organes consultatifs doivent émettre leur avis de cadrage, visé à l'alinéa 1er.
§ 3. L'initiateur peut organiser la participation au scoping.
§ 4. L'initiateur peut demander au Centre d'Expertise flamand R.I.E. d'émettre un avis de cadrage intégré sur la proposition de cadrage. Dans ce cas, la demande d'avis au centre d'expertise flamand, visée au paragraphe 2, n'est pas obligatoire.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. tient compte des avis, visés au paragraphe 2, dans le cadre de l'avis de cadrage intégré, visé à l'alinéa 1er.
Le Gouvernement flamand fixe d'autres modalités concernant la façon et les délais dans lesquels le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet l'avis de cadrage intégré, visé à l'alinéa 1er, et le met à la disposition des organes consultatifs consultés et du public concerné.
§ 5. Si la notification, visée au paragraphe 1er, ou l'avis, visé au paragraphe 2 ou 4, montre que le plan ou programme est susceptible d'avoir des incidences environnementales transfrontalières ou transrégionales notables, ou si les autorités compétentes des Etats ou régions concernés en font la demande, le Centre d'Expertise flamand R.I.E. communiquera les informations fournies par l'initiateur aux autorités compétentes en question, ainsi que le délai dans lequel l'autorité compétente peut faire savoir si elle souhaite participer à l'évaluation environnementale du plan ou programme envisagé. Le Gouvernement flamand fixe le délai précité.
La communication, visée à l'alinéa 1er, a lieu au plus tard au moment où la notification est publiée conformément au paragraphe 1er, alinéa 2, ou au moment où le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet l'avis de cadrage.
Le Gouvernement flamand fixe d'autres modalités concernant la façon dont les informations, visées à l'alinéa 1er, sont communiquées. ".
Art. 38. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 2 een artikel 4.4.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.4.3. § 1. De initiatiefnemer meldt aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. het voornemen om een project-MER op te stellen voor een voorgenomen project.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. maakt de aanmelding, vermeld in het eerste lid, bekend.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de informatie die in de aanmelding, vermeld in het eerste lid, opgenomen moet worden, de wijze waarop die aanmelding moet gebeuren en bekendgemaakt moet worden, en de termijn daarvoor.
§ 2. De initiatiefnemer kan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de adviesinstanties die de Vlaamse Regering aanwijst, raadplegen over een voorstel van scoping. Het voorstel van scoping bevat minstens:
1° informatie over de specifieke kenmerken van het project, inclusief de locatie en de technische capaciteit ervan;
2° informatie over de te verwachten aanzienlijke milieueffecten ervan.
De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de bijkomende informatie die in het voorstel van scoping opgenomen moet worden en de wijze waarop en de termijnen waarin het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de adviesinstanties hun advies moeten verlenen.
§ 3. De initiatiefnemer kan participatie over de scoping organiseren.
§ 4. Op verzoek van de initiatiefnemer brengt het Vlaams expertisecentrum m.e.r. een geïntegreerd scopingadvies uit over het voorstel van scoping.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. houdt bij het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in het eerste lid, rekening met de adviezen van de adviesinstanties, vermeld in paragraaf 2.
De Vlaamse Regering stelt de wijze vast waarop en de termijnen waarin het Vlaams expertisecentrum m.e.r. het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in het eerste lid, verleent en ter beschikking stelt aan de geraadpleegde adviesinstanties en het betrokken publiek.
§ 5. De Vlaamse Regering kan bepalen welke projecten aan een geïntegreerd scopingadvies onderworpen moeten worden. In dat geval verleent het Vlaams expertisecentrum m.e.r. een geïntegreerd scopingadvies conform paragraaf 4, tweede en derde lid.
§ 6. Als bij de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, of nadien bij de advisering, vermeld in paragraaf 2, 4 of 5, blijkt dat het project aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben, of als de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten daarom verzoeken, deelt het Vlaams expertisecentrum m.e.r. de informatie die de initiatiefnemer heeft bezorgd mee aan de betrokken bevoegde autoriteiten en deelt het ook de termijn mee waarin de bevoegde autoriteit kan bekendmaken of ze wil deelnemen aan de milieubeoordeling over het project. De Vlaamse Regering bepaalt de voormelde termijn.
De mededeling, vermeld in het eerste lid, gebeurt uiterlijk op het moment dat de aanmelding wordt bekendgemaakt conform paragraaf 1, tweede lid, respectievelijk op het moment dat het Vlaams expertisecentrum m.e.r. het scopingadvies verleent.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de wijze waarop de informatie, vermeld in het eerste lid, wordt meegedeeld.".
"Art. 4.4.3. § 1. De initiatiefnemer meldt aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. het voornemen om een project-MER op te stellen voor een voorgenomen project.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. maakt de aanmelding, vermeld in het eerste lid, bekend.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de informatie die in de aanmelding, vermeld in het eerste lid, opgenomen moet worden, de wijze waarop die aanmelding moet gebeuren en bekendgemaakt moet worden, en de termijn daarvoor.
§ 2. De initiatiefnemer kan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de adviesinstanties die de Vlaamse Regering aanwijst, raadplegen over een voorstel van scoping. Het voorstel van scoping bevat minstens:
1° informatie over de specifieke kenmerken van het project, inclusief de locatie en de technische capaciteit ervan;
2° informatie over de te verwachten aanzienlijke milieueffecten ervan.
De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de bijkomende informatie die in het voorstel van scoping opgenomen moet worden en de wijze waarop en de termijnen waarin het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de adviesinstanties hun advies moeten verlenen.
§ 3. De initiatiefnemer kan participatie over de scoping organiseren.
§ 4. Op verzoek van de initiatiefnemer brengt het Vlaams expertisecentrum m.e.r. een geïntegreerd scopingadvies uit over het voorstel van scoping.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. houdt bij het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in het eerste lid, rekening met de adviezen van de adviesinstanties, vermeld in paragraaf 2.
De Vlaamse Regering stelt de wijze vast waarop en de termijnen waarin het Vlaams expertisecentrum m.e.r. het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in het eerste lid, verleent en ter beschikking stelt aan de geraadpleegde adviesinstanties en het betrokken publiek.
§ 5. De Vlaamse Regering kan bepalen welke projecten aan een geïntegreerd scopingadvies onderworpen moeten worden. In dat geval verleent het Vlaams expertisecentrum m.e.r. een geïntegreerd scopingadvies conform paragraaf 4, tweede en derde lid.
§ 6. Als bij de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, of nadien bij de advisering, vermeld in paragraaf 2, 4 of 5, blijkt dat het project aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben, of als de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten daarom verzoeken, deelt het Vlaams expertisecentrum m.e.r. de informatie die de initiatiefnemer heeft bezorgd mee aan de betrokken bevoegde autoriteiten en deelt het ook de termijn mee waarin de bevoegde autoriteit kan bekendmaken of ze wil deelnemen aan de milieubeoordeling over het project. De Vlaamse Regering bepaalt de voormelde termijn.
De mededeling, vermeld in het eerste lid, gebeurt uiterlijk op het moment dat de aanmelding wordt bekendgemaakt conform paragraaf 1, tweede lid, respectievelijk op het moment dat het Vlaams expertisecentrum m.e.r. het scopingadvies verleent.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de wijze waarop de informatie, vermeld in het eerste lid, wordt meegedeeld.".
Art. 38. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 2, un article 4.4.3, rédigé comme suit :
" Art. 4.4.3. § 1er. L'initiateur notifie au Centre d'Expertise flamand R.I.E. son intention d'élaborer un RIE du projet pour un projet envisagé.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. publie la notification, visée à l'alinéa 1er.
Le Gouvernement flamand fixe d'autres modalités concernant les informations à inclure dans la notification, visée à l'alinéa 1er, la manière dont cette notification doit être effectuée et publiée, ainsi que le délai pour ce faire.
§ 2. L'initiateur peut consulter le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et les organes consultatifs désignés par le Gouvernement flamand à propos d'une proposition de cadrage. La proposition de cadrage contient au moins :
1° des informations sur les caractéristiques spécifiques du projet, en ce compris sa localisation et sa capacité technique ;
2° des informations sur les incidences environnementales notables prévisibles.
Le Gouvernement flamand fixe d'autres modalités concernant les informations complémentaires à inclure dans la proposition de cadrage et les modalités et les délais dans lesquels le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et les organes consultatifs doivent émettre leur avis.
§ 3. L'initiateur peut organiser la participation au scoping.
§ 4. A la demande de l'initiateur, le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet un avis de cadrage intégré sur la proposition de cadrage.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. tient compte des avis des organes consultatifs, visés au paragraphe 2, dans le cadre de l'avis de cadrage intégré, visé à l'alinéa 1er.
Le Gouvernement flamand fixe la façon et les délais dans lesquels le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet l'avis de cadrage intégré, visé à l'alinéa 1er, et le met à la disposition des organes consultatifs consultés et du public concerné.
§ 5. Le Gouvernement flamand peut déterminer quels projets doivent être soumis à un avis de cadrage intégré. Dans ce cas, le Centre d'Expertise flamand R.I.E. fournira un avis de cadrage intégré conformément au paragraphe 4, alinéas 2 et 3.
§ 6. Si la notification, visée au paragraphe 1er, ou, par la suite, l'avis, visé au paragraphe 2, 4 ou 5, montre que le projet est susceptible d'avoir des incidences environnementales transfrontalières ou transrégionales notables, ou si les autorités compétentes des Etats ou régions concernés en font la demande, le Centre d'Expertise flamand R.I.E. communiquera les informations fournies par l'initiateur aux autorités compétentes en question, ainsi que le délai dans lequel l'autorité compétente peut faire savoir si elle souhaite participer à l'évaluation environnementale du projet. Le Gouvernement flamand fixe le délai précité.
La communication, visée à l'alinéa 1er, a lieu au plus tard au moment où la notification est publiée conformément au paragraphe 1er, alinéa 2, ou au moment où le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet l'avis de cadrage.
Le Gouvernement flamand fixe d'autres modalités concernant la façon dont les informations, visées à l'alinéa 1er, sont communiquées. ".
" Art. 4.4.3. § 1er. L'initiateur notifie au Centre d'Expertise flamand R.I.E. son intention d'élaborer un RIE du projet pour un projet envisagé.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. publie la notification, visée à l'alinéa 1er.
Le Gouvernement flamand fixe d'autres modalités concernant les informations à inclure dans la notification, visée à l'alinéa 1er, la manière dont cette notification doit être effectuée et publiée, ainsi que le délai pour ce faire.
§ 2. L'initiateur peut consulter le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et les organes consultatifs désignés par le Gouvernement flamand à propos d'une proposition de cadrage. La proposition de cadrage contient au moins :
1° des informations sur les caractéristiques spécifiques du projet, en ce compris sa localisation et sa capacité technique ;
2° des informations sur les incidences environnementales notables prévisibles.
Le Gouvernement flamand fixe d'autres modalités concernant les informations complémentaires à inclure dans la proposition de cadrage et les modalités et les délais dans lesquels le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et les organes consultatifs doivent émettre leur avis.
§ 3. L'initiateur peut organiser la participation au scoping.
§ 4. A la demande de l'initiateur, le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet un avis de cadrage intégré sur la proposition de cadrage.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. tient compte des avis des organes consultatifs, visés au paragraphe 2, dans le cadre de l'avis de cadrage intégré, visé à l'alinéa 1er.
Le Gouvernement flamand fixe la façon et les délais dans lesquels le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet l'avis de cadrage intégré, visé à l'alinéa 1er, et le met à la disposition des organes consultatifs consultés et du public concerné.
§ 5. Le Gouvernement flamand peut déterminer quels projets doivent être soumis à un avis de cadrage intégré. Dans ce cas, le Centre d'Expertise flamand R.I.E. fournira un avis de cadrage intégré conformément au paragraphe 4, alinéas 2 et 3.
§ 6. Si la notification, visée au paragraphe 1er, ou, par la suite, l'avis, visé au paragraphe 2, 4 ou 5, montre que le projet est susceptible d'avoir des incidences environnementales transfrontalières ou transrégionales notables, ou si les autorités compétentes des Etats ou régions concernés en font la demande, le Centre d'Expertise flamand R.I.E. communiquera les informations fournies par l'initiateur aux autorités compétentes en question, ainsi que le délai dans lequel l'autorité compétente peut faire savoir si elle souhaite participer à l'évaluation environnementale du projet. Le Gouvernement flamand fixe le délai précité.
La communication, visée à l'alinéa 1er, a lieu au plus tard au moment où la notification est publiée conformément au paragraphe 1er, alinéa 2, ou au moment où le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet l'avis de cadrage.
Le Gouvernement flamand fixe d'autres modalités concernant la façon dont les informations, visées à l'alinéa 1er, sont communiquées. ".
Art. 39. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 33, een afdeling 3 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 3. Inhoud van het MER".
"Afdeling 3. Inhoud van het MER".
Art. 39. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 4, inséré par l'article 33, une section 3, rédigée comme suit :
" Section 3. Contenu du RIE ".
" Section 3. Contenu du RIE ".
Art. 40. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 3, ingevoegd bij artikel 39, een artikel 4.4.4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.4.4. Het plan-MER bevat ten minste al de volgende gegevens:
1° een schets van de inhoud, een omschrijving van de voornaamste doelstellingen van het plan of van het programma en het verband met andere relevante plannen en programma's;
2° informatie over de besluitvormingsprocedure;
3° de relevante aspecten van de bestaande situatie van het milieu en de mogelijke ontwikkeling ervan als het plan of het programma niet wordt uitgevoerd;
4° de milieukenmerken van de gebieden waarvoor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn;
5° alle bestaande milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma, met inbegrip van milieuproblemen in gebieden die vanuit milieuoogpunt van bijzonder belang zijn, zoals speciale beschermingszones als bedoeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
6° de relevante doelstellingen voor de milieubescherming en de wijze waarop rekening wordt gehouden met die doelstellingen en de milieuoverwegingen bij de voorbereiding van het plan of programma;
7° de gemotiveerde scoping; hierbij wordt rekening gehouden met de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2, van deze titel;
8° een beschrijving en onderbouwde beoordeling conform de scoping van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het plan of programma en van de onderzochte redelijke alternatieven op, in voorkomend geval, de gezondheid en veiligheid van de mens, de ruimtelijke ordening, de biodiversiteit, de fauna en flora, de energie- en grondstoffenvoorraden, de bodem, het water, de atmosfeer, de klimatologische factoren, het geluid, het licht, de stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed, met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap, de natuurgebieden, de mobiliteit, en de samenhang tussen de vermelde factoren. De beschrijving van de milieueffecten omvat de directe en, in voorkomend geval, de indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het plan of programma. Als dat relevant is rekening houdend met de inhoud en het detailleringsniveau van het plan of programma, worden de aanzienlijke milieueffecten onder meer beoordeeld in het licht van de milieukwaliteitsnormen die zijn vastgesteld conform titel II, hoofdstuk II, van dit decreet;
9° de maatregelen om aanzienlijke negatieve milieueffecten als gevolg van de uitvoering van het plan of programma te voorkomen, te beperken of zo veel mogelijk teniet te doen;
10° een schets met opgave van de redenen voor de selectie, rekening houdende met het doel en de geografische werkingssfeer van het plan of programma, van de onderzochte redelijke alternatieven en een omschrijving van de wijze waarop de beoordeling is doorgevoerd, met inbegrip van de moeilijkheden die ondervonden zijn bij het inzamelen van de vereiste informatie, zoals technische tekortkomingen of gebrek aan kennis;
11° een omschrijving van de monitoringsmaatregelen;
12° een niet-technische samenvatting van de gegevens, vermeld in punt 1° tot en met 10° ;
13° de nuttige informatie over de milieueffecten van de plannen en programma's die op andere besluitvormingsniveaus of krachtens andere wetgevingen ingewonnen wordt en die kan worden gebruikt om de gegevens, vermeld in punt 1° tot en met 10°, te verstrekken.
Het plan-MER bevat de informatie die redelijkerwijze mag worden vereist om tot een milieuverklaring voor het voorgenomen plan of programma te komen. In het plan-MER wordt rekening gehouden met:
1° de bestaande kennis en beoordelingsmethoden;
2° de inhoud en het detailleringsniveau van het plan of programma.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over de inhoud van het plan-MER.".
"Art. 4.4.4. Het plan-MER bevat ten minste al de volgende gegevens:
1° een schets van de inhoud, een omschrijving van de voornaamste doelstellingen van het plan of van het programma en het verband met andere relevante plannen en programma's;
2° informatie over de besluitvormingsprocedure;
3° de relevante aspecten van de bestaande situatie van het milieu en de mogelijke ontwikkeling ervan als het plan of het programma niet wordt uitgevoerd;
4° de milieukenmerken van de gebieden waarvoor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn;
5° alle bestaande milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma, met inbegrip van milieuproblemen in gebieden die vanuit milieuoogpunt van bijzonder belang zijn, zoals speciale beschermingszones als bedoeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
6° de relevante doelstellingen voor de milieubescherming en de wijze waarop rekening wordt gehouden met die doelstellingen en de milieuoverwegingen bij de voorbereiding van het plan of programma;
7° de gemotiveerde scoping; hierbij wordt rekening gehouden met de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2, van deze titel;
8° een beschrijving en onderbouwde beoordeling conform de scoping van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het plan of programma en van de onderzochte redelijke alternatieven op, in voorkomend geval, de gezondheid en veiligheid van de mens, de ruimtelijke ordening, de biodiversiteit, de fauna en flora, de energie- en grondstoffenvoorraden, de bodem, het water, de atmosfeer, de klimatologische factoren, het geluid, het licht, de stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed, met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap, de natuurgebieden, de mobiliteit, en de samenhang tussen de vermelde factoren. De beschrijving van de milieueffecten omvat de directe en, in voorkomend geval, de indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het plan of programma. Als dat relevant is rekening houdend met de inhoud en het detailleringsniveau van het plan of programma, worden de aanzienlijke milieueffecten onder meer beoordeeld in het licht van de milieukwaliteitsnormen die zijn vastgesteld conform titel II, hoofdstuk II, van dit decreet;
9° de maatregelen om aanzienlijke negatieve milieueffecten als gevolg van de uitvoering van het plan of programma te voorkomen, te beperken of zo veel mogelijk teniet te doen;
10° een schets met opgave van de redenen voor de selectie, rekening houdende met het doel en de geografische werkingssfeer van het plan of programma, van de onderzochte redelijke alternatieven en een omschrijving van de wijze waarop de beoordeling is doorgevoerd, met inbegrip van de moeilijkheden die ondervonden zijn bij het inzamelen van de vereiste informatie, zoals technische tekortkomingen of gebrek aan kennis;
11° een omschrijving van de monitoringsmaatregelen;
12° een niet-technische samenvatting van de gegevens, vermeld in punt 1° tot en met 10° ;
13° de nuttige informatie over de milieueffecten van de plannen en programma's die op andere besluitvormingsniveaus of krachtens andere wetgevingen ingewonnen wordt en die kan worden gebruikt om de gegevens, vermeld in punt 1° tot en met 10°, te verstrekken.
Het plan-MER bevat de informatie die redelijkerwijze mag worden vereist om tot een milieuverklaring voor het voorgenomen plan of programma te komen. In het plan-MER wordt rekening gehouden met:
1° de bestaande kennis en beoordelingsmethoden;
2° de inhoud en het detailleringsniveau van het plan of programma.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over de inhoud van het plan-MER.".
Art. 40. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 3, insérée par l'article 39, un article 4.4.4, rédigé comme suit :
" Art. 4.4.4. Le RIE de plan comprend au moins toutes les données suivantes :
1° un résumé du contenu, une description des objectifs principaux du plan ou programme et les liens avec d'autres plans et programmes pertinents ;
2° des informations sur le processus décisionnel ;
3° les aspects pertinents de la situation environnementale existante ainsi que son évolution probable si le plan ou programme n'est pas mis en oeuvre ;
4° les caractéristiques environnementales des zones susceptibles d'être touchées de manière notable ;
5° tous les problèmes environnementaux existants liés au plan ou programme, en particulier ceux qui concernent les zones revêtant une importance particulière pour l'environnement, telles que les zones de protection spéciale visées dans le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
6° les objectifs de la protection de l'environnement pertinents et la manière dont ces objectifs et les considérations environnementales sont pris en compte au cours de l'élaboration du plan ou programme ;
7° le scoping motivé, pour lequel il est tenu compte des dispositions du chapitre 2, section 2, du présent titre ;
8° une description et une évaluation étayée, conformément au scoping, des incidences environnementales notables probables du plan ou programme et des alternatives raisonnables examinées sur, selon le cas, la santé et la sécurité humaines, l'aménagement du territoire, la biodiversité, la faune et la flore, les réserves d'énergie et de matières premières, le sol, l'eau, l'atmosphère, les facteurs climatiques, le bruit, la lumière, les biens matériels, le patrimoine culturel, en ce compris le patrimoine architectural et archéologique, le paysage, les réserves naturelles, la mobilité et le lien entre les facteurs énumérés. La description des incidences environnementales comprend les effets directs et, le cas échéant, les effets indirects, secondaires, cumulatifs et synergiques, permanents et temporaires, positifs et négatifs, à court, à moyen et à long terme, du plan ou programme. Le cas échéant, compte tenu du contenu et du niveau de détail du plan ou programme, les incidences environnementales notables sont notamment évaluées compte tenu des normes de qualité environnementale établies conformément au titre II, chapitre II, du présent décret ;
9° les mesures pour éviter, limiter et, dans la mesure du possible, compenser toute incidence négative notable de la mise en oeuvre du plan ou programme sur l'environnement ;
10° une déclaration résumant les raisons pour lesquelles, compte tenu de l'objectif et du champ d'application géographique du plan ou programme, les alternatives raisonnables envisagées ont été sélectionnées et une description de la manière dont l'évaluation a été effectuée, en ce compris les difficultés rencontrées, telles que les déficiences techniques ou le manque de savoir-faire, lors de la collecte des informations requises ;
11° une description des mesures de suivi ;
12° un résumé non technique des données, visées aux points 1° à 10° ;
13° les informations utiles sur les incidences environnementales des plans et programmes obtenues à d'autres niveaux du processus décisionnel ou en vertu d'autres législations et qui peuvent être utilisées pour fournir les données, visées aux points 1° à 10°.
Le RIE de plan contient les informations qui peuvent être raisonnablement exigées pour parvenir à une déclaration environnementale pour le plan ou programme envisagé. Dans le RIE de plan, il est tenu compte :
1° des connaissances et méthodes d'évaluation existantes ;
2° du contenu et du niveau de détail du plan ou programme.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant le contenu du RIE de plan. ".
" Art. 4.4.4. Le RIE de plan comprend au moins toutes les données suivantes :
1° un résumé du contenu, une description des objectifs principaux du plan ou programme et les liens avec d'autres plans et programmes pertinents ;
2° des informations sur le processus décisionnel ;
3° les aspects pertinents de la situation environnementale existante ainsi que son évolution probable si le plan ou programme n'est pas mis en oeuvre ;
4° les caractéristiques environnementales des zones susceptibles d'être touchées de manière notable ;
5° tous les problèmes environnementaux existants liés au plan ou programme, en particulier ceux qui concernent les zones revêtant une importance particulière pour l'environnement, telles que les zones de protection spéciale visées dans le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
6° les objectifs de la protection de l'environnement pertinents et la manière dont ces objectifs et les considérations environnementales sont pris en compte au cours de l'élaboration du plan ou programme ;
7° le scoping motivé, pour lequel il est tenu compte des dispositions du chapitre 2, section 2, du présent titre ;
8° une description et une évaluation étayée, conformément au scoping, des incidences environnementales notables probables du plan ou programme et des alternatives raisonnables examinées sur, selon le cas, la santé et la sécurité humaines, l'aménagement du territoire, la biodiversité, la faune et la flore, les réserves d'énergie et de matières premières, le sol, l'eau, l'atmosphère, les facteurs climatiques, le bruit, la lumière, les biens matériels, le patrimoine culturel, en ce compris le patrimoine architectural et archéologique, le paysage, les réserves naturelles, la mobilité et le lien entre les facteurs énumérés. La description des incidences environnementales comprend les effets directs et, le cas échéant, les effets indirects, secondaires, cumulatifs et synergiques, permanents et temporaires, positifs et négatifs, à court, à moyen et à long terme, du plan ou programme. Le cas échéant, compte tenu du contenu et du niveau de détail du plan ou programme, les incidences environnementales notables sont notamment évaluées compte tenu des normes de qualité environnementale établies conformément au titre II, chapitre II, du présent décret ;
9° les mesures pour éviter, limiter et, dans la mesure du possible, compenser toute incidence négative notable de la mise en oeuvre du plan ou programme sur l'environnement ;
10° une déclaration résumant les raisons pour lesquelles, compte tenu de l'objectif et du champ d'application géographique du plan ou programme, les alternatives raisonnables envisagées ont été sélectionnées et une description de la manière dont l'évaluation a été effectuée, en ce compris les difficultés rencontrées, telles que les déficiences techniques ou le manque de savoir-faire, lors de la collecte des informations requises ;
11° une description des mesures de suivi ;
12° un résumé non technique des données, visées aux points 1° à 10° ;
13° les informations utiles sur les incidences environnementales des plans et programmes obtenues à d'autres niveaux du processus décisionnel ou en vertu d'autres législations et qui peuvent être utilisées pour fournir les données, visées aux points 1° à 10°.
Le RIE de plan contient les informations qui peuvent être raisonnablement exigées pour parvenir à une déclaration environnementale pour le plan ou programme envisagé. Dans le RIE de plan, il est tenu compte :
1° des connaissances et méthodes d'évaluation existantes ;
2° du contenu et du niveau de détail du plan ou programme.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant le contenu du RIE de plan. ".
Art. 41. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 3 een artikel 4.4.5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.4.5. § 1. Bij de milieubeoordeling van een project worden de directe en indirecte aanzienlijke effecten van een project per geval op passende wijze geïdentificeerd, beschreven en beoordeeld op de volgende factoren:
1° de bevolking en de menselijke gezondheid;
2° de biodiversiteit, met bijzondere aandacht voor de beschermde soorten en habitats, vermeld in bijlage I tot en met IV van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
3° land, bodem, water, lucht en klimaat;
4° materiële goederen, het cultureel erfgoed en het landschap;
5° de samenhang tussen de factoren, vermeld in punt 1° tot en met 4°.
De effecten op de factoren, vermeld in het eerste lid, omvatten de verwachte effecten die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project voor risico's op zware ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie.
§ 2. Het project-MER bevat ten minste al de volgende gegevens:
1° een beschrijving van het project met informatie over de locatie, het ontwerp, de omvang en andere relevante kenmerken van het project;
2° de gemotiveerde scoping; hierbij wordt rekening gehouden met de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2, van deze titel;
3° een beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project;
4° een beschrijving van de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om de mogelijk aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren;
5° een beschrijving van de redelijke alternatieven die de initiatiefnemer heeft onderzocht en die, onder meer rekening houdend met het doel en de geografische werkingssfeer van het project, relevant zijn voor het project en de specifieke kenmerken ervan, met opgave van de belangrijkste motieven voor de gekozen optie, in het licht van de milieueffecten van het project;
6° een niet-technische samenvatting van de gegevens, vermeld in punt 1° tot en met 5° ;
7° alle aanvullende informatie als vermeld in bijlage II, die bij dit decreet is gevoegd, die van belang is voor de specifieke kenmerken van een bepaald project of projecttype en voor de milieuaspecten die daardoor kunnen worden beïnvloed.
Het project-MER bevat de informatie die redelijkerwijze mag worden vereist om tot een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project te komen. In het project-MER wordt rekening gehouden met:
1° de bestaande kennis en beoordelingsmethoden;
2° de inhoud en het detailleringsniveau van het project.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over de inhoud van het project-MER.".
"Art. 4.4.5. § 1. Bij de milieubeoordeling van een project worden de directe en indirecte aanzienlijke effecten van een project per geval op passende wijze geïdentificeerd, beschreven en beoordeeld op de volgende factoren:
1° de bevolking en de menselijke gezondheid;
2° de biodiversiteit, met bijzondere aandacht voor de beschermde soorten en habitats, vermeld in bijlage I tot en met IV van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
3° land, bodem, water, lucht en klimaat;
4° materiële goederen, het cultureel erfgoed en het landschap;
5° de samenhang tussen de factoren, vermeld in punt 1° tot en met 4°.
De effecten op de factoren, vermeld in het eerste lid, omvatten de verwachte effecten die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project voor risico's op zware ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie.
§ 2. Het project-MER bevat ten minste al de volgende gegevens:
1° een beschrijving van het project met informatie over de locatie, het ontwerp, de omvang en andere relevante kenmerken van het project;
2° de gemotiveerde scoping; hierbij wordt rekening gehouden met de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2, van deze titel;
3° een beschrijving van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project;
4° een beschrijving van de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om de mogelijk aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren;
5° een beschrijving van de redelijke alternatieven die de initiatiefnemer heeft onderzocht en die, onder meer rekening houdend met het doel en de geografische werkingssfeer van het project, relevant zijn voor het project en de specifieke kenmerken ervan, met opgave van de belangrijkste motieven voor de gekozen optie, in het licht van de milieueffecten van het project;
6° een niet-technische samenvatting van de gegevens, vermeld in punt 1° tot en met 5° ;
7° alle aanvullende informatie als vermeld in bijlage II, die bij dit decreet is gevoegd, die van belang is voor de specifieke kenmerken van een bepaald project of projecttype en voor de milieuaspecten die daardoor kunnen worden beïnvloed.
Het project-MER bevat de informatie die redelijkerwijze mag worden vereist om tot een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project te komen. In het project-MER wordt rekening gehouden met:
1° de bestaande kennis en beoordelingsmethoden;
2° de inhoud en het detailleringsniveau van het project.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over de inhoud van het project-MER.".
Art. 41. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 3, un article 4.4.5, rédigé comme suit :
" Art. 4.4.5. § 1er. Lors de l'évaluation environnementale d'un projet, les incidences notables directes et indirectes d'un projet sont identifiées, décrites et évaluées de manière appropriée, au cas par cas, en fonction des facteurs suivants :
1° la population et la santé humaine ;
2° la biodiversité, en accordant une attention particulière aux espèces et habitats protégés, visés aux annexes I à IV du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
3° les terres, le sol, l'eau, l'air et le climat ;
4° les biens matériels, le patrimoine culturel et le paysage ;
5° le lien entre les facteurs, visés aux points 1° à 4°.
Les incidences sur les facteurs, visés à l'alinéa 1er, comprennent les incidences prévues qui découlent de la sensibilité du projet aux risques d'accidents majeurs et/ou de catastrophes en rapport avec le projet en question.
§ 2. Le RIE du projet comprend au moins toutes les données suivantes :
1° une description du projet contenant des informations sur la localisation, la conception, l'ampleur et d'autres caractéristiques pertinentes du projet ;
2° le scoping motivé, pour lequel il est tenu compte des dispositions du chapitre 2, section 2, du présent titre ;
3° une description des incidences environnementales notables probables du projet ;
4° une description des caractéristiques du projet ou des mesures prévues pour éviter, prévenir ou limiter et, dans la mesure du possible, compenser les incidences environnementales négatives notables probables ;
5° une description des alternatives raisonnables examinées par l'initiateur et qui, compte tenu notamment de l'objet et du champ d'application géographique du projet, sont pertinentes pour le projet et ses caractéristiques spécifiques, en précisant les principales raisons de l'option choisie, compte tenu des incidences environnementales du projet ;
6° un résumé non technique des données, visées aux points 1° à 5° ;
7° toute information complémentaire, visée à l'annexe II, jointe au présent décret, qui est pertinente pour les caractéristiques spécifiques d'un projet ou type de projet particulier et pour les aspects environnementaux susceptibles d'être affectés par ce projet ou type de projet.
Le RIE du projet contient les informations qui peuvent être raisonnablement exigées pour parvenir à une conclusion motivée sur les incidences environnementales notables du projet envisagé. Dans le RIE du projet, il est tenu compte :
1° des connaissances et méthodes d'évaluation existantes ;
2° du contenu et du niveau de détail du projet.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant le contenu du RIE du projet. ".
" Art. 4.4.5. § 1er. Lors de l'évaluation environnementale d'un projet, les incidences notables directes et indirectes d'un projet sont identifiées, décrites et évaluées de manière appropriée, au cas par cas, en fonction des facteurs suivants :
1° la population et la santé humaine ;
2° la biodiversité, en accordant une attention particulière aux espèces et habitats protégés, visés aux annexes I à IV du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
3° les terres, le sol, l'eau, l'air et le climat ;
4° les biens matériels, le patrimoine culturel et le paysage ;
5° le lien entre les facteurs, visés aux points 1° à 4°.
Les incidences sur les facteurs, visés à l'alinéa 1er, comprennent les incidences prévues qui découlent de la sensibilité du projet aux risques d'accidents majeurs et/ou de catastrophes en rapport avec le projet en question.
§ 2. Le RIE du projet comprend au moins toutes les données suivantes :
1° une description du projet contenant des informations sur la localisation, la conception, l'ampleur et d'autres caractéristiques pertinentes du projet ;
2° le scoping motivé, pour lequel il est tenu compte des dispositions du chapitre 2, section 2, du présent titre ;
3° une description des incidences environnementales notables probables du projet ;
4° une description des caractéristiques du projet ou des mesures prévues pour éviter, prévenir ou limiter et, dans la mesure du possible, compenser les incidences environnementales négatives notables probables ;
5° une description des alternatives raisonnables examinées par l'initiateur et qui, compte tenu notamment de l'objet et du champ d'application géographique du projet, sont pertinentes pour le projet et ses caractéristiques spécifiques, en précisant les principales raisons de l'option choisie, compte tenu des incidences environnementales du projet ;
6° un résumé non technique des données, visées aux points 1° à 5° ;
7° toute information complémentaire, visée à l'annexe II, jointe au présent décret, qui est pertinente pour les caractéristiques spécifiques d'un projet ou type de projet particulier et pour les aspects environnementaux susceptibles d'être affectés par ce projet ou type de projet.
Le RIE du projet contient les informations qui peuvent être raisonnablement exigées pour parvenir à une conclusion motivée sur les incidences environnementales notables du projet envisagé. Dans le RIE du projet, il est tenu compte :
1° des connaissances et méthodes d'évaluation existantes ;
2° du contenu et du niveau de détail du projet.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant le contenu du RIE du projet. ".
Art. 42. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 33, een afdeling 4 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 4. Raadpleging over het MER".
"Afdeling 4. Raadpleging over het MER".
Art. 42. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 4, inséré par l'article 33, une section 4, rédigée comme suit :
" Section 4. Consultation sur le RIE ".
" Section 4. Consultation sur le RIE ".
Art. 43. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 4, ingevoegd bij artikel 42, een artikel 4.4.6 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.4.6. § 1. De bevoegde overheid organiseert over het ontwerp van plan of programma samen met het plan-MER een openbaar onderzoek dat het betrokken publiek de gelegenheid biedt om opmerkingen en meningen over het ontwerp van plan of programma en het plan-MER te formuleren. Het openbaar onderzoek duurt minstens zestig dagen.
Als de verplichting tot organisatie van een openbaar onderzoek over het ontwerp van plan of programma al geldt met toepassing van andere regelgeving dan deze titel, gelden de procedureregels en de termijnen van die regelgeving voor de organisatie van het openbaar onderzoek. Als het openbaar onderzoek conform de betreffende wetgeving zich niet tot het betrokken publiek richt, wordt het openbaar onderzoek daartoe uitgebreid.
Het openbaar onderzoek vindt in elk geval plaats vóór het plan of programma wordt vastgesteld of aan de wetgevingsprocedure wordt onderworpen.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het openbaar onderzoek.
§ 2. De bevoegde overheid stelt het ontwerp van plan of programma samen met het plan-MER voor advies ter beschikking van het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en van de instanties die de Vlaamse Regering aanwijst.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. verleent advies over de kwaliteit van het plan-MER, waarbij het minstens de volledigheid ervan nagaat in het licht van de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.4.4, en het plan-MER toetst aan zijn scopingadvies of, in voorkomend geval, aan het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in artikel 4.4.2, § 4.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de vraag tot advies wordt gesteld, de wijze waarop en de termijnen waarin het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de geraadpleegde instanties hun adviezen meedelen.
§ 3. Als blijkt dat het plan of programma aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben of als de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewest daarom verzoeken, deelt de bevoegde overheid het ontwerp van plan of programma en het plan-MER voor advies mee aan de betrokken bevoegde autoriteiten.
De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels opdat met de betrokken bevoegde autoriteiten gedetailleerde regelingen en een redelijke termijn overeengekomen worden om ervoor te zorgen dat de relevante adviesinstanties en het betrokken publiek in de betrokken staat of gewest binnen een redelijke termijn geïnformeerd worden en de gelegenheid krijgen hun mening bekend te maken, en ook over de wijze waarop daarover overleg wordt gepleegd.".
"Art. 4.4.6. § 1. De bevoegde overheid organiseert over het ontwerp van plan of programma samen met het plan-MER een openbaar onderzoek dat het betrokken publiek de gelegenheid biedt om opmerkingen en meningen over het ontwerp van plan of programma en het plan-MER te formuleren. Het openbaar onderzoek duurt minstens zestig dagen.
Als de verplichting tot organisatie van een openbaar onderzoek over het ontwerp van plan of programma al geldt met toepassing van andere regelgeving dan deze titel, gelden de procedureregels en de termijnen van die regelgeving voor de organisatie van het openbaar onderzoek. Als het openbaar onderzoek conform de betreffende wetgeving zich niet tot het betrokken publiek richt, wordt het openbaar onderzoek daartoe uitgebreid.
Het openbaar onderzoek vindt in elk geval plaats vóór het plan of programma wordt vastgesteld of aan de wetgevingsprocedure wordt onderworpen.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het openbaar onderzoek.
§ 2. De bevoegde overheid stelt het ontwerp van plan of programma samen met het plan-MER voor advies ter beschikking van het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en van de instanties die de Vlaamse Regering aanwijst.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. verleent advies over de kwaliteit van het plan-MER, waarbij het minstens de volledigheid ervan nagaat in het licht van de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.4.4, en het plan-MER toetst aan zijn scopingadvies of, in voorkomend geval, aan het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in artikel 4.4.2, § 4.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de vraag tot advies wordt gesteld, de wijze waarop en de termijnen waarin het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de geraadpleegde instanties hun adviezen meedelen.
§ 3. Als blijkt dat het plan of programma aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben of als de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewest daarom verzoeken, deelt de bevoegde overheid het ontwerp van plan of programma en het plan-MER voor advies mee aan de betrokken bevoegde autoriteiten.
De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels opdat met de betrokken bevoegde autoriteiten gedetailleerde regelingen en een redelijke termijn overeengekomen worden om ervoor te zorgen dat de relevante adviesinstanties en het betrokken publiek in de betrokken staat of gewest binnen een redelijke termijn geïnformeerd worden en de gelegenheid krijgen hun mening bekend te maken, en ook over de wijze waarop daarover overleg wordt gepleegd.".
Art. 43. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 4, insérée par l'article 42, un article 4.4.6, rédigé comme suit :
" Art. 4.4.6. § 1er. L'autorité compétente organise une enquête publique sur le projet de plan ou programme ainsi que sur le RIE de plan, en donnant au public concerné l'occasion de formuler des remarques et avis sur le projet de plan ou programme et sur le RIE de plan. L'enquête publique dure au moins soixante jours.
Si l'obligation d'organiser une enquête publique sur le projet de plan ou programme s'applique déjà en application d'une réglementation autre que le présent titre, les règles de procédure et les délais de cette réglementation s'appliquent à l'organisation de l'enquête publique. Si, conformément à la législation en question, l'enquête publique ne s'adresse pas au public concerné, elle sera étendue à cette fin.
L'enquête publique a lieu en tout état de cause avant que le plan ou programme ne soit adopté ou soumis à la procédure législative.
Le Gouvernement flamand fixe d'autres modalités concernant l'enquête publique.
§ 2. L'autorité compétente met le projet de plan ou programme, ainsi que le RIE du plan, à la disposition du Centre d'Expertise flamand R.I.E. et des organes désignés par le Gouvernement flamand, pour avis.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet un avis sur la qualité du RIE du plan, en vérifiant au moins son exhaustivité compte tenu des données requises, visées à l'article 4.4.4, et en le confrontant à son avis de cadrage ou, le cas échéant, à l'avis de scoping intégré, visé à l'article 4.4.2, § 4.
Le Gouvernement flamand détermine la manière dont la demande d'avis est introduite, ainsi que les modalités et les délais dans lesquels le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et les organes consultés communiquent leurs avis.
§ 3. S'il s'avère que le plan ou programme est susceptible d'avoir des incidences environnementales transfrontalières ou transrégionales notables, ou si les autorités compétentes des Etats ou régions concernés en font la demande, l'autorité compétente communiquera le projet de plan ou programme et le RIE de plan aux autorités compétentes en question, pour avis.
Le Gouvernement flamand fixe d'autres modalités afin de convenir de règles détaillées et d'un délai raisonnable avec les autorités compétentes pour garantir que les organes consultatifs et le public concerné dans l'Etat ou la région concerné(e) soient informés dans un délai raisonnable et aient l'occasion de faire connaître leur avis, et détermine les modalités de concertation à ce sujet. ".
" Art. 4.4.6. § 1er. L'autorité compétente organise une enquête publique sur le projet de plan ou programme ainsi que sur le RIE de plan, en donnant au public concerné l'occasion de formuler des remarques et avis sur le projet de plan ou programme et sur le RIE de plan. L'enquête publique dure au moins soixante jours.
Si l'obligation d'organiser une enquête publique sur le projet de plan ou programme s'applique déjà en application d'une réglementation autre que le présent titre, les règles de procédure et les délais de cette réglementation s'appliquent à l'organisation de l'enquête publique. Si, conformément à la législation en question, l'enquête publique ne s'adresse pas au public concerné, elle sera étendue à cette fin.
L'enquête publique a lieu en tout état de cause avant que le plan ou programme ne soit adopté ou soumis à la procédure législative.
Le Gouvernement flamand fixe d'autres modalités concernant l'enquête publique.
§ 2. L'autorité compétente met le projet de plan ou programme, ainsi que le RIE du plan, à la disposition du Centre d'Expertise flamand R.I.E. et des organes désignés par le Gouvernement flamand, pour avis.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet un avis sur la qualité du RIE du plan, en vérifiant au moins son exhaustivité compte tenu des données requises, visées à l'article 4.4.4, et en le confrontant à son avis de cadrage ou, le cas échéant, à l'avis de scoping intégré, visé à l'article 4.4.2, § 4.
Le Gouvernement flamand détermine la manière dont la demande d'avis est introduite, ainsi que les modalités et les délais dans lesquels le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et les organes consultés communiquent leurs avis.
§ 3. S'il s'avère que le plan ou programme est susceptible d'avoir des incidences environnementales transfrontalières ou transrégionales notables, ou si les autorités compétentes des Etats ou régions concernés en font la demande, l'autorité compétente communiquera le projet de plan ou programme et le RIE de plan aux autorités compétentes en question, pour avis.
Le Gouvernement flamand fixe d'autres modalités afin de convenir de règles détaillées et d'un délai raisonnable avec les autorités compétentes pour garantir que les organes consultatifs et le public concerné dans l'Etat ou la région concerné(e) soient informés dans un délai raisonnable et aient l'occasion de faire connaître leur avis, et détermine les modalités de concertation à ce sujet. ".
Art. 44. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 4 een artikel 4.4.7 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.4.7. § 1. De initiatiefnemer bezorgt het project-MER aan de overheid die bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen over de vergunningsaanvraag van het project. Het project-MER wordt onderworpen aan het openbaar onderzoek waarin voorzien is in de vergunningsprocedure in kwestie zodat het betrokken publiek over het project-MER opmerkingen en meningen kan formuleren. Het openbaar onderzoek duurt minstens dertig dagen.
Als in de regelgeving van de vergunningsprocedure in kwestie niet in de organisatie van een openbaar onderzoek is voorzien, organiseert de bevoegde overheid een openbaar onderzoek dat het betrokken publiek de gelegenheid biedt om opmerkingen en meningen over de vergunningsaanvraag en het project-MER te formuleren. Het openbaar onderzoek duurt minstens dertig dagen.
De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten van het openbaar onderzoek.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling van het Vlaams expertisecentrum m.e.r. met de administraties die betrokken zijn bij de vergunningsprocedure.
§ 2. De bevoegde overheid stelt de vergunningsaanvraag en het project-MER voor advies ter beschikking van de instanties die de Vlaamse Regering aanwijst.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de vraag om advies vermeld in het eerste lid, wordt gesteld, de wijze waarop en de termijnen waarin de geraadpleegde instanties voormelde adviezen meedelen.
§ 3. De bevoegde overheid stelt het project-MER ter beschikking van het Vlaams expertisecentrum m.e.r.
Na afsluiting van het openbaar onderzoek van de vergunningsprocedure, toetst het Vlaams expertisecentrum m.e.r. het project-MER:
1° aan de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.4.5, § 2;
2° in voorkomend geval, aan zijn scopingadvies of aan het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in artikel 4.4.3, § 4 en § 5;
3° aan de adviezen, opmerkingen en meningen, vermeld in paragraaf 1 en 2;
4° in voorkomend geval, het resultaat van de grens- of gewestgrensoverschrijdende raadpleging vermeld in paragraaf 4 van dit artikel en artikel 4.4.3, § 6.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. kan naast de adviezen, vermeld in paragraaf 2, ook het advies inwinnen van iedere dienst, instelling of organisatie die activiteiten ontwikkelt op het vlak van energie, leefmilieu, waterbeleid, landinrichting, natuurbehoud, ruimtelijke ordening, veiligheid of mobiliteit die ze nuttig acht voor de toetsing, vermeld in het tweede lid.
Het resultaat van de toetsing, vermeld in het tweede lid, leidt tot de beslissing tot goedkeuring of afkeuring van het project-MER.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het project-MER ter beschikking wordt gesteld, de wijze waarop en de termijnen waarin het Vlaams expertisecentrum m.e.r. zijn beslissing tot goedkeuring of afkeuring meedeelt.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de beslissing tot goedkeuring of afkeuring van het project-MER en voor de bekendmaking ervan.
§ 4. Als blijkt dat het project aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben of als de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten daarom verzoeken, deelt de bevoegde overheid al de volgende informatie mee aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten:
1° een beschrijving van het project, met alle beschikbare informatie over het mogelijke grensoverschrijdende effect ervan;
2° het project-MER;
3° informatie over de aard van de beslissing die kan worden genomen.
De mededeling, vermeld in het eerste lid, gebeurt zo spoedig mogelijk en uiterlijk als het openbaar onderzoek start. De voormelde mededeling maakt mogelijk dat de relevante adviesinstanties en het betrokken publiek in de betrokken staten of gewesten binnen een redelijke termijn geïnformeerd worden en de gelegenheid krijgen hun adviezen en opmerkingen bekend te maken.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de informatie, vermeld in het eerste lid, wordt meegedeeld en de wijze waarop en termijn waarin de adviezen, de opmerkingen en de meningen, vermeld in het tweede lid, bezorgd worden, en ook de wijze waarop overleg daarover wordt gepleegd.
§ 5. De bevoegde overheid stelt de adviezen, vermeld in paragraaf 2, het project-MER, de beslissing tot de goedkeuring of afkeuring van het project-MER, vermeld in paragraaf 3, vierde lid, en, in voorkomend geval, het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in artikel 4.4.3, § 4, ter beschikking van het betrokken publiek.
De Vlaamse Regering stelt vast op welke wijze en binnen welke termijnen de informatie, vermeld in het eerste lid, ter beschikking wordt gesteld.".
"Art. 4.4.7. § 1. De initiatiefnemer bezorgt het project-MER aan de overheid die bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen over de vergunningsaanvraag van het project. Het project-MER wordt onderworpen aan het openbaar onderzoek waarin voorzien is in de vergunningsprocedure in kwestie zodat het betrokken publiek over het project-MER opmerkingen en meningen kan formuleren. Het openbaar onderzoek duurt minstens dertig dagen.
Als in de regelgeving van de vergunningsprocedure in kwestie niet in de organisatie van een openbaar onderzoek is voorzien, organiseert de bevoegde overheid een openbaar onderzoek dat het betrokken publiek de gelegenheid biedt om opmerkingen en meningen over de vergunningsaanvraag en het project-MER te formuleren. Het openbaar onderzoek duurt minstens dertig dagen.
De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten van het openbaar onderzoek.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling van het Vlaams expertisecentrum m.e.r. met de administraties die betrokken zijn bij de vergunningsprocedure.
§ 2. De bevoegde overheid stelt de vergunningsaanvraag en het project-MER voor advies ter beschikking van de instanties die de Vlaamse Regering aanwijst.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de vraag om advies vermeld in het eerste lid, wordt gesteld, de wijze waarop en de termijnen waarin de geraadpleegde instanties voormelde adviezen meedelen.
§ 3. De bevoegde overheid stelt het project-MER ter beschikking van het Vlaams expertisecentrum m.e.r.
Na afsluiting van het openbaar onderzoek van de vergunningsprocedure, toetst het Vlaams expertisecentrum m.e.r. het project-MER:
1° aan de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.4.5, § 2;
2° in voorkomend geval, aan zijn scopingadvies of aan het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in artikel 4.4.3, § 4 en § 5;
3° aan de adviezen, opmerkingen en meningen, vermeld in paragraaf 1 en 2;
4° in voorkomend geval, het resultaat van de grens- of gewestgrensoverschrijdende raadpleging vermeld in paragraaf 4 van dit artikel en artikel 4.4.3, § 6.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. kan naast de adviezen, vermeld in paragraaf 2, ook het advies inwinnen van iedere dienst, instelling of organisatie die activiteiten ontwikkelt op het vlak van energie, leefmilieu, waterbeleid, landinrichting, natuurbehoud, ruimtelijke ordening, veiligheid of mobiliteit die ze nuttig acht voor de toetsing, vermeld in het tweede lid.
Het resultaat van de toetsing, vermeld in het tweede lid, leidt tot de beslissing tot goedkeuring of afkeuring van het project-MER.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het project-MER ter beschikking wordt gesteld, de wijze waarop en de termijnen waarin het Vlaams expertisecentrum m.e.r. zijn beslissing tot goedkeuring of afkeuring meedeelt.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de beslissing tot goedkeuring of afkeuring van het project-MER en voor de bekendmaking ervan.
§ 4. Als blijkt dat het project aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben of als de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten daarom verzoeken, deelt de bevoegde overheid al de volgende informatie mee aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten:
1° een beschrijving van het project, met alle beschikbare informatie over het mogelijke grensoverschrijdende effect ervan;
2° het project-MER;
3° informatie over de aard van de beslissing die kan worden genomen.
De mededeling, vermeld in het eerste lid, gebeurt zo spoedig mogelijk en uiterlijk als het openbaar onderzoek start. De voormelde mededeling maakt mogelijk dat de relevante adviesinstanties en het betrokken publiek in de betrokken staten of gewesten binnen een redelijke termijn geïnformeerd worden en de gelegenheid krijgen hun adviezen en opmerkingen bekend te maken.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de informatie, vermeld in het eerste lid, wordt meegedeeld en de wijze waarop en termijn waarin de adviezen, de opmerkingen en de meningen, vermeld in het tweede lid, bezorgd worden, en ook de wijze waarop overleg daarover wordt gepleegd.
§ 5. De bevoegde overheid stelt de adviezen, vermeld in paragraaf 2, het project-MER, de beslissing tot de goedkeuring of afkeuring van het project-MER, vermeld in paragraaf 3, vierde lid, en, in voorkomend geval, het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in artikel 4.4.3, § 4, ter beschikking van het betrokken publiek.
De Vlaamse Regering stelt vast op welke wijze en binnen welke termijnen de informatie, vermeld in het eerste lid, ter beschikking wordt gesteld.".
Art. 44. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 4, un article 4.4.7, rédigé comme suit :
" Art. 4.4.7. § 1er. L'initiateur remet le RIE du projet à l'autorité compétente pour prendre une décision sur la demande d'autorisation du projet en première instance administrative. Le RIE du projet est soumis à l'enquête publique prévue dans la procédure d'autorisation en question afin que le public concerné puisse formuler des remarques et avis sur le RIE du projet. L'enquête publique dure au moins trente jours.
Si la réglementation de la procédure d'autorisation en question ne prévoit pas l'organisation d'une enquête publique, l'autorité compétente organisera une enquête publique qui donne au public concerné l'occasion de formuler des remarques et avis sur la demande d'autorisation et le RIE du projet. L'enquête publique dure au moins trente jours.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités de l'enquête publique.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant la collaboration et l'échange d'informations du Centre d'Expertise flamand R.I.E. avec les administrations impliquées dans la procédure d'autorisation.
§ 2. L'autorité compétente met la demande d'autorisation et le RIE du projet à la disposition des organes désignés par le Gouvernement flamand, pour avis.
Le Gouvernement flamand détermine la manière dont la demande d'avis, visée à l'alinéa 1er, est introduite, ainsi que les modalités et les délais dans lesquels les organes consultés communiquent les avis précités.
§ 3. L'autorité compétente met le RIE du projet à la disposition du Centre d'Expertise flamand R.I.E.
Après clôture de l'enquête publique de la procédure d'autorisation, le Centre d'Expertise flamand R.I.E. confronte le RIE du projet :
1° aux données requises, visées à l'article 4.4.5, § 2 ;
2° le cas échéant, à son avis de cadrage ou à l'avis de cadrage intégré, visé à l'article 4.4.3, §§ 4 et 5 ;
3° aux remarques et avis, visés aux paragraphes 1er et 2 ;
4° le cas échéant, au résultat de la consultation transfrontalière ou transré-gionale, visée au paragraphe 4 du présent article et à l'article 4.4.3, § 6.
Outre les avis visés au paragraphe 2, le Centre d'Expertise flamand R.I.E. peut également recueillir l'avis de tout service, institution ou organisation développant des activités dans le domaine de l'énergie, de l'environnement, de la politique de l'eau, de la rénovation rurale, de la conservation de la nature, de l'aménagement du territoire, de la sécurité ou de la mobilité, qu'il juge utile pour l'évaluation, visée à l'alinéa 2.
Le résultat de l'évaluation, visée à l'alinéa 2, débouche sur la décision d'approbation ou de rejet du RIE du projet.
Le Gouvernement flamand détermine la manière dont le RIE du projet est mis à disposition, ainsi que les modalités et les délais dans lesquels le Centre d'Expertise flamand R.I.E. communique sa décision d'approbation ou de rejet.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant la décision d'approbation ou de rejet du RIE du projet et sa publication.
§ 4. S'il s'avère que le projet est susceptible d'avoir des incidences environnementales transfrontalières ou transrégionales notables, ou si les autorités compétentes des Etats ou régions concernés en font la demande, l'autorité compétente communiquera toutes les informations suivantes aux autorités compétentes des états ou régions concernés :
1° une description du projet contenant toutes les informations disponibles sur ses incidences transfrontalières probables ;
2° le RIE du projet ;
3° des informations sur la nature de la décision qui peut être prise.
La communication, visée à l'alinéa 1er, a lieu dès que possible et au plus tard au début de l'enquête publique. La communication susmentionnée permet aux organes consultatifs pertinents et au public concerné dans les Etats ou régions concernés d'être informés dans un délai raisonnable et d'avoir l'occasion de faire connaître leurs avis et remarques.
Le Gouvernement flamand détermine la manière dont les informations, visées à l'alinéa 1er, sont communiquées, les modalités et les délais dans lesquels les remarques et avis, visés à l'alinéa 2, sont formulés, ainsi que les modalités de concertation à ce sujet.
§ 5. L'autorité compétente met à la disposition du public concerné les avis, visés au paragraphe 2, le RIE du projet, la décision d'approbation ou de rejet du RIE du projet, visée au paragraphe 3, alinéa 4, et, le cas échéant, l'avis de cadrage intégré, visé à l'article 4.4.3, § 4.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités et les délais dans lesquels les informations, visées à l'alinéa 1er, sont mises à disposition. ".
" Art. 4.4.7. § 1er. L'initiateur remet le RIE du projet à l'autorité compétente pour prendre une décision sur la demande d'autorisation du projet en première instance administrative. Le RIE du projet est soumis à l'enquête publique prévue dans la procédure d'autorisation en question afin que le public concerné puisse formuler des remarques et avis sur le RIE du projet. L'enquête publique dure au moins trente jours.
Si la réglementation de la procédure d'autorisation en question ne prévoit pas l'organisation d'une enquête publique, l'autorité compétente organisera une enquête publique qui donne au public concerné l'occasion de formuler des remarques et avis sur la demande d'autorisation et le RIE du projet. L'enquête publique dure au moins trente jours.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités de l'enquête publique.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant la collaboration et l'échange d'informations du Centre d'Expertise flamand R.I.E. avec les administrations impliquées dans la procédure d'autorisation.
§ 2. L'autorité compétente met la demande d'autorisation et le RIE du projet à la disposition des organes désignés par le Gouvernement flamand, pour avis.
Le Gouvernement flamand détermine la manière dont la demande d'avis, visée à l'alinéa 1er, est introduite, ainsi que les modalités et les délais dans lesquels les organes consultés communiquent les avis précités.
§ 3. L'autorité compétente met le RIE du projet à la disposition du Centre d'Expertise flamand R.I.E.
Après clôture de l'enquête publique de la procédure d'autorisation, le Centre d'Expertise flamand R.I.E. confronte le RIE du projet :
1° aux données requises, visées à l'article 4.4.5, § 2 ;
2° le cas échéant, à son avis de cadrage ou à l'avis de cadrage intégré, visé à l'article 4.4.3, §§ 4 et 5 ;
3° aux remarques et avis, visés aux paragraphes 1er et 2 ;
4° le cas échéant, au résultat de la consultation transfrontalière ou transré-gionale, visée au paragraphe 4 du présent article et à l'article 4.4.3, § 6.
Outre les avis visés au paragraphe 2, le Centre d'Expertise flamand R.I.E. peut également recueillir l'avis de tout service, institution ou organisation développant des activités dans le domaine de l'énergie, de l'environnement, de la politique de l'eau, de la rénovation rurale, de la conservation de la nature, de l'aménagement du territoire, de la sécurité ou de la mobilité, qu'il juge utile pour l'évaluation, visée à l'alinéa 2.
Le résultat de l'évaluation, visée à l'alinéa 2, débouche sur la décision d'approbation ou de rejet du RIE du projet.
Le Gouvernement flamand détermine la manière dont le RIE du projet est mis à disposition, ainsi que les modalités et les délais dans lesquels le Centre d'Expertise flamand R.I.E. communique sa décision d'approbation ou de rejet.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant la décision d'approbation ou de rejet du RIE du projet et sa publication.
§ 4. S'il s'avère que le projet est susceptible d'avoir des incidences environnementales transfrontalières ou transrégionales notables, ou si les autorités compétentes des Etats ou régions concernés en font la demande, l'autorité compétente communiquera toutes les informations suivantes aux autorités compétentes des états ou régions concernés :
1° une description du projet contenant toutes les informations disponibles sur ses incidences transfrontalières probables ;
2° le RIE du projet ;
3° des informations sur la nature de la décision qui peut être prise.
La communication, visée à l'alinéa 1er, a lieu dès que possible et au plus tard au début de l'enquête publique. La communication susmentionnée permet aux organes consultatifs pertinents et au public concerné dans les Etats ou régions concernés d'être informés dans un délai raisonnable et d'avoir l'occasion de faire connaître leurs avis et remarques.
Le Gouvernement flamand détermine la manière dont les informations, visées à l'alinéa 1er, sont communiquées, les modalités et les délais dans lesquels les remarques et avis, visés à l'alinéa 2, sont formulés, ainsi que les modalités de concertation à ce sujet.
§ 5. L'autorité compétente met à la disposition du public concerné les avis, visés au paragraphe 2, le RIE du projet, la décision d'approbation ou de rejet du RIE du projet, visée au paragraphe 3, alinéa 4, et, le cas échéant, l'avis de cadrage intégré, visé à l'article 4.4.3, § 4.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités et les délais dans lesquels les informations, visées à l'alinéa 1er, sont mises à disposition. ".
Art. 45. Artikel 4.4.7. van hetzelfde decreet, ingevoegd bij artikel 44 van dit decreet, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 4.4.7. § 1. De initiatiefnemer bezorgt het project-MER aan de overheid die bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen over de vergunningsaanvraag voor het project. Het project-MER wordt onderworpen aan het openbaar onderzoek waarin voorzien is in de vergunningsprocedure in kwestie zodat het betrokken publiek over het project-MER opmerkingen en meningen kan formuleren. Het openbaar onderzoek duurt minstens dertig dagen.
Als in de regelgeving van de vergunningsprocedure in kwestie niet in de organisatie van een openbaar onderzoek is voorzien, organiseert de bevoegde overheid een openbaar onderzoek dat het betrokken publiek de gelegenheid biedt om opmerkingen en meningen over de vergunningsaanvraag en het project-MER te formuleren. Het openbaar onderzoek duurt minstens dertig dagen.
De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten van het openbaar onderzoek.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling van het Vlaams expertisecentrum m.e.r. met de administraties die betrokken zijn bij de vergunningsprocedure.
§ 2. De bevoegde overheid stelt de vergunningsaanvraag en het project-MER voor advies ter beschikking van het Vlaamse expertisecentrum m.e.r. en de instanties die de Vlaamse Regering aanwijst.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. verleent advies over de kwaliteit van het project-MER, waarbij het minstens de volledigheid ervan nagaat in het licht van de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.4.5, § 2, en, in voorkomend geval, het project-MER toetst aan zijn scopingadvies of aan het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in artikel 4.4.3, § 4 en § 5.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de vraag tot advies wordt gesteld, de wijze waarop en de termijnen waarin het Vlaams expertisecentrum m.e.r. de geraadpleegde instanties hun adviezen meedelen.
§ 3. Als blijkt dat het project aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben of als de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten daarom verzoeken, deelt de bevoegde overheid al de volgende informatie mee aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten:
1° een beschrijving van het project, met alle beschikbare informatie over het mogelijke grensoverschrijdende effect ervan;
2° het project-MER;
3° informatie over de aard van de beslissing die kan worden genomen.
De mededeling, vermeld in het eerste lid, gebeurt zo spoedig mogelijk en uiterlijk als het openbaar onderzoek start. De mededeling maakt mogelijk dat de relevante adviesinstanties en het betrokken publiek in de betrokken staten of gewesten binnen een redelijke termijn geïnformeerd worden en de gelegenheid krijgen hun adviezen en opmerkingen bekend te maken.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de informatie, vermeld in het eerste lid, wordt meegedeeld en de wijze waarop en termijn waarin de adviezen en de opmerkingen en de meningen, vermeld in het tweede lid, bezorgd worden, en ook de wijze waarop overleg daarover wordt gepleegd.
§ 4. De bevoegde overheid stelt de adviezen, vermeld in paragraaf 2, het project-MER, het kwaliteitsadvies, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, en, in voorkomend geval, het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in artikel 4.4.3, § 4, ter beschikking van het betrokken publiek.
De Vlaamse Regering stelt vast op welke wijze en binnen welke termijnen de informatie, vermeld in het eerste lid, ter beschikking wordt gesteld.".
"Art. 4.4.7. § 1. De initiatiefnemer bezorgt het project-MER aan de overheid die bevoegd is om in eerste administratieve aanleg een beslissing te nemen over de vergunningsaanvraag voor het project. Het project-MER wordt onderworpen aan het openbaar onderzoek waarin voorzien is in de vergunningsprocedure in kwestie zodat het betrokken publiek over het project-MER opmerkingen en meningen kan formuleren. Het openbaar onderzoek duurt minstens dertig dagen.
Als in de regelgeving van de vergunningsprocedure in kwestie niet in de organisatie van een openbaar onderzoek is voorzien, organiseert de bevoegde overheid een openbaar onderzoek dat het betrokken publiek de gelegenheid biedt om opmerkingen en meningen over de vergunningsaanvraag en het project-MER te formuleren. Het openbaar onderzoek duurt minstens dertig dagen.
De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten van het openbaar onderzoek.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling van het Vlaams expertisecentrum m.e.r. met de administraties die betrokken zijn bij de vergunningsprocedure.
§ 2. De bevoegde overheid stelt de vergunningsaanvraag en het project-MER voor advies ter beschikking van het Vlaamse expertisecentrum m.e.r. en de instanties die de Vlaamse Regering aanwijst.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. verleent advies over de kwaliteit van het project-MER, waarbij het minstens de volledigheid ervan nagaat in het licht van de vereiste gegevens, vermeld in artikel 4.4.5, § 2, en, in voorkomend geval, het project-MER toetst aan zijn scopingadvies of aan het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in artikel 4.4.3, § 4 en § 5.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de vraag tot advies wordt gesteld, de wijze waarop en de termijnen waarin het Vlaams expertisecentrum m.e.r. de geraadpleegde instanties hun adviezen meedelen.
§ 3. Als blijkt dat het project aanzienlijke grens- of gewestgrensoverschrijdende milieueffecten kan hebben of als de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten daarom verzoeken, deelt de bevoegde overheid al de volgende informatie mee aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten of gewesten:
1° een beschrijving van het project, met alle beschikbare informatie over het mogelijke grensoverschrijdende effect ervan;
2° het project-MER;
3° informatie over de aard van de beslissing die kan worden genomen.
De mededeling, vermeld in het eerste lid, gebeurt zo spoedig mogelijk en uiterlijk als het openbaar onderzoek start. De mededeling maakt mogelijk dat de relevante adviesinstanties en het betrokken publiek in de betrokken staten of gewesten binnen een redelijke termijn geïnformeerd worden en de gelegenheid krijgen hun adviezen en opmerkingen bekend te maken.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de informatie, vermeld in het eerste lid, wordt meegedeeld en de wijze waarop en termijn waarin de adviezen en de opmerkingen en de meningen, vermeld in het tweede lid, bezorgd worden, en ook de wijze waarop overleg daarover wordt gepleegd.
§ 4. De bevoegde overheid stelt de adviezen, vermeld in paragraaf 2, het project-MER, het kwaliteitsadvies, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, en, in voorkomend geval, het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in artikel 4.4.3, § 4, ter beschikking van het betrokken publiek.
De Vlaamse Regering stelt vast op welke wijze en binnen welke termijnen de informatie, vermeld in het eerste lid, ter beschikking wordt gesteld.".
Art. 45. L'article 4.4.7. du même décret, inséré par l'article 44 du présent décret, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 4.4.7. § 1er. L'initiateur remet le RIE du projet à l'autorité compétente pour prendre une décision sur la demande d'autorisation du projet en première instance administrative. Le RIE du projet est soumis à l'enquête publique prévue dans la procédure d'autorisation en question afin que le public concerné puisse formuler des remarques et avis sur le RIE du projet. L'enquête publique dure au moins trente jours.
Si la réglementation de la procédure d'autorisation en question ne prévoit pas l'organisation d'une enquête publique, l'autorité compétente organisera une enquête publique qui donne au public concerné l'occasion de formuler des remarques et avis sur la demande d'autorisation et le RIE du projet. L'enquête publique dure au moins trente jours.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités de l'enquête publique.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant la collaboration et l'échange d'informations du Centre d'Expertise flamand R.I.E. avec les administrations impliquées dans la procédure d'autorisation.
§ 2. L'autorité compétente met la demande d'autorisation et le RIE du projet à la disposition du Centre d'Expertise flamand R.I.E. et des organes désignés par le Gouvernement flamand, pour avis.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet un avis sur la qualité du RIE du projet, en vérifiant au moins son exhaustivité compte tenu des données requises, visées à l'article 4.4.5, § 2, et en le confrontant, le cas échéant, à son avis de cadrage ou à l'avis de cadrage intégré, visé à l'article 4.4.3, §§ 4 et 5.
Le Gouvernement flamand détermine la manière dont la demande d'avis est introduite, ainsi que les modalités et les délais dans lesquels le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et les organes consultés communiquent leurs avis.
§ 3. S'il s'avère que le projet est susceptible d'avoir des incidences environnementales transfrontalières ou transrégionales notables, ou si les autorités compétentes des Etats ou régions concernés en font la demande, l'autorité compétente communiquera toutes les informations suivantes aux autorités compétentes des états ou régions concernés :
1° une description du projet contenant toutes les informations disponibles sur ses incidences transfrontalières probables ;
2° le RIE du projet ;
3° des informations sur la nature de la décision qui peut être prise.
La communication, visée à l'alinéa 1er, a lieu dès que possible et au plus tard au début de l'enquête publique. La communication permet aux organes consultatifs pertinents et au public concerné dans les Etats ou régions concernés d'être informés dans un délai raisonnable et d'avoir l'occasion de faire connaître leurs avis et remarques.
Le Gouvernement flamand détermine la manière dont les informations, visées à l'alinéa 1er, sont communiquées, les modalités et les délais dans lesquels les remarques et avis, visés à l'alinéa 2, sont émis, ainsi que les modalités de concertation à ce sujet.
§ 4. L'autorité compétente met à la disposition du public concerné les avis, visés au paragraphe 2, le RIE du projet, l'avis relatif à la qualité, visé au paragraphe 2, alinéa 2, et, le cas échéant, l'avis de cadrage intégré, visé à l'article 4.4.3, § 4.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités et les délais dans lesquels les informations, visées à l'alinéa 1er, sont mises à disposition. ".
" Art. 4.4.7. § 1er. L'initiateur remet le RIE du projet à l'autorité compétente pour prendre une décision sur la demande d'autorisation du projet en première instance administrative. Le RIE du projet est soumis à l'enquête publique prévue dans la procédure d'autorisation en question afin que le public concerné puisse formuler des remarques et avis sur le RIE du projet. L'enquête publique dure au moins trente jours.
Si la réglementation de la procédure d'autorisation en question ne prévoit pas l'organisation d'une enquête publique, l'autorité compétente organisera une enquête publique qui donne au public concerné l'occasion de formuler des remarques et avis sur la demande d'autorisation et le RIE du projet. L'enquête publique dure au moins trente jours.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités de l'enquête publique.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant la collaboration et l'échange d'informations du Centre d'Expertise flamand R.I.E. avec les administrations impliquées dans la procédure d'autorisation.
§ 2. L'autorité compétente met la demande d'autorisation et le RIE du projet à la disposition du Centre d'Expertise flamand R.I.E. et des organes désignés par le Gouvernement flamand, pour avis.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet un avis sur la qualité du RIE du projet, en vérifiant au moins son exhaustivité compte tenu des données requises, visées à l'article 4.4.5, § 2, et en le confrontant, le cas échéant, à son avis de cadrage ou à l'avis de cadrage intégré, visé à l'article 4.4.3, §§ 4 et 5.
Le Gouvernement flamand détermine la manière dont la demande d'avis est introduite, ainsi que les modalités et les délais dans lesquels le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et les organes consultés communiquent leurs avis.
§ 3. S'il s'avère que le projet est susceptible d'avoir des incidences environnementales transfrontalières ou transrégionales notables, ou si les autorités compétentes des Etats ou régions concernés en font la demande, l'autorité compétente communiquera toutes les informations suivantes aux autorités compétentes des états ou régions concernés :
1° une description du projet contenant toutes les informations disponibles sur ses incidences transfrontalières probables ;
2° le RIE du projet ;
3° des informations sur la nature de la décision qui peut être prise.
La communication, visée à l'alinéa 1er, a lieu dès que possible et au plus tard au début de l'enquête publique. La communication permet aux organes consultatifs pertinents et au public concerné dans les Etats ou régions concernés d'être informés dans un délai raisonnable et d'avoir l'occasion de faire connaître leurs avis et remarques.
Le Gouvernement flamand détermine la manière dont les informations, visées à l'alinéa 1er, sont communiquées, les modalités et les délais dans lesquels les remarques et avis, visés à l'alinéa 2, sont émis, ainsi que les modalités de concertation à ce sujet.
§ 4. L'autorité compétente met à la disposition du public concerné les avis, visés au paragraphe 2, le RIE du projet, l'avis relatif à la qualité, visé au paragraphe 2, alinéa 2, et, le cas échéant, l'avis de cadrage intégré, visé à l'article 4.4.3, § 4.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités et les délais dans lesquels les informations, visées à l'alinéa 1er, sont mises à disposition. ".
Art. 46. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 33, een afdeling 5 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 5. Besluitvorming".
"Afdeling 5. Besluitvorming".
Art. 46. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 4, inséré par l'article 33, une section 5, rédigée comme suit :
" Section 5. Processus décisionnel ".
" Section 5. Processus décisionnel ".
Art. 47. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 5, ingevoegd bij artikel 46, een artikel 4.4.8 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.4.8. § 1. De bevoegde overheid houdt bij haar beslissing over het voorgenomen plan of programma en, in voorkomend geval, ook bij de uitwerking ervan rekening met al de volgende elementen:
1° het plan-MER;
2° de opmerkingen en meningen, adviezen en het resultaat van de grens- of gewestgrensoverschrijdende raadpleging, vermeld in artikel 4.4.2, § 2 tot en met § 5, en artikel 4.4.6.
De bevoegde overheid motiveert haar beslissing in het bijzonder door de opmaak van de verklaring, vermeld in artikel 4.1.1, 6°, e), en, in voorkomend geval, met betrekking tot de actualiteit van het MER.
§ 2. Als een plan of programma wordt vastgesteld, brengt de bevoegde overheid het publiek, de instanties die conform artikel 4.4.6, § 2, worden geraadpleegd, en, in voorkomend geval, de bevoegde autoriteiten van de staten of gewesten die met toepassing van artikel 4.4.6, § 3, zijn betrokken, op de hoogte van al de volgende elementen:
1° het plan of programma zoals het is vastgesteld;
2° de verklaring, vermeld in artikel 4.1.1, 6°, e);
3° de monitoringsmaatregelen waartoe wordt besloten met toepassing van artikel 4.5.4.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop en de termijn waarin de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, gebeurt.".
"Art. 4.4.8. § 1. De bevoegde overheid houdt bij haar beslissing over het voorgenomen plan of programma en, in voorkomend geval, ook bij de uitwerking ervan rekening met al de volgende elementen:
1° het plan-MER;
2° de opmerkingen en meningen, adviezen en het resultaat van de grens- of gewestgrensoverschrijdende raadpleging, vermeld in artikel 4.4.2, § 2 tot en met § 5, en artikel 4.4.6.
De bevoegde overheid motiveert haar beslissing in het bijzonder door de opmaak van de verklaring, vermeld in artikel 4.1.1, 6°, e), en, in voorkomend geval, met betrekking tot de actualiteit van het MER.
§ 2. Als een plan of programma wordt vastgesteld, brengt de bevoegde overheid het publiek, de instanties die conform artikel 4.4.6, § 2, worden geraadpleegd, en, in voorkomend geval, de bevoegde autoriteiten van de staten of gewesten die met toepassing van artikel 4.4.6, § 3, zijn betrokken, op de hoogte van al de volgende elementen:
1° het plan of programma zoals het is vastgesteld;
2° de verklaring, vermeld in artikel 4.1.1, 6°, e);
3° de monitoringsmaatregelen waartoe wordt besloten met toepassing van artikel 4.5.4.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop en de termijn waarin de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, gebeurt.".
Art. 47. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 5, insérée par l'article 46, un article 4.4.8, rédigé comme suit :
" Art. 4.4.8. § 1er. Lors de sa décision relative au plan ou programme envisagé et, le cas échéant, lors de son élaboration, l'autorité compétente tient compte de tous les éléments suivants :
1° le RIE de plan ;
2° les remarques et avis, ainsi que le résultat de la consultation transfrontalière ou transrégionale, visée à l'article 4.4.2, §§ 2 à 5, et à l'article 4.4.6.
L'autorité compétente motive sa décision notamment en établissant la déclaration, visée à l'article 4.1.1, 6°, e), et, le cas échéant, en ce qui concerne l'actualité du RIE.
§ 2. Lors de l'adoption d'un plan ou programme, l'autorité compétente informe le public, les organes consultés conformément à l'article 4.4.6, § 2, et, le cas échéant, les autorités compétentes des Etats ou régions concernés en application de l'article 4.4.6, § 3, de tous les éléments suivants :
1° le plan ou programme tel qu'il a été adopté ;
2° la déclaration, visée à l'article 4.1.1, 6°, e) ;
3° les mesures de suivi décidées en application de l'article 4.5.4.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités et les délais dans lesquels la notification, visée à l'alinéa 1er, s'effectue. ".
" Art. 4.4.8. § 1er. Lors de sa décision relative au plan ou programme envisagé et, le cas échéant, lors de son élaboration, l'autorité compétente tient compte de tous les éléments suivants :
1° le RIE de plan ;
2° les remarques et avis, ainsi que le résultat de la consultation transfrontalière ou transrégionale, visée à l'article 4.4.2, §§ 2 à 5, et à l'article 4.4.6.
L'autorité compétente motive sa décision notamment en établissant la déclaration, visée à l'article 4.1.1, 6°, e), et, le cas échéant, en ce qui concerne l'actualité du RIE.
§ 2. Lors de l'adoption d'un plan ou programme, l'autorité compétente informe le public, les organes consultés conformément à l'article 4.4.6, § 2, et, le cas échéant, les autorités compétentes des Etats ou régions concernés en application de l'article 4.4.6, § 3, de tous les éléments suivants :
1° le plan ou programme tel qu'il a été adopté ;
2° la déclaration, visée à l'article 4.1.1, 6°, e) ;
3° les mesures de suivi décidées en application de l'article 4.5.4.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités et les délais dans lesquels la notification, visée à l'alinéa 1er, s'effectue. ".
Art. 48. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 5 een artikel 4.4.9 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.4.9. § 1. De bevoegde overheid houdt bij haar beslissing over het voorgenomen project en, in voorkomend geval, ook bij de uitwerking ervan terdege rekening met al de volgende elementen:
1° het project-MER;
2° de opmerkingen en meningen, adviezen, de beslissing over de goedkeuring of afkeuring van het project-MER en het resultaat van de grens- of gewestgrensoverschrijdende raadpleging, vermeld in artikel 4.4.3, § 2 tot en met § 6, en artikel 4.4.7, § 1 tot en met § 4.
De bevoegde overheid kan alleen maar de vergunning verlenen als het project-MER is goedgekeurd.
De bevoegde overheid motiveert haar beslissing over het voorgenomen project in het bijzonder op de volgende punten:
1° de inhoud van de vergunningsbeslissing en de eventuele vergunningsvoorwaarden die daaraan gekoppeld zijn;
2° de keuze voor de voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde deelalternatieven;
3° de aanvaardbaarheid van te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief;
4° de gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke effecten van de actie op het milieu;
5° in voorkomend geval, een beschrijving van de voornaamste maatregelen die in het project-MER zijn voorgesteld om aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren;
6° in voorkomend geval, de monitoringmaatregelen;
7° na bestudering van de opmerkingen en meningen van het betrokken publiek, de voornaamste redenen en overwegingen waarop de beslissing is gebaseerd, met inbegrip van de informatie over de inspraakprocedure, vermeld in het eerste lid, 2°, en het project-MER;
8° in voorkomend geval, de actualiteit van het project-MER.
§ 2. Als een beslissing over de vergunningsaanvraag is genomen, brengt de bevoegde overheid het betrokken publiek daarvan op de hoogte conform de bepalingen van de vergunningsprocedure in kwestie. De bevoegde overheid brengt het publiek, de instanties die conform artikel 4.4.7, § 2, zijn geraadpleegd, en, in voorkomend geval, de bevoegde autoriteiten van de staten of gewesten die met toepassing van artikel 4.4.7, § 4, zijn betrokken, op de hoogte binnen en gedurende de termijn die de Vlaamse Regering bepaalt.".
"Art. 4.4.9. § 1. De bevoegde overheid houdt bij haar beslissing over het voorgenomen project en, in voorkomend geval, ook bij de uitwerking ervan terdege rekening met al de volgende elementen:
1° het project-MER;
2° de opmerkingen en meningen, adviezen, de beslissing over de goedkeuring of afkeuring van het project-MER en het resultaat van de grens- of gewestgrensoverschrijdende raadpleging, vermeld in artikel 4.4.3, § 2 tot en met § 6, en artikel 4.4.7, § 1 tot en met § 4.
De bevoegde overheid kan alleen maar de vergunning verlenen als het project-MER is goedgekeurd.
De bevoegde overheid motiveert haar beslissing over het voorgenomen project in het bijzonder op de volgende punten:
1° de inhoud van de vergunningsbeslissing en de eventuele vergunningsvoorwaarden die daaraan gekoppeld zijn;
2° de keuze voor de voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde deelalternatieven;
3° de aanvaardbaarheid van te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief;
4° de gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke effecten van de actie op het milieu;
5° in voorkomend geval, een beschrijving van de voornaamste maatregelen die in het project-MER zijn voorgesteld om aanzienlijke nadelige milieueffecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren;
6° in voorkomend geval, de monitoringmaatregelen;
7° na bestudering van de opmerkingen en meningen van het betrokken publiek, de voornaamste redenen en overwegingen waarop de beslissing is gebaseerd, met inbegrip van de informatie over de inspraakprocedure, vermeld in het eerste lid, 2°, en het project-MER;
8° in voorkomend geval, de actualiteit van het project-MER.
§ 2. Als een beslissing over de vergunningsaanvraag is genomen, brengt de bevoegde overheid het betrokken publiek daarvan op de hoogte conform de bepalingen van de vergunningsprocedure in kwestie. De bevoegde overheid brengt het publiek, de instanties die conform artikel 4.4.7, § 2, zijn geraadpleegd, en, in voorkomend geval, de bevoegde autoriteiten van de staten of gewesten die met toepassing van artikel 4.4.7, § 4, zijn betrokken, op de hoogte binnen en gedurende de termijn die de Vlaamse Regering bepaalt.".
Art. 48. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 5, un article 4.4.9, rédigé comme suit :
" Art. 4.4.9. § 1er. Lors de sa décision relative au projet envisagé et, le cas échéant, lors de son élaboration, l'autorité compétente tient compte de tous les éléments suivants :
1° le RIE du projet ;
2° les remarques et avis, la décision relative à l'approbation ou au rejet du RIE du projet et le résultat de la consultation transfrontalière ou transrégionale, visée à l'article 4.4.3, §§ 2 à 6, et à l'article 4.4.7, §§ 1er à 4.
L'autorité compétente ne peut accorder l'autorisation que si le RIE du projet est approuvé.
L'autorité compétente motive sa décision relative au projet envisagé notamment par les points suivants :
1° le contenu de la décision d'autorisation et les éventuelles conditions d'autorisation y liées ;
2° le choix de l'action envisagée, d'une alternative particulière ou d'alternatives partielles particulières ;
3° l'acceptabilité des conséquences prévisibles ou probables de l'alternative choisie pour l'homme ou l'environnement ;
4° la conclusion motivée sur les incidences notables de l'action sur l'environnement ;
5° le cas échéant, une description des principales mesures proposées dans le RIE du projet pour éviter, prévenir ou limiter et, dans la mesure du possible, compenser les incidences environnementales négatives notables ;
6° le cas échéant, les mesures de suivi ;
7° après avoir étudié les remarques et les avis du public concerné, les principales raisons et considérations sur lesquelles la décision est fondée, en ce compris les informations relatives à la consultation publique, visée à l'alinéa 1er, 2°, et le RIE du projet ;
8° le cas échéant, l'actualité du RIE du projet.
§ 2. Une fois qu'une décision a été prise sur la demande d'autorisation, l'autorité compétente en informe le public concerné conformément aux dispositions de la procédure d'autorisation en question. L'autorité compétente informe le public, les organes consultés conformément à l'article 4.4.7, § 2, et, le cas échéant, les autorités compétentes des Etats ou régions concernés en application de l'article 4.4.7, § 4, dans le délai fixé par le Gouvernement flamand. ".
" Art. 4.4.9. § 1er. Lors de sa décision relative au projet envisagé et, le cas échéant, lors de son élaboration, l'autorité compétente tient compte de tous les éléments suivants :
1° le RIE du projet ;
2° les remarques et avis, la décision relative à l'approbation ou au rejet du RIE du projet et le résultat de la consultation transfrontalière ou transrégionale, visée à l'article 4.4.3, §§ 2 à 6, et à l'article 4.4.7, §§ 1er à 4.
L'autorité compétente ne peut accorder l'autorisation que si le RIE du projet est approuvé.
L'autorité compétente motive sa décision relative au projet envisagé notamment par les points suivants :
1° le contenu de la décision d'autorisation et les éventuelles conditions d'autorisation y liées ;
2° le choix de l'action envisagée, d'une alternative particulière ou d'alternatives partielles particulières ;
3° l'acceptabilité des conséquences prévisibles ou probables de l'alternative choisie pour l'homme ou l'environnement ;
4° la conclusion motivée sur les incidences notables de l'action sur l'environnement ;
5° le cas échéant, une description des principales mesures proposées dans le RIE du projet pour éviter, prévenir ou limiter et, dans la mesure du possible, compenser les incidences environnementales négatives notables ;
6° le cas échéant, les mesures de suivi ;
7° après avoir étudié les remarques et les avis du public concerné, les principales raisons et considérations sur lesquelles la décision est fondée, en ce compris les informations relatives à la consultation publique, visée à l'alinéa 1er, 2°, et le RIE du projet ;
8° le cas échéant, l'actualité du RIE du projet.
§ 2. Une fois qu'une décision a été prise sur la demande d'autorisation, l'autorité compétente en informe le public concerné conformément aux dispositions de la procédure d'autorisation en question. L'autorité compétente informe le public, les organes consultés conformément à l'article 4.4.7, § 2, et, le cas échéant, les autorités compétentes des Etats ou régions concernés en application de l'article 4.4.7, § 4, dans le délai fixé par le Gouvernement flamand. ".
Art. 49. In artikel 4.4.9, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij artikel 48 van dit decreet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
"2° de opmerkingen en meningen, adviezen en het resultaat van de grens- of gewestgrensoverschrijdende raadpleging, vermeld in artikel 4.4.3, § 2 tot en met § 6, en artikel 4.4.7, § 1 tot en met § 3.";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
1° in het eerste lid wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
"2° de opmerkingen en meningen, adviezen en het resultaat van de grens- of gewestgrensoverschrijdende raadpleging, vermeld in artikel 4.4.3, § 2 tot en met § 6, en artikel 4.4.7, § 1 tot en met § 3.";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 49. A l'article 4.4.9, § 1er, du même décret, inséré par l'article 48 du présent décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° les remarques et avis, ainsi que le résultat de la consultation transfrontalière ou transrégionale, visée à l'article 4.4.3, §§ 2 à 6, et à l'article 4.4.7, §§ 1er à 3. ";
2° l'alinéa 2 est abrogé.
1° dans l'alinéa 1er, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° les remarques et avis, ainsi que le résultat de la consultation transfrontalière ou transrégionale, visée à l'article 4.4.3, §§ 2 à 6, et à l'article 4.4.7, §§ 1er à 3. ";
2° l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 50. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in titel IV, ingevoegd bij artikel 3, een hoofdstuk 5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 5. Kwaliteitszorg".
"Hoofdstuk 5. Kwaliteitszorg".
Art. 50. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le titre IV, inséré par l'article 3, un chapitre 5, rédigé comme suit :
" Chapitre 5. Gestion de la qualité ".
" Chapitre 5. Gestion de la qualité ".
Art. 51. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 50, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 1. MER-deskundigen en MER-coördinatoren".
"Afdeling 1. MER-deskundigen en MER-coördinatoren".
Art. 51. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 5, inséré par l'article 50, une section 1re, rédigée comme suit :
" Section 1re. Experts RIE et coordinateurs RIE ".
" Section 1re. Experts RIE et coordinateurs RIE ".
Art. 52. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 1, ingevoegd bij artikel 51, een artikel 4.5.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.5.1. § 1. Het milieueffectrapport wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer. Om het milieueffectrapport op te stellen, doet de initiatiefnemer een beroep op een erkende MER-coördinator, die een team van deskundigen samenstelt. Het team bestaat uit erkende MER-deskundigen als het gaat om een project-MER.
§ 2. De initiatiefnemer stelt aan de MER-coördinator alle relevante informatie ter beschikking en verleent alle medewerking opdat de MER-coördinator zijn taak naar behoren kan vervullen.
§ 3. De erkende MER-coördinator en de deskundigen mogen geen persoonlijk belang hebben bij de realisatie van het voorgenomen plan, programma, project of de alternatieven ervoor. Ze voeren hun opdracht volledig onafhankelijk uit.
De onafhankelijkheid van de erkende MER-coördinator en de deskundigen wordt beoordeeld op het niveau van de individuele natuurlijke persoon.
Als de erkende MER-coördinator en de deskundigen betrokken zijn bij de opmaak van een plan-MER voor een plan of programma, belet de onafhankelijkheidsvereiste van de erkende MER-coördinator en de deskundigen niet dat ze nadien de milieubeoordeling uitvoeren van een project waarvoor het eerder vastgestelde plan of programma het kader voor de vergunningverlening vormt.
De onafhankelijkheidsvereiste van de erkende MER-coördinator en de deskundigen belet evenmin dat een MER-coördinator of deskundige bij de overheid werkt die het plan of programma opstelt, op voorwaarde dat er op het niveau van de administratie wordt voorzien in een functionele scheiding tussen enerzijds de MER-coördinator en de deskundigen en anderzijds de natuurlijke personen die belast zijn met de opmaak van het plan of programma.".
"Art. 4.5.1. § 1. Het milieueffectrapport wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer. Om het milieueffectrapport op te stellen, doet de initiatiefnemer een beroep op een erkende MER-coördinator, die een team van deskundigen samenstelt. Het team bestaat uit erkende MER-deskundigen als het gaat om een project-MER.
§ 2. De initiatiefnemer stelt aan de MER-coördinator alle relevante informatie ter beschikking en verleent alle medewerking opdat de MER-coördinator zijn taak naar behoren kan vervullen.
§ 3. De erkende MER-coördinator en de deskundigen mogen geen persoonlijk belang hebben bij de realisatie van het voorgenomen plan, programma, project of de alternatieven ervoor. Ze voeren hun opdracht volledig onafhankelijk uit.
De onafhankelijkheid van de erkende MER-coördinator en de deskundigen wordt beoordeeld op het niveau van de individuele natuurlijke persoon.
Als de erkende MER-coördinator en de deskundigen betrokken zijn bij de opmaak van een plan-MER voor een plan of programma, belet de onafhankelijkheidsvereiste van de erkende MER-coördinator en de deskundigen niet dat ze nadien de milieubeoordeling uitvoeren van een project waarvoor het eerder vastgestelde plan of programma het kader voor de vergunningverlening vormt.
De onafhankelijkheidsvereiste van de erkende MER-coördinator en de deskundigen belet evenmin dat een MER-coördinator of deskundige bij de overheid werkt die het plan of programma opstelt, op voorwaarde dat er op het niveau van de administratie wordt voorzien in een functionele scheiding tussen enerzijds de MER-coördinator en de deskundigen en anderzijds de natuurlijke personen die belast zijn met de opmaak van het plan of programma.".
Art. 52. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 1re, insérée par l'article 51, un article 4.5.1, rédigé comme suit :
" Art. 4.5.1. § 1er. Le rapport sur les incidences environnementales est établi sous la responsabilité et aux frais de l'initiateur. A cette fin, l'initiateur fait appel à un coordinateur RIE agréé, qui réunit une équipe d'experts. Cette équipe est composée d'experts RIE agréés lorsqu'il s'agit d'un RIE du projet.
§ 2. L'initiateur met toutes les informations pertinentes à la disposition du coordinateur RIE et lui apporte toute sa collaboration afin qu'il puisse dûment s'acquitter de sa mission.
§ 3. Le coordinateur RIE agréé et les experts ne peuvent avoir aucun intérêt personnel à la réalisation du plan, programme ou projet envisagé ou de ses alternatives. Ils exécutent sa mission en toute indépendance.
L'indépendance du coordinateur RIE agréé et des experts est évaluée au niveau de la personne physique individuelle.
Si le coordinateur RIE agréé et les experts participent à l'élaboration d'un RIE de plan pour un plan ou programme, l'exigence d'indépendance du coordinateur RIE agréé et des experts ne les empêche pas de procéder ultérieurement à l'évaluation environnementale d'un projet pour lequel le plan ou programme précédemment adopté constitue le cadre pour l'octroi d'autorisations.
L'exigence d'indépendance du coordinateur RIE agréé et des experts n'empêche pas non plus un coordinateur RIE ou un expert de travailler pour l'autorité qui élabore le plan ou programme, à condition qu'une séparation fonctionnelle soit assurée au niveau de l'administration entre, d'une part, le coordinateur RIE et les experts et, d'autre part, les personnes physiques chargées de l'élaboration du plan ou programme. ".
" Art. 4.5.1. § 1er. Le rapport sur les incidences environnementales est établi sous la responsabilité et aux frais de l'initiateur. A cette fin, l'initiateur fait appel à un coordinateur RIE agréé, qui réunit une équipe d'experts. Cette équipe est composée d'experts RIE agréés lorsqu'il s'agit d'un RIE du projet.
§ 2. L'initiateur met toutes les informations pertinentes à la disposition du coordinateur RIE et lui apporte toute sa collaboration afin qu'il puisse dûment s'acquitter de sa mission.
§ 3. Le coordinateur RIE agréé et les experts ne peuvent avoir aucun intérêt personnel à la réalisation du plan, programme ou projet envisagé ou de ses alternatives. Ils exécutent sa mission en toute indépendance.
L'indépendance du coordinateur RIE agréé et des experts est évaluée au niveau de la personne physique individuelle.
Si le coordinateur RIE agréé et les experts participent à l'élaboration d'un RIE de plan pour un plan ou programme, l'exigence d'indépendance du coordinateur RIE agréé et des experts ne les empêche pas de procéder ultérieurement à l'évaluation environnementale d'un projet pour lequel le plan ou programme précédemment adopté constitue le cadre pour l'octroi d'autorisations.
L'exigence d'indépendance du coordinateur RIE agréé et des experts n'empêche pas non plus un coordinateur RIE ou un expert de travailler pour l'autorité qui élabore le plan ou programme, à condition qu'une séparation fonctionnelle soit assurée au niveau de l'administration entre, d'une part, le coordinateur RIE et les experts et, d'autre part, les personnes physiques chargées de l'élaboration du plan ou programme. ".
Art. 53. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 1 een artikel 4.5.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.5.2. De bepalingen van titel V, hoofdstuk VI, zijn van toepassing op de erkenning van coördinatoren en deskundigen.".
"Art. 4.5.2. De bepalingen van titel V, hoofdstuk VI, zijn van toepassing op de erkenning van coördinatoren en deskundigen.".
Art. 53. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 1re, un article 4.5.2, rédigé comme suit :
" Art. 4.5.2. Les dispositions du titre V, chapitre VI, s'appliquent à l'agrément des coordinateurs et des experts. ".
" Art. 4.5.2. Les dispositions du titre V, chapitre VI, s'appliquent à l'agrément des coordinateurs et des experts. ".
Art. 54. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 50, een afdeling 2 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 2. Vlaams expertisecentrum m.e.r.".
"Afdeling 2. Vlaams expertisecentrum m.e.r.".
Art. 54. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 5, inséré par l'article 50, une section 2, rédigée comme suit :
" Section 2. Centre d'Expertise flamand R.I.E. ".
" Section 2. Centre d'Expertise flamand R.I.E. ".
Art. 55. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 2, ingevoegd bij artikel 54, een artikel 4.5.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.5.3. § 1. Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. verzamelt, beheert en actualiseert de wetenschappelijke onderbouwingen en informatie die nodig zijn om de kwaliteit en de uniformiteit van de milieubeoordeling te garanderen, en het stelt die wetenschappelijke onderbouwingen en informatie ook ter beschikking van:
1° het publiek;
2° de initiatiefnemers;
3° de erkende MER-coördinatoren;
4° de deskundigen;
5° de bevoegde overheden.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. faciliteert de samenwerking van de erkende MER-deskundigen, de erkende MER-coördinatoren en de adviesinstanties om een kennisnetwerk over milieueffectrapportage te onderhouden.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. vervult zijn taken op objectieve en onafhankelijke wijze en ziet erop toe dat het zich niet bevindt in een situatie die tot een belangenconflict aanleiding geeft.
§ 2. Op verzoek van het Vlaams expertisecentrum m.e.r. bezorgt de initiatiefnemer de data die zijn gebruikt om het milieueffectrapport op te maken, aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor de voormelde bezorging van data.".
"Art. 4.5.3. § 1. Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. verzamelt, beheert en actualiseert de wetenschappelijke onderbouwingen en informatie die nodig zijn om de kwaliteit en de uniformiteit van de milieubeoordeling te garanderen, en het stelt die wetenschappelijke onderbouwingen en informatie ook ter beschikking van:
1° het publiek;
2° de initiatiefnemers;
3° de erkende MER-coördinatoren;
4° de deskundigen;
5° de bevoegde overheden.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. faciliteert de samenwerking van de erkende MER-deskundigen, de erkende MER-coördinatoren en de adviesinstanties om een kennisnetwerk over milieueffectrapportage te onderhouden.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. vervult zijn taken op objectieve en onafhankelijke wijze en ziet erop toe dat het zich niet bevindt in een situatie die tot een belangenconflict aanleiding geeft.
§ 2. Op verzoek van het Vlaams expertisecentrum m.e.r. bezorgt de initiatiefnemer de data die zijn gebruikt om het milieueffectrapport op te maken, aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor de voormelde bezorging van data.".
Art. 55. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 2, insérée par l'article 54, un article 4.5.3, rédigé comme suit :
" Art. 4.5.3. § 1er. Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. collecte, gère et met à jour les arguments et informations scientifiques nécessaires pour assurer la qualité et l'uniformité de l'évaluation environnementale, et il met également ces arguments et informations scientifiques à la disposition :
1° du public ;
2° des initiateurs ;
3° des coordinateurs RIE agréés ;
4° des experts ;
5° des autorités compétentes.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. facilite la collaboration entre les experts RIE agréés, les coordinateurs RIE agréés et les organes consultatifs afin d'entretenir un réseau de connaissances sur les rapports d'incidences sur l'environnement.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. accomplit ses tâches de manière objective et indépendante et veille à ne pas se trouver dans une situation donnant lieu à un conflit d'intérêts.
§ 2. A la demande du Centre d'Expertise flamand R.I.E., l'initiateur fournit au Centre d'Expertise flamand R.I.E. les données utilisées pour élaborer le rapport sur les incidences environnementales. Le Gouvernement flamand fixe les conditions pour la fourniture précitée de données. ".
" Art. 4.5.3. § 1er. Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. collecte, gère et met à jour les arguments et informations scientifiques nécessaires pour assurer la qualité et l'uniformité de l'évaluation environnementale, et il met également ces arguments et informations scientifiques à la disposition :
1° du public ;
2° des initiateurs ;
3° des coordinateurs RIE agréés ;
4° des experts ;
5° des autorités compétentes.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. facilite la collaboration entre les experts RIE agréés, les coordinateurs RIE agréés et les organes consultatifs afin d'entretenir un réseau de connaissances sur les rapports d'incidences sur l'environnement.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. accomplit ses tâches de manière objective et indépendante et veille à ne pas se trouver dans une situation donnant lieu à un conflit d'intérêts.
§ 2. A la demande du Centre d'Expertise flamand R.I.E., l'initiateur fournit au Centre d'Expertise flamand R.I.E. les données utilisées pour élaborer le rapport sur les incidences environnementales. Le Gouvernement flamand fixe les conditions pour la fourniture précitée de données. ".
Art. 56. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 50, een afdeling 3 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 3. Monitoring".
"Afdeling 3. Monitoring".
Art. 56. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 5, inséré par l'article 50, une section 3, rédigée comme suit :
" Section 3. Suivi ".
" Section 3. Suivi ".
Art. 57. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 3, ingevoegd bij artikel 56, een artikel 4.5.4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.5.4. De bevoegde overheid gaat de aanzienlijke gevolgen na voor het milieu van de uitvoering van plannen en programma's waarvoor een plan-MER is opgesteld, onder meer om onvoorziene negatieve gevolgen in een vroeg stadium te kunnen identificeren en passende herstellende maatregelen te kunnen nemen.
Om te voldoen aan de bepalingen van het eerste lid, kunnen, als dat passend is, de bestaande monitoringsregelingen worden gebruikt om overlapping van monitoring te vermijden.
De resultaten van de monitoring, vermeld in het eerste lid, worden beschikbaar gesteld voor de instanties, vermeld in artikel 4.4.6, § 2, en voor het publiek.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de monitoring en het ter beschikking stellen van de resultaten ervan, vermeld in het eerste en het derde lid.".
"Art. 4.5.4. De bevoegde overheid gaat de aanzienlijke gevolgen na voor het milieu van de uitvoering van plannen en programma's waarvoor een plan-MER is opgesteld, onder meer om onvoorziene negatieve gevolgen in een vroeg stadium te kunnen identificeren en passende herstellende maatregelen te kunnen nemen.
Om te voldoen aan de bepalingen van het eerste lid, kunnen, als dat passend is, de bestaande monitoringsregelingen worden gebruikt om overlapping van monitoring te vermijden.
De resultaten van de monitoring, vermeld in het eerste lid, worden beschikbaar gesteld voor de instanties, vermeld in artikel 4.4.6, § 2, en voor het publiek.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de monitoring en het ter beschikking stellen van de resultaten ervan, vermeld in het eerste en het derde lid.".
Art. 57. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 3, insérée par l'article 56, un article 4.5.4, rédigé comme suit :
" Art. 4.5.4. L'autorité compétente vérifie les conséquences notables pour l'environnement de la mise en oeuvre des plans et programmes pour lesquels un RIE de plan a été élaboré, notamment pour pouvoir identifier les conséquences négatives imprévues à un stade précoce et prendre les mesures correctives appropriées.
Pour se conformer aux dispositions de l'alinéa 1er, les dispositifs de suivi existants peuvent être utilisés, le cas échéant, afin d'éviter le chevauchement du suivi.
Les résultats du suivi, visés à l'alinéa 1er, sont mis à la disposition des organes, visés à l'article 4.4.6, § 2, et du public.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant le suivi et la mise à disposition de ses résultats, visés aux alinéas 1er et 3. ".
" Art. 4.5.4. L'autorité compétente vérifie les conséquences notables pour l'environnement de la mise en oeuvre des plans et programmes pour lesquels un RIE de plan a été élaboré, notamment pour pouvoir identifier les conséquences négatives imprévues à un stade précoce et prendre les mesures correctives appropriées.
Pour se conformer aux dispositions de l'alinéa 1er, les dispositifs de suivi existants peuvent être utilisés, le cas échéant, afin d'éviter le chevauchement du suivi.
Les résultats du suivi, visés à l'alinéa 1er, sont mis à la disposition des organes, visés à l'article 4.4.6, § 2, et du public.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant le suivi et la mise à disposition de ses résultats, visés aux alinéas 1er et 3. ".
Art. 58. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 3 een artikel 4.5.5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.5.5. Er wordt over projecten of over categorieën van projecten die gedurende een bepaalde periode zijn uitgevoerd, die aanzienlijke nadelige milieueffecten kunnen veroorzaken en waarvoor een project-MER is opgesteld, een evaluatie of een monitoringsonderzoek van de aanzienlijke nadelige milieueffecten ten gevolge van de bouw en exploitatie van de projecten georganiseerd.
Om te voldoen aan de bepalingen van het eerste lid, kunnen, als dat passend is, bestaande monitoringsregelingen op grond van andere wetgeving worden gebruikt om overlapping van monitoring te vermijden.
Het soort parameters dat wordt gemonitord, en de looptijd van de monitoring zijn evenredig met de aard, de locatie en de omvang van het project en met het belang van de milieueffecten.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de procedure van de evaluatie en de monitoring, vermeld in het eerste lid.".
"Art. 4.5.5. Er wordt over projecten of over categorieën van projecten die gedurende een bepaalde periode zijn uitgevoerd, die aanzienlijke nadelige milieueffecten kunnen veroorzaken en waarvoor een project-MER is opgesteld, een evaluatie of een monitoringsonderzoek van de aanzienlijke nadelige milieueffecten ten gevolge van de bouw en exploitatie van de projecten georganiseerd.
Om te voldoen aan de bepalingen van het eerste lid, kunnen, als dat passend is, bestaande monitoringsregelingen op grond van andere wetgeving worden gebruikt om overlapping van monitoring te vermijden.
Het soort parameters dat wordt gemonitord, en de looptijd van de monitoring zijn evenredig met de aard, de locatie en de omvang van het project en met het belang van de milieueffecten.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de procedure van de evaluatie en de monitoring, vermeld in het eerste lid.".
Art. 58. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 3, un article 4.5.5, rédigé comme suit :
" Art. 4.5.5. Une évaluation ou une étude de suivi des incidences environnementales négatives notables résultant du développement et de l'exploitation des projets est organisée pour les projets ou catégories de projets mis en oeuvre au cours d'une période donnée qui sont susceptibles d'avoir des incidences environnementales négatives notables et pour lesquels un RIE du projet a été élaboré.
Pour se conformer aux dispositions de l'alinéa 1er, les dispositifs de suivi existants peuvent être utilisés conformément à une autre législation, le cas échéant, afin d'éviter le chevauchement du suivi.
Le type de paramètres suivis et la durée du suivi sont proportionnels à la nature, la localisation et l'ampleur du projet, ainsi qu'à l'importance des incidences environnementales.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant la procédure d'évaluation et de suivi, visée à l'alinéa 1er. ".
" Art. 4.5.5. Une évaluation ou une étude de suivi des incidences environnementales négatives notables résultant du développement et de l'exploitation des projets est organisée pour les projets ou catégories de projets mis en oeuvre au cours d'une période donnée qui sont susceptibles d'avoir des incidences environnementales négatives notables et pour lesquels un RIE du projet a été élaboré.
Pour se conformer aux dispositions de l'alinéa 1er, les dispositifs de suivi existants peuvent être utilisés conformément à une autre législation, le cas échéant, afin d'éviter le chevauchement du suivi.
Le type de paramètres suivis et la durée du suivi sont proportionnels à la nature, la localisation et l'ampleur du projet, ainsi qu'à l'importance des incidences environnementales.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant la procédure d'évaluation et de suivi, visée à l'alinéa 1er. ".
Art. 59. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt een titel IV/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Titel IV/1. Veiligheidsrapportage".
"Titel IV/1. Veiligheidsrapportage".
Art. 59. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré un titre IV/1, rédigé comme suit :
" Titre IV/1. Rapports de sécurité ".
" Titre IV/1. Rapports de sécurité ".
Art. 60. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in titel IV/1, ingevoegd bij artikel 59, een hoofdstuk 1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 1. Definities, procedurele bepalingen, doelstellingen en kenmerken van de veiligheidsrapportage".
"Hoofdstuk 1. Definities, procedurele bepalingen, doelstellingen en kenmerken van de veiligheidsrapportage".
Art. 60. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le titre IV/1, inséré par l'article 59, un chapitre 1er, rédigé comme suit :
" Chapitre 1er. Définitions, dispositions procédurales, objectifs et caractéristiques des rapports de sécurité ".
" Chapitre 1er. Définitions, dispositions procédurales, objectifs et caractéristiques des rapports de sécurité ".
Art. 61. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 60, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 1. Definities".
"Afdeling 1. Definities".
Art. 61. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 1er, inséré par l'article 60, une section 1re, rédigée comme suit :
" Section 1re. Définitions ".
" Section 1re. Définitions ".
Art. 62. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 1, ingevoegd bij artikel 61, een artikel 4/1.1.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4/1.1.1. In deze titel wordt verstaan onder:
1° actie: een ruimtelijk uitvoeringsplan of project;
2° administratie: de diensten die de Vlaamse Regering aanwijst die bevoegd zijn voor het leefmilieu;
3° betekening: aangetekend of met de elektronische post verzenden;
4° initiatiefnemer:
a) voor de verplichtingen voor de ruimtelijke uitvoeringsplannen waarbij het ruimtelijk uitvoeringsplan het kader vormt voor een of meer projecten van een of meer privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen: de overheid die het initiatief neemt om een ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken conform artikel 2.2.7, 2.2.12 en 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, tenzij die privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen een schriftelijk verzoek tot overname van die verplichtingen indienen bij de overheid die het initiatief neemt om een ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken conform artikel 2.2.7, 2.2.12 en 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en die overheid het verzoek inwilligt;
b) voor de verplichtingen voor andere ruimtelijke uitvoeringsplannen dan de ruimtelijke uitvoeringsplannen, vermeld in punt a): de overheid die het initiatief neemt om een ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken conform artikel 2.2.7, 2.2.12 en 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
c) voor de verplichtingen voor projecten: de aanvrager van een vergunning voor een project;
5° omgevingsveiligheidsrapport, afgekort OVR: een openbaar document waarin, naast een beschrijving van het veiligheidsbeheersysteem van een inrichting, van een project en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven de scenario's voor zware ongevallen in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geïdentificeerd, geanalyseerd en geëvalueerd, en waarin wordt aangetoond welke maatregelen kunnen en zullen worden getroffen om die zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen ervan voor mens en milieu te beperken;
6° publiek: een of meer natuurlijke of rechtspersonen en hun verenigingen, organisaties of groepen;
7° project: een voorgenomen vergunningsplichtige activiteit of een vergunningsplichtige activiteit die moet worden hervergund als de geldigheidsduur van de lopende vergunning is verstreken, die bestaat uit de exploitatie van een inrichting. De exploitatie van een inrichting is het hele gebied dat door een exploitant wordt beheerd en waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in een of meer installaties, met inbegrip van gemeenschappelijke of bijbehorende infrastructuur of activiteiten;
8° rapport: een RVR of een OVR;
9° ruimtelijk veiligheidsrapport, afgekort RVR: een openbaar document waarin van een voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven een wetenschappelijke beoordeling wordt gegeven over de geplande ontwikkelingen bij nieuwe of bestaande inrichtingen en hun omgeving, als de vestigingsplaats of de ontwikkelingen zelf het risico op een zwaar ongeval kunnen vergroten of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken;
10° samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016: het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 tussen de federale staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken;
11° veiligheidsnota: een openbaar document waarin aangetoond wordt dat de verandering van een vergunde inrichting geen bijkomend aanzienlijk risico van zware ongevallen voor mens en milieu meebrengt ten opzichte van de bestaande toestand zoals die beschreven is in een OVR dat goedgekeurd is voor die inrichting, en waarbij voor die verandering wordt aangetoond welke maatregelen genomen zijn of genomen kunnen worden om zware ongevallen te voorkomen en om de gevolgen ervan voor mens en milieu te beperken;
12° veiligheidsrapportage, afgekort v.r.: de procedure die al dan niet leidt tot het opstellen en goedkeuren van een ruimtelijk veiligheidsrapport of een omgevingsveiligheidsrapport over een voorgenomen actie en, in voorkomend geval, tot het gebruik ervan als hulpmiddel bij de besluitvorming omtrent deze actie.
De definities in artikel 2 van het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 gelden voor alle bepalingen van deze titel.".
"Art. 4/1.1.1. In deze titel wordt verstaan onder:
1° actie: een ruimtelijk uitvoeringsplan of project;
2° administratie: de diensten die de Vlaamse Regering aanwijst die bevoegd zijn voor het leefmilieu;
3° betekening: aangetekend of met de elektronische post verzenden;
4° initiatiefnemer:
a) voor de verplichtingen voor de ruimtelijke uitvoeringsplannen waarbij het ruimtelijk uitvoeringsplan het kader vormt voor een of meer projecten van een of meer privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen: de overheid die het initiatief neemt om een ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken conform artikel 2.2.7, 2.2.12 en 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, tenzij die privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen een schriftelijk verzoek tot overname van die verplichtingen indienen bij de overheid die het initiatief neemt om een ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken conform artikel 2.2.7, 2.2.12 en 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en die overheid het verzoek inwilligt;
b) voor de verplichtingen voor andere ruimtelijke uitvoeringsplannen dan de ruimtelijke uitvoeringsplannen, vermeld in punt a): de overheid die het initiatief neemt om een ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken conform artikel 2.2.7, 2.2.12 en 2.2.18 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
c) voor de verplichtingen voor projecten: de aanvrager van een vergunning voor een project;
5° omgevingsveiligheidsrapport, afgekort OVR: een openbaar document waarin, naast een beschrijving van het veiligheidsbeheersysteem van een inrichting, van een project en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven de scenario's voor zware ongevallen in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geïdentificeerd, geanalyseerd en geëvalueerd, en waarin wordt aangetoond welke maatregelen kunnen en zullen worden getroffen om die zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen ervan voor mens en milieu te beperken;
6° publiek: een of meer natuurlijke of rechtspersonen en hun verenigingen, organisaties of groepen;
7° project: een voorgenomen vergunningsplichtige activiteit of een vergunningsplichtige activiteit die moet worden hervergund als de geldigheidsduur van de lopende vergunning is verstreken, die bestaat uit de exploitatie van een inrichting. De exploitatie van een inrichting is het hele gebied dat door een exploitant wordt beheerd en waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in een of meer installaties, met inbegrip van gemeenschappelijke of bijbehorende infrastructuur of activiteiten;
8° rapport: een RVR of een OVR;
9° ruimtelijk veiligheidsrapport, afgekort RVR: een openbaar document waarin van een voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven een wetenschappelijke beoordeling wordt gegeven over de geplande ontwikkelingen bij nieuwe of bestaande inrichtingen en hun omgeving, als de vestigingsplaats of de ontwikkelingen zelf het risico op een zwaar ongeval kunnen vergroten of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken;
10° samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016: het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 tussen de federale staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken;
11° veiligheidsnota: een openbaar document waarin aangetoond wordt dat de verandering van een vergunde inrichting geen bijkomend aanzienlijk risico van zware ongevallen voor mens en milieu meebrengt ten opzichte van de bestaande toestand zoals die beschreven is in een OVR dat goedgekeurd is voor die inrichting, en waarbij voor die verandering wordt aangetoond welke maatregelen genomen zijn of genomen kunnen worden om zware ongevallen te voorkomen en om de gevolgen ervan voor mens en milieu te beperken;
12° veiligheidsrapportage, afgekort v.r.: de procedure die al dan niet leidt tot het opstellen en goedkeuren van een ruimtelijk veiligheidsrapport of een omgevingsveiligheidsrapport over een voorgenomen actie en, in voorkomend geval, tot het gebruik ervan als hulpmiddel bij de besluitvorming omtrent deze actie.
De definities in artikel 2 van het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 gelden voor alle bepalingen van deze titel.".
Art. 62. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 1re, insérée par l'article 61, un article 4/1.1.1, rédigé comme suit :
" Art. 4/1.1.1. Dans le présent titre, on entend par :
1° action : un plan d'exécution spatiale ou projet ;
2° administration : les services désignés par le Gouvernement flamand qui sont compétents pour l'environnement ;
3° signification : l'envoi par courrier recommandé ou électronique ;
4° initiateur :
a) pour ce qui concerne les obligations relatives aux plans d'exécution spatiale lorsque le plan d'exécution spatiale constitue le cadre pour un ou plusieurs projets d'une ou plusieurs personnes physiques ou morales de droit privé ou public : l'autorité qui prend l'initiative d'établir un plan d'exécution spatiale conformément aux articles 2.2.7, 2.2.12 et 2.2.18 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, sauf si ces personnes physiques ou morales de droit privé ou public introduisent une demande écrite de reprise de ces obligations auprès de l'autorité qui prend l'initiative d'élaborer un plan d'exécution spatiale conformément aux articles 2.2.7, 2.2.12 et 2.2.18 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 et que cette autorité accède à cette demande ;
b) pour ce qui concerne les obligations relatives aux plans d'exécution spatiale autres que les plans d'exécution spatiale visés au point a) : l'autorité qui prend l'initiative d'établir un plan d'exécution spatiale conformément aux articles 2.2.7, 2.2.12 et 2.2.18 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ;
c) pour ce qui concerne les obligations liées aux projets : le demandeur d'une autorisation pour un projet ;
5° rapport de sécurité environnementale, en abrégé RSE : un document public dans lequel, outre une description du système de gestion de la sécurité d'un établissement, sont identifiés, analysés et évalués dans leur cohérence interne de manière systématique et scientifiquement étayée les scénarios d'accidents majeurs d'un projet et des alternatives à prendre raisonnablement en compte, et qui démontre quelles mesures peuvent être prises et seront prises pour éviter ces accidents majeurs et en limiter les conséquences pour l'homme et l'environnement ;
6° public : une ou plusieurs personnes physiques ou morales et leurs associations, organisations ou groupes ;
7° projet : une activité envisagée soumise à autorisation ou une activité soumise à autorisation pour laquelle une nouvelle autorisation doit être sollicitée à l'expiration de la validité de l'autorisation en cours et qui consiste dans l'exploitation d'un établissement. Il s'agit de l'ensemble de la zone gérée par un exploitant où se trouvent des substances dangereuses dans un ou plusieurs établissements, en ce compris l'infrastructure ou les activités communes ou correspondantes ;
8° rapport : un RSS ou un RSE ;
9° rapport de sécurité spatiale, en abrégé RSS : un document public qui comporte, par rapport à un avant-projet de plan d'exécution spatiale et des alternatives à prendre raisonnablement en compte, une évaluation scientifique des évolutions prévues pour ce qui concerne des établissements nouveaux ou existants et leur environnement, lorsque leur lieu d'établissement ou les développements mêmes sont susceptibles d'augmenter le risque d'accidents majeurs ou d'en aggraver les conséquences ;
10° accord de coopération du 16 février 2016 : l'accord de coopération du 16 février 2016 conclu entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses ;
11° note de sécurité : un document public dans lequel il est démontré que la modification d'un établissement autorisé ne comporte aucun risque supplémentaire d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement par rapport à la situation existante telle que décrite dans un RSE approuvé pour cet établissement, et dans lequel il est démontré, par rapport à cette modification, quelles mesures ont été prises ou pourront être prises pour éviter les accidents majeurs et en limiter les conséquences pour l'homme et l'environnement ;
12° rapports de sécurité, en abrégé R.S. : la procédure qui aboutit ou non à l'établissement et à l'approbation d'un rapport de sécurité spatiale ou d'un rapport de sécurité environnementale par rapport à une action envisagée et, le cas échéant, à son utilisation comme instrument lors du processus décisionnel concernant cette action.
Les définitions figurant à l'article 2 de l'accord de coopération du 16 février 2016 s'appliquent à toutes les dispositions du présent titre. ".
" Art. 4/1.1.1. Dans le présent titre, on entend par :
1° action : un plan d'exécution spatiale ou projet ;
2° administration : les services désignés par le Gouvernement flamand qui sont compétents pour l'environnement ;
3° signification : l'envoi par courrier recommandé ou électronique ;
4° initiateur :
a) pour ce qui concerne les obligations relatives aux plans d'exécution spatiale lorsque le plan d'exécution spatiale constitue le cadre pour un ou plusieurs projets d'une ou plusieurs personnes physiques ou morales de droit privé ou public : l'autorité qui prend l'initiative d'établir un plan d'exécution spatiale conformément aux articles 2.2.7, 2.2.12 et 2.2.18 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, sauf si ces personnes physiques ou morales de droit privé ou public introduisent une demande écrite de reprise de ces obligations auprès de l'autorité qui prend l'initiative d'élaborer un plan d'exécution spatiale conformément aux articles 2.2.7, 2.2.12 et 2.2.18 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 et que cette autorité accède à cette demande ;
b) pour ce qui concerne les obligations relatives aux plans d'exécution spatiale autres que les plans d'exécution spatiale visés au point a) : l'autorité qui prend l'initiative d'établir un plan d'exécution spatiale conformément aux articles 2.2.7, 2.2.12 et 2.2.18 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ;
c) pour ce qui concerne les obligations liées aux projets : le demandeur d'une autorisation pour un projet ;
5° rapport de sécurité environnementale, en abrégé RSE : un document public dans lequel, outre une description du système de gestion de la sécurité d'un établissement, sont identifiés, analysés et évalués dans leur cohérence interne de manière systématique et scientifiquement étayée les scénarios d'accidents majeurs d'un projet et des alternatives à prendre raisonnablement en compte, et qui démontre quelles mesures peuvent être prises et seront prises pour éviter ces accidents majeurs et en limiter les conséquences pour l'homme et l'environnement ;
6° public : une ou plusieurs personnes physiques ou morales et leurs associations, organisations ou groupes ;
7° projet : une activité envisagée soumise à autorisation ou une activité soumise à autorisation pour laquelle une nouvelle autorisation doit être sollicitée à l'expiration de la validité de l'autorisation en cours et qui consiste dans l'exploitation d'un établissement. Il s'agit de l'ensemble de la zone gérée par un exploitant où se trouvent des substances dangereuses dans un ou plusieurs établissements, en ce compris l'infrastructure ou les activités communes ou correspondantes ;
8° rapport : un RSS ou un RSE ;
9° rapport de sécurité spatiale, en abrégé RSS : un document public qui comporte, par rapport à un avant-projet de plan d'exécution spatiale et des alternatives à prendre raisonnablement en compte, une évaluation scientifique des évolutions prévues pour ce qui concerne des établissements nouveaux ou existants et leur environnement, lorsque leur lieu d'établissement ou les développements mêmes sont susceptibles d'augmenter le risque d'accidents majeurs ou d'en aggraver les conséquences ;
10° accord de coopération du 16 février 2016 : l'accord de coopération du 16 février 2016 conclu entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses ;
11° note de sécurité : un document public dans lequel il est démontré que la modification d'un établissement autorisé ne comporte aucun risque supplémentaire d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement par rapport à la situation existante telle que décrite dans un RSE approuvé pour cet établissement, et dans lequel il est démontré, par rapport à cette modification, quelles mesures ont été prises ou pourront être prises pour éviter les accidents majeurs et en limiter les conséquences pour l'homme et l'environnement ;
12° rapports de sécurité, en abrégé R.S. : la procédure qui aboutit ou non à l'établissement et à l'approbation d'un rapport de sécurité spatiale ou d'un rapport de sécurité environnementale par rapport à une action envisagée et, le cas échéant, à son utilisation comme instrument lors du processus décisionnel concernant cette action.
Les définitions figurant à l'article 2 de l'accord de coopération du 16 février 2016 s'appliquent à toutes les dispositions du présent titre. ".
Art. 63. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 oktober 2022, wordt in hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 60, een afdeling 2 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 2. Algemene bepalingen over de procedures".
"Afdeling 2. Algemene bepalingen over de procedures".
Art. 63. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 21 octobre 2022, il est inséré dans le chapitre 1er, inséré par l'article 60, une section 2, rédigée comme suit :
" Section 2. Dispositions générales sur les procédures ".
" Section 2. Dispositions générales sur les procédures ".
Art. 64. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 2, ingevoegd bij artikel 63, een artikel 4/1.1.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4/1.1.2. De termijnen gaan in:
1° in geval van betekening: op de derde werkdag na de dag van de verzending;
2° in geval van afgifte tegen ontvangstbewijs: op de dag na de datum van het ontvangstbewijs.
Onder ontvangstbewijs wordt verstaan de schriftelijke of elektronische ontvangstbevestiging van een zending.
Betekeningen en mededelingen van dezelfde beslissing of hetzelfde document aan meer dan een persoon gebeuren op dezelfde dag.
De termijnen verstrijken om middernacht van de laatste dag.".
"Art. 4/1.1.2. De termijnen gaan in:
1° in geval van betekening: op de derde werkdag na de dag van de verzending;
2° in geval van afgifte tegen ontvangstbewijs: op de dag na de datum van het ontvangstbewijs.
Onder ontvangstbewijs wordt verstaan de schriftelijke of elektronische ontvangstbevestiging van een zending.
Betekeningen en mededelingen van dezelfde beslissing of hetzelfde document aan meer dan een persoon gebeuren op dezelfde dag.
De termijnen verstrijken om middernacht van de laatste dag.".
Art. 64. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 2, insérée par l'article 63, un article 4/1.1.2, rédigé comme suit :
" Art. 4/1.1.2. Les délais commencent à courir :
1° en cas de signification : le troisième jour ouvrable suivant le jour de l'envoi.
2° en cas de remise contre accusé de réception : le jour suivant la date de l'accusé de réception.
Par accusé de réception, on entend l'accusé de réception écrit ou électronique d'un envoi.
Les significations et communications de la même décision ou du même document à plus d'une personne ont lieu le même jour.
Les délais expirent le dernier jour à minuit. ".
" Art. 4/1.1.2. Les délais commencent à courir :
1° en cas de signification : le troisième jour ouvrable suivant le jour de l'envoi.
2° en cas de remise contre accusé de réception : le jour suivant la date de l'accusé de réception.
Par accusé de réception, on entend l'accusé de réception écrit ou électronique d'un envoi.
Les significations et communications de la même décision ou du même document à plus d'une personne ont lieu le même jour.
Les délais expirent le dernier jour à minuit. ".
Art. 65. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 60, een afdeling 3 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 3. Doelstelling en kenmerken".
"Afdeling 3. Doelstelling en kenmerken".
Art. 65. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 1er, inséré par l'article 60, une section 3, rédigée comme suit :
" Section 3. Objectif et caractéristiques ".
" Section 3. Objectif et caractéristiques ".
Art. 66. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 3, ingevoegd bij artikel 65, een artikel 4/1.1.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4/1.1.3. De veiligheidsrapportage beoogt, in de besluitvorming over acties die een zwaar ongeval kunnen teweegbrengen, aan het milieubelang en de veiligheid en de gezondheid van de mens een plaats toe te kennen die evenwaardig is aan de sociale, economische en andere maatschappelijke belangen.
Om de doelstelling, vermeld in het eerste lid, te realiseren, heeft de veiligheidsrapportage de volgende essentiële kenmerken:
1° de systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de mogelijke gevolgen voor mens en milieu van een voorgenomen actie en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor de actie of onderdelen ervan, en de beschrijving en evaluatie van de mogelijke maatregelen om de gevolgen van de voorgenomen actie op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen of te compenseren;
2° de kwaliteitsbeoordeling van de verzamelde informatie;
3° de actieve openbaarheid van de veiligheidsrapportage en de besluitvorming over de voorgenomen actie.
De administratie beschikt over voldoende expertise om de rapporten te onderzoeken. Als dat nodig is, heeft ze toegang tot voldoende expertise om de rapporten te onderzoeken.".
"Art. 4/1.1.3. De veiligheidsrapportage beoogt, in de besluitvorming over acties die een zwaar ongeval kunnen teweegbrengen, aan het milieubelang en de veiligheid en de gezondheid van de mens een plaats toe te kennen die evenwaardig is aan de sociale, economische en andere maatschappelijke belangen.
Om de doelstelling, vermeld in het eerste lid, te realiseren, heeft de veiligheidsrapportage de volgende essentiële kenmerken:
1° de systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de mogelijke gevolgen voor mens en milieu van een voorgenomen actie en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor de actie of onderdelen ervan, en de beschrijving en evaluatie van de mogelijke maatregelen om de gevolgen van de voorgenomen actie op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen of te compenseren;
2° de kwaliteitsbeoordeling van de verzamelde informatie;
3° de actieve openbaarheid van de veiligheidsrapportage en de besluitvorming over de voorgenomen actie.
De administratie beschikt over voldoende expertise om de rapporten te onderzoeken. Als dat nodig is, heeft ze toegang tot voldoende expertise om de rapporten te onderzoeken.".
Art. 66. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 3, insérée par l'article 65, un article 4/1.1.3, rédigé comme suit :
" Art. 4/1.1.3. Le rapport de sécurité vise, dans le cadre du processus décisionnel relatif à des actions susceptibles de déclencher un accident majeur, à réserver à l'intérêt environnemental, ainsi qu'à la sécurité et à la santé humaines une place équivalente aux intérêts sociaux, économiques et sociétaux autres.
Pour réaliser l'objectif, visé à l'alinéa 1er, le rapport de sécurité présente les caractéristiques essentielles suivantes :
1° l'analyse et l'évaluation systématiques et scientifiquement étayées des conséquences probables pour l'homme et l'environnement d'une action envisagée et des alternatives à prendre raisonnablement en compte pour l'action en question ou des parties de celle-ci, ainsi que la description et l'évaluation des mesures possibles pour éviter, limiter, remédier ou, dans la mesure du possible, compenser de manière cohérente les conséquences de l'action envisagée ;
2° l'évaluation de la qualité des informations rassemblées ;
3° la publicité active des rapports de sécurité et du processus décisionnel relatif à l'action envisagée.
L'administration dispose d'une expertise suffisante pour examiner les rapports. Si nécessaire, elle a accès à une expertise suffisante pour examiner les rapports. ".
" Art. 4/1.1.3. Le rapport de sécurité vise, dans le cadre du processus décisionnel relatif à des actions susceptibles de déclencher un accident majeur, à réserver à l'intérêt environnemental, ainsi qu'à la sécurité et à la santé humaines une place équivalente aux intérêts sociaux, économiques et sociétaux autres.
Pour réaliser l'objectif, visé à l'alinéa 1er, le rapport de sécurité présente les caractéristiques essentielles suivantes :
1° l'analyse et l'évaluation systématiques et scientifiquement étayées des conséquences probables pour l'homme et l'environnement d'une action envisagée et des alternatives à prendre raisonnablement en compte pour l'action en question ou des parties de celle-ci, ainsi que la description et l'évaluation des mesures possibles pour éviter, limiter, remédier ou, dans la mesure du possible, compenser de manière cohérente les conséquences de l'action envisagée ;
2° l'évaluation de la qualité des informations rassemblées ;
3° la publicité active des rapports de sécurité et du processus décisionnel relatif à l'action envisagée.
L'administration dispose d'une expertise suffisante pour examiner les rapports. Si nécessaire, elle a accès à une expertise suffisante pour examiner les rapports. ".
Art. 67. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 60, een afdeling 4 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 4. Relaties tussen rapportages".
"Afdeling 4. Relaties tussen rapportages".
Art. 67. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 1er, inséré par l'article 60, une section 4, rédigée comme suit :
" Section 4. Relations entre les rapports ".
" Section 4. Relations entre les rapports ".
Art. 68. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 4, ingevoegd bij artikel 67, een artikel 4/1.1.4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4/1.1.4. In voorkomend geval wordt in latere rapportages, die worden opgesteld krachtens deze titel, rekening gehouden met de rapportages die krachtens deze titel zijn uitgevoerd in eerdere stadia van de besluitvorming en met de goedgekeurde rapporten die daarvan het resultaat waren.".
"Art. 4/1.1.4. In voorkomend geval wordt in latere rapportages, die worden opgesteld krachtens deze titel, rekening gehouden met de rapportages die krachtens deze titel zijn uitgevoerd in eerdere stadia van de besluitvorming en met de goedgekeurde rapporten die daarvan het resultaat waren.".
Art. 68. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 4, insérée par l'article 67, un article 4/1.1.4, rédigé comme suit :
" Art. 4/1.1.4. Le cas échéant, les rapports ultérieurs, élaborés en vertu du présent titre tiennent compte des rapports élaborés en vertu du présent titre à des stades antérieurs du processus décisionnel ainsi que des rapports approuvés qui en découlent. ".
" Art. 4/1.1.4. Le cas échéant, les rapports ultérieurs, élaborés en vertu du présent titre tiennent compte des rapports élaborés en vertu du présent titre à des stades antérieurs du processus décisionnel ainsi que des rapports approuvés qui en découlent. ".
Art. 69. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 4 een artikel 4/1.1.5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4/1.1.5. § 1. Als verschillende rapportages moeten worden uitgevoerd met toepassing van deze titel of met toepassing van titel IV of andere gewestelijke of federale regelgeving, neemt de administratie op eigen initiatief of op verzoek van de initiatiefnemer(s) een beslissing over de mogelijkheid tot afstemming of integratie van de verschillende rapporten en, als dat mogelijk is, van de verschillende rapportages. Er wordt gestreefd naar een gelijktijdige uitvoering van de verschillende rapportages.
De administratie neemt een beslissing over de wenselijkheid van de afstemming of integratie uiterlijk bij haar advies, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 4.
§ 2. De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen voor de modaliteiten van de afstemming en integratie van de rapportages en rapporten in de gevallen, vermeld in dit artikel.
De afstemming of integratie, vermeld in paragraaf 1, kan betrekking hebben op rapportages in verschillende beleidsdomeinen.".
"Art. 4/1.1.5. § 1. Als verschillende rapportages moeten worden uitgevoerd met toepassing van deze titel of met toepassing van titel IV of andere gewestelijke of federale regelgeving, neemt de administratie op eigen initiatief of op verzoek van de initiatiefnemer(s) een beslissing over de mogelijkheid tot afstemming of integratie van de verschillende rapporten en, als dat mogelijk is, van de verschillende rapportages. Er wordt gestreefd naar een gelijktijdige uitvoering van de verschillende rapportages.
De administratie neemt een beslissing over de wenselijkheid van de afstemming of integratie uiterlijk bij haar advies, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 4.
§ 2. De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen voor de modaliteiten van de afstemming en integratie van de rapportages en rapporten in de gevallen, vermeld in dit artikel.
De afstemming of integratie, vermeld in paragraaf 1, kan betrekking hebben op rapportages in verschillende beleidsdomeinen.".
Art. 69. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 4, un article 4/1.1.5, rédigé comme suit :
" Art. 4/1.1.5. § 1er. Lorsque différents rapports doivent être réalisés, en vertu du présent titre ou du titre IV ou d'une autre réglementation régionale ou fédérale, l'administration prendra, d'initiative ou à la demande de l'initiateur ou des initiateurs, une décision sur la possibilité d'adéquation ou d'intégration des différents rapports et, dans la mesure du possible, des différentes présentations des rapports. On vise une mise en oeuvre simultanée des différents rapports.
L'administration prend une décision sur l'opportunité de l'adéquation ou de l'intégration au plus tard lors de l'émission de son avis, visé à l'article 4/1.3.2, § 4.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant l'adéquation et l'intégration des évaluations et des rapports dans les cas, visés au présent article.
L'adéquation ou l'intégration, visée au paragraphe 1er, peuvent se rapporter aux évaluations dans différents domaines politiques. ".
" Art. 4/1.1.5. § 1er. Lorsque différents rapports doivent être réalisés, en vertu du présent titre ou du titre IV ou d'une autre réglementation régionale ou fédérale, l'administration prendra, d'initiative ou à la demande de l'initiateur ou des initiateurs, une décision sur la possibilité d'adéquation ou d'intégration des différents rapports et, dans la mesure du possible, des différentes présentations des rapports. On vise une mise en oeuvre simultanée des différents rapports.
L'administration prend une décision sur l'opportunité de l'adéquation ou de l'intégration au plus tard lors de l'émission de son avis, visé à l'article 4/1.3.2, § 4.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant l'adéquation et l'intégration des évaluations et des rapports dans les cas, visés au présent article.
L'adéquation ou l'intégration, visée au paragraphe 1er, peuvent se rapporter aux évaluations dans différents domaines politiques. ".
Art. 70. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 60, een afdeling 5 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 5. Doorwerking in de besluitvorming".
"Afdeling 5. Doorwerking in de besluitvorming".
Art. 70. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 1er, inséré par l'article 60, une section 5, rédigée comme suit :
" Section 5. Répercussions dans le processus décisionnel ".
" Section 5. Répercussions dans le processus décisionnel ".
Art. 71. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 5, ingevoegd bij artikel 70, een artikel 4/1.1.6 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4/1.1.6. De overheid houdt bij haar beslissing over de voorgenomen actie en, in voorkomend geval, ook bij de uitwerking ervan rekening met het goedgekeurde rapport of de goedgekeurde rapporten en met de opmerkingen en commentaren die over het rapport of de rapporten zijn uitgebracht.
De overheid motiveert elke beslissing over de voorgenomen actie in het bijzonder op de volgende punten:
1° de keuze voor de voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde deelalternatieven, behalve wat het OVR betreft;
2° de aanvaardbaarheid van te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief;
3° de maatregelen die in het rapport of de rapporten zijn voorgesteld.".
"Art. 4/1.1.6. De overheid houdt bij haar beslissing over de voorgenomen actie en, in voorkomend geval, ook bij de uitwerking ervan rekening met het goedgekeurde rapport of de goedgekeurde rapporten en met de opmerkingen en commentaren die over het rapport of de rapporten zijn uitgebracht.
De overheid motiveert elke beslissing over de voorgenomen actie in het bijzonder op de volgende punten:
1° de keuze voor de voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde deelalternatieven, behalve wat het OVR betreft;
2° de aanvaardbaarheid van te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief;
3° de maatregelen die in het rapport of de rapporten zijn voorgesteld.".
Art. 71. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 5, insérée par l'article 70, un article 4/1.1.6, rédigé comme suit :
" Art. 4/1.1.6. Dans sa décision relative à l'action envisagée et, le cas échéant, dans l'élaboration de celle-ci, l'autorité tient compte du ou des rapports approuvés ainsi que des remarques et commentaires émis le ou les concernant.
L'autorité motive chaque décision relative à l'action envisagée notamment par les points suivants :
1° le choix de l'action envisagée, d'une alternative particulière ou d'alternatives partielles particulières, sauf en ce qui concerne le RSE ;
2° l'acceptabilité des conséquences prévisibles ou probables de l'alternative choisie pour l'homme ou l'environnement ;
3° les mesures proposées dans le ou les rapports. ".
" Art. 4/1.1.6. Dans sa décision relative à l'action envisagée et, le cas échéant, dans l'élaboration de celle-ci, l'autorité tient compte du ou des rapports approuvés ainsi que des remarques et commentaires émis le ou les concernant.
L'autorité motive chaque décision relative à l'action envisagée notamment par les points suivants :
1° le choix de l'action envisagée, d'une alternative particulière ou d'alternatives partielles particulières, sauf en ce qui concerne le RSE ;
2° l'acceptabilité des conséquences prévisibles ou probables de l'alternative choisie pour l'homme ou l'environnement ;
3° les mesures proposées dans le ou les rapports. ".
Art. 72. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in titel IV/1, ingevoegd bij artikel 59, een hoofdstuk 2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 2. Veiligheidsrapportage over ruimtelijke uitvoeringsplannen".
"Hoofdstuk 2. Veiligheidsrapportage over ruimtelijke uitvoeringsplannen".
Art. 72. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le titre IV/1, inséré par l'article 59, un chapitre 2, rédigé comme suit :
" Chapitre 2. Rapports de sécurité concernant les plans d'exécution spatiale ".
" Chapitre 2. Rapports de sécurité concernant les plans d'exécution spatiale ".
Art. 73. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 72, een artikel 4/1.2.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4/1.2.1. De veiligheidsrapportage, vermeld in dit hoofdstuk, heeft betrekking op de opmaak van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, vermeld in hoofdstuk II, titel II van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, om de verplichtingen, vermeld in artikel 25 van het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016, uit te voeren.
De Vlaamse Regering stelt de criteria vast om te bepalen of voor een ruimtelijk uitvoeringsplan al dan niet een RVR vereist is.".
"Art. 4/1.2.1. De veiligheidsrapportage, vermeld in dit hoofdstuk, heeft betrekking op de opmaak van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, vermeld in hoofdstuk II, titel II van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, om de verplichtingen, vermeld in artikel 25 van het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016, uit te voeren.
De Vlaamse Regering stelt de criteria vast om te bepalen of voor een ruimtelijk uitvoeringsplan al dan niet een RVR vereist is.".
Art. 73. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 2, inséré par l'article 72, un article 4/1.2.1, rédigé comme suit :
" Art. 4/1.2.1. L'évaluation des incidences sur la sécurité, visée dans le présent chapitre , se rapporte à l'établissement des plans d'exécution spatiale, visés au chapitre II, titre II du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, afin d'exécuter les obligations, visées à l'article 25 de l'accord de coopération du 16 février 2016.
Le Gouvernement flamand fixe les critères permettant de déterminer si un RSS est nécessaire pour un plan d'exécution spatiale. ".
" Art. 4/1.2.1. L'évaluation des incidences sur la sécurité, visée dans le présent chapitre , se rapporte à l'établissement des plans d'exécution spatiale, visés au chapitre II, titre II du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, afin d'exécuter les obligations, visées à l'article 25 de l'accord de coopération du 16 février 2016.
Le Gouvernement flamand fixe les critères permettant de déterminer si un RSS est nécessaire pour un plan d'exécution spatiale. ".
Art. 74. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 72, een artikel 4/1.2.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4/1.2.2. § 1. Het RVR wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer.
Om het RVR op te stellen, doet de initiatiefnemer een beroep op een erkende v.r.-deskundige. Hij stelt aan de erkende v.r.-deskundige alle relevante informatie ter beschikking die voorhanden is. Hij verleent alle medewerking opdat de erkende v.r.-deskundige zijn taak naar behoren kan vervullen.
§ 2. Tijdens het opstellen van het RVR overlegt de erkende v.r.-deskundige met de administratie. De erkende v.r.-deskundige moet in voorkomend geval de schriftelijke richtlijnen die in de scopingnota, vermeld in artikel 2.2.4, § 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, van de administratie geïntegreerd zijn, in acht nemen.".
"Art. 4/1.2.2. § 1. Het RVR wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer.
Om het RVR op te stellen, doet de initiatiefnemer een beroep op een erkende v.r.-deskundige. Hij stelt aan de erkende v.r.-deskundige alle relevante informatie ter beschikking die voorhanden is. Hij verleent alle medewerking opdat de erkende v.r.-deskundige zijn taak naar behoren kan vervullen.
§ 2. Tijdens het opstellen van het RVR overlegt de erkende v.r.-deskundige met de administratie. De erkende v.r.-deskundige moet in voorkomend geval de schriftelijke richtlijnen die in de scopingnota, vermeld in artikel 2.2.4, § 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, van de administratie geïntegreerd zijn, in acht nemen.".
Art. 74. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 2, inséré par l'article 72, un article 4/1.2.2, rédigé comme suit :
" Art. 4/1.2.2. § 1er. Le RSS est établi sous la responsabilité et aux frais de l'initiateur.
A cette fin, l'initiateur fait appel à un expert e.s. agréé. Il met à la disposition de l'expert e.s. agréé toutes les informations pertinentes disponibles. Il apporte toute sa collaboration afin que l'expert e.s. agréé puisse dûment s'acquitter de sa mission.
§ 2. Pendant l'établissement du RSS, l'expert e.s. agréé se concerte avec l'administration. Le cas échéant, l'expert e.s. agréé doit respecter les instructions écrites intégrées dans la note de cadrage de l'administration, visée à l'article 2.2.4, § 3, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009. ".
" Art. 4/1.2.2. § 1er. Le RSS est établi sous la responsabilité et aux frais de l'initiateur.
A cette fin, l'initiateur fait appel à un expert e.s. agréé. Il met à la disposition de l'expert e.s. agréé toutes les informations pertinentes disponibles. Il apporte toute sa collaboration afin que l'expert e.s. agréé puisse dûment s'acquitter de sa mission.
§ 2. Pendant l'établissement du RSS, l'expert e.s. agréé se concerte avec l'administration. Le cas échéant, l'expert e.s. agréé doit respecter les instructions écrites intégrées dans la note de cadrage de l'administration, visée à l'article 2.2.4, § 3, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009. ".
Art. 75. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 72, een artikel 4/1.2.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4/1.2.3. Het RVR bestaat uit ten minste al de volgende onderdelen:
1° een algemeen deel dat al de volgende informatie bevat:
a) een beschrijving van de doelstellingen en krachtlijnen van het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan, met inbegrip van een kaart op aangepaste schaal;
b) een overzicht van de motieven voor de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringplan;
c) een beschrijving van de in beschouwing genomen alternatieven voor het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan of een schets van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor bepaalde onderdelen ervan, telkens met inbegrip van de overwegingen ter zake van de initiatiefnemer;
d) een vergelijking tussen de beschreven alternatieven en het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan of de onderdelen ervan;
2° een deel over de invloed van het ruimtelijk uitvoeringsplan op de risico's op zware ongevallen voor mens en milieu, dat de volgende informatie bevat:
a) een beschrijving van de methodieken die zijn gebruikt voor de bepaling en de beoordeling van de risico's op zware ongevallen voor mens en milieu, met inbegrip van een opsomming en omschrijving van de relevante criteria die in het RVR gebruikt worden voor de afbakening van de risicozones;
b) in voorkomend geval, informatie over de risico's op zware ongevallen voor mens en milieu die aan de bestaande inrichtingen zijn verbonden, en over de veiligheidsmaatregelen die bestaande inrichtingen hebben genomen of kunnen nemen om zware ongevallen te voorkomen en om de gevolgen ervan voor mens en milieu te beperken;
c) voor het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan en de beschreven alternatieven, een wetenschappelijke beoordeling van de invloed van de in beschouwing genomen ontwikkelingen rond bestaande inrichtingen of van de mogelijke vestiging van nieuwe inrichtingen op de risico's op zware ongevallen voor mens en milieu, met inbegrip van de afgebakende risicozones;
d) aanbevelingen over de volgende elementen op basis van de wetenschappelijk beoordeling, vermeld in punt c):
1) de vastgelegde stedenbouwkundige voorschriften, onder meer in het licht van de vereiste om ook op lange termijn voldoende afstand te bewaren tussen de inrichtingen die vallen onder de toepassing van het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016, en bepaalde kwetsbare gebieden als vermeld in artikel 25, § 2, van het voormelde samenwerkingsakkoord;
2) de aanvullende maatregelen die bestaande inrichtingen kunnen nemen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken om de risico's niet te vergroten;
e) een globale evaluatie van het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan en van de beschreven alternatieven in het kader van het beleid om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen van die zware ongevallen voor mens en milieu te beperken;
3° een opgave van de moeilijkheden, technische leemten of ontbrekende kennis die de initiatiefnemer of de erkende deskundige eventueel heeft ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie en de implicaties die daaruit voortvloeien voor de wetenschappelijkheid van het rapport;
4° een niet-technische samenvatting van de verstrekte gegevens zoals omschreven in punt 1° tot en met 3°. ".
"Art. 4/1.2.3. Het RVR bestaat uit ten minste al de volgende onderdelen:
1° een algemeen deel dat al de volgende informatie bevat:
a) een beschrijving van de doelstellingen en krachtlijnen van het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan, met inbegrip van een kaart op aangepaste schaal;
b) een overzicht van de motieven voor de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringplan;
c) een beschrijving van de in beschouwing genomen alternatieven voor het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan of een schets van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor bepaalde onderdelen ervan, telkens met inbegrip van de overwegingen ter zake van de initiatiefnemer;
d) een vergelijking tussen de beschreven alternatieven en het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan of de onderdelen ervan;
2° een deel over de invloed van het ruimtelijk uitvoeringsplan op de risico's op zware ongevallen voor mens en milieu, dat de volgende informatie bevat:
a) een beschrijving van de methodieken die zijn gebruikt voor de bepaling en de beoordeling van de risico's op zware ongevallen voor mens en milieu, met inbegrip van een opsomming en omschrijving van de relevante criteria die in het RVR gebruikt worden voor de afbakening van de risicozones;
b) in voorkomend geval, informatie over de risico's op zware ongevallen voor mens en milieu die aan de bestaande inrichtingen zijn verbonden, en over de veiligheidsmaatregelen die bestaande inrichtingen hebben genomen of kunnen nemen om zware ongevallen te voorkomen en om de gevolgen ervan voor mens en milieu te beperken;
c) voor het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan en de beschreven alternatieven, een wetenschappelijke beoordeling van de invloed van de in beschouwing genomen ontwikkelingen rond bestaande inrichtingen of van de mogelijke vestiging van nieuwe inrichtingen op de risico's op zware ongevallen voor mens en milieu, met inbegrip van de afgebakende risicozones;
d) aanbevelingen over de volgende elementen op basis van de wetenschappelijk beoordeling, vermeld in punt c):
1) de vastgelegde stedenbouwkundige voorschriften, onder meer in het licht van de vereiste om ook op lange termijn voldoende afstand te bewaren tussen de inrichtingen die vallen onder de toepassing van het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016, en bepaalde kwetsbare gebieden als vermeld in artikel 25, § 2, van het voormelde samenwerkingsakkoord;
2) de aanvullende maatregelen die bestaande inrichtingen kunnen nemen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken om de risico's niet te vergroten;
e) een globale evaluatie van het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan en van de beschreven alternatieven in het kader van het beleid om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen van die zware ongevallen voor mens en milieu te beperken;
3° een opgave van de moeilijkheden, technische leemten of ontbrekende kennis die de initiatiefnemer of de erkende deskundige eventueel heeft ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie en de implicaties die daaruit voortvloeien voor de wetenschappelijkheid van het rapport;
4° een niet-technische samenvatting van de verstrekte gegevens zoals omschreven in punt 1° tot en met 3°. ".
Art. 75. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 2, inséré par l'article 72, un article 4/1.2.3, rédigé comme suit :
" Art. 4/1.2.3. Le RSS comprend au moins les volets suivants :
1° un volet général qui contient toutes les informations suivantes :
a) une description des objectifs et lignes de force de l'avant-projet de plan d'exécution spatiale, en ce compris une carte à une échelle adaptée ;
b) un aperçu des motifs de l'établissement du plan d'exécution spatiale ;
c) une description des alternatives examinées pour l'avant-projet de plan d'exécution spatiale ou un résumé succinct des alternatives à prendre raisonnablement en compte pour certaines parties du plan, chaque fois en ce compris les considérations en la matière de l'initiateur ;
d) une comparaison entre les alternatives décrites et l'avant-projet de plan d'exécution spatiale ou de certaines parties de ce plan ;
2° un volet concernant l'impact du plan d'exécution spatiale sur les risques d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement qui contient les informations suivantes :
a) une description des méthodiques utilisées pour déterminer et évaluer les risques d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement, en ce compris une énumération et définition des critères pertinents qui sont utilisés dans le RSS pour la délimitation des zones à risque ;
b) le cas échéant, des informations sur les risques d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement liés aux établissements existants et sur les mesures de sécurité qu'ont adoptées ou que peuvent adopter des établissements existants afin d'éviter des accidents majeurs et d'en limiter les conséquences pour l'homme et l'environnement ;
c) pour l'avant-projet de plan d'exécution spatiale et les alternatives décrites, une évaluation scientifique de l'impact des développements pris en considération autour d'établissements existants ou de l'implantation éventuelle de nouveaux établissements sur les risques d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement, en ce compris les zones à risque délimitées ;
d) sur la base de l'évaluation scientifique visée au point c), des recommandations sur :
1) les prescriptions urbanistiques prévues, notamment compte tenu de l'exigence de conserver à long terme également une distance appropriée entre les établissements relevant de l'accord de coopération du 16 février 2016 et certaines zones sensibles, telles que visées à l'article 25, § 2, de l'accord de coopération précité ;
2) les mesures complémentaires que peuvent prendre des établissements existants pour éviter des accidents majeurs et d'en atténuer les conséquences pour l'homme et l'environnement afin de ne pas augmenter les risques ;
e) une évaluation globale de l'avant-projet de plan d'exécution spatiale et des alternatives décrites dans le cadre de la politique de prévention d'accidents majeurs et de limitation de leurs conséquences pour l'homme et l'environnement ;
3° un relevé des difficultés, lacunes techniques ou connaissances manquantes constatées éventuellement par l'initiateur ou l'expert agréé lors de la collecte et du traitement des informations requises et des implications qui en découlent pour la valeur scientifique du rapport ;
4° un résumé non technique des données fournies telles que décrites du point 1° jusqu'à 3° inclus. ".
" Art. 4/1.2.3. Le RSS comprend au moins les volets suivants :
1° un volet général qui contient toutes les informations suivantes :
a) une description des objectifs et lignes de force de l'avant-projet de plan d'exécution spatiale, en ce compris une carte à une échelle adaptée ;
b) un aperçu des motifs de l'établissement du plan d'exécution spatiale ;
c) une description des alternatives examinées pour l'avant-projet de plan d'exécution spatiale ou un résumé succinct des alternatives à prendre raisonnablement en compte pour certaines parties du plan, chaque fois en ce compris les considérations en la matière de l'initiateur ;
d) une comparaison entre les alternatives décrites et l'avant-projet de plan d'exécution spatiale ou de certaines parties de ce plan ;
2° un volet concernant l'impact du plan d'exécution spatiale sur les risques d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement qui contient les informations suivantes :
a) une description des méthodiques utilisées pour déterminer et évaluer les risques d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement, en ce compris une énumération et définition des critères pertinents qui sont utilisés dans le RSS pour la délimitation des zones à risque ;
b) le cas échéant, des informations sur les risques d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement liés aux établissements existants et sur les mesures de sécurité qu'ont adoptées ou que peuvent adopter des établissements existants afin d'éviter des accidents majeurs et d'en limiter les conséquences pour l'homme et l'environnement ;
c) pour l'avant-projet de plan d'exécution spatiale et les alternatives décrites, une évaluation scientifique de l'impact des développements pris en considération autour d'établissements existants ou de l'implantation éventuelle de nouveaux établissements sur les risques d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement, en ce compris les zones à risque délimitées ;
d) sur la base de l'évaluation scientifique visée au point c), des recommandations sur :
1) les prescriptions urbanistiques prévues, notamment compte tenu de l'exigence de conserver à long terme également une distance appropriée entre les établissements relevant de l'accord de coopération du 16 février 2016 et certaines zones sensibles, telles que visées à l'article 25, § 2, de l'accord de coopération précité ;
2) les mesures complémentaires que peuvent prendre des établissements existants pour éviter des accidents majeurs et d'en atténuer les conséquences pour l'homme et l'environnement afin de ne pas augmenter les risques ;
e) une évaluation globale de l'avant-projet de plan d'exécution spatiale et des alternatives décrites dans le cadre de la politique de prévention d'accidents majeurs et de limitation de leurs conséquences pour l'homme et l'environnement ;
3° un relevé des difficultés, lacunes techniques ou connaissances manquantes constatées éventuellement par l'initiateur ou l'expert agréé lors de la collecte et du traitement des informations requises et des implications qui en découlent pour la valeur scientifique du rapport ;
4° un résumé non technique des données fournies telles que décrites du point 1° jusqu'à 3° inclus. ".
Art. 76. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 72, een artikel 4/1.2.4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4/1.2.4. De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen voor de opmaak, het onderzoek en het verdere gebruik van het RVR.".
"Art. 4/1.2.4. De Vlaamse Regering kan nadere regelen vaststellen voor de opmaak, het onderzoek en het verdere gebruik van het RVR.".
Art. 76. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 2, inséré par l'article 72, un article 4/1.2.4, rédigé comme suit :
" Art. 4/1.2.4. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant l'élaboration, l'analyse et l'utilisation ultérieure du RSS. ".
" Art. 4/1.2.4. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant l'élaboration, l'analyse et l'utilisation ultérieure du RSS. ".
Art. 77. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in titel IV/1, ingevoegd bij artikel 59, een hoofdstuk 3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 3. Veiligheidsrapportage over de exploitatie van inrichtingen".
"Hoofdstuk 3. Veiligheidsrapportage over de exploitatie van inrichtingen".
Art. 77. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le titre IV/1, inséré par l'article 59, un chapitre 3, rédigé comme suit :
" Chapitre 3. Evaluation des incidences sur la sécurité concernant l'exploitation d'établissements ".
" Chapitre 3. Evaluation des incidences sur la sécurité concernant l'exploitation d'établissements ".
Art. 78. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 3, ingevoegd bij artikel 77, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 1. Toepassingsgebied".
"Afdeling 1. Toepassingsgebied".
Art. 78. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 3, inséré par l'article 77, une section 1re, rédigée comme suit :
" Section 1re. Champ d'application ".
" Section 1re. Champ d'application ".
Art. 79. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 1, ingevoegd bij artikel 78, een artikel 4/1.3.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4/1.3.1. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op alle inrichtingen die aan al de volgende voorwaarden voldoen:
1° inrichtingen waarvoor conform artikel 8 van het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 een veiligheidsrapport moet worden opgesteld of waarvoor conform artikel 10 van het voormelde samenwerkingsakkoord het veiligheidsrapport opnieuw moet worden beoordeeld door een wijziging aan de inrichting;
2° inrichtingen waarvoor conform artikel 5 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag moet worden ingediend voor de exploitatie of verandering ervan.
Voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning hoeft geen OVR opgemaakt te worden.
§ 2. De Vlaamse Regering kan andere categorieën van inrichtingen aanwijzen waarvoor een OVR moet worden opgesteld conform de bepalingen van dit hoofdstuk. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van artikel 4/1.3.4, bepalen dat voor de voormelde categorieën van inrichtingen het OVR bepaalde gegevens niet hoeft te bevatten.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 kan de administratie na gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer geval per geval beslissen dat voor veranderingen aan een vergunde inrichting een OVR dat al voor die inrichting is goedgekeurd, niet bijgewerkt hoeft te worden.
§ 4. Het gemotiveerde verzoek, vermeld in paragraaf 3, bevat ten minste al de volgende gegevens:
1° een beschrijving en een verduidelijking van de vergunde inrichting, en ook van de veranderingen die in het kader van de vergunningsaanvraag worden aangevraagd;
2° de verantwoording van het verzoek en alle relevante gegevens om het verzoek te staven;
3° een veiligheidsnota waarin ten minste al de volgende elementen worden aangetoond:
a) het bewijs dat de geplande veranderingen geen bijkomend aanzienlijk risico van zware ongevallen voor de mens en voor het leefmilieu meebrengen ten opzichte van de bestaande toestand, en het bewijs dat een nieuw OVR daarover redelijkerwijs geen nieuwe of extra gegevens kan bevatten;
b) wat de geplande veranderingen betreft: het bewijs dat de nodige veiligheidsmaatregelen getroffen zijn of getroffen kunnen worden om zware ongevallen te voorkomen en om de gevolgen van mogelijk zware ongevallen voor de mens of voor het leefmilieu op voldoende geachte wijze te beperken, en het bewijs dat een nieuw OVR daarover redelijkerwijs geen nieuwe of extra gegevens kan bevatten.
De initiatiefnemer doet voor de opmaak van de veiligheidsnota, vermeld in het eerste lid, 3°, een beroep op een erkende deskundige.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de informatie en de modaliteiten waaraan het gemotiveerde verzoek, vermeld in paragraaf 3, moet voldoen.
§ 5. De administratie beslist over het gemotiveerde verzoek, vermeld in paragraaf 3, binnen twintig dagen na de dag waarop ze dat gemotiveerde verzoek heeft ontvangen. Ze bezorgt de beslissing onverwijld aan de initiatiefnemer. In voorkomend geval bevat de beslissing ook de voorwaarden die eraan zijn verbonden. Als de beslissing niet kan worden genomen binnen de voormelde termijn, brengt de administratie de initiatiefnemer daarvan schriftelijk op de hoogte binnen die termijn. In die kennisgeving geeft de administratie aan wanneer de beslissing uiterlijk wordt genomen.
§ 6. In geval van een positieve beslissing voegt de initiatiefnemer die beslissing en de veiligheidsnota bij de vergunningsaanvraag.".
"Art. 4/1.3.1. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op alle inrichtingen die aan al de volgende voorwaarden voldoen:
1° inrichtingen waarvoor conform artikel 8 van het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 een veiligheidsrapport moet worden opgesteld of waarvoor conform artikel 10 van het voormelde samenwerkingsakkoord het veiligheidsrapport opnieuw moet worden beoordeeld door een wijziging aan de inrichting;
2° inrichtingen waarvoor conform artikel 5 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag moet worden ingediend voor de exploitatie of verandering ervan.
Voor de loutere hernieuwing van de omgevingsvergunning hoeft geen OVR opgemaakt te worden.
§ 2. De Vlaamse Regering kan andere categorieën van inrichtingen aanwijzen waarvoor een OVR moet worden opgesteld conform de bepalingen van dit hoofdstuk. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van artikel 4/1.3.4, bepalen dat voor de voormelde categorieën van inrichtingen het OVR bepaalde gegevens niet hoeft te bevatten.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 kan de administratie na gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer geval per geval beslissen dat voor veranderingen aan een vergunde inrichting een OVR dat al voor die inrichting is goedgekeurd, niet bijgewerkt hoeft te worden.
§ 4. Het gemotiveerde verzoek, vermeld in paragraaf 3, bevat ten minste al de volgende gegevens:
1° een beschrijving en een verduidelijking van de vergunde inrichting, en ook van de veranderingen die in het kader van de vergunningsaanvraag worden aangevraagd;
2° de verantwoording van het verzoek en alle relevante gegevens om het verzoek te staven;
3° een veiligheidsnota waarin ten minste al de volgende elementen worden aangetoond:
a) het bewijs dat de geplande veranderingen geen bijkomend aanzienlijk risico van zware ongevallen voor de mens en voor het leefmilieu meebrengen ten opzichte van de bestaande toestand, en het bewijs dat een nieuw OVR daarover redelijkerwijs geen nieuwe of extra gegevens kan bevatten;
b) wat de geplande veranderingen betreft: het bewijs dat de nodige veiligheidsmaatregelen getroffen zijn of getroffen kunnen worden om zware ongevallen te voorkomen en om de gevolgen van mogelijk zware ongevallen voor de mens of voor het leefmilieu op voldoende geachte wijze te beperken, en het bewijs dat een nieuw OVR daarover redelijkerwijs geen nieuwe of extra gegevens kan bevatten.
De initiatiefnemer doet voor de opmaak van de veiligheidsnota, vermeld in het eerste lid, 3°, een beroep op een erkende deskundige.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de informatie en de modaliteiten waaraan het gemotiveerde verzoek, vermeld in paragraaf 3, moet voldoen.
§ 5. De administratie beslist over het gemotiveerde verzoek, vermeld in paragraaf 3, binnen twintig dagen na de dag waarop ze dat gemotiveerde verzoek heeft ontvangen. Ze bezorgt de beslissing onverwijld aan de initiatiefnemer. In voorkomend geval bevat de beslissing ook de voorwaarden die eraan zijn verbonden. Als de beslissing niet kan worden genomen binnen de voormelde termijn, brengt de administratie de initiatiefnemer daarvan schriftelijk op de hoogte binnen die termijn. In die kennisgeving geeft de administratie aan wanneer de beslissing uiterlijk wordt genomen.
§ 6. In geval van een positieve beslissing voegt de initiatiefnemer die beslissing en de veiligheidsnota bij de vergunningsaanvraag.".
Art. 79. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 1re, insérée par l'article 78, un article 4/1.3.1, rédigé comme suit :
" Art. 4/1.3.1. § 1er. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent à tous les établissements qui répondent à toutes les conditions suivantes :
1° les établissements pour lesquels un rapport de sécurité doit être établi conformément à l'article 8 de l'accord de coopération du 16 février 2016 ou pour lesquels le rapport de sécurité doit être réévalué suite à une modification de l'établissement conformément à l'article 10 de l'accord de coopération précité ;
2° les établissements pour lesquels une demande d'autorisation doit être introduite pour leur exploitation ou leur modification conformément à l'article 5 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement.
Le simple renouvellement du permis d'environnement ne nécessite pas l'établissement d'un RSE.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut désigner d'autres catégories d'établissements pour lesquels un RSE doit être établi conformément aux dispositions du présent chapitre . Le Gouvernement flamand peut, par dérogation à l'article 4/1.3.4, déterminer que pour les catégories d'établissements susmentionnées, le RSE ne doit pas contenir certaines données.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er, l'administration peut décider au cas par cas, après une demande motivée de l'initiateur, que pour les modifications apportées à un établissement autorisé, un RSE déjà approuvé pour cet établissement ne doit pas être mis à jour.
§ 4. La demande motivée, visée au paragraphe 3, comprend au moins toutes les données suivantes :
1° une description et une clarification de l'établissement autorisé, ainsi que des modifications demandées dans le cadre de la demande d'autorisation ;
2° la justification de la demande et toutes les données pertinentes à l'appui de la demande ;
3° une note de sécurité dans laquelle au moins tous les éléments suivants sont démontrés :
a) la preuve que les modifications prévues ne créent pas un risque significatif supplémentaire d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement par rapport à la situation existante, et la preuve qu'un nouveau RSE ne peut raisonnablement contenir d'informations nouvelles ou supplémentaires en la matière ;
b) en ce qui concerne les modifications prévues : la preuve que les mesures de sécurité nécessaires ont été prises ou peuvent être prises pour éviter des accidents majeurs et pour limiter d'une manière jugée suffisante les conséquences d'accidents majeurs probables pour l'homme et l'environnement, et la preuve qu'un nouveau RSE ne peut raisonnablement contenir d'informations nouvelles ou supplémentaires en la matière ;
Pour l'établissement de la note de sécurité, visée à l'alinéa 1er, 3°, l'initiateur fait appel à un expert agréé.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant les informations et les modalités auxquelles la demande motivée, visée au paragraphe 3, doit répondre.
§ 5. L'administration statue sur la demande motivée, visée au paragraphe 3, dans un délai de vingt jours à compter de la date de réception de cette demande motivée. Elle transmet immédiatement la décision à l'initiateur. Le cas échéant, la décision contient également les conditions dont elle est assortie. Si la décision ne peut être prise dans le délai susmentionné, l'administration en informe l'initiateur par écrit dans ce délai. Dans cette notification, l'administration indique la date à laquelle la décision sera prise au plus tard.
§ 6. En cas de décision positive, l'initiateur joint cette décision et la note de sécurité à la demande d'autorisation. ".
" Art. 4/1.3.1. § 1er. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent à tous les établissements qui répondent à toutes les conditions suivantes :
1° les établissements pour lesquels un rapport de sécurité doit être établi conformément à l'article 8 de l'accord de coopération du 16 février 2016 ou pour lesquels le rapport de sécurité doit être réévalué suite à une modification de l'établissement conformément à l'article 10 de l'accord de coopération précité ;
2° les établissements pour lesquels une demande d'autorisation doit être introduite pour leur exploitation ou leur modification conformément à l'article 5 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement.
Le simple renouvellement du permis d'environnement ne nécessite pas l'établissement d'un RSE.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut désigner d'autres catégories d'établissements pour lesquels un RSE doit être établi conformément aux dispositions du présent chapitre . Le Gouvernement flamand peut, par dérogation à l'article 4/1.3.4, déterminer que pour les catégories d'établissements susmentionnées, le RSE ne doit pas contenir certaines données.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er, l'administration peut décider au cas par cas, après une demande motivée de l'initiateur, que pour les modifications apportées à un établissement autorisé, un RSE déjà approuvé pour cet établissement ne doit pas être mis à jour.
§ 4. La demande motivée, visée au paragraphe 3, comprend au moins toutes les données suivantes :
1° une description et une clarification de l'établissement autorisé, ainsi que des modifications demandées dans le cadre de la demande d'autorisation ;
2° la justification de la demande et toutes les données pertinentes à l'appui de la demande ;
3° une note de sécurité dans laquelle au moins tous les éléments suivants sont démontrés :
a) la preuve que les modifications prévues ne créent pas un risque significatif supplémentaire d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement par rapport à la situation existante, et la preuve qu'un nouveau RSE ne peut raisonnablement contenir d'informations nouvelles ou supplémentaires en la matière ;
b) en ce qui concerne les modifications prévues : la preuve que les mesures de sécurité nécessaires ont été prises ou peuvent être prises pour éviter des accidents majeurs et pour limiter d'une manière jugée suffisante les conséquences d'accidents majeurs probables pour l'homme et l'environnement, et la preuve qu'un nouveau RSE ne peut raisonnablement contenir d'informations nouvelles ou supplémentaires en la matière ;
Pour l'établissement de la note de sécurité, visée à l'alinéa 1er, 3°, l'initiateur fait appel à un expert agréé.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant les informations et les modalités auxquelles la demande motivée, visée au paragraphe 3, doit répondre.
§ 5. L'administration statue sur la demande motivée, visée au paragraphe 3, dans un délai de vingt jours à compter de la date de réception de cette demande motivée. Elle transmet immédiatement la décision à l'initiateur. Le cas échéant, la décision contient également les conditions dont elle est assortie. Si la décision ne peut être prise dans le délai susmentionné, l'administration en informe l'initiateur par écrit dans ce délai. Dans cette notification, l'administration indique la date à laquelle la décision sera prise au plus tard.
§ 6. En cas de décision positive, l'initiateur joint cette décision et la note de sécurité à la demande d'autorisation. ".
Art. 80. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 3, ingevoegd bij artikel 77, een afdeling 2 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 2. Aanmelding en inhoudsafbakening van het voorgenomen OVR".
"Afdeling 2. Aanmelding en inhoudsafbakening van het voorgenomen OVR".
Art. 80. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 3, inséré par l'article 77, une section 2, rédigée comme suit :
" Section 2. Notification et délimitation du contenu du RSE envisagé ".
" Section 2. Notification et délimitation du contenu du RSE envisagé ".
Art. 81. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 2, ingevoegd bij artikel 80, een artikel 4/1.3.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4/1.3.2. § 1. Voor de initiatiefnemer de vergunningsaanvraag indient, meldt hij aan de administratie zijn voornemen om een OVR op te stellen.
De aanmelding, vermeld in het eerste lid, bevat ten minste de volgende elementen:
1° een beschrijving van het project, met inbegrip van een beknopte beschrijving van de overwogen alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan;
2° de reden van de rapportageplicht van de inrichting;
3° de vergunningen die moeten worden aangevraagd en, in voorkomend geval, de bestaande vergunningstoestand;
4° een beschrijving van het procesverloop met, in voorkomend geval, een beschrijving van het participatietraject;
5° in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, vermeld in paragraaf 2;
6° de relevante gegevens over de voorgestelde erkende deskundige, vermeld in artikel 4/1.3.3, in voorkomend geval aangevuld met de lijst van deskundigen die de erkende deskundige zullen bijstaan en de taakverdeling tussen de deskundigen;
7° conform artikel 4/1.3.4 en het v.r.-richtlijnenboek, vermeld in artikel 4/1.4.2, een beschrijving van de inhoudelijke aanpak, met inbegrip van de methodologie van het OVR;
8° in voorkomend geval een verzoek om advies over de informatie die wordt verstrekt conform artikel 4/1.3.4;
9° in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of aangeduide delen ervan.
De administratie kan aan de initiatiefnemer altijd vragen om aanvullende informatie te verstrekken. De procedure kan pas worden voortgezet nadat de administratie de door haar gevraagde aanvullende informatie heeft ontvangen.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de informatie die in de aanmelding, vermeld in het eerste lid, opgenomen moet worden. Die regels kunnen aanvullende elementen, die niet worden vermeld in het tweede lid, of een verdere verduidelijking van de elementen, vermeld in het tweede lid, betreffen.
§ 2. Als uit de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, blijkt dat het project ten gevolge van een zwaar ongeval betekenisvolle effecten kan hebben op mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen, gedaan te Helsinki op 17 maart 1992, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, meldt de administratie het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie, met de vraag of ze hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen.
De melding, vermeld in het eerste lid, omvat ten minste al de volgende informatie:
1° een afschrift van de aanmelding, vermeld in paragraaf 1;
2° een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is;
3° informatie over de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project onderworpen is.
De administratie brengt de initiatiefnemer ervan op de hoogte dat het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie is gemeld.
§ 3. De administratie neemt een beslissing over de opstellers van het OVR, vermeld in artikel 4/1.3.3, en deelt haar beslissing aan de initiatiefnemer mee binnen de termijn en op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt.
§ 4. Als de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, een verzoek om advies als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 8°, bevat, verleent de administratie een advies over de informatie die de initiatiefnemer conform artikel 4/1.3.4 moet verstrekken.
§ 5. De administratie maakt de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, bekend op haar website binnen de termijn die de Vlaamse Regering bepaalt.
De initiatiefnemer kan in de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, verzoeken om bepaalde informatie volledig of gedeeltelijk aan de openbaarheid te onttrekken. Het voormelde verzoek wordt door de betrokken overheidsinstantie behandeld conform artikel II.36 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. De administratie kan de gegevens in kwestie volledig of gedeeltelijk onttrekken aan bekendmaking. Als ze beslist tot volledige of gedeeltelijke onttrekking aan bekendmaking van de aangewezen gegevens, neemt ze de gegevens die aan bekendmaking worden onttrokken, op in een bijlage. De bijlage wordt niet bekendgemaakt.
§ 6. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten van de aanmeldingsprocedure, de grens- en gewestgrensoverschrijdende procedure en de procedure van adviesverlening door de administratie.
§ 7. Vóór de initiatiefnemer zijn vergunningsaanvraag indient, kan hij aan de administratie vragen dat het OVR inhoudelijk op zijn kwaliteit wordt getoetst.
In het geval, vermeld in het eerste lid, toetst de administratie het OVR inhoudelijk aan de volgende elementen:
1° de beslissing, vermeld in paragraaf 3;
2° de beschrijving van de inhoudelijke aanpak van het OVR, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 7° ;
3° in voorkomend geval het advies, vermeld in paragraaf 4;
4° de gegevens die conform artikel 4/1.3.4 zijn vereist;
5° in voorkomend geval de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in paragraaf 2.
Het resultaat van de toetsing leidt tot de voorlopige goedkeuring of afkeuring van het OVR.
De administratie bezorgt haar beslissing over de voorlopige goedkeuring of afkeuring van het OVR aan de initiatiefnemer binnen een termijn die de Vlaamse Regering bepaalt.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de voorlopige goedkeuring of afkeuring van het OVR en voor de bekendmaking ervan.".
"Art. 4/1.3.2. § 1. Voor de initiatiefnemer de vergunningsaanvraag indient, meldt hij aan de administratie zijn voornemen om een OVR op te stellen.
De aanmelding, vermeld in het eerste lid, bevat ten minste de volgende elementen:
1° een beschrijving van het project, met inbegrip van een beknopte beschrijving van de overwogen alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan;
2° de reden van de rapportageplicht van de inrichting;
3° de vergunningen die moeten worden aangevraagd en, in voorkomend geval, de bestaande vergunningstoestand;
4° een beschrijving van het procesverloop met, in voorkomend geval, een beschrijving van het participatietraject;
5° in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, vermeld in paragraaf 2;
6° de relevante gegevens over de voorgestelde erkende deskundige, vermeld in artikel 4/1.3.3, in voorkomend geval aangevuld met de lijst van deskundigen die de erkende deskundige zullen bijstaan en de taakverdeling tussen de deskundigen;
7° conform artikel 4/1.3.4 en het v.r.-richtlijnenboek, vermeld in artikel 4/1.4.2, een beschrijving van de inhoudelijke aanpak, met inbegrip van de methodologie van het OVR;
8° in voorkomend geval een verzoek om advies over de informatie die wordt verstrekt conform artikel 4/1.3.4;
9° in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of aangeduide delen ervan.
De administratie kan aan de initiatiefnemer altijd vragen om aanvullende informatie te verstrekken. De procedure kan pas worden voortgezet nadat de administratie de door haar gevraagde aanvullende informatie heeft ontvangen.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de informatie die in de aanmelding, vermeld in het eerste lid, opgenomen moet worden. Die regels kunnen aanvullende elementen, die niet worden vermeld in het tweede lid, of een verdere verduidelijking van de elementen, vermeld in het tweede lid, betreffen.
§ 2. Als uit de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, blijkt dat het project ten gevolge van een zwaar ongeval betekenisvolle effecten kan hebben op mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen, gedaan te Helsinki op 17 maart 1992, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, meldt de administratie het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie, met de vraag of ze hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen.
De melding, vermeld in het eerste lid, omvat ten minste al de volgende informatie:
1° een afschrift van de aanmelding, vermeld in paragraaf 1;
2° een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is;
3° informatie over de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project onderworpen is.
De administratie brengt de initiatiefnemer ervan op de hoogte dat het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie is gemeld.
§ 3. De administratie neemt een beslissing over de opstellers van het OVR, vermeld in artikel 4/1.3.3, en deelt haar beslissing aan de initiatiefnemer mee binnen de termijn en op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt.
§ 4. Als de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, een verzoek om advies als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 8°, bevat, verleent de administratie een advies over de informatie die de initiatiefnemer conform artikel 4/1.3.4 moet verstrekken.
§ 5. De administratie maakt de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, bekend op haar website binnen de termijn die de Vlaamse Regering bepaalt.
De initiatiefnemer kan in de aanmelding, vermeld in paragraaf 1, verzoeken om bepaalde informatie volledig of gedeeltelijk aan de openbaarheid te onttrekken. Het voormelde verzoek wordt door de betrokken overheidsinstantie behandeld conform artikel II.36 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. De administratie kan de gegevens in kwestie volledig of gedeeltelijk onttrekken aan bekendmaking. Als ze beslist tot volledige of gedeeltelijke onttrekking aan bekendmaking van de aangewezen gegevens, neemt ze de gegevens die aan bekendmaking worden onttrokken, op in een bijlage. De bijlage wordt niet bekendgemaakt.
§ 6. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten van de aanmeldingsprocedure, de grens- en gewestgrensoverschrijdende procedure en de procedure van adviesverlening door de administratie.
§ 7. Vóór de initiatiefnemer zijn vergunningsaanvraag indient, kan hij aan de administratie vragen dat het OVR inhoudelijk op zijn kwaliteit wordt getoetst.
In het geval, vermeld in het eerste lid, toetst de administratie het OVR inhoudelijk aan de volgende elementen:
1° de beslissing, vermeld in paragraaf 3;
2° de beschrijving van de inhoudelijke aanpak van het OVR, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 7° ;
3° in voorkomend geval het advies, vermeld in paragraaf 4;
4° de gegevens die conform artikel 4/1.3.4 zijn vereist;
5° in voorkomend geval de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in paragraaf 2.
Het resultaat van de toetsing leidt tot de voorlopige goedkeuring of afkeuring van het OVR.
De administratie bezorgt haar beslissing over de voorlopige goedkeuring of afkeuring van het OVR aan de initiatiefnemer binnen een termijn die de Vlaamse Regering bepaalt.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de voorlopige goedkeuring of afkeuring van het OVR en voor de bekendmaking ervan.".
Art. 81. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 2, insérée par l'article 80, un article 4/1.3.2, rédigé comme suit :
" Art. 4/1.3.2. § 1er. Avant d'introduire la demande d'autorisation, l'initiateur notifie à l'administration son intention d'établir un RSE.
La notification, visée à l'alinéa 1er, comprend au moins les éléments suivants :
1° une description du projet, en ce compris une description succincte des alternatives envisagées pour le projet ou pour des parties du projet ;
2° la raison de l'obligation d'évaluation de l'établissement ;
3° les autorisations qui doivent être demandées et, le cas échéant, la situation actuelle en matière d'autorisation ;
4° une description du déroulement du processus avec, le cas échéant, une description du trajet de participation ;
5° le cas échéant, les données dont l'administration a besoin pour l'échange transfrontalier d'informations, visé au paragraphe 2 ;
6° les données pertinentes concernant l'expert agréé proposé, visé à l'article 4/1.3.3, le cas échéant complétées de la liste des experts qui assisteront l'expert agréé, ainsi que la répartition des tâches entre les experts ;
7° conformément à l'article 4/1.3.4 et au livre d'instructions e.s., visé à l'article 4/1.4.2, une description de l'approche de fond, en ce compris la méthodologie du RSE ;
8° le cas échéant, une demande d'avis sur l'information fournie conformément à l'article 4/1.3.4 ;
9° le cas échéant, les motifs de la demande de soustraction à la publication de la notification ou de ses parties indiquées.
L'administration peut toujours demander à l'initiateur de fournir des informations complémentaires. La procédure ne peut être poursuivie que lorsque l'administration a reçu les informations complémentaires qu'elle a demandées.
Le Gouvernement flamand peut arrêter d'autres modalités concernant les informations qui doivent être reprises dans la notification, visée à l'alinéa 1er. Il peut s'agir tant d'informations complémentaires qui ne sont pas mentionnées dans l'alinéa 2 que d'une clarification des éléments, visés à l'alinéa 2.
§ 2. S'il ressort de la notification, visée au paragraphe 1er, qu'à la suite d'un accident majeur, le projet peut avoir des incidences considérables pour l'homme ou l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne ou dans des parties à la Convention sur les effets transfrontières des accidents industriels, signée à Helsinki le 17 mars 1992, ou dans d'autres régions, ou si les autorités compétentes de ces Etats membres, parties à la convention ou régions en font la demande, l'administration notifie le projet aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention ou régions en question, avec la demande de communiquer leurs commentaires à l'administration.
La notification, visée à l'alinéa 1er, comprend au moins toutes les informations suivantes :
1° une copie de la notification, visée au paragraphe 1er ;
2° une description de la procédure d'évaluation qui est applicable au projet envisagé ;
3° l'information relative à l'obligation d'autorisation à laquelle le projet envisagé est soumis.
L'administration informe l'initiateur du fait que le projet a été notifié aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention ou régions en question.
§ 3. L'administration prend une décision concernant les auteurs du RSE, visé à l'article 4/1.3.3, et communique sa décision à l'initiateur dans le délai et de la manière fixés par le Gouvernement flamand.
§ 4. Lorsque la notification, visée au paragraphe 1er, contient une demande d'avis telle que mentionnée au paragraphe 1er, alinéa 2, 8°, l'administration émet un avis sur l'information que l'initiateur doit fournir, conformément à l'article 4/1.3.4.
§ 5. L'administration émet la notification, visée au paragraphe 1er, dans le délai fixé par le Gouvernement flamand et publié sur son site web.
Dans la notification, visée au paragraphe 1er, l'initiateur peut demander la soustraction intégrale ou partielle de certaines informations à la publication. La demande susmentionnée est traitée par l'organisme public concerné conformément à l'article II.36 du décret administratif du 7 décembre 2018. L'administration peut soustraire intégralement ou partiellement les données en question à la publication. Si elle décide de soustraire intégralement ou partiellement les données indiquées à la publication, elle doit reprendre dans une annexe les données qui sont soustraites à la publication. L'annexe n'est pas publiée.
§ 6. Le Gouvernement flamand fixe les modalités concernant la procédure de notification, la procédure transfrontalière et transrégionale et la procédure pour les avis rendus par l'administration.
§ 7. L'initiateur peut, préalablement à l'introduction de la demande d'autorisation, demander à l'administration d'examiner la qualité du contenu du RSE.
Dans le cas, visé à l'alinéa 1er, l'administration confronte le contenu du RSE aux éléments suivants :
1° la décision, visée au paragraphe 3 ;
2° la description de l'approche de fond du RSE, visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 7° ;
3° le cas échéant, l'avis, visé au paragraphe 4 ;
4° les données requises, visées à l'article 4/1.3.4 ;
5° le cas échéant, les avis, remarques et commentaires des autorités compétentes, visées au paragraphe 2.
Le résultat de l'examen mène à l'approbation ou au rejet provisoire du RSE.
L'administration communique sa décision à l'initiateur concernant l'approbation ou le rejet provisoire du RSE dans un délai déterminé par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles pour l'approbation ou le rejet provisoire du RSE et sa publication.
" Art. 4/1.3.2. § 1er. Avant d'introduire la demande d'autorisation, l'initiateur notifie à l'administration son intention d'établir un RSE.
La notification, visée à l'alinéa 1er, comprend au moins les éléments suivants :
1° une description du projet, en ce compris une description succincte des alternatives envisagées pour le projet ou pour des parties du projet ;
2° la raison de l'obligation d'évaluation de l'établissement ;
3° les autorisations qui doivent être demandées et, le cas échéant, la situation actuelle en matière d'autorisation ;
4° une description du déroulement du processus avec, le cas échéant, une description du trajet de participation ;
5° le cas échéant, les données dont l'administration a besoin pour l'échange transfrontalier d'informations, visé au paragraphe 2 ;
6° les données pertinentes concernant l'expert agréé proposé, visé à l'article 4/1.3.3, le cas échéant complétées de la liste des experts qui assisteront l'expert agréé, ainsi que la répartition des tâches entre les experts ;
7° conformément à l'article 4/1.3.4 et au livre d'instructions e.s., visé à l'article 4/1.4.2, une description de l'approche de fond, en ce compris la méthodologie du RSE ;
8° le cas échéant, une demande d'avis sur l'information fournie conformément à l'article 4/1.3.4 ;
9° le cas échéant, les motifs de la demande de soustraction à la publication de la notification ou de ses parties indiquées.
L'administration peut toujours demander à l'initiateur de fournir des informations complémentaires. La procédure ne peut être poursuivie que lorsque l'administration a reçu les informations complémentaires qu'elle a demandées.
Le Gouvernement flamand peut arrêter d'autres modalités concernant les informations qui doivent être reprises dans la notification, visée à l'alinéa 1er. Il peut s'agir tant d'informations complémentaires qui ne sont pas mentionnées dans l'alinéa 2 que d'une clarification des éléments, visés à l'alinéa 2.
§ 2. S'il ressort de la notification, visée au paragraphe 1er, qu'à la suite d'un accident majeur, le projet peut avoir des incidences considérables pour l'homme ou l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne ou dans des parties à la Convention sur les effets transfrontières des accidents industriels, signée à Helsinki le 17 mars 1992, ou dans d'autres régions, ou si les autorités compétentes de ces Etats membres, parties à la convention ou régions en font la demande, l'administration notifie le projet aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention ou régions en question, avec la demande de communiquer leurs commentaires à l'administration.
La notification, visée à l'alinéa 1er, comprend au moins toutes les informations suivantes :
1° une copie de la notification, visée au paragraphe 1er ;
2° une description de la procédure d'évaluation qui est applicable au projet envisagé ;
3° l'information relative à l'obligation d'autorisation à laquelle le projet envisagé est soumis.
L'administration informe l'initiateur du fait que le projet a été notifié aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention ou régions en question.
§ 3. L'administration prend une décision concernant les auteurs du RSE, visé à l'article 4/1.3.3, et communique sa décision à l'initiateur dans le délai et de la manière fixés par le Gouvernement flamand.
§ 4. Lorsque la notification, visée au paragraphe 1er, contient une demande d'avis telle que mentionnée au paragraphe 1er, alinéa 2, 8°, l'administration émet un avis sur l'information que l'initiateur doit fournir, conformément à l'article 4/1.3.4.
§ 5. L'administration émet la notification, visée au paragraphe 1er, dans le délai fixé par le Gouvernement flamand et publié sur son site web.
Dans la notification, visée au paragraphe 1er, l'initiateur peut demander la soustraction intégrale ou partielle de certaines informations à la publication. La demande susmentionnée est traitée par l'organisme public concerné conformément à l'article II.36 du décret administratif du 7 décembre 2018. L'administration peut soustraire intégralement ou partiellement les données en question à la publication. Si elle décide de soustraire intégralement ou partiellement les données indiquées à la publication, elle doit reprendre dans une annexe les données qui sont soustraites à la publication. L'annexe n'est pas publiée.
§ 6. Le Gouvernement flamand fixe les modalités concernant la procédure de notification, la procédure transfrontalière et transrégionale et la procédure pour les avis rendus par l'administration.
§ 7. L'initiateur peut, préalablement à l'introduction de la demande d'autorisation, demander à l'administration d'examiner la qualité du contenu du RSE.
Dans le cas, visé à l'alinéa 1er, l'administration confronte le contenu du RSE aux éléments suivants :
1° la décision, visée au paragraphe 3 ;
2° la description de l'approche de fond du RSE, visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 7° ;
3° le cas échéant, l'avis, visé au paragraphe 4 ;
4° les données requises, visées à l'article 4/1.3.4 ;
5° le cas échéant, les avis, remarques et commentaires des autorités compétentes, visées au paragraphe 2.
Le résultat de l'examen mène à l'approbation ou au rejet provisoire du RSE.
L'administration communique sa décision à l'initiateur concernant l'approbation ou le rejet provisoire du RSE dans un délai déterminé par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres règles pour l'approbation ou le rejet provisoire du RSE et sa publication.
Art. 82. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 3, ingevoegd bij artikel 74, een afdeling 3 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 3. Opstellen van het OVR".
"Afdeling 3. Opstellen van het OVR".
Art. 82. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 3, inséré par l'article 74, une section 3, rédigée comme suit :
" Section 3. Etablissement du RSE ".
" Section 3. Etablissement du RSE ".
Art. 83. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 3, ingevoegd bij artikel 82, een artikel 4/1.3.3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4/1.3.3. § 1. Het OVR wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer.
Om het OVR op te stellen, doet de initiatiefnemer een beroep op een erkende deskundige. Hij stelt aan de erkende deskundige alle relevante informatie ter beschikking die voorhanden is. Hij verleent alle medewerking opdat de erkende deskundige zijn taak naar behoren kan vervullen.
§ 2. De erkende deskundige mag geen belang hebben bij de exploitatie in kwestie. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit.
§ 3. Tijdens het opstellen van het OVR overlegt de erkende deskundige met de administratie. De erkende deskundige neemt in voorkomend geval het advies, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 4, in acht.".
"Art. 4/1.3.3. § 1. Het OVR wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer.
Om het OVR op te stellen, doet de initiatiefnemer een beroep op een erkende deskundige. Hij stelt aan de erkende deskundige alle relevante informatie ter beschikking die voorhanden is. Hij verleent alle medewerking opdat de erkende deskundige zijn taak naar behoren kan vervullen.
§ 2. De erkende deskundige mag geen belang hebben bij de exploitatie in kwestie. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit.
§ 3. Tijdens het opstellen van het OVR overlegt de erkende deskundige met de administratie. De erkende deskundige neemt in voorkomend geval het advies, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 4, in acht.".
Art. 83. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 3, insérée par l'article 82, un article 4/1.3.3, rédigé comme suit :
" Art. 4/1.3.3. § 1er. Le RSE est établi sous la responsabilité et aux frais de l'initiateur.
A cette fin, l'initiateur fait appel à un expert agréé. Il met à la disposition de l'expert agréé toutes les informations pertinentes disponibles. Il apporte toute sa collaboration afin que l'expert agréé puisse dûment s'acquitter de sa mission.
§ 2. L'expert agréé ne peut avoir aucun intérêt à l'exploitation en question. Il exécute sa mission en toute indépendance.
§ 3. Pendant l'établissement du RSE, l'expert agréé se concerte avec l'administration. Le cas échéant, l'expert agréé respecte l'avis, visé à l'article 4/1.3.2, § 4. ".
" Art. 4/1.3.3. § 1er. Le RSE est établi sous la responsabilité et aux frais de l'initiateur.
A cette fin, l'initiateur fait appel à un expert agréé. Il met à la disposition de l'expert agréé toutes les informations pertinentes disponibles. Il apporte toute sa collaboration afin que l'expert agréé puisse dûment s'acquitter de sa mission.
§ 2. L'expert agréé ne peut avoir aucun intérêt à l'exploitation en question. Il exécute sa mission en toute indépendance.
§ 3. Pendant l'établissement du RSE, l'expert agréé se concerte avec l'administration. Le cas échéant, l'expert agréé respecte l'avis, visé à l'article 4/1.3.2, § 4. ".
Art. 84. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 3 een artikel 4/1.3.4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4/1.3.4. Het OVR bevat ten minste al de volgende gegevens als die beschikbaar zijn:
1° inlichtingen over het beheersysteem en de organisatie van de inrichting met het oog op de preventie van zware ongevallen. Die inlichtingen hebben betrekking op de punten, vermeld in bijlage 2, die bij het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 is gevoegd;
2° een presentatie van de omgeving van de inrichting die al de volgende elementen bevat:
a) een beschrijving van de locatie, met inbegrip van de geografische ligging, de meteorologische, geologische en hydrografische gegevens, met inbegrip van de elementen van de voorgeschiedenis die relevant zijn voor de veiligheid;
b) een identificatie van de externe gevaarbronnen en gevoelige omgevingsobjecten, en ook de informatie die over die bronnen beschikbaar is;
c) een beschrijving van de zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen;
3° een beschrijving van de inrichting die al de volgende elementen bevat:
a) de identificatie van de installaties en activiteiten binnen de inrichting die een zwaar ongeval kunnen teweegbrengen;
b) de beschrijving van de activiteiten en producten uit de gedeelten van de inrichting die belangrijk zijn vanuit het oogpunt van de veiligheid;
c) een beschrijving van procedés en werkwijzen;
d) een beschrijving van de gevaarlijke stoffen die al de volgende elementen bevat:
1) een lijst van de gevaarlijke stoffen, die bestaat uit al de volgende elementen:
i) de beschrijving van de gevaarlijke stoffen met de chemische naam, het CAS-nummer en de naam volgens de IUPAC-nomenclatuur;
ii) de maximale hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen die aanwezig zijn of kunnen zijn;
2) de fysische, chemische en toxicologische kenmerken en gegevens over de gevaren voor mens en milieu die onmiddellijk en later optreden;
3) het fysische of chemische gedrag onder normale gebruiksvoorwaarden of bij voorzienbare ongevallen;
4° een identificatie en analyse van de zware ongevallen met mogelijke gevolgen voor de omgeving (mens en milieu) en de preventiemiddelen, die bestaan uit al de volgende elementen:
a) een gedetailleerde beschrijving van de scenario's voor mogelijke zware ongevallen en de omstandigheden waarin die zich kunnen voordoen, inclusief een samenvatting van de voorvallen die bij het op gang brengen van die scenario's een belangrijke rol kunnen spelen, ongeacht of de oorzaken binnen of buiten de installatie liggen;
b) een beschrijving van de mogelijke oorzaken van zware ongevallen en van de omstandigheden waarin zo'n zwaar ongeval zich zou kunnen voordoen, met een bijbehorende beschrijving van de genomen preventieve maatregelen;
c) een kwantificering van de risico's, zoals aangegeven in het v.r.-richtlijnenboek, vermeld in artikel 4/1.4.2, die verbonden zijn aan de scenario's, vermeld in punt a);
d) een beoordeling van de omvang en de ernst van de mogelijke gevolgen van de geïdentificeerde zware ongevallen;
e) een beschrijving van de technische parameters die van belang zijn voor de veiligheid van de installaties en van de apparatuur die voor de veiligheid van de installaties is gepland;
5° een overzicht van de beschermings- en interventiemaatregelen om de gevolgen van een zwaar ongeval te beperken, dat al de volgende elementen bevat:
a) een beschrijving van de technische parameters die van belang zijn voor de veiligheid van de installaties en van de apparatuur die voor de veiligheid van de installaties is gepland;
b) een beschrijving van de apparatuur die op de installatie is aangebracht om de gevolgen van zware ongevallen te beperken;
c) de organisatie van het alarm en de interventie;
d) een beschrijving van de inzetbare interne of externe middelen;
e) een beschrijving van het interne noodplan, vermeld in artikel 11 van het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016;
6° een beschrijving en beoordeling van de preventieve en gevolgbeperkende maatregelen van technische en organisatorische aard die de initiatiefnemer zal nemen, met inbegrip van de termijn waarop die verwezenlijkt zullen worden;
7° een schets van alternatieven die redelijkerwijze in beschouwing kunnen worden genomen op het vlak van locatie, plaatsing, procedé en hoeveelheden gevaarlijke stoffen, inbegrepen het nulalternatief en de sluiting van de inrichting;
8° een opgave van de moeilijkheden, technische leemten of ontbrekende kennis die de initiatiefnemer of de deskundige eventueel heeft ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie en de gevolgen daarvan voor de wetenschappelijkheid van het rapport;
9° een niet-technische samenvatting van de verstrekte gegevens, vermeld in punt 1° tot en met 8°. De niet-technische samenvatting is een samenvatting die voldoende begrijpelijk is voor het publiek en toelaat om voldoende zicht te krijgen op de mogelijke zware ongevallen, de mogelijke maatregelen of de maatregelen die genomen moeten worden.".
"Art. 4/1.3.4. Het OVR bevat ten minste al de volgende gegevens als die beschikbaar zijn:
1° inlichtingen over het beheersysteem en de organisatie van de inrichting met het oog op de preventie van zware ongevallen. Die inlichtingen hebben betrekking op de punten, vermeld in bijlage 2, die bij het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 is gevoegd;
2° een presentatie van de omgeving van de inrichting die al de volgende elementen bevat:
a) een beschrijving van de locatie, met inbegrip van de geografische ligging, de meteorologische, geologische en hydrografische gegevens, met inbegrip van de elementen van de voorgeschiedenis die relevant zijn voor de veiligheid;
b) een identificatie van de externe gevaarbronnen en gevoelige omgevingsobjecten, en ook de informatie die over die bronnen beschikbaar is;
c) een beschrijving van de zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen;
3° een beschrijving van de inrichting die al de volgende elementen bevat:
a) de identificatie van de installaties en activiteiten binnen de inrichting die een zwaar ongeval kunnen teweegbrengen;
b) de beschrijving van de activiteiten en producten uit de gedeelten van de inrichting die belangrijk zijn vanuit het oogpunt van de veiligheid;
c) een beschrijving van procedés en werkwijzen;
d) een beschrijving van de gevaarlijke stoffen die al de volgende elementen bevat:
1) een lijst van de gevaarlijke stoffen, die bestaat uit al de volgende elementen:
i) de beschrijving van de gevaarlijke stoffen met de chemische naam, het CAS-nummer en de naam volgens de IUPAC-nomenclatuur;
ii) de maximale hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen die aanwezig zijn of kunnen zijn;
2) de fysische, chemische en toxicologische kenmerken en gegevens over de gevaren voor mens en milieu die onmiddellijk en later optreden;
3) het fysische of chemische gedrag onder normale gebruiksvoorwaarden of bij voorzienbare ongevallen;
4° een identificatie en analyse van de zware ongevallen met mogelijke gevolgen voor de omgeving (mens en milieu) en de preventiemiddelen, die bestaan uit al de volgende elementen:
a) een gedetailleerde beschrijving van de scenario's voor mogelijke zware ongevallen en de omstandigheden waarin die zich kunnen voordoen, inclusief een samenvatting van de voorvallen die bij het op gang brengen van die scenario's een belangrijke rol kunnen spelen, ongeacht of de oorzaken binnen of buiten de installatie liggen;
b) een beschrijving van de mogelijke oorzaken van zware ongevallen en van de omstandigheden waarin zo'n zwaar ongeval zich zou kunnen voordoen, met een bijbehorende beschrijving van de genomen preventieve maatregelen;
c) een kwantificering van de risico's, zoals aangegeven in het v.r.-richtlijnenboek, vermeld in artikel 4/1.4.2, die verbonden zijn aan de scenario's, vermeld in punt a);
d) een beoordeling van de omvang en de ernst van de mogelijke gevolgen van de geïdentificeerde zware ongevallen;
e) een beschrijving van de technische parameters die van belang zijn voor de veiligheid van de installaties en van de apparatuur die voor de veiligheid van de installaties is gepland;
5° een overzicht van de beschermings- en interventiemaatregelen om de gevolgen van een zwaar ongeval te beperken, dat al de volgende elementen bevat:
a) een beschrijving van de technische parameters die van belang zijn voor de veiligheid van de installaties en van de apparatuur die voor de veiligheid van de installaties is gepland;
b) een beschrijving van de apparatuur die op de installatie is aangebracht om de gevolgen van zware ongevallen te beperken;
c) de organisatie van het alarm en de interventie;
d) een beschrijving van de inzetbare interne of externe middelen;
e) een beschrijving van het interne noodplan, vermeld in artikel 11 van het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016;
6° een beschrijving en beoordeling van de preventieve en gevolgbeperkende maatregelen van technische en organisatorische aard die de initiatiefnemer zal nemen, met inbegrip van de termijn waarop die verwezenlijkt zullen worden;
7° een schets van alternatieven die redelijkerwijze in beschouwing kunnen worden genomen op het vlak van locatie, plaatsing, procedé en hoeveelheden gevaarlijke stoffen, inbegrepen het nulalternatief en de sluiting van de inrichting;
8° een opgave van de moeilijkheden, technische leemten of ontbrekende kennis die de initiatiefnemer of de deskundige eventueel heeft ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie en de gevolgen daarvan voor de wetenschappelijkheid van het rapport;
9° een niet-technische samenvatting van de verstrekte gegevens, vermeld in punt 1° tot en met 8°. De niet-technische samenvatting is een samenvatting die voldoende begrijpelijk is voor het publiek en toelaat om voldoende zicht te krijgen op de mogelijke zware ongevallen, de mogelijke maatregelen of de maatregelen die genomen moeten worden.".
Art. 84. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 3, un article 4/1.3.4, rédigé comme suit :
" Art. 4/1.3.4. Le RSE comprend au moins toutes les données suivantes dans la mesure où celles-ci sont disponibles :
1° des informations sur le système de gestion et l'organisation de l'établissement en vue de la prévention d'accidents majeurs. Ces informations couvrent les points, visés à l'annexe 2, jointe à l'accord de coopération du 16 février 2016 ;
2° une présentation des environs de l'établissement qui comprend déjà les éléments suivants :
a) une description du site, en ce compris la situation géographique, les données météorologiques, géologiques et hydrographiques, ainsi que les éléments de l'historique du site pertinents pour la sécurité ;
b) une identification des sources de danger externes et des objets environnementaux sensibles, ainsi que les informations disponibles concernant ces sources ;
c) une description des zones susceptibles d'être touchées par un accident majeur ;
3° une description de l'établissement qui comprend tous les éléments suivants :
a) l'identification des installations et activités au sein de l'établissement susceptibles de provoquer un accident majeur ;
b) la description des activités et produits des parties de l'établissement qui sont importantes du point de vue de la sécurité ;
c) une description des procédés et méthodes de travail ;
d) une description des substances dangereuses qui comprend tous les éléments suivants :
1) une liste des substances dangereuses qui comprend tous les éléments suivants :
i) la description des substances dangereuses : nom chimique, numéro CAS et nom selon la nomenclature IUPAC ;
ii) la quantité maximale de substances dangereuses présentes ou pouvant être présentes ;
2) les propriétés et données physiques, chimiques et toxicologiques, tant du point de vue des dangers immédiats que des dangers ultérieurs pour l'homme et l'environnement ;
3) le comportement physique ou chimique dans des conditions d'utilisation normale ou lors d'accidents prévisibles ;
4° une identification et une analyse des accidents majeurs avec les conséquences potentielles pour l'homme et l'environnement et les moyens de prévention, qui comprennent tous les éléments suivants :
a) une description détaillée des scénarios pour des accidents majeurs potentiels et les circonstances dans lesquelles ces accidents peuvent se produire, en ce compris un résumé des incidents susceptibles de jouer un rôle important lors du déclenchement de ces scénarios, indépendamment du fait que ces causes se situent en dehors ou au sein de l'établissement ;
b) une description des causes possibles d'accidents majeurs et des circonstances dans lesquelles un tel accident majeur pourrait se produire, accompagnée d'une description des mesures préventives adoptées ;
c) une quantification des risques, telle qu'indiquée dans le livre d'instructions e.s., visé à l'article 4/1.4.2, liés aux scénarios décrits au point a) ;
d) une évaluation de l'ampleur et de la gravité des conséquences potentielles des accidents majeurs identifiés ;
e) une description des paramètres techniques qui sont importants pour la sécurité des installations et des appareils prévus pour assurer la sécurité des installations ;
5° un aperçu des mesures de protection et d'intervention pour atténuer les conséquences d'un accident majeur, qui comprend l'ensemble des éléments suivants :
a) une description des paramètres techniques qui sont importants pour la sécurité des installations et des appareils prévus pour assurer la sécurité des installations ;
b) une description des appareils aménagés sur les installations pour atténuer les conséquences d'accidents majeurs ;
c) l'organisation de l'alarme et de l'intervention ;
d) une description des moyens internes ou externes pouvant être mis en oeuvre ;
e) une description du plan d'urgence interne, visé à l'article 11 de l'accord de coopération du 16 février 2016 ;
6° une description et une évaluation des mesures de prévention et de limitation des conséquences d'ordre technique et organisationnel que prendra l'initiateur, en ce compris le délai dans lequel ces mesures se réaliseront ;
7° un aperçu des alternatives pouvant être raisonnablement prises en considération en termes de situation, d'implantation, de procédé et de quantités de substances dangereuses, en ce compris l'alternative zéro et la fermeture de l'établissement ;
8° une indication des difficultés, lacunes techniques ou connaissances manquantes constatées, le cas échéant, par l'initiateur ou l'expert lors de la collecte et du traitement des informations requises et de leurs conséquences pour la valeur scientifique du rapport ;
9° un résumé non technique des données fournies, telles que décrites aux points 1° jusqu'à 8° inclus. Le résumé non technique est un résumé qui est suffisamment compréhensible pour le public et qui permet de se forger une idée suffisante des accidents majeurs potentiels, des mesures possibles ou des mesures à prendre. ".
" Art. 4/1.3.4. Le RSE comprend au moins toutes les données suivantes dans la mesure où celles-ci sont disponibles :
1° des informations sur le système de gestion et l'organisation de l'établissement en vue de la prévention d'accidents majeurs. Ces informations couvrent les points, visés à l'annexe 2, jointe à l'accord de coopération du 16 février 2016 ;
2° une présentation des environs de l'établissement qui comprend déjà les éléments suivants :
a) une description du site, en ce compris la situation géographique, les données météorologiques, géologiques et hydrographiques, ainsi que les éléments de l'historique du site pertinents pour la sécurité ;
b) une identification des sources de danger externes et des objets environnementaux sensibles, ainsi que les informations disponibles concernant ces sources ;
c) une description des zones susceptibles d'être touchées par un accident majeur ;
3° une description de l'établissement qui comprend tous les éléments suivants :
a) l'identification des installations et activités au sein de l'établissement susceptibles de provoquer un accident majeur ;
b) la description des activités et produits des parties de l'établissement qui sont importantes du point de vue de la sécurité ;
c) une description des procédés et méthodes de travail ;
d) une description des substances dangereuses qui comprend tous les éléments suivants :
1) une liste des substances dangereuses qui comprend tous les éléments suivants :
i) la description des substances dangereuses : nom chimique, numéro CAS et nom selon la nomenclature IUPAC ;
ii) la quantité maximale de substances dangereuses présentes ou pouvant être présentes ;
2) les propriétés et données physiques, chimiques et toxicologiques, tant du point de vue des dangers immédiats que des dangers ultérieurs pour l'homme et l'environnement ;
3) le comportement physique ou chimique dans des conditions d'utilisation normale ou lors d'accidents prévisibles ;
4° une identification et une analyse des accidents majeurs avec les conséquences potentielles pour l'homme et l'environnement et les moyens de prévention, qui comprennent tous les éléments suivants :
a) une description détaillée des scénarios pour des accidents majeurs potentiels et les circonstances dans lesquelles ces accidents peuvent se produire, en ce compris un résumé des incidents susceptibles de jouer un rôle important lors du déclenchement de ces scénarios, indépendamment du fait que ces causes se situent en dehors ou au sein de l'établissement ;
b) une description des causes possibles d'accidents majeurs et des circonstances dans lesquelles un tel accident majeur pourrait se produire, accompagnée d'une description des mesures préventives adoptées ;
c) une quantification des risques, telle qu'indiquée dans le livre d'instructions e.s., visé à l'article 4/1.4.2, liés aux scénarios décrits au point a) ;
d) une évaluation de l'ampleur et de la gravité des conséquences potentielles des accidents majeurs identifiés ;
e) une description des paramètres techniques qui sont importants pour la sécurité des installations et des appareils prévus pour assurer la sécurité des installations ;
5° un aperçu des mesures de protection et d'intervention pour atténuer les conséquences d'un accident majeur, qui comprend l'ensemble des éléments suivants :
a) une description des paramètres techniques qui sont importants pour la sécurité des installations et des appareils prévus pour assurer la sécurité des installations ;
b) une description des appareils aménagés sur les installations pour atténuer les conséquences d'accidents majeurs ;
c) l'organisation de l'alarme et de l'intervention ;
d) une description des moyens internes ou externes pouvant être mis en oeuvre ;
e) une description du plan d'urgence interne, visé à l'article 11 de l'accord de coopération du 16 février 2016 ;
6° une description et une évaluation des mesures de prévention et de limitation des conséquences d'ordre technique et organisationnel que prendra l'initiateur, en ce compris le délai dans lequel ces mesures se réaliseront ;
7° un aperçu des alternatives pouvant être raisonnablement prises en considération en termes de situation, d'implantation, de procédé et de quantités de substances dangereuses, en ce compris l'alternative zéro et la fermeture de l'établissement ;
8° une indication des difficultés, lacunes techniques ou connaissances manquantes constatées, le cas échéant, par l'initiateur ou l'expert lors de la collecte et du traitement des informations requises et de leurs conséquences pour la valeur scientifique du rapport ;
9° un résumé non technique des données fournies, telles que décrites aux points 1° jusqu'à 8° inclus. Le résumé non technique est un résumé qui est suffisamment compréhensible pour le public et qui permet de se forger une idée suffisante des accidents majeurs potentiels, des mesures possibles ou des mesures à prendre. ".
Art. 85. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 3, ingevoegd bij artikel 77, een afdeling 4 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 4. Het onderzoek en het gebruik van het OVR".
"Afdeling 4. Het onderzoek en het gebruik van het OVR".
Art. 85. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 3, inséré par l'article 77, une section 4, rédigée comme suit :
" Section 4. L'analyse et l'utilisation du RSE ".
" Section 4. L'analyse et l'utilisation du RSE ".
Art. 86. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 4, ingevoegd bij artikel 85, een artikel 4/1.3.5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4/1.3.5. § 1. Op de wijze, vermeld in de regelgeving van de vergunningsprocedure in kwestie, bezorgt de initiatiefnemer het OVR aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing neemt over de vergunningsaanvraag voor het project.
De initiatiefnemer kan voorafgaand aan het indienen van de vergunningsaanvraag bij de overheid, vermeld in het eerste lid, aan de administratie vragen om overeenkomstig artikel II.36 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, bepaalde delen uit het OVR aan het openbaar onderzoek binnen de vergunningsprocedure te onttrekken. Hij voegt bij zijn vraag tevens het voltooide OVR toe en duidt aan over welke gegevens het gaat en op welke gronden de onttrekking aan de openbaarheid moet gebeuren. De administratie maakt een belangenafweging overeenkomstig het artikel II.36 in kwestie. De administratie kan de bedoelde gegevens geheel of gedeeltelijk aan de openbaarheid onttrekken. Als ze beslist tot hele of gedeeltelijke onttrekking aan de openbaarheid van de aangeduide gegevens, moet ze de relevante gegevens opnemen in een bijlage. De bijlage bij het OVR wordt niet ter inzage gelegd van het publiek tijdens de vergunningsprocedure.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling van de administratie met de administraties die bij de vergunningsprocedure betrokken zijn.
§ 2. Na de raadpleging van de adviesverlenende instanties en nadat het openbaar onderzoek van de vergunningsprocedure is afgesloten, toetst de administratie het OVR inhoudelijk aan de volgende elementen:
1° de beslissing, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 3;
2° de beschrijving van de inhoudelijke aanpak van het OVR, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 1, tweede lid, 7° ;
3° in voorkomend geval het advies, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 4;
4° de gegevens die conform artikel 4/1.3.4 vereist zijn;
5° de adviezen, opmerkingen en commentaren van de instanties en het publiek over het OVR die verstrekt zijn naar aanleiding van het openbaar onderzoek;
6° in voorkomend geval de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 2, en van het publiek over het OVR, die verstrekt zijn naar aanleiding van het openbaar onderzoek in grensoverschrijdend verband.
Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het OVR-verslag en leidt tot de goedkeuring of afkeuring van het OVR.
De Vlaamse Regering stelt de wijze vast voor de raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, en van de bevoegde autoriteiten, vermeld in het eerste lid, 6°, door de administratie.
§ 3. De administratie bezorgt haar beslissing over de goedkeuring of afkeuring van het OVR aan de volgende actoren:
1° de initiatiefnemer;
2° de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die de Vlaamse Regering aanwijst;
3° in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 2;
4° de overheid die in eerste aanleg een beslissing neemt over de vergunningsaanvraag voor het project.
De beslissing, vermeld in het eerste lid, bevat ook een afschrift van het OVR-verslag, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de goedkeuring of afkeuring van het OVR en de bekendmaking ervan.".
"Art. 4/1.3.5. § 1. Op de wijze, vermeld in de regelgeving van de vergunningsprocedure in kwestie, bezorgt de initiatiefnemer het OVR aan de overheid die in eerste aanleg een beslissing neemt over de vergunningsaanvraag voor het project.
De initiatiefnemer kan voorafgaand aan het indienen van de vergunningsaanvraag bij de overheid, vermeld in het eerste lid, aan de administratie vragen om overeenkomstig artikel II.36 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, bepaalde delen uit het OVR aan het openbaar onderzoek binnen de vergunningsprocedure te onttrekken. Hij voegt bij zijn vraag tevens het voltooide OVR toe en duidt aan over welke gegevens het gaat en op welke gronden de onttrekking aan de openbaarheid moet gebeuren. De administratie maakt een belangenafweging overeenkomstig het artikel II.36 in kwestie. De administratie kan de bedoelde gegevens geheel of gedeeltelijk aan de openbaarheid onttrekken. Als ze beslist tot hele of gedeeltelijke onttrekking aan de openbaarheid van de aangeduide gegevens, moet ze de relevante gegevens opnemen in een bijlage. De bijlage bij het OVR wordt niet ter inzage gelegd van het publiek tijdens de vergunningsprocedure.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenwerking en informatie-uitwisseling van de administratie met de administraties die bij de vergunningsprocedure betrokken zijn.
§ 2. Na de raadpleging van de adviesverlenende instanties en nadat het openbaar onderzoek van de vergunningsprocedure is afgesloten, toetst de administratie het OVR inhoudelijk aan de volgende elementen:
1° de beslissing, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 3;
2° de beschrijving van de inhoudelijke aanpak van het OVR, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 1, tweede lid, 7° ;
3° in voorkomend geval het advies, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 4;
4° de gegevens die conform artikel 4/1.3.4 vereist zijn;
5° de adviezen, opmerkingen en commentaren van de instanties en het publiek over het OVR die verstrekt zijn naar aanleiding van het openbaar onderzoek;
6° in voorkomend geval de adviezen, opmerkingen en commentaren van de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 2, en van het publiek over het OVR, die verstrekt zijn naar aanleiding van het openbaar onderzoek in grensoverschrijdend verband.
Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het OVR-verslag en leidt tot de goedkeuring of afkeuring van het OVR.
De Vlaamse Regering stelt de wijze vast voor de raadpleging van de adviesverlenende instanties, vermeld in het eerste lid, en van de bevoegde autoriteiten, vermeld in het eerste lid, 6°, door de administratie.
§ 3. De administratie bezorgt haar beslissing over de goedkeuring of afkeuring van het OVR aan de volgende actoren:
1° de initiatiefnemer;
2° de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die de Vlaamse Regering aanwijst;
3° in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 2;
4° de overheid die in eerste aanleg een beslissing neemt over de vergunningsaanvraag voor het project.
De beslissing, vermeld in het eerste lid, bevat ook een afschrift van het OVR-verslag, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de goedkeuring of afkeuring van het OVR en de bekendmaking ervan.".
Art. 86. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 4, insérée par l'article 85, un article 4/1.3.5, rédigé comme suit :
" Art. 4/1.3.5. § 1er. L'initiateur transmet le RSE à l'autorité compétente pour prendre une décision sur la demande d'autorisation du projet en première instance administrative, et ce, de la manière visée dans la réglementation relative à la procédure d'autorisation en question.
Avant d'introduire la demande d'autorisation auprès de l'autorité, visée à l'alinéa 1er, l'initiateur peut demander à l'administration, conformément à l'article II.36 du décret administratif du 7 décembre 2018, de soustraire certaines parties du RSE à l'enquête publique dans le cadre de la procédure d'autorisation. Il joint également à sa demande le RSE finalisé et indique de quelles données il s'agit et sur quels motifs la soustraction à la publicité doit se fonder. L'administration procède à une mise en balance des intérêts conformément à l'article II.36 en question. L'administration peut soustraire à la publicité tout ou partie des données visées. Lorsqu'elle décide de soustraire intégralement ou partiellement les données indiquées à la publicité, elle est tenue de reprendre les données pertinentes dans une annexe. L'annexe au RSE ne sera pas mise à la disposition du public pendant la procédure d'autorisation.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant la collaboration et l'échange d'informations de l'administration avec les administrations impliquées dans la procédure d'autorisation.
§ 2. Après avoir consulté les organes consultatifs et à l'issue de l'enquête publique de la procédure d'autorisation, l'administration confronte le RSE sur le fond aux éléments suivants :
1° la décision, visée à l'article 4/1.3.2, § 3 ;
2° la description de l'approche de fond du RSE, visée à l'article 4/1.3.2, § 1er, alinéa 2, 7° ;
3° le cas échéant, l'avis, visé à l'article 4/1.3.2, § 4 ;
4° les données requises conformément à l'article 4/1.3.4 ;
5° les avis, remarques et commentaires des organes et du public sur le RSE, communiqués à la suite de l'enquête publique ;
6° le cas échéant, les avis, remarques et commentaires des autorités compétentes, visées à l'article 4/1.3.2, § 2, et du public sur le RSE, communiqués à la suite de l'enquête publique dans un contexte transfrontière.
Le résultat de l'analyse est intégré dans le rapport RSE et débouche sur l'approbation ou le rejet du RSE.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités concernant la consultation des organes consultatifs, visés à l'alinéa 1er, et des autorités compétentes, visées à l'alinéa 1er, 6°, par l'administration.
§ 3. L'administration communique sa décision concernant l'approbation ou le rejet du RSE aux acteurs suivants :
1° l'initiateur ;
2° les administrations, les institutions publiques et les organismes publics désignés par le Gouvernement flamand ;
3° le cas échéant, les autorités compétentes, visées à l'article 4/1.3.2, § 2 ;
4° l'autorité compétente pour prendre une décision sur la demande d'autorisation du projet en première instance.
La décision, visée à l'alinéa 1er, contient également une copie du rapport RSE, visé au paragraphe 2, alinéa 2.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant l'approbation ou le rejet du RSE et sa publication. ".
" Art. 4/1.3.5. § 1er. L'initiateur transmet le RSE à l'autorité compétente pour prendre une décision sur la demande d'autorisation du projet en première instance administrative, et ce, de la manière visée dans la réglementation relative à la procédure d'autorisation en question.
Avant d'introduire la demande d'autorisation auprès de l'autorité, visée à l'alinéa 1er, l'initiateur peut demander à l'administration, conformément à l'article II.36 du décret administratif du 7 décembre 2018, de soustraire certaines parties du RSE à l'enquête publique dans le cadre de la procédure d'autorisation. Il joint également à sa demande le RSE finalisé et indique de quelles données il s'agit et sur quels motifs la soustraction à la publicité doit se fonder. L'administration procède à une mise en balance des intérêts conformément à l'article II.36 en question. L'administration peut soustraire à la publicité tout ou partie des données visées. Lorsqu'elle décide de soustraire intégralement ou partiellement les données indiquées à la publicité, elle est tenue de reprendre les données pertinentes dans une annexe. L'annexe au RSE ne sera pas mise à la disposition du public pendant la procédure d'autorisation.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant la collaboration et l'échange d'informations de l'administration avec les administrations impliquées dans la procédure d'autorisation.
§ 2. Après avoir consulté les organes consultatifs et à l'issue de l'enquête publique de la procédure d'autorisation, l'administration confronte le RSE sur le fond aux éléments suivants :
1° la décision, visée à l'article 4/1.3.2, § 3 ;
2° la description de l'approche de fond du RSE, visée à l'article 4/1.3.2, § 1er, alinéa 2, 7° ;
3° le cas échéant, l'avis, visé à l'article 4/1.3.2, § 4 ;
4° les données requises conformément à l'article 4/1.3.4 ;
5° les avis, remarques et commentaires des organes et du public sur le RSE, communiqués à la suite de l'enquête publique ;
6° le cas échéant, les avis, remarques et commentaires des autorités compétentes, visées à l'article 4/1.3.2, § 2, et du public sur le RSE, communiqués à la suite de l'enquête publique dans un contexte transfrontière.
Le résultat de l'analyse est intégré dans le rapport RSE et débouche sur l'approbation ou le rejet du RSE.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités concernant la consultation des organes consultatifs, visés à l'alinéa 1er, et des autorités compétentes, visées à l'alinéa 1er, 6°, par l'administration.
§ 3. L'administration communique sa décision concernant l'approbation ou le rejet du RSE aux acteurs suivants :
1° l'initiateur ;
2° les administrations, les institutions publiques et les organismes publics désignés par le Gouvernement flamand ;
3° le cas échéant, les autorités compétentes, visées à l'article 4/1.3.2, § 2 ;
4° l'autorité compétente pour prendre une décision sur la demande d'autorisation du projet en première instance.
La décision, visée à l'alinéa 1er, contient également une copie du rapport RSE, visé au paragraphe 2, alinéa 2.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant l'approbation ou le rejet du RSE et sa publication. ".
Art. 87. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in dezelfde afdeling 4 een artikel 4/1.3.6 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4/1.3.6. § 1. Vanaf de betekening van de beslissing, vermeld in artikel 4/1.3.5, § 3, liggen het OVR, het OVR-verslag, vermeld in artikel 4/1.3.5, § 2, tweede lid, en, in voorkomend geval, het advies, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 4, ter inzage bij de administratie.
§ 2. De initiatiefnemer kan aan de administratie vragen om te onderzoeken of ze, overeenkomstig artikel II.36 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, gegevens in de in paragraaf 1 bedoelde stukken aan terinzagelegging moet onttrekken. Hij stelt zijn vraag aan de administratie uiterlijk op het moment dat hij het voltooide OVR aan de administratie bezorgt. Hij duidt in zijn vraag aan over welke gegevens het gaat en op welke gronden de onttrekking aan de ter inzagelegging moet gebeuren.
De administratie neemt een beslissing over de vraag van de initiatiefnemer, vermeld in het eerste lid, uiterlijk op het moment van de goed- of afkeuring van het OVR. Ze maakt een belangenafweging conform artikel II.36 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. De administratie kan de gegevens, vermeld in het eerste lid, volledig of gedeeltelijk aan terinzagelegging onttrekken. Als ze beslist tot volledige of gedeeltelijke onttrekking aan de terinzagelegging van de aangewezen gegevens, neemt ze de relevante gegevens op in een bijlage. De bijlage wordt niet ter inzage gelegd van het publiek.
§ 3. Bij de verdere besluitvorming over het voorgenomen project wordt rekening gehouden met de noodzaak om risicoactiviteiten gescheiden en op voldoende afstand te houden van al de volgende gebieden:
1° woongebieden;
2° door publiek bezochte gebieden;
3° ruimtelijk kwetsbare gebieden;
4° bijzonder kwetsbare gebieden die de Vlaamse Regering bepaalt.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over het gebruik van het OVR bij de verdere besluitvorming over het voorgenomen project en over de bekendmaking van het besluit over het project.
§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over de wijze waarop de bevoegde autoriteiten en de burgers van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 2, hun commentaar kunnen meedelen over het OVR en het voorgenomen project, en over de wijze waarop daarover overleg wordt gepleegd.
De beslissing over de vergunningsaanvraag over het voorgenomen project wordt opgestuurd naar de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen of gewesten, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 2.
§ 5. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over:
1° de wijze waarop de overheid die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 2, op de hoogte wordt gebracht van een vergunningsaanvraag die al dan niet een OVR omvat, de administratie dan wel de betrokken provincie waar de effecten zich kunnen voordoen, daarvan op de hoogte brengt;
2° het openbaar onderzoek dat in voorkomend geval georganiseerd moet worden.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over het verstrekken van een advies over de vergunningsaanvraag, vermeld in het eerste lid, aan de bevoegde autoriteit van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 2.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over:
1° de wijze waarop de overheid die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 2, op de hoogte wordt gebracht van een beslissing over een vergunningsaanvraag die al dan niet een OVR omvat, de administratie of de betrokken provincie waar de effecten zich kunnen voordoen, daarvan op de hoogte brengt;
2° het in voorkomend geval ter beschikking stellen van de beslissing, vermeld in punt 1°, aan het publiek.".
"Art. 4/1.3.6. § 1. Vanaf de betekening van de beslissing, vermeld in artikel 4/1.3.5, § 3, liggen het OVR, het OVR-verslag, vermeld in artikel 4/1.3.5, § 2, tweede lid, en, in voorkomend geval, het advies, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 4, ter inzage bij de administratie.
§ 2. De initiatiefnemer kan aan de administratie vragen om te onderzoeken of ze, overeenkomstig artikel II.36 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, gegevens in de in paragraaf 1 bedoelde stukken aan terinzagelegging moet onttrekken. Hij stelt zijn vraag aan de administratie uiterlijk op het moment dat hij het voltooide OVR aan de administratie bezorgt. Hij duidt in zijn vraag aan over welke gegevens het gaat en op welke gronden de onttrekking aan de ter inzagelegging moet gebeuren.
De administratie neemt een beslissing over de vraag van de initiatiefnemer, vermeld in het eerste lid, uiterlijk op het moment van de goed- of afkeuring van het OVR. Ze maakt een belangenafweging conform artikel II.36 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. De administratie kan de gegevens, vermeld in het eerste lid, volledig of gedeeltelijk aan terinzagelegging onttrekken. Als ze beslist tot volledige of gedeeltelijke onttrekking aan de terinzagelegging van de aangewezen gegevens, neemt ze de relevante gegevens op in een bijlage. De bijlage wordt niet ter inzage gelegd van het publiek.
§ 3. Bij de verdere besluitvorming over het voorgenomen project wordt rekening gehouden met de noodzaak om risicoactiviteiten gescheiden en op voldoende afstand te houden van al de volgende gebieden:
1° woongebieden;
2° door publiek bezochte gebieden;
3° ruimtelijk kwetsbare gebieden;
4° bijzonder kwetsbare gebieden die de Vlaamse Regering bepaalt.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over het gebruik van het OVR bij de verdere besluitvorming over het voorgenomen project en over de bekendmaking van het besluit over het project.
§ 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over de wijze waarop de bevoegde autoriteiten en de burgers van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 2, hun commentaar kunnen meedelen over het OVR en het voorgenomen project, en over de wijze waarop daarover overleg wordt gepleegd.
De beslissing over de vergunningsaanvraag over het voorgenomen project wordt opgestuurd naar de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen of gewesten, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 2.
§ 5. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over:
1° de wijze waarop de overheid die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 2, op de hoogte wordt gebracht van een vergunningsaanvraag die al dan niet een OVR omvat, de administratie dan wel de betrokken provincie waar de effecten zich kunnen voordoen, daarvan op de hoogte brengt;
2° het openbaar onderzoek dat in voorkomend geval georganiseerd moet worden.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over het verstrekken van een advies over de vergunningsaanvraag, vermeld in het eerste lid, aan de bevoegde autoriteit van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 2.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over:
1° de wijze waarop de overheid die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 2, op de hoogte wordt gebracht van een beslissing over een vergunningsaanvraag die al dan niet een OVR omvat, de administratie of de betrokken provincie waar de effecten zich kunnen voordoen, daarvan op de hoogte brengt;
2° het in voorkomend geval ter beschikking stellen van de beslissing, vermeld in punt 1°, aan het publiek.".
Art. 87. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré, dans la même section 4, un article 4/1.3.6, rédigé comme suit :
" Art. 4/1.3.6. § 1er. Dès signification de la décision, visée à l'article 4/1.3.5, § 3, le RSE, le rapport RSE, visé à l'article 4/1.3.5, § 2, alinéa 2, et, le cas échéant, l'avis, visé à l'article 4/1.3.2, § 4, peuvent être consultés auprès de l'administration.
§ 2. L'initiateur peut demander à l'administration d'examiner si, conformément à l'article II.36 du décret administratif du 7 décembre 2018, elle doit soustraire à la consultation les données contenues dans les pièces visées au paragraphe 1er. Il soumet sa demande à l'administration au plus tard au moment de la remise du RSE finalisé à l'administration. Il précise dans sa demande les données en question et les motifs de la soustraction à la consultation.
L'administration prend une décision concernant la demande de l'initiateur, visée à l'alinéa 1er, au plus tard au moment de l'approbation ou du rejet du RSE. Elle fera une pondération des intérêts conformément à l'article II.36 du décret administratif du 7 décembre 2018. L'administration peut soustraire intégralement ou partiellement les données visées à l'alinéa 1er, à la mise en consultation. Lorsqu'elle décide d'une soustraction intégrale ou partielle des données indiquées à la mise en consultation, elle doit reprendre les données pertinentes dans une annexe. L'annexe ne pourra pas être consultée par le public.
§ 3. Lors du processus décisionnel ultérieur concernant le projet envisagé, il convient de tenir compte de la nécessité de garder les activités à risque isolées et à une distance appropriée des zones suivantes :
1° zones d'habitation ;
2° zones fréquentées par le public ;
3° zones vulnérables en termes spatiaux ;
4° zones vulnérables particulières à définir par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant l'utilisation du RSE lors de toute décision ultérieure concernant le projet envisagé et concernant la publication de l'arrêté relatif au projet.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres règles concernant les modalités selon lesquelles les autorités compétentes et les citoyens des Etats membres, des parties à la convention ou des régions, visées à l'article 4/1.3.2, § 2, peuvent faire part de leurs commentaires sur le RSE et le projet envisagé, et sur les modalités de concertation à ce sujet.
La décision relative à la demande d'autorisation concernant le projet envisagé est envoyée aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention ou régions concernés, visés à l'article 4/1.3.2, § 2.
§ 5. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant :
1° la manière dont l'autorité qui est informée par les autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention ou régions, visées à l'article 4/1.3.2, § 2, d'une demande d'autorisation comprenant ou non un RSE, en informe l'administration ou la province concernée où les incidences peuvent se produire ;
2° l'enquête publique qui doit, le cas échéant, être organisée.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant la fourniture d'un avis sur la demande d'autorisation, visée à l'alinéa 1er, à l'autorité compétente des Etats membres, parties à la convention ou régions, visées à l'article 4/1.3.2, § 2.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant :
1° la manière dont l'autorité qui est informée par les autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention ou régions, visées à l'article 4/1.3.2, § 2, d'une décision sur une demande d'autorisation comprenant ou non un RSE, en informe l'administration ou la province concernée où les incidences peuvent se produire ;
2° le cas échéant, la mise de la décision, visée au point 1°, à la disposition du public. ".
" Art. 4/1.3.6. § 1er. Dès signification de la décision, visée à l'article 4/1.3.5, § 3, le RSE, le rapport RSE, visé à l'article 4/1.3.5, § 2, alinéa 2, et, le cas échéant, l'avis, visé à l'article 4/1.3.2, § 4, peuvent être consultés auprès de l'administration.
§ 2. L'initiateur peut demander à l'administration d'examiner si, conformément à l'article II.36 du décret administratif du 7 décembre 2018, elle doit soustraire à la consultation les données contenues dans les pièces visées au paragraphe 1er. Il soumet sa demande à l'administration au plus tard au moment de la remise du RSE finalisé à l'administration. Il précise dans sa demande les données en question et les motifs de la soustraction à la consultation.
L'administration prend une décision concernant la demande de l'initiateur, visée à l'alinéa 1er, au plus tard au moment de l'approbation ou du rejet du RSE. Elle fera une pondération des intérêts conformément à l'article II.36 du décret administratif du 7 décembre 2018. L'administration peut soustraire intégralement ou partiellement les données visées à l'alinéa 1er, à la mise en consultation. Lorsqu'elle décide d'une soustraction intégrale ou partielle des données indiquées à la mise en consultation, elle doit reprendre les données pertinentes dans une annexe. L'annexe ne pourra pas être consultée par le public.
§ 3. Lors du processus décisionnel ultérieur concernant le projet envisagé, il convient de tenir compte de la nécessité de garder les activités à risque isolées et à une distance appropriée des zones suivantes :
1° zones d'habitation ;
2° zones fréquentées par le public ;
3° zones vulnérables en termes spatiaux ;
4° zones vulnérables particulières à définir par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant l'utilisation du RSE lors de toute décision ultérieure concernant le projet envisagé et concernant la publication de l'arrêté relatif au projet.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres règles concernant les modalités selon lesquelles les autorités compétentes et les citoyens des Etats membres, des parties à la convention ou des régions, visées à l'article 4/1.3.2, § 2, peuvent faire part de leurs commentaires sur le RSE et le projet envisagé, et sur les modalités de concertation à ce sujet.
La décision relative à la demande d'autorisation concernant le projet envisagé est envoyée aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention ou régions concernés, visés à l'article 4/1.3.2, § 2.
§ 5. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant :
1° la manière dont l'autorité qui est informée par les autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention ou régions, visées à l'article 4/1.3.2, § 2, d'une demande d'autorisation comprenant ou non un RSE, en informe l'administration ou la province concernée où les incidences peuvent se produire ;
2° l'enquête publique qui doit, le cas échéant, être organisée.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant la fourniture d'un avis sur la demande d'autorisation, visée à l'alinéa 1er, à l'autorité compétente des Etats membres, parties à la convention ou régions, visées à l'article 4/1.3.2, § 2.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant :
1° la manière dont l'autorité qui est informée par les autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention ou régions, visées à l'article 4/1.3.2, § 2, d'une décision sur une demande d'autorisation comprenant ou non un RSE, en informe l'administration ou la province concernée où les incidences peuvent se produire ;
2° le cas échéant, la mise de la décision, visée au point 1°, à la disposition du public. ".
Art. 88. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in titel IV/1, ingevoegd bij artikel 59, een hoofdstuk 4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 4. Aspecten van kwaliteitszorg".
"Hoofdstuk 4. Aspecten van kwaliteitszorg".
Art. 88. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le titre IV/1, inséré par l'article 59, un chapitre 4, rédigé comme suit :
" Chapitre 4. Aspects de la gestion de la qualité ".
" Chapitre 4. Aspects de la gestion de la qualité ".
Art. 89. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 88, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 1. De erkenning van v.r.-deskundigen".
"Afdeling 1. De erkenning van v.r.-deskundigen".
Art. 89. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 4, inséré par l'article 88, une section 1re, rédigée comme suit :
" Section 1re. L'agrément des experts e.s. ".
" Section 1re. L'agrément des experts e.s. ".
Art. 90. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 1, ingevoegd bij artikel 89, een artikel 4/1.4.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4/1.4.1. § 1. Op de erkenning van v.r.-deskundigen zijn de bepalingen van titel V, hoofdstuk VI, van toepassing.
§ 2. De erkende v.r.-deskundige mag geen persoonlijk belang hebben bij de realisatie van de voorgenomen actie of de alternatieven ervoor. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit.
De onafhankelijkheid van de erkende v.r.-deskundige wordt beoordeeld op het niveau van de individuele fysieke persoon.
De onafhankelijkheidsvereiste van de erkende v.r.-deskundige belet niet dat, als de erkende v.r.-deskundige betrokken is bij de opmaak van een RVR, de erkende v.r.-deskundige nadien de beoordeling kan uitvoeren van een project waarvoor het eerder vastgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan het kader voor de vergunningverlening vormt.
§ 3. De Vlaamse Regering kan de nadere voorwaarden over de uitoefening van de taak van de erkende v.r.-deskundige bepalen.".
"Art. 4/1.4.1. § 1. Op de erkenning van v.r.-deskundigen zijn de bepalingen van titel V, hoofdstuk VI, van toepassing.
§ 2. De erkende v.r.-deskundige mag geen persoonlijk belang hebben bij de realisatie van de voorgenomen actie of de alternatieven ervoor. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit.
De onafhankelijkheid van de erkende v.r.-deskundige wordt beoordeeld op het niveau van de individuele fysieke persoon.
De onafhankelijkheidsvereiste van de erkende v.r.-deskundige belet niet dat, als de erkende v.r.-deskundige betrokken is bij de opmaak van een RVR, de erkende v.r.-deskundige nadien de beoordeling kan uitvoeren van een project waarvoor het eerder vastgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan het kader voor de vergunningverlening vormt.
§ 3. De Vlaamse Regering kan de nadere voorwaarden over de uitoefening van de taak van de erkende v.r.-deskundige bepalen.".
Art. 90. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 1re, insérée par l'article 89, un article 4/1.4.1, rédigé comme suit :
" Art. 4/1.4.1. § 1er. Les dispositions du titre V, chapitre VI, s'appliquent à l'agrément des experts e.s.
§ 2. L'expert e.s. agréé ne peut avoir aucun intérêt personnel à la réalisation de l'action envisagée ou de ses alternatives. Il exécute sa mission en toute indépendance.
L'indépendance de l'expert e.s. agréé est évaluée au niveau de la personne physique individuelle.
Si l'expert e.s. agréé participe à l'élaboration d'un RSS, l'exigence d'indépendance de l'expert e.s. agréé ne l'empêche pas de procéder ultérieurement à l'évaluation d'un projet pour lequel le plan d'exécution spatiale précédemment adopté constitue le cadre pour l'octroi d'autorisations.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer les autres conditions d'exercice de la mission de l'expert e.s. agréé. ".
" Art. 4/1.4.1. § 1er. Les dispositions du titre V, chapitre VI, s'appliquent à l'agrément des experts e.s.
§ 2. L'expert e.s. agréé ne peut avoir aucun intérêt personnel à la réalisation de l'action envisagée ou de ses alternatives. Il exécute sa mission en toute indépendance.
L'indépendance de l'expert e.s. agréé est évaluée au niveau de la personne physique individuelle.
Si l'expert e.s. agréé participe à l'élaboration d'un RSS, l'exigence d'indépendance de l'expert e.s. agréé ne l'empêche pas de procéder ultérieurement à l'évaluation d'un projet pour lequel le plan d'exécution spatiale précédemment adopté constitue le cadre pour l'octroi d'autorisations.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer les autres conditions d'exercice de la mission de l'expert e.s. agréé. ".
Art. 91. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 88, een afdeling 2 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 2. De richtlijnenboeken en evaluatie".
"Afdeling 2. De richtlijnenboeken en evaluatie".
Art. 91. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans le chapitre 4, inséré par l'article 88, une section 2, rédigée comme suit :
" Section 2. Les livres d'instructions et l'évaluation ".
" Section 2. Les livres d'instructions et l'évaluation ".
Art. 92. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, wordt in afdeling 2, ingevoegd bij artikel 91, een artikel 4/1.4.2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4/1.4.2. § 1. De administratie stelt een richtlijnenboek over v.r. op. Dat v.r.-richtlijnenboek is het referentiewerk waarop de administratie, de initiatiefnemer en de deskundigen zich baseren voor het goede verloop van de rapportage en de inhoud van een RVR, een OVR of een veiligheidsnota, met inbegrip van de methodologische aspecten.
De bijzondere en in voorkomend geval aanvullende bijzondere richtlijnen, vermeld in het derde lid, kunnen op gemotiveerde wijze het v.r.-richtlijnenboek aanvullen, strengere voorschriften bevatten of er in minder strenge zin van afwijken.
Het advies, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 4, omvat de bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, vermeld in het tweede lid.
§ 2. De administratie is verantwoordelijk voor de geregelde actualisering van de richtlijnenboeken op basis van de wetenschappelijke en maatschappelijke ontwikkelingen, en de evaluatie van de ervaringen met veiligheidsrapportages.".
"Art. 4/1.4.2. § 1. De administratie stelt een richtlijnenboek over v.r. op. Dat v.r.-richtlijnenboek is het referentiewerk waarop de administratie, de initiatiefnemer en de deskundigen zich baseren voor het goede verloop van de rapportage en de inhoud van een RVR, een OVR of een veiligheidsnota, met inbegrip van de methodologische aspecten.
De bijzondere en in voorkomend geval aanvullende bijzondere richtlijnen, vermeld in het derde lid, kunnen op gemotiveerde wijze het v.r.-richtlijnenboek aanvullen, strengere voorschriften bevatten of er in minder strenge zin van afwijken.
Het advies, vermeld in artikel 4/1.3.2, § 4, omvat de bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, vermeld in het tweede lid.
§ 2. De administratie is verantwoordelijk voor de geregelde actualisering van de richtlijnenboeken op basis van de wetenschappelijke en maatschappelijke ontwikkelingen, en de evaluatie van de ervaringen met veiligheidsrapportages.".
Art. 92. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, il est inséré dans la section 2, insérée par l'article 91, un article 4/1.4.2, rédigé comme suit :
" Art. 4/1.4.2. § 1er. L'administration élabore un livre d'instructions sur l'évaluation des incidences sur la sécurité. Ce livre d'instructions e.s. est l'ouvrage de référence sur lequel l'administration, l'initiateur et les experts s'appuient pour le bon déroulement de l'évaluation et le contenu d'un RSS, d'un RSE ou d'une note de sécurité, en ce compris les aspects méthodologiques.
Les directives particulières et, le cas échéant, les directives particulières complémentaires, visées à l'alinéa 3, peuvent de manière motivée compléter le livre d'instructions e.s., contenir des dispositions plus strictes ou y déroger dans le sens de dispositions moins sévères.
L'avis, visé à l'article 4/1.3.2, § 4, comprend les directives particulières et, le cas échéant, les directives particulières complémentaires, visées à l'alinéa 2.
§ 2. L'administration est responsable de la mise à jour régulière des livres d'instructions sur la base des développements scientifiques et sociétaux, et de l'évaluation des expériences en matière d'évaluation des incidences sur la sécurité. ".
" Art. 4/1.4.2. § 1er. L'administration élabore un livre d'instructions sur l'évaluation des incidences sur la sécurité. Ce livre d'instructions e.s. est l'ouvrage de référence sur lequel l'administration, l'initiateur et les experts s'appuient pour le bon déroulement de l'évaluation et le contenu d'un RSS, d'un RSE ou d'une note de sécurité, en ce compris les aspects méthodologiques.
Les directives particulières et, le cas échéant, les directives particulières complémentaires, visées à l'alinéa 3, peuvent de manière motivée compléter le livre d'instructions e.s., contenir des dispositions plus strictes ou y déroger dans le sens de dispositions moins sévères.
L'avis, visé à l'article 4/1.3.2, § 4, comprend les directives particulières et, le cas échéant, les directives particulières complémentaires, visées à l'alinéa 2.
§ 2. L'administration est responsable de la mise à jour régulière des livres d'instructions sur la base des développements scientifiques et sociétaux, et de l'évaluation des expériences en matière d'évaluation des incidences sur la sécurité. ".
Art. 93. Bijlage I bij hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en gewijzigd bij het decreet van 27 april 2007, wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit decreet is gevoegd.
Art. 93. L'annexe I du même décret, insérée par le décret du 18 décembre 2002 et modifiée par le décret du 27 avril 2007, est remplacée par l'annexe 1, jointe au présent décret.
Art. 94. Bijlage II bij hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en vervangen bij het decreet van 23 december 2016, wordt vervangen door bijlage 2, die bij dit decreet is gevoegd.
Art. 94. L'annexe II du même décret, insérée par le décret du 18 décembre 2002 et remplacée par le décret du 23 décembre 2016, est remplacée par l'annexe 2, jointe au présent décret.
Art. 95. Bijlage IIbis bij hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2016, wordt opgeheven.
Art. 95. L'annexe IIbis du même décret, insérée par le décret du 23 décembre 2016, est abrogée.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
CHAPITRE 3. - Modifications du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel
Art. 96. In artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2002 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 januari 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 3 worden het vierde en vijfde lid vervangen door wat volgt:
"Een plan of programma als vermeld in artikel 4.1.1, 12°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en de wijziging ervan, waarvoor, gelet op het betekenisvolle effect op een speciale beschermingszone, een passende beoordeling is vereist, valt onder de werkingssfeer van titel IV van het voormelde decreet.
Voor een plan of programma als vermeld in het vierde lid, dat geen ruimtelijk uitvoeringsplan is, voegt de initiatiefnemer de passende beoordeling bij de screening van het plan of programma, vermeld in artikel 4.3.5, § 1, van het voormelde decreet. Als een plan-MER wordt opgemaakt, wordt de passende beoordeling daarin geïntegreerd.";
2° in paragraaf 3 worden het zevende en achtste lid vervangen door wat volgt:
"Als een vergunningsplichtige activiteit conform artikel 4.3.3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid onderworpen is aan de verplichting tot opmaak van een project-MER, wordt conform de bepalingen over de milieubeoordeling van projecten, vermeld in hoofdstuk 1, 2, 4 en 5 van titel IV van het voormelde decreet, een project-MER opgemaakt.
De passende beoordeling wordt geïntegreerd in het project-MER.".
1° in paragraaf 3 worden het vierde en vijfde lid vervangen door wat volgt:
"Een plan of programma als vermeld in artikel 4.1.1, 12°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en de wijziging ervan, waarvoor, gelet op het betekenisvolle effect op een speciale beschermingszone, een passende beoordeling is vereist, valt onder de werkingssfeer van titel IV van het voormelde decreet.
Voor een plan of programma als vermeld in het vierde lid, dat geen ruimtelijk uitvoeringsplan is, voegt de initiatiefnemer de passende beoordeling bij de screening van het plan of programma, vermeld in artikel 4.3.5, § 1, van het voormelde decreet. Als een plan-MER wordt opgemaakt, wordt de passende beoordeling daarin geïntegreerd.";
2° in paragraaf 3 worden het zevende en achtste lid vervangen door wat volgt:
"Als een vergunningsplichtige activiteit conform artikel 4.3.3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid onderworpen is aan de verplichting tot opmaak van een project-MER, wordt conform de bepalingen over de milieubeoordeling van projecten, vermeld in hoofdstuk 1, 2, 4 en 5 van titel IV van het voormelde decreet, een project-MER opgemaakt.
De passende beoordeling wordt geïntegreerd in het project-MER.".
Art. 96. Dans l'article 36ter du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, inséré par le décret du 19 juillet 2002 et modifié en dernier lieu par le décret du 26 janvier 2024, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 3, les alinéas 4 et 5 sont remplacés par ce qui suit :
" Un plan ou programme, tel que visé à l'article 4.1.1, 12°, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales sur la politique de l'environnement, et sa modification, pour lequel, compte tenu de l'impact significatif sur une zone de protection spéciale, une évaluation appropriée est requise, relève du champ d'application du titre IV du décret précité.
Pour un plan ou programme, tel que visé à l'alinéa 4, qui n'est pas un plan d'exécution spatiale, l'initiateur joint l'évaluation appropriée au screening du plan ou programme, visé à l'article 4.3.5, § 1er, du décret précité. Si un RIE de plan est élaboré, l'évaluation appropriée y sera intégrée. " ;
2° dans le paragraphe 3, les alinéas 7 et 8 sont remplacés par ce qui suit :
" Si une activité soumise à autorisation est soumise à l'obligation d'établir un RIE du projet conformément à l'article 4.3.3 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, un RIE du projet est établi conformément aux dispositions relatives à l'évaluation environnementale des projets, visée aux chapitre s 1, 2, 4 et 5 du titre IV du décret susmentionné.
L'évaluation appropriée sera intégrée dans le RIE du projet. ".
1° dans le paragraphe 3, les alinéas 4 et 5 sont remplacés par ce qui suit :
" Un plan ou programme, tel que visé à l'article 4.1.1, 12°, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales sur la politique de l'environnement, et sa modification, pour lequel, compte tenu de l'impact significatif sur une zone de protection spéciale, une évaluation appropriée est requise, relève du champ d'application du titre IV du décret précité.
Pour un plan ou programme, tel que visé à l'alinéa 4, qui n'est pas un plan d'exécution spatiale, l'initiateur joint l'évaluation appropriée au screening du plan ou programme, visé à l'article 4.3.5, § 1er, du décret précité. Si un RIE de plan est élaboré, l'évaluation appropriée y sera intégrée. " ;
2° dans le paragraphe 3, les alinéas 7 et 8 sont remplacés par ce qui suit :
" Si une activité soumise à autorisation est soumise à l'obligation d'établir un RIE du projet conformément à l'article 4.3.3 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, un RIE du projet est établi conformément aux dispositions relatives à l'évaluation environnementale des projets, visée aux chapitre s 1, 2, 4 et 5 du titre IV du décret susmentionné.
L'évaluation appropriée sera intégrée dans le RIE du projet. ".
Art. 97. In artikel 36ter, § 6, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt het woord "goedgekeurde" opgeheven.
Art. 97. Dans l'article 36ter, § 6, alinéa 1er du même décret, le mot " approuvé " est abrogé.
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006
CHAPITRE 4. - Modifications du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006
Art. 98. In artikel 47bis van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, ingevoegd bij het decreet van 28 maart 2014 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 4.3.2, § 2bis of § 3bis" vervangen door de zinsnede "artikel 4.3.3, § 1, 2° ", worden de woorden "een project-m.e.r.- screeningsnota" vervangen door de woorden "een project-m.e.r.-screening" en wordt de zinsnede "artikel 4.3.3, § 2" vervangen door de zinsnede "artikel 4.3.6";
2° in paragraaf 2 en 3 wordt het woord "project-m.e.r.-screeningsnota" telkens vervangen door het woord "project-m.e.r.-screening";
3° in paragraaf 3, tweede en derde lid, wordt de zinsnede "bijlage II" telkens vervangen door de zinsnede "bijlage I";
4° in paragraaf 3 wordt het vijfde lid vervangen door wat volgt:
"Er hoeft geen project-MER te worden opgesteld als de OVAM van oordeel is dat een toetsing aan de criteria, vermeld in bijlage I van het voormelde decreet, uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.".
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 4.3.2, § 2bis of § 3bis" vervangen door de zinsnede "artikel 4.3.3, § 1, 2° ", worden de woorden "een project-m.e.r.- screeningsnota" vervangen door de woorden "een project-m.e.r.-screening" en wordt de zinsnede "artikel 4.3.3, § 2" vervangen door de zinsnede "artikel 4.3.6";
2° in paragraaf 2 en 3 wordt het woord "project-m.e.r.-screeningsnota" telkens vervangen door het woord "project-m.e.r.-screening";
3° in paragraaf 3, tweede en derde lid, wordt de zinsnede "bijlage II" telkens vervangen door de zinsnede "bijlage I";
4° in paragraaf 3 wordt het vijfde lid vervangen door wat volgt:
"Er hoeft geen project-MER te worden opgesteld als de OVAM van oordeel is dat een toetsing aan de criteria, vermeld in bijlage I van het voormelde decreet, uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.".
Art. 98. Dans l'article 47bis du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006, inséré par le décret du 28 mars 2014 et modifié par le décret du 23 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " article 4.3.2, § 2bis ou § 3bis " est remplacé par le membre de phrase " article 4.3.3, § 1er, 2° ", les mots " une note de screening du projet e.i.e. " sont remplacés par les mots " un screening du RIE du projet. " et le membre de phrase " article 4.3.3, § 2 " est remplacé par le membre de phrase " article 4.3.6 " ;
2° aux paragraphes 2 et 3, les mots " note de screening du projet e.i.e. " sont chaque fois remplacés par les mots " screening du RIE du projet " ;
3° au paragraphe 3, alinéas 2 et 3, le membre de phrase " annexe II " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " annexe I " ;
4° au paragraphe 3, l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit :
" Un RIE du projet ne doit pas être établi si l'OVAM estime qu'un contrôle quant aux critères, visés à l'annexe I du décret précité, démontre que le projet envisagé ne peut pas avoir des conséquences considérables pour l'environnement et qu'un RIE du projet ne peut raisonnablement pas contenir des données nouvelles ou supplémentaires sur les incidences environnementales notables. ".
1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " article 4.3.2, § 2bis ou § 3bis " est remplacé par le membre de phrase " article 4.3.3, § 1er, 2° ", les mots " une note de screening du projet e.i.e. " sont remplacés par les mots " un screening du RIE du projet. " et le membre de phrase " article 4.3.3, § 2 " est remplacé par le membre de phrase " article 4.3.6 " ;
2° aux paragraphes 2 et 3, les mots " note de screening du projet e.i.e. " sont chaque fois remplacés par les mots " screening du RIE du projet " ;
3° au paragraphe 3, alinéas 2 et 3, le membre de phrase " annexe II " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " annexe I " ;
4° au paragraphe 3, l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit :
" Un RIE du projet ne doit pas être établi si l'OVAM estime qu'un contrôle quant aux critères, visés à l'annexe I du décret précité, démontre que le projet envisagé ne peut pas avoir des conséquences considérables pour l'environnement et qu'un RIE du projet ne peut raisonnablement pas contenir des données nouvelles ou supplémentaires sur les incidences environnementales notables. ".
Art. 99. In artikel 47ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 28 maart 2014 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 4.3.4, § 1 tot en met § 4, en artikel 4.3.5 tot en met 4.3.9" vervangen door de zinsnede "artikel 4.4.3, 4.4.5, § 2, artikel 4.4.7, 4.4.9 en 4.5.1";
2° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 4.3.3 en 4.3.4, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid" vervangen door de zinsnede "artikel 4.3.3, § 5 en § 6, artikel 4.3.6, § 1, en artikel 4.4.3, § 6, van het voormelde decreet";
3° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "artikel 4.3.7" vervangen door de zinsnede "artikel 4.4.5, § 2,".
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 4.3.4, § 1 tot en met § 4, en artikel 4.3.5 tot en met 4.3.9" vervangen door de zinsnede "artikel 4.4.3, 4.4.5, § 2, artikel 4.4.7, 4.4.9 en 4.5.1";
2° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 4.3.3 en 4.3.4, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid" vervangen door de zinsnede "artikel 4.3.3, § 5 en § 6, artikel 4.3.6, § 1, en artikel 4.4.3, § 6, van het voormelde decreet";
3° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "artikel 4.3.7" vervangen door de zinsnede "artikel 4.4.5, § 2,".
Art. 99. A l'article 47ter du même décret, inséré par le décret du 28 mars 2014 et modifié par le décret du 23 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " article 4.3.4, §§ 1er à 4 inclus " est remplacé par le membre de phrase " articles 4.4.3, 4.4.5, § 2, 4.4.7, 4.4.9 et 4.5.1 " ;
2° au paragraphe 1er, le membre de phrase " articles 4.3.3 et 4.3.4, § 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " est remplacé par le membre de phrase " articles 4.3.3, § 5 et § 6, 4.3.6, § 1er, et 4.4.3, § 6, du décret précité " ;
3° au paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " article 4.3.7 " est remplacé par le membre de phrase " article 4.4.5, § 2, ".
1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " article 4.3.4, §§ 1er à 4 inclus " est remplacé par le membre de phrase " articles 4.4.3, 4.4.5, § 2, 4.4.7, 4.4.9 et 4.5.1 " ;
2° au paragraphe 1er, le membre de phrase " articles 4.3.3 et 4.3.4, § 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " est remplacé par le membre de phrase " articles 4.3.3, § 5 et § 6, 4.3.6, § 1er, et 4.4.3, § 6, du décret précité " ;
3° au paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " article 4.3.7 " est remplacé par le membre de phrase " article 4.4.5, § 2, ".
Art. 100. In artikel 50, § 1bis, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 28 maart 2014 en vervangen bij het decreet van 23 december 2016, worden de woorden "de administratie die bevoegd is voor milieueffectrapportage" vervangen door de woorden "het Vlaams expertisecentrum m.e.r.".
Art. 100. Dans l'article 50, § 1erbis, du même décret, inséré par le décret du 28 mars 2014 et modifié par le décret du 23 décembre 2016, les mots " de l'administration compétente de l'évaluation des incidences sur l'environnement " sont remplacés par les mots " du Centre d'Expertise flamand R.I.E. ".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009
CHAPITRE 5. - Modifications du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009
Art. 101. In artikel 1.1.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 mei 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° er wordt een punt 4° /0 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"4° /0 dienst bevoegd voor veiligheidsrapportage: de administratie, vermeld in artikel 4/1.1.1, eerste lid, 2°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;";
2° punt 8° /1 wordt vervangen door wat volgt:
"8° /1 kwaliteitsbeoordeling:
a) in geval van een milieueffectrapportage: de beoordeling van het milieueffectrapport door het Vlaams expertisecentrum m.e.r., waarin wordt beoordeeld of het milieueffectrapport voldoet aan de essentiële kenmerken, vermeld in artikel 4.2.1, tweede lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, door over de inhoudsafbakening van het milieueffectrapport te adviseren en het milieueffectrapport daaraan te toetsen;
b) in geval van een veiligheidsrapportage: de beoordeling van de veiligheidsrapportage door de dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage, waarin wordt beoordeeld of de veiligheidsrapportage voldoet aan de essentiële kenmerken, vermeld in artikel 4/1.1.3, tweede lid, van het voormelde decreet, door:
1) vast te stellen dat geen ruimtelijk veiligheidsrapport vereist is;
2) de inhoudsafbakening van het ruimtelijk veiligheidsrapport te bepalen en het ruimtelijk veiligheidsrapport daaraan te toetsen;";
3° er wordt een punt 16° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"16° /1 Vlaams expertisecentrum m.e.r.: het Vlaams expertisecentrum m.e.r., vermeld in artikel 4.1.1, 19°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;".
1° er wordt een punt 4° /0 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"4° /0 dienst bevoegd voor veiligheidsrapportage: de administratie, vermeld in artikel 4/1.1.1, eerste lid, 2°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;";
2° punt 8° /1 wordt vervangen door wat volgt:
"8° /1 kwaliteitsbeoordeling:
a) in geval van een milieueffectrapportage: de beoordeling van het milieueffectrapport door het Vlaams expertisecentrum m.e.r., waarin wordt beoordeeld of het milieueffectrapport voldoet aan de essentiële kenmerken, vermeld in artikel 4.2.1, tweede lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, door over de inhoudsafbakening van het milieueffectrapport te adviseren en het milieueffectrapport daaraan te toetsen;
b) in geval van een veiligheidsrapportage: de beoordeling van de veiligheidsrapportage door de dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage, waarin wordt beoordeeld of de veiligheidsrapportage voldoet aan de essentiële kenmerken, vermeld in artikel 4/1.1.3, tweede lid, van het voormelde decreet, door:
1) vast te stellen dat geen ruimtelijk veiligheidsrapport vereist is;
2) de inhoudsafbakening van het ruimtelijk veiligheidsrapport te bepalen en het ruimtelijk veiligheidsrapport daaraan te toetsen;";
3° er wordt een punt 16° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"16° /1 Vlaams expertisecentrum m.e.r.: het Vlaams expertisecentrum m.e.r., vermeld in artikel 4.1.1, 19°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;".
Art. 101. Dans l'article 1.1.2 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, modifié en dernier lieu par le décret du 26 mai 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° il est inséré un point 4° /1, rédigé comme suit :
" 4° /0 service compétent pour l'évaluation des incidences sur la sécurité : l'administration, visée à l'article 4/1.1.1, alinéa 1er, 2°, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ; " ;
2° le point 8° /1 est remplacé par ce qui suit :
" 8° /1 évaluation de la qualité :
a) dans le cas d'une évaluation des incidences sur l'environnement : l'évaluation du rapport sur les incidences environnementales par le Centre d'Expertise flamand R.I.E., qui détermine si le rapport sur les incidences environnementales répond aux caractéristiques essentielles, visées à l'article 4.2.1, alinéa 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, en émettant un avis sur la délimitation du contenu du rapport sur les incidences environnementales et en y confrontant le rapport sur les incidences environnementales ;
b) dans le cas d'une évaluation des incidences sur la sécurité : l'évaluation du rapport de sécurité par le service, compétent pour l'évaluation des incidences sur la sécurité, dans lequel il est évalué si l'évaluation des incidences sur la sécurité répond aux caractéristiques essentielles, visées à l'article 4/1.1.3, alinéa 2, du décret précité :
1) en constatant qu'aucun rapport de sécurité spatiale n'est requis ;
2) en déterminant la délimitation du contenu du rapport de sécurité spatiale et en y confrontant le rapport de sécurité spatiale ; " ;
3° il est inséré un point 16° /1, rédigé comme suit :
" 16° /1 Centre d'Expertise flamand R.I.E. : le Centre d'Expertise flamand R.I.E., visé à l'article 4.1.1, 19°, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ; ".
1° il est inséré un point 4° /1, rédigé comme suit :
" 4° /0 service compétent pour l'évaluation des incidences sur la sécurité : l'administration, visée à l'article 4/1.1.1, alinéa 1er, 2°, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ; " ;
2° le point 8° /1 est remplacé par ce qui suit :
" 8° /1 évaluation de la qualité :
a) dans le cas d'une évaluation des incidences sur l'environnement : l'évaluation du rapport sur les incidences environnementales par le Centre d'Expertise flamand R.I.E., qui détermine si le rapport sur les incidences environnementales répond aux caractéristiques essentielles, visées à l'article 4.2.1, alinéa 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, en émettant un avis sur la délimitation du contenu du rapport sur les incidences environnementales et en y confrontant le rapport sur les incidences environnementales ;
b) dans le cas d'une évaluation des incidences sur la sécurité : l'évaluation du rapport de sécurité par le service, compétent pour l'évaluation des incidences sur la sécurité, dans lequel il est évalué si l'évaluation des incidences sur la sécurité répond aux caractéristiques essentielles, visées à l'article 4/1.1.3, alinéa 2, du décret précité :
1) en constatant qu'aucun rapport de sécurité spatiale n'est requis ;
2) en déterminant la délimitation du contenu du rapport de sécurité spatiale et en y confrontant le rapport de sécurité spatiale ; " ;
3° il est inséré un point 16° /1, rédigé comme suit :
" 16° /1 Centre d'Expertise flamand R.I.E. : le Centre d'Expertise flamand R.I.E., visé à l'article 4.1.1, 19°, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ; ".
Art. 102. In artikel 2.2.1, § 1, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2016 en gewijzigd bij het decreet van 26 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid wordt de zinsnede "zijn artikel 4.2.3, 4.2.4, 4.2.8, § 1bis, artikel 4.2.9, § 1 en § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voor de planmilieueffectrapportage van toepassing, en titel IV, hoofdstuk IV, van het voormelde decreet voor de ruimtelijke veiligheidsrapportage" vervangen door de zinsnede "zijn artikel 4.1.4, tweede lid, artikel 4.3.2, 4.4.4 en 4.5.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voor de planmilieueffectrapportage van toepassing, en titel IV/1, hoofdstuk 2, van het voormelde decreet voor de ruimtelijke veiligheidsrapportage";
2° tussen het tweede en het derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt een derde lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het aanvraagdossier, de procedure en de modaliteiten van het verzoek tot overnameverplichtingen inzake ruimtelijke uitvoeringsplannen zoals vermeld in artikel 4.1.1. en 4/1.1.1. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.".
1° in het tweede lid wordt de zinsnede "zijn artikel 4.2.3, 4.2.4, 4.2.8, § 1bis, artikel 4.2.9, § 1 en § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voor de planmilieueffectrapportage van toepassing, en titel IV, hoofdstuk IV, van het voormelde decreet voor de ruimtelijke veiligheidsrapportage" vervangen door de zinsnede "zijn artikel 4.1.4, tweede lid, artikel 4.3.2, 4.4.4 en 4.5.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voor de planmilieueffectrapportage van toepassing, en titel IV/1, hoofdstuk 2, van het voormelde decreet voor de ruimtelijke veiligheidsrapportage";
2° tussen het tweede en het derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt een derde lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het aanvraagdossier, de procedure en de modaliteiten van het verzoek tot overnameverplichtingen inzake ruimtelijke uitvoeringsplannen zoals vermeld in artikel 4.1.1. en 4/1.1.1. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.".
Art. 102. Dans l'article 2.2.1, § 1er, inséré par le décret du 1er juillet 2016 et modifié par le décret du 26 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 2, le membre de phrase " les articles 4.2.3, 4.2.4, 4.2.8, § 1erbis, 4.2.9, §§ 1er et 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement s'appliquent à l'évaluation des incidences du plan sur l'environnement et le titre V, chapitre IV, du décret précité s'applique au rapport de sécurité spatiale " est remplacé par le membre de phrase " les articles 4.1.4, alinéa 2, 4.3.2, 4.4.4 et 4.5.1 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement s'appliquent à l'évaluation des incidences du plan sur l'environnement et le titre IV/1, chapitre 2, du décret précité s'applique au rapport de sécurité spatiale " ;
2° entre l'alinéa 2 et l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, il est inséré un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant le dossier de demande, la procédure et les modalités de la demande d'obligations de reprise concernant les plans d'exécution spatiale, tels que visés aux articles 4.1.1 et 4/1.1.1 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement. ".
1° à l'alinéa 2, le membre de phrase " les articles 4.2.3, 4.2.4, 4.2.8, § 1erbis, 4.2.9, §§ 1er et 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement s'appliquent à l'évaluation des incidences du plan sur l'environnement et le titre V, chapitre IV, du décret précité s'applique au rapport de sécurité spatiale " est remplacé par le membre de phrase " les articles 4.1.4, alinéa 2, 4.3.2, 4.4.4 et 4.5.1 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement s'appliquent à l'évaluation des incidences du plan sur l'environnement et le titre IV/1, chapitre 2, du décret précité s'applique au rapport de sécurité spatiale " ;
2° entre l'alinéa 2 et l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, il est inséré un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant le dossier de demande, la procédure et les modalités de la demande d'obligations de reprise concernant les plans d'exécution spatiale, tels que visés aux articles 4.1.1 et 4/1.1.1 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement. ".
Art. 103. In artikel 2.2.4 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 juli 2016 en gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, 6°, wordt de zinsnede "In voorkomend geval bevat de startnota ook een weergave van de gedane analyse, vermeld in artikel 4.2.6, § 1, 5°, en artikel 4.4.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid," vervangen door de zinsnede "In voorkomend geval bevat de startnota ook de screening, vermeld in artikel 4.3.5, § 1, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, of de gedane analyse, vermeld in artikel 4/1.2.1 van het voormelde decreet,";
2° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de zin "De diensten, bevoegd voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage, integreren hun kwaliteitsbeoordeling over de inhoudsafbakening van het planmilieueffectrapport conform artikel 4.2.8, § 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, respectievelijk van het ruimtelijk veiligheidsrapport conform artikel 4.4.2, § 3, van het voormelde decreet, in de scopingnota." vervangen door de zinnen "Aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. wordt gevraagd om een advies te verlenen naargelang het geval over de screening of over de reikwijdte, het detailleringsniveau en de inhoudelijke aanpak van het milieueffectrapport. De dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage, integreert zijn kwaliteitsbeoordeling over de inhoudsafbakening van het ruimtelijk veiligheidsrapport conform artikel 4/1.2.2, § 2, van het voormelde decreet, in de scopingnota.";
3° in paragraaf 3, tweede lid, wordt de zinsnede "de dienst, bevoegd voor milieueffectrapportage" vervangen door de woorden "het Vlaams expertisecentrum m.e.r.";
4° in paragraaf 3 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"In voorkomend geval motiveert het planteam uiterlijk voor de voorlopige vaststelling van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan in de scopingnota aan de hand van de criteria, vermeld in bijlage I bij het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, waarom het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Daarbij wordt rekening gehouden met de screening, de adviezen die verleend zijn over de startnota en het advies van het Vlaams expertisecentrum m.e.r. over de screening.";
5° in paragraaf 3, vierde lid, wordt de zinsnede "artikel 4.4.1, § 2" vervangen door de zinsnede "artikel 4/1.2.1, tweede lid".
1° in paragraaf 2, 6°, wordt de zinsnede "In voorkomend geval bevat de startnota ook een weergave van de gedane analyse, vermeld in artikel 4.2.6, § 1, 5°, en artikel 4.4.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid," vervangen door de zinsnede "In voorkomend geval bevat de startnota ook de screening, vermeld in artikel 4.3.5, § 1, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, of de gedane analyse, vermeld in artikel 4/1.2.1 van het voormelde decreet,";
2° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de zin "De diensten, bevoegd voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage, integreren hun kwaliteitsbeoordeling over de inhoudsafbakening van het planmilieueffectrapport conform artikel 4.2.8, § 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, respectievelijk van het ruimtelijk veiligheidsrapport conform artikel 4.4.2, § 3, van het voormelde decreet, in de scopingnota." vervangen door de zinnen "Aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. wordt gevraagd om een advies te verlenen naargelang het geval over de screening of over de reikwijdte, het detailleringsniveau en de inhoudelijke aanpak van het milieueffectrapport. De dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage, integreert zijn kwaliteitsbeoordeling over de inhoudsafbakening van het ruimtelijk veiligheidsrapport conform artikel 4/1.2.2, § 2, van het voormelde decreet, in de scopingnota.";
3° in paragraaf 3, tweede lid, wordt de zinsnede "de dienst, bevoegd voor milieueffectrapportage" vervangen door de woorden "het Vlaams expertisecentrum m.e.r.";
4° in paragraaf 3 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
"In voorkomend geval motiveert het planteam uiterlijk voor de voorlopige vaststelling van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan in de scopingnota aan de hand van de criteria, vermeld in bijlage I bij het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, waarom het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Daarbij wordt rekening gehouden met de screening, de adviezen die verleend zijn over de startnota en het advies van het Vlaams expertisecentrum m.e.r. over de screening.";
5° in paragraaf 3, vierde lid, wordt de zinsnede "artikel 4.4.1, § 2" vervangen door de zinsnede "artikel 4/1.2.1, tweede lid".
Art. 103. A l'article 2.2.4 du même Code, remplacé par le décret du 1er juillet 2016 et modifié par le décret du 8 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, 6°, le membre de phrase " Le cas échéant, la note de lancement contient également une représentation de l'analyse effectuée, visée aux articles 4.2.6, § 1er, 5°, et 4.4.1 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, " est remplacé par le membre de phrase " Le cas échéant, la note de lancement contient également le screening, visé à l'article 4.3.5, § 1er, alinéa 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, ou l'analyse réalisée, visée à l'article 4/1.2.1 du décret précité, " ;
2° au paragraphe 3, alinéa 1er, la phrase " Les services compétents pour l'évaluation des incidences sur l'environnement et le rapport de sécurité intègrent leur évaluation de la qualité de la délimitation du contenu du rapport d'incidences du plan sur l'environnement conformément à l'article 4.2.8, § 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ou du rapport de sécurité spatiale conformément à l'article 4.4.2, § 3, du décret précité, dans la note de cadrage. " est remplacée par les phrases " Il est demandé au Centre d'Expertise flamand R.I.E. d'émettre un avis, selon le cas, sur le screening ou sur le champ d'application, le niveau de détail et l'approche de fond du rapport sur les incidences environnementales. Le service com-pétent pour le rapport de sécurité intègre son évaluation de la qualité de la délimitation du contenu du rapport de sécurité spatiale conformément à l'article 4/1.2.2, § 2, du décret précité, dans la note de cadrage. " ;
3° au paragraphe 3, alinéa 2, le membre de phrase " le service compétent pour l'évaluation des incidences sur l'environnement " est remplacé par les mots " le Centre d'Expertise flamand R.I.E. " ;
4° au paragraphe 3, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" Le cas échéant, au plus tard avant l'adoption provisoire du projet de plan d'exécution spatiale, l'équipe du plan motive dans la note de cadrage, à l'aide des critères, visés à l'annexe I du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, les raisons pour lesquelles le plan d'exécution spatiale envisagé ne peut pas avoir d'incidences environnementales notables. A cet égard, il est tenu compte du screening, des avis émis sur la note de lancement et de l'avis du Centre d'Expertise flamand R.I.E. sur le screening. " ;
5° au paragraphe 3, alinéa 4, le membre de phrase " article 4.4.1, § 2 " est remplacé par le membre de phrase " article 4/1.2.1, alinéa 2 ".
1° au paragraphe 2, 6°, le membre de phrase " Le cas échéant, la note de lancement contient également une représentation de l'analyse effectuée, visée aux articles 4.2.6, § 1er, 5°, et 4.4.1 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, " est remplacé par le membre de phrase " Le cas échéant, la note de lancement contient également le screening, visé à l'article 4.3.5, § 1er, alinéa 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, ou l'analyse réalisée, visée à l'article 4/1.2.1 du décret précité, " ;
2° au paragraphe 3, alinéa 1er, la phrase " Les services compétents pour l'évaluation des incidences sur l'environnement et le rapport de sécurité intègrent leur évaluation de la qualité de la délimitation du contenu du rapport d'incidences du plan sur l'environnement conformément à l'article 4.2.8, § 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ou du rapport de sécurité spatiale conformément à l'article 4.4.2, § 3, du décret précité, dans la note de cadrage. " est remplacée par les phrases " Il est demandé au Centre d'Expertise flamand R.I.E. d'émettre un avis, selon le cas, sur le screening ou sur le champ d'application, le niveau de détail et l'approche de fond du rapport sur les incidences environnementales. Le service com-pétent pour le rapport de sécurité intègre son évaluation de la qualité de la délimitation du contenu du rapport de sécurité spatiale conformément à l'article 4/1.2.2, § 2, du décret précité, dans la note de cadrage. " ;
3° au paragraphe 3, alinéa 2, le membre de phrase " le service compétent pour l'évaluation des incidences sur l'environnement " est remplacé par les mots " le Centre d'Expertise flamand R.I.E. " ;
4° au paragraphe 3, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" Le cas échéant, au plus tard avant l'adoption provisoire du projet de plan d'exécution spatiale, l'équipe du plan motive dans la note de cadrage, à l'aide des critères, visés à l'annexe I du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, les raisons pour lesquelles le plan d'exécution spatiale envisagé ne peut pas avoir d'incidences environnementales notables. A cet égard, il est tenu compte du screening, des avis émis sur la note de lancement et de l'avis du Centre d'Expertise flamand R.I.E. sur le screening. " ;
5° au paragraphe 3, alinéa 4, le membre de phrase " article 4.4.1, § 2 " est remplacé par le membre de phrase " article 4/1.2.1, alinéa 2 ".
Art. 104. In artikel 2.2.5, § 1, eerste lid, 8°, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2016, wordt de zinsnede "artikel 4.2.11, § 7, eerste lid, 2° " vervangen door de zinsnede "artikel 4.1.1, 6°, e)".
Art. 104. A l'article 2.2.5, § 1er, alinéa 1er, 8°, du même Code, inséré par le décret du 1er juillet 2016, le membre de phrase " article 4.2.11, § 7, alinéa 1er, 2° " est remplacé par le membre de phrase " article 4.1.1, 6°, e) ".
Art. 105. In artikel 2.2.10, § 5, tweede lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "De bevoegde diensten voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage" worden vervangen door de zinsnede "Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage";
2° de zinsnede "artikel 4.2.8, § 1bis, respectievelijk artikel 4.4.3" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 4.4.4 en 4/1.2.3".
1° de woorden "De bevoegde diensten voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage" worden vervangen door de zinsnede "Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage";
2° de zinsnede "artikel 4.2.8, § 1bis, respectievelijk artikel 4.4.3" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 4.4.4 en 4/1.2.3".
Art. 105. A l'article 2.2.10, § 5, alinéa 2, du même Code, remplacé par le décret du 1er juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " les services compétents pour l'évaluation des incidences sur l'environnement et le rapport de sécurité " sont remplacés par le membre de phrase " le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et le service compétent pour le rapport de sécurité " ;
2° le membre de phrase " à l'article 4.2.8, § 1erbis ou à l'article 4.4.3 " est remplacé par le membre de phrase " aux articles 4.4.4 et 4/1.2.3 ".
1° les mots " les services compétents pour l'évaluation des incidences sur l'environnement et le rapport de sécurité " sont remplacés par le membre de phrase " le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et le service compétent pour le rapport de sécurité " ;
2° le membre de phrase " à l'article 4.2.8, § 1erbis ou à l'article 4.4.3 " est remplacé par le membre de phrase " aux articles 4.4.4 et 4/1.2.3 ".
Art. 106. In artikel 2.2.12, § 2, vierde lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2016 en gewijzigd bij het decreet van 26 april 2019, worden de woorden "de bevoegde dienst voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage" vervangen door de zinsnede "het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage".
Art. 106. A l'article 2.2.12, § 2, alinéa 4, du même Code, inséré par le décret du 1er juillet 2016 et modifié par le décret du 26 avril 2019, les mots " au service compétent pour l'évaluation des incidences sur l'environnement et le rapport de sécurité " sont remplacés par le membre de phrase " au centre d'expertise flamand e.i.e et au service compétent pour le rapport de sécurité ".
Art. 107. In artikel 2.2.15, § 6, tweede lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "De bevoegde diensten voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage" worden vervangen door de zinsnede "Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage";
2° de zinsnede "artikel 4.2.8, § 1bis, respectievelijk artikel 4.4.3" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 4.4.4 en 4/1.2.3".
1° de woorden "De bevoegde diensten voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage" worden vervangen door de zinsnede "Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage";
2° de zinsnede "artikel 4.2.8, § 1bis, respectievelijk artikel 4.4.3" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 4.4.4 en 4/1.2.3".
Art. 107. A l'article 2.2.15, § 6, alinéa 2, du même Code, inséré par le décret du 1er juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " les services compétents pour l'évaluation des incidences sur l'environnement et le rapport de sécurité " sont remplacés par le membre de phrase " le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et le service compétent pour le rapport de sécurité " ;
2° le membre de phrase " à l'article 4.2.8, § 1erbis ou à l'article 4.4.3 " est remplacé par le membre de phrase " aux articles 4.4.4 et 4/1.2.3 ".
1° les mots " les services compétents pour l'évaluation des incidences sur l'environnement et le rapport de sécurité " sont remplacés par le membre de phrase " le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et le service compétent pour le rapport de sécurité " ;
2° le membre de phrase " à l'article 4.2.8, § 1erbis ou à l'article 4.4.3 " est remplacé par le membre de phrase " aux articles 4.4.4 et 4/1.2.3 ".
Art. 108. In artikel 2.2.18, § 2, vierde lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2016 en gewijzigd bij het decreet van 26 april 2019, worden de woorden "de bevoegde dienst voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage" vervangen door de zinsnede "het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage".
Art. 108. A l'article 2.2.18, § 2, alinéa 4, du même Code, inséré par le décret du 1er juillet 2016 et modifié par le décret du 26 avril 2019, les mots " au service compétent pour l'évaluation des incidences sur l'environnement et le rapport de sécurité " sont remplacés par le membre de phrase " au centre d'expertise flamand e.i.e et au service compétent pour le rapport de sécurité ".
Art. 109. In artikel 2.2.21, § 6, tweede lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "De bevoegde diensten voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage" worden vervangen door de zinsnede "Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage";
2° de zinsnede "artikel 4.2.8, § 1bis, respectievelijk artikel 4.4.3" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 4.4.4 en 4/1.2.3".
1° de woorden "De bevoegde diensten voor milieueffectrapportage en veiligheidsrapportage" worden vervangen door de zinsnede "Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de dienst, bevoegd voor veiligheidsrapportage";
2° de zinsnede "artikel 4.2.8, § 1bis, respectievelijk artikel 4.4.3" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 4.4.4 en 4/1.2.3".
Art. 109. A l'article 2.2.21, § 6, alinéa 2, du même Code, inséré par le décret du 1er juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " les services compétents pour l'évaluation des incidences sur l'environnement et le rapport de sécurité " sont remplacés par le membre de phrase " le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et le service compétent pour le rapport de sécurité " ;
2° le membre de phrase " à l'article 4.2.8, § 1erbis ou à l'article 4.4.3 " est remplacé par le membre de phrase " aux articles 4.4.4 et 4/1.2.3 ".
1° les mots " les services compétents pour l'évaluation des incidences sur l'environnement et le rapport de sécurité " sont remplacés par le membre de phrase " le Centre d'Expertise flamand R.I.E. et le service compétent pour le rapport de sécurité " ;
2° le membre de phrase " à l'article 4.2.8, § 1erbis ou à l'article 4.4.3 " est remplacé par le membre de phrase " aux articles 4.4.4 et 4/1.2.3 ".
Art. 110. In artikel 4.4.7, § 2, derde lid, van dezelfde codex wordt de zinsnede "hoofdstuk III van" opgeheven.
Art. 110. A l'article 4.4.7, § 2, alinéa 3, du même Code, le membre de phrase " chapitre III du " est abrogé.
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
CHAPITRE 6. - Modifications du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement
Art. 111. In artikel 2, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
"2° de definities, vermeld in artikel 4.1.1, 5.1.1 en 5.1.2 van het DABM;".
"2° de definities, vermeld in artikel 4.1.1, 5.1.1 en 5.1.2 van het DABM;".
Art. 111. A l'article 2, alinéa 2, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, modifié par le décret du 8 décembre 2017, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° les définitions, mentionnées aux articles 4.1.1, 5.1.1 et 5.1.2 du DABM ; ".
" 2° les définitions, mentionnées aux articles 4.1.1, 5.1.1 et 5.1.2 du DABM ; ".
Art. 112. In artikel 15/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2016, worden de woorden "en is er geen ontheffing van de rapportageverplichting verkregen" telkens opgeheven.
Art. 112. A l'article 15/1 du même décret, inséré par le décret du 23 décembre 2016, les mots " et aucune exemption de l'obligation de faire un rapport n'a été obtenue " sont chaque fois abrogés.
Art. 114. In artikel 21 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2015, wordt het vijfde lid opgeheven.
Art. 114. A l'article 21 du même décret, modifié par le décret du 18 décembre 2015, l'alinéa 5 est abrogé.
Art. 115. In artikel 23, derde lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 18 december 2015, wordt de zinsnede ", tenzij dit rapport al goedgekeurd en nog actueel is" opgeheven.
Art. 115. A l'article 23, alinéa 3, du même décret, remplacé par le décret du 18 décembre 2015, le membre de phrase " , à moins que ce rapport ait déjà été approuvé et soit toujours d'actualité " est abrogé.
Art. 116. Artikel 28 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2015, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 28. Tenzij het milieueffectrapport of het omgevingsveiligheidsrapport al goedgekeurd en nog actueel is, maakt het Vlaams expertisecentrum m.e.r., respectievelijk de afdeling , bevoegd voor veiligheidsrapportage, zijn beslissing over de goedkeuring of afkeuring van dat rapport bekend met toepassing van artikel 4.4.7, § 3, en artikel 4/1.3.6, § 3, van het DABM.
Als de afdeling , bevoegd voor veiligheidsrapportage, het omgevingsveiligheidsrapport afkeurt, wordt de vergunningsprocedure van rechtswege stopgezet.
In dit artikel wordt verstaan onder de afdeling , bevoegd voor veiligheidsrapportage: de administratie, vermeld in artikel 4/1.1.1, eerste lid, 2°, van het DABM.".
"Art. 28. Tenzij het milieueffectrapport of het omgevingsveiligheidsrapport al goedgekeurd en nog actueel is, maakt het Vlaams expertisecentrum m.e.r., respectievelijk de afdeling , bevoegd voor veiligheidsrapportage, zijn beslissing over de goedkeuring of afkeuring van dat rapport bekend met toepassing van artikel 4.4.7, § 3, en artikel 4/1.3.6, § 3, van het DABM.
Als de afdeling , bevoegd voor veiligheidsrapportage, het omgevingsveiligheidsrapport afkeurt, wordt de vergunningsprocedure van rechtswege stopgezet.
In dit artikel wordt verstaan onder de afdeling , bevoegd voor veiligheidsrapportage: de administratie, vermeld in artikel 4/1.1.1, eerste lid, 2°, van het DABM.".
Art. 116. L'article 28 du même décret, modifié par le décret du 18 décembre 2015, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 28. A moins que le rapport sur les incidences environnementales ou le rapport de sécurité environnementale ait déjà été approuvé et soit toujours d'actualité, le Centre d'Expertise flamand R.I.E. ou le département compétent pour le rapport de sécurité communique sa décision d'approbation ou de rejet de ce rapport en application des dispositions de l'article 4.4.7, § 3, et de l'article 4/1.3.6, § 3, du DABM.
Si le département compétent pour le rapport de sécurité rejette le rapport de sécurité environnementale, la procédure d'autorisation est arrêtée de plein droit.
Dans le présent article, on entend par département compétent pour le rapport de sécurité : l'administration, visée à l'article 4/1.1.1, alinéa 1er, 2°, du DABM. ".
" Art. 28. A moins que le rapport sur les incidences environnementales ou le rapport de sécurité environnementale ait déjà été approuvé et soit toujours d'actualité, le Centre d'Expertise flamand R.I.E. ou le département compétent pour le rapport de sécurité communique sa décision d'approbation ou de rejet de ce rapport en application des dispositions de l'article 4.4.7, § 3, et de l'article 4/1.3.6, § 3, du DABM.
Si le département compétent pour le rapport de sécurité rejette le rapport de sécurité environnementale, la procédure d'autorisation est arrêtée de plein droit.
Dans le présent article, on entend par département compétent pour le rapport de sécurité : l'administration, visée à l'article 4/1.1.1, alinéa 1er, 2°, du DABM. ".
Art. 117. Artikel 28, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij artikel 116 van dit decreet, wordt vervangen door wat volgt:
"Tenzij het omgevingsveiligheidsrapport al goedgekeurd en nog actueel is, maakt de afdeling , bevoegd voor veiligheidsrapportage, haar beslissing over de goedkeuring of afkeuring van dat rapport bekend met toepassing van artikel 4/1.3.6, § 3, van het DABM.".
"Tenzij het omgevingsveiligheidsrapport al goedgekeurd en nog actueel is, maakt de afdeling , bevoegd voor veiligheidsrapportage, haar beslissing over de goedkeuring of afkeuring van dat rapport bekend met toepassing van artikel 4/1.3.6, § 3, van het DABM.".
Art. 117. L'article 28, alinéa 1er, du même décret, modifié par l'article 116 du présent décret, est remplacé par ce qui suit :
" A moins que le rapport de sécurité environnementale ait déjà été approuvé et soit toujours d'actualité, le département compétent pour le rapport de sécurité communique sa décision d'approbation ou de rejet de ce rapport en application des dispositions de l'article 4/1.3.6, § 3, du DABM. ".
" A moins que le rapport de sécurité environnementale ait déjà été approuvé et soit toujours d'actualité, le département compétent pour le rapport de sécurité communique sa décision d'approbation ou de rejet de ce rapport en application des dispositions de l'article 4/1.3.6, § 3, du DABM. ".
Art. 119. In artikel 40 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2015 en 8 december 2017, wordt het vijfde lid opgeheven.
Art. 119. A l'article 40 du même décret, modifié par les décrets des 18 décembre 2015 et 8 décembre 2017, l'alinéa 5 est abrogé.
Art. 120. In artikel 390, § 1/1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "artikel 4.3.3, § 2," vervangen door de zinsnede "artikel 4.3.6, § 1,";
2° in het eerste lid wordt het woord "project-m.e.r.-screeningsnota" vervangen door het woord "project-m.e.r.-screening";
3° in het eerste lid wordt het woord "nota" vervangen door het woord "screening";
4° het vierde lid wordt opgeheven.
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "artikel 4.3.3, § 2," vervangen door de zinsnede "artikel 4.3.6, § 1,";
2° in het eerste lid wordt het woord "project-m.e.r.-screeningsnota" vervangen door het woord "project-m.e.r.-screening";
3° in het eerste lid wordt het woord "nota" vervangen door het woord "screening";
4° het vierde lid wordt opgeheven.
Art. 120. A l'article 390, § 1er/1, du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " article 4.3.3, § 2, " est remplacé par le membre de phrase " article 4.3.6, § 1er, " ;
2° à l'alinéa 1er, les mots " note de screening de projet MER " sont remplacés par les mots " screening du projet RIE " ;
3° à l'alinéa 1er, le mot " note " est remplacé par le mot " screening " ;
4° l'alinéa 4 est abrogé.
1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " article 4.3.3, § 2, " est remplacé par le membre de phrase " article 4.3.6, § 1er, " ;
2° à l'alinéa 1er, les mots " note de screening de projet MER " sont remplacés par les mots " screening du projet RIE " ;
3° à l'alinéa 1er, le mot " note " est remplacé par le mot " screening " ;
4° l'alinéa 4 est abrogé.
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten
CHAPITRE 7. - Modifications du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes
Art. 121. In artikel 2 van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 6° wordt opgeheven;
2° punt 7° wordt vervangen door wat volgt:
"7° milieueffectrapport, afgekort MER: een geheel van milieu-informatie, ongeacht de drager, waarin, van een voorgenomen actie en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven de te verwachten aanzienlijke gevolgen voor mens en milieu in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geanalyseerd en geëvalueerd. In het milieueffectrapport wordt aangegeven op welke wijze de aanzienlijke milieueffecten vermeden, beperkt, verholpen of gecompenseerd kunnen worden;";
3° er wordt een punt 18° /1 ingevoegd dat luidt als volgt:
"18° /1 Vlaams expertisecentrum m.e.r.: het Vlaams expertisecentrum m.e.r., vermeld in artikel 4.1.1, 19°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;".
1° punt 6° wordt opgeheven;
2° punt 7° wordt vervangen door wat volgt:
"7° milieueffectrapport, afgekort MER: een geheel van milieu-informatie, ongeacht de drager, waarin, van een voorgenomen actie en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven de te verwachten aanzienlijke gevolgen voor mens en milieu in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geanalyseerd en geëvalueerd. In het milieueffectrapport wordt aangegeven op welke wijze de aanzienlijke milieueffecten vermeden, beperkt, verholpen of gecompenseerd kunnen worden;";
3° er wordt een punt 18° /1 ingevoegd dat luidt als volgt:
"18° /1 Vlaams expertisecentrum m.e.r.: het Vlaams expertisecentrum m.e.r., vermeld in artikel 4.1.1, 19°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;".
Art. 121. A l'article 2 du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 6° est abrogé ;
2° le point 7° est remplacé par ce qui suit :
" 7° rapport sur les incidences environnementales, en abrégé RIE : un ensemble d'informations environnementales, quel que soit le support, dans lequel sont analysées et évaluées dans leur cohérence interne de manière systématique et scientifiquement étayée les conséquences notables prévisibles pour l'homme et l'environnement d'une action envisagée et des alternatives à prendre raisonnablement en compte. Le rapport sur les incidences environnementales indique de quelle façon les incidences environnementales notables peuvent être évitées, limitées, remédiées ou compensées ; " ;
3° il est inséré un point 18° /1, rédigé comme suit :
" 18° /1 Centre d'Expertise flamand R.I.E. : le Centre d'Expertise flamand R.I.E., visé à l'article 4.1.1, 19°, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ; ".
1° le point 6° est abrogé ;
2° le point 7° est remplacé par ce qui suit :
" 7° rapport sur les incidences environnementales, en abrégé RIE : un ensemble d'informations environnementales, quel que soit le support, dans lequel sont analysées et évaluées dans leur cohérence interne de manière systématique et scientifiquement étayée les conséquences notables prévisibles pour l'homme et l'environnement d'une action envisagée et des alternatives à prendre raisonnablement en compte. Le rapport sur les incidences environnementales indique de quelle façon les incidences environnementales notables peuvent être évitées, limitées, remédiées ou compensées ; " ;
3° il est inséré un point 18° /1, rédigé comme suit :
" 18° /1 Centre d'Expertise flamand R.I.E. : le Centre d'Expertise flamand R.I.E., visé à l'article 4.1.1, 19°, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ; ".
Art. 122. In artikel 4 van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "titel IV, hoofdstukken II, III en VI, afdeling III," vervangen door de zinsnede "titel IV, hoofdstuk 4 en 5,".
Art. 122. A l'article 4 du même décret, le membre de phrase " titre IV, chapitre s II, III et VI, section III, " est remplacé par le membre de phrase " titre IV, chapitre s 4 et 5, ".
Art. 123. In artikel 8 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage" vervangen door de woorden "het Vlaams expertisecentrum m.e.r.";
2° aan paragraaf 2, eerste lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"De procesverantwoordelijke vraagt het Vlaams expertisecentrum m.e.r. een advies over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de informatie die in het MER moet worden opgenomen, in het licht van het te nemen voorkeursbesluit.";
3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
" § 3. De procesverantwoordelijke kan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. verzoeken een geïntegreerd advies te verlenen over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de informatie die in het MER moet worden opgenomen. In dat geval is de adviesvraag aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r., vermeld in paragraaf 2, eerste lid, niet verplicht. Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. houdt bij het geïntegreerde advies rekening met de adviezen van de adviesinstanties en met het resultaat van de grensoverschrijdende raadpleging, vermeld in paragraaf 2, derde lid.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de wijze waarop en de termijnen waarin het Vlaams expertisecentrum m.e.r. het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in het eerste lid, verleent en ter beschikking stelt aan de geraadpleegde adviesinstanties en het betrokken publiek.".
1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage" vervangen door de woorden "het Vlaams expertisecentrum m.e.r.";
2° aan paragraaf 2, eerste lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"De procesverantwoordelijke vraagt het Vlaams expertisecentrum m.e.r. een advies over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de informatie die in het MER moet worden opgenomen, in het licht van het te nemen voorkeursbesluit.";
3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
" § 3. De procesverantwoordelijke kan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. verzoeken een geïntegreerd advies te verlenen over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de informatie die in het MER moet worden opgenomen. In dat geval is de adviesvraag aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r., vermeld in paragraaf 2, eerste lid, niet verplicht. Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. houdt bij het geïntegreerde advies rekening met de adviezen van de adviesinstanties en met het resultaat van de grensoverschrijdende raadpleging, vermeld in paragraaf 2, derde lid.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de wijze waarop en de termijnen waarin het Vlaams expertisecentrum m.e.r. het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in het eerste lid, verleent en ter beschikking stelt aan de geraadpleegde adviesinstanties en het betrokken publiek.".
Art. 123. A l'article 8 du même décret, modifié par le décret du 1er juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " service compétent pour l'évaluation de l'impact sur l'environnement " sont remplacés par les mots " au Centre d'Expertise flamand R.I.E. " ;
2° le paragraphe 2, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante :
" Le responsable du processus demande un avis au Centre d'Expertise flamand R.I.E. sur la portée et le niveau de détail des informations à inclure dans le RIE, compte tenu de l'arrêté relatif à la préférence à prendre. " ;
3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Le responsable du processus peut demander au Centre d'Expertise flamand R.I.E. d'émettre un avis intégré sur la portée et le niveau de détail des informations à inclure dans le RIE. Dans ce cas, la demande d'avis adressée au Centre d'Expertise flamand R.I.E., visé au paragraphe 2, alinéa 1er, n'est pas obligatoire. Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. tient compte des avis des organes consultatifs et du résultat de la consultation transfrontalière, visés au paragraphe 2, alinéa 3, dans le cadre de l'avis intégré.
Le Gouvernement flamand arrête d'autres règles concernant les modalités et les délais dans lesquels le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet l'avis de cadrage intégré, visé à l'alinéa 1er, et le met à la disposition des organes consultatifs consultés et du public concerné. ".
1° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " service compétent pour l'évaluation de l'impact sur l'environnement " sont remplacés par les mots " au Centre d'Expertise flamand R.I.E. " ;
2° le paragraphe 2, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante :
" Le responsable du processus demande un avis au Centre d'Expertise flamand R.I.E. sur la portée et le niveau de détail des informations à inclure dans le RIE, compte tenu de l'arrêté relatif à la préférence à prendre. " ;
3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Le responsable du processus peut demander au Centre d'Expertise flamand R.I.E. d'émettre un avis intégré sur la portée et le niveau de détail des informations à inclure dans le RIE. Dans ce cas, la demande d'avis adressée au Centre d'Expertise flamand R.I.E., visé au paragraphe 2, alinéa 1er, n'est pas obligatoire. Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. tient compte des avis des organes consultatifs et du résultat de la consultation transfrontalière, visés au paragraphe 2, alinéa 3, dans le cadre de l'avis intégré.
Le Gouvernement flamand arrête d'autres règles concernant les modalités et les délais dans lesquels le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet l'avis de cadrage intégré, visé à l'alinéa 1er, et le met à la disposition des organes consultatifs consultés et du public concerné. ".
Art. 124. In artikel 9, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "de beslissing van de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 8, § 3," vervangen door de zinsnede "het advies van het Vlaams expertisecentrum m.e.r., vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, of § 3".
Art. 124. A l'article 9, alinéa 1er, du même décret, le membre de phrase " la décision du service compétent pour l'évaluation de l'impact sur l'environnement, visée à l'article 8, § 3, " est remplacé par le membre de phrase " l'avis du Centre d'Expertise flamand R.I.E., visé à l'article 8, § 2, alinéa 1er, ou § 3 ".
Art. 125. In artikel 10, eerste lid, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2016, wordt de zinsnede "artikel 4.2.8, § 1bis, en artikel 4.3.7" vervangen door de zinsnede "artikel 4.4.4 en 4.4.5, § 2,".
Art. 125. A l'article 10, alinéa 1er, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 1er juillet 2016, le membre de phrase " à l'article 4.2.8, § 1erbis, et à l'article 4.3.7 " est remplacé par le membre de phrase " aux articles 4.4.4 et 4.4.5, § 2, " .
Art. 126. Aan artikel 11 van hetzelfde decreet wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 3. De procesverantwoordelijke bezorgt het ontwerp van MER voor advies aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. geeft een advies over de kwaliteit van het ontwerp van MER en toetst het ontwerp van MER inhoudelijk aan zijn advies, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, of § 3, en aan de vereisten over de inhoud, vermeld in artikel 10, eerste lid.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. geeft advies uiterlijk op het moment van de adviesvergadering, vermeld in paragraaf 2. Als het Vlaams expertisecentrum m.e.r. geen advies uitbrengt uiterlijk op het moment van de adviesvergadering, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten van de adviesvraag vermeld in het eerste lid.".
" § 3. De procesverantwoordelijke bezorgt het ontwerp van MER voor advies aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. geeft een advies over de kwaliteit van het ontwerp van MER en toetst het ontwerp van MER inhoudelijk aan zijn advies, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, of § 3, en aan de vereisten over de inhoud, vermeld in artikel 10, eerste lid.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. geeft advies uiterlijk op het moment van de adviesvergadering, vermeld in paragraaf 2. Als het Vlaams expertisecentrum m.e.r. geen advies uitbrengt uiterlijk op het moment van de adviesvergadering, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten van de adviesvraag vermeld in het eerste lid.".
Art. 126. A l'article 11 du même décret, il est ajouté un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. Le gestionnaire du processus soumet le projet de RIE au Centre d'Expertise flamand R.I.E. pour avis.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet un avis sur la qualité du projet de RIE et confronte le projet de RIE en termes de contenu à son avis, visé à l'article 8, § 2, alinéa 1er, ou § 3, et aux exigences en matière de contenu, visées à l'article 10, alinéa 1er.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet un avis au plus tard au moment de la réunion consultative, visée au paragraphe 2. Si le Centre d'Expertise flamand R.I.E. n'émet aucun avis au plus tard au moment de la réunion consultative, il peut être passé sur l'exigence d'avis.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités de la demande d'avis, visée à l'alinéa 1er. ".
" § 3. Le gestionnaire du processus soumet le projet de RIE au Centre d'Expertise flamand R.I.E. pour avis.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet un avis sur la qualité du projet de RIE et confronte le projet de RIE en termes de contenu à son avis, visé à l'article 8, § 2, alinéa 1er, ou § 3, et aux exigences en matière de contenu, visées à l'article 10, alinéa 1er.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet un avis au plus tard au moment de la réunion consultative, visée au paragraphe 2. Si le Centre d'Expertise flamand R.I.E. n'émet aucun avis au plus tard au moment de la réunion consultative, il peut être passé sur l'exigence d'avis.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités de la demande d'avis, visée à l'alinéa 1er. ".
Art. 127. In artikel 15, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 23 februari 2024, wordt punt 4° opgeheven.
Art. 127. A l'article 15, § 1er, alinéa 2, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 23 février 2024, le point 4° est abrogé.
Art. 128. In artikel 15/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "De dienst, bevoegd voor milieueffectrapportage," vervangen door de woorden "Het Vlaams expertisecentrum m.e.r.";
2° in het tweede lid wordt de zinsnede "de dienst, bevoegd voor milieueffectrapportage," vervangen door de woorden "het Vlaams expertisecentrum m.e.r.";
3° in het derde lid worden de woorden "de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage" vervangen door de woorden "het Vlaams expertisecentrum m.e.r.".
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "De dienst, bevoegd voor milieueffectrapportage," vervangen door de woorden "Het Vlaams expertisecentrum m.e.r.";
2° in het tweede lid wordt de zinsnede "de dienst, bevoegd voor milieueffectrapportage," vervangen door de woorden "het Vlaams expertisecentrum m.e.r.";
3° in het derde lid worden de woorden "de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage" vervangen door de woorden "het Vlaams expertisecentrum m.e.r.".
Art. 128. A l'article 15/1 du même décret, inséré par le décret du 1er juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " Le service compétent pour l'évaluation des incidences sur l'environnement " est remplacé par les mots " Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. " ;
2° à l'alinéa 2, le membre de phrase " le service compétent pour l'évaluation des incidences sur l'environnement " est remplacé par les mots " le Centre d'Expertise flamand R.I.E. " ;
3° à l'alinéa 3, les mots " le service compétent pour l'évaluation des incidences sur l'environnement " sont remplacés par les mots " le Centre d'Expertise flamand R.I.E. ".
1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " Le service compétent pour l'évaluation des incidences sur l'environnement " est remplacé par les mots " Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. " ;
2° à l'alinéa 2, le membre de phrase " le service compétent pour l'évaluation des incidences sur l'environnement " est remplacé par les mots " le Centre d'Expertise flamand R.I.E. " ;
3° à l'alinéa 3, les mots " le service compétent pour l'évaluation des incidences sur l'environnement " sont remplacés par les mots " le Centre d'Expertise flamand R.I.E. ".
Art. 129. Artikel 15/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2016 en gewijzigd bij artikel 128 van dit decreet, wordt opgeheven.
Art. 129. L'article 15/1 du même décret, inséré par le décret du 1er juillet 2016 et modifié par l'article 128 du présent décret, est abrogé.
Art. 130. In artikel 18 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage" vervangen door de woorden "het Vlaams expertisecentrum m.e.r.";
2° aan paragraaf 2, eerste lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"De procesverantwoordelijke vraagt het Vlaams expertisecentrum m.e.r. een advies over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de informatie die in het MER moet worden opgenomen, in het licht van het te nemen projectbesluit.";
3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
" § 3. De procesverantwoordelijke kan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. verzoeken een geïntegreerd advies te verlenen over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de informatie die in het MER moet worden opgenomen. In dat geval is de adviesvraag aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r., vermeld in paragraaf 2, eerste lid, niet verplicht. Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. houdt bij het geïntegreerde advies rekening met de adviezen van de adviesinstanties en met het resultaat van de grensoverschrijdende raadpleging, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de wijze waarop en de termijnen waarin het Vlaams expertisecentrum m.e.r. het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in het eerste lid, verleent en ter beschikking stelt aan de geraadpleegde adviesinstanties en het betrokken publiek.".
1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage" vervangen door de woorden "het Vlaams expertisecentrum m.e.r.";
2° aan paragraaf 2, eerste lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"De procesverantwoordelijke vraagt het Vlaams expertisecentrum m.e.r. een advies over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de informatie die in het MER moet worden opgenomen, in het licht van het te nemen projectbesluit.";
3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
" § 3. De procesverantwoordelijke kan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. verzoeken een geïntegreerd advies te verlenen over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de informatie die in het MER moet worden opgenomen. In dat geval is de adviesvraag aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r., vermeld in paragraaf 2, eerste lid, niet verplicht. Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. houdt bij het geïntegreerde advies rekening met de adviezen van de adviesinstanties en met het resultaat van de grensoverschrijdende raadpleging, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de wijze waarop en de termijnen waarin het Vlaams expertisecentrum m.e.r. het geïntegreerde scopingadvies, vermeld in het eerste lid, verleent en ter beschikking stelt aan de geraadpleegde adviesinstanties en het betrokken publiek.".
Art. 130. A l'article 18 du même décret, modifié par le décret du 1er juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " service compétent pour l'évaluation de l'impact sur l'environnement " sont remplacés par les mots " au Centre d'Expertise flamand R.I.E. " ;
2° le paragraphe 2, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante :
" Le responsable du processus demande un avis au Centre d'Expertise flamand R.I.E. sur la portée et le niveau de détail des informations à inclure dans le RIE, compte tenu de l'arrêté relatif au projet à prendre. " ;
3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Le responsable du processus peut demander au Centre d'Expertise flamand R.I.E. d'émettre un avis intégré sur la portée et le niveau de détail des informations à inclure dans le RIE. Dans ce cas, la demande d'avis adressée au Centre d'Expertise flamand R.I.E., visé au paragraphe 2, alinéa 1er, n'est pas obligatoire. Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. tient compte des avis des organes consultatifs et du résultat de la consultation transfrontalière, visés au paragraphe 2, alinéa 2, dans le cadre de l'avis intégré.
Le Gouvernement flamand arrête d'autres règles concernant les modalités et les délais dans lesquels le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet l'avis de cadrage intégré, visé à l'alinéa 1er, et le met à la disposition des organes consultatifs consultés et du public concerné. ".
1° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " service compétent pour l'évaluation de l'impact sur l'environnement " sont remplacés par les mots " au Centre d'Expertise flamand R.I.E. " ;
2° le paragraphe 2, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante :
" Le responsable du processus demande un avis au Centre d'Expertise flamand R.I.E. sur la portée et le niveau de détail des informations à inclure dans le RIE, compte tenu de l'arrêté relatif au projet à prendre. " ;
3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Le responsable du processus peut demander au Centre d'Expertise flamand R.I.E. d'émettre un avis intégré sur la portée et le niveau de détail des informations à inclure dans le RIE. Dans ce cas, la demande d'avis adressée au Centre d'Expertise flamand R.I.E., visé au paragraphe 2, alinéa 1er, n'est pas obligatoire. Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. tient compte des avis des organes consultatifs et du résultat de la consultation transfrontalière, visés au paragraphe 2, alinéa 2, dans le cadre de l'avis intégré.
Le Gouvernement flamand arrête d'autres règles concernant les modalités et les délais dans lesquels le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet l'avis de cadrage intégré, visé à l'alinéa 1er, et le met à la disposition des organes consultatifs consultés et du public concerné. ".
Art. 131. In artikel 19, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "de beslissing van de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 18, § 3," vervangen door de zinsnede "het advies van het Vlaams expertisecentrum m.e.r., vermeld in artikel 18, § 2, eerste lid, of § 3".
Art. 131. A l'article 19, alinéa 1er, du même décret, le membre de phrase " la décision du service compétent pour l'évaluation de l'impact sur l'environnement, visée à l'article 18, § 3, " est remplacé par le membre de phrase " l'avis du Centre d'Expertise flamand R.I.E., visé à l'article 18, § 2, alinéa 1er, ou § 3 ".
Art. 132. In artikel 20, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2016, wordt de zinsnede "artikel 4.2.8, § 1bis, en artikel 4.3.7" vervangen door de zinsnede "artikel 4.4.4 en 4.4.5, § 2,".
Art. 132. A l'article 20, alinéa 1er, du même décret, modifié par le décret du 1er juillet 2016, le membre de phrase " à l'article 4.2.8, § 1erbis, et à l'article 4.3.7 " est remplacé par le membre de phrase " aux articles 4.4.4 et 4.4.5, § 2, ".
Art. 133. Aan artikel 21 van hetzelfde decreet wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 3. De procesverantwoordelijke bezorgt het ontwerp van MER voor advies aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. geeft een advies over de kwaliteit van het ontwerp van MER en toetst het ontwerp van MER inhoudelijk aan haar advies, vermeld in artikel 18, § 2, eerste lid, of § 3, en aan de vereisten voor de inhoud, vermeld in artikel 20, eerste lid.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. geeft advies uiterlijk op het moment van de adviesvergadering, vermeld in paragraaf 2. Als het Vlaams expertisecentrum m.e.r. geen advies uitbrengt uiterlijk op het moment van de adviesvergadering, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten van de adviesvraag, vermeld in het eerste lid.".
" § 3. De procesverantwoordelijke bezorgt het ontwerp van MER voor advies aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. geeft een advies over de kwaliteit van het ontwerp van MER en toetst het ontwerp van MER inhoudelijk aan haar advies, vermeld in artikel 18, § 2, eerste lid, of § 3, en aan de vereisten voor de inhoud, vermeld in artikel 20, eerste lid.
Het Vlaams expertisecentrum m.e.r. geeft advies uiterlijk op het moment van de adviesvergadering, vermeld in paragraaf 2. Als het Vlaams expertisecentrum m.e.r. geen advies uitbrengt uiterlijk op het moment van de adviesvergadering, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten van de adviesvraag, vermeld in het eerste lid.".
Art. 133. A l'article 21 du même décret, il est ajouté un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. Le gestionnaire du processus soumet le projet de RIE au Centre d'Expertise flamand R.I.E. pour avis.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet un avis sur la qualité du projet de RIE et confronte le projet de RIE en termes de contenu à son avis, visé à l'article 18, § 2, alinéa 1er, ou § 3, et aux exigences en matière de contenu, visées à l'article 20, alinéa 1er.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet un avis au plus tard au moment de la réunion consultative, visée au paragraphe 2. Si le Centre d'Expertise flamand R.I.E. n'émet aucun avis au plus tard au moment de la réunion consultative, il peut être passé sur l'exigence d'avis.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités de la demande d'avis, visée à l'alinéa 1er. ".
" § 3. Le gestionnaire du processus soumet le projet de RIE au Centre d'Expertise flamand R.I.E. pour avis.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet un avis sur la qualité du projet de RIE et confronte le projet de RIE en termes de contenu à son avis, visé à l'article 18, § 2, alinéa 1er, ou § 3, et aux exigences en matière de contenu, visées à l'article 20, alinéa 1er.
Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. émet un avis au plus tard au moment de la réunion consultative, visée au paragraphe 2. Si le Centre d'Expertise flamand R.I.E. n'émet aucun avis au plus tard au moment de la réunion consultative, il peut être passé sur l'exigence d'avis.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités de la demande d'avis, visée à l'alinéa 1er. ".
Art. 134. In artikel 24, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt punt 4° opgeheven.
Art. 134. A l'article 24, § 1er, alinéa 2, du même décret, le point 4° est abrogé.
Art. 135. In artikel 25 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "De dienst bevoegd voor milieueffectrapportage" vervangen door de woorden "Het Vlaams expertisecentrum m.e.r.";
2° in het tweede en derde lid worden de woorden "de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage" vervangen door de woorden "het Vlaams expertisecentrum m.e.r.".
1° in het eerste lid worden de woorden "De dienst bevoegd voor milieueffectrapportage" vervangen door de woorden "Het Vlaams expertisecentrum m.e.r.";
2° in het tweede en derde lid worden de woorden "de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage" vervangen door de woorden "het Vlaams expertisecentrum m.e.r.".
Art. 135. A l'article 25 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa 1er, les mots " Le service compétent pour l'évaluation des incidences sur l'environnement " sont remplacés par les mots " Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. " ;
2° aux alinéas 2 et 3, les mots " le service compétent pour l'évaluation des incidences sur l'environnement " sont remplacés par les mots " le Centre d'Expertise flamand R.I.E. ".
1° à l'alinéa 1er, les mots " Le service compétent pour l'évaluation des incidences sur l'environnement " sont remplacés par les mots " Le Centre d'Expertise flamand R.I.E. " ;
2° aux alinéas 2 et 3, les mots " le service compétent pour l'évaluation des incidences sur l'environnement " sont remplacés par les mots " le Centre d'Expertise flamand R.I.E. ".
Art. 136. Artikel 25 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij artikel 135 van dit decreet, wordt opgeheven.
Art. 136. L'article 25 du même décret, modifié par l'article 135 du présent décret, est abrogé.
Art. 137. In artikel 26, derde lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 2016, wordt de zinsnede "de dienst die bevoegd is voor milieueffectrapportage," vervangen door de woorden "het Vlaams expertisecentrum m.e.r.".
Art. 137. A l'article 26 du même décret, modifié par le décret du 23 décembre 2016, le membre de phrase " du service compétent de l'évaluation de l'impact sur l'environnement " est remplacé par les mots " du Centre d'Expertise flamand R.I.E. ".
Art. 138. In artikel 26, derde lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij artikel 137 van dit decreet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "de beslissing over de goedkeuring van het MER van de het Vlaams expertisecentrum m.e.r." worden vervangen door de zinsnede "het advies van het Vlaams expertisecentrum m.e.r., vermeld in artikel 21, § 3,";
2° in het vijfde lid wordt het woord "goedgekeurde" opgeheven.
1° de woorden "de beslissing over de goedkeuring van het MER van de het Vlaams expertisecentrum m.e.r." worden vervangen door de zinsnede "het advies van het Vlaams expertisecentrum m.e.r., vermeld in artikel 21, § 3,";
2° in het vijfde lid wordt het woord "goedgekeurde" opgeheven.
Art. 138. A l'article 26, alinéa 3, du même décret, modifié par l'article 137 du présent décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " la décision relative à l'approbation du MER du Centre d'Expertise flamand R.I.E. " sont remplacés par le membre de phrase " l'avis du Centre d'Expertise flamand R.I.E., visé à l'article 21, § 3, " ;
2° à l'alinéa 5, le mot " approuvé " est abrogé.
1° les mots " la décision relative à l'approbation du MER du Centre d'Expertise flamand R.I.E. " sont remplacés par le membre de phrase " l'avis du Centre d'Expertise flamand R.I.E., visé à l'article 21, § 3, " ;
2° à l'alinéa 5, le mot " approuvé " est abrogé.
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions finales
Afdeling 1. - Overgangsbepalingen
Section 1re. - Dispositions transitoires
Art. 139. § 1. Een onderzoek tot milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.2.3, § 2, 2°, en § 3, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zoals van kracht op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, waarbij de documenten, vermeld in artikel 4.2.6, § 1, van het voormelde decreet, zoals van kracht op de dag voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, aan de administratie in kwestie zijn bezorgd vóór de inwerkingtreding van dit decreet, vindt plaats conform artikel 4.2.6 en 4.2.7 van het voormelde decreet zoals die golden vóór de inwerkingtreding van dit decreet.
Een gemotiveerd verzoek tot ontheffing als vermeld in artikel 4.2.3, § 3bis, van het voormelde decreet, zoals van kracht op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, dat ter beschikking is gesteld van de administratie in kwestie vóór de inwerkingtreding van artikel 2 van dit decreet, wordt onderzocht conform artikel 4.2.3, § 3bis tot en met § 3quater, van het voormelde decreet zoals dit gold vóór de inwerkingtreding van dit decreet.
De milieueffectrapportage over een plan of programma waarvoor de kennisgeving, vermeld in artikel 4.2.8, § 1, van het voormelde decreet, zoals van kracht op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, ter beschikking is gesteld van de administratie in kwestie vóór de datum van inwerkingtreding van dit decreet, wordt uitgevoerd conform artikel 4.2.8, 4.2.9, 4.2.10 en 4.2.11 van het voormelde decreet zoals die golden vóór de inwerkingtreding van dit decreet.
§ 2. Een screeningsnota als vermeld in artikel 4.3.3, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zoals van kracht op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, die ter beschikking is gesteld van de bevoegde overheid vóór de inwerkingtreding van dit decreet, wordt onderzocht conform artikel 4.3.3, § 2, van het voormelde decreet zoals dit gold vóór de inwerkingtreding van dit decreet.
Een gemotiveerd verzoek tot ontheffing als vermeld in artikel 4.3.3, § 3, van het voormelde decreet, zoals van kracht op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, dat ter beschikking is gesteld van de administratie in kwestie vóór de datum van inwerkingtreding van dit decreet, wordt onderzocht conform artikel 4.3.3, § 3, § 4, § 6, § 7 en § 8, van het voormelde decreet zoals dit gold vóór de inwerkingtreding dit decreet.
De milieueffectrapportage over een project waarvoor de aanmelding, vermeld in artikel 4.3.4, § 1, van het voormelde decreet, zoals van kracht op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, ter beschikking is gesteld van de administratie in kwestie vóór de datum van inwerkingtreding van dit decreet, wordt uitgevoerd conform artikel 4.3.4, § 2 tot en met § 7, 4.3.6, 4.3.7, 4.3.8 en 4.3.9 van het voormelde decreet zoals die golden vóór de inwerkingtreding van dit decreet.
Een gemotiveerd verzoek tot ontheffing als vermeld in artikel 4.2.3, § 3bis, van het voormelde decreet, zoals van kracht op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, dat ter beschikking is gesteld van de administratie in kwestie vóór de inwerkingtreding van artikel 2 van dit decreet, wordt onderzocht conform artikel 4.2.3, § 3bis tot en met § 3quater, van het voormelde decreet zoals dit gold vóór de inwerkingtreding van dit decreet.
De milieueffectrapportage over een plan of programma waarvoor de kennisgeving, vermeld in artikel 4.2.8, § 1, van het voormelde decreet, zoals van kracht op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, ter beschikking is gesteld van de administratie in kwestie vóór de datum van inwerkingtreding van dit decreet, wordt uitgevoerd conform artikel 4.2.8, 4.2.9, 4.2.10 en 4.2.11 van het voormelde decreet zoals die golden vóór de inwerkingtreding van dit decreet.
§ 2. Een screeningsnota als vermeld in artikel 4.3.3, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zoals van kracht op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, die ter beschikking is gesteld van de bevoegde overheid vóór de inwerkingtreding van dit decreet, wordt onderzocht conform artikel 4.3.3, § 2, van het voormelde decreet zoals dit gold vóór de inwerkingtreding van dit decreet.
Een gemotiveerd verzoek tot ontheffing als vermeld in artikel 4.3.3, § 3, van het voormelde decreet, zoals van kracht op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, dat ter beschikking is gesteld van de administratie in kwestie vóór de datum van inwerkingtreding van dit decreet, wordt onderzocht conform artikel 4.3.3, § 3, § 4, § 6, § 7 en § 8, van het voormelde decreet zoals dit gold vóór de inwerkingtreding dit decreet.
De milieueffectrapportage over een project waarvoor de aanmelding, vermeld in artikel 4.3.4, § 1, van het voormelde decreet, zoals van kracht op de dag vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, ter beschikking is gesteld van de administratie in kwestie vóór de datum van inwerkingtreding van dit decreet, wordt uitgevoerd conform artikel 4.3.4, § 2 tot en met § 7, 4.3.6, 4.3.7, 4.3.8 en 4.3.9 van het voormelde decreet zoals die golden vóór de inwerkingtreding van dit decreet.
Art. 139. § 1er. Une analyse de l'évaluation des incidences sur l'environnement, visée à l'article 4.2.3, § 2, 2° et § 3, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales relatives à la politique de l'environnement, tel qu'en vigueur la veille de la date d'entrée en vigueur du présent décret, par laquelle les documents, visés à l'article 4.2.6, § 1er, du décret précité, tel qu'en vigueur la veille de la date d'entrée en vigueur du présent décret, ont été remis à l'administration en question avant l'entrée en vigueur du présent décret, a lieu conformément aux articles 4.2.6 et 4.2.7 du décret précité, tels qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.
Une demande motivée d'exemption, telle que visée à l'article 4.2.3, § 3bis, du décret précité, tel qu'en vigueur la veille de la date d'entrée en vigueur du présent décret, qui a été mise à la disposition de l'administration en question avant l'entrée en vigueur de l'article 2 du présent décret, est analysée conformément à l'article 4.2.3, §§ 3bis à 3quater, du décret précité, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.
L'évaluation des incidences sur l'environnement relative à un plan ou programme pour lequel la notification, visée à l'article 4.2.8, § 1er, du décret précité, tel qu'en vigueur la veille de la date d'entrée en vigueur du présent décret, qui a été mise à la disposition de l'administration en question avant l'entrée en vigueur du présent décret, est réalisée conformément aux articles 4.2.8, 4.2.9, 4.2.10 et 4.2.11 du décret précité, tels qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.
§ 2. Une note de screening, telle que visée à l'article 4.3.3, § 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, tel qu'en vigueur la veille de la date d'entrée en vigueur du présent décret, qui a été mise à la disposition de l'autorité compétente avant l'entrée en vigueur du présent décret, est analysée conformément à l'article 4.3.3, § 2, du décret précité, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.
Une demande motivée d'exemption, telle que visée à l'article 4.3.3, § 3, du décret précité, tel qu'en vigueur la veille de la date d'entrée en vigueur du présent décret, qui a été mise à la disposition de l'administration en question avant l'entrée en vigueur du présent décret, est analysée conformément à l'article 4.3.3, §§ 3, 4, 6, 7 et 8, du décret précité, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.
L'évaluation des incidences sur l'environnement relative à un projet pour lequel la notification, visée à l'article 4.3.4, § 1er, du décret précité, tel qu'en vigueur la veille de la date d'entrée en vigueur du présent décret, qui a été mise à la disposition de l'administration en question avant l'entrée en vigueur du présent décret, est réalisée conformément aux articles 4.3.4, §§ 2 à 7, 4.3.6, 4.3.7, 4.3.8 et 4.3.9 du décret précité, tels qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.
Une demande motivée d'exemption, telle que visée à l'article 4.2.3, § 3bis, du décret précité, tel qu'en vigueur la veille de la date d'entrée en vigueur du présent décret, qui a été mise à la disposition de l'administration en question avant l'entrée en vigueur de l'article 2 du présent décret, est analysée conformément à l'article 4.2.3, §§ 3bis à 3quater, du décret précité, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.
L'évaluation des incidences sur l'environnement relative à un plan ou programme pour lequel la notification, visée à l'article 4.2.8, § 1er, du décret précité, tel qu'en vigueur la veille de la date d'entrée en vigueur du présent décret, qui a été mise à la disposition de l'administration en question avant l'entrée en vigueur du présent décret, est réalisée conformément aux articles 4.2.8, 4.2.9, 4.2.10 et 4.2.11 du décret précité, tels qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.
§ 2. Une note de screening, telle que visée à l'article 4.3.3, § 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, tel qu'en vigueur la veille de la date d'entrée en vigueur du présent décret, qui a été mise à la disposition de l'autorité compétente avant l'entrée en vigueur du présent décret, est analysée conformément à l'article 4.3.3, § 2, du décret précité, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.
Une demande motivée d'exemption, telle que visée à l'article 4.3.3, § 3, du décret précité, tel qu'en vigueur la veille de la date d'entrée en vigueur du présent décret, qui a été mise à la disposition de l'administration en question avant l'entrée en vigueur du présent décret, est analysée conformément à l'article 4.3.3, §§ 3, 4, 6, 7 et 8, du décret précité, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.
L'évaluation des incidences sur l'environnement relative à un projet pour lequel la notification, visée à l'article 4.3.4, § 1er, du décret précité, tel qu'en vigueur la veille de la date d'entrée en vigueur du présent décret, qui a été mise à la disposition de l'administration en question avant l'entrée en vigueur du présent décret, est réalisée conformément aux articles 4.3.4, §§ 2 à 7, 4.3.6, 4.3.7, 4.3.8 et 4.3.9 du décret précité, tels qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.
Afdeling 2. - Evaluatie en inwerkingtreding
Section 2. - Evaluation et entrée en vigueur
Art. 140. De Vlaamse Regering evalueert de werking van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid drie jaar na de inwerkingtreding van dit decreet.
Art. 140. Le Gouvernement flamand évalue le fonctionnement du titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, trois ans après l'entrée en vigueur du présent décret.
Art. 141. Dit decreet treedt in werking op een datum die de Vlaamse Regering vaststelt, met uitzondering van artikel 7, 45, 49, 97, 115, 117, 127, 129, 134, 136 en 138, en ten laatste op 1 december 2025.
De in het eerste lid vermelde artikelen treden in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum en ten laatste op 1 juni 2029.
De in het eerste lid vermelde artikelen treden in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum en ten laatste op 1 juni 2029.
Art. 141. Le présent décret entrera en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand, à l'exception des articles 7, 45, 49, 97, 115, 117, 127, 129, 134, 136 et 138, et au plus tard le 1er décembre 2025.
Les articles visés à l'alinéa 1er entreront en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand et au plus tard le 1er juin 2029.
Les articles visés à l'alinéa 1er entreront en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand et au plus tard le 1er juin 2029.