Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° administratie: het Departement Zorg, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg;
2° beheersinstantie: één of meer personen die een voorziening vertegenwoordigen en die de voorziening juridisch kunnen binden;
3° brandpreventieverslag: een brandpreventieverslag als vermeld in artikel 1, 4°, van het Koninklijk besluit van 19 december 2014 tot vastlegging van de organisatie van de brandpreventie in de hulpverleningszones;
4° brandveiligheidsnormen: de specifieke brandveiligheidsnormen, vermeld in artikel 3, eerste, derde en vierde lid;
5° centrum voor dagopvang: een dienst voor gezinszorg die een bijkomende erkenning als een centrum voor dagopvang heeft verkregen conform artikel 13 en 14 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;
6° centrum voor dagverzorging: een centrum voor dagverzorging als vermeld in artikel 23 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;
7° centrum voor herstelverblijf: een centrum voor herstelverblijf als vermeld in artikel 28 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;
8° centrum voor kortverblijf: een centrum voor kortverblijf als vermeld in artikel 25 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;
9° groep van assistentiewoningen: een groep van assistentiewoningen als vermeld in artikel 30 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;
10° hulpverleningszone: de bevoegde hulpverleningszone, vermeld in het Koninklijk besluit van 2 februari 2009 tot vaststelling van de territoriale afbakening van de hulpverleningszones, of, in voorkomend geval, de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp;
11° lokaal dienstencentrum: een lokaal dienstencentrum als vermeld in artikel 9 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019;
12° voorziening: een lokaal dienstencentrum, een centrum voor dagverzorging, een centrum voor dagopvang, een centrum voor kortverblijf, een centrum voor herstelverblijf, een groep van assistentiewoningen of een woonzorgcentrum;
13° woonzorgcentrum: een woonzorgcentrum als vermeld in artikel 33 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
26 APRIL 2024. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan lokale dienstencentra, centra voor dagverzorging, centra voor dagopvang, centra voor kortverblijf, centra voor herstelverblijf, groepen van assistentiewoningen en woonzorgcentra moeten voldoen en tot bepaling van de procedure voor de uitreiking van het attest van naleving van die normen
Titre
26 AVRIL 2024. - Arrêté du Gouvernement flamand fixant les normes spécifiques en matière de protection contre l'incendie auxquelles les centres de services locaux, les centres de soins de jour, les centres d'accueil de jour, les centres de court séjour, les centres de convalescence, les groupes de logements à assistance et les centres de soins résidentiels doivent répondre et fixant la procédure de la délivrance de l'attestation du respect de ces normes
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
CHAPITRE 2. - Détermination des normes spécifiq...
CHAPITRE 3. - Attestations
CHAPITRE 4. - Procédure de délivrance des attes...
CHAPITRE 5. - Procédure de demande et d'obtenti...
CHAPITRE 6. - Disposition modificative
CHAPITRE 7. - Dispositions finales
ANNEXE.
Tekst (27)
Texte (27)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° administration : le Département Soins (" Departement Zorg "), visé à l'article 2, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au Département Soins ;
2° instance de gestion : une ou plusieurs personnes qui représentent une structure et qui peuvent lier juridiquement cette structure ;
3° rapport de prévention des incendies : un rapport de prévention des incendies tel que visé à l'article 1er, 4°, de l'arrêté royal du 19 décembre 2014 fixant l'organisation de la prévention des incendies dans les zones de secours ;
4° normes de sécurité incendie : les normes spécifiques en matière de protection contre l'incendie, visées à l'article 3, alinéas 1er, 3 et 4 ;
5° centre d'accueil de jour : un service d'aide aux familles ayant obtenu un agrément supplémentaire comme centre d'accueil de jour conformément aux articles 13 et 14 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019 ;
6° centre de soins de jour : un centre de soins de jour tel que visé à l'article 23 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019 ;
7° centre de convalescence : un centre de convalescence tel que visé à l'article 28 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019 ;
8° centre de court séjour : un centre de court séjour tel que visé à l'article 25 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019 ;
9° groupe de logements à assistance : un groupe de logements à assistance tel que visé à l'article 30 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019 ;
10° zone de secours : la zone de secours compétente, visée à l'arrêté royal du 2 février 2009 déterminant la délimitation territoriale des zones de secours, ou, le cas échéant, le Service d'incendie et d'aide médicale urgente de la Région de Bruxelles-Capitale ;
11° centre de services locaux : un centre de services locaux tel que visé à l'article 9 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019 ;
12° structure : un centre de services locaux, un centre de soins de jour, un centre d'accueil de jour, un centre de court séjour, un centre de convalescence, un groupe de logements à assistance ou un centre de soins résidentiels ;
13° centre de soins résidentiels : un centre de soins résidentiels tel que visé à l'article 33 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019.
1° administration : le Département Soins (" Departement Zorg "), visé à l'article 2, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au Département Soins ;
2° instance de gestion : une ou plusieurs personnes qui représentent une structure et qui peuvent lier juridiquement cette structure ;
3° rapport de prévention des incendies : un rapport de prévention des incendies tel que visé à l'article 1er, 4°, de l'arrêté royal du 19 décembre 2014 fixant l'organisation de la prévention des incendies dans les zones de secours ;
4° normes de sécurité incendie : les normes spécifiques en matière de protection contre l'incendie, visées à l'article 3, alinéas 1er, 3 et 4 ;
5° centre d'accueil de jour : un service d'aide aux familles ayant obtenu un agrément supplémentaire comme centre d'accueil de jour conformément aux articles 13 et 14 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019 ;
6° centre de soins de jour : un centre de soins de jour tel que visé à l'article 23 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019 ;
7° centre de convalescence : un centre de convalescence tel que visé à l'article 28 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019 ;
8° centre de court séjour : un centre de court séjour tel que visé à l'article 25 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019 ;
9° groupe de logements à assistance : un groupe de logements à assistance tel que visé à l'article 30 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019 ;
10° zone de secours : la zone de secours compétente, visée à l'arrêté royal du 2 février 2009 déterminant la délimitation territoriale des zones de secours, ou, le cas échéant, le Service d'incendie et d'aide médicale urgente de la Région de Bruxelles-Capitale ;
11° centre de services locaux : un centre de services locaux tel que visé à l'article 9 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019 ;
12° structure : un centre de services locaux, un centre de soins de jour, un centre d'accueil de jour, un centre de court séjour, un centre de convalescence, un groupe de logements à assistance ou un centre de soins résidentiels ;
13° centre de soins résidentiels : un centre de soins résidentiels tel que visé à l'article 33 du décret sur les soins résidentiels du 15 février 2019.
Art. 2. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op het hoofdgebouw van de lokale dienstencentra.
Art. 2. Les dispositions du présent arrêté s'appliquent au bâtiment principal des centres de services locaux.
HOOFDSTUK 2. - Bepaling van de specifieke brandveiligheidsnormen
CHAPITRE 2. - Détermination des normes spécifiques en matière de protection contre l'incendie
Art. 3. Een voorziening voldoet aan specifieke brandveiligheidsnormen om de veiligheid van haar bewoners, gebruikers, personeel en bezoekers te waarborgen. De voormelde specifieke brandveiligheidsnormen zijn opgenomen in bijlage 1 voor woonzorgcentra, centra voor dagverzorging, centra voor dagopvang, centra voor kortverblijf, de lokale dienstencentra en centra voor herstelverblijf, en in bijlage 2 voor groepen van assistentiewoningen, die bij dit besluit zijn gevoegd.
Behalve voor de gebouwen of gedeelten van gebouwen die te beschouwen zijn als bestaande gebouwen als vermeld in artikel 1, derde lid, van het Koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen, voldoet de voorziening aan de normen van het voormelde Koninklijk besluit. Normen van het voormelde Koninklijk besluit primeren als ze strenger zijn dan de normen, vermeld in het eerste lid.
Naast de bepalingen, vermeld in de bijlage 2 bij dit besluit, voldoen de groepen van assistentiewoningen die te beschouwen zijn als bestaande gebouwen als vermeld in artikel 1, derde lid, van het voormelde Koninklijk besluit, waarvoor een eerste erkenning is verleend als serviceflatgebouw of woningcomplex met dienstverlening vóór de respectievelijke data, vermeld in artikel 1, derde lid, van het voormelde Koninklijk besluit, aan de bepalingen voor gebouwen van het type A die zijn opgenomen in de volgende Belgische normen, die uitgewerkt zijn door het Bureau voor Normalisatie en die op de website van het Bureau voor Normalisatie zijn bekendgemaakt:
1° NBN S 21-201:1980 2e uitgave (Brandbeveiliging in de gebouwen: Terminologie);
2° NBN S 21-202:1980 2e uitgave, NBN S 21-202/A1: 1984 1e uitgave (Brandbeveiliging: Hoge en middelhoge gebouwen: Algemene eisen);
3° NBN S 21-203:1980 2e uitgave (Brandbeveiliging in de gebouwen: Reactie bij brand van de materialen: Hoge en middelhoge gebouwen).
Naast de normen, vermeld in de bijlage 2 bij dit besluit, voldoen de groepen van assistentiewoningen die te beschouwen zijn als bestaande gebouwen als vermeld in artikel 1, derde lid, van het voormelde Koninklijk besluit, waarvoor nog geen erkenning is aangevraagd vóór de respectievelijke data, vermeld in artikel 1, derde lid, van het voormelde Koninklijk besluit, aan de brandveiligheidsnormen, vermeld in de bijlagen die bij het voormelde Koninklijk besluit zijn gevoegd.
Behalve voor de gebouwen of gedeelten van gebouwen die te beschouwen zijn als bestaande gebouwen als vermeld in artikel 1, derde lid, van het Koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen, voldoet de voorziening aan de normen van het voormelde Koninklijk besluit. Normen van het voormelde Koninklijk besluit primeren als ze strenger zijn dan de normen, vermeld in het eerste lid.
Naast de bepalingen, vermeld in de bijlage 2 bij dit besluit, voldoen de groepen van assistentiewoningen die te beschouwen zijn als bestaande gebouwen als vermeld in artikel 1, derde lid, van het voormelde Koninklijk besluit, waarvoor een eerste erkenning is verleend als serviceflatgebouw of woningcomplex met dienstverlening vóór de respectievelijke data, vermeld in artikel 1, derde lid, van het voormelde Koninklijk besluit, aan de bepalingen voor gebouwen van het type A die zijn opgenomen in de volgende Belgische normen, die uitgewerkt zijn door het Bureau voor Normalisatie en die op de website van het Bureau voor Normalisatie zijn bekendgemaakt:
1° NBN S 21-201:1980 2e uitgave (Brandbeveiliging in de gebouwen: Terminologie);
2° NBN S 21-202:1980 2e uitgave, NBN S 21-202/A1: 1984 1e uitgave (Brandbeveiliging: Hoge en middelhoge gebouwen: Algemene eisen);
3° NBN S 21-203:1980 2e uitgave (Brandbeveiliging in de gebouwen: Reactie bij brand van de materialen: Hoge en middelhoge gebouwen).
Naast de normen, vermeld in de bijlage 2 bij dit besluit, voldoen de groepen van assistentiewoningen die te beschouwen zijn als bestaande gebouwen als vermeld in artikel 1, derde lid, van het voormelde Koninklijk besluit, waarvoor nog geen erkenning is aangevraagd vóór de respectievelijke data, vermeld in artikel 1, derde lid, van het voormelde Koninklijk besluit, aan de brandveiligheidsnormen, vermeld in de bijlagen die bij het voormelde Koninklijk besluit zijn gevoegd.
Art. 3. Une structure doit répondre à des normes spécifiques en matière de protection contre l'incendie afin de garantir la sécurité de ses résidents, de ses utilisateurs, de son personnel et de ses visiteurs. Les normes spécifiques en matière de protection contre l'incendie susmentionnées sont reprises à l'annexe 1re pour les centres de soins résidentiels, les centres de soins de jour, les centres d'accueil de jour, les centres de court séjour, les centres de services locaux et les centres de convalescence, et à l'annexe 2 pour les groupes de logements à assistance, lesquelles sont jointes au présent arrêté.
A l'exception des bâtiments ou parties de bâtiments qui sont à considérer comme des bâtiments existants au sens de l'article 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal du 7 juillet 1994 fixant les normes de base en matière de prévention contre l'incendie et l'explosion, auxquelles les bâtiments doivent satisfaire, la structure est conforme aux normes de l'arrêté royal susmentionné. Les normes de l'arrêté royal susmentionné prévalent si elles sont plus strictes que les normes visées à l'alinéa 1er.
Outre les dispositions visées à l'annexe 2 du présent arrêté ; les groupes de logements à assistance qui sont à considérer comme des bâtiments existants au sens de l'article 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal précité, pour lesquels un premier agrément comme résidence-services ou comme complexe résidentiel proposant des services a été délivré avant les dates respectives visées à l'article 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal précité, sont conformes aux dispositions relatives aux bâtiments de type A reprises dans les normes belges suivantes, élaborées par le Bureau de Normalisation et publiées sur le site web du Bureau de Normalisation :
1° NBN S 21-201:1980 2e édition (Protection contre l'incendie dans les bâtiments - Terminologie) ;
2° NBN S 21-202:1980 2e édition, NBN S 21-202/A1 : 1984 1re édition (Protection contre l'incendie dans les bâtiments - Bâtiments élevés et bâtiments moyens - Conditions générales) ;
3° NBN S 21-203:1980 2e édition (Protection contre l'incendie dans les bâtiments - Réaction au feu des matériaux - Bâtiments élevés et bâtiments moyens).
Outre les normes énumérées à l'annexe 2 du présent arrêté, les groupes de logements à assistance qui sont à considérer comme des bâtiments existants au sens de l'article 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal précité, pour lesquels aucun agrément n'a encore été demandé avant les dates respectives visées à l'article 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal précité, répondent aux normes de sécurité incendie énumérées dans les annexes jointes à l'arrêté royal précité.
A l'exception des bâtiments ou parties de bâtiments qui sont à considérer comme des bâtiments existants au sens de l'article 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal du 7 juillet 1994 fixant les normes de base en matière de prévention contre l'incendie et l'explosion, auxquelles les bâtiments doivent satisfaire, la structure est conforme aux normes de l'arrêté royal susmentionné. Les normes de l'arrêté royal susmentionné prévalent si elles sont plus strictes que les normes visées à l'alinéa 1er.
Outre les dispositions visées à l'annexe 2 du présent arrêté ; les groupes de logements à assistance qui sont à considérer comme des bâtiments existants au sens de l'article 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal précité, pour lesquels un premier agrément comme résidence-services ou comme complexe résidentiel proposant des services a été délivré avant les dates respectives visées à l'article 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal précité, sont conformes aux dispositions relatives aux bâtiments de type A reprises dans les normes belges suivantes, élaborées par le Bureau de Normalisation et publiées sur le site web du Bureau de Normalisation :
1° NBN S 21-201:1980 2e édition (Protection contre l'incendie dans les bâtiments - Terminologie) ;
2° NBN S 21-202:1980 2e édition, NBN S 21-202/A1 : 1984 1re édition (Protection contre l'incendie dans les bâtiments - Bâtiments élevés et bâtiments moyens - Conditions générales) ;
3° NBN S 21-203:1980 2e édition (Protection contre l'incendie dans les bâtiments - Réaction au feu des matériaux - Bâtiments élevés et bâtiments moyens).
Outre les normes énumérées à l'annexe 2 du présent arrêté, les groupes de logements à assistance qui sont à considérer comme des bâtiments existants au sens de l'article 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal précité, pour lesquels aucun agrément n'a encore été demandé avant les dates respectives visées à l'article 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal précité, répondent aux normes de sécurité incendie énumérées dans les annexes jointes à l'arrêté royal précité.
HOOFDSTUK 3. - Attesten
CHAPITRE 3. - Attestations
Art. 4. Een voorziening kan erkend worden of kan erkend blijven als ze het bewijs levert dat in haar gebouwen voldoende veiligheidsmaatregelen zijn genomen.
De mate waarin de brandveiligheidsnormen worden nageleefd, wordt vastgesteld aan de hand van een attest A, B of C, waarvan de modellen opgenomen zijn in bijlage 3, 4, en 5, die bij dit besluit zijn gevoegd.
Een erkenning als voorziening is alleen mogelijk op basis van een attest A of een attest B.
Een attest C leidt tot het inzetten van de procedure tot intrekking of tot weigering van de erkenning als voorziening.
Als er geen geldig attest A of B kan worden voorgelegd, wordt de procedure tot schorsing van de erkenning als voorziening ingezet of wordt de erkenning geweigerd.
De burgemeester reikt een attest A, B of C uit volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 4.
De mate waarin de brandveiligheidsnormen worden nageleefd, wordt vastgesteld aan de hand van een attest A, B of C, waarvan de modellen opgenomen zijn in bijlage 3, 4, en 5, die bij dit besluit zijn gevoegd.
Een erkenning als voorziening is alleen mogelijk op basis van een attest A of een attest B.
Een attest C leidt tot het inzetten van de procedure tot intrekking of tot weigering van de erkenning als voorziening.
Als er geen geldig attest A of B kan worden voorgelegd, wordt de procedure tot schorsing van de erkenning als voorziening ingezet of wordt de erkenning geweigerd.
De burgemeester reikt een attest A, B of C uit volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 4.
Art. 4. Pour être agréée ou rester agréée, une structure doit apporter la preuve que suffisamment de mesures de sécurité ont été prises dans ses bâtiments.
Le degré de conformité aux normes de sécurité incendie est établi au moyen d'une attestation A, B ou C dont les modèles figurent aux annexes 3, 4 et 5 jointes au présent arrêté.
Un agrément en tant que structure n'est possible que sur la base d'une attestation A ou d'une attestation B.
Une attestation C entraîne le lancement d'une procédure de retrait ou de refus de l'agrément en tant que structure.
Si aucune attestation A ou B ne peut être présentée, la procédure de suspension de l'agrément en tant que structure est lancée ou l'agrément est refusé.
Le bourgmestre délivre l'attestation A, B ou C suivant la procédure visée au chapitre 4.
Le degré de conformité aux normes de sécurité incendie est établi au moyen d'une attestation A, B ou C dont les modèles figurent aux annexes 3, 4 et 5 jointes au présent arrêté.
Un agrément en tant que structure n'est possible que sur la base d'une attestation A ou d'une attestation B.
Une attestation C entraîne le lancement d'une procédure de retrait ou de refus de l'agrément en tant que structure.
Si aucune attestation A ou B ne peut être présentée, la procédure de suspension de l'agrément en tant que structure est lancée ou l'agrément est refusé.
Le bourgmestre délivre l'attestation A, B ou C suivant la procédure visée au chapitre 4.
Art. 5. Een attest A vervalt van rechtswege na verloop van acht jaar na de datum van de ondertekening van het attest door de burgemeester of bij de uitreiking van een nieuw attest voor dezelfde voorziening.
De geldigheidsduur van een attest B bedraagt bij aanvang één jaar vanaf de datum van de ondertekening van het attest door de burgemeester. Het attest kan door de burgemeester verschillende keren verlengd worden voor een periode van minstens één jaar en tot maximaal drie jaar vanaf de datum van de ondertekening van het verlengde attest B door de burgemeester. Het attest B of verlengde attest B vervalt van rechtswege na verloop van de geldigheidsduur of bij de uitreiking van een nieuw attest voor dezelfde voorziening.
Tenzij de uitbating van de voorziening wordt stopgezet vóór de geldigheidsduur van het attest is verstreken, dient de beheersinstantie uiterlijk dertig dagen voor die geldigheidsduur verstreken is, een aanvraag van een nieuw attest in volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 4.
Een attest C vervalt alleen bij de uitreiking van een nieuw attest voor dezelfde voorziening.
De geldigheidsduur van een attest B bedraagt bij aanvang één jaar vanaf de datum van de ondertekening van het attest door de burgemeester. Het attest kan door de burgemeester verschillende keren verlengd worden voor een periode van minstens één jaar en tot maximaal drie jaar vanaf de datum van de ondertekening van het verlengde attest B door de burgemeester. Het attest B of verlengde attest B vervalt van rechtswege na verloop van de geldigheidsduur of bij de uitreiking van een nieuw attest voor dezelfde voorziening.
Tenzij de uitbating van de voorziening wordt stopgezet vóór de geldigheidsduur van het attest is verstreken, dient de beheersinstantie uiterlijk dertig dagen voor die geldigheidsduur verstreken is, een aanvraag van een nieuw attest in volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 4.
Een attest C vervalt alleen bij de uitreiking van een nieuw attest voor dezelfde voorziening.
Art. 5. Une attestation A échoit de plein droit huit ans après la date de la signature de l'attestation par le bourgmestre ou au moment de la délivrance d'une nouvelle attestation pour la même structure.
La durée de validité d'une attestation B est initialement d'un an à compter de la date de signature de l'attestation par le bourgmestre. L'attestation peut être renouvelée plusieurs fois par le bourgmestre pour une période de minimum un an et de maximum trois ans à compter de la date de la signature par le bourgmestre de l'attestation B renouvelée. L'attestation B ou l'attestation B renouvelée échoit de plein droit à l'expiration de la durée de validité ou lors de la délivrance d'une nouvelle attestation pour la même structure.
Sauf si l'exploitation de la structure est arrêtée avant l'échéance de la durée de validité de l'attestation, l'instance de gestion introduit, au plus tard trente jours avant l'échéance de la durée de validité, une demande de nouvelle attestation suivant la procédure visée au chapitre 4.
Une attestation C n'échoit qu'au moment de la délivrance d'une nouvelle attestation pour la même structure.
La durée de validité d'une attestation B est initialement d'un an à compter de la date de signature de l'attestation par le bourgmestre. L'attestation peut être renouvelée plusieurs fois par le bourgmestre pour une période de minimum un an et de maximum trois ans à compter de la date de la signature par le bourgmestre de l'attestation B renouvelée. L'attestation B ou l'attestation B renouvelée échoit de plein droit à l'expiration de la durée de validité ou lors de la délivrance d'une nouvelle attestation pour la même structure.
Sauf si l'exploitation de la structure est arrêtée avant l'échéance de la durée de validité de l'attestation, l'instance de gestion introduit, au plus tard trente jours avant l'échéance de la durée de validité, une demande de nouvelle attestation suivant la procédure visée au chapitre 4.
Une attestation C n'échoit qu'au moment de la délivrance d'une nouvelle attestation pour la même structure.
Art. 6. Met behoud van de toepassing van artikel 5 vervalt een attest A of B van rechtswege zes maanden nadat ingrijpende wijzigingen aan of in de voorziening zijn gerealiseerd die de veiligheid rechtstreeks of onrechtstreeks kunnen beïnvloeden en die betrekking hebben op een van de volgende elementen:
1° de inrichting, herinrichting, indeling of herindeling van ruimten die de functie hebben van gemeenschappelijke ruimte voor de bewoners of gebruikers van de voorziening;
2° de indeling of herindeling van de individuele kamers voor de bewoners of gebruikers van de voorziening;
3° de vluchtwegen en evacuatievoorzieningen;
4° de technische installaties.
1° de inrichting, herinrichting, indeling of herindeling van ruimten die de functie hebben van gemeenschappelijke ruimte voor de bewoners of gebruikers van de voorziening;
2° de indeling of herindeling van de individuele kamers voor de bewoners of gebruikers van de voorziening;
3° de vluchtwegen en evacuatievoorzieningen;
4° de technische installaties.
Art. 6. Sans préjudice de l'application de l'article 5, une attestation A ou B échoit de plein droit six mois après la réalisation de modifications significatives à ou dans la structure pouvant directement ou indirectement influencer la sécurité et ayant trait à l'un des éléments suivants :
1° l'aménagement, le réaménagement, la subdivision ou la resubdivision d'espaces qui ont la fonction d'espace commun pour les résidents ou utilisateurs de la structure ;
2° la subdivision ou resubdivision de chambres individuelles des résidents ou utilisateurs de la structure ;
3° les sorties de secours et équipements d'évacuation ;
4° les installations techniques.
1° l'aménagement, le réaménagement, la subdivision ou la resubdivision d'espaces qui ont la fonction d'espace commun pour les résidents ou utilisateurs de la structure ;
2° la subdivision ou resubdivision de chambres individuelles des résidents ou utilisateurs de la structure ;
3° les sorties de secours et équipements d'évacuation ;
4° les installations techniques.
HOOFDSTUK 4. - Procedure om de attesten uit te reiken
CHAPITRE 4. - Procédure de délivrance des attestations
Art. 7. De beheersinstantie van één of meer voorzieningen dient een aanvraag van een attest in bij de burgemeester van de gemeente waar de voorzieningen liggen. De beheersinstantie vermeldt in die aanvraag duidelijk op welke voorziening of voorzieningen de aanvraag betrekking heeft en ze geeft, als dat van toepassing is, de opnamecapaciteit van elke voorziening aan.
De burgemeester geeft aan de hulpverleningszone de opdracht om na te gaan in welke mate de voorzieningen aan de brandveiligheidsnormen voldoen.
In het kader van de opdracht, vermeld in het tweede lid:
1° voert de hulpverleningszone een onderzoek uit;
2° maakt de hulpverleningszone een brandpreventieverslag op en bezorgt dat aan de burgemeester.
Het brandpreventieverslag, vermeld in het derde lid, 2°, bevat, in voorkomend geval, een duidelijke opsomming van de niet-nageleefde brandveiligheidsnormen en geeft aan in welke mate de feitelijke toestand van de normen afwijkt. Als daardoor de veiligheid van bewoners, gebruikers, personeel en bezoekers ernstig in het gedrang komt, wordt dat in het brandpreventieverslag vermeld.
De burgemeester geeft aan de hulpverleningszone de opdracht om na te gaan in welke mate de voorzieningen aan de brandveiligheidsnormen voldoen.
In het kader van de opdracht, vermeld in het tweede lid:
1° voert de hulpverleningszone een onderzoek uit;
2° maakt de hulpverleningszone een brandpreventieverslag op en bezorgt dat aan de burgemeester.
Het brandpreventieverslag, vermeld in het derde lid, 2°, bevat, in voorkomend geval, een duidelijke opsomming van de niet-nageleefde brandveiligheidsnormen en geeft aan in welke mate de feitelijke toestand van de normen afwijkt. Als daardoor de veiligheid van bewoners, gebruikers, personeel en bezoekers ernstig in het gedrang komt, wordt dat in het brandpreventieverslag vermeld.
Art. 7. L'instance de gestion d'une ou plusieurs structures introduit une demande d'attestation auprès du bourgmestre de la commune où les structures sont situées. L'instance de gestion mentionne clairement dans cette demande à quelle(s) structure(s) cette dernière a trait et mentionne, s'il y a lieu, la capacité d'admission de chaque structure.
Le bourgmestre charge la zone de secours de vérifier en quelle mesure les structures répondent aux normes de sécurité incendie.
Dans le cadre de la tâche visée à l'alinéa 2 :
1° la zone de secours procède à une inspection ;
2° la zone de secours établit un rapport de prévention des incendies et transmet ce dernier au bourgmestre.
Le rapport de prévention des incendies, visé à l'alinéa 3, 2°, contient, le cas échéant, une énumération détaillée des normes de sécurité incendie non respectées et indique en quelle mesure la situation réelle déroge aux normes. Si suite à cette situation, la sécurité des résidents, des utilisateurs, du personnel et des visiteurs est gravement compromise, il y lieu de le mentionner dans le rapport de prévention des incendies.
Le bourgmestre charge la zone de secours de vérifier en quelle mesure les structures répondent aux normes de sécurité incendie.
Dans le cadre de la tâche visée à l'alinéa 2 :
1° la zone de secours procède à une inspection ;
2° la zone de secours établit un rapport de prévention des incendies et transmet ce dernier au bourgmestre.
Le rapport de prévention des incendies, visé à l'alinéa 3, 2°, contient, le cas échéant, une énumération détaillée des normes de sécurité incendie non respectées et indique en quelle mesure la situation réelle déroge aux normes. Si suite à cette situation, la sécurité des résidents, des utilisateurs, du personnel et des visiteurs est gravement compromise, il y lieu de le mentionner dans le rapport de prévention des incendies.
Art. 8. Als uit het brandpreventieverslag blijkt dat de voorzieningen aan de brandveiligheidsnormen voldoen, reikt de burgemeester een attest A uit.
De burgemeester bezorgt het attest A met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de beheersinstantie binnen negentig dagen na de dag waarop de burgemeester de aanvraag van een attest heeft ontvangen.
Binnen tien dagen nadat de beheersinstantie het attest A heeft ontvangen, bezorgt de beheersinstantie dat attest samen met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de administratie.
De burgemeester bezorgt het attest A met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de beheersinstantie binnen negentig dagen na de dag waarop de burgemeester de aanvraag van een attest heeft ontvangen.
Binnen tien dagen nadat de beheersinstantie het attest A heeft ontvangen, bezorgt de beheersinstantie dat attest samen met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de administratie.
Art. 8. S'il ressort du rapport de prévention des incendies que les structures répondent aux normes de sécurité incendie, le bourgmestre délivre une attestation A.
Le bourgmestre transmet à l'instance de gestion l'attestation A, accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant, dans les nonante jours suivant la date de réception de la demande d'attestation.
Dans les dix jours après la réception de l'attestation A par l'instance de gestion, celle-ci transmet à l'administration l'attestation accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant.
Le bourgmestre transmet à l'instance de gestion l'attestation A, accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant, dans les nonante jours suivant la date de réception de la demande d'attestation.
Dans les dix jours après la réception de l'attestation A par l'instance de gestion, celle-ci transmet à l'administration l'attestation accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant.
Art. 9. § 1. Als uit het brandpreventieverslag blijkt dat de voorzieningen niet volledig aan de brandveiligheidsnormen voldoen, maar dat de veiligheid van bewoners, gebruikers, personeel en bezoekers niet ernstig in het gedrang komt, reikt de burgemeester een attest B uit waarvan de geldigheidsduur bij de aanvang één jaar bedraagt vanaf de datum van de ondertekening van het attest door de burgemeester.
De burgemeester bezorgt het attest B met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de beheersinstantie binnen negentig dagen na de dag waarop de burgemeester de aanvraag van een attest heeft ontvangen.
Binnen tien dagen nadat de beheersinstantie het attest B heeft ontvangen, bezorgt de beheersinstantie dat attest samen met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de administratie.
§ 2. Binnen zeven maanden na de dag waarop de beheersinstantie het brandpreventieverslag, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen, bezorgt ze aan de burgemeester een uitgewerkt stappenplan om de vastgestelde tekorten te verhelpen.
Het stappenplan, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
1° een duidelijke omschrijving van de mate waarin de vastgestelde tekorten verholpen zijn of verholpen zullen worden, met in dat laatste geval een opgave van de uitvoeringstermijn en de middelen die aangewend moeten worden;
2° de vermelding voor welke vastgestelde tekorten de beheersinstantie een aanvraag zal indienen of ingediend heeft om een afwijking van de geldende brandveiligheidsnormen te verkrijgen volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 5 van dit besluit;
3° de vermelding of de beheersinstantie een aanvraag zal indienen of ingediend heeft om een afwijking te verkrijgen van de brandveiligheidsnormen, vermeld in het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen.
De administratie stelt voor het stappenplan, vermeld in het eerste lid, een model ter beschikking.
§ 3. De burgemeester bezorgt het stappenplan, vermeld in paragraaf 2, aan de hulpverleningszone en geeft aan de hulpverleningszone de opdracht om na te gaan in welke mate de voorzieningen op basis van het voormelde stappenplan dat is ingediend, ondertussen aan de brandveiligheidsnormen voldoen.
In het kader van de opdracht, vermeld in het eerste lid:
1° voert de hulpverleningszone een onderzoek uit;
2° evalueert de hulpverleningszone, in voorkomend geval, het stappenplan;
3° maakt de hulpverleningszone een brandpreventieverslag op en bezorgt dat aan de burgemeester.
Het brandpreventieverslag, vermeld in het tweede lid, 3°, bevat de volgende informatie:
1° een duidelijke opsomming van de niet-nageleefde brandveiligheidsnormen;
2° in welke mate de feitelijke toestand van de normen afwijkt;
3° een evaluatie van het stappenplan, vermeld in paragraaf 2, dat is ingediend;
4° in voorkomend geval de vermelding dat de veiligheid van bewoners, gebruikers, personeel en bezoekers ernstig in het gedrang komt.
§ 4. Als uit het brandpreventieverslag, vermeld in paragraaf 3, blijkt dat de voorzieningen ondertussen aan de brandveiligheidsnormen voldoen, reikt de burgemeester een attest A uit.
De burgemeester bezorgt het attest A, vermeld in het eerste lid, met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de beheersinstantie binnen zestig dagen na de dag waarop hij het stappenplan, vermeld in paragraaf 2, heeft ontvangen.
Binnen tien dagen nadat de beheersinstantie het attest A, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, bezorgt ze dat attest samen met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de administratie.
§ 5. Als uit het brandpreventieverslag, vermeld in paragraaf 3, blijkt dat de voorzieningen niet volledig aan de brandveiligheidsnormen voldoen, maar dat de veiligheid van bewoners, gebruikers, personeel en bezoekers niet ernstig in het gedrang komt, en als het stappenplan, vermeld in paragraaf 2, dat is ingediend, voldoende garanties bevat om op termijn aan de brandveiligheidsnormen te voldoen, reikt de burgemeester een verlengd attest B uit waarvan de geldigheidsduur minstens een jaar en maximaal drie jaar bedraagt vanaf de datum van de ondertekening van het verlengde attest B door de burgemeester.
De burgemeester bezorgt het verlengde attest B, vermeld in het eerste lid, met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de beheersinstantie binnen zestig dagen na de dag waarop hij het stappenplan, vermeld in paragraaf 2, heeft ontvangen.
Binnen tien dagen nadat de beheersinstantie het verlengde attest B, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen bezorgt ze dat attest samen met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de administratie.
§ 6. Als uit het brandpreventieverslag, vermeld in paragraaf 3, blijkt dat de voorzieningen niet volledig aan de brandveiligheidsnormen voldoen, en als het stappenplan, vermeld in paragraaf 2, dat is ingediend, onvoldoende garanties bevat om op termijn aan de brandveiligheidsnormen te voldoen, kan het attest B, dat bij de aanvang is uitgereikt, niet verlengd worden. Binnen zestig dagen na de dag waarop hij het voormelde stappenplan heeft ontvangen, deelt de burgemeester de voormelde informatie mee aan de beheersinstantie en aan de administratie en bezorgt de burgemeester het voormelde brandpreventieverslag aan de beheersinstantie en de administratie.
De beheersinstantie kan binnen dertig dagen na de dag waarop ze de mededeling en het brandpreventieverslag, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, eenmalig een herwerkt stappenplan tot remediëring van de vastgestelde tekorten aan de burgemeester bezorgen.
Een herwerkt stappenplan als vermeld in het tweede lid, wordt behandeld conform paragraaf 3, 4 en 5.
Als de beheersinstantie binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, geen herwerkt stappenplan als vermeld in het tweede lid, aan de burgemeester bezorgt, kan het attest B, dat bij de aanvang is uitgereikt, niet verlengd worden.
§ 7. Als de beheersinstantie binnen de termijn, vermeld in paragraaf 2, geen stappenplan als vermeld in paragraaf 2, aan de burgemeester heeft bezorgd, kan het attest B, dat bij de aanvang is uitgereikt, niet verlengd worden. De burgemeester deelt dat mee aan de beheersinstantie en aan de administratie.
De burgemeester bezorgt het attest B met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de beheersinstantie binnen negentig dagen na de dag waarop de burgemeester de aanvraag van een attest heeft ontvangen.
Binnen tien dagen nadat de beheersinstantie het attest B heeft ontvangen, bezorgt de beheersinstantie dat attest samen met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de administratie.
§ 2. Binnen zeven maanden na de dag waarop de beheersinstantie het brandpreventieverslag, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen, bezorgt ze aan de burgemeester een uitgewerkt stappenplan om de vastgestelde tekorten te verhelpen.
Het stappenplan, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
1° een duidelijke omschrijving van de mate waarin de vastgestelde tekorten verholpen zijn of verholpen zullen worden, met in dat laatste geval een opgave van de uitvoeringstermijn en de middelen die aangewend moeten worden;
2° de vermelding voor welke vastgestelde tekorten de beheersinstantie een aanvraag zal indienen of ingediend heeft om een afwijking van de geldende brandveiligheidsnormen te verkrijgen volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 5 van dit besluit;
3° de vermelding of de beheersinstantie een aanvraag zal indienen of ingediend heeft om een afwijking te verkrijgen van de brandveiligheidsnormen, vermeld in het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen.
De administratie stelt voor het stappenplan, vermeld in het eerste lid, een model ter beschikking.
§ 3. De burgemeester bezorgt het stappenplan, vermeld in paragraaf 2, aan de hulpverleningszone en geeft aan de hulpverleningszone de opdracht om na te gaan in welke mate de voorzieningen op basis van het voormelde stappenplan dat is ingediend, ondertussen aan de brandveiligheidsnormen voldoen.
In het kader van de opdracht, vermeld in het eerste lid:
1° voert de hulpverleningszone een onderzoek uit;
2° evalueert de hulpverleningszone, in voorkomend geval, het stappenplan;
3° maakt de hulpverleningszone een brandpreventieverslag op en bezorgt dat aan de burgemeester.
Het brandpreventieverslag, vermeld in het tweede lid, 3°, bevat de volgende informatie:
1° een duidelijke opsomming van de niet-nageleefde brandveiligheidsnormen;
2° in welke mate de feitelijke toestand van de normen afwijkt;
3° een evaluatie van het stappenplan, vermeld in paragraaf 2, dat is ingediend;
4° in voorkomend geval de vermelding dat de veiligheid van bewoners, gebruikers, personeel en bezoekers ernstig in het gedrang komt.
§ 4. Als uit het brandpreventieverslag, vermeld in paragraaf 3, blijkt dat de voorzieningen ondertussen aan de brandveiligheidsnormen voldoen, reikt de burgemeester een attest A uit.
De burgemeester bezorgt het attest A, vermeld in het eerste lid, met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de beheersinstantie binnen zestig dagen na de dag waarop hij het stappenplan, vermeld in paragraaf 2, heeft ontvangen.
Binnen tien dagen nadat de beheersinstantie het attest A, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, bezorgt ze dat attest samen met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de administratie.
§ 5. Als uit het brandpreventieverslag, vermeld in paragraaf 3, blijkt dat de voorzieningen niet volledig aan de brandveiligheidsnormen voldoen, maar dat de veiligheid van bewoners, gebruikers, personeel en bezoekers niet ernstig in het gedrang komt, en als het stappenplan, vermeld in paragraaf 2, dat is ingediend, voldoende garanties bevat om op termijn aan de brandveiligheidsnormen te voldoen, reikt de burgemeester een verlengd attest B uit waarvan de geldigheidsduur minstens een jaar en maximaal drie jaar bedraagt vanaf de datum van de ondertekening van het verlengde attest B door de burgemeester.
De burgemeester bezorgt het verlengde attest B, vermeld in het eerste lid, met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de beheersinstantie binnen zestig dagen na de dag waarop hij het stappenplan, vermeld in paragraaf 2, heeft ontvangen.
Binnen tien dagen nadat de beheersinstantie het verlengde attest B, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen bezorgt ze dat attest samen met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de administratie.
§ 6. Als uit het brandpreventieverslag, vermeld in paragraaf 3, blijkt dat de voorzieningen niet volledig aan de brandveiligheidsnormen voldoen, en als het stappenplan, vermeld in paragraaf 2, dat is ingediend, onvoldoende garanties bevat om op termijn aan de brandveiligheidsnormen te voldoen, kan het attest B, dat bij de aanvang is uitgereikt, niet verlengd worden. Binnen zestig dagen na de dag waarop hij het voormelde stappenplan heeft ontvangen, deelt de burgemeester de voormelde informatie mee aan de beheersinstantie en aan de administratie en bezorgt de burgemeester het voormelde brandpreventieverslag aan de beheersinstantie en de administratie.
De beheersinstantie kan binnen dertig dagen na de dag waarop ze de mededeling en het brandpreventieverslag, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, eenmalig een herwerkt stappenplan tot remediëring van de vastgestelde tekorten aan de burgemeester bezorgen.
Een herwerkt stappenplan als vermeld in het tweede lid, wordt behandeld conform paragraaf 3, 4 en 5.
Als de beheersinstantie binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, geen herwerkt stappenplan als vermeld in het tweede lid, aan de burgemeester bezorgt, kan het attest B, dat bij de aanvang is uitgereikt, niet verlengd worden.
§ 7. Als de beheersinstantie binnen de termijn, vermeld in paragraaf 2, geen stappenplan als vermeld in paragraaf 2, aan de burgemeester heeft bezorgd, kan het attest B, dat bij de aanvang is uitgereikt, niet verlengd worden. De burgemeester deelt dat mee aan de beheersinstantie en aan de administratie.
Art. 9. § 1er.S'il ressort du rapport de prévention des incendies que les structures ne répondent pas entièrement aux normes de sécurité incendie, mais que la sécurité des résidents, des utilisateurs, du personnel et des visiteurs n'est pas gravement compromise, le bourgmestre délivre une attestation B dont la durée de validité est initialement d'un an à compter de la date de signature de l'attestation par le bourgmestre.
Le bourgmestre transmet à l'instance de gestion l'attestation B, accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant, dans les nonante jours suivant la date de réception de la demande d'attestation.
Dans les dix jours après la réception de l'attestation B par l'instance de gestion, celle-ci transmet à l'administration l'attestation accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant.
§ 2. Dans les sept mois après réception du rapport de prévention des incendies, visé au paragraphe 1er, par l'instance de gestion, celle-ci transmet au bourgmestre un plan échelonné élaboré en vue de remédier aux défauts constatés.
Le plan échelonné, visé à l'alinéa 1er, comprend tous les éléments suivants :
1° une description détaillée de la mesure dans laquelle il a été ou il sera remédié aux défauts constatés, avec, dans ce dernier cas, une mention du délai d'exécution et des moyens à utiliser ;
2° la mention des défauts constatés pour lesquels l'instance de gestion introduira ou a introduit une demande d'obtention d'une dérogation aux normes de sécurité incendie en vigueur suivant la procédure visée au chapitre 5 du présent arrêté ;
3° la mention précisant si l'instance de gestion introduira ou a introduit une demande d'obtention d'une dérogation aux normes de sécurité incendie visées à l'arrêté royal du 7 juillet 1994 fixant les normes de base en matière de prévention contre l'incendie et l'explosion, auxquelles les bâtiments doivent satisfaire.
L'administration fournit un modèle pour le plan échelonné visé à l'alinéa 1er.
§ 3. Le bourgmestre transmet le plan échelonné visé au paragraphe 2 à la zone de secours et charge la zone de secours de vérifier dans quelle mesure les structures, sur la base du plan échelonné susmentionné qui a été introduit, répondent entre-temps aux normes de sécurité incendie.
Dans le cadre de la tâche visée à l'alinéa 1er :
1° la zone de secours procède à une inspection ;
2° la zone de secours évalue, le cas échéant, le plan échelonné ;
3° la zone de secours établit un rapport de prévention des incendies et transmet ce dernier au bourgmestre.
Le rapport de prévention des incendies visé à l'alinéa 2, 3°, comprend les informations suivantes :
1° une énumération détaillée des normes de sécurité incendie non respectées ;
2° la mesure dans laquelle la situation réelle déroge aux normes ;
3° une évaluation du plan échelonné, visé au paragraphe 2, qui a été introduit ;
4° le cas échéant, la mention que la sécurité des résidents, des utilisateurs, du personnel et des visiteurs est gravement compromise.
§ 4. S'il ressort du rapport de prévention des incendies, visé au paragraphe 3, que les structures répondent entre-temps aux normes de sécurité incendie, le bourgmestre délivre une attestation A.
Le bourgmestre transmet à l'instance de gestion l'attestation A, visée à l'alinéa 1er, accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant, dans un délai de soixante jours à compter de la date de réception du plan échelonné visé au paragraphe 2.
Dans les dix jours après la réception de l'attestation A, visée à l'alinéa 1er, l'instance de gestion transmet à l'administration l'attestation accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant.
§ 5. S'il ressort du rapport de prévention des incendies, visé au paragraphe 3, que les structures ne répondent pas entièrement aux normes de sécurité incendie, mais que la sécurité des résidents, des utilisateurs, du personnel et des visiteurs n'est pas gravement compromise, et si le plan échelonné introduit, visé au paragraphe 2, comprend suffisamment de garanties afin de répondre à terme aux normes de sécurité incendie, le bourgmestre délivre une attestation B dont la durée de validité est de minimum un an et de maximum trois ans à compter de la date de signature de l'attestation B renouvelée par le bourgmestre.
Le bourgmestre transmet à l'instance de gestion l'attestation B renouvelée, visée à l'alinéa 1er, accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant, dans un délai de soixante jours à compter de la date de réception du plan échelonné visé au paragraphe 2.
Dans les dix jours après la réception de l'attestation B renouvelée, visée à l'alinéa 1er, l'instance de gestion transmet à l'administration l'attestation accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant.
§ 6. S'il ressort du rapport de prévention des incendies, visé au paragraphe 3, que les structures ne répondent pas entièrement aux normes de sécurité incendie, et si le plan échelonné introduit, visé au paragraphe 2, comprend insuffisamment de garanties afin de répondre à terme aux normes de sécurité incendie, l'attestation B initialement délivrée ne peut pas être renouvelée. Dans les soixante jours suivant la réception du plan échelonné susmentionné, le bourgmestre communique les informations susmentionnées à l'instance de gestion et à l'administration, et le bourgmestre transmet le rapport de prévention des incendies précité à l'instance de gestion et à l'administration.
L'instance de gestion peut, dans un délai de trente jours à compter de la date de réception des informations et du rapport de prévention des incendies, visés à l'alinéa 1er, transmettre au bourgmestre un plan échelonné remanié pour remédier aux défauts constatés.
Un plan échelonné remanié, tel que visé à l'alinéa 2, est traité conformément aux paragraphes 3, 4 et 5.
Si l'instance de gestion ne transmet pas au bourgmestre un plan échelonné remanié, tel que visé à l'alinéa 2, dans le délai mentionné à l'alinéa 2, l'attestation B initialement délivrée ne peut pas être renouvelée.
§ 7. Si l'instance de gestion n'a pas transmis au bourgmestre un plan échelonné, tel que visé au paragraphe 2, dans le délai mentionné au paragraphe 2, l'attestation B initialement délivrée ne peut pas être renouvelée. Le bourgmestre en informe l'instance de gestion et l'administration.
Le bourgmestre transmet à l'instance de gestion l'attestation B, accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant, dans les nonante jours suivant la date de réception de la demande d'attestation.
Dans les dix jours après la réception de l'attestation B par l'instance de gestion, celle-ci transmet à l'administration l'attestation accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant.
§ 2. Dans les sept mois après réception du rapport de prévention des incendies, visé au paragraphe 1er, par l'instance de gestion, celle-ci transmet au bourgmestre un plan échelonné élaboré en vue de remédier aux défauts constatés.
Le plan échelonné, visé à l'alinéa 1er, comprend tous les éléments suivants :
1° une description détaillée de la mesure dans laquelle il a été ou il sera remédié aux défauts constatés, avec, dans ce dernier cas, une mention du délai d'exécution et des moyens à utiliser ;
2° la mention des défauts constatés pour lesquels l'instance de gestion introduira ou a introduit une demande d'obtention d'une dérogation aux normes de sécurité incendie en vigueur suivant la procédure visée au chapitre 5 du présent arrêté ;
3° la mention précisant si l'instance de gestion introduira ou a introduit une demande d'obtention d'une dérogation aux normes de sécurité incendie visées à l'arrêté royal du 7 juillet 1994 fixant les normes de base en matière de prévention contre l'incendie et l'explosion, auxquelles les bâtiments doivent satisfaire.
L'administration fournit un modèle pour le plan échelonné visé à l'alinéa 1er.
§ 3. Le bourgmestre transmet le plan échelonné visé au paragraphe 2 à la zone de secours et charge la zone de secours de vérifier dans quelle mesure les structures, sur la base du plan échelonné susmentionné qui a été introduit, répondent entre-temps aux normes de sécurité incendie.
Dans le cadre de la tâche visée à l'alinéa 1er :
1° la zone de secours procède à une inspection ;
2° la zone de secours évalue, le cas échéant, le plan échelonné ;
3° la zone de secours établit un rapport de prévention des incendies et transmet ce dernier au bourgmestre.
Le rapport de prévention des incendies visé à l'alinéa 2, 3°, comprend les informations suivantes :
1° une énumération détaillée des normes de sécurité incendie non respectées ;
2° la mesure dans laquelle la situation réelle déroge aux normes ;
3° une évaluation du plan échelonné, visé au paragraphe 2, qui a été introduit ;
4° le cas échéant, la mention que la sécurité des résidents, des utilisateurs, du personnel et des visiteurs est gravement compromise.
§ 4. S'il ressort du rapport de prévention des incendies, visé au paragraphe 3, que les structures répondent entre-temps aux normes de sécurité incendie, le bourgmestre délivre une attestation A.
Le bourgmestre transmet à l'instance de gestion l'attestation A, visée à l'alinéa 1er, accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant, dans un délai de soixante jours à compter de la date de réception du plan échelonné visé au paragraphe 2.
Dans les dix jours après la réception de l'attestation A, visée à l'alinéa 1er, l'instance de gestion transmet à l'administration l'attestation accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant.
§ 5. S'il ressort du rapport de prévention des incendies, visé au paragraphe 3, que les structures ne répondent pas entièrement aux normes de sécurité incendie, mais que la sécurité des résidents, des utilisateurs, du personnel et des visiteurs n'est pas gravement compromise, et si le plan échelonné introduit, visé au paragraphe 2, comprend suffisamment de garanties afin de répondre à terme aux normes de sécurité incendie, le bourgmestre délivre une attestation B dont la durée de validité est de minimum un an et de maximum trois ans à compter de la date de signature de l'attestation B renouvelée par le bourgmestre.
Le bourgmestre transmet à l'instance de gestion l'attestation B renouvelée, visée à l'alinéa 1er, accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant, dans un délai de soixante jours à compter de la date de réception du plan échelonné visé au paragraphe 2.
Dans les dix jours après la réception de l'attestation B renouvelée, visée à l'alinéa 1er, l'instance de gestion transmet à l'administration l'attestation accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant.
§ 6. S'il ressort du rapport de prévention des incendies, visé au paragraphe 3, que les structures ne répondent pas entièrement aux normes de sécurité incendie, et si le plan échelonné introduit, visé au paragraphe 2, comprend insuffisamment de garanties afin de répondre à terme aux normes de sécurité incendie, l'attestation B initialement délivrée ne peut pas être renouvelée. Dans les soixante jours suivant la réception du plan échelonné susmentionné, le bourgmestre communique les informations susmentionnées à l'instance de gestion et à l'administration, et le bourgmestre transmet le rapport de prévention des incendies précité à l'instance de gestion et à l'administration.
L'instance de gestion peut, dans un délai de trente jours à compter de la date de réception des informations et du rapport de prévention des incendies, visés à l'alinéa 1er, transmettre au bourgmestre un plan échelonné remanié pour remédier aux défauts constatés.
Un plan échelonné remanié, tel que visé à l'alinéa 2, est traité conformément aux paragraphes 3, 4 et 5.
Si l'instance de gestion ne transmet pas au bourgmestre un plan échelonné remanié, tel que visé à l'alinéa 2, dans le délai mentionné à l'alinéa 2, l'attestation B initialement délivrée ne peut pas être renouvelée.
§ 7. Si l'instance de gestion n'a pas transmis au bourgmestre un plan échelonné, tel que visé au paragraphe 2, dans le délai mentionné au paragraphe 2, l'attestation B initialement délivrée ne peut pas être renouvelée. Le bourgmestre en informe l'instance de gestion et l'administration.
Art. 10. In de volgende gevallen reikt de burgemeester een attest C uit:
1° uit het brandpreventieverslag blijkt dat de voorzieningen niet volledig aan de brandveiligheidsnormen voldoen en dat de veiligheid van bewoners, gebruikers, personeel en bezoekers in ernstige mate in het gedrang komt;
2° het attest B, dat bij de aanvang is uitgereikt, kan conform artikel 9, § 6, of § 7, niet verlengd worden.
Binnen negentig dagen na de dag waarop de burgemeester de aanvraag van een attest heeft ontvangen, bezorgt de burgemeester het attest C met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de beheersinstantie en de administratie.
1° uit het brandpreventieverslag blijkt dat de voorzieningen niet volledig aan de brandveiligheidsnormen voldoen en dat de veiligheid van bewoners, gebruikers, personeel en bezoekers in ernstige mate in het gedrang komt;
2° het attest B, dat bij de aanvang is uitgereikt, kan conform artikel 9, § 6, of § 7, niet verlengd worden.
Binnen negentig dagen na de dag waarop de burgemeester de aanvraag van een attest heeft ontvangen, bezorgt de burgemeester het attest C met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de beheersinstantie en de administratie.
Art. 10. Dans les cas suivants, le bourgmestre délivre une attestation C :
1° il ressort du rapport de prévention des incendies que les structures ne répondent pas entièrement aux normes de sécurité incendie et que la sécurité des résidents, des utilisateurs, du personnel et des visiteurs est gravement compromise ;
2° l'attestation B initialement délivrée ne peut pas être renouvelée conformément à l'article 9, § 6, ou § 7.
Dans les nonante jours suivant la date de réception par le bourgmestre de la demande d'attestation, le bourgmestre transmet à l'instance de gestion et à l'administration l'attestation C accompagnée du rapport de prévention des incendies.
1° il ressort du rapport de prévention des incendies que les structures ne répondent pas entièrement aux normes de sécurité incendie et que la sécurité des résidents, des utilisateurs, du personnel et des visiteurs est gravement compromise ;
2° l'attestation B initialement délivrée ne peut pas être renouvelée conformément à l'article 9, § 6, ou § 7.
Dans les nonante jours suivant la date de réception par le bourgmestre de la demande d'attestation, le bourgmestre transmet à l'instance de gestion et à l'administration l'attestation C accompagnée du rapport de prévention des incendies.
Art. 11. § 1. Na de uitvoering van het stappenplan, vermeld in artikel 9, § 2, of uiterlijk negentig dagen vóór de geldigheidsduur van het verlengde attest B, vermeld in artikel 9, § 5, afloopt, dient de beheersinstantie van de voorzieningen bij de burgemeester van de gemeente waar de voorzieningen liggen, een aanvraag in om een nieuw attest te verkrijgen. Ze vermeldt in de voormelde aanvraag duidelijk op welke voorzieningen de aanvraag betrekking heeft en ze geeft, als dat van toepassing is, de opnamecapaciteit van elke voorziening aan.
In voorkomend geval bezorgt de beheersinstantie aan de burgemeester ook een geactualiseerd stappenplan dat een stand van zaken bevat van de uitvoering van het initieel ingediende stappenplan.
De burgemeester geeft aan de hulpverleningszone de opdracht om na te gaan in welke mate de voorzieningen ondertussen aan de brandveiligheidsnormen voldoen.
In het kader van de opdracht, vermeld in het derde lid:
1° voert de hulpverleningszone een onderzoek uit;
2° evalueert de hulpverleningszone, in voorkomend geval, de uitvoering van het geactualiseerde stappenplan, vermeld in het tweede lid;
3° maakt de hulpverleningszone een brandpreventieverslag op en bezorgt dat aan de burgemeester.
Het brandpreventieverslag, vermeld in het vierde lid, 3°, bevat, in voorkomend geval, de volgende informatie:
1° een duidelijke opsomming van de niet-nageleefde brandveiligheidsnormen;
2° in welke mate de feitelijke toestand van de normen afwijkt;
3° een evaluatie van het geactualiseerde stappenplan, vermeld in het tweede lid;
4° de vermelding dat de veiligheid van bewoners, gebruikers, personeel en bezoekers ernstig in het gedrang komt.
§ 2. Als uit het brandpreventieverslag, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, 3°, blijkt dat de voorzieningen ondertussen aan de brandveiligheidsnormen voldoen, reikt de burgemeester een attest A uit.
De burgemeester bezorgt het attest A, vermeld in het eerste lid, met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de beheersinstantie vóór de geldigheidsduur van het verlengde attest B afloopt.
Binnen tien dagen nadat de beheersinstantie het attest A, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, bezorgt ze dat attest met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de administratie.
§ 3. Als uit het brandpreventieverslag, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, 3°, blijkt dat de voorzieningen nog niet volledig aan de brandveiligheidsnormen voldoen, maar dat de veiligheid van bewoners, gebruikers, personeel en bezoekers niet ernstig in het gedrang komt, en als het geactualiseerde stappenplan, vermeld in paragraaf 1, voldoende garanties bevat om op termijn aan de brandveiligheidsnormen te voldoen, reikt de burgemeester nogmaals een verlengd attest B uit waarvan de geldigheidsduur minstens een jaar en maximaal drie jaar bedraagt vanaf de datum van de ondertekening van het verlengde attest B door de burgemeester.
De burgemeester bezorgt het verlengde attest B, vermeld in het eerste lid, met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de beheersinstantie vóór de geldigheidsduur van het verlengde attest B afloopt.
Binnen tien dagen nadat de beheersinstantie het verlengde attest B, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen bezorgt ze dat attest met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de administratie.
§ 4. Als uit het brandpreventieverslag, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, 3°, blijkt dat de voorzieningen niet volledig aan de brandveiligheidsnormen voldoen, en als het geactualiseerde stappenplan, vermeld in paragraaf 1, onvoldoende garanties bevat om op termijn aan de brandveiligheidsnormen te voldoen, kan het verlengde attest B niet nogmaals verlengd worden. Binnen zestig dagen na de dag waarop hij de aanvraag van een attest heeft ontvangen, deelt de burgemeester de voormelde informatie mee aan de beheersinstantie en aan de administratie, en bezorgt de burgemeester het voormelde brandpreventieverslag aan de beheersinstantie en de administratie.
De beheersinstantie kan binnen dertig dagen na de dag waarop ze de mededeling en het brandpreventieverslag, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, eenmalig een herwerkt stappenplan tot remediëring van de vastgestelde tekorten aan de burgemeester bezorgen.
Een herwerkt stappenplan als vermeld in het tweede lid, wordt behandeld conform paragraaf 2 en 3.
Als de beheersinstantie binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, geen herwerkt stappenplan als vermeld in het tweede lid, aan de burgemeester bezorgt, kan het verlengde attest B niet opnieuw verlengd worden.
§ 5. Als uit het brandpreventieverslag, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, 3°, blijkt dat de voorzieningen niet volledig aan de brandveiligheidsnormen voldoen, als het geactualiseerde stappenplan, vermeld in paragraaf 1, onvoldoende garanties bevat om op termijn aan de brandveiligheidsnormen te voldoen, en als het verlengde attest B conform paragraaf 4 niet opnieuw verlengd kan worden, reikt de burgemeester een attest C uit.
Binnen negentig dagen na de dag waarop de burgemeester de aanvraag van een attest heeft ontvangen, bezorgt de burgemeester het attest C samen met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de beheersinstantie en de administratie.
In voorkomend geval bezorgt de beheersinstantie aan de burgemeester ook een geactualiseerd stappenplan dat een stand van zaken bevat van de uitvoering van het initieel ingediende stappenplan.
De burgemeester geeft aan de hulpverleningszone de opdracht om na te gaan in welke mate de voorzieningen ondertussen aan de brandveiligheidsnormen voldoen.
In het kader van de opdracht, vermeld in het derde lid:
1° voert de hulpverleningszone een onderzoek uit;
2° evalueert de hulpverleningszone, in voorkomend geval, de uitvoering van het geactualiseerde stappenplan, vermeld in het tweede lid;
3° maakt de hulpverleningszone een brandpreventieverslag op en bezorgt dat aan de burgemeester.
Het brandpreventieverslag, vermeld in het vierde lid, 3°, bevat, in voorkomend geval, de volgende informatie:
1° een duidelijke opsomming van de niet-nageleefde brandveiligheidsnormen;
2° in welke mate de feitelijke toestand van de normen afwijkt;
3° een evaluatie van het geactualiseerde stappenplan, vermeld in het tweede lid;
4° de vermelding dat de veiligheid van bewoners, gebruikers, personeel en bezoekers ernstig in het gedrang komt.
§ 2. Als uit het brandpreventieverslag, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, 3°, blijkt dat de voorzieningen ondertussen aan de brandveiligheidsnormen voldoen, reikt de burgemeester een attest A uit.
De burgemeester bezorgt het attest A, vermeld in het eerste lid, met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de beheersinstantie vóór de geldigheidsduur van het verlengde attest B afloopt.
Binnen tien dagen nadat de beheersinstantie het attest A, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, bezorgt ze dat attest met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de administratie.
§ 3. Als uit het brandpreventieverslag, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, 3°, blijkt dat de voorzieningen nog niet volledig aan de brandveiligheidsnormen voldoen, maar dat de veiligheid van bewoners, gebruikers, personeel en bezoekers niet ernstig in het gedrang komt, en als het geactualiseerde stappenplan, vermeld in paragraaf 1, voldoende garanties bevat om op termijn aan de brandveiligheidsnormen te voldoen, reikt de burgemeester nogmaals een verlengd attest B uit waarvan de geldigheidsduur minstens een jaar en maximaal drie jaar bedraagt vanaf de datum van de ondertekening van het verlengde attest B door de burgemeester.
De burgemeester bezorgt het verlengde attest B, vermeld in het eerste lid, met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de beheersinstantie vóór de geldigheidsduur van het verlengde attest B afloopt.
Binnen tien dagen nadat de beheersinstantie het verlengde attest B, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen bezorgt ze dat attest met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de administratie.
§ 4. Als uit het brandpreventieverslag, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, 3°, blijkt dat de voorzieningen niet volledig aan de brandveiligheidsnormen voldoen, en als het geactualiseerde stappenplan, vermeld in paragraaf 1, onvoldoende garanties bevat om op termijn aan de brandveiligheidsnormen te voldoen, kan het verlengde attest B niet nogmaals verlengd worden. Binnen zestig dagen na de dag waarop hij de aanvraag van een attest heeft ontvangen, deelt de burgemeester de voormelde informatie mee aan de beheersinstantie en aan de administratie, en bezorgt de burgemeester het voormelde brandpreventieverslag aan de beheersinstantie en de administratie.
De beheersinstantie kan binnen dertig dagen na de dag waarop ze de mededeling en het brandpreventieverslag, vermeld in het eerste lid, heeft ontvangen, eenmalig een herwerkt stappenplan tot remediëring van de vastgestelde tekorten aan de burgemeester bezorgen.
Een herwerkt stappenplan als vermeld in het tweede lid, wordt behandeld conform paragraaf 2 en 3.
Als de beheersinstantie binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, geen herwerkt stappenplan als vermeld in het tweede lid, aan de burgemeester bezorgt, kan het verlengde attest B niet opnieuw verlengd worden.
§ 5. Als uit het brandpreventieverslag, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, 3°, blijkt dat de voorzieningen niet volledig aan de brandveiligheidsnormen voldoen, als het geactualiseerde stappenplan, vermeld in paragraaf 1, onvoldoende garanties bevat om op termijn aan de brandveiligheidsnormen te voldoen, en als het verlengde attest B conform paragraaf 4 niet opnieuw verlengd kan worden, reikt de burgemeester een attest C uit.
Binnen negentig dagen na de dag waarop de burgemeester de aanvraag van een attest heeft ontvangen, bezorgt de burgemeester het attest C samen met het bijbehorende brandpreventieverslag aan de beheersinstantie en de administratie.
Art. 11. § 1er. Après la mise en oeuvre du plan échelonné, visé à l'article 9, § 2, ou au plus tard nonante jours avant l'échéance de la durée de validité de l'attestation B renouvelée, visée à l'article 9, § 5, l'instance de gestion des structures introduit auprès du bourgmestre de la commune où les structures se situent une demande de nouvelle attestation. Elle mentionne clairement dans la demande précitée à quelles structures cette dernière a trait et mentionne, s'il y a lieu, la capacité d'admission de chaque structure.
Le cas échéant, l'instance de gestion transmet également au bourgmestre un plan échelonné actualisé qui comprend un état des lieux de la mise en oeuvre du plan échelonné initialement introduit.
Le bourgmestre charge la zone de secours de vérifier en quelle mesure les structures répondent entre-temps aux normes de sécurité incendie.
Dans le cadre de la tâche visée à l'alinéa 3 :
1° la zone de secours procède à une inspection ;
2° la zone de secours évalue, le cas échéant, la mise en oeuvre du plan échelonné actualisé, visé à l'alinéa 2 ;
3° la zone de secours établit un rapport de prévention des incendies et transmet ce dernier au bourgmestre.
Le rapport de prévention des incendies visé à l'alinéa 4, 3°, comprend, le cas échéant, les informations suivantes :
1° une énumération détaillée des normes de sécurité incendie non respectées ;
2° la mesure dans laquelle la situation réelle déroge aux normes ;
3° une évaluation du plan échelonné actualisé, visé à l'alinéa 2 ;
4° la mention que la sécurité des résidents, des utilisateurs, du personnel et des visiteurs est gravement compromise.
§ 2. S'il ressort du rapport de prévention des incendies, visé au paragraphe 1er, alinéa 4, 3°, que les structures répondent entre-temps aux normes de sécurité incendie, le bourgmestre délivre une attestation A.
Le bourgmestre transmet l'attestation A, visée à l'alinéa 1er, accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant à l'instance de gestion avant l'échéance de la durée de validité de l'attestation B renouvelée.
Dans les dix jours après la réception de l'attestation A, visée à l'alinéa 1er, l'instance de gestion transmet à l'administration l'attestation accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant.
§ 3. S'il ressort du rapport de prévention des incendies, visé au paragraphe 1er, alinéa 4, 3°, que les structures ne répondent pas encore entièrement aux normes de sécurité incendie, mais que la sécurité des résidents, des utilisateurs, du personnel et des visiteurs n'est pas gravement compromise, et si le plan échelonné actualisé, visé au paragraphe 1er, comprend suffisamment de garanties afin de répondre à terme aux normes de sécurité incendie, le bourgmestre délivre à nouveau une attestation B renouvelée dont la durée de validité est de minimum un an et de maximum trois ans à compter de la date de signature de l'attestation B renouvelée par le bourgmestre.
Le bourgmestre transmet l'attestation B, visée à l'alinéa 1er, accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant à l'instance de gestion avant l'échéance de la durée de validité de l'attestation B renouvelée.
Dans les dix jours après la réception de l'attestation B renouvelée, visée à l'alinéa 1er, l'instance de gestion transmet à l'administration l'attestation accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant.
§ 4. S'il ressort du rapport de prévention des incendies, visé au paragraphe 1er, alinéa 4, 3°, que les structures ne répondent pas entièrement aux normes de sécurité incendie, et si le plan échelonné actualisé, visé au paragraphe 1er, comprend insuffisamment de garanties afin de répondre à terme aux normes de sécurité incendie, l'attestation B renouvelée ne peut pas être renouvelée à nouveau. Dans les soixante jours suivant la réception d'une demande d'attestation, le bourgmestre communique les informations susmentionnées à l'instance de gestion et à l'administration, et le bourgmestre transmet le rapport de prévention des incendies précité à l'instance de gestion et à l'administration.
L'instance de gestion peut, dans un délai de trente jours à compter de la date de réception des informations et du rapport de prévention des incendies, visés à l'alinéa 1er, transmettre au bourgmestre un plan échelonné remanié pour remédier aux défauts constatés.
Un plan échelonné remanié, tel que visé à l'alinéa 2, est traité conformément aux paragraphes 2 et 3.
Si l'instance de gestion ne transmet pas au bourgmestre un plan échelonné remanié, tel que visé à l'alinéa 2, dans le délai mentionné à l'alinéa 2, l'attestation B renouvelée ne peut pas être renouvelée à nouveau.
§ 5. S'il ressort du rapport de prévention des incendies, visé au paragraphe 1er, alinéa 4, 3°, que les structures ne répondent pas entièrement aux normes de sécurité incendie, si le plan échelonné actualisé, visé au paragraphe 1er, comprend insuffisamment de garanties afin de répondre à terme aux normes de sécurité incendie, et si l'attestation B renouvelée ne peut pas être renouvelée à nouveau conformément au paragraphe 4, le bourgmestre délivre une attestation C.
Dans les nonante jours suivant la date de réception par le bourgmestre de la demande d'attestation, le bourgmestre transmet à l'instance de gestion et à l'administration l'attestation C accompagnée du rapport de prévention des incendies.
Le cas échéant, l'instance de gestion transmet également au bourgmestre un plan échelonné actualisé qui comprend un état des lieux de la mise en oeuvre du plan échelonné initialement introduit.
Le bourgmestre charge la zone de secours de vérifier en quelle mesure les structures répondent entre-temps aux normes de sécurité incendie.
Dans le cadre de la tâche visée à l'alinéa 3 :
1° la zone de secours procède à une inspection ;
2° la zone de secours évalue, le cas échéant, la mise en oeuvre du plan échelonné actualisé, visé à l'alinéa 2 ;
3° la zone de secours établit un rapport de prévention des incendies et transmet ce dernier au bourgmestre.
Le rapport de prévention des incendies visé à l'alinéa 4, 3°, comprend, le cas échéant, les informations suivantes :
1° une énumération détaillée des normes de sécurité incendie non respectées ;
2° la mesure dans laquelle la situation réelle déroge aux normes ;
3° une évaluation du plan échelonné actualisé, visé à l'alinéa 2 ;
4° la mention que la sécurité des résidents, des utilisateurs, du personnel et des visiteurs est gravement compromise.
§ 2. S'il ressort du rapport de prévention des incendies, visé au paragraphe 1er, alinéa 4, 3°, que les structures répondent entre-temps aux normes de sécurité incendie, le bourgmestre délivre une attestation A.
Le bourgmestre transmet l'attestation A, visée à l'alinéa 1er, accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant à l'instance de gestion avant l'échéance de la durée de validité de l'attestation B renouvelée.
Dans les dix jours après la réception de l'attestation A, visée à l'alinéa 1er, l'instance de gestion transmet à l'administration l'attestation accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant.
§ 3. S'il ressort du rapport de prévention des incendies, visé au paragraphe 1er, alinéa 4, 3°, que les structures ne répondent pas encore entièrement aux normes de sécurité incendie, mais que la sécurité des résidents, des utilisateurs, du personnel et des visiteurs n'est pas gravement compromise, et si le plan échelonné actualisé, visé au paragraphe 1er, comprend suffisamment de garanties afin de répondre à terme aux normes de sécurité incendie, le bourgmestre délivre à nouveau une attestation B renouvelée dont la durée de validité est de minimum un an et de maximum trois ans à compter de la date de signature de l'attestation B renouvelée par le bourgmestre.
Le bourgmestre transmet l'attestation B, visée à l'alinéa 1er, accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant à l'instance de gestion avant l'échéance de la durée de validité de l'attestation B renouvelée.
Dans les dix jours après la réception de l'attestation B renouvelée, visée à l'alinéa 1er, l'instance de gestion transmet à l'administration l'attestation accompagnée du rapport de prévention des incendies correspondant.
§ 4. S'il ressort du rapport de prévention des incendies, visé au paragraphe 1er, alinéa 4, 3°, que les structures ne répondent pas entièrement aux normes de sécurité incendie, et si le plan échelonné actualisé, visé au paragraphe 1er, comprend insuffisamment de garanties afin de répondre à terme aux normes de sécurité incendie, l'attestation B renouvelée ne peut pas être renouvelée à nouveau. Dans les soixante jours suivant la réception d'une demande d'attestation, le bourgmestre communique les informations susmentionnées à l'instance de gestion et à l'administration, et le bourgmestre transmet le rapport de prévention des incendies précité à l'instance de gestion et à l'administration.
L'instance de gestion peut, dans un délai de trente jours à compter de la date de réception des informations et du rapport de prévention des incendies, visés à l'alinéa 1er, transmettre au bourgmestre un plan échelonné remanié pour remédier aux défauts constatés.
Un plan échelonné remanié, tel que visé à l'alinéa 2, est traité conformément aux paragraphes 2 et 3.
Si l'instance de gestion ne transmet pas au bourgmestre un plan échelonné remanié, tel que visé à l'alinéa 2, dans le délai mentionné à l'alinéa 2, l'attestation B renouvelée ne peut pas être renouvelée à nouveau.
§ 5. S'il ressort du rapport de prévention des incendies, visé au paragraphe 1er, alinéa 4, 3°, que les structures ne répondent pas entièrement aux normes de sécurité incendie, si le plan échelonné actualisé, visé au paragraphe 1er, comprend insuffisamment de garanties afin de répondre à terme aux normes de sécurité incendie, et si l'attestation B renouvelée ne peut pas être renouvelée à nouveau conformément au paragraphe 4, le bourgmestre délivre une attestation C.
Dans les nonante jours suivant la date de réception par le bourgmestre de la demande d'attestation, le bourgmestre transmet à l'instance de gestion et à l'administration l'attestation C accompagnée du rapport de prévention des incendies.
HOOFDSTUK 5. - Procedure om afwijkingen van de brandveiligheidsnormen aan te vragen en te verkrijgen
CHAPITRE 5. - Procédure de demande et d'obtention de dérogations aux normes de sécurité incendie
Art. 12. In dit artikel wordt verstaan onder:
1° leidend ambtenaar: de leidend ambtenaar van het VIPA;
2° technische commissie voor de brandveiligheid: de technische commissie voor de brandveiligheid in de voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot oprichting van een technische commissie voor de brandveiligheid in de voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
3° VIPA: het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, vermeld in artikel 3 van het decreet van 2 juni 2006 tot omvorming van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden tot een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid, en tot wijziging van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden.
Op gemotiveerde aanvraag van de beheersinstantie kan de leidend ambtenaar een afwijking toestaan van de specifieke brandveiligheidsnormen, vermeld in artikel 3, eerste, derde en vierde lid, waaraan volgens het brandpreventieverslag niet voldaan is.
De aanvraag van een afwijking, vermeld in het tweede lid, wordt ingediend bij het secretariaat van de technische commissie voor de brandveiligheid, bij voorkeur op elektronische wijze. De voormelde aanvraag vermeldt duidelijk op welke normen ze betrekking heeft en bevat al de volgende elementen:
1° een ingevuld aanvraagformulier. Het VIPA stelt het model van het aanvraagformulier ter beschikking op zijn website;
2° een motivatie voor de aanvraag van afwijking en een voorstel met de alternatieve maatregelen die een gelijkwaardig veiligheidsniveau kunnen garanderen;
3° een beschrijving van het gebouw, aangevuld met overzichtsplannen;
4° als de aanvraag betrekking heeft op een bestaande constructie: een brandpreventieverslag van de hulpverleningszone, in voorkomend geval aangevuld met het attest van de burgemeester, het stappenplan van de beheersinstantie en het advies van de hulpverleningszone over dat stappenplan;
5° als de aanvraag betrekking heeft op een op te richten gebouw: een advies van de hulpverleningszone.
Binnen vijftien dagen na de dag waarop het secretariaat van de technische commissie voor de brandveiligheid de aanvraag tot afwijking heeft ontvangen, bezorgt dat secretariaat een bewijs van ontvangst aan de aanvrager, met de vermelding of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is, en, in voorkomend geval, met de vermelding van de datum van ontvankelijkheid. De voorzitter van de technische commissie voor de brandveiligheid beslist over de ontvankelijkheid. Een aanvraag tot afwijking is ontvankelijk als ze voldoet aan de vereisten, vermeld in het derde lid. De datum van ontvankelijkheid is de datum waarop het secretariaat van de technische commissie voor de brandveiligheid de ontvankelijke aanvraag heeft ontvangen.
Het secretariaat van de technische commissie voor de brandveiligheid bezorgt de beslissing van de leidend ambtenaar, samen met het advies van de technische commissie voor de brandveiligheid, aan de beheersinstantie van de voorziening, de betrokken hulpverleningszone en aan de administratie uiterlijk zes maanden na de datum van ontvankelijkheid van de aanvraag tot afwijking.
1° leidend ambtenaar: de leidend ambtenaar van het VIPA;
2° technische commissie voor de brandveiligheid: de technische commissie voor de brandveiligheid in de voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot oprichting van een technische commissie voor de brandveiligheid in de voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
3° VIPA: het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, vermeld in artikel 3 van het decreet van 2 juni 2006 tot omvorming van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden tot een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid, en tot wijziging van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden.
Op gemotiveerde aanvraag van de beheersinstantie kan de leidend ambtenaar een afwijking toestaan van de specifieke brandveiligheidsnormen, vermeld in artikel 3, eerste, derde en vierde lid, waaraan volgens het brandpreventieverslag niet voldaan is.
De aanvraag van een afwijking, vermeld in het tweede lid, wordt ingediend bij het secretariaat van de technische commissie voor de brandveiligheid, bij voorkeur op elektronische wijze. De voormelde aanvraag vermeldt duidelijk op welke normen ze betrekking heeft en bevat al de volgende elementen:
1° een ingevuld aanvraagformulier. Het VIPA stelt het model van het aanvraagformulier ter beschikking op zijn website;
2° een motivatie voor de aanvraag van afwijking en een voorstel met de alternatieve maatregelen die een gelijkwaardig veiligheidsniveau kunnen garanderen;
3° een beschrijving van het gebouw, aangevuld met overzichtsplannen;
4° als de aanvraag betrekking heeft op een bestaande constructie: een brandpreventieverslag van de hulpverleningszone, in voorkomend geval aangevuld met het attest van de burgemeester, het stappenplan van de beheersinstantie en het advies van de hulpverleningszone over dat stappenplan;
5° als de aanvraag betrekking heeft op een op te richten gebouw: een advies van de hulpverleningszone.
Binnen vijftien dagen na de dag waarop het secretariaat van de technische commissie voor de brandveiligheid de aanvraag tot afwijking heeft ontvangen, bezorgt dat secretariaat een bewijs van ontvangst aan de aanvrager, met de vermelding of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is, en, in voorkomend geval, met de vermelding van de datum van ontvankelijkheid. De voorzitter van de technische commissie voor de brandveiligheid beslist over de ontvankelijkheid. Een aanvraag tot afwijking is ontvankelijk als ze voldoet aan de vereisten, vermeld in het derde lid. De datum van ontvankelijkheid is de datum waarop het secretariaat van de technische commissie voor de brandveiligheid de ontvankelijke aanvraag heeft ontvangen.
Het secretariaat van de technische commissie voor de brandveiligheid bezorgt de beslissing van de leidend ambtenaar, samen met het advies van de technische commissie voor de brandveiligheid, aan de beheersinstantie van de voorziening, de betrokken hulpverleningszone en aan de administratie uiterlijk zes maanden na de datum van ontvankelijkheid van de aanvraag tot afwijking.
Art. 12. Dans le présent article, on entend par :
1° fonctionnaire dirigeant : le fonctionnaire dirigeant du Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisables (VIPA) ;
2° commission technique pour la sécurité incendie : la commission technique pour la sécurité incendie dans les structures du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille, telle que visée à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant création d'une commission technique pour la sécurité incendie dans les structures du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille ;
3° VIPA : le Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisables visé à l'article 3 du décret du 2 juin 2006 portant transformation du Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisables en agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique, et modifiant le décret du 23 février 1994 relatif à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables.
Moyennant une demande motivée de l'instance de gestion, le fonctionnaire dirigeant peut accorder une dérogation pour certaines normes spécifiques en matière de protection contre l'incendie, visées à l'article 3, alinéas 1er, 3 et 4, auxquelles il n'a pas été satisfait selon le rapport de prévention des incendies.
La demande de dérogation, visée à l'alinéa 2, est introduite auprès du secrétariat de la commission technique pour la sécurité incendie, par voie électronique de préférence. La demande susmentionnée indique clairement les normes auxquelles elle se réfère et comprend au moins les éléments suivants :
1° un formulaire de demande complété. Le VIPA donne accès au modèle de formulaire de demande sur son site web ;
2° une motivation pour la demande de dérogation et une proposition comprenant les mesures alternatives susceptibles d'assurer un niveau de sécurité équivalent ;
3° une description du bâtiment, complétée de plans d'ensemble ;
4° si la demande concerne une construction existante : un rapport de prévention des incendies de la zone de secours, le cas échéant complété de l'attestation du bourgmestre, du plan échelonné de l'instance de gestion et l'avis de la zone de secours sur ce plan échelonné ;
5° si la demande concerne un bâtiment à ériger : un avis de la zone de secours.
Dans les quinze jours suivant la réception de la demande de dérogation, le secrétariat de la commission technique pour la sécurité incendie remet un accusé de réception au demandeur, indiquant si la demande est recevable ou non, et le cas échéant indiquant la date de recevabilité. Le président de la commission technique pour la sécurité incendie décide de la recevabilité. Une demande de dérogation est recevable si elle répond aux exigences visées à l'alinéa 1er. La date de recevabilité est la date à laquelle le secrétariat de la commission technique pour la sécurité incendie a reçu la demande recevable.
Le secrétariat de la commission technique pour la sécurité incendie remet la décision du fonctionnaire dirigeant, accompagnée de l'avis de la commission technique pour la sécurité incendie, à l'instance de gestion de la structure, à la zone de secours et à l'administration, au plus tard six mois après la date de recevabilité de la demande de dérogation.
1° fonctionnaire dirigeant : le fonctionnaire dirigeant du Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisables (VIPA) ;
2° commission technique pour la sécurité incendie : la commission technique pour la sécurité incendie dans les structures du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille, telle que visée à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant création d'une commission technique pour la sécurité incendie dans les structures du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille ;
3° VIPA : le Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisables visé à l'article 3 du décret du 2 juin 2006 portant transformation du Fonds flamand de l'Infrastructure affectée aux Matières personnalisables en agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique, et modifiant le décret du 23 février 1994 relatif à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables.
Moyennant une demande motivée de l'instance de gestion, le fonctionnaire dirigeant peut accorder une dérogation pour certaines normes spécifiques en matière de protection contre l'incendie, visées à l'article 3, alinéas 1er, 3 et 4, auxquelles il n'a pas été satisfait selon le rapport de prévention des incendies.
La demande de dérogation, visée à l'alinéa 2, est introduite auprès du secrétariat de la commission technique pour la sécurité incendie, par voie électronique de préférence. La demande susmentionnée indique clairement les normes auxquelles elle se réfère et comprend au moins les éléments suivants :
1° un formulaire de demande complété. Le VIPA donne accès au modèle de formulaire de demande sur son site web ;
2° une motivation pour la demande de dérogation et une proposition comprenant les mesures alternatives susceptibles d'assurer un niveau de sécurité équivalent ;
3° une description du bâtiment, complétée de plans d'ensemble ;
4° si la demande concerne une construction existante : un rapport de prévention des incendies de la zone de secours, le cas échéant complété de l'attestation du bourgmestre, du plan échelonné de l'instance de gestion et l'avis de la zone de secours sur ce plan échelonné ;
5° si la demande concerne un bâtiment à ériger : un avis de la zone de secours.
Dans les quinze jours suivant la réception de la demande de dérogation, le secrétariat de la commission technique pour la sécurité incendie remet un accusé de réception au demandeur, indiquant si la demande est recevable ou non, et le cas échéant indiquant la date de recevabilité. Le président de la commission technique pour la sécurité incendie décide de la recevabilité. Une demande de dérogation est recevable si elle répond aux exigences visées à l'alinéa 1er. La date de recevabilité est la date à laquelle le secrétariat de la commission technique pour la sécurité incendie a reçu la demande recevable.
Le secrétariat de la commission technique pour la sécurité incendie remet la décision du fonctionnaire dirigeant, accompagnée de l'avis de la commission technique pour la sécurité incendie, à l'instance de gestion de la structure, à la zone de secours et à l'administration, au plus tard six mois après la date de recevabilité de la demande de dérogation.
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingsbepaling
CHAPITRE 6. - Disposition modificative
Art. 13. In artikel 19, 5°, c), 1), van bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers wordt de zinsnede "het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2011 tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan lokale dienstencentra, centra voor dagverzorging, centra voor dagopvang, centra voor kortverblijf, centra voor herstelverblijf, groepen van assistentiewoningen en woonzorgcentra moeten voldoen en tot bepaling van de procedure voor de uitreiking van het attest van naleving van die normen" vervangen door de zinsnede "het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2024 tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan lokale dienstencentra, centra voor dagverzorging, centra voor dagopvang, centra voor kortverblijf, centra voor herstelverblijf, groepen van assistentiewoningen en woonzorgcentra moeten voldoen en tot bepaling van de procedure voor de uitreiking van het attest van naleving van die normen".
Art. 13. Dans l'article 19, 5°, c), 1), de l'annexe 1re de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 juin 2019 relatif à la programmation, aux conditions d'agrément et au régime de subventionnement de structures de soins résidentiels et d'associations d'intervenants de proximité et d'usagers, le membre de phrase " l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 décembre 2011 fixant les normes spécifiques en matière de protection contre l'incendie auxquelles les centres de services locaux, les centres de soins de jour, les centres d'accueil de jour, les centres de court séjour, les centres de convalescence, les groupes de logements à assistance et les centres de soins résidentiels doivent répondre et fixant la procédure de la délivrance de l'attestation du respect de ces normes " est remplacé par le membre de phrase " l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 2024 fixant les normes spécifiques en matière de protection contre l'incendie auxquelles les centres de services locaux, les centres de soins de jour, les centres d'accueil de jour, les centres de court séjour, les centres de convalescence, les groupes de logements à assistance et les centres de soins résidentiels doivent répondre et fixant la procédure de la délivrance de l'attestation du respect de ces normes ".
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen
CHAPITRE 7. - Dispositions finales
Art. 14. Het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2011 tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan lokale dienstencentra, centra voor dagverzorging, centra voor dagopvang, centra voor kortverblijf, centra voor herstelverblijf, groepen van assistentiewoningen en woonzorgcentra moeten voldoen en tot bepaling van de procedure voor de uitreiking van het attest van naleving van die normen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023, wordt opgeheven.
Art. 14. L'arrêté du Gouvernement flamand du 9 décembre 2011 fixant les normes spécifiques en matière de protection contre l'incendie auxquelles les centres de services locaux, les centres de soins de jour, les centres d'accueil de jour, les centres de court séjour, les centres de convalescence, les groupes de logements à assistance et les centres de soins résidentiels doivent répondre et fixant la procédure de la délivrance de l'attestation du respect de ces normes, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023, est abrogé.
Art. 15. Alle aanvragen tot het bekomen van een attest bij de burgemeester van de gemeente waar de voorzieningen liggen die zijn ingediend vóór 1 juli 2024 en waarvoor op deze datum nog geen attest werd uitgereikt door de burgemeester worden verder behandeld overeenkomstig voornoemd besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2011.
Art. 15. Toutes les demandes d'obtention d'une attestation auprès du bourgmestre de la commune où se situent les structures qui ont été introduites avant le 1er juillet 2024 et pour lesquelles aucune attestation n'a encore été délivrée par le bourgmestre à cette date continueront d'être traitées conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 décembre 2011 précité.
Art. 16. De aanvragen tot afwijking van de brandveiligheidsnormen die vóór 1 juli 2024 ingediend zijn, worden afgehandeld overeenkomstig artikel 11 van voornoemd besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2011.
Art. 16. Les demandes de dérogation aux normes de sécurité incendie qui ont été introduites avant le 1er juillet 2024 sont traitées conformément à l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 décembre 2011 précité.
Art. 17. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2024.
Art. 17. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er juillet 2024.
Art. 18. De Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, is belast met de uitvoering van dit besluit
Art. 18. Le ministre flamand qui a les Soins de santé et les Soins résidentiels dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 08-07-2024, p. 81331)
Art. N. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 08-07-2024, p. 81375)