Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
12 MEI 2024. - Wet houdende het sociaal statuut van de magistraat I
Titre
12 MAI 2024. - Loi portant statut social du magistrat I
Informations sur le document
Numac: 2024004857
Datum: 2024-05-12
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2024004857
Date: 2024-05-12
Moniteur: Voir
Tekst (83)
Texte (83)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
CHAPITRE 2. - Modifications du Code judiciaire
Art. 2. In artikel 259octies van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998, vervangen bij de wet van 6 juli 2017 en gewijzigd bij de wetten van 15 april 2018 en 26 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 6, eerste lid, 4°, eerste zin, worden de woorden "een forfaitaire premie van 138 euro" vervangen door de woorden "een forfaitaire toelage van 235,50 euro";
  2° in paragraaf 6, eerste lid, 4°, derde zin, wordt het woord "premies" vervangen door het woord "toelagen" en worden de woorden "1242 euro" vervangen door de woorden "4.239 euro";
  3° paragraaf 6, eerste lid, 4°, wordt aangevuld met de volgende zin:
  "De toelage kan niet gecumuleerd worden met de toelage voor onregelmatige prestaties zoals bedoeld in artikel 47 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.";
  4° in paragraaf 6, derde lid, worden de woorden "de wachtpremie" vervangen door de woorden "de wachttoelage";
  5° in paragraaf 8, eerste lid, 4°, eerste zin, worden de woorden "een forfaitaire premie van 138 euro" vervangen door de woorden "een forfaitaire toelage van 235,50 euro";
  6° paragraaf 8, eerste lid, 4°, wordt aangevuld met de volgende zin:
  "De toelage kan niet gecumuleerd worden met de toelage voor onregelmatige prestaties zoals bedoeld in artikel 47 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.";
  7° in paragraaf 8, tweede lid, eerste zin, worden de woorden "de wachtpremie" vervangen door de woorden "de wachttoelage".
Art. 2. A l'article 259octies du Code judiciaire, inséré par la loi du 22 décembre 1998, remplacé par la loi du 6 juillet 2017 et modifié par les lois des 15 avril 2018 et 26 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans le paragraphe 6, alinéa 1er, 4°, première phrase, les mots "une prime forfaitaire de 138 euros" sont remplacés par les mots "une allocation forfaitaire de 235,50 euros";
  2° dans le paragraphe 6, alinéa 1er, 4°, troisième phrase, le mot "primes" est remplacé par le mot "allocations" et les mots "1242 euros" sont remplacés par les mots "4.239 euros";
  3° le paragraphe 6, alinéa 1er, 4°, est complété par la phrase suivante:
  "L'allocation ne peut pas être cumulée avec l'allocation pour prestations irrégulières visée à l'article 47 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale.";
  4° dans le paragraphe 6, alinéa 3, les mots "la prime de garde" sont remplacés par les mots "l'allocation pour service de garde";
  5° dans le paragraphe 8, alinéa 1er, 4°, première phrase, les mots "une prime forfaitaire de 138 euros" sont remplacés par les mots "une allocation forfaitaire de 235,50 euros";
  6° le paragraphe 8, alinéa 1er, 4°, est complété par la phrase suivante:
  "L'allocation ne peut pas être cumulée avec l'allocation pour prestations irrégulières visée à l'article 47 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale.";
  7° dans le paragraphe 8, alinéa 2, première phrase, les mots "la prime de garde" sont remplacés par les mots "l'allocation pour service de garde".
Art. 3. In hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van deel II, boek II, titel II, hoofdstuk IV, vervangen als volgt:
  "Afwezigheden en verloven van magistraten".
Art. 3. Dans le même Code, l'intitulé de la partie II, livre II, titre II, chapitre IV, est remplacé par ce qui suit:
  "Des absences et des congés des magistrats".
Art. 4. In deel II, boek II, titel II, hoofdstuk IV, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 3, wordt een afdeling I ingevoegd, luidende "Algemene bepalingen".
Art. 4. Dans la partie II, livre II, titre II, chapitre IV, du même Code, modifié par l'article 3, il est inséré une section Ire intitulée "Dispositions générales".
Art. 5. In afdeling I, ingevoegd bij artikel 4, wordt artikel 331, vervangen bij de wet van 25 april 2007 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 december 2021, vervangen als volgt:
  "Art. 331. Dit hoofdstuk is van toepassing op de beroepsmagistraten, de magistraten in opleiding en de assessoren in de strafuitvoeringsrechtbanken. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden zij allen begrepen onder de termen "magistraat" en "magistrate".
  Behoudens artikel 331/2, tweede lid, is dit hoofdstuk niet van toepassing op plaatsvervangende magistraten."
Art. 5. Dans la section Ire, insérée par l'article 4, l'article 331, remplacé par la loi du 25 avril 2007 et modifié en dernier lieu par la loi du 23 décembre 2021, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 331. Le présent chapitre s'applique aux magistrats professionnels, aux magistrats en formation ainsi qu'aux assesseurs dans les tribunaux de l'application des peines. Aux fins du présent chapitre, les termes "magistrat" et "magistrate" les recouvrent tous.
  A l'exception de l'article 331/2, alinéa 2, le présent chapitre ne s'applique pas aux magistrats suppléants."
Art. 6. In dezelfde afdeling I wordt een artikel 331/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/1. § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden gelijkgesteld met de korpschef:
  1° op voorwaarde dat zij door de korpschef daartoe worden aangewezen: de afdelingsvoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank en in de ondernemingsrechtbank, de afdelingsprocureur, de afdelingsauditeur of elke andere magistraat;
  2° de eerste voorzitter van het hof van beroep ten aanzien van de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg en van de ondernemingsrechtbanken en ten aanzien van de voorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank;
  3° de eerste voorzitter van het arbeidshof ten aanzien van de voorzitters van de arbeidsrechtbanken;
  4° de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs;
  5° de voorzitter van het College van procureurs-generaal ten aanzien van de federale procureur;
  6° de procureur-generaal die de verkeersveiligheid onder zijn bevoegdheid heeft ten aanzien van de procureur voor de verkeersveiligheid;
  7° de procureur-generaal die jeugdzaken onder zijn bevoegdheid heeft ten aanzien van de verbindingsmagistraten in jeugdzaken;
  8° de voorzitter van het College van procureurs-generaal ten aanzien van de bijstandsmagistraten;
  9° de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken en van het College van het openbaar ministerie ten aanzien van de directeurs van de steundiensten bedoeld in de artikelen 183 en 185;
  10° de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel ten aanzien van de directeur van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring;
  11° de directeurs van de steundiensten bedoeld in de artikelen 183 en 185 ten aanzien van de magistraten die een voltijdse opdracht uitoefenen in de steundienst;
  12° de directeur van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring ten aanzien van de magistraten die werden aangewezen om een functie uit te oefenen in het Centraal Orgaan;
  13° de magistraat die de korpschef vervangt overeenkomstig artikel 319.
  De minister van Justitie kent het verlof toe van de eerste voorzitters van het Hof van Cassatie, van de hoven van beroep, van de arbeidshoven en van de procureurs-generaal bij die hoven.
  De bepalingen van het tweede lid zijn uitsluitend van toepassing op de verloven bedoeld in afdeling IV, afdeling V, afdeling VI, afdeling VII en afdeling VIII.
  § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° werkdagen: de dagen waarop de magistraat verplicht beschikbaar is voor de dienst. Voor de toepassing van de artikelen 331/35, 331/39, derde lid en 331/42, § 1, eerste lid en § 3, eerste en tweede lid, zijn dit alle dagen met uitzondering van de zaterdagen, zondagen en feestdagen bedoeld in artikel 331/10, eerste en tweede lid;
  2° dienstvrijstelling: de toestemming verleend aan de magistraat door zijn korpschef om afwezig te zijn voor een bepaalde duur met behoud van al zijn rechten;
  3° langdurige pleegzorg: pleegzorg zoals omschreven in artikel 30sexies, § 6, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
  4° kortdurende pleegzorg: alle vormen van pleegzorg die niet voldoen aan de voorwaarden van langdurige pleegzorg;
  5° pleegkind: het kind waarvoor de magistraat of zijn/haar echtgeno(o)t(e) in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;
  6° pleegouder: de pleegouder die in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;
  7° de meeouder: de vader of de persoon getrouwd met de moeder of die met haar samenleeft als koppel, op dezelfde woonplaats.
  § 3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt gelijkgesteld met:
  1° het huwelijk, het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door twee personen van verschillend of gelijk geslacht die samenleven als koppel;
  2° de echtgenoot of echtgenote van de magistraat, de persoon, van verschillend of gelijk geslacht, met wie de magistraat samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats."
Art. 6. Dans la même section Ire, il est inséré un article 331/1 rédigé comme suit:
  "Art. 331/1. § 1. Pour l'application du présent chapitre sont assimilés au chef de corps:
  1° à condition qu'il soit désigné par le chef de corps à cet effet: le président de division au tribunal de première instance, au tribunal du travail et au tribunal de l'entreprise, le procureur de division, l'auditeur de division ou tout autre magistrat;
  2° le premier président de la cour d'appel à l'égard des présidents des tribunaux de première instance et des tribunaux de l'entreprise et à l'égard des présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police;
  3° le premier président de la cour du travail à l'égard des présidents des tribunaux du travail;
  4° le procureur général près la cour d'appel à l'égard des procureurs du Roi et des auditeurs du travail;
  5° le président du Collège des procureurs généraux à l'égard du procureur fédéral;
  6° le procureur général qui a la sécurité routière dans ses attributions à l'égard du procureur de la sécurité routière;
  7° le procureur général qui a la jeunesse dans ses attributions à l'égard des magistrats de liaison en matière de jeunesse;
  8° le président du Collège des procureurs généraux à l'égard des magistrats d'assistance;
  9° le président du Collège des cours et tribunaux et du Collège du ministère public à l'égard des directeurs du service d'appui visé aux articles 183 et 185;
  10° le procureur général près la cour d'appel de Bruxelles à l'égard du directeur de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation;
  11° les directeurs des services d'appui visés aux articles 183 et 185 à l'égard des magistrats qui exercent une mission à temps plein dans le service d'appui;
  12° le directeur de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation à l'égard des magistrats qui ont été désignés pour exercer une fonction à l'Organe central;
  13° le magistrat qui remplace le chef de corps conformément à l'article 319.
  Le ministre de la Justice accorde le congé du premier président de la Cour de Cassation, des premiers présidents des cours d'appel, des cours du travail et des procureurs généraux près ces cours.
  Les dispositions de l'alinéa 2 ne s'appliquent qu'aux congés visés à la section IV, section V, section VI, section VII et section VIII.
  § 2. Pour l'application du présent chapitre, l'on entend par:
  1° jours ouvrables: les jours où le magistrat est obligatoirement disponible pour le service. Il s'agit, pour l'application des articles 331/35, 331/39, alinéa 3 et 331/42, § 1er, alinéa 1er, et § 3, alinéas 1er et 2, de tous les jours à l'exception des samedis, dimanches et jours fériés visés à l'article 331/10, alinéas 1er et 2;
  2° dispense de service: l'autorisation accordée au magistrat par le chef de corps de s'absenter pour une durée déterminée avec maintien de tous ses droits;
  3° placement familial de longue durée: le placement décrit à l'article 30sexies, § 6, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
  4° placement familial de courte durée: toutes les formes de placement familial qui ne remplissent pas les conditions du placement familial de longue durée;
  5° enfant placé: l'enfant pour lequel le magistrat ou son/sa conjoint(e) a été désigné dans le cadre du placement familial par le tribunal, par un service de placement familial agréé par la communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse;
  6° parent d'accueil: le parent d'accueil qui a été désigné dans le cadre du placement familial par le tribunal, par un service de placement familial agréé par la communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse;
  7° coparent: le père ou la personne mariée à la mère ou vivant en couple avec cette dernière au même domicile.
  § 3. Pour l'application du présent chapitre, sont assimilés:
  1° au mariage, l'enregistrement d'une déclaration de cohabitation légale par deux personnes de sexe différent ou de même sexe qui cohabitent en tant que couple;
  2° au conjoint ou à la conjointe du magistrat, la personne, de sexe différent ou de même sexe, avec qui le magistrat vit en couple au même domicile."
Art. 7. In dezelfde afdeling I wordt een artikel 331/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/2. De magistraat mag niet afwezig zijn wanneer de dienst eronder lijdt, tenzij hem hiervoor verlof of dienstvrijstelling werd toegekend overeenkomstig dit hoofdstuk.
  De plaatsvervangende magistraat stelt zijn korpschef onverwijld in kennis van zijn afwezigheden wanneer deze afwezigheden een invloed kunnen hebben op de goede werking van het hof of de rechtbank."
Art. 7. Dans la même section Ire, il est inséré un article 331/2 rédigé comme suit:
  "Art. 331/2. Aucun magistrat ne peut s'absenter si le service doit souffrir de son absence, à moins qu'un congé ou une dispense de service ne lui ait été accordé à cet effet, conformément au présent chapitre.
  Le magistrat suppléant informe immédiatement son chef de corps de ses absences lorsque celles-ci sont de nature à influencer le bon fonctionnement de la cour ou du tribunal."
Art. 8. In dezelfde afdeling I wordt een artikel 331/3 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/3. De verloven worden toegekend door de korpschef.
  Wanneer het verlof geweigerd wordt of bepaalde voorwaarden aan het verlenen van het verlof worden verbonden, maakt de korpschef een met redenen omklede beslissing op die hij onverwijld ter kennis brengt aan de magistraat."
Art. 8. Dans la même section Ire, il est inséré un article 331/3 rédigé comme suit:
  "Art. 331/3. Les congés sont accordés par le chef de corps.
  Lorsque le congé est refusé ou certaines conditions sont liées à l'octroi du congé, le chef de corps prend une décision motivée qu'il porte immédiatement à la connaissance du magistrat."
Art. 9. In dezelfde afdeling I wordt een artikel 331/4 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/4. Onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf is de magistraat die zonder toestemming afwezig is of de duur van zijn verlof zonder geldige reden overschrijdt, van rechtswege in non-activiteit.
  De magistraat die zich in de stand non-activiteit bevindt, heeft geen recht op wedde of weddebijslag noch op de daaraan verbonden verhogingen en voordelen."
Art. 9. Dans la même section Ire, il est inséré un article 331/4 rédigé comme suit:
  "Art. 331/4. Sans préjudice de l'application éventuelle d'une peine disciplinaire, le magistrat qui s'absente sans autorisation ou dépasse sans motif valable le terme de son congé se trouve de plein droit en non-activité.
  Le magistrat qui est dans la position de non-activité n'a pas droit au traitement ou supplément de traitement ni aux augmentations et avantages y afférents."
Art. 10. In dezelfde afdeling I wordt een artikel 331/5 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/5. In afwijking van artikel 331/10, eerste lid, kan de korpschef de magistraat gelasten tijdens deze dagen alsook tijdens de nacht en tijdens de weekends wachtdiensten te leveren, dewelke recht geven op inhaalrust wanneer de magistraat daadwerkelijk prestaties levert.
  De inhaalrust ten gevolge van gepresteerde wachtdiensten wordt in de loop van de veertien volgende dagen opgenomen in onderling overleg met de korpschef."
Art. 10. Dans la même section Ire, il est inséré un article 331/5 rédigé comme suit:
  "Art. 331/5. Par dérogation à l'article 331/10, alinéa 1er, le chef de corps peut ordonner au magistrat de fournir des services de garde ces jours ou pendant la nuit ou pendant les weekends, ce qui donne droit à un repos compensatoire lorsque le magistrat accomplit effectivement des prestations.
  Le repos compensatoire à la suite des services de garde effectués est pris au cours des quatorze jours suivants en concertation avec le chef de corps."
Art. 11. In dezelfde afdeling I wordt een artikel 331/6 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/6. § 1. Met uitzondering van de beslissingen van de korpschef met betrekking tot het jaarlijks vakantieverlof en het omstandigheidsverlof, kan tegen de beslissing bedoeld in artikel 331/3, tweede lid, onder de voorwaarden zoals vastgelegd in het huishoudelijk reglement bedoeld in paragraaf 4, beroep worden aangetekend bij de beroepscommissie bedoeld in paragraaf 2 of paragraaf 3.
  § 2. Bij het College van de hoven en rechtbanken wordt een beroepscommissie ingericht bestaande uit een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling die respectievelijk belast zijn met de behandeling van de beroepen ingesteld door magistraten van de zetel van de Nederlandstalige of Franstalige taalrol. Elke afdeling is samengesteld uit vijf leden van wie er maximaal drie hetzelfde geslacht hebben: twee magistraten die geen korpschef zijn, twee korpschefs en een magistraat van de zetel van het Hof van Cassatie.
  Bij het College van het openbaar ministerie wordt een beroepscommissie ingericht bestaande uit een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling die respectievelijk belast zijn met de behandeling van de beroepen ingesteld door magistraten van het openbaar ministerie van de Nederlandstalige of Franstalige taalrol. Elke afdeling is samengesteld uit vijf leden van wie er maximaal drie hetzelfde geslacht hebben: twee magistraten die geen korpschef zijn, twee korpschefs en een magistraat van het parket bij het Hof van Cassatie.
  De magistraten niet-korpschefs worden aangewezen door de Adviesraad van de Magistratuur, de korpschefs worden aangewezen door het College van de hoven en rechtbanken, respectievelijk het College van het openbaar ministerie. De korpschefs kunnen erekorpschefs zijn zoals bedoeld in artikel 259quater, § 5/1. Voor elk gekozen lid wordt minstens een vervanger aangewezen. Bij gebrek aan een magistraat in een Franstalige afdeling die blijk geeft van kennis van de Duitse taal wordt een beroep gedaan op een tolk.
  Elke afdeling wordt voorgezeten door de korpschef met de hoogste dienstanciënniteit.
  Een lid van de beroepscommissie kan enkel zetelen indien het op geen enkele wijze heeft deelgenomen aan de beslissing bedoeld in artikel 331/3, tweede lid, waartegen beroep werd aangetekend.
  De afdelingen van de beroepscommissie beslissen bij meerderheid van stemmen.
  Wanneer een afdeling van de beroepscommissie de beslissing bedoeld in artikel 331/3, tweede lid, vernietigt, kan zij in plaats van de korpschef het verlof of de periode ervan toekennen.
  § 3. Bij het Hof van Cassatie en het parket bij dit Hof wordt een enkele beroepscommissie opgericht. Deze beroepscommissie telt maximaal twee derde leden van hetzelfde geslacht en is taalparitair samengesteld uit drie magistraten van het Hof van Cassatie en drie magistraten van het parket bij het Hof van Cassatie die respectievelijk door de algemene vergadering en de korpsvergadering daartoe worden gekozen. Een van de drie magistraten uit elk korps behoort tot de andere taalrol dan de andere twee magistraten. Voor elk gekozen lid wordt minstens één vervanger aangewezen.
  De magistraten bedoeld in het eerste lid behoren niet tot het directiecomité en beschikken over tenminste vijf jaar anciënniteit binnen hun korps.
  Wanneer het beroep wordt ingesteld door een magistraat van het Hof, zetelt de commissie met drie magistraten van het Hof en twee magistraten van het parket. Wanneer het beroep wordt ingesteld door een magistraat van het parket zetelt de commissie met drie magistraten van het parket en twee magistraten van het Hof. De meerderheid van de leden van de commissie behoort tot dezelfde taalrol als de magistraat die het beroep instelt.
  Een lid van de beroepscommissie kan enkel zetelen indien het op geen enkele wijze heeft deelgenomen aan de beslissing bedoeld in artikel 331/3, tweede lid, waartegen beroep werd aangetekend.
  De beroepscommissie beslist bij meerderheid van stemmen.
  Wanneer de beroepscommissie de beslissing bedoeld in artikel 331/3, tweede lid, vernietigt, kan zij in plaats van de korpschef het verlof of de periode ervan toekennen.
  § 4. Het College van de hoven en rechtbanken, het College van het openbaar ministerie en het Hof van Cassatie en het parket bij dit Hof stellen elk bij huishoudelijk reglement de nadere werking van de beroepscommissie vast en de wijze waarop beroep wordt aangetekend."
Art. 11. Dans la même section Ire, il est inséré un article 331/6 rédigé comme suit:
  "Art. 331/6. § 1er. A l'exception des décisions du chef de corps concernant le congé annuel et les congés de circonstances, la décision visée à l'article 331/3, alinéa 2, peut faire l'objet d'un recours auprès de la commission de recours visée au paragraphe 2 ou au paragraphe 3, dans le respect des conditions telles qu'établies dans le règlement d'ordre intérieur visé au paragraphe 4.
  § 2. Il est institué près le Collège des cours et tribunaux une commission de recours, composée d'une division francophone et d'une division néerlandophone chargées respectivement de traiter les recours introduits par les magistrats du siège du rôle linguistique francophone ou néerlandophone. Chaque division est composée de cinq membres dont au maximum trois sont du même sexe: deux magistrats qui ne sont pas chefs de corps, deux chefs de corps et un magistrat du siège de la Cour de Cassation.
  Il est institué près le Collège du ministère public une commission de recours, composée d'une division francophone et d'une division néerlandophone chargées respectivement de traiter les recours introduits par les magistrats du ministère public du rôle linguistique francophone ou néerlandophone. Chaque division est composée de cinq membres dont au maximum trois sont du même sexe: deux magistrats qui ne sont pas chefs de corps, deux chefs de corps et un magistrat du parquet auprès de la Cour de Cassation.
  Les magistrats qui ne sont pas chefs de corps sont désignés par le Conseil consultatif de la magistrature, les chefs de corps sont désignés respectivement par le Collège des cours et tribunaux et par le Collège du ministère public. Ces chefs de corps peuvent être des chefs de corps honoraires tels que visés à l'article 259quater, § 5/1. Pour chaque membre choisi, il est désigné au moins un remplaçant. A défaut de désignation d'un magistrat justifiant de la connaissance de la langue allemande dans une division francophone, il est fait appel à un interprète.
  Chaque division est présidée par le chef de corps ayant la plus grande ancienneté de service.
  Un membre de la commission de recours ne peut siéger que s'il n'a pris part, en aucune manière, à la décision visée à l'article 331/3, alinéa 2, contre laquelle un recours a été introduit.
  Les divisions de la commission de recours statuent à la majorité des voix.
  Lorsqu`une division de la commission de recours annule la décision visée à l'article 331/3, alinéa 2, elle peut accorder le congé ou la période de celui-ci à la place du chef de corps.
  § 3. Il est institué près la Cour de cassation et le parquet près cette Cour une seule commission de recours. Cette commission de recours est composée d'au maximum deux tiers de membres du même sexe et est composée paritairement sur le plan linguistique de trois magistrats de la Cour de cassation et de trois magistrats du parquet près la Cour de cassation élus à cet effet par l'assemblée générale et l'assemblée de corps respectives. L'un des trois magistrats de chaque corps appartient au rôle linguistique différent de celui des deux autres magistrats. Pour chaque membre choisi, il est désigné au moins un remplaçant.
  Les magistrats visés à l'alinéa 1er ne font pas partie du comité de direction et ont au moins cinq ans d'ancienneté au sein de leur corps.
  Lorsque le recours est introduit par un magistrat de la Cour, la commission siège avec trois magistrats de la Cour et deux magistrats du parquet. Lorsque le recours est introduit par un magistrat du parquet, la commission siège avec trois magistrats du parquet et deux magistrats de la Cour. La majorité des membres de la commission appartiennent au même rôle linguistique que le magistrat qui introduit le recours.
  Un membre de la commission de recours ne peut siéger que s'il n'a pris part, en aucune manière, à la décision visée à l'article 331/3, alinéa 2, contre laquelle un recours a été introduit.
  La commission de recours statue à la majorité des voix.
  Lorsque la commission de recours annule la décision visée à l'article 331/3, alinéa 2, elle peut accorder le congé ou la période de celui-ci à la place du chef de corps.
  § 4. Le Collège des cours et tribunaux, le Collège du ministère public et la Cour de cassation et le parquet près cette Cour déterminent chacun, par règlement d'ordre intérieur, les modalités de fonctionnement de la commission de recours et la manière d'introduire le recours."
Art. 12. In hoofdstuk IV, gewijzigd bij artikel 3, wordt een afdeling II ingevoegd, luidende "Jaarlijks vakantieverlof, recuperatiedagen en feestdagen".
Art. 12. Dans le chapitre IV, modifié par l'article 3, il est inséré une section II intitulée "Congé annuel de vacances, jours de récupération et jours fériés".
Art. 13. In afdeling II, ingevoegd bij artikel 12, wordt een artikel 331/7 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/7. De magistraat heeft recht op een jaarlijks vakantieverlof waarvan de duur naargelang de leeftijd als volgt is bepaald:
  - minder dan 45 jaar: 26 werkdagen;
  - van 45 tot 49 jaar: 27 werkdagen;
  - van 50 tot 54 jaar: 28 werkdagen;
  - van 55 tot 59 jaar: 29 werkdagen;
  - van 60 tot 61 jaar: 30 werkdagen;
  - op 62 jaar: 31 werkdagen;
  - op 63 jaar: 32 werkdagen;
  - op 64 jaar: 33 werkdagen;
  - op 65 jaar: 34 werkdagen;
  - vanaf 66 jaar: 35 werkdagen.
  De magistraat neemt minstens vijftien dagen van dit jaarlijks vakantieverlof op tijdens de periode van 1 juli tot 31 augustus."
Art. 13. Dans la section II, insérée par l'article 12, il est inséré un article 331/7 rédigé comme suit:
  "Art. 331/7. Le magistrat a droit à un congé annuel de vacances dont la durée est déterminée selon l'âge, comme suit:
  - moins de 45 ans: 26 jours ouvrables;
  - de 45 à 49 ans: 27 jours ouvrables;
  - de 50 à 54 ans: 28 jours ouvrables;
  - de 55 à 59 ans: 29 jours ouvrables;
  - de 60 à 61 ans: 30 jours ouvrables;
  - à 62 ans: 31 jours ouvrables;
  - à 63 ans: 32 jours ouvrables;
  - à 64 ans: 33 jours ouvrables;
  - à 65 ans: 34 jours ouvrables;
  - à partir de 66 ans: 35 jours ouvrables.
  Le magistrat prend au moins quinze jours de ce congé annuel de vacances pendant la période du 1er juillet au 31 août."
Art. 14. In dezelfde afdeling II wordt een artikel 331/8 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/8. § 1. Het jaarlijks vakantieverlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Het wordt genomen in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst.
  § 2. De magistraat kan maximum tien niet opgenomen dagen jaarlijks vakantieverlof overdragen naar het volgend jaar. Deze overdracht geldt voor maximum één jaar.
  Indien de magistraat zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft kunnen opnemen ten gevolge van een afwezigheid wegens ziekte, wegens een arbeidsongeval, wegens een ongeval op weg van of naar het werk of wegens een beroepsziekte, dan is de overdracht niet beperkt tot een jaar. Bij de terugkeer van de magistraat wordt het jaarlijks vakantieverlof in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst opgenomen."
Art. 14. Dans la même section II, il est inséré un article 331/8 rédigé comme suit:
  "Art. 331/8. § 1er. Le congé annuel de vacances est assimilé à une période d'activité de service. Il est pris en concertation avec le chef de corps et dans le respect des nécessités du service.
  § 2. Le magistrat peut reporter au maximum dix jours de congé annuel de vacances non pris à l'année suivante. Ce report est valable un an au maximum.
  Lorsque le magistrat n'a pas pu prendre la totalité ou une partie de son congé annuel de vacances à cause d'une absence pour maladie, d'un accident de travail ou sur le chemin du travail ou d'une maladie professionnelle, le report n'est pas limité à un an. Au retour du magistrat, le congé annuel de vacances est pris en concertation avec le chef de corps et dans le respect des nécessités du service."
Art. 15. In dezelfde afdeling II wordt een artikel 331/9 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/9. § 1. Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijks vakantieverlof.
  Het vakantieverlof wordt echter in evenredige mate verminderd wanneer de magistraat in de loop van het jaar wordt benoemd, zijn ambt definitief neerlegt of tijdens het jaar een van de hierna genoemde verloven of afwezigheden heeft gekregen:
  1° de afwezigheden waarbij de magistraat in de administratieve stand van non-activiteit is geplaatst;
  2° de verminderde prestaties wegens medische redenen;
  3° het ouderschapsverlof;
  4° het deeltijds uitoefenen van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar;
  5° meer dan zes maanden ziekteverlof;
  6° de zorgverloven.
  De vermindering van het jaarlijks vakantieverlof naar aanleiding van het tweede lid, 5°, kan maximaal zes dagen per jaar bedragen.
  Indien het aldus berekende aantal vakantiedagen geen geheel getal vormt, wordt het afgerond op de onmiddellijke hogere eenheid.
  § 2. Indien de magistraat door de behoeften van de dienst zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft genomen vooraleer hij zijn ambt definitief neerlegt, dan heeft hij recht op een compenserende toelage waarvan het bedrag gelijk is aan de laatste wedde die overeenstemt met het aantal niet genomen verlofdagen, eventueel verminderd overeenkomstig paragraaf 1.
  Bij het overlijden van de magistraat wordt de compenserende toelage voor niet opgenomen dagen jaarlijks vakantieverlof uitbetaald aan de erfgenamen.
  Voor de toepassing van deze paragraaf is de wedde die in aanmerking dient te worden genomen deze voor volledige prestaties, in voorkomend geval aangevuld met de weddebijslagen, en de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.
  § 3. Het jaarlijks vakantieverlof wordt opgeschort zodra de magistraat een verlof wegens ziekte bekomt."
Art. 15. Dans la même section II, il est inséré un article 331/9 rédigé comme suit:
  "Art. 331/9. § 1er. Toute période d'activité de service donne droit au congé annuel de vacances.
  Le congé de vacances est toutefois réduit à due concurrence, lorsque le magistrat est nommé dans le courant de l'année, démissionne de ses fonctions ou a obtenu au cours de l'année l'un des congés ou l'une des absences mentionnés ci-après:
  1° les absences pendant lesquelles le magistrat est placé dans la position administrative de non-activité;
  2° les prestations réduites pour raisons médicales;
  3° le congé parental;
  4° l'exercice à temps partiel de la fonction à partir de cinquante-sept ou soixante ans;
  5° plus de six mois de congé de maladie;
  6° les congés d'aidant.
  La réduction du congé annuel de vacances dans le cadre de l'alinéa 2, 5°, peut s'élever à un maximum de six jours par an.
  Si le nombre de jours de congé ainsi calculé ne forme pas un nombre entier, il est arrondi à l'unité immédiatement supérieure.
  § 2. Si, par suite des nécessités du service, le magistrat n'a pas pris tout ou partie de son congé annuel de vacances avant la cessation définitive de ses fonctions, il bénéficie d'une allocation compensatoire dont le montant est égal au dernier traitement afférent aux jours de congé non pris, éventuellement réduits conformément au paragraphe 1er.
  En cas de décès du magistrat, l'allocation compensatoire pour les jours de congé annuel de vacances non pris est payée aux héritiers.
  Pour l'application du présent paragraphe, le traitement à prendre en considération est celui qui est dû pour des prestations complètes, complété, le cas échéant, des suppléments de traitement et des majorations et avantages correspondants.
  § 3. Le congé annuel de vacances est suspendu dès que le magistrat obtient un congé de maladie."
Art. 16. In dezelfde afdeling II wordt een artikel 331/10 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/10. De magistraat is met verlof op de feestdagen die zijn opgesomd in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen.
  De compensatieverlofdagen voor feestdagen die met een zaterdag of een zondag samenvallen, alsook voor 2 november, 15 november en 26 december waarop de rijksambtenaren met verlof zijn, kunnen door de magistraten genomen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof.
  De verloven bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Indien de magistraat echter op een feestdag of een compenserende verlofdag om een andere reden met verlof is, of in non-activiteit is geplaatst, blijft zijn administratieve stand bepaald overeenkomstig de verordeningsbepalingen die op hem van toepassing zijn.
  Indien een vrije dag in het kader van deeltijds werken samenvalt met één van de dagen bedoeld in het eerste lid of met de compensatieverlofdagen voor 2 november, 15 november en 26 december, bekomt de magistraat geen vervangende verlofdag."
Art. 16. Dans la même section II, il est inséré un article 331/10 rédigé comme suit:
  "Art. 331/10. Le magistrat est en congé les jours fériés énumérés à l'article 1er de l'arrêté royal du 18 avril 1974 déterminant les modalités générales d'exécution de la loi du 4 janvier 1974 relative aux jours fériés.
  Les jours de congé de compensation pour les jours fériés qui coïncident avec un samedi ou un dimanche, ainsi que pour les 2 novembre, 15 novembre et 26 décembre durant lesquels les agents de l'Etat sont en congé, peuvent être pris par les magistrats aux mêmes conditions que le congé annuel de vacances.
  Les congés visés au présent article sont assimilés à une période d'activité de service. Toutefois, si le magistrat est en congé le jour férié ou le jour de congé de compensation pour un autre motif ou s'il est en non-activité, sa position administrative reste fixée conformément aux dispositions réglementaires qui s'appliquent à lui.
  Si un jour libre dans le cadre du travail à temps partiel coïncide avec un des jours visés à l'alinéa 1er ou avec les jours de congé de compensation pour les 2 novembre, 15 novembre et 26 décembre, le magistrat n'obtient pas de jour de congé de substitution."
Art. 17. In dezelfde afdeling II wordt een artikel 331/11 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/11. § 1. De magistraat heeft jaarlijks recht op twaalf forfaitaire recuperatiedagen ter compensatie van alle eventuele overschrijdingen van de arbeidsduur zoals omschreven in artikel 8, § 1, van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector.
  Deze recuperatiedagen kunnen worden opgenomen onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks verlof. Zij zijn niet overdraagbaar naar het volgende jaar.
  § 2. Het aantal recuperatiedagen wordt echter in evenredige mate verminderd wanneer de magistraat in de loop van het jaar wordt benoemd, zijn ambt definitief neerlegt of tijdens het jaar een van de hierna genoemde verloven of afwezigheden heeft gekregen:
  1° de afwezigheden waarbij de magistraat in de administratieve stand van non-activiteit is geplaatst;
  2° de verminderde prestaties wegens medische redenen;
  3° het ouderschapsverlof;
  4° het deeltijds uitoefenen van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar;
  5° meer dan een maand ziekteverlof;
  6° de zorgverloven.
  Indien het aldus berekende aantal recuperatiedagen geen geheel getal vormt, wordt het afgerond op de onmiddellijke hogere eenheid."
Art. 17. Dans la même section II, il est inséré un article 331/11 rédigé comme suit:
  "Art. 331/11. § 1er. Le magistrat a droit chaque année à douze jours de récupération forfaitaires en compensation de tous les dépassements éventuels de la durée de travail visée à l'article 8, § 1er, de la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public.
  Ces jours de récupération peuvent être pris aux mêmes conditions que le congé annuel de vacances. Ils ne peuvent pas être reportés à l'année suivante.
  § 2. Le nombre de jours de récupération est toutefois réduit à due concurrence, lorsque le magistrat est nommé dans le courant de l'année, démissionne de ses fonctions ou a obtenu au cours de l'année l'un des congés ou l'une des absences mentionnés ci-après:
  1° les absences pendant lesquelles le magistrat est placé dans la position administrative de non-activité;
  2° les prestations réduites pour raisons médicales;
  3° le congé parental;
  4° l'exercice à temps partiel de la fonction à partir de cinquante-sept ou soixante ans;
  5° plus d'un mois de congé de maladie;
  6° les congés d'aidant.
  Si le nombre de jours de récupération ainsi calculé ne forme pas un nombre entier, il est arrondi à l'unité immédiatement supérieure."
Art. 18. In hoofdstuk IV, gewijzigd bij artikel 3, wordt een afdeling III ingevoegd, luidende "Omstandigheidsverlof en uitzonderlijk verlof".
Art. 18. Dans le chapitre IV, modifié par l'article 3, il est inséré une section III intitulée "Congés de circonstances et congés exceptionnels".
Art. 19. In afdeling III, ingevoegd bij artikel 18, wordt een onderafdeling I ingevoegd, luidende "Omstandigheidsverlof".
Art. 19. Dans la section III, insérée par l'article 18, il est inséré une sous-section Ire intitulée "Congés de circonstances".
Art. 20. In onderafdeling I, ingevoegd bij artikel 19, wordt een artikel 331/12 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/12. Het omstandigheidsverlof wordt toegekend binnen de perken zoals hierna bepaald:
  1° huwelijk van de magistraat: vier werkdagen;
  2° de geboorte van een kind waarvan de afstamming langs de zijde van de magistraat vaststaat. Bij ontstentenis van een persoon die dit verlof opneemt op grond van de afstamming met het kind heeft de magistraat die samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats met de moeder van het kind recht op het verlof. Het recht op moederschapsverlof bedoeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, sluit voor eenzelfde ouder het recht op het omstandigheidsverlof bij de geboorte uit. Het verlof bedraagt twintig werkdagen;
  3° overlijden van de echtgeno(o)t(e) van de magistraat, overlijden van het natuurlijk kind of het adoptiekind van de magistraat, of van diens echtgeno(o)t(e): tien werkdagen, waarbij drie werkdagen door de magistraat te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en zeven werkdagen door de magistraat te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden. Er kan van de beide perioden waarin deze verlofdagen moeten opgenomen worden, afgeweken worden op vraag van de magistraat mits een akkoord van de korpschef;
  4° overlijden van de ouder, schoonouder, stiefouder, schoondochter, schoonzoon van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e): vier werkdagen waarbij drie werkdagen door de magistraat te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en één werkdag door de magistraat te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden. Er kan van de beide perioden waarin deze werkdagen moeten opgenomen worden, afgeweken worden op vraag van de magistraat mits een akkoord van de korpschef;
  5° huwelijk van een kind van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e): twee werkdagen;
  6° het huwelijk van een broer, een zuster, een schoonbroer, een schoonzuster, de ouder, de schoonouder, de stiefouder, een kleinkind van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e): een werkdag;
  7° overlijden van een bloed- of aanverwant in om het even welke graad van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e) maar onder hetzelfde dak wonend als de magistraat: twee werkdagen;
  8° overlijden van een bloed- of aanverwant in de tweede of in de derde graad van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e) maar niet onder hetzelfde dak wonend als de magistraat: een werkdag;
  9° overlijden van een pleegkind van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e) in het kader van kortdurende pleegzorg op het moment van het overlijden: een werkdag;
  10° priesterwijding of intreden in het klooster of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een andere erkende religie van een kind van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e): een werkdag;
  11° plechtige communie of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een andere erkende religie van een kind van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e): een werkdag;
  12° deelneming van een kind van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e) aan het feest van de "vrijzinnige jeugd": een werkdag;
  13° oproeping als getuige voor een rechtscollege of persoonlijke verschijning op aanmaning van een rechtscollege: voor de nodige duur.
  De banden die ontstaan ingevolge een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg worden, voor de toepassing van het eerste lid, 3° en 4°, gelijkgesteld met de door die bepalingen geviseerde familiebanden, op voorwaarde dat het overlijden zich voordoet, hetzij tijdens een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg, hetzij na afloop van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg. In dat verband wordt het pleegkind gelijkgesteld met het kind, de pleegmoeder met de moeder, de pleegvader met de vader, en zo verder.
  De banden die ontstaan ingevolge een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg worden, voor de toepassing van het eerste lid, 5°, 6°, 7°, 8°, 10°, 11° en 12°, gelijkgesteld met de door die bepalingen geviseerde familiebanden, op voorwaarde dat de gebeurtenis zich voordoet, hetzij tijdens een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg, hetzij na afloop van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg waarbij het pleegkind gedurende een onafgebroken periode van drie jaar op permanente en affectieve wijze deel heeft uitgemaakt van het pleeggezin. In dat verband wordt het pleegkind gelijkgesteld met het kind, de pleegmoeder met de moeder, de pleegvader met de vader, en zo verder.
  De verloven worden vastgelegd in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst.
  Deze verloven worden met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld."
Art. 20. Dans la sous-section Ier, insérée par l'article 19, il est inséré un article 331/12 rédigé comme suit:
  "Art. 331/12. Des congés de circonstances sont accordés dans les limites fixées ci-après:
  1° le mariage du magistrat: quatre jours ouvrables;
  2° la naissance d'un enfant dont la filiation est établie à l'égard du magistrat. A défaut d'une personne qui prend ce congé sur la base de la filiation avec l'enfant, le magistrat qui vit en couple avec la mère de l'enfant au même domicile a droit au congé. Le droit au congé de maternité visé à l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail exclut pour un même parent le droit au congé de circonstances à la naissance. Le congé s'élève à vingt jours ouvrables;
  3° le décès du/de la conjoint(e) du magistrat, le décès de l'enfant naturel ou de l'enfant adoptif du magistrat ou de son/sa conjoint(e): dix jours ouvrables, dont trois jours ouvrables à choisir par le magistrat pendant la période qui prend cours le jour du décès et s'achève le jour des funérailles et sept jours ouvrables à choisir par le magistrat dans l'année qui suit le jour du décès. Il peut être dérogé, à la demande du magistrat et moyennant l'accord du chef de corps, aux deux périodes au cours desquelles ces jours de congé doivent être pris;
  4° le décès du parent, du beau-parent, du beau-parent en cas de remariage, de la belle-fille, du beau-fils du magistrat ou de son/sa conjoint(e): quatre jours ouvrables dont trois jours ouvrables à choisir par le magistrat pendant la période qui prend cours le jour du décès et s'achève le jour des funérailles et un jour ouvrable à choisir par le magistrat dans l'année qui suit le jour du décès. Il peut être dérogé, à la demande du magistrat et moyennant l'accord du chef de corps, aux deux périodes au cours desquelles ces jours ouvrables doivent être pris;
  5° le mariage d'un enfant du magistrat ou de son/sa conjoint(e): deux jours ouvrables;
  6° le mariage d'un frère, d'une soeur, d'un beau-frère, d'une belle-soeur, du parent, du beau-parent, du beau-parent en cas de remariage, d'un petit-enfant du magistrat ou de son/sa conjoint(e): un jour ouvrable;
  7° le décès d'un parent ou allié, à quelque degré que ce soit, du magistrat ou de son/sa conjoint(e), mais habitant sous le même toit que le magistrat: deux jours ouvrables;
  8° le décès d'un parent ou allié au deuxième ou au troisième degré du magistrat ou de son/sa conjoint(e), mais n'habitant pas sous le même toit que le magistrat: un jour ouvrable;
  9° le décès d'un enfant qui était placé auprès du magistrat ou de son/sa conjoint(e) dans le cadre d'un placement familial de courte durée au moment du décès: un jour ouvrable;
  10° l'ordination, l'entrée au couvent ou tout autre événement similaire d'un culte reconnu d'un enfant du magistrat ou de son/sa conjoint(e): un jour ouvrable;
  11° la communion solennelle ou tout autre événement similaire d'un culte reconnu d'un enfant du magistrat ou de son/sa conjoint(e): un jour ouvrable;
  12° la participation à la fête de la jeunesse laïque, d'un enfant du magistrat ou de son/sa conjoint(e): un jour ouvrable;
  13° la convocation comme témoin devant une juridiction ou comparution personnelle ordonnée par une juridiction: pour la durée nécessaire.
  Les liens qui découlent d'un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée sont, pour l'application de l'alinéa 1er, 3° et 4°, assimilés aux liens familiaux consacrés par ces dispositions, à condition que le décès survienne soit pendant un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée, soit après la fin d'un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée. Dans ce contexte, l'enfant placé est assimilé à l'enfant, la mère d'accueil à la mère, le père d'accueil au père, et ainsi de suite.
  Les liens qui découlent d'un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée sont, pour l'application de l'alinéa 1er, 5°, 6°, 7°, 8°, 10°, 11° et 12°, assimilés aux liens familiaux consacrés par ces dispositions, à condition que l'événement survienne soit pendant un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée, soit après la fin d'un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée dans lequel l'enfant placé a fait partie de la famille d'accueil de manière permanente et affective pendant une période ininterrompue de trois ans. Dans ce contexte, l'enfant placé est assimilé à l'enfant, la mère d'accueil à la mère, le père d'accueil au père, et ainsi de suite.
  Les congés sont fixés en concertation avec le chef de corps et dans le respect des nécessités du service.
  Ces congés sont assimilés à une période d'activité de service."
Art. 21. In afdeling III, ingevoegd bij artikel 18, wordt een onderafdeling II ingevoegd, luidende "Uitzonderlijk verlof".
Art. 21. Dans la section III, insérée par l'article 18, il est inséré une sous-section II intitulée "Congés exceptionnels".
Art. 22. In onderafdeling II, ingevoegd bij artikel 21, wordt een artikel 331/13 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/13. § 1. De magistraat bekomt uitzonderlijk verlof met het oog op het verlenen van persoonlijke zorg of steun aan een gezinslid of een familielid dat om medische redenen behoefte heeft aan zorg of steun.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
  1° gezinslid: elk persoon die samenleeft met de magistraat op dezelfde woonplaats;
  2° familielid: de echtgenoot van de magistraat of de persoon met wie de magistraat wettelijk samenwoont, zoals geregeld door de artikelen 1475 en volgende van het oud Burgerlijk Wetboek, alsook de bloedverwanten in de eerste graad van de magistraat;
  3° een medische reden als gevolg waarvan men behoefte heeft aan zorg of steun: elke gezondheidstoestand, al dan niet het gevolg van een ziekte of medische ingreep, die door de behandelende arts als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de arts oordeelt dat er een behoefte is aan zorg of steun, dit is elke vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of verzorging.
  De magistraat die gebruik wenst te maken van het zorgverlof, deelt dit vooraf mee aan zijn korpschef.
  De magistraat legt zo spoedig mogelijk ter staving een doktersattest voor dat in het jaar waarin het uitzonderlijk verlof wordt opgenomen door de behandelend arts van het betrokken gezinslid of het familielid is afgeleverd en waaruit blijkt dat dit gezinslid of familielid om een medische reden behoefte heeft aan zorg of steun. Dit attest mag noch de medische reden zelf noch de identiteit van het betrokken gezinslid of familielid vermelden.
  § 2. De duur van de verloven bedoeld in paragraaf 1 is beperkt tot vijf werkdagen per jaar. Het verlof wordt genomen per dag, in aaneensluitende dagen of per halve dag.
  De duur van de verloven bedoeld in paragraaf 1 wordt verminderd met het aantal werkdagen zorgverlof dat reeds werd opgenomen in hetzelfde jaar in toepassing van artikel 30bis, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
  § 3. De verloven bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit."
Art. 22. Dans la sous-section II, insérée par l'article 21, il est inséré un article 331/13 rédigé comme suit:
  "Art. 331/13. § 1er. Le magistrat obtient les congés exceptionnels dans le but de fournir des soins personnels ou une aide personnelle à un membre du ménage ou à un membre de la famille qui nécessite des soins ou une aide pour une raison médicale.
  Pour l'application du présent article, l'on entend par:
  1° membre du ménage: toute personne cohabitant avec le magistrat au même domicile;
  2° membre de la famille: le conjoint du magistrat ou la personne avec qui le magistrat cohabite légalement, au sens des articles 1475 et suivants de l'ancien Code civil, de même que les parents du magistrat au premier degré;
  3° une raison médicale rendant nécessaires des soins ou une aide: tout état de santé, consécutif ou non à une maladie ou à une intervention médicale, considéré comme tel par le médecin traitant et pour lequel le médecin estime qu'il nécessite des soins ou une aide, à savoir toute forme d'assistance ou de soin de type social, familial ou émotionnel.
  Le magistrat qui souhaite faire usage du congé d'aidant en informe préalablement son chef de corps.
  Le magistrat fournit aussi vite que possible, à titre de preuve, un certificat médical délivré par le médecin traitant du membre du ménage ou de la famille concerné au cours de l'année où le congé exceptionnel est pris et dont il apparait que le membre du ménage ou de la famille nécessite des soins ou une aide pour une raison médicale. Ce certificat ne peut ni indiquer la raison médicale elle-même ni l'identité du membre du ménage ou de la famille.
  § 2. La durée des congés visés au paragraphe 1er est limitée à cinq jours ouvrables par an. Le congé peut être pris par jour, par jours consécutifs ou par demi-jour.
  La durée des congés visés au paragraphe 1er est réduite du nombre de jours ouvrables de congé d'aidant déjà pris au cours de la même année, en application de l'article 30bis, § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
  § 3. Les congés visés dans le présent article sont assimilés à des périodes d'activité de service."
Art. 23. In hoofdstuk IV, gewijzigd bij artikel 3, wordt een afdeling IV ingevoegd, luidende "Moederschapsbescherming".
Art. 23. Dans le chapitre IV, modifié par l'article 3, il est inséré une section IV intitulée "Protection de la maternité".
Art. 24. In afdeling IV, ingevoegd bij artikel 23, wordt een artikel 331/14 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/14. Het moederschapsverlof bedoeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld."
Art. 24. Dans la section IV, insérée par l'article 23, il est inséré un article 331/14 rédigé comme suit:
  "Art. 331/14. Le congé de maternité prévu par l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail est assimilé à une période d'activité de service."
Art. 25. In dezelfde afdeling IV wordt een artikel 331/15 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/15. Wanneer de magistrate het prenataal verlof heeft opgebruikt en de bevalling na de voorziene datum plaatsvindt, wordt het prenataal verlof verlengd tot de werkelijke datum van de bevalling. Tijdens deze periode bevindt de magistrate zich in moederschapsverlof."
Art. 25. Dans la même section IV, il est inséré un article 331/15 rédigé comme suit:
  "Art. 331/15. Lorsque la magistrate a épuisé le congé prénatal et que l'accouchement se produit après la date prévue, le congé prénatal est prolongé jusqu'à la date réelle de l'accouchement. Durant cette période, la magistrate se trouve en congé de maternité."
Art. 26. In dezelfde afdeling IV wordt een artikel 331/16 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/16. Op verzoek van de magistrate wordt het moederschapsverlof, met toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, na de negende week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder haar ambt heeft uitgeoefend vanaf de zesde week voor de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop het ambt werd uitgeoefend tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat.
  Worden gelijkgesteld met werkdagen die tot na het postnataal verlof verschoven kunnen worden:
  1° het jaarlijks vakantieverlof;
  2° de in artikel 331/10 bedoelde feestdagen;
  3° de in de artikelen 331/12 en 331/13 bedoelde verloven;
  4° de afwezigheden wegens ziekte.
  Ingeval van geboorte van een meerling, wordt op verzoek van de magistrate de periode van ambtsonderbreking na de negende week, verlengd met een periode van maximaal twee weken."
Art. 26. Dans la même section IV, il est inséré un article 331/16 rédigé comme suit:
  "Art. 331/16. A la demande de la magistrate, le congé de maternité est, en application de l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, prolongé, après la neuvième semaine, d'une période dont la durée est égale à la durée de la période au cours de laquelle elle a continué à exercer ses fonctions à partir de la sixième semaine avant la date réelle de l'accouchement ou à partir de la huitième semaine lorsqu'une naissance multiple est attendue. En cas de naissance prématurée, cette période est réduite à concurrence des jours pendant lesquels elle a exercé ses fonctions pendant la période de sept jours qui précède l'accouchement.
  Sont assimilés à des jours ouvrables qui peuvent être reportés jusqu'après le congé postnatal:
  1° le congé annuel de vacances;
  2° les jours fériés visés à l'article 331/10;
  3° les congés visés aux articles 331/12 et 331/13;
  4° les absences pour maladie.
  En cas de naissance multiple, à la demande de la magistrate, la période d'interruption des fonctions après la neuvième semaine, est prolongée au maximum d'une période de deux semaines."
Art. 27. In dezelfde afdeling IV wordt een artikel 331/17 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/17. Overeenkomstig artikel 39, derde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971, kunnen de laatste twee weken van de postnatale rustperiode op verzoek van de magistrate worden omgezet in verlofdagen van postnatale rust, wanneer zij de ambtsonderbreking na de negende week met ten minste twee weken kan verlengen.
  Ten laatste vier weken voor het einde van de verplichte periode van postnatale rust, brengt de magistrate de korpschef schriftelijk op de hoogte van de omzetting en de planning bedoeld in artikel 39, derde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971.
  Overeenkomstig artikel 39, derde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971, moeten de verlofdagen van postnatale rust worden opgenomen binnen acht weken te rekenen vanaf het einde van de ononderbroken periode van postnatale rust.
  De verlofdagen van postnatale rust worden gelijkgesteld met dienstactiviteit."
Art. 27. Dans la même section IV, il est inséré un article 331/17 rédigé comme suit:
  "Art. 331/17. Conformément à l'article 39, alinéa 3, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, les deux dernières semaines de la période de repos postnatal peuvent être converties, à la demande de la magistrate, en jours de congé de repos postnatal, lorsqu'elle peut prolonger l'interruption des fonctions d'au moins deux semaines après la neuvième semaine.
  Au plus tard quatre semaines avant la fin de la période obligatoire de repos postnatal, la magistrate informe par écrit le chef de corps de la conversion et du planning visés à l'article 39, alinéa 3, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail.
  Conformément à l'article 39, alinéa 3, de la loi sur le travail du 16 mars 1971, les jours de congé de repos postnatal doivent être pris dans les huit semaines à compter de la fin de la période ininterrompue de repos postnatal.
  Les jours de congé de repos postnatal sont assimilés à une activité de service."
Art. 28. In dezelfde afdeling IV wordt een artikel 331/18 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/18. De zwangere magistrate kan niet verplicht worden wachtdiensten te presteren gedurende een periode van acht weken voor de vermoedelijke datum van de bevalling."
Art. 28. Dans la même section IV, il est inséré un article 331/18 rédigé comme suit:
  "Art. 331/18. La magistrate enceinte ne peut pas être contrainte d'effectuer des services de garde pendant une période de huit semaines avant la date probable de l'accouchement."
Art. 29. In dezelfde afdeling IV wordt een artikel 331/19 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/19. De magistrate die in dienstactiviteit is, bekomt op haar verzoek het nodig verlof om haar in staat te stellen naar prenatale medische onderzoeken, die niet buiten de diensturen kunnen plaatsvinden, te gaan en deze te ondergaan.
  De aanvraag van de magistrate moet worden gestaafd met een medisch attest of een attest van de inrichting waar de onderzoeken worden verricht.
  Het verlof is met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld."
Art. 29. Dans la même section IV, il est inséré un article 331/19 rédigé comme suit:
  "Art. 331/19. La magistrate qui est en activité de service obtient, à sa demande, le congé nécessaire pour lui permettre de se rendre et de subir les examens médicaux prénatals qui ne peuvent pas avoir lieu en dehors des heures de service.
  La demande de la magistrate doit être appuyée d'une attestation médicale ou d'une attestation d'établissement dans lequel les examens sont effectués.
  Le congé est assimilé à une période d'activité de service."
Art. 30. In dezelfde afdeling IV wordt een artikel 331/20 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/20. Artikel 331/14 is niet van toepassing in geval van miskraam voor de 181e dag van de zwangerschap."
Art. 30. Dans la même section IV, il est inséré un article 331/20 rédigé comme suit:
  "Art. 331/20. L'article 331/14 ne s'applique pas en cas de fausse couche se produisant avant le 181e jour de gestation."
Art. 31. In dezelfde afdeling IV wordt een artikel 331/21 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/21. § 1. Als de moeder van het kind overlijdt of in het ziekenhuis wordt opgenomen, verkrijgt de magistraat die meeouder is van het kind op eigen verzoek een meeouderschapsverlof om in de opvang van het kind te voorzien.
  § 2. In geval van overlijden van de moeder is de duur van het meeouderschapsverlof ten hoogste gelijk aan de duur van het moederschapsverlof dat de moeder nog niet opgebruikt had. De magistraat die meeouder van het kind is en die het meeouderschapsverlof wenst te genieten, stelt daar schriftelijk de korpschef van op de hoogte binnen zeven dagen vanaf het overlijden van de moeder. De brief waarin hij dat doet, vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het meeouderschapsverlof. Hij legt zo spoedig mogelijk een uittreksel uit de overlijdensakte van de moeder voor.
  § 3. In geval van hospitalisatie van de moeder kan de magistraat die meeouder van het kind is een meeouderschapsverlof krijgen onder de volgende voorwaarden:
  1° de pasgeborene moet het ziekenhuis verlaten hebben;
  2° de hospitalisatie van de moeder moet langer dan zeven dagen duren.
  Het meeouderschapsverlof kan niet aanvangen vóór de zevende dag volgend op de dag van de geboorte van het kind en wordt beëindigd op het ogenblik dat de hospitalisatie van de moeder ten einde loopt en uiterlijk op het einde van het gedeelte van het moederschapsverlof dat door de moeder nog niet was opgebruikt.
  De magistraat die de meeouder van het kind is en die het meeouderschapsverlof wenst te genieten, stelt de korpschef daarvan schriftelijk op de hoogte. De brief waarin hij dat doet, vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het verlof. De verlofaanvraag wordt gestaafd met een getuigschrift dat de duur van de hospitalisatie van de moeder vermeldt bovenop de zeven dagen volgend op de datum van de bevalling en de datum waarop de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
  § 4. Het meeouderschapsverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit."
Art. 31. Dans la même section IV, il est inséré un article 331/21 rédigé comme suit:
  "Art. 331/21. § 1er. Si la mère de l'enfant décède ou est hospitalisée, le magistrat qui est le coparent de l'enfant obtient, à sa demande, un congé coparental en vue d'assurer l'accueil de l'enfant.
  § 2. En cas de décès de la mère, la durée du congé coparental est au maximum égale à la durée du congé de maternité non encore épuisée par la mère. Le magistrat qui est le coparent de l'enfant et qui souhaite bénéficier du congé coparental en informe par écrit le chef de corps dans les sept jours à dater du décès de la mère. Cet écrit mentionne la date du début du congé coparental et sa durée probable. Un extrait de l'acte de décès de la mère est produit dans les meilleurs délais.
  § 3. En cas d'hospitalisation de la mère, le magistrat qui est le coparent de l'enfant peut bénéficier du congé coparental aux conditions suivantes:
  1° le nouveau-né doit avoir quitté l'hôpital;
  2° l'hospitalisation de la mère doit avoir une durée de plus de sept jours.
  Le congé coparental ne peut pas débuter avant le septième jour qui suit le jour de la naissance de l'enfant et se termine au moment où prend fin l'hospitalisation de la mère et au plus tard au terme de la partie du congé de maternité non encore épuisée par la mère.
  Le magistrat qui est le coparent de l'enfant et qui souhaite bénéficier du congé coparental en informe par écrit le chef de corps. Cet écrit mentionne la date du début du congé et sa durée probable. La demande de congé est appuyée par une attestation certifiant la durée de l'hospitalisation de la mère au-delà des sept jours qui suivent la date de l'accouchement et la date à laquelle le nouveau-né est sorti de l'hôpital.
  § 4. Le congé coparental est assimilé à une période d'activité de service."
Art. 32. In dezelfde afdeling IV wordt een artikel 331/22 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/22. Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van de magistrate de postnatale rustperiode verlengd worden met een duur gelijk aan de periode dat haar kind na die eerste zeven dagen in de verplegingsinrichting opgenomen blijft. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. Met dat doel bezorgt de magistrate aan de korpschef:
  1° bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen blijft na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met vermelding van de duur van de opname;
  2° in voorkomend geval een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting bij het einde van de verlenging die voortvloeit uit het bepaalde in dit lid waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verplegingsinrichting nog niet heeft mogen verlaten en met vermelding van de duur van de opname."
Art. 32. Dans la même section IV, il est inséré un article 331/22 rédigé comme suit:
  "Art. 331/22. Dans le cas où, après les sept premiers jours à compter de sa naissance, le nouveau-né doit rester dans l'établissement hospitalier, le congé de repos postnatal peut, à la demande de la magistrate, être prolongé d'une durée égale à la période pendant laquelle son enfant est resté hospitalisé après les sept premiers jours. La durée de cette prolongation ne peut pas dépasser vingt-quatre semaines. A cet effet, la magistrate remet au chef de corps:
  1° à la fin de la période de repos postnatal, une attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né est resté hospitalisé après les sept premiers jours à dater de sa naissance et mentionnant la durée de l'hospitalisation;
  2° le cas échéant, à la fin de la période de prolongation qui résulte des dispositions prévues dans le présent alinéa, une nouvelle attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né n'a pas encore pu quitter l'établissement hospitalier et mentionnant la durée de l'hospitalisation."
Art. 33. In dezelfde afdeling IV wordt een artikel 331/23 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/23. § 1. De magistrate heeft recht op een dienstvrijstelling om haar kind met moedermelk te voeden en/of melk af te kolven tot negen maanden na de geboorte van het kind.
  § 2. De borstvoedingspauze duurt een half uur. De magistrate die tijdens een werkdag vier uur of langer haar ambt uitoefent, heeft die dag recht op een pauze. De magistrate die tijdens een werkdag ten minste zeven en een half uur haar ambt uitoefent, heeft die dag recht op twee pauzes. Als de magistrate recht heeft op twee pauzes tijdens een werkdag, kan zij deze opnemen in één keer of twee keer tijdens die dag.
  De magistrate bepaalt in overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst welk(e) moment(en) van de dag zij de borstvoedingspauze(s) kan nemen.
  § 3. De magistrate die wenst de borstvoedingspauzes te genieten, brengt schriftelijk twee weken op voorhand de korpschef hiervan op de hoogte, tenzij deze op verzoek van de magistrate een kortere termijn aanvaardt.
  Het recht op borstvoedingspauzes wordt toegekend mits het bewijs van borstvoeding wordt geleverd. Het bewijs wordt vanaf het begin van de uitoefening van het recht op borstvoedingspauzes, naar keuze van de magistraat, geleverd door een attest van een consultatiebureau voor zuigelingen behorend tot Kind en Gezin, tot het Office de la Naissance et de l'Enfance of tot de Dienst für Kind und Familie of door een medisch getuigschrift.
  Nadien bezorgt de magistrate aan de korpschef elke maand een attest of een medisch getuigschrift, telkens op de datum waarop de uitoefening van het recht op borstvoedingspauzes voor het eerst is ingegaan."
Art. 33. Dans la même section IV, il est inséré un article 331/23 rédigé comme suit:
  "Art. 331/23. § 1er. La magistrate a droit à une dispense de service afin d'allaiter son enfant au lait maternel et/ou de tirer son lait jusqu'à neuf mois après la naissance de l'enfant.
  § 2. La pause d'allaitement dure une demi-heure. La magistrate qui exerce ses fonctions quatre heures ou plus par journée de travail a droit à une pause à prendre pendant ce même jour. La magistrate qui exerce ses fonctions au moins sept heures et demie par journée de travail a droit à deux pauses à prendre ce même jour. Lorsque la magistrate a droit à deux pauses au cours de la journée de travail, elle peut les prendre en une ou deux fois sur cette même journée.
  Le(s) moment(s) de la journée au(x)quel(s) la magistrate peut prendre la ou les pause(s) d'allaitement est (sont) à convenir entre la magistrate et le chef de corps et dans le respect des nécessités du service.
  § 3. La magistrate qui souhaite obtenir le bénéfice des pauses d'allaitement avertit par écrit deux semaines à l'avance le chef de corps à moins que celui-ci n'accepte de réduire ce délai à la demande de la magistrate.
  Le droit aux pauses d'allaitement est accordé moyennant la preuve de l'allaitement. La preuve de l'allaitement est, à partir du début de l'exercice du droit aux pauses d'allaitement, apportée, au choix de la magistrate, par une attestation d'un centre de consultation des nourrissons relevant de l'Office de la Naissance et de l'Enfance, de Kind en Gezin ou du Dienst für Kind und Familie, ou par un certificat médical.
  Une attestation ou un certificat médical doit ensuite être remis par la magistrate chaque mois au chef de corps, à la date anniversaire de l'exercice du droit aux pauses d'allaitement."
Art. 34. In dezelfde afdeling IV wordt een artikel 331/24 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/24. De zwangere magistrate die meent dat zij tijdens de uitoefening van haar ambt aan een risico wordt blootgesteld, kan de korpschef om een aanpassing van de werkomstandigheden verzoeken.
  De korpschef willigt dit verzoek in op voorlegging van een attest van de behandelende geneesheer."
Art. 34. Dans la même section IV, il est inséré un article 331/24 rédigé comme suit:
  "Art. 331/24. La magistrate enceinte qui estime être exposée à un risque pendant l'exercice de ses fonctions peut demander un aménagement des conditions de travail au chef de corps.
  Le chef de corps accepte cette demande sur production d'une attestation du médecin traitant."
Art. 35. In hoofdstuk IV, gewijzigd bij artikel 3, wordt een afdeling V ingevoegd, luidende "Ouderschapsverlof".
Art. 35. Dans le chapitre IV, modifié par l'article 3, il est inséré une section V intitulée "Congé parental".
Art. 36. In afdeling V, ingevoegd bij artikel 35, wordt een artikel 331/25 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/25. § 1. Aan de magistraat wordt, bij de geboorte of de adoptie van zijn kind een ouderschapsverlof toegekend dat kan genomen worden:
  - hetzij gedurende een periode van vier maanden als voltijds verlof; op vraag van de magistraat kan deze periode worden opgesplitst in maanden;
  - hetzij gedurende een periode van acht maanden als halftijds verlof; op vraag van de magistraat kan deze periode worden opgesplitst in periodes van twee maanden of een veelvoud hiervan;
  - hetzij gedurende een periode van twintig maanden als verlof van één vijfde; op vraag van de magistraat kan deze periode worden opgesplitst in periodes van vijf maanden of een veelvoud hiervan;
  - hetzij gedurende een periode van veertig maanden als verlof van één tiende; op vraag van de magistraat kan deze periode worden opgesplitst in periodes van tien maanden of een veelvoud hiervan.
  De magistraat heeft de mogelijkheid om bij het opnemen van zijn ouderschapsverlof gebruik te maken van de verschillende modaliteiten vermeld in het eerste lid. Bij een wijziging van opnamevorm moet rekening worden gehouden met het principe dat een maand voltijds verlof gelijk is aan twee maanden halftijds verlof, gelijk is aan vijf maanden verlof van één vijfde en gelijk is aan tien maanden verlof van één tiende.
  § 2. De magistraat heeft recht op ouderschapsverlof:
  - naar aanleiding van de geboorte van zijn kind tot het kind twaalf jaar wordt;
  - in het kader van de adoptie van een kind gedurende een periode die loopt vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de magistraat zijn verblijfplaats heeft, tot het kind twaalf jaar wordt.
  § 3. Wanneer het kind voor ten minste 66 % getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft, die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag of dat ten minste negen punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag, is er geen leeftijdsgrens.
  § 4. Aan de voorwaarde van de twaalfde verjaardag moet voldaan zijn uiterlijk gedurende de periode van het ouderschapsverlof.
  § 5. Het in dit artikel beoogde ouderschapsverlof wordt niet bezoldigd; voor het overige wordt het gelijkgesteld aan een periode van dienstactiviteit.
  § 6. De magistraat die een ouderschapsverlof geniet in toepassing van dit artikel, ontvangt maandelijks van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de uitkering die wordt toegekend aan de personeelsleden van het openbaar ambt.
  De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de aanvraag van de uitkering en de procedure."
Art. 36. Dans la section V, insérée par l'article 35, il est inséré un article 331/25 rédigé comme suit:
  "Art. 331/25. § 1er. Le magistrat, au moment de la naissance ou de l'adoption de son enfant, se voit accorder un congé parental qui peut être pris:
  - soit sous la forme d'un congé à temps plein durant une période de quatre mois; à la demande du magistrat, cette période peut être fractionnée par mois;
  - soit sous la forme d'un congé à mi-temps durant une période de huit mois; à la demande du magistrat, cette période peut être fractionnée en périodes de deux mois ou un multiple de ce chiffre;
  - soit sous la forme d'un congé d'un cinquième durant une période de vingt mois; à la demande du magistrat, cette période peut être fractionnée en périodes de cinq mois ou un multiple de ce chiffre;
  - soit sous la forme d'un congé d'un dixième durant une période de quarante mois; à la demande du magistrat, cette période peut être fractionnée en périodes de dix mois ou un multiple de ce chiffre.
  Le magistrat a la possibilité dans le cadre de l'exercice de son droit au congé parental de faire usage des différentes modalités prévues à l'alinéa 1er. Lors d'un changement de forme, il convient de tenir compte du principe qu'un mois de congé à temps plein est équivalent à deux mois de congé à mi-temps, à cinq mois de congé à raison d'un cinquième et à dix mois de congé à raison d'un dixième.
  § 2. Le magistrat a droit au congé parental:
  - en raison de la naissance de son enfant, jusqu'à ce que l'enfant atteigne son douzième anniversaire;
  - en raison de l'adoption d'un enfant, pendant une période qui court à partir de l'inscription de l'enfant comme faisant partie de son ménage, au registre de la population ou au registre des étrangers de la commune où le magistrat a sa résidence, jusqu'à ce que l'enfant atteigne son douzième anniversaire.
  § 3. Lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins quatre points sont reconnus dans le pilier I de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ou que neuf points au moins sont reconnus dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médicosociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales, il n'y a pas de limite d'âge.
  § 4. La condition du douzième anniversaire doit être satisfaite au plus tard pendant la période de congé parental.
  § 5. Le congé parental visé dans le présent article n'est pas rémunéré; il est assimilé pour le surplus à une période d'activité de service.
  § 6. Le magistrat qui bénéficie d'un congé parental en application du présent article perçoit mensuellement de l'Office national de l'emploi l'allocation qui est accordée aux membres du personnel de la fonction publique.
  Le Roi détermine les modalités de demande de l'allocation et la procédure."
Art. 37. In dezelfde afdeling V wordt een artikel 331/26 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/26. De magistraat die een ouderschapsverlof met toepassing van artikel 331/25 wenst te genieten, deelt aan de korpschef de datum mee waarop hij wenst dat het verlof zal aanvangen en de duur ervan.
  Die mededeling gebeurt schriftelijk en minstens twee maanden vóór de aanvang van het verlof, tenzij de korpschef op verzoek van de magistraat een kortere termijn aanvaardt. Voor elke verlenging wordt een aanvraag van de betrokken magistraat vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van de lopende periode worden ingediend.
  Het verlof wordt vastgelegd in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst."
Art. 37. Dans la même section V, il est inséré un article 331/26 rédigé comme suit:
  "Art. 331/26. Le magistrat qui désire bénéficier d'un congé parental par application de l'article 331/25 communique au chef de corps la date à laquelle il souhaite que le congé commence et la durée de celui-ci.
  Cette communication se fait par écrit et au moins deux mois avant le début du congé, à moins que le chef de corps n'accepte un délai plus court à la demande du magistrat. Pour chaque prolongation, une demande du magistrat concerné est requise. Elle doit être introduite au moins un mois avant l'expiration de la période en cours.
  Le congé est fixé en concertation avec le chef de corps et dans le respect des nécessités du service."
Art. 38. In hoofdstuk IV, gewijzigd bij artikel 3, wordt een afdeling VI ingevoegd, luidende "Adoptieverlof, opvangverlof, pleegouderverlof en pleegzorgverlof".
Art. 38. Dans le chapitre IV, modifié par l'article 3, il est inséré une section VI intitulée "Congé d'adoption, congé d'accueil, congé parental d'accueil et congé pour soins d'accueil".
Art. 39. In afdeling VI, ingevoegd bij artikel 38, wordt een artikel 331/27 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/27. § 1. Een adoptieverlof wordt toegekend gedurende een periode van maximum negen weken aan de magistraat die een minderjarig kind adopteert.
  Het adoptieverlof van negen weken per adoptieouder wordt als volgt opgetrokken voor de adoptieouder of voor beide adoptieouders samen: met een week vanaf 1 januari 2025 en met twee weken vanaf 1 januari 2027.
  In geval van twee adoptieouders worden de bijkomende weken bedoeld in het tweede lid onderling tussen hen verdeeld.
  Het tweede lid is enkel van toepassing op aanvragen gebeurd overeenkomstig paragraaf 2 vanaf de inwerkingtreding van de betrokken optrekking en voor zover het adoptieverlof ten vroegste aanvangt vanaf diezelfde datum van inwerkingtreding.
  Het verlof kan worden gesplitst in weken en dient te worden genomen uiterlijk binnen de zeven maanden na de opname van het kind in het gezin van de magistraat. In het kader van een interlandelijke adoptie kan de magistraat op zijn vraag ten hoogste vier weken van dit verlof opnemen vooraleer het kind effectief in het gezin wordt opgenomen om de daadwerkelijke opvang van kind in zijn gezin voor te bereiden.
  § 2. De magistraat die het verlof wenst te genieten met toepassing van dit artikel deelt aan de korpschef de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. De mededeling gebeurt schriftelijk minstens een maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de korpschef op verzoek van de magistraat een kortere termijn aanvaardt.
  De magistraat dient de volgende documenten voor te leggen:
  1° een attest, uitgereikt door de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap waarin de toewijzing van het kind aan de magistraat wordt bevestigd, om het verlof van ten hoogste vier weken te verkrijgen vooraleer het kind wordt opgenomen in het gezin;
  2° een attest dat de inschrijving van het kind in het bevolkings- of vreemdelingenregister bevestigt, om het resterend verlof te kunnen opnemen;
  3° een verklaring op eer die, al naargelang het geval, de verdeling van de bijkomende weken adoptieverlof tussen de twee adoptieouders of de toewijzing van deze weken aan de enige adoptieouder die van dit verlof gebruik maakt, vastlegt. Deze verklaring op eer is enkel nodig als het adoptiegezin bestaat uit twee adoptieouders.
  Het verlof wordt vastgelegd in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst.
  § 3. De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld, wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten worden toegekend in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag of dat ten minste negen punten worden toegekend in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag.
  De maximumduur van het adoptieverlof wordt met twee weken per adoptieouder verlengd bij de gelijktijdige adoptie van meerdere minderjarige kinderen.
  De maximumduur van het adoptieverlof wordt verminderd met vier weken, wanneer de magistraat voor hetzelfde kind een omstandigheidsverlof met toepassing van artikel 331/12, eerste lid, 2°, of een geboorteverlof in toepassing van artikel 30, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten heeft genoten.
  De maximumduur van het adoptieverlof wordt verminderd met het aantal weken opvangverlof met toepassing van artikel 331/28 dat de magistraat reeds heeft genoten voor hetzelfde kind."
Art. 39. Dans la section VI, insérée par l'article 38, il est inséré un article 331/27 rédigé comme suit:
  "Art. 331/27. § 1er. Un congé d'adoption est accordé pendant une période de maximum neuf semaines au magistrat qui adopte un enfant mineur.
  Le congé d'adoption de neuf semaines par parent adoptif est allongé, comme suit, pour le parent adoptif ou pour les deux parents adoptifs ensemble: d'une semaine à partir du 1er janvier 2025 et de deux semaines à partir du 1er janvier 2027.
  S'il y a deux parents adoptifs, ceux-ci se répartissent entre eux les semaines supplémentaires visées à l'alinéa 2.
  L'alinéa 2 ne s'applique qu'aux demandes introduites conformément au paragraphe 2 à partir de l'entrée en vigueur de l'allongement concerné et pour autant que le congé d'adoption prenne cours au plus tôt à partir de la même date d'entrée en vigueur.
  Le congé peut être fractionné par semaine et doit être pris au plus tard dans les sept mois qui suivent l'accueil de l'enfant dans la famille du magistrat. Dans le cadre d'une adoption internationale, le magistrat peut, à sa demande, prendre maximum quatre semaines de ce congé avant que l'enfant ne soit effectivement accueilli dans la famille afin de préparer l'accueil effectif de l'enfant dans sa famille.
  § 2. Le magistrat qui souhaite bénéficier du congé par application du présent article communique au chef de corps la date à laquelle le congé prendra cours et sa durée. Cette communication se fait par écrit au moins un mois avant le début du congé, à moins que le chef de corps n'accepte un délai plus court à la demande du magistrat.
  Le magistrat doit présenter les documents suivants:
  1° une attestation, délivrée par l'autorité centrale communautaire compétente, qui confirme l'attribution de l'enfant au magistrat, pour obtenir le congé de quatre semaines au plus avant que l'enfant ne soit accueilli dans la famille;
  2° une attestation qui confirme l'inscription de l'enfant au registre de la population ou au registre des étrangers, pour pouvoir prendre le congé restant;
  3° une déclaration sur l'honneur attestant, selon le cas, de la répartition des semaines supplémentaires de congé d'adoption entre les deux parents adoptifs ou de l'attribution de ces semaines au seul parent adoptif qui utilise ce congé. Cette déclaration sur l'honneur n'est nécessaire que si la famille adoptive se compose de deux parents adoptifs.
  Le congé est fixé en concertation avec le chef de corps et dans le respect des nécessités du service.
  § 3. La durée maximum du congé d'adoption est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins quatre points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ou qu'au moins neuf points sont reconnus dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
  La durée maximale du congé d'adoption est allongée de deux semaines par parent adoptif en cas d'adoption simultanée de plusieurs enfants mineurs.
  La durée maximum du congé d'adoption est réduite de quatre semaines, lorsque le magistrat a obtenu pour le même enfant un congé de circonstances en application de l'article 331/12, alinéa 1er, 2°, ou un congé à l'occasion d'une naissance en application de l'article 30, § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
  La durée maximum du congé d'adoption est réduite du nombre de semaines de congé d'accueil en application de l'article 331/28, que le magistrat a déjà obtenu pour le même enfant."
Art. 40. In dezelfde afdeling VI wordt een artikel 331/28 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/28. Een opvangverlof wordt toegekend aan de magistraat die de pleegvoogdij opneemt van een kind beneden de tien jaar.
  Het verlof bedraagt ten hoogste zes weken voor een kind beneden de drie jaar en ten hoogste vier weken in de andere gevallen. Het verlof vangt aan op de dag dat het kind in het gezin wordt opgenomen en kan niet gesplitst worden.
  De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag of dat ten minste negen punten worden toegekend in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag.
  Het opvangverlof wordt verminderd met het aantal werkdagen pleegzorgverlof dat reeds opgenomen werd in hetzelfde jaar voor hetzelfde kind met toepassing van artikel 331/29 en met toepassing van artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
  Het verlof wordt vastgelegd in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst."
Art. 40. Dans la même section VI, il est inséré un article 331/28, rédigé comme suit:
  "Art. 331/28. Un congé d'accueil est accordé au magistrat qui assure la tutelle officieuse d'un enfant de moins de dix ans.
  Le congé est de six semaines au plus pour un enfant de moins de trois ans et de quatre semaines au plus dans les autres cas. Le congé débute le jour où l'enfant est accueilli dans la famille et ne peut pas être fractionné.
  La durée maximum du congé d'accueil est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins quatre points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ou que neuf points au moins sont reconnus dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
  Le congé d'accueil est réduit du nombre de jours ouvrables de congé pour soins d'accueil qui ont déjà été pris au cours de la même année pour le même enfant en application de l'article 331/29 et en application de l'article 30quater de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
  Le congé est fixé en concertation avec le chef de corps et dans le respect des nécessités du service."
Art. 41. In dezelfde afdeling VI wordt een artikel 331/29 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/29. § 1. Een pleegzorgverlof wordt toegekend aan de magistraat die is aangesteld als pleegouder voor de vervulling van de verplichtingen en opdrachten of om het hoofd te bieden aan situaties die voortvloeien uit de plaatsing in zijn gezin van een of meerdere personen die in het kader van die pleegzorg aan hem zijn toevertrouwd.
  De duur van het verlof mag zes werkdagen per jaar niet overschrijden.
  Het pleegzorgverlof wordt verminderd met het aantal werkdagen opvangverlof met toepassing van artikel 331/28 dat reeds opgenomen werd in hetzelfde jaar voor hetzelfde kind.
  § 2. Onder pleeggezin moet worden verstaan, het gezin van de persoon of van de personen die als pleegouder werd(en) aangesteld in de zin van paragraaf 1, eerste lid.
  De plaatsing omvat alle vormen van plaatsing in het gezin waartoe kan worden besloten in het kader van een pleegzorgmaatregel, zowel de plaatsing van minderjarige personen, als de plaatsing van personen met een handicap.
  § 3. De soorten verplichtingen, opdrachten en situaties waarvoor het pleegzorgverlof geldt, hebben betrekking op de volgende gebeurtenissen die specifiek verband houden met de pleegzorgsituatie en waarbij de tussenkomst van de magistraat vereist is, en dit voor zover dit niet kan plaatsvinden buiten de diensturen:
  1° alle soorten van zittingen bij de gerechtelijke en administratieve autoriteiten die bevoegd zijn voor het pleeggezin;
  2° contacten van de pleegouder of het pleeggezin met de ouders of met derden die belangrijk zijn voor het pleegkind of de pleeggast;
  3° contacten met de dienst voor pleegzorg.
  In andere dan de hiervoor vermelde situaties geldt het recht op verlof slechts voor zover de bevoegde plaatsingsdienst een attest aflevert dat verduidelijkt waarom dergelijk verlof noodzakelijk is.
  § 4. De magistraat die gebruik maakt van het verlof met het oog op het verstrekken van pleegzorgen, is ertoe gehouden de korpschef hiervan ten minste twee weken op voorhand te verwittigen. Indien dit niet mogelijk is, moet hij de korpschef zo spoedig mogelijk verwittigen.
  Om het verlof te kunnen genieten moet de magistraat het bewijs leveren dat hij pleegouder is aan de hand van de officiële aanstellingsbeslissing uitgaande van één van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde instellingen.
  Op verzoek van de korpschef, levert de magistraat aan de hand van de gepaste documenten of bij gebreke hieraan, door ieder ander bewijsmiddel, het bewijs van de gebeurtenissen die zijn afwezigheid rechtvaardigen.
  Het verlof wordt genomen in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst."
Art. 41. Dans la même section VI, il est inséré un article 331/29 rédigé comme suit:
  "Art. 331/29. § 1er. Un congé pour soins d'accueil est accordé au magistrat qui a été désigné comme parent d'accueil pour remplir les obligations et les missions ou pour faire face à des situations qui découlent du placement dans sa famille d'une ou de plusieurs personnes qui lui ont été confiées dans le cadre de ce placement.
  La durée du congé ne peut pas dépasser six jours ouvrables par an.
  Le congé pour soins d'accueil est réduit du nombre de jours ouvrables de congé d'accueil en application de l'article 331/28 qui ont déjà été pris au cours de la même année pour le même enfant.
  § 2. Par famille d'accueil, il faut entendre la famille de la personne ou des personnes désignée(s) comme parent(s) d'accueil au sens du paragraphe 1er, alinéa 1er.
  Le placement comprend toutes les formes de placement dans la famille qui peuvent être décidées dans le cadre d'une mesure de placement, aussi bien le placement de personnes mineures, que le placement de personnes handicapées.
  § 3. Les types d'obligations, de missions et de situations pour lesquels le congé pour soins d'accueil est prévu, concernent les événements suivants qui sont en rapport avec la situation de placement et dans lesquels l'intervention du magistrat est requise, et ce pour autant que cela ne puisse se faire en dehors des heures de service:
  1° tous types d'audience auprès des autorités judiciaires et administratives ayant compétence auprès de la famille d'accueil;
  2° les contacts du parent d'accueil ou de la famille d'accueil avec les parents ou des tiers qui sont importants pour l'enfant placé ou la personne placée;
  3° les contacts avec le service de placement.
  Dans les situations autres que celles mentionnées ci-dessus, le droit au congé ne s'applique que pour autant que le service de placement compétent délivre une attestation qui précise pourquoi un tel congé est nécessaire.
  § 4. Le magistrat qui fait usage du congé dans le but de dispenser des soins d'accueil est tenu d'en informer le chef de corps au moins deux semaines à l'avance. Dans le cas où il n'en a pas la possibilité, il doit avertir le chef de corps le plus vite possible.
  Pour pouvoir bénéficier du congé, le magistrat doit prouver qu'il est parent d'accueil, au moyen d'une décision de désignation officielle émanant d'un des organismes visés au paragraphe 1er, alinéa 1er.
  A la demande du chef de corps, le magistrat apporte la preuve de l'événement qui légitime son absence à l'aide des documents appropriés ou, à défaut, par tout autre moyen de preuve.
  Le congé est pris en concertation avec le chef de corps et dans le respect des nécessités du service."
Art. 42. In dezelfde afdeling VI wordt een artikel 331/30 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/30. § 1. Onverminderd artikel 331/29, heeft de magistraat die is aangesteld als pleegouder en die naar aanleiding van een plaatsing in het kader van een langdurige pleegzorg een minderjarig kind in zijn gezin onthaalt, met het oog op de zorg voor dit kind, eenmalig recht op pleegouderverlof gedurende een aaneengesloten periode van maximum negen weken.
  Indien de magistraat ervoor kiest om niet het toegestane maximum aantal weken pleegouderverlof op te nemen, dient het verlof ten minste een week of een veelvoud van een week te bedragen.
  Het pleegouderverlof van negen weken per ouder wordt als volgt opgetrokken voor de pleegouder of voor beide pleegouders samen: met een week vanaf 1 januari 2025, en met twee weken vanaf 1 januari 2027.
  Het derde lid is enkel van toepassing op aanvragen gebeurd overeenkomstig paragraaf 2 vanaf de inwerkingtreding van de betrokken optrekking en voor zover het pleegouderverlof ten vroegste aanvangt vanaf diezelfde datum van inwerkingtreding.
  Indien het pleeggezin bestaat uit twee personen, die beiden zijn aangesteld als pleegouder van het kind, worden de bijkomende weken bedoeld in het derde lid onderling tussen hen verdeeld.
  § 2. Om het recht op pleegouderverlof te kunnen uitoefenen, moet dit verlof een aanvang nemen binnen twaalf maanden volgend op de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin van de magistraat in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar hij zijn verblijfplaats heeft.
  De magistraat die het verlof wenst te genieten deelt aan de korpschef de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. De mededeling gebeurt schriftelijk minstens een maand voor de aanvang van het verlof, tenzij de korpschef op verzoek van de magistraat een kortere termijn aanvaardt.
  De magistraat dient, ten laatste bij de aanvang van het pleegouderverlof, de volgende documenten voor te leggen:
  1° de documenten ter staving van de gebeurtenis die het recht op pleegouderverlof doet ontstaan;
  2° een verklaring op eer die, al naargelang het geval, de verdeling vastlegt van de bijkomende weken pleegouderverlof tussen de twee pleegouders of de toewijzing van deze weken aan de enige pleegouder die van dit verlof gebruik maakt. Deze verklaring op eer is enkel nodig als het pleeggezin bestaat uit twee pleegouders.
  Het verlof wordt genomen in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst.
  § 3. De maximumduur van het pleegouderverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten worden toegekend in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag of dat ten minste negen punten worden toegekend in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag.
  De maximumduur van het pleegouderverlof wordt met twee weken per pleegouder verlengd in het geval van gelijktijdig onthaal van meerdere minderjarige kinderen in het kader van langdurige pleegzorg.
  De maximumduur van het pleegouderverlof wordt verminderd met het aantal weken opvangverlof met toepassing van artikel 331/28 dat de magistraat reeds heeft genoten voor hetzelfde kind."
Art. 42. Dans la même section VI, il est inséré un article 331/30, rédigé comme suit:
  "Art. 331/30. § 1er. Sans préjudice de l'article 331/29, le magistrat qui est désigné comme parent d'accueil et qui dans le cadre d'un placement familial de longue durée, accueille un enfant mineur dans sa famille, a droit une seule fois, pour prendre soin de cet enfant, à un congé parental d'accueil pendant une période ininterrompue de maximum neuf semaines.
  Dans le cas où le magistrat choisit de ne pas prendre le nombre maximal de semaines prévues dans le cadre du congé parental d'accueil, le congé doit être au moins d'une semaine ou d'un multiple d'une semaine.
  Le congé parental d'accueil de neuf semaines par parent est allongé pour le parent d'accueil ou pour les deux parents d'accueil ensemble d'une semaine à partir du 1er janvier 2025 et de deux semaines à partir du 1er janvier 2027.
  L'alinéa 3 ne s'applique qu'aux demandes introduites conformément au paragraphe 2 à partir de l'entrée en vigueur de l'allongement concerné et pour autant que le congé parental d'accueil prenne cours au plus tôt à partir de la même date d'entrée en vigueur.
  Si la famille d'accueil comprend deux personnes, qui sont désignées ensemble comme parent d'accueil de l'enfant, ceux-ci se répartissent entre eux les semaines supplémentaires visées à l'alinéa 3.
  § 2. Pour pouvoir exercer le droit au congé parental d'accueil, ce congé doit prendre cours dans les douze mois qui suivent l'inscription de l'enfant comme faisant partie du ménage du magistrat dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers de sa commune de résidence.
  Le magistrat qui souhaite bénéficier du congé communique au chef de corps la date à laquelle le congé prendra cours et sa durée. La communication se fait par écrit au minimum un mois avant le début du congé, sauf si le chef de corps accepte un délai plus court à la demande du magistrat.
  Le magistrat doit, au plus tard au début du congé parental d'accueil, présenter les documents suivants:
  1° les documents attestant l'événement qui ouvre le droit au congé parental d'accueil;
  2° une déclaration sur l'honneur attestant, selon le cas, de la répartition des semaines supplémentaires de congé parental d'accueil entre les deux parents d'accueil ou de l'attribution de ces semaines au seul parent d'accueil qui utilise ce congé. Cette déclaration sur l'honneur n'est nécessaire que si la famille d'accueil se compose de deux parents d'accueil.
  Le congé est pris en concertation avec le chef de corps et dans le respect des nécessités du service.
  § 3. La durée maximale du congé parental d'accueil est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins quatre points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ou qu'au moins neuf points sont reconnus dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médicosociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
  La durée maximale du congé parental d'accueil est allongée de deux semaines par parent d'accueil en cas d'accueil simultané de plusieurs enfants mineurs dans le cadre d'un placement familial de longue durée.
  La durée maximum du congé parental d'accueil est réduite du nombre de semaines de congé d'accueil en application de l'article 331/28, que le magistrat a déjà obtenu pour le même enfant."
Art. 43. In dezelfde afdeling VI wordt een artikel 331/31 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/31. Het adoptieverlof, het opvangverlof, het pleegzorgverlof en het pleegouderverlof worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit."
Art. 43. Dans la même section VI, il est inséré un article 331/31 rédigé comme suit:
  "Art. 331/31. Le congé d'adoption, le congé d'accueil, le congé pour soins d'accueil et le congé parental d'accueil sont assimilés à une période d'activité de service."
Art. 44. In hoofdstuk IV, gewijzigd bij artikel 3, wordt een afdeling VII ingevoegd, luidende "Verlof wegens ziekte".
Art. 44. Dans le chapitre IV, modifié par l'article 3, il est inséré une section VII intitulée "Congé de maladie".
Art. 45. In afdeling VII, ingevoegd bij artikel 44, wordt een onderafdeling I ingevoegd, luidende "Algemene bepalingen".
Art. 45. Dans la section VII, insérée par l'article 44, il est inséré une sous-section Ire intitulée "Dispositions générales".
Art. 46. In onderafdeling I, ingevoegd bij artikel 45, wordt een artikel 331/32 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/32. § 1. De magistraat, die wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, is verplicht de korpschef hiervan onmiddellijk op de hoogte te brengen.
  Voor een afwezigheid wegens ziekte of ongeval die langer duurt dan drie werkdagen, dient de magistraat zo snel mogelijk een geneeskundig getuigschrift in bij het Bestuur van de medische expertise zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 1 december 2013 houdende regeling van het Bestuur voor medische expertise. Het geneeskundig getuigschrift maakt melding van de ziekte, de waarschijnlijke duur ervan, de verblijfplaats van de magistraat en of deze zich met het oog op de controle al dan niet naar een andere plaats mag begeven.
  § 2. De magistraat die wegens ziekte of ongeval afwezig is, staat onder het geneeskundig toezicht van het Bestuur van de medische expertise zoals bedoeld in paragraaf 1, overeenkomstig de artikelen 331/34 tot 331/36.
  Het Bestuur van de medische expertise wordt aangewezen om de controle uit te voeren op de afwezigheden ten gevolge van ziekte of ongeval."
Art. 46. Dans la sous-section Ire, insérée par l'article 45, il est inséré un article 331/32 rédigé comme suit:
  "Art. 331/32. § 1er. Le magistrat qui, par suite de maladie ou d'accident, est empêché d'exercer normalement sa fonction, est tenu d'en informer le chef de corps immédiatement.
  Pour une absence pour maladie ou accident d'une durée supérieure à trois jours ouvrables, le magistrat introduit le plus rapidement possible un certificat médical auprès de l'Administration de l'expertise médicale telle que visée dans l'arrêté royal organique du 1er décembre 2013 de l'Administration de l'expertise médicale. Le certificat médical mentionne la maladie, la durée probable de celle-ci, la résidence du magistrat et si le magistrat peut se déplacer ou non en vue d'un contrôle.
  § 2. Le magistrat absent pour maladie ou accident est sous le contrôle médical de l'Administration de l'expertise médicale telle que visée au paragraphe 1er, conformément aux articles 331/34 à 331/36.
  L'Administration de l'expertise médicale est désignée pour contrôler les absences par suite de maladie ou d'accident."
Art. 47. In dezelfde onderafdeling I wordt een artikel 331/33 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/33. § 1. De afwezigheid wegens ziekte of ongeval wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
  Indien de magistraat nalaat een geneeskundig getuigschrift in te dienen bij het Bestuur van de medische expertise overeenkomstig artikel 331/32, § 1, tweede lid, dan bevindt hij zich van rechtswege in non-activiteit.
  § 2. Het verlof wegens ziekte maakt geen einde aan de deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar bedoeld in afdeling IX.
  De magistraat blijft de voor zijn verminderde prestaties verschuldigde wedde met toelagen en premies ontvangen."
Art. 47. Dans la même sous-section Ire, il est inséré un article 331/33 rédigé comme suit:
  "Art. 331/33. § 1er. L'absence par suite de maladie ou d'accident est assimilée à une période d'activité de service.
  Si le magistrat omet d'introduire un certificat médical auprès de l'Administration de l'expertise médicale conformément à l'article 331/32, § 1er, alinéa 2, il se trouve de plein droit en non-activité.
  § 2. Le congé de maladie ne met pas fin à l'exercice à temps partiel de la fonction à partir de cinquante-sept ou soixante ans visé dans la section IX.
  Le magistrat continue à percevoir le traitement dû en raison des prestations réduites avec des allocations et des primes."
Art. 48. In dezelfde onderafdeling I wordt een artikel 331/34 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/34. § 1. De magistraat is verplicht de arts die aangeduid is door het Bestuur van de medische expertise en die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde, hierna de controlearts genoemd, te ontvangen of in te gaan op de oproep om zich aan te melden bij de controlearts. De magistraat kan het medisch onderzoek niet weigeren.
  De controle van de magistraat kan gebeuren op vraag van de korpschef of op initiatief van het Bestuur van de medische expertise.
  De controle van de magistraat kan gebeuren vanaf de eerste dag van de afwezigheid en tijdens de volledige periode van de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval.
  Het medisch onderzoek vindt plaats in de woon- of verblijfplaats van de magistraat. Wanneer de arts die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd, oordeelt dat de gezondheidstoestand van de magistraat hem toelaat zich naar een andere plaats te begeven, dan kan de magistraat ook worden opgeroepen door het Bestuur van de medische expertise om zich voor een onderzoek aan te melden bij de controlearts. Wanneer de controlearts de magistraat niet aantreft op de aangegeven woon- of verblijfplaats, dan laat hij een bericht achter. Behoudens wanneer de arts die het geneeskundig getuigschrift aan de magistraat heeft afgeleverd, oordeelt dat zijn gezondheidstoestand hem niet toelaat zich naar een andere plaats te begeven, moet de magistraat zich op het vermelde uur aanmelden bij de controlearts.
  Wanneer de magistraat zich niet naar een andere plaats mag begeven, maar op het ogenblik van de controle afwezig was, wegens redenen van overmacht, brengt hij de controlearts onmiddellijk hiervan op de hoogte, zodat een nieuwe controle kan plaatshebben.
  De magistraat die het medisch onderzoek weigert of die het de controlearts onmogelijk maakt om het medisch onderzoek uit te voeren, wordt van rechtswege in non-activiteit geplaatst.
  § 2. De controlearts gaat na of de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval gerechtvaardigd is en kan daarbij hoogstens constateren dat:
  1° de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval medisch gerechtvaardigd is;
  2° de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval medisch gerechtvaardigd is voor een kortere periode dan vermeld werd in het geneeskundig getuigschrift;
  3° de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval medisch ongerechtvaardigd is.
  De controlearts oefent zijn opdracht uit overeenkomstig artikel 3 van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde.
  De controlearts overhandigt onmiddellijk, eventueel na raadpleging van diegene die het in artikel 331/32, § 1, tweede lid, bedoelde geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd, zijn bevindingen schriftelijk aan de magistraat. Indien de magistraat op dat ogenblik kenbaar maakt dat hij niet akkoord gaat met de bevindingen van de controlearts, wordt dit door deze laatste vermeld op voornoemd geschrift.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 2° en 3°, gaat de ambtshervatting in respectievelijk op de door de controlearts vastgestelde datum of, onverminderd artikel 331/35, op de eerste dag volgend op het onderzoek.
  Wanneer de magistraat een dag afwezig is ten gevolge van ziekte of ongeval en geen arts heeft geraadpleegd, en de controlearts oordeelt na medisch onderzoek dat de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval niet gerechtvaardigd is, dan bevindt de magistraat zich van rechtswege in non-activiteit.
  Niettemin kan de magistraat opteren voor het gebruik van een dag jaarlijks vakantieverlof met akkoord van de korpschef, per afwezigheid van een dag waarvoor de magistraat geen arts geraadpleegd heeft wanneer de controlearts geoordeeld heeft dat de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval ongerechtvaardigd is."
Art. 48. Dans la même sous-section Ire, il est inséré un article 331/34 rédigé comme suit:
  "Art. 331/34. § 1er. Le magistrat est tenu de recevoir le médecin désigné par l'Administration de l'expertise médicale satisfaisant aux dispositions de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle, dénommé ci-après médecin-contrôleur, ou de répondre à la convocation lui demandant de se présenter auprès de ce médecin-contrôleur. Le magistrat ne peut pas refuser l'examen médical.
  Le contrôle du magistrat peut se faire à la demande du chef de corps ou à l'initiative de l'Administration de l'expertise médicale.
  Le contrôle du magistrat peut se faire à partir du premier jour d'absence et pendant la totalité de la période d'absence par suite de maladie ou d'accident.
  L'examen médical a lieu au domicile ou au lieu de résidence du magistrat. Lorsque le médecin qui a délivré le certificat médical estime que l'état de santé du magistrat lui permet de se déplacer, le magistrat peut aussi être convoqué par l'Administration de l'expertise médicale à se présenter chez le médecin-contrôleur pour un examen médical. Lorsque le médecin-contrôleur ne trouve pas le magistrat au domicile ou au lieu de résidence indiqué, il laisse un message. Sauf dans le cas où le médecin qui a délivré le certificat médical au magistrat estime que son état de santé ne lui permet pas de se déplacer, le magistrat doit se rendre chez le médecin-contrôleur à l'heure indiquée.
  Lorsque le magistrat ne peut pas se déplacer, mais était absent lors du contrôle pour cas de force majeure, il en informe immédiatement le médecin-contrôleur, afin qu'un nouveau contrôle puisse avoir lieu.
  Le magistrat qui refuse ou rend impossible l'exécution de l'examen médical par le médecin-contrôleur est placé de plein droit en non-activité.
  § 2. Le médecin-contrôleur vérifie si l'absence par suite de maladie ou d'accident est justifiée et peut constater tout au plus à cet égard que:
  1° l'absence par suite de maladie ou d'accident est médicalement justifiée;
  2° l'absence par suite de maladie ou d'accident est médicalement justifiée pour une période plus courte que celle mentionnée sur le certificat médical;
  3° l'absence par suite de maladie ou d'accident est médicalement injustifiée.
  Le médecin-contrôleur exerce sa mission conformément à l'article 3 de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle.
  Le médecin-contrôleur remet immédiatement, éventuellement après consultation de celui qui a délivré le certificat médical visé à l'article 331/32, § 1er, alinéa 2, ses constatations écrites au magistrat. Si le magistrat ne peut pas à ce moment marquer son accord avec les constatations du médecin-contrôleur, ceci sera acté par ce dernier sur l'écrit précité.
  Dans les cas visés à l'alinéa 1er, 2° et 3°, la reprise des fonctions prend respectivement cours à la date fixée par le médecin-contrôleur ou, sans préjudice de l'article 331/35, le premier jour suivant celui de l'examen.
  Lorsque le magistrat est absent un jour par suite de maladie ou d'accident et qu'il ne s'est pas fait examiner par un médecin, et que le médecin-contrôleur estime après examen médical que l'absence par suite de maladie ou d'accident n'est pas justifiée, le magistrat se trouve de plein droit en non-activité.
  Le magistrat peut toutefois opter pour l'utilisation d'un jour de congé annuel de vacances avec l'accord du chef de corps, par absence d'un jour pour laquelle il ne s'est pas fait examiner par un médecin lorsque le médecin-contrôleur a estimé que l'absence par suite de maladie ou d'accident n'est pas justifiée."
Art. 49. In dezelfde onderafdeling I wordt een artikel 331/35 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/35. Binnen twee werkdagen na de overhandiging van de bevindingen door de controlearts, kan de meest belanghebbende partij met het oog op het beslechten van het medische geschil en in onderling akkoord een arts-scheidsrechter aanwijzen. Indien geen akkoord kan worden bereikt binnen de twee werkdagen kan de meest belanghebbende partij met het oog op het beslechten van het medisch geschil een arts-scheidsrechter aanwijzen die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde en voorkomt op de lijst die in uitvoering van voornoemde wet werd vastgesteld.
  Het Bestuur van de medische expertise kan de controlearts en de magistraat kan diegene die hem het geneeskundig getuigschrift overhandigd heeft, uitdrukkelijk machtiging geven om de arts-scheidsrechter aan te wijzen.
  De arts-scheidsrechter voert het medisch onderzoek uit en beslist in het medisch geschil binnen drie werkdagen na zijn aanwijzing. Alle andere vaststellingen blijven onder het beroepsgeheim.
  Indien de arts-scheidsrechter een negatieve beslissing neemt, wordt de periode tussen de datum van ambtshervatting bepaald door de controlearts en de datum van de beslissing van de arts-scheidsrechter, omgezet in non-activiteit.
  De kosten van deze procedure, alsmede de eventuele verplaatsingskosten van de magistraat, vallen ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.
  De arts-scheidsrechter brengt diegene die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd en de controlearts op de hoogte van zijn beslissing. Het Bestuur van de medische expertise en de magistraat worden schriftelijk verwittigd bij een aangetekende zending en wanneer ze elektronisch gebeurt, via een gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging in de zin van artikel 3.37. van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG."
Art. 49. Dans la même sous-section Ire, il est inséré un article 331/35 rédigé comme suit:
  "Art. 331/35. Dans les deux jours ouvrables qui suivent la remise des constatations par le médecin-contrôleur, la partie la plus intéressée peut désigner, en vue de régler le litige médical et de commun accord, un médecin-arbitre. Si aucun accord ne peut être conclu dans les deux jours ouvrables, la partie la plus intéressée peut désigner, en vue de régler le litige médical, un médecin-arbitre qui satisfait aux dispositions de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle et figure sur la liste fixée en exécution de la loi précitée.
  L'Administration de l'expertise médicale peut donner au médecin-contrôleur et le magistrat peut donner à celui qui a rédigé le certificat médical, un mandat exprès pour la désignation du médecin-arbitre.
  Le médecin-arbitre effectue l'examen médical et statue sur le litige médical dans les trois jours ouvrables qui suivent sa désignation. Toutes autres constatations demeurent couvertes par le secret professionnel.
  Si le médecin-arbitre prend une décision négative, la période entre la date de reprise des fonctions fixée par le médecin-contrôleur et la date de la décision du médecin-arbitre est convertie en non-activité.
  Les frais de cette procédure, ainsi que les éventuels frais de déplacement du magistrat, sont à charge de la partie qui succombe.
  Le médecin-arbitre porte sa décision à la connaissance de celui qui a délivré le certificat médical et du médecin-contrôleur. L'Administration de l'expertise médicale et le magistrat sont avertis par écrit, par envoi recommandé et s'il est électronique, via un service d'envoi recommandé électronique qualifié au sens de l'article 3.37. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE."
Art. 50. In dezelfde onderafdeling I wordt een artikel 331/36 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/36. Wanneer de magistraat tijdens een afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval in het buitenland wil verblijven, moet hij hiervoor voorafgaand de toestemming krijgen van het Bestuur van de medische expertise. De magistraat dient een met redenen omklede aanbeveling van zijn behandelend arts voor te leggen waaruit blijkt dat het verblijf in het buitenland de genezing en/of de behandeling niet in gevaar brengt. De arts vermeldt eveneens de begin- en einddatum van de aangevraagde verblijfperiode in het buitenland."
Art. 50. Dans la même sous-section Ire, il est inséré un article 331/36 rédigé comme suit:
  "Art. 331/36. Lorsque le magistrat veut séjourner à l'étranger pendant une absence par suite de maladie ou d'accident, il doit recevoir à cet effet l'autorisation préalable de l'Administration de l'expertise médicale. Le magistrat doit soumettre une recommandation motivée de son médecin traitant qui démontre que le séjour à l'étranger ne met pas en danger la guérison et/ou le traitement. Le médecin mentionne également les dates de début et de fin de la période de séjour à l'étranger demandée."
Art. 51. In dezelfde onderafdeling I wordt een artikel 331/37 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/37. Tijdens een afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval heeft een magistraat de mogelijkheid met het oog op zijn ambtshervatting om deel te nemen aan opleidingsactiviteiten en aan activiteiten in het kader van terug-naar-werkbegeleiding."
Art. 51. Dans la même sous-section Ire, il est inséré un article 331/37 rédigé comme suit:
  "Art. 331/37. Pendant une absence par suite de maladie ou d'accident, un magistrat a la possibilité, en vue de sa reprise des fonctions, de participer à des activités de formation et à des activités dans le cadre de l'accompagnement retour au travail."
Art. 52. In dezelfde onderafdeling I wordt een artikel 331/38 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/38. Het Bestuur van de medische expertise wordt belast met de controle van de afwezigheden ten gevolge van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte.
  De controle gebeurt volgens de nadere regels bepaald in artikel 331/34, § 1 en § 2, eerste tot derde lid.
  Artikel 331/36 is van toepassing."
Art. 52. Dans la même sous-section Ire, il est inséré un article 331/38 rédigé comme suit:
  "Art. 331/38. L'Administration de l'expertise médicale est chargée du contrôle des absences par suite d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail et d'une maladie professionnelle.
  Le contrôle s'effectue selon les modalités fixées à l'article 331/34, § 1er et § 2, alinéas 1er à 3.
  L'article 331/36 s'applique."
Art. 53. In afdeling VII, ingevoegd bij artikel 44, wordt een onderafdeling II ingevoegd, luidende "Verminderde prestaties wegens medische redenen".
Art. 53. Dans la section VII, insérée par l'article 44, il est inséré une sous-section II intitulée "Prestations réduites pour raisons médicales".
Art. 54. In onderafdeling II, ingevoegd bij artikel 53, wordt een artikel 331/39 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/39. De magistraat kan vragen om zijn ambt met verminderde prestaties wegens medische redenen uit te oefenen:
  1° om zich opnieuw aan te passen aan het normale arbeidsritme, na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van tenminste dertig dagen;
  2° wanneer hij wegens een langdurige medische ongeschiktheid, verhinderd is zijn ambt voltijds uit te oefenen na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van tenminste dertig dagen;
  3° wanneer hij als persoon met een handicap verhinderd is voltijds zijn ambt uit te oefenen als gevolg van zijn handicap; onder "persoon met een handicap" wordt verstaan de persoon bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage.
  De beoordeling van de medische toestand van de magistraat en de toekenning van de verminderde prestaties wegens medische redenen gebeurt door een arts van het Bestuur van de medische expertise bedoeld in artikel 331/32, § 1, tweede lid.
  In afwijking van het eerste lid, 1°, kan de magistraat eveneens vragen om zijn ambt met verminderde prestaties wegens medische redenen uit te oefenen wanneer hij na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van tenminste dertig dagen zijn ambt minder dan tien werkdagen heeft hervat."
Art. 54. Dans la sous-section II, insérée par l'article 53, il est inséré un article 331/39 rédigé comme suit:
  "Art. 331/39. Le magistrat peut demander d'exercer ses fonctions dans le cadre de prestations réduites pour raisons médicales:
  1° en vue de se réadapter au rythme de travail normal, après une absence ininterrompue pour maladie d'au moins trente jours;
  2° lorsque, à la suite d'une inaptitude médicale de longue durée, il est empêché d'exercer ses fonctions à temps plein après une absence ininterrompue pour maladie d'au moins trente jours;
  3° lorsque, en tant que personne handicapée, il est empêché d'exercer ses fonctions à temps plein en conséquence de son handicap; par "personne handicapée", on entend la personne visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 6 octobre 2005 portant diverses mesures en matière de sélection comparative de recrutement et en matière de stage.
  L'appréciation de la situation médicale du magistrat et l'octroi des prestations réduites pour raisons médicales sont assurés par un médecin de l'Administration de l'expertise médicale visé à l'article 331/32, § 1er, alinéa 2.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, le magistrat peut également demander d'exercer ses fonctions dans le cadre de prestations réduites pour raisons médicales lorsqu'il a repris ses fonctions pour moins de dix jours ouvrables après une absence ininterrompue pour maladie de minimum trente jours."
Art. 55. In dezelfde onderafdeling II wordt een artikel 331/40 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/40. § 1. De magistraat bedoeld in artikel 331/39, eerste lid, 1°, kan zijn ambt opnieuw opnemen ten belope van 40 %, 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties voor een periode van maximum vier maanden.
  De verminderde prestaties mogen worden toegekend voor een periode van een maand, tenzij de arts van het Bestuur van de medische expertise uitdrukkelijk beslist om meerdere aansluitende maanden toe te staan. De verlengingen mogen worden toegekend indien het Bestuur van de medische expertise bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de gezondheidstoestand van de magistraat dit wettigt en op voorwaarde dat de maximumduur van vier maanden nog niet wordt overschreden. Artikel 331/42 is van toepassing.
  § 2. De magistraat bedoeld in artikel 331/39, eerste lid, 2°, kan zijn ambt opnieuw opnemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties voor een periode van maximum vierentwintig maanden, tenzij de arts van het Bestuur van de medische expertise oordeelt dat het nieuw onderzoek vroeger moet plaatsvinden.
  Verlengingen mogen worden toegekend voor ten hoogste vierentwintig maanden, indien het Bestuur van de medische expertise bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de gezondheidstoestand van de magistraat dit wettigt. Artikel 331/42 is van toepassing.
  § 3. De magistraat bedoeld in artikel 331/39, eerste lid, 3°, kan zijn ambt opnemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van de normale prestaties voor een periode van maximum vierentwintig maanden, tenzij de arts van het Bestuur van de medische expertise oordeelt dat het nieuw onderzoek vroeger moet plaatsvinden.
  Verlengingen mogen worden toegekend voor ten hoogste vierentwintig maanden, indien het Bestuur van de medische expertise bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de gezondheidstoestand van de magistraat dit wettigt. Artikel 331/42 is van toepassing.
  § 4. Bij elk onderzoek oordeelt de arts van het Bestuur van de medische expertise of de magistraat geschikt is om een bepaald arbeidspercentage van zijn normale prestaties te leveren.
  Tijdens een lopende periode van verminderde prestaties wegens medische redenen kan de magistraat, bedoeld in de paragrafen 2 en 3, een nieuw medisch onderzoek aanvragen bij het Bestuur van de medische expertise met het oog op het aanpassen van zijn arbeidsstelsel.
  § 5. De verminderde prestaties bedoeld in paragraaf 1, worden elke dag verricht, tenzij de arts van het Bestuur van de medische expertise er uitdrukkelijk anders over beslist.
  De verminderde prestaties bedoeld in de paragrafen 2 en 3, worden verricht volgens een verdeling van de prestaties over de week, overeenkomstig het advies van de arts van het Bestuur van de medische expertise en in onderling overleg met de korpschef."
Art. 55. Dans la même sous-section II, il est inséré un article 331/40 rédigé comme suit:
  "Art. 331/40. § 1er. Le magistrat visé à l'article 331/39, alinéa 1er, 1°, peut reprendre ses fonctions à concurrence de 40 %, 50 %, 60 % ou 80 % de ses prestations normales pour une période de maximum quatre mois.
  Les prestations réduites peuvent être accordées pour une période d'un mois sauf si le médecin de l'Administration de l'expertise médicale décide explicitement d'accorder plusieurs mois consécutifs. Les prolongations peuvent être accordées si l'Administration de l'expertise médicale estime lors d'un nouvel examen que l'état de santé du magistrat le justifie et à condition que la durée maximale de quatre mois ne soit pas encore dépassée. L'article 331/42 s'applique.
  § 2. Le magistrat visé à l'article 331/39, alinéa 1er, 2°, peut reprendre ses fonctions à concurrence de 50 %, 60 % ou 80 % de ses prestations normales pour une période de maximum vingt-quatre mois, à moins que le médecin de l'Administration de l'expertise médicale estime que le nouvel examen doit avoir lieu plus tôt.
  Des prolongations peuvent être accordées pour tout au plus vingt-quatre mois, si l'Administration de l'expertise médicale estime lors d'un nouvel examen que l'état de santé du magistrat le justifie. L'article 331/42 s'applique.
  § 3. Le magistrat visé à l'article 331/39, alinéa 1er, 3°, peut reprendre ses fonctions à concurrence de 50 %, 60 % ou 80 % des prestations normales pour une période de maximum vingt-quatre mois sauf si le médecin de l'Administration de l'expertise médicale estime que le nouvel examen doit avoir lieu plus tôt.
  Des prolongations peuvent être accordées tout au plus pour vingt-quatre mois si l'Administration de l'expertise médicale estime lors d'un nouvel examen que l'état de santé du magistrat le justifie. L'article 331/42 s'applique.
  § 4. A chaque examen, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale juge si le magistrat est apte à prester un pourcentage de travail de ses prestations normales.
  Au cours d'une période de prestations réduites pour raisons médicales, le magistrat visé aux paragraphes 2 et 3, peut demander un nouvel examen médical auprès de l'Administration de l'expertise médicale en vue d'adapter son régime de travail.
  § 5. Les prestations réduites visées au paragraphe 1er, sont effectuées tous les jours, à moins que le médecin de l'Administration de l'expertise médicale en décide autrement.
  Les prestations réduites visées aux paragraphes 2 et 3, sont effectuées selon une répartition des prestations sur la semaine, conformément à l'avis du médecin de l'Administration de l'expertise médicale et en concertation avec le chef de corps."
Art. 56. In dezelfde onderafdeling II wordt een artikel 331/41 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/41. § 1. De afwezigheden van de magistraat tijdens deze periode van verminderde prestaties worden met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
  De magistraat bedoeld in artikel 331/39, eerste lid, 1°, 2° en 3°, geniet zijn wedde met toelagen en premies.
  § 2. De verminderde prestaties wegens medische redenen, bedoeld in artikel 331/39, eerste lid, 2° en 3°, worden opgeschort door:
  1° de verloven in het kader van de moederschapsbescherming;
  2° het ouderschapsverlof;
  3° de deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar;
  4° de zorgverloven.
  De machtiging om verminderde prestaties wegens medische redenen te verrichten, wordt tijdelijk onderbroken tijdens een afwezigheid wegens ziekte, arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte."
Art. 56. Dans la même sous-section II, il est inséré un article 331/41 rédigé comme suit:
  "Art. 331/41. § 1er. Les absences du magistrat pendant cette période de prestations réduites sont assimilées à une période d'activité de service.
  Le magistrat visé à l'article 331/39, alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, bénéficie de son traitement majoré des allocations et des primes.
  § 2. Les prestations réduites pour raisons médicales, visées à l'article 331/39, alinéa 1er, 2° et 3°, sont suspendues par:
  1° les congés dans le cadre de la protection de la maternité;
  2° le congé parental;
  3° l'exercice à temps partiel de la fonction à partir de cinquante-sept ou soixante ans;
  4° les congés d'aidant.
  L'autorisation d'effectuer des prestations réduites pour raisons médicales est temporairement interrompue lors d'une absence pour maladie, pour un accident du travail, pour un accident survenu sur le chemin du travail et pour une maladie professionnelle."
Art. 57. In dezelfde onderafdeling II wordt een artikel 331/42 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/42. § 1. De magistraat die verminderde prestaties wegens medische redenen wenst te genieten, dient het advies verkregen te hebben van de arts van het Bestuur van de medische expertise ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de verminderde prestaties.
  De magistraat bedoeld in artikel 331/39, eerste lid, 1°, dient een voorstel tot planning van de verminderde prestaties wegens medische redenen opgesteld door zijn behandelend arts voor te leggen. In het voorstel vermeldt de behandelend arts de vermoedelijke datum van de volledige ambtshervatting en de progressiviteit van de verminderde prestaties. Bij ontstentenis van het progressief karakter van de verminderde prestaties vermeldt de behandelend arts de medische reden hiervan.
  De magistraat bedoeld in artikel 331/39, eerste lid, 2° en 3°, dient een recent omstandig geneeskundig verslag opgesteld door een arts-specialist voor te leggen. In dit verslag vermeldt de arts-specialist de vermoedelijke aanvangsdatum van de verminderde prestaties en het voorgestelde arbeidspercentage, alsook de medische redenen die dit arbeidspercentage verantwoorden.
  § 2. De arts van het Bestuur van de medische expertise spreekt zich uit over de medische geschiktheid van de magistraat om zijn ambt ten belope van een arbeidspercentage bedoeld in artikel 331/40 van de normale prestaties weer op te nemen. Deze overhandigt zo spoedig mogelijk, eventueel na de behandelend arts bedoeld in paragraaf 1, te hebben geraadpleegd, zijn bevindingen schriftelijk aan de magistraat.
  § 3. Na de overhandiging van de bevindingen door de arts van het Bestuur van de medische expertise in het kader van een aanvraag voor verminderde prestaties wegens medische redenen bedoeld in artikel 331/39, eerste lid, kan de magistraat, in onderling akkoord met het Bestuur van de medische expertise, een arts-scheidsrechter aanwijzen binnen de twee werkdagen na de overhandiging van de bevindingen met het oog op het beslechten van het medisch geschil. Indien geen akkoord kan worden bereikt binnen de twee werkdagen kan de magistraat met het oog op het beslechten van het medisch geschil een arts-scheidsrechter aanwijzen die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde en voorkomt op de lijst die in uitvoering van voornoemde wet werd vastgesteld.
  De arts-scheidsrechter voert het medisch onderzoek uit en beslist in het medisch geschil binnen drie werkdagen na zijn aanwijzing. Elke andere vaststelling blijft onder het beroepsgeheim.
  De kosten van deze procedure, alsmede de eventuele verplaatsingskosten van de magistraat, vallen ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.
  De arts-scheidsrechter brengt diegene die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd en de arts van het Bestuur van de medische expertise op de hoogte van zijn beslissing. Het Bestuur van de medische expertise en de magistraat worden onmiddellijk verwittigd door de arts-scheidsrechter bij aangetekende zending en wanneer ze elektronisch gebeurt, via een gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging in de zin van artikel 3.37. van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG."
Art. 57. Dans la même sous-section II, il est inséré un article 331/42 rédigé comme suit:
  "Art. 331/42. § 1er. Le magistrat qui désire bénéficier de prestations réduites pour raisons médicales doit avoir obtenu l'avis du médecin de l'Administration de l'expertise médicale au moins cinq jours ouvrables avant le début des prestations réduites.
  Le magistrat visé à l'article 331/39, alinéa 1er, 1°, doit produire une proposition de planning de prestations réduites pour raisons médicales établie par son médecin traitant. Dans la proposition, le médecin traitant mentionne la date probable de reprise intégrale des fonctions, ainsi que la progressivité des prestations réduites. A défaut du caractère progressif des prestations réduites, le médecin traitant en indique la raison médicale.
  Le magistrat visé à l'article 331/39, alinéa 1er, 2° et 3°, doit présenter un rapport médical détaillé récent établi par un médecin spécialiste. Dans ce rapport, le médecin spécialiste mentionne la date probable du début des prestations réduites et le pourcentage de travail proposé, ainsi que les raisons médicales justifiant ce pourcentage de travail.
  § 2. Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale se prononce sur l'aptitude médicale du magistrat à reprendre ses fonctions à concurrence d'un pourcentage de travail visé à l'article 331/40 des prestations normales. Celui-ci remet aussi rapidement que possible, le cas échéant, après avoir consulté le médecin traitant visé au paragraphe 1er, ses constatations écrites au magistrat.
  § 3. Après la remise des constatations par le médecin de l'Administration de l'expertise médicale dans le cadre d'une demande de prestations réduites pour raisons médicales visées à l'article 331/39, alinéa 1er, le magistrat peut désigner un médecin-arbitre, de commun accord avec l'Administration de l'expertise médicale, dans les deux jours ouvrables qui suivent la remise des constatations en vue de régler le litige médical. Si aucun accord ne peut être conclu dans les deux jours ouvrables, le magistrat peut désigner, en vue de régler le litige médical, un médecin-arbitre qui satisfait aux dispositions de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle et figure sur la liste fixée en exécution de la loi précitée.
  Le médecin-arbitre effectue l'examen médical et statue sur le litige médical dans les trois jours ouvrables qui suivent sa désignation. Toute autre constatation demeure couverte par le secret professionnel.
  Les frais de cette procédure, ainsi que les éventuels frais de déplacement du magistrat, sont à charge de la partie qui succombe.
  Le médecin-arbitre porte sa décision à la connaissance de celui qui a délivré le certificat médical et du médecin de l'Administration de l'expertise médicale. L'Administration de l'expertise médicale et le magistrat en sont immédiatement avertis par le médecin-arbitre par envoi recommandé, et s'il est électronique, via un service d'envoi recommandé électronique qualifié au sens de l'article 3.37. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE."
Art. 58. In dezelfde onderafdeling II wordt een artikel 331/43 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/43. Indien het Bestuur van de medische expertise van oordeel is dat een magistraat geschikt is om zijn ambt terug op te nemen ten belope van een arbeidspercentage, bedoeld in artikel 331/40 van zijn normale prestaties dan geeft hij daarvan kennis aan de korpschef.
  De korpschef nodigt de magistraat uit om de uitoefening van zijn ambt terug op te nemen.
  Indien de magistraat geen gevolg geeft aan deze vraag om de uitoefening van zijn ambt terug op te nemen, wordt hij van rechtswege in non-activiteit geplaatst."
Art. 58. Dans la même sous-section II, il est inséré un article 331/43 rédigé comme suit:
  "Art. 331/43. Si l'Administration de l'expertise médicale estime qu'un magistrat est apte à reprendre l'exercice de ses fonctions à concurrence d'un pourcentage de travail visé à l'article 331/40 des prestations normales, il en informe le chef de corps.
  Le chef de corps invite le magistrat à reprendre l'exercice de ses fonctions.
  Si le magistrat ne donne pas suite à cette demande de reprendre l'exercice de ses fonctions, il est placé de plein droit en non-activité."
Art. 59. In afdeling VII, ingevoegd bij artikel 44, wordt een onderafdeling III ingevoegd, luidende "Het re-integratietraject van een magistraat bij ziekte of ongeval".
Art. 59. Dans la section VII, insérée par l'article 44, il est inséré une sous-section III intitulée "Le trajet de réintégration d'un magistrat en cas de maladie ou d'accident".
Art. 60. In onderafdeling III, ingevoegd bij artikel 59, wordt een artikel 331/44 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/44. Deze onderafdeling beoogt de re-integratie te bevorderen van de magistraat die afwezig is wegens ziekte en ongeval met uitsluiting van de afwezigheden als gevolg van een arbeidsongeval, een ongeval van en naar het werk en een beroepsziekte.
  Voor de toepassing van boek I, titel 4, hoofdstuk VI, van de Codex over het welzijn op het werk wordt de rol van de arts van het Bestuur van de medische expertise bedoeld in artikel 331/32, § 1, tweede lid, en zoals bepaald in dit hoofdstuk gelijkgesteld met de rol van de adviserend arts."
Art. 60. Dans la sous-section III, insérée par l'article 59, il est inséré un article 331/44 rédigé comme suit:
  "Art. 331/44. La présente sous-section vise à promouvoir la réintégration du magistrat qui est absent pour cause de maladie et d'accident, à l'exclusion des absences à la suite d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail et d'une maladie professionnelle.
  Pour l'application du livre Ier, titre 4, chapitre VI, du Code du bien-être au travail, le rôle du médecin de l'Administration de l'expertise médicale visé à l'article 331/32, § 1er, alinéa 2, et comme précisé au présent chapitre est assimilé au rôle du médecin-conseil."
Art. 61. In dezelfde onderafdeling III wordt een artikel 331/45 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/45. § 1. Ten laatste tien weken na de aanvang van de afwezigheidsperiode wegens ziekte of ongeval maakt de arts van het Bestuur van de medische expertise, op basis van het medisch dossier van de magistraat, een eerste inschatting van diens restcapaciteit op.
  § 2. De arts van het Bestuur van de medische expertise plaatst de magistraat op basis van de inschatting in één van de volgende vier categorieën:
  1° categorie 1: er kan redelijkerwijze worden aangenomen dat de magistraat uiterlijk tegen het einde van de zesde maand van de afwezigheid wegens ziekte spontaan zijn ambt opnieuw kan uitoefenen;
  2° categorie 2: een hervatting van de uitoefening van het ambt lijkt om medische redenen niet tot de mogelijkheden te behoren;
  3° categorie 3: een hervatting van de uitoefening van het ambt is voorlopig niet aan de orde, omdat de prioriteit dient uit te gaan naar de medische diagnose of de medische behandeling;
  4° categorie 4: een hervatting van de uitoefening van het ambt lijkt mogelijk te zijn door het aanbieden van tijdelijk of definitief aangepast werk of ander werk.
  § 3. De arts van het Bestuur van de medische expertise gaat niet tot de in de paragraaf 1 bedoelde inschatting over als de magistraat de preventieadviseur-arbeidsarts al verzocht heeft om een re-integratietraject op te starten zoals bedoeld in boek I, titel 4, hoofdstuk VI, van de Codex over het welzijn op het werk."
Art. 61. Dans la même sous-section III, il est inséré un article 331/45 rédigé comme suit:
  "Art. 331/45. § 1er. Au plus tard dix semaines après le début de la période d'absence pour cause de maladie ou d'accident, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale effectue, sur la base du dossier médical du magistrat, une première estimation des capacités restantes du magistrat.
  § 2. Sur la base de l'estimation, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale classe le magistrat dans une des quatre catégories suivantes:
  1° catégorie 1: il peut être présumé raisonnablement qu'au plus tard à la fin du sixième mois de l'absence pour maladie, le magistrat pourra spontanément exercer à nouveau ses fonctions;
  2° catégorie 2: une reprise de l'exercice de ses fonctions ne semble pas possible pour des raisons médicales;
  3° catégorie 3: une reprise de l'exercice de ses fonctions n'est momentanément pas d'actualité parce que la priorité doit être accordée au diagnostic médical ou au traitement médical;
  4° catégorie 4: une reprise de l'exercice de ses fonctions semble possible par la proposition d'un travail adapté temporairement ou définitivement ou d'un autre travail.
  § 3. Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale ne procède pas à l'estimation visée au paragraphe 1er si le magistrat a déjà demandé au conseiller en prévention-médecin du travail de démarrer un trajet de réintégration visé au livre Ier, titre 4, chapitre VI, du Code du bien-être au travail."
Art. 62. In dezelfde onderafdeling III wordt een artikel 331/46 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/46. § 1. In de volgende gevallen en mits de toestemming van de magistraat verwijst de arts van het Bestuur van de medische expertise de magistraat door naar de preventieadviseur-arbeidsarts met het oog op het onderzoek om een re-integratietraject op te kunnen starten zoals bedoeld in boek I, titel 4, hoofdstuk VI, van de Codex over het welzijn op het werk:
  1° de magistraat is, op het moment van de in artikel 331/45 bedoelde inschatting, geplaatst in categorie 1. De magistraat is nog altijd afwezig wegens ziekte of ongeval na zes maanden en de arts van het Bestuur van de medische expertise maakt, op basis van het medisch dossier van de magistraat, een nieuwe inschatting dat een ambtshervatting mogelijk lijkt te zijn door het aanbieden van tijdelijk of definitief aangepast werk of ander werk;
  2° de magistraat is, op het moment van de in artikel 331/45 bedoelde inschatting, geplaatst in categorie 3. De arts van het Bestuur van de medische expertise herevalueert om de twee maanden de situatie van de magistraat. Bij een dergelijke herevaluatie is gebleken dat voor de magistraat een ambtshervatting mogelijk lijkt te zijn door het aanbieden van tijdelijk of definitief aangepast werk of ander werk;
  3° de magistraat wordt overeenkomstig artikel 331/45 in categorie 4 geplaatst.
  De arts van het Bestuur van de medische expertise consulteert de preventieadviseur-arbeidsarts zes maanden na doorverwijzing om de status te kennen. Indien een re-integratietraject werd opgestart, consulteert de arts van het Bestuur van de medische expertise om de drie maanden de preventieadviseur-arbeidsarts teneinde de actuele status te kennen. Indien op dat moment nog geen re-integratietraject werd opgestart, herevalueert de arts van het Bestuur van de medische expertise de situatie op basis van het dossier en beslist hij welke mogelijke stappen aangewezen zijn.
  § 2. Zodra de arts van het Bestuur van de medische expertise een kopie krijgt van het re-integratieplan overeenkomstig artikel I.4-74. van de Codex over het welzijn op het werk, gaat hij na of het uitvoeren van het re-integratieplan een einde maakt aan de arbeidsongeschiktheid.
  Indien dit re-integratieplan verminderde prestaties wegens medische redenen inhoudt zoals bepaald in artikel 331/39, is de magistraat er niet toe gehouden om de toelating van de arts van het Bestuur van de medische expertise aan te vragen, maar gaat laatstgenoemde zelf na of het re-integratieplan overeenstemt met de voorwaarden voor de verminderde prestaties wegens medische redenen. In voorkomend geval beschrijft de arts van het Bestuur van de medische expertise de modaliteiten van zijn toelating.
  De arts van het Bestuur van de medische expertise deelt zo spoedig mogelijk zijn bevindingen met betrekking tot de verminderde prestaties wegens medische redenen aan de preventieadviseur-arbeidsarts mee.
  Als de arts van het Bestuur van de medische expertise geen reactie geeft binnen de drie weken na ontvangst van de kopie van het re-integratieplan, wordt er verondersteld dat de beslissing van de arts van het Bestuur van de medische expertise in verband met de verminderde prestaties wegens medische redenen positief is.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1, verwijst de arts van het Bestuur van de medische expertise de magistraat niet door naar de preventieadviseur-arbeidsarts wanneer uit de inschatting bedoeld in artikel 331/45 blijkt dat de ambtshervatting mogelijk lijkt te zijn met aangepast werk onder de vorm van verminderde prestaties wegens medische redenen.
  De arts van het Bestuur van de medische expertise nodigt de magistraat uit om zijn medische toestand en de toekenning van de verminderde prestaties wegens medische redenen zoals bedoeld in artikel 331/39, eerste lid, 1°, te beoordelen. De artikelen 331/40, 331/41, 331/42, §§ 2 en 3, en 331/43 zijn van toepassing.
  De arts van het Bestuur van de medische expertise bepaalt de aanvangsdatum en de duur van de machtiging tot verminderde prestaties wegens medische redenen met toepassing van artikel 331/40, § 1."
Art. 62. Dans la même sous-section III, il est inséré un article 331/46 rédigé comme suit:
  "Art. 331/46. § 1er. Dans les cas suivants et moyennant le consentement du magistrat, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale renvoie le magistrat au conseiller en prévention-médecin du travail en vue de l'examen visant à démarrer un trajet de réintégration visé au livre Ier, titre 4, chapitre VI, du Code du bien-être au travail:
  1° le magistrat est classé en catégorie 1 au moment de l'estimation visée à l'article 331/45. Le magistrat est encore absent pour cause de maladie ou d'accident après six mois et le médecin de l'Administration de l'expertise médicale effectue, sur la base du dossier médical du magistrat, une nouvelle estimation selon laquelle une reprise des fonctions semble possible par la proposition d'un travail adapté temporairement ou définitivement ou d'un autre travail;
  2° le magistrat est classé en catégorie 3 au moment de l'estimation visée à l'article 331/45. Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale réévalue tous les deux mois la situation du magistrat. Une telle évaluation a laissé apparaître qu'une reprise des fonctions semble possible pour le magistrat par la proposition d'un travail adapté temporairement ou définitivement ou d'un autre travail;
  3° le magistrat est classé en catégorie 4 conformément à l'article 331/45.
  Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale consulte le conseiller en prévention-médecin du travail six mois après le renvoi afin de connaître le statut. Si un trajet de réintégration a été démarré, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale consulte tous les trois mois le conseiller en prévention-médecin du travail afin de connaître le statut actuel. Si, à ce moment-là, aucun trajet de réintégration n'a encore été démarré, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale réévalue la situation sur la base du dossier et décide des étapes éventuelles appropriées.
  § 2. Dès que le médecin de l'Administration de l'expertise médicale reçoit une copie du plan de réintégration conformément à l'article I.4-74. du Code du bien-être au travail, il vérifie si l'exécution du plan de réintégration met fin à l'état d'incapacité de travail.
  Si ce plan de réintégration comprend des prestations réduites pour raisons médicales comme disposé à l'article 331/39, le magistrat n'est pas obligé de demander l'autorisation du médecin de l'Administration de l'expertise médicale, mais ce dernier vérifie lui-même si le plan de réintégration répond aux conditions posées pour les prestations réduites pour raisons médicales. Le cas échéant, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale décrit les modalités de son autorisation.
  Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale communique le plus rapidement possible au conseiller en prévention-médecin du travail ses conclusions quant aux prestations réduites pour raisons médicales.
  Lorsque le médecin de l'Administration de l'expertise médicale ne réagit pas dans les trois semaines après la réception de la copie du plan de réintégration, il est présumé que la décision du médecin de l'Administration de l'expertise médicale concernant les prestations réduites pour raisons médicales est positive.
  § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale ne renvoie pas le magistrat au conseiller en prévention-médecin du travail s'il ressort de l'estimation visée à l'article 331/45, que la reprise des fonctions semble être possible avec du travail adapté sous forme de prestations réduites pour raisons médicales.
  Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale invite le magistrat à évaluer sa situation médicale et l'octroi des prestations réduites pour raisons médicales telles que visées à l'article 331/39, alinéa 1er, 1°. Les articles 331/40, 331/41, 331/42, §§ 2 et 3, et 331/43 s'appliquent.
  Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale fixe la date de début et la durée de l'autorisation des prestations réduites pour raisons médicales en application de l'article 331/40, § 1er."
Art. 63. In hoofdstuk IV, gewijzigd bij artikel 3, wordt een afdeling VIII ingevoegd, luidende "Zorgverloven".
Art. 63. Dans le chapitre IV, modifié par l'article 3, il est inséré une section VIII intitulée "Congés d'aidant".
Art. 64. In afdeling VIII, ingevoegd bij artikel 63, wordt een artikel 331/47 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/47. § 1. De magistraat heeft recht op verlof voor het verstrekken van palliatieve zorg aan een lid van zijn gezin of aan een familielid tot in de tweede graad.
  § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder palliatieve verzorging verstaan, elke vorm van bijstand en inzonderheid medische, sociale, administratieve en psychologische bijstand aan alsook verzorging van personen die lijden aan een ongeneeslijke ziekte en die zich in een terminale fase bevinden.
  Worden als lid van het gezin beschouwd, elke persoon die met de magistraat samenwoont en als familielid, zowel de bloed- als de aanverwanten.
  § 3. De magistraat legt een attest voor afgeleverd door de behandelende geneesheer van de persoon die palliatieve zorg behoeft en waaruit blijkt dat de magistraat zich bereid heeft verklaard deze palliatieve zorg te verlenen, zonder dat hierbij de identiteit van de patiënt wordt vermeld.
  § 4. Dit verlof geldt voor een periode van een maand en is tweemaal verlengbaar. Het kan voltijds of halftijds opgenomen worden."
Art. 64. Dans la section VIII, insérée par l'article 63, il est inséré un article 331/47 rédigé comme suit:
  "Art. 331/47. § 1er. Le magistrat a droit à un congé pour donner des soins palliatifs à un membre de son ménage ou à un membre de sa famille jusqu'au deuxième degré.
  § 2. Pour l'application du présent article, l'on entend par soins palliatifs toute forme d'assistance, notamment médicale, sociale, administrative et psychologique, ainsi que les soins donnés à des personnes souffrant d'une maladie incurable et se trouvant en phase terminale.
  Sont considérés comme membre du ménage, toute personne qui cohabite avec le magistrat et comme membre de la famille, tant les parents que les alliés.
  § 3. Le magistrat produit une attestation délivrée par le médecin traitant de la personne qui nécessite des soins palliatifs et dont il ressort que le magistrat s'est déclaré prêt à donner ces soins palliatifs sans que l'identité du patient soit mentionnée.
  § 4. Ce congé est valable pour une période d'un mois et peut être prolongé deux fois. Il peut être pris à temps plein ou à mi-temps."
Art. 65. In dezelfde afdeling VIII wordt een artikel 331/48 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/48. § 1. De magistraat heeft recht op verlof voor het bijstaan van of voor het verstrekken van verzorging aan een lid van zijn gezin of aan een familielid tot in de tweede graad, dat lijdt aan een ernstige ziekte.
  § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ernstige ziekte verstaan, elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende geneesheer van het ernstig zieke lid van het gezin of familielid als dusdanig wordt beschouwd en waarvoor deze van mening is dat enige vorm van sociale, familiale of geestelijke hulp noodzakelijk is voor het herstel.
  Worden als lid van het gezin beschouwd, elke persoon die met de magistraat samenwoont en als familielid, zowel de bloed- als de aanverwanten.
  § 3. De magistraat legt een attest voor afgeleverd door de behandelende geneesheer van het ernstig zieke lid van het gezin of familielid, en waaruit blijkt dat de magistraat zich bereid heeft verklaard de ernstig zieke persoon bij te staan of hem verzorging te verstrekken, zonder dat hierbij de identiteit van de patiënt wordt vermeld.
  § 4. Dit verlof kan voltijds of halftijds worden opgenomen met al dan niet opeenvolgende periodes van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden. Deze periodes mogen samen niet meer bedragen dan twaalf maanden per patiënt, vierentwintig maanden per patiënt indien ze halftijds worden opgenomen.
  In geval van zware ziekte van een kind dat hoogstens zestien jaar oud is en van wie de magistraat uitsluitend of hoofdzakelijk de last draagt in de zin van artikel 1 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, wordt, wanneer de magistraat alleenstaand is, de maximumperiode bedoeld in het eerste lid verdubbeld.
  Onder alleenstaande in de zin van dit artikel wordt verstaan de magistraat die uitsluitend en effectief samenwoont met een of meerdere van zijn kinderen. De magistraat levert hiervoor het bewijs van de samenstelling van zijn gezin door middel van een attest dat wordt afgeleverd door de gemeentelijke overheid en waaruit blijkt dat hij op het moment van de aanvraag uitsluitend en effectief samenwoont met één of meerdere van zijn kinderen."
Art. 65. Dans la même section VIII, il est inséré un article 331/48 rédigé comme suit:
  "Art. 331/48. § 1er. Le magistrat a droit à un congé pour l'assistance ou l'octroi de soins à un membre de son ménage ou à un membre de sa famille, jusqu'au deuxième degré, qui souffre d'une maladie grave.
  § 2. Pour l'application du présent article, l'on entend par maladie grave toute maladie ou intervention médicale qui est considérée comme telle par le médecin traitant du membre du ménage ou de la famille gravement malade et pour laquelle celui-ci est d'avis que toute forme d'assistance sociale, familiale ou mentale est nécessaire pour la convalescence.
  Sont considérés comme membre du ménage, toute personne qui cohabite avec le magistrat et comme membre de la famille, tant les parents que les alliés.
  § 3. Le magistrat produit une attestation délivrée par le médecin traitant du membre du ménage ou de la famille gravement malade, dont il ressort que le magistrat s'est déclaré prêt à assister la personne qui souffre d'une maladie grave ou à lui donner des soins sans que l'identité du patient soit mentionnée.
  § 4. Ce congé peut être pris à temps plein ou à mi-temps par périodes consécutives ou non d'un mois au moins et de trois mois au plus. Ces périodes ne peuvent au total excéder douze mois par patient, vingt-quatre mois par patient si elles sont prises à mi-temps.
  En cas de maladie grave d'un enfant âgé de seize ans au plus dont le magistrat supporte exclusivement ou principalement la charge au sens de l'article 1er de la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties, la période maximale visée à l'alinéa 1er est doublée lorsque le magistrat est isolé.
  Est isolé au sens du présent article, le magistrat qui habite exclusivement et effectivement avec un ou plusieurs de ses enfants. Le magistrat fournit à cet effet la preuve de la composition de son ménage au moyen d'une attestation délivrée par l'autorité communale et dont il ressort que le magistrat, au moment de la demande, habite exclusivement et effectivement avec un ou plusieurs de ses enfants."
Art. 66. In dezelfde afdeling VIII wordt een artikel 331/49 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/49. § 1. De magistraat heeft recht op verlof voor de bijstand of de verzorging van een minderjarig kind, tijdens of vlak na de hospitalisatie van het kind als gevolg van een zware ziekte.
  § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder zware ziekte, elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende geneesheer van het zwaar zieke kind als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de geneesheer oordeelt dat elke vorm van sociale, familiale of psychologische bijstand of het verstrekken van verzorging noodzakelijk is.
  De door paragraaf 1 geboden mogelijkheid staat open voor:
  - de magistraat die verwant is in de eerste graad van het zwaar zieke kind en ermee samenwoont;
  - de magistraat die samenwoont met het zwaar zieke kind en belast is met de dagelijkse opvoeding.
  § 3. De magistraat legt een attest voor afgeleverd door de behandelende geneesheer van het zwaar ziek kind, en waaruit blijkt dat de magistraat zich bereid heeft verklaard het zwaar ziek kind bij te staan of hem verzorging te verstrekken zonder dat hierbij de identiteit van de patiënt wordt vermeld.
  Het bewijs van hospitalisatie van het kind wordt geleverd door een attest van het betrokken ziekenhuis zonder dat hierbij de identiteit van de patiënt wordt vermeld.
  § 4. Dit verlof geldt voor een periode van een week en is eenmaal verlengbaar."
Art. 66. Dans la même section VIII, il est inséré un article 331/49 rédigé comme suit:
  "Art. 331/49. § 1er. Le magistrat a droit à un congé pour l'assistance ou les soins à un enfant mineur pendant ou juste après l'hospitalisation de l'enfant des suites d'une maladie grave.
  § 2. Pour l'application du présent article, l'on entend par maladie grave toute maladie ou intervention médicale qui est considérée ainsi par le médecin traitant de l'enfant gravement malade et pour laquelle le médecin est d'avis que toute forme d'assistance sociale, familiale ou psychologique ou l'octroi des soins est nécessaire.
  La possibilité offerte au paragraphe 1er est ouverte pour:
  - le magistrat qui est parent au premier degré de l'enfant gravement malade et qui cohabite avec lui;
  - le magistrat qui cohabite avec l'enfant gravement malade et est chargé de son éducation quotidienne.
  § 3. Le magistrat produit une attestation délivrée par le médecin traitant de l'enfant gravement malade, dont il ressort que le magistrat s'est déclaré prêt à assister l'enfant gravement malade ou à lui donner des soins sans que l'identité du patient soit mentionnée.
  La preuve de l'hospitalisation de l'enfant est apportée à l'aide d'une attestation de l'hôpital concerné sans que l'identité du patient soit mentionnée.
  § 4. Ce congé est valable pour une période d'une semaine et peut être prolongé une seule fois."
Art. 67. In dezelfde afdeling VIII wordt een artikel 331/50 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/50. De magistraat die een van de verloven bepaald in deze afdeling wenst op te nemen brengt zijn korpschef hiervan minstens zeven dagen op voorhand op de hoogte, tenzij het een onvoorziene gebeurtenis betreft, in welk geval van deze termijn kan worden afgeweken.
  Voor iedere verlenging dient de magistraat dezelfde procedure te volgen en het (de) vereiste attest(en) in te dienen.
  De verloven bepaald in deze afdeling worden met dienstactiviteit gelijkgesteld en zijn onbezoldigd.
  De magistraat die een zorgverlof geniet in toepassing van deze afdeling, ontvangt van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de uitkering die wordt toegekend aan de personeelsleden van het openbaar ambt.
  De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de aanvraag van de uitkering en de procedure."
Art. 67. Dans la même section VIII, il est inséré un article 331/50 rédigé comme suit:
  "Art. 331/50. Le magistrat qui souhaite bénéficier de l'un des congés visés dans la présente section en informe son chef de corps au moins sept jours au préalable, sauf s'il s'agit d'un événement imprévu, auquel cas il peut être dérogé à ce délai.
  Pour chaque prolongation, le magistrat doit suivre la même procédure et introduire l'/les attestation(s) requise(s).
  Les congés visés à la présente section sont assimilés à une activité de service et sont non rémunérés.
  Le magistrat qui bénéficie d'un congé d'aidant en application de la présente section perçoit de l'Office national de l'emploi l'allocation qui est accordée aux membres du personnel de la fonction publique.
  Le Roi détermine les modalités de demande de l'allocation et la procédure."
Art. 68. In hoofdstuk IV, gewijzigd bij artikel 3, wordt een afdeling IX ingevoegd, luidende "Deeltijds uitoefenen van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar".
Art. 68. Dans le chapitre IV, modifié par l'article 3, il est inséré une section IX intitulée "Exercice à temps partiel de la fonction à partir de cinquante-sept ou soixante ans".
Art. 69. In afdeling IX van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 68, wordt een artikel 331/51 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/51. § 1. Het recht om vanaf de leeftijd van zestig jaar deeltijds het ambt uit te oefenen, staat open voor magistraten van of bij het Hof van Cassatie. Het recht om vanaf de leeftijd van zevenenvijftig jaar deeltijds hun ambt deeltijds uit te oefenen, staat open voor magistraten van de andere rechtscolleges en parketten.
  Om gebruik te kunnen maken van het recht op deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar dient de magistraat aan de volgende cumulatieve voorwaarden te voldoen:
  1° geen korpschef, afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur of afdelingsauditeur zijn;
  2° beschikken over een beroepsloopbaan waarvan minstens vijftien jaar het ambt van magistraat te hebben uitgeoefend.
  Deze deeltijdse uitoefening van het ambt kan gebeuren ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van een voltijdse uitoefening van het ambt.
  § 2. De magistraat die gebruik wenst te maken van het recht op deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar dient daartoe bij de korpschef een aanvraag in.
  Hij doet dit minstens zes maanden voor de aanvang van de periode, tenzij de korpschef op verzoek van de magistraat een kortere termijn aanvaardt.
  De aanvraag van het verlof bevat de wensen van de magistraat rond de dagen waarop hij in verlof is. Onder "deeltijdse uitoefening van het ambt" wordt een arbeidsregeling verstaan waarbij de magistraat in de loop van een maand het gedeelte van de prestaties dient te verrichten die verbonden zijn aan de voltijdse uitoefening van zijn ambt. De verdeling van de prestaties geschiedt in volledige of halve dagen.
  De korpschef kent het verlof toe en bepaalt de werkkalender. Hij kan het begin van het verlof uitstellen met maximum zes maanden omwille van de behoeften van de dienst.
  In functie van de behoeften van de dienst of op vraag van de magistraat kan de werkkalender door de korpschef worden aangepast. Deze laatste brengt de magistraat twee maanden op voorhand op de hoogte van deze aanpassing.
  Een tijdelijke aanpassing van de werkkalender is mogelijk bij onderling akkoord.
  § 3. De onverenigbaarheden bedoeld in de artikelen 292 tot 300 blijven van toepassing tijdens de periode dat de magistraat in het kader van de deeltijdse ambtsuitoefening geen prestaties dient te verrichten.
  § 4. De benoeming of aanwijzing in een andere functie binnen de rechterlijke orde maakt van rechtswege een einde aan de machtiging om zijn ambt deeltijds uit te oefenen."
Art. 69. Dans la section IX, insérée par l'article 68, il est inséré un article 331/51 rédigé comme suit:
  "Art. 331/51. § 1er. Le droit d'exercer ses fonctions à temps partiel à partir de l'âge de soixante ans est ouvert aux magistrats de ou près la Cour de cassation. Le droit d'exercer ses fonctions à temps partiel à partir de l'âge de cinquante-sept ans est ouvert aux magistrats des autres juridictions et parquets.
  Pour pouvoir faire usage du droit à l'exercice à temps partiel de ses fonctions à partir de cinquante-sept ou soixante ans, le magistrat doit satisfaire aux conditions cumulatives suivantes:
  1° ne pas être chef de corps ni président de division, ni procureur de division ou auditeur de division;
  2° disposer d'une carrière professionnelle comprenant au moins quinze ans d'exercice de la fonction de magistrat.
  Cet exercice à temps partiel de la fonction peut s'effectuer à raison de 50 %, 60 % ou 80 % d'un exercice à temps plein de la fonction.
  § 2. Le magistrat qui désire faire usage du droit à l'exercice à temps partiel de la fonction à partir de cinquante-sept ou soixante ans introduit à cet effet une demande auprès du chef de corps.
  Il le fait au moins six mois avant le début de la période, à moins que le chef de corps accepte un délai plus court à la demande du magistrat.
  La demande du congé précise les souhaits du magistrat concernant les jours auxquels il est en congé. Par "exercice à temps partiel de la fonction", l'on entend un régime de travail dans lequel le magistrat doit, au cours d'un mois, effectuer la partie des prestations qui sont liées à l'exercice à temps plein de ses fonctions. La répartition des prestations se fait en jours entiers ou en demi-jours.
  Le chef de corps accorde le congé et détermine le calendrier de travail. Il peut reporter le début du congé de maximum six mois pour les besoins du service.
  En fonction des besoins du service ou à la demande du magistrat, le calendrier de travail peut être adapté par le chef de corps. Ce dernier informe le magistrat de cette adaptation deux mois à l'avance.
  Une adaptation temporaire du calendrier de travail est possible par accord mutuel.
  § 3. Les incompatibilités visées aux articles 292 à 300 restent d'application pendant la période durant laquelle le magistrat n'a pas de prestations à fournir dans le cadre de l'exercice à temps partiel des fonctions.
  § 4. La nomination ou la désignation dans une autre fonction au sein de l'ordre judiciaire met de plein droit fin à l'autorisation d'exercer ses fonctions à temps partiel."
Art. 70. In dezelfde afdeling IX wordt een artikel 331/52 ingevoegd, luidende:
  "Art. 331/52. § 1. De periode van deeltijdse uitoefening van het ambt neemt een aanvang op de eerste dag van een maand.
  De magistraat kan een einde maken aan het verlof of van stelsel bedoeld in artikel 331/51, § 1, derde lid, veranderen, mits hij daarvan de korpschef drie maanden van tevoren op de hoogte van brengt, tenzij de korpschef op verzoek van de belanghebbende een kortere termijn aanvaardt. In dit geval kan de magistraat geen nieuwe aanvraag meer indienen voor het stelsel van deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar of van stelsel bedoeld in artikel 331/51, § 1, derde lid, veranderen.
  § 2. Tijdens de periode van het verlof voor deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar kan de magistraat niet worden gemachtigd verminderde prestaties om welke redenen dan ook uit te oefenen.
  Het verlof voor deelse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar wordt van rechtswege opgeschort wanneer de magistraat één van de volgende verloven geniet:
  1° ouderschapsverlof;
  2° adoptieverlof, opvangverlof en pleegouderverlof;
  3° zorgverlof teneinde palliatieve zorg te verstrekken of voor het bijstaan van of voor het verstrekken van verzorging aan een lid van het gezin of aan een familielid.
  § 3. Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
  De magistraat ontvangt zijn maandelijkse wedde met toelagen en premies die gelijk is aan 50 %, 60 % of 80 % van zijn voltijdse wedde aangevuld met de premie zoals ze van toepassing is voor de personeelsleden van het openbaar ambt.
  § 4. Voor de magistraten die dit verlof wordt toegekend, kan in een vervanging voorzien worden door middel van een benoeming en, in voorkomend geval, een aanwijzing in overtal telkens de cumulatie van deze verloven leidt tot een voltijdse invulling van het ambt."
Art. 70. Dans la même section IX, il est inséré un article 331/52 rédigé comme suit:
  "Art. 331/52. § 1er. La période d'exercice à temps partiel des fonctions prend cours le premier jour d'un mois.
  Le magistrat peut mettre fin au congé ou changer de régime visé à l'article 331/51, § 1er, alinéa 3, à condition d'en informer le chef de corps trois mois à l'avance, à moins que ce dernier n'accepte un délai plus court à la demande de l'intéressé. Dans ce cas, le magistrat ne peut plus introduire de nouvelle demande pour le régime d'exercice des fonctions à temps partiel à partir de cinquante-sept ou soixante ans ni changer de régime visé à l'article 331/51, § 1er, alinéa 3.
  § 2. Durant la période de congé pour l'exercice des fonctions à temps partiel à partir de cinquante-sept ou soixante ans, le magistrat ne peut pas être autorisé à exercer des prestations réduites pour quelque raison que ce soit.
  Le congé pour l'exercice des fonctions à temps partiel à partir de cinquante-sept ou soixante ans est suspendu de plein droit lorsque le magistrat bénéficie de l'un des congés suivants:
  1° congé parental;
  2° congé d'adoption, congé d'accueil et congé parental d'accueil;
  3° congé d'aidant pour donner des soins palliatifs ou pour assister ou prodiguer des soins à un membre de son ménage ou de sa famille.
  § 3. Ce congé est assimilé à une période d'activité de service.
  Le magistrat perçoit son traitement mensuel majoré des allocations et des primes, qui correspond à 50 %, 60 % ou 80 % de son traitement à temps plein majoré de la prime, comme cela s'applique aux membres du personnel de la fonction publique.
  § 4. Pour les magistrats auxquels ce congé est accordé, il peut être procédé au remplacement par une nomination et, le cas échéant, par une désignation en surnombre chaque fois que le cumul de ces congés équivaut à une occupation à temps plein de la fonction."
Art. 71. Artikel 331bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 februari 1997 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 december 2021, wordt opgeheven.
Art. 71. L'article 331bis du même Code, inséré par la loi du 17 février 1997 et modifié en dernier lieu par la loi du 23 décembre 2021, est abrogé.
Art. 72. In deel II, boek II, titel II, van het hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk IVbis, dat artikel 332 bevat, ingevoegd, luidende "Afwezigheden en verloven van het gerechtspersoneel, van de rechters en raadsheren in sociale zaken en de rechters in ondernemingszaken".
Art. 72. Dans la partie II, livre II, titre II, du même Code, il est inséré un chapitre IVbis, qui comprend l'article 332, intitulé "Absences et congés des membres du personnel judiciaire, des juges et des conseillers sociaux et des juges consulaires".
Art. 73. Artikel 332 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt:
  "Art. 332. Een referendaris, een parketjurist, een criminoloog, een lid van de griffie, een lid van het parketsecretariaat en, in voorkomend geval, het gerechtspersoneel van niveau A van de steundiensten, mag niet afwezig zijn wanneer de dienst eronder lijdt.
  De raadsheer in sociale zaken, de rechter in sociale zaken en de rechter in ondernemingszaken stellen de eerste voorzitter van het arbeidshof, respectievelijk de voorzitter van de arbeidsrechtbank, respectievelijk de voorzitter van de ondernemingsrechtbank onverwijld in kennis van hun afwezigheden wanneer deze afwezigheden een invloed kunnen hebben op de goede werking van het hof of de rechtbank."
Art. 73. L'article 332 du même Code est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 332. Aucun référendaire ni juriste de parquet ni criminologue ni membre du greffe ni membre du secrétariat de parquet ni, le cas échéant, membre du personnel judiciaire de niveau A des services d'appui ne peut s'absenter si le service doit souffrir de son absence.
  Le conseiller social, le juge social et le juge consulaire informent immédiatement respectivement le premier président de la cour du travail, le président du tribunal du travail ou le président du tribunal de l'entreprise de leurs absences lorsque celles-ci sont de nature à influencer le bon fonctionnement de la cour ou du tribunal."
Art. 74. Artikel 332bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 mei 2003 en gewijzigd bij de wet van 10 april 2014, wordt opgeheven.
Art. 74. L'article 332bis du même Code, inséré par la loi du 3 mai 2003 et modifié par la loi du 10 avril 2014, est abrogé.
Art. 75. Artikel 333 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 75. L'article 333 du même Code est abrogé.
Art. 76. In artikel 357, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 juni 2001 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 1 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, eerste zin, worden de woorden "Aan de substituut-procureurs des Konings" vervangen door de woorden "Aan de magistraten van het parket van de procureurs des Konings" en wordt het woord "premie" vervangen door het woord "toelage";
  2° in het eerste lid, wordt de zin "De eerste substituut-procureurs des Konings verkrijgen onder dezelfde voorwaarden een premie van 117,75 EUR." opgeheven;
  3° in het eerste lid, derde zin, wordt het woord "premie" vervangen door het woord "toelage";
  4° het derde, het vierde en het vijfde lid worden vervangen als volgt:
  "Het maximumbedrag van de toelagen op jaarbasis mag niet hoger zijn dan 4.239 euro. De toelagen kunnen niet gecumuleerd worden met de toelage voor onregelmatige prestaties zoals bedoeld in artikel 47 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt."
Art. 76. A l'article 357, § 2, du même Code, remplacé par la loi du 15 juin 2001 et modifié en dernier lieu par la loi du 1er décembre 2013, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans l'alinéa 1er, première phrase, le mot "prime" est remplacé par le mot "allocation" et les mots "aux substituts du procureur du Roi" sont remplacés par les mots "aux magistrats du parquet du procureur du Roi";
  2° dans l`alinéa 1er, la phrase "Les premiers substituts du procureur du Roi reçoivent, dans les mêmes conditions, une prime de 117,75 euros." est abrogée;
  3° dans l'alinéa 1er, troisième phrase, le mot "prime" est remplacé par le mot "allocation";
  4° les alinéas 3, 4 et 5 sont remplacés par ce qui suit:
  "Le montant maximum des allocations sur une base annuelle ne peut pas être supérieur à 4.239 euros. Les allocations ne peuvent pas être cumulées avec l'allocation pour prestations irrégulières visée à l'article 47 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale."
Art. 77. Artikel 379quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 9 juli 1997 en gewijzigd bij de wet van 5 mei 2019, wordt aangevuld met de woorden "en aan de in rust gestelde leden van de parketten bij deze hoven en rechtbanken die overeenkomstig artikel 149 werden opgedragen het ambt van openbaar ministerie bij het hof van assisen uit te oefenen".
Art. 77. L'article 379quater du même Code, inséré par la loi du 9 juillet 1997 et modifié par la loi du 5 mai 2019, est complété par les mots "et aux membres des parquets près ces cours et tribunaux admis à la retraite qui sont délégués pour exercer les fonctions du ministère public près la cour d'assises conformément à l'article 149".
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepaling
CHAPITRE 3. - Disposition transitoire
Art. 78. De wachttoelage bedoeld in de artikelen 259octies en 357, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij deze wet, is van toepassing op de wachtdiensten die geleverd worden vanaf 1 april 2024.
Art. 78. L'allocation pour service de garde visée aux articles 259octies et 357, § 2, du Code judiciaire, tels que modifiés par la présente loi, s'applique aux services de garde fournis à partir du 1er avril 2024.
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 4. - Entrée en vigueur
Art. 79. Met uitzondering van de artikelen 1, 2, 76, 77, 78 en dit artikel, treedt deze wet in werking op 1 januari 2025.
Art. 79. La présente loi entre en vigueur le 1er janvier 2025, à l'exception des articles 1, 2, 76, 77, 78 et du présent article.