Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
19 APRIL 2024. - Decreet tot wijziging van het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters en het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten
Titre
19 AVRIL 2024. - Décret modifiant le décret du 20 avril 2012 portant organisation des milieux d'accueil de la petite enfance et le décret du 3 mai 2019 portant organisation de l'accueil extrascolaire et coordination des activités extrascolaires
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (24)
Texte (24)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters
CHAPITRE 2. - Modifications du décret du 20 avril 2012 portant organisation des milieux d'accueil de la petite enfance
Art. 2. In artikel 2, eerste lid, van het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters, gewijzigd bij de decreten van 19 juni 2015, 19 januari 2018 en 21 mei 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° er wordt een punt 1° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"1° /1 algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG;";
2° in punt 2° wordt tussen de zinsnede "kinderopvang van baby's en peuters," en het woord "namelijk" de zinsnede "buiten de gezinswoning van het kind," ingevoegd;
3° er worden een punt 19° en 20° toegevoegd, die luiden als volgt:
"19° de beginselen van voorzorg, preventie en zorgvuldigheid, hierna voorzorgsbeginsel genoemd: de mogelijkheid om, los van de vaststelling van een inbreuk op de bepalingen, bestuurlijke maatregelen te nemen als er in het kader van kinderopvang als vermeld in dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan:
a) een risico is op een schending van de fysieke of psychische integriteit van de kinderen;
b) een vaststelling is van een ernstige gebeurtenis waarbij de fysieke of psychische integriteit van de kinderen is geschonden;
20° beleidsvoerend vermogen: de mate waarin de organisator in staat is om een zelfstandig beleid te voeren, rekening houdend met de beschikbare beleidsruimte, met de eigen doelstellingen en met de lokale context, en de mate waarin de activiteiten van de verantwoordelijke en van de medewerkers op elkaar zijn afgestemd in functie van het bijdragen aan de ontplooiing van het kind.".
1° er wordt een punt 1° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"1° /1 algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG;";
2° in punt 2° wordt tussen de zinsnede "kinderopvang van baby's en peuters," en het woord "namelijk" de zinsnede "buiten de gezinswoning van het kind," ingevoegd;
3° er worden een punt 19° en 20° toegevoegd, die luiden als volgt:
"19° de beginselen van voorzorg, preventie en zorgvuldigheid, hierna voorzorgsbeginsel genoemd: de mogelijkheid om, los van de vaststelling van een inbreuk op de bepalingen, bestuurlijke maatregelen te nemen als er in het kader van kinderopvang als vermeld in dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan:
a) een risico is op een schending van de fysieke of psychische integriteit van de kinderen;
b) een vaststelling is van een ernstige gebeurtenis waarbij de fysieke of psychische integriteit van de kinderen is geschonden;
20° beleidsvoerend vermogen: de mate waarin de organisator in staat is om een zelfstandig beleid te voeren, rekening houdend met de beschikbare beleidsruimte, met de eigen doelstellingen en met de lokale context, en de mate waarin de activiteiten van de verantwoordelijke en van de medewerkers op elkaar zijn afgestemd in functie van het bijdragen aan de ontplooiing van het kind.".
Art. 2. A l'article 2, alinéa 1er, du décret du 20 avril 2012 portant organisation des milieux d'accueil de la petite enfance, modifié par les décrets des 19 juin 2015, 19 janvier 2018 et 21 mai 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° il est inséré un point 1° /1, rédigé comme suit :
" 1° /1 règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE ; " ;
2° au point 2°, le membre de phrase " en dehors de l'habitation familiale de l'enfant, " est inséré entre le membre de phrase " accueil de la petite enfance, " et les mots " à savoir " ;
3° les points 19° et 20° sont ajoutés, rédigés comme suit :
" 19° les principes de précaution, de prévention et de minutie, ci-après dénommés le principe de précaution : la possibilité de prendre des mesures administratives, indépendamment de la constatation d'une infraction aux dispositions, si, dans le cadre de l'accueil d'enfants tel que visé au présent décret ou à ses arrêtés d'exécution :
a) il y a un risque de violation de l'intégrité physique ou psychique des enfants ;
b) il y a une constatation d'un événement grave d'atteinte à l'intégrité physique ou psychique des enfants ;
20° pouvoir gestionnel : la mesure dans laquelle l'organisateur est en mesure de mener une politique autonome, compte tenu de la marge de manoeuvre politique disponible, des propres objectifs et du contexte local, et la mesure dans laquelle les activités du responsable et des collaborateurs sont alignées en vue de contribuer à l'épanouissement des enfants. ".
1° il est inséré un point 1° /1, rédigé comme suit :
" 1° /1 règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE ; " ;
2° au point 2°, le membre de phrase " en dehors de l'habitation familiale de l'enfant, " est inséré entre le membre de phrase " accueil de la petite enfance, " et les mots " à savoir " ;
3° les points 19° et 20° sont ajoutés, rédigés comme suit :
" 19° les principes de précaution, de prévention et de minutie, ci-après dénommés le principe de précaution : la possibilité de prendre des mesures administratives, indépendamment de la constatation d'une infraction aux dispositions, si, dans le cadre de l'accueil d'enfants tel que visé au présent décret ou à ses arrêtés d'exécution :
a) il y a un risque de violation de l'intégrité physique ou psychique des enfants ;
b) il y a une constatation d'un événement grave d'atteinte à l'intégrité physique ou psychique des enfants ;
20° pouvoir gestionnel : la mesure dans laquelle l'organisateur est en mesure de mener une politique autonome, compte tenu de la marge de manoeuvre politique disponible, des propres objectifs et du contexte local, et la mesure dans laquelle les activités du responsable et des collaborateurs sont alignées en vue de contribuer à l'épanouissement des enfants. ".
Art. 3. In artikel 3 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid wordt de zin "De Vlaamse Gemeenschap beoogt tegen 2016 een aanbod voor minstens de helft van de kinderen jonger dan drie jaar, en vanaf 2020 voor alle gezinnen met een behoefte aan kinderopvang, binnen een afgesproken budgettair kader." opgeheven;
2° tussen het derde en het vierde lid worden twee leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"De Vlaamse Gemeenschap ontwikkelt een financieringskader met het oog op een duurzame uitbouw van de kinderopvang, zowel kwalitatief als kwantitatief.
De uitbouw van bovenstaande aspecten binnen de kinderopvang gebeurt binnen een afgesproken budgettair kader.".
1° in het tweede lid wordt de zin "De Vlaamse Gemeenschap beoogt tegen 2016 een aanbod voor minstens de helft van de kinderen jonger dan drie jaar, en vanaf 2020 voor alle gezinnen met een behoefte aan kinderopvang, binnen een afgesproken budgettair kader." opgeheven;
2° tussen het derde en het vierde lid worden twee leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"De Vlaamse Gemeenschap ontwikkelt een financieringskader met het oog op een duurzame uitbouw van de kinderopvang, zowel kwalitatief als kwantitatief.
De uitbouw van bovenstaande aspecten binnen de kinderopvang gebeurt binnen een afgesproken budgettair kader.".
Art. 3. A l'article 3 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 2, la phrase " Vers 2016 la Communauté flamande vise à réaliser une offre pour au moins la moitié des enfants ayant moins de trois ans, et à partir de 2020 pour toutes les familles ayant un besoin d'accueil d'enfants, au sein d'un cadre budgétaire convenu. " est abrogée ;
2° entre les alinéas 3 et 4 sont insérés deux alinéas, rédigés comme suit :
" La Communauté flamande élabore un cadre de financement en vue d'un développement durable de l'accueil d'enfants, tant sur le plan qualitatif que quantitatif.
Le développement des aspects précités dans l'accueil d'enfants se fait dans un cadre budgétaire convenu. ".
1° dans l'alinéa 2, la phrase " Vers 2016 la Communauté flamande vise à réaliser une offre pour au moins la moitié des enfants ayant moins de trois ans, et à partir de 2020 pour toutes les familles ayant un besoin d'accueil d'enfants, au sein d'un cadre budgétaire convenu. " est abrogée ;
2° entre les alinéas 3 et 4 sont insérés deux alinéas, rédigés comme suit :
" La Communauté flamande élabore un cadre de financement en vue d'un développement durable de l'accueil d'enfants, tant sur le plan qualitatif que quantitatif.
Le développement des aspects précités dans l'accueil d'enfants se fait dans un cadre budgétaire convenu. ".
Art. 4. In artikel 4 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 15 juli 2016 en 21 mei 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Een organisator moet over een vergunning van het agentschap beschikken om kinderopvang te kunnen organiseren.";
2° aan het derde lid wordt de zin "Het passend onderzoek heeft minstens betrekking op de aanwezigheid van het beleidsvoerend vermogen, vermeld in artikel 6, § 1." toegevoegd;
3° aan het zesde lid wordt de zin "De Vlaamse Regering kan bij de nadere voorwaarden tot vergunning of subsidie onderscheid maken naargelang het aantal vergunde kinderopvangplaatsen." toegevoegd.
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Een organisator moet over een vergunning van het agentschap beschikken om kinderopvang te kunnen organiseren.";
2° aan het derde lid wordt de zin "Het passend onderzoek heeft minstens betrekking op de aanwezigheid van het beleidsvoerend vermogen, vermeld in artikel 6, § 1." toegevoegd;
3° aan het zesde lid wordt de zin "De Vlaamse Regering kan bij de nadere voorwaarden tot vergunning of subsidie onderscheid maken naargelang het aantal vergunde kinderopvangplaatsen." toegevoegd.
Art. 4. A l'article 4 du même décret, modifié par les décrets des 15 juillet 2016 et 21 mai 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" L'organisateur doit disposer d'une autorisation de l'agence afin de pouvoir organiser l'accueil d'enfants. " ;
2° l'alinéa 3 est complété par la phrase " L'examen approprié porte au moins sur la présence du pouvoir gestionnel, visé à l'article 6, § 1er. " ;
3° l'alinéa 6 est complété par la phrase " Le Gouvernement flamand peut différencier les modalités d'autorisation ou de subvention en fonction du nombre de places d'accueil d'enfants autorisées ".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" L'organisateur doit disposer d'une autorisation de l'agence afin de pouvoir organiser l'accueil d'enfants. " ;
2° l'alinéa 3 est complété par la phrase " L'examen approprié porte au moins sur la présence du pouvoir gestionnel, visé à l'article 6, § 1er. " ;
3° l'alinéa 6 est complété par la phrase " Le Gouvernement flamand peut différencier les modalités d'autorisation ou de subvention en fonction du nombre de places d'accueil d'enfants autorisées ".
Art. 5. In artikel 5 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "De vergunning voor groepsopvang en de vergunning voor gezinsopvang bevatten" vervangen door de woorden "De vergunning bevat";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
1° in het eerste lid worden de woorden "De vergunning voor groepsopvang en de vergunning voor gezinsopvang bevatten" vervangen door de woorden "De vergunning bevat";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 5. A l'article 5 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " L'autorisation pour l'accueil d'un groupe d'enfants et l'autorisation pour l'accueil familial comportent " sont remplacés par les mots " L'autorisation comporte " ;
2° l'alinéa 2 est abrogé.
1° dans l'alinéa 1er, les mots " L'autorisation pour l'accueil d'un groupe d'enfants et l'autorisation pour l'accueil familial comportent " sont remplacés par les mots " L'autorisation comporte " ;
2° l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 6. In artikel 6 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 15 juli 2016, 7 juli 2017 en 21 mei 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. De organisator heeft de integriteit en het beleidsvoerend vermogen om op een rechtmatige manier, rekening houdend met de geldende normen en waarden, kwaliteitsvolle en duurzame kinderopvang te organiseren.
De naleving van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, blijkt uit de manier waarop de volgende aspecten in de vergunde werking aanwezig zijn:
1° duidelijk leiderschap, met een gestructureerde werkomgeving waar de bevoegdheden en verantwoordelijkheden duidelijk worden toebedeeld en waarbij de organisator ervoor zorgt dat alle medewerkers minstens de geïntegreerde aanpak, vermeld in punt 2°, kennen en toepassen;
2° een geïntegreerde aanpak van al de volgende thema's:
a) infrastructuur, minstens de ruimte, bestemd voor kinderopvang, de uitrusting en de inrichting ervan;
b) veiligheid en gezondheid, met inbegrip van specifieke brandveiligheidsvoorschriften voor kinderopvanglocaties, met behoud van de toepassing van de federale basisnormen voor de brandveiligheid van gebouwen;
c) omgang met de kinderen en de gezinnen, waaronder minstens:
1) respect voor integriteit en niet-discriminatie;
2) pedagogisch beleid met het oog op het stimuleren van de ontwikkeling van elk kind op lichamelijk, cognitief, sociaal, emotioneel, communicatief, creatief en moreel vlak, en met het oog op het waarborgen van het welbevinden en de betrokkenheid van elk kind;
3) betrokkenheid en participatie van de gezinnen;
4) huishoudelijk reglement en schriftelijke overeenkomst;
5) inlichtingenfiche en aanwezigheidsregister;
d) personen werkzaam in de kinderopvanglocatie, minstens met betrekking tot:
1) de verantwoordelijke, zoals zijn kwalificatie en zijn actieve kennis van de Nederlandse taal;
2) de kinderbegeleider, zoals zijn kwalificatie, het aantal kinderbegeleiders in verhouding tot het aantal tegelijk aanwezige kinderen en voor minstens een van de kinderbegeleiders de actieve kennis van de Nederlandse taal;
3) andere personen met regelmatig direct contact;
e) organisatorisch management van de kinderopvanglocatie, minstens het medewerkersbeleid, de algemene en financiële werking, de leefgroepindeling en de klachtenbehandeling;
f) samenwerking met het agentschap, het lokaal loket kinderopvang en het lokaal bestuur;
3° een reflectieve, proactieve en reactieve houding met het oog op een voortdurende verbetering van de eigen werking, rekening houdend met de feedback en input van gezinnen, medewerkers en relevante expertise van externe organisaties;
4° een innovatieve houding, waarbij er oog is voor vernieuwing, rekening houdend met ontwikkelingen in de omgeving, de samenleving en de regelgeving;
5° doeltreffende communicatie en transparantie, waarbij erop gelet wordt dat de nodige en correcte informatie tijdig en duidelijk bij de juiste mensen terechtkomt, waaronder de personen die werken in de kinderopvanglocatie en de gezinnen van de opgevangen kinderen;
6° samenwerking en transparante communicatie met het agentschap, het lokaal bestuur, het lokaal loket kinderopvang en andere lokale partners.
De organisator zorgt voor ondersteuning voor zichzelf en voor zijn medewerkers voor alle voorwaarden als vermeld in het eerste en tweede lid.
De organisator kan de naleving van alle voorwaarden als vermeld in het eerste, tweede en derde lid aantonen op basis van onder meer documentatie.";
2° paragraaf 2 en 3 worden opgeheven;
3° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
" § 4. De organisator controleert bij de aanstelling van elke nieuwe verantwoordelijke en kinderbegeleider en voor elke andere meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie regelmatig direct contact heeft met de opgevangen kinderen, het goed zedelijk gedrag van de betrokkene dat minstens een onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen inhoudt.
Als de organisator een rechtspersoon is, beschikt de organisator over een uittreksel uit het centraal strafregister op naam van de rechtspersoon. De organisator controleert van de zaakvoerders en bestuurders het goed zedelijk gedrag, dat minstens een onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen inhoudt.
Artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, artikel 4, eerste lid, 1°, en artikel 5, § 1, § 2 en § 3, eerste, tweede en vijfde lid, van het decreet van 3 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister, vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers, zijn van toepassing bij de controle, vermeld in het eerste en tweede lid.
De organisator zorgt er via een schriftelijk document voor dat elke persoon als vermeld in het eerste en tweede lid, die het voorwerp uitmaakt van een strafonderzoek of een veroordeling oploopt met betrekking tot feiten ten aanzien van minderjarigen die een impact hebben op het goed zedelijk gedrag van de betrokken persoon en met name zijn onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen, dat verplicht meldt aan de organisator. Onder schriftelijk document kan ook verstaan worden het arbeidsreglement van een organisator.
De organisator voert een nieuwe controle uit zoals bedoeld in het eerste lid op het ogenblik dat hij informatie ontvangt, ofwel via de meldingsplicht, ofwel op een andere wijze, over het opstarten van een strafonderzoek of over het oplopen van een nieuwe veroordeling met betrekking tot feiten ten aanzien van minderjarigen die een impact hebben op het goed zedelijk gedrag van de betrokken persoon en met name zijn onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen. Het resultaat van de controle of het niet naleven van de meldingsplicht kunnen arbeidsrechtelijke of contractuele gevolgen hebben voor de verantwoordelijke, de kinderbegeleider of de meerderjarige personen die in de kinderopvanglocatie regelmatig direct contact hebben met de opgevangen kinderen.
De organisator vraagt een nieuw uittreksel uit het strafregister op na elke periode van drie jaar.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. De organisator heeft de integriteit en het beleidsvoerend vermogen om op een rechtmatige manier, rekening houdend met de geldende normen en waarden, kwaliteitsvolle en duurzame kinderopvang te organiseren.
De naleving van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, blijkt uit de manier waarop de volgende aspecten in de vergunde werking aanwezig zijn:
1° duidelijk leiderschap, met een gestructureerde werkomgeving waar de bevoegdheden en verantwoordelijkheden duidelijk worden toebedeeld en waarbij de organisator ervoor zorgt dat alle medewerkers minstens de geïntegreerde aanpak, vermeld in punt 2°, kennen en toepassen;
2° een geïntegreerde aanpak van al de volgende thema's:
a) infrastructuur, minstens de ruimte, bestemd voor kinderopvang, de uitrusting en de inrichting ervan;
b) veiligheid en gezondheid, met inbegrip van specifieke brandveiligheidsvoorschriften voor kinderopvanglocaties, met behoud van de toepassing van de federale basisnormen voor de brandveiligheid van gebouwen;
c) omgang met de kinderen en de gezinnen, waaronder minstens:
1) respect voor integriteit en niet-discriminatie;
2) pedagogisch beleid met het oog op het stimuleren van de ontwikkeling van elk kind op lichamelijk, cognitief, sociaal, emotioneel, communicatief, creatief en moreel vlak, en met het oog op het waarborgen van het welbevinden en de betrokkenheid van elk kind;
3) betrokkenheid en participatie van de gezinnen;
4) huishoudelijk reglement en schriftelijke overeenkomst;
5) inlichtingenfiche en aanwezigheidsregister;
d) personen werkzaam in de kinderopvanglocatie, minstens met betrekking tot:
1) de verantwoordelijke, zoals zijn kwalificatie en zijn actieve kennis van de Nederlandse taal;
2) de kinderbegeleider, zoals zijn kwalificatie, het aantal kinderbegeleiders in verhouding tot het aantal tegelijk aanwezige kinderen en voor minstens een van de kinderbegeleiders de actieve kennis van de Nederlandse taal;
3) andere personen met regelmatig direct contact;
e) organisatorisch management van de kinderopvanglocatie, minstens het medewerkersbeleid, de algemene en financiële werking, de leefgroepindeling en de klachtenbehandeling;
f) samenwerking met het agentschap, het lokaal loket kinderopvang en het lokaal bestuur;
3° een reflectieve, proactieve en reactieve houding met het oog op een voortdurende verbetering van de eigen werking, rekening houdend met de feedback en input van gezinnen, medewerkers en relevante expertise van externe organisaties;
4° een innovatieve houding, waarbij er oog is voor vernieuwing, rekening houdend met ontwikkelingen in de omgeving, de samenleving en de regelgeving;
5° doeltreffende communicatie en transparantie, waarbij erop gelet wordt dat de nodige en correcte informatie tijdig en duidelijk bij de juiste mensen terechtkomt, waaronder de personen die werken in de kinderopvanglocatie en de gezinnen van de opgevangen kinderen;
6° samenwerking en transparante communicatie met het agentschap, het lokaal bestuur, het lokaal loket kinderopvang en andere lokale partners.
De organisator zorgt voor ondersteuning voor zichzelf en voor zijn medewerkers voor alle voorwaarden als vermeld in het eerste en tweede lid.
De organisator kan de naleving van alle voorwaarden als vermeld in het eerste, tweede en derde lid aantonen op basis van onder meer documentatie.";
2° paragraaf 2 en 3 worden opgeheven;
3° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
" § 4. De organisator controleert bij de aanstelling van elke nieuwe verantwoordelijke en kinderbegeleider en voor elke andere meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie regelmatig direct contact heeft met de opgevangen kinderen, het goed zedelijk gedrag van de betrokkene dat minstens een onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen inhoudt.
Als de organisator een rechtspersoon is, beschikt de organisator over een uittreksel uit het centraal strafregister op naam van de rechtspersoon. De organisator controleert van de zaakvoerders en bestuurders het goed zedelijk gedrag, dat minstens een onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen inhoudt.
Artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, artikel 4, eerste lid, 1°, en artikel 5, § 1, § 2 en § 3, eerste, tweede en vijfde lid, van het decreet van 3 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister, vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers, zijn van toepassing bij de controle, vermeld in het eerste en tweede lid.
De organisator zorgt er via een schriftelijk document voor dat elke persoon als vermeld in het eerste en tweede lid, die het voorwerp uitmaakt van een strafonderzoek of een veroordeling oploopt met betrekking tot feiten ten aanzien van minderjarigen die een impact hebben op het goed zedelijk gedrag van de betrokken persoon en met name zijn onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen, dat verplicht meldt aan de organisator. Onder schriftelijk document kan ook verstaan worden het arbeidsreglement van een organisator.
De organisator voert een nieuwe controle uit zoals bedoeld in het eerste lid op het ogenblik dat hij informatie ontvangt, ofwel via de meldingsplicht, ofwel op een andere wijze, over het opstarten van een strafonderzoek of over het oplopen van een nieuwe veroordeling met betrekking tot feiten ten aanzien van minderjarigen die een impact hebben op het goed zedelijk gedrag van de betrokken persoon en met name zijn onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen. Het resultaat van de controle of het niet naleven van de meldingsplicht kunnen arbeidsrechtelijke of contractuele gevolgen hebben voor de verantwoordelijke, de kinderbegeleider of de meerderjarige personen die in de kinderopvanglocatie regelmatig direct contact hebben met de opgevangen kinderen.
De organisator vraagt een nieuw uittreksel uit het strafregister op na elke periode van drie jaar.".
Art. 6. A l'article 6 du même décret, modifié par les décrets des 15 juillet 2016, 7 juillet 2017 et 21 mai 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. L'organisateur fait preuve de l'intégrité et dispose du pouvoir gestionnel lui permettant d'organiser une garde d'enfants de manière légitime, en tenant compte des normes et valeurs en vigueur, de qualité et durable.
Le respect des conditions visées à l'alinéa 1er, est attesté par la manière dont les aspects suivants sont présents dans le fonctionnement autorisé :
1° une direction claire, dans un environnement de travail structuré, où les compétences et les responsabilités sont clairement attribuées et où l'organisateur veille à ce que l'ensemble des collaborateurs connaissent et appliquent au moins l'approche intégrée visée au point 2° ;
2° une approche intégrée de tous les thèmes suivants :
a) l'infrastructure, au moins l'espace destiné à l'accueil d'enfants, son équipement et son aménagement ;
b) la santé et la sécurité, y compris les exigences spécifiques en matière de sécurité incendie pour les milieux d'accueil d'enfants, sans préjudice de l'application des normes de base fédérales en matière de sécurité incendie des bâtiments ;
c) les contacts avec les enfants et les familles, dont au moins :
1) le respect de l'intégrité et de la non-discrimination ;
2) une politique pédagogique visant à encourager le développement physique, cognitif, social, émotionnel, communicatif, créatif et moral de chaque enfant, et à assurer le bien-être et la participation de chaque enfant ;
3) l'engagement et la participation des familles ;
4) le règlement d'ordre intérieur et la convention écrite ;
5) la fiche d'information et le registre de présence ;
d) les personnes employées au sein du milieu d'accueil d'enfants, au moins en ce qui concerne :
1) le responsable, comme sa qualification et sa connaissance active de la langue néerlandaise ;
2) l'accompagnateur d'enfants, comme sa qualification, le nombre d'accompagnateurs d'enfants par rapport au nombre d'enfants présents simultanément, et pour au moins un des accompagnateurs d'enfants la connaissance active de la langue néerlandaise ;
3) d'autres personnes en contact direct et régulier ;
e) la gestion organisationnelle du milieu d'accueil d'enfants, au moins la politique du personnel, le fonctionnement général et financier, la division en groupes de vie et le traitement des plaintes ;
f) la coopération avec l'agence, le guichet local en matière d'accueil d'enfants et l'administration locale ;
3° une attitude réflective, proactive et réactive en vue d'une amélioration continue du propre fonctionnement, en tenant compte du feed-back et de la contribution des familles, des collaborateurs et de l'expertise pertinente d'organisations externes ;
4° une attitude innovante, en portant une attention à la modernisation, compte tenu des évolutions de l'environnement, de la société et des réglementations ;
5° une communication efficace et toute la transparence requise, en veillant à ce que les informations nécessaires et correctes parviennent aux bonnes personnes en temps voulu et de manière claire, dont les personnes employées au sein du milieu d'accueil et les familles des enfants gardés ;
6° une coopération et une communication transparente avec l'agence, l'administration locale, le guichet local en matière d'accueil d'enfants et d'autres partenaires locaux.
L'organisateur fournit un soutien pour lui-même et ses collaborateurs pour toutes les conditions visées aux alinéas 1er et 2.
L'organisateur est capable de démontrer le respect de toutes les conditions visées aux alinéas 1er, 2 et 3, sur la base, entre autres, d'une documentation. " ;
2° les paragraphes 2 et 3 sont abrogés ;
3° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Lors de la désignation de chaque nouveau responsable et accompagnateur d'enfants, et pour toute autre personne majeure ayant un contact direct et régulier avec les enfants gardés dans le milieu d'accueil d'enfants, l'organisateur vérifie la bonne conduite de la personne concernée, ce qui implique au moins un comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs.
Lorsque l'organisateur est une personne morale, l'organisateur dispose d'un extrait du casier judiciaire central au nom de la personne morale. L'organisateur vérifie la bonne conduite des gérants et des administrateurs, ce qui implique au moins un comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs.
L'article 3, alinéas 2 à 5, l'article 4, alinéa 1er, 1°, et l'article 5, § 1er, § 2 et § 3, alinéas 1er, 2 et 5, du décret du 3 juin 2022 portant l'obligation pour certaines organisations de contrôler un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 596, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle, pour certains nouveaux collaborateurs, s'appliquent au contrôle visé aux alinéas 1er et 2.
L'organisateur veille, par le biais d'un document écrit, à ce que toute personne telle que visée aux alinéas 1er et 2, qui fait l'objet d'une enquête pénale ou d'une condamnation pour des faits à l'encontre de mineurs qui ont un impact sur la bonne conduite de la personne en question et, plus particulièrement, sur son comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs, le signale obligatoirement à l'organisateur. Par document écrit, on peut également entendre le règlement de travail d'un organisateur.
L'organisateur procède à un nouveau contrôle tel que visé à l'alinéa 1er au moment où il est informé, soit par l'obligation de notification, soit par d'autres moyens, de l'ouverture d'une enquête pénale ou de la survenance d'une nouvelle condamnation pour des faits à l'encontre des mineurs qui ont un impact sur la bonne conduite de la personne en question et, plus particulièrement, sur son comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs. Le résultat du contrôle ou le non-respect de l'obligation de notification peut avoir des conséquences concernant le droit du travail ou contractuelles pour le responsable, l'accompagnateur d'enfants ou les personnes majeures qui sont en contact direct et régulier avec les enfants gardés dans le milieu d'accueil d'enfants.
L'organisateur demande un nouvel extrait de casier judiciaire après chaque période de trois ans. ".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. L'organisateur fait preuve de l'intégrité et dispose du pouvoir gestionnel lui permettant d'organiser une garde d'enfants de manière légitime, en tenant compte des normes et valeurs en vigueur, de qualité et durable.
Le respect des conditions visées à l'alinéa 1er, est attesté par la manière dont les aspects suivants sont présents dans le fonctionnement autorisé :
1° une direction claire, dans un environnement de travail structuré, où les compétences et les responsabilités sont clairement attribuées et où l'organisateur veille à ce que l'ensemble des collaborateurs connaissent et appliquent au moins l'approche intégrée visée au point 2° ;
2° une approche intégrée de tous les thèmes suivants :
a) l'infrastructure, au moins l'espace destiné à l'accueil d'enfants, son équipement et son aménagement ;
b) la santé et la sécurité, y compris les exigences spécifiques en matière de sécurité incendie pour les milieux d'accueil d'enfants, sans préjudice de l'application des normes de base fédérales en matière de sécurité incendie des bâtiments ;
c) les contacts avec les enfants et les familles, dont au moins :
1) le respect de l'intégrité et de la non-discrimination ;
2) une politique pédagogique visant à encourager le développement physique, cognitif, social, émotionnel, communicatif, créatif et moral de chaque enfant, et à assurer le bien-être et la participation de chaque enfant ;
3) l'engagement et la participation des familles ;
4) le règlement d'ordre intérieur et la convention écrite ;
5) la fiche d'information et le registre de présence ;
d) les personnes employées au sein du milieu d'accueil d'enfants, au moins en ce qui concerne :
1) le responsable, comme sa qualification et sa connaissance active de la langue néerlandaise ;
2) l'accompagnateur d'enfants, comme sa qualification, le nombre d'accompagnateurs d'enfants par rapport au nombre d'enfants présents simultanément, et pour au moins un des accompagnateurs d'enfants la connaissance active de la langue néerlandaise ;
3) d'autres personnes en contact direct et régulier ;
e) la gestion organisationnelle du milieu d'accueil d'enfants, au moins la politique du personnel, le fonctionnement général et financier, la division en groupes de vie et le traitement des plaintes ;
f) la coopération avec l'agence, le guichet local en matière d'accueil d'enfants et l'administration locale ;
3° une attitude réflective, proactive et réactive en vue d'une amélioration continue du propre fonctionnement, en tenant compte du feed-back et de la contribution des familles, des collaborateurs et de l'expertise pertinente d'organisations externes ;
4° une attitude innovante, en portant une attention à la modernisation, compte tenu des évolutions de l'environnement, de la société et des réglementations ;
5° une communication efficace et toute la transparence requise, en veillant à ce que les informations nécessaires et correctes parviennent aux bonnes personnes en temps voulu et de manière claire, dont les personnes employées au sein du milieu d'accueil et les familles des enfants gardés ;
6° une coopération et une communication transparente avec l'agence, l'administration locale, le guichet local en matière d'accueil d'enfants et d'autres partenaires locaux.
L'organisateur fournit un soutien pour lui-même et ses collaborateurs pour toutes les conditions visées aux alinéas 1er et 2.
L'organisateur est capable de démontrer le respect de toutes les conditions visées aux alinéas 1er, 2 et 3, sur la base, entre autres, d'une documentation. " ;
2° les paragraphes 2 et 3 sont abrogés ;
3° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Lors de la désignation de chaque nouveau responsable et accompagnateur d'enfants, et pour toute autre personne majeure ayant un contact direct et régulier avec les enfants gardés dans le milieu d'accueil d'enfants, l'organisateur vérifie la bonne conduite de la personne concernée, ce qui implique au moins un comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs.
Lorsque l'organisateur est une personne morale, l'organisateur dispose d'un extrait du casier judiciaire central au nom de la personne morale. L'organisateur vérifie la bonne conduite des gérants et des administrateurs, ce qui implique au moins un comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs.
L'article 3, alinéas 2 à 5, l'article 4, alinéa 1er, 1°, et l'article 5, § 1er, § 2 et § 3, alinéas 1er, 2 et 5, du décret du 3 juin 2022 portant l'obligation pour certaines organisations de contrôler un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 596, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle, pour certains nouveaux collaborateurs, s'appliquent au contrôle visé aux alinéas 1er et 2.
L'organisateur veille, par le biais d'un document écrit, à ce que toute personne telle que visée aux alinéas 1er et 2, qui fait l'objet d'une enquête pénale ou d'une condamnation pour des faits à l'encontre de mineurs qui ont un impact sur la bonne conduite de la personne en question et, plus particulièrement, sur son comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs, le signale obligatoirement à l'organisateur. Par document écrit, on peut également entendre le règlement de travail d'un organisateur.
L'organisateur procède à un nouveau contrôle tel que visé à l'alinéa 1er au moment où il est informé, soit par l'obligation de notification, soit par d'autres moyens, de l'ouverture d'une enquête pénale ou de la survenance d'une nouvelle condamnation pour des faits à l'encontre des mineurs qui ont un impact sur la bonne conduite de la personne en question et, plus particulièrement, sur son comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs. Le résultat du contrôle ou le non-respect de l'obligation de notification peut avoir des conséquences concernant le droit du travail ou contractuelles pour le responsable, l'accompagnateur d'enfants ou les personnes majeures qui sont en contact direct et régulier avec les enfants gardés dans le milieu d'accueil d'enfants.
L'organisateur demande un nouvel extrait de casier judiciaire après chaque période de trois ans. ".
Art. 7. In artikel 7, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 21 mei 2021, worden de woorden "De organisator met een vergunning voor gezinsopvang of een vergunning voor groepsopvang" vervangen door de woorden "De organisator met een vergunning".
Art. 7. Dans l'article 7, alinéa 1er, du même décret, modifié par le décret du 21 mai 2021, les mots " L'organisateur disposant d'une autorisation pour l'accueil familial ou une autorisation pour l'accueil d'un groupe d'enfants " sont remplacés par les mots " L'organisateur disposant d'une autorisation ".
Art. 8. In artikel 8 van hetzelfde decreet, laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "De organisator met een vergunning voor gezinsopvang of een vergunning voor groepsopvang" vervangen door de woorden "De organisator met een vergunning";
2° in paragraaf 1, eerste lid, worden tussen de woorden "voor de realisatie van kinderopvang" en de woorden "waarvoor de gezinnen betalen" de woorden "en van opvang van schoolgaande kinderen binnen de vergunde opvang" ingevoegd;
3° in paragraaf 3, eerste lid, 1°, worden tussen de woorden "voor de prijs van de kinderopvang" en de woorden "voor de gezinnen" de woorden "of van de opvang van schoolgaande kinderen" ingevoegd;
4° in paragraaf 3 wordt tussen het eerste lid en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"In dit artikel wordt verstaan onder opvang van schoolgaande kinderen: opvang van kinderen die naar de basisschool gaan en die gebruik maken van kinderopvang in een opvanglocatie die een vergunning heeft voor opvang van baby's en peuters, en die hoofdzakelijk baby's en peuters opvangt.".
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "De organisator met een vergunning voor gezinsopvang of een vergunning voor groepsopvang" vervangen door de woorden "De organisator met een vergunning";
2° in paragraaf 1, eerste lid, worden tussen de woorden "voor de realisatie van kinderopvang" en de woorden "waarvoor de gezinnen betalen" de woorden "en van opvang van schoolgaande kinderen binnen de vergunde opvang" ingevoegd;
3° in paragraaf 3, eerste lid, 1°, worden tussen de woorden "voor de prijs van de kinderopvang" en de woorden "voor de gezinnen" de woorden "of van de opvang van schoolgaande kinderen" ingevoegd;
4° in paragraaf 3 wordt tussen het eerste lid en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"In dit artikel wordt verstaan onder opvang van schoolgaande kinderen: opvang van kinderen die naar de basisschool gaan en die gebruik maken van kinderopvang in een opvanglocatie die een vergunning heeft voor opvang van baby's en peuters, en die hoofdzakelijk baby's en peuters opvangt.".
Art. 8. A l'article 8 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 22 décembre 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " L'organisateur disposant d'une autorisation pour l'accueil familial ou d'une autorisation pour l'accueil d'un groupe d'enfants " sont remplacés par les mots " L'organisateur disposant d'une autorisation " ;
2° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " et de l'accueil d'enfants scolarisés dans l'accueil autorisé " sont insérés entre les mots " pour l'organisation de l'accueil d'enfants " et les mots " pour lequel les familles paient " ;
3° au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, les mots " ou de l'accueil d'enfants scolarisés " sont insérés entre les mots " au prix de l'accueil d'enfants " et les mots " pour les familles " ;
4° au paragraphe 3, entre les alinéas 1er et 2, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
" Dans le présent article, on entend par l'accueil d'enfants scolarisés : l'accueil d'enfants fréquentant l'école fondamentale et ayant recours à l'accueil d'enfants dans un milieu d'accueil qui dispose d'une autorisation pour l'accueil de la petite enfance, et qui accueille principalement la petite enfance. ".
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " L'organisateur disposant d'une autorisation pour l'accueil familial ou d'une autorisation pour l'accueil d'un groupe d'enfants " sont remplacés par les mots " L'organisateur disposant d'une autorisation " ;
2° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " et de l'accueil d'enfants scolarisés dans l'accueil autorisé " sont insérés entre les mots " pour l'organisation de l'accueil d'enfants " et les mots " pour lequel les familles paient " ;
3° au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, les mots " ou de l'accueil d'enfants scolarisés " sont insérés entre les mots " au prix de l'accueil d'enfants " et les mots " pour les familles " ;
4° au paragraphe 3, entre les alinéas 1er et 2, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
" Dans le présent article, on entend par l'accueil d'enfants scolarisés : l'accueil d'enfants fréquentant l'école fondamentale et ayant recours à l'accueil d'enfants dans un milieu d'accueil qui dispose d'une autorisation pour l'accueil de la petite enfance, et qui accueille principalement la petite enfance. ".
Art. 9. In artikel 9, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 21 mei 2021, worden de woorden "De organisator met een vergunning voor gezinsopvang of een vergunning voor groepsopvang" vervangen door de woorden "De organisator met een vergunning".
Art. 9. Dans l'article 9, alinéa 1er, du même décret, modifié par le décret du 21 mai 2021, les mots " L'organisateur disposant d'une autorisation pour l'accueil familial ou une autorisation pour l'accueil d'un groupe d'enfants " sont remplacés par les mots " L'organisateur disposant d'une autorisation ".
Art. 10. In artikel 10 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 21 mei 2021, worden de woorden "De organisator met een vergunning voor gezinsopvang of met een vergunning voor groepsopvang" vervangen door de woorden "De organisator met een vergunning".
Art. 10. Dans l'article 10 du même décret, modifié par le décret du 21 mai 2021, les mots " L'organisateur disposant d'une autorisation pour l'accueil familial ou une autorisation pour l'accueil d'un groupe d'enfants " sont remplacés par les mots " L'organisateur disposant d'une autorisation ".
Art. 11. In artikel 11 van hetzelfde decreet worden punt 1° en 2° vervangen door wat volgt:
"1° de organisator van het lokaal loket kinderopvang, vermeld in artikel 13;
2° de organisaties aangesteld voor de ondersteuning van organisatoren, bij de realisatie van de voorwaarden, vermeld in artikel 6, § 1.".
"1° de organisator van het lokaal loket kinderopvang, vermeld in artikel 13;
2° de organisaties aangesteld voor de ondersteuning van organisatoren, bij de realisatie van de voorwaarden, vermeld in artikel 6, § 1.".
Art. 11. Dans l'article 11 du même décret, les points 1° et 2° sont remplacés par ce qui suit :
" 1° l'organisateur du guichet local en matière d'accueil d'enfants, visé à l'article 13 ;
2° les organisations désignées pour le soutien des organisateurs, lors de la réalisation des conditions, visées à l'article 6, § 1er. ".
" 1° l'organisateur du guichet local en matière d'accueil d'enfants, visé à l'article 13 ;
2° les organisations désignées pour le soutien des organisateurs, lors de la réalisation des conditions, visées à l'article 6, § 1er. ".
Art. 12. In artikel 13 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 15 juli 2016 en 21 mei 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het lokaal bestuur organiseert het lokaal loket kinderopvang. Als een lokaal bestuur deze opdracht niet opneemt, kan een andere actor de organisatie opnemen. In de steden en gemeenten waar een Huis van het Kind aanwezig is, kan het lokaal bestuur het lokaal loket kinderopvang organiseren in samenwerking met het Huis van het Kind. Als een andere actor dan het lokaal bestuur het lokaal loket kinderopvang organiseert, dan moet deze lid zijn van het samenwerkingsverband Huis van het Kind en het lokaal loket kinderopvang in die context organiseren.";
2° Het vierde lid wordt vervangen door wat volgt:
"De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels waaronder de scheiding van de rol van de organisator van kinderopvang en de rol van organisator van het lokaal loket kinderopvang waarbij de neutraliteit van de dienstverlening van het lokaal loket kinderopvang moet gegarandeerd worden.".
1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het lokaal bestuur organiseert het lokaal loket kinderopvang. Als een lokaal bestuur deze opdracht niet opneemt, kan een andere actor de organisatie opnemen. In de steden en gemeenten waar een Huis van het Kind aanwezig is, kan het lokaal bestuur het lokaal loket kinderopvang organiseren in samenwerking met het Huis van het Kind. Als een andere actor dan het lokaal bestuur het lokaal loket kinderopvang organiseert, dan moet deze lid zijn van het samenwerkingsverband Huis van het Kind en het lokaal loket kinderopvang in die context organiseren.";
2° Het vierde lid wordt vervangen door wat volgt:
"De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels waaronder de scheiding van de rol van de organisator van kinderopvang en de rol van organisator van het lokaal loket kinderopvang waarbij de neutraliteit van de dienstverlening van het lokaal loket kinderopvang moet gegarandeerd worden.".
Art. 12. A l'article 13 du même décret, modifié par les décrets des 15 juillet 2016 et 21 mai 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" L'administration locale organise le guichet local en matière d'accueil d'enfants. Si une administration locale n'assume pas cette mission, un autre acteur peut assumer l'organisation. Dans les villes et communes où il y a une Maison de l'Enfant, l'administration locale peut organiser le guichet local en matière d'accueil d'enfants en coopération avec la Maison de l'Enfant. Si un acteur autre que l'administration locale organise le guichet local en matière d'accueil d'enfants, celui-ci doit être membre du partenariat Maison de l'Enfant et organiser le guichet local en matière d'accueil d'enfants dans ce contexte. " ;
2° l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
" Le Gouvernement flamand arrête les modalités, y compris la séparation du rôle de l'organisateur de l'accueil d'enfants et du rôle de l'organisateur du guichet local en matière d'accueil d'enfants, la neutralité des services du guichet local en matière d'accueil d'enfants devant être garantie. ".
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" L'administration locale organise le guichet local en matière d'accueil d'enfants. Si une administration locale n'assume pas cette mission, un autre acteur peut assumer l'organisation. Dans les villes et communes où il y a une Maison de l'Enfant, l'administration locale peut organiser le guichet local en matière d'accueil d'enfants en coopération avec la Maison de l'Enfant. Si un acteur autre que l'administration locale organise le guichet local en matière d'accueil d'enfants, celui-ci doit être membre du partenariat Maison de l'Enfant et organiser le guichet local en matière d'accueil d'enfants dans ce contexte. " ;
2° l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
" Le Gouvernement flamand arrête les modalités, y compris la séparation du rôle de l'organisateur de l'accueil d'enfants et du rôle de l'organisateur du guichet local en matière d'accueil d'enfants, la neutralité des services du guichet local en matière d'accueil d'enfants devant être garantie. ".
Art. 13. In artikel 15 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 januari 2018 en 21 mei 2021, wordt het vierde lid opgeheven.
Art. 13. Dans l'article 15 du même décret, modifié par les décrets des 19 janvier 2018 et 21 mai 2021, l'alinéa 4 est abrogé.
Art. 14. In hoofdstuk 6, afdeling 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 januari 2018 en 21 mei 2021, wordt een onderafdeling 1/1, die bestaat uit artikel 15/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Onderafdeling 1/1. Het voorzorgsbeginsel
Art. 15/1. Het agentschap oefent toezicht uit op basis van alle informatie die beschikbaar is. Daarbij hanteert het agentschap het voorzorgsbeginsel. Het agentschap kan een beroep doen op organisaties of deskundigen om het agentschap te adviseren in het kader van het voorzorgsbeginsel.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels wat betreft de toepassing van het voorzorgsbeginsel, die minstens de elementen van de risicoinschatting bevatten op basis waarvan het agentschap kan overgaan tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel en de communicatieprocedure ten aanzien van de organisator.".
"Onderafdeling 1/1. Het voorzorgsbeginsel
Art. 15/1. Het agentschap oefent toezicht uit op basis van alle informatie die beschikbaar is. Daarbij hanteert het agentschap het voorzorgsbeginsel. Het agentschap kan een beroep doen op organisaties of deskundigen om het agentschap te adviseren in het kader van het voorzorgsbeginsel.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels wat betreft de toepassing van het voorzorgsbeginsel, die minstens de elementen van de risicoinschatting bevatten op basis waarvan het agentschap kan overgaan tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel en de communicatieprocedure ten aanzien van de organisator.".
Art. 14. Dans le chapitre 6, section 1re, du même décret, modifié par les décrets des 19 janvier 2018 et 21 mai 2021, il est inséré une sous-section 1/1, comprenant l'article 15/1, rédigée comme suit :
" Sous-section 1/1. Le principe de précaution
Art. 15/1. L'agence exerce le contrôle sur la base de toutes les informations disponibles, en utilisant le principe de précaution. L'agence peut faire appel à des organisations ou à des experts pour la conseiller en vertu du principe de précaution.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à l'application du principe de précaution, qui comprennent au moins les éléments de l'évaluation des risques sur la base desquels l'agence peut imposer une mesure administrative et la procédure de communication vis-à-vis de l'organisateur. ".
" Sous-section 1/1. Le principe de précaution
Art. 15/1. L'agence exerce le contrôle sur la base de toutes les informations disponibles, en utilisant le principe de précaution. L'agence peut faire appel à des organisations ou à des experts pour la conseiller en vertu du principe de précaution.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à l'application du principe de précaution, qui comprennent au moins les éléments de l'évaluation des risques sur la base desquels l'agence peut imposer une mesure administrative et la procédure de communication vis-à-vis de l'organisateur. ".
Art. 15. In artikel 18 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 15 juli 2016, 19 januari 2018, 1 maart 2019 en 21 mei 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan het eerste lid wordt de zin "Ook bij toepassing van het voorzorgsbeginsel wordt de organisator schriftelijk aangemaand door het agentschap." toegevoegd;
2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"De aanmaning kan achterwege blijven en het agentschap kan onmiddellijk overgaan tot het nemen van een bestuurlijke maatregel als vermeld in afdeling 3:
1° bij dringende noodzakelijkheid;
2° als een herstel van de inbreuk niet meer mogelijk is;
3° bij de niet-naleving van een beveiligende maatregel als vermeld in artikel 19;
4° bij de stopzetting van de subsidie in geval van gelijktijdige opheffing of wijziging van de vergunning.".
1° aan het eerste lid wordt de zin "Ook bij toepassing van het voorzorgsbeginsel wordt de organisator schriftelijk aangemaand door het agentschap." toegevoegd;
2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
"De aanmaning kan achterwege blijven en het agentschap kan onmiddellijk overgaan tot het nemen van een bestuurlijke maatregel als vermeld in afdeling 3:
1° bij dringende noodzakelijkheid;
2° als een herstel van de inbreuk niet meer mogelijk is;
3° bij de niet-naleving van een beveiligende maatregel als vermeld in artikel 19;
4° bij de stopzetting van de subsidie in geval van gelijktijdige opheffing of wijziging van de vergunning.".
Art. 15. A l'article 18 du même décret, modifié par les décrets des 15 juillet 2016, 19 janvier 2018, 1er mars 2019 et 21 mai 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est complété par la phrase " Même lorsque le principe de précaution est appliqué, l'organisateur reçoit une sommation écrite de l'agence. " ;
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" La sommation peut être omise et l'agence peut immédiatement prendre une mesure administrative telle que visée à la section 3 :
1° en cas d'urgence ;
2° si la réparation de l'infraction n'est plus possible ;
3° en cas de non-respect d'une mesure conservatoire telle que visée à l'article 19 ;
4° lors de la cessation de la subvention en cas d'abrogation ou de modification simultanée de l'autorisation. ".
1° l'alinéa 1er est complété par la phrase " Même lorsque le principe de précaution est appliqué, l'organisateur reçoit une sommation écrite de l'agence. " ;
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" La sommation peut être omise et l'agence peut immédiatement prendre une mesure administrative telle que visée à la section 3 :
1° en cas d'urgence ;
2° si la réparation de l'infraction n'est plus possible ;
3° en cas de non-respect d'une mesure conservatoire telle que visée à l'article 19 ;
4° lors de la cessation de la subvention en cas d'abrogation ou de modification simultanée de l'autorisation. ".
Art. 16. Artikel 19 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 19. Het agentschap kan de vergunning wijzigen, schorsen, opheffen of kan beveiligende maatregelen nemen als het agentschap vaststelt:
1° dat er een inbreuk is op de bepalingen, vermeld in dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° dat een maatregel moet worden genomen vanuit het voorzorgsbeginsel;
3° dat het door of krachtens dit decreet geregelde toezicht verhinderd wordt.
De schorsing van de vergunning heeft van rechtswege de opschorting van de uitoefening van de kinderopvang tot gevolg vanaf de dag die vermeld is in de schorsingsbeslissing tot het moment dat het agentschap vaststelt dat de organisator opnieuw voldoet aan de vergunningsvoorwaarden en uiterlijk tot de datum die vermeld is in de schorsingsbeslissing. Als op de einddatum van de schorsing de aanleiding van de maatregel niet is weggewerkt, kan het agentschap de schorsing verlengen of een andere bestuurlijke maatregel opleggen.
De opheffing van de vergunning heeft van rechtswege de sluiting van de kinderopvanglocatie tot gevolg.
De beveiligende maatregelen zijn tijdelijke bestuurlijke maatregelen waarbij de uitoefening van de kinderopvang niet volledig wordt opgeschort, tenzij het agentschap gelijktijdig met de beveiligende maatregel een schorsing oplegt. Als op de einddatum van de beveiligende maatregel de aanleiding van de beveiligende maatregel niet is weggewerkt, kan het agentschap de beveiligende maatregel verlengen of een andere bestuurlijke maatregel opleggen.
Het agentschap kan een of meer beveiligende maatregelen nemen die kunnen bestaan uit:
1° de wijziging van de vergunning, al dan niet gekoppeld aan het verbod om bepaalde ruimtes in de kinderopvanglocatie in gebruik te nemen;
2° de beperking van de openingsdagen en -uren;
3° de screening en adviesverlening aan het agentschap van de risico's met betrekking tot de persoon van de organisator of van een persoon die werkzaam is in de kinderopvanglocatie, door een organisatie of deskundige als vermeld in artikel 15;
4° de screening en adviesverlening aan het agentschap van de competenties van de organisator met betrekking tot het beleidsvoerend vermogen, door een organisatie als vermeld in artikel 11;
5° het opleggen van een verbod voor een organisator om een vergunning aan te vragen als het handhavingsdossier elementen bevat die wijzen op de ongeschiktheid om als organisator van een kinderopvanglocatie op te treden;
6° het opleggen van een verbod voor een persoon om als verantwoordelijke van een kinderopvanglocatie tewerkgesteld te worden als het handhavingsdossier elementen bevat die wijzen op de ongeschiktheid om dergelijke functie op te nemen;
7° het opleggen van een verbod om activiteiten op te nemen met de opgevangen kinderen ten aanzien van een of meer personen die werkzaam zijn in de kinderopvanglocatie;
8° het opleggen van een specifieke ondersteuning, al dan niet op de werkvloer, of van een specifieke opleiding;
9° het opleggen van een verbod om nieuwe contracten af te sluiten met gezinnen;
10° het verzoek aan de rechter om een voorlopige bewindvoerder aan te stellen met competenties in de organisatie van een zorgvoorziening die gemachtigd wordt om in naam en voor rekening van de organisator de nodige maatregelen te nemen om tegemoet te komen aan de vastgestelde inbreuken of risico's wat betreft de kwaliteit en de duurzaamheid van de kinderopvang.
In de beslissing, vermeld in het eerste lid, wordt transparant omschreven wat de bestuurlijke maatregel inhoudt, de motivering voor de keuze van de opgelegde bestuurlijke maatregel en welke voorwaarden in voorkomend geval vervuld moeten zijn en binnen welke termijn ze vervuld moeten zijn.
Het agentschap kan in voorkomend geval de kosten voor bepaalde beveiligende maatregelen geheel of ten dele aanrekenen aan de organisator.
Het agentschap kan in geval van een schorsing van een vergunning naar aanleiding van een specifieke gebeurtenis waaruit blijkt dat de gebeurtenis te wijten is aan een oorzaak die volledig buiten de organisator of zijn medewerkers ligt, een eenmalig forfaitair bedrag betalen voor geleden inkomensverlies.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels die minstens de mogelijkheid bevatten om bezwaar in te dienen tegen de bestuurlijke maatregelen, vermeld in het eerste lid, die de parameters bevatten voor het vastleggen van de kosten voor bepaalde beveiligende maatregelen en voor het vastleggen van het eenmalig forfaitair bedrag, vermeld in het zevende en achtste lid, en de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder als vermeld in het vijfde lid, 10°.
De Vlaamse regering bepaalt de maximale duurtijd van de eerste schorsingsbeslissing en van de beveiligende maatregelen.".
"Art. 19. Het agentschap kan de vergunning wijzigen, schorsen, opheffen of kan beveiligende maatregelen nemen als het agentschap vaststelt:
1° dat er een inbreuk is op de bepalingen, vermeld in dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° dat een maatregel moet worden genomen vanuit het voorzorgsbeginsel;
3° dat het door of krachtens dit decreet geregelde toezicht verhinderd wordt.
De schorsing van de vergunning heeft van rechtswege de opschorting van de uitoefening van de kinderopvang tot gevolg vanaf de dag die vermeld is in de schorsingsbeslissing tot het moment dat het agentschap vaststelt dat de organisator opnieuw voldoet aan de vergunningsvoorwaarden en uiterlijk tot de datum die vermeld is in de schorsingsbeslissing. Als op de einddatum van de schorsing de aanleiding van de maatregel niet is weggewerkt, kan het agentschap de schorsing verlengen of een andere bestuurlijke maatregel opleggen.
De opheffing van de vergunning heeft van rechtswege de sluiting van de kinderopvanglocatie tot gevolg.
De beveiligende maatregelen zijn tijdelijke bestuurlijke maatregelen waarbij de uitoefening van de kinderopvang niet volledig wordt opgeschort, tenzij het agentschap gelijktijdig met de beveiligende maatregel een schorsing oplegt. Als op de einddatum van de beveiligende maatregel de aanleiding van de beveiligende maatregel niet is weggewerkt, kan het agentschap de beveiligende maatregel verlengen of een andere bestuurlijke maatregel opleggen.
Het agentschap kan een of meer beveiligende maatregelen nemen die kunnen bestaan uit:
1° de wijziging van de vergunning, al dan niet gekoppeld aan het verbod om bepaalde ruimtes in de kinderopvanglocatie in gebruik te nemen;
2° de beperking van de openingsdagen en -uren;
3° de screening en adviesverlening aan het agentschap van de risico's met betrekking tot de persoon van de organisator of van een persoon die werkzaam is in de kinderopvanglocatie, door een organisatie of deskundige als vermeld in artikel 15;
4° de screening en adviesverlening aan het agentschap van de competenties van de organisator met betrekking tot het beleidsvoerend vermogen, door een organisatie als vermeld in artikel 11;
5° het opleggen van een verbod voor een organisator om een vergunning aan te vragen als het handhavingsdossier elementen bevat die wijzen op de ongeschiktheid om als organisator van een kinderopvanglocatie op te treden;
6° het opleggen van een verbod voor een persoon om als verantwoordelijke van een kinderopvanglocatie tewerkgesteld te worden als het handhavingsdossier elementen bevat die wijzen op de ongeschiktheid om dergelijke functie op te nemen;
7° het opleggen van een verbod om activiteiten op te nemen met de opgevangen kinderen ten aanzien van een of meer personen die werkzaam zijn in de kinderopvanglocatie;
8° het opleggen van een specifieke ondersteuning, al dan niet op de werkvloer, of van een specifieke opleiding;
9° het opleggen van een verbod om nieuwe contracten af te sluiten met gezinnen;
10° het verzoek aan de rechter om een voorlopige bewindvoerder aan te stellen met competenties in de organisatie van een zorgvoorziening die gemachtigd wordt om in naam en voor rekening van de organisator de nodige maatregelen te nemen om tegemoet te komen aan de vastgestelde inbreuken of risico's wat betreft de kwaliteit en de duurzaamheid van de kinderopvang.
In de beslissing, vermeld in het eerste lid, wordt transparant omschreven wat de bestuurlijke maatregel inhoudt, de motivering voor de keuze van de opgelegde bestuurlijke maatregel en welke voorwaarden in voorkomend geval vervuld moeten zijn en binnen welke termijn ze vervuld moeten zijn.
Het agentschap kan in voorkomend geval de kosten voor bepaalde beveiligende maatregelen geheel of ten dele aanrekenen aan de organisator.
Het agentschap kan in geval van een schorsing van een vergunning naar aanleiding van een specifieke gebeurtenis waaruit blijkt dat de gebeurtenis te wijten is aan een oorzaak die volledig buiten de organisator of zijn medewerkers ligt, een eenmalig forfaitair bedrag betalen voor geleden inkomensverlies.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels die minstens de mogelijkheid bevatten om bezwaar in te dienen tegen de bestuurlijke maatregelen, vermeld in het eerste lid, die de parameters bevatten voor het vastleggen van de kosten voor bepaalde beveiligende maatregelen en voor het vastleggen van het eenmalig forfaitair bedrag, vermeld in het zevende en achtste lid, en de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder als vermeld in het vijfde lid, 10°.
De Vlaamse regering bepaalt de maximale duurtijd van de eerste schorsingsbeslissing en van de beveiligende maatregelen.".
Art. 16. L'article 19 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 19. L'agence peut modifier, suspendre ou abroger l'autorisation ou peut prendre des mesures conservatoires si elle constate :
1° qu'il y a une infraction aux dispositions visées au présent décret ou à ses arrêtés d'exécution ;
2° qu'une mesure doit être prise sur la base du principe de précaution ;
3° que le contrôle réglementé par ou en vertu du présent décret est empêché.
La suspension de l'autorisation entraîne de plein droit la suspension de l'exercice de l'accueil d'enfants à partir du jour mentionné dans la décision de suspension jusqu'au moment où l'agence constate que l'organisateur remplit à nouveau les conditions d'autorisation et au plus tard jusqu'à la date mentionnée dans la décision de suspension. Si, à la date de fin de la suspension, le motif de la mesure n'a pas été éliminé, l'agence peut prolonger la suspension ou imposer une autre mesure administrative.
L'abrogation de l'autorisation entraîne de plein droit la fermeture du milieu d'accueil d'enfants.
Les mesures conservatoires sont des mesures administratives temporaires qui ne suspendent pas complètement l'exercice de l'accueil d'enfants, sauf si l'agence impose une suspension en même temps que la mesure conservatoire. Si, à la date de fin de la mesure conservatoire, le motif de la mesure conservatoire n'a pas été éliminé, l'agence peut prolonger la mesure conservatoire ou imposer une autre mesure administrative.
L'agence peut prendre une ou plusieurs mesures conservatoires, qui peuvent consister en :
1° la modification de l'autorisation, liée ou non à l'interdiction d'occuper certains espaces du milieu d'accueil d'enfants ;
2° la limitation des jours et heures d'ouverture ;
3° l'examen et les conseils à l'agence des risques relatifs à la personne de l'organisateur ou d'une personne travaillant dans le milieu d'accueil d'enfants, par une organisation ou un expert tel que visé à l'article 15 ;
4° l'examen et les conseils à l'agence des compétences de l'organisateur en ce qui concerne le pouvoir gestionnel, par une organisation telle que visée à l'article 11 ;
5° l'imposition d'une interdiction à un organisateur de demander une autorisation si le dossier de maintien contient des éléments indiquant l'inaptitude à agir en tant qu'organisateur d'un milieu d'accueil d'enfants ;
6° l'imposition d'une interdiction à une personne d'être employée en tant que responsable d'un milieu d'accueil d'enfants si le dossier de maintien contient des éléments indiquant l'inaptitude à exercer une telle fonction ;
7° l'imposition d'une interdiction d'assumer des activités avec les enfants accueillis à l'égard d'une ou plusieurs personnes travaillant dans le milieu d'accueil d'enfants ;
8° l'imposition d'un soutien spécifique, sur le lieu du travail ou non, ou d'une formation spécifique ;
9° l'imposition d'une interdiction de conclure de nouveaux contrats avec des familles ;
10° la demande au juge de désigner un administrateur provisoire ayant des compétences dans l'organisation d'une structure de soins et autorisé à prendre, au nom et pour le compte de l'organisateur, les mesures nécessaires pour répondre aux infractions ou aux risques constatés en termes de qualité et de durabilité de l'accueil d'enfants.
La décision visée à l'alinéa 1er décrit de manière transparente ce que la mesure administrative implique, la justification du choix de la mesure administrative imposée et, le cas échéant, les conditions qui doivent être remplies et le délai dans lequel elles doivent l'être.
Le cas échéant, l'agence peut mettre à la charge de l'organisateur tout ou partie du coût de certaines mesures conservatoires.
L'agence peut, en cas de suspension d'une autorisation à la suite d'un événement spécifique démontrant que l'événement est dû à une cause entièrement extérieure à l'organisateur ou à ses collaborateurs, verser un montant forfaitaire unique pour la perte de revenus subie.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités qui contiennent au moins la possibilité d'introduire une objection contre les mesures administratives, visées à l'alinéa 1er, qui contiennent les paramètres pour la détermination des coûts de certaines mesures conservatoires et pour la détermination du montant forfaitaire unique visé aux alinéas 7 et 8, et la désignation d'un administrateur provisoire tel que visé à l'alinéa 5, 10°.
Le Gouvernement flamand détermine la durée maximale de la première décision de suspension et des mesures conservatoires. ".
" Art. 19. L'agence peut modifier, suspendre ou abroger l'autorisation ou peut prendre des mesures conservatoires si elle constate :
1° qu'il y a une infraction aux dispositions visées au présent décret ou à ses arrêtés d'exécution ;
2° qu'une mesure doit être prise sur la base du principe de précaution ;
3° que le contrôle réglementé par ou en vertu du présent décret est empêché.
La suspension de l'autorisation entraîne de plein droit la suspension de l'exercice de l'accueil d'enfants à partir du jour mentionné dans la décision de suspension jusqu'au moment où l'agence constate que l'organisateur remplit à nouveau les conditions d'autorisation et au plus tard jusqu'à la date mentionnée dans la décision de suspension. Si, à la date de fin de la suspension, le motif de la mesure n'a pas été éliminé, l'agence peut prolonger la suspension ou imposer une autre mesure administrative.
L'abrogation de l'autorisation entraîne de plein droit la fermeture du milieu d'accueil d'enfants.
Les mesures conservatoires sont des mesures administratives temporaires qui ne suspendent pas complètement l'exercice de l'accueil d'enfants, sauf si l'agence impose une suspension en même temps que la mesure conservatoire. Si, à la date de fin de la mesure conservatoire, le motif de la mesure conservatoire n'a pas été éliminé, l'agence peut prolonger la mesure conservatoire ou imposer une autre mesure administrative.
L'agence peut prendre une ou plusieurs mesures conservatoires, qui peuvent consister en :
1° la modification de l'autorisation, liée ou non à l'interdiction d'occuper certains espaces du milieu d'accueil d'enfants ;
2° la limitation des jours et heures d'ouverture ;
3° l'examen et les conseils à l'agence des risques relatifs à la personne de l'organisateur ou d'une personne travaillant dans le milieu d'accueil d'enfants, par une organisation ou un expert tel que visé à l'article 15 ;
4° l'examen et les conseils à l'agence des compétences de l'organisateur en ce qui concerne le pouvoir gestionnel, par une organisation telle que visée à l'article 11 ;
5° l'imposition d'une interdiction à un organisateur de demander une autorisation si le dossier de maintien contient des éléments indiquant l'inaptitude à agir en tant qu'organisateur d'un milieu d'accueil d'enfants ;
6° l'imposition d'une interdiction à une personne d'être employée en tant que responsable d'un milieu d'accueil d'enfants si le dossier de maintien contient des éléments indiquant l'inaptitude à exercer une telle fonction ;
7° l'imposition d'une interdiction d'assumer des activités avec les enfants accueillis à l'égard d'une ou plusieurs personnes travaillant dans le milieu d'accueil d'enfants ;
8° l'imposition d'un soutien spécifique, sur le lieu du travail ou non, ou d'une formation spécifique ;
9° l'imposition d'une interdiction de conclure de nouveaux contrats avec des familles ;
10° la demande au juge de désigner un administrateur provisoire ayant des compétences dans l'organisation d'une structure de soins et autorisé à prendre, au nom et pour le compte de l'organisateur, les mesures nécessaires pour répondre aux infractions ou aux risques constatés en termes de qualité et de durabilité de l'accueil d'enfants.
La décision visée à l'alinéa 1er décrit de manière transparente ce que la mesure administrative implique, la justification du choix de la mesure administrative imposée et, le cas échéant, les conditions qui doivent être remplies et le délai dans lequel elles doivent l'être.
Le cas échéant, l'agence peut mettre à la charge de l'organisateur tout ou partie du coût de certaines mesures conservatoires.
L'agence peut, en cas de suspension d'une autorisation à la suite d'un événement spécifique démontrant que l'événement est dû à une cause entièrement extérieure à l'organisateur ou à ses collaborateurs, verser un montant forfaitaire unique pour la perte de revenus subie.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités qui contiennent au moins la possibilité d'introduire une objection contre les mesures administratives, visées à l'alinéa 1er, qui contiennent les paramètres pour la détermination des coûts de certaines mesures conservatoires et pour la détermination du montant forfaitaire unique visé aux alinéas 7 et 8, et la désignation d'un administrateur provisoire tel que visé à l'alinéa 5, 10°.
Le Gouvernement flamand détermine la durée maximale de la première décision de suspension et des mesures conservatoires. ".
Art. 17. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 mei 2021, wordt een hoofdstuk 6/1, dat bestaat uit artikel 23/1, ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Hoofdstuk 6/1. Comité van toezicht op de Handhaving in de Kinderopvang
Art. 23/1. Er wordt een Comité van toezicht op de Handhaving in de Kinderopvang opgericht, hierna het Comité genoemd, met de volgende opdrachten:
1° het handhavingsbeleid en de operationele handhaving, met inbegrip van de toepassing van het voorzorgsbeginsel, vermeld in artikel 15/1, evalueren;
2° op eigen initiatief, vanuit de evaluatie, vermeld in punt 1°, advies formuleren aan het agentschap;
3° op verzoek van de bevoegde minister of de leidend ambtenaar van het agentschap een advies formuleren over het handhavingsbeleid of bepaalde aspecten ervan.
Om de opdrachten, vermeld in het eerste lid, te kunnen realiseren heeft het Comité toegang tot alle relevante informatie, vermeld in artikel 24, vijfde lid, met inbegrip van de handhavingsdossiers die het agentschap bezorgt aan het Comité.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, minstens met betrekking tot de samenstelling, de benoeming van de leden, de duur van hun mandaat, de werking, de rapportering en de vertrouwelijkheid van de informatie.
De Vlaamse Regering stelt de vergoeding voor de leden van het Comité vast.".
"Hoofdstuk 6/1. Comité van toezicht op de Handhaving in de Kinderopvang
Art. 23/1. Er wordt een Comité van toezicht op de Handhaving in de Kinderopvang opgericht, hierna het Comité genoemd, met de volgende opdrachten:
1° het handhavingsbeleid en de operationele handhaving, met inbegrip van de toepassing van het voorzorgsbeginsel, vermeld in artikel 15/1, evalueren;
2° op eigen initiatief, vanuit de evaluatie, vermeld in punt 1°, advies formuleren aan het agentschap;
3° op verzoek van de bevoegde minister of de leidend ambtenaar van het agentschap een advies formuleren over het handhavingsbeleid of bepaalde aspecten ervan.
Om de opdrachten, vermeld in het eerste lid, te kunnen realiseren heeft het Comité toegang tot alle relevante informatie, vermeld in artikel 24, vijfde lid, met inbegrip van de handhavingsdossiers die het agentschap bezorgt aan het Comité.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels, minstens met betrekking tot de samenstelling, de benoeming van de leden, de duur van hun mandaat, de werking, de rapportering en de vertrouwelijkheid van de informatie.
De Vlaamse Regering stelt de vergoeding voor de leden van het Comité vast.".
Art. 17. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 21 mai 2021, il est inséré un chapitre 6/1, comprenant l'article 23/1, rédigé comme suit :
" Chapitre 6/1. Comité de contrôle du Maintien dans les Milieux d'accueil d'enfants
Art. 23/1{. Il est créé un Comité de contrôle du Maintien dans les Milieux d'accueil d'enfants, ci-après dénommé le Comité, qui a les missions suivantes :
1° évaluer la politique de maintien et le maintien opérationnel, y compris l'application du principe de précaution, visé à l'article 15/1 ;
2° de sa propre initiative, sur la base de l'évaluation visée au point 1°, formuler un avis à l'agence ;
3° à la demande du ministre compétent ou du fonctionnaire dirigeant de l'agence, formuler un avis sur la politique de maintien ou certains de ses aspects.
Afin de pouvoir accomplir les missions visées à l'alinéa 1er, le Comité a accès à toutes les informations pertinentes visées à l'article 24, alinéa 5, y compris les dossiers de maintien que l'agence transmet au Comité.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités, au moins en ce qui concerne la composition, la nomination des membres, la durée de leur mandat, le fonctionnement, le compte-rendu et la confidentialité des informations.
Le Gouvernement flamand détermine la rémunération des membres du Comité. ".
" Chapitre 6/1. Comité de contrôle du Maintien dans les Milieux d'accueil d'enfants
Art. 23/1{. Il est créé un Comité de contrôle du Maintien dans les Milieux d'accueil d'enfants, ci-après dénommé le Comité, qui a les missions suivantes :
1° évaluer la politique de maintien et le maintien opérationnel, y compris l'application du principe de précaution, visé à l'article 15/1 ;
2° de sa propre initiative, sur la base de l'évaluation visée au point 1°, formuler un avis à l'agence ;
3° à la demande du ministre compétent ou du fonctionnaire dirigeant de l'agence, formuler un avis sur la politique de maintien ou certains de ses aspects.
Afin de pouvoir accomplir les missions visées à l'alinéa 1er, le Comité a accès à toutes les informations pertinentes visées à l'article 24, alinéa 5, y compris les dossiers de maintien que l'agence transmet au Comité.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités, au moins en ce qui concerne la composition, la nomination des membres, la durée de leur mandat, le fonctionnement, le compte-rendu et la confidentialité des informations.
Le Gouvernement flamand détermine la rémunération des membres du Comité. ".
Art. 18. In artikel 24 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 7 juli 2017, 8 juni 2018 en 21 mei 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, 2°, b), worden de woorden "en de opleidingsgegevens" vervangen door de zinsnede ", de opleidingsgegevens en de tewerkstellingsgegevens";
2° aan het eerste lid wordt de zin "Het agentschap bezorgt de gegevens die noodzakelijk zijn voor hun opdrachten, aan de organisaties en deskundigen, vermeld in artikel 15/1 of artikel 11, 2°, en aan de gerechtelijke instanties met het oog op meldingen door het agentschap of in het kader van lopende strafonderzoeken." toegevoegd;
3° er worden tussen het vierde en vijfde lid, negen leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"Het Comité van toezicht op Handhaving in de Kinderopvang verwerkt de volgende persoonsgegevens, als de verwerking noodzakelijk is met het oog op de uitvoering van zijn decretale opdrachten voor het toezicht op het handhavingsbeleid van het agentschap:
1° de identificatiegegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, b), en 2°, b);
2° de opleidingsgegevens en de tewerkstellingsgegevens, vermeld in het eerste lid, 2°, b);
3° de gegevens over de gezondheid, vermeld in het eerste lid, 1°, a), en 2°, a);
4° de gegevens over het uittreksel uit het strafregister, vermeld in het eerste lid, 2°, a);
5° de gegevens over de crisissituaties in de kinderopvanglocatie en over de behandeling van de klachten, vermeld in het eerste lid, 2°, c) en d);
6° de gegevens van elke meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie direct contact heeft met de opgevangen kinderen, vermeld in het eerste lid, 3° ;
7° de documenten over het toezicht en de handhaving op de vergunningsvoorwaarden van de organisatoren.
De personen van wie de persoonsgegevens door het Comité van toezicht op Handhaving in de Kinderopvang kunnen worden verwerkt, zijn de vergunde organisatoren kinderopvang, de personen die werkzaam zijn in de kinderopvanglocatie, de zaakvoerders en bestuurders die betrokken zijn bij de kinderopvanglocatie en de personen die betrokken zijn bij een melding of klacht over de kinderopvanglocatie in kwestie.
De verwerking is noodzakelijk gelet op artikel 6.1, e), artikel 9, tweede lid, g), en artikel 10 van de algemene verordening gegevensbescherming. Het agentschap is verwerkingsverantwoordelijke. De gegevens worden bewaard tot één jaar nadat het Comité van toezicht op Handhaving het onderzoek heeft afgerond of het advies heeft uitgebracht aan de leidend ambtenaar of de minister.
De organisaties of deskundigen die aangesteld zijn door de Vlaamse Regering of het agentschap ter uitvoering van artikel 15/1 verwerken de volgende persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van hun opdrachten, vermeld in dit decreet:
1° de identificatiegegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, b), en 2°, b);
2° de opleidingsgegevens en de tewerkstellingsgegevens, vermeld in het eerste lid, 2°, b);
3° de gegevens over de gezondheid, vermeld in het eerste lid, 1° a), en 2°, a);
4° de gegevens over het uittreksel uit het strafregister, vermeld in het eerste lid, 2°, a);
5° de gegevens over de crisissituaties in de kinderopvanglocatie en over de behandeling van de klachten, vermeld in het eerste lid, 2°, c) en d);
6° de gegevens van elke meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie direct contact heeft met de opgevangen kinderen, vermeld in het eerste lid, 3° ;
7° de documenten over het toezicht en de handhaving op de vergunningsvoorwaarden van de organisatoren.
De verwerking is noodzakelijk gelet op artikel 6.1, e), artikel 9, tweede lid, g), en artikel 10 van de algemene verordening gegevensbescherming. De organisatie of deskundige is verwerkingsverantwoordelijke. De gegevens worden bewaard tot tien jaar nadat de organisatie of deskundige het onderzoek heeft afgerond en het advies heeft uitgebracht aan het agentschap.
De personen van wie de persoonsgegevens kunnen worden verwerkt door de organisaties of deskundigen die aangesteld zijn door de Vlaamse Regering ter uitvoering van artikel 15/1, zijn de organisatoren kinderopvang, de personen die werkzaam zijn in hun kinderopvanglocatie, de zaakvoerders en bestuurders die betrokken zijn bij de kinderopvanglocatie en de minderjarigen of personen die betrokken zijn bij een melding of klacht over de kinderopvanglocatie in kwestie.
De organisaties die een subsidie ontvangen voor de ondersteuning van organisatoren als vermeld in artikel 11, 2°, verwerken de volgende persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van hun opdrachten:
1° de identificatiegegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, b), en 2°, b);
2° de opleidingsgegevens en de tewerkstellingsgegevens, vermeld in het eerste lid, 2°, b);
3° de gegevens over de crisissituaties in de kinderopvanglocatie en over de behandeling van de klachten, vermeld in het eerste lid, 2°, c) en d);
4° de documenten over het toezicht en de handhaving op de vergunningsvoorwaarden van de organisatoren, die noodzakelijk zijn voor de opdracht van de organisatie.
De verwerking is noodzakelijk gelet op artikel 6.1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming. De organisatie die een subsidie ontvangt voor de ondersteuning van organisatoren als vermeld in artikel 11, 2°, is verwerkingsverantwoordelijke. De gegevens worden bewaard tot tien jaar nadat de organisatie de ondersteuning aan de organisator heeft afgerond.
De personen van wie de persoonsgegevens door de organisaties die een subsidie ontvangen voor de ondersteuning van organisatoren als vermeld in artikel 11, 2°, kunnen verwerkt worden, zijn de vergunde organisatoren kinderopvang en de personen die werkzaam zijn in hun kinderopvanglocaties.";
4° er worden een vijftiende en zestiende lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Voor het uittreksel uit het strafregister geldt, in afwijking van het veertiende lid en in afwijking van artikel 5 van het decreet van 3 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers, dat de bewaartermijn drie jaar is, waarbij die termijn begint te lopen vanaf de aanstelling van de betrokkene. Bij de ontvangst door de organisator van een nieuw uittreksel uit het strafregister wordt het voorgaande uittreksel vernietigd. De organisator neemt de gepaste maatregelen voor de beveiligde bewaring van de uittreksels.
Elke verwerkingsverantwoordelijke neemt in overeenstemming met artikel 12 van de algemene verordening gegevensbescherming passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikel 13 en 14 van de algemene verordening gegevensbescherming bedoelde informatie en de in de artikel 15 tot en met 22 en artikel 34 van de algemene verordening gegevensbescherming bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke taal ontvangt. De informatie wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van elektronische middelen, verstrekt. Als de betrokkene daarom verzoekt, kan de informatie mondeling worden meegedeeld, op voorwaarde dat de identiteit van de betrokkene met andere middelen bewezen is.".
1° in het eerste lid, 2°, b), worden de woorden "en de opleidingsgegevens" vervangen door de zinsnede ", de opleidingsgegevens en de tewerkstellingsgegevens";
2° aan het eerste lid wordt de zin "Het agentschap bezorgt de gegevens die noodzakelijk zijn voor hun opdrachten, aan de organisaties en deskundigen, vermeld in artikel 15/1 of artikel 11, 2°, en aan de gerechtelijke instanties met het oog op meldingen door het agentschap of in het kader van lopende strafonderzoeken." toegevoegd;
3° er worden tussen het vierde en vijfde lid, negen leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"Het Comité van toezicht op Handhaving in de Kinderopvang verwerkt de volgende persoonsgegevens, als de verwerking noodzakelijk is met het oog op de uitvoering van zijn decretale opdrachten voor het toezicht op het handhavingsbeleid van het agentschap:
1° de identificatiegegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, b), en 2°, b);
2° de opleidingsgegevens en de tewerkstellingsgegevens, vermeld in het eerste lid, 2°, b);
3° de gegevens over de gezondheid, vermeld in het eerste lid, 1°, a), en 2°, a);
4° de gegevens over het uittreksel uit het strafregister, vermeld in het eerste lid, 2°, a);
5° de gegevens over de crisissituaties in de kinderopvanglocatie en over de behandeling van de klachten, vermeld in het eerste lid, 2°, c) en d);
6° de gegevens van elke meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie direct contact heeft met de opgevangen kinderen, vermeld in het eerste lid, 3° ;
7° de documenten over het toezicht en de handhaving op de vergunningsvoorwaarden van de organisatoren.
De personen van wie de persoonsgegevens door het Comité van toezicht op Handhaving in de Kinderopvang kunnen worden verwerkt, zijn de vergunde organisatoren kinderopvang, de personen die werkzaam zijn in de kinderopvanglocatie, de zaakvoerders en bestuurders die betrokken zijn bij de kinderopvanglocatie en de personen die betrokken zijn bij een melding of klacht over de kinderopvanglocatie in kwestie.
De verwerking is noodzakelijk gelet op artikel 6.1, e), artikel 9, tweede lid, g), en artikel 10 van de algemene verordening gegevensbescherming. Het agentschap is verwerkingsverantwoordelijke. De gegevens worden bewaard tot één jaar nadat het Comité van toezicht op Handhaving het onderzoek heeft afgerond of het advies heeft uitgebracht aan de leidend ambtenaar of de minister.
De organisaties of deskundigen die aangesteld zijn door de Vlaamse Regering of het agentschap ter uitvoering van artikel 15/1 verwerken de volgende persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van hun opdrachten, vermeld in dit decreet:
1° de identificatiegegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, b), en 2°, b);
2° de opleidingsgegevens en de tewerkstellingsgegevens, vermeld in het eerste lid, 2°, b);
3° de gegevens over de gezondheid, vermeld in het eerste lid, 1° a), en 2°, a);
4° de gegevens over het uittreksel uit het strafregister, vermeld in het eerste lid, 2°, a);
5° de gegevens over de crisissituaties in de kinderopvanglocatie en over de behandeling van de klachten, vermeld in het eerste lid, 2°, c) en d);
6° de gegevens van elke meerderjarige persoon die in de kinderopvanglocatie direct contact heeft met de opgevangen kinderen, vermeld in het eerste lid, 3° ;
7° de documenten over het toezicht en de handhaving op de vergunningsvoorwaarden van de organisatoren.
De verwerking is noodzakelijk gelet op artikel 6.1, e), artikel 9, tweede lid, g), en artikel 10 van de algemene verordening gegevensbescherming. De organisatie of deskundige is verwerkingsverantwoordelijke. De gegevens worden bewaard tot tien jaar nadat de organisatie of deskundige het onderzoek heeft afgerond en het advies heeft uitgebracht aan het agentschap.
De personen van wie de persoonsgegevens kunnen worden verwerkt door de organisaties of deskundigen die aangesteld zijn door de Vlaamse Regering ter uitvoering van artikel 15/1, zijn de organisatoren kinderopvang, de personen die werkzaam zijn in hun kinderopvanglocatie, de zaakvoerders en bestuurders die betrokken zijn bij de kinderopvanglocatie en de minderjarigen of personen die betrokken zijn bij een melding of klacht over de kinderopvanglocatie in kwestie.
De organisaties die een subsidie ontvangen voor de ondersteuning van organisatoren als vermeld in artikel 11, 2°, verwerken de volgende persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van hun opdrachten:
1° de identificatiegegevens, vermeld in het eerste lid, 1°, b), en 2°, b);
2° de opleidingsgegevens en de tewerkstellingsgegevens, vermeld in het eerste lid, 2°, b);
3° de gegevens over de crisissituaties in de kinderopvanglocatie en over de behandeling van de klachten, vermeld in het eerste lid, 2°, c) en d);
4° de documenten over het toezicht en de handhaving op de vergunningsvoorwaarden van de organisatoren, die noodzakelijk zijn voor de opdracht van de organisatie.
De verwerking is noodzakelijk gelet op artikel 6.1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming. De organisatie die een subsidie ontvangt voor de ondersteuning van organisatoren als vermeld in artikel 11, 2°, is verwerkingsverantwoordelijke. De gegevens worden bewaard tot tien jaar nadat de organisatie de ondersteuning aan de organisator heeft afgerond.
De personen van wie de persoonsgegevens door de organisaties die een subsidie ontvangen voor de ondersteuning van organisatoren als vermeld in artikel 11, 2°, kunnen verwerkt worden, zijn de vergunde organisatoren kinderopvang en de personen die werkzaam zijn in hun kinderopvanglocaties.";
4° er worden een vijftiende en zestiende lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Voor het uittreksel uit het strafregister geldt, in afwijking van het veertiende lid en in afwijking van artikel 5 van het decreet van 3 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister als vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe medewerkers, dat de bewaartermijn drie jaar is, waarbij die termijn begint te lopen vanaf de aanstelling van de betrokkene. Bij de ontvangst door de organisator van een nieuw uittreksel uit het strafregister wordt het voorgaande uittreksel vernietigd. De organisator neemt de gepaste maatregelen voor de beveiligde bewaring van de uittreksels.
Elke verwerkingsverantwoordelijke neemt in overeenstemming met artikel 12 van de algemene verordening gegevensbescherming passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikel 13 en 14 van de algemene verordening gegevensbescherming bedoelde informatie en de in de artikel 15 tot en met 22 en artikel 34 van de algemene verordening gegevensbescherming bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke taal ontvangt. De informatie wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van elektronische middelen, verstrekt. Als de betrokkene daarom verzoekt, kan de informatie mondeling worden meegedeeld, op voorwaarde dat de identiteit van de betrokkene met andere middelen bewezen is.".
Art. 18. A l'article 24 du même décret, modifié par les décrets des 7 juillet 2017, 8 juin 2018 et 21 mai 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, 2°, b), les mots " et les données de formation " sont remplacés par le membre de phrase " , les données de formation et les données d'emploi " ;
2° l'alinéa 1er est complété par la phrase " L'agence transmet les données nécessaires à leurs missions aux organisations et experts visés à l'article 15/1 ou à l'article 11, 2°, ainsi qu'aux autorités judiciaires en vue des notifications par l'agence ou dans le cadre d'enquêtes pénales en cours. " ;
3° entre les alinéas 4 et 5 sont insérés neuf alinéas, rédigés comme suit :
" Le Comité de contrôle du Maintien des Milieux d'accueil d'enfants traite les données à caractère personnel suivantes, si le traitement est nécessaire en vue de l'exécution de ses missions décrétales relatives au contrôle de la politique de maintien de l'agence :
1° les données d'identification, visées à l'alinéa 1er, 1°, b), et 2°, b) ;
2° les données de formation et les données d'emploi, visées à l'alinéa 1er, 2°, b) ;
3° les données relatives à la santé, visées à l'alinéa 1er, 1°, a), et 2°, a) ;
4° les données concernant l'extrait du casier judiciaire, visées à l'alinéa 1er, 2°, a) ;
5° les données relatives aux situations de crise dans le milieu d'accueil d'enfants et relatives au traitement des plaintes, visées à l'alinéa 1er, 2°, c) et d) ;
6° les données de toute personne majeure qui est en contact direct avec les enfants gardés dans le milieu d'accueil d'enfants, visées à l'alinéa 1er, 3° ;
7° les documents relatifs au contrôle et au maintien des conditions d'autorisation des organisateurs.
Les personnes dont les données à caractère personnel peuvent être traitées par le Comité de contrôle du Maintien dans les Milieux d'accueil d'enfants, sont les organisateurs autorisés d'accueil d'enfants, les personnes travaillant dans le milieu d'accueil d'enfants, les gérants et administrateurs associés au milieu d'accueil d'enfants et les personnes impliquées dans une notification ou plainte relative au milieu d'accueil d'enfants en question.
Le traitement est nécessaire selon l'article 6.1, e), l'article 9, paragraphe 2, g), et l'article 10 du règlement général sur la protection des données. L'agence est le responsable du traitement. Les données sont conservées jusqu'à un an après que le Comité de Contrôle du Maintien des Milieux d'accueil d'enfants a terminé l'examen ou a émis l'avis au fonctionnaire dirigeant ou au ministre.
Les organisations ou experts désignés par le Gouvernement flamand ou l'agence en exécution de l'article 15/1 traitent les données à caractère personnel suivantes en vue de l'exécution de leurs missions, visées au présent décret :
1° les données d'identification, visées à l'alinéa 1er, 1°, b), et 2°, b) ;
2° les données de formation et les données d'emploi, visées à l'alinéa 1er, 2°, b) ;
3° les données relatives à la santé, visées à l'alinéa 1er, 1°, a), et 2°, a) ;
4° les données concernant l'extrait du casier judiciaire, visées à l'alinéa 1er, 2°, a) ;
5° les données relatives aux situations de crise dans le milieu d'accueil d'enfants et relatives au traitement des plaintes, visées à l'alinéa 1er, 2°, c) et d) ;
6° les données de toute personne majeure qui est en contact direct avec les enfants gardés dans le milieu d'accueil d'enfants, visées à l'alinéa 1er, 3° ;
7° les documents relatifs au contrôle et au maintien des conditions d'autorisation des organisateurs.
Le traitement est nécessaire selon l'article 6.1, e), l'article 9, paragraphe 2, g), et l'article 10 du règlement général sur la protection des données. L'organisation ou l'expert est le responsable du traitement. Les données sont conservées jusqu'à dix ans après que l'organisation ou l'expert a terminé l'examen et a émis l'avis à l'agence.
Les personnes dont les données à caractère personnel peuvent être traitées par les organisations ou experts désignés par le Gouvernement flamand en exécution de l'article 15/1, sont les organisateurs d'accueil d'enfants, les personnes travaillant dans leur milieu d'accueil d'enfants, les gérants et administrateurs associés au milieu d'accueil d'enfants et les mineurs ou personnes impliqués dans une notification ou plainte relative au milieu d'accueil d'enfants en question.
Les organisations qui reçoivent une subvention pour le soutien d'organisateurs tels que visés à l'article 11, 2°, traitent les données à caractère personnel suivantes en vue de l'exécution de leurs missions :
1° les données d'identification, visées à l'alinéa 1er, 1°, b), et 2°, b) ;
2° les données de formation et les données d'emploi, visées à l'alinéa 1er, 2°, b) ;
3° les données relatives aux situations de crise dans le milieu d'accueil d'enfants et relatives au traitement des plaintes, visées à l'alinéa 1er, 2°, c) et d) ;
4° les documents relatifs au contrôle et au maintien des conditions d'autorisation des organisateurs, qui sont nécessaires pour la mission de l'organisation.
Le traitement est nécessaire selon l'article 6.1, e), du règlement général sur la protection des données. L'organisation qui reçoit une subvention pour le soutien d'organisateurs tels que visés à l'article 11, 2°, est le responsable du traitement. Les données sont conservées jusqu'à dix ans après que l'organisation a terminé le soutien fourni à l'organisateur.
Les personnes dont les données à caractère personnel peuvent être traitées par les organisations qui reçoivent une subvention pour le soutien d'organisateurs tels que visés à l'article 11, 2°, sont les organisateurs autorisés d'accueil d'enfants et les personnes travaillant dans leurs milieux d'accueil d'enfants. " ;
4° un alinéa 15 et un alinéa 16 sont ajoutés, rédigés comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 14 et par dérogation à l'article 5 du décret du 3 juin 2022 portant l'obligation pour certaines organisations de contrôler un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 596, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle, pour certains nouveaux collaborateurs, le délai de conservation de l'extrait du casier judiciaire est de trois ans et prend cours à partir de la désignation de la personne concernée. En cas de réception par l'organisateur d'un nouvel extrait du casier judiciaire, l'extrait précédent est détruit. L'organisateur prend les mesures appropriées pour la conservation sécurisée des extraits.
Conformément à l'article 12 du règlement général sur la protection des données, chaque responsable du traitement prend des mesures appropriées pour fournir toute information visée aux articles 13 et 14 du règlement général sur la protection des données, ainsi que pour procéder à toute communication au titre des articles 15 à 22 et de l'article 34 du règlement général sur la protection des données, en ce qui concerne le traitement à la personne concernée d'une façon concise, transparente, compréhensible et aisément accessible, en des termes clairs et simples. Les informations sont fournies par écrit ou par d'autres moyens y compris par voie électronique. Lorsque la personne concernée en fait la demande, les informations peuvent être fournies oralement, à condition que l'identité de la personne concernée soit démontrée par d'autres moyens. ".
1° dans l'alinéa 1er, 2°, b), les mots " et les données de formation " sont remplacés par le membre de phrase " , les données de formation et les données d'emploi " ;
2° l'alinéa 1er est complété par la phrase " L'agence transmet les données nécessaires à leurs missions aux organisations et experts visés à l'article 15/1 ou à l'article 11, 2°, ainsi qu'aux autorités judiciaires en vue des notifications par l'agence ou dans le cadre d'enquêtes pénales en cours. " ;
3° entre les alinéas 4 et 5 sont insérés neuf alinéas, rédigés comme suit :
" Le Comité de contrôle du Maintien des Milieux d'accueil d'enfants traite les données à caractère personnel suivantes, si le traitement est nécessaire en vue de l'exécution de ses missions décrétales relatives au contrôle de la politique de maintien de l'agence :
1° les données d'identification, visées à l'alinéa 1er, 1°, b), et 2°, b) ;
2° les données de formation et les données d'emploi, visées à l'alinéa 1er, 2°, b) ;
3° les données relatives à la santé, visées à l'alinéa 1er, 1°, a), et 2°, a) ;
4° les données concernant l'extrait du casier judiciaire, visées à l'alinéa 1er, 2°, a) ;
5° les données relatives aux situations de crise dans le milieu d'accueil d'enfants et relatives au traitement des plaintes, visées à l'alinéa 1er, 2°, c) et d) ;
6° les données de toute personne majeure qui est en contact direct avec les enfants gardés dans le milieu d'accueil d'enfants, visées à l'alinéa 1er, 3° ;
7° les documents relatifs au contrôle et au maintien des conditions d'autorisation des organisateurs.
Les personnes dont les données à caractère personnel peuvent être traitées par le Comité de contrôle du Maintien dans les Milieux d'accueil d'enfants, sont les organisateurs autorisés d'accueil d'enfants, les personnes travaillant dans le milieu d'accueil d'enfants, les gérants et administrateurs associés au milieu d'accueil d'enfants et les personnes impliquées dans une notification ou plainte relative au milieu d'accueil d'enfants en question.
Le traitement est nécessaire selon l'article 6.1, e), l'article 9, paragraphe 2, g), et l'article 10 du règlement général sur la protection des données. L'agence est le responsable du traitement. Les données sont conservées jusqu'à un an après que le Comité de Contrôle du Maintien des Milieux d'accueil d'enfants a terminé l'examen ou a émis l'avis au fonctionnaire dirigeant ou au ministre.
Les organisations ou experts désignés par le Gouvernement flamand ou l'agence en exécution de l'article 15/1 traitent les données à caractère personnel suivantes en vue de l'exécution de leurs missions, visées au présent décret :
1° les données d'identification, visées à l'alinéa 1er, 1°, b), et 2°, b) ;
2° les données de formation et les données d'emploi, visées à l'alinéa 1er, 2°, b) ;
3° les données relatives à la santé, visées à l'alinéa 1er, 1°, a), et 2°, a) ;
4° les données concernant l'extrait du casier judiciaire, visées à l'alinéa 1er, 2°, a) ;
5° les données relatives aux situations de crise dans le milieu d'accueil d'enfants et relatives au traitement des plaintes, visées à l'alinéa 1er, 2°, c) et d) ;
6° les données de toute personne majeure qui est en contact direct avec les enfants gardés dans le milieu d'accueil d'enfants, visées à l'alinéa 1er, 3° ;
7° les documents relatifs au contrôle et au maintien des conditions d'autorisation des organisateurs.
Le traitement est nécessaire selon l'article 6.1, e), l'article 9, paragraphe 2, g), et l'article 10 du règlement général sur la protection des données. L'organisation ou l'expert est le responsable du traitement. Les données sont conservées jusqu'à dix ans après que l'organisation ou l'expert a terminé l'examen et a émis l'avis à l'agence.
Les personnes dont les données à caractère personnel peuvent être traitées par les organisations ou experts désignés par le Gouvernement flamand en exécution de l'article 15/1, sont les organisateurs d'accueil d'enfants, les personnes travaillant dans leur milieu d'accueil d'enfants, les gérants et administrateurs associés au milieu d'accueil d'enfants et les mineurs ou personnes impliqués dans une notification ou plainte relative au milieu d'accueil d'enfants en question.
Les organisations qui reçoivent une subvention pour le soutien d'organisateurs tels que visés à l'article 11, 2°, traitent les données à caractère personnel suivantes en vue de l'exécution de leurs missions :
1° les données d'identification, visées à l'alinéa 1er, 1°, b), et 2°, b) ;
2° les données de formation et les données d'emploi, visées à l'alinéa 1er, 2°, b) ;
3° les données relatives aux situations de crise dans le milieu d'accueil d'enfants et relatives au traitement des plaintes, visées à l'alinéa 1er, 2°, c) et d) ;
4° les documents relatifs au contrôle et au maintien des conditions d'autorisation des organisateurs, qui sont nécessaires pour la mission de l'organisation.
Le traitement est nécessaire selon l'article 6.1, e), du règlement général sur la protection des données. L'organisation qui reçoit une subvention pour le soutien d'organisateurs tels que visés à l'article 11, 2°, est le responsable du traitement. Les données sont conservées jusqu'à dix ans après que l'organisation a terminé le soutien fourni à l'organisateur.
Les personnes dont les données à caractère personnel peuvent être traitées par les organisations qui reçoivent une subvention pour le soutien d'organisateurs tels que visés à l'article 11, 2°, sont les organisateurs autorisés d'accueil d'enfants et les personnes travaillant dans leurs milieux d'accueil d'enfants. " ;
4° un alinéa 15 et un alinéa 16 sont ajoutés, rédigés comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 14 et par dérogation à l'article 5 du décret du 3 juin 2022 portant l'obligation pour certaines organisations de contrôler un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 596, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle, pour certains nouveaux collaborateurs, le délai de conservation de l'extrait du casier judiciaire est de trois ans et prend cours à partir de la désignation de la personne concernée. En cas de réception par l'organisateur d'un nouvel extrait du casier judiciaire, l'extrait précédent est détruit. L'organisateur prend les mesures appropriées pour la conservation sécurisée des extraits.
Conformément à l'article 12 du règlement général sur la protection des données, chaque responsable du traitement prend des mesures appropriées pour fournir toute information visée aux articles 13 et 14 du règlement général sur la protection des données, ainsi que pour procéder à toute communication au titre des articles 15 à 22 et de l'article 34 du règlement général sur la protection des données, en ce qui concerne le traitement à la personne concernée d'une façon concise, transparente, compréhensible et aisément accessible, en des termes clairs et simples. Les informations sont fournies par écrit ou par d'autres moyens y compris par voie électronique. Lorsque la personne concernée en fait la demande, les informations peuvent être fournies oralement, à condition que l'identité de la personne concernée soit démontrée par d'autres moyens. ".
Art. 19. In hoofdstuk 7 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 7 juli 2017, 8 juni 2018 en 21 mei 2021, wordt een artikel 24/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 24/1. § 1. In het kader van de actieve openbaarheid van bestuur publiceert de toezichthouder inspectierapporten van de vergunde kinderopvanglocaties op zijn website. In het inspectierapport worden de naam en het adres van de kinderopvanglocatie en de naam, het ondernemingsnummer, het vestigingsadres en in voorkomend geval de vastgestelde inbreuken en de rechtsvorm van de organisator vermeld. Daarbij kan ook informatie van persoonlijke aard van de organisator worden gepubliceerd, voor zover deze informatie niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het privéleven van de betrokkenen.
De inspectierapporten worden bewaard gedurende een termijn van twintig jaar, te rekenen vanaf het ogenblik dat het betreffende inspectieverslag definitief is geworden. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels wat betreft de maximale termijnen waarbinnen de inspectierapporten actief gepubliceerd worden.
§ 2. In het kader van de actieve openbaarheid van bestuur publiceert het agentschap de volgende informatie over een vergunde kinderopvanglocatie op zijn website:
1° de naam en het adres van de organisator;
2° de rechtsvorm van de organisator, als het om een rechtspersoon gaat;
3° het ondernemingsnummer van de organisator;
4° de vergunde capaciteit, in voorkomend geval per kinderopvanglocatie;
5° in voorkomend geval de naam en het adres van de kinderopvanglocatie(s);
6° in voorkomend geval dat het agentschap een aanmaning of een bestuurlijke maatregel heeft getroffen, zolang die van kracht is, met daarbij een status van de reactie van de organisator;
7° in voorkomend geval de vastgestelde inbreuken op de regelgeving en de meldingen die aanleiding hebben gegeven tot de aanmaning of bestuurlijke maatregel;
8° in voorkomend geval de vaststellingen vanuit het voorzorgsbeginsel die aanleiding hebben gegeven tot een aanmaning of een bestuurlijke maatregel.
Met betrekking tot de informatie, vermeld in het eerste lid, 6°, 7° en 8°, bepaalt de Vlaamse Regering bij welke bestuurlijke maatregelen, inbreuken en vaststellingen vanuit het voorzorgsbeginsel en onder welke modaliteiten aan de organisator de mogelijkheid wordt geboden om te reageren op de bekendmaking.
Met betrekking tot de informatie, vermeld in het eerste lid, 7° en 8°, kan ook informatie van persoonlijke aard worden gepubliceerd, voor zover deze informatie niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het privéleven van de betrokkenen.
Als de vergunning van een kinderopvanglocatie wordt opgeheven, vermeldt het agentschap dat gedurende een periode van zes maanden op zijn website.
§ 3. Ter uitvoering van zijn opdrachten, vermeld in artikel 13, verwerkt en publiceert het lokaal loket kinderopvang de volgende informatie over de vergunde kinderopvanglocaties op zijn website:
1° de naam en het adres van de organisator;
2° de rechtsvorm van de organisator, als het om een rechtspersoon gaat;
3° het ondernemingsnummer van de organisator;
4° de vergunde capaciteit;
5° de naam en het adres van de kinderopvanglocatie.
In dit artikel wordt verstaan onder informatie van persoonlijke aard: informatie van persoonlijke aard als vermeld in artikel II.40, § 3, derde lid, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.".
"Art. 24/1. § 1. In het kader van de actieve openbaarheid van bestuur publiceert de toezichthouder inspectierapporten van de vergunde kinderopvanglocaties op zijn website. In het inspectierapport worden de naam en het adres van de kinderopvanglocatie en de naam, het ondernemingsnummer, het vestigingsadres en in voorkomend geval de vastgestelde inbreuken en de rechtsvorm van de organisator vermeld. Daarbij kan ook informatie van persoonlijke aard van de organisator worden gepubliceerd, voor zover deze informatie niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het privéleven van de betrokkenen.
De inspectierapporten worden bewaard gedurende een termijn van twintig jaar, te rekenen vanaf het ogenblik dat het betreffende inspectieverslag definitief is geworden. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels wat betreft de maximale termijnen waarbinnen de inspectierapporten actief gepubliceerd worden.
§ 2. In het kader van de actieve openbaarheid van bestuur publiceert het agentschap de volgende informatie over een vergunde kinderopvanglocatie op zijn website:
1° de naam en het adres van de organisator;
2° de rechtsvorm van de organisator, als het om een rechtspersoon gaat;
3° het ondernemingsnummer van de organisator;
4° de vergunde capaciteit, in voorkomend geval per kinderopvanglocatie;
5° in voorkomend geval de naam en het adres van de kinderopvanglocatie(s);
6° in voorkomend geval dat het agentschap een aanmaning of een bestuurlijke maatregel heeft getroffen, zolang die van kracht is, met daarbij een status van de reactie van de organisator;
7° in voorkomend geval de vastgestelde inbreuken op de regelgeving en de meldingen die aanleiding hebben gegeven tot de aanmaning of bestuurlijke maatregel;
8° in voorkomend geval de vaststellingen vanuit het voorzorgsbeginsel die aanleiding hebben gegeven tot een aanmaning of een bestuurlijke maatregel.
Met betrekking tot de informatie, vermeld in het eerste lid, 6°, 7° en 8°, bepaalt de Vlaamse Regering bij welke bestuurlijke maatregelen, inbreuken en vaststellingen vanuit het voorzorgsbeginsel en onder welke modaliteiten aan de organisator de mogelijkheid wordt geboden om te reageren op de bekendmaking.
Met betrekking tot de informatie, vermeld in het eerste lid, 7° en 8°, kan ook informatie van persoonlijke aard worden gepubliceerd, voor zover deze informatie niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het privéleven van de betrokkenen.
Als de vergunning van een kinderopvanglocatie wordt opgeheven, vermeldt het agentschap dat gedurende een periode van zes maanden op zijn website.
§ 3. Ter uitvoering van zijn opdrachten, vermeld in artikel 13, verwerkt en publiceert het lokaal loket kinderopvang de volgende informatie over de vergunde kinderopvanglocaties op zijn website:
1° de naam en het adres van de organisator;
2° de rechtsvorm van de organisator, als het om een rechtspersoon gaat;
3° het ondernemingsnummer van de organisator;
4° de vergunde capaciteit;
5° de naam en het adres van de kinderopvanglocatie.
In dit artikel wordt verstaan onder informatie van persoonlijke aard: informatie van persoonlijke aard als vermeld in artikel II.40, § 3, derde lid, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.".
Art. 19. Dans le chapitre 7 du même décret, modifié par les décrets des 7 juillet 2017, 8 juin 2018 et 21 mai 2021, il est inséré un article 24/1, rédigé comme suit :
" Art. 24/1. § 1er. Dans le cadre de la publicité active de l'administration, le surveillant publie des rapports d'inspection des milieux autorisés d'accueil d'enfants sur son site web. Le rapport d'inspection mentionne le nom et l'adresse du milieu d'accueil d'enfants et le nom, le numéro d'entreprise, l'adresse d'établissement et, le cas échéant, les infractions constatées et la forme juridique de l'organisateur. Des informations d'ordre personnel de l'organisateur peuvent également être publiées, dans la mesure où ces informations ne portent pas atteinte de manière disproportionnée à la vie privée des personnes concernées.
Les rapports d'inspection sont conservés pendant un délai de vingt ans, à compter du moment où le rapport d'inspection concerné est devenu définitif. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives aux délais maximaux dans lesquels les rapports d'inspection sont activement publiés.
§ 2. Dans le cadre de la publicité active de l'administration, l'agence publie les informations suivantes concernant un milieu autorisé d'accueil d'enfants sur son site web :
1° le nom et l'adresse de l'organisateur ;
2° la forme juridique de l'organisateur, lorsqu'il s'agit d'une personne morale ;
3° le numéro d'entreprise de l'organisateur ;
4° la capacité autorisée, le cas échéant par milieu d'accueil d'enfants ;
5° le cas échéant, le nom et l'adresse du ou des milieux d'accueil d'enfants ;
6° le cas échéant, le fait que l'agence a envoyé une sommation ou pris une mesure administrative, tant qu'elle est en vigueur, y compris un état de la réaction de l'organisateur ;
7° le cas échéant, les infractions à la réglementation constatées et les notifications ayant donné lieu à la sommation ou à la mesure administrative ;
8° le cas échéant, les constatations sur la base du principe de précaution ayant donné lieu à la sommation ou à la mesure administrative.
En ce qui concerne les informations visées à l'alinéa 1er, 6°, 7° et 8°, le Gouvernement flamand détermine les mesures administratives, infractions et constatations sur la base du principe de précaution pour lesquelles l'organisateur se voit offrir la possibilité de réagir à la publication, ainsi que les modalités à cet égard.
En ce qui concerne les informations visées à l'alinéa 1er, 7° et 8°, des informations d'ordre personnel peuvent également être publiées, dans la mesure où elles ne portent pas atteinte de manière disproportionnée à la vie privée des personnes concernées.
Si l'autorisation d'un milieu d'accueil d'enfants est abrogée, l'agence en fait mention sur son site web pendant une période de six mois.
§ 3. En exécution de ses missions visées à l'article 13, le guichet local en matière d'accueil d'enfants traite et publie les informations suivantes concernant les milieux autorisés d'accueil d'enfants sur son site web :
1° le nom et l'adresse de l'organisateur ;
2° la forme juridique de l'organisateur, lorsqu'il s'agit d'une personne morale ;
3° le numéro d'entreprise de l'organisateur ;
4° la capacité autorisée ;
5° le nom et l'adresse du milieu d'accueil d'enfants.
Dans le présent article, on entend par informations d'ordre personnel : des informations d'ordre personnel telles que visées à l'article II.40, § 3, alinéa 3, du décret de gouvernance du 7 décembre 2018. ".
" Art. 24/1. § 1er. Dans le cadre de la publicité active de l'administration, le surveillant publie des rapports d'inspection des milieux autorisés d'accueil d'enfants sur son site web. Le rapport d'inspection mentionne le nom et l'adresse du milieu d'accueil d'enfants et le nom, le numéro d'entreprise, l'adresse d'établissement et, le cas échéant, les infractions constatées et la forme juridique de l'organisateur. Des informations d'ordre personnel de l'organisateur peuvent également être publiées, dans la mesure où ces informations ne portent pas atteinte de manière disproportionnée à la vie privée des personnes concernées.
Les rapports d'inspection sont conservés pendant un délai de vingt ans, à compter du moment où le rapport d'inspection concerné est devenu définitif. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives aux délais maximaux dans lesquels les rapports d'inspection sont activement publiés.
§ 2. Dans le cadre de la publicité active de l'administration, l'agence publie les informations suivantes concernant un milieu autorisé d'accueil d'enfants sur son site web :
1° le nom et l'adresse de l'organisateur ;
2° la forme juridique de l'organisateur, lorsqu'il s'agit d'une personne morale ;
3° le numéro d'entreprise de l'organisateur ;
4° la capacité autorisée, le cas échéant par milieu d'accueil d'enfants ;
5° le cas échéant, le nom et l'adresse du ou des milieux d'accueil d'enfants ;
6° le cas échéant, le fait que l'agence a envoyé une sommation ou pris une mesure administrative, tant qu'elle est en vigueur, y compris un état de la réaction de l'organisateur ;
7° le cas échéant, les infractions à la réglementation constatées et les notifications ayant donné lieu à la sommation ou à la mesure administrative ;
8° le cas échéant, les constatations sur la base du principe de précaution ayant donné lieu à la sommation ou à la mesure administrative.
En ce qui concerne les informations visées à l'alinéa 1er, 6°, 7° et 8°, le Gouvernement flamand détermine les mesures administratives, infractions et constatations sur la base du principe de précaution pour lesquelles l'organisateur se voit offrir la possibilité de réagir à la publication, ainsi que les modalités à cet égard.
En ce qui concerne les informations visées à l'alinéa 1er, 7° et 8°, des informations d'ordre personnel peuvent également être publiées, dans la mesure où elles ne portent pas atteinte de manière disproportionnée à la vie privée des personnes concernées.
Si l'autorisation d'un milieu d'accueil d'enfants est abrogée, l'agence en fait mention sur son site web pendant une période de six mois.
§ 3. En exécution de ses missions visées à l'article 13, le guichet local en matière d'accueil d'enfants traite et publie les informations suivantes concernant les milieux autorisés d'accueil d'enfants sur son site web :
1° le nom et l'adresse de l'organisateur ;
2° la forme juridique de l'organisateur, lorsqu'il s'agit d'une personne morale ;
3° le numéro d'entreprise de l'organisateur ;
4° la capacité autorisée ;
5° le nom et l'adresse du milieu d'accueil d'enfants.
Dans le présent article, on entend par informations d'ordre personnel : des informations d'ordre personnel telles que visées à l'article II.40, § 3, alinéa 3, du décret de gouvernance du 7 décembre 2018. ".
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten
CHAPITRE 4. - Modification du décret du 3 mai 2019 portant organisation de l'accueil extrascolaire et coordination des activités extrascolaires
Art. 20. In artikel 11, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2019 houdende de organisatie van buitenschoolse opvang en de afstemming tussen buitenschoolse activiteiten wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° de organisator controleert bij de aanstelling van elke persoon die werkzaam is in de kinderopvanglocatie het goed en zedelijk gedrag van de betrokkene, dat minstens een onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen inhoudt. Artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, artikel 4, eerste lid, en artikel 5 van het decreet van 3 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister, vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe personen werkzaam in de kinderopvanglocatie, is daarbij van toepassing. Daarenboven beschikt de organisator over een uittreksel uit het centraal strafregister op naam van de rechtspersoon.".
"4° de organisator controleert bij de aanstelling van elke persoon die werkzaam is in de kinderopvanglocatie het goed en zedelijk gedrag van de betrokkene, dat minstens een onberispelijk gedrag in de omgang met minderjarigen inhoudt. Artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, artikel 4, eerste lid, en artikel 5 van het decreet van 3 juni 2022 houdende de verplichting voor bepaalde organisaties om een uittreksel uit het strafregister, vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te controleren voor bepaalde nieuwe personen werkzaam in de kinderopvanglocatie, is daarbij van toepassing. Daarenboven beschikt de organisator over een uittreksel uit het centraal strafregister op naam van de rechtspersoon.".
Art. 20. Dans l'article 11, alinéa 2, du décret du 3 mai 2019 portant organisation de l'accueil extrascolaire et coordination des activités extrascolaires, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° lors de la désignation de chaque personne travaillant dans le milieu d'accueil d'enfants, l'organisateur contrôle la bonne conduite de la personne concernée, ce qui inclut au moins un comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs. L'article 3, alinéas 2 à 5, l'article 4, alinéa 1er, et l'article 5 du décret du 3 juin 2022 portant l'obligation pour certaines organisations de contrôler un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 596, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle, pour certains nouveaux collaborateurs travaillant dans le milieu d'accueil d'enfants s'appliquent à cet égard. En outre, l'organisateur dispose d'un extrait du casier judiciaire central au nom de la personne morale. ".
" 4° lors de la désignation de chaque personne travaillant dans le milieu d'accueil d'enfants, l'organisateur contrôle la bonne conduite de la personne concernée, ce qui inclut au moins un comportement irréprochable vis-à-vis des mineurs. L'article 3, alinéas 2 à 5, l'article 4, alinéa 1er, et l'article 5 du décret du 3 juin 2022 portant l'obligation pour certaines organisations de contrôler un extrait du casier judiciaire tel que visé à l'article 596, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle, pour certains nouveaux collaborateurs travaillant dans le milieu d'accueil d'enfants s'appliquent à cet égard. En outre, l'organisateur dispose d'un extrait du casier judiciaire central au nom de la personne morale. ".
Art. 21. Dit decreet treedt in werking op de tiende dag na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van artikel 4, 1° en 3°, 5, 7, 8, 9, 10, 12, 15 en 16, die in werking treden op een datum die de Vlaamse Regering vaststelt en uiterlijk op 1 januari 2026.
Artikel 2, 4, 2°, en 6 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2024.
Artikel 2, 4, 2°, en 6 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2024.
Art. 21. Le présent décret entre en vigueur le dixième jour après sa publication au Moniteur belge, à l'exception des articles 4, 1° et 3°, 5, 7, 8, 9, 10, 12, 15 et 16, qui entrent en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand et au plus tard le 1er janvier 2026.
Les articles 2, 4, 2°, et 6 produisent leurs effets le 1er janvier 2024.
Les articles 2, 4, 2°, et 6 produisent leurs effets le 1er janvier 2024.