Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
16 MEI 2024. - Koninklijk besluit betreffende het financiële beheer van de Nationale veiligheidsoverheid, een administratieve dienst met boekhoudkundige autonomie
Titre
16 MAI 2024. - Arrêté royal relatif à la gestion financière de l'Autorité nationale de Sécurité, service administratif à comptabilité autonome
Informations sur le document
Info du document
Tekst (14)
Texte (14)
Artikel 1. De middelen van de administratieve dienst met boekhoudkundige autonomie "Nationale Veiligheidsoverheid", hierna "de Dienst" genoemd, bestaan uit een jaarlijkse dotatie ingeschreven op de algemene uitgavenbegroting en functionele en exploitatieontvangsten.
Article 1er. Les ressources du service administratif à comptabilité autonome " Autorité nationale de Sécurité ", ci-après dénommé " le Service ", sont constituées d'une dotation annuelle inscrite au budget général des dépenses et des recettes fonctionnelles et d'exploitation.
Art. 2. Het hoofd van de Dienst maakt jaarlijks een begroting op van alle ontvangsten en uitgaven volgens de richtlijnen en binnen het tijdschema verstrekt door de minister die Begroting onder zijn bevoegdheden heeft. Dit begrotingsontwerp is gebaseerd op meetbare operationele doelstellingen voor de diverse diensten.
Art. 2. Le chef du Service établit chaque année un budget de toutes les recettes et dépenses, selon les directives et dans les délais fournis par le ministre qui a le Budget dans ses attributions. Ce projet de budget est établi sur la base des objectifs opérationnels mesurables pour les différents services.
Art. 3. De ontvangstenramingen omvatten de dotatie afkomstig uit de algemene uitgavenbegroting en de functionele en exploitatie-ontvangsten.
De uitgavenramingen worden uitgedrukt in termen van verbintenissen en in termen van vastgestelde rechten. Zij omvatten de functionele en exploitatie-uitgaven en de investeringsuitgaven.
De dotatie afkomstig uit de algemene uitgavenbegroting is gericht op de financiering van de functionele en exploitatie-uitgaven en de investeringsuitgaven.
De functionele en exploitatieontvangsten, zoals bedoeld onder artikel 3, eerste lid kunnen uitsluitend worden aangewend voor de functionele en exploitatie-uitgaven, vermeld onder artikel 3, tweede lid.
De middelen die beschikbaar zijn op het einde van het begrotingsjaar kunnen vanaf het begin van het volgende jaar aangewend worden voor de betaling van de uitgaven die er betrekking op hebben of op elk voorgaande jaar.
Bij de begrotingscontrole over het lopend begrotingsjaar dient de dotatie aan de reële toestand te worden aangepast, rekening houdend met het overgedragen saldo van het voorafgaande begrotingsjaar.
Het bedrag van de betalingen mag de som van de reële ontvangsten zoals bepaald in artikel 3, eerste lid, en het overgedragen kassaldo niet overschrijden.
De uitgavenramingen worden uitgedrukt in termen van verbintenissen en in termen van vastgestelde rechten. Zij omvatten de functionele en exploitatie-uitgaven en de investeringsuitgaven.
De dotatie afkomstig uit de algemene uitgavenbegroting is gericht op de financiering van de functionele en exploitatie-uitgaven en de investeringsuitgaven.
De functionele en exploitatieontvangsten, zoals bedoeld onder artikel 3, eerste lid kunnen uitsluitend worden aangewend voor de functionele en exploitatie-uitgaven, vermeld onder artikel 3, tweede lid.
De middelen die beschikbaar zijn op het einde van het begrotingsjaar kunnen vanaf het begin van het volgende jaar aangewend worden voor de betaling van de uitgaven die er betrekking op hebben of op elk voorgaande jaar.
Bij de begrotingscontrole over het lopend begrotingsjaar dient de dotatie aan de reële toestand te worden aangepast, rekening houdend met het overgedragen saldo van het voorafgaande begrotingsjaar.
Het bedrag van de betalingen mag de som van de reële ontvangsten zoals bepaald in artikel 3, eerste lid, en het overgedragen kassaldo niet overschrijden.
Art. 3. Les prévisions de recettes comprennent la dotation provenant du budget général des dépenses ainsi que les recettes fonctionnelles et d'exploitation.
Les prévisions de dépenses sont exprimées en termes d'engagements et en termes de droits constatés. Elles comprennent les dépenses fonctionnelles et d'exploitation ainsi que les dépenses d'investissement.
La dotation provenant du budget général des dépenses est destinée au financement des dépenses fonctionnelles et d'exploitation et des dépenses d'investissement.
Les recettes fonctionnelles et d'exploitation, visées à l'article 3, alinéa 1er peuvent uniquement être utilisées pour les dépenses fonctionnelles et d'exploitation, mentionnées à l'article 3, alinéa 2.
Les moyens disponibles à la fin de l'année budgétaire peuvent être utilisés à partir du début de l'année suivante pour payer les dépenses qui s'y rapportent ou qui se rapportent à chaque année précédente.
Lors du contrôle budgétaire de l'année budgétaire en cours, la dotation doit être adaptée à la situation réelle, compte tenu du solde reporté de l'année budgétaire précédente.
Le montant des paiements ne peut pas dépasser la somme des recettes réelles définies à l'article 3, alinéa 1er, et du solde de caisse reporté.
Les prévisions de dépenses sont exprimées en termes d'engagements et en termes de droits constatés. Elles comprennent les dépenses fonctionnelles et d'exploitation ainsi que les dépenses d'investissement.
La dotation provenant du budget général des dépenses est destinée au financement des dépenses fonctionnelles et d'exploitation et des dépenses d'investissement.
Les recettes fonctionnelles et d'exploitation, visées à l'article 3, alinéa 1er peuvent uniquement être utilisées pour les dépenses fonctionnelles et d'exploitation, mentionnées à l'article 3, alinéa 2.
Les moyens disponibles à la fin de l'année budgétaire peuvent être utilisés à partir du début de l'année suivante pour payer les dépenses qui s'y rapportent ou qui se rapportent à chaque année précédente.
Lors du contrôle budgétaire de l'année budgétaire en cours, la dotation doit être adaptée à la situation réelle, compte tenu du solde reporté de l'année budgétaire précédente.
Le montant des paiements ne peut pas dépasser la somme des recettes réelles définies à l'article 3, alinéa 1er, et du solde de caisse reporté.
Art. 4. Het begrotingsontwerp van de Dienst wordt door de minister onder wie de Dienst ressorteert aan de minister gestuurd die Begroting onder zijn bevoegdheden heeft.
Art. 4. Le projet de budget du Service est envoyé par le ministre dont relève le Service au ministre qui a le Budget dans ses attributions.
Art. 5. Na ieder begrotingsjaar worden een beheersrekening, een rekening van uitvoering van de begroting en een jaarrekening opgesteld.
De beheersrekening omvat het beginsaldo, het geheel van de ontvangsten en uitgaven die in de loop van het begrotingsjaar werden verricht en het eindsaldo.
De beheersrekening omvat het beginsaldo, het geheel van de ontvangsten en uitgaven die in de loop van het begrotingsjaar werden verricht en het eindsaldo.
Art. 5. Après chaque année budgétaire, un compte de gestion, un compte d'exécution du budget et un compte annuel sont établis.
Le compte de gestion comprend le solde initial, l'ensemble des recettes et des dépenses réalisées au cours de l'année budgétaire et le solde final.
Le compte de gestion comprend le solde initial, l'ensemble des recettes et des dépenses réalisées au cours de l'année budgétaire et le solde final.
Art. 6. De verrichtingen worden gelijktijdig geboekt in de algemene en begrotingsboekhouding.
Art. 6. Les opérations sont comptabilisées simultanément dans les comptabilités générale et budgétaire.
Art. 7. De aanrekening van uitgaven op de begroting kan slechts mits een gedateerd en goedgekeurd verantwoordingsstuk. De uitgaven worden op transactiebasis aangerekend ten laste van het begrotingsjaar waarin de verrichting plaatsvindt.
De ontvangsten worden eveneens geboekt op het moment van de vaststelling van het recht. Voor contante rechten is dit het moment waarop de bedragen worden gestort op de financiële rekening van de rekenplichtige. Voor de dotatiemiddelen is dit 1 januari van het betreffende begrotingsjaar.
De ontvangsten worden eveneens geboekt op het moment van de vaststelling van het recht. Voor contante rechten is dit het moment waarop de bedragen worden gestort op de financiële rekening van de rekenplichtige. Voor de dotatiemiddelen is dit 1 januari van het betreffende begrotingsjaar.
Art. 7. L'imputation des dépenses sur le budget ne peut se faire que moyennant une pièce justificative datée et approuvée. Les dépenses sont imputées sur une base transactionnelle à charge de l'année budgétaire au cours de laquelle a lieu l'opération.
Les recettes sont également comptabilisées au moment de la constatation du droit. Pour les droits au comptant, il s'agit du moment où les montants sont versés sur le compte financier du comptable. Pour les moyens de dotation, il s'agit du 1er janvier de l'année budgétaire concernée.
Les recettes sont également comptabilisées au moment de la constatation du droit. Pour les droits au comptant, il s'agit du moment où les montants sont versés sur le compte financier du comptable. Pour les moyens de dotation, il s'agit du 1er janvier de l'année budgétaire concernée.
Art. 8. Bij zijn uitdiensttreding maakt de rekenplichtige een eindrekening van zijn beheer op.
Art. 8. Lorsqu'il cesse ses fonctions, le comptable établit un compte de fin de gestion.
Art. 9. Het hoofd van de Dienst, of een door hem gemachtigde ordonnateur van niveau A, is verantwoordelijk voor het beheer van de begroting.
Overheidsopdrachten waarvan de raming meer dan 5.500 euro exclusief BTW bedraagt, dienen voor de opstart van de procedure te worden goedgekeurd door het beheerscomité van de Dienst.
Het hoofd van de Dienst verschaft op trimestriële basis aan het beheerscomité:
1° een tussentijds verslag over de uitvoering van de begroting dat op de beschouwde periode betrekking heeft;
2° de tussentijdse operationele gegevens in verhouding tot de vooropgestelde operationele doelstellingen;
3° een lijst van de verbintenissen die in het afgelopen trimester werden aangegaan.
Het hoofd van de dienst verschaft jaarlijks aan het beheerscomité:
1° een rekening van uitvoering van de begroting;
2° een activiteitenverslag waarin de verwezenlijkingen in verhouding tot het vooropgestelde beleid worden belicht.
Als hoofd van de Dienst draagt hij de verantwoordelijkheid voor de uitbouw, opvolging en bijsturing van het intern controlesysteem van de Dienst. Hij rapporteert hierover aan het beheerscomité.
Overheidsopdrachten waarvan de raming meer dan 5.500 euro exclusief BTW bedraagt, dienen voor de opstart van de procedure te worden goedgekeurd door het beheerscomité van de Dienst.
Het hoofd van de Dienst verschaft op trimestriële basis aan het beheerscomité:
1° een tussentijds verslag over de uitvoering van de begroting dat op de beschouwde periode betrekking heeft;
2° de tussentijdse operationele gegevens in verhouding tot de vooropgestelde operationele doelstellingen;
3° een lijst van de verbintenissen die in het afgelopen trimester werden aangegaan.
Het hoofd van de dienst verschaft jaarlijks aan het beheerscomité:
1° een rekening van uitvoering van de begroting;
2° een activiteitenverslag waarin de verwezenlijkingen in verhouding tot het vooropgestelde beleid worden belicht.
Als hoofd van de Dienst draagt hij de verantwoordelijkheid voor de uitbouw, opvolging en bijsturing van het intern controlesysteem van de Dienst. Hij rapporteert hierover aan het beheerscomité.
Art. 9. Le chef du Service, ou l'ordonnateur de niveau A délégué par lui, est responsable de la gestion du budget.
Les marchés publics dont l'estimation dépasse le seuil des 5.500 euros hors T.V.A. doivent être approuvés préalablement au lancement de la procédure par le Comité de gestion du Service.
Le chef du Service fournit trimestriellement au Comité de gestion :
1° un rapport intermédiaire sur l'exécution du budget ayant trait à la période prise en considération ;
2° les données opérationnelles intermédiaires en rapport avec les objectifs opérationnels envisagés ;
3° une liste des engagements contractés au cours du trimestre écoulé.
Le chef du Service fournit annuellement au Comité de gestion :
1° un compte d'exécution du budget ;
2° un rapport d'activités développant toutes les réalisations relatives à la politique poursuivie.
En tant que chef du Service, il porte la responsabilité du développement, du suivi et de l'adaptation du système de contrôle interne du Service. Il fait rapport en la matière au Comité de gestion.
Les marchés publics dont l'estimation dépasse le seuil des 5.500 euros hors T.V.A. doivent être approuvés préalablement au lancement de la procédure par le Comité de gestion du Service.
Le chef du Service fournit trimestriellement au Comité de gestion :
1° un rapport intermédiaire sur l'exécution du budget ayant trait à la période prise en considération ;
2° les données opérationnelles intermédiaires en rapport avec les objectifs opérationnels envisagés ;
3° une liste des engagements contractés au cours du trimestre écoulé.
Le chef du Service fournit annuellement au Comité de gestion :
1° un compte d'exécution du budget ;
2° un rapport d'activités développant toutes les réalisations relatives à la politique poursuivie.
En tant que chef du Service, il porte la responsabilité du développement, du suivi et de l'adaptation du système de contrôle interne du Service. Il fait rapport en la matière au Comité de gestion.
Art. 10. De rekenplichtige van de Dienst is belast met :
1° de inning van de vastgestelde rechten;
2° de uitvoering van de betalingen;
3° het beheren en bewaren van gelden en waarden;
4° het opstellen en bewaren van de in het artikel 5 bedoelde staten en rekeningen;
5° het bijhouden van de vermogenscomptabiliteit;
6° het periodiek opmaken van de inventaris van het vermogen;
7° het voorleggen van een verzamelstaat van ontvangsten en uitgaven aan het beheerscomité na ieder trimester.
1° de inning van de vastgestelde rechten;
2° de uitvoering van de betalingen;
3° het beheren en bewaren van gelden en waarden;
4° het opstellen en bewaren van de in het artikel 5 bedoelde staten en rekeningen;
5° het bijhouden van de vermogenscomptabiliteit;
6° het periodiek opmaken van de inventaris van het vermogen;
7° het voorleggen van een verzamelstaat van ontvangsten en uitgaven aan het beheerscomité na ieder trimester.
Art. 10. Le comptable du Service est chargé de :
1° la perception des droits constatés ;
2° l'exécution des paiements ;
3° la gestion et de la conservation des fonds et valeurs ;
4° l'élaboration et de la conservation des états et des comptes visés à l'article 5 ;
5° la tenue de la comptabilité patrimoniale ;
6° l'établissement périodique d'un inventaire du patrimoine ;
7° soumettre un état récapitulatif des recettes et des dépenses au Comité de gestion après chaque trimestre.
1° la perception des droits constatés ;
2° l'exécution des paiements ;
3° la gestion et de la conservation des fonds et valeurs ;
4° l'élaboration et de la conservation des états et des comptes visés à l'article 5 ;
5° la tenue de la comptabilité patrimoniale ;
6° l'établissement périodique d'un inventaire du patrimoine ;
7° soumettre un état récapitulatif des recettes et des dépenses au Comité de gestion après chaque trimestre.
Art. 11. De Dienst is onderworpen aan de controlebevoegdheid van de minister onder wie de Dienst ressorteert. Deze controle wordt uitgeoefend door de inspecteur van Financiën geaccrediteerd bij de minister onder wie de Dienst ressorteert. De inspecteur van Financiën woont, met raadgevende stem, de vergaderingen van het beheerscomité bij. Hij beschikt voor het vervullen van zijn opdracht over de ruimste bevoegdheid.
De Inspecteur van Financiën kan binnen een termijn van vier werkdagen dagen beroep instellen tegen elke beslissing die hij met de wet, met de statuten of met het algemeen belang strijdig acht. Het beroep is opschortend.
Deze termijn gaat in de dag van de vergadering waarop de beslissing genomen is, voor zover de inspecteur van Financiën daarop regelmatig uitgenodigd is, of, in het tegenovergestelde geval, de dag waarop hij er kennis van heeft gekregen.
Heeft de minister onder wie de Dienst ressorteert, bij wie het beroep werd ingesteld, binnen een termijn van twintig werkdagen, ingaand dezelfde dag als de in het voorgaande lid bedoelde termijn, de nietigverklaring niet uitgesproken, dan wordt de beslissing definitief.
De nietigverklaring van de beslissing wordt aan het beheerscomité betekend door de minister onder wie de Dienst ressorteert.
De Inspecteur van Financiën kan binnen een termijn van vier werkdagen dagen beroep instellen tegen elke beslissing die hij met de wet, met de statuten of met het algemeen belang strijdig acht. Het beroep is opschortend.
Deze termijn gaat in de dag van de vergadering waarop de beslissing genomen is, voor zover de inspecteur van Financiën daarop regelmatig uitgenodigd is, of, in het tegenovergestelde geval, de dag waarop hij er kennis van heeft gekregen.
Heeft de minister onder wie de Dienst ressorteert, bij wie het beroep werd ingesteld, binnen een termijn van twintig werkdagen, ingaand dezelfde dag als de in het voorgaande lid bedoelde termijn, de nietigverklaring niet uitgesproken, dan wordt de beslissing definitief.
De nietigverklaring van de beslissing wordt aan het beheerscomité betekend door de minister onder wie de Dienst ressorteert.
Art. 11. Le Service est soumis au pouvoir de contrôle du ministre dont il relève. Ce contrôle est exercé par l'Inspecteur des Finances accrédité auprès du ministre dont relève le Service. L'Inspecteur des Finances assiste, avec voix consultative, aux réunions du Comité de gestion. Il dispose des pouvoirs les plus étendus pour l'accomplissement de sa mission.
L'Inspecteur des Finances dispose d'un délai de quatre jours ouvrables pour exercer son recours auprès du ministre dont relève le Service contre l'exécution de toute décision qu'il estime contraire à la loi, aux statuts ou à l'intérêt général. Le recours est suspensif.
Ce délai court à partir du jour de la réunion au cours de laquelle la décision a été prise, pour autant que l'Inspecteur des Finances y ait été régulièrement convoqué, ou, dans le cas contraire, à partir du jour où il en a reçu connaissance.
Si le ministre dont relève le Service, saisi du recours, n'a pas prononcé l'annulation dans un délai de vingt jours ouvrables commençant le même jour que le délai visé à l'alinéa précédent, la décision devient définitive.
L'annulation de la décision est notifiée au Comité de gestion par le ministre dont relève le Service.
L'Inspecteur des Finances dispose d'un délai de quatre jours ouvrables pour exercer son recours auprès du ministre dont relève le Service contre l'exécution de toute décision qu'il estime contraire à la loi, aux statuts ou à l'intérêt général. Le recours est suspensif.
Ce délai court à partir du jour de la réunion au cours de laquelle la décision a été prise, pour autant que l'Inspecteur des Finances y ait été régulièrement convoqué, ou, dans le cas contraire, à partir du jour où il en a reçu connaissance.
Si le ministre dont relève le Service, saisi du recours, n'a pas prononcé l'annulation dans un délai de vingt jours ouvrables commençant le même jour que le délai visé à l'alinéa précédent, la décision devient définitive.
L'annulation de la décision est notifiée au Comité de gestion par le ministre dont relève le Service.
Art. 12. Het koninklijk besluit van 4 september 2013 betreffende het financiële beheer van de Nationale Veiligheidsoverheid, een Staatsdienst met afzonderlijk beheer, wordt opgeheven.
Art. 12. L'arrêté royal du 4 septembre 2013 relatif à la gestion financière de l'Autorité nationale de Sécurité, service de l'Etat à gestion séparée, est abrogé.
Art. 13. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2024.
Art. 13. Le présent arrêté produit ses effets au 1er janvier 2024.
Art. 14 De minister bevoegd voor Justitie, de minister van Defensie, de minister van Binnenlandse Zaken en de minister bevoegd voor Financiën zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 14. Le ministre qui a la Justice dans ses attributions, le ministre qui a la Défense dans ses attributions, le ministre qui a l'Intérieur dans ses attributions et le ministre qui a les Finances dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.