Artikel 1. Voorwerp
Dit decreet bepaalt het kader voor de controle van bepalingen inzake tewerkstelling en bepaalt de procedure voor het opleggen van administratieve geldboeten.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
27 MAART 2023. - Decreet betreffende de controle en de procedure voor het opleggen van administratieve geldboeten in het kader van het tewerkstellingsbeleid(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 20-10-2023 en tekstbijwerking tot 06-06-2025)
Titre
27 MARS 2023. - Décret relatif au contrôle et à la procédure concernant l'imposition d'amendes administratives dans le domaine de la politique de l'emploi(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 20-10-2023 et mise à jour au 06-06-2025)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2. - Taken en bevoegdheden van de soc...
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Bevoegdheden van de sociaal inspe...
Hoofdstuk 3. - Plichten van de sociaal inspecteurs
Hoofdstuk 4. - Processen-verbaal
Afdeling 1. - Processen-verbaal van verhoor
Afdeling 2. - Processen-verbaal tot vaststellin...
Afdeling 3. - Elektronische informatie-uitwisse...
Hoofdstuk 5. - Administratieve geldboeten
Afdeling 1. - Administratieve vervolging van in...
Afdeling 2. - Verweermiddelen
Afdeling 3. - Opleggen van de administratieve g...
Afdeling 4. - Betaling en invordering
Afdeling 5. - Verscheidene bepalingen
Hoofdstuk 6. - Strafbepalingen
Hoofdstuk 7. - Samenwerking en informatie-uitwi...
Hoofdstuk 8. - Vertrouwelijkheid en bescherming...
Hoofdstuk 9. - Slotbepalingen
Table des matières
Chapitre 1er. - Dispositions générales
Chapitre 2. - Missions et pouvoirs des inspecte...
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Pouvoirs des inspecteurs sociaux
Chapitre 3. - Devoirs des inspecteurs sociaux
Chapitre 4. - Procès-verbaux
Section 1re. - Procès-verbaux d'audition
Section 2. - Procès-verbaux constatant une infr...
Section 3. - Echange électronique d'information...
Chapitre 5. - Amendes administratives
Section 1re. - Poursuite administrative des inf...
Section 2. - Moyens de défense
Section 3. - Infliction de l'amende administrative
Section 4. - Paiement et recouvrement
Section 5. - Dispositions diverses
Chapitre 6. - Dispositions pénales
Chapitre 7. - Collaboration et échange d'inform...
Chapitre 8. - Confidentialité et protection des...
Chapitre 9. - Dispositions finales
Tekst (128)
Texte (128)
Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen
Chapitre 1er. - Dispositions générales
Article 1er. Objet
Le présent décret établit le cadre pour le contrôle des dispositions dans le domaine de l'emploi ainsi que la procédure relative à l'imposition d'amendes administratives.
Le présent décret établit le cadre pour le contrôle des dispositions dans le domaine de l'emploi ainsi que la procédure relative à l'imposition d'amendes administratives.
Art. 2. Verwijzingen naar personen
De verwijzingen naar personen in dit decreet gelden voor alle geslachten.
De verwijzingen naar personen in dit decreet gelden voor alle geslachten.
Art. 2. Qualifications
Dans le présent décret, les qualifications s'appliquent à tous les sexes.
Dans le présent décret, les qualifications s'appliquent à tous les sexes.
Art. 3. Definities
Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder:
1° werkgevers: de natuurlijke personen, de privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen of de feitelijke verenigingen die de onder 2° genoemde personen tewerkstellen of die met werkgevers worden gelijkgesteld, met inbegrip van:
a) de natuurlijke personen of rechtspersonen die uitzenddiensten verlenen, die een outplacementbureau, een wervings- of selectiebureau of een bureau voor kosteloze arbeidsbemiddeling exploiteren overeenkomstig de regelgeving van toepassing op de arbeidsbemiddelingsbureaus;
b) de gebruikers, namelijk de natuurlijke personen of rechtspersonen die een beroep doen op de diensten verleend door een arbeidsbemiddelingsbureau, of die de taken van de werknemers bepalen en toezicht houden op de uitvoering ervan;
c) de begunstigden van subsidies, namelijk de natuurlijke personen of rechtspersonen die subsidies inzake werkgelegenheid vragen aan of verkregen hebben van de Duitstalige Gemeenschap of vragen aan of verkregen hebben van rechtspersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks door de Duitstalige Gemeenschap gesubsidieerd worden, met inbegrip van alle door de Duitstalige Gemeenschap met of zonder interest toegekende terugvorderbare voorschotten;
d) de begunstigden van een erkenning, namelijk de natuurlijke personen of rechtspersonen die een erkenning inzake werkgelegenheidsbeleid vragen aan of verkregen hebben van de Duitstalige Gemeenschap, dan wel vragen aan of verkregen hebben van een rechtstreeks of onrechtstreeks door de Duitstalige Gemeenschap gesubsidieerde rechtspersoon;
e) in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming, de in het Duitse taalgebied gevestigde entiteit waarnaar betrokkene tijdelijk wordt overgeplaatst, ongeacht de rechtsvorm van die entiteit;
f) zelfstandigen;
2° werknemers: de personen die krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten onder het gezag van een andere persoon en degenen die daarmee gelijkgesteld worden, met inbegrip van:
a) personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon, of die arbeid verrichten onder voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die van een arbeidsovereenkomst;
b) personen die geen arbeid verrichten onder het gezag van een andere persoon, maar die geheel of gedeeltelijk onderworpen zijn aan de wetgeving betreffende de sociale zekerheid van de werknemers;
c) uitzendkrachten, d.w.z. de personen bedoeld in artikel 2, 13°, van het decreet van 11 mei 2009 betreffende de erkenning van uitzendbureaus en de controle op de particuliere arbeidsbemiddelingsbureaus;
d) werknemers die tijdelijk overgeplaatst zijn binnen een onderneming overeenkomstig de normen betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
3° arbeidsplaatsen: de plaatsen waar werkzaamheden verricht worden die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs onderworpen zijn of waar personen tewerkgesteld zijn die onderworpen zijn aan de bepalingen van de in artikel 4 bedoelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen, en onder meer de ondernemingen, gedeelten van ondernemingen, inrichtingen, gedeelten van inrichtingen, gebouwen, lokalen, plaatsen die op het terrein van de onderneming gelegen zijn, bouwplaatsen en werken buiten de ondernemingen, alsook de plaatsen waar de documenten met betrekking tot de gereguleerde activiteiten bewaard worden;
4° Algemene Verordening Gegevensbescherming: de Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG;
5° informatiedragers: elke drager, onder welke vorm ook, die gegevens in leesbare vorm bevat, zoals boeken, registers, documenten, numerieke of digitale informatiedragers, schijven, banden en met inbegrip van deze die toegankelijk zijn door een informaticasysteem of door enig ander elektronisch apparaat;
6° e-PV: het proces-verbaal tot vaststelling van inbreuken dat via de daartoe ontworpen informaticatoepassing overeenkomstig het model bedoeld in artikel 100/2 van het Sociaal Strafwetboek wordt aangemaakt, opgeslagen en verzonden;
7° sociaal inspecteurs: de ambtenaren en personeelsleden van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap die overeenkomstig artikel 9, eerste lid, door de Regering worden aangewezen;
8° verzending waarvan de datum met zekerheid kan worden vastgesteld: een van de volgende wijzen van bezorging of toezending:
a) aangetekend schrijven of aangetekend schrijven met ontvangstbewijs of elektronisch aangetekend schrijven;
b) afgifte tegen gedagtekend ontvangstbewijs;
c) elke andere, door de Regering bepaalde wijze van toezending die de mogelijkheid biedt om de datum van de kennisgeving met zekerheid vast te stellen;
9° sociale gegevens: alle gegevens nodig voor de toepassing van de in artikel 4 bedoelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen;
10° openbare instellingen van sociale zekerheid: de openbare instellingen, alsmede de diensten van de regeringen die belast zijn met de toepassing van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid;
11° overtreder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een administratieve geldboete opgelegd kan krijgen overeenkomstig hoofdstuk 5.
Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder:
1° werkgevers: de natuurlijke personen, de privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen of de feitelijke verenigingen die de onder 2° genoemde personen tewerkstellen of die met werkgevers worden gelijkgesteld, met inbegrip van:
a) de natuurlijke personen of rechtspersonen die uitzenddiensten verlenen, die een outplacementbureau, een wervings- of selectiebureau of een bureau voor kosteloze arbeidsbemiddeling exploiteren overeenkomstig de regelgeving van toepassing op de arbeidsbemiddelingsbureaus;
b) de gebruikers, namelijk de natuurlijke personen of rechtspersonen die een beroep doen op de diensten verleend door een arbeidsbemiddelingsbureau, of die de taken van de werknemers bepalen en toezicht houden op de uitvoering ervan;
c) de begunstigden van subsidies, namelijk de natuurlijke personen of rechtspersonen die subsidies inzake werkgelegenheid vragen aan of verkregen hebben van de Duitstalige Gemeenschap of vragen aan of verkregen hebben van rechtspersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks door de Duitstalige Gemeenschap gesubsidieerd worden, met inbegrip van alle door de Duitstalige Gemeenschap met of zonder interest toegekende terugvorderbare voorschotten;
d) de begunstigden van een erkenning, namelijk de natuurlijke personen of rechtspersonen die een erkenning inzake werkgelegenheidsbeleid vragen aan of verkregen hebben van de Duitstalige Gemeenschap, dan wel vragen aan of verkregen hebben van een rechtstreeks of onrechtstreeks door de Duitstalige Gemeenschap gesubsidieerde rechtspersoon;
e) in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming, de in het Duitse taalgebied gevestigde entiteit waarnaar betrokkene tijdelijk wordt overgeplaatst, ongeacht de rechtsvorm van die entiteit;
f) zelfstandigen;
2° werknemers: de personen die krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten onder het gezag van een andere persoon en degenen die daarmee gelijkgesteld worden, met inbegrip van:
a) personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon, of die arbeid verrichten onder voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die van een arbeidsovereenkomst;
b) personen die geen arbeid verrichten onder het gezag van een andere persoon, maar die geheel of gedeeltelijk onderworpen zijn aan de wetgeving betreffende de sociale zekerheid van de werknemers;
c) uitzendkrachten, d.w.z. de personen bedoeld in artikel 2, 13°, van het decreet van 11 mei 2009 betreffende de erkenning van uitzendbureaus en de controle op de particuliere arbeidsbemiddelingsbureaus;
d) werknemers die tijdelijk overgeplaatst zijn binnen een onderneming overeenkomstig de normen betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
3° arbeidsplaatsen: de plaatsen waar werkzaamheden verricht worden die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs onderworpen zijn of waar personen tewerkgesteld zijn die onderworpen zijn aan de bepalingen van de in artikel 4 bedoelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen, en onder meer de ondernemingen, gedeelten van ondernemingen, inrichtingen, gedeelten van inrichtingen, gebouwen, lokalen, plaatsen die op het terrein van de onderneming gelegen zijn, bouwplaatsen en werken buiten de ondernemingen, alsook de plaatsen waar de documenten met betrekking tot de gereguleerde activiteiten bewaard worden;
4° Algemene Verordening Gegevensbescherming: de Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG;
5° informatiedragers: elke drager, onder welke vorm ook, die gegevens in leesbare vorm bevat, zoals boeken, registers, documenten, numerieke of digitale informatiedragers, schijven, banden en met inbegrip van deze die toegankelijk zijn door een informaticasysteem of door enig ander elektronisch apparaat;
6° e-PV: het proces-verbaal tot vaststelling van inbreuken dat via de daartoe ontworpen informaticatoepassing overeenkomstig het model bedoeld in artikel 100/2 van het Sociaal Strafwetboek wordt aangemaakt, opgeslagen en verzonden;
7° sociaal inspecteurs: de ambtenaren en personeelsleden van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap die overeenkomstig artikel 9, eerste lid, door de Regering worden aangewezen;
8° verzending waarvan de datum met zekerheid kan worden vastgesteld: een van de volgende wijzen van bezorging of toezending:
a) aangetekend schrijven of aangetekend schrijven met ontvangstbewijs of elektronisch aangetekend schrijven;
b) afgifte tegen gedagtekend ontvangstbewijs;
c) elke andere, door de Regering bepaalde wijze van toezending die de mogelijkheid biedt om de datum van de kennisgeving met zekerheid vast te stellen;
9° sociale gegevens: alle gegevens nodig voor de toepassing van de in artikel 4 bedoelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen;
10° openbare instellingen van sociale zekerheid: de openbare instellingen, alsmede de diensten van de regeringen die belast zijn met de toepassing van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid;
11° overtreder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een administratieve geldboete opgelegd kan krijgen overeenkomstig hoofdstuk 5.
Art. 3. Définitions
Pour l'application du présent décret, il faut entendre par :
1° employeurs : les personnes physiques, les personnes morales de droit privé et public et les associations de fait qui occupent les personnes mentionnées au 2°, et les personnes qui sont assimilées à des employeurs, y compris :
a) les personnes physiques ou morales qui prestent des services de travail intérimaire, qui exploitent un bureau d'outplacement, un bureau de recrutement ou de sélection ou un bureau de placement gratuit conformément à la règlementation relative à l'exploitation de bureaux de placement;
b) les utilisateurs, à savoir les personnes physiques ou morales qui font appel aux services prestés par une agence de placement, ou qui fixent les tâches des travailleurs ou qui en supervisent l'exécution;
c) les bénéficiaires de subventions, à savoir les personnes physiques ou morales qui sollicitent ou ont obtenu des subventions en matière d'emploi de la Communauté germanophone ou des personnes morales subventionnées directement ou indirectement par elle, en ce compris toute avance de fonds récupérable consentie par la Communauté germanophone avec ou sans intérêt;
d) les bénéficiaires d'un agrément, à savoir les personnes physiques ou morales qui sollicitent ou ont obtenu un agrément en matière de politique de l'emploi de la Communauté germanophone ou d'une personne morale subventionnée directement ou indirectement par elle;
e) dans le cadre d'un transfert temporaire au sein de l'entreprise, l'entité dans laquelle la personne faisant l'objet dudit transfert est transférée temporairement, quelle que soit sa forme juridique, établie en région de langue allemande;
f) les indépendants;
2° travailleurs : les personnes qui exécutent des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne en vertu d'un contrat de travail, et celles qui y sont assimilées, y compris :
a) les personnes qui, autrement qu'en vertu d'un contrat de travail, exécutent des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne, ou qui exécutent des prestations de travail dans des conditions similaires à celles d'un contrat de travail;
b) les personnes qui n'exécutent pas des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne mais qui sont assujetties en tout ou partie à la législation sur la sécurité sociale des travailleurs;
c) les travailleurs intérimaires, c'est-à-dire les personnes mentionnées à l'article 2, 13°, du décret du 11 mai 2009 relatif à l'agrément des agences de travail intérimaire et à la surveillance des agences de placement privées;
d) les travailleurs faisant l'objet d'un transfert temporaire au sein de l'entreprise, visés dans les normes relatives à l'occupation des travailleurs étrangers;
3° lieux de travail : les lieux où des activités qui sont soumises au contrôle des inspecteurs sociaux sont exercées ou dans lesquels sont occupées des personnes soumises aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4 et, entre autres, les entreprises, parties d'entreprises, établissements, parties d'établissements, bâtiments, locaux, endroits situés dans l'enceinte de l'entreprise, chantiers et travaux en dehors des entreprises ainsi que les endroits où les documents portant sur les activités règlementées sont conservés;
4° règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE;
5° supports d'information : tout support sous quelque forme que ce soit qui contient des données sous forme lisible, comme des livres, registres, dossiers, documents, supports électroniques ou numériques, disques, bandes et y compris ceux accessibles par système informatique ou par tout autre appareil électronique;
6° procès-verbal électronique (e-PV) : procès-verbal de constatation d'infractions établi, enregistré et envoyé au moyen de l'application informatique conçue à cette fin conformément au modèle visé à l'article 100/2 du Code pénal social;
7° inspecteurs sociaux : les fonctionnaires et agents du Ministère de la Communauté germanophone désignés par le Gouvernement conformément à l'article 9, alinéa 1er;
8° envoi dûment daté : l'un des moyens de distribution suivants :
a) lettre recommandée ou lettre recommandée avec accusé de réception ou recommandé électronique;
b) remise contre accusé de réception daté;
c) tout autre moyen de distribution prévu par le Gouvernement qui permet de constater la date de la notification avec certitude;
9° données sociales : les données nécessaires à l'application des dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4;
10° institutions publiques de sécurité sociale : les institutions publiques et les services des gouvernements chargés d'appliquer la législation relative à la sécurité sociale;
11° contrevenant : la personne physique ou morale à laquelle une amende administrative peut être infligée conformément au chapitre 5.
Pour l'application du présent décret, il faut entendre par :
1° employeurs : les personnes physiques, les personnes morales de droit privé et public et les associations de fait qui occupent les personnes mentionnées au 2°, et les personnes qui sont assimilées à des employeurs, y compris :
a) les personnes physiques ou morales qui prestent des services de travail intérimaire, qui exploitent un bureau d'outplacement, un bureau de recrutement ou de sélection ou un bureau de placement gratuit conformément à la règlementation relative à l'exploitation de bureaux de placement;
b) les utilisateurs, à savoir les personnes physiques ou morales qui font appel aux services prestés par une agence de placement, ou qui fixent les tâches des travailleurs ou qui en supervisent l'exécution;
c) les bénéficiaires de subventions, à savoir les personnes physiques ou morales qui sollicitent ou ont obtenu des subventions en matière d'emploi de la Communauté germanophone ou des personnes morales subventionnées directement ou indirectement par elle, en ce compris toute avance de fonds récupérable consentie par la Communauté germanophone avec ou sans intérêt;
d) les bénéficiaires d'un agrément, à savoir les personnes physiques ou morales qui sollicitent ou ont obtenu un agrément en matière de politique de l'emploi de la Communauté germanophone ou d'une personne morale subventionnée directement ou indirectement par elle;
e) dans le cadre d'un transfert temporaire au sein de l'entreprise, l'entité dans laquelle la personne faisant l'objet dudit transfert est transférée temporairement, quelle que soit sa forme juridique, établie en région de langue allemande;
f) les indépendants;
2° travailleurs : les personnes qui exécutent des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne en vertu d'un contrat de travail, et celles qui y sont assimilées, y compris :
a) les personnes qui, autrement qu'en vertu d'un contrat de travail, exécutent des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne, ou qui exécutent des prestations de travail dans des conditions similaires à celles d'un contrat de travail;
b) les personnes qui n'exécutent pas des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne mais qui sont assujetties en tout ou partie à la législation sur la sécurité sociale des travailleurs;
c) les travailleurs intérimaires, c'est-à-dire les personnes mentionnées à l'article 2, 13°, du décret du 11 mai 2009 relatif à l'agrément des agences de travail intérimaire et à la surveillance des agences de placement privées;
d) les travailleurs faisant l'objet d'un transfert temporaire au sein de l'entreprise, visés dans les normes relatives à l'occupation des travailleurs étrangers;
3° lieux de travail : les lieux où des activités qui sont soumises au contrôle des inspecteurs sociaux sont exercées ou dans lesquels sont occupées des personnes soumises aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4 et, entre autres, les entreprises, parties d'entreprises, établissements, parties d'établissements, bâtiments, locaux, endroits situés dans l'enceinte de l'entreprise, chantiers et travaux en dehors des entreprises ainsi que les endroits où les documents portant sur les activités règlementées sont conservés;
4° règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE;
5° supports d'information : tout support sous quelque forme que ce soit qui contient des données sous forme lisible, comme des livres, registres, dossiers, documents, supports électroniques ou numériques, disques, bandes et y compris ceux accessibles par système informatique ou par tout autre appareil électronique;
6° procès-verbal électronique (e-PV) : procès-verbal de constatation d'infractions établi, enregistré et envoyé au moyen de l'application informatique conçue à cette fin conformément au modèle visé à l'article 100/2 du Code pénal social;
7° inspecteurs sociaux : les fonctionnaires et agents du Ministère de la Communauté germanophone désignés par le Gouvernement conformément à l'article 9, alinéa 1er;
8° envoi dûment daté : l'un des moyens de distribution suivants :
a) lettre recommandée ou lettre recommandée avec accusé de réception ou recommandé électronique;
b) remise contre accusé de réception daté;
c) tout autre moyen de distribution prévu par le Gouvernement qui permet de constater la date de la notification avec certitude;
9° données sociales : les données nécessaires à l'application des dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4;
10° institutions publiques de sécurité sociale : les institutions publiques et les services des gouvernements chargés d'appliquer la législation relative à la sécurité sociale;
11° contrevenant : la personne physique ou morale à laquelle une amende administrative peut être infligée conformément au chapitre 5.
Art. 4. Toepassingsgebied
§ 1 - Onverminderd de inspectiebevoegdheid van de federale overheid zijn de sociaal inspecteurs belast met de handhaving van en het opsporen en vaststellen van inbreuken op de volgende wetten, decreten en reglementaire bepalingen overeenkomstig dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan:
1° de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, in het bijzonder artikel 7, § 1, i), m), p), s) en t), artikel 7, § 1bis, eerste tot derde lid en vijfde tot negende lid, en artikel 8, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
3° de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, in het bijzonder artikel 5, § § 4 tot 4ter, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
4° de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, in het bijzonder artikel 57quater, artikel 60, § 7, en artikel 61, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
5° het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
6° de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, in het bijzonder artikel 1, § 7, en artikel 32bis, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
7° de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, in het bijzonder de artikelen 59 en 67, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
8° de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
9° [2 het decreet van 13 november 2023 houdende maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid en inzake arbeidsbemiddeling]2;
10° de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, in het bijzonder de artikelen 194 en 195, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
11° de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers, in het bijzonder hoofdstuk V, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
12° de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in het bijzonder artikel 8, artikel 9, § § 1 tot 3, artikel 36 tot 39, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
13° de programmawet van 24 december 2002 (I), in het bijzonder de artikelen 324 tot 328, artikelen 335 tot 339, artikel 341bis, artikel 347bis, artikel 353bis/9, artikel 353bis/11 tot 353bis/14, artikel 353ter en artikel 353quater, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
14° de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, in het bijzonder titel IV, hoofdstuk V, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
15° het decreet van 11 mei 2009 betreffende de erkenning van uitzendbureaus en de controle op de particuliere arbeidsbemiddelingsbureaus, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
16° het decreet van 28 mei 2018 betreffende de AktiF- en AktiF-PLUS-maatregel ter bevordering van de werkgelegenheid, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
[1 17° decreet van 22 mei 2023 betreffende de behoeftegestuurde arbeidsbemiddeling en de uitvoeringsbesluiten ervan.]1
De sociaal inspecteurs zijn ook bevoegd tot het opsporen en vaststellen van inbreuken op de wetten, decreten en uitvoeringsbesluiten die op grond van artikel 6, § 1, IX, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen werden aangenomen inzake sociale economie.
De sociaal inspecteurs zijn ook bevoegd tot het opsporen en vaststellen van inbreuken op de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden en de uitvoeringsbesluiten ervan, alsook inbreuken op de wetten en de uitvoeringsbesluiten ervan die aangenomen werden op grond van artikel 6, § 1, IX, 3° en 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
§ 2 - Onverminderd paragraaf 1 zijn de personeelsleden van de politiediensten vermeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt ook bevoegd tot het vaststellen van inbreuken op dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan en op de in paragraaf 1 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen en die inbreuken vast te leggen in een proces-verbaal.
§ 1 - Onverminderd de inspectiebevoegdheid van de federale overheid zijn de sociaal inspecteurs belast met de handhaving van en het opsporen en vaststellen van inbreuken op de volgende wetten, decreten en reglementaire bepalingen overeenkomstig dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan:
1° de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, in het bijzonder artikel 7, § 1, i), m), p), s) en t), artikel 7, § 1bis, eerste tot derde lid en vijfde tot negende lid, en artikel 8, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
3° de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, in het bijzonder artikel 5, § § 4 tot 4ter, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
4° de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, in het bijzonder artikel 57quater, artikel 60, § 7, en artikel 61, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
5° het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
6° de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, in het bijzonder artikel 1, § 7, en artikel 32bis, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
7° de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, in het bijzonder de artikelen 59 en 67, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
8° de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
9° [2 het decreet van 13 november 2023 houdende maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid en inzake arbeidsbemiddeling]2;
10° de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, in het bijzonder de artikelen 194 en 195, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
11° de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers, in het bijzonder hoofdstuk V, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
12° de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in het bijzonder artikel 8, artikel 9, § § 1 tot 3, artikel 36 tot 39, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
13° de programmawet van 24 december 2002 (I), in het bijzonder de artikelen 324 tot 328, artikelen 335 tot 339, artikel 341bis, artikel 347bis, artikel 353bis/9, artikel 353bis/11 tot 353bis/14, artikel 353ter en artikel 353quater, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
14° de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, in het bijzonder titel IV, hoofdstuk V, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
15° het decreet van 11 mei 2009 betreffende de erkenning van uitzendbureaus en de controle op de particuliere arbeidsbemiddelingsbureaus, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
16° het decreet van 28 mei 2018 betreffende de AktiF- en AktiF-PLUS-maatregel ter bevordering van de werkgelegenheid, alsook de uitvoeringsbesluiten ervan;
[1 17° decreet van 22 mei 2023 betreffende de behoeftegestuurde arbeidsbemiddeling en de uitvoeringsbesluiten ervan.]1
De sociaal inspecteurs zijn ook bevoegd tot het opsporen en vaststellen van inbreuken op de wetten, decreten en uitvoeringsbesluiten die op grond van artikel 6, § 1, IX, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen werden aangenomen inzake sociale economie.
De sociaal inspecteurs zijn ook bevoegd tot het opsporen en vaststellen van inbreuken op de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden en de uitvoeringsbesluiten ervan, alsook inbreuken op de wetten en de uitvoeringsbesluiten ervan die aangenomen werden op grond van artikel 6, § 1, IX, 3° en 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
§ 2 - Onverminderd paragraaf 1 zijn de personeelsleden van de politiediensten vermeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt ook bevoegd tot het vaststellen van inbreuken op dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan en op de in paragraaf 1 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen en die inbreuken vast te leggen in een proces-verbaal.
Art. 4. Champ d'application
§ 1er - Sans préjudice de la compétence en matière d'inspection de l'autorité fédérale, les inspecteurs sociaux sont chargés de surveiller les lois, décrets et dispositions réglementaires énumérés ci-après ainsi que de détecter et de constater les infractions à ces dispositions, conformément au présent décret et à ses arrêtés d'exécution :
1° l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, en particulier l'article 7, § 1er, i), m), p), s) et t), l'article 7, § 1erbis, alinéas 1er à 3 et alinéas 5 à 9, et l'article 8, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
2° la loi du 19 février 1965 relative à l'exercice, par les étrangers, des activités professionnelles indépendantes, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
3° la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale, en particulier l'article 5, § § 4 à 4ter, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
4° la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale, en particulier l'article 57quater, l'article 60, § 7, et l'article 61, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
5° l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
6° la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, en particulier l'article 1er, § 7, et l'article 32bis, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
7° la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses, en particulier les articles 59 et 67, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
8° la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
9° [2 le décret du 13 novembre 2023 relatif aux mesures en matière de promotion de l'emploi et de placement]2;
10° la loi du 12 août 2000 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses, en particulier les articles 194 et 195, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
11° la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs, en particulier le chapitre V, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
12° la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, en particulier l'article 8, l'article 9, § § 1er à 3, et les articles 36 à 39, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
13° la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), en particulier les articles 324 à 328, les articles 335 à 339, l'article 341bis, l'article 347bis, l'article 353bis/9, les articles 353bis/11 à 353bis/14, l'article 353ter et l'article 353quater, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
14° la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, en particulier le titre IV, chapitre V, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
15° le décret du 11 mai 2009 relatif à l'agrément des agences de travail intérimaire et à la surveillance des agences de placement privées, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
16° le décret du 28 mai 2018 relatif aux mesures AktiF et AktiF PLUS destinées à promouvoir l'emploi, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
[1 17° le décret du 22 mai 2023 relatif au placement axé sur les besoins, ainsi que ses arrêtés d'exécution.]1
Les inspecteurs sociaux sont également habilités à détecter et à constater les infractions aux lois, aux décrets et à leurs arrêtés d'exécution qui ont été adoptés sur la base de l'article 6, § 1er, IX., 2°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles dans le domaine de l'économie sociale.
Les inspecteurs sociaux sont également habilités à détecter et à constater les infractions à la loi du 9 mai 2018 relative à l'occupation de ressortissants étrangers se trouvant dans une situation particulière de séjour et à ses arrêtés d'exécution, ainsi que les infractions aux lois et à leurs arrêtés d'exécution qui ont été adoptés sur la base de l'article 6, § 1er, IX., 3° et 4°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
§ 2 - Sans préjudice du § 1er, les membres du personnel des services de police mentionnés à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police sont également habilités à constater les infractions au présent décret et à ses arrêtés d'exécution ainsi qu'aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées au § 1er, et à consigner ces infractions dans un procès-verbal.
§ 1er - Sans préjudice de la compétence en matière d'inspection de l'autorité fédérale, les inspecteurs sociaux sont chargés de surveiller les lois, décrets et dispositions réglementaires énumérés ci-après ainsi que de détecter et de constater les infractions à ces dispositions, conformément au présent décret et à ses arrêtés d'exécution :
1° l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, en particulier l'article 7, § 1er, i), m), p), s) et t), l'article 7, § 1erbis, alinéas 1er à 3 et alinéas 5 à 9, et l'article 8, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
2° la loi du 19 février 1965 relative à l'exercice, par les étrangers, des activités professionnelles indépendantes, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
3° la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale, en particulier l'article 5, § § 4 à 4ter, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
4° la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale, en particulier l'article 57quater, l'article 60, § 7, et l'article 61, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
5° l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
6° la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, en particulier l'article 1er, § 7, et l'article 32bis, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
7° la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses, en particulier les articles 59 et 67, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
8° la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
9° [2 le décret du 13 novembre 2023 relatif aux mesures en matière de promotion de l'emploi et de placement]2;
10° la loi du 12 août 2000 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses, en particulier les articles 194 et 195, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
11° la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs, en particulier le chapitre V, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
12° la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, en particulier l'article 8, l'article 9, § § 1er à 3, et les articles 36 à 39, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
13° la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), en particulier les articles 324 à 328, les articles 335 à 339, l'article 341bis, l'article 347bis, l'article 353bis/9, les articles 353bis/11 à 353bis/14, l'article 353ter et l'article 353quater, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
14° la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, en particulier le titre IV, chapitre V, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
15° le décret du 11 mai 2009 relatif à l'agrément des agences de travail intérimaire et à la surveillance des agences de placement privées, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
16° le décret du 28 mai 2018 relatif aux mesures AktiF et AktiF PLUS destinées à promouvoir l'emploi, ainsi que ses arrêtés d'exécution;
[1 17° le décret du 22 mai 2023 relatif au placement axé sur les besoins, ainsi que ses arrêtés d'exécution.]1
Les inspecteurs sociaux sont également habilités à détecter et à constater les infractions aux lois, aux décrets et à leurs arrêtés d'exécution qui ont été adoptés sur la base de l'article 6, § 1er, IX., 2°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles dans le domaine de l'économie sociale.
Les inspecteurs sociaux sont également habilités à détecter et à constater les infractions à la loi du 9 mai 2018 relative à l'occupation de ressortissants étrangers se trouvant dans une situation particulière de séjour et à ses arrêtés d'exécution, ainsi que les infractions aux lois et à leurs arrêtés d'exécution qui ont été adoptés sur la base de l'article 6, § 1er, IX., 3° et 4°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
§ 2 - Sans préjudice du § 1er, les membres du personnel des services de police mentionnés à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police sont également habilités à constater les infractions au présent décret et à ses arrêtés d'exécution ainsi qu'aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées au § 1er, et à consigner ces infractions dans un procès-verbal.
Art. 5. Bepalen van de termijnen
§ 1 - Tenzij anders wordt bepaald, zijn de termijnen in dit decreet en in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten onderworpen aan de regels van dit artikel.
§ 2 - De termijn wordt gerekend van middernacht tot middernacht. Hij wordt gerekend vanaf de dag na die van de handeling of van de gebeurtenis die hem doet ingaan en omvat alle dagen, ook zaterdag, zondag en wettelijke feestdagen.
De vervaldag is in de termijn begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.
§ 3 - Een in maanden of in jaren bepaalde termijn wordt gerekend van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste.
§ 4 - Tenzij anders wordt bepaald, moeten alle bij dit decreet bepaalde kennisgevingen die het beginpunt van een termijn zijn, altijd geschieden via een verzending waarvan de datum met zekerheid kan worden vastgesteld.
§ 5 - Tenzij anders wordt bepaald, worden de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving, als volgt berekend:
1° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij een aangetekende brief met ontvangstbewijs: vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief overhandigd werd op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of gekozen woonplaats;
2° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief: vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst;
3° wanneer de kennisgeving is gebeurd via een elektronisch aangetekend schrijven: vanaf de eerste dag die erop volgt;
4° wanneer de kennisgeving is gebeurd tegen gedagtekend ontvangstbewijs: vanaf de eerste dag die erop volgt.
§ 1 - Tenzij anders wordt bepaald, zijn de termijnen in dit decreet en in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten onderworpen aan de regels van dit artikel.
§ 2 - De termijn wordt gerekend van middernacht tot middernacht. Hij wordt gerekend vanaf de dag na die van de handeling of van de gebeurtenis die hem doet ingaan en omvat alle dagen, ook zaterdag, zondag en wettelijke feestdagen.
De vervaldag is in de termijn begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.
§ 3 - Een in maanden of in jaren bepaalde termijn wordt gerekend van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste.
§ 4 - Tenzij anders wordt bepaald, moeten alle bij dit decreet bepaalde kennisgevingen die het beginpunt van een termijn zijn, altijd geschieden via een verzending waarvan de datum met zekerheid kan worden vastgesteld.
§ 5 - Tenzij anders wordt bepaald, worden de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving, als volgt berekend:
1° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij een aangetekende brief met ontvangstbewijs: vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief overhandigd werd op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of gekozen woonplaats;
2° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief: vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst;
3° wanneer de kennisgeving is gebeurd via een elektronisch aangetekend schrijven: vanaf de eerste dag die erop volgt;
4° wanneer de kennisgeving is gebeurd tegen gedagtekend ontvangstbewijs: vanaf de eerste dag die erop volgt.
Art. 5. Dispositions relatives aux délais
§ 1er - Sans préjudice de dispositions contraires, les délais prévus dans le présent décret et ses arrêtés d'exécution sont soumis aux règles énoncées dans le présent article.
§ 2 - Le délai se compte de minuit à minuit. Il est calculé depuis le lendemain du jour de l'acte ou de l'évènement qui y donne cours et comprend tous les jours, même le samedi, le dimanche et les jours fériés légaux.
Le jour de l'échéance est compris dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable.
§ 3 - Un délai établi en mois ou en années se compte de quantième à veille de quantième.
§ 4 - Sans préjudice de dispositions contraires, toutes les notifications prévues par le présent décret qui constituent le point de départ d'un délai doivent toujours être transmises par envoi dûment daté.
§ 5 - Sans préjudice de dispositions contraires, les délais qui commencent à courir à partir d'une notification sont calculés comme suit :
1° lorsque la notification est effectuée par lettre recommandée avec accusé de réception, depuis le premier jour qui suit celui où la lettre a été présentée au domicile du destinataire, ou, le cas échéant, à sa résidence ou à son domicile élu;
2° lorsque la notification est effectuée par lettre recommandée, depuis le troisième jour ouvrable qui suit celui où la lettre a été remise aux services postaux, sauf preuve contraire du destinataire;
3° lorsque la notification est effectuée par recommandé électronique, depuis le premier jour qui suit;
4° lorsque la notification est effectuée par remise contre accusé de réception daté, depuis le premier jour qui suit.
§ 1er - Sans préjudice de dispositions contraires, les délais prévus dans le présent décret et ses arrêtés d'exécution sont soumis aux règles énoncées dans le présent article.
§ 2 - Le délai se compte de minuit à minuit. Il est calculé depuis le lendemain du jour de l'acte ou de l'évènement qui y donne cours et comprend tous les jours, même le samedi, le dimanche et les jours fériés légaux.
Le jour de l'échéance est compris dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable.
§ 3 - Un délai établi en mois ou en années se compte de quantième à veille de quantième.
§ 4 - Sans préjudice de dispositions contraires, toutes les notifications prévues par le présent décret qui constituent le point de départ d'un délai doivent toujours être transmises par envoi dûment daté.
§ 5 - Sans préjudice de dispositions contraires, les délais qui commencent à courir à partir d'une notification sont calculés comme suit :
1° lorsque la notification est effectuée par lettre recommandée avec accusé de réception, depuis le premier jour qui suit celui où la lettre a été présentée au domicile du destinataire, ou, le cas échéant, à sa résidence ou à son domicile élu;
2° lorsque la notification est effectuée par lettre recommandée, depuis le troisième jour ouvrable qui suit celui où la lettre a été remise aux services postaux, sauf preuve contraire du destinataire;
3° lorsque la notification est effectuée par recommandé électronique, depuis le premier jour qui suit;
4° lorsque la notification est effectuée par remise contre accusé de réception daté, depuis le premier jour qui suit.
Art. 6. Toezending van inlichtingen, documenten of gegevens
Tenzij anders wordt bepaald, kan elke kennisgeving van documenten, inlichtingen of gegevens die niet het beginpunt van een termijn is, in het kader van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan ofwel per post, ofwel elektronisch worden toegezonden.
Tenzij anders wordt bepaald, kan elke kennisgeving van documenten, inlichtingen of gegevens die niet het beginpunt van een termijn is, in het kader van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan ofwel per post, ofwel elektronisch worden toegezonden.
Art. 6. Transmission d'informations, de documents ou de données
Sans préjudice de dispositions contraires, toute transmission de documents, d'informations ou de données qui ne constitue pas le point de départ d'un délai peut être effectuée par voie postale ou par voie électronique dans le cadre du présent décret ou de ses arrêtés d'exécution.
Sans préjudice de dispositions contraires, toute transmission de documents, d'informations ou de données qui ne constitue pas le point de départ d'un délai peut être effectuée par voie postale ou par voie électronique dans le cadre du présent décret ou de ses arrêtés d'exécution.
Hoofdstuk 2. - Taken en bevoegdheden van de sociaal inspecteurs
Chapitre 2. - Missions et pouvoirs des inspecteurs sociaux
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 7. Doelbindingsbeginsel
De sociaal inspecteurs oefenen de bevoegdheden vermeld in dit hoofdstuk uit met het oog op de handhaving van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, van de in artikel 4 van dit decreet vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen en van de andere rechtsteksten waarvan de handhaving aan hen is toevertrouwd.
De sociaal inspecteurs oefenen de bevoegdheden vermeld in dit hoofdstuk uit met het oog op de handhaving van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, van de in artikel 4 van dit decreet vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen en van de andere rechtsteksten waarvan de handhaving aan hen is toevertrouwd.
Art. 7. Principe de finalité
Les inspecteurs sociaux exercent les pouvoirs mentionnés au présent chapitre en vue du contrôle du respect des dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, des dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4 du présent décret et des autres lois dont ils sont chargés de surveiller le respect.
Les inspecteurs sociaux exercent les pouvoirs mentionnés au présent chapitre en vue du contrôle du respect des dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, des dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4 du présent décret et des autres lois dont ils sont chargés de surveiller le respect.
Art. 8. Evenredigheidsbeginsel
Bij de uitoefening van de bevoegdheden vermeld in dit hoofdstuk zorgen de sociaal inspecteurs ervoor dat de door hen gebruikte middelen passend en noodzakelijk zijn voor de handhaving van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, van de in artikel 4 van dit decreet vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen en van de andere rechtsteksten waarvan de handhaving aan hen is toevertrouwd.
Bij de uitoefening van de bevoegdheden vermeld in dit hoofdstuk zorgen de sociaal inspecteurs ervoor dat de door hen gebruikte middelen passend en noodzakelijk zijn voor de handhaving van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, van de in artikel 4 van dit decreet vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen en van de andere rechtsteksten waarvan de handhaving aan hen is toevertrouwd.
Art. 8. Principe de proportionnalité
Lors de l'exécution des pouvoirs mentionnés au présent chapitre, les inspecteurs sociaux veillent à ce que les moyens qu'ils utilisent soient appropriés et nécessaires pour le contrôle du respect des dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, des dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4 du présent décret et des autres lois dont ils sont chargés de surveiller le respect.
Lors de l'exécution des pouvoirs mentionnés au présent chapitre, les inspecteurs sociaux veillent à ce que les moyens qu'ils utilisent soient appropriés et nécessaires pour le contrôle du respect des dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, des dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4 du présent décret et des autres lois dont ils sont chargés de surveiller le respect.
Art. 9. Aanwijzing en legitimatiebewijs
De Regering wijst onder de ambtenaren en personeelsleden van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap de inspecteurs aan die bevoegd zijn om de toepassing van de rechtsvoorschriften vermeld in artikel 4 te controleren, om inbreuken op die voorschriften op te sporen en om deze in de vorm van processen-verbaal vast te stellen. Voor de uitoefening van die activiteiten kan ze hen de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie toekennen.
Na hun aanwijzing ontvangen de sociaal inspecteurs een legitimatiebewijs waarmee ze te kennen moeten geven in welke hoedanigheid ze optreden. De Regering legt het model van het legitimatiebewijs vast.
De Regering wijst onder de ambtenaren en personeelsleden van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap de inspecteurs aan die bevoegd zijn om de toepassing van de rechtsvoorschriften vermeld in artikel 4 te controleren, om inbreuken op die voorschriften op te sporen en om deze in de vorm van processen-verbaal vast te stellen. Voor de uitoefening van die activiteiten kan ze hen de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie toekennen.
Na hun aanwijzing ontvangen de sociaal inspecteurs een legitimatiebewijs waarmee ze te kennen moeten geven in welke hoedanigheid ze optreden. De Regering legt het model van het legitimatiebewijs vast.
Art. 9. Désignation et titre de légitimation
Le Gouvernement désigne parmi les fonctionnaires et agents du Ministère de la Communauté germanophone les inspecteurs qui sont habilités à surveiller l'application des dispositions mentionnées à l'article 4 ainsi qu'à détecter les infractions à ces dispositions et à les constater sous la forme de procès-verbaux. Le Gouvernement peut leur accorder la qualité d'officier de police judiciaire aux fins de l'exercice de ces activités.
A la suite de leur désignation, les inspecteurs sociaux reçoivent un titre de légitimation au moyen duquel ils doivent justifier de leur identité. Le Gouvernement établit le modèle du titre de légitimation.
Le Gouvernement désigne parmi les fonctionnaires et agents du Ministère de la Communauté germanophone les inspecteurs qui sont habilités à surveiller l'application des dispositions mentionnées à l'article 4 ainsi qu'à détecter les infractions à ces dispositions et à les constater sous la forme de procès-verbaux. Le Gouvernement peut leur accorder la qualité d'officier de police judiciaire aux fins de l'exercice de ces activités.
A la suite de leur désignation, les inspecteurs sociaux reçoivent un titre de légitimation au moyen duquel ils doivent justifier de leur identité. Le Gouvernement établit le modèle du titre de légitimation.
Afdeling 2. - Bevoegdheden van de sociaal inspecteurs
Section 2. - Pouvoirs des inspecteurs sociaux
Art. 10. Functie en bijstand van de politie
De sociaal inspecteurs kunnen in de uitoefening van hun ambt de bijstand van de federale of lokale politie of van andere overheidsdiensten vorderen.
De sociaal inspecteurs kunnen in de uitoefening van hun ambt de bijstand van de federale of lokale politie of van andere overheidsdiensten vorderen.
Art. 10. Fonction et assistance de la police
Dans l'exercice de leurs fonctions, les inspecteurs sociaux sont autorisés à solliciter l'assistance de la police fédérale ou locale ainsi que le soutien d'autres services publics.
Dans l'exercice de leurs fonctions, les inspecteurs sociaux sont autorisés à solliciter l'assistance de la police fédérale ou locale ainsi que le soutien d'autres services publics.
Art. 11. Beoordelingsbevoegdheid
Onverminderd het vorderingsrecht van het openbaar ministerie en van de onderzoeksrechter, bedoeld in de artikelen 28ter, § 3, en 56, § 2, van het Wetboek van strafvordering beschikken de sociaal inspecteurs over een beoordelingsbevoegdheid om:
1° inlichtingen en adviezen te geven, inzonderheid over de meest doeltreffende middelen om de bepalingen na te leven van dit decreet en de uitvoeringsbepalingen ervan en van de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen bedoeld in artikel 4;
2° waarschuwingen te richten;
3° controleverslagen op te stellen;
4° de overtreder een termijn op te leggen om zich in orde te stellen;
5° de in deze afdeling bepaalde maatregelen te nemen;
6° processen-verbaal op te maken tot vaststelling van de inbreuken op dit decreet en op de uitvoeringsbesluiten ervan en tot vaststelling van de inbreuken op de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen bedoeld in artikel 4.
Onverminderd het vorderingsrecht van het openbaar ministerie en van de onderzoeksrechter, bedoeld in de artikelen 28ter, § 3, en 56, § 2, van het Wetboek van strafvordering beschikken de sociaal inspecteurs over een beoordelingsbevoegdheid om:
1° inlichtingen en adviezen te geven, inzonderheid over de meest doeltreffende middelen om de bepalingen na te leven van dit decreet en de uitvoeringsbepalingen ervan en van de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen bedoeld in artikel 4;
2° waarschuwingen te richten;
3° controleverslagen op te stellen;
4° de overtreder een termijn op te leggen om zich in orde te stellen;
5° de in deze afdeling bepaalde maatregelen te nemen;
6° processen-verbaal op te maken tot vaststelling van de inbreuken op dit decreet en op de uitvoeringsbesluiten ervan en tot vaststelling van de inbreuken op de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen bedoeld in artikel 4.
Art. 11. Pouvoir d'appréciation
Sans préjudice du droit de réquisition du ministère public et du juge d'instruction, mentionné aux articles 28ter, § 3, et 56, § 2, du Code d'instruction criminelle, les inspecteurs sociaux disposent d'un pouvoir d'appréciation pour :
1° fournir des renseignements et des conseils, notamment sur les moyens les plus efficaces pour respecter les dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution ainsi que les dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4;
2° adresser des avertissements;
3° établir des rapports de contrôle;
4° fixer au contrevenant un délai pour se mettre en règle;
5° prendre les mesures prévues à la présente section;
6° dresser des procès-verbaux constatant les infractions aux dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution ainsi qu'aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4.
Sans préjudice du droit de réquisition du ministère public et du juge d'instruction, mentionné aux articles 28ter, § 3, et 56, § 2, du Code d'instruction criminelle, les inspecteurs sociaux disposent d'un pouvoir d'appréciation pour :
1° fournir des renseignements et des conseils, notamment sur les moyens les plus efficaces pour respecter les dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution ainsi que les dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4;
2° adresser des avertissements;
3° établir des rapports de contrôle;
4° fixer au contrevenant un délai pour se mettre en règle;
5° prendre les mesures prévues à la présente section;
6° dresser des procès-verbaux constatant les infractions aux dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution ainsi qu'aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4.
Art. 12. Betreden van arbeidsplaatsen
De sociaal inspecteurs mogen, in de uitoefening van hun opdrachten, op ieder uur van de dag en de nacht, zonder voorafgaande verwittiging alle arbeidsplaatsen betreden die aan hun controle onderworpen zijn of waarvan zij redelijkerwijs vermoeden dat daar personen tewerkgesteld zijn die onderworpen zijn aan de wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen die zij controleren.
De sociaal inspecteurs mogen, in de uitoefening van hun opdrachten, op ieder uur van de dag en de nacht, zonder voorafgaande verwittiging alle arbeidsplaatsen betreden die aan hun controle onderworpen zijn of waarvan zij redelijkerwijs vermoeden dat daar personen tewerkgesteld zijn die onderworpen zijn aan de wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen die zij controleren.
Art. 12. Accès aux lieux de travail
Les inspecteurs sociaux peuvent, dans l'exercice de leurs missions, pénétrer librement, à toute heure du jour et de la nuit, sans avertissement préalable, dans tous les lieux de travail qui sont soumis à leur contrôle ou dans lesquels ils peuvent avoir un motif raisonnable de supposer que travaillent des personnes soumises aux dispositions légales, décrétales et réglementaires dont ils exercent le contrôle.
Les inspecteurs sociaux peuvent, dans l'exercice de leurs missions, pénétrer librement, à toute heure du jour et de la nuit, sans avertissement préalable, dans tous les lieux de travail qui sont soumis à leur contrôle ou dans lesquels ils peuvent avoir un motif raisonnable de supposer que travaillent des personnes soumises aux dispositions légales, décrétales et réglementaires dont ils exercent le contrôle.
Art. 13. Betreden van bewoonde ruimten
§ 1 - Tot bewoonde ruimten hebben de sociaal inspecteurs evenwel enkel toegang:
1° wanneer de sociaal inspecteurs zich tot vaststelling op heterdaad van een inbreuk ter plaatse begeven;
2° op verzoek of met toestemming van alle meerderjarige personen die het werkelijke gebruiksrecht van de bewoonde ruimten hebben; het verzoek of de toestemming moet schriftelijk en voorafgaand aan de visitatie worden gegeven;
3° in geval van een oproep vanuit die plaats;
4° in geval van brand of overstroming;
5° wanneer de sociaal inspecteurs in het bezit zijn van een machtiging tot visitatie uitgereikt door de onderzoeksrechter.
§ 2 - Voor het verkrijgen van een machtiging tot visitatie richten de sociaal inspecteurs een met redenen omkleed verzoek aan de onderzoeksrechter. Dat verzoek bevat minstens:
1° de identificatie van de bewoonde ruimten die het voorwerp zijn van de visitatie;
2° de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen die het voorwerp zijn van de controle en waarvoor de sociaal inspecteurs van oordeel zijn een machtiging tot visitatie nodig te hebben;
3° in voorkomend geval, de eventuele inbreuken die het voorwerp zijn van de controle;
4° alle documenten en inlichtingen waaruit blijkt dat het gebruik van dit middel nodig is.
Voor de toegang tot de bewoonde ruimten na 21 uur en vóór 5 uur kunnen de sociaal inspecteurs een machtiging tot visitatie verkrijgen mits het verzoek aan de onderzoeksrechter wordt omkleed met bijzondere redenen die de toegang tot de bewoonde ruimten in de voormelde tijdspanne noodzakelijk maken.
§ 3 - De onderzoeksrechter beslist binnen een termijn van maximum 48 uur na de ontvangst van het verzoek.
De beslissing van de onderzoeksrechter is met redenen omkleed.
Bij een verzoek tot visitatie voor toegang tot de bewoonde ruimten na 21 uur en vóór 5 uur is de beslissing van de onderzoeksrechter echter met bijzondere redenen omkleed.
Tegen die beslissing is geen beroep mogelijk.
Met uitzondering van de stukken waaruit de identiteit van de indiener van een eventuele klacht of aangifte kan worden afgeleid en onverminderd de toepassing van artikel 34 dient het geheel van de motiveringsstukken tot het verkrijgen van de machtiging tot visitatie, als bedoeld in § 2, eerste lid, te worden toegevoegd aan het strafdossier of aan het dossier in het kader waarvan een administratieve geldboete kan worden opgelegd.
§ 4 - In geval van visitatie van bewoonde ruimten beschikken de sociaal inspecteurs over alle bevoegdheden die aan hen toegekend zijn bij dit decreet, met uitzondering van de opsporing van de in artikel 17 vermelde informatiedragers en met uitzondering van de daarmee gepaard gaande bevoegdheden bedoeld in de artikelen 19 tot 22 en artikel 23, tweede lid.
§ 1 - Tot bewoonde ruimten hebben de sociaal inspecteurs evenwel enkel toegang:
1° wanneer de sociaal inspecteurs zich tot vaststelling op heterdaad van een inbreuk ter plaatse begeven;
2° op verzoek of met toestemming van alle meerderjarige personen die het werkelijke gebruiksrecht van de bewoonde ruimten hebben; het verzoek of de toestemming moet schriftelijk en voorafgaand aan de visitatie worden gegeven;
3° in geval van een oproep vanuit die plaats;
4° in geval van brand of overstroming;
5° wanneer de sociaal inspecteurs in het bezit zijn van een machtiging tot visitatie uitgereikt door de onderzoeksrechter.
§ 2 - Voor het verkrijgen van een machtiging tot visitatie richten de sociaal inspecteurs een met redenen omkleed verzoek aan de onderzoeksrechter. Dat verzoek bevat minstens:
1° de identificatie van de bewoonde ruimten die het voorwerp zijn van de visitatie;
2° de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen die het voorwerp zijn van de controle en waarvoor de sociaal inspecteurs van oordeel zijn een machtiging tot visitatie nodig te hebben;
3° in voorkomend geval, de eventuele inbreuken die het voorwerp zijn van de controle;
4° alle documenten en inlichtingen waaruit blijkt dat het gebruik van dit middel nodig is.
Voor de toegang tot de bewoonde ruimten na 21 uur en vóór 5 uur kunnen de sociaal inspecteurs een machtiging tot visitatie verkrijgen mits het verzoek aan de onderzoeksrechter wordt omkleed met bijzondere redenen die de toegang tot de bewoonde ruimten in de voormelde tijdspanne noodzakelijk maken.
§ 3 - De onderzoeksrechter beslist binnen een termijn van maximum 48 uur na de ontvangst van het verzoek.
De beslissing van de onderzoeksrechter is met redenen omkleed.
Bij een verzoek tot visitatie voor toegang tot de bewoonde ruimten na 21 uur en vóór 5 uur is de beslissing van de onderzoeksrechter echter met bijzondere redenen omkleed.
Tegen die beslissing is geen beroep mogelijk.
Met uitzondering van de stukken waaruit de identiteit van de indiener van een eventuele klacht of aangifte kan worden afgeleid en onverminderd de toepassing van artikel 34 dient het geheel van de motiveringsstukken tot het verkrijgen van de machtiging tot visitatie, als bedoeld in § 2, eerste lid, te worden toegevoegd aan het strafdossier of aan het dossier in het kader waarvan een administratieve geldboete kan worden opgelegd.
§ 4 - In geval van visitatie van bewoonde ruimten beschikken de sociaal inspecteurs over alle bevoegdheden die aan hen toegekend zijn bij dit decreet, met uitzondering van de opsporing van de in artikel 17 vermelde informatiedragers en met uitzondering van de daarmee gepaard gaande bevoegdheden bedoeld in de artikelen 19 tot 22 en artikel 23, tweede lid.
Art. 13. Accès aux espaces habités
§ 1er - Les inspecteurs sociaux ont uniquement accès aux espaces habités dans les cas suivants :
1° lorsque les inspecteurs sociaux se rendent sur place pour constater une infraction en flagrant délit;
2° à la demande ou avec l'accord de l'ensemble des personnes majeures ayant la jouissance réelle de l'espace habité; la demande ou l'accord doit être donné par écrit et préalablement à la visite domiciliaire;
3° en cas d'appel provenant de ce lieu;
4° en cas d'incendie ou d'inondation;
5° lorsque les inspecteurs sociaux sont en possession d'une autorisation de visite domiciliaire délivrée par le juge d'instruction.
§ 2 - Pour obtenir une autorisation de visite domiciliaire, les inspecteurs sociaux adressent une demande motivée au juge d'instruction. Cette demande contient au moins les données suivantes :
1° l'identification des espaces habités qui font l'objet de la visite domiciliaire;
2° les dispositions légales, décrétales et réglementaires qui font l'objet du contrôle et pour lesquelles les inspecteurs sociaux sont d'avis qu'ils ont besoin d'une autorisation de visite domiciliaire;
3° lorsque c'est le cas, les infractions éventuelles qui font l'objet du contrôle;
4° tous les documents et renseignements dont il ressort que l'utilisation de ce moyen est nécessaire.
Pour l'accès aux espaces habités après neuf heures du soir et avant cinq heures du matin, les inspecteurs sociaux peuvent obtenir une autorisation de visite domiciliaire moyennant une motivation spéciale de la demande adressée au juge d'instruction, motivation qui rend nécessaire l'accès aux espaces habités aux heures indiquées.
§ 3 - Le juge d'instruction décide dans un délai de quarante-huit heures maximum après réception de la demande.
La décision du juge d'instruction est motivée.
Toutefois, la décision du juge d'instruction à la suite d'une demande de visite domiciliaire pour l'accès aux espaces habités après neuf heures du soir et avant cinq heures du matin est spécialement motivée.
Aucune voie de recours n'est possible contre cette décision.
A l'exception des pièces qui permettent de déduire l'identité de l'auteur d'une éventuelle plainte ou dénonciation et sans préjudice de l'application de l'article 34, toutes les pièces motivant l'obtention d'une autorisation de visite domiciliaire conformément au § 2, alinéa 1er, doivent être versées au dossier répressif ou au dossier dans le cadre duquel une amende administrative peut être infligée.
§ 4 - Dans le cas d'une visite domiciliaire d'espaces habités, les inspecteurs sociaux disposent de tous les pouvoirs mentionnés dans le présent décret, à l'exception de la recherche de supports d'information mentionnés à l'article 17 et des pouvoirs y afférents et à l'exception des pouvoirs mentionnés aux articles 19 à 22 et à l'article 23, alinéa 2.
§ 1er - Les inspecteurs sociaux ont uniquement accès aux espaces habités dans les cas suivants :
1° lorsque les inspecteurs sociaux se rendent sur place pour constater une infraction en flagrant délit;
2° à la demande ou avec l'accord de l'ensemble des personnes majeures ayant la jouissance réelle de l'espace habité; la demande ou l'accord doit être donné par écrit et préalablement à la visite domiciliaire;
3° en cas d'appel provenant de ce lieu;
4° en cas d'incendie ou d'inondation;
5° lorsque les inspecteurs sociaux sont en possession d'une autorisation de visite domiciliaire délivrée par le juge d'instruction.
§ 2 - Pour obtenir une autorisation de visite domiciliaire, les inspecteurs sociaux adressent une demande motivée au juge d'instruction. Cette demande contient au moins les données suivantes :
1° l'identification des espaces habités qui font l'objet de la visite domiciliaire;
2° les dispositions légales, décrétales et réglementaires qui font l'objet du contrôle et pour lesquelles les inspecteurs sociaux sont d'avis qu'ils ont besoin d'une autorisation de visite domiciliaire;
3° lorsque c'est le cas, les infractions éventuelles qui font l'objet du contrôle;
4° tous les documents et renseignements dont il ressort que l'utilisation de ce moyen est nécessaire.
Pour l'accès aux espaces habités après neuf heures du soir et avant cinq heures du matin, les inspecteurs sociaux peuvent obtenir une autorisation de visite domiciliaire moyennant une motivation spéciale de la demande adressée au juge d'instruction, motivation qui rend nécessaire l'accès aux espaces habités aux heures indiquées.
§ 3 - Le juge d'instruction décide dans un délai de quarante-huit heures maximum après réception de la demande.
La décision du juge d'instruction est motivée.
Toutefois, la décision du juge d'instruction à la suite d'une demande de visite domiciliaire pour l'accès aux espaces habités après neuf heures du soir et avant cinq heures du matin est spécialement motivée.
Aucune voie de recours n'est possible contre cette décision.
A l'exception des pièces qui permettent de déduire l'identité de l'auteur d'une éventuelle plainte ou dénonciation et sans préjudice de l'application de l'article 34, toutes les pièces motivant l'obtention d'une autorisation de visite domiciliaire conformément au § 2, alinéa 1er, doivent être versées au dossier répressif ou au dossier dans le cadre duquel une amende administrative peut être infligée.
§ 4 - Dans le cas d'une visite domiciliaire d'espaces habités, les inspecteurs sociaux disposent de tous les pouvoirs mentionnés dans le présent décret, à l'exception de la recherche de supports d'information mentionnés à l'article 17 et des pouvoirs y afférents et à l'exception des pouvoirs mentionnés aux articles 19 à 22 et à l'article 23, alinéa 2.
Art. 14. Verzamelen van inlichtingen
De sociaal inspecteurs gaan over tot elk onderzoek, elke opsporing, elke controle en elk verhoor en winnen alle inlichtingen in die zij nodig achten om zich ervan te vergewissen dat dit decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan en de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen vermeld in artikel 4 worden nageleefd.
De sociaal inspecteurs gaan over tot elk onderzoek, elke opsporing, elke controle en elk verhoor en winnen alle inlichtingen in die zij nodig achten om zich ervan te vergewissen dat dit decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan en de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen vermeld in artikel 4 worden nageleefd.
Art. 14. Collecte d'informations
Les inspecteurs sociaux procèdent à tout examen, tout contrôle et toute audition et recueillent toutes les informations qu'ils estiment nécessaires pour s'assurer que les dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution ainsi que les dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4 sont observées.
Les inspecteurs sociaux procèdent à tout examen, tout contrôle et toute audition et recueillent toutes les informations qu'ils estiment nécessaires pour s'assurer que les dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution ainsi que les dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4 sont observées.
Art. 15. Identificatie van personen
De sociaal inspecteurs mogen de identiteit opnemen van de personen die zich op de arbeidsplaatsen bevinden die aan hun controle onderworpen zijn en van wie zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat zij werkgevers, aangestelden of lasthebbers, werknemers of begunstigden zijn, alsmede van gelijk welke personen wier identificatie zij nodig achten voor de uitoefening van de controle.
Daartoe kunnen de inspecteurs van deze personen de voorlegging van officiële identificatiedocumenten vorderen.
Ze kunnen die personen ook identificeren aan de hand van niet-officiële documenten die deze personen vrijwillig aan hen voorleggen, als die personen geen officiële identificatiedocumenten kunnen voorleggen of als de sociaal inspecteurs aan de echtheid van die documenten of aan de identiteit van die personen twijfelen.
In de gevallen en volgens de voorwaarden en nadere regels vermeld in artikel 24 kunnen zij de identiteit van die personen ook trachten te achterhalen via beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan.
De sociaal inspecteurs mogen de identiteit opnemen van de personen die zich op de arbeidsplaatsen bevinden die aan hun controle onderworpen zijn en van wie zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat zij werkgevers, aangestelden of lasthebbers, werknemers of begunstigden zijn, alsmede van gelijk welke personen wier identificatie zij nodig achten voor de uitoefening van de controle.
Daartoe kunnen de inspecteurs van deze personen de voorlegging van officiële identificatiedocumenten vorderen.
Ze kunnen die personen ook identificeren aan de hand van niet-officiële documenten die deze personen vrijwillig aan hen voorleggen, als die personen geen officiële identificatiedocumenten kunnen voorleggen of als de sociaal inspecteurs aan de echtheid van die documenten of aan de identiteit van die personen twijfelen.
In de gevallen en volgens de voorwaarden en nadere regels vermeld in artikel 24 kunnen zij de identiteit van die personen ook trachten te achterhalen via beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan.
Art. 15. Identification des personnes
Les inspecteurs sociaux peuvent prendre l'identité des personnes se trouvant sur les lieux de travail qui sont soumis à leur contrôle et dont ils peuvent raisonnablement présumer qu'elles sont des employeurs, préposés ou mandataires, des travailleurs ou des bénéficiaires, ainsi que de toute personne dont ils estiment l'identification nécessaire pour l'exercice du contrôle.
Ils peuvent, à cet effet, exiger de ces personnes la présentation de documents officiels d'identification.
Ils peuvent en outre identifier ces personnes à l'aide de documents non officiels que celles-ci leur soumettent volontairement lorsque ces personnes ne sont pas en mesure de présenter des documents officiels d'identification ou lorsque les inspecteurs sociaux doutent de leur authenticité ou de l'identité de ces personnes.
Ils peuvent également essayer de rechercher l'identité de ces personnes au moyen de constatations par image, quel qu'en soit le support, et ce, dans les cas et conditions et selon les modalités mentionnés à l'article 24.
Les inspecteurs sociaux peuvent prendre l'identité des personnes se trouvant sur les lieux de travail qui sont soumis à leur contrôle et dont ils peuvent raisonnablement présumer qu'elles sont des employeurs, préposés ou mandataires, des travailleurs ou des bénéficiaires, ainsi que de toute personne dont ils estiment l'identification nécessaire pour l'exercice du contrôle.
Ils peuvent, à cet effet, exiger de ces personnes la présentation de documents officiels d'identification.
Ils peuvent en outre identifier ces personnes à l'aide de documents non officiels que celles-ci leur soumettent volontairement lorsque ces personnes ne sont pas en mesure de présenter des documents officiels d'identification ou lorsque les inspecteurs sociaux doutent de leur authenticité ou de l'identité de ces personnes.
Ils peuvent également essayer de rechercher l'identité de ces personnes au moyen de constatations par image, quel qu'en soit le support, et ce, dans les cas et conditions et selon les modalités mentionnés à l'article 24.
Art. 16. Verhoor van personen
De sociaal inspecteurs mogen hetzij alleen, hetzij samen, hetzij in aanwezigheid van getuigen, gelijk welke persoon wiens verhoor zij noodzakelijk achten, verhoren over elk feit waarvan de kennisname nuttig is voor de uitoefening van het toezicht.
De sociaal inspecteurs mogen hetzij alleen, hetzij samen, hetzij in aanwezigheid van getuigen, gelijk welke persoon wiens verhoor zij noodzakelijk achten, verhoren over elk feit waarvan de kennisname nuttig is voor de uitoefening van het toezicht.
Art. 16. Audition de personnes
Les inspecteurs sociaux peuvent interroger, soit seuls, soit ensemble, soit en présence de témoins, toute personne dont ils estiment l'audition nécessaire, sur tout fait dont la connaissance est utile à l'exercice du contrôle.
Les inspecteurs sociaux peuvent interroger, soit seuls, soit ensemble, soit en présence de témoins, toute personne dont ils estiment l'audition nécessaire, sur tout fait dont la connaissance est utile à l'exercice du contrôle.
Art. 17. Informatiedragers met hetzij sociale gegevens, hetzij andere door de wet voorgeschreven gegevens
§ 1 - De sociaal inspecteurs mogen zich alle informatiedragers doen overleggen die zich bevinden op de arbeidsplaatsen die aan hun toezicht zijn onderworpen, op voorwaarde dat deze informatiedragers:
1° hetzij sociale gegevens bedoeld in artikel 3, 9°, bevatten;
2° hetzij gelijk welke andere gegevens bevatten die ingevolge wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen dienen te worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard, zelfs wanneer de sociaal inspecteurs niet zijn belast met het toezicht op deze bepalingen.
De sociaal inspecteurs mogen zich eveneens de toegang doen verschaffen tot de in het eerste lid vermelde informatiedragers die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via enig ander elektronisch apparaat.
Als de informatiedragers vermeld in het eerste lid zich niet bevinden op de arbeidsplaatsen die onderworpen zijn aan het toezicht van de sociaal inspecteurs of vanuit deze plaatsen niet toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via enig ander elektronisch apparaat, moet de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber de nodige maatregelen nemen om de sociaal inspecteurs op hun verzoek toegang te verschaffen tot die informatiedragers.
§ 2 - Wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber op het ogenblik van de controle afwezig is, nemen de sociaal inspecteurs de nodige maatregelen om de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber te contacteren om voormelde informatiedragers te doen voorleggen of om zich toegang te doen verschaffen tot de in § 1, eerste lid, vermelde informatiedragers die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via enig ander elektronisch apparaat of tot de in § 1, derde lid, vermelde informatiedragers die niet vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via enig ander elektronisch apparaat.
§ 3 - De sociaal inspecteurs kunnen overgaan tot het opsporen en onderzoeken van de in § 1 bedoelde informatiedragers wanneer:
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber voormelde informatiedragers niet vrijwillig voorlegt, zonder zich evenwel te verzetten tegen deze opsporing of dit onderzoek;
2° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber op het ogenblik van de controle niet bereikbaar is.
De sociaal inspecteurs kunnen slechts overgaan tot de opsporing of het onderzoek van deze informatiedragers op voorwaarde dat:
1° de aard van de opsporing of het onderzoek dit vereist; of
2° het gevaar bestaat dat deze informatiedragers of de gegevens die zij bevatten naar aanleiding van de controle verdwijnen of worden gewijzigd; of
3° de gezondheid of de veiligheid van de werknemers dit vereist.
Wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber zich verzet tegen deze opsporing of dit onderzoek wordt een proces-verbaal opgesteld wegens verhindering van controle.
§ 1 - De sociaal inspecteurs mogen zich alle informatiedragers doen overleggen die zich bevinden op de arbeidsplaatsen die aan hun toezicht zijn onderworpen, op voorwaarde dat deze informatiedragers:
1° hetzij sociale gegevens bedoeld in artikel 3, 9°, bevatten;
2° hetzij gelijk welke andere gegevens bevatten die ingevolge wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen dienen te worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard, zelfs wanneer de sociaal inspecteurs niet zijn belast met het toezicht op deze bepalingen.
De sociaal inspecteurs mogen zich eveneens de toegang doen verschaffen tot de in het eerste lid vermelde informatiedragers die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via enig ander elektronisch apparaat.
Als de informatiedragers vermeld in het eerste lid zich niet bevinden op de arbeidsplaatsen die onderworpen zijn aan het toezicht van de sociaal inspecteurs of vanuit deze plaatsen niet toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via enig ander elektronisch apparaat, moet de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber de nodige maatregelen nemen om de sociaal inspecteurs op hun verzoek toegang te verschaffen tot die informatiedragers.
§ 2 - Wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber op het ogenblik van de controle afwezig is, nemen de sociaal inspecteurs de nodige maatregelen om de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber te contacteren om voormelde informatiedragers te doen voorleggen of om zich toegang te doen verschaffen tot de in § 1, eerste lid, vermelde informatiedragers die vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via enig ander elektronisch apparaat of tot de in § 1, derde lid, vermelde informatiedragers die niet vanuit deze plaatsen toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via enig ander elektronisch apparaat.
§ 3 - De sociaal inspecteurs kunnen overgaan tot het opsporen en onderzoeken van de in § 1 bedoelde informatiedragers wanneer:
1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber voormelde informatiedragers niet vrijwillig voorlegt, zonder zich evenwel te verzetten tegen deze opsporing of dit onderzoek;
2° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber op het ogenblik van de controle niet bereikbaar is.
De sociaal inspecteurs kunnen slechts overgaan tot de opsporing of het onderzoek van deze informatiedragers op voorwaarde dat:
1° de aard van de opsporing of het onderzoek dit vereist; of
2° het gevaar bestaat dat deze informatiedragers of de gegevens die zij bevatten naar aanleiding van de controle verdwijnen of worden gewijzigd; of
3° de gezondheid of de veiligheid van de werknemers dit vereist.
Wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber zich verzet tegen deze opsporing of dit onderzoek wordt een proces-verbaal opgesteld wegens verhindering van controle.
Art. 17. Supports d'information contenant soit des données sociales, soit d'autres données prescrites par la loi
§ 1er - Les inspecteurs sociaux peuvent se faire produire tous les supports d'information qui se trouvent sur les lieux de travail qui sont soumis à leur contrôle, à condition que ces supports d'information :
1° soit contiennent des données sociales, mentionnées à l'article 3, 9°;
2° soit contiennent n'importe quelles autres données, dont l'établissement, la tenue ou la conservation sont prescrits par les dispositions légales, décrétales et réglementaires, même lorsque les inspecteurs sociaux ne sont pas chargés du contrôle desdites dispositions.
Les inspecteurs sociaux peuvent également se faire fournir l'accès aux supports d'information mentionnés à l'alinéa 1er qui sont accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique.
Lorsque les supports d'information mentionnés à l'alinéa 1er ne se trouvent pas sur les lieux de travail qui sont soumis au contrôle des inspecteurs sociaux et qu'ils ne sont pas accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique, l'employeur, son préposé ou son mandataire doit prendre les mesures nécessaires pour fournir l'accès à ces supports d'information aux inspecteurs sociaux à leur demande.
§ 2 - Lorsque l'employeur, son préposé ou son mandataire est absent au moment du contrôle, les inspecteurs sociaux prennent les mesures nécessaires pour contacter l'employeur, son préposé ou son mandataire afin de se faire produire les supports d'information précités ou afin de se faire fournir l'accès aux supports d'information mentionnés au § 1er, alinéa 1er, qui sont accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique, ou bien aux supports d'information mentionnés au § 1er, alinéa 3, qui ne sont pas accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique.
§ 3 - Les inspecteurs sociaux peuvent procéder à la recherche et à l'examen des supports d'information mentionnés au § 1er dans les cas suivants :
1° lorsque l'employeur, son préposé ou son mandataire ne présente pas volontairement les supports d'information précités, sans toutefois s'opposer à cette recherche ou à cet examen;
2° lorsque l'employeur, son préposé ou son mandataire n'est pas joignable au moment du contrôle.
Les inspecteurs sociaux peuvent uniquement procéder à la recherche ou à l'examen de ces supports d'information :
1° à condition que la nature de la recherche ou celle de l'examen l'exige; ou
2° lorsque le danger existe qu'à l'occasion du contrôle, ces supports d'information ou les données qu'ils contiennent disparaissent ou soient modifiés; ou
3° lorsque la santé ou la sécurité des travailleurs le requiert.
Lorsque l'employeur, son préposé ou son mandataire s'oppose à cette recherche ou à cet examen, un procès-verbal est dressé pour obstacle au contrôle.
§ 1er - Les inspecteurs sociaux peuvent se faire produire tous les supports d'information qui se trouvent sur les lieux de travail qui sont soumis à leur contrôle, à condition que ces supports d'information :
1° soit contiennent des données sociales, mentionnées à l'article 3, 9°;
2° soit contiennent n'importe quelles autres données, dont l'établissement, la tenue ou la conservation sont prescrits par les dispositions légales, décrétales et réglementaires, même lorsque les inspecteurs sociaux ne sont pas chargés du contrôle desdites dispositions.
Les inspecteurs sociaux peuvent également se faire fournir l'accès aux supports d'information mentionnés à l'alinéa 1er qui sont accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique.
Lorsque les supports d'information mentionnés à l'alinéa 1er ne se trouvent pas sur les lieux de travail qui sont soumis au contrôle des inspecteurs sociaux et qu'ils ne sont pas accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique, l'employeur, son préposé ou son mandataire doit prendre les mesures nécessaires pour fournir l'accès à ces supports d'information aux inspecteurs sociaux à leur demande.
§ 2 - Lorsque l'employeur, son préposé ou son mandataire est absent au moment du contrôle, les inspecteurs sociaux prennent les mesures nécessaires pour contacter l'employeur, son préposé ou son mandataire afin de se faire produire les supports d'information précités ou afin de se faire fournir l'accès aux supports d'information mentionnés au § 1er, alinéa 1er, qui sont accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique, ou bien aux supports d'information mentionnés au § 1er, alinéa 3, qui ne sont pas accessibles à partir de ces lieux par un système informatique ou par tout autre appareil électronique.
§ 3 - Les inspecteurs sociaux peuvent procéder à la recherche et à l'examen des supports d'information mentionnés au § 1er dans les cas suivants :
1° lorsque l'employeur, son préposé ou son mandataire ne présente pas volontairement les supports d'information précités, sans toutefois s'opposer à cette recherche ou à cet examen;
2° lorsque l'employeur, son préposé ou son mandataire n'est pas joignable au moment du contrôle.
Les inspecteurs sociaux peuvent uniquement procéder à la recherche ou à l'examen de ces supports d'information :
1° à condition que la nature de la recherche ou celle de l'examen l'exige; ou
2° lorsque le danger existe qu'à l'occasion du contrôle, ces supports d'information ou les données qu'ils contiennent disparaissent ou soient modifiés; ou
3° lorsque la santé ou la sécurité des travailleurs le requiert.
Lorsque l'employeur, son préposé ou son mandataire s'oppose à cette recherche ou à cet examen, un procès-verbal est dressé pour obstacle au contrôle.
Art. 18. Informatiedragers met andere gegevens
De sociaal inspecteurs mogen zich, zonder verplaatsing, alle informatiedragers die gelijk welke andere gegevens bevatten ter inzage doen overleggen wanneer zij dit nodig achten voor het volbrengen van hun opdracht en overgaan tot het onderzoek ervan.
Zij beschikken eveneens over deze bevoegdheid voor de gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via enig ander elektronisch apparaat.
De sociaal inspecteurs mogen zich, zonder verplaatsing, alle informatiedragers die gelijk welke andere gegevens bevatten ter inzage doen overleggen wanneer zij dit nodig achten voor het volbrengen van hun opdracht en overgaan tot het onderzoek ervan.
Zij beschikken eveneens over deze bevoegdheid voor de gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via enig ander elektronisch apparaat.
Art. 18. Supports d'information contenant d'autres données
Les inspecteurs sociaux peuvent se faire produire, sans déplacement, pour en prendre connaissance, tous les supports d'information qui contiennent n'importe quelles autres données, lorsqu'ils le jugent nécessaire à l'accomplissement de leur mission, et procéder à leur examen.
Ils disposent également de ce pouvoir pour les données qui sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique.
Les inspecteurs sociaux peuvent se faire produire, sans déplacement, pour en prendre connaissance, tous les supports d'information qui contiennent n'importe quelles autres données, lorsqu'ils le jugent nécessaire à l'accomplissement de leur mission, et procéder à leur examen.
Ils disposent également de ce pouvoir pour les données qui sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique.
Art. 19. Gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm
Wanneer de gegevens bedoeld in de artikelen 17 en 18 toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via enig ander elektronisch apparaat, hebben de sociaal inspecteurs het recht zich de op die informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm te doen voorleggen, in de door hen gevraagde vorm.
Wanneer de gegevens bedoeld in de artikelen 17 en 18 toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via enig ander elektronisch apparaat, hebben de sociaal inspecteurs het recht zich de op die informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm te doen voorleggen, in de door hen gevraagde vorm.
Art. 19. Données sous une forme lisible et intelligible
Lorsque les données mentionnées aux articles 17 et 18 sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique, les inspecteurs sociaux ont le droit de se faire communiquer, dans le format qu'ils souhaitent, les données enregistrées sur ces supports d'information sous une forme lisible et intelligible.
Lorsque les données mentionnées aux articles 17 et 18 sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique, les inspecteurs sociaux ont le droit de se faire communiquer, dans le format qu'ils souhaitent, les données enregistrées sur ces supports d'information sous une forme lisible et intelligible.
Art. 20. Recht van toegang
Wanneer de gegevens bedoeld in artikel 17 toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via enig ander elektronisch apparaat vanuit de arbeidsplaats die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs is onderworpen, moeten de werkgever, zijn aangestelden of zijn lasthebbers aan de sociaal inspecteurs een recht van toegang langs elektronische weg tot het informaticasysteem of tot elk ander elektronisch apparaat en tot deze gegevens waarborgen, een recht van fysieke toegang tot de binnenkant van de kast van het informaticasysteem of tot elk ander elektronisch apparaat, evenals een recht tot downloading en tot gebruik langs elektronische weg van deze gegevens.
De rechten vermeld in het eerste lid gelden eveneens wanneer de plaats van bewaring van deze gegevens zich in een ander land bevindt en deze gegevens in België langs elektronische weg toegankelijk zijn vanuit de arbeidsplaats die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs is onderworpen.
De rechten vermeld in het eerste lid gelden eveneens wanneer deze gegevens zich bevinden in een informaticasysteem of in elk ander elektronisch apparaat, in België of in het buitenland, dat niet beheerd wordt door de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, en deze gegevens langs elektronische weg toegankelijk zijn in België vanuit de arbeidsplaats die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs is onderworpen.
De sociaal inspecteurs zien erop toe dat de integriteit van de verzamelde gegevens en van het materieel waartoe zij toegang hebben gewaarborgd is.
Wanneer de gegevens bedoeld in artikel 17 toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via enig ander elektronisch apparaat vanuit de arbeidsplaats die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs is onderworpen, moeten de werkgever, zijn aangestelden of zijn lasthebbers aan de sociaal inspecteurs een recht van toegang langs elektronische weg tot het informaticasysteem of tot elk ander elektronisch apparaat en tot deze gegevens waarborgen, een recht van fysieke toegang tot de binnenkant van de kast van het informaticasysteem of tot elk ander elektronisch apparaat, evenals een recht tot downloading en tot gebruik langs elektronische weg van deze gegevens.
De rechten vermeld in het eerste lid gelden eveneens wanneer de plaats van bewaring van deze gegevens zich in een ander land bevindt en deze gegevens in België langs elektronische weg toegankelijk zijn vanuit de arbeidsplaats die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs is onderworpen.
De rechten vermeld in het eerste lid gelden eveneens wanneer deze gegevens zich bevinden in een informaticasysteem of in elk ander elektronisch apparaat, in België of in het buitenland, dat niet beheerd wordt door de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, en deze gegevens langs elektronische weg toegankelijk zijn in België vanuit de arbeidsplaats die aan het toezicht van de sociaal inspecteurs is onderworpen.
De sociaal inspecteurs zien erop toe dat de integriteit van de verzamelde gegevens en van het materieel waartoe zij toegang hebben gewaarborgd is.
Art. 20. Droit d'accès
Lorsque les données mentionnées à l'article 17 sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique à partir du lieu de travail qui est soumis au contrôle des inspecteurs sociaux, l'employeur, ses préposés ou ses mandataires doivent assurer aux inspecteurs sociaux un droit d'accès par voie électronique au système informatique ou à tout autre appareil électronique et à ces données, un droit d'accès physique à l'intérieur du boitier du système informatique ou de tout autre appareil électronique, ainsi qu'un droit de téléchargement et d'utilisation par voie électronique de ces données.
Les droits mentionnés à l'alinéa 1er s'appliquent aussi lorsque le lieu de conservation de ces données est situé dans un autre pays et que ces données sont accessibles en Belgique par voie électronique à partir du lieu de travail qui est soumis au contrôle des inspecteurs sociaux.
Les droits mentionnés à l'alinéa 1er s'appliquent aussi lorsque ces données se trouvent dans un système informatique ou dans tout autre appareil électronique, en Belgique ou à l'étranger, qui n'est pas géré par l'employeur, ses préposés ou ses mandataires, et que ces données sont accessibles en Belgique par voie électronique à partir du lieu de travail qui est soumis au contrôle des inspecteurs sociaux.
Les inspecteurs sociaux veillent à assurer l'intégrité des données récoltées et du matériel auquel ils ont accès.
Lorsque les données mentionnées à l'article 17 sont accessibles par un système informatique ou par tout autre appareil électronique à partir du lieu de travail qui est soumis au contrôle des inspecteurs sociaux, l'employeur, ses préposés ou ses mandataires doivent assurer aux inspecteurs sociaux un droit d'accès par voie électronique au système informatique ou à tout autre appareil électronique et à ces données, un droit d'accès physique à l'intérieur du boitier du système informatique ou de tout autre appareil électronique, ainsi qu'un droit de téléchargement et d'utilisation par voie électronique de ces données.
Les droits mentionnés à l'alinéa 1er s'appliquent aussi lorsque le lieu de conservation de ces données est situé dans un autre pays et que ces données sont accessibles en Belgique par voie électronique à partir du lieu de travail qui est soumis au contrôle des inspecteurs sociaux.
Les droits mentionnés à l'alinéa 1er s'appliquent aussi lorsque ces données se trouvent dans un système informatique ou dans tout autre appareil électronique, en Belgique ou à l'étranger, qui n'est pas géré par l'employeur, ses préposés ou ses mandataires, et que ces données sont accessibles en Belgique par voie électronique à partir du lieu de travail qui est soumis au contrôle des inspecteurs sociaux.
Les inspecteurs sociaux veillent à assurer l'intégrité des données récoltées et du matériel auquel ils ont accès.
Art. 21. Informatie over het beheer van het informaticasysteem
De werkgever, zijn aangestelden of zijn lasthebbers die een beroep doen op een informaticasysteem of op enig ander elektronisch apparaat om de in artikel 17 bedoelde gegevens op te maken, bij te houden of te bewaren, zijn ertoe gehouden, op verzoek van de sociaal inspecteurs, ter plaatse, de dossiers met betrekking tot de analyses, de programma's, het beheer en de exploitatie van het gebruikte systeem ter inzage over te leggen.
De werkgever, zijn aangestelden of zijn lasthebbers die een beroep doen op een informaticasysteem of op enig ander elektronisch apparaat om de in artikel 17 bedoelde gegevens op te maken, bij te houden of te bewaren, zijn ertoe gehouden, op verzoek van de sociaal inspecteurs, ter plaatse, de dossiers met betrekking tot de analyses, de programma's, het beheer en de exploitatie van het gebruikte systeem ter inzage over te leggen.
Art. 21. Informations sur l'exploitation du système informatique
L'employeur, ses préposés ou ses mandataires qui recourent à un système informatique ou à tout autre appareil électronique pour établir, tenir et conserver les données mentionnées à l'article 17 sont tenus, lorsqu'ils en sont requis par les inspecteurs sociaux, de leur communiquer, sans déplacement, les dossiers d'analyse, de programmation, de gestion et de l'exploitation du système utilisé.
L'employeur, ses préposés ou ses mandataires qui recourent à un système informatique ou à tout autre appareil électronique pour établir, tenir et conserver les données mentionnées à l'article 17 sont tenus, lorsqu'ils en sont requis par les inspecteurs sociaux, de leur communiquer, sans déplacement, les dossiers d'analyse, de programmation, de gestion et de l'exploitation du système utilisé.
Art. 22. Integriteit van de gegevens
De sociaal inspecteurs mogen, door middel van het informaticasysteem of enig ander elektronisch apparaat en met de bijstand van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, de betrouwbaarheid nagaan van de geïnformatiseerde gegevens en bewerkingen, door de overlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm.
De sociaal inspecteurs mogen, door middel van het informaticasysteem of enig ander elektronisch apparaat en met de bijstand van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, de betrouwbaarheid nagaan van de geïnformatiseerde gegevens en bewerkingen, door de overlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm.
Art. 22. Intégrité des données
Les inspecteurs sociaux peuvent vérifier, au moyen du système informatique ou par tout autre appareil électronique et avec l'assistance de l'employeur, de ses préposés ou mandataires, la fiabilité des données et traitements informatiques, en exigeant la communication de documents spécialement établis en vue de présenter les données enregistrées sur les supports informatiques sous une forme lisible et intelligible.
Les inspecteurs sociaux peuvent vérifier, au moyen du système informatique ou par tout autre appareil électronique et avec l'assistance de l'employeur, de ses préposés ou mandataires, la fiabilité des données et traitements informatiques, en exigeant la communication de documents spécialement établis en vue de présenter les données enregistrées sur les supports informatiques sous une forme lisible et intelligible.
Art. 23. Kopieën
De sociaal inspecteurs mogen kopieën nemen, in welke vorm ook, van de informatiedragers bedoeld in de artikelen 17 en 18 of van de gegevens die zij bevatten, of zich deze kosteloos laten verstrekken door de werkgever, zijn aangestelden of zijn lasthebbers.
Wanneer het gaat om in artikel 17 vermelde informatiedragers die toegankelijk zijn via een informaticasysteem, mogen de sociaal inspecteurs, door middel van het informaticasysteem of enig ander elektronisch apparaat en met de bijstand van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers of elke andere geschikte persoon die beschikt over de nodige of nuttige kennis over de werking van het informaticasysteem, kopieën maken in de door hen gewenste vorm van het geheel of een deel van voormelde gegevens.
De sociaal inspecteurs mogen kopieën nemen, in welke vorm ook, van de informatiedragers bedoeld in de artikelen 17 en 18 of van de gegevens die zij bevatten, of zich deze kosteloos laten verstrekken door de werkgever, zijn aangestelden of zijn lasthebbers.
Wanneer het gaat om in artikel 17 vermelde informatiedragers die toegankelijk zijn via een informaticasysteem, mogen de sociaal inspecteurs, door middel van het informaticasysteem of enig ander elektronisch apparaat en met de bijstand van de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers of elke andere geschikte persoon die beschikt over de nodige of nuttige kennis over de werking van het informaticasysteem, kopieën maken in de door hen gewenste vorm van het geheel of een deel van voormelde gegevens.
Art. 23. Copies
Les inspecteurs sociaux peuvent prendre des copies, sous n'importe quelle forme, des supports d'information mentionnés aux articles 17 et 18, ou des données qu'ils contiennent, ou se les faire fournir sans frais par l'employeur, ses préposés ou ses mandataires.
Lorsqu'il s'agit des supports d'information mentionnés à l'article 17, qui sont accessibles par un système informatique, les inspecteurs sociaux peuvent, au moyen du système informatique ou par tout autre appareil électronique et avec l'assistance de l'employeur, de ses préposés ou mandataires, ou de n'importe quelle autre personne qualifiée qui dispose de la connaissance nécessaire ou utile sur le fonctionnement du système informatique, effectuer des copies, dans la forme qu'ils souhaitent, de tout ou partie des données précitées.
Les inspecteurs sociaux peuvent prendre des copies, sous n'importe quelle forme, des supports d'information mentionnés aux articles 17 et 18, ou des données qu'ils contiennent, ou se les faire fournir sans frais par l'employeur, ses préposés ou ses mandataires.
Lorsqu'il s'agit des supports d'information mentionnés à l'article 17, qui sont accessibles par un système informatique, les inspecteurs sociaux peuvent, au moyen du système informatique ou par tout autre appareil électronique et avec l'assistance de l'employeur, de ses préposés ou mandataires, ou de n'importe quelle autre personne qualifiée qui dispose de la connaissance nécessaire ou utile sur le fonctionnement du système informatique, effectuer des copies, dans la forme qu'ils souhaitent, de tout ou partie des données précitées.
Art. 24. Vaststellingen door middel van beeldmateriaal
§ 1 - De sociaal inspecteurs kunnen vaststellingen doen door middel van het maken van beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan.
Zij kunnen ook beeldmateriaal van derden gebruiken, voor zover die personen dit beeldmateriaal rechtmatig hebben gemaakt of verkregen.
De vaststellingen en het gebruik gelden mits eerbiediging van de bepalingen van § 3.
§ 2 - In bewoonde ruimten mogen de sociaal inspecteurs enkel vaststellingen doen door middel van het maken van beeldmateriaal, op voorwaarde dat zij hiertoe beschikken over een machtiging uitgereikt door de onderzoeksrechter. Het verzoek dat de sociaal inspecteur aan de onderzoeksrechter richt om die machtiging te krijgen, bevat minstens de gegevens vermeld in artikel 13, § 2.
§ 3 - Voor de toepassing van dit decreet gelden de vaststellingen die de sociaal inspecteurs hebben gedaan door middel van het door hen gemaakte beeldmateriaal tot bewijs van het tegendeel, voor zover voldaan is aan de hierna vermelde voorwaarden:
1° de vaststellingen maken het voorwerp uit van een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk door middel van beeldmateriaal, dat naast de in artikel 38 vermelde gegevens ook nog de volgende gegevens bevat:
a) de identiteit van de sociaal inspecteur die het beeldmateriaal heeft gemaakt;
b) de dag, de datum, het uur waarop het beeldmateriaal is gemaakt en de exacte beschrijving van de plaats waar het beeldmateriaal is gemaakt;
c) de volledige identificatie van het technisch hulpmiddel waarmee het beeldmateriaal is gemaakt;
d) een beschrijving van wat op dat beeldmateriaal is te zien, alsmede het verband met de vastgestelde inbreuk;
e) wanneer het gaat om een detailopname, een aanduiding op het beeldmateriaal waaruit de schaal blijkt;
f) een rechtmatige afdruk van het beeldmateriaal of, indien dit onmogelijk is, een kopie ervan op een drager als bijlage bij het proces-verbaal, alsmede een volledige opgave van alle nodige technische specificaties om de kopie van dit beeldmateriaal te kunnen bekijken;
g) wanneer er verschillende afdrukken of verschillende dragers zijn, een nummering van deze afdrukken of deze dragers, die eveneens moet voorkomen in de ermee overeenstemmende beschrijving, in het proces-verbaal, van wat op het beeldmateriaal is te zien;
2° de administratie waartoe de sociaal inspecteurs behoren die het beeldmateriaal hebben gemaakt, bewaren de originele drager van het beeldmateriaal totdat zich het volgende heeft voorgedaan:
a) totdat een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest is uitgesproken;
b) totdat de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete van de Regering uitvoerbaar is geworden;
c) tot de inbreuk geseponeerd werd.
In afwijking van het eerste lid, 2°, worden de dragers van het beeldmateriaal in geval van een strafprocedure neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg.
Onverminderd de bepalingen tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en onverminderd de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen met betrekking tot camerabewaking, lichten de sociaal inspecteurs in voorkomend geval de derde die het beeldmateriaal heeft gemaakt in over het feit dat zij de drager gedurende die periode bewaren.
§ 1 - De sociaal inspecteurs kunnen vaststellingen doen door middel van het maken van beeldmateriaal, ongeacht de drager ervan.
Zij kunnen ook beeldmateriaal van derden gebruiken, voor zover die personen dit beeldmateriaal rechtmatig hebben gemaakt of verkregen.
De vaststellingen en het gebruik gelden mits eerbiediging van de bepalingen van § 3.
§ 2 - In bewoonde ruimten mogen de sociaal inspecteurs enkel vaststellingen doen door middel van het maken van beeldmateriaal, op voorwaarde dat zij hiertoe beschikken over een machtiging uitgereikt door de onderzoeksrechter. Het verzoek dat de sociaal inspecteur aan de onderzoeksrechter richt om die machtiging te krijgen, bevat minstens de gegevens vermeld in artikel 13, § 2.
§ 3 - Voor de toepassing van dit decreet gelden de vaststellingen die de sociaal inspecteurs hebben gedaan door middel van het door hen gemaakte beeldmateriaal tot bewijs van het tegendeel, voor zover voldaan is aan de hierna vermelde voorwaarden:
1° de vaststellingen maken het voorwerp uit van een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk door middel van beeldmateriaal, dat naast de in artikel 38 vermelde gegevens ook nog de volgende gegevens bevat:
a) de identiteit van de sociaal inspecteur die het beeldmateriaal heeft gemaakt;
b) de dag, de datum, het uur waarop het beeldmateriaal is gemaakt en de exacte beschrijving van de plaats waar het beeldmateriaal is gemaakt;
c) de volledige identificatie van het technisch hulpmiddel waarmee het beeldmateriaal is gemaakt;
d) een beschrijving van wat op dat beeldmateriaal is te zien, alsmede het verband met de vastgestelde inbreuk;
e) wanneer het gaat om een detailopname, een aanduiding op het beeldmateriaal waaruit de schaal blijkt;
f) een rechtmatige afdruk van het beeldmateriaal of, indien dit onmogelijk is, een kopie ervan op een drager als bijlage bij het proces-verbaal, alsmede een volledige opgave van alle nodige technische specificaties om de kopie van dit beeldmateriaal te kunnen bekijken;
g) wanneer er verschillende afdrukken of verschillende dragers zijn, een nummering van deze afdrukken of deze dragers, die eveneens moet voorkomen in de ermee overeenstemmende beschrijving, in het proces-verbaal, van wat op het beeldmateriaal is te zien;
2° de administratie waartoe de sociaal inspecteurs behoren die het beeldmateriaal hebben gemaakt, bewaren de originele drager van het beeldmateriaal totdat zich het volgende heeft voorgedaan:
a) totdat een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest is uitgesproken;
b) totdat de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete van de Regering uitvoerbaar is geworden;
c) tot de inbreuk geseponeerd werd.
In afwijking van het eerste lid, 2°, worden de dragers van het beeldmateriaal in geval van een strafprocedure neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg.
Onverminderd de bepalingen tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en onverminderd de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen met betrekking tot camerabewaking, lichten de sociaal inspecteurs in voorkomend geval de derde die het beeldmateriaal heeft gemaakt in over het feit dat zij de drager gedurende die periode bewaren.
Art. 24. Constatations par image
§ 1er - Les inspecteurs sociaux peuvent faire des constatations en réalisant des images, quel qu'en soit le support.
Ils peuvent également utiliser des images provenant de tiers pour autant que ces personnes aient réalisé ou obtenu ces images de manière légitime.
Les constatations et l'utilisation se font dans le respect des dispositions mentionnées au § 3.
§ 2 - Dans les espaces habités, les inspecteurs sociaux peuvent uniquement faire des constatations au moyen d'images, à la condition de disposer à cet effet d'une autorisation délivrée par le juge d'instruction. La demande d'obtention de cette autorisation adressée par l'inspecteur social au juge d'instruction doit au moins comprendre les données mentionnées à l'article 13, § 2.
§ 3 - Servent de preuve pour l'application du présent décret les constatations faites par les inspecteurs sociaux au moyen des images qu'ils ont réalisées, et ce, jusqu'à preuve du contraire, pour autant qu'il soit satisfait aux conditions mentionnées ci-après :
1° Les constatations font l'objet d'un procès-verbal de constatation d'une infraction faite au moyen d'images qui, outre les données mentionnées à l'article 38, comprend également les données suivantes :
a) l'identité de l'inspecteur social ayant réalisé les images;
b) le jour, la date, l'heure et la description exacte du lieu où les images ont été réalisées;
c) l'identification complète de l'équipement technique ayant permis de réaliser les images;
d) une description de ce qui est visible sur les images en question, ainsi que le lien avec l'infraction constatée;
e) lorsqu'il s'agit d'une prise de vue d'un détail, une indication sur l'image permettant de déterminer l'échelle;
f) une reproduction de l'image ou, si cela s'avère impossible, une copie sur un support en annexe du procès-verbal, ainsi qu'un aperçu complet de toutes les spécifications techniques nécessaires pour pouvoir examiner la copie de ces images;
g) lorsqu'il y a plusieurs reproductions ou plusieurs supports, une numérotation de ces reproductions ou de ces supports, qui doit également apparaître dans le procès-verbal dans la description correspondante de ce qui peut être observé sur les images.
2° Le support originel des images doit être conservé par l'administration dont fait partie l'inspecteur social qui a réalisé les images :
a) jusqu'à ce qu'un jugement ou un arrêt ayant acquis force de chose jugée ait été prononcé;
b) jusqu'à ce que la décision d'imposition par le Gouvernement d'une amende ait obtenu force exécutoire;
c) jusqu'à ce que l'infraction soit classée sans suite.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, les supports des images sont déposés auprès du greffe du tribunal de première instance en cas de procédure pénale.
Sans préjudice des dispositions de la règlementation en matière de protection des données à caractère personnel et sans préjudice des dispositions légales, décrétales et réglementaires relatives à la surveillance par caméras, les inspecteurs sociaux informent, le cas échéant, le tiers ayant réalisé les images qu'ils conservent le support pour la durée de cette période.
§ 1er - Les inspecteurs sociaux peuvent faire des constatations en réalisant des images, quel qu'en soit le support.
Ils peuvent également utiliser des images provenant de tiers pour autant que ces personnes aient réalisé ou obtenu ces images de manière légitime.
Les constatations et l'utilisation se font dans le respect des dispositions mentionnées au § 3.
§ 2 - Dans les espaces habités, les inspecteurs sociaux peuvent uniquement faire des constatations au moyen d'images, à la condition de disposer à cet effet d'une autorisation délivrée par le juge d'instruction. La demande d'obtention de cette autorisation adressée par l'inspecteur social au juge d'instruction doit au moins comprendre les données mentionnées à l'article 13, § 2.
§ 3 - Servent de preuve pour l'application du présent décret les constatations faites par les inspecteurs sociaux au moyen des images qu'ils ont réalisées, et ce, jusqu'à preuve du contraire, pour autant qu'il soit satisfait aux conditions mentionnées ci-après :
1° Les constatations font l'objet d'un procès-verbal de constatation d'une infraction faite au moyen d'images qui, outre les données mentionnées à l'article 38, comprend également les données suivantes :
a) l'identité de l'inspecteur social ayant réalisé les images;
b) le jour, la date, l'heure et la description exacte du lieu où les images ont été réalisées;
c) l'identification complète de l'équipement technique ayant permis de réaliser les images;
d) une description de ce qui est visible sur les images en question, ainsi que le lien avec l'infraction constatée;
e) lorsqu'il s'agit d'une prise de vue d'un détail, une indication sur l'image permettant de déterminer l'échelle;
f) une reproduction de l'image ou, si cela s'avère impossible, une copie sur un support en annexe du procès-verbal, ainsi qu'un aperçu complet de toutes les spécifications techniques nécessaires pour pouvoir examiner la copie de ces images;
g) lorsqu'il y a plusieurs reproductions ou plusieurs supports, une numérotation de ces reproductions ou de ces supports, qui doit également apparaître dans le procès-verbal dans la description correspondante de ce qui peut être observé sur les images.
2° Le support originel des images doit être conservé par l'administration dont fait partie l'inspecteur social qui a réalisé les images :
a) jusqu'à ce qu'un jugement ou un arrêt ayant acquis force de chose jugée ait été prononcé;
b) jusqu'à ce que la décision d'imposition par le Gouvernement d'une amende ait obtenu force exécutoire;
c) jusqu'à ce que l'infraction soit classée sans suite.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, les supports des images sont déposés auprès du greffe du tribunal de première instance en cas de procédure pénale.
Sans préjudice des dispositions de la règlementation en matière de protection des données à caractère personnel et sans préjudice des dispositions légales, décrétales et réglementaires relatives à la surveillance par caméras, les inspecteurs sociaux informent, le cas échéant, le tiers ayant réalisé les images qu'ils conservent le support pour la durée de cette période.
Art. 25. In beslag nemen en verzegelen van informatiedragers
De sociaal inspecteurs kunnen, tegen ontvangstbewijs, de informatiedragers bedoeld in artikel 17 in beslag nemen of verzegelen, ongeacht of de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber al dan niet eigenaar is van deze informatiedragers.
Ze beschikken over deze bevoegdheden wanneer dit noodzakelijk is voor de opsporing, voor het onderzoek of voor het leveren van het bewijs van de inbreuken of wanneer het gevaar bestaat dat met deze informatiedragers de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken zullen worden gepleegd.
Wanneer de inbeslagneming materieel onmogelijk is, worden deze gegevens, evenals de gegevens noodzakelijk om deze te kunnen begrijpen, gekopieerd op dragers, die toebehoren aan de Regering. In geval van dringendheid of om technische redenen kan gebruik gemaakt worden van dragers die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken.
De sociaal inspecteurs kunnen, tegen ontvangstbewijs, de informatiedragers bedoeld in artikel 17 in beslag nemen of verzegelen, ongeacht of de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber al dan niet eigenaar is van deze informatiedragers.
Ze beschikken over deze bevoegdheden wanneer dit noodzakelijk is voor de opsporing, voor het onderzoek of voor het leveren van het bewijs van de inbreuken of wanneer het gevaar bestaat dat met deze informatiedragers de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken zullen worden gepleegd.
Wanneer de inbeslagneming materieel onmogelijk is, worden deze gegevens, evenals de gegevens noodzakelijk om deze te kunnen begrijpen, gekopieerd op dragers, die toebehoren aan de Regering. In geval van dringendheid of om technische redenen kan gebruik gemaakt worden van dragers die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken.
Art. 25. Saisie et mise sous scellés des supports d'information
Les inspecteurs sociaux peuvent saisir contre récépissé ou mettre sous scellés les supports d'information mentionnés à l'article 17, que l'employeur, ses préposés ou mandataires soient ou non propriétaires de ces supports d'information.
Ils disposent de ces compétences lorsque cela est nécessaire à la recherche, à l'examen ou à l'établissement de la preuve d'infractions ou lorsque le danger existe que les infractions persistent avec ces supports d'information ou que de nouvelles infractions soient commises.
Lorsque la saisie est matériellement impossible, ces données, tout comme les données qui sont nécessaires pour pouvoir les comprendre, sont copiées sur des supports appartenant au Gouvernement. En cas d'urgence ou pour des raisons techniques, il peut être fait usage des supports qui sont à la disposition des personnes autorisées à utiliser le système informatique.
Les inspecteurs sociaux peuvent saisir contre récépissé ou mettre sous scellés les supports d'information mentionnés à l'article 17, que l'employeur, ses préposés ou mandataires soient ou non propriétaires de ces supports d'information.
Ils disposent de ces compétences lorsque cela est nécessaire à la recherche, à l'examen ou à l'établissement de la preuve d'infractions ou lorsque le danger existe que les infractions persistent avec ces supports d'information ou que de nouvelles infractions soient commises.
Lorsque la saisie est matériellement impossible, ces données, tout comme les données qui sont nécessaires pour pouvoir les comprendre, sont copiées sur des supports appartenant au Gouvernement. En cas d'urgence ou pour des raisons techniques, il peut être fait usage des supports qui sont à la disposition des personnes autorisées à utiliser le système informatique.
Art. 26. In beslag nemen en verzegelen van goederen
De sociaal inspecteurs mogen andere roerende goederen dan informatiedragers, alsmede onroerende goederen, met inbegrip van roerende goederen die onroerend zijn door incorporatie of door bestemming, ongeacht of de overtreder al dan niet de eigenaar is van deze goederen, die aan hun toezicht onderworpen zijn of aan de hand waarvan inbreuken kunnen worden vastgesteld op de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen waarop zij toezicht uitoefenen, tegen ontvangstbewijs in beslag nemen of verzegelen wanneer zulks noodzakelijk is voor het leveren van het bewijs van deze inbreuken of het gevaar bestaat dat met deze goederen de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken worden gepleegd.
De sociaal inspecteurs mogen andere roerende goederen dan informatiedragers, alsmede onroerende goederen, met inbegrip van roerende goederen die onroerend zijn door incorporatie of door bestemming, ongeacht of de overtreder al dan niet de eigenaar is van deze goederen, die aan hun toezicht onderworpen zijn of aan de hand waarvan inbreuken kunnen worden vastgesteld op de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen waarop zij toezicht uitoefenen, tegen ontvangstbewijs in beslag nemen of verzegelen wanneer zulks noodzakelijk is voor het leveren van het bewijs van deze inbreuken of het gevaar bestaat dat met deze goederen de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken worden gepleegd.
Art. 26. Saisie et mise sous scellés d'autres biens
Les inspecteurs sociaux peuvent saisir contre récépissé ou mettre sous scellés d'autres biens mobiliers que des supports d'information, ainsi que les biens immobiliers, en ce compris les biens mobiliers qui sont immeubles par incorporation ou par destination, que le contrevenant en soit propriétaire ou pas, qui sont soumis à leur contrôle ou par lesquels des infractions aux dispositions légales, décrétales et réglementaires dont ils exercent le contrôle peuvent être constatées, lorsque cela est nécessaire à l'établissement de la preuve de ces infractions ou lorsque le danger existe qu'avec ces biens, les infractions persistent ou que de nouvelles infractions soient commises.
Les inspecteurs sociaux peuvent saisir contre récépissé ou mettre sous scellés d'autres biens mobiliers que des supports d'information, ainsi que les biens immobiliers, en ce compris les biens mobiliers qui sont immeubles par incorporation ou par destination, que le contrevenant en soit propriétaire ou pas, qui sont soumis à leur contrôle ou par lesquels des infractions aux dispositions légales, décrétales et réglementaires dont ils exercent le contrôle peuvent être constatées, lorsque cela est nécessaire à l'établissement de la preuve de ces infractions ou lorsque le danger existe qu'avec ces biens, les infractions persistent ou que de nouvelles infractions soient commises.
Art. 27. Informatieplicht
Wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber hetzij niet aanwezig was bij de opsporing en het onderzoek bedoeld in artikel 17, hetzij daarmee niet vrijwillig instemde, informeren de sociaal inspecteurs de werkgever schriftelijk over het feit dat die opsporing en dit onderzoek hebben plaatsgehad en over de gegevens die werden gekopieerd. Die beschrijving bevat de gegevens bepaald in artikel 29.
Voor de informatiedragers die in beslag werden genomen, wordt gehandeld in overeenstemming met artikel 28.
Wanneer de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber hetzij niet aanwezig was bij de opsporing en het onderzoek bedoeld in artikel 17, hetzij daarmee niet vrijwillig instemde, informeren de sociaal inspecteurs de werkgever schriftelijk over het feit dat die opsporing en dit onderzoek hebben plaatsgehad en over de gegevens die werden gekopieerd. Die beschrijving bevat de gegevens bepaald in artikel 29.
Voor de informatiedragers die in beslag werden genomen, wordt gehandeld in overeenstemming met artikel 28.
Art. 27. Obligation d'information
Lorsque l'employeur, son préposé ou mandataire soit n'était pas présent lors de la recherche et de l'examen mentionnés à l'article 17, soit n'y consentait pas de plein gré, les inspecteurs sociaux informent par écrit l'employeur de l'existence de cette recherche et de cet examen ainsi que des données qui ont été copiées. Cette description contient les données prévues à l'article 29.
Pour les supports d'information qui ont été saisis, il est agi conformément à l'article 28.
Lorsque l'employeur, son préposé ou mandataire soit n'était pas présent lors de la recherche et de l'examen mentionnés à l'article 17, soit n'y consentait pas de plein gré, les inspecteurs sociaux informent par écrit l'employeur de l'existence de cette recherche et de cet examen ainsi que des données qui ont été copiées. Cette description contient les données prévues à l'article 29.
Pour les supports d'information qui ont été saisis, il est agi conformément à l'article 28.
Art. 28. Vaststelling
§ 1 - De inbeslagnemingen en de verzegelingen verricht op basis van de artikelen 25 en 26 en de maatregelen genomen door de sociaal inspecteurs ter uitvoering van artikel 20 maken het voorwerp uit van een schriftelijke vaststelling.
De in artikel 17, § 3, bedoelde opsporingsmaatregelen en, in voorkomend geval, de onderzoeksmaatregelen die eruit voortvloeien en op die plaats worden uitgevoerd, maken eveneens het voorwerp uit van een schriftelijke vaststelling.
§ 2 - De schriftelijke vaststelling wordt persoonlijk overhandigd aan de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die tekent voor ontvangst.
Indien de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber niet aanwezig is, wordt de schriftelijke vaststelling onmiddellijk ter plaatse achtergelaten. Binnen een termijn van veertien dagen wordt ook een kopie verstuurd naar de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber via een verzending waarvan de datum met zekerheid kan worden vastgesteld.
§ 1 - De inbeslagnemingen en de verzegelingen verricht op basis van de artikelen 25 en 26 en de maatregelen genomen door de sociaal inspecteurs ter uitvoering van artikel 20 maken het voorwerp uit van een schriftelijke vaststelling.
De in artikel 17, § 3, bedoelde opsporingsmaatregelen en, in voorkomend geval, de onderzoeksmaatregelen die eruit voortvloeien en op die plaats worden uitgevoerd, maken eveneens het voorwerp uit van een schriftelijke vaststelling.
§ 2 - De schriftelijke vaststelling wordt persoonlijk overhandigd aan de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die tekent voor ontvangst.
Indien de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber niet aanwezig is, wordt de schriftelijke vaststelling onmiddellijk ter plaatse achtergelaten. Binnen een termijn van veertien dagen wordt ook een kopie verstuurd naar de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber via een verzending waarvan de datum met zekerheid kan worden vastgesteld.
Art. 28. Constat
§ 1er - Les saisies et mises sous scellés pratiquées en vertu des articles 25 et 26 ainsi que les mesures prises par les inspecteurs sociaux en exécution de l'article 20 font l'objet d'un constat écrit.
Les mesures de recherche mentionnées à l'article 17, § 3, et, le cas échéant, les mesures d'examen qui en découlent et qui sont effectuées sur ce lieu font également l'objet d'un constat écrit.
§ 2 - Le constat écrit est remis de la main à la main à l'employeur, à son préposé ou à son mandataire qui en accuse réception.
Si l'employeur, son préposé ou son mandataire n'est pas présent, le constat écrit est déposé sur-le-champ. Une copie est également envoyée par envoi dûment daté à l'employeur, à son préposé ou à son mandataire dans un délai de quatorze jours.
§ 1er - Les saisies et mises sous scellés pratiquées en vertu des articles 25 et 26 ainsi que les mesures prises par les inspecteurs sociaux en exécution de l'article 20 font l'objet d'un constat écrit.
Les mesures de recherche mentionnées à l'article 17, § 3, et, le cas échéant, les mesures d'examen qui en découlent et qui sont effectuées sur ce lieu font également l'objet d'un constat écrit.
§ 2 - Le constat écrit est remis de la main à la main à l'employeur, à son préposé ou à son mandataire qui en accuse réception.
Si l'employeur, son préposé ou son mandataire n'est pas présent, le constat écrit est déposé sur-le-champ. Une copie est également envoyée par envoi dûment daté à l'employeur, à son préposé ou à son mandataire dans un délai de quatorze jours.
Art. 29. Inhoud van de vaststelling
Het geschrift bedoeld in artikel 28, § 1, vermeldt minstens het volgende:
1° de datum en het uur waarop de maatregelen zijn genomen;
2° de identiteit van de sociaal inspecteurs en de administratie waartoe zij behoren;
3° de genomen maatregelen;
4° de weergave van de tekst van de artikelen 68 tot 70;
5° de rechtsmiddelen tegen de maatregelen, het bevoegde gerechtelijk arrondissement en de overheidsinstelling die in geval van beroep moet worden gedagvaard.
Wanneer de maatregelen bedoeld in het eerste lid, 3°, betrekking hebben op de in artikel 17, § 3, bedoelde opsporingsmaatregelen en, in voorkomend geval, op de onderzoeksmaatregelen die eruit voortvloeien en welke op die plaats werden uitgevoerd, bevat de beschrijving onder meer de volgende gegevens:
1° de beschrijving van de plaats of de plaatsen waar deze opsporings- of onderzoeksmaatregelen hebben plaatsgevonden;
2° de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen waarop toezicht wordt uitgeoefend en waarop zich een inbreuk heeft voorgedaan of mogelijk heeft voorgedaan die deze opsporings- of onderzoeksmaatregelen noodzakelijk maakt;
3° de lijst van de informatiedragers bedoeld in artikel 17, die werden opgespoord en, in voorkomend geval, die ter plaatse werden onderzocht;
4° de beschrijving van de feiten waaruit blijkt dat de bedoelde opsporingsmaatregelen of onderzoeksmaatregelen zijn gebeurd in de gevallen en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 17, § 3;
5° de verantwoording van het feit dat het met de bedoelde opsporings- of onderzoeksmaatregelen beoogde resultaat niet kon worden bereikt met andere, minder ingrijpende maatregelen.
Het geschrift bedoeld in artikel 28, § 1, vermeldt minstens het volgende:
1° de datum en het uur waarop de maatregelen zijn genomen;
2° de identiteit van de sociaal inspecteurs en de administratie waartoe zij behoren;
3° de genomen maatregelen;
4° de weergave van de tekst van de artikelen 68 tot 70;
5° de rechtsmiddelen tegen de maatregelen, het bevoegde gerechtelijk arrondissement en de overheidsinstelling die in geval van beroep moet worden gedagvaard.
Wanneer de maatregelen bedoeld in het eerste lid, 3°, betrekking hebben op de in artikel 17, § 3, bedoelde opsporingsmaatregelen en, in voorkomend geval, op de onderzoeksmaatregelen die eruit voortvloeien en welke op die plaats werden uitgevoerd, bevat de beschrijving onder meer de volgende gegevens:
1° de beschrijving van de plaats of de plaatsen waar deze opsporings- of onderzoeksmaatregelen hebben plaatsgevonden;
2° de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen waarop toezicht wordt uitgeoefend en waarop zich een inbreuk heeft voorgedaan of mogelijk heeft voorgedaan die deze opsporings- of onderzoeksmaatregelen noodzakelijk maakt;
3° de lijst van de informatiedragers bedoeld in artikel 17, die werden opgespoord en, in voorkomend geval, die ter plaatse werden onderzocht;
4° de beschrijving van de feiten waaruit blijkt dat de bedoelde opsporingsmaatregelen of onderzoeksmaatregelen zijn gebeurd in de gevallen en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 17, § 3;
5° de verantwoording van het feit dat het met de bedoelde opsporings- of onderzoeksmaatregelen beoogde resultaat niet kon worden bereikt met andere, minder ingrijpende maatregelen.
Art. 29. Contenu du constat
L'écrit mentionné à l'article 28, § 1er, comprend au moins :
1° la date et l'heure auxquelles les mesures sont prises;
2° l'identité des inspecteurs sociaux et l'administration dont ils relèvent;
3° les mesures prises;
4° la reproduction du texte des articles 68 à 70;
5° les voies de recours contre les mesures, l'arrondissement judiciaire compétent et l'autorité qui doit être citée en cas de recours.
Lorsque les mesures mentionnées à l'alinéa 1er, 3°, concernent les mesures de recherche mentionnées à l'article 17, § 3, et, le cas échéant, les mesures d'examen qui en découlent et qui ont été effectuées sur ce lieu, la description contient entre autres les données suivantes :
1° la description du ou des lieux où ces mesures de recherche ou d'examen ont eu lieu;
2° les dispositions légales, décrétales et réglementaires dont le contrôle est exercé et auxquelles une infraction a été commise ou probablement commise qui rend ces mesures de recherche ou d'examen nécessaires;
3° la liste des supports d'information mentionnés à l'article 17 qui ont été recherchés et, le cas échéant, qui ont été examinés sur place;
4° la description des faits dont il ressort que les mesures de recherche ou d'examen mentionnées ont eu lieu dans les cas et conditions mentionnés à l'article 17, § 3;
5° la justification du fait que le résultat poursuivi avec les mesures de recherche ou d'examen mentionnées ne pouvait pas être atteint par d'autres mesures moins contraignantes.
L'écrit mentionné à l'article 28, § 1er, comprend au moins :
1° la date et l'heure auxquelles les mesures sont prises;
2° l'identité des inspecteurs sociaux et l'administration dont ils relèvent;
3° les mesures prises;
4° la reproduction du texte des articles 68 à 70;
5° les voies de recours contre les mesures, l'arrondissement judiciaire compétent et l'autorité qui doit être citée en cas de recours.
Lorsque les mesures mentionnées à l'alinéa 1er, 3°, concernent les mesures de recherche mentionnées à l'article 17, § 3, et, le cas échéant, les mesures d'examen qui en découlent et qui ont été effectuées sur ce lieu, la description contient entre autres les données suivantes :
1° la description du ou des lieux où ces mesures de recherche ou d'examen ont eu lieu;
2° les dispositions légales, décrétales et réglementaires dont le contrôle est exercé et auxquelles une infraction a été commise ou probablement commise qui rend ces mesures de recherche ou d'examen nécessaires;
3° la liste des supports d'information mentionnés à l'article 17 qui ont été recherchés et, le cas échéant, qui ont été examinés sur place;
4° la description des faits dont il ressort que les mesures de recherche ou d'examen mentionnées ont eu lieu dans les cas et conditions mentionnés à l'article 17, § 3;
5° la justification du fait que le résultat poursuivi avec les mesures de recherche ou d'examen mentionnées ne pouvait pas être atteint par d'autres mesures moins contraignantes.
Art. 30. Procedure om beroep in te stellen tegen de genomen maatregelen
Een beroep kan worden ingesteld bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank door iedere persoon die van oordeel is dat zijn rechten werden geschonden door:
1° de opsporings- en onderzoeksmaatregelen vermeld in artikel 17, § 3;
2° de maatregelen vermeld in artikel 20;
3° de inbeslagnemingen en verzegelingen vermeld in de artikelen 25 en 26.
De vordering wordt ingesteld en behandeld in kortgeding overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek. Ze is niet opschortend.
Een beroep kan worden ingesteld bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank door iedere persoon die van oordeel is dat zijn rechten werden geschonden door:
1° de opsporings- en onderzoeksmaatregelen vermeld in artikel 17, § 3;
2° de maatregelen vermeld in artikel 20;
3° de inbeslagnemingen en verzegelingen vermeld in de artikelen 25 en 26.
De vordering wordt ingesteld en behandeld in kortgeding overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek. Ze is niet opschortend.
Art. 30. Procédure de recours contre les mesures prises
Toute personne peut introduire un recours auprès du président du tribunal du travail si elle estime que ses droits ont été lésés par :
1° les mesures de recherche et d'examen mentionnées à l'article 17, § 3;
2° les mesures mentionnées à l'article 20;
3° les saisies et mises sous scellés mentionnées aux articles 25 et 26.
L'action est formée et instruite selon les formes du référé conformément au Code judiciaire. Elle n'est pas suspensive.
Toute personne peut introduire un recours auprès du président du tribunal du travail si elle estime que ses droits ont été lésés par :
1° les mesures de recherche et d'examen mentionnées à l'article 17, § 3;
2° les mesures mentionnées à l'article 20;
3° les saisies et mises sous scellés mentionnées aux articles 25 et 26.
L'action est formée et instruite selon les formes du référé conformément au Code judiciaire. Elle n'est pas suspensive.
Art. 31. Aanplakking van documenten
De sociaal inspecteurs mogen bevelen dat de documenten die moeten worden aangeplakt ingevolge de wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen vermeld in artikel 4, binnen een termijn die zij bepalen of zonder uitstel daadwerkelijk aangeplakt worden en aangeplakt blijven.
Zij mogen eveneens, indien zij dat in het belang van de werknemers of de begunstigden nodig achten, elk document opmaken of overhandigen ter vervanging van de documenten bedoeld in de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen vermeld in artikel 4.
De sociaal inspecteurs mogen bevelen dat de documenten die moeten worden aangeplakt ingevolge de wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen vermeld in artikel 4, binnen een termijn die zij bepalen of zonder uitstel daadwerkelijk aangeplakt worden en aangeplakt blijven.
Zij mogen eveneens, indien zij dat in het belang van de werknemers of de begunstigden nodig achten, elk document opmaken of overhandigen ter vervanging van de documenten bedoeld in de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen vermeld in artikel 4.
Art. 31. Apposition de documents
Les inspecteurs sociaux peuvent ordonner que les documents dont l'apposition est prévue par les dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4 soient et restent effectivement apposés, dans un délai qu'ils déterminent ou sans délai.
Ils peuvent également, s'ils l'estiment nécessaire dans l'intérêt des travailleurs ou des bénéficiaires, établir ou délivrer tout document remplaçant ceux visés par les dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4.
Les inspecteurs sociaux peuvent ordonner que les documents dont l'apposition est prévue par les dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4 soient et restent effectivement apposés, dans un délai qu'ils déterminent ou sans délai.
Ils peuvent également, s'ils l'estiment nécessaire dans l'intérêt des travailleurs ou des bénéficiaires, établir ou délivrer tout document remplaçant ceux visés par les dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4.
Art. 32. Vertaling
Als dit voor de controle noodzakelijk is, kunnen de sociaal inspecteurs overeenkomstig artikel 59 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, eisen dat de gegevens bedoeld in artikel 17 worden vertaald.
Als dit voor de controle noodzakelijk is, kunnen de sociaal inspecteurs overeenkomstig artikel 59 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, eisen dat de gegevens bedoeld in artikel 17 worden vertaald.
Art. 32. Traduction
Lorsque le contrôle le requiert, les inspecteurs sociaux peuvent exiger une traduction des données mentionnées à l'article 17 conformément à l'article 59 des lois coordonnées du 18 juillet 1966 sur l'emploi des langues en matière administrative.
Lorsque le contrôle le requiert, les inspecteurs sociaux peuvent exiger une traduction des données mentionnées à l'article 17 conformément à l'article 59 des lois coordonnées du 18 juillet 1966 sur l'emploi des langues en matière administrative.
Hoofdstuk 3. - Plichten van de sociaal inspecteurs
Chapitre 3. - Devoirs des inspecteurs sociaux
Art. 33. Eedaflegging
De sociaal inspecteurs leggen de eed af ten overstaan van de Regering.
De sociaal inspecteurs leggen de eed af ten overstaan van de Regering.
Art. 33. Prestation de serment
Les inspecteurs sociaux prêtent serment devant le Gouvernement.
Les inspecteurs sociaux prêtent serment devant le Gouvernement.
Art. 34. Geheimhoudingsplicht
Behoudens uitdrukkelijke machtiging van de indiener van een klacht of van een aangifte betreffende een inbreuk op de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen waarop zij toezicht uitoefenen, mogen de sociaal inspecteurs in geen enkel geval, zelfs niet voor de rechtbanken, de identiteit van de indiener van deze klacht of van deze aangifte bekendmaken.
Ze mogen de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber ook niet onthullen dat ingevolge een klacht of een aangifte een inspectie werd doorgevoerd.
De Regering kan nadere deontologische regels vastleggen.
Behoudens uitdrukkelijke machtiging van de indiener van een klacht of van een aangifte betreffende een inbreuk op de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen waarop zij toezicht uitoefenen, mogen de sociaal inspecteurs in geen enkel geval, zelfs niet voor de rechtbanken, de identiteit van de indiener van deze klacht of van deze aangifte bekendmaken.
Ze mogen de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber ook niet onthullen dat ingevolge een klacht of een aangifte een inspectie werd doorgevoerd.
De Regering kan nadere deontologische regels vastleggen.
Art. 34. Devoir de discrétion
Sauf autorisation expresse de l'auteur d'une plainte ou d'une dénonciation relative à une infraction aux dispositions légales, décrétales et réglementaires dont ils exercent le contrôle, les inspecteurs sociaux ne peuvent révéler en aucun cas, même devant les tribunaux, le nom de l'auteur de cette plainte ou de cette dénonciation.
Il leur est également interdit de révéler à l'employeur, à son préposé ou à son mandataire qu'il a été procédé à une enquête à la suite d'une plainte ou d'une dénonciation.
Le Gouvernement peut fixer d'autres règles de déontologie.
Sauf autorisation expresse de l'auteur d'une plainte ou d'une dénonciation relative à une infraction aux dispositions légales, décrétales et réglementaires dont ils exercent le contrôle, les inspecteurs sociaux ne peuvent révéler en aucun cas, même devant les tribunaux, le nom de l'auteur de cette plainte ou de cette dénonciation.
Il leur est également interdit de révéler à l'employeur, à son préposé ou à son mandataire qu'il a été procédé à une enquête à la suite d'une plainte ou d'une dénonciation.
Le Gouvernement peut fixer d'autres règles de déontologie.
Art. 35. Belangenconflicten
De sociaal inspecteurs mogen geen directe of indirecte belangen hebben in de ondernemingen of instellingen waarop zij toezicht uitoefenen.
De sociaal inspecteurs mogen geen directe of indirecte belangen hebben in de ondernemingen of instellingen waarop zij toezicht uitoefenen.
Art. 35. Conflits d'intérêts
Les inspecteurs sociaux ne peuvent avoir un intérêt quelconque, direct ou indirect, dans les entreprises ou institutions qu'ils sont chargés de contrôler.
Les inspecteurs sociaux ne peuvent avoir un intérêt quelconque, direct ou indirect, dans les entreprises ou institutions qu'ils sont chargés de contrôler.
Hoofdstuk 4. - Processen-verbaal
Chapitre 4. - Procès-verbaux
Afdeling 1. - Processen-verbaal van verhoor
Section 1re. - Procès-verbaux d'audition
Art. 36. Bepalingen inzake verhoor
§ 1 - Bij het verhoren van personen, ongeacht in welke hoedanigheid zij worden verhoord, worden ten minste de regels in acht genomen die in deze paragraaf worden bepaald.
Bij het begin van elk verhoor wordt de ondervraagde persoon kort ingelicht over de feiten waarover hij ondervraagd wordt en wordt hem meegedeeld dat:
1° hij kan vragen dat alle vragen die hem worden gesteld en alle antwoorden die hij geeft, worden genoteerd in de gebruikte bewoordingen;
2° hij kan vragen dat iedere maatregel wordt genomen die krachtens dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan onder de bevoegdheid van de sociaal inspecteurs valt;
3° zijn verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt;
4° hij niet verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen.
Eenieder die wordt ondervraagd, mag:
1° gebruik maken van de documenten in zijn bezit, zonder dat daardoor het verhoor kan worden uitgesteld;
2° tijdens de ondervraging of later, eisen dat deze documenten bij het proces-verbaal van verhoor worden gevoegd.
Het proces-verbaal bevat de volgende gegevens:
1° het tijdstip waarop het verhoor wordt aangevat, eventueel onderbroken en hervat, alsook beëindigd;
2° de identiteit van de personen die in het verhoor, of in een gedeelte daarvan, tussenkomen, en het tijdstip van hun aankomst en vertrek;
3° de bijzondere omstandigheden en alles wat een bijzonder licht kan werpen op de verklaring of op de omstandigheden waarin zij is afgelegd.
Aan het einde van het verhoor geeft men de ondervraagde persoon het proces-verbaal van zijn verhoor te lezen, tenzij hij vraagt dat het hem wordt voorgelezen. Er wordt hem gevraagd of hij zijn verklaringen wil verbeteren of iets aan zijn verklaringen wil toevoegen.
Na het lezen van het in voorkomend geval verbeterde en aangevulde proces-verbaal, wordt het ondertekend door de opsteller. Deze nodigt vervolgens de ondervraagde persoon en de desgevallend tussenkomende partijen uit om op hun beurt te ondertekenen. In geval van weigering van ondertekening door de ondervraagde persoon of een tussenkomende partij wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.
Indien de ondervraagde persoon zich in een andere taal dan die van de procedure wenst uit te drukken, wordt ofwel een beroep gedaan op een beëdigde tolk, ofwel worden zijn verklaringen genoteerd in zijn taal, ofwel wordt hem gevraagd zelf zijn verklaring te noteren. Zo het verhoor plaatsheeft met bijstand van een tolk worden diens identiteit en hoedanigheid vermeld.
Het proces-verbaal van verhoor geeft de tekst van deze paragraaf weer.
§ 2 - Onverminderd § 1 wordt, vooraleer wordt overgegaan tot het verhoor van een persoon aangaande inbreuken die hem ten laste kunnen worden gelegd, aan de te ondervragen persoon op beknopte wijze kennis gegeven van de feiten waarover hij zal worden verhoord. Hij wordt erover geïnformeerd:
1° dat hij niet verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen;
2° dat hij na bekendmaking van zijn identiteit de keuze heeft om een verklaring af te leggen, vragen te beantwoorden of te zwijgen;
3° dat hij het recht heeft om vóór het eerste verhoor een vertrouwelijk overleg te hebben met een advocaat naar keuze of een hem toegewezen advocaat, in zoverre de feiten die hem ten laste kunnen worden gelegd een inbreuk betreffen waarvan de straf aanleiding kan geven tot een aanhoudingsbevel;
4° dat, in voorkomend geval, hij niet van zijn vrijheid is benomen en hij op elk ogenblik kan gaan en staan waar hij wil.
Alleen de meerderjarige te ondervragen persoon kan vrijwillig en weloverwogen afstand doen van het in het eerste lid, 3°, bedoelde recht. Hij moet de afstand schriftelijk doen, in een door hem gedagtekend en ondertekend document.
Indien het eerste verhoor op schriftelijke uitnodiging geschiedt, kunnen de in het eerste lid, 1° tot 4°, vermelde rechten, evenals de beknopte mededeling van de feiten waarover de te ondervragen persoon zal worden verhoord, reeds ter kennis gebracht worden in deze uitnodiging waarvan een afschrift gevoegd wordt bij het proces-verbaal van verhoor. In dat geval wordt de betrokkene geacht een advocaat te hebben geraadpleegd alvorens zich aan te bieden voor het verhoor.
Indien het verhoor niet op uitnodiging geschiedt of indien bij de uitnodiging de in het derde lid bepaalde elementen niet zijn vermeld, kan het verhoor op verzoek van de te ondervragen persoon eenmalig worden uitgesteld, teneinde hem de gelegenheid te geven een advocaat te raadplegen.
Het proces-verbaal van verhoor geeft de tekst van deze paragraaf weer.
§ 3 - Aan de in § 2 bedoelde persoon wordt vóór het eerste verhoor een schriftelijke verklaring van de in dezelfde paragraaf vermelde rechten overhandigd.
§ 4 - Indien tijdens het verhoor van een persoon die aanvankelijk niet als verdachte werd beschouwd, blijkt dat er elementen zijn die laten vermoeden dat hem inbreuken ten laste kunnen worden gelegd, dan wordt die persoon ingelicht over de rechten die hij heeft ingevolge § 2 en wordt de in § 3 bedoelde schriftelijke verklaring aan hem overhandigd.
§ 1 - Bij het verhoren van personen, ongeacht in welke hoedanigheid zij worden verhoord, worden ten minste de regels in acht genomen die in deze paragraaf worden bepaald.
Bij het begin van elk verhoor wordt de ondervraagde persoon kort ingelicht over de feiten waarover hij ondervraagd wordt en wordt hem meegedeeld dat:
1° hij kan vragen dat alle vragen die hem worden gesteld en alle antwoorden die hij geeft, worden genoteerd in de gebruikte bewoordingen;
2° hij kan vragen dat iedere maatregel wordt genomen die krachtens dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan onder de bevoegdheid van de sociaal inspecteurs valt;
3° zijn verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt;
4° hij niet verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen.
Eenieder die wordt ondervraagd, mag:
1° gebruik maken van de documenten in zijn bezit, zonder dat daardoor het verhoor kan worden uitgesteld;
2° tijdens de ondervraging of later, eisen dat deze documenten bij het proces-verbaal van verhoor worden gevoegd.
Het proces-verbaal bevat de volgende gegevens:
1° het tijdstip waarop het verhoor wordt aangevat, eventueel onderbroken en hervat, alsook beëindigd;
2° de identiteit van de personen die in het verhoor, of in een gedeelte daarvan, tussenkomen, en het tijdstip van hun aankomst en vertrek;
3° de bijzondere omstandigheden en alles wat een bijzonder licht kan werpen op de verklaring of op de omstandigheden waarin zij is afgelegd.
Aan het einde van het verhoor geeft men de ondervraagde persoon het proces-verbaal van zijn verhoor te lezen, tenzij hij vraagt dat het hem wordt voorgelezen. Er wordt hem gevraagd of hij zijn verklaringen wil verbeteren of iets aan zijn verklaringen wil toevoegen.
Na het lezen van het in voorkomend geval verbeterde en aangevulde proces-verbaal, wordt het ondertekend door de opsteller. Deze nodigt vervolgens de ondervraagde persoon en de desgevallend tussenkomende partijen uit om op hun beurt te ondertekenen. In geval van weigering van ondertekening door de ondervraagde persoon of een tussenkomende partij wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.
Indien de ondervraagde persoon zich in een andere taal dan die van de procedure wenst uit te drukken, wordt ofwel een beroep gedaan op een beëdigde tolk, ofwel worden zijn verklaringen genoteerd in zijn taal, ofwel wordt hem gevraagd zelf zijn verklaring te noteren. Zo het verhoor plaatsheeft met bijstand van een tolk worden diens identiteit en hoedanigheid vermeld.
Het proces-verbaal van verhoor geeft de tekst van deze paragraaf weer.
§ 2 - Onverminderd § 1 wordt, vooraleer wordt overgegaan tot het verhoor van een persoon aangaande inbreuken die hem ten laste kunnen worden gelegd, aan de te ondervragen persoon op beknopte wijze kennis gegeven van de feiten waarover hij zal worden verhoord. Hij wordt erover geïnformeerd:
1° dat hij niet verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen;
2° dat hij na bekendmaking van zijn identiteit de keuze heeft om een verklaring af te leggen, vragen te beantwoorden of te zwijgen;
3° dat hij het recht heeft om vóór het eerste verhoor een vertrouwelijk overleg te hebben met een advocaat naar keuze of een hem toegewezen advocaat, in zoverre de feiten die hem ten laste kunnen worden gelegd een inbreuk betreffen waarvan de straf aanleiding kan geven tot een aanhoudingsbevel;
4° dat, in voorkomend geval, hij niet van zijn vrijheid is benomen en hij op elk ogenblik kan gaan en staan waar hij wil.
Alleen de meerderjarige te ondervragen persoon kan vrijwillig en weloverwogen afstand doen van het in het eerste lid, 3°, bedoelde recht. Hij moet de afstand schriftelijk doen, in een door hem gedagtekend en ondertekend document.
Indien het eerste verhoor op schriftelijke uitnodiging geschiedt, kunnen de in het eerste lid, 1° tot 4°, vermelde rechten, evenals de beknopte mededeling van de feiten waarover de te ondervragen persoon zal worden verhoord, reeds ter kennis gebracht worden in deze uitnodiging waarvan een afschrift gevoegd wordt bij het proces-verbaal van verhoor. In dat geval wordt de betrokkene geacht een advocaat te hebben geraadpleegd alvorens zich aan te bieden voor het verhoor.
Indien het verhoor niet op uitnodiging geschiedt of indien bij de uitnodiging de in het derde lid bepaalde elementen niet zijn vermeld, kan het verhoor op verzoek van de te ondervragen persoon eenmalig worden uitgesteld, teneinde hem de gelegenheid te geven een advocaat te raadplegen.
Het proces-verbaal van verhoor geeft de tekst van deze paragraaf weer.
§ 3 - Aan de in § 2 bedoelde persoon wordt vóór het eerste verhoor een schriftelijke verklaring van de in dezelfde paragraaf vermelde rechten overhandigd.
§ 4 - Indien tijdens het verhoor van een persoon die aanvankelijk niet als verdachte werd beschouwd, blijkt dat er elementen zijn die laten vermoeden dat hem inbreuken ten laste kunnen worden gelegd, dan wordt die persoon ingelicht over de rechten die hij heeft ingevolge § 2 en wordt de in § 3 bedoelde schriftelijke verklaring aan hem overhandigd.
Art. 36. Dispositions en matière d'audition
§ 1er - Lors de l'audition de personnes, entendues en quelque qualité que ce soit, seront respectées au moins les règles prévues au présent paragraphe.
Au début de toute audition, la personne entendue est informée succinctement des faits sur lesquels elle est interrogée et il lui est communiqué :
1° qu'elle peut demander que toutes les questions qui lui sont posées et les réponses qu'elle donne soient actées dans les termes utilisés;
2° qu'elle peut demander qu'il soit procédé à toute mesure relevant du pouvoir des inspecteurs sociaux en vertu du présent décret et de ses arrêtés d'exécution;
3° que ses déclarations peuvent être utilisées comme preuve en justice;
4° qu'elle ne peut pas être contrainte de s'accuser elle-même.
Toute personne entendue peut :
1° utiliser les documents en sa possession, sans que cela puisse entrainer le report de l'audition;
2° lors de l'audition ou ultérieurement, exiger que ces documents soient joints au procès-verbal d'audition.
Le procès-verbal mentionne :
1° l'heure à laquelle l'audition prend cours, est éventuellement interrompue et reprise, et prend fin;
2° l'identité des personnes qui interviennent lors de l'audition ou d'une partie de celle-ci ainsi que le moment de leur arrivée et de leur départ;
3° les circonstances particulières et tout ce qui peut éclairer la déclaration ou les circonstances dans lesquelles elle a été faite.
A la fin de l'audition, le procès-verbal est donné en lecture à la personne entendue, à moins que celle-ci ne demande que lecture lui en soit faite. Il lui est demandé si ses déclarations ne doivent pas être corrigées ou complétées.
Après que le procès-verbal a été lu et, au besoin, corrigé et complété, il est signé par le verbalisant qui invite ensuite la personne entendue et les éventuels intervenants à le signer à leur tour. Si la personne entendue ou un intervenant refuse de signer, mention en est faite sur le procès-verbal.
Si la personne entendue souhaite s'exprimer dans une autre langue que celle de la procédure, soit il est fait appel à un interprète juré, soit ses déclarations sont notées dans sa langue, soit il lui est demandé de noter elle-même sa déclaration. Si l'audition a lieu avec l'assistance d'un interprète, son identité et sa qualité sont mentionnées.
Le procès-verbal d'audition reproduit le texte du présent paragraphe.
§ 2 - Sans préjudice de l'application du § 1er, avant qu'il ne soit procédé à l'audition d'une personne sur des infractions qui peuvent lui être imputées, la personne à auditionner est informée succinctement des faits sur lesquels elle sera entendue. Il lui est communiqué :
1° qu'elle ne peut pas être contrainte de s'accuser elle-même;
2° qu'elle a le choix, après avoir décliné son identité, de faire une déclaration, de répondre aux questions qui lui sont posées ou de se taire;
3° qu'elle a le droit, avant l'audition, de se concerter confidentiellement avec un avocat de son choix ou avec un avocat qui lui est désigné, si les faits qui peuvent lui être imputés concernent une infraction dont la sanction peut donner lieu à la délivrance d'un mandat d'arrêt;
4° le cas échéant, qu'elle n'est pas privée de sa liberté et qu'elle peut aller et venir à tout moment.
Seule la personne majeure à auditionner peut renoncer volontairement et de manière réfléchie au droit mentionné à l'alinéa 1er, 3°. Elle procède à la renonciation par écrit, dans un document daté et signé par elle.
Si la première audition a lieu sur convocation écrite, les droits énoncés à l'alinéa 1er, 1° à 4°, ainsi que la communication succincte des faits sur lesquels la personne à auditionner sera entendue, peuvent déjà être notifiés dans cette convocation, laquelle est jointe en copie au procès-verbal d'audition. En pareil cas, la personne concernée est présumée avoir consulté un avocat avant de se présenter à l'audition.
Si l'audition n'a pas lieu sur convocation ou si la convocation ne mentionne pas les éléments repris à l'alinéa 3, l'audition peut être reportée une seule fois à la demande de la personne à auditionner, afin de lui donner la possibilité de consulter un avocat.
Le procès-verbal d'audition reproduit le texte du présent paragraphe.
§ 3 - Une déclaration écrite des droits prévus au § 2 est remise à la personne mentionnée au même paragraphe avant la première audition.
§ 4 - Si, au cours de l'audition d'une personne qui n'était pas considérée initialement comme un suspect, il s'avère que certains éléments laissent présumer que des infractions peuvent lui être imputées, cette personne est informée des droits dont elle jouit en vertu du § 2, et la déclaration écrite mentionnée au § 3 lui est remise.
§ 1er - Lors de l'audition de personnes, entendues en quelque qualité que ce soit, seront respectées au moins les règles prévues au présent paragraphe.
Au début de toute audition, la personne entendue est informée succinctement des faits sur lesquels elle est interrogée et il lui est communiqué :
1° qu'elle peut demander que toutes les questions qui lui sont posées et les réponses qu'elle donne soient actées dans les termes utilisés;
2° qu'elle peut demander qu'il soit procédé à toute mesure relevant du pouvoir des inspecteurs sociaux en vertu du présent décret et de ses arrêtés d'exécution;
3° que ses déclarations peuvent être utilisées comme preuve en justice;
4° qu'elle ne peut pas être contrainte de s'accuser elle-même.
Toute personne entendue peut :
1° utiliser les documents en sa possession, sans que cela puisse entrainer le report de l'audition;
2° lors de l'audition ou ultérieurement, exiger que ces documents soient joints au procès-verbal d'audition.
Le procès-verbal mentionne :
1° l'heure à laquelle l'audition prend cours, est éventuellement interrompue et reprise, et prend fin;
2° l'identité des personnes qui interviennent lors de l'audition ou d'une partie de celle-ci ainsi que le moment de leur arrivée et de leur départ;
3° les circonstances particulières et tout ce qui peut éclairer la déclaration ou les circonstances dans lesquelles elle a été faite.
A la fin de l'audition, le procès-verbal est donné en lecture à la personne entendue, à moins que celle-ci ne demande que lecture lui en soit faite. Il lui est demandé si ses déclarations ne doivent pas être corrigées ou complétées.
Après que le procès-verbal a été lu et, au besoin, corrigé et complété, il est signé par le verbalisant qui invite ensuite la personne entendue et les éventuels intervenants à le signer à leur tour. Si la personne entendue ou un intervenant refuse de signer, mention en est faite sur le procès-verbal.
Si la personne entendue souhaite s'exprimer dans une autre langue que celle de la procédure, soit il est fait appel à un interprète juré, soit ses déclarations sont notées dans sa langue, soit il lui est demandé de noter elle-même sa déclaration. Si l'audition a lieu avec l'assistance d'un interprète, son identité et sa qualité sont mentionnées.
Le procès-verbal d'audition reproduit le texte du présent paragraphe.
§ 2 - Sans préjudice de l'application du § 1er, avant qu'il ne soit procédé à l'audition d'une personne sur des infractions qui peuvent lui être imputées, la personne à auditionner est informée succinctement des faits sur lesquels elle sera entendue. Il lui est communiqué :
1° qu'elle ne peut pas être contrainte de s'accuser elle-même;
2° qu'elle a le choix, après avoir décliné son identité, de faire une déclaration, de répondre aux questions qui lui sont posées ou de se taire;
3° qu'elle a le droit, avant l'audition, de se concerter confidentiellement avec un avocat de son choix ou avec un avocat qui lui est désigné, si les faits qui peuvent lui être imputés concernent une infraction dont la sanction peut donner lieu à la délivrance d'un mandat d'arrêt;
4° le cas échéant, qu'elle n'est pas privée de sa liberté et qu'elle peut aller et venir à tout moment.
Seule la personne majeure à auditionner peut renoncer volontairement et de manière réfléchie au droit mentionné à l'alinéa 1er, 3°. Elle procède à la renonciation par écrit, dans un document daté et signé par elle.
Si la première audition a lieu sur convocation écrite, les droits énoncés à l'alinéa 1er, 1° à 4°, ainsi que la communication succincte des faits sur lesquels la personne à auditionner sera entendue, peuvent déjà être notifiés dans cette convocation, laquelle est jointe en copie au procès-verbal d'audition. En pareil cas, la personne concernée est présumée avoir consulté un avocat avant de se présenter à l'audition.
Si l'audition n'a pas lieu sur convocation ou si la convocation ne mentionne pas les éléments repris à l'alinéa 3, l'audition peut être reportée une seule fois à la demande de la personne à auditionner, afin de lui donner la possibilité de consulter un avocat.
Le procès-verbal d'audition reproduit le texte du présent paragraphe.
§ 3 - Une déclaration écrite des droits prévus au § 2 est remise à la personne mentionnée au même paragraphe avant la première audition.
§ 4 - Si, au cours de l'audition d'une personne qui n'était pas considérée initialement comme un suspect, il s'avère que certains éléments laissent présumer que des infractions peuvent lui être imputées, cette personne est informée des droits dont elle jouit en vertu du § 2, et la déclaration écrite mentionnée au § 3 lui est remise.
Art. 37. Afschrift van het verhoor
De sociaal inspecteurs delen de ondervraagde persoon mee dat hij kosteloos een afschrift van de tekst van zijn verhoor kan verkrijgen.
Dit afschrift wordt hem onmiddellijk of binnen een maand overhandigd of toegezonden.
Evenwel kan de sociaal inspecteur, aan de hand van een met redenen omklede beslissing, het tijdstip van deze mededeling uitstellen voor een eenmalig hernieuwbare termijn van ten hoogste drie maanden. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.
Het proces-verbaal van verhoor geeft de tekst van dit artikel weer.
De sociaal inspecteurs delen de ondervraagde persoon mee dat hij kosteloos een afschrift van de tekst van zijn verhoor kan verkrijgen.
Dit afschrift wordt hem onmiddellijk of binnen een maand overhandigd of toegezonden.
Evenwel kan de sociaal inspecteur, aan de hand van een met redenen omklede beslissing, het tijdstip van deze mededeling uitstellen voor een eenmalig hernieuwbare termijn van ten hoogste drie maanden. Deze beslissing wordt opgenomen in het dossier.
Het proces-verbaal van verhoor geeft de tekst van dit artikel weer.
Art. 37. Copie du texte de l'audition
Les inspecteurs sociaux informent la personne entendue qu'elle peut obtenir gratuitement une copie du texte de l'audition.
Cette copie lui est remise immédiatement ou adressée dans le mois.
Toutefois, l'inspecteur social peut, par décision motivée, retarder le moment de cette communication pendant un délai de trois mois maximum, renouvelable une fois. Cette décision est déposée au dossier.
Le procès-verbal d'audition reproduit le texte du présent article.
Les inspecteurs sociaux informent la personne entendue qu'elle peut obtenir gratuitement une copie du texte de l'audition.
Cette copie lui est remise immédiatement ou adressée dans le mois.
Toutefois, l'inspecteur social peut, par décision motivée, retarder le moment de cette communication pendant un délai de trois mois maximum, renouvelable une fois. Cette décision est déposée au dossier.
Le procès-verbal d'audition reproduit le texte du présent article.
Afdeling 2. - Processen-verbaal tot vaststelling van een inbreuk
Section 2. - Procès-verbaux constatant une infraction
Art. 38. Proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk
Ieder proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk op de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen en van een inbreuk op dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan bevat minstens de volgende gegevens:
1° de identiteit van de verbaliserende ambtenaar of van het verbaliserende personeelslid;
2° de bepaling waaraan de verbaliserende ambtenaar of het verbaliserende personeelslid zijn bevoegdheid tot optreden ontleent;
3° de plaats en de datum van de inbreuk;
4° de identiteit van de vermoedelijke dader en van de betrokkenen;
5° de bepaling waarop inbreuk werd gepleegd;
6° een beknopt relaas van de feiten met betrekking tot de gepleegde inbreuken;
7° de datum en de plaats van opmaak van het proces-verbaal, het eventuele verband met andere processen-verbaal, en, in voorkomend geval, de inventaris van de bijlagen.
De Regering kan algemene vormregels opstellen die toepasselijk zijn voor de processen-verbaal tot vaststelling van een inbreuk.
Ieder proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk op de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen en van een inbreuk op dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan bevat minstens de volgende gegevens:
1° de identiteit van de verbaliserende ambtenaar of van het verbaliserende personeelslid;
2° de bepaling waaraan de verbaliserende ambtenaar of het verbaliserende personeelslid zijn bevoegdheid tot optreden ontleent;
3° de plaats en de datum van de inbreuk;
4° de identiteit van de vermoedelijke dader en van de betrokkenen;
5° de bepaling waarop inbreuk werd gepleegd;
6° een beknopt relaas van de feiten met betrekking tot de gepleegde inbreuken;
7° de datum en de plaats van opmaak van het proces-verbaal, het eventuele verband met andere processen-verbaal, en, in voorkomend geval, de inventaris van de bijlagen.
De Regering kan algemene vormregels opstellen die toepasselijk zijn voor de processen-verbaal tot vaststelling van een inbreuk.
Art. 38. Procès-verbal constatant une infraction
Tout procès-verbal constatant une infraction aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4 ainsi qu'aux dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution contient au moins les données suivantes :
1° l'identité du fonctionnaire ou de l'agent verbalisant;
2° la disposition en vertu de laquelle le fonctionnaire ou l'agent verbalisant est compétent pour agir;
3° le lieu et la date de l'infraction;
4° l'identité de l'auteur présumé et des personnes intéressées;
5° la disposition légale violée;
6° un exposé succinct des faits en rapport avec les infractions commises;
7° les date et lieu de rédaction du procès-verbal, le lien éventuel avec d'autres procès-verbaux, et, le cas échéant, l'inventaire des annexes.
Le Gouvernement peut déterminer des règles générales de forme qui sont applicables aux procès-verbaux constatant une infraction.
Tout procès-verbal constatant une infraction aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4 ainsi qu'aux dispositions du présent décret et de ses arrêtés d'exécution contient au moins les données suivantes :
1° l'identité du fonctionnaire ou de l'agent verbalisant;
2° la disposition en vertu de laquelle le fonctionnaire ou l'agent verbalisant est compétent pour agir;
3° le lieu et la date de l'infraction;
4° l'identité de l'auteur présumé et des personnes intéressées;
5° la disposition légale violée;
6° un exposé succinct des faits en rapport avec les infractions commises;
7° les date et lieu de rédaction du procès-verbal, le lien éventuel avec d'autres procès-verbaux, et, le cas échéant, l'inventaire des annexes.
Le Gouvernement peut déterminer des règles générales de forme qui sont applicables aux procès-verbaux constatant une infraction.
Art. 39. Overzending van het proces-verbaal
Het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk wordt aan het openbaar ministerie en aan de Regering overgezonden binnen een termijn van veertien dagen ingaand daags na de dag van de vaststelling van het laatste element dat deel van de inbreuk is.
Een afschrift van het proces-verbaal wordt ter kennis gebracht van de vermoedelijke inbreukpleger via een verzending waarvan de datum met zekerheid kan worden vastgesteld. Zoniet heeft laatstgenoemde te allen tijde het recht om een afschrift ervan te bekomen bij de sociaal inspecteur die het proces-verbaal heeft opgemaakt.
Het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk wordt aan het openbaar ministerie en aan de Regering overgezonden binnen een termijn van veertien dagen ingaand daags na de dag van de vaststelling van het laatste element dat deel van de inbreuk is.
Een afschrift van het proces-verbaal wordt ter kennis gebracht van de vermoedelijke inbreukpleger via een verzending waarvan de datum met zekerheid kan worden vastgesteld. Zoniet heeft laatstgenoemde te allen tijde het recht om een afschrift ervan te bekomen bij de sociaal inspecteur die het proces-verbaal heeft opgemaakt.
Art. 39. Communication du procès-verbal
Le procès-verbal constatant une infraction est transmis au ministère public ainsi qu'au Gouvernement dans un délai de quatorze jours prenant cours le lendemain du jour de la constatation du dernier élément constitutif de l'infraction.
Une copie du procès-verbal est notifiée à l'auteur présumé de l'infraction par envoi dûment daté. A défaut, celui-ci a, à tout moment, le droit d'obtenir une copie auprès de l'inspecteur social qui a dressé le procès-verbal.
Le procès-verbal constatant une infraction est transmis au ministère public ainsi qu'au Gouvernement dans un délai de quatorze jours prenant cours le lendemain du jour de la constatation du dernier élément constitutif de l'infraction.
Une copie du procès-verbal est notifiée à l'auteur présumé de l'infraction par envoi dûment daté. A défaut, celui-ci a, à tout moment, le droit d'obtenir une copie auprès de l'inspecteur social qui a dressé le procès-verbal.
Art. 40. Bijzondere bewijskracht
De processen-verbaal die opgemaakt zijn door de sociaal inspecteurs hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is, voor zover een afschrift ervan ter kennis wordt gebracht van de vermoedelijke pleger van de inbreuk en, in voorkomend geval, van zijn werkgever binnen een termijn van veertien dagen ingaand daags na de dag van de vaststelling van het laatste element dat deel van de inbreuk is.
Wanneer de vermoedelijke pleger van de inbreuk of de werkgever niet kan worden geïdentificeerd op de dag van de vaststelling van de inbreuk begint de termijn van veertien dagen te lopen op de dag waarop de sociaal inspecteurs de vermoedelijke pleger van de inbreuk met zekerheid konden identificeren.
Voor de toepassing van de termijn bedoeld in het eerste lid, vormen het geven van een waarschuwing, het verlenen van een termijn om aan de voorschriften te voldoen of het nemen van de maatregelen bedoeld in hoofdstuk 2, afdeling 2, geen vaststelling van de inbreuk.
De processen-verbaal die opgemaakt zijn door de sociaal inspecteurs hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is, voor zover een afschrift ervan ter kennis wordt gebracht van de vermoedelijke pleger van de inbreuk en, in voorkomend geval, van zijn werkgever binnen een termijn van veertien dagen ingaand daags na de dag van de vaststelling van het laatste element dat deel van de inbreuk is.
Wanneer de vermoedelijke pleger van de inbreuk of de werkgever niet kan worden geïdentificeerd op de dag van de vaststelling van de inbreuk begint de termijn van veertien dagen te lopen op de dag waarop de sociaal inspecteurs de vermoedelijke pleger van de inbreuk met zekerheid konden identificeren.
Voor de toepassing van de termijn bedoeld in het eerste lid, vormen het geven van een waarschuwing, het verlenen van een termijn om aan de voorschriften te voldoen of het nemen van de maatregelen bedoeld in hoofdstuk 2, afdeling 2, geen vaststelling van de inbreuk.
Art. 40. Force probante particulière
Les procès-verbaux dressés par les inspecteurs sociaux font foi jusqu'à preuve du contraire pour autant qu'une copie en soit transmise à l'auteur présumé de l'infraction et, le cas échéant, à son employeur, dans un délai de quatorze jours prenant cours le lendemain du jour de la constatation du dernier élément constitutif de l'infraction.
Lorsque l'auteur présumé de l'infraction ou l'employeur ne peut pas être identifié le jour de la constatation de l'infraction, le délai de quatorze jours commence à courir le jour où l'auteur présumé de l'infraction a pu être identifié de façon certaine par les inspecteurs sociaux.
Pour l'application du délai mentionné à l'alinéa 1er, l'avertissement, la fixation d'un délai pour se mettre en ordre ou l'adoption d'une des mesures mentionnées au chapitre 2, section 2, n'emportent pas la constatation de l'infraction.
Les procès-verbaux dressés par les inspecteurs sociaux font foi jusqu'à preuve du contraire pour autant qu'une copie en soit transmise à l'auteur présumé de l'infraction et, le cas échéant, à son employeur, dans un délai de quatorze jours prenant cours le lendemain du jour de la constatation du dernier élément constitutif de l'infraction.
Lorsque l'auteur présumé de l'infraction ou l'employeur ne peut pas être identifié le jour de la constatation de l'infraction, le délai de quatorze jours commence à courir le jour où l'auteur présumé de l'infraction a pu être identifié de façon certaine par les inspecteurs sociaux.
Pour l'application du délai mentionné à l'alinéa 1er, l'avertissement, la fixation d'un délai pour se mettre en ordre ou l'adoption d'une des mesures mentionnées au chapitre 2, section 2, n'emportent pas la constatation de l'infraction.
Art. 41. Draagwijdte van de bijzondere bewijskracht voor andere inspectiediensten
De materiële vaststellingen die gedaan zijn in een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk door de sociaal inspecteurs van een inspectiedienst kunnen met hun bijzondere bewijskracht gebruikt worden door de sociaal inspecteurs van dezelfde dienst, van andere inspectiediensten of door de ambtenaren of personeelsleden die belast zijn met het toezicht op de naleving van andere rechtsvoorschriften.
De materiële vaststellingen die gedaan zijn in een proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk door de sociaal inspecteurs van een inspectiedienst kunnen met hun bijzondere bewijskracht gebruikt worden door de sociaal inspecteurs van dezelfde dienst, van andere inspectiediensten of door de ambtenaren of personeelsleden die belast zijn met het toezicht op de naleving van andere rechtsvoorschriften.
Art. 41. Etendue de la force probante particulière pour les autres services d'inspection
Les constatations matérielles faites dans un procès-verbal constatant une infraction par les inspecteurs sociaux d'un service d'inspection peuvent être utilisées, avec leur force probante particulière, par les inspecteurs sociaux du même service, des autres services d'inspection ou par les fonctionnaires et agents chargés du contrôle du respect d'une autre législation.
Les constatations matérielles faites dans un procès-verbal constatant une infraction par les inspecteurs sociaux d'un service d'inspection peuvent être utilisées, avec leur force probante particulière, par les inspecteurs sociaux du même service, des autres services d'inspection ou par les fonctionnaires et agents chargés du contrôle du respect d'une autre législation.
Afdeling 3. - Elektronische informatie-uitwisseling in het kader van het e-PV
Section 3. - Echange électronique d'informations dans le cadre de l'e-PV
Art. 42. Informatie-uitwisseling in het kader van het e-PV
§ 1 - De elektronische informatie-uitwisseling in het kader van het e-PV geschiedt overeenkomstig de Algemene Verordening Gegevensbescherming, overeenkomstig de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid en overeenkomstig de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
§ 2 - Bij de verwerking van persoonsgegevens met toepassing van deze afdeling wordt gebruik gemaakt van de identificatienummers bedoeld in artikel 8, § 1, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.
§ 1 - De elektronische informatie-uitwisseling in het kader van het e-PV geschiedt overeenkomstig de Algemene Verordening Gegevensbescherming, overeenkomstig de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid en overeenkomstig de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
§ 2 - Bij de verwerking van persoonsgegevens met toepassing van deze afdeling wordt gebruik gemaakt van de identificatienummers bedoeld in artikel 8, § 1, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.
Art. 42. Echange d'informations dans le cadre de l'e-PV
§ 1er - L'échange électronique d'informations dans le cadre de l'e-PV a lieu conformément aux dispositions du règlement général sur la protection des données, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la Sécurité sociale et de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
§ 2 - Lors du traitement de données à caractère personnel en application de la présente section, les numéros d'identification mentionnés à l'article 8, § 1er, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la Sécurité sociale sont utilisés.
§ 1er - L'échange électronique d'informations dans le cadre de l'e-PV a lieu conformément aux dispositions du règlement général sur la protection des données, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la Sécurité sociale et de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
§ 2 - Lors du traitement de données à caractère personnel en application de la présente section, les numéros d'identification mentionnés à l'article 8, § 1er, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la Sécurité sociale sont utilisés.
Art. 43. E-PV's
Met het oog op de in artikel 42 bedoelde elektronische informatie-uitwisseling maken de sociaal inspecteurs hun processen-verbaal tot vaststelling van inbreuken elektronisch aan via de daartoe ontworpen informaticatoepassing overeenkomstig het uniform model vermeld in artikel 100/2 van het Sociaal Strafwetboek dat wordt vastgesteld door het Beheerscomité vermeld in artikel 100/8 van hetzelfde Strafwetboek.
Met het oog op de in artikel 42 bedoelde elektronische informatie-uitwisseling maken de sociaal inspecteurs hun processen-verbaal tot vaststelling van inbreuken elektronisch aan via de daartoe ontworpen informaticatoepassing overeenkomstig het uniform model vermeld in artikel 100/2 van het Sociaal Strafwetboek dat wordt vastgesteld door het Beheerscomité vermeld in artikel 100/8 van hetzelfde Strafwetboek.
Art. 43.. En vue de l'échange électronique d'informations mentionné à l'article 42, les inspecteurs sociaux établissent leurs procès-verbaux de constatation d'infractions de manière électronique au moyen de l'application informatique conçue à cette fin conformément au modèle uniforme mentionné à l'article 100/2 du Code pénal social et déterminé par le comité de gestion mentionné à l'article 100/8 du même Code.
Art. 44. Elektronische ondertekening
Het e-PV wordt door de opsteller of opstellers elektronisch ondertekend door middel van de gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 2, 6°, van het decreet van 15 oktober 2018 betreffende de niet-openbare en openbare elektronische communicatie van de overheden van het Duitse taalgebied.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt, onverminderd de artikelen 8.18 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, het e-PV dat door de opsteller of opstellers elektronisch werd ondertekend overeenkomstig het eerste lid, gelijkgesteld met een proces-verbaal op papieren drager ondertekend door middel van een handgeschreven handtekening.
In afwijking van het eerste lid kan de Regering bepalen dat het e-PV, dat wordt aangemaakt overeenkomstig artikel 42, § 1, onder de voorwaarden, volgens de nadere regels en, in voorkomend geval, voor de duur die de Regering bepaalt, op een papieren drager wordt opgesteld en wordt ondertekend met een handgeschreven handtekening.
Het e-PV wordt door de opsteller of opstellers elektronisch ondertekend door middel van de gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 2, 6°, van het decreet van 15 oktober 2018 betreffende de niet-openbare en openbare elektronische communicatie van de overheden van het Duitse taalgebied.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt, onverminderd de artikelen 8.18 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, het e-PV dat door de opsteller of opstellers elektronisch werd ondertekend overeenkomstig het eerste lid, gelijkgesteld met een proces-verbaal op papieren drager ondertekend door middel van een handgeschreven handtekening.
In afwijking van het eerste lid kan de Regering bepalen dat het e-PV, dat wordt aangemaakt overeenkomstig artikel 42, § 1, onder de voorwaarden, volgens de nadere regels en, in voorkomend geval, voor de duur die de Regering bepaalt, op een papieren drager wordt opgesteld en wordt ondertekend met een handgeschreven handtekening.
Art. 44. Signature électronique
L'e-PV est signé par son ou ses auteurs au moyen d'une signature électronique qualifiée au sens de l'article 2, 6°, du décret du 15 octobre 2018 relatif à la communication électronique, publique et adressée aux particuliers, des autorités de la région de langue allemande.
Pour l'application de la présente section, sans préjudice des articles 8.18 et suivants du Code civil, l'e-PV qui a été signé de manière électronique par son ou ses auteurs, conformément à l'alinéa 1er, est assimilé à un procès-verbal sur support papier signé au moyen d'une signature manuscrite.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le Gouvernement peut prévoir que l'e-PV, établi conformément à l'article 42, § 1er, dans les conditions, selon les modalités et, le cas échéant, pour la durée qu'il fixe, est rédigé sur support papier et est signé au moyen d'une signature manuscrite.
L'e-PV est signé par son ou ses auteurs au moyen d'une signature électronique qualifiée au sens de l'article 2, 6°, du décret du 15 octobre 2018 relatif à la communication électronique, publique et adressée aux particuliers, des autorités de la région de langue allemande.
Pour l'application de la présente section, sans préjudice des articles 8.18 et suivants du Code civil, l'e-PV qui a été signé de manière électronique par son ou ses auteurs, conformément à l'alinéa 1er, est assimilé à un procès-verbal sur support papier signé au moyen d'une signature manuscrite.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le Gouvernement peut prévoir que l'e-PV, établi conformément à l'article 42, § 1er, dans les conditions, selon les modalités et, le cas échéant, pour la durée qu'il fixe, est rédigé sur support papier et est signé au moyen d'une signature manuscrite.
Hoofdstuk 5. - Administratieve geldboeten
Chapitre 5. - Amendes administratives
Afdeling 1. - Administratieve vervolging van inbreuken
Section 1re. - Poursuite administrative des infractions
Art. 45. Voorrang van de strafvervolging
Inbreuken op in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen waarvoor de overtreder niet strafrechtelijk vervolgd kan worden, worden bestraft met administratieve geldboeten.
Inbreuken waarvoor de overtreder wel strafrechtelijk vervolgd kan worden, worden bestraft met administratieve geldboeten, tenzij die inbreuken op initiatief van het openbaar ministerie aanleiding geven tot:
1° een strafvervolging, zelfs als die tot een vrijspraak leidt;
2° het uitdoven van de strafvordering door de betaling van een geldsom;
3° een bemiddeling als bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van Strafvordering;
4° een rechtsvordering als bedoeld in artikel 138bis, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Het opleggen van een administratieve geldboete is uitgesloten in de gevallen vermeld in het tweede lid, 1° tot 4°.
Administratieve geldboeten worden opgelegd door de Regering.
Inbreuken op in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen waarvoor de overtreder niet strafrechtelijk vervolgd kan worden, worden bestraft met administratieve geldboeten.
Inbreuken waarvoor de overtreder wel strafrechtelijk vervolgd kan worden, worden bestraft met administratieve geldboeten, tenzij die inbreuken op initiatief van het openbaar ministerie aanleiding geven tot:
1° een strafvervolging, zelfs als die tot een vrijspraak leidt;
2° het uitdoven van de strafvordering door de betaling van een geldsom;
3° een bemiddeling als bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van Strafvordering;
4° een rechtsvordering als bedoeld in artikel 138bis, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Het opleggen van een administratieve geldboete is uitgesloten in de gevallen vermeld in het tweede lid, 1° tot 4°.
Administratieve geldboeten worden opgelegd door de Regering.
Art. 45. Priorité des poursuites pénales
Les infractions aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4 pour lesquelles le contrevenant ne s'expose pas à des poursuites pénales font l'objet d'une amende administrative.
Les infractions pour lesquelles le contrevenant s'expose à des poursuites pénales font l'objet d'une amende administrative, à moins qu'elles ne donnent lieu, à l'initiative du ministère public :
1° à des poursuites pénales même si un acquittement les clôture;
2° à l'extinction de l'action publique moyennant le paiement d'une somme d'argent;
3° à une médiation mentionnée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle;
4° à une action mentionnée à l'article 138bis, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire.
L'infliction d'une amende administrative est exclue dans les cas mentionnés à l'alinéa 2, 1° à 4°.
Le Gouvernement inflige les amendes administratives.
Les infractions aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4 pour lesquelles le contrevenant ne s'expose pas à des poursuites pénales font l'objet d'une amende administrative.
Les infractions pour lesquelles le contrevenant s'expose à des poursuites pénales font l'objet d'une amende administrative, à moins qu'elles ne donnent lieu, à l'initiative du ministère public :
1° à des poursuites pénales même si un acquittement les clôture;
2° à l'extinction de l'action publique moyennant le paiement d'une somme d'argent;
3° à une médiation mentionnée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle;
4° à une action mentionnée à l'article 138bis, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire.
L'infliction d'une amende administrative est exclue dans les cas mentionnés à l'alinéa 2, 1° à 4°.
Le Gouvernement inflige les amendes administratives.
Art. 46. Kennisgeving
Binnen een termijn van zes maanden bezorgt het openbaar ministerie aan de Regering een kennisgeving van zijn beslissing om één van de procedures vermeld in artikel 45, tweede lid, 1° tot 4°, al dan niet toe te passen.
Binnen een termijn van zes maanden bezorgt het openbaar ministerie aan de Regering een kennisgeving van zijn beslissing om één van de procedures vermeld in artikel 45, tweede lid, 1° tot 4°, al dan niet toe te passen.
Art. 46. Notification
Le ministère public notifie au Gouvernement, dans un délai de six mois, sa décision d'appliquer ou non l'une des procédures mentionnées à l'article 45, alinéa 2, 1° à 4°.
Le ministère public notifie au Gouvernement, dans un délai de six mois, sa décision d'appliquer ou non l'une des procédures mentionnées à l'article 45, alinéa 2, 1° à 4°.
Art. 47. Overzending van de procedurestukken
Indien het openbaar ministerie afziet van de mogelijkheid om één van de procedures vermeld in artikel 45, tweede lid, 1° tot 4°, in te stellen, zendt het de procedurestukken en, indien van toepassing, de procedurestukken van het aanvullend opsporingsonderzoek toe aan de Regering.
Indien het openbaar ministerie afziet van de mogelijkheid om één van de procedures vermeld in artikel 45, tweede lid, 1° tot 4°, in te stellen of indien het openbaar ministerie geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk, dan beslist de Regering of de procedure voor de administratieve geldboete wordt opgestart.
Indien het openbaar ministerie afziet van de mogelijkheid om één van de procedures vermeld in artikel 45, tweede lid, 1° tot 4°, in te stellen, zendt het de procedurestukken en, indien van toepassing, de procedurestukken van het aanvullend opsporingsonderzoek toe aan de Regering.
Indien het openbaar ministerie afziet van de mogelijkheid om één van de procedures vermeld in artikel 45, tweede lid, 1° tot 4°, in te stellen of indien het openbaar ministerie geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk, dan beslist de Regering of de procedure voor de administratieve geldboete wordt opgestart.
Art. 47. Transmission des pièces de procédure
Si le ministère public renonce à engager l'une des procédures mentionnées à l'article 45, alinéa 2, 1° à 4°, il envoie au Gouvernement les pièces de procédure ainsi que, le cas échéant, les pièces de procédure de l'enquête complémentaire.
Lorsque le ministère public renonce à engager l'une des procédures mentionnées à l'article 45, alinéa 2, 1° à 4°, ou si le ministère public n'a pas pris de décision dans un délai de six mois à compter du jour de la réception du procès-verbal de constatation de l'infraction, le Gouvernement décide s'il y a lieu d'entamer la procédure d'amende administrative.
Si le ministère public renonce à engager l'une des procédures mentionnées à l'article 45, alinéa 2, 1° à 4°, il envoie au Gouvernement les pièces de procédure ainsi que, le cas échéant, les pièces de procédure de l'enquête complémentaire.
Lorsque le ministère public renonce à engager l'une des procédures mentionnées à l'article 45, alinéa 2, 1° à 4°, ou si le ministère public n'a pas pris de décision dans un délai de six mois à compter du jour de la réception du procès-verbal de constatation de l'infraction, le Gouvernement décide s'il y a lieu d'entamer la procédure d'amende administrative.
Art. 48. Aanvullende inlichtingen
Op basis van een samenwerkingsakkoord dat overeenkomstig artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen wordt gesloten, kan de Regering van de bevoegde administraties, overheidsinstellingen of overheidsdiensten de noodzakelijke administratieve inlichtingen vragen om te beschikken over alle elementen die haar in staat stellen om met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen over het gevolg dat aan het bij haar in behandeling zijnde dossier moet worden gegeven.
Daartoe moeten alle overheidsdiensten met inbegrip van de parketten, de griffies van hoven en rechtbanken, de sociale inspecties en de politie, alle diensten van de provincies, agglomeraties, gemeentefederaties, gemeenten, verenigingen waartoe ze behoren, de overheidsinstellingen die ervan afhangen, alsook alle openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, ingaan op het verzoek van de Regering om haar alle inlichtingen te verstrekken en haar kopieën te bezorgen, in eender welke vorm, van alle informatiedragers om te beschikken over alle elementen die haar in staat stellen om met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen over het gevolg dat aan het bij haar in behandeling zijnde dossier moet worden gegeven.
De voornoemde diensten zijn verplicht om de inlichtingen en afschriften kosteloos ter beschikking te stellen.
De inlichtingen verkregen tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de gerechtelijke overheid.
Op basis van een samenwerkingsakkoord dat overeenkomstig artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen wordt gesloten, kan de Regering van de bevoegde administraties, overheidsinstellingen of overheidsdiensten de noodzakelijke administratieve inlichtingen vragen om te beschikken over alle elementen die haar in staat stellen om met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen over het gevolg dat aan het bij haar in behandeling zijnde dossier moet worden gegeven.
Daartoe moeten alle overheidsdiensten met inbegrip van de parketten, de griffies van hoven en rechtbanken, de sociale inspecties en de politie, alle diensten van de provincies, agglomeraties, gemeentefederaties, gemeenten, verenigingen waartoe ze behoren, de overheidsinstellingen die ervan afhangen, alsook alle openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, ingaan op het verzoek van de Regering om haar alle inlichtingen te verstrekken en haar kopieën te bezorgen, in eender welke vorm, van alle informatiedragers om te beschikken over alle elementen die haar in staat stellen om met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen over het gevolg dat aan het bij haar in behandeling zijnde dossier moet worden gegeven.
De voornoemde diensten zijn verplicht om de inlichtingen en afschriften kosteloos ter beschikking te stellen.
De inlichtingen verkregen tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de gerechtelijke overheid.
Art. 48. Renseignements complémentaires
Le Gouvernement peut, sur la base d'un accord de coopération conclu en vertu de l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, requérir des administrations compétentes ou des institutions ou services publics compétents les renseignements administratifs nécessaires pour disposer de tous les éléments lui permettant de décider en pleine connaissance de cause des suites à donner au dossier qu'il traite.
A cette fin, tous les services de l'Etat, y compris les parquets, les greffes des cours et tribunaux, les inspections sociales et la police, tous les services des provinces, des agglomérations, des fédérations de communes, des communes, des associations dont elles font partie, des institutions publiques qui en dépendent, ainsi que de toutes les institutions publiques et les institutions coopérantes de sécurité sociale, sont tenus, vis-à-vis du Gouvernement et à sa demande, de lui fournir tout renseignement, ainsi que de lui produire des copies, sous n'importe quelle forme, de tous les supports d'information afin qu'il dispose de tous les éléments lui permettant de décider en toute connaissance de cause des suites à donner au dossier qu'il traite.
Les services précités sont tenus de fournir sans frais ces renseignements et copies.
Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Le Gouvernement peut, sur la base d'un accord de coopération conclu en vertu de l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, requérir des administrations compétentes ou des institutions ou services publics compétents les renseignements administratifs nécessaires pour disposer de tous les éléments lui permettant de décider en pleine connaissance de cause des suites à donner au dossier qu'il traite.
A cette fin, tous les services de l'Etat, y compris les parquets, les greffes des cours et tribunaux, les inspections sociales et la police, tous les services des provinces, des agglomérations, des fédérations de communes, des communes, des associations dont elles font partie, des institutions publiques qui en dépendent, ainsi que de toutes les institutions publiques et les institutions coopérantes de sécurité sociale, sont tenus, vis-à-vis du Gouvernement et à sa demande, de lui fournir tout renseignement, ainsi que de lui produire des copies, sous n'importe quelle forme, de tous les supports d'information afin qu'il dispose de tous les éléments lui permettant de décider en toute connaissance de cause des suites à donner au dossier qu'il traite.
Les services précités sont tenus de fournir sans frais ces renseignements et copies.
Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Afdeling 2. - Verweermiddelen
Section 2. - Moyens de défense
Art. 49. Uitnodiging tot indiening van verweermiddelen
Door middel van een kennisgeving via een verzending waarvan de datum met zekerheid kan worden vastgesteld, wordt de overtreder verzocht zijn verweermiddelen in te dienen.
Die uitnodiging bevat volgende gegevens:
1° de referenties van het proces-verbaal tot vaststelling van de inbreuk en houdende het relaas van de feiten die aan de basis liggen van de aanvang van de procedure;
2° het recht van de overtreder om zijn verweermiddelen schriftelijk of mondeling in te dienen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving via een verzending waarvan de datum met zekerheid kan worden vastgesteld;
3° het recht om zich te laten bijstaan door een raadsman;
4° het adres en het e-mailadres van de Regering, met het oog op inzage in zijn dossier met vermelding van de openingsuren gedurende welke de overtreder zijn dossier kan inzien, alsook met het oog op de indiening van zijn verweermiddelen;
5° het recht van de overtreder of van zijn raadsman om een afschrift van het dossier te krijgen.
Indien de overtreder verzuimd heeft om de aangetekende zending af te halen of het elektronisch aangetekend schrijven te openen, kan de Regering hem bij gewone brief, ter informatie, nog een tweede uitnodiging toesturen om zijn verweermiddelen in te dienen. Deze tweede uitnodiging doet geen nieuwe termijn van dertig dagen ingaan voor de indiening van verweermiddelen.
Door middel van een kennisgeving via een verzending waarvan de datum met zekerheid kan worden vastgesteld, wordt de overtreder verzocht zijn verweermiddelen in te dienen.
Die uitnodiging bevat volgende gegevens:
1° de referenties van het proces-verbaal tot vaststelling van de inbreuk en houdende het relaas van de feiten die aan de basis liggen van de aanvang van de procedure;
2° het recht van de overtreder om zijn verweermiddelen schriftelijk of mondeling in te dienen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving via een verzending waarvan de datum met zekerheid kan worden vastgesteld;
3° het recht om zich te laten bijstaan door een raadsman;
4° het adres en het e-mailadres van de Regering, met het oog op inzage in zijn dossier met vermelding van de openingsuren gedurende welke de overtreder zijn dossier kan inzien, alsook met het oog op de indiening van zijn verweermiddelen;
5° het recht van de overtreder of van zijn raadsman om een afschrift van het dossier te krijgen.
Indien de overtreder verzuimd heeft om de aangetekende zending af te halen of het elektronisch aangetekend schrijven te openen, kan de Regering hem bij gewone brief, ter informatie, nog een tweede uitnodiging toesturen om zijn verweermiddelen in te dienen. Deze tweede uitnodiging doet geen nieuwe termijn van dertig dagen ingaan voor de indiening van verweermiddelen.
Art. 49. Invitation à présenter des moyens de défense
Le contrevenant est invité, au moyen d'une notification par envoi dûment daté, à présenter ses moyens de défense.
Cette invitation communique les informations suivantes :
1° les références du procès-verbal constatant l'infraction et relatant les faits à propos desquels la procédure a été entamée;
2° la mention du droit pour le contrevenant d'exposer ses moyens de défense par écrit ou oralement dans un délai de trente jours à compter du jour de la notification par envoi dûment daté;
3° la mention du droit de se faire assister d'un conseil;
4° les adresses postale et électronique du Gouvernement, à des fins de consultation du dossier ainsi que les heures d'ouverture au cours desquelles le contrevenant est en droit de consulter celui-ci, et en vue de la présentation des moyens de défense;
5° la mention du droit pour le contrevenant ou pour son conseil d'obtenir une copie du dossier.
Si le contrevenant a omis de retirer la lettre recommandée ou d'ouvrir le recommandé électronique, le Gouvernement peut encore lui envoyer, par pli ordinaire, à titre informatif, une seconde invitation à présenter ses moyens de défense. Cette seconde invitation ne fait pas courir un nouveau délai de trente jours pour introduire des moyens de défense.
Le contrevenant est invité, au moyen d'une notification par envoi dûment daté, à présenter ses moyens de défense.
Cette invitation communique les informations suivantes :
1° les références du procès-verbal constatant l'infraction et relatant les faits à propos desquels la procédure a été entamée;
2° la mention du droit pour le contrevenant d'exposer ses moyens de défense par écrit ou oralement dans un délai de trente jours à compter du jour de la notification par envoi dûment daté;
3° la mention du droit de se faire assister d'un conseil;
4° les adresses postale et électronique du Gouvernement, à des fins de consultation du dossier ainsi que les heures d'ouverture au cours desquelles le contrevenant est en droit de consulter celui-ci, et en vue de la présentation des moyens de défense;
5° la mention du droit pour le contrevenant ou pour son conseil d'obtenir une copie du dossier.
Si le contrevenant a omis de retirer la lettre recommandée ou d'ouvrir le recommandé électronique, le Gouvernement peut encore lui envoyer, par pli ordinaire, à titre informatif, une seconde invitation à présenter ses moyens de défense. Cette seconde invitation ne fait pas courir un nouveau délai de trente jours pour introduire des moyens de défense.
Art. 50.. De verweermiddelen kunnen schriftelijk, inbegrepen via e-mail, worden ingediend bij de Regering; als daartoe vooraf een afspraak is gemaakt, kunnen ze ook mondeling worden ingediend bij de Regering.
Art. 50. Présentation
Les moyens de défense peuvent être présentés par écrit, y compris par courrier électronique, ou exposés oralement, sur demande de rendez-vous préalable, auprès du Gouvernement.
Les moyens de défense peuvent être présentés par écrit, y compris par courrier électronique, ou exposés oralement, sur demande de rendez-vous préalable, auprès du Gouvernement.
Art. 51. Inzage en afschrift van het dossier
De Regering stelt het dossier met betrekking tot de inbreuken welke aanleiding kunnen geven tot een administratieve geldboete ter beschikking van de overtreder of diens raadsman, zodat hij het kan raadplegen bij de Regering en, op diens verzoek, geeft zij toelating om een afschrift te maken van de stukken van het dossier.
De Regering stelt het dossier met betrekking tot de inbreuken welke aanleiding kunnen geven tot een administratieve geldboete ter beschikking van de overtreder of diens raadsman, zodat hij het kan raadplegen bij de Regering en, op diens verzoek, geeft zij toelating om een afschrift te maken van de stukken van het dossier.
Art. 51. Consultation du dossier et copie
Le Gouvernement met à la disposition du contrevenant ou de son conseil, à des fins de consultation sur place, le dossier relatif aux infractions pouvant donner lieu à l'application de l'amende administrative et l'autorise, sur demande, à réaliser une copie des pièces du dossier.
Le Gouvernement met à la disposition du contrevenant ou de son conseil, à des fins de consultation sur place, le dossier relatif aux infractions pouvant donner lieu à l'application de l'amende administrative et l'autorise, sur demande, à réaliser une copie des pièces du dossier.
Afdeling 3. - Opleggen van de administratieve geldboete
Section 3. - Infliction de l'amende administrative
Art. 52. Oplegging
§ 1 - De administratieve geldboete kan alleen worden opgelegd aan de overtreder, zelfs indien de inbreuk is begaan door een aangestelde of een lasthebber, behalve als hij kan aantonen dat hij geen fout heeft begaan, omdat hij naar zijn vermogen alle maatregelen heeft genomen om te verhinderen dat het materiële element van de inbreuk zich voordoet.
§ 2 - De administratieve geldboete mag niet worden opgelegd vóór het verstrijken van de termijn vermeld in artikel 49, tenzij het schriftelijk of mondeling verweer van de overtreder vóór het verstrijken van die termijn geschiedt.
§ 1 - De administratieve geldboete kan alleen worden opgelegd aan de overtreder, zelfs indien de inbreuk is begaan door een aangestelde of een lasthebber, behalve als hij kan aantonen dat hij geen fout heeft begaan, omdat hij naar zijn vermogen alle maatregelen heeft genomen om te verhinderen dat het materiële element van de inbreuk zich voordoet.
§ 2 - De administratieve geldboete mag niet worden opgelegd vóór het verstrijken van de termijn vermeld in artikel 49, tenzij het schriftelijk of mondeling verweer van de overtreder vóór het verstrijken van die termijn geschiedt.
Art. 52. Imposition
§ 1er - L'amende administrative peut être infligée uniquement au contrevenant, et ce, même si l'infraction a été commise par un préposé ou un mandataire, sauf s'il peut démontrer qu'il n'a commis aucune faute, parce qu'il a pris toutes les mesures en son pouvoir pour empêcher que l'élément matériel de l'infraction se réalise.
§ 2 - L'amende administrative ne peut pas être infligée avant l'échéance du délai prévu à l'article 49, à moins que la défense écrite ou orale du contrevenant ne soit présentée avant la fin du délai précité.
§ 1er - L'amende administrative peut être infligée uniquement au contrevenant, et ce, même si l'infraction a été commise par un préposé ou un mandataire, sauf s'il peut démontrer qu'il n'a commis aucune faute, parce qu'il a pris toutes les mesures en son pouvoir pour empêcher que l'élément matériel de l'infraction se réalise.
§ 2 - L'amende administrative ne peut pas être infligée avant l'échéance du délai prévu à l'article 49, à moins que la défense écrite ou orale du contrevenant ne soit présentée avant la fin du délai précité.
Art. 53. Beslissing
De beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete wordt met redenen omkleed.
Ze vormt een bevel tot betaling van de geldboete en omvat onder andere de overwegingen die feitelijk en rechtens aan de basis liggen van de beslissing, enerzijds als antwoord op de ingediende verweermiddelen en anderzijds als motivering voor het bedrag van de administratieve geldboete.
Ze omvat daarenboven inzonderheid de volgende elementen:
1° de bepalingen die de rechtsgrond ervan uitmaken;
2° de referenties van het proces-verbaal tot vaststelling van de inbreuk en houdende het relaas van de feiten die aan de basis liggen van de aanvang van de procedure;
3° de datum van het verzoek tot indiening van de verweermiddelen;
4° het bedrag van de administratieve geldboete, in voorkomend geval verhoogd met de kosten van de administratieve procedure die worden vastgelegd volgens de nadere regels die de Regering bepaalt;
5° de bepalingen van artikel 58 met betrekking tot de betaling van de geldboete;
6° de bepaling van artikel 56 betreffende het instellen van beroep tegen de beslissing.
De beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete wordt met redenen omkleed.
Ze vormt een bevel tot betaling van de geldboete en omvat onder andere de overwegingen die feitelijk en rechtens aan de basis liggen van de beslissing, enerzijds als antwoord op de ingediende verweermiddelen en anderzijds als motivering voor het bedrag van de administratieve geldboete.
Ze omvat daarenboven inzonderheid de volgende elementen:
1° de bepalingen die de rechtsgrond ervan uitmaken;
2° de referenties van het proces-verbaal tot vaststelling van de inbreuk en houdende het relaas van de feiten die aan de basis liggen van de aanvang van de procedure;
3° de datum van het verzoek tot indiening van de verweermiddelen;
4° het bedrag van de administratieve geldboete, in voorkomend geval verhoogd met de kosten van de administratieve procedure die worden vastgelegd volgens de nadere regels die de Regering bepaalt;
5° de bepalingen van artikel 58 met betrekking tot de betaling van de geldboete;
6° de bepaling van artikel 56 betreffende het instellen van beroep tegen de beslissing.
Art. 53. Décision
La décision infligeant l'amende administrative est motivée.
Elle constitue une injonction de payer l'amende et contient, entre autres, les considérations de droit et de fait pour, d'une part, répondre aux moyens de défense présentés et, d'autre part, motiver le montant de l'amende administrative.
Elle comprend, en outre, notamment les éléments suivants :
1° les dispositions qui lui servent de base légale;
2° les références du procès-verbal constatant l'infraction et relatant les faits à propos desquels la procédure a été entamée;
3° la date de l'invitation à présenter des moyens de défense;
4° le montant de l'amende administrative, éventuellement majoré des frais de procédure administrative déterminés selon les modalités fixées par le Gouvernement;
5° les dispositions de l'article 58 relatif au paiement de l'amende;
6° la disposition de l'article 56 relatif au recours contre la décision.
La décision infligeant l'amende administrative est motivée.
Elle constitue une injonction de payer l'amende et contient, entre autres, les considérations de droit et de fait pour, d'une part, répondre aux moyens de défense présentés et, d'autre part, motiver le montant de l'amende administrative.
Elle comprend, en outre, notamment les éléments suivants :
1° les dispositions qui lui servent de base légale;
2° les références du procès-verbal constatant l'infraction et relatant les faits à propos desquels la procédure a été entamée;
3° la date de l'invitation à présenter des moyens de défense;
4° le montant de l'amende administrative, éventuellement majoré des frais de procédure administrative déterminés selon les modalités fixées par le Gouvernement;
5° les dispositions de l'article 58 relatif au paiement de l'amende;
6° la disposition de l'article 56 relatif au recours contre la décision.
Art. 54. Kennisgeving van de beslissing
De beslissing vermeld in artikel 53 wordt aan de overtreder ter kennis gebracht via een verzending waarvan de datum met zekerheid kan worden vastgesteld, samen met een verzoek tot betaling van de geldboete binnen de termijn vermeld in artikel 58.
De beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete is uitvoerbaar na het verstrijken van een termijn van dertig dagen die ingaat op de dag van de kennisgeving, tenzij overeenkomstig artikel 56 beroep wordt ingesteld.
Indien de overtreder verzuimd heeft om de aangetekende zending af te halen of het elektronisch aangetekend schrijven te openen, kan de Regering hem bij gewone brief, ter informatie, een afschrift van de beslissing toezenden. Die tweede zending doet geen nieuwe termijn van dertig dagen ingaan voor de uitvoerbaarheid en voor het instellen van het beroep bedoeld in artikel 56.
De beslissing vermeld in artikel 53 wordt aan de overtreder ter kennis gebracht via een verzending waarvan de datum met zekerheid kan worden vastgesteld, samen met een verzoek tot betaling van de geldboete binnen de termijn vermeld in artikel 58.
De beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete is uitvoerbaar na het verstrijken van een termijn van dertig dagen die ingaat op de dag van de kennisgeving, tenzij overeenkomstig artikel 56 beroep wordt ingesteld.
Indien de overtreder verzuimd heeft om de aangetekende zending af te halen of het elektronisch aangetekend schrijven te openen, kan de Regering hem bij gewone brief, ter informatie, een afschrift van de beslissing toezenden. Die tweede zending doet geen nieuwe termijn van dertig dagen ingaan voor de uitvoerbaarheid en voor het instellen van het beroep bedoeld in artikel 56.
Art. 54. Notification de la décision
La décision mentionnée à l'article 53 est notifiée au contrevenant par envoi dûment daté en même temps qu'une invitation à acquitter l'amende dans le délai mentionné à l'article 58.
La décision d'imposer une amende administrative a force exécutoire à l'expiration d'un délai de trente jours à compter du jour de sa notification, sauf en cas de recours conformément à l'article 56.
Si le contrevenant a omis de retirer la lettre recommandée ou d'ouvrir le recommandé électronique, le Gouvernement peut lui envoyer, par pli ordinaire, à titre informatif, une copie de la décision. Ce deuxième envoi ne fait pas courir un nouveau délai de trente jours pour l'obtention de la force exécutoire et pour l'introduction du recours mentionné à l'article 56.
La décision mentionnée à l'article 53 est notifiée au contrevenant par envoi dûment daté en même temps qu'une invitation à acquitter l'amende dans le délai mentionné à l'article 58.
La décision d'imposer une amende administrative a force exécutoire à l'expiration d'un délai de trente jours à compter du jour de sa notification, sauf en cas de recours conformément à l'article 56.
Si le contrevenant a omis de retirer la lettre recommandée ou d'ouvrir le recommandé électronique, le Gouvernement peut lui envoyer, par pli ordinaire, à titre informatif, une copie de la décision. Ce deuxième envoi ne fait pas courir un nouveau délai de trente jours pour l'obtention de la force exécutoire et pour l'introduction du recours mentionné à l'article 56.
Art. 55. Nadere regels
De Regering kan nadere regels bepalen voor de beslissing en voor de procedure tot oplegging van een administratieve geldstraf.
De Regering kan nadere regels bepalen voor de beslissing en voor de procedure tot oplegging van een administratieve geldstraf.
Art. 55. Modalités supplémentaires
Le Gouvernement peut déterminer des modalités supplémentaires relatives à la décision et à la procédure infligeant une amende administrative.
Le Gouvernement peut déterminer des modalités supplémentaires relatives à la décision et à la procédure infligeant une amende administrative.
Art. 56. Beroep
Binnen dertig dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing, kan de overtreder beroep instellen bij de arbeidsrechtbank door middel van een verzoekschrift. Het verzoekschrift bevat de identiteit en het adres van de overtreder, de benaming van de aangevochten beslissing en de desbetreffende grieven.
De arbeidsrechtbank beslist of de opgelegde geldboete rechtmatig en evenredig is. Ze kan de beslissing van de Regering ofwel bevestigen, ofwel wijzigen.
Door het beroep wordt de uitvoering van de beslissing opgeschort.
Tegen de beslissing van de arbeidsrechtbank kan geen hoger beroep worden ingesteld.
Binnen dertig dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing, kan de overtreder beroep instellen bij de arbeidsrechtbank door middel van een verzoekschrift. Het verzoekschrift bevat de identiteit en het adres van de overtreder, de benaming van de aangevochten beslissing en de desbetreffende grieven.
De arbeidsrechtbank beslist of de opgelegde geldboete rechtmatig en evenredig is. Ze kan de beslissing van de Regering ofwel bevestigen, ofwel wijzigen.
Door het beroep wordt de uitvoering van de beslissing opgeschort.
Tegen de beslissing van de arbeidsrechtbank kan geen hoger beroep worden ingesteld.
Art. 56. Recours
Le contrevenant peut déposer un recours par voie de demande écrite introduite auprès du tribunal du travail dans les trente jours à compter de la notification de la décision. La demande énumère l'identité et l'adresse du contrevenant, la désignation de la décision attaquée ainsi que les griefs correspondants.
Le tribunal du travail juge de la légalité et de la proportionnalité de l'amende imposée. Il peut confirmer ou modifier la décision du Gouvernement.
Le recours suspend l'exécution de la décision.
La décision du tribunal du travail n'est pas susceptible d'appel.
Le contrevenant peut déposer un recours par voie de demande écrite introduite auprès du tribunal du travail dans les trente jours à compter de la notification de la décision. La demande énumère l'identité et l'adresse du contrevenant, la désignation de la décision attaquée ainsi que les griefs correspondants.
Le tribunal du travail juge de la légalité et de la proportionnalité de l'amende imposée. Il peut confirmer ou modifier la décision du Gouvernement.
Le recours suspend l'exécution de la décision.
La décision du tribunal du travail n'est pas susceptible d'appel.
Art. 57. Verjaring van de oplegging
De administratieve geldboete kan niet meer worden opgelegd vijf jaar na de vaststelling van de inbreuk.
Die termijn wordt evenwel gestuit door de daden van onderzoek of van vervolging, met inbegrip van de kennisgevingen van de beslissingen van het openbaar ministerie omtrent het al dan niet instellen van strafvervolging en het verzoek ten aanzien van de overtreder om verweermiddelen in te dienen, verricht binnen de in het eerste lid gestelde termijn. Met die daden vangt een nieuwe termijn van gelijke duur aan, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.
De administratieve geldboete kan niet meer worden opgelegd vijf jaar na de vaststelling van de inbreuk.
Die termijn wordt evenwel gestuit door de daden van onderzoek of van vervolging, met inbegrip van de kennisgevingen van de beslissingen van het openbaar ministerie omtrent het al dan niet instellen van strafvervolging en het verzoek ten aanzien van de overtreder om verweermiddelen in te dienen, verricht binnen de in het eerste lid gestelde termijn. Met die daden vangt een nieuwe termijn van gelijke duur aan, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.
Art. 57. Prescription de l'imposition
L'amende administrative ne peut plus être infligée cinq ans après la constatation de l'infraction.
Toutefois, les actes d'instruction ou de poursuites, y compris les notifications des décisions du ministère public d'intenter des poursuites pénales ou de ne pas poursuivre et l'invitation au contrevenant à présenter des moyens de défense, accomplis dans le délai déterminé à l'alinéa 1er, interrompent ce délai de prescription. Ces actes font courir un nouveau délai d'égale durée, y compris à l'égard des personnes qui n'y sont pas impliquées.
L'amende administrative ne peut plus être infligée cinq ans après la constatation de l'infraction.
Toutefois, les actes d'instruction ou de poursuites, y compris les notifications des décisions du ministère public d'intenter des poursuites pénales ou de ne pas poursuivre et l'invitation au contrevenant à présenter des moyens de défense, accomplis dans le délai déterminé à l'alinéa 1er, interrompent ce délai de prescription. Ces actes font courir un nouveau délai d'égale durée, y compris à l'égard des personnes qui n'y sont pas impliquées.
Afdeling 4. - Betaling en invordering
Section 4. - Paiement et recouvrement
Art. 58. Betaling en betalingstermijn
De administratieve geldboete wordt geïnd ten gunste van de Duitstalige Gemeenschap.
Ze wordt vereffend binnen dertig dagen na de dag waarop de beslissing uitvoerbaar is geworden, door betaling of overschrijving op een rekening van de Regering met een betalings- of overschrijvingsformulier.
Door de betaling van de geldboete vervalt de rechtsvordering van de Regering.
De Regering kan de nadere regels voor de betaling van de administratieve geldboete en de daarmee verbonden procedures aanvullen.
De administratieve geldboete wordt geïnd ten gunste van de Duitstalige Gemeenschap.
Ze wordt vereffend binnen dertig dagen na de dag waarop de beslissing uitvoerbaar is geworden, door betaling of overschrijving op een rekening van de Regering met een betalings- of overschrijvingsformulier.
Door de betaling van de geldboete vervalt de rechtsvordering van de Regering.
De Regering kan de nadere regels voor de betaling van de administratieve geldboete en de daarmee verbonden procedures aanvullen.
Art. 58. Paiement et délai de paiement
L'amende administrative est perçue au profit de la Communauté germanophone.
Elle est payée dans un délai de trente jours suivant le jour où la décision a acquis force exécutoire, par versement ou virement sur un compte du Gouvernement, au moyen d'un bulletin de versement ou de virement.
Le paiement de l'amende met fin à l'action du Gouvernement.
Le Gouvernement peut compléter les modalités de paiement de l'amende administrative et les procédures y afférentes.
L'amende administrative est perçue au profit de la Communauté germanophone.
Elle est payée dans un délai de trente jours suivant le jour où la décision a acquis force exécutoire, par versement ou virement sur un compte du Gouvernement, au moyen d'un bulletin de versement ou de virement.
Le paiement de l'amende met fin à l'action du Gouvernement.
Le Gouvernement peut compléter les modalités de paiement de l'amende administrative et les procédures y afférentes.
Art. 59. Invordering
De Regering wijst de personen aan die belast zijn met de invordering van de onbetwiste en opeisbare administratieve geldboeten en van de eventuele invorderingskosten.
De personen vermeld in het eerste lid zijn bevoegd om:
1° een betalingsbevel uit te vaardigen;
2° het betalingsbevel te viseren, uitvoerbaar te verklaren en via een gerechtsdeurwaarder aan de overtreder te betekenen;
3° de schuldenaars die een bijzondere noodsituatie kunnen aantonen, uitstel van betaling of gespreide betalingen toe te staan.
De Regering kan de nadere regels voor de invordering van de administratieve geldboete en de daarmee verbonden procedures aanvullen.
De Regering wijst de personen aan die belast zijn met de invordering van de onbetwiste en opeisbare administratieve geldboeten en van de eventuele invorderingskosten.
De personen vermeld in het eerste lid zijn bevoegd om:
1° een betalingsbevel uit te vaardigen;
2° het betalingsbevel te viseren, uitvoerbaar te verklaren en via een gerechtsdeurwaarder aan de overtreder te betekenen;
3° de schuldenaars die een bijzondere noodsituatie kunnen aantonen, uitstel van betaling of gespreide betalingen toe te staan.
De Regering kan de nadere regels voor de invordering van de administratieve geldboete en de daarmee verbonden procedures aanvullen.
Art. 59. Recouvrement
Le Gouvernement désigne les personnes chargées du recouvrement des amendes administratives non contestées et exigibles ainsi que des éventuels frais de recouvrement occasionnés.
Les personnes mentionnées à l'alinéa 1er sont habilitées à :
1° établir la contrainte;
2° viser la contrainte, la déclarer exécutoire et la signifier au contrevenant par huissier de justice;
3° octroyer un sursis de paiement ou un échelonnement aux débiteurs qui peuvent justifier d'une situation particulièrement précaire.
Le Gouvernement peut compléter les modalités de recouvrement de l'amende administrative et les procédures y afférentes.
Le Gouvernement désigne les personnes chargées du recouvrement des amendes administratives non contestées et exigibles ainsi que des éventuels frais de recouvrement occasionnés.
Les personnes mentionnées à l'alinéa 1er sont habilitées à :
1° établir la contrainte;
2° viser la contrainte, la déclarer exécutoire et la signifier au contrevenant par huissier de justice;
3° octroyer un sursis de paiement ou un échelonnement aux débiteurs qui peuvent justifier d'une situation particulièrement précaire.
Le Gouvernement peut compléter les modalités de recouvrement de l'amende administrative et les procédures y afférentes.
Art. 60. Verjaring van de invordering
De rechtsvordering tot invordering van de administratieve geldboete verjaart tien jaar na de dag waarop geen beroep meer kan worden ingesteld tegen de beslissing van de Regering.
Die termijn kan worden gestuit, ofwel zoals bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, ofwel door afstand van de verkregen verjaring. Als de verjaring wordt gestuit, gaat tien jaar na de laatste daad met stuiting van de vorige verjaringstermijn een nieuwe verjaringstermijn in, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, indien geen rechtsgeding hangend is.
De rechtsvordering tot invordering van de administratieve geldboete verjaart tien jaar na de dag waarop geen beroep meer kan worden ingesteld tegen de beslissing van de Regering.
Die termijn kan worden gestuit, ofwel zoals bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, ofwel door afstand van de verkregen verjaring. Als de verjaring wordt gestuit, gaat tien jaar na de laatste daad met stuiting van de vorige verjaringstermijn een nieuwe verjaringstermijn in, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, indien geen rechtsgeding hangend is.
Art. 60. Prescription du recouvrement
L'action en recouvrement de l'amende administrative se prescrit par dix ans à dater du jour où la décision du Gouvernement n'est plus susceptible de recours.
Ce délai de prescription peut être interrompu soit tel que prévu par les articles 2244 et suivants du Code civil, soit par une renonciation à la prescription acquise. En cas d'interruption de la prescription, une nouvelle, susceptible d'être interrompue de la même manière, est acquise dix ans après le dernier acte interruptif de la précédente prescription, sauf s'il y a instance en justice.
L'action en recouvrement de l'amende administrative se prescrit par dix ans à dater du jour où la décision du Gouvernement n'est plus susceptible de recours.
Ce délai de prescription peut être interrompu soit tel que prévu par les articles 2244 et suivants du Code civil, soit par une renonciation à la prescription acquise. En cas d'interruption de la prescription, une nouvelle, susceptible d'être interrompue de la même manière, est acquise dix ans après le dernier acte interruptif de la précédente prescription, sauf s'il y a instance en justice.
Afdeling 5. - Verscheidene bepalingen
Section 5. - Dispositions diverses
Art. 61. Mededeling van de beslissingen aan de sociaal inspecteurs
De sociaal inspecteurs die het proces-verbaal hebben opgemaakt, worden op hun verzoek in kennis gesteld van elke genomen beslissing over de strafvordering of over een administratieve geldboete uit hoofde van een inbreuk op de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen.
Die beslissingen worden aan de sociaal inspecteurs meegedeeld door, naargelang van het geval, het openbaar ministerie die ze heeft genomen, door de griffier van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank of van het hof van beroep die ze heeft uitgesproken of door de Regering.
De sociaal inspecteurs die het proces-verbaal hebben opgemaakt, worden op hun verzoek in kennis gesteld van elke genomen beslissing over de strafvordering of over een administratieve geldboete uit hoofde van een inbreuk op de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen.
Die beslissingen worden aan de sociaal inspecteurs meegedeeld door, naargelang van het geval, het openbaar ministerie die ze heeft genomen, door de griffier van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank of van het hof van beroep die ze heeft uitgesproken of door de Regering.
Art. 61. Communication des décisions aux inspecteurs sociaux
Toute décision sur l'action publique ou relative à une amende administrative du chef d'infraction aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4 sera portée, à leur demande, à la connaissance des inspecteurs sociaux qui ont dressé le procès-verbal.
La communication d'une telle décision aux inspecteurs sociaux est faite à la diligence, selon le cas, de l'organe du ministère public qui l'a prise, du greffier du tribunal de première instance, du tribunal du travail, de la cour d'appel qui l'a prononcée ou du Gouvernement.
Toute décision sur l'action publique ou relative à une amende administrative du chef d'infraction aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4 sera portée, à leur demande, à la connaissance des inspecteurs sociaux qui ont dressé le procès-verbal.
La communication d'une telle décision aux inspecteurs sociaux est faite à la diligence, selon le cas, de l'organe du ministère public qui l'a prise, du greffier du tribunal de première instance, du tribunal du travail, de la cour d'appel qui l'a prononcée ou du Gouvernement.
Art. 62. Opdeciemen
De opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op strafrechtelijke geldboeten zijn ook van toepassing op de administratieve geldboeten bedoeld in dit decreet.
De Regering maakt in haar beslissing melding van de vermenigvuldiging ingevolge de voormelde wet en vermeldt het bedrag dat daaruit voortvloeit.
De opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op strafrechtelijke geldboeten zijn ook van toepassing op de administratieve geldboeten bedoeld in dit decreet.
De Regering maakt in haar beslissing melding van de vermenigvuldiging ingevolge de voormelde wet en vermeldt het bedrag dat daaruit voortvloeit.
Art. 62. Décimes additionnels
Les décimes additionnels mentionnés à l'article 1er, alinéa 1er, de la loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales s'appliquent aussi aux amendes administratives mentionnées dans le présent décret.
Le Gouvernement indique dans sa décision la majoration en vertu de la loi précitée ainsi que le chiffre qui résulte de cette majoration.
Les décimes additionnels mentionnés à l'article 1er, alinéa 1er, de la loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales s'appliquent aussi aux amendes administratives mentionnées dans le présent décret.
Le Gouvernement indique dans sa décision la majoration en vertu de la loi précitée ainsi que le chiffre qui résulte de cette majoration.
Art. 63. Meerdaadse en eendaadse samenloop van inbreuken en samenloop door eenheid van opzet
§ 1 - In geval van samenloop van meerdere inbreuken worden de bedragen van de administratieve geldboeten samengevoegd zonder dat ze evenwel het dubbele van het maximum van de hoogste administratieve geldboete mogen overschrijden.
§ 2 - Wanneer eenzelfde feit verscheidene inbreuken oplevert of wanneer verschillende inbreuken die gelijktijdig worden voorgelegd aan de Regering de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van hetzelfde misdadig opzet, wordt alleen de zwaarste administratieve geldboete uitgesproken.
§ 3 - Wanneer de Regering vaststelt dat inbreuken reeds het voorwerp waren van een beslissing tot oplegging van een definitieve administratieve geldboete, en andere feiten die bij haar aanhangig zijn en die in de vooronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste inbreuken de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, houdt zij bij de toemeting van de administratieve geldboete rekening met de reeds opgelegde administratieve geldboeten. Indien deze haar voor een juiste bestraffing van al de inbreuken voldoende lijken, spreekt zij zich uit over de schuldvraag en verwijst zij in haar beslissing naar de reeds opgelegde administratieve geldboeten. Het totaal van de administratieve geldboeten opgelegd met toepassing van deze paragraaf mag het maximum van de zwaarste administratieve geldboete niet te boven gaan.
§ 1 - In geval van samenloop van meerdere inbreuken worden de bedragen van de administratieve geldboeten samengevoegd zonder dat ze evenwel het dubbele van het maximum van de hoogste administratieve geldboete mogen overschrijden.
§ 2 - Wanneer eenzelfde feit verscheidene inbreuken oplevert of wanneer verschillende inbreuken die gelijktijdig worden voorgelegd aan de Regering de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van hetzelfde misdadig opzet, wordt alleen de zwaarste administratieve geldboete uitgesproken.
§ 3 - Wanneer de Regering vaststelt dat inbreuken reeds het voorwerp waren van een beslissing tot oplegging van een definitieve administratieve geldboete, en andere feiten die bij haar aanhangig zijn en die in de vooronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste inbreuken de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, houdt zij bij de toemeting van de administratieve geldboete rekening met de reeds opgelegde administratieve geldboeten. Indien deze haar voor een juiste bestraffing van al de inbreuken voldoende lijken, spreekt zij zich uit over de schuldvraag en verwijst zij in haar beslissing naar de reeds opgelegde administratieve geldboeten. Het totaal van de administratieve geldboeten opgelegd met toepassing van deze paragraaf mag het maximum van de zwaarste administratieve geldboete niet te boven gaan.
Art. 63. Concours matériel et idéal d'infractions et concours par unité d'intention
§ 1er - En cas de concours de plusieurs infractions, les montants des amendes administratives sont cumulés sans qu'ils puissent cependant excéder le double du maximum de l'amende administrative la plus élevée.
§ 2 - Quand un même fait constitue plusieurs infractions ou lorsque différentes infractions soumises simultanément au Gouvernement constituent la manifestation successive et continue de la même intention délictueuse, l'amende administrative la plus forte est seule infligée.
§ 3 - Quand le Gouvernement constate que des infractions ayant antérieurement fait l'objet d'une décision infligeant une amende administrative définitive et d'autres faits dont il est saisi et qui, à les supposer établis, sont antérieurs à ladite décision et constituent avec les premières infractions la manifestation successive et continue de la même intention délictueuse, il tient compte, pour la fixation de l'amende administrative, des amendes administratives déjà infligées. Si celles-ci lui paraissent suffire à une juste répression de l'ensemble des infractions, il se prononce sur la culpabilité et renvoie dans sa décision aux amendes administratives déjà infligées. Le total des amendes administratives infligées en application du présent paragraphe ne peut excéder le maximum de l'amende administrative la plus forte.
§ 1er - En cas de concours de plusieurs infractions, les montants des amendes administratives sont cumulés sans qu'ils puissent cependant excéder le double du maximum de l'amende administrative la plus élevée.
§ 2 - Quand un même fait constitue plusieurs infractions ou lorsque différentes infractions soumises simultanément au Gouvernement constituent la manifestation successive et continue de la même intention délictueuse, l'amende administrative la plus forte est seule infligée.
§ 3 - Quand le Gouvernement constate que des infractions ayant antérieurement fait l'objet d'une décision infligeant une amende administrative définitive et d'autres faits dont il est saisi et qui, à les supposer établis, sont antérieurs à ladite décision et constituent avec les premières infractions la manifestation successive et continue de la même intention délictueuse, il tient compte, pour la fixation de l'amende administrative, des amendes administratives déjà infligées. Si celles-ci lui paraissent suffire à une juste répression de l'ensemble des infractions, il se prononce sur la culpabilité et renvoie dans sa décision aux amendes administratives déjà infligées. Le total des amendes administratives infligées en application du présent paragraphe ne peut excéder le maximum de l'amende administrative la plus forte.
Art. 64. Uitwissing
Voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete mag geen rekening gehouden worden met een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete die drie jaar of meer vóór de feiten is gewezen. Deze termijn van drie jaar vangt aan op het ogenblik dat de beslissing uitvoerbare kracht heeft gekregen of wanneer de gerechtelijke beslissing die zich uitspreekt over het beroep van de overtreder in kracht van gewijsde is gegaan.
Voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete mag geen rekening gehouden worden met een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete die drie jaar of meer vóór de feiten is gewezen. Deze termijn van drie jaar vangt aan op het ogenblik dat de beslissing uitvoerbare kracht heeft gekregen of wanneer de gerechtelijke beslissing die zich uitspreekt over het beroep van de overtreder in kracht van gewijsde is gegaan.
Art. 64. Effacement
Pour la détermination du montant de l'amende administrative, il ne peut être tenu compte d'une décision infligeant une amende administrative adoptée trois ans ou plus avant les faits. Ce délai de trois ans commence à courir au moment où la décision est devenue exécutoire ou lorsque la décision judiciaire statuant sur le recours du contrevenant est coulée en force de chose jugée.
Pour la détermination du montant de l'amende administrative, il ne peut être tenu compte d'une décision infligeant une amende administrative adoptée trois ans ou plus avant les faits. Ce délai de trois ans commence à courir au moment où la décision est devenue exécutoire ou lorsque la décision judiciaire statuant sur le recours du contrevenant est coulée en force de chose jugée.
Art. 65. Verzachtende omstandigheden
Indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, kan de Regering of de bevoegde rechtbank de geldboete verminderen tot een bedrag onder het wettelijk minimum dat evenwel niet lager mag zijn dan 40% van het voorgeschreven minimumbedrag.
Indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, kan de Regering of de bevoegde rechtbank de geldboete verminderen tot een bedrag onder het wettelijk minimum dat evenwel niet lager mag zijn dan 40% van het voorgeschreven minimumbedrag.
Art. 65. Circonstances atténuantes
S'il existe des circonstances atténuantes, le Gouvernement ou le tribunal compétent peut réduire l'amende administrative au-dessous du montant minimum porté par la loi, sans qu'elle puisse être inférieure à 40 du montant minimum prescrit.
S'il existe des circonstances atténuantes, le Gouvernement ou le tribunal compétent peut réduire l'amende administrative au-dessous du montant minimum porté par la loi, sans qu'elle puisse être inférieure à 40 du montant minimum prescrit.
Art. 66. Uitstel
§ 1 - De Regering kan besluiten dat de uitvoering van de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete niet of slechts gedeeltelijk zal worden opgeschort, voor zover, tijdens de vijf jaren die de nieuwe inbreuk voorafgaan:
1° aan de overtreder geen administratieve geldboete van 25 tot 250 euro, van 50 tot 500 euro, of van 300 tot 3.000 euro werd opgelegd;
2° de overtreder niet veroordeeld werd tot een strafrechtelijke geldboete van 50 tot 500 euro, van 100 tot 1.000 euro, van 600 tot 6.000 euro, of een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar.
Een strafrechtelijke sanctie of administratieve geldboete die vroeger uitgesproken of opgelegd werd voor feiten die voortvloeien uit eenzelfde misdadig opzet, vormen geen beletsel om uitstel te verlenen.
§ 2 - De Regering verleent het uitstel bij dezelfde beslissing als die met welke zij de geldboete oplegt.
§ 3 - De duur van het uitstel mag niet minder zijn dan één jaar en mag niet meer zijn dan drie jaar, te rekenen van de datum van de kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete of te rekenen van de datum van het in kracht van gewijsde gegane vonnis of arrest.
§ 4 - Het uitstel wordt van rechtswege herroepen ingeval tijdens de duur van het uitstel een nieuwe inbreuk begaan is die de toepassing meebrengt van een administratieve geldboete van een hoger niveau dan de administratieve geldboete die tevoren gepaard ging met uitstel.
§ 5 - Het uitstel kan herroepen worden ingeval tijdens de duur van het uitstel een nieuwe inbreuk begaan is die de toepassing meebrengt van een administratieve geldboete van een gelijk of lager niveau dan de administratieve geldboete die tevoren gepaard ging met uitstel.
§ 6 - Voor de vergelijking van de niveaus van de geldboeten vermeld in de § § 4 en 5 mogen de geldboeten niet vermenigvuldigd worden met het aantal betrokken werknemers. Om te bepalen of een inbreuk van een lager, van hetzelfde dan wel van een hoger niveau is, dienen de maximumbedragen van de voor deze inbreuken vastgelegde administratieve geldboeten te worden vergeleken.
§ 7 - Het uitstel wordt herroepen bij dezelfde beslissing als die waarbij de administratieve geldboete voor de nieuwe, tijdens de duur van het uitstel begane inbreuk wordt opgelegd.
De herroeping van het uitstel wordt in de beslissing vermeld en dit zowel wanneer de herroeping van rechtswege gebeurt, als wanneer deze ter beoordeling van de Regering wordt gelaten.
§ 8 - De administratieve geldboete die uitvoerbaar wordt als gevolg van de herroeping van het uitstel, wordt onbeperkt gecumuleerd met die welke opgelegd is wegens de nieuwe inbreuk.
§ 9 - In geval van beroep tegen de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete kan de rechter het door de Regering verleende uitstel niet herroepen. Hij kan evenwel uitstel verlenen wanneer de Regering geweigerd heeft uitstel te verlenen.
§ 1 - De Regering kan besluiten dat de uitvoering van de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete niet of slechts gedeeltelijk zal worden opgeschort, voor zover, tijdens de vijf jaren die de nieuwe inbreuk voorafgaan:
1° aan de overtreder geen administratieve geldboete van 25 tot 250 euro, van 50 tot 500 euro, of van 300 tot 3.000 euro werd opgelegd;
2° de overtreder niet veroordeeld werd tot een strafrechtelijke geldboete van 50 tot 500 euro, van 100 tot 1.000 euro, van 600 tot 6.000 euro, of een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar.
Een strafrechtelijke sanctie of administratieve geldboete die vroeger uitgesproken of opgelegd werd voor feiten die voortvloeien uit eenzelfde misdadig opzet, vormen geen beletsel om uitstel te verlenen.
§ 2 - De Regering verleent het uitstel bij dezelfde beslissing als die met welke zij de geldboete oplegt.
§ 3 - De duur van het uitstel mag niet minder zijn dan één jaar en mag niet meer zijn dan drie jaar, te rekenen van de datum van de kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete of te rekenen van de datum van het in kracht van gewijsde gegane vonnis of arrest.
§ 4 - Het uitstel wordt van rechtswege herroepen ingeval tijdens de duur van het uitstel een nieuwe inbreuk begaan is die de toepassing meebrengt van een administratieve geldboete van een hoger niveau dan de administratieve geldboete die tevoren gepaard ging met uitstel.
§ 5 - Het uitstel kan herroepen worden ingeval tijdens de duur van het uitstel een nieuwe inbreuk begaan is die de toepassing meebrengt van een administratieve geldboete van een gelijk of lager niveau dan de administratieve geldboete die tevoren gepaard ging met uitstel.
§ 6 - Voor de vergelijking van de niveaus van de geldboeten vermeld in de § § 4 en 5 mogen de geldboeten niet vermenigvuldigd worden met het aantal betrokken werknemers. Om te bepalen of een inbreuk van een lager, van hetzelfde dan wel van een hoger niveau is, dienen de maximumbedragen van de voor deze inbreuken vastgelegde administratieve geldboeten te worden vergeleken.
§ 7 - Het uitstel wordt herroepen bij dezelfde beslissing als die waarbij de administratieve geldboete voor de nieuwe, tijdens de duur van het uitstel begane inbreuk wordt opgelegd.
De herroeping van het uitstel wordt in de beslissing vermeld en dit zowel wanneer de herroeping van rechtswege gebeurt, als wanneer deze ter beoordeling van de Regering wordt gelaten.
§ 8 - De administratieve geldboete die uitvoerbaar wordt als gevolg van de herroeping van het uitstel, wordt onbeperkt gecumuleerd met die welke opgelegd is wegens de nieuwe inbreuk.
§ 9 - In geval van beroep tegen de beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete kan de rechter het door de Regering verleende uitstel niet herroepen. Hij kan evenwel uitstel verlenen wanneer de Regering geweigerd heeft uitstel te verlenen.
Art. 66. Sursis
§ 1er - Le Gouvernement peut décider qu'il est sursis à l'exécution de la décision infligeant une amende administrative, en tout ou en partie, pour autant que, durant les cinq années qui précèdent la nouvelle infraction :
1° le contrevenant ne se soit pas vu infliger une amende administrative de 25 à 250 euros, de 50 à 500 euros ou de 300 à 3 000 euros;
2° le contrevenant n'ait pas été condamné à une amende pénale de 50 à 500 euros, de 100 à 1 000 euros, de 600 à 6 000 euros ou à une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans.
Une amende administrative ou une sanction pénale infligée ou prononcée antérieurement pour des faits unis par une même intention délictueuse ne fait pas obstacle à l'octroi d'un sursis.
§ 2 - Le Gouvernement accorde le sursis par la même décision que celle par laquelle il inflige l'amende.
§ 3 - Le délai d'épreuve ne peut pas être inférieur à une année ni excéder trois années, à compter de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative ou à dater du jugement ou de l'arrêt coulé en force de chose jugée.
§ 4 - Le sursis est révoqué de plein droit en cas de nouvelle infraction commise pendant le délai d'épreuve et ayant entrainé l'application d'une amende administrative dont le montant maximum est supérieur au montant maximum de l'amende administrative antérieurement assortie du sursis.
§ 5 - Le sursis peut être révoqué en cas de nouvelle infraction commise pendant le délai d'épreuve et ayant entrainé l'application d'une amende administrative d'un niveau égal ou inférieur à celui de l'amende administrative antérieurement assortie du sursis.
§ 6 - Afin de comparer le niveau des amendes mentionnées aux § § 4 et 5, il n'y a pas lieu de multiplier celles-ci par le nombre de travailleurs concernés. Afin de déterminer si une infraction est d'un niveau inférieur, du même niveau ou d'un niveau supérieur, les montants maximaux des amendes administratives prévues pour ces infractions doivent être comparés.
§ 7 - Le sursis est révoqué dans la même décision que celle par laquelle est infligée l'amende administrative pour la nouvelle infraction commise pendant le délai d'épreuve.
La mention de la révocation du sursis dans la décision se fait tant lorsque la révocation a lieu de plein droit que dans le cas où elle est laissée à l'appréciation du Gouvernement.
§ 8 - L'amende administrative qui devient exécutoire par suite de la révocation du sursis est cumulée sans limite avec celle infligée du chef de la nouvelle infraction.
§ 9 - En cas de recours contre la décision infligeant une amende administrative, le juge ne peut pas révoquer le sursis accordé par le Gouvernement. Il peut cependant accorder le sursis lorsque le Gouvernement l'a refusé.
§ 1er - Le Gouvernement peut décider qu'il est sursis à l'exécution de la décision infligeant une amende administrative, en tout ou en partie, pour autant que, durant les cinq années qui précèdent la nouvelle infraction :
1° le contrevenant ne se soit pas vu infliger une amende administrative de 25 à 250 euros, de 50 à 500 euros ou de 300 à 3 000 euros;
2° le contrevenant n'ait pas été condamné à une amende pénale de 50 à 500 euros, de 100 à 1 000 euros, de 600 à 6 000 euros ou à une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans.
Une amende administrative ou une sanction pénale infligée ou prononcée antérieurement pour des faits unis par une même intention délictueuse ne fait pas obstacle à l'octroi d'un sursis.
§ 2 - Le Gouvernement accorde le sursis par la même décision que celle par laquelle il inflige l'amende.
§ 3 - Le délai d'épreuve ne peut pas être inférieur à une année ni excéder trois années, à compter de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative ou à dater du jugement ou de l'arrêt coulé en force de chose jugée.
§ 4 - Le sursis est révoqué de plein droit en cas de nouvelle infraction commise pendant le délai d'épreuve et ayant entrainé l'application d'une amende administrative dont le montant maximum est supérieur au montant maximum de l'amende administrative antérieurement assortie du sursis.
§ 5 - Le sursis peut être révoqué en cas de nouvelle infraction commise pendant le délai d'épreuve et ayant entrainé l'application d'une amende administrative d'un niveau égal ou inférieur à celui de l'amende administrative antérieurement assortie du sursis.
§ 6 - Afin de comparer le niveau des amendes mentionnées aux § § 4 et 5, il n'y a pas lieu de multiplier celles-ci par le nombre de travailleurs concernés. Afin de déterminer si une infraction est d'un niveau inférieur, du même niveau ou d'un niveau supérieur, les montants maximaux des amendes administratives prévues pour ces infractions doivent être comparés.
§ 7 - Le sursis est révoqué dans la même décision que celle par laquelle est infligée l'amende administrative pour la nouvelle infraction commise pendant le délai d'épreuve.
La mention de la révocation du sursis dans la décision se fait tant lorsque la révocation a lieu de plein droit que dans le cas où elle est laissée à l'appréciation du Gouvernement.
§ 8 - L'amende administrative qui devient exécutoire par suite de la révocation du sursis est cumulée sans limite avec celle infligée du chef de la nouvelle infraction.
§ 9 - En cas de recours contre la décision infligeant une amende administrative, le juge ne peut pas révoquer le sursis accordé par le Gouvernement. Il peut cependant accorder le sursis lorsque le Gouvernement l'a refusé.
Art. 67. Minderjarigen
§ 1 - Dit hoofdstuk is niet van toepassing op minderjarigen onder zestien jaar op het moment van de feiten.
§ 2 - Wanneer de procedure tot oplegging van een administratieve geldboete opgestart wordt tegen een persoon onder achttien jaar, wordt de kennisgeving via een verzending waarvan de datum met zekerheid kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 49 gericht aan de minderjarige, alsook aan zijn vader, zijn moeder, zijn voogd of de personen die het gezagsrecht voor hem hebben. Die partijen beschikken over dezelfde rechten als de inbreukpleger.
De Regering stelt de stafhouder van de Orde van advocaten daarvan in kennis, zodat de minderjarige door een advocaat bijgestaan kan worden. Die kennisgeving wordt op hetzelfde tijdstip verstuurd als de kennisgeving via een verzending waarvan de datum met zekerheid kan worden vastgesteld, vermeld in het eerste lid.
Uiterlijk binnen twee werkdagen, te rekenen van de datum van die kennisgeving, wordt een advocaat aangewezen door de stafhouder of het bureau voor juridische bijstand.
Een afschrift van het bericht waarmee de stafhouder in kennis van de aanhangigmaking gesteld wordt, wordt bij het proceduredossier gevoegd.
In geval van een belangenconflict zorgt de stafhouder of het bureau voor juridische bijstand ervoor dat de belanghebbende bijgestaan wordt door een andere advocaat dan degene op wie zijn vader, zijn moeder, zijn voogd of de personen die het gezagsrecht voor hem hebben, een beroep hebben gedaan.
§ 3 - Als de inbreukpleger minderjarig is, worden de in artikel 53 bedoelde beslissing of de beslissing om het dossier te seponeren, samen met het proces-verbaal van verhoor, ter kennis gebracht van de minderjarige, alsook van zijn vader, zijn moeder, zijn voogd of de personen die het gezagsrecht voor hem hebben.
De vader en de moeder, de voogden of de personen die het gezagsrecht voor de minderjarige hebben, zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboete.
§ 4 - In afwijking van artikel 56 wordt het beroep door middel van een kosteloos verzoekschrift bij de jeugdrechtbank ingediend, als de inbreukpleger een minderjarige is die de volle leeftijd van zestien jaar heeft bereikt. In dat geval kan het beroep ook worden ingesteld door zijn vader, zijn moeder, zijn voogd of de personen die het gezagsrecht voor de minderjarige hebben.
De jeugdrechtbank blijft bevoegd indien de inbreukpleger meerderjarig is op het tijdstip van de uitspraak van het vonnis.
§ 1 - Dit hoofdstuk is niet van toepassing op minderjarigen onder zestien jaar op het moment van de feiten.
§ 2 - Wanneer de procedure tot oplegging van een administratieve geldboete opgestart wordt tegen een persoon onder achttien jaar, wordt de kennisgeving via een verzending waarvan de datum met zekerheid kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 49 gericht aan de minderjarige, alsook aan zijn vader, zijn moeder, zijn voogd of de personen die het gezagsrecht voor hem hebben. Die partijen beschikken over dezelfde rechten als de inbreukpleger.
De Regering stelt de stafhouder van de Orde van advocaten daarvan in kennis, zodat de minderjarige door een advocaat bijgestaan kan worden. Die kennisgeving wordt op hetzelfde tijdstip verstuurd als de kennisgeving via een verzending waarvan de datum met zekerheid kan worden vastgesteld, vermeld in het eerste lid.
Uiterlijk binnen twee werkdagen, te rekenen van de datum van die kennisgeving, wordt een advocaat aangewezen door de stafhouder of het bureau voor juridische bijstand.
Een afschrift van het bericht waarmee de stafhouder in kennis van de aanhangigmaking gesteld wordt, wordt bij het proceduredossier gevoegd.
In geval van een belangenconflict zorgt de stafhouder of het bureau voor juridische bijstand ervoor dat de belanghebbende bijgestaan wordt door een andere advocaat dan degene op wie zijn vader, zijn moeder, zijn voogd of de personen die het gezagsrecht voor hem hebben, een beroep hebben gedaan.
§ 3 - Als de inbreukpleger minderjarig is, worden de in artikel 53 bedoelde beslissing of de beslissing om het dossier te seponeren, samen met het proces-verbaal van verhoor, ter kennis gebracht van de minderjarige, alsook van zijn vader, zijn moeder, zijn voogd of de personen die het gezagsrecht voor hem hebben.
De vader en de moeder, de voogden of de personen die het gezagsrecht voor de minderjarige hebben, zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboete.
§ 4 - In afwijking van artikel 56 wordt het beroep door middel van een kosteloos verzoekschrift bij de jeugdrechtbank ingediend, als de inbreukpleger een minderjarige is die de volle leeftijd van zestien jaar heeft bereikt. In dat geval kan het beroep ook worden ingesteld door zijn vader, zijn moeder, zijn voogd of de personen die het gezagsrecht voor de minderjarige hebben.
De jeugdrechtbank blijft bevoegd indien de inbreukpleger meerderjarig is op het tijdstip van de uitspraak van het vonnis.
Art. 67. Mineurs
§ 1er - Le présent chapitre n'est pas applicable aux mineurs âgés de moins de seize ans au moment des faits.
§ 2 - Lorsque la procédure visant à infliger une amende administrative est entamée à l'encontre d'une personne de moins de dix-huit ans, la notification par envoi dûment daté mentionnée à l'article 49 est adressée au mineur ainsi qu'à son père, à sa mère, à son tuteur ou aux personnes qui en ont la garde. Ces parties disposent des mêmes droits que le contrevenant.
Le Gouvernement en avise le bâtonnier de l'ordre des avocats afin de permettre au mineur d'être assisté d'un avocat. Cet avis est envoyé en même temps que la notification par envoi dûment daté mentionnée à l'alinéa 1er.
Le bâtonnier ou le bureau d'aide juridique procède à la désignation d'un avocat au plus tard dans les deux jours ouvrables à compter de cet avis.
Une copie de l'avis informant le bâtonnier de la saisine est jointe au dossier de la procédure.
Lorsqu'il y a conflit d'intérêts, le bâtonnier ou le bureau d'aide juridique vérifie que l'intéressé est assisté par un avocat autre que celui auquel ont eu recours son père, sa mère, son tuteur ou les personnes qui en ont la garde.
§ 3 - Lorsque le contrevenant est mineur, la décision mentionnée à l'article 53 ou celle de classer le dossier sans suite est notifiée, accompagnée du procès-verbal d'audition, au mineur ainsi qu'à son père, à sa mère, à son tuteur ou aux personnes qui en ont la garde et à son conseil.
Les pères et mères, tuteurs ou personnes qui ont la garde du mineur sont civilement responsables du paiement de l'amende.
§ 4 - Par dérogation à l'article 56, le recours est introduit par requête gratuite auprès du tribunal de la jeunesse lorsque le contrevenant est un mineur ayant atteint l'âge de seize ans accomplis. Dans ce cas, le recours peut également être introduit par son père, sa mère, son tuteur ou par les personnes qui en ont la garde.
Le tribunal de la jeunesse demeure compétent si le contrevenant est majeur au moment où il se prononce.
§ 1er - Le présent chapitre n'est pas applicable aux mineurs âgés de moins de seize ans au moment des faits.
§ 2 - Lorsque la procédure visant à infliger une amende administrative est entamée à l'encontre d'une personne de moins de dix-huit ans, la notification par envoi dûment daté mentionnée à l'article 49 est adressée au mineur ainsi qu'à son père, à sa mère, à son tuteur ou aux personnes qui en ont la garde. Ces parties disposent des mêmes droits que le contrevenant.
Le Gouvernement en avise le bâtonnier de l'ordre des avocats afin de permettre au mineur d'être assisté d'un avocat. Cet avis est envoyé en même temps que la notification par envoi dûment daté mentionnée à l'alinéa 1er.
Le bâtonnier ou le bureau d'aide juridique procède à la désignation d'un avocat au plus tard dans les deux jours ouvrables à compter de cet avis.
Une copie de l'avis informant le bâtonnier de la saisine est jointe au dossier de la procédure.
Lorsqu'il y a conflit d'intérêts, le bâtonnier ou le bureau d'aide juridique vérifie que l'intéressé est assisté par un avocat autre que celui auquel ont eu recours son père, sa mère, son tuteur ou les personnes qui en ont la garde.
§ 3 - Lorsque le contrevenant est mineur, la décision mentionnée à l'article 53 ou celle de classer le dossier sans suite est notifiée, accompagnée du procès-verbal d'audition, au mineur ainsi qu'à son père, à sa mère, à son tuteur ou aux personnes qui en ont la garde et à son conseil.
Les pères et mères, tuteurs ou personnes qui ont la garde du mineur sont civilement responsables du paiement de l'amende.
§ 4 - Par dérogation à l'article 56, le recours est introduit par requête gratuite auprès du tribunal de la jeunesse lorsque le contrevenant est un mineur ayant atteint l'âge de seize ans accomplis. Dans ce cas, le recours peut également être introduit par son père, sa mère, son tuteur ou par les personnes qui en ont la garde.
Le tribunal de la jeunesse demeure compétent si le contrevenant est majeur au moment où il se prononce.
Hoofdstuk 6. - Strafbepalingen
Chapitre 6. - Dispositions pénales
Art. 68. Belemmering van de controle
§ 1 - Wordt bestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen of met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro: eenieder die de controle belemmert die krachtens dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt georganiseerd.
De sanctie vermeld in het eerste lid geldt niet voor inbreuken op artikel 18 van dit decreet.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2 - Subsidies, vergoedingen of toelagen kunnen opgeschort worden, als de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber de controles belemmert die krachtens dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan worden georganiseerd om het gebruik van subsidies, vergoedingen of toelagen te controleren.
De opschorting vermeld in het eerste lid geldt ook voor de aanvragen ter verkrijging van subsidies, vergoedingen of toelagen.
De opschorting vermeld in het eerste lid geldt tot op de dag waarop de procedure vermeld in paragraaf 1 werd stopgezet of tot op de dag waarop geen beroep meer kan worden ingesteld tegen de beslissing van de Regering of tot op de dag waarop de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
§ 3 - De Regering kan de gevallen, de nadere regels, alsook de procedure voor de opschorting, stopzetting of terugvordering van de subsidies, vergoedingen of toelagen bepalen.
§ 4 - In de gevallen en overeenkomstig de nadere regels die door de Regering bepaald worden, kan de Regering de behandeling van de aanvragen ter verkrijging van subsidies, vergoedingen of toelagen die door de Duitstalige Gemeenschap worden uitbetaald, opschorten totdat de sociaal inspecteurs de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon gecontroleerd hebben.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt met de rechtspersoon gelijkgesteld: de rechtspersoon die een aanvraag indient waartegen geen controle lopende is, maar waarin bestuurders zetelen, of zaakvoerders, lasthebbers of personen bevoegd om de onderneming te verbinden aanwezig zijn, en die over één van deze hoedanigheden beschikken in de rechtspersoon waartegen een controle lopende is.
Als de behandeling van de aanvraag wordt opgeschort, worden de termijnen die in de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen worden bepaald, verlengd met de duur van de controle.
§ 1 - Wordt bestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen of met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro: eenieder die de controle belemmert die krachtens dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt georganiseerd.
De sanctie vermeld in het eerste lid geldt niet voor inbreuken op artikel 18 van dit decreet.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2 - Subsidies, vergoedingen of toelagen kunnen opgeschort worden, als de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber de controles belemmert die krachtens dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan worden georganiseerd om het gebruik van subsidies, vergoedingen of toelagen te controleren.
De opschorting vermeld in het eerste lid geldt ook voor de aanvragen ter verkrijging van subsidies, vergoedingen of toelagen.
De opschorting vermeld in het eerste lid geldt tot op de dag waarop de procedure vermeld in paragraaf 1 werd stopgezet of tot op de dag waarop geen beroep meer kan worden ingesteld tegen de beslissing van de Regering of tot op de dag waarop de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
§ 3 - De Regering kan de gevallen, de nadere regels, alsook de procedure voor de opschorting, stopzetting of terugvordering van de subsidies, vergoedingen of toelagen bepalen.
§ 4 - In de gevallen en overeenkomstig de nadere regels die door de Regering bepaald worden, kan de Regering de behandeling van de aanvragen ter verkrijging van subsidies, vergoedingen of toelagen die door de Duitstalige Gemeenschap worden uitbetaald, opschorten totdat de sociaal inspecteurs de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon gecontroleerd hebben.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt met de rechtspersoon gelijkgesteld: de rechtspersoon die een aanvraag indient waartegen geen controle lopende is, maar waarin bestuurders zetelen, of zaakvoerders, lasthebbers of personen bevoegd om de onderneming te verbinden aanwezig zijn, en die over één van deze hoedanigheden beschikken in de rechtspersoon waartegen een controle lopende is.
Als de behandeling van de aanvraag wordt opgeschort, worden de termijnen die in de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen worden bepaald, verlengd met de duur van de controle.
Art. 68. Obstacle au contrôle
§ 1er - Est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, quiconque fait obstacle au contrôle organisé en vertu du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
La sanction mentionnée à l'alinéa 1er n'est pas d'application aux infractions à l'article 18 du présent décret.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2 - Les subventions, indemnités ou allocations peuvent être suspendues si l'employeur, son préposé ou son mandataire fait obstacle au contrôle de l'affectation de subventions, d'indemnités ou d'allocations, organisé en vertu du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
La suspension mentionnée à l'alinéa 1er s'applique également pour une demande d'obtention de subventions, d'indemnités ou d'allocations.
La suspension mentionnée à l'alinéa 1er s'applique jusqu'au jour où la procédure mentionnée au § 1er est clôturée ou jusqu'au jour où la décision du Gouvernement n'est plus susceptible de recours ou jusqu'au jour où la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.
§ 3 - Le Gouvernement peut déterminer les cas, les modalités ainsi que la procédure pour la suspension, la cessation ou le recouvrement des subventions, indemnités ou allocations.
§ 4 - Le Gouvernement peut suspendre, dans les cas et selon les modalités qu'il a fixés, le traitement des demandes d'obtention de subventions, d'indemnités ou d'allocations qui sont versées par la Communauté germanophone, et ce, aussi longtemps qu'un contrôle des inspecteurs sociaux à l'encontre de la même personne physique ou morale est en cours.
Est assimilée, pour l'application de l'alinéa 1er, à la personne morale, la personne morale qui introduit une demande et contre laquelle aucun contrôle n'est en cours, mais dans laquelle siègent des administrateurs, ou sont présents des gérants, des mandataires ou des personnes compétentes pour engager l'entreprise, et qui disposent d'une de ces qualités dans la personne morale contre laquelle un contrôle est en cours.
En cas de suspension du traitement de la demande, les délais déterminés dans les dispositions légales, décrétales et réglementaires sont prolongés de la durée du contrôle.
§ 1er - Est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, quiconque fait obstacle au contrôle organisé en vertu du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
La sanction mentionnée à l'alinéa 1er n'est pas d'application aux infractions à l'article 18 du présent décret.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2 - Les subventions, indemnités ou allocations peuvent être suspendues si l'employeur, son préposé ou son mandataire fait obstacle au contrôle de l'affectation de subventions, d'indemnités ou d'allocations, organisé en vertu du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
La suspension mentionnée à l'alinéa 1er s'applique également pour une demande d'obtention de subventions, d'indemnités ou d'allocations.
La suspension mentionnée à l'alinéa 1er s'applique jusqu'au jour où la procédure mentionnée au § 1er est clôturée ou jusqu'au jour où la décision du Gouvernement n'est plus susceptible de recours ou jusqu'au jour où la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.
§ 3 - Le Gouvernement peut déterminer les cas, les modalités ainsi que la procédure pour la suspension, la cessation ou le recouvrement des subventions, indemnités ou allocations.
§ 4 - Le Gouvernement peut suspendre, dans les cas et selon les modalités qu'il a fixés, le traitement des demandes d'obtention de subventions, d'indemnités ou d'allocations qui sont versées par la Communauté germanophone, et ce, aussi longtemps qu'un contrôle des inspecteurs sociaux à l'encontre de la même personne physique ou morale est en cours.
Est assimilée, pour l'application de l'alinéa 1er, à la personne morale, la personne morale qui introduit une demande et contre laquelle aucun contrôle n'est en cours, mais dans laquelle siègent des administrateurs, ou sont présents des gérants, des mandataires ou des personnes compétentes pour engager l'entreprise, et qui disposent d'une de ces qualités dans la personne morale contre laquelle un contrôle est en cours.
En cas de suspension du traitement de la demande, les délais déterminés dans les dispositions légales, décrétales et réglementaires sont prolongés de la durée du contrôle.
Art. 69. Niet-naleving van de aanplakking van documenten
Worden bestraft met een strafrechtelijke geldboete van 50 tot 500 euro of met een administratieve geldboete van 25 tot 250 euro: de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die binnen de door de sociaal inspecteurs bepaalde termijnen, het door deze laatsten gegeven bevel tot aanplakking van in artikel 31 bedoelde documenten niet nakomen.
Worden bestraft met een strafrechtelijke geldboete van 50 tot 500 euro of met een administratieve geldboete van 25 tot 250 euro: de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die binnen de door de sociaal inspecteurs bepaalde termijnen, het door deze laatsten gegeven bevel tot aanplakking van in artikel 31 bedoelde documenten niet nakomen.
Art. 69. Non-respect de l'apposition de documents
Est puni d'une amende pénale de 50 à 500 euros ou d'une amende administrative de 25 à 250 euros, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'observe pas, dans les délais fixés par les inspecteurs sociaux, l'ordre donné par ces derniers d'apposer les documents mentionnés à l'article 31.
Est puni d'une amende pénale de 50 à 500 euros ou d'une amende administrative de 25 à 250 euros, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'observe pas, dans les délais fixés par les inspecteurs sociaux, l'ordre donné par ces derniers d'apposer les documents mentionnés à l'article 31.
Art. 70. Niet-naleving van de voorgeschreven maatregelen inzake inbeslagnemin
Worden bestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen of met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro: de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die de ter uitvoering van de artikelen 25 en 26 voorgeschreven maatregelen niet naleven.
Worden bestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen of met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro: de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die de ter uitvoering van de artikelen 25 en 26 voorgeschreven maatregelen niet naleven.
Art. 70. Non-respect des mesures de saisie prescrites
Est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'observe pas les mesures prescrites en exécution des articles 25 et 26.
Est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'observe pas les mesures prescrites en exécution des articles 25 et 26.
Art. 71. Gebruik van inlichtingen uit inzage van het dossier
Wordt bestraft met een strafrechtelijke geldboete van 50 tot 500 euro of met een administratieve geldboete van 25 tot 250 euro: het gebruik van inlichtingen - na de inzage van het dossier vermeld in artikel 51 of na het krijgen van een afschrift ervan - met als doel en met als gevolg dat het verloop van het onderzoek, het privéleven, de lichamelijke en geestelijke integriteit of de goederen van een in het dossier vermeld persoon worden belemmerd.
Wordt bestraft met een strafrechtelijke geldboete van 50 tot 500 euro of met een administratieve geldboete van 25 tot 250 euro: het gebruik van inlichtingen - na de inzage van het dossier vermeld in artikel 51 of na het krijgen van een afschrift ervan - met als doel en met als gevolg dat het verloop van het onderzoek, het privéleven, de lichamelijke en geestelijke integriteit of de goederen van een in het dossier vermeld persoon worden belemmerd.
Art. 71. Utilisation des informations obtenues lors de la consultation du dossier
Tout usage d'informations obtenues après consultation du dossier mentionnée à l'article 51 ou après obtention d'une copie de celui-ci, qui a eu pour but ou pour effet d'entraver le déroulement de l'instruction, de porter atteinte à la vie privée, à l'intégrité physique ou morale ou aux biens d'une personne citée dans le dossier est puni d'une amende pénale de 50 à 500 euros ou d'une amende administrative de 25 à 250 euros.
Tout usage d'informations obtenues après consultation du dossier mentionnée à l'article 51 ou après obtention d'une copie de celui-ci, qui a eu pour but ou pour effet d'entraver le déroulement de l'instruction, de porter atteinte à la vie privée, à l'intégrité physique ou morale ou aux biens d'une personne citée dans le dossier est puni d'une amende pénale de 50 à 500 euros ou d'une amende administrative de 25 à 250 euros.
Art. 72. Valsheid en gebruik van valse stukken
Voor de toepassing van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, alsook voor de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen wordt met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen of met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro bestraft: eenieder die, met het oogmerk ten onrechte een financieel of persoonlijk voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden:
1° valsheid in geschrifte heeft gepleegd, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of in een akte in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die deze akte ten doel had op te nemen of vast te stellen;
2° zich bediend heeft van een valse akte of een vals stuk;
3° valsheid heeft gepleegd, door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, in te brengen in een informaticasysteem, te wijzigen of te wissen, of met enig ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van dergelijke gegevens verandert;
4° gebruik heeft gemaakt van op die wijze verkregen gegevens, terwijl hij weet dat de aldus verkregen gegevens vals zijn.
Als de inbreuken vermeld in het eerste lid gepleegd werden door de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber om een financieel of persoonlijk voordeel waarop de werknemer geen recht heeft, te doen bekomen of te doen behouden, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Voor de toepassing van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, alsook voor de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen wordt met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen of met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro bestraft: eenieder die, met het oogmerk ten onrechte een financieel of persoonlijk voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden:
1° valsheid in geschrifte heeft gepleegd, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of in een akte in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die deze akte ten doel had op te nemen of vast te stellen;
2° zich bediend heeft van een valse akte of een vals stuk;
3° valsheid heeft gepleegd, door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, in te brengen in een informaticasysteem, te wijzigen of te wissen, of met enig ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van dergelijke gegevens verandert;
4° gebruik heeft gemaakt van op die wijze verkregen gegevens, terwijl hij weet dat de aldus verkregen gegevens vals zijn.
Als de inbreuken vermeld in het eerste lid gepleegd werden door de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber om een financieel of persoonlijk voordeel waarop de werknemer geen recht heeft, te doen bekomen of te doen behouden, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 72. Faux et usage de faux en écriture
Aux fins de l'application du présent décret et de ses arrêtés d'exécution ainsi que des dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4, est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, quiconque, dans le but d'obtenir ou de faire obtenir, ou de conserver ou de faire conserver un avantage financier ou personnel indu :
1° a commis un faux en écriture, soit par fausses signatures, soit par contrefaçon ou altération d'écritures ou de signatures, soit par fabrication de conventions, dispositions, obligations ou décharges ou par leur insertion dans un acte, soit par addition ou altération de clauses, de déclarations ou de faits que cet acte avait pour objet de recevoir ou de constater;
2° a fait usage d'un acte faux ou d'une pièce fausse;
3° a commis un faux en introduisant, modifiant ou effaçant dans un système informatique des données enregistrées, traitées ou transmises par voie informatique ou en modifiant, avec d'autres moyens technologiques, l'éventuelle utilisation des données dans un système informatique, ce qui a modifié la portée juridique de ces données;
4° a fait usage des données ainsi obtenues, tout en sachant qu'elles ont été falsifiées.
Lorsque les infractions mentionnées à l'alinéa 1er ont été commises par l'employeur, son préposé ou son mandataire dans le but de faire obtenir ou de faire conserver un avantage financier ou personnel auquel le travailleur n'a pas droit, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Aux fins de l'application du présent décret et de ses arrêtés d'exécution ainsi que des dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4, est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, quiconque, dans le but d'obtenir ou de faire obtenir, ou de conserver ou de faire conserver un avantage financier ou personnel indu :
1° a commis un faux en écriture, soit par fausses signatures, soit par contrefaçon ou altération d'écritures ou de signatures, soit par fabrication de conventions, dispositions, obligations ou décharges ou par leur insertion dans un acte, soit par addition ou altération de clauses, de déclarations ou de faits que cet acte avait pour objet de recevoir ou de constater;
2° a fait usage d'un acte faux ou d'une pièce fausse;
3° a commis un faux en introduisant, modifiant ou effaçant dans un système informatique des données enregistrées, traitées ou transmises par voie informatique ou en modifiant, avec d'autres moyens technologiques, l'éventuelle utilisation des données dans un système informatique, ce qui a modifié la portée juridique de ces données;
4° a fait usage des données ainsi obtenues, tout en sachant qu'elles ont été falsifiées.
Lorsque les infractions mentionnées à l'alinéa 1er ont été commises par l'employeur, son préposé ou son mandataire dans le but de faire obtenir ou de faire conserver un avantage financier ou personnel auquel le travailleur n'a pas droit, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Art. 73. Onjuiste of onvolledige verklaringen
§ 1 - Voor de toepassing van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, alsook voor de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen wordt met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen of met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro bestraft eenieder die wetens en willens:
1° een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd om ten onrechte een financieel of persoonlijk voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden;
2° heeft nagelaten of geweigerd om een verplichte verklaring af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken om ten onrechte een financieel of persoonlijk voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden;
3° ingevolge een verklaring bedoeld in het eerste lid, 1°, het nalaten of het weigeren om een verklaring af te leggen of inlichtingen te verstrekken bedoeld in het eerste lid, 2°, of een akte of handeling bedoeld in artikel 72, een financieel of persoonlijk voordeel heeft ontvangen waarop hij geen aanspraak had of waarop hij slechts gedeeltelijk aanspraak had.
Als de inbreuken vermeld in het eerste lid gepleegd werden door de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber om een financieel of persoonlijk voordeel waarop de werknemer geen recht heeft, te doen bekomen of te doen behouden, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2 - Voor de toepassing van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, alsook voor de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen wordt met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen of met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro bestraft: eenieder die, met het oogmerk ten onrechte een financieel of persoonlijk voordeel te bekomen, wetens en willens nagelaten heeft te verklaren dat hij, al was het maar gedeeltelijk, geen aanspraak meer heeft op een financieel of persoonlijk voordeel.
§ 1 - Voor de toepassing van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, alsook voor de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen wordt met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen of met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro bestraft eenieder die wetens en willens:
1° een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd om ten onrechte een financieel of persoonlijk voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden;
2° heeft nagelaten of geweigerd om een verplichte verklaring af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken om ten onrechte een financieel of persoonlijk voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden;
3° ingevolge een verklaring bedoeld in het eerste lid, 1°, het nalaten of het weigeren om een verklaring af te leggen of inlichtingen te verstrekken bedoeld in het eerste lid, 2°, of een akte of handeling bedoeld in artikel 72, een financieel of persoonlijk voordeel heeft ontvangen waarop hij geen aanspraak had of waarop hij slechts gedeeltelijk aanspraak had.
Als de inbreuken vermeld in het eerste lid gepleegd werden door de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber om een financieel of persoonlijk voordeel waarop de werknemer geen recht heeft, te doen bekomen of te doen behouden, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2 - Voor de toepassing van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, alsook voor de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen wordt met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen of met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro bestraft: eenieder die, met het oogmerk ten onrechte een financieel of persoonlijk voordeel te bekomen, wetens en willens nagelaten heeft te verklaren dat hij, al was het maar gedeeltelijk, geen aanspraak meer heeft op een financieel of persoonlijk voordeel.
Art. 73. Déclarations inexactes ou incomplètes
§ 1er - Aux fins de l'application du présent décret et de ses arrêtés d'exécution ainsi que des dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4, est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, quiconque a sciemment et volontairement :
1° fait une déclaration inexacte ou incomplète pour obtenir ou faire obtenir, ou pour conserver ou faire conserver un avantage financier ou personnel indu;
2° omis ou refusé de faire une déclaration à laquelle il est tenu ou de fournir les informations qu'il est tenu de donner pour obtenir ou faire obtenir, ou pour conserver ou faire conserver un avantage financier ou personnel indu;
3° reçu un avantage financier ou personnel auquel il n'a pas droit ou n'a que partiellement droit à la suite d'une déclaration mentionnée à l'alinéa 1er, 1°, de l'omission ou du refus de faire une déclaration ou de fournir des informations mentionnées à l'alinéa 1er, 2°, ou d'un acte mentionné à l'article 72.
Lorsque les infractions mentionnées à l'alinéa 1er ont été commises par l'employeur, son préposé ou son mandataire dans le but de faire obtenir ou de faire conserver un avantage financier ou personnel auquel le travailleur n'a pas droit, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2 - Aux fins de l'application du présent décret et de ses arrêtés d'exécution ainsi que des dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4, est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, quiconque a, sciemment et volontairement, omis de déclarer ne plus avoir droit à un avantage financier ou personnel, même si ce n'est que partiellement, pour conserver un avantage financier ou personnel indu.
§ 1er - Aux fins de l'application du présent décret et de ses arrêtés d'exécution ainsi que des dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4, est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, quiconque a sciemment et volontairement :
1° fait une déclaration inexacte ou incomplète pour obtenir ou faire obtenir, ou pour conserver ou faire conserver un avantage financier ou personnel indu;
2° omis ou refusé de faire une déclaration à laquelle il est tenu ou de fournir les informations qu'il est tenu de donner pour obtenir ou faire obtenir, ou pour conserver ou faire conserver un avantage financier ou personnel indu;
3° reçu un avantage financier ou personnel auquel il n'a pas droit ou n'a que partiellement droit à la suite d'une déclaration mentionnée à l'alinéa 1er, 1°, de l'omission ou du refus de faire une déclaration ou de fournir des informations mentionnées à l'alinéa 1er, 2°, ou d'un acte mentionné à l'article 72.
Lorsque les infractions mentionnées à l'alinéa 1er ont été commises par l'employeur, son préposé ou son mandataire dans le but de faire obtenir ou de faire conserver un avantage financier ou personnel auquel le travailleur n'a pas droit, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2 - Aux fins de l'application du présent décret et de ses arrêtés d'exécution ainsi que des dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4, est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, quiconque a, sciemment et volontairement, omis de déclarer ne plus avoir droit à un avantage financier ou personnel, même si ce n'est que partiellement, pour conserver un avantage financier ou personnel indu.
Art. 74. Oplichting
Voor de toepassing van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, alsook voor de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen wordt met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen of met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro bestraft: eenieder die, met het oogmerk ten onrechte een financieel of persoonlijk voordeel te bekomen of te doen bekomen, gebruik heeft gemaakt van valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen, of enige andere bedrieglijke handeling aangewend heeft om te doen geloven aan het bestaan van een valse persoon, een valse onderneming, of enige andere fictieve gebeurtenis of om op andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen.
Als de inbreuk vermeld in het eerste lid gepleegd werd door de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber om een financieel of persoonlijk voordeel waarop de werknemer geen recht heeft, te doen bekomen of te doen behouden, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Voor de toepassing van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, alsook voor de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen wordt met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen of met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro bestraft: eenieder die, met het oogmerk ten onrechte een financieel of persoonlijk voordeel te bekomen of te doen bekomen, gebruik heeft gemaakt van valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen, of enige andere bedrieglijke handeling aangewend heeft om te doen geloven aan het bestaan van een valse persoon, een valse onderneming, of enige andere fictieve gebeurtenis of om op andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen.
Als de inbreuk vermeld in het eerste lid gepleegd werd door de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber om een financieel of persoonlijk voordeel waarop de werknemer geen recht heeft, te doen bekomen of te doen behouden, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
Art. 74. Fraude
Aux fins de l'application du présent décret et de ses arrêtés d'exécution ainsi que des dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4, est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, quiconque, dans le but d'obtenir ou de faire obtenir un avantage financier ou personnel indu, a fait usage de faux noms, de faux titres ou de fausses adresses, ou a recouru à toute autre manoeuvre frauduleuse pour faire croire à l'existence d'une fausse personne, d'une fausse entreprise ou de tout autre évènement fictif ou pour abuser d'une autre manière de la confiance.
Lorsque l'infraction mentionnée à l'alinéa 1er a été commise par l'employeur, son préposé ou son mandataire dans le but de faire obtenir ou de faire conserver un avantage financier ou personnel auquel le travailleur n'a pas droit, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Aux fins de l'application du présent décret et de ses arrêtés d'exécution ainsi que des dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4, est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, quiconque, dans le but d'obtenir ou de faire obtenir un avantage financier ou personnel indu, a fait usage de faux noms, de faux titres ou de fausses adresses, ou a recouru à toute autre manoeuvre frauduleuse pour faire croire à l'existence d'une fausse personne, d'une fausse entreprise ou de tout autre évènement fictif ou pour abuser d'une autre manière de la confiance.
Lorsque l'infraction mentionnée à l'alinéa 1er a été commise par l'employeur, son préposé ou son mandataire dans le but de faire obtenir ou de faire conserver un avantage financier ou personnel auquel le travailleur n'a pas droit, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Art. 75. Vermenigvuldiging
Als de geldboete vermenigvuldigd wordt met het aantal betrokken werknemers, geldt de regel zowel voor de strafrechtelijke geldboete als voor de administratieve geldboete.
De vermenigvuldigde geldboete mag niet hoger zijn dan het honderdvoud van de maximumgeldboete.
Als de geldboete vermenigvuldigd wordt met het aantal betrokken werknemers, geldt de regel zowel voor de strafrechtelijke geldboete als voor de administratieve geldboete.
De vermenigvuldigde geldboete mag niet hoger zijn dan het honderdvoud van de maximumgeldboete.
Art. 75. Multiplication
Lorsque l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés, la règle vise tant l'amende pénale que l'amende administrative.
L'amende multipliée ne peut excéder le maximum de l'amende multiplié par cent.
Lorsque l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés, la règle vise tant l'amende pénale que l'amende administrative.
L'amende multipliée ne peut excéder le maximum de l'amende multiplié par cent.
Art. 76. Herhaling
Het bedrag van de administratieve geldboete kan op het dubbele van het maximum worden gebracht bij herhaling binnen vijf jaar na een beslissing tot schuldigverklaring, een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete of een veroordeling tot een gevangenisstraf of een administratieve of strafrechtelijke geldboete wegens inbreuk op de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen.
De termijn van vijf jaar gaat in op de dag dat geen beroep meer kan worden ingesteld tegen de beslissing van de Regering of op de dag dat de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
Het bedrag van de administratieve geldboete kan op het dubbele van het maximum worden gebracht bij herhaling binnen vijf jaar na een beslissing tot schuldigverklaring, een beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete of een veroordeling tot een gevangenisstraf of een administratieve of strafrechtelijke geldboete wegens inbreuk op de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen.
De termijn van vijf jaar gaat in op de dag dat geen beroep meer kan worden ingesteld tegen de beslissing van de Regering of op de dag dat de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
Art. 76. Récidive
En cas de récidive dans les cinq années qui suivent une décision déclarant la culpabilité, une décision infligeant une amende administrative ou une condamnation à une peine d'emprisonnement voire au paiement d'une amende administrative ou pénale, et ce, à la suite d'une infraction aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4, le montant de l'amende administrative peut être porté au double du maximum.
Le délai de cinq ans prend cours le jour où la décision du Gouvernement n'est plus susceptible de recours ou le jour où la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.
En cas de récidive dans les cinq années qui suivent une décision déclarant la culpabilité, une décision infligeant une amende administrative ou une condamnation à une peine d'emprisonnement voire au paiement d'une amende administrative ou pénale, et ce, à la suite d'une infraction aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4, le montant de l'amende administrative peut être porté au double du maximum.
Le délai de cinq ans prend cours le jour où la décision du Gouvernement n'est plus susceptible de recours ou le jour où la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.
Art. 77. Strafrechtelijke bepalingen
§ 1 - Wat de strafrechtelijke sancties betreft, zijn alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk 5, van toepassing op de inbreuken die in dit decreet worden vermeld.
Artikel 85 van het Strafwetboek is van toepassing op de inbreuken die in dit decreet worden vermeld, zonder dat het bedrag van de strafrechtelijke geldboete lager kan zijn dan 40% van de minimumbedragen die in dit decreet worden vastgelegd.
§ 2 - De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe zijn aangestelden of lasthebbers veroordeeld zijn.
§ 1 - Wat de strafrechtelijke sancties betreft, zijn alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk 5, van toepassing op de inbreuken die in dit decreet worden vermeld.
Artikel 85 van het Strafwetboek is van toepassing op de inbreuken die in dit decreet worden vermeld, zonder dat het bedrag van de strafrechtelijke geldboete lager kan zijn dan 40% van de minimumbedragen die in dit decreet worden vastgelegd.
§ 2 - De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe zijn aangestelden of lasthebbers veroordeeld zijn.
Art. 77. Dispositions pénales
§ 1er - Pour les sanctions pénales, toutes les dispositions du livre Ier du Code pénal, le chapitre 5 excepté, sont applicables aux infractions mentionnées dans le présent décret.
L'article 85 du Code pénal est applicable aux infractions mentionnées dans le présent décret sans que le montant de l'amende pénale puisse être inférieur à 40% des montants minima fixés par le présent décret.
§ 2 - L'employeur est civilement responsable des amendes auxquelles ses préposés ou mandataires ont été condamnés.
§ 1er - Pour les sanctions pénales, toutes les dispositions du livre Ier du Code pénal, le chapitre 5 excepté, sont applicables aux infractions mentionnées dans le présent décret.
L'article 85 du Code pénal est applicable aux infractions mentionnées dans le présent décret sans que le montant de l'amende pénale puisse être inférieur à 40% des montants minima fixés par le présent décret.
§ 2 - L'employeur est civilement responsable des amendes auxquelles ses préposés ou mandataires ont été condamnés.
Hoofdstuk 7. - Samenwerking en informatie-uitwisseling
Chapitre 7. - Collaboration et échange d'informations
Art. 78. Doorgifte van inlichtingen aan andere instellingen
De sociaal inspecteurs delen de bij de inspectie verzamelde inlichtingen mee aan de volgende personen of instellingen die door of krachtens een wet, decreet of ordonnantie met een opdracht van algemeen belang zijn belast, voor zover die doorgifte noodzakelijk is voor de uitvoering van de opdracht van algemeen belang van de betrokken autoriteiten of instellingen en voor de uitvoering van alle controleopdrachten die binnen hun bevoegdheden vallen:
1° aan de openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid;
2° aan de inspecteurs van de andere inspectiediensten;
3° aan alle andere ambtenaren en personeelsleden die belast zijn met het toezicht op andere wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen.
Het meedelen van die inlichtingen is verplicht als de personen of, naargelang van het geval, instellingen vermeld in het eerste lid, 1° tot 3°, ze aanvragen.
De inlichtingen verzameld tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de toestemming van die gerechtelijke overheid.
De sociaal inspecteurs delen de bij de inspectie verzamelde inlichtingen mee aan de volgende personen of instellingen die door of krachtens een wet, decreet of ordonnantie met een opdracht van algemeen belang zijn belast, voor zover die doorgifte noodzakelijk is voor de uitvoering van de opdracht van algemeen belang van de betrokken autoriteiten of instellingen en voor de uitvoering van alle controleopdrachten die binnen hun bevoegdheden vallen:
1° aan de openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid;
2° aan de inspecteurs van de andere inspectiediensten;
3° aan alle andere ambtenaren en personeelsleden die belast zijn met het toezicht op andere wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen.
Het meedelen van die inlichtingen is verplicht als de personen of, naargelang van het geval, instellingen vermeld in het eerste lid, 1° tot 3°, ze aanvragen.
De inlichtingen verzameld tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de toestemming van die gerechtelijke overheid.
Art. 78. Communication de renseignements à d'autres institutions
Les inspecteurs sociaux communiquent les renseignements recueillis lors de l'inspection aux personnes ou institutions énumérées ci-après, pour autant que celles-ci soient chargées d'une mission d'intérêt public par ou en vertu d'une loi, d'un décret ou d'une ordonnance, que cette transmission soit nécessaire à l'exécution de la mission d'intérêt public des autorités ou institutions concernées et que cela soit requis pour la réalisation de toutes les missions dans le domaine du contrôle dans les limites de leurs compétences :
1° aux institutions publiques et aux institutions coopérantes de sécurité sociale;
2° aux inspecteurs des autres services d'inspection;
3° à tous les autres fonctionnaires et agents chargés du contrôle d'autres dispositions légales, décrétales et réglementaires.
Il y a obligation de communiquer ces renseignements lorsque les personnes ou institutions mentionnées à l'alinéa 1er, 1° à 3°, les demandent.
Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation de celle-ci.
Les inspecteurs sociaux communiquent les renseignements recueillis lors de l'inspection aux personnes ou institutions énumérées ci-après, pour autant que celles-ci soient chargées d'une mission d'intérêt public par ou en vertu d'une loi, d'un décret ou d'une ordonnance, que cette transmission soit nécessaire à l'exécution de la mission d'intérêt public des autorités ou institutions concernées et que cela soit requis pour la réalisation de toutes les missions dans le domaine du contrôle dans les limites de leurs compétences :
1° aux institutions publiques et aux institutions coopérantes de sécurité sociale;
2° aux inspecteurs des autres services d'inspection;
3° à tous les autres fonctionnaires et agents chargés du contrôle d'autres dispositions légales, décrétales et réglementaires.
Il y a obligation de communiquer ces renseignements lorsque les personnes ou institutions mentionnées à l'alinéa 1er, 1° à 3°, les demandent.
Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation de celle-ci.
Art. 79. Ontvangen van inlichtingen van andere instellingen
Onverminderd artikel 44/1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt zijn volgende diensten en instellingen ertoe verplicht, op basis van een samenwerkingsakkoord dat wordt gesloten overeenkomstig artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de sociaal inspecteurs op verzoek alle inlichtingen te verstrekken die de sociaal inspecteurs noodzakelijk achten om te controleren of de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen worden nageleefd:
1° alle diensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges;
2° alle diensten van de gemeenschappen, gewesten, provincies en gemeenten;
3° de verenigingen waartoe de gemeenschappen, gewesten, provincies en gemeenten behoren;
4° de openbare instellingen die ressorteren onder de gemeenschappen, gewesten, provincies en gemeenten;
5° alle openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid.
De diensten en instellingen vermeld in het eerste lid zijn ertoe verplicht de sociaal inspecteurs alle informatiedragers ter inzage te verstrekken en hun uittreksels, afschriften, afdrukken, uitdraaien, kopieën of fotokopieën ervan te bezorgen.
Alle diensten van de Regering en de instellingen van openbaar nut die onder de Regering ressorteren, verstrekken de Regering kosteloos inlichtingen, uittreksels, afschriften, afdrukken, uitdraaien, kopieën of fotokopieën, voor zover het gaat om een gerechtvaardigd en evenredig verzoek.
De informatiedragers of inlichtingen verzameld tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de toestemming van die gerechtelijke overheid.
Onverminderd artikel 44/1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt zijn volgende diensten en instellingen ertoe verplicht, op basis van een samenwerkingsakkoord dat wordt gesloten overeenkomstig artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de sociaal inspecteurs op verzoek alle inlichtingen te verstrekken die de sociaal inspecteurs noodzakelijk achten om te controleren of de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen worden nageleefd:
1° alle diensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges;
2° alle diensten van de gemeenschappen, gewesten, provincies en gemeenten;
3° de verenigingen waartoe de gemeenschappen, gewesten, provincies en gemeenten behoren;
4° de openbare instellingen die ressorteren onder de gemeenschappen, gewesten, provincies en gemeenten;
5° alle openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid.
De diensten en instellingen vermeld in het eerste lid zijn ertoe verplicht de sociaal inspecteurs alle informatiedragers ter inzage te verstrekken en hun uittreksels, afschriften, afdrukken, uitdraaien, kopieën of fotokopieën ervan te bezorgen.
Alle diensten van de Regering en de instellingen van openbaar nut die onder de Regering ressorteren, verstrekken de Regering kosteloos inlichtingen, uittreksels, afschriften, afdrukken, uitdraaien, kopieën of fotokopieën, voor zover het gaat om een gerechtvaardigd en evenredig verzoek.
De informatiedragers of inlichtingen verzameld tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de toestemming van die gerechtelijke overheid.
Art. 79. Communication de renseignements par d'autres institutions
Sans préjudice de l'article 44/1 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, les services ou institutions énumérés ci-après sont tenus, sur la base d'un accord de coopération conclu en vertu de l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, vis-à-vis des inspecteurs sociaux et à leur demande, de leur fournir tous les renseignements que ces derniers estiment utiles au contrôle du respect des dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4 :
1° tous les services de l'Etat, y compris les parquets et les greffes des cours et de toutes les juridictions;
2° tous les services des communautés, des régions, des provinces et des communes;
3° les associations dont les communautés, les régions, les provinces et les communes font partie;
4° les institutions publiques qui dépendent des communautés, des régions, des provinces et des communes;
5° toutes les institutions publiques et les institutions coopérantes de sécurité sociale.
Les services et institutions énumérés à l'alinéa 1er sont tenus de produire à l'intention des inspecteurs sociaux, pour qu'ils puissent en prendre connaissance, tous les supports d'information et de leur en fournir des extraits, des duplicatas, des impressions, des listages, des copies ou des photocopies.
Tous les services du Gouvernement et les organismes d'intérêt public qui en dépendent fournissent sans frais ces renseignements, extraits, duplicatas, impressions, listages, copies ou photocopies, pour autant qu'il s'agisse d'une demande motivée et proportionnée.
Toutefois, les supports d'information ou renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation de celle-ci.
Sans préjudice de l'article 44/1 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, les services ou institutions énumérés ci-après sont tenus, sur la base d'un accord de coopération conclu en vertu de l'article 92bis, § 1er, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, vis-à-vis des inspecteurs sociaux et à leur demande, de leur fournir tous les renseignements que ces derniers estiment utiles au contrôle du respect des dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4 :
1° tous les services de l'Etat, y compris les parquets et les greffes des cours et de toutes les juridictions;
2° tous les services des communautés, des régions, des provinces et des communes;
3° les associations dont les communautés, les régions, les provinces et les communes font partie;
4° les institutions publiques qui dépendent des communautés, des régions, des provinces et des communes;
5° toutes les institutions publiques et les institutions coopérantes de sécurité sociale.
Les services et institutions énumérés à l'alinéa 1er sont tenus de produire à l'intention des inspecteurs sociaux, pour qu'ils puissent en prendre connaissance, tous les supports d'information et de leur en fournir des extraits, des duplicatas, des impressions, des listages, des copies ou des photocopies.
Tous les services du Gouvernement et les organismes d'intérêt public qui en dépendent fournissent sans frais ces renseignements, extraits, duplicatas, impressions, listages, copies ou photocopies, pour autant qu'il s'agisse d'une demande motivée et proportionnée.
Toutefois, les supports d'information ou renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation de celle-ci.
Art. 80. Gebruik van de verkregen inlichtingen
Volgende personen of instellingen mogen de inlichtingen verkregen op grond van de artikelen 78 en 79 gebruiken voor de uitoefening van alle opdrachten betreffende het toezicht waarmee ze belast zijn:
1° de openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid;
2° de sociaal inspecteurs;
3° de inspecteurs van de andere inspectiediensten;
4° alle andere ambtenaren en personeelsleden die belast zijn met het toezicht op andere wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen.
Volgende personen of instellingen mogen de inlichtingen verkregen op grond van de artikelen 78 en 79 gebruiken voor de uitoefening van alle opdrachten betreffende het toezicht waarmee ze belast zijn:
1° de openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid;
2° de sociaal inspecteurs;
3° de inspecteurs van de andere inspectiediensten;
4° alle andere ambtenaren en personeelsleden die belast zijn met het toezicht op andere wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen.
Art. 80. Utilisation des renseignements obtenus
Les personnes ou institutions énumérées ci-après peuvent utiliser les renseignements obtenus sur la base des articles 78 ou 79 pour l'exercice de toutes les missions concernant le contrôle dont elles sont chargées :
1° les institutions publiques et les institutions coopérantes de sécurité sociale;
2° les inspecteurs sociaux;
3° les inspecteurs des autres services d'inspection;
4° tous les autres fonctionnaires et agents chargés du contrôle d'autres dispositions légales, décrétales et réglementaires.
Les personnes ou institutions énumérées ci-après peuvent utiliser les renseignements obtenus sur la base des articles 78 ou 79 pour l'exercice de toutes les missions concernant le contrôle dont elles sont chargées :
1° les institutions publiques et les institutions coopérantes de sécurité sociale;
2° les inspecteurs sociaux;
3° les inspecteurs des autres services d'inspection;
4° tous les autres fonctionnaires et agents chargés du contrôle d'autres dispositions légales, décrétales et réglementaires.
Art. 81. Het inzamelen van inlichtingen in aanwezigheid van de inspectiediensten van de andere deelentiteiten
De Regering kan eveneens, ter uitvoering van een samenwerkingsakkoord dat met de Regeringen van de andere gewesten is gesloten, op het territoriale bevoegdheidsgebied van de Duitstalige Gemeenschap de aanwezigheid toestaan van ambtenaren en personeelsleden van de werkgelegenheidsinspectiediensten van een ander gewest, om alle inlichtingen in te zamelen die van nut kunnen zijn voor de uitoefening van het toezicht waarmee laatstgenoemden belast zijn.
De inlichtingen die door de sociaal inspecteurs op het territoriale bevoegdheidsgebied van een ander gewest worden ingezameld in het kader van een akkoord dat met de regeringen van de andere gewesten is gesloten, kunnen op dezelfde wijze worden gebruikt als de inlichtingen die op het grondgebied van de Duitstalige Gemeenschap door de sociaal inspecteurs bedoeld in dit decreet worden ingezameld.
De Regering kan eveneens, ter uitvoering van een samenwerkingsakkoord dat met de Regeringen van de andere gewesten is gesloten, op het territoriale bevoegdheidsgebied van de Duitstalige Gemeenschap de aanwezigheid toestaan van ambtenaren en personeelsleden van de werkgelegenheidsinspectiediensten van een ander gewest, om alle inlichtingen in te zamelen die van nut kunnen zijn voor de uitoefening van het toezicht waarmee laatstgenoemden belast zijn.
De inlichtingen die door de sociaal inspecteurs op het territoriale bevoegdheidsgebied van een ander gewest worden ingezameld in het kader van een akkoord dat met de regeringen van de andere gewesten is gesloten, kunnen op dezelfde wijze worden gebruikt als de inlichtingen die op het grondgebied van de Duitstalige Gemeenschap door de sociaal inspecteurs bedoeld in dit decreet worden ingezameld.
Art. 81. Collecte d'informations en présence des services d'inspection des autres entités fédérées
Le Gouvernement peut également, en exécution d'un accord de coopération conclu avec les gouvernements des autres régions, autoriser sur le champ de compétence territoriale de la Communauté germanophone la présence de fonctionnaires et agents de l'inspection de l'emploi d'une autre région en vue de recueillir tous renseignements qui peuvent être utiles à l'exercice du contrôle dont ils sont chargés.
Les renseignements recueillis sur le champ de compétence territoriale d'une autre région par des inspecteurs sociaux dans le cadre d'un accord conclu avec les gouvernements des autres régions peuvent être utilisés dans les mêmes conditions que les renseignements recueillis sur le territoire de la Communauté germanophone par les inspecteurs sociaux visés par le présent décret.
Le Gouvernement peut également, en exécution d'un accord de coopération conclu avec les gouvernements des autres régions, autoriser sur le champ de compétence territoriale de la Communauté germanophone la présence de fonctionnaires et agents de l'inspection de l'emploi d'une autre région en vue de recueillir tous renseignements qui peuvent être utiles à l'exercice du contrôle dont ils sont chargés.
Les renseignements recueillis sur le champ de compétence territoriale d'une autre région par des inspecteurs sociaux dans le cadre d'un accord conclu avec les gouvernements des autres régions peuvent être utilisés dans les mêmes conditions que les renseignements recueillis sur le territoire de la Communauté germanophone par les inspecteurs sociaux visés par le présent décret.
Art. 82. Informatie-uitwisseling en samenwerking met andere landen
Met de arbeidsinspecties van de andere lidstaten van de Internationale Arbeidsorganisatie, waar het verdrag nr. 81 betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en de handel, goedgekeurd bij de wet van 29 maart 1957, gelding heeft, mogen de sociaal inspecteurs alle inlichtingen uitwisselen die van nut kunnen zijn voor de uitoefening van het toezicht waarmee elk van hen belast is.
Van de inlichtingen die van de arbeidsinspecties van de andere lidstaten van de Internationale Arbeidsorganisatie worden verkregen, wordt op dezelfde wijze gebruik gemaakt als van de gelijkaardige inlichtingen die de sociaal inspecteurs rechtstreeks inzamelen.
De inlichtingen ten behoeve van de arbeidsinspecties van die lidstaten worden op dezelfde wijze ingezameld door de sociaal inspecteurs als de gelijkaardige inlichtingen die zij inzamelen voor de uitoefening van het toezicht waarmee zij zelf belast zijn.
De bevoegde autoriteiten van de Duitstalige Gemeenschap kunnen eveneens, ter uitvoering van een akkoord dat met de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van de Internationale Arbeidsorganisatie is gesloten, op het territoriale bevoegdheidsgebied van de Duitstalige Gemeenschap de aanwezigheid toestaan van ambtenaren en personeelsleden van de inspectiediensten van die lidstaat om alle inlichtingen in te zamelen die van nut kunnen zijn voor de uitoefening van het toezicht waarmee laatstgenoemden belast zijn.
De inlichtingen die door een sociaal inspecteur in het buitenland worden ingezameld in het kader van een akkoord dat met een lidstaat van de Internationale Arbeidsorganisatie is gesloten, kunnen op dezelfde wijze worden gebruikt als de inlichtingen die op het grondgebied van de Duitstalige Gemeenschap door de sociaal inspecteurs worden ingezameld.
Ter uitvoering van een akkoord als bedoeld in het vijfde lid kan de Regering met de arbeidsinspecties van de andere lidstaten van de Internationale Arbeidsorganisatie eveneens overgaan tot andere vormen van wederzijdse bijstand en samenwerking.
Het bepaalde in het eerste tot zesde lid is tevens van toepassing op de akkoorden gesloten inzake uitwisseling van gegevens tussen de bevoegde autoriteiten van de Duitstalige Gemeenschap en de bevoegde autoriteiten van de Staten die het verdrag nr. 81 betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en de handel, goedgekeurd bij de wet van 29 maart 1957, niet hebben ondertekend.
Met de arbeidsinspecties van de andere lidstaten van de Internationale Arbeidsorganisatie, waar het verdrag nr. 81 betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en de handel, goedgekeurd bij de wet van 29 maart 1957, gelding heeft, mogen de sociaal inspecteurs alle inlichtingen uitwisselen die van nut kunnen zijn voor de uitoefening van het toezicht waarmee elk van hen belast is.
Van de inlichtingen die van de arbeidsinspecties van de andere lidstaten van de Internationale Arbeidsorganisatie worden verkregen, wordt op dezelfde wijze gebruik gemaakt als van de gelijkaardige inlichtingen die de sociaal inspecteurs rechtstreeks inzamelen.
De inlichtingen ten behoeve van de arbeidsinspecties van die lidstaten worden op dezelfde wijze ingezameld door de sociaal inspecteurs als de gelijkaardige inlichtingen die zij inzamelen voor de uitoefening van het toezicht waarmee zij zelf belast zijn.
De bevoegde autoriteiten van de Duitstalige Gemeenschap kunnen eveneens, ter uitvoering van een akkoord dat met de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van de Internationale Arbeidsorganisatie is gesloten, op het territoriale bevoegdheidsgebied van de Duitstalige Gemeenschap de aanwezigheid toestaan van ambtenaren en personeelsleden van de inspectiediensten van die lidstaat om alle inlichtingen in te zamelen die van nut kunnen zijn voor de uitoefening van het toezicht waarmee laatstgenoemden belast zijn.
De inlichtingen die door een sociaal inspecteur in het buitenland worden ingezameld in het kader van een akkoord dat met een lidstaat van de Internationale Arbeidsorganisatie is gesloten, kunnen op dezelfde wijze worden gebruikt als de inlichtingen die op het grondgebied van de Duitstalige Gemeenschap door de sociaal inspecteurs worden ingezameld.
Ter uitvoering van een akkoord als bedoeld in het vijfde lid kan de Regering met de arbeidsinspecties van de andere lidstaten van de Internationale Arbeidsorganisatie eveneens overgaan tot andere vormen van wederzijdse bijstand en samenwerking.
Het bepaalde in het eerste tot zesde lid is tevens van toepassing op de akkoorden gesloten inzake uitwisseling van gegevens tussen de bevoegde autoriteiten van de Duitstalige Gemeenschap en de bevoegde autoriteiten van de Staten die het verdrag nr. 81 betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en de handel, goedgekeurd bij de wet van 29 maart 1957, niet hebben ondertekend.
Art. 82. Echange d'informations et collaboration avec d'autres pays
Les inspecteurs sociaux peuvent échanger avec les inspections du travail des autres Etats membres de l'Organisation internationale du travail, où la convention n° 81 relative à l'inspection du travail dans l'industrie et le commerce, approuvée par la loi du 29 mars 1957, est en vigueur, tous renseignements qui peuvent être utiles pour l'exercice du contrôle dont chacun d'entre eux est chargé.
Les renseignements reçus des inspections du travail des autres Etats membres de l'Organisation internationale du travail sont utilisés dans les mêmes conditions que les renseignements similaires recueillis directement par les inspecteurs sociaux.
Les renseignements destinés aux inspections du travail de ces Etats membres sont recueillis par les inspecteurs sociaux dans les mêmes conditions que les renseignements similaires destinés à l'exercice du contrôle dont ils sont chargés eux-mêmes.
Les autorités compétentes de la Communauté germanophone peuvent également, en exécution d'un accord conclu avec les autorités compétentes d'un Etat membre de l'Organisation internationale du travail, autoriser sur le territoire de la Communauté germanophone la présence de fonctionnaires et d'agents des services d'inspection de cet Etat membre en vue de recueillir tous renseignements qui peuvent être utiles à l'exercice du contrôle dont ils sont chargés.
Les renseignements recueillis à l'étranger par un inspecteur social, dans le cadre d'un accord conclu avec un Etat membre de l'Organisation internationale du travail, peuvent être utilisés dans les mêmes conditions que les renseignements recueillis sur le territoire de la Communauté germanophone par les inspecteurs sociaux.
En exécution de l'accord mentionné à l'alinéa 5, le Gouvernement peut recourir à d'autres formes d'assistance réciproque et de collaboration avec les inspections du travail des autres Etats membres de l'Organisation internationale du travail.
Les dispositions des alinéas 1er à 6 sont également applicables aux accords conclus en matière d'échange d'informations entre les autorités compétentes de la Communauté germanophone et les autorités compétentes des Etats non-signataires de la Convention internationale n° 81 relative à l'inspection du travail dans l'industrie et le commerce approuvée par la loi du 29 mars 1957.
Les inspecteurs sociaux peuvent échanger avec les inspections du travail des autres Etats membres de l'Organisation internationale du travail, où la convention n° 81 relative à l'inspection du travail dans l'industrie et le commerce, approuvée par la loi du 29 mars 1957, est en vigueur, tous renseignements qui peuvent être utiles pour l'exercice du contrôle dont chacun d'entre eux est chargé.
Les renseignements reçus des inspections du travail des autres Etats membres de l'Organisation internationale du travail sont utilisés dans les mêmes conditions que les renseignements similaires recueillis directement par les inspecteurs sociaux.
Les renseignements destinés aux inspections du travail de ces Etats membres sont recueillis par les inspecteurs sociaux dans les mêmes conditions que les renseignements similaires destinés à l'exercice du contrôle dont ils sont chargés eux-mêmes.
Les autorités compétentes de la Communauté germanophone peuvent également, en exécution d'un accord conclu avec les autorités compétentes d'un Etat membre de l'Organisation internationale du travail, autoriser sur le territoire de la Communauté germanophone la présence de fonctionnaires et d'agents des services d'inspection de cet Etat membre en vue de recueillir tous renseignements qui peuvent être utiles à l'exercice du contrôle dont ils sont chargés.
Les renseignements recueillis à l'étranger par un inspecteur social, dans le cadre d'un accord conclu avec un Etat membre de l'Organisation internationale du travail, peuvent être utilisés dans les mêmes conditions que les renseignements recueillis sur le territoire de la Communauté germanophone par les inspecteurs sociaux.
En exécution de l'accord mentionné à l'alinéa 5, le Gouvernement peut recourir à d'autres formes d'assistance réciproque et de collaboration avec les inspections du travail des autres Etats membres de l'Organisation internationale du travail.
Les dispositions des alinéas 1er à 6 sont également applicables aux accords conclus en matière d'échange d'informations entre les autorités compétentes de la Communauté germanophone et les autorités compétentes des Etats non-signataires de la Convention internationale n° 81 relative à l'inspection du travail dans l'industrie et le commerce approuvée par la loi du 29 mars 1957.
Hoofdstuk 8. - Vertrouwelijkheid en bescherming van persoonsgegevens
Chapitre 8. - Confidentialité et protection des données
Art. 83. Vertrouwelijkheid
Onverminderd andersluidende wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen moeten de Regering, de sociaal inspecteurs en de andere personen die bij de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan betrokken zijn, de gegevens die hun in de uitoefening van hun opdracht toevertrouwd worden, vertrouwelijk behandelen.
Onverminderd andersluidende wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen moeten de Regering, de sociaal inspecteurs en de andere personen die bij de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan betrokken zijn, de gegevens die hun in de uitoefening van hun opdracht toevertrouwd worden, vertrouwelijk behandelen.
Art. 83. Confidentialité
Sans préjudice de dispositions légales, décrétales et réglementaires contraires, le Gouvernement, les inspecteurs sociaux ainsi que les autres personnes parties prenantes à l'exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution sont tenus de traiter confidentiellement les données qui leur sont confiées dans le cadre de l'exercice de leur mission.
Sans préjudice de dispositions légales, décrétales et réglementaires contraires, le Gouvernement, les inspecteurs sociaux ainsi que les autres personnes parties prenantes à l'exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution sont tenus de traiter confidentiellement les données qui leur sont confiées dans le cadre de l'exercice de leur mission.
Art. 84. Verwerking van persoonsgegevens
De Regering geldt als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
De Regering, de sociaal inspecteurs en de andere personen die bij de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan betrokken zijn, verwerken persoonsgegevens voor de opdrachten die bij dit decreet en bij de uitvoeringsbesluiten ervan worden bepaald. Ze mogen de verzamelde gegevens niet voor andere doeleinden dan voor de uitvoering van die opdrachten gebruiken.
De verwerking van persoonsgegevens geschiedt met inachtneming van de toepasselijke regelgeving inzake gegevensbescherming.
De Regering neemt de nodige technische en organisatorische maatregelen om de veiligheid van de verwerkte gegevens te waarborgen.
De Regering geldt als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
De Regering, de sociaal inspecteurs en de andere personen die bij de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan betrokken zijn, verwerken persoonsgegevens voor de opdrachten die bij dit decreet en bij de uitvoeringsbesluiten ervan worden bepaald. Ze mogen de verzamelde gegevens niet voor andere doeleinden dan voor de uitvoering van die opdrachten gebruiken.
De verwerking van persoonsgegevens geschiedt met inachtneming van de toepasselijke regelgeving inzake gegevensbescherming.
De Regering neemt de nodige technische en organisatorische maatregelen om de veiligheid van de verwerkte gegevens te waarborgen.
Art. 84. Traitement des données à caractère personnel
Le Gouvernement est réputé responsable du traitement au sens de l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données.
Le Gouvernement, les inspecteurs sociaux ainsi que les autres personnes parties prenantes à l'exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution traitent des données à caractère personnel en vue d'exercer les missions fixées par le présent décret et ses arrêtés d'exécution. Ils ne peuvent utiliser les données collectées à d'autres fins que celles de l'exercice de ces missions.
Le traitement des données à caractère personnel s'opère dans le respect des dispositions légales applicables en matière de protection des données.
Le Gouvernement prend les mesures techniques et organisationnelles nécessaires pour garantir la sécurité des données traitées.
Le Gouvernement est réputé responsable du traitement au sens de l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données.
Le Gouvernement, les inspecteurs sociaux ainsi que les autres personnes parties prenantes à l'exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution traitent des données à caractère personnel en vue d'exercer les missions fixées par le présent décret et ses arrêtés d'exécution. Ils ne peuvent utiliser les données collectées à d'autres fins que celles de l'exercice de ces missions.
Le traitement des données à caractère personnel s'opère dans le respect des dispositions légales applicables en matière de protection des données.
Le Gouvernement prend les mesures techniques et organisationnelles nécessaires pour garantir la sécurité des données traitées.
Art. 85. Gegevenscategorieën
De Regering, de sociaal inspecteurs en de andere personen die bij de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan betrokken zijn, kunnen alle overeenkomstig artikel 84, tweede lid, toereikende, ter zake dienende en niet-overmatige gegevens uit de volgende gegevenscategorieën verwerken:
1° met betrekking tot de potentiële pleger van de inbreuk:
a) identiteitsgegevens, geboortedatum en contactgegevens;
b) rijksregisternummer;
c) gegevens over de tegen hem gerichte opsporing of het tegen hem gerichte onderzoek omtrent feiten en vaststellingen inzake het toezicht op de naleving van de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen;
d) gegevens over de tegen hem gerichte processen-verbaal tot vaststelling van inbreuken op de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen;
e) gegevens over de tegen hem gerichte strafvervolging of administratieve vervolging op grond van inbreuken op de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen;
f) gegevens over de beroepsactiviteit;
g) migratiestatus;
h) gerechtelijke gegevens op grond van inbreuken op de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen;
2° met betrekking tot alle andere personen die in het kader van een opsporing of onderzoek optreden:
a) identiteitsgegevens, geboortedatum en contactgegevens;
b) rijksregisternummer;
c) gegevens over de beroepsactiviteit.
De gegevens vermeld in het eerste lid, 1°, d) en e), kunnen alleen worden verwerkt als ze nuttig zijn om te bepalen of het om een geval van herhaling gaat.
De Regering kan de gegevenscategorieën vermeld in het eerste lid aanvullen na een voorafgaand advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
De Regering, de sociaal inspecteurs en de andere personen die bij de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan betrokken zijn, kunnen alle overeenkomstig artikel 84, tweede lid, toereikende, ter zake dienende en niet-overmatige gegevens uit de volgende gegevenscategorieën verwerken:
1° met betrekking tot de potentiële pleger van de inbreuk:
a) identiteitsgegevens, geboortedatum en contactgegevens;
b) rijksregisternummer;
c) gegevens over de tegen hem gerichte opsporing of het tegen hem gerichte onderzoek omtrent feiten en vaststellingen inzake het toezicht op de naleving van de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen;
d) gegevens over de tegen hem gerichte processen-verbaal tot vaststelling van inbreuken op de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen;
e) gegevens over de tegen hem gerichte strafvervolging of administratieve vervolging op grond van inbreuken op de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen;
f) gegevens over de beroepsactiviteit;
g) migratiestatus;
h) gerechtelijke gegevens op grond van inbreuken op de in artikel 4 vermelde wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen;
2° met betrekking tot alle andere personen die in het kader van een opsporing of onderzoek optreden:
a) identiteitsgegevens, geboortedatum en contactgegevens;
b) rijksregisternummer;
c) gegevens over de beroepsactiviteit.
De gegevens vermeld in het eerste lid, 1°, d) en e), kunnen alleen worden verwerkt als ze nuttig zijn om te bepalen of het om een geval van herhaling gaat.
De Regering kan de gegevenscategorieën vermeld in het eerste lid aanvullen na een voorafgaand advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Art. 85. Catégories de données
Le Gouvernement, les inspecteurs sociaux ainsi que les autres personnes parties prenantes à l'exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution peuvent traiter toutes les données à caractère personnel appropriées, utiles et proportionnées conformément à l'article 84, alinéa 2, relevant des catégories de données suivantes :
1° concernant l'auteur potentiel d'une infraction :
a) les données relatives à l'identité et à la date de naissance ainsi que les données de contact;
b) le numéro de registre national;
c) les données relatives à l'enquête dont il fait l'objet concernant les faits et constatations qui ont pour objet la surveillance des dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4;
d) les données relatives aux procès-verbaux dressés à son encontre constatant les infractions aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4;
e) les données relatives aux poursuites pénales ou à la poursuite administrative engagées à son encontre en raison d'infractions aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4;
f) les données relatives à l'activité professionnelle;
g) le statut d'immigration;
h) les données judiciaires en raison d'infractions aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4;
2° concernant toute autre personne qui intervient dans le cadre d'une procédure d'enquête :
a) les données relatives à l'identité et à la date de naissance ainsi que les données de contact;
b) le numéro de registre national;
c) les données relatives à l'activité professionnelle;
Les données mentionnées à l'alinéa 1er, 1°, d) et e), ne peuvent être traitées que si elles présentent une utilité pour la détermination de la récidive.
Sur avis de l'Autorité de protection des données, le Gouvernement peut élargir les catégories de données mentionnées à l'alinéa 1er.
Le Gouvernement, les inspecteurs sociaux ainsi que les autres personnes parties prenantes à l'exécution du présent décret et de ses arrêtés d'exécution peuvent traiter toutes les données à caractère personnel appropriées, utiles et proportionnées conformément à l'article 84, alinéa 2, relevant des catégories de données suivantes :
1° concernant l'auteur potentiel d'une infraction :
a) les données relatives à l'identité et à la date de naissance ainsi que les données de contact;
b) le numéro de registre national;
c) les données relatives à l'enquête dont il fait l'objet concernant les faits et constatations qui ont pour objet la surveillance des dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4;
d) les données relatives aux procès-verbaux dressés à son encontre constatant les infractions aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4;
e) les données relatives aux poursuites pénales ou à la poursuite administrative engagées à son encontre en raison d'infractions aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4;
f) les données relatives à l'activité professionnelle;
g) le statut d'immigration;
h) les données judiciaires en raison d'infractions aux dispositions légales, décrétales et réglementaires mentionnées à l'article 4;
2° concernant toute autre personne qui intervient dans le cadre d'une procédure d'enquête :
a) les données relatives à l'identité et à la date de naissance ainsi que les données de contact;
b) le numéro de registre national;
c) les données relatives à l'activité professionnelle;
Les données mentionnées à l'alinéa 1er, 1°, d) et e), ne peuvent être traitées que si elles présentent une utilité pour la détermination de la récidive.
Sur avis de l'Autorité de protection des données, le Gouvernement peut élargir les catégories de données mentionnées à l'alinéa 1er.
Art. 86. Gebruik van gegevens voor analysen en rapporteringen
Met toepassing van artikel 89, lid 1, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming werkt de Regering principieel bij voorkeur met anonieme gegevens voor analysen en rapporteringen in verband met de toepassing van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Indien de analysen en rapporteringen niet volledig uitgevoerd kunnen worden met de anonieme gegevens vermeld in het eerste lid, mogen gepseudonimiseerde persoonsgegevens gebruikt worden.
Indien de analysen en rapporteringen niet volledig kunnen worden uitgevoerd met de gepseudonimiseerde persoonsgegevens vermeld in het tweede lid, dan mogen niet-gepseudonimiseerde persoonsgegevens gebruikt worden.
Voor de toepassing van het tweede en het derde lid vermeldt de Regering in het register van de verwerkingsactiviteiten waarom de analysen en rapporteringen vermeld in het eerste of het tweede lid niet via de verwerking van anonieme of gepseudonimiseerde persoonsgegevens kunnen worden uitgevoerd.
Met toepassing van artikel 89, lid 1, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming werkt de Regering principieel bij voorkeur met anonieme gegevens voor analysen en rapporteringen in verband met de toepassing van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Indien de analysen en rapporteringen niet volledig uitgevoerd kunnen worden met de anonieme gegevens vermeld in het eerste lid, mogen gepseudonimiseerde persoonsgegevens gebruikt worden.
Indien de analysen en rapporteringen niet volledig kunnen worden uitgevoerd met de gepseudonimiseerde persoonsgegevens vermeld in het tweede lid, dan mogen niet-gepseudonimiseerde persoonsgegevens gebruikt worden.
Voor de toepassing van het tweede en het derde lid vermeldt de Regering in het register van de verwerkingsactiviteiten waarom de analysen en rapporteringen vermeld in het eerste of het tweede lid niet via de verwerking van anonieme of gepseudonimiseerde persoonsgegevens kunnen worden uitgevoerd.
Art. 86. Utilisation de données pour établir des analyses et des rapports
En application de l'article 89, § 1er, du règlement général sur la protection des données, le Gouvernement recourt, en principe, de préférence à des données anonymes pour établir des analyses et rapports en ce qui concerne l'application du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
Si les données anonymes mentionnées à l'alinéa 1er ne permettent pas d'établir des analyses et rapports détaillés, le recours à des données à caractère personnel pseudonymisées est autorisé.
Si les données à caractère personnel pseudonymisées mentionnées à l'alinéa 2 ne permettent pas d'établir des analyses et rapports détaillés, le recours à des données à caractère personnel non pseudonymisées est autorisé.
Pour l'application des alinéas 2 et 3, le Gouvernement mentionne dans le registre des activités de traitement les raisons pour lesquelles le traitement de données à caractère personnel anonymes ou pseudonymisées, selon le cas, ne permet pas d'établir les analyses et rapports mentionnés à l'alinéa 1er ou 2, selon le cas.
En application de l'article 89, § 1er, du règlement général sur la protection des données, le Gouvernement recourt, en principe, de préférence à des données anonymes pour établir des analyses et rapports en ce qui concerne l'application du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
Si les données anonymes mentionnées à l'alinéa 1er ne permettent pas d'établir des analyses et rapports détaillés, le recours à des données à caractère personnel pseudonymisées est autorisé.
Si les données à caractère personnel pseudonymisées mentionnées à l'alinéa 2 ne permettent pas d'établir des analyses et rapports détaillés, le recours à des données à caractère personnel non pseudonymisées est autorisé.
Pour l'application des alinéas 2 et 3, le Gouvernement mentionne dans le registre des activités de traitement les raisons pour lesquelles le traitement de données à caractère personnel anonymes ou pseudonymisées, selon le cas, ne permet pas d'établir les analyses et rapports mentionnés à l'alinéa 1er ou 2, selon le cas.
Art. 87. Bewaartermijn
Onverminderd andersluidende wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen mogen de gegevens vermeld in de artikelen 85 en 86 niet langer dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor ze verwerkt worden in een vorm bewaard worden die de mogelijkheid biedt de betrokken personen te identificeren, met een maximale bewaartermijn van hoogstens tien jaar na de definitieve beëindiging van de opsporing, het onderzoek of de gerechtelijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die daaruit voortvloeien.
Onverminderd andersluidende wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen mogen de gegevens vermeld in de artikelen 85 en 86 niet langer dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor ze verwerkt worden in een vorm bewaard worden die de mogelijkheid biedt de betrokken personen te identificeren, met een maximale bewaartermijn van hoogstens tien jaar na de definitieve beëindiging van de opsporing, het onderzoek of de gerechtelijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die daaruit voortvloeien.
Art. 87. Durée de la conservation
Sans préjudice d'autres dispositions légales, décrétales et réglementaires, les données mentionnées aux articles 85 et 86 ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire pour réaliser les objectifs pour lesquels elles sont traitées sous une forme qui permet l'identification des intéressés, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder dix ans après la cessation définitive des enquêtes ou des procédures et recours juridictionnels, administratifs et extrajudiciaires qui en découlent.
Sans préjudice d'autres dispositions légales, décrétales et réglementaires, les données mentionnées aux articles 85 et 86 ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire pour réaliser les objectifs pour lesquels elles sont traitées sous une forme qui permet l'identification des intéressés, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder dix ans après la cessation définitive des enquêtes ou des procédures et recours juridictionnels, administratifs et extrajudiciaires qui en découlent.
Art. 88. Recht op informatie
§ 1 - In afwijking van de artikelen 13 en 14 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming kan het recht op informatie in het geval van verwerkingen van persoonsgegevens worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten om de doelstellingen van algemeen belang te waarborgen, voor zover artikel 14, (5), d), van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in het specifieke geval niet kan worden ingeroepen.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de sociaal inspecteurs gevoerde onderzoeken, en de procedures voor de eventuele toepassing van een administratieve geldboete door de Regering, tot doel hebben.
Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde afwijking niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn van hoogstens tien jaar na de definitieve beëindiging van de gerechtelijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit de beperking van de rechten van de betrokkene persoon.
§ 2 - De in § 1 bedoelde afwijkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek of de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd door de sociaal inspecteurs in het kader van de uitvoering van hun wettelijke of reglementaire opdrachten, alsook gedurende de periode waarin de Regering het dossier overeenkomstig hoofdstuk 5 van dit decreet behandelt.
Deze afwijkingen op het recht op informatie gelden voor zover de toepassing van dit recht nadelig zou zijn voor de controle, het onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden of het geheim van het strafonderzoek of de veiligheid van personen dreigt te schenden.
De duur van de voorbereidende werkzaamheden bedoeld in de vorige leden gedurende welke de artikelen 13 en 14 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming niet van toepassing zijn, mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van een verzoek betreffende het meedelen van de te verstrekken informatie met toepassing van deze artikelen 13 en 14.
De beperking bedoeld in § 1, eerste lid, heeft geen betrekking op gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van informatie rechtvaardigt.
§ 3 - Bij ontvangst van een verzoek betreffende het meedelen van informatie bevestigt de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk, en hoe dan ook binnen één maand na de ontvangst van het verzoek, over iedere weigering of beperking van informatie, alsook over de redenen voor deze weigering of beperking. Die informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen genoemd in § 1, tweede lid, zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen ervan.
De verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer de sociaal inspecteurs gebruik hebben gemaakt van de uitzondering bepaald in § 1, eerste lid, en met uitzondering van de situaties bedoeld in § 3, zesde lid, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk na de afsluiting van de controle of van het onderzoek opgeheven. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid of aan de Regering, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd of, in voorkomend geval, nadat de Regering een beslissing heeft genomen. De inlichtingen verzameld tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de gerechtelijke overheid.
§ 1 - In afwijking van de artikelen 13 en 14 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming kan het recht op informatie in het geval van verwerkingen van persoonsgegevens worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten om de doelstellingen van algemeen belang te waarborgen, voor zover artikel 14, (5), d), van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in het specifieke geval niet kan worden ingeroepen.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de sociaal inspecteurs gevoerde onderzoeken, en de procedures voor de eventuele toepassing van een administratieve geldboete door de Regering, tot doel hebben.
Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde afwijking niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn van hoogstens tien jaar na de definitieve beëindiging van de gerechtelijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit de beperking van de rechten van de betrokkene persoon.
§ 2 - De in § 1 bedoelde afwijkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek of de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd door de sociaal inspecteurs in het kader van de uitvoering van hun wettelijke of reglementaire opdrachten, alsook gedurende de periode waarin de Regering het dossier overeenkomstig hoofdstuk 5 van dit decreet behandelt.
Deze afwijkingen op het recht op informatie gelden voor zover de toepassing van dit recht nadelig zou zijn voor de controle, het onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden of het geheim van het strafonderzoek of de veiligheid van personen dreigt te schenden.
De duur van de voorbereidende werkzaamheden bedoeld in de vorige leden gedurende welke de artikelen 13 en 14 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming niet van toepassing zijn, mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van een verzoek betreffende het meedelen van de te verstrekken informatie met toepassing van deze artikelen 13 en 14.
De beperking bedoeld in § 1, eerste lid, heeft geen betrekking op gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van informatie rechtvaardigt.
§ 3 - Bij ontvangst van een verzoek betreffende het meedelen van informatie bevestigt de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk, en hoe dan ook binnen één maand na de ontvangst van het verzoek, over iedere weigering of beperking van informatie, alsook over de redenen voor deze weigering of beperking. Die informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen genoemd in § 1, tweede lid, zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen ervan.
De verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer de sociaal inspecteurs gebruik hebben gemaakt van de uitzondering bepaald in § 1, eerste lid, en met uitzondering van de situaties bedoeld in § 3, zesde lid, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk na de afsluiting van de controle of van het onderzoek opgeheven. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid of aan de Regering, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd of, in voorkomend geval, nadat de Regering een beslissing heeft genomen. De inlichtingen verzameld tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de gerechtelijke overheid.
Art. 88. Droit d'information
§ 1er - Par dérogation aux articles 13 et 14 du règlement général sur la protection des données, en vue de garantir l'intérêt public, et pour autant que l'article 14, § 5, d), du même règlement ne puisse être invoqué le cas échéant, le droit d'information peut être retardé, limité ou exclu s'agissant des traitements de données à caractère personnel.
Les traitements mentionnés à l'alinéa 1er sont ceux dont la finalité est la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes menées par les inspecteurs sociaux, en ce compris les procédures visant à l'application éventuelle d'une amende administrative par le Gouvernement.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques mentionné à l'article 89 du règlement général sur la protection des données, les données à caractère personnel qui font l'objet de la dérogation mentionnée à l'alinéa 1er ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder dix ans après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratifs et extrajudiciaires découlant de la limitation des droits de la personne concernée.
§ 2 - Les dérogations mentionnées au § 1er valent durant la période pendant laquelle la personne concernée fait l'objet d'un contrôle ou d'une enquête ou d'actes préparatoires à ceux-ci, effectués par les inspecteurs sociaux dans le cadre de l'exécution de leurs missions légales ou réglementaires, ainsi que durant la période pendant laquelle le Gouvernement traite le dossier en application du chapitre 5 du présent décret.
Ces dérogations au droit d'information ne sont autorisées que dans la mesure où l'application de ce droit nuirait aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires, ou risquerait de porter atteinte au secret de l'enquête pénale ou à la sécurité des personnes.
La durée des actes préparatoires mentionnés aux alinéas précédents, pendant laquelle les articles 13 et 14 du règlement général sur la protection des données ne sont pas applicables, ne peut excéder un an à partir de la réception d'une demande concernant la communication d'informations à fournir en application de ces articles 13 et 14.
La restriction mentionnée au § 1er, alinéa 1er, ne vise pas les données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation d'information.
§ 3 - Dès réception d'une demande de communication d'informations, le responsable du traitement en accuse réception.
Le responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, dans les meilleurs délais, et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation d'information, ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'une des finalités énoncées au § 1er, alinéa 2. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsque les inspecteurs sociaux ont fait usage de l'exception telle que déterminée au § 1er, alinéa 1er, et à l'exception des situations mentionnées au § 3, alinéa 6, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire ou au Gouvernement, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire est terminée, ou, le cas échéant, après que le Gouvernement a pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
§ 1er - Par dérogation aux articles 13 et 14 du règlement général sur la protection des données, en vue de garantir l'intérêt public, et pour autant que l'article 14, § 5, d), du même règlement ne puisse être invoqué le cas échéant, le droit d'information peut être retardé, limité ou exclu s'agissant des traitements de données à caractère personnel.
Les traitements mentionnés à l'alinéa 1er sont ceux dont la finalité est la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes menées par les inspecteurs sociaux, en ce compris les procédures visant à l'application éventuelle d'une amende administrative par le Gouvernement.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques mentionné à l'article 89 du règlement général sur la protection des données, les données à caractère personnel qui font l'objet de la dérogation mentionnée à l'alinéa 1er ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder dix ans après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratifs et extrajudiciaires découlant de la limitation des droits de la personne concernée.
§ 2 - Les dérogations mentionnées au § 1er valent durant la période pendant laquelle la personne concernée fait l'objet d'un contrôle ou d'une enquête ou d'actes préparatoires à ceux-ci, effectués par les inspecteurs sociaux dans le cadre de l'exécution de leurs missions légales ou réglementaires, ainsi que durant la période pendant laquelle le Gouvernement traite le dossier en application du chapitre 5 du présent décret.
Ces dérogations au droit d'information ne sont autorisées que dans la mesure où l'application de ce droit nuirait aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires, ou risquerait de porter atteinte au secret de l'enquête pénale ou à la sécurité des personnes.
La durée des actes préparatoires mentionnés aux alinéas précédents, pendant laquelle les articles 13 et 14 du règlement général sur la protection des données ne sont pas applicables, ne peut excéder un an à partir de la réception d'une demande concernant la communication d'informations à fournir en application de ces articles 13 et 14.
La restriction mentionnée au § 1er, alinéa 1er, ne vise pas les données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation d'information.
§ 3 - Dès réception d'une demande de communication d'informations, le responsable du traitement en accuse réception.
Le responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, dans les meilleurs délais, et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation d'information, ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'une des finalités énoncées au § 1er, alinéa 2. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsque les inspecteurs sociaux ont fait usage de l'exception telle que déterminée au § 1er, alinéa 1er, et à l'exception des situations mentionnées au § 3, alinéa 6, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire ou au Gouvernement, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire est terminée, ou, le cas échéant, après que le Gouvernement a pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Art. 89. Recht op inzage
§ 1 - In afwijking van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming kan het recht op inzage in de persoonsgegevens in het geval van verwerkingen van persoonsgegevens worden uitgesteld of geheel of gedeeltelijk worden beperkt, om de doelstellingen van algemeen belang te waarborgen.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de sociaal inspecteurs gevoerde onderzoeken, en de procedures voor de eventuele toepassing van een administratieve geldboete door de Regering, tot doel hebben.
Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde afwijking niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn van hoogstens tien jaar na de definitieve beëindiging van de gerechtelijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit de beperking van de rechten van de betrokkene persoon.
§ 2 - De in § 1 bedoelde afwijkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek of de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd door de sociaal inspecteurs in het kader van de uitvoering van hun wettelijke of reglementaire opdrachten, alsook gedurende de periode waarin de Regering het dossier overeenkomstig hoofdstuk 5 van dit decreet behandelt.
Deze afwijkingen op het recht op inzage gelden voor zover de toepassing van dit recht nadelig zou zijn voor de controle, het onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden of het geheim van het strafonderzoek of de veiligheid van personen dreigt te schenden.
De duur van de voorbereidende werkzaamheden bedoeld in de vorige leden gedurende welke artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming niet van toepassing is, mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van een verzoek dat met toepassing van artikel 15 werd ingediend.
De beperking bedoeld in § 1, eerste lid, heeft geen betrekking op gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de toegang tot informatie rechtvaardigt.
§ 3 - Bij ontvangst van een verzoek om inzage bevestigt de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk, en hoe dan ook binnen één maand na de ontvangst van het verzoek, over iedere weigering of beperking van zijn recht op toegang tot de hem betreffende gegevens, alsook over de redenen voor deze weigering of beperking. Die informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen genoemd in § 1, tweede lid, zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen ervan.
De verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer de sociaal inspecteurs gebruik hebben gemaakt van de uitzondering bepaald in § 1, eerste lid, en met uitzondering van de situaties bedoeld in § 3, zesde lid, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk na de afsluiting van de controle of van het onderzoek opgeheven. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid of aan de Regering, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd of, in voorkomend geval, nadat de Regering een beslissing heeft genomen. De inlichtingen verzameld tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de gerechtelijke overheid.
§ 1 - In afwijking van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming kan het recht op inzage in de persoonsgegevens in het geval van verwerkingen van persoonsgegevens worden uitgesteld of geheel of gedeeltelijk worden beperkt, om de doelstellingen van algemeen belang te waarborgen.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de sociaal inspecteurs gevoerde onderzoeken, en de procedures voor de eventuele toepassing van een administratieve geldboete door de Regering, tot doel hebben.
Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde afwijking niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn van hoogstens tien jaar na de definitieve beëindiging van de gerechtelijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit de beperking van de rechten van de betrokkene persoon.
§ 2 - De in § 1 bedoelde afwijkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek of de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd door de sociaal inspecteurs in het kader van de uitvoering van hun wettelijke of reglementaire opdrachten, alsook gedurende de periode waarin de Regering het dossier overeenkomstig hoofdstuk 5 van dit decreet behandelt.
Deze afwijkingen op het recht op inzage gelden voor zover de toepassing van dit recht nadelig zou zijn voor de controle, het onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden of het geheim van het strafonderzoek of de veiligheid van personen dreigt te schenden.
De duur van de voorbereidende werkzaamheden bedoeld in de vorige leden gedurende welke artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming niet van toepassing is, mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van een verzoek dat met toepassing van artikel 15 werd ingediend.
De beperking bedoeld in § 1, eerste lid, heeft geen betrekking op gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de toegang tot informatie rechtvaardigt.
§ 3 - Bij ontvangst van een verzoek om inzage bevestigt de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk, en hoe dan ook binnen één maand na de ontvangst van het verzoek, over iedere weigering of beperking van zijn recht op toegang tot de hem betreffende gegevens, alsook over de redenen voor deze weigering of beperking. Die informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen genoemd in § 1, tweede lid, zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen ervan.
De verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer de sociaal inspecteurs gebruik hebben gemaakt van de uitzondering bepaald in § 1, eerste lid, en met uitzondering van de situaties bedoeld in § 3, zesde lid, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk na de afsluiting van de controle of van het onderzoek opgeheven. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid of aan de Regering, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd of, in voorkomend geval, nadat de Regering een beslissing heeft genomen. De inlichtingen verzameld tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de gerechtelijke overheid.
Art. 89. Droit d'accès
§ 1er - Par dérogation à l'article 15 du règlement général sur la protection des données, en vue de garantir l'intérêt public, le droit d'accès aux données à caractère personnel peut être retardé, limité entièrement ou partiellement, s'agissant des traitements de données à caractère personnel.
Les traitements mentionnés à l'alinéa 1er sont ceux dont la finalité est la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes menées par les inspecteurs sociaux, en ce compris les procédures visant à l'application éventuelle d'une amende administrative par le Gouvernement.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques mentionné à l'article 89 du règlement général sur la protection des données, les données à caractère personnel qui font l'objet de la dérogation mentionnée à l'alinéa 1er ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder dix ans après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratifs et extrajudiciaires découlant de la limitation des droits de la personne concernée.
§ 2 - Les dérogations mentionnées au § 1er valent durant la période pendant laquelle la personne concernée fait l'objet d'un contrôle ou d'une enquête ou d'actes préparatoires à ceux-ci, effectués par les inspecteurs sociaux dans le cadre de l'exécution de leurs missions légales ou réglementaires, ainsi que durant la période pendant laquelle le Gouvernement traite son dossier en application du chapitre 5 du présent décret.
Ces dérogations au droit d'accès ne sont autorisées que dans la mesure où l'application de ce droit nuirait aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires, ou risquerait de porter atteinte au secret de l'enquête pénale ou à la sécurité des personnes.
La durée des actes préparatoires mentionnés aux alinéas précédents, pendant laquelle l'article 15 du règlement général sur la protection des données n'est pas applicable, ne peut excéder un an à partir de la réception de la demande introduite en application de l'article 15.
La restriction mentionnée au § 1er, alinéa 1er, ne vise pas les données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation d'accès.
§ 3 - Dès réception d'une demande d'accès, le responsable du traitement en accuse réception.
Le responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, dans les meilleurs délais, et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation à son droit d'accès aux données la concernant ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'une des finalités énoncées au § 1er, alinéa 2. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsque les inspecteurs sociaux ont fait usage de l'exception telle que déterminée au § 1er, alinéa 1er, et à l'exception des situations mentionnées au § 3, alinéa 6, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire ou au Gouvernement, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire est terminée, ou, le cas échéant, après que le Gouvernement a pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
§ 1er - Par dérogation à l'article 15 du règlement général sur la protection des données, en vue de garantir l'intérêt public, le droit d'accès aux données à caractère personnel peut être retardé, limité entièrement ou partiellement, s'agissant des traitements de données à caractère personnel.
Les traitements mentionnés à l'alinéa 1er sont ceux dont la finalité est la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes menées par les inspecteurs sociaux, en ce compris les procédures visant à l'application éventuelle d'une amende administrative par le Gouvernement.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques mentionné à l'article 89 du règlement général sur la protection des données, les données à caractère personnel qui font l'objet de la dérogation mentionnée à l'alinéa 1er ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder dix ans après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratifs et extrajudiciaires découlant de la limitation des droits de la personne concernée.
§ 2 - Les dérogations mentionnées au § 1er valent durant la période pendant laquelle la personne concernée fait l'objet d'un contrôle ou d'une enquête ou d'actes préparatoires à ceux-ci, effectués par les inspecteurs sociaux dans le cadre de l'exécution de leurs missions légales ou réglementaires, ainsi que durant la période pendant laquelle le Gouvernement traite son dossier en application du chapitre 5 du présent décret.
Ces dérogations au droit d'accès ne sont autorisées que dans la mesure où l'application de ce droit nuirait aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires, ou risquerait de porter atteinte au secret de l'enquête pénale ou à la sécurité des personnes.
La durée des actes préparatoires mentionnés aux alinéas précédents, pendant laquelle l'article 15 du règlement général sur la protection des données n'est pas applicable, ne peut excéder un an à partir de la réception de la demande introduite en application de l'article 15.
La restriction mentionnée au § 1er, alinéa 1er, ne vise pas les données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation d'accès.
§ 3 - Dès réception d'une demande d'accès, le responsable du traitement en accuse réception.
Le responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, dans les meilleurs délais, et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation à son droit d'accès aux données la concernant ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'une des finalités énoncées au § 1er, alinéa 2. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsque les inspecteurs sociaux ont fait usage de l'exception telle que déterminée au § 1er, alinéa 1er, et à l'exception des situations mentionnées au § 3, alinéa 6, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire ou au Gouvernement, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire est terminée, ou, le cas échéant, après que le Gouvernement a pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Art. 90. Recht op rectificatie
§ 1 - In afwijking van artikel 16 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming kan het recht op rectificatie in het geval van verwerkingen van persoonsgegevens worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten om de doelstellingen van algemeen belang te waarborgen.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de sociaal inspecteurs gevoerde onderzoeken, en de procedures voor de eventuele toepassing van een administratieve geldboete door de Regering, tot doel hebben.
Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde afwijking niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn van hoogstens tien jaar na de definitieve beëindiging van de gerechtelijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit de beperking van de rechten van de betrokkene persoon.
§ 2 - De in § 1 bedoelde afwijkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek of de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd door de sociaal inspecteurs in het kader van de uitvoering van hun wettelijke of reglementaire opdrachten, alsook gedurende de periode waarin de Regering het dossier overeenkomstig hoofdstuk 5 van dit decreet behandelt.
Deze afwijkingen op het recht op rectificatie gelden voor zover de toepassing van dit recht nadelig zou zijn voor de controle, het onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden of het geheim van het strafonderzoek of de veiligheid van personen dreigt te schenden.
De duur van de voorbereidende werkzaamheden bedoeld in de vorige leden gedurende welke artikel 16 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming niet van toepassing is, mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van een verzoek dat met toepassing van artikel 16 werd ingediend.
De beperking bedoeld in § 1, eerste lid, heeft geen betrekking op gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van het recht op rectificatie rechtvaardigt.
§ 3 - Bij ontvangst van een verzoek tot rectificatie bevestigt de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk, en hoe dan ook binnen één maand na de ontvangst van het verzoek, over iedere weigering of beperking van zijn recht op rectificatie, alsook over de redenen voor deze weigering of beperking. Die informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen genoemd in § 1, tweede lid, zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen ervan.
De verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer de sociaal inspecteurs gebruik hebben gemaakt van de uitzondering bepaald in § 1, eerste lid, en met uitzondering van de situaties bedoeld in § 3, zesde lid, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk na de afsluiting van de controle of van het onderzoek opgeheven. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid of aan de Regering, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd of, in voorkomend geval, nadat de Regering een beslissing heeft genomen. De inlichtingen verzameld tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de gerechtelijke overheid.
§ 1 - In afwijking van artikel 16 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming kan het recht op rectificatie in het geval van verwerkingen van persoonsgegevens worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten om de doelstellingen van algemeen belang te waarborgen.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de sociaal inspecteurs gevoerde onderzoeken, en de procedures voor de eventuele toepassing van een administratieve geldboete door de Regering, tot doel hebben.
Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde afwijking niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn van hoogstens tien jaar na de definitieve beëindiging van de gerechtelijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit de beperking van de rechten van de betrokkene persoon.
§ 2 - De in § 1 bedoelde afwijkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek of de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd door de sociaal inspecteurs in het kader van de uitvoering van hun wettelijke of reglementaire opdrachten, alsook gedurende de periode waarin de Regering het dossier overeenkomstig hoofdstuk 5 van dit decreet behandelt.
Deze afwijkingen op het recht op rectificatie gelden voor zover de toepassing van dit recht nadelig zou zijn voor de controle, het onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden of het geheim van het strafonderzoek of de veiligheid van personen dreigt te schenden.
De duur van de voorbereidende werkzaamheden bedoeld in de vorige leden gedurende welke artikel 16 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming niet van toepassing is, mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van een verzoek dat met toepassing van artikel 16 werd ingediend.
De beperking bedoeld in § 1, eerste lid, heeft geen betrekking op gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van het recht op rectificatie rechtvaardigt.
§ 3 - Bij ontvangst van een verzoek tot rectificatie bevestigt de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk, en hoe dan ook binnen één maand na de ontvangst van het verzoek, over iedere weigering of beperking van zijn recht op rectificatie, alsook over de redenen voor deze weigering of beperking. Die informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen genoemd in § 1, tweede lid, zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen ervan.
De verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer de sociaal inspecteurs gebruik hebben gemaakt van de uitzondering bepaald in § 1, eerste lid, en met uitzondering van de situaties bedoeld in § 3, zesde lid, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk na de afsluiting van de controle of van het onderzoek opgeheven. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid of aan de Regering, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd of, in voorkomend geval, nadat de Regering een beslissing heeft genomen. De inlichtingen verzameld tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de gerechtelijke overheid.
Art. 90. Droit de rectification
§ 1er - Par dérogation à l'article 16 du règlement général sur la protection des données, en vue de garantir l'intérêt public, le droit de rectification peut être retardé, limité ou exclu s'agissant des traitements de données à caractère personnel.
Les traitements mentionnés à l'alinéa 1er sont ceux dont la finalité est la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes menées par les inspecteurs sociaux, en ce compris les procédures visant à l'application éventuelle d'une amende administrative par le Gouvernement.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques mentionné à l'article 89 du règlement général sur la protection des données, les données à caractère personnel qui font l'objet de la dérogation mentionnée à l'alinéa 1er ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder dix ans après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratifs et extrajudiciaires découlant de la limitation des droits de la personne concernée.
§ 2 - Les dérogations mentionnées au § 1er valent durant la période pendant laquelle la personne concernée fait l'objet d'un contrôle ou d'une enquête ou d'actes préparatoires à ceux-ci, effectués par les inspecteurs sociaux dans le cadre de l'exécution de leurs missions légales ou réglementaires, ainsi que durant la période pendant laquelle le Gouvernement traite son dossier en application du chapitre 5 du présent décret.
Ces dérogations au droit de rectification ne sont autorisées que dans la mesure où l'application de ce droit nuirait aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires, ou risquerait de porter atteinte au secret de l'enquête pénale ou à la sécurité des personnes.
La durée des actes préparatoires mentionnés aux alinéas précédents, pendant laquelle l'article 16 du règlement général sur la protection des données n'est pas applicable, ne peut excéder un an à partir de la réception de la demande introduite en application de cet article 16.
La restriction mentionnée au § 1er, alinéa 1er, ne vise pas les données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation de rectification.
§ 3 - Dès réception d'une demande de rectification, le responsable du traitement en accuse réception.
Le responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, dans les meilleurs délais, et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation à son droit de rectification, ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'une des finalités énoncées au § 1er, alinéa 2. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsque les inspecteurs sociaux ont fait usage de l'exception telle que déterminée au § 1er, alinéa 1er, et à l'exception des situations mentionnées au § 3, alinéa 6, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire ou au Gouvernement, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire est terminée, ou, le cas échéant, après que le Gouvernement a pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
§ 1er - Par dérogation à l'article 16 du règlement général sur la protection des données, en vue de garantir l'intérêt public, le droit de rectification peut être retardé, limité ou exclu s'agissant des traitements de données à caractère personnel.
Les traitements mentionnés à l'alinéa 1er sont ceux dont la finalité est la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes menées par les inspecteurs sociaux, en ce compris les procédures visant à l'application éventuelle d'une amende administrative par le Gouvernement.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques mentionné à l'article 89 du règlement général sur la protection des données, les données à caractère personnel qui font l'objet de la dérogation mentionnée à l'alinéa 1er ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder dix ans après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratifs et extrajudiciaires découlant de la limitation des droits de la personne concernée.
§ 2 - Les dérogations mentionnées au § 1er valent durant la période pendant laquelle la personne concernée fait l'objet d'un contrôle ou d'une enquête ou d'actes préparatoires à ceux-ci, effectués par les inspecteurs sociaux dans le cadre de l'exécution de leurs missions légales ou réglementaires, ainsi que durant la période pendant laquelle le Gouvernement traite son dossier en application du chapitre 5 du présent décret.
Ces dérogations au droit de rectification ne sont autorisées que dans la mesure où l'application de ce droit nuirait aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires, ou risquerait de porter atteinte au secret de l'enquête pénale ou à la sécurité des personnes.
La durée des actes préparatoires mentionnés aux alinéas précédents, pendant laquelle l'article 16 du règlement général sur la protection des données n'est pas applicable, ne peut excéder un an à partir de la réception de la demande introduite en application de cet article 16.
La restriction mentionnée au § 1er, alinéa 1er, ne vise pas les données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation de rectification.
§ 3 - Dès réception d'une demande de rectification, le responsable du traitement en accuse réception.
Le responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, dans les meilleurs délais, et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation à son droit de rectification, ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'une des finalités énoncées au § 1er, alinéa 2. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsque les inspecteurs sociaux ont fait usage de l'exception telle que déterminée au § 1er, alinéa 1er, et à l'exception des situations mentionnées au § 3, alinéa 6, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire ou au Gouvernement, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire est terminée, ou, le cas échéant, après que le Gouvernement a pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Art. 91. Recht op beperking van de verwerking
§ 1 - In afwijking van artikel 18 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming kan het recht op beperking van de verwerking in het geval van verwerkingen van persoonsgegevens worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten om de doelstellingen van algemeen belang te waarborgen.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de sociaal inspecteurs gevoerde onderzoeken, en de procedures voor de eventuele toepassing van een administratieve geldboete door de Regering, tot doel hebben.
Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde afwijking niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn van hoogstens tien jaar na de definitieve beëindiging van de gerechtelijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit de beperking van de rechten van de betrokkene persoon.
§ 2 - De in § 1 bedoelde afwijkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek of de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd door de sociaal inspecteurs in het kader van de uitvoering van hun wettelijke of reglementaire opdrachten, alsook gedurende de periode waarin de Regering het dossier overeenkomstig hoofdstuk 5 van dit decreet behandelt.
Deze afwijkingen op het recht op beperking van de verwerking gelden voor zover de toepassing van dit recht nadelig zou zijn voor de controle, het onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden of het geheim van het strafonderzoek of de veiligheid van personen dreigt te schenden.
De duur van de voorbereidende werkzaamheden bedoeld in de vorige leden gedurende welke artikel 18 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming niet van toepassing is, mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van een verzoek dat met toepassing van artikel 18 werd ingediend.
De beperking bedoeld in § 1, eerste lid, heeft geen betrekking op gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van het recht op beperking van de verwerking rechtvaardigt.
§ 3 - Bij ontvangst van een verzoek tot beperking van de verwerking bevestigt de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk, en hoe dan ook binnen één maand na de ontvangst van het verzoek, over iedere weigering of beperking van zijn recht op beperking van de verwerking van de hem betreffende persoonsgegevens, alsook over de redenen voor deze weigering of beperking. Die informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen genoemd in § 1, tweede lid, zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen ervan.
De verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer de sociaal inspecteurs gebruik hebben gemaakt van de uitzondering bepaald in § 1, eerste lid, en met uitzondering van de situaties bedoeld in § 3, zesde lid, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk na de afsluiting van de controle of van het onderzoek opgeheven. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid of aan de Regering, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd of, in voorkomend geval, nadat de Regering een beslissing heeft genomen. De inlichtingen verzameld tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de gerechtelijke overheid.
§ 1 - In afwijking van artikel 18 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming kan het recht op beperking van de verwerking in het geval van verwerkingen van persoonsgegevens worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten om de doelstellingen van algemeen belang te waarborgen.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de door de sociaal inspecteurs gevoerde onderzoeken, en de procedures voor de eventuele toepassing van een administratieve geldboete door de Regering, tot doel hebben.
Onverminderd de bewaring noodzakelijk voor de verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde afwijking niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn van hoogstens tien jaar na de definitieve beëindiging van de gerechtelijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit de beperking van de rechten van de betrokkene persoon.
§ 2 - De in § 1 bedoelde afwijkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek of de daarmee verband houdende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd door de sociaal inspecteurs in het kader van de uitvoering van hun wettelijke of reglementaire opdrachten, alsook gedurende de periode waarin de Regering het dossier overeenkomstig hoofdstuk 5 van dit decreet behandelt.
Deze afwijkingen op het recht op beperking van de verwerking gelden voor zover de toepassing van dit recht nadelig zou zijn voor de controle, het onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden of het geheim van het strafonderzoek of de veiligheid van personen dreigt te schenden.
De duur van de voorbereidende werkzaamheden bedoeld in de vorige leden gedurende welke artikel 18 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming niet van toepassing is, mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van een verzoek dat met toepassing van artikel 18 werd ingediend.
De beperking bedoeld in § 1, eerste lid, heeft geen betrekking op gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van het recht op beperking van de verwerking rechtvaardigt.
§ 3 - Bij ontvangst van een verzoek tot beperking van de verwerking bevestigt de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk, en hoe dan ook binnen één maand na de ontvangst van het verzoek, over iedere weigering of beperking van zijn recht op beperking van de verwerking van de hem betreffende persoonsgegevens, alsook over de redenen voor deze weigering of beperking. Die informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen genoemd in § 1, tweede lid, zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen ervan.
De verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer de sociaal inspecteurs gebruik hebben gemaakt van de uitzondering bepaald in § 1, eerste lid, en met uitzondering van de situaties bedoeld in § 3, zesde lid, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk na de afsluiting van de controle of van het onderzoek opgeheven. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid of aan de Regering, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd of, in voorkomend geval, nadat de Regering een beslissing heeft genomen. De inlichtingen verzameld tijdens de uitvoering van de taken opgelegd door de gerechtelijke overheid mogen evenwel enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke machtiging van de gerechtelijke overheid.
Art. 91. Droit à la limitation du traitement
§ 1er - Par dérogation à l'article 18 du règlement général sur la protection des données, en vue de garantir l'intérêt public, le droit à la limitation du traitement peut être retardé, limité ou exclu s'agissant des traitements de données à caractère personnel.
Les traitements mentionnés à l'alinéa 1er sont ceux dont la finalité est la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes menées par les inspecteurs sociaux, en ce compris les procédures visant à l'application éventuelle d'une amende administrative par le Gouvernement.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques mentionné à l'article 89 du règlement général sur la protection des données, les données à caractère personnel qui font l'objet de la dérogation mentionnée à l'alinéa 1er ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder dix ans après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratifs et extrajudiciaires découlant de la limitation des droits de la personne concernée.
§ 2 - Les dérogations mentionnées au § 1er valent durant la période pendant laquelle la personne concernée fait l'objet d'un contrôle ou d'une enquête ou d'actes préparatoires à ceux-ci, effectués par les inspecteurs sociaux dans le cadre de l'exécution de leurs missions légales ou réglementaires, ainsi que durant la période pendant laquelle le Gouvernement traite son dossier en application du chapitre 5 du présent décret.
Ces dérogations au droit à la limitation du traitement ne sont autorisées que dans la mesure où l'application de ce droit nuirait aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires, ou risquerait de porter atteinte au secret de l'enquête pénale ou à la sécurité des personnes.
La durée des actes préparatoires mentionnés aux alinéas précédents, pendant laquelle l'article 18 du règlement général sur la protection des données n'est pas applicable, ne peut excéder un an à partir de la réception de la demande introduite en application de cet article 18.
La restriction mentionnée au § 1er, alinéa 1er, ne vise pas les données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation au droit à la limitation du traitement.
§ 3 - Dès réception d'une demande de limitation du traitement, le responsable du traitement en accuse réception.
Le responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, dans les meilleurs délais, et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation à son droit à la limitation du traitement des données à caractère personnel la concernant ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'une des finalités énoncées au § 1er, alinéa 2. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsque les inspecteurs sociaux ont fait usage de l'exception telle que déterminée au § 1er, alinéa 1er, et à l'exception des situations mentionnées au § 3, alinéa 6, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire ou au Gouvernement, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire est terminée, ou, le cas échéant, après que le Gouvernement a pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
§ 1er - Par dérogation à l'article 18 du règlement général sur la protection des données, en vue de garantir l'intérêt public, le droit à la limitation du traitement peut être retardé, limité ou exclu s'agissant des traitements de données à caractère personnel.
Les traitements mentionnés à l'alinéa 1er sont ceux dont la finalité est la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes menées par les inspecteurs sociaux, en ce compris les procédures visant à l'application éventuelle d'une amende administrative par le Gouvernement.
Sans préjudice de la conservation nécessaire pour le traitement à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques mentionné à l'article 89 du règlement général sur la protection des données, les données à caractère personnel qui font l'objet de la dérogation mentionnée à l'alinéa 1er ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder dix ans après la cessation définitive des procédures et recours juridictionnels, administratifs et extrajudiciaires découlant de la limitation des droits de la personne concernée.
§ 2 - Les dérogations mentionnées au § 1er valent durant la période pendant laquelle la personne concernée fait l'objet d'un contrôle ou d'une enquête ou d'actes préparatoires à ceux-ci, effectués par les inspecteurs sociaux dans le cadre de l'exécution de leurs missions légales ou réglementaires, ainsi que durant la période pendant laquelle le Gouvernement traite son dossier en application du chapitre 5 du présent décret.
Ces dérogations au droit à la limitation du traitement ne sont autorisées que dans la mesure où l'application de ce droit nuirait aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires, ou risquerait de porter atteinte au secret de l'enquête pénale ou à la sécurité des personnes.
La durée des actes préparatoires mentionnés aux alinéas précédents, pendant laquelle l'article 18 du règlement général sur la protection des données n'est pas applicable, ne peut excéder un an à partir de la réception de la demande introduite en application de cet article 18.
La restriction mentionnée au § 1er, alinéa 1er, ne vise pas les données qui sont étrangères à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation au droit à la limitation du traitement.
§ 3 - Dès réception d'une demande de limitation du traitement, le responsable du traitement en accuse réception.
Le responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, dans les meilleurs délais, et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation à son droit à la limitation du traitement des données à caractère personnel la concernant ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'une des finalités énoncées au § 1er, alinéa 2. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsque les inspecteurs sociaux ont fait usage de l'exception telle que déterminée au § 1er, alinéa 1er, et à l'exception des situations mentionnées au § 3, alinéa 6, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire ou au Gouvernement, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire est terminée, ou, le cas échéant, après que le Gouvernement a pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Hoofdstuk 9. - Slotbepalingen
Chapitre 9. - Dispositions finales
Art. 92. Wijzigingsbepaling
Artikel 6, derde lid, van de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2016, wordt vervangen als volgt:
"De vreemdeling van wie de beroepskaart geweigerd wordt, kan beroep instellen bij de Regering. Het beroep wordt ingediend per aangetekend schrijven of tegen afgifte van een gedagtekend ontvangstbewijs binnen een maand te rekenen vanaf de kennisgeving van het aangetekend schrijven waarmee de weigeringsbeslissing ter kennis wordt gebracht.
Het moet met redenen omkleed zijn.
Indien de voorschriften van dit artikel niet worden nageleefd, is het beroep nietig. De Regering kan de andere nadere regels voor de beroepsprocedure bepalen."
Artikel 6, derde lid, van de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2016, wordt vervangen als volgt:
"De vreemdeling van wie de beroepskaart geweigerd wordt, kan beroep instellen bij de Regering. Het beroep wordt ingediend per aangetekend schrijven of tegen afgifte van een gedagtekend ontvangstbewijs binnen een maand te rekenen vanaf de kennisgeving van het aangetekend schrijven waarmee de weigeringsbeslissing ter kennis wordt gebracht.
Het moet met redenen omkleed zijn.
Indien de voorschriften van dit artikel niet worden nageleefd, is het beroep nietig. De Regering kan de andere nadere regels voor de beroepsprocedure bepalen."
Art. 92. Disposition modificative
Dans l'article 6 de la loi du 19 février 1965 relative à l'exercice, par les étrangers, des activités professionnelles indépendantes, modifié par le décret du 25 avril 2016, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" L'étranger qui s'est vu refuser la carte professionnelle peut introduire un recours auprès du Gouvernement. Le recours est introduit par envoi recommandé ou par remise contre accusé de réception daté dans le mois suivant la notification de l'envoi recommandé portant notification de la décision de refus.
Le recours doit être motivé.
Si les dispositions du présent article ne sont pas respectées, le recours est nul. Le Gouvernement peut fixer d'autres modalités concernant la procédure de recours. "
Dans l'article 6 de la loi du 19 février 1965 relative à l'exercice, par les étrangers, des activités professionnelles indépendantes, modifié par le décret du 25 avril 2016, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" L'étranger qui s'est vu refuser la carte professionnelle peut introduire un recours auprès du Gouvernement. Le recours est introduit par envoi recommandé ou par remise contre accusé de réception daté dans le mois suivant la notification de l'envoi recommandé portant notification de la décision de refus.
Le recours doit être motivé.
Si les dispositions du présent article ne sont pas respectées, le recours est nul. Le Gouvernement peut fixer d'autres modalités concernant la procédure de recours. "
Art. 93. Wijzigingsbepaling
Artikel 7, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2016, wordt vervangen als volgt:
"De vreemdeling van wie de beroepskaart ingetrokken wordt, kan beroep instellen bij de Regering. Het beroep wordt ingediend per aangetekend schrijven of tegen afgifte van een gedagtekend ontvangstbewijs binnen een maand te rekenen vanaf de kennisgeving van het aangetekend schrijven waarmee de intrekkingsbeslissing ter kennis wordt gebracht.
Het moet met redenen omkleed zijn.
Indien de voorschriften van dit artikel niet worden nageleefd, is het beroep nietig. De Regering kan de andere nadere regels voor de beroepsprocedure bepalen."
Artikel 7, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2016, wordt vervangen als volgt:
"De vreemdeling van wie de beroepskaart ingetrokken wordt, kan beroep instellen bij de Regering. Het beroep wordt ingediend per aangetekend schrijven of tegen afgifte van een gedagtekend ontvangstbewijs binnen een maand te rekenen vanaf de kennisgeving van het aangetekend schrijven waarmee de intrekkingsbeslissing ter kennis wordt gebracht.
Het moet met redenen omkleed zijn.
Indien de voorschriften van dit artikel niet worden nageleefd, is het beroep nietig. De Regering kan de andere nadere regels voor de beroepsprocedure bepalen."
Art. 93. Disposition modificative
Dans l'article 7 de la même loi, modifié par le décret du 25 avril 2016, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" L'étranger auquel la carte professionnelle a été retirée peut introduire un recours auprès du Gouvernement. Le recours est introduit par envoi recommandé ou par remise contre accusé de réception daté dans le mois suivant la notification de l'envoi recommandé portant notification de la décision de retrait.
Le recours doit être motivé.
Si les dispositions du présent article ne sont pas respectées, le recours est nul. Le Gouvernement peut fixer d'autres modalités concernant la procédure de recours. "
Dans l'article 7 de la même loi, modifié par le décret du 25 avril 2016, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" L'étranger auquel la carte professionnelle a été retirée peut introduire un recours auprès du Gouvernement. Le recours est introduit par envoi recommandé ou par remise contre accusé de réception daté dans le mois suivant la notification de l'envoi recommandé portant notification de la décision de retrait.
Le recours doit être motivé.
Si les dispositions du présent article ne sont pas respectées, le recours est nul. Le Gouvernement peut fixer d'autres modalités concernant la procédure de recours. "
Art. 94. Wijzigingsbepaling
Artikel 12 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij het decreet van 25 april 2016, wordt opgeheven.
Artikel 12 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij het decreet van 25 april 2016, wordt opgeheven.
Art. 94. Disposition modificative
L'article 12 de la même loi, modifié en dernier lieu par le décret du 25 avril 2016, est abrogé.
L'article 12 de la même loi, modifié en dernier lieu par le décret du 25 avril 2016, est abrogé.
Art. 95. Wijzigingsbepaling
Artikel 13 van dezelfde wet, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2016, wordt vervangen als volgt:
"Art. 13 - § 1 - Wordt bestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen of met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro:
1° de vreemdeling die onderworpen is aan de verplichting vermeld in artikel 1 van onderhavige wet en een zelfstandige activiteit uitoefent zonder in het bezit te zijn van een beroepskaart;
2° de vreemdeling die een zelfstandige activiteit uitoefent zonder de grenzen of de voorwaarden van de beroepskaart te respecteren;
3° de vreemdeling die een zelfstandige activiteit uitoefent niettegenstaande de staking van de bedrijvigheid is gelast of de sluiting van de zaak is bevolen."
§ 2 - Hoofdstuk 5 van het decreet van 27 maart 2023 betreffende de controle en de procedure voor de oplegging van administratieve geldboeten inzake het tewerkstellingsbeleid is van toepassing op de administratieve geldboeten vermeld in paragraaf 1."
Artikel 13 van dezelfde wet, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2016, wordt vervangen als volgt:
"Art. 13 - § 1 - Wordt bestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen of met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro:
1° de vreemdeling die onderworpen is aan de verplichting vermeld in artikel 1 van onderhavige wet en een zelfstandige activiteit uitoefent zonder in het bezit te zijn van een beroepskaart;
2° de vreemdeling die een zelfstandige activiteit uitoefent zonder de grenzen of de voorwaarden van de beroepskaart te respecteren;
3° de vreemdeling die een zelfstandige activiteit uitoefent niettegenstaande de staking van de bedrijvigheid is gelast of de sluiting van de zaak is bevolen."
§ 2 - Hoofdstuk 5 van het decreet van 27 maart 2023 betreffende de controle en de procedure voor de oplegging van administratieve geldboeten inzake het tewerkstellingsbeleid is van toepassing op de administratieve geldboeten vermeld in paragraaf 1."
Art. 95. Disposition modificative
L'article 13 de la même loi, modifié par le décret du 25 avril 2016, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 13 - § 1er - Est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros :
1° l'étranger qui est soumis à l'obligation mentionnée à l'article 1er de la présente loi et qui exerce une activité indépendante sans être titulaire d'une carte professionnelle;
2° l'étranger qui exerce une activité indépendante sans respecter les limites ou les conditions de la carte professionnelle;
3° l'étranger qui exerce une activité indépendante, alors qu'il lui a été ordonné d'arrêter son activité, voire de fermer l'entreprise qu'il exploite.
§ 2 - Les dispositions du chapitre 5 du décret du 27 mars 2023 relatif au contrôle et à la procédure concernant l'imposition d'amendes administratives dans le domaine de la politique de l'emploi sont applicables aux amendes administratives mentionnées au § 1er. "
L'article 13 de la même loi, modifié par le décret du 25 avril 2016, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 13 - § 1er - Est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros :
1° l'étranger qui est soumis à l'obligation mentionnée à l'article 1er de la présente loi et qui exerce une activité indépendante sans être titulaire d'une carte professionnelle;
2° l'étranger qui exerce une activité indépendante sans respecter les limites ou les conditions de la carte professionnelle;
3° l'étranger qui exerce une activité indépendante, alors qu'il lui a été ordonné d'arrêter son activité, voire de fermer l'entreprise qu'il exploite.
§ 2 - Les dispositions du chapitre 5 du décret du 27 mars 2023 relatif au contrôle et à la procédure concernant l'imposition d'amendes administratives dans le domaine de la politique de l'emploi sont applicables aux amendes administratives mentionnées au § 1er. "
Art. 96. Wijzigingsbepaling
In artikel 14 van dezelfde wet, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2016, worden de woorden "artikel 13, 3° tot 5°" vervangen door de woorden "artikel 13, 2° en 3°".
In artikel 14 van dezelfde wet, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2016, worden de woorden "artikel 13, 3° tot 5°" vervangen door de woorden "artikel 13, 2° en 3°".
Art. 96. Disposition modificative
Dans l'article 14 de la même loi, modifié par le décret du 25 avril 2016, les mots " article 13, 3° à 5° " sont remplacés par les mots " article 13, 2° et 3° ".
Dans l'article 14 de la même loi, modifié par le décret du 25 avril 2016, les mots " article 13, 3° à 5° " sont remplacés par les mots " article 13, 2° et 3° ".
Art. 97. Wijzigingsbepaling
Artikel 580, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij het decreet van 23 april 2018, wordt aangevuld met een bepaling onder h), luidende:
"h) het decreet van 27 maart 2023 betreffende de controle en de procedure voor het opleggen van administratieve geldboeten in het kader van het tewerkstellingsbeleid;"
Artikel 580, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij het decreet van 23 april 2018, wordt aangevuld met een bepaling onder h), luidende:
"h) het decreet van 27 maart 2023 betreffende de controle en de procedure voor het opleggen van administratieve geldboeten in het kader van het tewerkstellingsbeleid;"
Art. 97. Disposition modificative
Dans l'article 580, 8°, du Code judiciaire, modifié en dernier lieu par le décret du 23 avril 2018, il est inséré un h) rédigé comme suit :
" h) du décret du 27 mars 2023 relatif au contrôle et à la procédure concernant l'imposition d'amendes administratives dans le domaine de la politique de l'emploi; "
Dans l'article 580, 8°, du Code judiciaire, modifié en dernier lieu par le décret du 23 avril 2018, il est inséré un h) rédigé comme suit :
" h) du décret du 27 mars 2023 relatif au contrôle et à la procédure concernant l'imposition d'amendes administratives dans le domaine de la politique de l'emploi; "
Art. 98. Wijzigingsbepaling
In artikel 10, eerste lid, van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2016, worden de woorden "bij ter post aangetekende brief binnen een maand na kennisgeving van de aangetekende brief" vervangen door de woorden "per aangetekend schrijven of tegen afgifte van een gedagtekend ontvangstbewijs binnen een maand te rekenen vanaf de kennisgeving van het aangetekend schrijven".
In artikel 10, eerste lid, van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2016, worden de woorden "bij ter post aangetekende brief binnen een maand na kennisgeving van de aangetekende brief" vervangen door de woorden "per aangetekend schrijven of tegen afgifte van een gedagtekend ontvangstbewijs binnen een maand te rekenen vanaf de kennisgeving van het aangetekend schrijven".
Art. 98. Disposition modificative
Dans l'article 10, alinéa 1er, de la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers, modifié par le décret du 25 avril 2016, les mots " par lettre recommandée à la poste dans le mois de la notification de la lettre recommandée " sont remplacés par les mots " par envoi recommandé ou par remise contre accusé de réception daté dans le mois suivant la notification de l'envoi recommandé ".
Dans l'article 10, alinéa 1er, de la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers, modifié par le décret du 25 avril 2016, les mots " par lettre recommandée à la poste dans le mois de la notification de la lettre recommandée " sont remplacés par les mots " par envoi recommandé ou par remise contre accusé de réception daté dans le mois suivant la notification de l'envoi recommandé ".
Art. 99. Wijzigingsbepaling
Artikel 11 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 februari 2013, wordt opgeheven.
Artikel 11 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 februari 2013, wordt opgeheven.
Art. 99. Disposition modificative
L'article 11 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 février 2013, est abrogé.
L'article 11 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 février 2013, est abrogé.
Art. 100. Wijzigingsbepaling
Artikel 12 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 6 juni 2010, wordt hersteld als volgt:
"Art. 12 - § 1 - Wordt bestraft hetzij met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen alleen, hetzij met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro: de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in overtreding van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, uitgezonderd de normen betreffende de arbeidskaart verstrekt in functie van de bijzondere verblijfstoestand van de betrokkenen, een buitenlandse onderdaan heeft doen of laten werken die niet toegelaten of gemachtigd is om meer dan drie maanden in België te verblijven of zich er te vestigen.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2 - Wordt bestraft hetzij met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen alleen, hetzij met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro: de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in overtreding van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, uitgezonderd de normen betreffende de arbeidskaart verstrekt in functie van de bijzondere verblijfstoestand van betrokkenen, die tijdens de tewerkstelling van een onderdaan van een derde land niet:
1° vooraf heeft nagegaan of laatstgenoemde over een geldige verblijfsvergunning dan wel over een andere machtiging tot verblijf beschikt;
2° ten minste voor de duur van de tewerkstelling een afschrift of de gegevens van de verblijfsvergunning of een andere machtiging tot verblijf heeft bewaard voor de bevoegde inspectiediensten;
3° aangifte heeft gedaan van de aanvang en de beëindiging van zijn tewerkstelling overeenkomstig de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen.
In het geval dat de verblijfsvergunning of de andere machtiging tot verblijf die door de buitenlandse onderdaan wordt voorgelegd een vervalsing is, is de in het eerste lid bedoelde sanctie van toepassing wanneer het bewezen is dat de werkgever op de hoogte was dat dit document een vervalsing was.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 3 - Wordt bestraft hetzij met een strafrechtelijke geldboete van 100 tot 1.000 euro, hetzij met een administratieve geldboete van 50 tot 500 euro: de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in overtreding van deze wet en de uitvoeringsmaatregelen ervan, uitgezonderd de normen betreffende de arbeidskaart verstrekt in functie van de bijzondere verblijfstoestand van de betrokkenen:
1° een buitenlandse onderdaan heeft doen of laten werken:
a) ofwel zonder een arbeidsvergunning te hebben verkregen van de bevoegde overheid en/of zonder dat betrokkene over een arbeidskaart beschikt;
b) ofwel zonder de grenzen van deze arbeidsvergunning en/of arbeidskaart te respecteren;
c) ofwel voor een duur welke de duur van de arbeidsvergunning of van de arbeidskaart overschrijdt;
d) ofwel na de intrekking van de arbeidsvergunning of de arbeidskaart;
2° de arbeidskaart niet heeft gegeven aan de buitenlandse werknemer of hem die heeft gegeven tegen betaling van een bedrag of vergoeding in welke vorm ook.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 4 - Wordt bestraft hetzij met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen alleen, hetzij met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro: eenieder die in overtreding van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, uitgezonderd de normen betreffende de arbeidskaart verstrekt in functie van de bijzondere verblijfstoestand van betrokkenen:
1° een buitenlandse onderdaan België heeft laten binnenkomen om er te worden tewerkgesteld of daartoe heeft bijgedragen, tenzij de buitenlandse onderdaan in het bezit is van een geldige arbeidskaart en met uitzondering van de buitenlandse onderdaan voor wie de werkgever na diens aankomst in België een arbeidsvergunning kan verkrijgen om er te worden tewerkgesteld;
2° een buitenlandse onderdaan heeft beloofd, tegen betaling van welke vergoeding ook, hetzij een betrekking voor hem te zoeken, hetzij hem een betrekking te bezorgen, hetzij formaliteiten te vervullen met het oog op diens tewerkstelling in België;
3° van een buitenlandse onderdaan een vergoeding in welke vorm ook heeft geëist of aangenomen, hetzij om voor hem een betrekking te zoeken, hetzij om hem een betrekking te bezorgen, hetzij om formaliteiten te vervullen met het oog op diens tewerkstelling in België;
4° als tussenpersoon is opgetreden tussen een buitenlandse onderdaan en een werkgever of de autoriteiten die zijn belast met de toepassing van de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan of tussen een werkgever en diezelfde autoriteiten, waarbij daden zijn gesteld die hetzij die buitenlandse onderdaan, hetzij de werkgever, hetzij de genoemde autoriteiten op een dwaalspoor kunnen brengen.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 5 - Voor de inbreuken als bedoeld in § § 1, 2 en 4, kan de rechter bovendien de veroordeelde het verbod opleggen om gedurende een periode van één maand tot drie jaar, zelf of via een tussenpersoon, de onderneming of inrichting waar de inbreuk werd begaan geheel of gedeeltelijk uit te baten of er onder gelijk welke hoedanigheid dan ook in dienst te worden genomen.
§ 6 - Voor de inbreuken als bedoeld in § § 1, 2 en 4, kan de rechter bovendien, mits hij zijn beslissing ter zake met redenen omkleedt, de gehele of gedeeltelijke sluiting van de onderneming of inrichting waar de inbreuken werden begaan, bevelen voor de duur van één maand tot drie jaar.
§ 7 - De duur van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van § 5 of § 6 gaat in vanaf de dag waarop de veroordeelde zijn straf heeft ondergaan of waarop zijn straf verjaard is en, bij voorwaardelijke vrijlating, vanaf de dag van de invrijheidstelling, voor zover deze laatste niet ingetrokken wordt. Ze wordt evenwel van kracht vanaf de dag waarop de veroordeling op tegenspraak of bij verstek definitief is geworden.
§ 8 - De rechter kan de in § 5 of § 6 vermelde straffen slechts opleggen wanneer dit noodzakelijk is om de inbreuken te doen stoppen of om te voorkomen dat zij zich herhalen, op voorwaarde dat de veroordeling tot deze straffen in verhouding staat tot het geheel van de betrokken sociaal-economische belangen.
Voor de inbreuken van § 3 kunnen de in § 5 of § 6 vermelde straffen bovendien slechts worden opgelegd voor zover de gezondheid of de veiligheid van personen door deze inbreuken in gevaar wordt gebracht. Deze straffen doen geen afbreuk aan de rechten van derden.
§ 9 - Elke inbreuk op de beschikking van het vonnis of van het arrest waarbij een verbod of sluiting wordt opgelegd met toepassing van § 1 wordt bestraft met een sanctie vermeld in paragraaf 3."
Artikel 12 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 6 juni 2010, wordt hersteld als volgt:
"Art. 12 - § 1 - Wordt bestraft hetzij met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen alleen, hetzij met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro: de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in overtreding van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, uitgezonderd de normen betreffende de arbeidskaart verstrekt in functie van de bijzondere verblijfstoestand van de betrokkenen, een buitenlandse onderdaan heeft doen of laten werken die niet toegelaten of gemachtigd is om meer dan drie maanden in België te verblijven of zich er te vestigen.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2 - Wordt bestraft hetzij met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen alleen, hetzij met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro: de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in overtreding van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, uitgezonderd de normen betreffende de arbeidskaart verstrekt in functie van de bijzondere verblijfstoestand van betrokkenen, die tijdens de tewerkstelling van een onderdaan van een derde land niet:
1° vooraf heeft nagegaan of laatstgenoemde over een geldige verblijfsvergunning dan wel over een andere machtiging tot verblijf beschikt;
2° ten minste voor de duur van de tewerkstelling een afschrift of de gegevens van de verblijfsvergunning of een andere machtiging tot verblijf heeft bewaard voor de bevoegde inspectiediensten;
3° aangifte heeft gedaan van de aanvang en de beëindiging van zijn tewerkstelling overeenkomstig de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen.
In het geval dat de verblijfsvergunning of de andere machtiging tot verblijf die door de buitenlandse onderdaan wordt voorgelegd een vervalsing is, is de in het eerste lid bedoelde sanctie van toepassing wanneer het bewezen is dat de werkgever op de hoogte was dat dit document een vervalsing was.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 3 - Wordt bestraft hetzij met een strafrechtelijke geldboete van 100 tot 1.000 euro, hetzij met een administratieve geldboete van 50 tot 500 euro: de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in overtreding van deze wet en de uitvoeringsmaatregelen ervan, uitgezonderd de normen betreffende de arbeidskaart verstrekt in functie van de bijzondere verblijfstoestand van de betrokkenen:
1° een buitenlandse onderdaan heeft doen of laten werken:
a) ofwel zonder een arbeidsvergunning te hebben verkregen van de bevoegde overheid en/of zonder dat betrokkene over een arbeidskaart beschikt;
b) ofwel zonder de grenzen van deze arbeidsvergunning en/of arbeidskaart te respecteren;
c) ofwel voor een duur welke de duur van de arbeidsvergunning of van de arbeidskaart overschrijdt;
d) ofwel na de intrekking van de arbeidsvergunning of de arbeidskaart;
2° de arbeidskaart niet heeft gegeven aan de buitenlandse werknemer of hem die heeft gegeven tegen betaling van een bedrag of vergoeding in welke vorm ook.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 4 - Wordt bestraft hetzij met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van die straffen alleen, hetzij met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro: eenieder die in overtreding van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, uitgezonderd de normen betreffende de arbeidskaart verstrekt in functie van de bijzondere verblijfstoestand van betrokkenen:
1° een buitenlandse onderdaan België heeft laten binnenkomen om er te worden tewerkgesteld of daartoe heeft bijgedragen, tenzij de buitenlandse onderdaan in het bezit is van een geldige arbeidskaart en met uitzondering van de buitenlandse onderdaan voor wie de werkgever na diens aankomst in België een arbeidsvergunning kan verkrijgen om er te worden tewerkgesteld;
2° een buitenlandse onderdaan heeft beloofd, tegen betaling van welke vergoeding ook, hetzij een betrekking voor hem te zoeken, hetzij hem een betrekking te bezorgen, hetzij formaliteiten te vervullen met het oog op diens tewerkstelling in België;
3° van een buitenlandse onderdaan een vergoeding in welke vorm ook heeft geëist of aangenomen, hetzij om voor hem een betrekking te zoeken, hetzij om hem een betrekking te bezorgen, hetzij om formaliteiten te vervullen met het oog op diens tewerkstelling in België;
4° als tussenpersoon is opgetreden tussen een buitenlandse onderdaan en een werkgever of de autoriteiten die zijn belast met de toepassing van de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan of tussen een werkgever en diezelfde autoriteiten, waarbij daden zijn gesteld die hetzij die buitenlandse onderdaan, hetzij de werkgever, hetzij de genoemde autoriteiten op een dwaalspoor kunnen brengen.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 5 - Voor de inbreuken als bedoeld in § § 1, 2 en 4, kan de rechter bovendien de veroordeelde het verbod opleggen om gedurende een periode van één maand tot drie jaar, zelf of via een tussenpersoon, de onderneming of inrichting waar de inbreuk werd begaan geheel of gedeeltelijk uit te baten of er onder gelijk welke hoedanigheid dan ook in dienst te worden genomen.
§ 6 - Voor de inbreuken als bedoeld in § § 1, 2 en 4, kan de rechter bovendien, mits hij zijn beslissing ter zake met redenen omkleedt, de gehele of gedeeltelijke sluiting van de onderneming of inrichting waar de inbreuken werden begaan, bevelen voor de duur van één maand tot drie jaar.
§ 7 - De duur van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van § 5 of § 6 gaat in vanaf de dag waarop de veroordeelde zijn straf heeft ondergaan of waarop zijn straf verjaard is en, bij voorwaardelijke vrijlating, vanaf de dag van de invrijheidstelling, voor zover deze laatste niet ingetrokken wordt. Ze wordt evenwel van kracht vanaf de dag waarop de veroordeling op tegenspraak of bij verstek definitief is geworden.
§ 8 - De rechter kan de in § 5 of § 6 vermelde straffen slechts opleggen wanneer dit noodzakelijk is om de inbreuken te doen stoppen of om te voorkomen dat zij zich herhalen, op voorwaarde dat de veroordeling tot deze straffen in verhouding staat tot het geheel van de betrokken sociaal-economische belangen.
Voor de inbreuken van § 3 kunnen de in § 5 of § 6 vermelde straffen bovendien slechts worden opgelegd voor zover de gezondheid of de veiligheid van personen door deze inbreuken in gevaar wordt gebracht. Deze straffen doen geen afbreuk aan de rechten van derden.
§ 9 - Elke inbreuk op de beschikking van het vonnis of van het arrest waarbij een verbod of sluiting wordt opgelegd met toepassing van § 1 wordt bestraft met een sanctie vermeld in paragraaf 3."
Art. 100. Disposition modificative
L'article 12 de la même loi, abrogé par la loi du 6 juin 2010, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 12 - § 1er - Est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la présente loi et à ses arrêtés d'exécution, à l'exception des normes relatives au permis de travail délivré en fonction de la situation de séjour particulière des personnes concernées, a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger qui n'est pas admis ou autorisé à séjourner plus de trois mois en Belgique ou à s'y établir.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2 - Est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la présente loi et à ses arrêtés d'exécution, à l'exception des normes relatives au permis de travail délivré en fonction de la situation de séjour particulière des personnes concernées, n'a pas, lors de l'occupation d'un ressortissant d'un pays tiers :
1° vérifié au préalable que ce dernier dispose d'un titre de séjour ou d'une autre autorisation de séjour valable;
2° tenu à la disposition des services d'inspection compétents une copie ou les données du titre de séjour ou d'une autre autorisation de séjour, au moins pendant la durée de la période d'emploi;
3° déclaré l'entrée et la sortie de service de cette personne conformément aux dispositions légales, décrétales et réglementaires.
Dans le cas où le titre de séjour présenté par le ressortissant étranger ou l'autorisation de séjour présentée est un faux, la sanction pénale prévue à l'alinéa 1er est applicable s'il est prouvé que l'employeur savait que ce document était un faux.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 3 - Est puni d'une amende pénale de 100 à 1 000 euros ou d'une amende administrative de 50 à 500 euros, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la présente loi et à ses mesures d'exécution, à l'exception des normes relatives au permis de travail délivré en fonction de la situation de séjour particulière des personnes concernées :
1° a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger :
a) sans avoir obtenu une autorisation d'occupation de l'autorité compétente ou qui ne possède pas de permis de travail;
b) ou en ne respectant pas les limites fixées par l'autorisation d'occupation ou le permis de travail;
c) ou pour une durée plus longue que celle indiquée dans l'autorisation d'occupation ou le permis de travail;
d) ou après le retrait de l'autorisation d'occupation ou du permis de travail;
2° n'a pas remis le permis de travail au travailleur étranger ou le lui a remis moyennant le paiement d'une somme ou d'une rétribution sous quelque forme que ce soit.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 4 - Est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, quiconque, en contravention à la présente loi et à ses arrêtés d'exécution, à l'exception des normes relatives au permis de travail délivré en fonction de la situation de séjour particulière des personnes concernées :
1° a fait entrer en Belgique un ressortissant étranger ou a favorisé l'entrée en Belgique de celui-ci en vue d'y être occupé, sauf s'il s'agit d'un ressortissant étranger possédant un permis de travail valable, et à l'exception du ressortissant étranger pour lequel l'employeur peut bénéficier d'une autorisation d'occupation postérieurement à son entrée en Belgique en vue d'y être occupé;
2° a promis à un ressortissant étranger, moyennant le paiement d'une rétribution sous quelque forme que ce soit, de lui chercher ou de lui procurer un emploi ou d'accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique;
3° a réclamé ou reçu d'un ressortissant étranger une rétribution sous quelque forme que ce soit pour lui chercher ou lui procurer un emploi ou pour accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique;
4° a servi d'intermédiaire entre un ressortissant étranger et un employeur ou les autorités chargées de l'application des dispositions de la présente loi ou de ses arrêtés d'exécution ou encore entre un employeur et ces mêmes autorités, en accomplissant des actes susceptibles d'induire en erreur le ressortissant étranger ou l'employeur ou les autorités précitées.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 5 - Pour les infractions mentionnées aux § § 1er, 2 et 4, le juge peut interdire au condamné d'exploiter, pour un terme d'un mois à trois ans, soit par lui-même, soit par personne interposée, tout ou partie de l'entreprise ou de l'établissement où l'infraction a été commise, ou d'y être employé à quelque titre que ce soit.
§ 6 - Pour les infractions mentionnées aux § § 1er, 2 et 4, le juge peut, en outre, en motivant sa décision sur ce point, ordonner la fermeture, pour une durée d'un mois à trois ans, de tout ou partie de l'entreprise ou de l'établissement dans lequel les infractions ont été commises.
§ 7 - La durée de la peine prononcée en application du § 5 ou du § 6 court à compter du jour où le condamné aura subi ou prescrit sa peine et, s'il est libéré conditionnellement, à partir du jour de la libération pour autant que celle-ci ne soit pas révoquée. Elle produit cependant ses effets à compter du jour où la condamnation contradictoire ou par défaut est devenue définitive.
§ 8 - Le juge peut uniquement infliger les peines mentionnées au § 5 ou au § 6 quand cela s'avère nécessaire pour faire cesser l'infraction ou empêcher sa réitération, pour autant que la condamnation à ces peines soit proportionnée à l'ensemble des intérêts socio-économiques concernés.
En outre, pour les infractions mentionnées au § 3, les peines mentionnées au § 5 ou au § 6 ne peuvent être infligées que pour autant que la santé ou la sécurité des personnes soit mise en danger par ces infractions. Ces peines ne portent pas atteinte aux droits des tiers.
§ 9 - Toute infraction à la disposition du jugement ou de l'arrêt qui prononce une interdiction ou une fermeture en application du § 1er est punie d'une sanction mentionnée au § 3. "
L'article 12 de la même loi, abrogé par la loi du 6 juin 2010, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 12 - § 1er - Est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la présente loi et à ses arrêtés d'exécution, à l'exception des normes relatives au permis de travail délivré en fonction de la situation de séjour particulière des personnes concernées, a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger qui n'est pas admis ou autorisé à séjourner plus de trois mois en Belgique ou à s'y établir.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2 - Est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la présente loi et à ses arrêtés d'exécution, à l'exception des normes relatives au permis de travail délivré en fonction de la situation de séjour particulière des personnes concernées, n'a pas, lors de l'occupation d'un ressortissant d'un pays tiers :
1° vérifié au préalable que ce dernier dispose d'un titre de séjour ou d'une autre autorisation de séjour valable;
2° tenu à la disposition des services d'inspection compétents une copie ou les données du titre de séjour ou d'une autre autorisation de séjour, au moins pendant la durée de la période d'emploi;
3° déclaré l'entrée et la sortie de service de cette personne conformément aux dispositions légales, décrétales et réglementaires.
Dans le cas où le titre de séjour présenté par le ressortissant étranger ou l'autorisation de séjour présentée est un faux, la sanction pénale prévue à l'alinéa 1er est applicable s'il est prouvé que l'employeur savait que ce document était un faux.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 3 - Est puni d'une amende pénale de 100 à 1 000 euros ou d'une amende administrative de 50 à 500 euros, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la présente loi et à ses mesures d'exécution, à l'exception des normes relatives au permis de travail délivré en fonction de la situation de séjour particulière des personnes concernées :
1° a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger :
a) sans avoir obtenu une autorisation d'occupation de l'autorité compétente ou qui ne possède pas de permis de travail;
b) ou en ne respectant pas les limites fixées par l'autorisation d'occupation ou le permis de travail;
c) ou pour une durée plus longue que celle indiquée dans l'autorisation d'occupation ou le permis de travail;
d) ou après le retrait de l'autorisation d'occupation ou du permis de travail;
2° n'a pas remis le permis de travail au travailleur étranger ou le lui a remis moyennant le paiement d'une somme ou d'une rétribution sous quelque forme que ce soit.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 4 - Est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, quiconque, en contravention à la présente loi et à ses arrêtés d'exécution, à l'exception des normes relatives au permis de travail délivré en fonction de la situation de séjour particulière des personnes concernées :
1° a fait entrer en Belgique un ressortissant étranger ou a favorisé l'entrée en Belgique de celui-ci en vue d'y être occupé, sauf s'il s'agit d'un ressortissant étranger possédant un permis de travail valable, et à l'exception du ressortissant étranger pour lequel l'employeur peut bénéficier d'une autorisation d'occupation postérieurement à son entrée en Belgique en vue d'y être occupé;
2° a promis à un ressortissant étranger, moyennant le paiement d'une rétribution sous quelque forme que ce soit, de lui chercher ou de lui procurer un emploi ou d'accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique;
3° a réclamé ou reçu d'un ressortissant étranger une rétribution sous quelque forme que ce soit pour lui chercher ou lui procurer un emploi ou pour accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique;
4° a servi d'intermédiaire entre un ressortissant étranger et un employeur ou les autorités chargées de l'application des dispositions de la présente loi ou de ses arrêtés d'exécution ou encore entre un employeur et ces mêmes autorités, en accomplissant des actes susceptibles d'induire en erreur le ressortissant étranger ou l'employeur ou les autorités précitées.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 5 - Pour les infractions mentionnées aux § § 1er, 2 et 4, le juge peut interdire au condamné d'exploiter, pour un terme d'un mois à trois ans, soit par lui-même, soit par personne interposée, tout ou partie de l'entreprise ou de l'établissement où l'infraction a été commise, ou d'y être employé à quelque titre que ce soit.
§ 6 - Pour les infractions mentionnées aux § § 1er, 2 et 4, le juge peut, en outre, en motivant sa décision sur ce point, ordonner la fermeture, pour une durée d'un mois à trois ans, de tout ou partie de l'entreprise ou de l'établissement dans lequel les infractions ont été commises.
§ 7 - La durée de la peine prononcée en application du § 5 ou du § 6 court à compter du jour où le condamné aura subi ou prescrit sa peine et, s'il est libéré conditionnellement, à partir du jour de la libération pour autant que celle-ci ne soit pas révoquée. Elle produit cependant ses effets à compter du jour où la condamnation contradictoire ou par défaut est devenue définitive.
§ 8 - Le juge peut uniquement infliger les peines mentionnées au § 5 ou au § 6 quand cela s'avère nécessaire pour faire cesser l'infraction ou empêcher sa réitération, pour autant que la condamnation à ces peines soit proportionnée à l'ensemble des intérêts socio-économiques concernés.
En outre, pour les infractions mentionnées au § 3, les peines mentionnées au § 5 ou au § 6 ne peuvent être infligées que pour autant que la santé ou la sécurité des personnes soit mise en danger par ces infractions. Ces peines ne portent pas atteinte aux droits des tiers.
§ 9 - Toute infraction à la disposition du jugement ou de l'arrêt qui prononce une interdiction ou une fermeture en application du § 1er est punie d'une sanction mentionnée au § 3. "
Art. 101. Wijzigingsbepaling
In dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 9 mei 2018, wordt een artikel 12.1 ingevoegd, luidende:
"Art. 12.1 - § 1 - Wordt bestraft hetzij met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 euro tot 6.000 euro of met één van die straffen alleen, hetzij met een administratieve geldboete van 300 euro tot 3.000 euro: de aannemer, bij ontstentenis van een keten van onderaannemers, of de intermediaire aannemer, in geval van het voorhandenzijn van een dergelijke keten, wanneer hun rechtstreekse onderaannemer een inbreuk bedoeld in artikel 12, § 2, pleegt.
In afwijking van het eerste lid worden de aannemer en de intermediaire aannemer niet bestraft met één van de straffen vermeld in het eerste lid, als ze in het bezit zijn van een schriftelijke verklaring waarin hun rechtstreekse onderaannemer bevestigt dat hij geen illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt en zal tewerkstellen.
In afwijking van het tweede lid worden de aannemer en de intermediaire aannemer die in het bezit zijn van de schriftelijke verklaring bestraft ofwel met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een strafrechtelijke geldboete van 600 euro tot 6.000 euro of met enkel één van die straffen ofwel met een administratieve geldboete van 300 euro tot 3.000 euro, als ze, voorafgaand aan de inbreuk vermeld in het eerste lid, op de hoogte waren van het feit dat hun rechtstreekse onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de kennisgeving vermeld in artikel 12.2 zijn.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2 - Wordt bestraft hetzij met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 euro tot 6.000 euro of met één van die straffen alleen, hetzij met een administratieve geldboete van 300 euro tot 3.000 euro: de hoofdaannemer en de intermediaire aannemer, in geval van het voorhandenzijn van een keten van onderaannemers, wanneer hun onrechtstreekse onderaannemer een inbreuk vermeld in artikel 12, § 2, pleegt en zij op de hoogte zijn van het feit dat hun onrechtstreekse onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de kennisgeving vermeld in artikel 12.2 zijn.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 3 - Wordt bestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van deze straffen alleen, of met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro:
1° de opdrachtgever, bij ontstentenis van een onderaanneming, wanneer zijn aannemer een van de inbreuken vermeld in artikel 12, § 2, pleegt, als de opdrachtgever reeds vóór de inbreuk op de hoogte was van het feit dat zijn aannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de kennisgeving vermeld in artikel 12.2 zijn;
2° de opdrachtgever, bij het voorhandenzijn van een onderaanneming, wanneer de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een inbreuk als vermeld in artikel 12, § 2, pleegt, als de opdrachtgever reeds vóór de inbreuk op de hoogte was van het feit dat de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de kennisgeving vermeld in artikel 12.2 zijn.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers."
In dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 9 mei 2018, wordt een artikel 12.1 ingevoegd, luidende:
"Art. 12.1 - § 1 - Wordt bestraft hetzij met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 euro tot 6.000 euro of met één van die straffen alleen, hetzij met een administratieve geldboete van 300 euro tot 3.000 euro: de aannemer, bij ontstentenis van een keten van onderaannemers, of de intermediaire aannemer, in geval van het voorhandenzijn van een dergelijke keten, wanneer hun rechtstreekse onderaannemer een inbreuk bedoeld in artikel 12, § 2, pleegt.
In afwijking van het eerste lid worden de aannemer en de intermediaire aannemer niet bestraft met één van de straffen vermeld in het eerste lid, als ze in het bezit zijn van een schriftelijke verklaring waarin hun rechtstreekse onderaannemer bevestigt dat hij geen illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt en zal tewerkstellen.
In afwijking van het tweede lid worden de aannemer en de intermediaire aannemer die in het bezit zijn van de schriftelijke verklaring bestraft ofwel met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een strafrechtelijke geldboete van 600 euro tot 6.000 euro of met enkel één van die straffen ofwel met een administratieve geldboete van 300 euro tot 3.000 euro, als ze, voorafgaand aan de inbreuk vermeld in het eerste lid, op de hoogte waren van het feit dat hun rechtstreekse onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de kennisgeving vermeld in artikel 12.2 zijn.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 2 - Wordt bestraft hetzij met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 euro tot 6.000 euro of met één van die straffen alleen, hetzij met een administratieve geldboete van 300 euro tot 3.000 euro: de hoofdaannemer en de intermediaire aannemer, in geval van het voorhandenzijn van een keten van onderaannemers, wanneer hun onrechtstreekse onderaannemer een inbreuk vermeld in artikel 12, § 2, pleegt en zij op de hoogte zijn van het feit dat hun onrechtstreekse onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de kennisgeving vermeld in artikel 12.2 zijn.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
§ 3 - Wordt bestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6.000 euro of met één van deze straffen alleen, of met een administratieve geldboete van 300 tot 3.000 euro:
1° de opdrachtgever, bij ontstentenis van een onderaanneming, wanneer zijn aannemer een van de inbreuken vermeld in artikel 12, § 2, pleegt, als de opdrachtgever reeds vóór de inbreuk op de hoogte was van het feit dat zijn aannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de kennisgeving vermeld in artikel 12.2 zijn;
2° de opdrachtgever, bij het voorhandenzijn van een onderaanneming, wanneer de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een inbreuk als vermeld in artikel 12, § 2, pleegt, als de opdrachtgever reeds vóór de inbreuk op de hoogte was van het feit dat de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de kennisgeving vermeld in artikel 12.2 zijn.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers."
Art. 101. Disposition modificative
Dans la même loi, modifiée en dernier lieu par la loi du 9 mai 2018, il est inséré un article 12.1 rédigé comme suit :
" Art. 12.1 - § 1er - Est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros l'entrepreneur, en l'absence d'une chaîne de sous-traitants, ou l'entrepreneur intermédiaire, en cas d'existence d'une telle chaîne, quand leur sous-traitant direct commet une infraction mentionnée à l'article 12, § 2.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire ne sont pas punis d'une sanction mentionnée à l'alinéa 1er s'ils sont en possession d'une déclaration écrite dans laquelle leur sous-traitant direct certifie qu'il n'occupe pas et n'occupera pas de ressortissants de pays tiers en séjour illégal.
Par dérogation à l'alinéa 2, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire qui sont en possession de la déclaration écrite sont punis d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros s'ils ont, préalablement à l'infraction mentionnée à l'alinéa 1er, connaissance du fait que leur sous-traitant direct occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification mentionnée à l'article 12.2.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2 - Sont punis d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, l'entrepreneur principal et l'entrepreneur intermédiaire, en cas d'existence d'une chaîne de sous-traitants, quand leur sous-traitant indirect commet une infraction mentionnée à l'article 12, § 2, s'ils ont au préalable connaissance du fait que leur sous-traitant indirect occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification mentionnée à l'article 12.2.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 3 - Est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros :
1° le donneur d'ordre, en l'absence d'une relation de sous-traitance, quand son entrepreneur commet une des infractions mentionnées à l'article 12, § 2, si le donneur d'ordre a, préalablement à l'infraction, connaissance du fait que son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification mentionnée à l'article 12.2.
2° le donneur d'ordre, en cas d'existence d'une relation de sous-traitance, quand le sous-traitant intervenant directement ou indirectement après son entrepreneur commet une infraction mentionnée à l'article 12, § 2, si le donneur d'ordre a, préalablement à l'infraction, connaissance du fait que le sous-traitant intervenant directement ou indirectement après son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification mentionnée à l'article 12.2.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés. "
Dans la même loi, modifiée en dernier lieu par la loi du 9 mai 2018, il est inséré un article 12.1 rédigé comme suit :
" Art. 12.1 - § 1er - Est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros l'entrepreneur, en l'absence d'une chaîne de sous-traitants, ou l'entrepreneur intermédiaire, en cas d'existence d'une telle chaîne, quand leur sous-traitant direct commet une infraction mentionnée à l'article 12, § 2.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire ne sont pas punis d'une sanction mentionnée à l'alinéa 1er s'ils sont en possession d'une déclaration écrite dans laquelle leur sous-traitant direct certifie qu'il n'occupe pas et n'occupera pas de ressortissants de pays tiers en séjour illégal.
Par dérogation à l'alinéa 2, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire qui sont en possession de la déclaration écrite sont punis d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros s'ils ont, préalablement à l'infraction mentionnée à l'alinéa 1er, connaissance du fait que leur sous-traitant direct occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification mentionnée à l'article 12.2.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 2 - Sont punis d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros, l'entrepreneur principal et l'entrepreneur intermédiaire, en cas d'existence d'une chaîne de sous-traitants, quand leur sous-traitant indirect commet une infraction mentionnée à l'article 12, § 2, s'ils ont au préalable connaissance du fait que leur sous-traitant indirect occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification mentionnée à l'article 12.2.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
§ 3 - Est puni d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros :
1° le donneur d'ordre, en l'absence d'une relation de sous-traitance, quand son entrepreneur commet une des infractions mentionnées à l'article 12, § 2, si le donneur d'ordre a, préalablement à l'infraction, connaissance du fait que son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification mentionnée à l'article 12.2.
2° le donneur d'ordre, en cas d'existence d'une relation de sous-traitance, quand le sous-traitant intervenant directement ou indirectement après son entrepreneur commet une infraction mentionnée à l'article 12, § 2, si le donneur d'ordre a, préalablement à l'infraction, connaissance du fait que le sous-traitant intervenant directement ou indirectement après son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers en séjour illégal. La preuve de cette connaissance peut être la notification mentionnée à l'article 12.2.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés. "
Art. 102. Wijzigingsbepaling
In dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 9 mei 2018, wordt een artikel 12.2 ingevoegd, luidende:
"Art. 12.2 - De sociaal inspecteurs kunnen de aannemers bedoeld in de artikelen 35/9 en 35/10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, schriftelijk in kennis stellen van de omstandigheid dat hun rechtstreekse of onrechtstreekse onderaannemer, een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt.
De sociaal inspecteurs kunnen de opdrachtgevers bedoeld in artikel 35/11 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, schriftelijk in kennis stellen van de omstandigheid dat hun aannemer of onderaannemer, een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt.
Deze kennisgeving vermeldt:
1° het aantal en de identiteit van de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen waarvan de inspectie heeft vastgesteld dat zij prestaties hebben geleverd in het raam van de activiteiten die de bestemmeling van de kennisgeving laat uitvoeren;
2° de identiteit en het adres van de werkgever die de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen bedoeld in 1° heeft tewerkgesteld;
3° de plaats waar de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen de prestaties bedoeld in 1° hebben geleverd;
4° de identiteit en het adres van de bestemmeling van de kennisgeving.
Een afschrift van deze kennisgeving wordt door de sociaal inspecteurs overgezonden aan de werkgever die de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen bedoeld in het derde lid, 1°, heeft tewerkgesteld."
In dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 9 mei 2018, wordt een artikel 12.2 ingevoegd, luidende:
"Art. 12.2 - De sociaal inspecteurs kunnen de aannemers bedoeld in de artikelen 35/9 en 35/10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, schriftelijk in kennis stellen van de omstandigheid dat hun rechtstreekse of onrechtstreekse onderaannemer, een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt.
De sociaal inspecteurs kunnen de opdrachtgevers bedoeld in artikel 35/11 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, schriftelijk in kennis stellen van de omstandigheid dat hun aannemer of onderaannemer, een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt.
Deze kennisgeving vermeldt:
1° het aantal en de identiteit van de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen waarvan de inspectie heeft vastgesteld dat zij prestaties hebben geleverd in het raam van de activiteiten die de bestemmeling van de kennisgeving laat uitvoeren;
2° de identiteit en het adres van de werkgever die de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen bedoeld in 1° heeft tewerkgesteld;
3° de plaats waar de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen de prestaties bedoeld in 1° hebben geleverd;
4° de identiteit en het adres van de bestemmeling van de kennisgeving.
Een afschrift van deze kennisgeving wordt door de sociaal inspecteurs overgezonden aan de werkgever die de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen bedoeld in het derde lid, 1°, heeft tewerkgesteld."
Art. 102. Disposition modificative
Dans la même loi, modifiée en dernier lieu par la loi du 9 mai 2018, il est inséré un article 12.2 rédigé comme suit :
" Art. 12.2 - Les inspecteurs sociaux peuvent informer par écrit les entrepreneurs mentionnés aux articles 35/9 et 35/10 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs que leur sous-traitant direct ou indirect occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers en séjour illégal.
Les inspecteurs sociaux peuvent informer par écrit les donneurs d'ordre mentionnés à l'article 35/11 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs que leur entrepreneur ou leur sous-traitant occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers en séjour illégal.
Cette notification mentionne :
1° le nombre et l'identité des ressortissants de pays tiers en séjour illégal dont l'inspection a constaté qu'ils ont fourni des prestations dans le cadre des activités que le destinataire de la notification fait effectuer;
2° l'identité et l'adresse de l'employeur qui a occupé les ressortissants de pays tiers en séjour illégal mentionnés au 1°;
3° le lieu où les ressortissants de pays tiers en séjour illégal ont fourni les prestations mentionnées au 1°;
4° l'identité et l'adresse du destinataire de la notification.
Une copie de cette notification est transmise par les inspecteurs sociaux à l'employeur qui a occupé les ressortissants de pays tiers en séjour illégal mentionnés à l'alinéa 3, 1°. "
Dans la même loi, modifiée en dernier lieu par la loi du 9 mai 2018, il est inséré un article 12.2 rédigé comme suit :
" Art. 12.2 - Les inspecteurs sociaux peuvent informer par écrit les entrepreneurs mentionnés aux articles 35/9 et 35/10 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs que leur sous-traitant direct ou indirect occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers en séjour illégal.
Les inspecteurs sociaux peuvent informer par écrit les donneurs d'ordre mentionnés à l'article 35/11 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs que leur entrepreneur ou leur sous-traitant occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers en séjour illégal.
Cette notification mentionne :
1° le nombre et l'identité des ressortissants de pays tiers en séjour illégal dont l'inspection a constaté qu'ils ont fourni des prestations dans le cadre des activités que le destinataire de la notification fait effectuer;
2° l'identité et l'adresse de l'employeur qui a occupé les ressortissants de pays tiers en séjour illégal mentionnés au 1°;
3° le lieu où les ressortissants de pays tiers en séjour illégal ont fourni les prestations mentionnées au 1°;
4° l'identité et l'adresse du destinataire de la notification.
Une copie de cette notification est transmise par les inspecteurs sociaux à l'employeur qui a occupé les ressortissants de pays tiers en séjour illégal mentionnés à l'alinéa 3, 1°. "
Art. 103. Wijzigingsbepaling
Artikel 14 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 6 juni 2010, wordt hersteld als volgt:
"Art. 14 - Hoofdstuk 5 van het decreet van 27 maart 2023 betreffende de controle en de procedure voor het opleggen van administratieve geldboeten in het kader van het tewerkstellingsbeleid is van toepassing op de administratieve geldboeten vermeld in de artikelen 12 en 12.1."
Artikel 14 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 6 juni 2010, wordt hersteld als volgt:
"Art. 14 - Hoofdstuk 5 van het decreet van 27 maart 2023 betreffende de controle en de procedure voor het opleggen van administratieve geldboeten in het kader van het tewerkstellingsbeleid is van toepassing op de administratieve geldboeten vermeld in de artikelen 12 en 12.1."
Art. 103. Disposition modificative
L'article 14 de la même loi, abrogé par la loi du 6 juin 2010, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 14 - Les dispositions du chapitre 5 du décret du 27 mars 2023 relatif au contrôle et à la procédure concernant l'imposition d'amendes administratives dans le domaine de la politique de l'emploi sont applicables aux amendes administratives mentionnées aux articles 12 et 12.1. "
L'article 14 de la même loi, abrogé par la loi du 6 juin 2010, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 14 - Les dispositions du chapitre 5 du décret du 27 mars 2023 relatif au contrôle et à la procédure concernant l'imposition d'amendes administratives dans le domaine de la politique de l'emploi sont applicables aux amendes administratives mentionnées aux articles 12 et 12.1. "
Art. 104. Wijzigingsbepaling
In artikel 17 van het decreet van 11 mei 2009 betreffende de erkenning van uitzendbureaus en de controle op de particuliere arbeidsbemiddelingsbureaus worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin van het eerste lid worden de woorden "een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en/of een geldboete van 100 EUR tot 5.000 EUR" vervangen door de woorden "een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 euro tot 6.000 euro of met één van die straffen of met een administratieve geldboete van 300 euro tot 3.000 euro";
2° in het eerste lid wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt:
"4° elke persoon die welbewust, in eigen naam of voor een opdrachtgever, gebruik maakt van arbeidsbemiddelingen en/of diensten m.b.t. uitzendbemiddeling die de voorschriften bepaald bij dit decreet niet naleven;"
3° in het eerste lid, 5°, wordt de punt op het einde van de zin vervangen door een kommapunt;
4° het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 6°, luidende:
"6° de werkgever die op de hoogte is en toch een opdracht geeft aan een uitzendbureau zonder regelmatige erkenning."
5° het artikel wordt aangevuld met een tweede en een derde lid, luidende:
"De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
hoofdstuk 5 van het decreet van 27 maart 2023 betreffende de controle en de procedure voor het opleggen van administratieve geldboeten in het kader van het tewerkstellingsbeleid is van toepassing op de administratieve geldboeten vermeld in het eerste lid."
In artikel 17 van het decreet van 11 mei 2009 betreffende de erkenning van uitzendbureaus en de controle op de particuliere arbeidsbemiddelingsbureaus worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin van het eerste lid worden de woorden "een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en/of een geldboete van 100 EUR tot 5.000 EUR" vervangen door de woorden "een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 euro tot 6.000 euro of met één van die straffen of met een administratieve geldboete van 300 euro tot 3.000 euro";
2° in het eerste lid wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt:
"4° elke persoon die welbewust, in eigen naam of voor een opdrachtgever, gebruik maakt van arbeidsbemiddelingen en/of diensten m.b.t. uitzendbemiddeling die de voorschriften bepaald bij dit decreet niet naleven;"
3° in het eerste lid, 5°, wordt de punt op het einde van de zin vervangen door een kommapunt;
4° het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 6°, luidende:
"6° de werkgever die op de hoogte is en toch een opdracht geeft aan een uitzendbureau zonder regelmatige erkenning."
5° het artikel wordt aangevuld met een tweede en een derde lid, luidende:
"De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
hoofdstuk 5 van het decreet van 27 maart 2023 betreffende de controle en de procedure voor het opleggen van administratieve geldboeten in het kader van het tewerkstellingsbeleid is van toepassing op de administratieve geldboeten vermeld in het eerste lid."
Art. 104. Disposition modificative
A l'article 17 du décret du 11 mai 2009 relatif à l'agrément des agences de travail intérimaire et à la surveillance des agences de placement privées, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans la phrase introductive de l'alinéa 1er, les mots " d'un emprisonnement de huit jours et/ou d'une amende de 100 EUR à 5.000 EUR " sont remplacés par les mots " d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros ";
2° dans l'alinéa 1er, le 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° la personne qui, en son nom propre ou pour le compte d'un commettant, a sciemment recours à des services de travail intérimaire ou de placement qui ne répondent pas aux règles fixées par le présent décret; "
3° dans l'alinéa 1er, 5°, le point en fin de phrase est remplacé par un point-virgule;
4° l'alinéa 1er est complété par un 6° rédigé comme suit :
" 6° l'employeur qui fait appel en connaissance de cause à une agence de travail intérimaire qui ne dispose pas d'agrément régulier. ";
5° l'article est complété par les alinéas 2 et 3 rédigés comme suit :
" L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Les dispositions du chapitre 5 du décret du 27 mars 2023 relatif au contrôle et à la procédure concernant l'imposition d'amendes administratives dans le domaine de la politique de l'emploi sont applicables aux amendes administratives mentionnées à l'alinéa 1er. "
A l'article 17 du décret du 11 mai 2009 relatif à l'agrément des agences de travail intérimaire et à la surveillance des agences de placement privées, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans la phrase introductive de l'alinéa 1er, les mots " d'un emprisonnement de huit jours et/ou d'une amende de 100 EUR à 5.000 EUR " sont remplacés par les mots " d'une peine d'emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6 000 euros ou d'une de ces peines seulement ou d'une amende administrative de 300 à 3 000 euros ";
2° dans l'alinéa 1er, le 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° la personne qui, en son nom propre ou pour le compte d'un commettant, a sciemment recours à des services de travail intérimaire ou de placement qui ne répondent pas aux règles fixées par le présent décret; "
3° dans l'alinéa 1er, 5°, le point en fin de phrase est remplacé par un point-virgule;
4° l'alinéa 1er est complété par un 6° rédigé comme suit :
" 6° l'employeur qui fait appel en connaissance de cause à une agence de travail intérimaire qui ne dispose pas d'agrément régulier. ";
5° l'article est complété par les alinéas 2 et 3 rédigés comme suit :
" L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.
Les dispositions du chapitre 5 du décret du 27 mars 2023 relatif au contrôle et à la procédure concernant l'imposition d'amendes administratives dans le domaine de la politique de l'emploi sont applicables aux amendes administratives mentionnées à l'alinéa 1er. "
Art. 105. Wijzigingsbepaling
Artikel 21 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Artikel 21 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 105. Disposition modificative
L'article 21 du même décret est abrogé.
L'article 21 du même décret est abrogé.
Art. 106. Wijzigingsbepaling
Artikel 175 van het Sociaal Strafwetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 februari 2013, wordt opgeheven.
Artikel 175 van het Sociaal Strafwetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 februari 2013, wordt opgeheven.
Art. 106. Disposition modificative
L'article 175 du Code pénal social, modifié en dernier lieu par la loi du 11 février 2013, est abrogé.
L'article 175 du Code pénal social, modifié en dernier lieu par la loi du 11 février 2013, est abrogé.
Art. 107. Wijzigingsbepaling
Hoofdstuk 7 van het decreet van 28 mei 2018 betreffende de AktiF- en AktiF PLUS-maatregel ter bevordering van de werkgelegenheid, dat de artikelen 38 tot 42 omvat, wordt opgeheven.
Hoofdstuk 7 van het decreet van 28 mei 2018 betreffende de AktiF- en AktiF PLUS-maatregel ter bevordering van de werkgelegenheid, dat de artikelen 38 tot 42 omvat, wordt opgeheven.
Art. 107. Disposition modificative
Le chapitre 7 du décret du 28 mai 2018 relatif aux mesures AktiF et AktiF PLUS destinées à promouvoir l'emploi, comportant les articles 38 à 42, est abrogé.
Le chapitre 7 du décret du 28 mai 2018 relatif aux mesures AktiF et AktiF PLUS destinées à promouvoir l'emploi, comportant les articles 38 à 42, est abrogé.
Art. 108. Opheffingsbepaling
Het decreet van het Waalse Gewest van 5 februari 1998 houdende toezicht en controle op de naleving van de wetgeving betreffende het tewerkstellingsbeleid, laatstelijk gewijzigd bij het decreet van 28 mei 2018, wordt opgeheven.
Het decreet van het Waalse Gewest van 5 februari 1998 houdende toezicht en controle op de naleving van de wetgeving betreffende het tewerkstellingsbeleid, laatstelijk gewijzigd bij het decreet van 28 mei 2018, wordt opgeheven.
Art. 108. Disposition abrogatoire
Le décret de la Région wallonne du 5 février 1998 relatif à la surveillance et au contrôle des législations relatives à la politique de l'emploi, modifié en dernier lieu par le décret du 28 mai 2018, est abrogé.
Le décret de la Région wallonne du 5 février 1998 relatif à la surveillance et au contrôle des législations relatives à la politique de l'emploi, modifié en dernier lieu par le décret du 28 mai 2018, est abrogé.
Art. 109. Inwerkingtreding
Dit decreet treedt in werking op 1 juli 2023.
Dit decreet treedt in werking op 1 juli 2023.
Art. 109. Entrée en vigueur
Le présent décret entre en vigueur le 1er juillet 2023.
Le présent décret entre en vigueur le 1er juillet 2023.