Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
31 JULI 2023. - Wet tot uitvoering van het afsprakenkader in het kader van de interprofessionele onderhandelingen voor de periode 2023-2024(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 05-09-2023 en tekstbijwerking tot 29-07-2025)
Titre
31 JUILLET 2023. - Loi exécutant l'accord cadre dans le cadre des négociations interprofessionnelles pour la période 2023-2024(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 05-09-2023 et mise à jour au 29-07-2025)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (18)
Texte (18)
TITEL 1. - Inleidende bepaling
TITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
TITEL 2. - Werk
TITRE 2. - Travail
HOOFDSTUK 1. - Herinvoering van de maatregel van de relance-uren
CHAPITRE 1er. - Réintroduction de la mesure des heures de relance
Art. 2. § 1. De 100 uren bedoeld in artikel 25bis, § 1, eerste lid, van de Arbeidswet van 16 maart 1971 worden in alle sectoren verhoogd tot 220 uren in de periode van 1 juli 2023 tot en met 31 december 2023, in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 en in de periode van 1 januari 2025 tot en met [1 31 december 2025]1. Deze bijkomende overuren worden relance-uren genoemd en dienen te worden gepresteerd tijdens de periode waarop zij betrekking hebben.
§ 2. De bijkomende overuren, relance-uren genaamd, die met toepassing van artikel 25bis, § 1, eerste lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 worden gepresteerd tijdens de periode van 1 juli 2023 tot en met 31 december 2023, tijdens de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 en tijdens de periode van 1 januari 2025 tot en met [1 31 december 2025]1, worden niet aangerekend bij de berekening van het gemiddelde bedoeld in artikel 26bis, § 1, van dezelfde wet en worden niet in aanmerking genomen voor de naleving van de grens bedoeld bij artikel 26bis, § 1bis, van dezelfde wet.
§ 3. Het overloon bepaald bij artikel 29, § 1, van de arbeidswet van 16 maart 1971 is niet van toepassing op de bijkomende overuren, relance-uren genaamd, die tijdens de periode van 1 juli 2023 tot en met 31 december 2023, tijdens de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 en tijdens de periode van 1 januari 2025 tot en met [1 31 december 2025]1, op grond van paragraaf 1 worden gepresteerd.
§ 4. Het akkoord van de werknemer met betrekking tot de relance-uren moet schriftelijk worden vastgesteld voor een hernieuwbare periode van zes maanden. Dit akkoord moet uitdrukkelijk en voorafgaandelijk aan de betrokken periode worden gesloten.
§ 2. De bijkomende overuren, relance-uren genaamd, die met toepassing van artikel 25bis, § 1, eerste lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 worden gepresteerd tijdens de periode van 1 juli 2023 tot en met 31 december 2023, tijdens de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 en tijdens de periode van 1 januari 2025 tot en met [1 31 december 2025]1, worden niet aangerekend bij de berekening van het gemiddelde bedoeld in artikel 26bis, § 1, van dezelfde wet en worden niet in aanmerking genomen voor de naleving van de grens bedoeld bij artikel 26bis, § 1bis, van dezelfde wet.
§ 3. Het overloon bepaald bij artikel 29, § 1, van de arbeidswet van 16 maart 1971 is niet van toepassing op de bijkomende overuren, relance-uren genaamd, die tijdens de periode van 1 juli 2023 tot en met 31 december 2023, tijdens de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 en tijdens de periode van 1 januari 2025 tot en met [1 31 december 2025]1, op grond van paragraaf 1 worden gepresteerd.
§ 4. Het akkoord van de werknemer met betrekking tot de relance-uren moet schriftelijk worden vastgesteld voor een hernieuwbare periode van zes maanden. Dit akkoord moet uitdrukkelijk en voorafgaandelijk aan de betrokken periode worden gesloten.
Modifications
Art. 2. § 1er. Les 100 heures visées à l'article 25bis, § 1er, alinéa 1er, de la Loi du 16 mars 1971 sur le travail sont portées à 220 heures dans tous les secteurs pour la période du 1er juillet 2023 au 31 décembre 2023 inclus, la période du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2024 inclus et enfin la période du 1er janvier 2025 au [1 31 décembre 2025]1 inclus. Ces heures supplémentaires additionnelles sont dénommées heures de relance et doivent être prestées pendant la période à laquelle elles se rapportent.
§ 2. Les heures supplémentaires additionnelles, dénommées heures de relance, qui sont prestées, en application de l'article 25bis, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, pendant la période du 1er juillet 2023 au 31 décembre 2023 inclus, pendant la période du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2024 inclus et pendant la période du 1er janvier 2025 au [1 31 décembre 2025]1 inclus, ne sont pas comptées dans le calcul de la moyenne prévue à l'article 26bis, § 1er, de la même loi et ne sont pas prises en compte pour le respect de la limite prévue à l'article 26bis, § 1erbis, de la même loi.
§ 3. Le sursalaire prévu à l'article 29, § 1er, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail n'est pas applicable aux heures supplémentaires additionnelles, dénommées heures de relance, qui sont prestées, en vertu du 1er paragraphe, pendant la période du 1er juillet 2023 au 31 décembre 2023 inclus, pendant la période du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2024 inclus et pendant la période du 1er janvier 2025 au [1 31 décembre 2025]1 inclus.
§ 4. L'accord du travailleur relatif aux heures de relance doit être constaté par écrit pour une période renouvelable de six mois. L'accord doit être conclu expressément et préalablement à la période concernée.
§ 2. Les heures supplémentaires additionnelles, dénommées heures de relance, qui sont prestées, en application de l'article 25bis, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, pendant la période du 1er juillet 2023 au 31 décembre 2023 inclus, pendant la période du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2024 inclus et pendant la période du 1er janvier 2025 au [1 31 décembre 2025]1 inclus, ne sont pas comptées dans le calcul de la moyenne prévue à l'article 26bis, § 1er, de la même loi et ne sont pas prises en compte pour le respect de la limite prévue à l'article 26bis, § 1erbis, de la même loi.
§ 3. Le sursalaire prévu à l'article 29, § 1er, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail n'est pas applicable aux heures supplémentaires additionnelles, dénommées heures de relance, qui sont prestées, en vertu du 1er paragraphe, pendant la période du 1er juillet 2023 au 31 décembre 2023 inclus, pendant la période du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2024 inclus et pendant la période du 1er janvier 2025 au [1 31 décembre 2025]1 inclus.
§ 4. L'accord du travailleur relatif aux heures de relance doit être constaté par écrit pour une période renouvelable de six mois. L'accord doit être conclu expressément et préalablement à la période concernée.
Modifications
Art. 3. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2023.
Art. 3. Le présent chapitre produit ses effets le 1er juillet 2023.
HOOFDSTUK 2. - Eenmalige innovatiepremies
CHAPITRE 2. - Primes uniques d'innovation
Art. 4. In artikel 31, eerste en tweede lid, van de wet van 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg, gewijzigd bij de wetten van 17 mei 2007, 27 maart 2009, 1 februari 2011, 17 augustus 2013, 10 augustus 2015, 30 september 2017, 26 mei 2019 en 12 december 2021, worden de woorden "1 januari 2023" telkens vervangen door de woorden "1 januari 2025".
Art. 4. Dans l'article 31, alinéas 1er et 2, de la loi du 3 juillet 2005 portant des dispositions diverses relatives à la concertation sociale, modifié par les lois des 17 mai 2007, 27 mars 2009, 1er février 2011, 17 août 2013, 10 août 2015, 30 septembre 2017, 26 mai 2019 et 12 décembre 2021, les mots "1er janvier 2023" sont chaque fois remplacés par les mots "1er janvier 2025".
Art. 5. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2023.
Art. 5. Le présent chapitre produit ses effets le 1er janvier 2023.
TITEL 3. - Financiën
TITRE 3. - Finances
HOOFDSTUK 1. - Verhoging van het aantal fiscaal voordelige overuren met overwerktoeslag
CHAPITRE 1er. - Augmentation du nombre d'heures supplémentaires avec sursalaire fiscalement avantageuses
Art. 6. In artikel 154bis, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 23 maart 2019 en gewijzigd bij de wet van 12 december 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de eerste zin worden de woorden "voor de aanslagjaren 2020, 2021 en 2023" vervangen door de woorden "voor de aanslagjaren 2020, 2021, 2023, 2024 en 2025";
2° in de tweede zin worden de woorden "voor het aanslagjaar 2024" vervangen door de woorden "voor het aanslagjaar 2026";
3° in de tweede zin worden de woorden "in de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2023" vervangen door de woorden "in de periode van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025".
1° in de eerste zin worden de woorden "voor de aanslagjaren 2020, 2021 en 2023" vervangen door de woorden "voor de aanslagjaren 2020, 2021, 2023, 2024 en 2025";
2° in de tweede zin worden de woorden "voor het aanslagjaar 2024" vervangen door de woorden "voor het aanslagjaar 2026";
3° in de tweede zin worden de woorden "in de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2023" vervangen door de woorden "in de periode van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025".
Art. 6. A l'article 154bis, alinéa 3, du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 23 mars 2019 et modifié par la loi du 12 décembre 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans la première phrase, les mots "pour les exercices d'imposition 2020, 2021 et 2023" sont remplacés par les mots "pour les exercices d'imposition 2020, 2021, 2023, 2024 et 2025" ;
2° dans la deuxième phrase les mots "pour l'exercice d'imposition 2024" sont remplacés par les mots "pour l'exercice d'imposition 2026" ;
3° dans la deuxième phrase les mots "dans la période allant du 1er janvier 2023 jusqu'au 30 juin 2023 inclus" sont remplacés par les mots "dans la période allant du 1er janvier 2025 jusqu'au 30 juin 2025 inclus".
1° dans la première phrase, les mots "pour les exercices d'imposition 2020, 2021 et 2023" sont remplacés par les mots "pour les exercices d'imposition 2020, 2021, 2023, 2024 et 2025" ;
2° dans la deuxième phrase les mots "pour l'exercice d'imposition 2024" sont remplacés par les mots "pour l'exercice d'imposition 2026" ;
3° dans la deuxième phrase les mots "dans la période allant du 1er janvier 2023 jusqu'au 30 juin 2023 inclus" sont remplacés par les mots "dans la période allant du 1er janvier 2025 jusqu'au 30 juin 2025 inclus".
Art. 7. In artikel 2751, zevende lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 maart 2019 en gewijzigd bij de wet van 12 december 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de eerste zin worden de woorden "tot en met 31 december 2022" vervangen door de woorden "tot en met 31 december 2024";
2° in de tweede zin worden de woorden "voor de bezoldigingen die in 2023 worden betaald of toegekend" vervangen door de woorden "voor de bezoldigingen die in 2025 worden betaald of toegekend";
3° in de tweede zin worden de woorden "de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2023" vervangen door de woorden "de periode van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025".
1° in de eerste zin worden de woorden "tot en met 31 december 2022" vervangen door de woorden "tot en met 31 december 2024";
2° in de tweede zin worden de woorden "voor de bezoldigingen die in 2023 worden betaald of toegekend" vervangen door de woorden "voor de bezoldigingen die in 2025 worden betaald of toegekend";
3° in de tweede zin worden de woorden "de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2023" vervangen door de woorden "de periode van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025".
Art. 7. A l'article 2751, alinéa 7, du même Code, inséré par la loi du 23 mars 2019 et modifié par la loi du 12 décembre 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans la première phrase les mots "jusqu'au 31 décembre 2022" sont remplacés par les mots "jusqu'au 31 décembre 2024" ;
2° dans la deuxième phrase les mots "pour les rémunérations payées ou attribuées en 2023" sont remplacés par les mots "pour les rémunérations payées ou attribuées en 2025" ;
3° dans la deuxième phrase les mots "la période allant du 1er janvier 2023 jusqu'au 30 juin 2023 inclus" sont remplacés par les mots "la période allant du 1er janvier 2025 jusqu'au 30 juin 2025 inclus".
1° dans la première phrase les mots "jusqu'au 31 décembre 2022" sont remplacés par les mots "jusqu'au 31 décembre 2024" ;
2° dans la deuxième phrase les mots "pour les rémunérations payées ou attribuées en 2023" sont remplacés par les mots "pour les rémunérations payées ou attribuées en 2025" ;
3° dans la deuxième phrase les mots "la période allant du 1er janvier 2023 jusqu'au 30 juin 2023 inclus" sont remplacés par les mots "la période allant du 1er janvier 2025 jusqu'au 30 juin 2025 inclus".
Art. 8. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2023 en is van toepassing op de bezoldigingen die vanaf die datum worden betaald of toegekend.
Art. 8. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er juillet 2023 et est applicable aux rémunérations payées ou attribuées à partir de cette date.
HOOFDSTUK 2. - Vrijstelling van de relance-uren
CHAPITRE 2. - Exonération des heures de relance
Art. 9. § 1. In afwijking van de artikelen 31, tweede lid, 1°, en 32 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden vrijgesteld van inkomstenbelastingen:
1° de bezoldigingen met betrekking tot 120 vrijwillige overuren die tijdens de periode van 1 juli 2023 tot en met 31 december 2023 overeenkomstig artikel 2 worden gepresteerd en uiterlijk op 31 december 2025 worden betaald of toegekend;
2° de bezoldigingen met betrekking tot 120 vrijwillige overuren die tijdens de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 overeenkomstig artikel 2 worden gepresteerd en uiterlijk op 31 december 2026 worden betaald of toegekend;
3° de bezoldigingen met betrekking tot 120 vrijwillige overuren die tijdens de periode van 1 januari 2025 tot en met [1 31 december 2025]1 overeenkomstig artikel 2 worden gepresteerd en uiterlijk op 31 december 2027 worden betaald of toegekend.
De in het eerste lid bedoelde vrijstelling is slechts van toepassing op voorwaarde dat de bezoldigingen voor de betrokken uren niet meer bedragen dan de bezoldigingen die overeenkomstig de arbeidsovereenkomst, het arbeidsreglement of een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigd zijn voor die uren wanneer ze niet als overuur zouden kwalificeren.
§ 2. Wanneer de belastingplichtige bijkomende vrijwillige overuren heeft gepresteerd:
1° in 2023 en niet alle bezoldigingen voor die in 2023 gepresteerde overuren in hetzelfde belastbare tijdperk worden betaald of toegekend, wordt de vrijstelling eerst aangerekend op de bezoldigingen voor de bijkomende vrijwillige overuren die in het belastbare tijdperk verbonden met het inkomstenjaar 2023 worden betaald of toegekend, en, desgevallend, vervolgens op de bezoldigingen voor die overuren die in elk van de volgende twee belastbare tijdperken worden betaald of toegekend;
2° in 2024 en niet alle bezoldigingen voor die in 2024 gepresteerde overuren in hetzelfde belastbare tijdperk worden betaald of toegekend, wordt de vrijstelling eerst aangerekend op de bezoldigingen voor de bijkomende vrijwillige overuren die in het belastbare tijdperk verbonden met het inkomstenjaar 2024 worden betaald of toegekend, en, desgevallend, vervolgens op de bezoldigingen voor die overuren die in elk van de volgende twee belastbare tijdperken worden betaald of toegekend;
3° in 2025 en niet alle bezoldigingen voor die in 2025 gepresteerde overuren in hetzelfde belastbare tijdperk worden betaald of toegekend, wordt de vrijstelling eerst aangerekend op de bezoldigingen voor de bijkomende vrijwillige overuren die in het belastbare tijdperk verbonden met het inkomstenjaar 2025 worden betaald of toegekend, en, desgevallend, vervolgens op de bezoldigingen voor die overuren die in elk van de volgende twee belastbare tijdperken worden betaald of toegekend.
Wanneer in een belastbaar tijdperk bezoldigingen worden betaald of toegekend voor meer dan het aantal voor dat belastbare tijdperk vrijstelbare bijkomende vrijwillige overuren, wordt de vrijstelling verhoudingsgewijs aangerekend op de bezoldigingen voor de respectievelijk in 2023, 2024 of 2025, gepresteerde bijkomende vrijwillige overuren.
§ 3. De belastingvermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag bedoeld in artikel 154bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en de vrijstelling van doorstorten van bedrijfsvoorheffing bedoeld in artikel 2751 van hetzelfde Wetboek zijn niet van toepassing op het overwerk dat in aanmerking komt voor de in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling.
§ 4. De in paragraaf 1 bedoelde bezoldigingen worden vermeld op de berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet inzake personenbelasting van de genieter.
1° de bezoldigingen met betrekking tot 120 vrijwillige overuren die tijdens de periode van 1 juli 2023 tot en met 31 december 2023 overeenkomstig artikel 2 worden gepresteerd en uiterlijk op 31 december 2025 worden betaald of toegekend;
2° de bezoldigingen met betrekking tot 120 vrijwillige overuren die tijdens de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 overeenkomstig artikel 2 worden gepresteerd en uiterlijk op 31 december 2026 worden betaald of toegekend;
3° de bezoldigingen met betrekking tot 120 vrijwillige overuren die tijdens de periode van 1 januari 2025 tot en met [1 31 december 2025]1 overeenkomstig artikel 2 worden gepresteerd en uiterlijk op 31 december 2027 worden betaald of toegekend.
De in het eerste lid bedoelde vrijstelling is slechts van toepassing op voorwaarde dat de bezoldigingen voor de betrokken uren niet meer bedragen dan de bezoldigingen die overeenkomstig de arbeidsovereenkomst, het arbeidsreglement of een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigd zijn voor die uren wanneer ze niet als overuur zouden kwalificeren.
§ 2. Wanneer de belastingplichtige bijkomende vrijwillige overuren heeft gepresteerd:
1° in 2023 en niet alle bezoldigingen voor die in 2023 gepresteerde overuren in hetzelfde belastbare tijdperk worden betaald of toegekend, wordt de vrijstelling eerst aangerekend op de bezoldigingen voor de bijkomende vrijwillige overuren die in het belastbare tijdperk verbonden met het inkomstenjaar 2023 worden betaald of toegekend, en, desgevallend, vervolgens op de bezoldigingen voor die overuren die in elk van de volgende twee belastbare tijdperken worden betaald of toegekend;
2° in 2024 en niet alle bezoldigingen voor die in 2024 gepresteerde overuren in hetzelfde belastbare tijdperk worden betaald of toegekend, wordt de vrijstelling eerst aangerekend op de bezoldigingen voor de bijkomende vrijwillige overuren die in het belastbare tijdperk verbonden met het inkomstenjaar 2024 worden betaald of toegekend, en, desgevallend, vervolgens op de bezoldigingen voor die overuren die in elk van de volgende twee belastbare tijdperken worden betaald of toegekend;
3° in 2025 en niet alle bezoldigingen voor die in 2025 gepresteerde overuren in hetzelfde belastbare tijdperk worden betaald of toegekend, wordt de vrijstelling eerst aangerekend op de bezoldigingen voor de bijkomende vrijwillige overuren die in het belastbare tijdperk verbonden met het inkomstenjaar 2025 worden betaald of toegekend, en, desgevallend, vervolgens op de bezoldigingen voor die overuren die in elk van de volgende twee belastbare tijdperken worden betaald of toegekend.
Wanneer in een belastbaar tijdperk bezoldigingen worden betaald of toegekend voor meer dan het aantal voor dat belastbare tijdperk vrijstelbare bijkomende vrijwillige overuren, wordt de vrijstelling verhoudingsgewijs aangerekend op de bezoldigingen voor de respectievelijk in 2023, 2024 of 2025, gepresteerde bijkomende vrijwillige overuren.
§ 3. De belastingvermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag bedoeld in artikel 154bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en de vrijstelling van doorstorten van bedrijfsvoorheffing bedoeld in artikel 2751 van hetzelfde Wetboek zijn niet van toepassing op het overwerk dat in aanmerking komt voor de in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling.
§ 4. De in paragraaf 1 bedoelde bezoldigingen worden vermeld op de berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet inzake personenbelasting van de genieter.
Modifications
Art. 9. § 1er. Par dérogation aux articles 31, alinéa 2, 1°, et 32 du Code des impôts sur les revenus 1992, sont exonérées d'impôts sur les revenus :
1° les rémunérations relatives à 120 heures supplémentaires volontaires prestées pendant la période du 1er juillet 2023 jusqu'au 31 décembre 2023 inclus conformément à l'article 2 et payées ou attribuées au plus tard le 31 décembre 2025 ;
2° les rémunérations relatives à 120 heures supplémentaires volontaires prestées pendant la période du 1er janvier 2024 jusqu'au 31 décembre 2024 inclus conformément à l'article 2 et payées ou attribuées au plus tard le 31 décembre 2026 ;
3° les rémunérations relatives à 120 heures supplémentaires volontaires prestées pendant la période du 1er janvier 2025 jusqu'au [1 31 décembre 2025]1 inclus conformément à l'article 2 et payées ou attribuées au plus tard le 31 décembre 2027.
L'exonération visée à l'alinéa 1er n'est applicable qu'à condition que les rémunérations pour les heures concernées ne dépassent pas les rémunérations dues en vertu du contrat de travail, du règlement de travail ou d'une convention collective de travail pour ces heures lorsqu'elles ne constitueraient pas des heures supplémentaires.
§ 2. Lorsque le contribuable a presté des heures supplémentaires volontaires additionnelles :
1° en 2023 et que toutes les rémunérations pour ces heures prestées en 2023 ne sont pas payées ou attribuées durant la même période imposable, l'exonération est d'abord imputée sur les rémunérations pour les heures supplémentaires volontaires additionnelles payées ou attribuées durant la période imposable liée à l'année de revenus 2023, et ensuite, le cas échéant, sur les rémunérations pour ces heures supplémentaires payées ou attribuées durant chacune des deux périodes imposables suivantes ;
2° en 2024 et que toutes les rémunérations pour ces heures prestées en 2024 ne sont pas payées ou attribuées durant la même période imposable, l'exonération est d'abord imputée sur les rémunérations pour les heures supplémentaires volontaires additionnelles payées ou attribuées durant la période imposable liée à l'année de revenus 2024, et ensuite, le cas échéant, sur les rémunérations pour ces heures supplémentaires payées ou attribuées durant chacune des deux périodes imposables suivantes ;
3° en 2025 et que toutes les rémunérations pour ces heures prestées en 2025 ne sont pas payées ou attribuées durant la même période imposable, l'exonération est d'abord imputée sur les rémunérations pour les heures supplémentaires volontaires additionnelles payées ou attribuées durant la période imposable liée à l'année de revenus 2025, et ensuite, le cas échéant, sur les rémunérations pour ces heures supplémentaires payées ou attribuées durant chacune des deux périodes imposables suivantes.
Lorsque des rémunérations sont payées ou attribuées durant une période imposable pour plus que le nombre d'heures supplémentaires volontaires additionnelles qui peuvent être exonérées pour cette période imposable, l'exonération est imputée proportionnellement sur les rémunérations pour les heures supplémentaires volontaires additionnelles prestées respectivement en 2023, 2024 ou 2025.
§ 3. La réduction d'impôt pour rémunérations suite à la prestation de travail supplémentaire donnant droit à un sursalaire visée à l'article 154bis du Code des impôts sur les revenus 1992 et la dispense de versement de précompte professionnel visée à l'article 2751 du même Code ne sont pas applicables au travail supplémentaire qui entre en considération pour l'exonération visée au paragraphe 1er.
§ 4. Les rémunérations visées au paragraphe 1er sont mentionnées sur la note de calcul qui est jointe à l'avertissement-extrait de rôle en matière d'impôt des personnes physiques du bénéficiaire.
1° les rémunérations relatives à 120 heures supplémentaires volontaires prestées pendant la période du 1er juillet 2023 jusqu'au 31 décembre 2023 inclus conformément à l'article 2 et payées ou attribuées au plus tard le 31 décembre 2025 ;
2° les rémunérations relatives à 120 heures supplémentaires volontaires prestées pendant la période du 1er janvier 2024 jusqu'au 31 décembre 2024 inclus conformément à l'article 2 et payées ou attribuées au plus tard le 31 décembre 2026 ;
3° les rémunérations relatives à 120 heures supplémentaires volontaires prestées pendant la période du 1er janvier 2025 jusqu'au [1 31 décembre 2025]1 inclus conformément à l'article 2 et payées ou attribuées au plus tard le 31 décembre 2027.
L'exonération visée à l'alinéa 1er n'est applicable qu'à condition que les rémunérations pour les heures concernées ne dépassent pas les rémunérations dues en vertu du contrat de travail, du règlement de travail ou d'une convention collective de travail pour ces heures lorsqu'elles ne constitueraient pas des heures supplémentaires.
§ 2. Lorsque le contribuable a presté des heures supplémentaires volontaires additionnelles :
1° en 2023 et que toutes les rémunérations pour ces heures prestées en 2023 ne sont pas payées ou attribuées durant la même période imposable, l'exonération est d'abord imputée sur les rémunérations pour les heures supplémentaires volontaires additionnelles payées ou attribuées durant la période imposable liée à l'année de revenus 2023, et ensuite, le cas échéant, sur les rémunérations pour ces heures supplémentaires payées ou attribuées durant chacune des deux périodes imposables suivantes ;
2° en 2024 et que toutes les rémunérations pour ces heures prestées en 2024 ne sont pas payées ou attribuées durant la même période imposable, l'exonération est d'abord imputée sur les rémunérations pour les heures supplémentaires volontaires additionnelles payées ou attribuées durant la période imposable liée à l'année de revenus 2024, et ensuite, le cas échéant, sur les rémunérations pour ces heures supplémentaires payées ou attribuées durant chacune des deux périodes imposables suivantes ;
3° en 2025 et que toutes les rémunérations pour ces heures prestées en 2025 ne sont pas payées ou attribuées durant la même période imposable, l'exonération est d'abord imputée sur les rémunérations pour les heures supplémentaires volontaires additionnelles payées ou attribuées durant la période imposable liée à l'année de revenus 2025, et ensuite, le cas échéant, sur les rémunérations pour ces heures supplémentaires payées ou attribuées durant chacune des deux périodes imposables suivantes.
Lorsque des rémunérations sont payées ou attribuées durant une période imposable pour plus que le nombre d'heures supplémentaires volontaires additionnelles qui peuvent être exonérées pour cette période imposable, l'exonération est imputée proportionnellement sur les rémunérations pour les heures supplémentaires volontaires additionnelles prestées respectivement en 2023, 2024 ou 2025.
§ 3. La réduction d'impôt pour rémunérations suite à la prestation de travail supplémentaire donnant droit à un sursalaire visée à l'article 154bis du Code des impôts sur les revenus 1992 et la dispense de versement de précompte professionnel visée à l'article 2751 du même Code ne sont pas applicables au travail supplémentaire qui entre en considération pour l'exonération visée au paragraphe 1er.
§ 4. Les rémunérations visées au paragraphe 1er sont mentionnées sur la note de calcul qui est jointe à l'avertissement-extrait de rôle en matière d'impôt des personnes physiques du bénéficiaire.
Modifications
Art. 10. Onverminderd de toepassing van artikel 16 van de wet van 12 december 2021 tot uitvoering van het sociaal akkoord in het kader van de interprofessionele onderhandelingen voor de periode 2021-2022, wordt het aantal vrijwillige overuren waarvoor een vrijstelling wordt verleend bij toepassing van artikel 9, in mindering gebracht van het aantal overuren waarvoor bij toepassing van artikel 38, § 1, eerste lid, 30°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor het betrokken belastbare tijdperk een vrijstelling kan worden verleend.
Art. 10. Sans préjudice de l'application du article 16 du loi de 12 décembre 2021 exécutant l'accord social dans le cadre des négociations interprofessionnelles pour la période 2021-2022, le nombre d'heures supplémentaires volontaires pour lesquelles une exonération est octroyée en application de l'article 9, est porté en diminution du nombre d'heures supplémentaires pour lesquelles une exonération peut être octroyée pour la période imposable concernée en application de l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 30°, du Code des impôts sur les revenus 1992.
Art. 11. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2023 en is van toepassing op de vrijwillige overuren die vanaf die datum worden gepresteerd.
Artikel 10 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2024.
Artikel 10 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2024.
Art. 11. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er juillet 2023 et est applicable aux heures supplémentaires volontaires prestées à partir de cette date.
L'article 10 est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2024.
L'article 10 est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2024.