Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
16 JUNI 2023. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het Energiebesluit van 19 november 2010 en het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-08-2023 en tekstbijwerking tot 20-06-2025)
Titre
16 JUIN 2023. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire, l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, l'arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010 et l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 28-08-2023 et mise à jour au 20-06-2025)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het besluit van de...
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het besluit van de...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Energiebeslu...
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van het besluit van 4 ...
HOOFDSTUK 6. - Overgangs- en slotbepalingen
BIJLAGEN.
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Modification de l'arrêté du Gou...
CHAPITRE 2. - Modification de l'arrêté du Gouve...
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté relatif...
CHAPITRE 4. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 5. - Modification de l'arrêté du 4 fév...
CHAPITRE 6. - Dispositions transitoires et finales
ANNEXES.
Tekst (129)
Texte (129)
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater
CHAPITRE 1er. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire
Artikel 1. In artikel 15, § 7, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden de woorden "doet melding van de kenmerken van het centraal stooktoestel en de kenmerken van de keuring of de volledige onderhoudsbeurt" vervangen door de woorden "doet melding van de kenmerken van het centraal stooktoestel".
Article 1er. Dans l'article 15, § 7, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022, les mots " communique les caractéristiques de l'appareil de chauffage central et les caractéristiques de l'inspection ou de l'entretien complet " sont remplacés par les mots " communique les caractéristiques de l'appareil de chauffage central ".
Art. 2. Artikel 31 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing.
"Art. 31. In afwijking van artikel 15, § 7, in fine, gebeurt de melding voor het eerst vanaf 1 september 2023.".
"Art. 31. In afwijking van artikel 15, § 7, in fine, gebeurt de melding voor het eerst vanaf 1 september 2023.".
Art. 2. L'article 31 du même arrêté, abrogé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 31. Par dérogation à l'article 15, § 7, in fine, la communication s'effectue pour la première fois à partir du 1er septembre 2023. ".
" Art. 31. Par dérogation à l'article 15, § 7, in fine, la communication s'effectue pour la première fois à partir du 1er septembre 2023. ".
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
CHAPITRE 2. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art. 3. In bijlage IX van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 3 mei 2019 en 2 december 2022, wordt in het punt "Verplichtingen van de persoon belast met de keuring vóór eerste ingebruikname, met de onderhoudsbeurt of met de verwarmingsaudit van een centraal stooktoestel" de rij
"
"
Art. 3. Dans l'annexe IX de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, remplacée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 mars 2016 et modifiée par les arrêtés du Gouvernement flamand des 3 mai 2019 et 2 décembre 2022, au point " Obligations de la personne chargée de l'inspection avant la première mise en service, de l'entretien ou de l'audit de chauffage d'un appareil de chauffage central ", la ligne
"
"
| 15, § 7 | De persoon die de keuring of de volledige onderhoudsbeurt heeft uitgevoerd of zijn aangestelde, meldt de kenmerken van het centraal stooktoestel en de kenmerken van de keuring of de volledige onderhoudsbeurt via de webapplicatie van het VEKA in de databank, vermeld in artikel 12.5.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009. De voormelde melding gebeurt volgens het formaat dat het VEKA vastlegt. De voormelde melding gebeurt uiterlijk dertig dagen na de uitvoering van de keuring of de volledige onderhoudsbeurt. |
"
vervangen door wat volgt:
"
| 15, § 7 | La personne qui a exécuté l'inspection ou l'entretien complet ou son préposé communique les caractéristiques de l'appareil de chauffage central et les caractéristiques de l'inspection ou de l'entretien complet via l'application web de la VEKA dans la banque de données mentionnée à l'article 12.5.1 du décret sur l'Energie du 8 mai 2009. La communication précitée s'effectue selon le format établi par la VEKA. La communication précitée s'effectue au plus tard trente jours après l'exécution de l'inspection ou de l'entretien complet. |
"
est remplacée par ce qui suit :
"
| 15, § 7 | De persoon die de keuring of de volledige onderhoudsbeurt heeft uitgevoerd of zijn aangestelde doet melding van de kenmerken van het centraal stooktoestel zoals het type toestel, de locatie, het vermogen, de brandstof, de brandertechnologie, het bouwjaar en de kenmerken van de keuring of de volledige onderhoudsbeurt, zoals het type activiteit, de datum van uitvoering van de activiteit en de eindbeoordeling, en dit via de webapplicatie van het VEKA in de databank, vermeld in artikel 12.5.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009. De voormelde melding gebeurt volgens het formaat dat het VEKA vastlegt. De voormelde melding gebeurt binnen dertig dagen na de uitvoering van de keuring of de volledige onderhoudsbeurt. |
".
| 15, § 7 | La personne qui a exécuté l'inspection ou l'entretien complet ou son préposé communique les caractéristiques de l'appareil de chauffage central telles que le type d'appareil, la localisation, la puissance, le combustible, la technologie du brûleur, l'année de construction et les caractéristiques de l'inspection ou de l'entretien complet telles que le type d'activité, la date d'exécution de l'activité et l'évaluation finale via l'application web de la VEKA dans la banque de données mentionnée à l'article 12.5.1 du décret sur l'Energie du 8 mai 2009. La communication précitée s'effectue selon le format établi par la VEKA. La communication précitée s'effectue dans les trente jours suivant l'exécution de l'inspection ou de l'entretien complet. |
".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Energiebesluit van 19 november 2010
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010
Art. 4. In artikel 1.1.1, § 2, van het Energiebesluit van 19 november 2010, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 24° wordt opgeheven;
2° in punt 34° wordt tussen de woorden "een onderneming" en de woorden "met een jaarlijks finaal energiegebruik" de zinsnede ", niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon" ingevoegd;
3° aan punt 41° /1 wordt de zinsnede ", niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon" toegevoegd;
4° punt 72° wordt opgeheven;
5° in punt 72° /0/1 wordt punt d) vervangen door wat volgt:
"d) industriële gebouweenheden;";
6° punt 84° wordt opgeheven;
7° in punt 102° /3 wordt de zinsnede "artikel 7.9.2/0/7, § 2" vervangen door de zinsnede "artikel 7.9.2/0/8";
8° in punt 105° wordt tussen de woorden "de onderneming" en de woorden "wordt uitgeoefend" de zinsnede ", de niet-commerciële instelling of de publiekrechtelijke rechtspersoon" ingevoegd.
1° punt 24° wordt opgeheven;
2° in punt 34° wordt tussen de woorden "een onderneming" en de woorden "met een jaarlijks finaal energiegebruik" de zinsnede ", niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon" ingevoegd;
3° aan punt 41° /1 wordt de zinsnede ", niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon" toegevoegd;
4° punt 72° wordt opgeheven;
5° in punt 72° /0/1 wordt punt d) vervangen door wat volgt:
"d) industriële gebouweenheden;";
6° punt 84° wordt opgeheven;
7° in punt 102° /3 wordt de zinsnede "artikel 7.9.2/0/7, § 2" vervangen door de zinsnede "artikel 7.9.2/0/8";
8° in punt 105° wordt tussen de woorden "de onderneming" en de woorden "wordt uitgeoefend" de zinsnede ", de niet-commerciële instelling of de publiekrechtelijke rechtspersoon" ingevoegd.
Art. 4. A l'article 1.1.1, § 2, de l'arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 octobre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 24° est abrogé ;
2° au point 34°, le membre de phrase " , d'un organisme non commercial ou d'une personne morale de droit public " est inséré entre les mots " d'une entreprise " et les mots " dont la consommation d'énergie finale annuelle " ;
3° au point 41° /1, le membre de phrase " , d'un organisme non commercial ou d'une personne morale de droit public " est ajouté ;
4° le point 72° est abrogé ;
5° au point 72° /0/1, le point d) est remplacé par ce qui suit :
" d) unités de bâtiments industriels ; " ;
6° le point 84° est abrogé ;
7° au point 102° /3, le membre de phrase " l'article 7.9.2/0/7, § 2 " est remplacé par le membre de phrase " l'article 7.9.2/0/8 " ;
8° au point 105°, le membre de phrase " de l'entreprise ou à partir duquel elle est exercée, tel que visée à " est remplacé par le membre de phrase " de l'entreprise, de l'organisme non commercial ou de la personne morale de droit public ou à partir duquel elle est exercée, au sens de ".
1° le point 24° est abrogé ;
2° au point 34°, le membre de phrase " , d'un organisme non commercial ou d'une personne morale de droit public " est inséré entre les mots " d'une entreprise " et les mots " dont la consommation d'énergie finale annuelle " ;
3° au point 41° /1, le membre de phrase " , d'un organisme non commercial ou d'une personne morale de droit public " est ajouté ;
4° le point 72° est abrogé ;
5° au point 72° /0/1, le point d) est remplacé par ce qui suit :
" d) unités de bâtiments industriels ; " ;
6° le point 84° est abrogé ;
7° au point 102° /3, le membre de phrase " l'article 7.9.2/0/7, § 2 " est remplacé par le membre de phrase " l'article 7.9.2/0/8 " ;
8° au point 105°, le membre de phrase " de l'entreprise ou à partir duquel elle est exercée, tel que visée à " est remplacé par le membre de phrase " de l'entreprise, de l'organisme non commercial ou de la personne morale de droit public ou à partir duquel elle est exercée, au sens de ".
Art. 5. In artikel 3.1.55 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "bezorgt de distributienetbeheerder een offerte" vervangen door de woorden "bevestigt de distributienetbeheerder de ontvangst van deze aanvraag";
2° in het tweede lid wordt de zinsnede "De offerte, vermeld in het eerste lid, vermeldt ten minste" vervangen door de woorden "Daarbij meldt de distributienetbeheerder aan de netgebruiker";
3° in het tweede lid worden de woorden "zoals bepaald in het vijfde lid" vervangen door de woorden "zoals bepaald in het zesde lid";
4° het vijfde lid wordt vervangen door wat volgt:
"Behoudens ingeval de plaatsing van de digitale meter een aanpassing aan de aansluiting vergt of een wijziging of aanpassing van de meterlocatie dient te gebeuren, neemt de distributienetbeheerder de oude meetinrichting weg en plaatst hij een digitale meter binnen dertig werkdagen na de verzending aan de netgebruiker van de ontvangstbevestiging van de aanvraag.".
1° in het eerste lid worden de woorden "bezorgt de distributienetbeheerder een offerte" vervangen door de woorden "bevestigt de distributienetbeheerder de ontvangst van deze aanvraag";
2° in het tweede lid wordt de zinsnede "De offerte, vermeld in het eerste lid, vermeldt ten minste" vervangen door de woorden "Daarbij meldt de distributienetbeheerder aan de netgebruiker";
3° in het tweede lid worden de woorden "zoals bepaald in het vijfde lid" vervangen door de woorden "zoals bepaald in het zesde lid";
4° het vijfde lid wordt vervangen door wat volgt:
"Behoudens ingeval de plaatsing van de digitale meter een aanpassing aan de aansluiting vergt of een wijziging of aanpassing van de meterlocatie dient te gebeuren, neemt de distributienetbeheerder de oude meetinrichting weg en plaatst hij een digitale meter binnen dertig werkdagen na de verzending aan de netgebruiker van de ontvangstbevestiging van de aanvraag.".
Art. 5. A l'article 3.1.55 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, les mots " le gestionnaire de réseau de distribution introduit une offre " sont remplacés par les mots " le gestionnaire de réseau de distribution confirme la réception de cette demande " ;
2° à l'alinéa 2, le membre de phrase " L'offre, visée à l'alinéa 1er, mentionne au moins " est remplacé par le membre de phrase " A cet égard, le gestionnaire de réseau de distribution notifie à l'utilisateur du réseau " ;
3° à l'alinéa 2, le membre de phrase " conformément à l'alinéa 5 " est remplacé par le membre de phrase " conformément à l'alinéa 6 " ;
4° l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit :
" Sauf dans le cas où l'installation du compteur numérique nécessite une adaptation du raccordement ou une modification ou une adaptation de l'emplacement du compteur, le gestionnaire de réseau de distribution enlève l'ancien dispositif de mesure et installe un compteur numérique dans les trente jours ouvrables de l'envoi à l'utilisateur du réseau de l'accusé de réception de la demande. ".
1° à l'alinéa 1er, les mots " le gestionnaire de réseau de distribution introduit une offre " sont remplacés par les mots " le gestionnaire de réseau de distribution confirme la réception de cette demande " ;
2° à l'alinéa 2, le membre de phrase " L'offre, visée à l'alinéa 1er, mentionne au moins " est remplacé par le membre de phrase " A cet égard, le gestionnaire de réseau de distribution notifie à l'utilisateur du réseau " ;
3° à l'alinéa 2, le membre de phrase " conformément à l'alinéa 5 " est remplacé par le membre de phrase " conformément à l'alinéa 6 " ;
4° l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit :
" Sauf dans le cas où l'installation du compteur numérique nécessite une adaptation du raccordement ou une modification ou une adaptation de l'emplacement du compteur, le gestionnaire de réseau de distribution enlève l'ancien dispositif de mesure et installe un compteur numérique dans les trente jours ouvrables de l'envoi à l'utilisateur du réseau de l'accusé de réception de la demande. ".
Art. 6. In artikel 3.1.57 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste tot en met het vijfde lid zullen paragraaf 1 vormen;
2° het zesde lid wordt opgeheven;
3° er worden een paragraaf 2 tot en met 4 toegevoegd, die luiden als volgt:
" § 2. In afwijking van paragraaf 1 leest de distributienetbeheerder uiterlijk vanaf 1 januari 2025 bij actieve afnemers, met uitzondering van actieve afnemers die enkel de activiteit vermeld in artikel 4.4.2, § 1, eerste lid, 4° van het Energiedecreet van 8 mei 2009 uitoefenen, ten minste één keer per dag de geregistreerde kwartiergegevens voor elektriciteit uit voor de afname en, als dat van toepassing is, de injectie op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en paragraaf 2 leest de distributienetbeheerder uiterlijk vanaf 1 januari 2026 ten minste één keer per dag de geregistreerde kwartiergegevens voor elektriciteit uit voor de afname en, indien van toepassing, de injectie op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1 leest de distributienetbeheerder uiterlijk vanaf 1 januari 2028 de geregistreerde uurgegevens voor gas uit op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter.".
1° het eerste tot en met het vijfde lid zullen paragraaf 1 vormen;
2° het zesde lid wordt opgeheven;
3° er worden een paragraaf 2 tot en met 4 toegevoegd, die luiden als volgt:
" § 2. In afwijking van paragraaf 1 leest de distributienetbeheerder uiterlijk vanaf 1 januari 2025 bij actieve afnemers, met uitzondering van actieve afnemers die enkel de activiteit vermeld in artikel 4.4.2, § 1, eerste lid, 4° van het Energiedecreet van 8 mei 2009 uitoefenen, ten minste één keer per dag de geregistreerde kwartiergegevens voor elektriciteit uit voor de afname en, als dat van toepassing is, de injectie op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en paragraaf 2 leest de distributienetbeheerder uiterlijk vanaf 1 januari 2026 ten minste één keer per dag de geregistreerde kwartiergegevens voor elektriciteit uit voor de afname en, indien van toepassing, de injectie op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1 leest de distributienetbeheerder uiterlijk vanaf 1 januari 2028 de geregistreerde uurgegevens voor gas uit op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter.".
Art. 6. A l'article 3.1.57 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mai 2019 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° les alinéas 1er à 5 constitueront le paragraphe 1er ;
2° l'alinéa 6 est abrogé ;
3° des paragraphes 2 à 4 rédigés comme suit sont ajoutés :
" § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le gestionnaire de réseau de distribution procède, au plus tard à partir du 1er janvier 2025, auprès des clients actifs, à l'exception des clients actifs qui exercent uniquement l'activité visée à l'article 4.4.2, § 1er, alinéa 1er, 4°, du décret sur l'Energie du 8 mai 2009, au moins une fois par jour au relevé des données quart-horaires enregistrées pour l'électricité en prélèvement et, s'il y a lieu, en injection aux points d'accès munis d'un compteur numérique.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er et au paragraphe 2, le gestionnaire de réseau de distribution procède, au plus tard à partir du 1er janvier 2026, au moins une fois par jour au relevé des données quart-horaires enregistrées pour l'électricité en prélèvement et, s'il y a lieu, en injection aux points d'accès munis d'un compteur numérique.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 1er, le gestionnaire de réseau de distribution procède, au plus tard à partir du 1er janvier 2028, au relevé des données horaires enregistrées pour le gaz aux points d'accès munis d'un compteur numérique. ".
1° les alinéas 1er à 5 constitueront le paragraphe 1er ;
2° l'alinéa 6 est abrogé ;
3° des paragraphes 2 à 4 rédigés comme suit sont ajoutés :
" § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le gestionnaire de réseau de distribution procède, au plus tard à partir du 1er janvier 2025, auprès des clients actifs, à l'exception des clients actifs qui exercent uniquement l'activité visée à l'article 4.4.2, § 1er, alinéa 1er, 4°, du décret sur l'Energie du 8 mai 2009, au moins une fois par jour au relevé des données quart-horaires enregistrées pour l'électricité en prélèvement et, s'il y a lieu, en injection aux points d'accès munis d'un compteur numérique.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er et au paragraphe 2, le gestionnaire de réseau de distribution procède, au plus tard à partir du 1er janvier 2026, au moins une fois par jour au relevé des données quart-horaires enregistrées pour l'électricité en prélèvement et, s'il y a lieu, en injection aux points d'accès munis d'un compteur numérique.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 1er, le gestionnaire de réseau de distribution procède, au plus tard à partir du 1er janvier 2028, au relevé des données horaires enregistrées pour le gaz aux points d'accès munis d'un compteur numérique. ".
Art. 7. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van 19 oktober 2022, wordt een artikel 3.1.57/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 3.1.57/1. Op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter waarvan de budgetmeterfunctionaliteit actief is, zal na uitlezing minstens eenmaal per dag via het door de budgetmeterklant gekozen communicatiemiddel worden gecommuniceerd naar de budgetmeterklant wat het resterende krediet bedraagt en indien het resterende krediet voor een gemiddelde klant nog maximaal één dag zou meegaan wordt er meteen uitdrukkelijk gemeld dat het aangewezen is om extra krediet op te laden. Indien het een digitale budgetmeter voor elektriciteit betreft, wordt ook steeds gecommuniceerd of het noodkrediet is geactiveerd en desgevallend wat het restbedrag van het noodkrediet bedraagt, en desgevallend of de digitale budgetmeter voor elektriciteit in 10 ampèrefunctie werkt.".
"Art. 3.1.57/1. Op de toegangspunten die voorzien zijn van een digitale meter waarvan de budgetmeterfunctionaliteit actief is, zal na uitlezing minstens eenmaal per dag via het door de budgetmeterklant gekozen communicatiemiddel worden gecommuniceerd naar de budgetmeterklant wat het resterende krediet bedraagt en indien het resterende krediet voor een gemiddelde klant nog maximaal één dag zou meegaan wordt er meteen uitdrukkelijk gemeld dat het aangewezen is om extra krediet op te laden. Indien het een digitale budgetmeter voor elektriciteit betreft, wordt ook steeds gecommuniceerd of het noodkrediet is geactiveerd en desgevallend wat het restbedrag van het noodkrediet bedraagt, en desgevallend of de digitale budgetmeter voor elektriciteit in 10 ampèrefunctie werkt.".
Art. 7. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du 19 octobre 2022, un article 3.1.57/1 rédigé comme suit est inséré :
" Art. 3.1.57/1. Aux points d'accès munis d'un compteur numérique dont la fonctionnalité " compteur à budget " est activée, le relevé sera suivi, au moins une fois par jour, de la communication au client disposant d'un compteur à budget, via le moyen de communication de son choix, du solde du crédit et si le solde du crédit devait permettre à un client moyen de tenir encore un jour maximum, le client est aussitôt expressément avisé de recharger du crédit supplémentaire. Dans le cas d'un compteur à budget numérique pour l'électricité, la communication indique aussi toujours si le crédit de secours a été activé et, si tel est le cas, le solde du crédit de secours et, le cas échéant, si le compteur à budget numérique pour l'électricité fonctionne en 10 ampères. ".
" Art. 3.1.57/1. Aux points d'accès munis d'un compteur numérique dont la fonctionnalité " compteur à budget " est activée, le relevé sera suivi, au moins une fois par jour, de la communication au client disposant d'un compteur à budget, via le moyen de communication de son choix, du solde du crédit et si le solde du crédit devait permettre à un client moyen de tenir encore un jour maximum, le client est aussitôt expressément avisé de recharger du crédit supplémentaire. Dans le cas d'un compteur à budget numérique pour l'électricité, la communication indique aussi toujours si le crédit de secours a été activé et, si tel est le cas, le solde du crédit de secours et, le cas échéant, si le compteur à budget numérique pour l'électricité fonctionne en 10 ampères. ".
Art. 8. In artikel 3.2.8, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de zin "De aanvraag wordt ingediend per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs." opgeheven.
Art. 8. Dans l'article 3.2.8, alinéa 1er, du même arrêté, la phrase " Cette demande est introduite par lettre recommandée ou remise contre récépissé. " est abrogée.
Art. 9. In artikel 3.2.9 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden tussen de woorden "De VREG" en de woorden "gaat na" de woorden "meldt de ontvangst van de aanvraag en" ingevoegd;
2° in het tweede lid worden de woorden "per aangetekende brief" opgeheven.
1° in het eerste lid worden tussen de woorden "De VREG" en de woorden "gaat na" de woorden "meldt de ontvangst van de aanvraag en" ingevoegd;
2° in het tweede lid worden de woorden "per aangetekende brief" opgeheven.
Art. 9. A l'article 3.2.9 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, les mots " accuse réception de la demande et " sont insérés entre les mots " La VREG " et le mot " vérifie " ;
2° à l'alinéa 2, le membre de phrase " , par lettre recommandée, " est abrogé.
1° à l'alinéa 1er, les mots " accuse réception de la demande et " sont insérés entre les mots " La VREG " et le mot " vérifie " ;
2° à l'alinéa 2, le membre de phrase " , par lettre recommandée, " est abrogé.
Art. 10. In artikel 3.2.11, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "per aangetekende brief" worden opgeheven;
2° het woord "haar" wordt vervangen door het woord "zijn".
1° de woorden "per aangetekende brief" worden opgeheven;
2° het woord "haar" wordt vervangen door het woord "zijn".
Art. 10. A l'article 3.2.11, alinéa 1er, du même arrêté les modifications suivantes sont apportées :
1° le membre de phrase " , par lettre recommandée, " est abrogé ;
2° dans la version néerlandaise, le mot " haar " est remplacé par le mot " zijn ".
1° le membre de phrase " , par lettre recommandée, " est abrogé ;
2° dans la version néerlandaise, le mot " haar " est remplacé par le mot " zijn ".
Art. 11. In artikel 3.2.14, eerste lid, van hetzelfde besluit, wordt het woord "ze" vervangen door het woord "hij".
Art. 11. Dans l'article 3.2.14, alinéa 1er, du même arrêté, dans la version néerlandaise, le mot " ze " est remplacé par le mot " hij ".
Art. 12. In artikel 3.2.18, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 4°, c), wordt de zinsnede "wanneer het gaat om een leverancier die meer dan 200.000 afnamepunten in het Vlaamse Gewest belevert" vervangen door de woorden "en dit voor alle producten waarop kan ingetekend worden";
2° in punt 10° /1 worden de woorden "verbruiksinformatie die op het werkelijke verbruik gebaseerd is beschikbaar wordt gesteld" vervangen door de zinsnede "verbruiksinformatie en energiekostenramingen die op het werkelijke verbruik gebaseerd zijn, beschikbaar worden gesteld";
3° er worden een punt 15° tot en met 17° toegevoegd, die luiden als volgt:
"15° vermeldt op iedere voorschotfactuur de precieze benaming van de huidige producten en toepasselijke tariefkaarten of, als het gaat om een digitale voorschotfactuur, de link naar de toepasselijke tariefkaarten, en ook de start- en einddatum van de huidige producten;
16° zorgt ervoor dat de afnemer zijn lopende producten en de toepasselijke tariefkaarten, met de vermelding of het een variabele, een vaste, of een dynamische prijs betreft, en ook de start- en einddatum van de huidige producten altijd kan terugvinden in de onlineklantenzone;
17° zorgt ervoor dat de volgende informatie eenvoudig terug te vinden is op zijn website:
a) de tariefkaarten van alle producten die hij levert aan afnemers, inclusief terugleveringscontracten;
b) de werkelijke indexwaarden van de achttien voorgaande maanden van de parameters die gebruikt zijn in de prijsformules van de producten met variabele prijzen die hij levert aan afnemers, inclusief terugleveringscontracten;";
4° er worden een punt 18° en een punt 19° toegevoegd, die luiden als volgt:
"18° zorgt ervoor dat de afnemer in de online klantenzone, nadat de afrekenings- of slotfactuur in kwestie verstuurd is, de volgende informatie kan terugvinden:
a) de precieze benaming van de producten en de tariefkaarten waarop de factuur gebaseerd is;
b) vanaf 1 juli 2024 bij afnemers met een digitale meter, met uitzondering van afnemers met een dynamisch prijscontract, per maand:
1) de aangerekende maandafname en maandinjectie, die uiterlijk op 1 april 2024 gebaseerd is op de werkelijk gemeten maandwaarden, op voorwaarde dat de leverancier de nodige meetgegevens van de databeheerder heeft ontvangen;
2) de prijsformule die van toepassing was conform de tariefkaart;
3) de werkelijke indexwaarden van de parameters die gebruikt zijn in de prijsformule van deze tariefkaart;
19° bezorgt op aanvraag de informatie, vermeld in 18°, b), via het overeengekomen communicatiemiddel aan de afnemer binnen tien werkdagen na ontvangst van deze aanvraag.".
1° in punt 4°, c), wordt de zinsnede "wanneer het gaat om een leverancier die meer dan 200.000 afnamepunten in het Vlaamse Gewest belevert" vervangen door de woorden "en dit voor alle producten waarop kan ingetekend worden";
2° in punt 10° /1 worden de woorden "verbruiksinformatie die op het werkelijke verbruik gebaseerd is beschikbaar wordt gesteld" vervangen door de zinsnede "verbruiksinformatie en energiekostenramingen die op het werkelijke verbruik gebaseerd zijn, beschikbaar worden gesteld";
3° er worden een punt 15° tot en met 17° toegevoegd, die luiden als volgt:
"15° vermeldt op iedere voorschotfactuur de precieze benaming van de huidige producten en toepasselijke tariefkaarten of, als het gaat om een digitale voorschotfactuur, de link naar de toepasselijke tariefkaarten, en ook de start- en einddatum van de huidige producten;
16° zorgt ervoor dat de afnemer zijn lopende producten en de toepasselijke tariefkaarten, met de vermelding of het een variabele, een vaste, of een dynamische prijs betreft, en ook de start- en einddatum van de huidige producten altijd kan terugvinden in de onlineklantenzone;
17° zorgt ervoor dat de volgende informatie eenvoudig terug te vinden is op zijn website:
a) de tariefkaarten van alle producten die hij levert aan afnemers, inclusief terugleveringscontracten;
b) de werkelijke indexwaarden van de achttien voorgaande maanden van de parameters die gebruikt zijn in de prijsformules van de producten met variabele prijzen die hij levert aan afnemers, inclusief terugleveringscontracten;";
4° er worden een punt 18° en een punt 19° toegevoegd, die luiden als volgt:
"18° zorgt ervoor dat de afnemer in de online klantenzone, nadat de afrekenings- of slotfactuur in kwestie verstuurd is, de volgende informatie kan terugvinden:
a) de precieze benaming van de producten en de tariefkaarten waarop de factuur gebaseerd is;
b) vanaf 1 juli 2024 bij afnemers met een digitale meter, met uitzondering van afnemers met een dynamisch prijscontract, per maand:
1) de aangerekende maandafname en maandinjectie, die uiterlijk op 1 april 2024 gebaseerd is op de werkelijk gemeten maandwaarden, op voorwaarde dat de leverancier de nodige meetgegevens van de databeheerder heeft ontvangen;
2) de prijsformule die van toepassing was conform de tariefkaart;
3) de werkelijke indexwaarden van de parameters die gebruikt zijn in de prijsformule van deze tariefkaart;
19° bezorgt op aanvraag de informatie, vermeld in 18°, b), via het overeengekomen communicatiemiddel aan de afnemer binnen tien werkdagen na ontvangst van deze aanvraag.".
Art. 12. A l'article 3.2.18, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juillet 2016 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 4°, c), le membre de phrase " lorsqu'il s'agit d'un fournisseur qui approvisionne plus de 200 000 points de prélèvement en Région flamande " est remplacé par le membre de phrase " et ce, pour tous les produits auxquels il peut être souscrit " ;
2° au point 10° /1 les mots " des informations précises de consommation " sont remplacés par les mots " des informations de consommation précises et des estimations concernant les coûts énergétiques " ;
3° des points 15° à 17° rédigés comme suit sont ajoutés :
" 15° mentionne sur chaque facture d'acompte la dénomination précise des produits actuels et les cartes tarifaires applicables ou, dans le cas d'une facture d'acompte numérique, le lien vers les cartes tarifaires applicables ainsi que la date de début et de fin des produits actuels ;
16° veille à ce que le client puisse retrouver dans l'espace client en ligne ses produits en cours et les cartes tarifaires applicables, avec la mention de ce qu'il s'agit d'un prix variable, fixe ou dynamique, ainsi que la date de début et de fin des produits actuels ;
17° veille à ce que les informations suivantes puissent être facilement trouvées sur son site web :
a) les cartes tarifaires de tous les produits qu'il fournit aux clients, y compris les contrats d'injection ;
b) les valeurs réelles des indices des dix-huit mois précédents des paramètres utilisés dans les formules de prix des produits à prix variables qu'il fournit aux clients, y compris les contrats d'injection ; " ;
4° un point 18° et un point 19° rédigés comme suit sont ajoutés :
" 18° veille à ce que le client puisse retrouver dans l'espace client en ligne les informations suivantes après l'envoi de la facture de décompte ou de clôture concernée :
a) la dénomination précise des produits et les cartes tarifaires sur lesquelles la facture est basée ;
b) à partir du 1er juillet 2024, chez les clients équipés d'un compteur numérique, à l'exception des clients ayant un contrat à prix dynamique, par mois :
1) le prélèvement et l'injection mensuels facturés, basés, au plus tard le 1er avril 2024, sur les valeurs mensuelles réellement mesurées, à condition que le fournisseur ait reçu les données de mesure nécessaires du gestionnaire de données ;
2) la formule de prix qui était applicable conformément à la carte tarifaire ;
3) les valeurs réelles des indices des paramètres utilisés dans la formule de prix de cette carte tarifaire ;
19° transmet au client, à sa demande, les informations mentionnées au point 18°, b), via le moyen de communication convenu dans les dix jours ouvrables de la réception de cette demande. ".
1° au point 4°, c), le membre de phrase " lorsqu'il s'agit d'un fournisseur qui approvisionne plus de 200 000 points de prélèvement en Région flamande " est remplacé par le membre de phrase " et ce, pour tous les produits auxquels il peut être souscrit " ;
2° au point 10° /1 les mots " des informations précises de consommation " sont remplacés par les mots " des informations de consommation précises et des estimations concernant les coûts énergétiques " ;
3° des points 15° à 17° rédigés comme suit sont ajoutés :
" 15° mentionne sur chaque facture d'acompte la dénomination précise des produits actuels et les cartes tarifaires applicables ou, dans le cas d'une facture d'acompte numérique, le lien vers les cartes tarifaires applicables ainsi que la date de début et de fin des produits actuels ;
16° veille à ce que le client puisse retrouver dans l'espace client en ligne ses produits en cours et les cartes tarifaires applicables, avec la mention de ce qu'il s'agit d'un prix variable, fixe ou dynamique, ainsi que la date de début et de fin des produits actuels ;
17° veille à ce que les informations suivantes puissent être facilement trouvées sur son site web :
a) les cartes tarifaires de tous les produits qu'il fournit aux clients, y compris les contrats d'injection ;
b) les valeurs réelles des indices des dix-huit mois précédents des paramètres utilisés dans les formules de prix des produits à prix variables qu'il fournit aux clients, y compris les contrats d'injection ; " ;
4° un point 18° et un point 19° rédigés comme suit sont ajoutés :
" 18° veille à ce que le client puisse retrouver dans l'espace client en ligne les informations suivantes après l'envoi de la facture de décompte ou de clôture concernée :
a) la dénomination précise des produits et les cartes tarifaires sur lesquelles la facture est basée ;
b) à partir du 1er juillet 2024, chez les clients équipés d'un compteur numérique, à l'exception des clients ayant un contrat à prix dynamique, par mois :
1) le prélèvement et l'injection mensuels facturés, basés, au plus tard le 1er avril 2024, sur les valeurs mensuelles réellement mesurées, à condition que le fournisseur ait reçu les données de mesure nécessaires du gestionnaire de données ;
2) la formule de prix qui était applicable conformément à la carte tarifaire ;
3) les valeurs réelles des indices des paramètres utilisés dans la formule de prix de cette carte tarifaire ;
19° transmet au client, à sa demande, les informations mentionnées au point 18°, b), via le moyen de communication convenu dans les dix jours ouvrables de la réception de cette demande. ".
Art. 13. Aan artikel 5.4.1, § 6, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022, 8 juli 2022 en 19 oktober 2022, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid en met behoud van toepassing van het tweede lid, wordt vanaf 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2024 een noodkrediet van 110,00 euro ter beschikking gesteld van de huishoudelijke aardgasafnemer.".
"In afwijking van het eerste lid en met behoud van toepassing van het tweede lid, wordt vanaf 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2024 een noodkrediet van 110,00 euro ter beschikking gesteld van de huishoudelijke aardgasafnemer.".
Art. 13. : A l'article 5.4.1, § 6, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 4 février 2022, 8 juillet 2022 et 19 octobre 2022, un alinéa 3 rédigé comme suit est ajouté :
" Par dérogation à l'alinéa 1er et sans préjudice de l'application de l'alinéa 2, un crédit de secours de 110,00 euros est mis à la disposition du client résidentiel de gaz naturel à partir du 1er juillet 2023 jusqu'au 30 juin 2024. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er et sans préjudice de l'application de l'alinéa 2, un crédit de secours de 110,00 euros est mis à la disposition du client résidentiel de gaz naturel à partir du 1er juillet 2023 jusqu'au 30 juin 2024. ".
Art. 14. In artikel 5.7.1, eerste lid, 3°, v), van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022, worden de woorden "en per postcode" vervangen door de woorden "per postcode".
Art. 14. Dans l'article 5.7.1, alinéa 1er, 3°, v), du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022, les mots " et par code postal " sont remplacés par les mots " par code postal ".
Art. 15. In artikel 6.1.2, § 1, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid worden de woorden "In die brief" vervangen door het woord "Daarbij";
2° er wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De definitieve aanvraag voor de toekenning van groenestroomcertificaten wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de aanvraag, voor nieuwe groenestroominstallaties ten laatste twee jaar na de datum van indienstneming van de installatie ingediend.".
1° in het tweede lid worden de woorden "In die brief" vervangen door het woord "Daarbij";
2° er wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De definitieve aanvraag voor de toekenning van groenestroomcertificaten wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de aanvraag, voor nieuwe groenestroominstallaties ten laatste twee jaar na de datum van indienstneming van de installatie ingediend.".
Art. 15. A l'article 6.1.2, § 1er, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2020, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 2, les mots " La lettre " sont remplacés par le membre de phrase " A cet égard, elle " ;
2° un alinéa rédigé comme suit est ajouté :
" Dans le cas de nouvelles installations de production d'électricité verte, la demande définitive d'octroi de certificats verts est introduite, sous peine d'irrecevabilité de la demande, au plus tard deux ans après la date de mise en service de l'installation. ".
1° à l'alinéa 2, les mots " La lettre " sont remplacés par le membre de phrase " A cet égard, elle " ;
2° un alinéa rédigé comme suit est ajouté :
" Dans le cas de nouvelles installations de production d'électricité verte, la demande définitive d'octroi de certificats verts est introduite, sous peine d'irrecevabilité de la demande, au plus tard deux ans après la date de mise en service de l'installation. ".
Art. 16. In artikel 6.1.12/1, § 3, 4°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017, wordt tussen de woorden "uitsluitend vaste" en de woorden "of gasvormige" de zinsnede ", vloeibare" ingevoegd.
Art. 16. Dans l'article 6.1.12/1, § 3, 4°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2017, les mots " solide ou gazeux " sont remplacés par le membre de phrase " solide, liquide ou gazeuse ".
Art. 17. In artikel 6.2.2, § 1, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaams Regering van 11 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het derde lid worden de woorden "In die brief" vervangen door het woord "Daarbij";
2° er wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De definitieve aanvraag voor de toekenning van warmtekrachtcertificaten wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de aanvraag, voor nieuwe warmtekracht-installaties ten laatste twee jaar na de datum van indienstneming van de installatie ingediend, of ten laatste twee jaar na de voltooiing van de ingrijpende wijziging als het een ingrijpende wijziging betreft.".
1° in het derde lid worden de woorden "In die brief" vervangen door het woord "Daarbij";
2° er wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De definitieve aanvraag voor de toekenning van warmtekrachtcertificaten wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de aanvraag, voor nieuwe warmtekracht-installaties ten laatste twee jaar na de datum van indienstneming van de installatie ingediend, of ten laatste twee jaar na de voltooiing van de ingrijpende wijziging als het een ingrijpende wijziging betreft.".
Art. 17. A l'article 6.2.2, § 1er, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2020, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 3, les mots " La lettre " sont remplacés par le membre de phrase " A cet égard, elle " ;
2° un alinéa rédigé comme suit est ajouté :
" Dans le cas de nouvelles installations de cogénération, la demande définitive d'octroi de certificats de cogénération est introduite, sous peine d'irrecevabilité de la demande, au plus tard deux ans après la date de mise en service de l'installation ou au plus tard deux ans après l'achèvement de la modification substantielle s'il est question d'une modification substantielle. ".
1° à l'alinéa 3, les mots " La lettre " sont remplacés par le membre de phrase " A cet égard, elle " ;
2° un alinéa rédigé comme suit est ajouté :
" Dans le cas de nouvelles installations de cogénération, la demande définitive d'octroi de certificats de cogénération est introduite, sous peine d'irrecevabilité de la demande, au plus tard deux ans après la date de mise en service de l'installation ou au plus tard deux ans après l'achèvement de la modification substantielle s'il est question d'une modification substantielle. ".
Art. 18. In artikel 6.2.10, § 8, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2015, worden de woorden "vloeibare biobrandstoffen" vervangen door de woorden "vloeibare biomassa".
Art. 18. Dans l'article 6.2.10, § 8, alinéa 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2015, les mots " biocarburants liquides " sont remplacés par les mots " biomasse liquide ".
Art. 19. In artikel 6.2/1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt tussen het vierde en vijfde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor groenestroomprojecten op basis van zonne-energie uit niet-representatieve projectcategorieën met startdatum in 2020 en een afschrijvingstermijn van twaalf jaar, waarvoor vóór 1 september 2020 nog geen voorlopige of definitieve projectspecifieke bandingfactor is vastgelegd, bedraagt de maximaal toegelaten bandingfactor 1.".
"Voor groenestroomprojecten op basis van zonne-energie uit niet-representatieve projectcategorieën met startdatum in 2020 en een afschrijvingstermijn van twaalf jaar, waarvoor vóór 1 september 2020 nog geen voorlopige of definitieve projectspecifieke bandingfactor is vastgelegd, bedraagt de maximaal toegelaten bandingfactor 1.".
Art. 19. Dans l'article 6.2/1.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 2012 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 4 et 5 :
" Pour les projets d'électricité verte basés sur l'énergie solaire issus de catégories de projets non représentatives, dont la date de début se situe en 2020 et dont la durée d'amortissement est de douze ans, pour lesquels aucun facteur de banding provisoire ou définitif spécifique au projet n'a encore été fixé avant le 1er septembre 2020, le facteur de banding maximum autorisé s'élève à 1. ".
" Pour les projets d'électricité verte basés sur l'énergie solaire issus de catégories de projets non représentatives, dont la date de début se situe en 2020 et dont la durée d'amortissement est de douze ans, pour lesquels aucun facteur de banding provisoire ou définitif spécifique au projet n'a encore été fixé avant le 1er septembre 2020, le facteur de banding maximum autorisé s'élève à 1. ".
Art. 20. In artikel 6.4.1/1/1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 mei 2022 en 2 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, 3°, worden in de tabel de rijen "
1° in het eerste lid, 3°, worden in de tabel de rijen "
Art. 20. A l'article 6.4.1/1/1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 20 mai 2022 et 2 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, 3°, dans le tableau, les lignes "
1° à l'alinéa 1er, 3°, dans le tableau, les lignes "
| vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | / | 3000 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | plaatsing in een premiewoning, nieuwe premiewoning, collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw van een huishoudelijke afnemer met toepassing van uitsluitend nachttarief op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor investeringen met eindfactuur vanaf 1 januari 2021 en premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 3600 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning of nieuwe premiewoning of het volledige collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw, of plaatsing in een premiewoning, nieuwe premiewoning, woongebouw, collectief woongebouw, nieuw woongebouw of nieuw collectief woongebouw gelegen in een gebied waar geen aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 6000 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| vanaf 1 januari 2024 | / | 2250 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
" vervangen door de rijen "
| du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | / | 3000 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | pose dans un logement subventionné, nouveau logement subventionné, bâtiment résidentiel collectif ou nouveau bâtiment résidentiel collectif d'un client résidentiel avec application du seul tarif de nuit au moment de l'exécution des travaux, pour des investissements avec facture finale à partir du 1er janvier 2021 et des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 3600 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné ou dans l'ensemble d'un bâtiment résidentiel collectif ou d'un nouveau bâtiment résidentiel collectif, ou pose dans un logement subventionné, nouveau logement subventionné, bâtiment résidentiel, bâtiment résidentiel collectif, nouveau bâtiment résidentiel ou nouveau bâtiment résidentiel collectif, situé dans une région dépourvue de réseau de distribution de gaz naturel au moment de l'exécution des travaux, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 6000 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| à partir du 1er janvier 2024 | / | 2250 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" sont remplacées par les lignes "
| vanaf 1 januari 2022 | premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 3000 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| vanaf 1 januari 2022 | plaatsing in een premiewoning, nieuwe premiewoning, collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw van een huishoudelijke afnemer met toepassing van uitsluitend nachttarief op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 3600 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| vanaf 1 januari 2022 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning of nieuwe premiewoning of het volledige collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw, of plaatsing in een premiewoning, nieuwe premiewoning, woongebouw, collectief woongebouw, nieuw woongebouw of nieuw collectief woongebouw gelegen in een gebied waar geen aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 6000 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| / | premieaanvragen vanaf 1 januari 2026 | 2250 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
";
2° in het eerste lid, 3°, worden in de tabel de rijen "
| à partir du 1er janvier 2022 | demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 3000 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| à partir du 1er janvier 2022 | pose dans un logement subventionné, nouveau logement subventionné, bâtiment résidentiel collectif ou nouveau bâtiment résidentiel collectif d'un client résidentiel avec application du seul tarif de nuit au moment de l'exécution des travaux, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 3600 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| à partir du 1er janvier 2022 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné ou dans l'ensemble d'un bâtiment résidentiel collectif ou d'un nouveau bâtiment résidentiel collectif, ou pose dans un logement subventionné, nouveau logement subventionné, bâtiment résidentiel, bâtiment résidentiel collectif, nouveau bâtiment résidentiel ou nouveau bâtiment résidentiel collectif, situé dans une région dépourvue de réseau de distribution de gaz naturel au moment de l'exécution des travaux, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 6000 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| / | demandes de prime à partir du 1er janvier 2026 | 2250 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" ;
2° à l'alinéa 1er, 3°, dans le tableau, les lignes "
| vanaf 1 januari 2024 | plaatsing in een premiewoning, nieuwe premiewoning, collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw van een huishoudelijke afnemer met toepassing van uitsluitend nachttarief op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor investeringen met eindfactuur vanaf 1 januari 2021 en premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 2700 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| vanaf 1 januari 2024 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning of nieuwe premiewoning of het volledige collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw, of plaatsing in een premiewoning, nieuwe premiewoning, woongebouw, collectief woongebouw, nieuw woongebouw of nieuw collectief woongebouw gelegen in een gebied waar geen aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 4500 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
" opgeheven;
3° in het eerste lid, 3/1°, worden in de tabel de rijen "
| à partir du 1er janvier 2024 | pose dans un logement subventionné, nouveau logement subventionné, bâtiment résidentiel collectif ou nouveau bâtiment résidentiel collectif d'un client résidentiel avec application du seul tarif de nuit au moment de l'exécution des travaux, pour des investissements avec facture finale à partir du 1er janvier 2021 et des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 2700 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| à partir du 1er janvier 2024 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné ou dans l'ensemble d'un bâtiment résidentiel collectif ou d'un nouveau bâtiment résidentiel collectif, ou pose dans un logement subventionné, nouveau logement subventionné, bâtiment résidentiel, bâtiment résidentiel collectif, nouveau bâtiment résidentiel ou nouveau bâtiment résidentiel collectif, situé dans une région dépourvue de réseau de distribution de gaz naturel au moment de l'exécution des travaux, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 4500 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" sont abrogées ;
3° à l'alinéa 1er, 3/1°, dans le tableau, les lignes "
| Vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | / | 2000 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| Vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | plaatsing in een premiewoning, nieuwe premiewoning, collectief woongebouw of nieuw collectieve woongebouw van een huishoudelijke afnemer met toepassing van uitsluitend nachttarief op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor investeringen met eindfactuur vanaf 1 januari 2021 en premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 2400 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| Vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning, nieuwe premiewoning of volledig collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 4000 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| Vanaf 1 januari 2024 | / | 1500 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
" vervangen door de rijen "
| Du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | / | 2000 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| Du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | pose dans un logement subventionné, nouveau logement subventionné, bâtiment résidentiel collectif ou nouveau bâtiment résidentiel collectif d'un client résidentiel avec application du seul tarif de nuit au moment de l'exécution des travaux, pour des investissements avec facture finale à partir du 1er janvier 2021 et des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 2400 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| Du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné ou dans l'ensemble d'un bâtiment résidentiel collectif ou d'un nouveau bâtiment résidentiel collectif, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 4000 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| A partir du 1er janvier 2024 | / | 1500 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" sont remplacées par les lignes "
| Vanaf 1 januari 2022 | premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 2000 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| Vanaf 1 januari 2022 | plaatsing in een premiewoning, nieuwe premiewoning, collectief woongebouw of nieuw collectieve woongebouw van een huishoudelijke afnemer met toepassing van uitsluitend nachttarief op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 2400 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| Vanaf 1 januari 2022 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning, nieuwe premiewoning of volledig collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 4000 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| / | premieaanvragen vanaf 1 januari 2026 | 1500 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
";
4° in het eerste lid, 3/1°, worden de rijen "
| A partir du 1er janvier 2022 | demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 2000 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| A partir du 1er janvier 2022 | pose dans un logement subventionné, nouveau logement subventionné, bâtiment résidentiel collectif ou nouveau bâtiment résidentiel collectif d'un client résidentiel avec application du seul tarif de nuit au moment de l'exécution des travaux, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 2400 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| A partir du 1er janvier 2022 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné ou dans l'ensemble d'un bâtiment résidentiel collectif ou d'un nouveau bâtiment résidentiel collectif, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 4000 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| / | demandes de prime à partir du 1er janvier 2026 | 1500 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" ;
4° à l'alinéa 1er, 3/1°, les lignes "
| Vanaf 1 januari 2024 | plaatsing in een premiewoning, nieuwe premiewoning, collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw van een huishoudelijke afnemer met toepassing van uitsluitend nachttarief op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor investeringen met eindfactuur vanaf 1 januari 2021 en premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 1800 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| Vanaf 1 januari 2024 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning, nieuwe premiewoning of volledig collectief woongebouw of nieuw collectief woongebouw, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 3000 euro, begrensd tot 40% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
" opgeheven;
5° in het tweede lid, 3°, worden de rijen "
| A partir du 1er janvier 2024 | pose dans un logement subventionné, nouveau logement subventionné, bâtiment résidentiel collectif ou nouveau bâtiment résidentiel collectif d'un client résidentiel avec application du seul tarif de nuit au moment de l'exécution des travaux, pour des investissements avec facture finale à partir du 1er janvier 2021 et des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 1800 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| A partir du 1er janvier 2024 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné ou dans l'ensemble d'un bâtiment résidentiel collectif ou d'un nouveau bâtiment résidentiel collectif, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 3000 euros, plafonnée à 40 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" sont abrogées ;
5° à l'alinéa 2, 3°, les lignes "
| vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | / | 4800 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning of nieuwe premiewoning of plaatsing in een premiewoning of nieuwe premiewoning gelegen in een gebied waar geen aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 7200 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| vanaf 1 januari 2024 | / | 3600 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
" vervangen door de rijen "
| du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | / | 4800 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné ou pose dans un logement subventionné ou nouveau logement subventionné situé dans une région dépourvue de réseau de distribution de gaz naturel au moment de l'exécution des travaux, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 7200 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| à partir du 1er janvier 2024 | / | 3600 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" sont remplacées par les lignes "
| vanaf 1 januari 2022 | premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 4800 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| vanaf 1 januari 2022 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning of nieuwe premiewoning of plaatsing in een premiewoning of nieuwe premiewoning gelegen in een gebied waar geen aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 7200 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| / | Premieaanvragen vanaf 1 januari 2026 | 3600 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
";
6° in het tweede lid, 3°, wordt de rij "
| à partir du 1er janvier 2022 | demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 4800 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| à partir du 1er janvier 2022 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné ou pose dans un logement subventionné ou nouveau logement subventionné situé dans une région dépourvue de réseau de distribution de gaz naturel au moment de l'exécution des travaux, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 7200 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| / | Demandes de prime à partir du 1er janvier 2026 | 3600 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" ;
6° à l'alinéa 2, 3°, la ligne "
| vanaf 1 januari 2024 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning of nieuwe premiewoning of plaatsing in een premiewoning of nieuwe premiewoning gelegen in een gebied waar geen aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 5400 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
" opgeheven;
7° in het tweede lid, 3/1°, worden de rijen "
| à partir du 1er janvier 2024 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné ou pose dans un logement subventionné ou nouveau logement subventionné situé dans une région dépourvue de réseau de distribution de gaz naturel au moment de l'exécution des travaux, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 5400 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" est abrogée ;
7° à l'alinéa 2, 3/1°, les lignes "
| Vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | / | 3200 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| Vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning of nieuwe premiewoning, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 4800 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| Vanaf 1 januari 2024 | / | 2400 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
" vervangen door de rijen "
| Du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | / | 3200 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| Du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 4800 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| A partir du 1er janvier 2024 | / | 2400 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" sont remplacées par les lignes "
| Vanaf 1 januari 2022 | Premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 3200 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| Vanaf 1 januari 2022 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning of nieuwe premiewoning, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 4800 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
| / | Premieaanvragen vanaf 1 januari 2026 | 2400 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
";
8° in het tweede lid, 3/1°, wordt de rij "
| A partir du 1er janvier 2022 | Demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 3200 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| A partir du 1er janvier 2022 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 4800 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
| / | Demandes de prime à partir du 1er janvier 2026 | 2400 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" ;
8° à l'alinéa 2, 3/1°, la ligne "
| Vanaf 1 januari 2024 | vervanging elektrische weerstandsverwarming in een volledige premiewoning of nieuwe premiewoning, voor premieaanvragen tot en met 31 december 2025 | 3600 euro, begrensd tot 50% van de in aanmerking komende investeringskosten, exclusief btw |
" opgeheven.
| A partir du 1er janvier 2024 | remplacement chauffage électrique par résistance dans l'ensemble d'un logement subventionné ou d'un nouveau logement subventionné, pour des demandes de prime jusqu'au 31 décembre 2025 | 3600 euros, plafonnée à 50 % des coûts d'investissement éligibles, hors T.V.A. |
" est abrogée.
Art. 21. Artikel 6.4.1/1/4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 september 2020, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2020 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 december 2021 en 4 februari 2022, wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Art. 6.4.1/1/4. § 1. De elektriciteitsdistributienetbeheerder geeft vanaf 2021 aan aanvragers een premie voor de grondige energetische renovatie van een woning, collectief woongebouw of wooneenheid. De voormelde aanvragers zijn voor de voormelde woning, het voormelde collectieve woongebouw of de voormelde wooneenheid uitgesloten van de premie, vermeld in artikel 6.4.1/1/3.
Aanvragers kunnen de premie, vermeld in het eerste lid, verkrijgen als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de aanvrager beschikt over een energieprestatiecertificaat dat niet ouder is dan 2019 en dat dateert van ten laatste 31 december 2026, waaruit blijkt dat de woning of het collectieve woongebouw energielabel E of F had, of de wooneenheid een energielabel D, E of F had;
2° er is nog geen voucher, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, geactiveerd;
3° de aanvrager is houder van een zakelijk recht verbonden aan de voormelde woning, het voormelde collectief woongebouw of de voormelde wooneenheid.
Binnen vijf jaar na de datum van het energieprestatiecertificaat, vermeld in het tweede lid, 1°, beschikt de aanvrager ook over een nieuw geldig energieprestatiecertificaat. Voor energieprestatiecertificaten als vermeld in het tweede lid, 1°, die zijn opgemaakt in 2019 of 2020, begint de voormelde termijn te lopen vanaf 1 januari 2021.
Uit het nieuwe energieprestatiecertificaat, vermeld in het derde lid, blijkt minstens de volgende energetische verbetering:
1° voor een wooneenheid een energieprestatiecertificaat met minstens label B;
2° voor een woning of collectief woongebouw een energieprestatiecertificaat met minstens label C.
De aanvraag van de uitbetaling van de premie, vermeld in het eerste lid, wordt ingediend bij de elektriciteitsdistributiebeheerder uiterlijk binnen twaalf maanden nadat de termijn van vijf jaar, vermeld in het derde lid, is verstreken.
Voor elke woning, elk collectief woongebouw of elke wooneenheid kan maar één aanvraag als vermeld in het vijfde lid, worden ingediend en de voormelde aanvraag blijft verbonden aan de woning, het collectieve woongebouw of de wooneenheid.
De hoogte van de premie, vermeld in het eerste lid, bedraagt:
1° voor een wooneenheid:
a) 2500 euro als label B wordt behaald;
b) 3750 euro als label A wordt behaald;
2° voor een woning of collectief woongebouw:
a) 2500 euro als label C wordt behaald;
b) 3750 euro als label B wordt behaald;
c) 5000 euro als label A wordt behaald.
In afwijking van het zevende lid wordt voor uitbetalingen die vanaf 1 april 2024 worden aangevraagd, aan bewoners als vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 3°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021 en die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, derde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, met toepassing van artikel 5.187, eerste lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, en aan de verhuurders, vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 8°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, volgende bedragen toegekend:
1° voor een wooneenheid:
a) 3000 euro als label B wordt behaald;
b) 4500 euro als label A wordt behaald;
2° voor een woning of collectief woongebouw:
a) 3000 euro als label C wordt behaald;
b) 4500 euro als label B wordt behaald;
c) 6000 euro als label A wordt behaald.
Als een aanvrager als vermeld in het eerste lid, achtereenvolgens verschillende geldige energieprestatiecertificaten met opeenvolgende labelverbeteringen voorlegt gedurende de periode, vermeld in het vierde lid, wordt na de uitbetaling van een eerdere premie als bijkomende premie alleen het verschil tussen de premie voor het label waarvoor al een premie is uitbetaald, en de premie die gekoppeld is aan het nieuw bereikte label, vermeld in het vijfde lid, uitbetaald, waarbij dat laatste label altijd beter moet zijn dan het vorige bereikte label.
De minister kan nadere regels bepalen voor de manier waarop de premie kan worden aangevraagd en de bewijsstukken die worden vereist.
§ 2. Voor uitbetalingen van premies als vermeld in paragraaf 1, die worden aangevraagd vanaf 1 januari 2025, worden in afwijking van paragraaf 1 de volgende bedragen toegekend aan de aanvrager:
" § 1. Art. 6.4.1/1/4. § 1. De elektriciteitsdistributienetbeheerder geeft vanaf 2021 aan aanvragers een premie voor de grondige energetische renovatie van een woning, collectief woongebouw of wooneenheid. De voormelde aanvragers zijn voor de voormelde woning, het voormelde collectieve woongebouw of de voormelde wooneenheid uitgesloten van de premie, vermeld in artikel 6.4.1/1/3.
Aanvragers kunnen de premie, vermeld in het eerste lid, verkrijgen als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de aanvrager beschikt over een energieprestatiecertificaat dat niet ouder is dan 2019 en dat dateert van ten laatste 31 december 2026, waaruit blijkt dat de woning of het collectieve woongebouw energielabel E of F had, of de wooneenheid een energielabel D, E of F had;
2° er is nog geen voucher, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, geactiveerd;
3° de aanvrager is houder van een zakelijk recht verbonden aan de voormelde woning, het voormelde collectief woongebouw of de voormelde wooneenheid.
Binnen vijf jaar na de datum van het energieprestatiecertificaat, vermeld in het tweede lid, 1°, beschikt de aanvrager ook over een nieuw geldig energieprestatiecertificaat. Voor energieprestatiecertificaten als vermeld in het tweede lid, 1°, die zijn opgemaakt in 2019 of 2020, begint de voormelde termijn te lopen vanaf 1 januari 2021.
Uit het nieuwe energieprestatiecertificaat, vermeld in het derde lid, blijkt minstens de volgende energetische verbetering:
1° voor een wooneenheid een energieprestatiecertificaat met minstens label B;
2° voor een woning of collectief woongebouw een energieprestatiecertificaat met minstens label C.
De aanvraag van de uitbetaling van de premie, vermeld in het eerste lid, wordt ingediend bij de elektriciteitsdistributiebeheerder uiterlijk binnen twaalf maanden nadat de termijn van vijf jaar, vermeld in het derde lid, is verstreken.
Voor elke woning, elk collectief woongebouw of elke wooneenheid kan maar één aanvraag als vermeld in het vijfde lid, worden ingediend en de voormelde aanvraag blijft verbonden aan de woning, het collectieve woongebouw of de wooneenheid.
De hoogte van de premie, vermeld in het eerste lid, bedraagt:
1° voor een wooneenheid:
a) 2500 euro als label B wordt behaald;
b) 3750 euro als label A wordt behaald;
2° voor een woning of collectief woongebouw:
a) 2500 euro als label C wordt behaald;
b) 3750 euro als label B wordt behaald;
c) 5000 euro als label A wordt behaald.
In afwijking van het zevende lid wordt voor uitbetalingen die vanaf 1 april 2024 worden aangevraagd, aan bewoners als vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 3°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021 en die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, derde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, met toepassing van artikel 5.187, eerste lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, en aan de verhuurders, vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 8°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, volgende bedragen toegekend:
1° voor een wooneenheid:
a) 3000 euro als label B wordt behaald;
b) 4500 euro als label A wordt behaald;
2° voor een woning of collectief woongebouw:
a) 3000 euro als label C wordt behaald;
b) 4500 euro als label B wordt behaald;
c) 6000 euro als label A wordt behaald.
Als een aanvrager als vermeld in het eerste lid, achtereenvolgens verschillende geldige energieprestatiecertificaten met opeenvolgende labelverbeteringen voorlegt gedurende de periode, vermeld in het vierde lid, wordt na de uitbetaling van een eerdere premie als bijkomende premie alleen het verschil tussen de premie voor het label waarvoor al een premie is uitbetaald, en de premie die gekoppeld is aan het nieuw bereikte label, vermeld in het vijfde lid, uitbetaald, waarbij dat laatste label altijd beter moet zijn dan het vorige bereikte label.
De minister kan nadere regels bepalen voor de manier waarop de premie kan worden aangevraagd en de bewijsstukken die worden vereist.
§ 2. Voor uitbetalingen van premies als vermeld in paragraaf 1, die worden aangevraagd vanaf 1 januari 2025, worden in afwijking van paragraaf 1 de volgende bedragen toegekend aan de aanvrager:
Art. 21. L'article 6.4.1/1/4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 septembre 2020, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 décembre 2020 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 10 décembre 2021 et 4 février 2022, est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Art. 6.4.1/1/4. § 1er. A partir de 2021, le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité accorde aux demandeurs une prime à la rénovation énergétique substantielle d'un logement, d'un bâtiment résidentiel collectif ou d'une unité de logement. Les demandeurs précités ont été exclus du bénéfice de la prime mentionnée à l'article 6.4.1/1/3 pour le logement, le bâtiment résidentiel collectif ou l'unité de logement précités.
Les demandeurs peuvent obtenir la prime mentionnée à l'alinéa 1er si toutes les conditions suivantes ont été remplies :
1° le demandeur dispose d'un certificat de performance énergétique non antérieur à 2019 et datant du 31 décembre 2026 au plus tard, attestant que le logement ou le bâtiment résidentiel collectif avait un label énergétique E ou F ou que l'unité de logement avait un label énergétique D, E ou F ;
2° le voucher visé à l'article 6.4.1/1/3 n'a pas encore été activé ;
3° le demandeur est titulaire d'un droit réel attaché au logement, au bâtiment résidentiel collectif ou à l'unité de logement précités.
Dans les cinq ans suivant la date du certificat de performance énergétique visé à l'alinéa 2, 1°, le demandeur dispose également d'un nouveau certificat de performance énergétique valable. En ce qui concerne les certificats de performance énergétique tels que visés à l'alinéa 2, 1°, qui ont été établis en 2019 ou 2020, le délai précité commence à courir le 1er janvier 2021.
Le nouveau certificat de performance énergétique visé à l'alinéa 3 atteste au minimum de l'amélioration énergétique suivante :
1° pour une unité de logement, un certificat de performance énergétique portant le label B au moins ;
2° pour un logement ou un bâtiment résidentiel collectif, un certificat de performance énergétique portant le label C au moins.
La demande de paiement de la prime mentionnée à l'alinéa 1er est introduite auprès du gestionnaire de réseau de distribution d'électricité au plus tard dans les douze mois suivant l'expiration du délai de cinq ans visé à l'alinéa 3.
Une seule demande telle que visée à l'alinéa 5 peut être introduite pour chaque logement, bâtiment résidentiel collectif ou unité de logement et la demande précitée demeure attachée au logement, au bâtiment résidentiel collectif ou à l'unité de logement.
Le montant de la prime mentionnée à l'alinéa 1er s'élève à :
1° pour une unité de logement : 1
a) 2500 euros si le label B est obtenu ;
b) 3750 euros si le label A est obtenu ;
2° pour un logement ou un bâtiment résidentiel collectif :
a) 2500 euros si le label C est obtenu ;
b) 3750 euros si le label B est obtenu ;
c) 5000 euros si le label A est obtenu.
Par dérogation à l'alinéa 7, pour les paiements demandés à partir du 1er avril 2024, les montants suivants sont octroyés aux occupants tels que visés à l'article 5 186, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 et qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 5 187 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, en application de l'article 5 187, alinéa 1er, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, et aux bailleurs visés à l'article 5 186, alinéa 1er, 8°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 :
1° pour une unité de logement :
a) 3000 euros si le label B est obtenu ;
b) 4500 euros si le label A est obtenu ;
2° pour un logement ou un bâtiment résidentiel collectif :
a) 3000 euros si le label C est obtenu ;
b) 4500 euros si le label B est obtenu ;
c) 6000 euros si le label A est obtenu.
Si un demandeur, tel que visé à l'alinéa 1er, produit successivement plusieurs certificats de performance énergétique valables avec des améliorations successives du label durant la période visée à l'alinéa 4, après le paiement d'une prime précédente, seule la différence entre la prime liée au label pour lequel une prime a déjà été versée et la prime liée au nouveau label obtenu, visée à l'alinéa 5, est versée en guise de prime supplémentaire, ce dernier label devant toujours être meilleur que le précédent label obtenu.
Le ministre peut préciser les règles concernant les modalités de demande de prime et les pièces justificatives requises.
§ 2. Pour les paiements de primes tels que visés au paragraphe 1er, qui sont demandés à partir du 1er janvier 2025, les montants suivants sont octroyés au demandeur par dérogation au paragraphe 1er :
" § 1er. Art. 6.4.1/1/4. § 1er. A partir de 2021, le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité accorde aux demandeurs une prime à la rénovation énergétique substantielle d'un logement, d'un bâtiment résidentiel collectif ou d'une unité de logement. Les demandeurs précités ont été exclus du bénéfice de la prime mentionnée à l'article 6.4.1/1/3 pour le logement, le bâtiment résidentiel collectif ou l'unité de logement précités.
Les demandeurs peuvent obtenir la prime mentionnée à l'alinéa 1er si toutes les conditions suivantes ont été remplies :
1° le demandeur dispose d'un certificat de performance énergétique non antérieur à 2019 et datant du 31 décembre 2026 au plus tard, attestant que le logement ou le bâtiment résidentiel collectif avait un label énergétique E ou F ou que l'unité de logement avait un label énergétique D, E ou F ;
2° le voucher visé à l'article 6.4.1/1/3 n'a pas encore été activé ;
3° le demandeur est titulaire d'un droit réel attaché au logement, au bâtiment résidentiel collectif ou à l'unité de logement précités.
Dans les cinq ans suivant la date du certificat de performance énergétique visé à l'alinéa 2, 1°, le demandeur dispose également d'un nouveau certificat de performance énergétique valable. En ce qui concerne les certificats de performance énergétique tels que visés à l'alinéa 2, 1°, qui ont été établis en 2019 ou 2020, le délai précité commence à courir le 1er janvier 2021.
Le nouveau certificat de performance énergétique visé à l'alinéa 3 atteste au minimum de l'amélioration énergétique suivante :
1° pour une unité de logement, un certificat de performance énergétique portant le label B au moins ;
2° pour un logement ou un bâtiment résidentiel collectif, un certificat de performance énergétique portant le label C au moins.
La demande de paiement de la prime mentionnée à l'alinéa 1er est introduite auprès du gestionnaire de réseau de distribution d'électricité au plus tard dans les douze mois suivant l'expiration du délai de cinq ans visé à l'alinéa 3.
Une seule demande telle que visée à l'alinéa 5 peut être introduite pour chaque logement, bâtiment résidentiel collectif ou unité de logement et la demande précitée demeure attachée au logement, au bâtiment résidentiel collectif ou à l'unité de logement.
Le montant de la prime mentionnée à l'alinéa 1er s'élève à :
1° pour une unité de logement : 1
a) 2500 euros si le label B est obtenu ;
b) 3750 euros si le label A est obtenu ;
2° pour un logement ou un bâtiment résidentiel collectif :
a) 2500 euros si le label C est obtenu ;
b) 3750 euros si le label B est obtenu ;
c) 5000 euros si le label A est obtenu.
Par dérogation à l'alinéa 7, pour les paiements demandés à partir du 1er avril 2024, les montants suivants sont octroyés aux occupants tels que visés à l'article 5 186, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 et qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 5 187 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, en application de l'article 5 187, alinéa 1er, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, et aux bailleurs visés à l'article 5 186, alinéa 1er, 8°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 :
1° pour une unité de logement :
a) 3000 euros si le label B est obtenu ;
b) 4500 euros si le label A est obtenu ;
2° pour un logement ou un bâtiment résidentiel collectif :
a) 3000 euros si le label C est obtenu ;
b) 4500 euros si le label B est obtenu ;
c) 6000 euros si le label A est obtenu.
Si un demandeur, tel que visé à l'alinéa 1er, produit successivement plusieurs certificats de performance énergétique valables avec des améliorations successives du label durant la période visée à l'alinéa 4, après le paiement d'une prime précédente, seule la différence entre la prime liée au label pour lequel une prime a déjà été versée et la prime liée au nouveau label obtenu, visée à l'alinéa 5, est versée en guise de prime supplémentaire, ce dernier label devant toujours être meilleur que le précédent label obtenu.
Le ministre peut préciser les règles concernant les modalités de demande de prime et les pièces justificatives requises.
§ 2. Pour les paiements de primes tels que visés au paragraphe 1er, qui sont demandés à partir du 1er janvier 2025, les montants suivants sont octroyés au demandeur par dérogation au paragraphe 1er :
| EPC-label na renovatie | zonder ventilatiesysteem | met ventilatiesysteem | |
| woning of collectief woongebouw | A | 4000 euro | 5000 euro |
| B | 3000 euro | 3750 euro | |
| C | 2000 euro | 2500 euro | |
| wooneenheid | A | 3000 euro | 3750 euro |
| B | 2000 euro | 2500 euro |
woongebouw A 4000 euro 5000 euro B 3000 euro 3750 euro
C 2000 euro 2500 euro wooneenheid A 3000 euro 3750 euro B 2000 euro 2500 euro
In afwijking van het eerste lid worden aan bewoners als vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 3°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, met toepassing van artikel 5.187, eerste lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, de volgende bedragen toegekend voor uitbetalingen die worden aangevraagd vanaf 1 januari 2025:
| Label CPE après rénovation | sans système de ventilation | avec système de ventilation | |
| logement ou bâtiment résidentiel collectif | A | 4000 euros | 5000 euros |
| B | 3000 euros | 3750 euros | |
| C | 2000 euros | 2500 euros | |
| unité de logement | A | 3000 euros | 3750 euros |
| B | 2000 euros | 2500 euros |
après rénovation sans système
de ventilation avec système
de ventilation logement ou bâtiment résidentiel collectif A 4000 euros 5000 euros B 3000 euros 3750 euros
C 2000 euros 2500 euros unité de logement A 3000 euros 3750 euros B 2000 euros 2500 euros
Par dérogation à l'alinéa 1er, les montants suivants sont octroyés aux occupants tels que visés à l'article 5 186, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 5 187, alinéa 2, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, en application de l'article 5 187, alinéa 1er, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, pour les paiements demandés à partir du 1er janvier 2025 :
| EPC-label na renovatie | zonder ventilatiesysteem | met ventilatiesysteem | |
| woning of collectief woongebouw | A | 5000 euro | 6000 euro |
| B | 3750 euro | 4500 euro | |
| C | 2500 euro | 3000 euro | |
| wooneenheid | A | 3750 euro | 4500 euro |
| B | 2500 euro | 3000 euro |
C 2500 euro 3000 euro wooneenheid A 3750 euro 4500 euro B 2500 euro 3000 euro
In afwijking van het eerste en tweede lid worden aan bewoners als vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 3°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, derde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, met toepassing van artikel 5.187, eerste lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, en aan de verhuurders, vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 8°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, de volgende bedragen toegekend voor uitbetalingen die worden aangevraagd vanaf 1 januari 2025:
| Label CPE après rénovation | sans système de ventilation | avec système de ventilation | |
| logement ou bâtiment résidentiel collectif | A | 5000 euros | 6000 euros |
| B | 3750 euros | 4500 euros | |
| C | 2500 euros | 3000 euros | |
| unité de logement | A | 3750 euros | 4500 euros |
| B | 2500 euros | 3000 euros |
après rénovation sans système
de ventilation avec système
de ventilation logement ou bâtiment résidentiel collectif A 5000 euros 6000 euros B 3750 euros 4500 euros
C 2500 euros 3000 euros unité de logement A 3750 euros 4500 euros B 2500 euros 3000 euros
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, les montants suivants sont octroyés aux occupants tels que visés à l'article 5 186, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 5 187, alinéa 3, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, en application de l'article 5 187, alinéa 1er, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, et aux bailleurs visés à l'article 5 186, alinéa 1er, 8°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, pour les paiements demandés à partir du 1er janvier 2025 :
| EPC-label na renovatie | zonder ventilatiesysteem | met ventilatiesysteem | |
| woning of collectief woongebouw | A | 6000 euro | 7000 euro |
| B | 4500 euro | 5250 euro | |
| C | 3000 euro | 3500 euro | |
| wooneenheid | A | 4500 euro | 5250 euro |
| B | 3000 euro | 3500 euro |
woongebouw A 6000 euro 7000 euro B 4500 euro 5250 euro
C 3000 euro 3500 euro wooneenheid A 4500 euro 5250 euro B 3000 euro 3500 euro
De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan het ventilatiesysteem, vermeld in het eerste lid, of de uitvoerders van de werkzaamheden, respectievelijk de installateurs van de voormelde ventilatiesystemen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de bedragen, vermeld in deze paragraaf.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 komen aanvragers die voor 1 januari 2021 al minstens één investering als vermeld in artikel 6.4.1/1/3, met eindfacturen tot en met 31 december 2020 hebben gedaan en daarvoor een premie hebben aangevraagd, niet in aanmerking voor de premie, vermeld in paragraaf 1, tenzij de termijn, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, eerste lid, is verstreken.
Als de termijn, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, eerste lid, is verstreken, dan dateert het energieprestatiecertificaat, vermeld in paragraaf 1, derde lid, echter van na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, eerste lid.
Als de termijn, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, eerste lid, niet is verstreken, blijft de woning, het collectieve woongebouw of de wooneenheid onderworpen aan de premievoorwaarden, vermeld in artikel 6.4.1/1/3.
In afwijking van het eerste tot en met het derde lid komen aanvragers die vanaf 1 januari 2021 de nieuwe houder van het zakelijk recht van de woning, het collectieve woongebouw of de wooneenheid zijn geworden, in aanmerking voor de premie, vermeld in dit artikel. In hoofde van de nieuwe houder van het zakelijk recht wordt het recht op een geactiveerde voucher, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, beëindigd.
§ 4. Vanaf 1 januari 2021 kunnen geen nieuwe vouchers als vermeld in artikel 6.4.1/1/3, worden geactiveerd.
In afwijking van het eerste lid en van paragraaf 1 kunnen de aanvragers, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kiezen tussen de premie, vermeld in paragraaf 1, of de premie, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de voucher, vermeld in artikel 6.4.1/1/3 is voor 1 januari 2021 nog niet geactiveerd;
2° de eerste eindfactuur voor de gedane investeringen heeft een datum vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021;
3° de aanvragers- kunnen voor de eindfactuur, vermeld in punt 2°, een ondertekende bestelbon of ondertekende offerte voorleggen die dateert van vóór 1 januari 2021;
4° de aanvraag van de premie voor de investeringen die op de eindfactuur, vermeld in punt 2°, vermeld zijn, wordt ingediend voor 1 juli 2022.
De keuze van de aanvragers, vermeld in het paragraaf 1, eerste lid, is voor die woning, dat collectieve woongebouw of die wooneenheid onherroepelijk. Als de aanvrager kiest voor de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1/3, blijft die woning, dat collectieve woongebouw of die wooneenheid onderworpen aan de daarbij van toepassing zijnde premievoorwaarden.
De minister kan nadere regels bepalen voor de wijze waarop aanvragers de elektriciteitsdistributienetbeheerder op de hoogte kunnen brengen van hun keuze en voor de bewijsdocumenten die vereist zijn.".
| Label CPE après rénovation | sans système de ventilation | avec système de ventilation | |
| logement ou bâtiment résidentiel collectif | A | 6000 euros | 7000 euros |
| B | 4500 euros | 5250 euros | |
| C | 3000 euros | 3500 euros | |
| unité de logement | A | 4500 euros | 5250 euros |
| B | 3000 euros | 3500 euros |
après rénovation sans système
de ventilation avec système
de ventilation logement ou bâtiment résidentiel collectif A 6000 euros 7000 euros B 4500 euros 5250 euros
C 3000 euros 3500 euros unité de logement A 4500 euros 5250 euros B 3000 euros 3500 euros
Le ministre peut préciser les modalités et fixer les exigences techniques auxquelles doivent satisfaire le système de ventilation visé à l'alinéa 1er, ou les exécutants des travaux ou les installateurs des systèmes de ventilation précités, respectivement, pour être éligibles aux montants visés dans le présent paragraphe.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er, les demandeurs qui ont déjà effectué avant le 1er janvier 2021 au moins un investissement, tel que visé à l'article 6.4.1/1/3, avec factures finales jusqu'au 31 décembre 2020 et qui ont demandé une prime à ce titre ne sont pas éligibles à la prime mentionnée dans le paragraphe 1er, à moins que le délai mentionné à l'article 6.4.1/1/3, alinéa 1er, ne soit expiré.
Si le délai mentionné à l'article 6.4.1/1/3, alinéa 1er, est expiré, le certificat de performance énergétique mentionné dans le paragraphe 1er, alinéa 3, est cependant postérieur à l'expiration du délai mentionné à l'article 6.4.1/1/3, alinéa 1er.
Si le délai mentionné à l'article 6.4.1/1/3, alinéa 1er, n'est pas expiré, le logement, le bâtiment résidentiel collectif ou l'unité de logement restent soumis aux conditions de prime mentionnées à l'article 6.4.1/1/3.
Par dérogation aux alinéas 1er à 3, les demandeurs qui, à partir du 1er janvier 2021, sont devenus le nouveau titulaire du droit réel du logement, du bâtiment résidentiel collectif ou de l'unité de logement sont éligibles à la prime mentionnée dans le présent article. Dans le chef du nouveau titulaire du droit réel, il est mis fin au droit à un voucher activé mentionné à l'article 6.4.1/1/3.
§ 4. A partir du 1er janvier 2021, aucun nouveau voucher tel que visé à l'article 6.4.1/1/3 ne peut être activé.
Par dérogation à l'alinéa 1er et au paragraphe 1er, les demandeurs mentionnés dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, peuvent choisir entre la prime mentionnée dans le paragraphe 1er ou la prime mentionnée à l'article 6.4.1/1/3, si toutes les conditions suivantes ont été remplies :
1° le voucher mentionné à l'article 6.4.1/1/3 n'a pas encore été activé avant le 1er janvier 2021 ;
2° la date de la première facture finale des investissements effectués se situe entre le 1er janvier 2021 et le 31 décembre 2021 ;
3° les demandeurs peuvent présenter, pour la facture finale mentionnée au point 2°, un bon de commande ou un devis signés antérieurs au 1er janvier 2021 ;
4° la demande de prime pour les investissements indiqués sur la facture finale mentionnée au point 2° est introduite avant le 1er juillet 2022.
Le choix des demandeurs mentionnés dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, est irrévocable pour ce logement, ce bâtiment résidentiel collectif ou cette unité de logement. Si le demandeur opte pour les primes mentionnées à l'article 6.4.1/1/3, ce logement, ce bâtiment résidentiel collectif ou cette unité de logement restent soumis aux conditions de prime applicables.
Le ministre peut préciser les règles concernant les modalités de notification par les demandeurs de leur choix au gestionnaire de réseau de distribution d'électricité et les documents justificatifs requis. ".
Art. 22. In artikel 6.4.1/4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"De elektriciteitsdistributienetbeheerder biedt een premie van 250 euro aan voor de volgende nieuwe energiezuinige huishoudtoestellen:
1° een koelkast met of zonder vriesvak;
2° een wasmachine;
3° een diepvriezer;
4° een droogkast.";
2° tussen het eerste en het tweede lid worden drie leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"De elektriciteitsdistributienetbeheerder kent de premie, vermeld in het eerste lid, toe:
1° in de vorm van een kortingsbon ter waarde van 250 euro voor de aankoop van een huishoudtoestel als vermeld in het eerste lid, aan iedere afnemer die erom verzoekt en van wie het inkomen de grenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, tweede lid, niet overschrijdt;
2° aan een niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon die erom verzoekt, in het kader van de verhuur met inbegrepen service- en reparatiekosten op een termijn van tien jaar van een huishoudtoestel als vermeld in het eerste lid, aan een afnemer van wie het inkomen de grenzen, bepaald in artikel 6.4.1/6/3, tweede lid, niet overschrijdt, en op voorwaarde dat de verhuur onderdeel vormt van een traject met het oog op begeleiding bij het aanpakken van energiearmoede van betreffende afnemer;
3° vanaf 1 juli 2023 tot en met een door de minister bepaalde datum in de vorm van een kortingsbon ter waarde van 250 euro voor de aankoop van een huishoudtoestel als vermeld in het eerste lid, aan iedere afnemer die erom verzoekt en als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
a) de afnemer was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar titularis van het toegangspunt en verklaart dit op eer bij de aanvraag;
b) de afnemer heeft gedurende het voorafgaande kalenderjaar op het toegangspunt, vermeld in a), minder dan 900 kWh elektriciteit afgenomen;
c) de afnemer was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar gedomicilieerd op het adres van het toegangspunt, vermeld in a), en verklaart dit op eer bij de aanvraag;
d) op het toegangspunt, vermeld in a), was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar een digitale meter voor elektriciteit aanwezig;
e) op het toegangspunt, vermeld in a), is geen decentrale productie-installatie aangesloten geweest in het voorafgaande kalenderjaar;
4° vanaf een door de minister bepaalde datum tot en met 31 december 2026 in de vorm van een kortingsbon ter waarde van 250 euro voor de aankoop van een huishoudtoestel als vermeld in het eerste lid, aan iedere afnemer die erom verzoekt en als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
a) de afnemer was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar titularis van het toegangspunt;
b) de afnemer heeft gedurende het voorafgaande kalenderjaar op het toegangspunt, vermeld in a), minder dan 900 kWh elektriciteit afgenomen;
c) de afnemer was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar gedomicilieerd op het adres van het toegangspunt, vermeld in a);
d) op het toegangspunt, vermeld in a), was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar een digitale meter voor elektriciteit aanwezig;
e) op het toegangspunt, vermeld in a), is geen decentrale productie-installatie aangesloten geweest in het voorafgaande kalenderjaar.
In afwijking van het tweede lid kent de elektriciteitsdistributienetbeheerder de premie, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, ook toe aan iedere afnemer en, in kader van verhuur als vermeld in het tweede lid, 2°, aan iedere niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon, vermeld in het tweede lid, 2°, die erom verzoekt en voor wie het OCMW attesteert dat deze premie relevant kan zijn.
Als reeds een premie, vermeld in het tweede lid, 1°, werd bekomen dan kan de premie, vermeld in het tweede lid, 3° en 4°, niet worden verkregen als er geen periode van 12 maanden verstreken is sinds de premie werd bekomen. Als reeds een premie, vermeld in het tweede lid, 3° en 4°, werd bekomen dan kan de premie, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, niet worden verkregen voor eenzelfde type toestel als er geen 24 maanden zijn verstreken sinds de premie, vermeld in het tweede lid, 3° en 4°, werd bekomen.";
3° in het bestaande derde lid, dat het zesde lid wordt, wordt het woord "uitvoeringsadres" vervangen door het woord "rijksregisternummer", wordt het woord "aangevraagd" vervangen door het woord "bekomen" en worden de woorden "kortingsbonnen vermeld in het eerste lid" vervangen door de zinsnede "kortingsbonnen, vermeld in het tweede lid";
4° er wordt een zevende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Een afnemer die een toestel huurt via een huurovereenkomst, vermeld in het tweede lid, 2°, kan gedurende de periode van die overeenkomst geen kortingsbon meer verkrijgen voor de aankoop van eenzelfde toestel.";
5° er wordt een achtste lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het zesde lid kan de premie vermeld in het tweede lid, 3° en 4°, binnen een periode van twaalf maanden niet meer dan één keer worden verkregen.".
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"De elektriciteitsdistributienetbeheerder biedt een premie van 250 euro aan voor de volgende nieuwe energiezuinige huishoudtoestellen:
1° een koelkast met of zonder vriesvak;
2° een wasmachine;
3° een diepvriezer;
4° een droogkast.";
2° tussen het eerste en het tweede lid worden drie leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"De elektriciteitsdistributienetbeheerder kent de premie, vermeld in het eerste lid, toe:
1° in de vorm van een kortingsbon ter waarde van 250 euro voor de aankoop van een huishoudtoestel als vermeld in het eerste lid, aan iedere afnemer die erom verzoekt en van wie het inkomen de grenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, tweede lid, niet overschrijdt;
2° aan een niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon die erom verzoekt, in het kader van de verhuur met inbegrepen service- en reparatiekosten op een termijn van tien jaar van een huishoudtoestel als vermeld in het eerste lid, aan een afnemer van wie het inkomen de grenzen, bepaald in artikel 6.4.1/6/3, tweede lid, niet overschrijdt, en op voorwaarde dat de verhuur onderdeel vormt van een traject met het oog op begeleiding bij het aanpakken van energiearmoede van betreffende afnemer;
3° vanaf 1 juli 2023 tot en met een door de minister bepaalde datum in de vorm van een kortingsbon ter waarde van 250 euro voor de aankoop van een huishoudtoestel als vermeld in het eerste lid, aan iedere afnemer die erom verzoekt en als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
a) de afnemer was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar titularis van het toegangspunt en verklaart dit op eer bij de aanvraag;
b) de afnemer heeft gedurende het voorafgaande kalenderjaar op het toegangspunt, vermeld in a), minder dan 900 kWh elektriciteit afgenomen;
c) de afnemer was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar gedomicilieerd op het adres van het toegangspunt, vermeld in a), en verklaart dit op eer bij de aanvraag;
d) op het toegangspunt, vermeld in a), was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar een digitale meter voor elektriciteit aanwezig;
e) op het toegangspunt, vermeld in a), is geen decentrale productie-installatie aangesloten geweest in het voorafgaande kalenderjaar;
4° vanaf een door de minister bepaalde datum tot en met 31 december 2026 in de vorm van een kortingsbon ter waarde van 250 euro voor de aankoop van een huishoudtoestel als vermeld in het eerste lid, aan iedere afnemer die erom verzoekt en als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
a) de afnemer was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar titularis van het toegangspunt;
b) de afnemer heeft gedurende het voorafgaande kalenderjaar op het toegangspunt, vermeld in a), minder dan 900 kWh elektriciteit afgenomen;
c) de afnemer was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar gedomicilieerd op het adres van het toegangspunt, vermeld in a);
d) op het toegangspunt, vermeld in a), was gedurende het volledige voorafgaande kalenderjaar een digitale meter voor elektriciteit aanwezig;
e) op het toegangspunt, vermeld in a), is geen decentrale productie-installatie aangesloten geweest in het voorafgaande kalenderjaar.
In afwijking van het tweede lid kent de elektriciteitsdistributienetbeheerder de premie, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, ook toe aan iedere afnemer en, in kader van verhuur als vermeld in het tweede lid, 2°, aan iedere niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon, vermeld in het tweede lid, 2°, die erom verzoekt en voor wie het OCMW attesteert dat deze premie relevant kan zijn.
Als reeds een premie, vermeld in het tweede lid, 1°, werd bekomen dan kan de premie, vermeld in het tweede lid, 3° en 4°, niet worden verkregen als er geen periode van 12 maanden verstreken is sinds de premie werd bekomen. Als reeds een premie, vermeld in het tweede lid, 3° en 4°, werd bekomen dan kan de premie, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, niet worden verkregen voor eenzelfde type toestel als er geen 24 maanden zijn verstreken sinds de premie, vermeld in het tweede lid, 3° en 4°, werd bekomen.";
3° in het bestaande derde lid, dat het zesde lid wordt, wordt het woord "uitvoeringsadres" vervangen door het woord "rijksregisternummer", wordt het woord "aangevraagd" vervangen door het woord "bekomen" en worden de woorden "kortingsbonnen vermeld in het eerste lid" vervangen door de zinsnede "kortingsbonnen, vermeld in het tweede lid";
4° er wordt een zevende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Een afnemer die een toestel huurt via een huurovereenkomst, vermeld in het tweede lid, 2°, kan gedurende de periode van die overeenkomst geen kortingsbon meer verkrijgen voor de aankoop van eenzelfde toestel.";
5° er wordt een achtste lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het zesde lid kan de premie vermeld in het tweede lid, 3° en 4°, binnen een periode van twaalf maanden niet meer dan één keer worden verkregen.".
Art. 22. A l'article 6.4.1/4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2011, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 mai 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité offre une prime de 250 euros pour les appareils ménagers économes en énergie neufs suivants :
1° un réfrigérateur, avec ou sans compartiment congélation ;
2° un lave-linge ;
3° un congélateur ;
4° un sèche-linge. " ;
2° entre les alinéas 1er et 2, trois alinéas rédigés comme suit sont insérés :
" Le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité octroie la prime mentionnée à l'alinéa 1er :
1° sous la forme d'un bon de réduction d'une valeur de 250 euros pour l'achat d'un appareil ménager tel que mentionné à l'alinéa 1er, à chaque client qui en fait la demande et dont le revenu ne dépasse par les plafonds visés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 2 ;
2° à un organisme non commercial ou à une personne morale de droit public qui en fait la demande, dans le cadre de la location, frais de maintenance et de réparation compris, sur une période de dix ans, d'un appareil ménager tel que mentionné à l'alinéa 1er à un client dont le revenu ne dépasse par les plafonds fixés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 2, et à condition que la location s'inscrive dans un parcours d'accompagnement dans la lutte contre la précarité énergétique du client concerné ;
3° à partir du 1er juillet 2023 jusqu'à une date fixée par le ministre, sous la forme d'un bon de réduction d'une valeur de 250 euros pour l'achat d'un appareil ménager tel que mentionné à l'alinéa 1er, à chaque client qui en fait la demande et si toutes les conditions suivantes ont été remplies :
a) durant toute l'année civile précédente, le client était titulaire du point d'accès et le déclare sur l'honneur lors de la demande ;
b) durant toute l'année civile précédente, le client a prélevé moins de 900 kWh d'électricité au point d'accès mentionné en a) ;
c) durant toute l'année civile précédente, le client était domicilié à l'adresse du point d'accès mentionné en a) et le déclare sur l'honneur lors de la demande ;
d) un compteur numérique d'électricité était présent au point d'accès mentionné en a), durant toute l'année civile précédente ;
e) aucune installation de production décentralisée n'a été raccordée au point d'accès mentionné en a) l'année civile précédente ;
4° à partir d'une date fixée par le ministre et jusqu'au 31 décembre 2026, sous la forme d'un bon de réduction d'une valeur de 250 euros pour l'achat d'un appareil ménager tel que mentionné à l'alinéa 1er, à chaque client qui en fait la demande et si toutes les conditions suivantes ont été remplies :
a) durant toute l'année civile précédente, le client était titulaire du point d'accès ;
b) durant toute l'année civile précédente, le client a prélevé moins de 900 kWh d'électricité au point d'accès mentionné en a) ;
c) durant toute l'année civile précédente, le client était domicilié à l'adresse du point d'accès mentionné en a) ;
d) un compteur numérique d'électricité était présent au point d'accès mentionné en a), durant toute l'année civile précédente ;
e) aucune installation de production décentralisée n'a été raccordée au point d'accès mentionné en a) l'année civile précédente.
Par dérogation à l'alinéa 2, le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité octroie également la prime mentionnée à l'alinéa 2, 1° et 2°, à chaque client et, dans le cadre de la location telle que visée à l'alinéa 2, 2°, à chaque organisme non commercial ou personne morale de droit public mentionnés à l'alinéa 2, 2°, qui en font la demande et pour lesquels le CPAS atteste de la pertinence de cette prime.
Si une prime telle que mentionnée à l'alinéa 2, 1°, a déjà été obtenue, la prime mentionnée à l'alinéa 2, 3° et 4°, ne peut pas être obtenue si une période de 12 mois ne s'est pas écoulée depuis l'obtention de la prime. Si une prime telle que mentionnée à l'alinéa 2, 3° et 4°, a déjà été obtenue, la prime mentionnée à l'alinéa 2, 1° et 2°, ne peut pas être obtenue pour un même type d'appareil si 24 mois ne se sont pas écoulés depuis l'obtention de la prime mentionnée à l'alinéa 2, 3° et 4°. " ;
3° dans l'alinéa 3 existant, qui devient l'alinéa 6, le mot " demandée " est remplacé par le mot " obtenue ", les mots " adresse d'exécution " sont remplacés par les mots " numéro de registre national " et les mots " bons de réduction visés à l'alinéa 1er " sont remplacés par le membre de phrase " bons de réduction visés à l'alinéa 2 " ;
4° un alinéa 7 rédigé comme suit est ajouté :
" Un client qui loue un appareil par le biais d'un contrat de location, au sens de l'alinéa 2, 2°, ne peut plus obtenir de bon de réduction pour l'achat d'un même appareil pendant la période de ce contrat. " ;
5° un alinéa 8 rédigé comme suit est ajouté :
" Par dérogation à l'alinéa 6, la prime mentionnée à l'alinéa 2, 3° et 4°, ne peut pas être obtenue plus d'une fois sur une période de douze mois. ".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité offre une prime de 250 euros pour les appareils ménagers économes en énergie neufs suivants :
1° un réfrigérateur, avec ou sans compartiment congélation ;
2° un lave-linge ;
3° un congélateur ;
4° un sèche-linge. " ;
2° entre les alinéas 1er et 2, trois alinéas rédigés comme suit sont insérés :
" Le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité octroie la prime mentionnée à l'alinéa 1er :
1° sous la forme d'un bon de réduction d'une valeur de 250 euros pour l'achat d'un appareil ménager tel que mentionné à l'alinéa 1er, à chaque client qui en fait la demande et dont le revenu ne dépasse par les plafonds visés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 2 ;
2° à un organisme non commercial ou à une personne morale de droit public qui en fait la demande, dans le cadre de la location, frais de maintenance et de réparation compris, sur une période de dix ans, d'un appareil ménager tel que mentionné à l'alinéa 1er à un client dont le revenu ne dépasse par les plafonds fixés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 2, et à condition que la location s'inscrive dans un parcours d'accompagnement dans la lutte contre la précarité énergétique du client concerné ;
3° à partir du 1er juillet 2023 jusqu'à une date fixée par le ministre, sous la forme d'un bon de réduction d'une valeur de 250 euros pour l'achat d'un appareil ménager tel que mentionné à l'alinéa 1er, à chaque client qui en fait la demande et si toutes les conditions suivantes ont été remplies :
a) durant toute l'année civile précédente, le client était titulaire du point d'accès et le déclare sur l'honneur lors de la demande ;
b) durant toute l'année civile précédente, le client a prélevé moins de 900 kWh d'électricité au point d'accès mentionné en a) ;
c) durant toute l'année civile précédente, le client était domicilié à l'adresse du point d'accès mentionné en a) et le déclare sur l'honneur lors de la demande ;
d) un compteur numérique d'électricité était présent au point d'accès mentionné en a), durant toute l'année civile précédente ;
e) aucune installation de production décentralisée n'a été raccordée au point d'accès mentionné en a) l'année civile précédente ;
4° à partir d'une date fixée par le ministre et jusqu'au 31 décembre 2026, sous la forme d'un bon de réduction d'une valeur de 250 euros pour l'achat d'un appareil ménager tel que mentionné à l'alinéa 1er, à chaque client qui en fait la demande et si toutes les conditions suivantes ont été remplies :
a) durant toute l'année civile précédente, le client était titulaire du point d'accès ;
b) durant toute l'année civile précédente, le client a prélevé moins de 900 kWh d'électricité au point d'accès mentionné en a) ;
c) durant toute l'année civile précédente, le client était domicilié à l'adresse du point d'accès mentionné en a) ;
d) un compteur numérique d'électricité était présent au point d'accès mentionné en a), durant toute l'année civile précédente ;
e) aucune installation de production décentralisée n'a été raccordée au point d'accès mentionné en a) l'année civile précédente.
Par dérogation à l'alinéa 2, le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité octroie également la prime mentionnée à l'alinéa 2, 1° et 2°, à chaque client et, dans le cadre de la location telle que visée à l'alinéa 2, 2°, à chaque organisme non commercial ou personne morale de droit public mentionnés à l'alinéa 2, 2°, qui en font la demande et pour lesquels le CPAS atteste de la pertinence de cette prime.
Si une prime telle que mentionnée à l'alinéa 2, 1°, a déjà été obtenue, la prime mentionnée à l'alinéa 2, 3° et 4°, ne peut pas être obtenue si une période de 12 mois ne s'est pas écoulée depuis l'obtention de la prime. Si une prime telle que mentionnée à l'alinéa 2, 3° et 4°, a déjà été obtenue, la prime mentionnée à l'alinéa 2, 1° et 2°, ne peut pas être obtenue pour un même type d'appareil si 24 mois ne se sont pas écoulés depuis l'obtention de la prime mentionnée à l'alinéa 2, 3° et 4°. " ;
3° dans l'alinéa 3 existant, qui devient l'alinéa 6, le mot " demandée " est remplacé par le mot " obtenue ", les mots " adresse d'exécution " sont remplacés par les mots " numéro de registre national " et les mots " bons de réduction visés à l'alinéa 1er " sont remplacés par le membre de phrase " bons de réduction visés à l'alinéa 2 " ;
4° un alinéa 7 rédigé comme suit est ajouté :
" Un client qui loue un appareil par le biais d'un contrat de location, au sens de l'alinéa 2, 2°, ne peut plus obtenir de bon de réduction pour l'achat d'un même appareil pendant la période de ce contrat. " ;
5° un alinéa 8 rédigé comme suit est ajouté :
" Par dérogation à l'alinéa 6, la prime mentionnée à l'alinéa 2, 3° et 4°, ne peut pas être obtenue plus d'une fois sur une période de douze mois. ".
Art. 23. In artikel 6.4.1/5/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 mei 2022 en 2 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, 2°, wordt in de tabel de kolom "
1° in het eerste lid, 2°, wordt in de tabel de kolom "
Art. 23. A l'article 6.4.1/5/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 20 mai 2022 et 2 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, 2°, dans le tableau, la colonne "
1° à l'alinéa 1er, 2°, dans le tableau, la colonne "
| datum eindfactuur |
| / |
| tot en met 31 december 2021 |
| vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 |
| vanaf 1 januari 2024 |
| / |
| Tot en met 31 december 2021 |
| Vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023 |
| Vanaf 1 januari 2024 |
" vervangen door de kolom "
| date de la facture finale |
| / |
| jusqu'au 31 décembre 2021 |
| du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 |
| à partir du 1er janvier 2024 |
| / |
| Jusqu'au 31 décembre 2021 |
| Du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2023 |
| A partir du 1er janvier 2024 |
" est remplacée par la colonne "
| datum eindfactuur |
| / |
| tot en met 31 december 2021 |
| vanaf 1 januari 2022 |
| / |
| / |
| Tot en met 31 december 2021 |
| Vanaf 1 januari 2022 |
| / |
";
2° in het eerste lid, 2°, wordt in de tabel tussen de eerste en tweede kolom een kolom ingevoegd, dat luidt als volgt:
"
| date de la facture finale |
| / |
| jusqu'au 31 décembre 2021 |
| à partir du 1er janvier 2022 |
| / |
| / |
| Jusqu'au 31 décembre 2021 |
| A partir du 1er janvier 2022 |
| / |
" ;
2° à l'alinéa 1er, 2°, dans le tableau, une colonne rédigée comme suit est insérée entre la première et la deuxième colonne :
"
| datum premieaanvraag |
| / |
| / |
| Tot en met 31 december 2025 |
| Vanaf 1 januari 2026 |
| / |
| / |
| Tot en met 31 december 2025 |
| Vanaf 1 januari 2026 |
".
| date de la demande de prime |
| / |
| / |
| Jusqu'au 31 décembre 2025 |
| A partir du 1er janvier 2026 |
| / |
| / |
| Jusqu'au 31 décembre 2025 |
| A partir du 1er janvier 2026 |
".
Art. 24. In artikel 6.4.1/5/2, § 3, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022, wordt het getal "50" vervangen door het getal "100".
Art. 24. Dans l'article 6.4.1/5/2, § 3, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022, le nombre " 50 " est remplacé par le nombre " 100 ".
Art. 25. In artikel 6.4.1/6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 mei 2022, 19 oktober 2022 en 2 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/5 en 6.4.1/5/1" vervangen door de zinsnede "artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/5 en 6.4.1/5/1";
2° in paragraaf 5/1, derde lid, wordt de zinsnede "30 april 2023" vervangen door de zinsnede "30 juni 2024".
3° in paragraaf 6 wordt de zinsnede "6.4.1/1, 6.4.1/1/1, en 6.4.1/6" vervangen door de zinsnede "6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/1/5, 6.4.1/1/6 en 6.4.1/6".
1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/5 en 6.4.1/5/1" vervangen door de zinsnede "artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/5 en 6.4.1/5/1";
2° in paragraaf 5/1, derde lid, wordt de zinsnede "30 april 2023" vervangen door de zinsnede "30 juni 2024".
3° in paragraaf 6 wordt de zinsnede "6.4.1/1, 6.4.1/1/1, en 6.4.1/6" vervangen door de zinsnede "6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/1/5, 6.4.1/1/6 en 6.4.1/6".
Art. 25. A l'article 6.4.1/6 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2011, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 20 mai 2022, 19 octobre 2022 et 2 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " articles 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/5 et 6.4.1/5/1 " sont remplacés par le membre de phrase " articles 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/5 et 6.4.1/5/1 " ;
2° dans le paragraphe 5/1, alinéa 3, le membre de phrase " 30 avril 2023 " est remplacé par le membre de phrase " 30 juin 2024 ".
3° dans le paragraphe 6, le membre de phrase " 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, et 6.4.1/6 " est remplacé par le membre de phrase " 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/1/5, 6.4.1/1/6 et 6.4.1/6 ".
1° dans le paragraphe 1er, le membre de phrase " articles 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/5 et 6.4.1/5/1 " sont remplacés par le membre de phrase " articles 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/5 et 6.4.1/5/1 " ;
2° dans le paragraphe 5/1, alinéa 3, le membre de phrase " 30 avril 2023 " est remplacé par le membre de phrase " 30 juin 2024 ".
3° dans le paragraphe 6, le membre de phrase " 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, et 6.4.1/6 " est remplacé par le membre de phrase " 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/4, 6.4.1/1/5, 6.4.1/1/6 et 6.4.1/6 ".
Art. 26. Aan artikel 6.4.1/6/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2022, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid is de verhoging voor beschermde afnemers niet meer van toepassing op aanvragen voor de uitbetaling van de premie, vermeld in artikel 6.4.1/1/4, die worden ingediend vanaf 1 april 2024.".
"In afwijking van het eerste lid is de verhoging voor beschermde afnemers niet meer van toepassing op aanvragen voor de uitbetaling van de premie, vermeld in artikel 6.4.1/1/4, die worden ingediend vanaf 1 april 2024.".
Art. 26. A l'article 6.4.1/6/2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 mai 2022, un alinéa 2 rédigé comme suit est ajouté :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, l'augmentation pour les clients protégés ne s'applique plus aux demandes de paiement de la prime mentionnée à l'article 6.4.1/1/4, qui sont introduites à partir du 1er avril 2024. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, l'augmentation pour les clients protégés ne s'applique plus aux demandes de paiement de la prime mentionnée à l'article 6.4.1/1/4, qui sont introduites à partir du 1er avril 2024. ".
Art. 27. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2022, wordt een artikel 6.4.1/6/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 6.4.1/6/3. In dit artikel wordt verstaan onder:
1° inkomen: het inkomen, vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 6°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021. Voor de bepaling van het inkomen wordt rekening gehouden met het inkomen van de begunstigde, de gehuwde of wettelijk samenwonende partner en het aantal personen ten laste. Om het gezamenlijk belastbaar inkomen te berekenen, wordt rekening gehouden met de reële eigen beroepsinkomsten;
2° persoon ten laste: de persoon ten laste, vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 7°, derde en vierde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021.
Om in aanmerking te komen voor de premie, vermeld in artikel, 6.4.1/4, tweede lid, 1° en 2°, mag het inkomen van de afnemer niet meer bedragen dan:
1° 23.304 euro voor een alleenstaande;
2° 34.956 euro voor een alleenstaande met één persoon ten laste, te verhogen met 4.160 euro per bijkomende persoon ten laste;
3° 34.956 euro voor andere personen, te verhogen met 4.160 euro per persoon ten laste.
Om in aanmerking te komen voor de tegemoetkomingen, vermeld in het artikel 6.4.1/8, mag het inkomen van de afnemer niet meer bedragen dan:
1° 28.105 euro voor een alleenstaande;
2° 42.156 euro voor een alleenstaande met één persoon ten laste, te verhogen met 4.160 euro per bijkomende persoon ten laste;
3° 42.156 euro voor andere personen, te verhogen met 4.160 euro per persoon ten laste.
De bedragen vermeld in het tweede en derde lid, worden gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer 127,92 van oktober 2022 (basisjaar 2013). Ze worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan het gezondheidsindexcijfer van de maand oktober die voorafgaat aan de aanpassing en afgerond naar het hogere tiental.
In het vierde lid wordt verstaan onder gezondheidsindexcijfer: het prijsindexcijfer dat berekend wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.".
"Art. 6.4.1/6/3. In dit artikel wordt verstaan onder:
1° inkomen: het inkomen, vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 6°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021. Voor de bepaling van het inkomen wordt rekening gehouden met het inkomen van de begunstigde, de gehuwde of wettelijk samenwonende partner en het aantal personen ten laste. Om het gezamenlijk belastbaar inkomen te berekenen, wordt rekening gehouden met de reële eigen beroepsinkomsten;
2° persoon ten laste: de persoon ten laste, vermeld in artikel 5.186, eerste lid, 7°, derde en vierde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021.
Om in aanmerking te komen voor de premie, vermeld in artikel, 6.4.1/4, tweede lid, 1° en 2°, mag het inkomen van de afnemer niet meer bedragen dan:
1° 23.304 euro voor een alleenstaande;
2° 34.956 euro voor een alleenstaande met één persoon ten laste, te verhogen met 4.160 euro per bijkomende persoon ten laste;
3° 34.956 euro voor andere personen, te verhogen met 4.160 euro per persoon ten laste.
Om in aanmerking te komen voor de tegemoetkomingen, vermeld in het artikel 6.4.1/8, mag het inkomen van de afnemer niet meer bedragen dan:
1° 28.105 euro voor een alleenstaande;
2° 42.156 euro voor een alleenstaande met één persoon ten laste, te verhogen met 4.160 euro per bijkomende persoon ten laste;
3° 42.156 euro voor andere personen, te verhogen met 4.160 euro per persoon ten laste.
De bedragen vermeld in het tweede en derde lid, worden gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer 127,92 van oktober 2022 (basisjaar 2013). Ze worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan het gezondheidsindexcijfer van de maand oktober die voorafgaat aan de aanpassing en afgerond naar het hogere tiental.
In het vierde lid wordt verstaan onder gezondheidsindexcijfer: het prijsindexcijfer dat berekend wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.".
Art. 27. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 octobre 2022, un article 6.4.1/6/3 rédigé comme suit est inséré :
" Art. 6.4.1/6/3. Dans le présent article, on entend par :
1° revenu : le revenu visé à l'article 5 186, alinéa 1er, 6°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021. Pour établir le revenu, il est tenu compte du revenu du bénéficiaire, de la personne mariée ou du cohabitant légal et du nombre de personnes à charge. Pour calculer le revenu imposable globalement, il est tenu compte des revenus professionnels propres réels ;
2° personne à charge : la personne à charge visée à l'article 5 186, alinéa 1er, 7°, alinéas 3 et 4, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021.
Pour être éligible à la prime mentionnée à l'article 6.4.1/4, alinéa 2, 1° et 2°, le client ne peut pas disposer d'un revenu supérieur à :
1° 23 304 euros pour un isolé ;
2° 34 956 euros pour un isolé avec une seule personne à charge, à majorer de 4 160 euros par personne à charge supplémentaire ;
3° 34 956 euros pour les autres personnes, à majorer de 4 160 euros par personne à charge.
Pour être éligible aux interventions mentionnées à l'article 6.4.1/8, le client ne peut pas disposer d'un revenu supérieur à :
1° 28 105 euros pour un isolé ;
2° 42 156 euros pour un isolé avec une seule personne à charge, à majorer de 4 160 euros par personne à charge supplémentaire ;
3° 42 156 euros pour les autres personnes, à majorer de 4 160 euros par personne à charge.
Les montants visés aux alinéas 2 et 3 sont liés à l'indice santé 127,92 d'octobre 2022 (année de base 2013). Ils sont adaptés annuellement, au 1er janvier, à l'indice santé du mois d'octobre précédant l'adaptation et arrondis à la dizaine supérieure.
A l'alinéa 4, on entend par indice santé : l'indice des prix calculé pour l'application de l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, confirmé par la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales.
" Art. 6.4.1/6/3. Dans le présent article, on entend par :
1° revenu : le revenu visé à l'article 5 186, alinéa 1er, 6°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021. Pour établir le revenu, il est tenu compte du revenu du bénéficiaire, de la personne mariée ou du cohabitant légal et du nombre de personnes à charge. Pour calculer le revenu imposable globalement, il est tenu compte des revenus professionnels propres réels ;
2° personne à charge : la personne à charge visée à l'article 5 186, alinéa 1er, 7°, alinéas 3 et 4, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021.
Pour être éligible à la prime mentionnée à l'article 6.4.1/4, alinéa 2, 1° et 2°, le client ne peut pas disposer d'un revenu supérieur à :
1° 23 304 euros pour un isolé ;
2° 34 956 euros pour un isolé avec une seule personne à charge, à majorer de 4 160 euros par personne à charge supplémentaire ;
3° 34 956 euros pour les autres personnes, à majorer de 4 160 euros par personne à charge.
Pour être éligible aux interventions mentionnées à l'article 6.4.1/8, le client ne peut pas disposer d'un revenu supérieur à :
1° 28 105 euros pour un isolé ;
2° 42 156 euros pour un isolé avec une seule personne à charge, à majorer de 4 160 euros par personne à charge supplémentaire ;
3° 42 156 euros pour les autres personnes, à majorer de 4 160 euros par personne à charge.
Les montants visés aux alinéas 2 et 3 sont liés à l'indice santé 127,92 d'octobre 2022 (année de base 2013). Ils sont adaptés annuellement, au 1er janvier, à l'indice santé du mois d'octobre précédant l'adaptation et arrondis à la dizaine supérieure.
A l'alinéa 4, on entend par indice santé : l'indice des prix calculé pour l'application de l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, confirmé par la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales.
Art. 28. In artikel 6.4.1/8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"De distributienetbeheerder laat een energiescan uitvoeren in de woning van een afnemer die dat vraagt en van wie het inkomen de grenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, derde lid, niet overschrijdt.";
2° er wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid laat de distributienetbeheerder een energiescan uitvoeren in de woning van een afnemer die dat vraagt en die onder minstens een van de volgende categorieën valt:
1° een afnemer met een meter met geactiveerde voorafbetalingsfunctie voor elektriciteit of aardgas;
2° een afnemer voor wie de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de aardgasdistributienetbeheerder een verzoek tot afsluiting van de elektriciteits- dan wel aardgastoevoer bij de lokale adviescommissie heeft ingediend met toepassing van artikel 5.3.16 of 5.4.17;
3° iedere afnemer voor wie het OCMW de inschatting maakt dat een energiescan relevant kan zijn.";
3° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt de zinsnede "het eerste lid, 4° " vervangen door de woorden "het tweede lid";
4° in het bestaande derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt na de zinsnede "vanaf 1 januari 2019 opgenomen in het takenpakket van de energiehuizen" de zinsnede "en moet uiterlijk 31 december 2025 volledig zijn uitgevoerd. De energiescan kan worden aangevraagd tot een door de minister vast te stellen datum, en uiterlijk tot en met 30 juni 2024." ingevoegd;
5° het bestaande vijfde en zesde lid worden opgeheven;
6° in het bestaande achtste lid, dat het zesde lid wordt, wordt de zinsnede "zoals bepaald in punt 1 tot en met 3 van het tweede lid" vervangen door de zinsnede "vermeld in het tweede lid, 1° en 2° ";
7° in het bestaande negende lid, dat het zevende lid wordt, wordt de zinsnede "en de uitvoering van dak- of zoldervloerisolatie, vermeld in artikel 6.4.1/9" opgeheven;
8° in het bestaande tiende lid, dat het achtste lid wordt, wordt het woord "zevende" vervangen door het woord "vijfde".
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"De distributienetbeheerder laat een energiescan uitvoeren in de woning van een afnemer die dat vraagt en van wie het inkomen de grenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, derde lid, niet overschrijdt.";
2° er wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid laat de distributienetbeheerder een energiescan uitvoeren in de woning van een afnemer die dat vraagt en die onder minstens een van de volgende categorieën valt:
1° een afnemer met een meter met geactiveerde voorafbetalingsfunctie voor elektriciteit of aardgas;
2° een afnemer voor wie de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de aardgasdistributienetbeheerder een verzoek tot afsluiting van de elektriciteits- dan wel aardgastoevoer bij de lokale adviescommissie heeft ingediend met toepassing van artikel 5.3.16 of 5.4.17;
3° iedere afnemer voor wie het OCMW de inschatting maakt dat een energiescan relevant kan zijn.";
3° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt de zinsnede "het eerste lid, 4° " vervangen door de woorden "het tweede lid";
4° in het bestaande derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt na de zinsnede "vanaf 1 januari 2019 opgenomen in het takenpakket van de energiehuizen" de zinsnede "en moet uiterlijk 31 december 2025 volledig zijn uitgevoerd. De energiescan kan worden aangevraagd tot een door de minister vast te stellen datum, en uiterlijk tot en met 30 juni 2024." ingevoegd;
5° het bestaande vijfde en zesde lid worden opgeheven;
6° in het bestaande achtste lid, dat het zesde lid wordt, wordt de zinsnede "zoals bepaald in punt 1 tot en met 3 van het tweede lid" vervangen door de zinsnede "vermeld in het tweede lid, 1° en 2° ";
7° in het bestaande negende lid, dat het zevende lid wordt, wordt de zinsnede "en de uitvoering van dak- of zoldervloerisolatie, vermeld in artikel 6.4.1/9" opgeheven;
8° in het bestaande tiende lid, dat het achtste lid wordt, wordt het woord "zevende" vervangen door het woord "vijfde".
Art. 28. A l'article 6.4.1/8 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2011 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 octobre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Le gestionnaire de réseau de distribution fait réaliser un scan énergétique dans le logement d'un client qui le demande et dont le revenu ne dépasse par les plafonds visés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 3. " ;
2° entre les alinéas 1er et 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, le gestionnaire de réseau de distribution fait réaliser un scan énergétique dans le logement d'un client qui le demande et qui relève au moins de l'une des catégories suivantes :
1° un client disposant d'un compteur à fonction de prépaiement activée pour l'électricité ou le gaz naturel ;
2° un client pour lequel le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité ou le gestionnaire du réseau de distribution de gaz naturel a introduit une demande de coupure de l'alimentation électrique ou en gaz naturel auprès de la commission consultative locale en application de l'article 5.3.16 ou 5.4.17 ;
3° tout client pour lequel le CPAS estime qu'un scan énergétique peut être pertinent. " ;
3° à l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, le membre de phrase " l'alinéa 1er, 4° " est remplacé par le membre de phrase " l'alinéa 2 " ;
4° à l'alinéa 3 existant, qui devient l'alinéa 4, après les mots " dans les tâches des maisons de l'énergie ", le membre de phrase " et doivent avoir été entièrement exécutées le 31 décembre 2025 au plus tard.Le scan énergétique peut être demandé jusqu'à une date à fixer par le ministre et au plus tard jusqu'au 30 juin 2024. " est inséré ;
5° les alinéas 5 et 6 existants sont abrogés ;
6° à l'alinéa 8 existant, qui devient l'alinéa 6, le membre de phrase " , tel que visé aux points 1er à 3 inclus de l'alinéa deux, " est remplacé par le membre de phrase " visés à l'alinéa 2, 1° et 2° " ;
7° à l'alinéa 9 existant, qui devient l'alinéa 7, le membre de phrase " et d'exécuter des travaux d'isolation de toiture ou de sol des combles, visée à l'article 6.4.1/9. " est abrogé ;
8° à l'alinéa 10 existant, qui devient l'alinéa 8, les mots " l'alinéa sept " sont remplacés par le membre de phrase " l'alinéa 5 ".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Le gestionnaire de réseau de distribution fait réaliser un scan énergétique dans le logement d'un client qui le demande et dont le revenu ne dépasse par les plafonds visés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 3. " ;
2° entre les alinéas 1er et 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, le gestionnaire de réseau de distribution fait réaliser un scan énergétique dans le logement d'un client qui le demande et qui relève au moins de l'une des catégories suivantes :
1° un client disposant d'un compteur à fonction de prépaiement activée pour l'électricité ou le gaz naturel ;
2° un client pour lequel le gestionnaire de réseau de distribution d'électricité ou le gestionnaire du réseau de distribution de gaz naturel a introduit une demande de coupure de l'alimentation électrique ou en gaz naturel auprès de la commission consultative locale en application de l'article 5.3.16 ou 5.4.17 ;
3° tout client pour lequel le CPAS estime qu'un scan énergétique peut être pertinent. " ;
3° à l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, le membre de phrase " l'alinéa 1er, 4° " est remplacé par le membre de phrase " l'alinéa 2 " ;
4° à l'alinéa 3 existant, qui devient l'alinéa 4, après les mots " dans les tâches des maisons de l'énergie ", le membre de phrase " et doivent avoir été entièrement exécutées le 31 décembre 2025 au plus tard.Le scan énergétique peut être demandé jusqu'à une date à fixer par le ministre et au plus tard jusqu'au 30 juin 2024. " est inséré ;
5° les alinéas 5 et 6 existants sont abrogés ;
6° à l'alinéa 8 existant, qui devient l'alinéa 6, le membre de phrase " , tel que visé aux points 1er à 3 inclus de l'alinéa deux, " est remplacé par le membre de phrase " visés à l'alinéa 2, 1° et 2° " ;
7° à l'alinéa 9 existant, qui devient l'alinéa 7, le membre de phrase " et d'exécuter des travaux d'isolation de toiture ou de sol des combles, visée à l'article 6.4.1/9. " est abrogé ;
8° à l'alinéa 10 existant, qui devient l'alinéa 8, les mots " l'alinéa sept " sont remplacés par le membre de phrase " l'alinéa 5 ".
Art. 29. In artikel 6.4.1/9 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Aanvragen voor de ondersteuning, vermeld in het eerste en tweede lid, kunnen tot een door de minister vast te stellen datum, en uiterlijk tot en met 30 juni 2024, worden ingediend. De ondersteuning, vermeld in het eerste en tweede lid, moet uiterlijk op 31 december 2025 volledig uitgevoerd zijn.";
2° in het bestaande tiende lid, dat het elfde lid wordt, worden de woorden "vermeld in het zevende lid" vervangen door de woorden "zoals bepaald in punt 1 tot en met 3 van het eerste lid";
3° in het bestaande elfde lid, dat het twaalfde lid wordt, wordt de zinsnede "vermeld in het zevende, achtste en negende lid" vervangen door de zinsnede "vermelde in het negende, tiende en elfde lid".
1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Aanvragen voor de ondersteuning, vermeld in het eerste en tweede lid, kunnen tot een door de minister vast te stellen datum, en uiterlijk tot en met 30 juni 2024, worden ingediend. De ondersteuning, vermeld in het eerste en tweede lid, moet uiterlijk op 31 december 2025 volledig uitgevoerd zijn.";
2° in het bestaande tiende lid, dat het elfde lid wordt, worden de woorden "vermeld in het zevende lid" vervangen door de woorden "zoals bepaald in punt 1 tot en met 3 van het eerste lid";
3° in het bestaande elfde lid, dat het twaalfde lid wordt, wordt de zinsnede "vermeld in het zevende, achtste en negende lid" vervangen door de zinsnede "vermelde in het negende, tiende en elfde lid".
Art. 29. A l'article 6.4.1/9 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 septembre 2011 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° entre les alinéas 2 et 3, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
" Les demandes du soutien visé aux alinéas 1er et 2, peuvent être introduites jusqu'à une date à fixer par le ministre et au plus tard jusqu'au 30 juin 2024. Le soutien visé aux alinéas 1er et 2 doit avoir été entièrement mis en oeuvre au plus tard le 31 décembre 2025. " ;
2° à l'alinéa 10 existant, qui devient l'alinéa 11, les mots " visés à l'alinéa sept " sont remplacés par le membre de phrase " visés aux points 1 à 3 de l'alinéa 1er " ;
3° à l'alinéa 11 existant, qui devient l'alinéa 12, le membre de phrase " visés aux alinéas sept, huit et neuf " est remplacé par le membre de phrase " visés aux alinéas 9, 10 et 11 ".
1° entre les alinéas 2 et 3, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
" Les demandes du soutien visé aux alinéas 1er et 2, peuvent être introduites jusqu'à une date à fixer par le ministre et au plus tard jusqu'au 30 juin 2024. Le soutien visé aux alinéas 1er et 2 doit avoir été entièrement mis en oeuvre au plus tard le 31 décembre 2025. " ;
2° à l'alinéa 10 existant, qui devient l'alinéa 11, les mots " visés à l'alinéa sept " sont remplacés par le membre de phrase " visés aux points 1 à 3 de l'alinéa 1er " ;
3° à l'alinéa 11 existant, qui devient l'alinéa 12, le membre de phrase " visés aux alinéas sept, huit et neuf " est remplacé par le membre de phrase " visés aux alinéas 9, 10 et 11 ".
Art. 30. In artikel 6.4.1/9/1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen de zinsnede "vanaf 1 januari 2017" en de woorden "een aanbod inzake" wordt de zinsnede "tot een door de minister vast te stellen datum, en uiterlijk tot en met 30 juni 2024" ingevoegd;
2° de zin "De ondersteuning moet uiterlijk op 31 december 2025 volledig uitgevoerd zijn." wordt toegevoegd.
1° tussen de zinsnede "vanaf 1 januari 2017" en de woorden "een aanbod inzake" wordt de zinsnede "tot een door de minister vast te stellen datum, en uiterlijk tot en met 30 juni 2024" ingevoegd;
2° de zin "De ondersteuning moet uiterlijk op 31 december 2025 volledig uitgevoerd zijn." wordt toegevoegd.
Art. 30. A l'article 6.4.1/9/1, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juillet 2016 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° le membre de phrase " jusqu'à une date à fixer par le ministre et au plus tard jusqu'au 30 juin 2024 " est inséré entre le membre de phrase " à partir du 1er janvier 2017 " et le membre de phrase " , une offre de projets " ;
2° la phrase " Le soutien doit avoir été entièrement mis en oeuvre au plus tard le 31 décembre 2025. " est ajoutée.
1° le membre de phrase " jusqu'à une date à fixer par le ministre et au plus tard jusqu'au 30 juin 2024 " est inséré entre le membre de phrase " à partir du 1er janvier 2017 " et le membre de phrase " , une offre de projets " ;
2° la phrase " Le soutien doit avoir été entièrement mis en oeuvre au plus tard le 31 décembre 2025. " est ajoutée.
Art. 32. In artikel 6.5.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt tussen het woord "ondernemingen" en de woorden "met een totaal finaal energiegebruik" de zinsnede ", niet-commerciële instellingen of publiekrechtelijke rechtspersonen" ingevoegd.
Art. 32. Dans l'article 6.5.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, le membre de phrase " , d'organismes non commerciaux ou de personnes morales de droit public " est inséré entre les mots " d'entreprises " et les mots " ayant une consommation ".
Art. 33. In artikel 6.5.2, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt tussen het woord "onderneming" en de woorden "een totaal finaal energiegebruik" de zinsnede ", niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon" ingevoegd.
Art. 33. Dans l'article 6.5.2, alinéa 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les mots " un établissement d'entreprise " sont remplacés par le membre de phrase " un établissement d'une entreprise, d'un organisme non commercial ou d'une personne morale de droit public ".
Art. 34. In artikel 6.5.4, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de woorden "energieaudit onderneming" vervangen door de woorden "energieplan of een energiestudie".
Art. 34. Dans l'article 6.5.4, § 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les mots " un plan d'audit énergétique " sont remplacés par les mots " un plan énergétique ou une étude énergétique ".
Art. 35. In titel VI, hoofdstuk V, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt aan het opschrift van afdeling II de zinsnede ", niet commerciële instellingen of publiekrechtelijke rechtspersonen" toegevoegd.
Art. 35. Dans le titre VI, chapitre V, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, dans l'intitulé de la section II, le membre de phrase " , organismes non commerciaux ou personnes morales de droit public " est inséré entre les mots " les entreprises " et les mots " à consommation ".
Art. 36. In artikel 6.5.9 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt tussen de woorden "alle vestigingen" en de woorden "met een totaal finaal energiegebruik" de zinsnede "van ondernemingen, niet-commerciële instellingen of publiekrechtelijke rechtspersonen" ingevoegd.
Art. 36. Dans l'article 6.5.9 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, le membre de phrase " d'entreprises, d'organismes non commerciaux ou de personnes morales de droit public " est inséré entre les mots " tous les établissements " et les mots " ayant une consommation ".
Art. 37. In artikel 6.5.10 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de eerste zin van het bestaande enige lid, dat het eerste lid wordt, wordt aangevuld met de zinsnede ", indien de exploitant een onderneming is." ingevoegd;
2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Als de exploitant een niet-commerciële instelling of een publiekrechtelijke rechtspersoon is, beschikt de exploitant uiterlijk op 1 januari 2024 over een geldige energieaudit onderneming. Vestigingen van niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen die pas na 1 januari 2024 voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 6.5.9, voldoen binnen zes maanden aan de bepalingen van deze afdeling.".
1° de eerste zin van het bestaande enige lid, dat het eerste lid wordt, wordt aangevuld met de zinsnede ", indien de exploitant een onderneming is." ingevoegd;
2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Als de exploitant een niet-commerciële instelling of een publiekrechtelijke rechtspersoon is, beschikt de exploitant uiterlijk op 1 januari 2024 over een geldige energieaudit onderneming. Vestigingen van niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen die pas na 1 januari 2024 voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 6.5.9, voldoen binnen zes maanden aan de bepalingen van deze afdeling.".
Art. 37. A l'article 6.5.10 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° la première phrase de l'alinéa unique existant, qui devient l'alinéa 1er, est complétée par le membre de phrase " , si l'exploitant est une entreprise. " ;
2° un alinéa 2 rédigé comme suit est ajouté :
" Si l'exploitant est un organisme non commercial ou une personne morale de droit public, il dispose, au plus tard le 1er janvier 2024, d'un audit énergétique entreprise valable. Les établissements d'organismes non commerciaux et de personnes morales de droit public qui ne satisfont aux critères visés à l'article 6.5.9 qu'après le 1er janvier 2024 satisfont aux dispositions de la présente section dans les six mois. ".
1° la première phrase de l'alinéa unique existant, qui devient l'alinéa 1er, est complétée par le membre de phrase " , si l'exploitant est une entreprise. " ;
2° un alinéa 2 rédigé comme suit est ajouté :
" Si l'exploitant est un organisme non commercial ou une personne morale de droit public, il dispose, au plus tard le 1er janvier 2024, d'un audit énergétique entreprise valable. Les établissements d'organismes non commerciaux et de personnes morales de droit public qui ne satisfont aux critères visés à l'article 6.5.9 qu'après le 1er janvier 2024 satisfont aux dispositions de la présente section dans les six mois. ".
Art. 38. In artikel 6.5.16 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden tussen de woorden "alle vestigingen" en de woorden "met een totaal finaal energiegebruik" de woorden "van niet-commerciële instellingen of publiekrechtelijke rechtspersonen" ingevoegd en wordt tussen de zinsnede "tussen 0,02 en 0,05 PJ per jaar" en de zinsnede ", als die vestigingen" de zinsnede "en op alle vestigingen van ondernemingen met een totaal finaal energiegebruik van tussen 0,02 en 0,05 PJ per jaar" ingevoegd.
Art. 38. Dans l'article 6.5.16 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les mots " d'organismes non commerciaux ou de personnes morales de droit public " sont insérés entre les mots " tous les établissements " et les mots " ayant une consommation " et le membre de phrase " et à tous les établissements ayant une consommation d'énergie finale totale entre 0,02 et 0,05 PJ par an " est inséré entre le membre de phrase " 0,02 et 0,05 PJ par an " et le membre de phrase " , si ces établissements ".
Art. 39. In artikel 6.5.17 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de eerste zin van het bestaande enige lid, dat het eerste lid wordt, wordt aangevuld met de zinsnede ", indien de exploitant een onderneming is.";
2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Als de exploitant een niet-commerciële instelling of een publiekrechtelijke rechtspersoon is, beschikt de exploitant uiterlijk op 1 januari 2024 over een geldige energiebalans onderneming. Vestigingen van niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen die pas na 1 januari 2024 voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 6.5.16, voldoen binnen zes maanden aan de bepalingen van deze afdeling.".
1° de eerste zin van het bestaande enige lid, dat het eerste lid wordt, wordt aangevuld met de zinsnede ", indien de exploitant een onderneming is.";
2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Als de exploitant een niet-commerciële instelling of een publiekrechtelijke rechtspersoon is, beschikt de exploitant uiterlijk op 1 januari 2024 over een geldige energiebalans onderneming. Vestigingen van niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen die pas na 1 januari 2024 voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 6.5.16, voldoen binnen zes maanden aan de bepalingen van deze afdeling.".
Art. 39. A l'article 6.5.17 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° la première phrase de l'alinéa unique existant, qui devient l'alinéa 1er, est complétée par le membre de phrase " , si l'exploitant est une entreprise. " ;
2° un alinéa 2 rédigé comme suit est ajouté :
" Si l'exploitant est un organisme non commercial ou une personne morale de droit public, il dispose, au plus tard le 1er janvier 2024, d'un bilan énergétique entreprise valide. Les établissements d'organismes non commerciaux et de personnes morales de droit public qui ne satisfont aux critères visés à l'article 6.5.16 qu'après le 1er janvier 2024 satisfont aux dispositions de la présente section dans les six mois. ".
1° la première phrase de l'alinéa unique existant, qui devient l'alinéa 1er, est complétée par le membre de phrase " , si l'exploitant est une entreprise. " ;
2° un alinéa 2 rédigé comme suit est ajouté :
" Si l'exploitant est un organisme non commercial ou une personne morale de droit public, il dispose, au plus tard le 1er janvier 2024, d'un bilan énergétique entreprise valide. Les établissements d'organismes non commerciaux et de personnes morales de droit public qui ne satisfont aux critères visés à l'article 6.5.16 qu'après le 1er janvier 2024 satisfont aux dispositions de la présente section dans les six mois. ".
Art. 40. In artikel 6.5.24, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt tussen het woord "onderneming" en de woorden "van wie de vestiging" de zinsnede ", niet-commerciële instelling of publiekrechtelijke rechtspersoon" ingevoegd.
Art. 40. Dans l'article 6.5.24, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les mots " L'entreprise à laquelle appartient l'établissement " sont remplacés par le membre de phrase " L'entreprise, l'organisme non commercial ou la personne morale de droit public dont l'établissement fait partie ".
Art. 41. In titel VI, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2018, wordt het opschrift van hoofdstuk VI vervangen door wat volgt:
"Hoofdstuk VI. Beperking van het op ondernemings- of vestigingsniveau verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten voor ondernemingen die deel uitmaken van een sector die risico loopt op delokalisatie of ondernemingen die deel uitmaken van een sector die een aanzienlijk risico loopt op delokalisatie".
"Hoofdstuk VI. Beperking van het op ondernemings- of vestigingsniveau verschuldigde bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten voor ondernemingen die deel uitmaken van een sector die risico loopt op delokalisatie of ondernemingen die deel uitmaken van een sector die een aanzienlijk risico loopt op delokalisatie".
Art. 41. Dans le titre VI du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2018, l'intitulé du chapitre VI est remplacé par ce qui suit :
" Chapitre VI. Limitation du montant des coûts générés par l'aide au financement des énergies renouvelables et de la cogénération à acquitter au niveau de l'entreprise ou de l'établissement pour les entreprises qui font partie d'un secteur exposé au risque de délocalisation ou les entreprises qui font partie d'un secteur exposé à un risque important de délocalisation ".
" Chapitre VI. Limitation du montant des coûts générés par l'aide au financement des énergies renouvelables et de la cogénération à acquitter au niveau de l'entreprise ou de l'établissement pour les entreprises qui font partie d'un secteur exposé au risque de délocalisation ou les entreprises qui font partie d'un secteur exposé à un risque important de délocalisation ".
Art. 42. In artikel 6.6.1 van het hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2018 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 en 11 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Als voldaan wordt aan de voorwaarden vermeld in dit hoofdstuk wordt het bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten dat door een onderneming op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigd is, beperkt tot 1% van de bruto toegevoegde waarde van de onderneming indien de onderneming behoort tot een van de sectoren die risico loopt op delokalisatie, zoals vermeld in deel 2 van bijlage IV/1 of zoals bepaald door de minister.
De minister kan bepalen dat een sector of subsector die niet wordt vermeld in deel 2 van bijlage IV/1, een sector die risico loopt op delokalisatie is, voor zover de aanduiding van deze sector voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:
1° het betreft een sector waarvoor de vermenigvuldiging van de handelsintensiteit en de elektriciteitsintensiteit op Unieniveau ten minste 0,6 % bedraagt;
2° het betreft een sector waarvan de handelsintensiteit en de elektriciteitsintensiteit op Unieniveau respectievelijk ten minste 4 % en 5 % bedragen.
De voorwaarden, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, worden aangetoond met gegevens die representatief zijn voor de sector of subsector op het niveau van de Unie, zijn gebaseerd op een periode van ten minste drie opeenvolgende jaren die niet eerder dan 2013 begint en zijn geverifieerd door een onafhankelijke deskundige.";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. Als voldaan wordt aan de voorwaarden vermeld in dit hoofdstuk wordt het bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten dat door een onderneming op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigd is, beperkt tot 0,5 % van de bruto toegevoegde waarde van de onderneming indien de onderneming behoort tot een van de sectoren die een aanzienlijk risico loopt op delokalisatie, zoals vermeld in deel 1 van bijlage IV/1 of zoals bepaald door de minister.
De minister kan bepalen dat een sector of subsector die niet wordt vermeld in deel 1 van bijlage IV/1, een sector die aanzienlijk risico loopt op delokalisatie is, voor zover de aanduiding van deze sector voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:
1° het betreft een sector waarvoor de vermenigvuldiging van de handelsintensiteit en de elektriciteitsintensiteit op Unieniveau ten minste 2 % bedraagt;
2° het betreft een sector waarvan de handelsintensiteit en de elektriciteitsintensiteit op Unieniveau voor elke indicator 5 % bedraagt;
De voorwaarden, vermeld in het tweede lid, 1° en 2° worden aangetoond met gegevens die representatief zijn voor de sector of subsector op het niveau van de Unie, zijn gebaseerd op een periode van ten minste drie opeenvolgende jaren die niet eerder dan 2013 begint, en zijn geverifieerd door een onafhankelijke deskundige.";
3° in paragraaf 3, eerste lid, 2°, wordt tussen het woord "energieplan" en de zinsnede ", als vermeld in titel VI, hoofdstuk V" de woorden "of energieaudit onderneming" ingevoegd;
4° in paragraaf 4 worden het eerste en tweede lid opgeheven;
5° er wordt een paragraaf 7 toegevoegd, dat luidt als volgt:
" § 7. Het bedrag van de bijdrage, vermeld in paragraaf 1 en 2, mag nooit lager zijn dan een bedrag dat overeenstemt met een heffing van minder dan 0,5 euro per MWh voor wat betreft de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten die door de betreffende onderneming op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigd zouden zijn.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Als voldaan wordt aan de voorwaarden vermeld in dit hoofdstuk wordt het bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten dat door een onderneming op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigd is, beperkt tot 1% van de bruto toegevoegde waarde van de onderneming indien de onderneming behoort tot een van de sectoren die risico loopt op delokalisatie, zoals vermeld in deel 2 van bijlage IV/1 of zoals bepaald door de minister.
De minister kan bepalen dat een sector of subsector die niet wordt vermeld in deel 2 van bijlage IV/1, een sector die risico loopt op delokalisatie is, voor zover de aanduiding van deze sector voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:
1° het betreft een sector waarvoor de vermenigvuldiging van de handelsintensiteit en de elektriciteitsintensiteit op Unieniveau ten minste 0,6 % bedraagt;
2° het betreft een sector waarvan de handelsintensiteit en de elektriciteitsintensiteit op Unieniveau respectievelijk ten minste 4 % en 5 % bedragen.
De voorwaarden, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, worden aangetoond met gegevens die representatief zijn voor de sector of subsector op het niveau van de Unie, zijn gebaseerd op een periode van ten minste drie opeenvolgende jaren die niet eerder dan 2013 begint en zijn geverifieerd door een onafhankelijke deskundige.";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. Als voldaan wordt aan de voorwaarden vermeld in dit hoofdstuk wordt het bedrag van de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten dat door een onderneming op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigd is, beperkt tot 0,5 % van de bruto toegevoegde waarde van de onderneming indien de onderneming behoort tot een van de sectoren die een aanzienlijk risico loopt op delokalisatie, zoals vermeld in deel 1 van bijlage IV/1 of zoals bepaald door de minister.
De minister kan bepalen dat een sector of subsector die niet wordt vermeld in deel 1 van bijlage IV/1, een sector die aanzienlijk risico loopt op delokalisatie is, voor zover de aanduiding van deze sector voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:
1° het betreft een sector waarvoor de vermenigvuldiging van de handelsintensiteit en de elektriciteitsintensiteit op Unieniveau ten minste 2 % bedraagt;
2° het betreft een sector waarvan de handelsintensiteit en de elektriciteitsintensiteit op Unieniveau voor elke indicator 5 % bedraagt;
De voorwaarden, vermeld in het tweede lid, 1° en 2° worden aangetoond met gegevens die representatief zijn voor de sector of subsector op het niveau van de Unie, zijn gebaseerd op een periode van ten minste drie opeenvolgende jaren die niet eerder dan 2013 begint, en zijn geverifieerd door een onafhankelijke deskundige.";
3° in paragraaf 3, eerste lid, 2°, wordt tussen het woord "energieplan" en de zinsnede ", als vermeld in titel VI, hoofdstuk V" de woorden "of energieaudit onderneming" ingevoegd;
4° in paragraaf 4 worden het eerste en tweede lid opgeheven;
5° er wordt een paragraaf 7 toegevoegd, dat luidt als volgt:
" § 7. Het bedrag van de bijdrage, vermeld in paragraaf 1 en 2, mag nooit lager zijn dan een bedrag dat overeenstemt met een heffing van minder dan 0,5 euro per MWh voor wat betreft de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten die door de betreffende onderneming op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigd zouden zijn.".
Art. 42. A l'article 6.6.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2018 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 28 juin 2019 et 11 décembre 2020, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. S'il est satisfait aux conditions énoncées dans le présent chapitre, le montant des coûts générés par l'aide au financement des énergies renouvelables et de la cogénération à acquitter par une entreprise au niveau de l'entreprise ou de l'établissement est limité à 1 % de la valeur ajoutée brute de l'entreprise si l'entreprise appartient à l'un des secteurs exposés au risque de délocalisation, tels que mentionnés dans la partie 2 de l'annexe IV/1 ou tels que déterminés par le ministre.
Le ministre peut prévoir qu'un secteur ou un sous-secteur qui ne figure pas dans la partie 2 de l'annexe IV/1 est un secteur exposé au risque de délocalisation pour autant que la désignation de ce secteur satisfasse à chacune des conditions suivantes :
1° il s'agit d'un secteur pour lequel la multiplication de l'intensité des échanges et de l'électro-intensité au niveau de l'Union atteint au moins 0,6 % ;
2° il s'agit d'un secteur dont l'intensité des échanges et l'électro-intensité au niveau de l'Union sont respectivement d'au moins 4 % et 5 %.
Les conditions visées à l'alinéa 2, 1° et 2°, sont démontrées au moyen de données représentatives du secteur ou du sous-secteur au niveau de l'Union, fondées sur une période d'au moins trois années consécutives commençant au plus tôt en 2013 et vérifiées par un expert indépendant. " ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. S'il est satisfait aux conditions énoncées dans le présent chapitre, le montant des coûts générés par l'aide au financement des énergies renouvelables et de la cogénération à acquitter par une entreprise au niveau de l'entreprise ou de l'établissement est limité à 0,5 % de la valeur ajoutée brute de l'entreprise si l'entreprise appartient à l'un des secteurs exposés à un risque important de délocalisation, tels que mentionnés dans la partie 1re de l'annexe IV/1 ou tels que déterminés par le ministre.
Le ministre peut prévoir qu'un secteur ou un sous-secteur qui ne figure pas dans la partie 1re de l'annexe IV/1 est un secteur exposé à un risque important de délocalisation pour autant que la désignation de ce secteur satisfasse à chacune des conditions suivantes :
1° il s'agit d'un secteur pour lequel la multiplication de l'intensité des échanges et de l'électro-intensité au niveau de l'Union atteint au moins 2 % ;
2° il s'agit d'un secteur dont l'intensité des échanges et l'électro-intensité au niveau de l'Union sont d'au moins 5 % pour chaque indicateur.
Les conditions visées à l'alinéa 2, 1° et 2° sont démontrées au moyen de données représentatives du secteur ou du sous-secteur au niveau de l'Union, fondées sur une période d'au moins trois années consécutives commençant au plus tôt en 2013 et vérifiées par un expert indépendant. " ;
3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, 2°, les mots " d'un audit énergétique entreprise " sont insérés entre les mots " plan énergétique " et le membre de phrase " , tel que visé au titre VI, chapitre V " ;
4° dans le paragraphe 4, les alinéas 1er et 2 sont abrogés ;
5° un paragraphe 7 rédigé comme suit est ajouté :
" § 7. Le montant de la contribution mentionnée dans les paragraphes 1er et 2 ne peut jamais être inférieur à un montant correspondant à un prélèvement inférieur à 0,5 euro par MWh en ce qui concerne les coûts générés par l'aide au financement des énergies renouvelables et de la cogénération que l'entreprise concernée devrait acquitter au niveau de l'entreprise ou de l'établissement. ".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. S'il est satisfait aux conditions énoncées dans le présent chapitre, le montant des coûts générés par l'aide au financement des énergies renouvelables et de la cogénération à acquitter par une entreprise au niveau de l'entreprise ou de l'établissement est limité à 1 % de la valeur ajoutée brute de l'entreprise si l'entreprise appartient à l'un des secteurs exposés au risque de délocalisation, tels que mentionnés dans la partie 2 de l'annexe IV/1 ou tels que déterminés par le ministre.
Le ministre peut prévoir qu'un secteur ou un sous-secteur qui ne figure pas dans la partie 2 de l'annexe IV/1 est un secteur exposé au risque de délocalisation pour autant que la désignation de ce secteur satisfasse à chacune des conditions suivantes :
1° il s'agit d'un secteur pour lequel la multiplication de l'intensité des échanges et de l'électro-intensité au niveau de l'Union atteint au moins 0,6 % ;
2° il s'agit d'un secteur dont l'intensité des échanges et l'électro-intensité au niveau de l'Union sont respectivement d'au moins 4 % et 5 %.
Les conditions visées à l'alinéa 2, 1° et 2°, sont démontrées au moyen de données représentatives du secteur ou du sous-secteur au niveau de l'Union, fondées sur une période d'au moins trois années consécutives commençant au plus tôt en 2013 et vérifiées par un expert indépendant. " ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. S'il est satisfait aux conditions énoncées dans le présent chapitre, le montant des coûts générés par l'aide au financement des énergies renouvelables et de la cogénération à acquitter par une entreprise au niveau de l'entreprise ou de l'établissement est limité à 0,5 % de la valeur ajoutée brute de l'entreprise si l'entreprise appartient à l'un des secteurs exposés à un risque important de délocalisation, tels que mentionnés dans la partie 1re de l'annexe IV/1 ou tels que déterminés par le ministre.
Le ministre peut prévoir qu'un secteur ou un sous-secteur qui ne figure pas dans la partie 1re de l'annexe IV/1 est un secteur exposé à un risque important de délocalisation pour autant que la désignation de ce secteur satisfasse à chacune des conditions suivantes :
1° il s'agit d'un secteur pour lequel la multiplication de l'intensité des échanges et de l'électro-intensité au niveau de l'Union atteint au moins 2 % ;
2° il s'agit d'un secteur dont l'intensité des échanges et l'électro-intensité au niveau de l'Union sont d'au moins 5 % pour chaque indicateur.
Les conditions visées à l'alinéa 2, 1° et 2° sont démontrées au moyen de données représentatives du secteur ou du sous-secteur au niveau de l'Union, fondées sur une période d'au moins trois années consécutives commençant au plus tôt en 2013 et vérifiées par un expert indépendant. " ;
3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, 2°, les mots " d'un audit énergétique entreprise " sont insérés entre les mots " plan énergétique " et le membre de phrase " , tel que visé au titre VI, chapitre V " ;
4° dans le paragraphe 4, les alinéas 1er et 2 sont abrogés ;
5° un paragraphe 7 rédigé comme suit est ajouté :
" § 7. Le montant de la contribution mentionnée dans les paragraphes 1er et 2 ne peut jamais être inférieur à un montant correspondant à un prélèvement inférieur à 0,5 euro par MWh en ce qui concerne les coûts générés par l'aide au financement des énergies renouvelables et de la cogénération que l'entreprise concernée devrait acquitter au niveau de l'entreprise ou de l'établissement. ".
Art. 43. In titel VI, hoofdstuk VI, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2018 wordt in het opschrift van afdeling II het woord "elektro-intensieve" opgeheven.
Art. 43. Dans le titre VI, chapitre VI, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2018, dans l'intitulé de la section II, les mots " à grande consommation d'électricité " sont abrogés.
Art. 44. In artikel 6.6.2 van het hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2018 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "elektro-intensieve" opgeheven;
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
"2° de elektriciteitskosten van de onderneming of vestigingseenheid, alsook een gedetailleerde toelichting over de wijze waarop deze berekend werden conform artikel 6.6.1, § 4, met hierin inbegrepen een expliciete vermelding van het bedrag dat overeenstemt met de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten die door de betreffende onderneming op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigd zouden zijn;";
3° in paragraaf 1, tweede lid, 7°, wordt tussen het woord "energieplan" en de zinsnede ": de maatregelen inzake energie-efficiëntie" de woorden "of energieaudit onderneming" ingevoegd.
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "elektro-intensieve" opgeheven;
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
"2° de elektriciteitskosten van de onderneming of vestigingseenheid, alsook een gedetailleerde toelichting over de wijze waarop deze berekend werden conform artikel 6.6.1, § 4, met hierin inbegrepen een expliciete vermelding van het bedrag dat overeenstemt met de door financieringssteun voor hernieuwbare energie en warmte-krachtkoppeling ontstane kosten die door de betreffende onderneming op ondernemingsniveau of vestigingsniveau verschuldigd zouden zijn;";
3° in paragraaf 1, tweede lid, 7°, wordt tussen het woord "energieplan" en de zinsnede ": de maatregelen inzake energie-efficiëntie" de woorden "of energieaudit onderneming" ingevoegd.
Art. 44. A l'article 6.6.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2018 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2020, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " à grande consommation d'électricité " sont abrogés ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° les coûts d'électricité de l'entreprise ou de l'unité d'établissement, ainsi qu'une explication détaillée de leur mode de calcul conformément à l'article 6.6.1, § 4, en ce compris une mention explicite du montant correspondant aux coûts générés par l'aide au financement des énergies renouvelables et de la cogénération que l'entreprise concernée devrait acquitter au niveau de l'entreprise ou de l'établissement ; " ;
3° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, 7°, les mots " ou d'un audit énergétique entreprise " sont insérés entre les mots " plan énergétique " et le membre de phrase " : les mesures en matière d'efficacité énergétique ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " à grande consommation d'électricité " sont abrogés ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° les coûts d'électricité de l'entreprise ou de l'unité d'établissement, ainsi qu'une explication détaillée de leur mode de calcul conformément à l'article 6.6.1, § 4, en ce compris une mention explicite du montant correspondant aux coûts générés par l'aide au financement des énergies renouvelables et de la cogénération que l'entreprise concernée devrait acquitter au niveau de l'entreprise ou de l'établissement ; " ;
3° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, 7°, les mots " ou d'un audit énergétique entreprise " sont insérés entre les mots " plan énergétique " et le membre de phrase " : les mesures en matière d'efficacité énergétique ".
Art. 45. In artikel 6.6.4 van het hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2018 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, wordt het woord "elektriciteitsintensiteit" vervangen door het woord "elektriciteitskosten".
Art. 45. Dans l'article 6.6.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2018 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2020, les mots " de l'intensité en électricité " sont remplacés par les mots " des coûts d'électricité ".
Art. 46. Aan titel VI, hoofdstuk VI, afdeling III van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van 19 oktober 2022, wordt een artikel 6.6.5 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 6.6.5. Als het VEKA vaststelt dat een onderneming, die geen lid is van een energiebeleidsovereenkomst, de verplichte maatregelen in het kader van het energieplan of de energie-audit onderneming, vermeld in artikel 6.6.1, § 3, 2°, niet uitvoert conform de voorziene timing in artikel 6.5.5, § 2 en artikel 6.5.13, § 4, kan het bedrag van de beperking die in toepassing van dit hoofdstuk werd toegestaan aan de betreffende onderneming worden teruggevorderd en wordt de onderneming in de toekomst uitgesloten van verdere toepassing van dit hoofdstuk totdat de verplichte maatregelen werden uitgevoerd.".
"Art. 6.6.5. Als het VEKA vaststelt dat een onderneming, die geen lid is van een energiebeleidsovereenkomst, de verplichte maatregelen in het kader van het energieplan of de energie-audit onderneming, vermeld in artikel 6.6.1, § 3, 2°, niet uitvoert conform de voorziene timing in artikel 6.5.5, § 2 en artikel 6.5.13, § 4, kan het bedrag van de beperking die in toepassing van dit hoofdstuk werd toegestaan aan de betreffende onderneming worden teruggevorderd en wordt de onderneming in de toekomst uitgesloten van verdere toepassing van dit hoofdstuk totdat de verplichte maatregelen werden uitgevoerd.".
Art. 46. Au titre VI, chapitre VI, section III du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du 19 octobre 2022, un article 6.6.5 rédigé comme suit est ajouté :
" Art. 6.6.5. Si la VEKA constate qu'une entreprise, qui n'est pas membre d'un accord de politique énergétique, ne met pas en oeuvre les mesures obligatoires dans le cadre du plan énergétique ou de l'audit énergétique entreprise visé à l'article 6.6.1, § 3, 2°, conformément au calendrier prévu à l'article 6.5.5, § 2 et à l'article 6.5.13, § 4, le montant de la limitation qui était accordé à l'entreprise concernée en application du présent chapitre peut être récupéré et l'entreprise est exclue à l'avenir de l'application du présent chapitre jusqu'à ce que les mesures obligatoires aient été mises en oeuvre. ".
" Art. 6.6.5. Si la VEKA constate qu'une entreprise, qui n'est pas membre d'un accord de politique énergétique, ne met pas en oeuvre les mesures obligatoires dans le cadre du plan énergétique ou de l'audit énergétique entreprise visé à l'article 6.6.1, § 3, 2°, conformément au calendrier prévu à l'article 6.5.5, § 2 et à l'article 6.5.13, § 4, le montant de la limitation qui était accordé à l'entreprise concernée en application du présent chapitre peut être récupéré et l'entreprise est exclue à l'avenir de l'application du présent chapitre jusqu'à ce que les mesures obligatoires aient été mises en oeuvre. ".
Art. 47. Aan artikel 6.7.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen het vierde en vijfde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De volgende gegevens worden aan het VEKA bezorgd via een elektronisch formulier dat door het VEKA ter beschikking is gesteld:
a) aanvraagformulier voor uitstel bij dakvervanging of uitstel bij sloop met heropbouw;
b) getekende offerte voor dakvervanging;
c) de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen met betrekking tot sloop, in geval van sloop met heropbouw of sloop zonder heropbouw;
d) meldingsformulier voor sloop zonder heropbouw;
e) netstudie elektriciteit;
f) participatieovereenkomst;
g) lijst van participanten en participatienummers.";
2° na het vijfde lid wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Het piekvermogen of het nominaal vermogen van een installatie kan maar één keer meegeteld worden om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in dit hoofdstuk.".
1° tussen het vierde en vijfde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De volgende gegevens worden aan het VEKA bezorgd via een elektronisch formulier dat door het VEKA ter beschikking is gesteld:
a) aanvraagformulier voor uitstel bij dakvervanging of uitstel bij sloop met heropbouw;
b) getekende offerte voor dakvervanging;
c) de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen met betrekking tot sloop, in geval van sloop met heropbouw of sloop zonder heropbouw;
d) meldingsformulier voor sloop zonder heropbouw;
e) netstudie elektriciteit;
f) participatieovereenkomst;
g) lijst van participanten en participatienummers.";
2° na het vijfde lid wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Het piekvermogen of het nominaal vermogen van een installatie kan maar één keer meegeteld worden om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in dit hoofdstuk.".
Art. 47. A l'article 6.7.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° entre les alinéas 4 et 5, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
" Les données suivantes sont transmises à la VEKA au moyen d'un formulaire électronique mis à disposition par la VEKA :
a) formulaire de demande de report en cas de remplacement de la toiture ou de report en cas de démolition avec reconstruction ;
b) devis signé pour le remplacement de la toiture ;
c) le permis d'environnement pour des actes urbanistiques concernant la démolition, en cas de démolition avec reconstruction ou de démolition sans reconstruction ;
d) formulaire de notification de démolition sans reconstruction ;
e) étude de réseau électrique ;
f) convention de participation ;
g) liste des participants et numéros de participation ;
2° après l'alinéa 4, un alinéa rédigé comme suit est ajouté :
" La puissance de crête ou la puissance nominale d'une installation ne peut être prise en compte qu'une seule fois pour satisfaire aux obligations mentionnées dans le présent chapitre. ".
1° entre les alinéas 4 et 5, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
" Les données suivantes sont transmises à la VEKA au moyen d'un formulaire électronique mis à disposition par la VEKA :
a) formulaire de demande de report en cas de remplacement de la toiture ou de report en cas de démolition avec reconstruction ;
b) devis signé pour le remplacement de la toiture ;
c) le permis d'environnement pour des actes urbanistiques concernant la démolition, en cas de démolition avec reconstruction ou de démolition sans reconstruction ;
d) formulaire de notification de démolition sans reconstruction ;
e) étude de réseau électrique ;
f) convention de participation ;
g) liste des participants et numéros de participation ;
2° après l'alinéa 4, un alinéa rédigé comme suit est ajouté :
" La puissance de crête ou la puissance nominale d'une installation ne peut être prise en compte qu'une seule fois pour satisfaire aux obligations mentionnées dans le présent chapitre. ".
Art. 48. In artikel 6.7.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de eerste zin vervangen door wat volgt:
"Als de horizontale dakoppervlakte van de gebouwen op het afnamepunt met een afgenomen brutohoeveelheid elektriciteit van meer dan 1 GWh, toeneemt door ingebruikname van nieuwe gebouwen die aangesloten zijn op dat afnamepunt, door bestaande gebouwen op dat afnamepunt aan te sluiten, of door uitbreiding van bestaande gebouwen aangesloten op dat afnamepunt worden uiterlijk op 1 januari van het vierde kalenderjaar dat volgt op de aansluiting van de nieuwe of bestaande gebouwen of de uitbreiding van het bestaande gebouw, fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst genomen, rekening houdend met de nieuwe horizontale dakoppervlakte.";
2° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "een voorgelegde netstudie elektriciteit" vervangen door de zinsnede "een door de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van gebouwen als vermeld in artikel 6.7.2, aan het VEKA voorgelegde actuele netstudie elektriciteit".
1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de eerste zin vervangen door wat volgt:
"Als de horizontale dakoppervlakte van de gebouwen op het afnamepunt met een afgenomen brutohoeveelheid elektriciteit van meer dan 1 GWh, toeneemt door ingebruikname van nieuwe gebouwen die aangesloten zijn op dat afnamepunt, door bestaande gebouwen op dat afnamepunt aan te sluiten, of door uitbreiding van bestaande gebouwen aangesloten op dat afnamepunt worden uiterlijk op 1 januari van het vierde kalenderjaar dat volgt op de aansluiting van de nieuwe of bestaande gebouwen of de uitbreiding van het bestaande gebouw, fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst genomen, rekening houdend met de nieuwe horizontale dakoppervlakte.";
2° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "een voorgelegde netstudie elektriciteit" vervangen door de zinsnede "een door de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van gebouwen als vermeld in artikel 6.7.2, aan het VEKA voorgelegde actuele netstudie elektriciteit".
Art. 48. A l'article 6.7.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, la première phrase est remplacée par ce qui suit :
" Si la surface de toiture horizontale des bâtiments au point de prélèvement auquel la quantité brute d'électricité prélevée est supérieure à 1 GWh augmente en raison de la mise en service de nouveaux bâtiments raccordés à ce point de prélèvement, du raccordement de bâtiments existants à ce point de prélèvement ou de l'extension de bâtiments existants raccordés à ce point de prélèvement, des panneaux solaires photovoltaïques sont mis en service au plus tard le 1er janvier de la quatrième année civile qui suit le raccordement des bâtiments neufs ou existants ou l'extension du bâtiment existant, en tenant compte de la nouvelle surface de toiture horizontale. " ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 4, les mots " d'une étude du réseau électrique soumise " sont remplacés par le membre de phrase " d'une étude du réseau électrique actuelle soumise à la VEKA par le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments tels que visés à l'article 6.7.2, qui a été réalisée ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, la première phrase est remplacée par ce qui suit :
" Si la surface de toiture horizontale des bâtiments au point de prélèvement auquel la quantité brute d'électricité prélevée est supérieure à 1 GWh augmente en raison de la mise en service de nouveaux bâtiments raccordés à ce point de prélèvement, du raccordement de bâtiments existants à ce point de prélèvement ou de l'extension de bâtiments existants raccordés à ce point de prélèvement, des panneaux solaires photovoltaïques sont mis en service au plus tard le 1er janvier de la quatrième année civile qui suit le raccordement des bâtiments neufs ou existants ou l'extension du bâtiment existant, en tenant compte de la nouvelle surface de toiture horizontale. " ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 4, les mots " d'une étude du réseau électrique soumise " sont remplacés par le membre de phrase " d'une étude du réseau électrique actuelle soumise à la VEKA par le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments tels que visés à l'article 6.7.2, qui a été réalisée ".
Art. 49. In artikel 6.7.4, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het achtste lid wordt de vierde zin vervangen door wat volgt:
"Het piekvermogen of het nominaal vermogen van projectinstallaties die worden geplaatst ter uitvoering van een andere verplichting die voortvloeit uit dit besluit, komt niet in aanmerking om te voldoen aan de bepalingen, vermeld in deze paragraaf.";
2° in het negende lid wordt tussen de woorden "een uniek nummer" en de woorden "en wordt geregistreerd" de zinsnede ", vermeldt het afnamepunt van het project" ingevoegd.
1° in het achtste lid wordt de vierde zin vervangen door wat volgt:
"Het piekvermogen of het nominaal vermogen van projectinstallaties die worden geplaatst ter uitvoering van een andere verplichting die voortvloeit uit dit besluit, komt niet in aanmerking om te voldoen aan de bepalingen, vermeld in deze paragraaf.";
2° in het negende lid wordt tussen de woorden "een uniek nummer" en de woorden "en wordt geregistreerd" de zinsnede ", vermeldt het afnamepunt van het project" ingevoegd.
Art. 49. A l'article 6.7.4, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 8, la quatrième phrase est remplacée par ce qui suit :
" La puissance de crête ou la puissance nominale d'installations de projet mises en place en exécution d'une autre obligation découlant du présent arrêté n'entre pas en considération pour satisfaire aux dispositions du présent paragraphe. " ;
2° à l'alinéa 9, le membre de phrase " , mentionne le point de prélèvement du projet " est inséré entre les mots " d'un numéro unique " et les mots " et est enregistrée ".
1° à l'alinéa 8, la quatrième phrase est remplacée par ce qui suit :
" La puissance de crête ou la puissance nominale d'installations de projet mises en place en exécution d'une autre obligation découlant du présent arrêté n'entre pas en considération pour satisfaire aux dispositions du présent paragraphe. " ;
2° à l'alinéa 9, le membre de phrase " , mentionne le point de prélèvement du projet " est inséré entre les mots " d'un numéro unique " et les mots " et est enregistrée ".
Art. 50. In artikel 6.7.5, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van 17 februari 2023, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"Bij een volledige of gedeeltelijke sloop van een gebouw zonder heropbouw zijn artikel 6.7.3 en 6.7.4 niet van toepassing op het gedeelte van het dakoppervlak dat niet wordt heropgebouwd. De eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen, als vermeld in artikel 6.7.2, maakt in dat geval melding van de sloop zonder heropbouw bij het VEKA.".
"Bij een volledige of gedeeltelijke sloop van een gebouw zonder heropbouw zijn artikel 6.7.3 en 6.7.4 niet van toepassing op het gedeelte van het dakoppervlak dat niet wordt heropgebouwd. De eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen, als vermeld in artikel 6.7.2, maakt in dat geval melding van de sloop zonder heropbouw bij het VEKA.".
Art. 50. Dans l'article 6.7.5, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du 17 février 2023, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" En cas de démolition totale ou partielle d'un bâtiment sans reconstruction, les articles 6.7.3 et 6.7.4 ne s'appliquent pas à la partie de la surface de toiture qui n'est pas reconstruite. Dans ce cas, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments tels que visés à l'article 6.7.2 notifient la démolition sans reconstruction à la VEKA. ".
" En cas de démolition totale ou partielle d'un bâtiment sans reconstruction, les articles 6.7.3 et 6.7.4 ne s'appliquent pas à la partie de la surface de toiture qui n'est pas reconstruite. Dans ce cas, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments tels que visés à l'article 6.7.2 notifient la démolition sans reconstruction à la VEKA. ".
Art. 51. In artikel 6.7.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de eerste zin vervangen door wat volgt:
"Als de horizontale dakoppervlakte van de gebouwen op het afnamepunt met een afgenomen brutohoeveelheid elektriciteit van meer dan 250 MWh, toeneemt door ingebruikname van nieuwe gebouwen die aangesloten zijn op dat afnamepunt, door bestaande gebouwen op dat afnamepunt aan te sluiten, of door uitbreiding van bestaande gebouwen aangesloten op dat afnamepunt worden uiterlijk op 1 januari van het vierde kalenderjaar dat volgt op de aansluiting van de nieuwe of bestaande gebouwen of de uitbreiding van het bestaande gebouw, fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst genomen, rekening houdend met de nieuwe horizontale dakoppervlakte.";
2° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "een voorgelegde netstudie elektriciteit" vervangen door de zinsnede "een door de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van gebouwen als vermeld in artikel 6.7.7, aan het VEKA voorgelegde actuele netstudie elektriciteit".
1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de eerste zin vervangen door wat volgt:
"Als de horizontale dakoppervlakte van de gebouwen op het afnamepunt met een afgenomen brutohoeveelheid elektriciteit van meer dan 250 MWh, toeneemt door ingebruikname van nieuwe gebouwen die aangesloten zijn op dat afnamepunt, door bestaande gebouwen op dat afnamepunt aan te sluiten, of door uitbreiding van bestaande gebouwen aangesloten op dat afnamepunt worden uiterlijk op 1 januari van het vierde kalenderjaar dat volgt op de aansluiting van de nieuwe of bestaande gebouwen of de uitbreiding van het bestaande gebouw, fotovoltaïsche zonnepanelen in dienst genomen, rekening houdend met de nieuwe horizontale dakoppervlakte.";
2° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "een voorgelegde netstudie elektriciteit" vervangen door de zinsnede "een door de eigenaar, erfpachter of opstalhouder van gebouwen als vermeld in artikel 6.7.7, aan het VEKA voorgelegde actuele netstudie elektriciteit".
Art. 51. A l'article 6.7.8 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, la première phrase est remplacée par ce qui suit :
" Si la surface de toiture horizontale des bâtiments au point de prélèvement auquel la quantité brute d'électricité prélevée est supérieure à 250 MWh augmente en raison de la mise en service de nouveaux bâtiments raccordés à ce point de prélèvement, du raccordement de bâtiments existants à ce point de prélèvement ou de l'extension de bâtiments existants raccordés à ce point de prélèvement, des panneaux solaires photovoltaïques sont mis en service au plus tard le 1er janvier de la quatrième année civile qui suit le raccordement des bâtiments neufs ou existants ou l'extension du bâtiment existant, en tenant compte de la nouvelle surface de toiture horizontale. " ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 4, les mots " d'une étude du réseau électrique soumise " sont remplacés par le membre de phrase " d'une étude du réseau électrique actuelle soumise à la VEKA par le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments tels que visés à l'article 6.7.7, qui a été réalisée ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, la première phrase est remplacée par ce qui suit :
" Si la surface de toiture horizontale des bâtiments au point de prélèvement auquel la quantité brute d'électricité prélevée est supérieure à 250 MWh augmente en raison de la mise en service de nouveaux bâtiments raccordés à ce point de prélèvement, du raccordement de bâtiments existants à ce point de prélèvement ou de l'extension de bâtiments existants raccordés à ce point de prélèvement, des panneaux solaires photovoltaïques sont mis en service au plus tard le 1er janvier de la quatrième année civile qui suit le raccordement des bâtiments neufs ou existants ou l'extension du bâtiment existant, en tenant compte de la nouvelle surface de toiture horizontale. " ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 4, les mots " d'une étude du réseau électrique soumise " sont remplacés par le membre de phrase " d'une étude du réseau électrique actuelle soumise à la VEKA par le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments tels que visés à l'article 6.7.7, qui a été réalisée ".
Art. 52. In artikel 6.7.9, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het achtste lid wordt de vierde zin vervangen door wat volgt:
"Het piekvermogen of het nominaal vermogen van projectinstallaties die worden geplaatst ter uitvoering van een andere verplichting die voortvloeit uit dit besluit, komt niet in aanmerking om te voldoen aan de bepalingen, vermeld in deze paragraaf.";
2° in het negende lid wordt tussen de woorden "een uniek nummer" en de woorden "en wordt geregistreerd" de zinsnede ", vermeldt het afnamepunt van het project" ingevoegd.
1° in het achtste lid wordt de vierde zin vervangen door wat volgt:
"Het piekvermogen of het nominaal vermogen van projectinstallaties die worden geplaatst ter uitvoering van een andere verplichting die voortvloeit uit dit besluit, komt niet in aanmerking om te voldoen aan de bepalingen, vermeld in deze paragraaf.";
2° in het negende lid wordt tussen de woorden "een uniek nummer" en de woorden "en wordt geregistreerd" de zinsnede ", vermeldt het afnamepunt van het project" ingevoegd.
Art. 52. A l'article 6.7.9, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 8, la quatrième phrase est remplacée par ce qui suit :
" La puissance de crête ou la puissance nominale d'installations de projet mises en place en exécution d'une autre obligation découlant du présent arrêté n'entre pas en considération pour satisfaire aux dispositions du présent paragraphe. " ;
2° à l'alinéa 9, le membre de phrase " , mentionne le point de prélèvement du projet " est inséré entre les mots " d'un numéro unique " et les mots " et est enregistrée ".
1° à l'alinéa 8, la quatrième phrase est remplacée par ce qui suit :
" La puissance de crête ou la puissance nominale d'installations de projet mises en place en exécution d'une autre obligation découlant du présent arrêté n'entre pas en considération pour satisfaire aux dispositions du présent paragraphe. " ;
2° à l'alinéa 9, le membre de phrase " , mentionne le point de prélèvement du projet " est inséré entre les mots " d'un numéro unique " et les mots " et est enregistrée ".
Art. 53. In artikel 6.7.10, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van 17 februari 2023, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"Bij een volledige of gedeeltelijke sloop van een gebouw zonder heropbouw zijn artikel 6.7.8 en 6.7.9 niet van toepassing op het gedeelte van het dakoppervlak dat niet wordt heropgebouwd. De eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen, als vermeld in artikel 6.7.7, maakt in dat geval melding van de sloop zonder heropbouw bij het VEKA.".
"Bij een volledige of gedeeltelijke sloop van een gebouw zonder heropbouw zijn artikel 6.7.8 en 6.7.9 niet van toepassing op het gedeelte van het dakoppervlak dat niet wordt heropgebouwd. De eigenaar, erfpachter of opstalhouder van de gebouwen, als vermeld in artikel 6.7.7, maakt in dat geval melding van de sloop zonder heropbouw bij het VEKA.".
Art. 53. Dans l'article 6.7.10, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du 17 février 2023, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" En cas de démolition totale ou partielle d'un bâtiment sans reconstruction, les articles 6.7.8 et 6.7.9 ne s'appliquent pas à la partie de la surface de toiture qui n'est pas reconstruite. Dans ce cas, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments tels que visés à l'article 6.7.7 notifient la démolition sans reconstruction à la VEKA. ".
" En cas de démolition totale ou partielle d'un bâtiment sans reconstruction, les articles 6.7.8 et 6.7.9 ne s'appliquent pas à la partie de la surface de toiture qui n'est pas reconstruite. Dans ce cas, le propriétaire, l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments tels que visés à l'article 6.7.7 notifient la démolition sans reconstruction à la VEKA. ".
Art. 54. In artikel 7.2.21, eerste lid, van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2019, worden tussen de woorden "voor energetische renovatie van" en de woorden "noodkoopwoningen in het Vlaamse Gewest" de woorden "minstens tien" ingevoegd.
Art. 54. Dans l'article 7.2.21, alinéa 1er, du même arrêté, rétabli par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mai 2019, les mots " la rénovation énergétique des logements " sont remplacés par les mots " la rénovation énergétique d'au moins dix logements ".
Art. 55. In artikel 7.2.22 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2019 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 juli 2021 en 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden tussen de woorden "aan de noodkopers" en de woorden "Het OCMW" de zinnen "Alle noodkoopwoningen voldoen na de renovatiewerken minstens aan de vereisten inzake veiligheid, gezondheid en woningkwaliteit. Het voldoen aan de voormelde vereisten kan worden aangetoond met een attest of een verslag, inclusief de maximale energiescore zoals vastgesteld in het model van technisch verslag voor het onderzoek van de kwaliteit van zelfstandige woningen, bepaald in bijlage 4 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021." ingevoegd;
2° in paragraaf 1 wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:
"Per noodkoopwoning in het project waarvoor het OCMW steun vraagt, wordt er in een werkingsvergoeding van 3.000 euro voorzien.";
3° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 2/1. De noodkopers worden na de uitvoering van de werken, vermeld in artikel 7.2.21, tot ze de noodkooplening hebben terugbetaald, periodiek opgevolgd en begeleid, om minstens het energiegebruik te monitoren en energiezuinig gedrag te bevorderen.";
4° aan paragraaf 3, tweede lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Het OCMW voorziet in periodieke controles op de naleving van de voormelde voorwaarden.";
5° paragraaf 6 wordt opgeheven.
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden tussen de woorden "aan de noodkopers" en de woorden "Het OCMW" de zinnen "Alle noodkoopwoningen voldoen na de renovatiewerken minstens aan de vereisten inzake veiligheid, gezondheid en woningkwaliteit. Het voldoen aan de voormelde vereisten kan worden aangetoond met een attest of een verslag, inclusief de maximale energiescore zoals vastgesteld in het model van technisch verslag voor het onderzoek van de kwaliteit van zelfstandige woningen, bepaald in bijlage 4 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021." ingevoegd;
2° in paragraaf 1 wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:
"Per noodkoopwoning in het project waarvoor het OCMW steun vraagt, wordt er in een werkingsvergoeding van 3.000 euro voorzien.";
3° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 2/1. De noodkopers worden na de uitvoering van de werken, vermeld in artikel 7.2.21, tot ze de noodkooplening hebben terugbetaald, periodiek opgevolgd en begeleid, om minstens het energiegebruik te monitoren en energiezuinig gedrag te bevorderen.";
4° aan paragraaf 3, tweede lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Het OCMW voorziet in periodieke controles op de naleving van de voormelde voorwaarden.";
5° paragraaf 6 wordt opgeheven.
Art. 55. A l'article 7.2.22 du même arrêté, rétabli par l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mai 2019 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 juillet 2021 et 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, entre le membre de phrase " logements acquisitifs par nécessité. " et le membre de phrase " Pour la gestion des prêts, " les phrases " Après les travaux de rénovation, tous les logements acquisitifs par nécessité satisfont au moins aux exigences en matière de sécurité, de salubrité et de qualité du logement. Le respect des exigences précitées peut être démontré au moyen d'une attestation ou d'un rapport, y compris le score énergétique maximal tel qu'établi dans le modèle de rapport technique pour l'examen de la qualité des logements indépendants, figurant à l'annexe 4 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021. " sont insérées ;
2° au paragraphe 1er, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
" Une indemnité de fonctionnement de 3 000 euros est prévue par logement acquisitif par nécessité du projet pour lequel le CPAS demande une aide. " ;
3° un paragraphe 2/1 rédigé comme suit est inséré :
" § 2/1. Après l'exécution des travaux visés à l'article 7.2.21 et jusqu'à ce qu'ils aient remboursé le prêt à l'acquisition par nécessité, les acquéreurs par nécessité bénéficient d'un suivi et d'un accompagnement périodiques pour contrôler au moins la consommation d'énergie et promouvoir un comportement économe en énergie. " ;
4° au paragraphe 3, alinéa 2, la phrase suivante est ajoutée :
" Le CPAS prévoit des contrôles périodiques du respect des conditions précitées. " ;
5° le paragraphe 6 est abrogé.
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, entre le membre de phrase " logements acquisitifs par nécessité. " et le membre de phrase " Pour la gestion des prêts, " les phrases " Après les travaux de rénovation, tous les logements acquisitifs par nécessité satisfont au moins aux exigences en matière de sécurité, de salubrité et de qualité du logement. Le respect des exigences précitées peut être démontré au moyen d'une attestation ou d'un rapport, y compris le score énergétique maximal tel qu'établi dans le modèle de rapport technique pour l'examen de la qualité des logements indépendants, figurant à l'annexe 4 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021. " sont insérées ;
2° au paragraphe 1er, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
" Une indemnité de fonctionnement de 3 000 euros est prévue par logement acquisitif par nécessité du projet pour lequel le CPAS demande une aide. " ;
3° un paragraphe 2/1 rédigé comme suit est inséré :
" § 2/1. Après l'exécution des travaux visés à l'article 7.2.21 et jusqu'à ce qu'ils aient remboursé le prêt à l'acquisition par nécessité, les acquéreurs par nécessité bénéficient d'un suivi et d'un accompagnement périodiques pour contrôler au moins la consommation d'énergie et promouvoir un comportement économe en énergie. " ;
4° au paragraphe 3, alinéa 2, la phrase suivante est ajoutée :
" Le CPAS prévoit des contrôles périodiques du respect des conditions précitées. " ;
5° le paragraphe 6 est abrogé.
Art. 56. Artikel 7.2.23 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 17 juli 2020, 11 december 2020 en 16 juli 2021, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 7.2.23. De steunaanvraag als vermeld in artikel 7.2.21, wordt ingediend bij het VEKA met een aanvraagformulier, dat beschikbaar wordt gesteld op de website van het VEKA. Aanvragen kunnen doorlopend ingediend worden tot en met 31 oktober van het kalenderjaar.
De steunaanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
1° projectnaam;
2° gegevens over de projectpromotor;
3° gegevens over de betrokken partner(s);
4° gegevens over het project;
5° gegevens over de financiering.
Het VEKA behandelt de aanvragen in de volgorde waarin ze worden ingediend.".
"Art. 7.2.23. De steunaanvraag als vermeld in artikel 7.2.21, wordt ingediend bij het VEKA met een aanvraagformulier, dat beschikbaar wordt gesteld op de website van het VEKA. Aanvragen kunnen doorlopend ingediend worden tot en met 31 oktober van het kalenderjaar.
De steunaanvraag, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende elementen:
1° projectnaam;
2° gegevens over de projectpromotor;
3° gegevens over de betrokken partner(s);
4° gegevens over het project;
5° gegevens over de financiering.
Het VEKA behandelt de aanvragen in de volgorde waarin ze worden ingediend.".
Art. 56. L'article 7.2.23 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mai 2019 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 17 juillet 2020, 11 décembre 2020 et 16 juillet 2021, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 7.2.23. La demande d'aide telle que visée à l'article 7.2.21 est introduite auprès de la VEKA au moyen d'un formulaire de demande disponible sur le site web de la VEKA. Les demandes peuvent être introduites en permanence jusqu'au 31 octobre de l'année civile.
La demande d'aide visée à l'alinéa 1er contient tous les éléments suivants :
1° le nom du projet ;
2° des renseignements au sujet du promoteur du projet ;
3° des renseignements au sujet du(des) partenaire(s) impliqué(s) ;
4° des renseignements au sujet du projet ;
5° des renseignements au sujet du financement.
La VEKA traite les demandes dans l'ordre dans lequel elles sont introduites. ".
" Art. 7.2.23. La demande d'aide telle que visée à l'article 7.2.21 est introduite auprès de la VEKA au moyen d'un formulaire de demande disponible sur le site web de la VEKA. Les demandes peuvent être introduites en permanence jusqu'au 31 octobre de l'année civile.
La demande d'aide visée à l'alinéa 1er contient tous les éléments suivants :
1° le nom du projet ;
2° des renseignements au sujet du promoteur du projet ;
3° des renseignements au sujet du(des) partenaire(s) impliqué(s) ;
4° des renseignements au sujet du projet ;
5° des renseignements au sujet du financement.
La VEKA traite les demandes dans l'ordre dans lequel elles sont introduites. ".
Art. 57. In artikel 7.2.24, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 4° worden de woorden "en correct" opgeheven;
2° punt 5° wordt opgeheven.
1° in punt 4° worden de woorden "en correct" opgeheven;
2° punt 5° wordt opgeheven.
Art. 57. A l'article 7.2.24, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 4°, les mots " et correctement " sont abrogés ;
2° le point 5° est abrogé.
1° au point 4°, les mots " et correctement " sont abrogés ;
2° le point 5° est abrogé.
Art. 58. In artikel 7.2.25 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 11 december 2020 en 16 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
" § 3. Het VEKA kent de steun, vermeld in artikel 7.2.21, toe aan de projecten die voldoen aan de criteria, vermeld in paragraaf 1, en dit binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen of de middelen die de minister daarvoor, na beslissing van de Vlaamse Regering, in het Energiefonds reserveert.
De besluiten van de administrateur-generaal van het VEKA bevatten minstens al de volgende elementen :
1° de begunstigde;
2° omschrijving van het project, waaronder het aantal noodkoopwoningen waarvoor steun wordt toegekend;
3° het toegekend steunbedrag;
4° de looptijd;
5° de uitbetalingsvoorwaarden;
6° de toezicht en controle;
7° de rapporteringsvoorwaarden;
8° de mogelijkheid tot vervroegd stopzetten.
Het VEKA bezorgt een beslissing aan de aanvragers die niet de minimumscore hebben behaald en zodoende niet in aanmerking komen voor de steun, vermeld in artikel 7.2.21.".
1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
" § 3. Het VEKA kent de steun, vermeld in artikel 7.2.21, toe aan de projecten die voldoen aan de criteria, vermeld in paragraaf 1, en dit binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen of de middelen die de minister daarvoor, na beslissing van de Vlaamse Regering, in het Energiefonds reserveert.
De besluiten van de administrateur-generaal van het VEKA bevatten minstens al de volgende elementen :
1° de begunstigde;
2° omschrijving van het project, waaronder het aantal noodkoopwoningen waarvoor steun wordt toegekend;
3° het toegekend steunbedrag;
4° de looptijd;
5° de uitbetalingsvoorwaarden;
6° de toezicht en controle;
7° de rapporteringsvoorwaarden;
8° de mogelijkheid tot vervroegd stopzetten.
Het VEKA bezorgt een beslissing aan de aanvragers die niet de minimumscore hebben behaald en zodoende niet in aanmerking komen voor de steun, vermeld in artikel 7.2.21.".
Art. 58. A l'article 7.2.25 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mai 2019 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 11 décembre 2020 et 16 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 2 est abrogé ;
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. La VEKA octroie l'aide visée à l'article 7.2.21 aux projets qui satisfont aux critères énoncés dans le paragraphe 1er et ce, dans les limites des ressources budgétaires disponibles ou des moyens que le ministre réserve à cet effet dans le Fonds de l'Energie sur décision du Gouvernement flamand.
Les arrêtés de l'administrateur général de la VEKA contiennent au moins tous les éléments suivants :
1° le bénéficiaire ;
2° la description du projet, dont le nombre de logements acquisitifs par nécessité pour lesquels une aide est octroyée ;
3° le montant d'aide octroyé ;
4° la durée ;
5° les conditions de paiement ;
6° la surveillance et le contrôle ;
7° les conditions de rapportage ;
8° la possibilité de résiliation anticipée.
La VEKA transmet une décision aux demandeurs qui n'ont pas atteint le score minimal et, partant, ne sont pas éligibles à l'aide visée à l'article 7.2.21. ".
1° le paragraphe 2 est abrogé ;
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. La VEKA octroie l'aide visée à l'article 7.2.21 aux projets qui satisfont aux critères énoncés dans le paragraphe 1er et ce, dans les limites des ressources budgétaires disponibles ou des moyens que le ministre réserve à cet effet dans le Fonds de l'Energie sur décision du Gouvernement flamand.
Les arrêtés de l'administrateur général de la VEKA contiennent au moins tous les éléments suivants :
1° le bénéficiaire ;
2° la description du projet, dont le nombre de logements acquisitifs par nécessité pour lesquels une aide est octroyée ;
3° le montant d'aide octroyé ;
4° la durée ;
5° les conditions de paiement ;
6° la surveillance et le contrôle ;
7° les conditions de rapportage ;
8° la possibilité de résiliation anticipée.
La VEKA transmet une décision aux demandeurs qui n'ont pas atteint le score minimal et, partant, ne sont pas éligibles à l'aide visée à l'article 7.2.21. ".
Art. 59. Aan artikel 7.2.26 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De terbeschikkingstelling van de werkingsvergoeding, vermeld in artikel 7.2.22, § 1, vierde lid, gebeurt op de volgende wijze:
1° een voorschot van 80% wordt uitbetaald na de toekenning van de steun door het VEKA. Het OCMW dient daarvoor een schuldvordering in.
2° de overige 20% wordt uitbetaald na de beëindiging van de renovatie van alle noodkoopwoningen in het project. Deze beëindiging blijkt uit het jaarlijkse verslag, vermeld in artikel 7.2.27, derde lid, jaarlijks verslag. Het OCMW dient daarvoor een schuldvordering in.".
"De terbeschikkingstelling van de werkingsvergoeding, vermeld in artikel 7.2.22, § 1, vierde lid, gebeurt op de volgende wijze:
1° een voorschot van 80% wordt uitbetaald na de toekenning van de steun door het VEKA. Het OCMW dient daarvoor een schuldvordering in.
2° de overige 20% wordt uitbetaald na de beëindiging van de renovatie van alle noodkoopwoningen in het project. Deze beëindiging blijkt uit het jaarlijkse verslag, vermeld in artikel 7.2.27, derde lid, jaarlijks verslag. Het OCMW dient daarvoor een schuldvordering in.".
Art. 59. A l'article 7.2.26 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mai 2019, un alinéa 3 rédigé comme suit est ajouté :
" La mise à disposition de l'indemnité de fonctionnement visée à l'article 7.2.22, § 1er, alinéa 4, s'effectue de la façon suivante :
1° une avance de 80 % est versée après l'octroi de l'aide par la VEKA. A cet effet, le CPAS introduit une créance.
2° les 20 % restants sont versés après la fin de la rénovation de tous les logements acquisitifs par nécessité du projet. La fin de cette rénovation ressort du rapport annuel visé à l'article 7.2.27, alinéa 3. A cet effet, le CPAS introduit une créance. ".
" La mise à disposition de l'indemnité de fonctionnement visée à l'article 7.2.22, § 1er, alinéa 4, s'effectue de la façon suivante :
1° une avance de 80 % est versée après l'octroi de l'aide par la VEKA. A cet effet, le CPAS introduit une créance.
2° les 20 % restants sont versés après la fin de la rénovation de tous les logements acquisitifs par nécessité du projet. La fin de cette rénovation ressort du rapport annuel visé à l'article 7.2.27, alinéa 3. A cet effet, le CPAS introduit une créance. ".
Art. 60. Aan artikel 7.2.27 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, worden een tweede en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Het OCMW geeft toelichting over de voortgang van het renovatieproject en over de realisatie van de vastgelegde resultaatsverbintenissen op verzoek van de stuurgroep.
Het OCMW dient jaarlijks uiterlijk op 31 maart van het daaropvolgende jaar een werkings- en financieel verslag bij het VEKA.".
"Het OCMW geeft toelichting over de voortgang van het renovatieproject en over de realisatie van de vastgelegde resultaatsverbintenissen op verzoek van de stuurgroep.
Het OCMW dient jaarlijks uiterlijk op 31 maart van het daaropvolgende jaar een werkings- en financieel verslag bij het VEKA.".
Art. 60. A l'article 7.2.27 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mai 2019 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2020, un alinéa 2 et un alinéa 3 rédigés comme suit sont ajoutés :
" Le CPAS fournit des explications sur l'état d'avancement du projet de rénovation et sur la réalisation des obligations de résultat établies à la demande du groupe de pilotage.
Le CPAS introduit haque année, au plus tard le 31 mars de l'année suivante, un rapport d'activité et financier auprès de la VEKA. ".
" Le CPAS fournit des explications sur l'état d'avancement du projet de rénovation et sur la réalisation des obligations de résultat établies à la demande du groupe de pilotage.
Le CPAS introduit haque année, au plus tard le 31 mars de l'année suivante, un rapport d'activité et financier auprès de la VEKA. ".
Art. 61. In artikel 7.2.27/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de woorden "de projectoproepen" vervangen door de woorden "het steunsysteem".
Art. 61. Dans l'article 7.2.27/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les mots " aux appels à projets visés " sont remplacés par les mots " au système d'aide visé ".
Art. 62. In artikel 7.2.28 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2019, wordt het woord "calls" vervangen door het woord "steunaanvragen".
Art. 62. Dans l'article 7.2.28 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mai 2019, les mots " appels suivants " sont remplacés par les mots " demandes d'aide suivantes ".
Art. 63. In artikel 7.4.2, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid wordt de zinsnede "in artikel 6.5.4, § 1, 7° " telkens vervangen door de zinsnede "in artikel 6.5.5, § 1, 7° ";
2° in het dertiende lid wordt de zinsnede "in artikel 9.1.12/2 en 9.1.12/3" telkens vervangen door de zinsnede "in artikel 9.1.12/2, 9.1.12/3 en 9.1.17, § 5".
1° in het tweede lid wordt de zinsnede "in artikel 6.5.4, § 1, 7° " telkens vervangen door de zinsnede "in artikel 6.5.5, § 1, 7° ";
2° in het dertiende lid wordt de zinsnede "in artikel 9.1.12/2 en 9.1.12/3" telkens vervangen door de zinsnede "in artikel 9.1.12/2, 9.1.12/3 en 9.1.17, § 5".
Art. 63. A l'article 7.4.2, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 2, le membre de phrase " , visé à l'article 6.5.4, § 1er, 7° " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " visé à l'article 6.5.5, § 1er, 7° " ;
2° à l'alinéa 13, le membre de phrase " aux articles 9.1.12/2 et 9.1.12/3 " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " aux articles 9.1.12/2 et 9.1.12/3 et à l'article 9.1.17, § 5 ".
1° à l'alinéa 2, le membre de phrase " , visé à l'article 6.5.4, § 1er, 7° " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " visé à l'article 6.5.5, § 1er, 7° " ;
2° à l'alinéa 13, le membre de phrase " aux articles 9.1.12/2 et 9.1.12/3 " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " aux articles 9.1.12/2 et 9.1.12/3 et à l'article 9.1.17, § 5 ".
Art. 64. In artikel 7.9.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2017 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 1, tweede lid, worden de volgende zinnen toegevoegd:
"Wijzigingen in de territoriale werking van een energiehuis kunnen enkel in werking treden op 1 januari. Het bewijs van de beslissing van de gemeente tot wijziging van de territoriale werking wordt uiterlijk op 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wijziging aan het VEKA voorgelegd.";
2° in paragraaf 1 wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Het werkingsgebied van het energiehuis bedraagt op het moment van de inwerkingtreding van de samenwerkingsovereenkomst minimaal 25.000 private huishoudens.";
3° aan het bestaande derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Het bewijs van de erkenning van de bevoegde diensten wordt minstens drie maanden voor de beoogde datum van inwerkingtreding van de samenwerkingsovereenkomst voorgelegd aan het VEKA.";
4° in paragraaf 2, 3°, worden de woorden "die behoort tot de prioritaire doelgroep van de energieleningen en van de verbouwlening" vervangen door de zinsnede "van wie het inkomen de grenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, derde lid, niet overschrijdt".
1° aan paragraaf 1, tweede lid, worden de volgende zinnen toegevoegd:
"Wijzigingen in de territoriale werking van een energiehuis kunnen enkel in werking treden op 1 januari. Het bewijs van de beslissing van de gemeente tot wijziging van de territoriale werking wordt uiterlijk op 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wijziging aan het VEKA voorgelegd.";
2° in paragraaf 1 wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Het werkingsgebied van het energiehuis bedraagt op het moment van de inwerkingtreding van de samenwerkingsovereenkomst minimaal 25.000 private huishoudens.";
3° aan het bestaande derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt de volgende zin toegevoegd:
"Het bewijs van de erkenning van de bevoegde diensten wordt minstens drie maanden voor de beoogde datum van inwerkingtreding van de samenwerkingsovereenkomst voorgelegd aan het VEKA.";
4° in paragraaf 2, 3°, worden de woorden "die behoort tot de prioritaire doelgroep van de energieleningen en van de verbouwlening" vervangen door de zinsnede "van wie het inkomen de grenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, derde lid, niet overschrijdt".
Art. 64. A l'article 7.9.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 mai 2017 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, alinéa 2, les phrases suivantes sont ajoutées :
" Les modifications de l'action territoriale d'une maison de l'énergie ne peuvent entrer en vigueur que le 1er janvier. La preuve de la décision de la commune de modifier l'action territoriale est soumise à la VEKA au plus tard le 1er octobre de l'année civile précédant l'entrée en vigueur de la modification. " ;
2° dans le paragraphe 1er, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
" Au moment de l'entrée en vigueur de l'accord de coopération, la zone d'action de la maison de l'énergie couvre au minimum 25 000 ménages privés. " ;
3° à l'alinéa 3 existant, qui devient l'alinéa 4, la phrase suivante est ajoutée :
" La preuve de l'agrément des services compétents est soumise à la VEKA au moins trois mois avant la date envisagée d'entrée en vigueur de l'accord de coopération. " ;
4° dans le paragraphe 2, 3°, les mots " appartenant au groupe cible prioritaire des prêts énergie et du prêt rénovation " sont remplacés par le membre de phrase " dont le revenu ne dépasse par les plafonds visés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 3, ".
1° au paragraphe 1er, alinéa 2, les phrases suivantes sont ajoutées :
" Les modifications de l'action territoriale d'une maison de l'énergie ne peuvent entrer en vigueur que le 1er janvier. La preuve de la décision de la commune de modifier l'action territoriale est soumise à la VEKA au plus tard le 1er octobre de l'année civile précédant l'entrée en vigueur de la modification. " ;
2° dans le paragraphe 1er, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
" Au moment de l'entrée en vigueur de l'accord de coopération, la zone d'action de la maison de l'énergie couvre au minimum 25 000 ménages privés. " ;
3° à l'alinéa 3 existant, qui devient l'alinéa 4, la phrase suivante est ajoutée :
" La preuve de l'agrément des services compétents est soumise à la VEKA au moins trois mois avant la date envisagée d'entrée en vigueur de l'accord de coopération. " ;
4° dans le paragraphe 2, 3°, les mots " appartenant au groupe cible prioritaire des prêts énergie et du prêt rénovation " sont remplacés par le membre de phrase " dont le revenu ne dépasse par les plafonds visés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 3, ".
Art. 65. In titel VII, hoofdstuk IX, afdeling II, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2017 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2022, wordt onderafdeling I/2, die bestaat uit de artikelen 7.9.2/0/7 tot en met 7.9.2/0/9, vervangen door wat volgt:
"Onderafdeling I/2. Verbouwlening
Art. 7.9.2/0/7. Binnen de beschikbare begrotingskredieten stelt het Vlaamse Gewest met een kredietlijn renteloze leningen ter beschikking van een energiehuis waarmee een samenwerkingsovereenkomst als vermeld in artikel 7.9.1, § 1, eerste lid, is gesloten.
De renteloze leningen, vermeld in het eerste lid, zijn terugbetaalbaar op basis van het aflossingsgedeelte van de mensualiteiten, die de leners, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, aan het energiehuis verschuldigd zijn, met behoud van de toepassing van afdeling IV.
Art. 7.9.2/0/8. Het energiehuis verstrekt renteloze leningen aan:
1° particulieren die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor werken aan de woning waarvan ze eigenaar zijn en die deze uiterlijk na de werken waarvoor de renteloze lening wordt aangevraagd, en in elk geval binnen 36 maanden nadat de renteloze lening is toegekend, zelf bewonen als hoofdverblijfplaats;
2° particulieren die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor de financiering van werken aan de gemene delen van het gebouw waartoe hun woning, waarvan ze eigenaar zijn, behoort;
3° particulieren, niet commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor werken aan de woning waarvan ze eigenaar zijn en die deze verhuren aan een woonmaatschappij conform de voorwaarden, vermeld in artikel 5.162/1 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021;
4° particulieren, niet commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor werken aan de woning waarvan ze eigenaar zijn en die deze verhuren conform de voorwaarden, vermeld in artikel 5.162/2 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021;
5° particulieren, niet commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor de financiering van werken aan de gemene delen van het gebouw waartoe de verhuurde woning, vermeld in punt 3° en 4°, waarvan ze eigenaar zijn, behoort;
6° particulieren die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor werken aan een woning waarvan ze vanaf 1 september 2022 tot en met 31 december 2024 via een erfenis of schenking in volle eigendom nieuwe eigenaar geworden zijn;
7° niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor werken aan gebouwen waarop ze een zakelijk recht gevestigd hebben en die bestemd zijn voor eigen gebruik;
8° de verenigingen van mede-eigenaars, voor werken aan de gemene delen van gebouwen waarvoor ze verantwoordelijk zijn.
Met behoud van toepassing van het eerste lid, kan de lening enkel aan een vereniging van mede-eigenaars, vermeld in het eerste lid, 8°, worden toegekend als deze als waarborg voor de lening een kredietverzekering heeft afgesloten.
Art. 7.9.2/0/9. In afwijking van artikel 7.9.2/0/8 van dit besluit kunnen nieuwe eigenaars die vanaf 1 januari 2023 via een authentieke akte de woning in volle eigendom verwerven en die in aanmerking komen voor een renteloze energetische renovatielening als vermeld in artikel 5.135/1 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, of een renteloos renovatiekrediet als vermeld in artikel 7.15.1 tot en met 7.15.5 van dit besluit, tot tien jaar na verwerving van de woning in volle eigendom geen beroep doen op een verbouwlening. Nieuwe eigenaars aan wie al een renteloze energetische renovatielening, een renteloos renovatiekrediet of een energielening+, vermeld in artikel 7.9.2/0 tot en met 7.9.2/0/5 van dit besluit, is toegekend, kunnen tot tien jaar na de verwerving van de woning in volle eigendom geen beroep doen op een verbouwlening.
De leners verklaren op moment van aanvraag van de verbouwlening op eer niet te vallen onder de toepassing van het eerste lid.
Art. 7.9.2/0/10. De verbouwlening wordt toegekend aan de leners, vermeld in het artikel 7.9.2/0/8, met inachtneming van de voorwaarden, vermeld in de verordening (EU) nr. 360/2012 van de Commissie van 25 april 2012 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen.
Art. 7.9.2/0/11. In afwijking van het artikel 7.9.2/0/8 wordt, als de wettelijke rentevoet meer dan 3% bedraagt, op nieuwe aanvragen vanaf de bekendmaking van de wettelijke rentevoet door de bevoegde federale instantie in het Belgisch Staatblad, voor verbouwleningen een rentevoet aangerekend ten belope van het aantal basispunten boven de 3%. Het VEKA brengt PMV/z-Leningen op de hoogte dat de wettelijke rentevoet meer dan 3% bedraagt.
Art. 7.9.2/0/12. De verbouwlening heeft een looptijd van ten hoogste driehonderd maanden en wordt verstrekt aan:
1° de particulieren, niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen en verenigingen van mede-eigenaars, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° en 8°, van dit besluit, voor de investeringen, vermeld in artikel 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 en 6.4.1/5/1 van dit besluit, en voor de investeringen in de categorieën van werkzaamheden, vermeld in artikel 5.189, § 2, 1° tot en met 6°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021;
2° de prioritaire doelgroep van de verbouwlening voor de plaatsing van een aardgascondensatieketel of propaan- of butaangascondensatieketels met Europees productlabel A of beter ter vervanging van een ouder verwarmingssysteem. In gebieden waar een aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, komen alleen aardgascondensatieketels in aanmerking. In gebieden waar geen aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, komen alleen condensatieketels op propaan of butaan in aanmerking.
3° de niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 7°, voor de investeringen als vermeld in artikel 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 en 6.4.1/5/1 van dit besluit.
In afwijking van het eerste lid kan de verbouwlening voor de plaatsing van een aardgascondensatieketel of propaan- of butaangascondensatieketels, vermeld in het eerste lid, 2°, in elk geval niet meer worden aangevraagd vanaf 1 januari 2027.
In afwijking van artikel 6.4.1/1/2 van dit besluit en met behoud van toepassing van het eerste lid, 1°, kan de verbouwlening ook worden verstrekt aan de vereniging van mede-eigenaars, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 8°, voor een door een aannemer op het dak van het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is, nieuw te plaatsen fotovoltaïsche installatie met een maximaal AC-vermogen van de omvormer van meer dan 10 kVA, tenzij er voor de plaatsing van die fotovoltaïsche installatie reeds steun in de vorm van een investeringssubsidie werd toegekend conform het bepaalde in titel VII, hoofdstuk XI van dit besluit.
De woning of het gebouw, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, moet minstens vijftien jaar oud zijn op het moment van de aanvraag van de verbouwlening, om in aanmerking te komen voor de verbouwlening en in het Vlaamse Gewest liggen.
In afwijking van het derde lid kan de verbouwlening alleen worden toegekend voor investeringen als vermeld in artikel 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 en 6.4.1/5/1 van dit besluit, als voldaan is aan een van de volgende voorwaarden:
1° de woning of het gebouw is vóór 1 januari 2014 aangesloten op het elektriciteitsdistributienet;
2° de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is meer dan vijf jaar geleden verleend, de woning of het gebouw voldoet aan de op haar van toepassing zijnde EPB-eisen en de EPB-aangifte is ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 11.1.8, § 1, tweede lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009.
Met behoud van de toepassing van het tweede tot en met het vierde lid kan de verbouwlening in de gevallen vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1°, 3°, 4°, 6° en 8°, niet worden toegekend als er al een verbouwlening loopt voor hetzelfde onroerend goed, of voor een gedeelte ervan.
Art. 7.9.2/0/13. De verbouwlening bedraagt maximaal:
1° één keer het factuurbedrag voor de investeringen, vermeld in artikel 5.189, § 2, eerste lid, 1° tot en met 4°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, inclusief de toepasselijke btw;
2° één keer het factuurbedrag voor de investeringen, vermeld in artikel 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 en 6.4.1/5/1 van dit besluit en artikel 5.189, § 2, eerste lid, 7°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, inclusief de toepasselijke btw;
3° één keer het in aanmerking te nemen investeringsbedrag, vermeld in artikel 5.189, § 6, tweede lid, 5° en 6°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, vermeerderd met de toepasselijke btw. Als de lening wordt toegekend aan een vereniging van mede-eigenaars, mag het in aanmerking te nemen investeringsbedrag vermenigvuldigd worden met het aantal wooneenheden in het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid mag het maximale bedrag dat bij een energiehuis kan worden geleend, gecumuleerd niet hoger zijn dan 60.000 euro en niet lager dan 1250 euro.
Het deel van de verbouwlening dat aangewend wordt door de individuele lener, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 2° en 5°, voor de financiering van werken aan de gemene delen in een gebouw waarvoor er een vereniging van mede-eigenaars opgericht is, mag in elk geval niet meer bedragen dan het bedrag dat is vermeld in de offertes, verminderd met de inzet uit het reservefonds van de vereniging van mede-eigenaars voor de voormelde werken, vermenigvuldigd naar rato van het aandeel in duizendsten in mede-eigendom. Als er geen vereniging van mede-eigenaars is, bedraagt het deel van de verbouwlening dat aangewend wordt door de individuele lener, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 2° en 5°, voor de financiering van werken aan de gemene delen in elk geval niet meer dan het bedrag dat is vermeld in de offertes vermenigvuldigd naar rato van het aandeel in duizendsten in mede-eigendom.
In de gevallen vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1° tot en met 5°, en met behoud van de toepassing van het derde lid kan de toegekende verbouwlening aangewend worden voor de financiering van werken aan de woning en voor de financiering van werken aan de gemene delen. In elk geval mag de verbouwlening gecumuleerd niet meer bedragen dan het bedrag, vermeld in het tweede lid.
In afwijking van het tweede lid is het bedrag van de lening aan een vereniging van mede-eigenaars niet hoger dan 60.000 euro vermeerderd met 25.000 euro per wooneenheid in het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is, en is het niet lager dan 5.000 euro. De voormelde regel is van toepassing per gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is.
In afwijking van het eerste lid en met behoud van de toepassing van het tweede tot en met het vijfde lid, kan aan een particulier, een niet-commerciële instelling of een coöperatieve vennootschap waaraan een energielening als vermeld in artikel 7.9.2, is toegekend, een verbouwlening worden toegestaan voor hetzelfde onroerend goed, of een gedeelte ervan, op voorwaarde dat het maximale leningsbedrag wordt verminderd met het bedrag van de eerder toegekende energielening.
Art. 7.9.2/0/14. De verbouwlening kan uiterlijk tot en met 31 december 2026 worden aangevraagd.
In afwijking van het eerste lid kunnen vanaf 1 januari 2027 verbouwleningen van maximaal 15.000 euro en minimaal 1250 euro met een looptijd van ten hoogste honderdtwintig maanden aangevraagd worden door:
1° particulieren die behoren tot de prioritaire doelgroep van de verbouwlening;
2° particulieren, niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen die de woning verhuren aan een woonmaatschappij conform de voorwaarden, vermeld in artikel 5.162/1 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021;
3° niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor de gebouwen waarop ze een zakelijk recht gevestigd hebben en die bestemd zijn voor eigen gebruik;
4° de verenigingen van mede-eigenaars, voor de gemene delen van de gebouwen waarvoor ze verantwoordelijk zijn.
In afwijking van het tweede lid mag het bedrag van de lening aan een vereniging van mede-eigenaars niet lager dan 1250 euro en niet hoger dan 15.000 euro zijn, vermeerderd met 7.500 euro per wooneenheid in het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is. De voormelde regel is van toepassing per gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is.
Art. 7.9.2/0/15. De verbouwlening wordt toegekend op basis van offertes of meetstaten die de lener aan het energiehuis voorlegt op moment van de aanvraag van de lening.
In afwijking van het tweede lid, wordt, als er voor het gebouw waar de werken worden uitgevoerd, een vereniging van mede-eigenaars is opgericht, de verbouwlening aan de individuele leners, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, eerste lid, 2° en 5°, toegekend op basis van offertes of meetstaten, zoals opgenomen in het verslag van de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars, die de financiering van de werken aan de gemene delen staven. Als er geen vereniging van mede-eigenaars is, wordt de verbouwlening toegekend op basis van offertes of meetstaten die door de lener aan het energiehuis voorlegt op moment van de aanvraag van de lening.
De verbouwlening kan in maximaal zes verschillende schijven worden aangevraagd.
Art. 7.9.2/0/16. De uiterste opnamedatum van de verbouwlening bedraagt zesendertig maanden na de ondertekening.
De verbouwlening wordt uitbetaald op basis van facturen die dateren vanaf het moment van de aanvraag van de verbouwlening.
In afwijking van het tweede lid kan in de gevallen beschreven in artikel 7.9.2/0/8, 2° en 5°, de verbouwlening pas worden uitbetaald als er bewijs wordt voorgelegd van specifieke opvragingen van financiering door de vereniging van mede-eigenaars. Als er geen vereniging van mede-eigenaars is, wordt de verbouwlening uitbetaald op basis van facturen die dateren vanaf het moment van de aanvraag van de verbouwlening.
De leners van de verbouwlening gebruiken de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1/1 tot en met 6.4.1/1/3 en artikel 6.4.1/3 tot en met 6.4.1/5/2, van dit besluit, en de tegemoetkomingen, die zijn berekend conform artikel 5.191 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 5.189, § 2, eerste lid, 1° tot en met 7°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, als terugbetaling van die lening, voor de werken, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/1/3 en artikel 6.4.1/3 tot en met 6.4.1/5/2, van dit besluit, en voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 5.189, § 2, eerste lid, 1° tot en met 7°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021. Het energiehuis vraagt in dat geval in naam en voor rekening van de ontlener die premie bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder aan en gebruikt die als een vervroegde terugbetaling van de verbouwlening.
Art. 7.9.2/0/17. De particulieren, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1°, die op moment van de toekenning van de verbouwlening de woning niet zelf bewonen als hoofdverblijfplaats, bewijzen uiterlijk binnen zesendertig maanden nadat hun de lening is toekend, aan het energiehuis, dat ze de woning ondertussen zelf bewonen als hoofdverblijfplaats als vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1°.
Als de particulieren de woning, waarvoor een verbouwlening is toegekend, uiterlijk na de werken en in elk geval binnen zesendertig maanden nadat de verbouwlening is toegekend, niet zelf bewonen als hoofdverblijfplaats, past het energiehuis onmiddellijk op de verbouwlening een rentevoet toe die gelijk is aan de wettelijke rentevoet die van toepassing is op het moment dat de kredietovereenkomst wordt gesloten.
Art. 7.9.2/0/18. De leners, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 2° en 5°, leggen uiterlijk binnen achtenveertig maanden nadat hun de lening is toegekend, aan het energiehuis de definitieve facturen voor, die de uitgevoerde werken aan de gemene delen staven. Als de leners binnen die achtenveertig maanden geen bewijs leveren van de facturen die de uitgevoerde werken aan de gemene delen staven, past het energiehuis onmiddellijk op de verbouwlening een rentevoet toe die gelijk is aan de wettelijke rentevoet die van toepassing is op het moment dat de kredietovereenkomst wordt gesloten.
Als uit de facturen, vermeld in het eerste lid, blijkt dat het uitbetaalde leningsbedrag méér bedraagt dan het aandeel van de ontlener, vermeld in het eerste lid, in de werkelijke kosten zoals gestaafd aan de hand van de facturen, dan stort de lener het verschil terug aan het energiehuis binnen twaalf maanden na het voorleggen van de facturen. Als de lener het verschil niet terugstort binnen twaalf maanden nadat de facturen zijn voorgelegd, past het energiehuis onmiddellijk op de verbouwlening een rentevoet toe die gelijk is aan de wettelijke rentevoet die van toepassing is op het moment dat de kredietovereenkomst wordt gesloten.".
"Onderafdeling I/2. Verbouwlening
Art. 7.9.2/0/7. Binnen de beschikbare begrotingskredieten stelt het Vlaamse Gewest met een kredietlijn renteloze leningen ter beschikking van een energiehuis waarmee een samenwerkingsovereenkomst als vermeld in artikel 7.9.1, § 1, eerste lid, is gesloten.
De renteloze leningen, vermeld in het eerste lid, zijn terugbetaalbaar op basis van het aflossingsgedeelte van de mensualiteiten, die de leners, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, aan het energiehuis verschuldigd zijn, met behoud van de toepassing van afdeling IV.
Art. 7.9.2/0/8. Het energiehuis verstrekt renteloze leningen aan:
1° particulieren die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor werken aan de woning waarvan ze eigenaar zijn en die deze uiterlijk na de werken waarvoor de renteloze lening wordt aangevraagd, en in elk geval binnen 36 maanden nadat de renteloze lening is toegekend, zelf bewonen als hoofdverblijfplaats;
2° particulieren die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor de financiering van werken aan de gemene delen van het gebouw waartoe hun woning, waarvan ze eigenaar zijn, behoort;
3° particulieren, niet commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor werken aan de woning waarvan ze eigenaar zijn en die deze verhuren aan een woonmaatschappij conform de voorwaarden, vermeld in artikel 5.162/1 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021;
4° particulieren, niet commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor werken aan de woning waarvan ze eigenaar zijn en die deze verhuren conform de voorwaarden, vermeld in artikel 5.162/2 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021;
5° particulieren, niet commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor de financiering van werken aan de gemene delen van het gebouw waartoe de verhuurde woning, vermeld in punt 3° en 4°, waarvan ze eigenaar zijn, behoort;
6° particulieren die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor werken aan een woning waarvan ze vanaf 1 september 2022 tot en met 31 december 2024 via een erfenis of schenking in volle eigendom nieuwe eigenaar geworden zijn;
7° niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor werken aan gebouwen waarop ze een zakelijk recht gevestigd hebben en die bestemd zijn voor eigen gebruik;
8° de verenigingen van mede-eigenaars, voor werken aan de gemene delen van gebouwen waarvoor ze verantwoordelijk zijn.
Met behoud van toepassing van het eerste lid, kan de lening enkel aan een vereniging van mede-eigenaars, vermeld in het eerste lid, 8°, worden toegekend als deze als waarborg voor de lening een kredietverzekering heeft afgesloten.
Art. 7.9.2/0/9. In afwijking van artikel 7.9.2/0/8 van dit besluit kunnen nieuwe eigenaars die vanaf 1 januari 2023 via een authentieke akte de woning in volle eigendom verwerven en die in aanmerking komen voor een renteloze energetische renovatielening als vermeld in artikel 5.135/1 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, of een renteloos renovatiekrediet als vermeld in artikel 7.15.1 tot en met 7.15.5 van dit besluit, tot tien jaar na verwerving van de woning in volle eigendom geen beroep doen op een verbouwlening. Nieuwe eigenaars aan wie al een renteloze energetische renovatielening, een renteloos renovatiekrediet of een energielening+, vermeld in artikel 7.9.2/0 tot en met 7.9.2/0/5 van dit besluit, is toegekend, kunnen tot tien jaar na de verwerving van de woning in volle eigendom geen beroep doen op een verbouwlening.
De leners verklaren op moment van aanvraag van de verbouwlening op eer niet te vallen onder de toepassing van het eerste lid.
Art. 7.9.2/0/10. De verbouwlening wordt toegekend aan de leners, vermeld in het artikel 7.9.2/0/8, met inachtneming van de voorwaarden, vermeld in de verordening (EU) nr. 360/2012 van de Commissie van 25 april 2012 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen.
Art. 7.9.2/0/11. In afwijking van het artikel 7.9.2/0/8 wordt, als de wettelijke rentevoet meer dan 3% bedraagt, op nieuwe aanvragen vanaf de bekendmaking van de wettelijke rentevoet door de bevoegde federale instantie in het Belgisch Staatblad, voor verbouwleningen een rentevoet aangerekend ten belope van het aantal basispunten boven de 3%. Het VEKA brengt PMV/z-Leningen op de hoogte dat de wettelijke rentevoet meer dan 3% bedraagt.
Art. 7.9.2/0/12. De verbouwlening heeft een looptijd van ten hoogste driehonderd maanden en wordt verstrekt aan:
1° de particulieren, niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen en verenigingen van mede-eigenaars, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° en 8°, van dit besluit, voor de investeringen, vermeld in artikel 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 en 6.4.1/5/1 van dit besluit, en voor de investeringen in de categorieën van werkzaamheden, vermeld in artikel 5.189, § 2, 1° tot en met 6°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021;
2° de prioritaire doelgroep van de verbouwlening voor de plaatsing van een aardgascondensatieketel of propaan- of butaangascondensatieketels met Europees productlabel A of beter ter vervanging van een ouder verwarmingssysteem. In gebieden waar een aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, komen alleen aardgascondensatieketels in aanmerking. In gebieden waar geen aardgasdistributienet aanwezig is op het ogenblik van de uitvoering van de werken, komen alleen condensatieketels op propaan of butaan in aanmerking.
3° de niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 7°, voor de investeringen als vermeld in artikel 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 en 6.4.1/5/1 van dit besluit.
In afwijking van het eerste lid kan de verbouwlening voor de plaatsing van een aardgascondensatieketel of propaan- of butaangascondensatieketels, vermeld in het eerste lid, 2°, in elk geval niet meer worden aangevraagd vanaf 1 januari 2027.
In afwijking van artikel 6.4.1/1/2 van dit besluit en met behoud van toepassing van het eerste lid, 1°, kan de verbouwlening ook worden verstrekt aan de vereniging van mede-eigenaars, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 8°, voor een door een aannemer op het dak van het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is, nieuw te plaatsen fotovoltaïsche installatie met een maximaal AC-vermogen van de omvormer van meer dan 10 kVA, tenzij er voor de plaatsing van die fotovoltaïsche installatie reeds steun in de vorm van een investeringssubsidie werd toegekend conform het bepaalde in titel VII, hoofdstuk XI van dit besluit.
De woning of het gebouw, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, moet minstens vijftien jaar oud zijn op het moment van de aanvraag van de verbouwlening, om in aanmerking te komen voor de verbouwlening en in het Vlaamse Gewest liggen.
In afwijking van het derde lid kan de verbouwlening alleen worden toegekend voor investeringen als vermeld in artikel 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 en 6.4.1/5/1 van dit besluit, als voldaan is aan een van de volgende voorwaarden:
1° de woning of het gebouw is vóór 1 januari 2014 aangesloten op het elektriciteitsdistributienet;
2° de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is meer dan vijf jaar geleden verleend, de woning of het gebouw voldoet aan de op haar van toepassing zijnde EPB-eisen en de EPB-aangifte is ingediend binnen de termijn, vermeld in artikel 11.1.8, § 1, tweede lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009.
Met behoud van de toepassing van het tweede tot en met het vierde lid kan de verbouwlening in de gevallen vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1°, 3°, 4°, 6° en 8°, niet worden toegekend als er al een verbouwlening loopt voor hetzelfde onroerend goed, of voor een gedeelte ervan.
Art. 7.9.2/0/13. De verbouwlening bedraagt maximaal:
1° één keer het factuurbedrag voor de investeringen, vermeld in artikel 5.189, § 2, eerste lid, 1° tot en met 4°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, inclusief de toepasselijke btw;
2° één keer het factuurbedrag voor de investeringen, vermeld in artikel 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 en 6.4.1/5/1 van dit besluit en artikel 5.189, § 2, eerste lid, 7°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, inclusief de toepasselijke btw;
3° één keer het in aanmerking te nemen investeringsbedrag, vermeld in artikel 5.189, § 6, tweede lid, 5° en 6°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, vermeerderd met de toepasselijke btw. Als de lening wordt toegekend aan een vereniging van mede-eigenaars, mag het in aanmerking te nemen investeringsbedrag vermenigvuldigd worden met het aantal wooneenheden in het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is.
Met behoud van de toepassing van het eerste lid mag het maximale bedrag dat bij een energiehuis kan worden geleend, gecumuleerd niet hoger zijn dan 60.000 euro en niet lager dan 1250 euro.
Het deel van de verbouwlening dat aangewend wordt door de individuele lener, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 2° en 5°, voor de financiering van werken aan de gemene delen in een gebouw waarvoor er een vereniging van mede-eigenaars opgericht is, mag in elk geval niet meer bedragen dan het bedrag dat is vermeld in de offertes, verminderd met de inzet uit het reservefonds van de vereniging van mede-eigenaars voor de voormelde werken, vermenigvuldigd naar rato van het aandeel in duizendsten in mede-eigendom. Als er geen vereniging van mede-eigenaars is, bedraagt het deel van de verbouwlening dat aangewend wordt door de individuele lener, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 2° en 5°, voor de financiering van werken aan de gemene delen in elk geval niet meer dan het bedrag dat is vermeld in de offertes vermenigvuldigd naar rato van het aandeel in duizendsten in mede-eigendom.
In de gevallen vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1° tot en met 5°, en met behoud van de toepassing van het derde lid kan de toegekende verbouwlening aangewend worden voor de financiering van werken aan de woning en voor de financiering van werken aan de gemene delen. In elk geval mag de verbouwlening gecumuleerd niet meer bedragen dan het bedrag, vermeld in het tweede lid.
In afwijking van het tweede lid is het bedrag van de lening aan een vereniging van mede-eigenaars niet hoger dan 60.000 euro vermeerderd met 25.000 euro per wooneenheid in het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is, en is het niet lager dan 5.000 euro. De voormelde regel is van toepassing per gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is.
In afwijking van het eerste lid en met behoud van de toepassing van het tweede tot en met het vijfde lid, kan aan een particulier, een niet-commerciële instelling of een coöperatieve vennootschap waaraan een energielening als vermeld in artikel 7.9.2, is toegekend, een verbouwlening worden toegestaan voor hetzelfde onroerend goed, of een gedeelte ervan, op voorwaarde dat het maximale leningsbedrag wordt verminderd met het bedrag van de eerder toegekende energielening.
Art. 7.9.2/0/14. De verbouwlening kan uiterlijk tot en met 31 december 2026 worden aangevraagd.
In afwijking van het eerste lid kunnen vanaf 1 januari 2027 verbouwleningen van maximaal 15.000 euro en minimaal 1250 euro met een looptijd van ten hoogste honderdtwintig maanden aangevraagd worden door:
1° particulieren die behoren tot de prioritaire doelgroep van de verbouwlening;
2° particulieren, niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen die de woning verhuren aan een woonmaatschappij conform de voorwaarden, vermeld in artikel 5.162/1 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021;
3° niet-commerciële instellingen en coöperatieve vennootschappen voor de gebouwen waarop ze een zakelijk recht gevestigd hebben en die bestemd zijn voor eigen gebruik;
4° de verenigingen van mede-eigenaars, voor de gemene delen van de gebouwen waarvoor ze verantwoordelijk zijn.
In afwijking van het tweede lid mag het bedrag van de lening aan een vereniging van mede-eigenaars niet lager dan 1250 euro en niet hoger dan 15.000 euro zijn, vermeerderd met 7.500 euro per wooneenheid in het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is. De voormelde regel is van toepassing per gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is.
Art. 7.9.2/0/15. De verbouwlening wordt toegekend op basis van offertes of meetstaten die de lener aan het energiehuis voorlegt op moment van de aanvraag van de lening.
In afwijking van het tweede lid, wordt, als er voor het gebouw waar de werken worden uitgevoerd, een vereniging van mede-eigenaars is opgericht, de verbouwlening aan de individuele leners, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, eerste lid, 2° en 5°, toegekend op basis van offertes of meetstaten, zoals opgenomen in het verslag van de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars, die de financiering van de werken aan de gemene delen staven. Als er geen vereniging van mede-eigenaars is, wordt de verbouwlening toegekend op basis van offertes of meetstaten die door de lener aan het energiehuis voorlegt op moment van de aanvraag van de lening.
De verbouwlening kan in maximaal zes verschillende schijven worden aangevraagd.
Art. 7.9.2/0/16. De uiterste opnamedatum van de verbouwlening bedraagt zesendertig maanden na de ondertekening.
De verbouwlening wordt uitbetaald op basis van facturen die dateren vanaf het moment van de aanvraag van de verbouwlening.
In afwijking van het tweede lid kan in de gevallen beschreven in artikel 7.9.2/0/8, 2° en 5°, de verbouwlening pas worden uitbetaald als er bewijs wordt voorgelegd van specifieke opvragingen van financiering door de vereniging van mede-eigenaars. Als er geen vereniging van mede-eigenaars is, wordt de verbouwlening uitbetaald op basis van facturen die dateren vanaf het moment van de aanvraag van de verbouwlening.
De leners van de verbouwlening gebruiken de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1/1 tot en met 6.4.1/1/3 en artikel 6.4.1/3 tot en met 6.4.1/5/2, van dit besluit, en de tegemoetkomingen, die zijn berekend conform artikel 5.191 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 5.189, § 2, eerste lid, 1° tot en met 7°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, als terugbetaling van die lening, voor de werken, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/1/3 en artikel 6.4.1/3 tot en met 6.4.1/5/2, van dit besluit, en voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 5.189, § 2, eerste lid, 1° tot en met 7°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021. Het energiehuis vraagt in dat geval in naam en voor rekening van de ontlener die premie bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder aan en gebruikt die als een vervroegde terugbetaling van de verbouwlening.
Art. 7.9.2/0/17. De particulieren, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1°, die op moment van de toekenning van de verbouwlening de woning niet zelf bewonen als hoofdverblijfplaats, bewijzen uiterlijk binnen zesendertig maanden nadat hun de lening is toekend, aan het energiehuis, dat ze de woning ondertussen zelf bewonen als hoofdverblijfplaats als vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 1°.
Als de particulieren de woning, waarvoor een verbouwlening is toegekend, uiterlijk na de werken en in elk geval binnen zesendertig maanden nadat de verbouwlening is toegekend, niet zelf bewonen als hoofdverblijfplaats, past het energiehuis onmiddellijk op de verbouwlening een rentevoet toe die gelijk is aan de wettelijke rentevoet die van toepassing is op het moment dat de kredietovereenkomst wordt gesloten.
Art. 7.9.2/0/18. De leners, vermeld in artikel 7.9.2/0/8, 2° en 5°, leggen uiterlijk binnen achtenveertig maanden nadat hun de lening is toegekend, aan het energiehuis de definitieve facturen voor, die de uitgevoerde werken aan de gemene delen staven. Als de leners binnen die achtenveertig maanden geen bewijs leveren van de facturen die de uitgevoerde werken aan de gemene delen staven, past het energiehuis onmiddellijk op de verbouwlening een rentevoet toe die gelijk is aan de wettelijke rentevoet die van toepassing is op het moment dat de kredietovereenkomst wordt gesloten.
Als uit de facturen, vermeld in het eerste lid, blijkt dat het uitbetaalde leningsbedrag méér bedraagt dan het aandeel van de ontlener, vermeld in het eerste lid, in de werkelijke kosten zoals gestaafd aan de hand van de facturen, dan stort de lener het verschil terug aan het energiehuis binnen twaalf maanden na het voorleggen van de facturen. Als de lener het verschil niet terugstort binnen twaalf maanden nadat de facturen zijn voorgelegd, past het energiehuis onmiddellijk op de verbouwlening een rentevoet toe die gelijk is aan de wettelijke rentevoet die van toepassing is op het moment dat de kredietovereenkomst wordt gesloten.".
Art. 65. Dans le titre VII, chapitre IX, section II, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 mai 2017 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 octobre 2022, la sous-section Ire/2, comportant les articles 7.9.2/0/7 à 7.9.2/0/9, est remplacé par ce qui suit :
" Sous-section Ire/2. Prêt rénovation
Art. 7.9.2/0/7. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, la Région flamande met des prêts sans intérêt à la disposition d'une maison de l'énergie avec laquelle un accord de coopération tel que visé à l'article 7.9.1, § 1er, alinéa 1er, a été conclu, par le biais d'une ligne de crédit.
Les prêts sans intérêt visés à l'alinéa 1er sont remboursables sur la base de la partie amortissement des mensualités dues à la maison de l'énergie par les emprunteurs visés à l'article 7.9.2/0/8, sans préjudice de l'application de section IV.
Art. 7.9.2/0/8. La maison de l'énergie octroie des prêts sans intérêt aux :
1° particuliers qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 5 187, alinéa 2, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 pour des travaux au logement dont ils sont propriétaires et qu'ils occupent personnellement à titre de résidence principale au plus tard après les travaux pour lesquels le prêt sans intérêt est demandé et, en tout cas, dans les 36 mois de l'octroi du prêt sans intérêt ;
2° particuliers qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 5 187, alinéa 2, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 pour le financement de travaux aux parties communes du bâtiment auquel appartient leur logement dont ils sont propriétaires ;
3° particuliers, organismes non commerciaux et sociétés coopératives pour des travaux au logement dont ils sont propriétaires et qu'ils donnent en location à une société de logement conformément aux conditions visées à l'article 5 162/1 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 ;
4° particuliers, organismes non commerciaux et sociétés coopératives pour des travaux au logement dont ils sont propriétaires et qu'ils donnent en location conformément aux conditions visées à l'article 5 162/2 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 ;
5° particuliers, organismes non commerciaux et sociétés coopératives pour le financement de travaux aux parties communes du bâtiment auquel appartient le logement loué, visé aux points 3° et 4°, dont ils sont propriétaires ;
6° particuliers qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 5 187, alinéa 2, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 pour des travaux à un logement dont ils sont devenus, par succession ou donation en pleine propriété, le nouveau propriétaire entre le 1er septembre 2022 et le 31 décembre 2024 ;
7° organismes non commerciaux et sociétés coopératives pour des travaux aux bâtiments sur lesquels ils ont établi un droit réel et qui sont destinés à leur propre usage ;
8° associations de copropriétaires pour des travaux aux parties communes de bâtiments dont elles sont responsables.
Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, le prêt ne peut être octroyé à une association des copropriétaires visée l'alinéa 1er, 8°, que si celle-ci a contracté une assurance-crédit en garantie du prêt.
Art. 7.9.2/0/9. Par dérogation à l'article 7.9.2/0/8 du présent arrêté, les nouveaux propriétaires qui, à partir du 1er janvier 2023, acquièrent le logement en pleine propriété par acte authentique et qui sont éligibles à un prêt à la rénovation énergétique sans intérêt, tel que visé à l'article 5 135/1 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, ou à un crédit de rénovation sans intérêt, tel que visé aux articles 7.15.1 à 7.15.5 du présent arrêté, ne peuvent pas recourir à un prêt rénovation pendant dix ans à partir de l'acquisition du logement en pleine propriété. Les nouveaux propriétaires auxquels un prêt à la rénovation énergétique sans intérêt, un crédit de rénovation sans intérêt ou un prêt énergie+ visé aux articles 7.9.2/0 à 7.9.2/0/5 du présent arrêté a déjà été octroyé ne peuvent pas recourir à un prêt rénovation pendant dix ans à partir de l'acquisition du logement en pleine propriété.
Au moment de la demande du prêt rénovation, les emprunteurs déclarent sur l'honneur ne pas tomber sous le coup de l'alinéa 1er.
Art. 7.9.2/0/10. Le prêt rénovation est octroyé aux emprunteurs visés à l'article 7.9.2/0/8 compte tenu des conditions énoncées dans le règlement (UE) no 360/2012 de la Commission du 25 avril 2012 relatif à l'application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides de minimis accordées à des entreprises fournissant des services d'intérêt économique général.
Art. 7.9.2/0/11. Par dérogation à l'article 7.9.2/0/8, si le taux d'intérêt légal est supérieur à 3 %, les nouvelles demandes de prêts rénovation, à partir de la publication au Moniteur belge du taux d'intérêt légal par l'organe fédéral compétent, sont soumises à un taux d'intérêt à concurrence du nombre de points de base au-delà des 3 %. La VEKA informe PMV/z-Leningen de ce que le taux d'intérêt légal est supérieur à 3 %.
Art. 7.9.2/0/12. Le prêt rénovation a une durée de trois cents mois maximum et est octroyé :
1° aux particuliers, organismes non commerciaux, sociétés coopératives et associations de copropriétaires visés à l'article 7.9.2/0/8, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° et 8°, du présent arrêté pour les investissements mentionnés aux articles 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 et 6.4.1/5/1 du présent arrêté et les investissements dans les catégories de travaux visées à l'article 5 189, § 2, 1° à 6°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 ;
2° au groupe cible prioritaire du prêt rénovation pour l'installation d'une chaudière au gaz naturel à condensation ou de chaudières au gaz propane ou butane à condensation dotées du label produit européen A ou supérieur en remplacement d'un ancien système de chauffage. Dans les régions pourvues d'un réseau de distribution de gaz naturel au moment de l'exécution des travaux, seules les chaudières au gaz naturel à condensation entrent en considération. Dans les régions dépourvues de réseau de distribution de gaz naturel au moment de l'exécution des travaux, seules les chaudières au gaz propane ou butane à condensation entrent en considération.
3° aux organismes non commerciaux et sociétés coopératives visés à l'article 7.9.2/0/8, 7°, pour les investissements mentionnés dans les articles 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 et 6.4.1/5/1 du présent arrêté.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le prêt rénovation pour l'installation d'une chaudière au gaz naturel à condensation ou de chaudières au gaz propane ou butane à condensation, visé à l'alinéa 1er, 2°, ne peut en tout cas plus être demandé à partir du 1er janvier 2027.
Par dérogation à l'article 6.4.1/1/2 du présent arrêté et sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, 1°, le prêt rénovation peut également être octroyé à l'association des copropriétaires visée à l'article 7.9.2/0/8, 8°, pour une nouvelle installation photovoltaïque équipée d'un onduleur d'une puissance CA maximale de 10 kVA à poser par un entrepreneur sur la toiture du bâtiment dont l'association des copropriétaires est responsable, à moins qu'une aide n'ait déjà été octroyée sous la forme d'une subvention d'investissement pour la pose de cette installation photovoltaïque conformément aux dispositions du titre VII, chapitre XI du présent arrêté.
Pour être éligible au prêt rénovation, le logement ou le bâtiment visé à l'article 7.9.2/0/8 doit avoir au moins quinze ans au moment de la demande du prêt rénovation et se situer en Région flamande.
Par dérogation à l'alinéa 3, le prêt rénovation ne peut être octroyé pour des investissements tels que visés aux articles 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 et 6.4.1/5/1 du présent arrêté que si l'une des conditions suivantes est remplie :
1° le logement ou le bâtiment a été raccordé au réseau de distribution d'électricité avant le 1er janvier 2014 ;
2° le permis d'environnement pour des actes urbanistiques a été accordé il y a plus de cinq ans, le logement ou le bâtiment satisfait aux exigences PEB y applicables et la déclaration PEB a été introduite dans le délai visé à l'article 11.1.8, § 1er, alinéa 2 du décret sur l'Energie du 8 mai 2009.
Sans préjudice de l'application des alinéas 2 à 4, le prêt rénovation ne peut pas être octroyé dans les cas énoncés à l'article 7.9.2/0/8, 1°, 3°, 4°, 6° et 8°, si un prêt rénovation est déjà en cours pour le même bien immeuble ou pour une partie de celui-ci.
Art. 7.9.2/0/13. Le prêt rénovation s'élève au maximum à :
1° une fois le montant de la facture pour les investissements mentionnés à l'article 5 189, § 2, alinéa 1er, 1° à 4°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, T.V.A. applicable comprise ;
2° une fois le montant de la facture pour les investissements mentionnés aux articles 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 et 6.4.1/5/1 du présent arrêté et à l'article 5 189, § 2, alinéa 1er, 7°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, T.V.A. applicable comprise ;
3° une fois le montant d'investissement à prendre en considération, visé à l'article 5 189, § 6, alinéa 2, 5° et 6°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, majoré de la T.V.A. applicable. Si le prêt est octroyé à une association de copropriétaires, le montant d'investissement à prendre en considération peut être majoré du nombre d'unités de logement à l'intérieur du bâtiment dont l'association des copropriétaires est responsable.
Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, le montant maximum cumulé pouvant être emprunté auprès d'une maison de l'énergie ne peut pas dépasser 60 000 euros ni être inférieur à 1250 euros.
La partie du prêt rénovation que l'emprunteur individuel visé à l'article 7.9.2/0/8, 2° et 5°, utilise pour financer des travaux aux parties communes d'un bâtiment pour lequel une association des copropriétaires a été constituée ne peut en tout cas pas excéder le montant mentionné dans les devis, diminué de l'intervention du fonds de réserve de l'association des copropriétaires pour les travaux précités, multiplié au prorata de la quote-part en millièmes dans la copropriété. En l'absence d'association de copropriétaires, la partie du prêt rénovation que l'emprunteur individuel visé à l'article 7.9.2/0/8, 2° et 5°, utilise pour financer des travaux aux parties communes n'excède en tout cas pas le montant mentionné dans les devis multiplié au prorata de la quote-part en millièmes dans la copropriété.
Dans les cas visés à l'article 7.9.2/0/8, 1° à 5°, et sans préjudice de l'application de l'alinéa 3, le prêt rénovation octroyé peut être utilisé pour financer des travaux au logement et pour financer des travaux aux parties communes. Dans chaque cas, le prêt rénovation cumulé ne pas excéder le montant visé à l'alinéa 2.
Par dérogation à l'alinéa 2, le montant du prêt accordé à une association des copropriétaires n'est pas supérieur à 60 000 euros, majorés de 25 000 euros par unité de logement à l'intérieur du bâtiment dont l'association des copropriétaires est responsable, ni inférieur 5 000 euros. La règle précitée s'applique par bâtiment dont l'association de copropriétaires est responsable.
Par dérogation à l'alinéa 1er et sans préjudice de l'application des alinéas 2 à 5, un prêt rénovation peut être accordé à un particulier, un organisme non commercial ou une société coopérative auxquels un prêt énergie, tel que visé à l'article 7.9.2, a été octroyé, pour le même bien immeuble ou une partie de celui-ci, à condition que le montant de prêt maximal soit diminué du montant du prêt énergie octroyé antérieurement.
Art. 7.9.2/0/14. Le prêt rénovation peut être demandé au plus tard jusqu'au 31 décembre 2026.
Par dérogation à l'alinéa 1er, des prêts rénovation de 15 000 euros maximum et de 1250 euros minimum d'une durée de cent vingt mois maximum peuvent être demandés à partir du 1er janvier 2027 par :
1° des particuliers appartenant au groupe cible prioritaire du prêt rénovation ;
2° des particuliers, des organismes non commerciaux et des sociétés coopératives qui donnent le logement en location à une société de logement conformément aux conditions visées à l'article 5 162/1 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 ;
3° des organismes non commerciaux et sociétés coopératives pour les bâtiments sur lesquels ils ont établi un droit réel et qui sont destinés à leur propre usage ;
4° des associations de copropriétaires, pour les parties communes des bâtiments dont elles sont responsables.
Par dérogation à l'alinéa 2, le montant du prêt accordé à une association des copropriétaires ne peut pas être inférieur à 1250 euros ni dépasser 15 000 euros, majorés de 7 500 euros par unité de logement à l'intérieur du bâtiment dont l'association des copropriétaires est responsable. La règle précitée s'applique par bâtiment dont l'association de copropriétaires est responsable.
Art. 7.9.2/0/15. Le prêt rénovation est octroyé sur la base de devis ou de métrés que l'emprunteur soumet à la maison de l'énergie au moment de la demande du prêt.
Par dérogation à l'alinéa 2, si une association des copropriétaires a été constituée pour le bâtiment où les travaux sont exécutés, le prêt rénovation est octroyé aux emprunteurs individuels visés à l'article 7.9.2/0/8, alinéa 1er, 2° et 5°, sur la base de devis ou de métrés, tels que figurant dans le rapport de l'assemblée générale de l'association de copropriétaires, qui étaient le financement des travaux aux parties communes. En l'absence d'association de copropriétaires, le prêt rénovation est octroyé sur la base de devis ou de métrés que l'emprunteur soumet à la maison de l'énergie au moment de la demande du prêt.
Le prêt rénovation peut être demandé en six tranches différentes maximum.
Art. 7.9.2/0/16. La date limite de prélèvement du prêt rénovation est fixée à trente-six mois après la signature.
Le prêt rénovation est versé sur la base de factures datées à partir du moment de la demande du prêt rénovation.
Par dérogation à l'alinéa 2, dans les cas décrits à l'article 7.9.2/0/8, 2° et 5°, le prêt rénovation ne peut être versé que sur présentation de la preuve d'appels spécifiques à financement par l'association de copropriétaires. En l'absence d'association de copropriétaires, le prêt rénovation est versé sur la base de factures datées à partir du moment de la demande du prêt rénovation.
Les emprunteurs du prêt rénovation utilisent les primes visées aux articles 6.4.1/1/1 à 6.4.1/1/3 et aux articles 6.4.1/3 à 6.4.1/5/2 du présent arrêté et les interventions calculées conformément à l'article 5 191 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 pour les travaux énumérés à l'article 5 189, § 2, alinéa 1er, 1° à 7°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, en remboursement de ce prêt ; pour les travaux énumérés aux articles 6.4.1/1 à 6.4.1/1/3 et aux articles 6.4.1/3 à 6.4.1/5/2 du présent arrêté et pour les travaux énumérés à l'article 5 189, § 2, alinéa 1er, 1° à 7°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021. Dans ce cas, la maison de l'énergie demande cette prime, au nom et pour le compte de l'emprunteur, auprès du gestionnaire du réseau de distribution d'électricité et l'utilise en remboursement anticipé du prêt rénovation.
Art. 7.9.2/0/17. Les particuliers visés à l'article 7.9.2/0/8, 1°, qui n'occupent pas personnellement le logement à titre de résidence principale au moment de l'octroi du prêt rénovation, fournissent la preuve à la maison de l'énergie, au plus tard dans les trente-six mois de l'octroi du prêt, qu'ils occupent entre-temps personnellement le logement à titre de résidence principale au sens de l'article 7.9.2/0/8, 1°.
Si les particuliers n'occupent pas personnellement, à titre de résidence principale, le logement pour lequel un prêt rénovation a été octroyé au plus tard après les travaux et, en tout cas, dans les trente-six mois de l'octroi du prêt rénovation, la maison de l'énergie applique immédiatement au prêt rénovation un taux d'intérêt égal au taux légal applicable au moment de la conclusion de la convention de crédit.
Art. 7.9.2/0/18. Les emprunteurs visés à l'article 7.9.2/0/8, 2° et 5°, soumettent à la maison de l'énergie, au plus tard dans les quarante-huit mois de l'octroi du prêt, les factures définitives qui étaient les travaux effectués aux parties communes. Si les emprunteurs ne fournissent pas la preuve des factures qui étaient les travaux effectués aux parties communes dans les quarante-huit mois, la maison de l'énergie applique immédiatement au prêt rénovation un taux d'intérêt égal au taux légal applicable au moment de la conclusion de la convention de crédit.
S'il ressort des factures visées à l'alinéa 1er que le montant du prêt versé est supérieur à la part de l'emprunteur visé à l'alinéa 1er dans les coûts réels étayés par les factures, l'emprunteur reverse la différence à la maison de l'énergie dans les douze mois de la production des factures. Si l'emprunteur ne reverse pas la différence dans les douze mois de la production des factures, la maison de l'énergie applique immédiatement au prêt rénovation un taux d'intérêt égal au taux légal applicable au moment de la conclusion de la convention de crédit. ".
" Sous-section Ire/2. Prêt rénovation
Art. 7.9.2/0/7. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, la Région flamande met des prêts sans intérêt à la disposition d'une maison de l'énergie avec laquelle un accord de coopération tel que visé à l'article 7.9.1, § 1er, alinéa 1er, a été conclu, par le biais d'une ligne de crédit.
Les prêts sans intérêt visés à l'alinéa 1er sont remboursables sur la base de la partie amortissement des mensualités dues à la maison de l'énergie par les emprunteurs visés à l'article 7.9.2/0/8, sans préjudice de l'application de section IV.
Art. 7.9.2/0/8. La maison de l'énergie octroie des prêts sans intérêt aux :
1° particuliers qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 5 187, alinéa 2, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 pour des travaux au logement dont ils sont propriétaires et qu'ils occupent personnellement à titre de résidence principale au plus tard après les travaux pour lesquels le prêt sans intérêt est demandé et, en tout cas, dans les 36 mois de l'octroi du prêt sans intérêt ;
2° particuliers qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 5 187, alinéa 2, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 pour le financement de travaux aux parties communes du bâtiment auquel appartient leur logement dont ils sont propriétaires ;
3° particuliers, organismes non commerciaux et sociétés coopératives pour des travaux au logement dont ils sont propriétaires et qu'ils donnent en location à une société de logement conformément aux conditions visées à l'article 5 162/1 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 ;
4° particuliers, organismes non commerciaux et sociétés coopératives pour des travaux au logement dont ils sont propriétaires et qu'ils donnent en location conformément aux conditions visées à l'article 5 162/2 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 ;
5° particuliers, organismes non commerciaux et sociétés coopératives pour le financement de travaux aux parties communes du bâtiment auquel appartient le logement loué, visé aux points 3° et 4°, dont ils sont propriétaires ;
6° particuliers qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 5 187, alinéa 2, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 pour des travaux à un logement dont ils sont devenus, par succession ou donation en pleine propriété, le nouveau propriétaire entre le 1er septembre 2022 et le 31 décembre 2024 ;
7° organismes non commerciaux et sociétés coopératives pour des travaux aux bâtiments sur lesquels ils ont établi un droit réel et qui sont destinés à leur propre usage ;
8° associations de copropriétaires pour des travaux aux parties communes de bâtiments dont elles sont responsables.
Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, le prêt ne peut être octroyé à une association des copropriétaires visée l'alinéa 1er, 8°, que si celle-ci a contracté une assurance-crédit en garantie du prêt.
Art. 7.9.2/0/9. Par dérogation à l'article 7.9.2/0/8 du présent arrêté, les nouveaux propriétaires qui, à partir du 1er janvier 2023, acquièrent le logement en pleine propriété par acte authentique et qui sont éligibles à un prêt à la rénovation énergétique sans intérêt, tel que visé à l'article 5 135/1 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, ou à un crédit de rénovation sans intérêt, tel que visé aux articles 7.15.1 à 7.15.5 du présent arrêté, ne peuvent pas recourir à un prêt rénovation pendant dix ans à partir de l'acquisition du logement en pleine propriété. Les nouveaux propriétaires auxquels un prêt à la rénovation énergétique sans intérêt, un crédit de rénovation sans intérêt ou un prêt énergie+ visé aux articles 7.9.2/0 à 7.9.2/0/5 du présent arrêté a déjà été octroyé ne peuvent pas recourir à un prêt rénovation pendant dix ans à partir de l'acquisition du logement en pleine propriété.
Au moment de la demande du prêt rénovation, les emprunteurs déclarent sur l'honneur ne pas tomber sous le coup de l'alinéa 1er.
Art. 7.9.2/0/10. Le prêt rénovation est octroyé aux emprunteurs visés à l'article 7.9.2/0/8 compte tenu des conditions énoncées dans le règlement (UE) no 360/2012 de la Commission du 25 avril 2012 relatif à l'application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides de minimis accordées à des entreprises fournissant des services d'intérêt économique général.
Art. 7.9.2/0/11. Par dérogation à l'article 7.9.2/0/8, si le taux d'intérêt légal est supérieur à 3 %, les nouvelles demandes de prêts rénovation, à partir de la publication au Moniteur belge du taux d'intérêt légal par l'organe fédéral compétent, sont soumises à un taux d'intérêt à concurrence du nombre de points de base au-delà des 3 %. La VEKA informe PMV/z-Leningen de ce que le taux d'intérêt légal est supérieur à 3 %.
Art. 7.9.2/0/12. Le prêt rénovation a une durée de trois cents mois maximum et est octroyé :
1° aux particuliers, organismes non commerciaux, sociétés coopératives et associations de copropriétaires visés à l'article 7.9.2/0/8, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° et 8°, du présent arrêté pour les investissements mentionnés aux articles 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 et 6.4.1/5/1 du présent arrêté et les investissements dans les catégories de travaux visées à l'article 5 189, § 2, 1° à 6°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 ;
2° au groupe cible prioritaire du prêt rénovation pour l'installation d'une chaudière au gaz naturel à condensation ou de chaudières au gaz propane ou butane à condensation dotées du label produit européen A ou supérieur en remplacement d'un ancien système de chauffage. Dans les régions pourvues d'un réseau de distribution de gaz naturel au moment de l'exécution des travaux, seules les chaudières au gaz naturel à condensation entrent en considération. Dans les régions dépourvues de réseau de distribution de gaz naturel au moment de l'exécution des travaux, seules les chaudières au gaz propane ou butane à condensation entrent en considération.
3° aux organismes non commerciaux et sociétés coopératives visés à l'article 7.9.2/0/8, 7°, pour les investissements mentionnés dans les articles 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 et 6.4.1/5/1 du présent arrêté.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le prêt rénovation pour l'installation d'une chaudière au gaz naturel à condensation ou de chaudières au gaz propane ou butane à condensation, visé à l'alinéa 1er, 2°, ne peut en tout cas plus être demandé à partir du 1er janvier 2027.
Par dérogation à l'article 6.4.1/1/2 du présent arrêté et sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, 1°, le prêt rénovation peut également être octroyé à l'association des copropriétaires visée à l'article 7.9.2/0/8, 8°, pour une nouvelle installation photovoltaïque équipée d'un onduleur d'une puissance CA maximale de 10 kVA à poser par un entrepreneur sur la toiture du bâtiment dont l'association des copropriétaires est responsable, à moins qu'une aide n'ait déjà été octroyée sous la forme d'une subvention d'investissement pour la pose de cette installation photovoltaïque conformément aux dispositions du titre VII, chapitre XI du présent arrêté.
Pour être éligible au prêt rénovation, le logement ou le bâtiment visé à l'article 7.9.2/0/8 doit avoir au moins quinze ans au moment de la demande du prêt rénovation et se situer en Région flamande.
Par dérogation à l'alinéa 3, le prêt rénovation ne peut être octroyé pour des investissements tels que visés aux articles 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 et 6.4.1/5/1 du présent arrêté que si l'une des conditions suivantes est remplie :
1° le logement ou le bâtiment a été raccordé au réseau de distribution d'électricité avant le 1er janvier 2014 ;
2° le permis d'environnement pour des actes urbanistiques a été accordé il y a plus de cinq ans, le logement ou le bâtiment satisfait aux exigences PEB y applicables et la déclaration PEB a été introduite dans le délai visé à l'article 11.1.8, § 1er, alinéa 2 du décret sur l'Energie du 8 mai 2009.
Sans préjudice de l'application des alinéas 2 à 4, le prêt rénovation ne peut pas être octroyé dans les cas énoncés à l'article 7.9.2/0/8, 1°, 3°, 4°, 6° et 8°, si un prêt rénovation est déjà en cours pour le même bien immeuble ou pour une partie de celui-ci.
Art. 7.9.2/0/13. Le prêt rénovation s'élève au maximum à :
1° une fois le montant de la facture pour les investissements mentionnés à l'article 5 189, § 2, alinéa 1er, 1° à 4°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, T.V.A. applicable comprise ;
2° une fois le montant de la facture pour les investissements mentionnés aux articles 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2 et 6.4.1/5/1 du présent arrêté et à l'article 5 189, § 2, alinéa 1er, 7°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, T.V.A. applicable comprise ;
3° une fois le montant d'investissement à prendre en considération, visé à l'article 5 189, § 6, alinéa 2, 5° et 6°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, majoré de la T.V.A. applicable. Si le prêt est octroyé à une association de copropriétaires, le montant d'investissement à prendre en considération peut être majoré du nombre d'unités de logement à l'intérieur du bâtiment dont l'association des copropriétaires est responsable.
Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, le montant maximum cumulé pouvant être emprunté auprès d'une maison de l'énergie ne peut pas dépasser 60 000 euros ni être inférieur à 1250 euros.
La partie du prêt rénovation que l'emprunteur individuel visé à l'article 7.9.2/0/8, 2° et 5°, utilise pour financer des travaux aux parties communes d'un bâtiment pour lequel une association des copropriétaires a été constituée ne peut en tout cas pas excéder le montant mentionné dans les devis, diminué de l'intervention du fonds de réserve de l'association des copropriétaires pour les travaux précités, multiplié au prorata de la quote-part en millièmes dans la copropriété. En l'absence d'association de copropriétaires, la partie du prêt rénovation que l'emprunteur individuel visé à l'article 7.9.2/0/8, 2° et 5°, utilise pour financer des travaux aux parties communes n'excède en tout cas pas le montant mentionné dans les devis multiplié au prorata de la quote-part en millièmes dans la copropriété.
Dans les cas visés à l'article 7.9.2/0/8, 1° à 5°, et sans préjudice de l'application de l'alinéa 3, le prêt rénovation octroyé peut être utilisé pour financer des travaux au logement et pour financer des travaux aux parties communes. Dans chaque cas, le prêt rénovation cumulé ne pas excéder le montant visé à l'alinéa 2.
Par dérogation à l'alinéa 2, le montant du prêt accordé à une association des copropriétaires n'est pas supérieur à 60 000 euros, majorés de 25 000 euros par unité de logement à l'intérieur du bâtiment dont l'association des copropriétaires est responsable, ni inférieur 5 000 euros. La règle précitée s'applique par bâtiment dont l'association de copropriétaires est responsable.
Par dérogation à l'alinéa 1er et sans préjudice de l'application des alinéas 2 à 5, un prêt rénovation peut être accordé à un particulier, un organisme non commercial ou une société coopérative auxquels un prêt énergie, tel que visé à l'article 7.9.2, a été octroyé, pour le même bien immeuble ou une partie de celui-ci, à condition que le montant de prêt maximal soit diminué du montant du prêt énergie octroyé antérieurement.
Art. 7.9.2/0/14. Le prêt rénovation peut être demandé au plus tard jusqu'au 31 décembre 2026.
Par dérogation à l'alinéa 1er, des prêts rénovation de 15 000 euros maximum et de 1250 euros minimum d'une durée de cent vingt mois maximum peuvent être demandés à partir du 1er janvier 2027 par :
1° des particuliers appartenant au groupe cible prioritaire du prêt rénovation ;
2° des particuliers, des organismes non commerciaux et des sociétés coopératives qui donnent le logement en location à une société de logement conformément aux conditions visées à l'article 5 162/1 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 ;
3° des organismes non commerciaux et sociétés coopératives pour les bâtiments sur lesquels ils ont établi un droit réel et qui sont destinés à leur propre usage ;
4° des associations de copropriétaires, pour les parties communes des bâtiments dont elles sont responsables.
Par dérogation à l'alinéa 2, le montant du prêt accordé à une association des copropriétaires ne peut pas être inférieur à 1250 euros ni dépasser 15 000 euros, majorés de 7 500 euros par unité de logement à l'intérieur du bâtiment dont l'association des copropriétaires est responsable. La règle précitée s'applique par bâtiment dont l'association de copropriétaires est responsable.
Art. 7.9.2/0/15. Le prêt rénovation est octroyé sur la base de devis ou de métrés que l'emprunteur soumet à la maison de l'énergie au moment de la demande du prêt.
Par dérogation à l'alinéa 2, si une association des copropriétaires a été constituée pour le bâtiment où les travaux sont exécutés, le prêt rénovation est octroyé aux emprunteurs individuels visés à l'article 7.9.2/0/8, alinéa 1er, 2° et 5°, sur la base de devis ou de métrés, tels que figurant dans le rapport de l'assemblée générale de l'association de copropriétaires, qui étaient le financement des travaux aux parties communes. En l'absence d'association de copropriétaires, le prêt rénovation est octroyé sur la base de devis ou de métrés que l'emprunteur soumet à la maison de l'énergie au moment de la demande du prêt.
Le prêt rénovation peut être demandé en six tranches différentes maximum.
Art. 7.9.2/0/16. La date limite de prélèvement du prêt rénovation est fixée à trente-six mois après la signature.
Le prêt rénovation est versé sur la base de factures datées à partir du moment de la demande du prêt rénovation.
Par dérogation à l'alinéa 2, dans les cas décrits à l'article 7.9.2/0/8, 2° et 5°, le prêt rénovation ne peut être versé que sur présentation de la preuve d'appels spécifiques à financement par l'association de copropriétaires. En l'absence d'association de copropriétaires, le prêt rénovation est versé sur la base de factures datées à partir du moment de la demande du prêt rénovation.
Les emprunteurs du prêt rénovation utilisent les primes visées aux articles 6.4.1/1/1 à 6.4.1/1/3 et aux articles 6.4.1/3 à 6.4.1/5/2 du présent arrêté et les interventions calculées conformément à l'article 5 191 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 pour les travaux énumérés à l'article 5 189, § 2, alinéa 1er, 1° à 7°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, en remboursement de ce prêt ; pour les travaux énumérés aux articles 6.4.1/1 à 6.4.1/1/3 et aux articles 6.4.1/3 à 6.4.1/5/2 du présent arrêté et pour les travaux énumérés à l'article 5 189, § 2, alinéa 1er, 1° à 7°, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021. Dans ce cas, la maison de l'énergie demande cette prime, au nom et pour le compte de l'emprunteur, auprès du gestionnaire du réseau de distribution d'électricité et l'utilise en remboursement anticipé du prêt rénovation.
Art. 7.9.2/0/17. Les particuliers visés à l'article 7.9.2/0/8, 1°, qui n'occupent pas personnellement le logement à titre de résidence principale au moment de l'octroi du prêt rénovation, fournissent la preuve à la maison de l'énergie, au plus tard dans les trente-six mois de l'octroi du prêt, qu'ils occupent entre-temps personnellement le logement à titre de résidence principale au sens de l'article 7.9.2/0/8, 1°.
Si les particuliers n'occupent pas personnellement, à titre de résidence principale, le logement pour lequel un prêt rénovation a été octroyé au plus tard après les travaux et, en tout cas, dans les trente-six mois de l'octroi du prêt rénovation, la maison de l'énergie applique immédiatement au prêt rénovation un taux d'intérêt égal au taux légal applicable au moment de la conclusion de la convention de crédit.
Art. 7.9.2/0/18. Les emprunteurs visés à l'article 7.9.2/0/8, 2° et 5°, soumettent à la maison de l'énergie, au plus tard dans les quarante-huit mois de l'octroi du prêt, les factures définitives qui étaient les travaux effectués aux parties communes. Si les emprunteurs ne fournissent pas la preuve des factures qui étaient les travaux effectués aux parties communes dans les quarante-huit mois, la maison de l'énergie applique immédiatement au prêt rénovation un taux d'intérêt égal au taux légal applicable au moment de la conclusion de la convention de crédit.
S'il ressort des factures visées à l'alinéa 1er que le montant du prêt versé est supérieur à la part de l'emprunteur visé à l'alinéa 1er dans les coûts réels étayés par les factures, l'emprunteur reverse la différence à la maison de l'énergie dans les douze mois de la production des factures. Si l'emprunteur ne reverse pas la différence dans les douze mois de la production des factures, la maison de l'énergie applique immédiatement au prêt rénovation un taux d'intérêt égal au taux légal applicable au moment de la conclusion de la convention de crédit. ".
Art. 66. Artikel 7.9.2/1, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Het energiehuis voorziet, naast het verstrekken en beheren van leningen, in elke stad of gemeente binnen zijn werkingsgebied verplicht in de volgende dienstverlening en activiteiten:
1° inwoners informeren, adviseren en begeleiden door een laagdrempelig energieloket aan te bieden waar inwoners terecht kunnen met hun energievragen en vragen over woningkwaliteit;
2° gestructureerde basisinformatie aanbieden over minstens:
a) relevante gemeentelijke, provinciale, gewestelijke en federale energiebeleidsmaatregelen;
b) energiepremies en -leningen, inclusief leningen bij de financiële sector;
c) energetische renovatie;
d) woningkwaliteit;
e) de verbouwlening;
3° particulieren begeleiden en ondersteunen bij minstens:
a) de aanvragen van de premies en leningen, vermeld in punt 2° ;
b) het uitvoeren van de leveranciersvergelijking en, in voorkomend geval, bij de wijziging van energieleverancier;
c) het aanvragen en vergelijken van offertes voor energetische renovatiewerken en renovatiewerken in het kader van de woningkwaliteit;
d) de uitvoering van energetische renovatiewerken en renovatiewerken in het kader van de woningkwaliteit, en het bieden van ontzorging daarbij, inclusief dienstverlening voortvloeiende uit door het energiehuis uitgevoerde energiescans die gericht is op begeleiding bij de uitvoering van energiebesparende investeringen;
e) de interpretatie van thermografische informatie, de zonnekaart, de resultaten na een energiescan en het energieprestatiecertificaat;
4° uitvoerende lokale diensten coördineren, onder meer van de door de respectievelijke gemeente aangeduide uitvoerders van de energiescans, en, in voorkomend geval, correct doorverwijzen;
5° voor huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, tot en met 31 december 2026 één begeleidings- en ondersteuningstraject opstarten met het oog op energetische renovatiewerken en renovatiewerken in het kader van de woningkwaliteit;
6° het opstarten tot en met 31 december 2026 van een renovatiebegeleiding bij de uitvoering van energetische investeringen en investeringen in het kader van de woningkwaliteit in residentiële gebouwen, gelegen in het Vlaamse Gewest, met een energieprestatiecertificaat dat niet ouder is dan 2019, met het oog op een verbetering tot energielabel C of beter in het geval van eengezinswoningen en collectieve woongebouwen met een label E of F, of een verbetering tot label B of beter voor wooneenheden met een label D, E of F, en waarbij de eigenaar behoort tot de doelgroep van:
a) huishoudelijke afnemers met een inkomen dat de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, derde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, niet overstijgt en die de woning uiterlijk na de werken waarvoor de begeleiding is aangevraagd, en in elk geval binnen zesendertig maanden nadat de begeleiding werd toegekend zelf bewonen als hoofdverblijfplaats;
b) huishoudelijke afnemers die zich samen met een woonmaatschappij in een huurbelofte ertoe verbinden om de woning waarvoor de begeleiding werd aangevraagd, uiterlijk na de werken en voor een duur van minstens negen jaar te verhuren aan de betreffende woonmaatschappij met het oog op onderverhuring door de woonmaatschappij met een geldig conformiteitsattest, als vermeld in als vermeld in artikel 3.6 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor de gehele periode van onderverhuring;
c) huishoudelijke afnemers die op eer verklaren om de woning, die zij verhuren en waarvoor de begeleiding werd aangevraagd, uiterlijk na de uitvoering van de werken te verhuren aan een gezin of een alleenstaande met een huurovereenkomst op basis van titel 2 van het Vlaams Woninghuurdecreet van 9 november 2018, waarbij het gezin of de alleenstaande de woning gebruikt als hoofdverblijfplaats, aan een in de huurovereenkomst opgenomen huurprijs die werd vastgelegd op basis van het gemiddelde van de vork van de webtoepassing, vermeld in artikel 5.111 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en die maximaal 900 euro bedraagt;
7° huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, derde lid, van dit besluit en, in het geval het OCMW de inschatting maakt dat deze begeleiding relevant kan zijn, ook huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, derde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, begeleiden om het onderhoud en de verduurzaming van de verwarmingsinstallatie te realiseren. Bij deze begeleiding ondersteunt het energiehuis de huishoudelijke afnemer bij het laten uitvoeren van het periodiek onderhoud van de verwarmingsinstallatie als vermeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater. Het energiehuis voorziet in een financiering van de kosten van het onderhoud van de verwarmingsinstallatie voor een bedrag van maximaal 180 euro. Eventuele meerkosten worden door de huishoudelijke afnemer gedragen;
8° huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, derde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, begeleiden bij het plaatsen van fotovoltaïsche installaties. De voormelde begeleiding bestaat minstens uit:
a) de technische en praktische begeleiding bij het aanvragen en vergelijken van offertes voor de plaatsing van een fotovoltaïsche installatie;
b) de administratieve begeleiding bij het aanvragen van de premies en van leningen om de fotovoltaïsche installaties te financieren;
9° verenigingen van mede-eigenaars die zich willen voorbereiden op een grondige renovatie van de gemeenschappelijke delen van een woongebouw met minstens 15 wooneenheden tot en met 31 december 2026 informeren, adviseren en begeleiden bij het proces dat leidt tot een renovatiebeslissing. De taken die moeten worden uitgevoerd, zijn minstens de volgende:
a) de vereniging van mede-eigenaars en de syndicus informeren over de energiebesparing en vanuit een neutrale expertpositie toelichting geven bij het nut en de noodzaak om grondig te renoveren;
b) advies verlenen over een plan van aanpak, zowel aan de vereniging van mede-eigenaars als aan de individuele eigenaar van het woongebouw zowel voor een gefaseerde aanpak als een aanpak waarbij alle werken tegelijkertijd worden uitgevoerd;
c) de vereniging van mede-eigenaars en de syndicus informeren over de opmaak van een renovatiemasterplan en indien de vereniging van mede-eigenaars opteert voor de opmaak van een renovatiemasterplan door een studiebureau, waarvoor het VEKA financiële steun voorziet, deze bijstaan bij de opmaak van een aanvraagdossier, waarbij minstens de relevante vergaderingen van de vereniging van mede-eigenaars worden bijgewoond en hen helpen bij de data-inventarisatie in samenwerking met de syndicus, bij de bevraging van de eigenaars, bij het in kaart brengen van gebreken en noden van het gebouw en de contouren en wensen voor de renovatie vaststellen;
d) de bewoners doorheen dit proces ondersteunen en vragen beantwoorden;
e) de opgeleverde analyse van de conditiestaat in het kader van het renovatiemasterplan nakijken en bespreken met de vereniging van mede-eigenaars;
f) de opgeleverde renovatiescenario's nakijken en bespreken ter voorbereiding van de presentatie op de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars;
g) de voorstelling van het renovatiemasterplan door het studiebureau, vermeld in c), en het investeringsvoorstel aan de vereniging van mede-eigenaars bijwonen;
h) het in kaart brengen van financieringsmogelijkheden, inclusief financieel advies op maat van eigenaars die dat wensen;
i) de vereniging van mede-eigenaars sensibiliseren om te opteren voor een zo verregaand mogelijke renovatie.
In afwijking het eerste lid, 5°, zijn voor huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in 6.4.1/6/3, derde lid, tot en met 31 december 2026 twee begeleidings- en ondersteuningstrajecten mogelijk.
In afwijking van het eerste lid, 5°, kan het energiehuis ook de vereniging van mede-eigenaars tot en met 31 december 2026 éénmalig begeleiden en ondersteunen met het oog op energetische renovatiewerken en renovatiewerken in het kader van de woningkwaliteit van het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is.
In afwijking van het eerste lid, 6°, c), bedraagt de huurprijs maximaal 1000 euro als de woning op het grondgebied van een van de volgende gemeenten ligt:
1° de grootsteden Antwerpen en Gent;
2° de centrumsteden Aalst, Brugge, Genk, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout;
3° alle gemeenten in het grootstedelijk gebied Antwerpen: Aartselaar, Boechout, Borsbeek, Edegem, Hemiksem, Hove, Kontich, Lint, Mortsel, Niel, Schelle, Wijnegem, Wommelgem en Zwijndrecht;
4° alle gemeenten in het grootstedelijk gebied Gent: De Pinte, Destelbergen, Evergem, Melle, Sint-Martens-Latem en Merelbeke;
5° alle gemeenten in het arrondissement Halle-Vilvoorde;
6° Bertem, Huldenberg, Kortenberg en Tervuren.
De begeleiding, vermeld in het eerste lid, 6°, kan niet worden gecumuleerd met de begeleiding, vermeld in het eerste lid, 5°, of met de toekenning van steun voor de energetische renovatie van noodkoopwoningen, vermeld in titel VII, hoofdstuk II, afdeling IV.
De begeleiding, vermeld in het eerste lid, 6°, kan worden opgestart op basis van een verklaring die de eigenaar ondertekent en aan het energiehuis bezorgt. De voormelde verklaring geldt als engagement om de woning grondig te renoveren tot de energielabels, vermeld in het eerste lid, 6°.
De minister kan nadere regels vastleggen voor de inhoudelijke invulling van de begeleiding, vermeld in het eerste lid, 5°, 6° en 9°, waaronder de voorwaarden waaraan de begeleider moet voldoen en de wijze van rapportering over de begeleiding aan het VEKA.
Met behoud van de toepassing van de bepalingen, vermeld in het eerste lid, 8°, a) en b), kan de begeleiding als vermeld in het eerste lid, 8°, ook bestaan uit het faciliteren van de aansluiting bij een energiegemeenschap binnen het gebouw, waarbij de stroom die van andere fotovoltaïsche installaties afkomstig is, wordt gedeeld met gezinnen uit de doelgroep, conform titel IV, hoofdstuk VIII van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en titel III, hoofdstuk 3 van dit besluit.
De minister kan nadere regels vastleggen voor de inhoudelijke invulling van de begeleiding, vermeld in het eerste lid, 7° en 8°, waaronder de minimaal te doorlopen stappen van de begeleiding, de voorwaarden waaraan de begeleider moet voldoen en de wijze van rapportering over de begeleiding aan het VEKA.
De begeleiding, vermeld in het eerste lid, 7° en 8°, kan tot en met 31 december 2024 worden opgestart door het energiehuis.".
" § 1. Het energiehuis voorziet, naast het verstrekken en beheren van leningen, in elke stad of gemeente binnen zijn werkingsgebied verplicht in de volgende dienstverlening en activiteiten:
1° inwoners informeren, adviseren en begeleiden door een laagdrempelig energieloket aan te bieden waar inwoners terecht kunnen met hun energievragen en vragen over woningkwaliteit;
2° gestructureerde basisinformatie aanbieden over minstens:
a) relevante gemeentelijke, provinciale, gewestelijke en federale energiebeleidsmaatregelen;
b) energiepremies en -leningen, inclusief leningen bij de financiële sector;
c) energetische renovatie;
d) woningkwaliteit;
e) de verbouwlening;
3° particulieren begeleiden en ondersteunen bij minstens:
a) de aanvragen van de premies en leningen, vermeld in punt 2° ;
b) het uitvoeren van de leveranciersvergelijking en, in voorkomend geval, bij de wijziging van energieleverancier;
c) het aanvragen en vergelijken van offertes voor energetische renovatiewerken en renovatiewerken in het kader van de woningkwaliteit;
d) de uitvoering van energetische renovatiewerken en renovatiewerken in het kader van de woningkwaliteit, en het bieden van ontzorging daarbij, inclusief dienstverlening voortvloeiende uit door het energiehuis uitgevoerde energiescans die gericht is op begeleiding bij de uitvoering van energiebesparende investeringen;
e) de interpretatie van thermografische informatie, de zonnekaart, de resultaten na een energiescan en het energieprestatiecertificaat;
4° uitvoerende lokale diensten coördineren, onder meer van de door de respectievelijke gemeente aangeduide uitvoerders van de energiescans, en, in voorkomend geval, correct doorverwijzen;
5° voor huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, tot en met 31 december 2026 één begeleidings- en ondersteuningstraject opstarten met het oog op energetische renovatiewerken en renovatiewerken in het kader van de woningkwaliteit;
6° het opstarten tot en met 31 december 2026 van een renovatiebegeleiding bij de uitvoering van energetische investeringen en investeringen in het kader van de woningkwaliteit in residentiële gebouwen, gelegen in het Vlaamse Gewest, met een energieprestatiecertificaat dat niet ouder is dan 2019, met het oog op een verbetering tot energielabel C of beter in het geval van eengezinswoningen en collectieve woongebouwen met een label E of F, of een verbetering tot label B of beter voor wooneenheden met een label D, E of F, en waarbij de eigenaar behoort tot de doelgroep van:
a) huishoudelijke afnemers met een inkomen dat de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, derde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, niet overstijgt en die de woning uiterlijk na de werken waarvoor de begeleiding is aangevraagd, en in elk geval binnen zesendertig maanden nadat de begeleiding werd toegekend zelf bewonen als hoofdverblijfplaats;
b) huishoudelijke afnemers die zich samen met een woonmaatschappij in een huurbelofte ertoe verbinden om de woning waarvoor de begeleiding werd aangevraagd, uiterlijk na de werken en voor een duur van minstens negen jaar te verhuren aan de betreffende woonmaatschappij met het oog op onderverhuring door de woonmaatschappij met een geldig conformiteitsattest, als vermeld in als vermeld in artikel 3.6 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor de gehele periode van onderverhuring;
c) huishoudelijke afnemers die op eer verklaren om de woning, die zij verhuren en waarvoor de begeleiding werd aangevraagd, uiterlijk na de uitvoering van de werken te verhuren aan een gezin of een alleenstaande met een huurovereenkomst op basis van titel 2 van het Vlaams Woninghuurdecreet van 9 november 2018, waarbij het gezin of de alleenstaande de woning gebruikt als hoofdverblijfplaats, aan een in de huurovereenkomst opgenomen huurprijs die werd vastgelegd op basis van het gemiddelde van de vork van de webtoepassing, vermeld in artikel 5.111 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en die maximaal 900 euro bedraagt;
7° huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, derde lid, van dit besluit en, in het geval het OCMW de inschatting maakt dat deze begeleiding relevant kan zijn, ook huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, derde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, begeleiden om het onderhoud en de verduurzaming van de verwarmingsinstallatie te realiseren. Bij deze begeleiding ondersteunt het energiehuis de huishoudelijke afnemer bij het laten uitvoeren van het periodiek onderhoud van de verwarmingsinstallatie als vermeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van centrale stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater. Het energiehuis voorziet in een financiering van de kosten van het onderhoud van de verwarmingsinstallatie voor een bedrag van maximaal 180 euro. Eventuele meerkosten worden door de huishoudelijke afnemer gedragen;
8° huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 5.187, derde lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, begeleiden bij het plaatsen van fotovoltaïsche installaties. De voormelde begeleiding bestaat minstens uit:
a) de technische en praktische begeleiding bij het aanvragen en vergelijken van offertes voor de plaatsing van een fotovoltaïsche installatie;
b) de administratieve begeleiding bij het aanvragen van de premies en van leningen om de fotovoltaïsche installaties te financieren;
9° verenigingen van mede-eigenaars die zich willen voorbereiden op een grondige renovatie van de gemeenschappelijke delen van een woongebouw met minstens 15 wooneenheden tot en met 31 december 2026 informeren, adviseren en begeleiden bij het proces dat leidt tot een renovatiebeslissing. De taken die moeten worden uitgevoerd, zijn minstens de volgende:
a) de vereniging van mede-eigenaars en de syndicus informeren over de energiebesparing en vanuit een neutrale expertpositie toelichting geven bij het nut en de noodzaak om grondig te renoveren;
b) advies verlenen over een plan van aanpak, zowel aan de vereniging van mede-eigenaars als aan de individuele eigenaar van het woongebouw zowel voor een gefaseerde aanpak als een aanpak waarbij alle werken tegelijkertijd worden uitgevoerd;
c) de vereniging van mede-eigenaars en de syndicus informeren over de opmaak van een renovatiemasterplan en indien de vereniging van mede-eigenaars opteert voor de opmaak van een renovatiemasterplan door een studiebureau, waarvoor het VEKA financiële steun voorziet, deze bijstaan bij de opmaak van een aanvraagdossier, waarbij minstens de relevante vergaderingen van de vereniging van mede-eigenaars worden bijgewoond en hen helpen bij de data-inventarisatie in samenwerking met de syndicus, bij de bevraging van de eigenaars, bij het in kaart brengen van gebreken en noden van het gebouw en de contouren en wensen voor de renovatie vaststellen;
d) de bewoners doorheen dit proces ondersteunen en vragen beantwoorden;
e) de opgeleverde analyse van de conditiestaat in het kader van het renovatiemasterplan nakijken en bespreken met de vereniging van mede-eigenaars;
f) de opgeleverde renovatiescenario's nakijken en bespreken ter voorbereiding van de presentatie op de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars;
g) de voorstelling van het renovatiemasterplan door het studiebureau, vermeld in c), en het investeringsvoorstel aan de vereniging van mede-eigenaars bijwonen;
h) het in kaart brengen van financieringsmogelijkheden, inclusief financieel advies op maat van eigenaars die dat wensen;
i) de vereniging van mede-eigenaars sensibiliseren om te opteren voor een zo verregaand mogelijke renovatie.
In afwijking het eerste lid, 5°, zijn voor huishoudelijke afnemers die voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in 6.4.1/6/3, derde lid, tot en met 31 december 2026 twee begeleidings- en ondersteuningstrajecten mogelijk.
In afwijking van het eerste lid, 5°, kan het energiehuis ook de vereniging van mede-eigenaars tot en met 31 december 2026 éénmalig begeleiden en ondersteunen met het oog op energetische renovatiewerken en renovatiewerken in het kader van de woningkwaliteit van het gebouw waarvoor de vereniging van mede-eigenaars verantwoordelijk is.
In afwijking van het eerste lid, 6°, c), bedraagt de huurprijs maximaal 1000 euro als de woning op het grondgebied van een van de volgende gemeenten ligt:
1° de grootsteden Antwerpen en Gent;
2° de centrumsteden Aalst, Brugge, Genk, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout;
3° alle gemeenten in het grootstedelijk gebied Antwerpen: Aartselaar, Boechout, Borsbeek, Edegem, Hemiksem, Hove, Kontich, Lint, Mortsel, Niel, Schelle, Wijnegem, Wommelgem en Zwijndrecht;
4° alle gemeenten in het grootstedelijk gebied Gent: De Pinte, Destelbergen, Evergem, Melle, Sint-Martens-Latem en Merelbeke;
5° alle gemeenten in het arrondissement Halle-Vilvoorde;
6° Bertem, Huldenberg, Kortenberg en Tervuren.
De begeleiding, vermeld in het eerste lid, 6°, kan niet worden gecumuleerd met de begeleiding, vermeld in het eerste lid, 5°, of met de toekenning van steun voor de energetische renovatie van noodkoopwoningen, vermeld in titel VII, hoofdstuk II, afdeling IV.
De begeleiding, vermeld in het eerste lid, 6°, kan worden opgestart op basis van een verklaring die de eigenaar ondertekent en aan het energiehuis bezorgt. De voormelde verklaring geldt als engagement om de woning grondig te renoveren tot de energielabels, vermeld in het eerste lid, 6°.
De minister kan nadere regels vastleggen voor de inhoudelijke invulling van de begeleiding, vermeld in het eerste lid, 5°, 6° en 9°, waaronder de voorwaarden waaraan de begeleider moet voldoen en de wijze van rapportering over de begeleiding aan het VEKA.
Met behoud van de toepassing van de bepalingen, vermeld in het eerste lid, 8°, a) en b), kan de begeleiding als vermeld in het eerste lid, 8°, ook bestaan uit het faciliteren van de aansluiting bij een energiegemeenschap binnen het gebouw, waarbij de stroom die van andere fotovoltaïsche installaties afkomstig is, wordt gedeeld met gezinnen uit de doelgroep, conform titel IV, hoofdstuk VIII van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en titel III, hoofdstuk 3 van dit besluit.
De minister kan nadere regels vastleggen voor de inhoudelijke invulling van de begeleiding, vermeld in het eerste lid, 7° en 8°, waaronder de minimaal te doorlopen stappen van de begeleiding, de voorwaarden waaraan de begeleider moet voldoen en de wijze van rapportering over de begeleiding aan het VEKA.
De begeleiding, vermeld in het eerste lid, 7° en 8°, kan tot en met 31 december 2024 worden opgestart door het energiehuis.".
Art. 66. L'article 7.9.2/1, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Outre la fourniture et la gestion de prêts, la maison de l'énergie assure obligatoirement dans chaque ville ou commune à l'intérieur de sa zone d'action les services et activités suivants :
1° informer, conseiller et accompagner les habitants en offrant un guichet Energie facilement accessible auquel ils peuvent s'adresser pour leurs questions en matière d'énergie et leurs questions concernant la qualité du logement ;
2° offrir des informations de base structurées concernant au moins :
a) les mesures de politique énergétique communales, provinciales, régionales et fédérales pertinentes ;
b) les primes et prêts énergie, y compris les prêts auprès du secteur financier ;
c) la rénovation énergétique ;
d) la qualité du logement ;
e) le prêt rénovation ;
3° accompagner et assister les particuliers au moins pour :
a) les demandes de primes et de prêts visés au point 2° ;
b) le comparatif des fournisseurs et, le cas échéant, le changement de fournisseur d'énergie ;
c) la demande et la comparaison de devis pour des travaux de rénovation énergétique et des travaux de rénovation dans le cadre de la qualité du logement ;
d) l'exécution de travaux de rénovation énergétique et de travaux de rénovation dans le cadre de la qualité du logement, et l'offre de prise en charge complète en la matière, y compris les services résultant des scans énergétiques effectués par la maison de l'énergie visant l'accompagnement à la réalisation d'investissements économiseurs d'énergie ;
e) l'interprétation des informations thermographiques, de la carte solaire, des résultats obtenus après un scan énergétique et du certificat de performance énergétique ;
4° coordonner les services locaux de mise en oeuvre, entre autres des opérateurs de scans énergétiques désignés par la commune respective, et, le cas échéant, les orienter correctement ;
5° pour les clients résidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 5 187, alinéa 2, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, entamer, jusqu'au 31 décembre 2026, un seul parcours d'accompagnement et de soutien en vue de travaux de rénovation énergétique et de travaux de rénovation dans le cadre de la qualité du logement ;
6° mettre en place, jusqu'au 31 décembre 2026, un accompagnement à la rénovation pour la réalisation d'investissements énergétiques et d'investissements dans le cadre de la qualité du logement dans des bâtiments résidentiels situés en Région flamande, disposant d'un certificat de performance énergétique non antérieur à 2019, en vue de les faire basculer vers le label énergétique C ou supérieur dans le cas de logements unifamiliaux et de bâtiments résidentiels collectifs au label E ou F ou de les faire basculer vers le label B ou supérieur pour les unités de logement au label D, E ou F, et dont le propriétaire appartient au groupe cible des :
a) clients résidentiels dont le revenu ne dépasse pas les plafonds de revenus visés à l'article 5 187, alinéa 3, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 et qui occupent le logement personnellement, à titre de résidence principale, au plus tard après les travaux pour lesquels l'accompagnement a été demandé et, en tout cas, dans les trente-six mois de l'octroi de l'accompagnement ;
b) clients résidentiels qui s'engagent, dans une promesse de bail avec une société de logement, à donner en location le logement pour lequel l'accompagnement a été demandé, au plus tard après les travaux et pour une durée d'au moins neuf ans, à la société de logement en question en vue de sa sous-location par la société de logement avec un certificat de conformité valable, tel que visé à l'article 3.6 du Code flamand du Logement de 2021, pour toute la durée de la sous-location ;
c) clients résidentiels qui déclarent sur l'honneur donner en location, le logement qu'ils donnent en location et pour lequel l'accompagnement a été demandé, au plus tard après l'exécution des travaux, à un ménage ou à un isolé aux termes d'un bail basé sur le titre 2 du décret flamand sur la location d'habitations du 9 novembre 2018, le ménage ou l'isolé utilisant le logement à titre de résidence principale, pour un loyer repris dans le bail, qui a été fixé sur la base de la moyenne de la fourchette de l'application web visée à l'article 5 111 du Code flamand du Logement de 2021 et qui s'élève à 900 euros maximum ;
7° accompagner les clients résidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 3, du présent arrêté et, dans le cas où le CPAS estime que cet accompagnement peut être pertinent, également les clients résidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 5 187, alinéa 3, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 pour réaliser l'entretien et la rénovation durable de l'installation de chauffage. Lors de cet accompagnement, la maison de l'énergie aide le client résidentiel à faire exécuter l'entretien périodique de l'installation de chauffage tel que visé à l'article 13 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire. La maison de l'énergie prévoit un financement des coûts d'entretien de l'installation de chauffage pour un montant de 180 euros maximum. Les surcoûts éventuels sont à charge du client résidentiel ;
8° accompagner les clients résidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 5 187, alinéa 3, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 dans la pose d'installations photovoltaïques. L'accompagnement précité recouvre au moins :
a) l'accompagnement technique et pratique lors de la demande et de la comparaison de devis pour la pose d'une installation photovoltaïque ;
b) l'accompagnement administratif lors de la demande de primes et de prêts pour financer les installations photovoltaïques ;
9° informer, conseiller et accompagner, jusqu'au 31 décembre 2026, les associations de copropriétaires qui veulent se préparer à une rénovation en profondeur des parties communes d'un bâtiment résidentiel d'au moins 15 unités de logement dans le processus qui mène une décision de rénovation. Les tâches à accomplir sont au minimum les suivantes :
a) informer l'association des copropriétaires et le syndic au sujet de l'économie d'énergie et expliquer, tout en adoptant une position d'expert neutre, l'utilité et la nécessité d'une rénovation en profondeur ;
b) fournir des conseils sur un plan d'approche, tant à l'association des copropriétaires qu'au propriétaire individuel du bâtiment résidentiel et tant pour une approche en plusieurs phases qu'une approche selon laquelle tous les travaux sont effectués simultanément ;
c) informer l'association des copropriétaires et le syndic au sujet de l'élaboration d'un plan directeur de rénovation et si l'association des copropriétaires choisit de confier l'élaboration d'un plan directeur de rénovation à un bureau d'études, pour lequel la VEKA prévoit une aide financière, l'aider dans la préparation d'un dossier de demande en assistant, au minimum, aux réunions pertinentes de l'association des copropriétaires, et l'aider dans l'inventaire des données en collaboration avec le syndic, l'enquête auprès des propriétaires, l'identification des défaillances et des besoins du bâtiment et la définition des grandes lignes et des souhaits pour la rénovation ;
d) soutenir les occupants tout au long de ce processus et répondre aux questions ;
e) vérifier l'analyse de l'état fournie dans le cadre du plan directeur de rénovation et en discuter avec l'association des copropriétaires ;
f) vérifier les scénarios de rénovation fournis et en discuter en vue de préparer la présentation à l'assemblée générale de l'association des copropriétaires ;
g) assister à la présentation du plan directeur de rénovation par le bureau d'études visé en c) et de la proposition d'investissement à l'association des copropriétaires ;
h) identifier les possibilités de financement, y compris fournir des conseils financiers personnalisés aux propriétaires qui le souhaitent ;
i) convaincre l'association des copropriétaires d'opter pour une rénovation aussi poussée que possible.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 5°, deux parcours d'accompagnement et de soutien sont possibles jusqu'au 31 décembre 2026 pour les clients résidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 3.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 5°, la maison de l'énergie peut également accompagner et soutenir l'association des copropriétaires une seule fois jusqu'au 31 décembre 2026 en vue de travaux de rénovation énergétique et de travaux de rénovation dans le cadre de la qualité du logement du bâtiment dont l'association des copropriétaires est responsable.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 6°, c), le loyer s'élève à 1000 euros maximum si le logement se situe sur le territoire de l'une des communes suivantes :
1° les grandes villes d'Anvers et de Gand ;
2° les villes-centres d'Alost, de Bruges, Genk, Hasselt, Courtrai, Louvain, Malines, Ostende, Roulers, Saint-Nicolas et Turnhout ;
3° toutes les communes de la zone métropolitaine d'Anvers : Aartselaar, Boechout, Borsbeek, Edegem, Hemiksem, Hove, Kontich, Lint, Mortsel, Niel, Schelle, Wijnegem, Wommelgem et Zwijndrecht ;
4° toutes les communes de la zone métropolitaine de Gand : De Pinte, Destelbergen, Evergem, Melle, Sint-Martens-Latem et Merelbeke ;
5° toutes les communes de l'arrondissement de Hal-Vilvorde ;
6° Bertem, Huldenberg, Kortenberg et Tervuren.
L'accompagnement visé à l'alinéa 1er, 6°, ne peut pas être cumulé avec l'accompagnement visé à l'alinéa 1er, 5°, ou avec l'octroi de l'aide à la rénovation énergétique de logements acquisitifs par nécessité visée dans le titre VII, chapitre II, section IV.
L'accompagnement visé à l'alinéa 1er, 6°, peut être engagé sur la base d'une déclaration que le propriétaire signe et transmet à la maison de l'énergie. La déclaration précitée vaut engagement de rénover le logement en profondeur jusqu'à atteindre les labels énergétiques visés à l'alinéa 1er, 6°.
Le ministre peut préciser les modalités du contenu de l'accompagnement visé à l'alinéa 1er, 5°, 6° et 9°, dont les conditions auxquelles l'accompagnateur doit satisfaire et le mode de rapport au sujet de l'accompagnement à la VEKA.
Sans préjudice de l'application des dispositions visées à l'alinéa 1er, 8°, a) et b), l'accompagnement tel que visé à l'alinéa 1er, 8°, peut également consister à faciliter l'adhésion à une communauté d'énergie à l'intérieur du bâtiment, impliquant le partage du courant provenant d'autres installations photovoltaïques avec des ménages du groupe cible conformément au titre IV, chapitre VIII du décret sur l'Energie du 8 mai 2009 et au titre III, chapitre 3, du présent arrêté.
Le ministre peut préciser les modalités du contenu de l'accompagnement visé à l'alinéa 1er, 7° et 8°, dont les étapes minimales de l'accompagnement à parcourir, les conditions auxquelles l'accompagnateur doit satisfaire et le mode de rapport au sujet de l'accompagnement à la VEKA.
L'accompagnement visé à l'alinéa 1er, 7° et 8°, peut être engagé jusqu'au 31 décembre 2024 par la maison de l'énergie. ".
" § 1er. Outre la fourniture et la gestion de prêts, la maison de l'énergie assure obligatoirement dans chaque ville ou commune à l'intérieur de sa zone d'action les services et activités suivants :
1° informer, conseiller et accompagner les habitants en offrant un guichet Energie facilement accessible auquel ils peuvent s'adresser pour leurs questions en matière d'énergie et leurs questions concernant la qualité du logement ;
2° offrir des informations de base structurées concernant au moins :
a) les mesures de politique énergétique communales, provinciales, régionales et fédérales pertinentes ;
b) les primes et prêts énergie, y compris les prêts auprès du secteur financier ;
c) la rénovation énergétique ;
d) la qualité du logement ;
e) le prêt rénovation ;
3° accompagner et assister les particuliers au moins pour :
a) les demandes de primes et de prêts visés au point 2° ;
b) le comparatif des fournisseurs et, le cas échéant, le changement de fournisseur d'énergie ;
c) la demande et la comparaison de devis pour des travaux de rénovation énergétique et des travaux de rénovation dans le cadre de la qualité du logement ;
d) l'exécution de travaux de rénovation énergétique et de travaux de rénovation dans le cadre de la qualité du logement, et l'offre de prise en charge complète en la matière, y compris les services résultant des scans énergétiques effectués par la maison de l'énergie visant l'accompagnement à la réalisation d'investissements économiseurs d'énergie ;
e) l'interprétation des informations thermographiques, de la carte solaire, des résultats obtenus après un scan énergétique et du certificat de performance énergétique ;
4° coordonner les services locaux de mise en oeuvre, entre autres des opérateurs de scans énergétiques désignés par la commune respective, et, le cas échéant, les orienter correctement ;
5° pour les clients résidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 5 187, alinéa 2, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, entamer, jusqu'au 31 décembre 2026, un seul parcours d'accompagnement et de soutien en vue de travaux de rénovation énergétique et de travaux de rénovation dans le cadre de la qualité du logement ;
6° mettre en place, jusqu'au 31 décembre 2026, un accompagnement à la rénovation pour la réalisation d'investissements énergétiques et d'investissements dans le cadre de la qualité du logement dans des bâtiments résidentiels situés en Région flamande, disposant d'un certificat de performance énergétique non antérieur à 2019, en vue de les faire basculer vers le label énergétique C ou supérieur dans le cas de logements unifamiliaux et de bâtiments résidentiels collectifs au label E ou F ou de les faire basculer vers le label B ou supérieur pour les unités de logement au label D, E ou F, et dont le propriétaire appartient au groupe cible des :
a) clients résidentiels dont le revenu ne dépasse pas les plafonds de revenus visés à l'article 5 187, alinéa 3, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 et qui occupent le logement personnellement, à titre de résidence principale, au plus tard après les travaux pour lesquels l'accompagnement a été demandé et, en tout cas, dans les trente-six mois de l'octroi de l'accompagnement ;
b) clients résidentiels qui s'engagent, dans une promesse de bail avec une société de logement, à donner en location le logement pour lequel l'accompagnement a été demandé, au plus tard après les travaux et pour une durée d'au moins neuf ans, à la société de logement en question en vue de sa sous-location par la société de logement avec un certificat de conformité valable, tel que visé à l'article 3.6 du Code flamand du Logement de 2021, pour toute la durée de la sous-location ;
c) clients résidentiels qui déclarent sur l'honneur donner en location, le logement qu'ils donnent en location et pour lequel l'accompagnement a été demandé, au plus tard après l'exécution des travaux, à un ménage ou à un isolé aux termes d'un bail basé sur le titre 2 du décret flamand sur la location d'habitations du 9 novembre 2018, le ménage ou l'isolé utilisant le logement à titre de résidence principale, pour un loyer repris dans le bail, qui a été fixé sur la base de la moyenne de la fourchette de l'application web visée à l'article 5 111 du Code flamand du Logement de 2021 et qui s'élève à 900 euros maximum ;
7° accompagner les clients résidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 3, du présent arrêté et, dans le cas où le CPAS estime que cet accompagnement peut être pertinent, également les clients résidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 5 187, alinéa 3, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 pour réaliser l'entretien et la rénovation durable de l'installation de chauffage. Lors de cet accompagnement, la maison de l'énergie aide le client résidentiel à faire exécuter l'entretien périodique de l'installation de chauffage tel que visé à l'article 13 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage central pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire. La maison de l'énergie prévoit un financement des coûts d'entretien de l'installation de chauffage pour un montant de 180 euros maximum. Les surcoûts éventuels sont à charge du client résidentiel ;
8° accompagner les clients résidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 5 187, alinéa 3, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021 dans la pose d'installations photovoltaïques. L'accompagnement précité recouvre au moins :
a) l'accompagnement technique et pratique lors de la demande et de la comparaison de devis pour la pose d'une installation photovoltaïque ;
b) l'accompagnement administratif lors de la demande de primes et de prêts pour financer les installations photovoltaïques ;
9° informer, conseiller et accompagner, jusqu'au 31 décembre 2026, les associations de copropriétaires qui veulent se préparer à une rénovation en profondeur des parties communes d'un bâtiment résidentiel d'au moins 15 unités de logement dans le processus qui mène une décision de rénovation. Les tâches à accomplir sont au minimum les suivantes :
a) informer l'association des copropriétaires et le syndic au sujet de l'économie d'énergie et expliquer, tout en adoptant une position d'expert neutre, l'utilité et la nécessité d'une rénovation en profondeur ;
b) fournir des conseils sur un plan d'approche, tant à l'association des copropriétaires qu'au propriétaire individuel du bâtiment résidentiel et tant pour une approche en plusieurs phases qu'une approche selon laquelle tous les travaux sont effectués simultanément ;
c) informer l'association des copropriétaires et le syndic au sujet de l'élaboration d'un plan directeur de rénovation et si l'association des copropriétaires choisit de confier l'élaboration d'un plan directeur de rénovation à un bureau d'études, pour lequel la VEKA prévoit une aide financière, l'aider dans la préparation d'un dossier de demande en assistant, au minimum, aux réunions pertinentes de l'association des copropriétaires, et l'aider dans l'inventaire des données en collaboration avec le syndic, l'enquête auprès des propriétaires, l'identification des défaillances et des besoins du bâtiment et la définition des grandes lignes et des souhaits pour la rénovation ;
d) soutenir les occupants tout au long de ce processus et répondre aux questions ;
e) vérifier l'analyse de l'état fournie dans le cadre du plan directeur de rénovation et en discuter avec l'association des copropriétaires ;
f) vérifier les scénarios de rénovation fournis et en discuter en vue de préparer la présentation à l'assemblée générale de l'association des copropriétaires ;
g) assister à la présentation du plan directeur de rénovation par le bureau d'études visé en c) et de la proposition d'investissement à l'association des copropriétaires ;
h) identifier les possibilités de financement, y compris fournir des conseils financiers personnalisés aux propriétaires qui le souhaitent ;
i) convaincre l'association des copropriétaires d'opter pour une rénovation aussi poussée que possible.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 5°, deux parcours d'accompagnement et de soutien sont possibles jusqu'au 31 décembre 2026 pour les clients résidentiels qui satisfont aux plafonds de revenus visés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 3.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 5°, la maison de l'énergie peut également accompagner et soutenir l'association des copropriétaires une seule fois jusqu'au 31 décembre 2026 en vue de travaux de rénovation énergétique et de travaux de rénovation dans le cadre de la qualité du logement du bâtiment dont l'association des copropriétaires est responsable.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 6°, c), le loyer s'élève à 1000 euros maximum si le logement se situe sur le territoire de l'une des communes suivantes :
1° les grandes villes d'Anvers et de Gand ;
2° les villes-centres d'Alost, de Bruges, Genk, Hasselt, Courtrai, Louvain, Malines, Ostende, Roulers, Saint-Nicolas et Turnhout ;
3° toutes les communes de la zone métropolitaine d'Anvers : Aartselaar, Boechout, Borsbeek, Edegem, Hemiksem, Hove, Kontich, Lint, Mortsel, Niel, Schelle, Wijnegem, Wommelgem et Zwijndrecht ;
4° toutes les communes de la zone métropolitaine de Gand : De Pinte, Destelbergen, Evergem, Melle, Sint-Martens-Latem et Merelbeke ;
5° toutes les communes de l'arrondissement de Hal-Vilvorde ;
6° Bertem, Huldenberg, Kortenberg et Tervuren.
L'accompagnement visé à l'alinéa 1er, 6°, ne peut pas être cumulé avec l'accompagnement visé à l'alinéa 1er, 5°, ou avec l'octroi de l'aide à la rénovation énergétique de logements acquisitifs par nécessité visée dans le titre VII, chapitre II, section IV.
L'accompagnement visé à l'alinéa 1er, 6°, peut être engagé sur la base d'une déclaration que le propriétaire signe et transmet à la maison de l'énergie. La déclaration précitée vaut engagement de rénover le logement en profondeur jusqu'à atteindre les labels énergétiques visés à l'alinéa 1er, 6°.
Le ministre peut préciser les modalités du contenu de l'accompagnement visé à l'alinéa 1er, 5°, 6° et 9°, dont les conditions auxquelles l'accompagnateur doit satisfaire et le mode de rapport au sujet de l'accompagnement à la VEKA.
Sans préjudice de l'application des dispositions visées à l'alinéa 1er, 8°, a) et b), l'accompagnement tel que visé à l'alinéa 1er, 8°, peut également consister à faciliter l'adhésion à une communauté d'énergie à l'intérieur du bâtiment, impliquant le partage du courant provenant d'autres installations photovoltaïques avec des ménages du groupe cible conformément au titre IV, chapitre VIII du décret sur l'Energie du 8 mai 2009 et au titre III, chapitre 3, du présent arrêté.
Le ministre peut préciser les modalités du contenu de l'accompagnement visé à l'alinéa 1er, 7° et 8°, dont les étapes minimales de l'accompagnement à parcourir, les conditions auxquelles l'accompagnateur doit satisfaire et le mode de rapport au sujet de l'accompagnement à la VEKA.
L'accompagnement visé à l'alinéa 1er, 7° et 8°, peut être engagé jusqu'au 31 décembre 2024 par la maison de l'énergie. ".
Art. 67. In artikel 7.9.3/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, 16 juli 2021 en 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. Bij de berekening van de vergoeding, vermeld in paragraaf 1, wordt rekening gehouden met :
1° het aantal private huishoudens binnen het werkingsgebied van het energiehuis;
2° het aantal steden en gemeenten binnen het werkingsgebied van het energiehuis.
De volgende vergoedingen kunnen cumulatief worden toegekend:
1° 20.000 euro per begonnen schijf van 50.000 private huishoudens;
2° een vergoeding van 20.000 euro voor energiehuizen met een werkingsgebied van één tot vijf gemeenten, vermeerderd met 3.000 euro per bijkomende stad of gemeente die deel uitmaken van het werkingsgebied;
3° 700 euro voor elke renovatiebegeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 5°, die leidt tot minstens één uitgevoerde energiebesparende renovatiemaatregel waarvoor een eindfactuur wordt voorgelegd;
4° 1500 euro voor elke renovatiebegeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, bij een energetische renovatie binnen maximaal vijf jaar van een eengezinswoning of collectief woongebouw tot label C of van een wooneenheid tot label B, vermeerderd met een bijkomende vergoeding van 500 euro per labelsprong tot en met A;
5° 250 euro voor elke opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 7°. Van het voormelde bedrag wordt maximaal 180 euro gebruikt om de uitvoering van het onderhoud van de verwarmingsinstallatie te betalen;
6° 700 euro voor elke opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 8° ;
7° 600 euro voor elke opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°.
In afwijking van het eerste en tweede lid, 1° en 2°, bedragen de vergoedingen voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2026:
1° 30.000 euro per begonnen schijf van 25.000 private huishoudens;
2° 60.000 euro voor energiehuizen met een werkingsgebied van één tot vijf gemeenten, vermeerderd met 9.000 euro per bijkomende stad of gemeente die deel uitmaakt van het werkingsgebied.
Met behoud van toepassing van het eerste tot en met het derde lid, kunnen, voor de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022, de vergoedingen, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, naargelang het aantal gemeenten en huishoudens in hun werkingsgebied met 50% verhoogd worden. Voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2026 kunnen de vergoedingen, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, naargelang het aantal gemeenten en huishoudens in hun werkingsgebied met 25% verhoogd worden. Het VEKA kent de voormelde verhogingen toe afhankelijk van het behalen van streefwaarden en mijlpalen die gericht zijn op de verdere integratie van de woon- en energieloketten, die worden opgenomen in een actualisatie van de meerjarige overeenkomst van elk energiehuis.
In afwijking van het tweede lid, 3°, wordt, indien het gebouw waarop de begeleiding betrekking heeft, bestaat uit meer dan 5 wooneenheden, de vergoeding voor de renovatiebegeleiding, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 5°, vanaf de zesde wooneenheid beperkt tot 350 euro per wooneenheid. Het totale bedrag van de vergoeding, inclusief de verhoging, kan per opgestarte renovatiebegeleiding niet hoger zijn dan 7500 euro.
In afwijking van het tweede lid, 4°, bedraagt, in het geval de huishoudelijke afnemer voldoet aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, derde lid, van dit besluit, de vergoeding 1800 euro voor elke opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, bij een energetische renovatie binnen maximaal vijf jaar van een eengezinswoning of collectief woongebouw tot label C of van een wooneenheid tot label B, vermeerderd met een bijkomende vergoeding van 600 euro per labelsprong tot en met A.
In afwijking van het tweede lid, 7°, wordt, indien het gebouw waarop de begeleiding betrekking heeft, bestaat uit meer dan 5 wooneenheden, de vergoeding voor de renovatiebegeleiding, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, vanaf de zesde wooneenheid beperkt tot 150 euro per wooneenheid. Het totale bedrag van de vergoeding, inclusief de verhoging, kan per opgestarte renovatiebegeleiding niet hoger zijn dan 7500 euro.";
2° aan paragraaf 4 wordt na de woorden "op de volgende wijze beschikbaar gesteld" de zinsnede "na indiening van een schuldvordering door het energiehuis bij het VEKA uiterlijk op 15 maart van elk kalenderjaar" ingevoegd;
3° er wordt een paragraaf 4/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
" § 4/1. In afwijking van paragraaf 4 wordt de vergoeding, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 4°, en vijfde lid, op de volgende wijze beschikbaar gesteld:
1° voor elke opgestarte begeleiding wordt een bedrag van 1.000 euro uitbetaald zodra er voldaan is aan één van de volgende voorwaarden:
a) de eigenaar een verklaring heeft ondertekend waarmee hij zich engageert tot een energetische renovatie als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, en er is aan de eigenaar een eerste schijf van een toegekende verbouwlening als vermeld in artikel 7.9.2/0/8, uitbetaald;
b) de eigenaar heeft voor minstens één van de uit te voeren energiebesparende investeringen een eindfactuur voorgelegd;
2° het resterende saldo, wat wordt berekend als het verschil tussen het uitgekeerde bedrag, vermeld in 1°, en de vergoeding op basis van het behaalde label, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 4°, wordt uitbetaald als uit een geldig energieprestatiecertificaat blijkt dat de vereiste energetische verbetering gerealiseerd is.
Het energiehuis rapporteert per trimester aan het VEKA, dat daarvoor een sjabloon beschikbaar stelt, al de volgende elementen:
a) het cumulatieve overzicht van de opgestarte begeleidingen, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, met per begeleiding de startdatum en de vermelding of aan de voorwaarden vermeld in het tweede lid, 1°, a) en b), is voldaan;
b) het cumulatieve overzicht van de afgewerkte begeleidingen, met vermelding van het behaalde energielabel.
Het VEKA betaalt op basis van de rapportering, vermeld in het tweede lid, per trimester de bedragen, vermeld in het eerste lid, uit aan het energiehuis.
In afwijking van het eerste lid, wordt, indien een opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, na de uitvoering van de werken niet leidt tot het behalen van het energielabel D of beter voor een eengezinswoning of het collectief woongebouw of energielabel C of beter voor een wooneenheid, de kost van het uitbetaalde bedrag, vermeld in het eerste lid, 1°, verrekend in de vergoeding voor de andere basistaken.";
4° er wordt een paragraaf 4/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
" § 4/2. In afwijking van paragraaf 4 en met behoud van toepassing van paragraaf 4/1 wordt de vergoeding, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 6°, op de volgende wijze beschikbaar gesteld:
1° voor elke ondertekende offerte voor de plaatsing van een fotovoltaïsche installatie wordt een voorschot van 350 euro uitbetaald;
2° het resterende saldo van 350 euro wordt uitbetaald als de factuur voor de plaatsing van een fotovoltaïsche installatie is betaald;
3° in geval van het faciliteren van de aansluiting bij een energiegemeenschap wordt het volledige bedrag van 700 euro uitbetaald als het lidmaatschap bij een energiegemeenschap wordt bewezen en dit voor de eerste vijf gezinnen die onder de voorwaarden van de begeleiding voor aansluiting bij dezelfde energiegemeenschap vallen. Voor de begeleiding van de overige gezinnen binnen dezelfde energiegemeenschap is er een maximale begeleidingsvergoeding van 250 euro per gezin. Het maximumbedrag voor de begeleiding van gezinnen binnen dezelfde energiegemeenschap bedraagt 10.000 euro.
Het energiehuis rapporteert per trimester aan het VEKA, dat daarvoor een sjabloon beschikbaar stelt, minstens het cumulatieve overzicht van de begeleidingen met realisaties, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 7° en 8°, met per begeleiding de startdatum en de vermelding of aan de voorwaarden, van de basistaken, is voldaan.
Het VEKA betaalt op basis van de rapportage, vermeld in het tweede lid, per trimester de vergoedingen uit aan het energiehuis.";
5° er wordt een paragraaf 4/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
" § 4/3. In afwijking van paragraaf 4 en met behoud van toepassing van paragrafen 4/1 en 4/2, wordt de vergoeding, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 7°, en zevende lid, op de volgende wijze beschikbaar gesteld:
1° één vijfde van de vergoeding wordt uitbetaald nadat de taken a) tot en met c), vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, zijn uitgevoerd;
2° vier vijfde van de vergoeding wordt uitbetaald nadat de taken d) tot en met i), vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, zijn uitgevoerd.
Het energiehuis rapporteert per trimester aan het VEKA, dat daarvoor een sjabloon beschikbaar stelt, al de volgende elementen:
a) het cumulatieve overzicht van de opgestarte begeleidingen, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, met per begeleiding de startdatum en de verklaring op eer dat de taken a) tot en met c) zijn uitgevoerd;
b) het cumulatieve overzicht van de afgewerkte begeleidingen, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, met per begeleiding de einddatum en de verklaring op eer dat de taken d) tot en met i) zijn uitgevoerd.
Het VEKA betaalt op basis van de rapportering, vermeld in het tweede lid, per trimester de bedragen, vermeld in het eerste lid, uit aan het energiehuis.";
6° in paragraaf 6 wordt het jaartal "2020" vervangen door het jaartal "2024" en wordt het jaartal "2018" vervangen door het jaartal "2022".
1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. Bij de berekening van de vergoeding, vermeld in paragraaf 1, wordt rekening gehouden met :
1° het aantal private huishoudens binnen het werkingsgebied van het energiehuis;
2° het aantal steden en gemeenten binnen het werkingsgebied van het energiehuis.
De volgende vergoedingen kunnen cumulatief worden toegekend:
1° 20.000 euro per begonnen schijf van 50.000 private huishoudens;
2° een vergoeding van 20.000 euro voor energiehuizen met een werkingsgebied van één tot vijf gemeenten, vermeerderd met 3.000 euro per bijkomende stad of gemeente die deel uitmaken van het werkingsgebied;
3° 700 euro voor elke renovatiebegeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 5°, die leidt tot minstens één uitgevoerde energiebesparende renovatiemaatregel waarvoor een eindfactuur wordt voorgelegd;
4° 1500 euro voor elke renovatiebegeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, bij een energetische renovatie binnen maximaal vijf jaar van een eengezinswoning of collectief woongebouw tot label C of van een wooneenheid tot label B, vermeerderd met een bijkomende vergoeding van 500 euro per labelsprong tot en met A;
5° 250 euro voor elke opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 7°. Van het voormelde bedrag wordt maximaal 180 euro gebruikt om de uitvoering van het onderhoud van de verwarmingsinstallatie te betalen;
6° 700 euro voor elke opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 8° ;
7° 600 euro voor elke opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°.
In afwijking van het eerste en tweede lid, 1° en 2°, bedragen de vergoedingen voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2026:
1° 30.000 euro per begonnen schijf van 25.000 private huishoudens;
2° 60.000 euro voor energiehuizen met een werkingsgebied van één tot vijf gemeenten, vermeerderd met 9.000 euro per bijkomende stad of gemeente die deel uitmaakt van het werkingsgebied.
Met behoud van toepassing van het eerste tot en met het derde lid, kunnen, voor de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022, de vergoedingen, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, naargelang het aantal gemeenten en huishoudens in hun werkingsgebied met 50% verhoogd worden. Voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2026 kunnen de vergoedingen, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, naargelang het aantal gemeenten en huishoudens in hun werkingsgebied met 25% verhoogd worden. Het VEKA kent de voormelde verhogingen toe afhankelijk van het behalen van streefwaarden en mijlpalen die gericht zijn op de verdere integratie van de woon- en energieloketten, die worden opgenomen in een actualisatie van de meerjarige overeenkomst van elk energiehuis.
In afwijking van het tweede lid, 3°, wordt, indien het gebouw waarop de begeleiding betrekking heeft, bestaat uit meer dan 5 wooneenheden, de vergoeding voor de renovatiebegeleiding, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 5°, vanaf de zesde wooneenheid beperkt tot 350 euro per wooneenheid. Het totale bedrag van de vergoeding, inclusief de verhoging, kan per opgestarte renovatiebegeleiding niet hoger zijn dan 7500 euro.
In afwijking van het tweede lid, 4°, bedraagt, in het geval de huishoudelijke afnemer voldoet aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 6.4.1/6/3, derde lid, van dit besluit, de vergoeding 1800 euro voor elke opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, bij een energetische renovatie binnen maximaal vijf jaar van een eengezinswoning of collectief woongebouw tot label C of van een wooneenheid tot label B, vermeerderd met een bijkomende vergoeding van 600 euro per labelsprong tot en met A.
In afwijking van het tweede lid, 7°, wordt, indien het gebouw waarop de begeleiding betrekking heeft, bestaat uit meer dan 5 wooneenheden, de vergoeding voor de renovatiebegeleiding, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, vanaf de zesde wooneenheid beperkt tot 150 euro per wooneenheid. Het totale bedrag van de vergoeding, inclusief de verhoging, kan per opgestarte renovatiebegeleiding niet hoger zijn dan 7500 euro.";
2° aan paragraaf 4 wordt na de woorden "op de volgende wijze beschikbaar gesteld" de zinsnede "na indiening van een schuldvordering door het energiehuis bij het VEKA uiterlijk op 15 maart van elk kalenderjaar" ingevoegd;
3° er wordt een paragraaf 4/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
" § 4/1. In afwijking van paragraaf 4 wordt de vergoeding, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 4°, en vijfde lid, op de volgende wijze beschikbaar gesteld:
1° voor elke opgestarte begeleiding wordt een bedrag van 1.000 euro uitbetaald zodra er voldaan is aan één van de volgende voorwaarden:
a) de eigenaar een verklaring heeft ondertekend waarmee hij zich engageert tot een energetische renovatie als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, en er is aan de eigenaar een eerste schijf van een toegekende verbouwlening als vermeld in artikel 7.9.2/0/8, uitbetaald;
b) de eigenaar heeft voor minstens één van de uit te voeren energiebesparende investeringen een eindfactuur voorgelegd;
2° het resterende saldo, wat wordt berekend als het verschil tussen het uitgekeerde bedrag, vermeld in 1°, en de vergoeding op basis van het behaalde label, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 4°, wordt uitbetaald als uit een geldig energieprestatiecertificaat blijkt dat de vereiste energetische verbetering gerealiseerd is.
Het energiehuis rapporteert per trimester aan het VEKA, dat daarvoor een sjabloon beschikbaar stelt, al de volgende elementen:
a) het cumulatieve overzicht van de opgestarte begeleidingen, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, met per begeleiding de startdatum en de vermelding of aan de voorwaarden vermeld in het tweede lid, 1°, a) en b), is voldaan;
b) het cumulatieve overzicht van de afgewerkte begeleidingen, met vermelding van het behaalde energielabel.
Het VEKA betaalt op basis van de rapportering, vermeld in het tweede lid, per trimester de bedragen, vermeld in het eerste lid, uit aan het energiehuis.
In afwijking van het eerste lid, wordt, indien een opgestarte begeleiding als vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, na de uitvoering van de werken niet leidt tot het behalen van het energielabel D of beter voor een eengezinswoning of het collectief woongebouw of energielabel C of beter voor een wooneenheid, de kost van het uitbetaalde bedrag, vermeld in het eerste lid, 1°, verrekend in de vergoeding voor de andere basistaken.";
4° er wordt een paragraaf 4/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
" § 4/2. In afwijking van paragraaf 4 en met behoud van toepassing van paragraaf 4/1 wordt de vergoeding, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, 6°, op de volgende wijze beschikbaar gesteld:
1° voor elke ondertekende offerte voor de plaatsing van een fotovoltaïsche installatie wordt een voorschot van 350 euro uitbetaald;
2° het resterende saldo van 350 euro wordt uitbetaald als de factuur voor de plaatsing van een fotovoltaïsche installatie is betaald;
3° in geval van het faciliteren van de aansluiting bij een energiegemeenschap wordt het volledige bedrag van 700 euro uitbetaald als het lidmaatschap bij een energiegemeenschap wordt bewezen en dit voor de eerste vijf gezinnen die onder de voorwaarden van de begeleiding voor aansluiting bij dezelfde energiegemeenschap vallen. Voor de begeleiding van de overige gezinnen binnen dezelfde energiegemeenschap is er een maximale begeleidingsvergoeding van 250 euro per gezin. Het maximumbedrag voor de begeleiding van gezinnen binnen dezelfde energiegemeenschap bedraagt 10.000 euro.
Het energiehuis rapporteert per trimester aan het VEKA, dat daarvoor een sjabloon beschikbaar stelt, minstens het cumulatieve overzicht van de begeleidingen met realisaties, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 7° en 8°, met per begeleiding de startdatum en de vermelding of aan de voorwaarden, van de basistaken, is voldaan.
Het VEKA betaalt op basis van de rapportage, vermeld in het tweede lid, per trimester de vergoedingen uit aan het energiehuis.";
5° er wordt een paragraaf 4/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
" § 4/3. In afwijking van paragraaf 4 en met behoud van toepassing van paragrafen 4/1 en 4/2, wordt de vergoeding, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 7°, en zevende lid, op de volgende wijze beschikbaar gesteld:
1° één vijfde van de vergoeding wordt uitbetaald nadat de taken a) tot en met c), vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, zijn uitgevoerd;
2° vier vijfde van de vergoeding wordt uitbetaald nadat de taken d) tot en met i), vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, zijn uitgevoerd.
Het energiehuis rapporteert per trimester aan het VEKA, dat daarvoor een sjabloon beschikbaar stelt, al de volgende elementen:
a) het cumulatieve overzicht van de opgestarte begeleidingen, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, met per begeleiding de startdatum en de verklaring op eer dat de taken a) tot en met c) zijn uitgevoerd;
b) het cumulatieve overzicht van de afgewerkte begeleidingen, vermeld in artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 9°, met per begeleiding de einddatum en de verklaring op eer dat de taken d) tot en met i) zijn uitgevoerd.
Het VEKA betaalt op basis van de rapportering, vermeld in het tweede lid, per trimester de bedragen, vermeld in het eerste lid, uit aan het energiehuis.";
6° in paragraaf 6 wordt het jaartal "2020" vervangen door het jaartal "2024" en wordt het jaartal "2018" vervangen door het jaartal "2022".
Art. 67. A l'article 7.9.3/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2018 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 11 décembre 2020, 16 juillet 2021 et 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Pour le calcul de l'indemnité visée au paragraphe 1er, il est tenu compte :
1° du nombre de ménages privés à l'intérieur de la zone d'action de la maison de l'énergie ;
2° du nombre de villes et communes à l'intérieur de la zone d'action de la maison de l'énergie.
Les indemnités suivantes peuvent être octroyées cumulativement :
1° 20 000 euros par tranche entamée de 50 000 ménages privés ;
2° une indemnité de 20 000 euros pour les maisons de l'énergie dont la zone d'action s'étend sur une à cinq communes, majorée de 3 000 euros par ville ou commune supplémentaire faisant partie de la zone d'action ;
3° 700 euros pour chaque accompagnement à la rénovation tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 5°, qui débouche sur au moins une mesure de rénovation énergétique mise en oeuvre pour laquelle une facture finale est présentée ;
4° 1500 euros pour chaque accompagnement à la rénovation tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, en cas de rénovation énergétique, dans les cinq ans maximum, d'un logement unifamilial ou d'un bâtiment résidentiel collectif jusqu'à atteindre le label C ou d'une unité de logement jusqu'à atteindre le label B, majorés d'une indemnité supplémentaire de 500 euros par saut de label jusqu'à A ;
5° 250 euros pour chaque accompagnement engagé tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 7°. Du montant précité, 180 euros maximum sont utilisés pour payer l'entretien de l'installation de chauffage ;
6° 700 euros pour chaque accompagnement engagé tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 8° ;
7° 600 euros pour chaque accompagnement engagé tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, 1° et 2°, les indemnités pour la période du 1er janvier 2023 au 31 décembre 2026 s'élèvent à :
1° 30 000 euros par tranche entamée de 25 000 ménages privés ;
2° 60 000 euros pour les maisons de l'énergie dont la zone d'action s'étend sur une à cinq communes, majorés de 9 000 euros par ville ou commune supplémentaire faisant partie de la zone d'action.
Sans préjudice de l'application des alinéas 1er à 3, pour la période du 1er juillet 2022 au 31 décembre 2022, les indemnités visées à l'alinéa 2, 1° et 2°, peuvent être augmentées de 50 % selon le nombre de communes et de ménages dans leur zone d'action. Pour la période du 1er janvier 2023 au 31 décembre 2026, les indemnités visées à l'alinéa 2, 1° et 2°, peuvent être augmentées de 25 % selon le nombre de communes et de ménages dans leur zone d'action. La VEKA octroie les augmentations précitées en fonction de la réalisation des valeurs cibles et objectifs intermédiaires visant la poursuite de l'intégration des guichets Logement et Energie qui figurent dans une mise à jour de l'accord pluriannuel de chaque maison de l'énergie.
Par dérogation à l'alinéa 2, 3°, si le bâtiment sur lequel porte l'accompagnement comprend plus de 5 unités de logement, l'indemnité pour l'accompagnement à la rénovation visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 5°, est limitée à 350 euros par unité de logement à partir de la sixième unité de logement. Le montant total de l'indemnité, augmentation comprise, ne peut pas dépasser 7500 euros par accompagnement à la rénovation engagé.
Par dérogation à l'alinéa 2, 4°, dans le cas où le client résidentiel satisfait aux plafonds de revenus visés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 3, du présent arrêté, l'indemnité s'élève à 1800 euros pour chaque accompagnement engagé tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, en cas de rénovation énergétique, dans les cinq ans maximum, d'un logement unifamilial ou d'un bâtiment résidentiel collectif jusqu'à atteindre le label C ou d'une unité de logement jusqu'à atteindre le label B, majorés d'une indemnité supplémentaire de 600 euros par saut de label jusqu'à A.
Par dérogation à l'alinéa 2, 7°, si le bâtiment sur lequel porte l'accompagnement comprend plus de 5 unités de logement, l'indemnité pour l'accompagnement à la rénovation visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°, est limitée à 150 euros par unité de logement à partir de la sixième unité de logement. Le montant total de l'indemnité, augmentation comprise, ne peut pas dépasser 7500 euros par accompagnement à la rénovation engagé. " ;
2° dans le paragraphe 4, le membre de phrase " après introduction d'une créance par la maison de l'énergie auprès de la VEKA au plus tard le 15 mars de chaque année civile " est inséré après les mots " sont versées de la manière suivante " ;
3° un paragraphe 4/1 rédigé comme suit est inséré :
" § 4/1. Par dérogation au paragraphe 4, l'indemnité visée dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 4°, et alinéa 5, est versée de la manière suivante :
1° pour chaque accompagnement engagé, un montant de 1 000 euros est versé dès que l'une des conditions suivantes est remplie :
a) le propriétaire a signé une déclaration par laquelle il s'engage à une rénovation énergétique telle que visée à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, et une première tranche d'un prêt rénovation octroyé tel que visé à l'article 7.9.2/0/8 a été versée au propriétaire ;
b) le propriétaire a présenté une facture finale pour au moins un des investissements économiseurs d'énergie à réaliser ;
2° le solde, soit la différence entre le montant versé, visé en 1°, et l'indemnité basée sur le label obtenu, visée dans le paragraphe 2, alinéa 2, 4°, est versé si un certificat de performance énergétique valable atteste la réalisation de l'amélioration énergétique requise.
La maison de l'énergie fait rapport par trimestre à la VEKA qui, à cet effet, met un modèle à disposition, sur tous les éléments suivants :
a) l'aperçu cumulatif des accompagnements engagés visés à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, avec, par accompagnement, la date de début et l'indication de ce que les conditions énoncées à l'alinéa 2, 1°, a) et b), ont été remplies ;
b) l'aperçu cumulatif des accompagnements achevés en précisant le label énergétique obtenu.
Sur la base du rapport visé l'alinéa 2, la VEKA verse par trimestre les montants visés à l'alinéa 1er à la maison de l'énergie.
Par dérogation à l'alinéa 1er, si un accompagnement engagé tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, n'aboutit pas, après l'exécution des travaux, à l'obtention du label énergétique D ou supérieur pour un logement unifamilial ou le bâtiment résidentiel collectif ou du label énergétique C ou supérieur pour une unité de logement, le coût du montant versé visé à l'alinéa 1er, 1°, est porté en compte dans l'indemnité pour les autres tâches de base. " ;
4° un paragraphe 4/2 rédigé comme suit est inséré :
" § 4/2. Par dérogation au paragraphe 4 et sans préjudice de l'application du paragraphe 4/1 l'indemnité visée dans le paragraphe 2, alinéa 2, 6°, est versée de la manière suivante :
1° pour chaque devis signé pour la pose d'une installation photovoltaïque, une avance de 350 euros est versée ;
2° le solde de 350 euros est versé lorsque la facture pour la pose d'une installation photovoltaïque a été payée ;
3° en cas de facilitation de l'adhésion à une communauté d'énergie, le montant intégral de 700 euros est versé si l'affiliation à une communauté d'énergie est prouvée et ce, pour les cinq premiers ménages qui rentrent dans les conditions pour l'accompagnement à l'adhésion à la même communauté d'énergie. Une indemnité d'accompagnement maximale de 250 euros par ménage est prévue pour l'accompagnement des autres ménages au sein de la même communauté d'énergie. Le montant maximum pour l'accompagnement de ménages au sein de la même communauté d'énergie s'élève à 10 000 euros.
La maison de l'énergie fait rapport par trimestre à la VEKA qui, à cet effet, met un modèle à disposition, au moins sur l'aperçu cumulatif des accompagnements assortis de réalisations visés à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 7° et 8°, avec, par accompagnement, la date de début et l'indication de ce que les conditions des tâches de base ont été remplies.
Sur la base du rapport visé l'alinéa 2, la VEKA verse par trimestre les indemnités à la maison de l'énergie. " ;
5° un paragraphe 4/3 rédigé comme suit est inséré :
" § 4/3. Par dérogation au paragraphe 4 et sans préjudice de l'application des paragraphes 4/1 et 4/2, l'indemnité visée dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 7°, et alinéa 7, est versée de la manière suivante :
1° un cinquième de l'indemnité est versé après l'exécution des tâches a) à c) visées à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9° ;
2° quatre cinquièmes de l'indemnité sont versés après l'exécution des tâches d) à i) visées à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°.
La maison de l'énergie fait rapport par trimestre à la VEKA qui, à cet effet, met un modèle à disposition, sur tous les éléments suivants :
a) l'aperçu cumulatif des accompagnements engagés visés à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°, avec, par accompagnement, la date de début et la déclaration sur l'honneur de ce que les tâches a) à c) ont été exécutées ;
b) l'aperçu cumulatif des accompagnements achevés visés à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°, avec, par accompagnement, la date de début et la déclaration sur l'honneur de ce que les tâches d) à i) ont été exécutées.
Sur la base du rapport visé l'alinéa 2, la VEKA verse par trimestre les montants visés à l'alinéa 1er à la maison de l'énergie. " ;
6° dans le paragraphe 6, l'année " 2020 " est remplacée par l'année " 2024 " et l'année " 2018 " est remplacée par l'année " 2022 ".
1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Pour le calcul de l'indemnité visée au paragraphe 1er, il est tenu compte :
1° du nombre de ménages privés à l'intérieur de la zone d'action de la maison de l'énergie ;
2° du nombre de villes et communes à l'intérieur de la zone d'action de la maison de l'énergie.
Les indemnités suivantes peuvent être octroyées cumulativement :
1° 20 000 euros par tranche entamée de 50 000 ménages privés ;
2° une indemnité de 20 000 euros pour les maisons de l'énergie dont la zone d'action s'étend sur une à cinq communes, majorée de 3 000 euros par ville ou commune supplémentaire faisant partie de la zone d'action ;
3° 700 euros pour chaque accompagnement à la rénovation tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 5°, qui débouche sur au moins une mesure de rénovation énergétique mise en oeuvre pour laquelle une facture finale est présentée ;
4° 1500 euros pour chaque accompagnement à la rénovation tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, en cas de rénovation énergétique, dans les cinq ans maximum, d'un logement unifamilial ou d'un bâtiment résidentiel collectif jusqu'à atteindre le label C ou d'une unité de logement jusqu'à atteindre le label B, majorés d'une indemnité supplémentaire de 500 euros par saut de label jusqu'à A ;
5° 250 euros pour chaque accompagnement engagé tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 7°. Du montant précité, 180 euros maximum sont utilisés pour payer l'entretien de l'installation de chauffage ;
6° 700 euros pour chaque accompagnement engagé tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 8° ;
7° 600 euros pour chaque accompagnement engagé tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, 1° et 2°, les indemnités pour la période du 1er janvier 2023 au 31 décembre 2026 s'élèvent à :
1° 30 000 euros par tranche entamée de 25 000 ménages privés ;
2° 60 000 euros pour les maisons de l'énergie dont la zone d'action s'étend sur une à cinq communes, majorés de 9 000 euros par ville ou commune supplémentaire faisant partie de la zone d'action.
Sans préjudice de l'application des alinéas 1er à 3, pour la période du 1er juillet 2022 au 31 décembre 2022, les indemnités visées à l'alinéa 2, 1° et 2°, peuvent être augmentées de 50 % selon le nombre de communes et de ménages dans leur zone d'action. Pour la période du 1er janvier 2023 au 31 décembre 2026, les indemnités visées à l'alinéa 2, 1° et 2°, peuvent être augmentées de 25 % selon le nombre de communes et de ménages dans leur zone d'action. La VEKA octroie les augmentations précitées en fonction de la réalisation des valeurs cibles et objectifs intermédiaires visant la poursuite de l'intégration des guichets Logement et Energie qui figurent dans une mise à jour de l'accord pluriannuel de chaque maison de l'énergie.
Par dérogation à l'alinéa 2, 3°, si le bâtiment sur lequel porte l'accompagnement comprend plus de 5 unités de logement, l'indemnité pour l'accompagnement à la rénovation visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 5°, est limitée à 350 euros par unité de logement à partir de la sixième unité de logement. Le montant total de l'indemnité, augmentation comprise, ne peut pas dépasser 7500 euros par accompagnement à la rénovation engagé.
Par dérogation à l'alinéa 2, 4°, dans le cas où le client résidentiel satisfait aux plafonds de revenus visés à l'article 6.4.1/6/3, alinéa 3, du présent arrêté, l'indemnité s'élève à 1800 euros pour chaque accompagnement engagé tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, en cas de rénovation énergétique, dans les cinq ans maximum, d'un logement unifamilial ou d'un bâtiment résidentiel collectif jusqu'à atteindre le label C ou d'une unité de logement jusqu'à atteindre le label B, majorés d'une indemnité supplémentaire de 600 euros par saut de label jusqu'à A.
Par dérogation à l'alinéa 2, 7°, si le bâtiment sur lequel porte l'accompagnement comprend plus de 5 unités de logement, l'indemnité pour l'accompagnement à la rénovation visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°, est limitée à 150 euros par unité de logement à partir de la sixième unité de logement. Le montant total de l'indemnité, augmentation comprise, ne peut pas dépasser 7500 euros par accompagnement à la rénovation engagé. " ;
2° dans le paragraphe 4, le membre de phrase " après introduction d'une créance par la maison de l'énergie auprès de la VEKA au plus tard le 15 mars de chaque année civile " est inséré après les mots " sont versées de la manière suivante " ;
3° un paragraphe 4/1 rédigé comme suit est inséré :
" § 4/1. Par dérogation au paragraphe 4, l'indemnité visée dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 4°, et alinéa 5, est versée de la manière suivante :
1° pour chaque accompagnement engagé, un montant de 1 000 euros est versé dès que l'une des conditions suivantes est remplie :
a) le propriétaire a signé une déclaration par laquelle il s'engage à une rénovation énergétique telle que visée à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, et une première tranche d'un prêt rénovation octroyé tel que visé à l'article 7.9.2/0/8 a été versée au propriétaire ;
b) le propriétaire a présenté une facture finale pour au moins un des investissements économiseurs d'énergie à réaliser ;
2° le solde, soit la différence entre le montant versé, visé en 1°, et l'indemnité basée sur le label obtenu, visée dans le paragraphe 2, alinéa 2, 4°, est versé si un certificat de performance énergétique valable atteste la réalisation de l'amélioration énergétique requise.
La maison de l'énergie fait rapport par trimestre à la VEKA qui, à cet effet, met un modèle à disposition, sur tous les éléments suivants :
a) l'aperçu cumulatif des accompagnements engagés visés à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, avec, par accompagnement, la date de début et l'indication de ce que les conditions énoncées à l'alinéa 2, 1°, a) et b), ont été remplies ;
b) l'aperçu cumulatif des accompagnements achevés en précisant le label énergétique obtenu.
Sur la base du rapport visé l'alinéa 2, la VEKA verse par trimestre les montants visés à l'alinéa 1er à la maison de l'énergie.
Par dérogation à l'alinéa 1er, si un accompagnement engagé tel que visé à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, n'aboutit pas, après l'exécution des travaux, à l'obtention du label énergétique D ou supérieur pour un logement unifamilial ou le bâtiment résidentiel collectif ou du label énergétique C ou supérieur pour une unité de logement, le coût du montant versé visé à l'alinéa 1er, 1°, est porté en compte dans l'indemnité pour les autres tâches de base. " ;
4° un paragraphe 4/2 rédigé comme suit est inséré :
" § 4/2. Par dérogation au paragraphe 4 et sans préjudice de l'application du paragraphe 4/1 l'indemnité visée dans le paragraphe 2, alinéa 2, 6°, est versée de la manière suivante :
1° pour chaque devis signé pour la pose d'une installation photovoltaïque, une avance de 350 euros est versée ;
2° le solde de 350 euros est versé lorsque la facture pour la pose d'une installation photovoltaïque a été payée ;
3° en cas de facilitation de l'adhésion à une communauté d'énergie, le montant intégral de 700 euros est versé si l'affiliation à une communauté d'énergie est prouvée et ce, pour les cinq premiers ménages qui rentrent dans les conditions pour l'accompagnement à l'adhésion à la même communauté d'énergie. Une indemnité d'accompagnement maximale de 250 euros par ménage est prévue pour l'accompagnement des autres ménages au sein de la même communauté d'énergie. Le montant maximum pour l'accompagnement de ménages au sein de la même communauté d'énergie s'élève à 10 000 euros.
La maison de l'énergie fait rapport par trimestre à la VEKA qui, à cet effet, met un modèle à disposition, au moins sur l'aperçu cumulatif des accompagnements assortis de réalisations visés à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 7° et 8°, avec, par accompagnement, la date de début et l'indication de ce que les conditions des tâches de base ont été remplies.
Sur la base du rapport visé l'alinéa 2, la VEKA verse par trimestre les indemnités à la maison de l'énergie. " ;
5° un paragraphe 4/3 rédigé comme suit est inséré :
" § 4/3. Par dérogation au paragraphe 4 et sans préjudice de l'application des paragraphes 4/1 et 4/2, l'indemnité visée dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 7°, et alinéa 7, est versée de la manière suivante :
1° un cinquième de l'indemnité est versé après l'exécution des tâches a) à c) visées à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9° ;
2° quatre cinquièmes de l'indemnité sont versés après l'exécution des tâches d) à i) visées à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°.
La maison de l'énergie fait rapport par trimestre à la VEKA qui, à cet effet, met un modèle à disposition, sur tous les éléments suivants :
a) l'aperçu cumulatif des accompagnements engagés visés à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°, avec, par accompagnement, la date de début et la déclaration sur l'honneur de ce que les tâches a) à c) ont été exécutées ;
b) l'aperçu cumulatif des accompagnements achevés visés à l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 9°, avec, par accompagnement, la date de début et la déclaration sur l'honneur de ce que les tâches d) à i) ont été exécutées.
Sur la base du rapport visé l'alinéa 2, la VEKA verse par trimestre les montants visés à l'alinéa 1er à la maison de l'énergie. " ;
6° dans le paragraphe 6, l'année " 2020 " est remplacée par l'année " 2024 " et l'année " 2018 " est remplacée par l'année " 2022 ".
Art. 68. In artikel 7.9.4, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2017 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 en 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Indien de kredietnemer zijn verplichtingen niet nakomt, kan het energiehuis een termijn van drie maanden hanteren teneinde tot een minnelijke regeling te komen die minstens een maandelijkse aanzuivering van de betalingsachterstand inhoudt. Deze termijn gaat in de dag na het versturen van de in de kredietovereenkomst voorziene aangetekende aanmaning, die tijdig dient te gebeuren. Indien na het verstrijken van voormelde termijn van drie maanden geen minnelijke regeling werd getroffen met de in gebreke blijvende kredietnemer of indien de kredietnemer zijn verplichtingen onder de minnelijke regeling niet nakomt, is het energiehuis ertoe gehouden zijn recht tot opzegging van de kredietovereenkomst binnen de maand uit te oefenen in overeenstemming met de bepalingen en gebruik makend van de termijnen die zijn opgenomen in de kredietovereenkomst.";
2° in het zevende lid wordt de zinsnede " § 1, zoals" vervangen door het woord "zoals".
1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Indien de kredietnemer zijn verplichtingen niet nakomt, kan het energiehuis een termijn van drie maanden hanteren teneinde tot een minnelijke regeling te komen die minstens een maandelijkse aanzuivering van de betalingsachterstand inhoudt. Deze termijn gaat in de dag na het versturen van de in de kredietovereenkomst voorziene aangetekende aanmaning, die tijdig dient te gebeuren. Indien na het verstrijken van voormelde termijn van drie maanden geen minnelijke regeling werd getroffen met de in gebreke blijvende kredietnemer of indien de kredietnemer zijn verplichtingen onder de minnelijke regeling niet nakomt, is het energiehuis ertoe gehouden zijn recht tot opzegging van de kredietovereenkomst binnen de maand uit te oefenen in overeenstemming met de bepalingen en gebruik makend van de termijnen die zijn opgenomen in de kredietovereenkomst.";
2° in het zevende lid wordt de zinsnede " § 1, zoals" vervangen door het woord "zoals".
Art. 68. A l'article 7.9.4, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 mai 2017 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 30 novembre 2018 et 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° entre les alinéas 2 et 3, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
" Si l'emprunteur ne respecte pas ses obligations, la maison de l'énergie peut retenir un délai de trois mois pour parvenir à un règlement amiable impliquant au moins un apurement mensuel de l'arriéré de paiement. Ce délai prend cours le jour suivant l'envoi de la sommation recommandée prévue dans la convention de crédit, qui doit faite en temps utile. Si, après l'expiration du délai précité de trois mois, aucun règlement amiable n'est intervenu avec l'emprunteur défaillant ou si l'emprunteur ne respecte pas ses obligations au titre du règlement amiable, la maison de l'énergie est tenue d'exercer son droit de résiliation de la convention de crédit dans le mois conformément aux dispositions et en utilisant les délais figurant dans la convention de crédit. " ;
2° à l'alinéa 7, le membre de phrase " § 1er, comme " est remplacé par le mot " comme ".
1° entre les alinéas 2 et 3, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
" Si l'emprunteur ne respecte pas ses obligations, la maison de l'énergie peut retenir un délai de trois mois pour parvenir à un règlement amiable impliquant au moins un apurement mensuel de l'arriéré de paiement. Ce délai prend cours le jour suivant l'envoi de la sommation recommandée prévue dans la convention de crédit, qui doit faite en temps utile. Si, après l'expiration du délai précité de trois mois, aucun règlement amiable n'est intervenu avec l'emprunteur défaillant ou si l'emprunteur ne respecte pas ses obligations au titre du règlement amiable, la maison de l'énergie est tenue d'exercer son droit de résiliation de la convention de crédit dans le mois conformément aux dispositions et en utilisant les délais figurant dans la convention de crédit. " ;
2° à l'alinéa 7, le membre de phrase " § 1er, comme " est remplacé par le mot " comme ".
Art. 69. In artikel 7.11.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2020 en laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 1 wordt na het laatste lid een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid, wordt geen steun toegekend voor de installatie die gebruikt wordt om te voldoen aan de bepalingen van Titel VI, Hoofdstuk VII, als de datum van indienstname van de installatie na 29 juni 2025 ligt.";
2° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"De minister lanceert minstens om de achttien maanden een call voor de installaties, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, 2°, 2° /1 en 2° /2. De minister bepaalt op voorstel van het VEKA per call welke andere types installaties als vermeld in paragraaf 1, derde lid, 3°, en installaties op basis van windenergie in aanmerking komen voor steun.".
1° aan paragraaf 1 wordt na het laatste lid een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid, wordt geen steun toegekend voor de installatie die gebruikt wordt om te voldoen aan de bepalingen van Titel VI, Hoofdstuk VII, als de datum van indienstname van de installatie na 29 juni 2025 ligt.";
2° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"De minister lanceert minstens om de achttien maanden een call voor de installaties, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1°, 2°, 2° /1 en 2° /2. De minister bepaalt op voorstel van het VEKA per call welke andere types installaties als vermeld in paragraaf 1, derde lid, 3°, en installaties op basis van windenergie in aanmerking komen voor steun.".
Art. 69. A l'article 7.11.1 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2020 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, après le dernier alinéa, un alinéa rédigé comme suit est ajouté :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, aucune aide n'est octroyée pour l'installation utilisée afin de satisfaire aux dispositions du titre VI, chapitre VII, si la date de mise en service de l'installation est postérieure au 29 juin 2025. " ;
2° au paragraphe 2, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Le ministre lance un appel au moins tous les dix-huit mois pour les installations mentionnées dans le paragraphe 1er, alinéa 3, 1°, 2°, 2° /1 et 2° /2. Par appel, le ministre détermine, sur proposition de la VEKA, quels autres types d'installations, telles que visées au paragraphe 1er, alinéa 3, et d'installations basées sur l'énergie éolienne sont éligibles à l'aide. ".
1° au paragraphe 1er, après le dernier alinéa, un alinéa rédigé comme suit est ajouté :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, aucune aide n'est octroyée pour l'installation utilisée afin de satisfaire aux dispositions du titre VI, chapitre VII, si la date de mise en service de l'installation est postérieure au 29 juin 2025. " ;
2° au paragraphe 2, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Le ministre lance un appel au moins tous les dix-huit mois pour les installations mentionnées dans le paragraphe 1er, alinéa 3, 1°, 2°, 2° /1 et 2° /2. Par appel, le ministre détermine, sur proposition de la VEKA, quels autres types d'installations, telles que visées au paragraphe 1er, alinéa 3, et d'installations basées sur l'énergie éolienne sont éligibles à l'aide. ".
Art. 70. In artikel 7.11.3, § 4, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2020 en laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden de woorden "drie jaar" vervangen door de woorden "een jaar".
Art. 70. Dans l'article 7.11.3, § 4, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2020 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022, les mots " trois ans " sont remplacés par les mots " un an ".
Art. 71. In artikel 7.11.4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2020 en laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 wordt in het eerste lid de zinsnede "vermeld in paragraaf 3, 2°, 3°, 4° en 5°, is voldaan" vervangen door de zinsnede "vermeld in paragraaf 3, 2°, 3°, 4°, 5° en 11°, is voldaan";
2° in paragraaf 3 wordt aan het eerste lid een punt toegevoegd, dat luidt als volgt:
"11° de installatie waarvoor steun werd aangevraagd werd niet gebruikt om te voldoen aan de bepalingen van Titel VI, Hoofdstuk VII, voor zover de datum van indienstname van de installatie na 29 juni 2025 ligt.".
1° in paragraaf 2 wordt in het eerste lid de zinsnede "vermeld in paragraaf 3, 2°, 3°, 4° en 5°, is voldaan" vervangen door de zinsnede "vermeld in paragraaf 3, 2°, 3°, 4°, 5° en 11°, is voldaan";
2° in paragraaf 3 wordt aan het eerste lid een punt toegevoegd, dat luidt als volgt:
"11° de installatie waarvoor steun werd aangevraagd werd niet gebruikt om te voldoen aan de bepalingen van Titel VI, Hoofdstuk VII, voor zover de datum van indienstname van de installatie na 29 juni 2025 ligt.".
Art. 71. A l'article 7.11.4 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2020 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 2, à l'alinéa 1er, le membre de phrase " visées au paragraphe 3, 2°, 3°, 4° et 5°, sont remplies " est remplacé par le membre de phrase " énoncées dans le paragraphe 3, 2°, 3°, 4°, 5° et 11°, sont remplies " ;
2° dans le paragraphe 3, à l'alinéa 1er, un point rédigé comme suit est ajouté :
" 11° l'installation pour laquelle l'aide a été demandée n'a pas été utilisée afin de satisfaire aux dispositions du titre VI, chapitre VII, dans la mesure où la date de mise en service de l'installation est postérieure au 29 juin 2025. ".
1° dans le paragraphe 2, à l'alinéa 1er, le membre de phrase " visées au paragraphe 3, 2°, 3°, 4° et 5°, sont remplies " est remplacé par le membre de phrase " énoncées dans le paragraphe 3, 2°, 3°, 4°, 5° et 11°, sont remplies " ;
2° dans le paragraphe 3, à l'alinéa 1er, un point rédigé comme suit est ajouté :
" 11° l'installation pour laquelle l'aide a été demandée n'a pas été utilisée afin de satisfaire aux dispositions du titre VI, chapitre VII, dans la mesure où la date de mise en service de l'installation est postérieure au 29 juin 2025. ".
Art. 72. In artikel 8.1.1/2, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2020 wordt de zinsnede "Bij ingrijpende wijzigingen kan de minister" vervangen door de zinsnede "De minister kan".
Art. 72. Dans l'article 8.1.1/2, alinéa 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juillet 2016 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 octobre 2020, le membre de phrase " En cas de modifications importantes, le Ministre " est remplacé par les mots " Le ministre peut ".
Art. 73. In artikel 8.5.1, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2013, worden de woorden "richtlijn 2009/28/EG" vervangen door de woorden "richtlijn (EU) 2018/2001".
Art. 73. Dans l'article 8.5.1, § 2, alinéa 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2013, le membre de phrase " directive 2009/28/CE " est remplacé par le membre de phrase " directive (UE) 2018/2001 ".
Art. 74. In artikel 9.1.12/4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2017 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "nieuw op te richten" worden telkens vervangen door de woorden "de nieuwbouw van";
2° de woorden "residentiële en niet-residentiële gebouwen" worden vervangen door de woorden "EPW- en EPN-eenheden".
1° de woorden "nieuw op te richten" worden telkens vervangen door de woorden "de nieuwbouw van";
2° de woorden "residentiële en niet-residentiële gebouwen" worden vervangen door de woorden "EPW- en EPN-eenheden".
Art. 74. A l'article 9.1.12/4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 janvier 2017 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, les mots " les bâtiments industriels à ériger " sont remplacés par les mots " la construction neuve de bâtiments industriels ";
2° à l'alinéa 2, les mots " les nouveaux bâtiments résidentiels et non résidentiels à construire à construire pour lesquels " sont remplacés par les mots " la construction neuve d'unités PER et PEN pour lesquelles ".
1° à l'alinéa 1er, les mots " les bâtiments industriels à ériger " sont remplacés par les mots " la construction neuve de bâtiments industriels ";
2° à l'alinéa 2, les mots " les nouveaux bâtiments résidentiels et non résidentiels à construire à construire pour lesquels " sont remplacés par les mots " la construction neuve d'unités PER et PEN pour lesquelles ".
Art. 75. In artikel 9.1.22/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "Niet voor bewoning bestemde" worden telkens opgeheven;
2° tussen de zinsnede "inzake energieprestatie valt, " en de woorden "kunnen worden vrijgesteld" wordt de zinsnede "met uitzondering van EPW- en EPN-eenheden, " ingevoegd.
1° de woorden "Niet voor bewoning bestemde" worden telkens opgeheven;
2° tussen de zinsnede "inzake energieprestatie valt, " en de woorden "kunnen worden vrijgesteld" wordt de zinsnede "met uitzondering van EPW- en EPN-eenheden, " ingevoegd.
Art. 75. A l'article 9.1.22/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " non destinés à l'habitation " sont chaque fois abrogés ;
2° le membre de phrase " , à l'exception d'unités PER et PEN, " est inséré entre les mots " en matière de performance énergétique " et les mots " peuvent être dispensés ".
1° les mots " non destinés à l'habitation " sont chaque fois abrogés ;
2° le membre de phrase " , à l'exception d'unités PER et PEN, " est inséré entre les mots " en matière de performance énergétique " et les mots " peuvent être dispensés ".
Art. 76. In artikel 9.1.29/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2015 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid wordt de zinsnede "de vijf jaar na de vergunningsaanvraag van de EPB-eenheid, of desgevallend de eerste vergunningsaanvraag van de EPB-eenheden in de ontwikkeling" vervangen door de zinsnede "een termijn van drie jaar, die ingaat zodra een van de volgende voorwaarden is vervuld:
1° de ingebruikname, conform artikel 11.1.8, § 1, eerste lid, 1°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, van een EPB-eenheid die aangesloten is op het systeem van externe warmtelevering;
2° de beëindiging van de vergunnings- of meldingsplichtige werken of handelingen;
3° er is een periode van vijf jaar verstreken na het verlenen van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of na het neerleggen van de melding van de EPB-eenheid.";
2° in het derde lid, 2°, worden de woorden "de vijf jaar na de eerste vergunningsaanvraag waarvoor een afwijking wordt aangevraagd" vervangen door de zinsnede "de uiterlijke termijn, vermeld in het tweede lid".
1° in het tweede lid wordt de zinsnede "de vijf jaar na de vergunningsaanvraag van de EPB-eenheid, of desgevallend de eerste vergunningsaanvraag van de EPB-eenheden in de ontwikkeling" vervangen door de zinsnede "een termijn van drie jaar, die ingaat zodra een van de volgende voorwaarden is vervuld:
1° de ingebruikname, conform artikel 11.1.8, § 1, eerste lid, 1°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, van een EPB-eenheid die aangesloten is op het systeem van externe warmtelevering;
2° de beëindiging van de vergunnings- of meldingsplichtige werken of handelingen;
3° er is een periode van vijf jaar verstreken na het verlenen van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of na het neerleggen van de melding van de EPB-eenheid.";
2° in het derde lid, 2°, worden de woorden "de vijf jaar na de eerste vergunningsaanvraag waarvoor een afwijking wordt aangevraagd" vervangen door de zinsnede "de uiterlijke termijn, vermeld in het tweede lid".
Art. 76. A l'article 9.1.29/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 décembre 2015 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 2, le membre de phrase " les cinq ans suivant la demande de permis de l'unité PEB, ou le cas échéant, la première demande de permis des unités PEB en cours de développement " sont remplacés par le membre de phrase " un délai de trois ans qui prend cours dès que l'une des conditions suivantes a été remplie :
1° la mise en service, conformément à l'article 11.1.8, § 1er, alinéa 1er, 1°, du décret sur l'Energie du 8 mai 2009, d'une unité PEB qui a été raccordée au système de fourniture de chaleur externe ;
2° la fin des travaux ou actes soumis à autorisation ou à déclaration ;
3° une période de cinq ans s'est écoulée depuis l'octroi du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou le dépôt de la déclaration de l'unité PEB. " ;
2° à l'alinéa 3, 2°, les mots " les cinq ans suivant la première demande de permis pour laquelle une dérogation est demandée " sont remplacés par le membre de phrase " le délai de rigueur visé à l'alinéa 2 ".
1° à l'alinéa 2, le membre de phrase " les cinq ans suivant la demande de permis de l'unité PEB, ou le cas échéant, la première demande de permis des unités PEB en cours de développement " sont remplacés par le membre de phrase " un délai de trois ans qui prend cours dès que l'une des conditions suivantes a été remplie :
1° la mise en service, conformément à l'article 11.1.8, § 1er, alinéa 1er, 1°, du décret sur l'Energie du 8 mai 2009, d'une unité PEB qui a été raccordée au système de fourniture de chaleur externe ;
2° la fin des travaux ou actes soumis à autorisation ou à déclaration ;
3° une période de cinq ans s'est écoulée depuis l'octroi du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou le dépôt de la déclaration de l'unité PEB. " ;
2° à l'alinéa 3, 2°, les mots " les cinq ans suivant la première demande de permis pour laquelle une dérogation est demandée " sont remplacés par le membre de phrase " le délai de rigueur visé à l'alinéa 2 ".
Art. 77. In artikel 9.2.3 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, derde lid, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "een geldig energieprestatiecertificaat" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
2° in paragraaf 3, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "en de tegenpartij" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
1° in paragraaf 1, derde lid, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "een geldig energieprestatiecertificaat" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
2° in paragraaf 3, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "en de tegenpartij" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
Art. 77. A l'article 9.2.3 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " le propriétaire " et le mot " transmet " ;
2° dans le paragraphe 3, les mots " ou du titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " du propriétaire " et les mots " et de la contrepartie ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " le propriétaire " et le mot " transmet " ;
2° dans le paragraphe 3, les mots " ou du titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " du propriétaire " et les mots " et de la contrepartie ".
Art. 78. In artikel 9.2.3/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt: "Een eigenaar of de houder van een zakelijk recht die een opstalrecht of een erfpachtrecht op een residentieel gebouw of op een residentiële gebouweenheid vestigt of overdraagt, beschikt over een energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen.";
2° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt: "De eigenaar of houder van een zakelijk recht moet op eenvoudig verzoek van een kandidaat-opstalhouder of kandidaat-erfpachter hem een geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen kunnen voorleggen. Bij de vestiging of de overdracht van het opstalrecht of de erfpacht op een residentieel gebouw of op een residentiële gebouweenheid draagt de eigenaar of de houder van een zakelijk recht aan de opstalhouder of erfpachter een geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen over.";
3° in paragraaf 2 worden tussen de woorden "voor de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd;
4° in paragraaf 3, eerste lid, worden tussen de woorden "voor de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd;
5° in paragraaf 3, eerste lid, wordt tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "of hun gemandateerden" de zinsnede ", de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt: "Een eigenaar of de houder van een zakelijk recht die een opstalrecht of een erfpachtrecht op een residentieel gebouw of op een residentiële gebouweenheid vestigt of overdraagt, beschikt over een energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen.";
2° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt: "De eigenaar of houder van een zakelijk recht moet op eenvoudig verzoek van een kandidaat-opstalhouder of kandidaat-erfpachter hem een geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen kunnen voorleggen. Bij de vestiging of de overdracht van het opstalrecht of de erfpacht op een residentieel gebouw of op een residentiële gebouweenheid draagt de eigenaar of de houder van een zakelijk recht aan de opstalhouder of erfpachter een geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen over.";
3° in paragraaf 2 worden tussen de woorden "voor de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd;
4° in paragraaf 3, eerste lid, worden tussen de woorden "voor de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd;
5° in paragraaf 3, eerste lid, wordt tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "of hun gemandateerden" de zinsnede ", de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
Art. 78. A l'article 9.2.3/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit : " Un propriétaire ou le titulaire d'un droit réel qui constitue ou cède un droit de superficie ou une emphytéose sur un bâtiment résidentiel ou sur une unité de bâtiment résidentiel dispose d'un certificat de performance énergétique bâtiments résidentiels. " ;
2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit : " Sur simple demande d'un candidat superficiaire ou d'un candidat emphytéote, le propriétaire ou le titulaire d'un droit réel doit être en mesure de lui présenter un certificat de performance énergétique bâtiments résidentiels valable. Lors de la constitution ou de la cession du droit de superficie ou de l'emphytéose sur un bâtiment résidentiel ou sur une unité de bâtiment résidentiel, le propriétaire ou le titulaire d'un droit réel transmet un certificat de performance énergétique bâtiments résidentiels valable au superficiaire ou à l'emphytéote. " ;
3° dans le paragraphe 2, les mots " ou la cession " sont insérés entre les mots " pour la constitution " et les mots " du droit de superficie " ;
4° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " ou la cession " sont insérés entre les mots " pour la constitution " et les mots " du droit de superficie " ;
5° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " du propriétaire ou de son mandataire " sont remplacés par le membre de phrase mots " du propriétaire, du titulaire d'un droit réel ou de leurs mandataires ".
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit : " Un propriétaire ou le titulaire d'un droit réel qui constitue ou cède un droit de superficie ou une emphytéose sur un bâtiment résidentiel ou sur une unité de bâtiment résidentiel dispose d'un certificat de performance énergétique bâtiments résidentiels. " ;
2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit : " Sur simple demande d'un candidat superficiaire ou d'un candidat emphytéote, le propriétaire ou le titulaire d'un droit réel doit être en mesure de lui présenter un certificat de performance énergétique bâtiments résidentiels valable. Lors de la constitution ou de la cession du droit de superficie ou de l'emphytéose sur un bâtiment résidentiel ou sur une unité de bâtiment résidentiel, le propriétaire ou le titulaire d'un droit réel transmet un certificat de performance énergétique bâtiments résidentiels valable au superficiaire ou à l'emphytéote. " ;
3° dans le paragraphe 2, les mots " ou la cession " sont insérés entre les mots " pour la constitution " et les mots " du droit de superficie " ;
4° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " ou la cession " sont insérés entre les mots " pour la constitution " et les mots " du droit de superficie " ;
5° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " du propriétaire ou de son mandataire " sont remplacés par le membre de phrase mots " du propriétaire, du titulaire d'un droit réel ou de leurs mandataires ".
Art. 79. In artikel 9.2.4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Een eigenaar of de houder van een zakelijk recht die een residentieel gebouw of een residentiële gebouweenheid verhuurt, beschikt over een energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen.";
2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen moet beschikbaar zijn:
1° als er publiciteit wordt gemaakt: ten laatste bij de eerste bekendmaking van die publiciteit;
2° als er geen publiciteit wordt gemaakt: ten laatste voorafgaand aan het sluiten van de nieuwe huurovereenkomst.";
3° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, worden tussen de woorden "De eigenaar" en het woord "moet" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Een eigenaar of de houder van een zakelijk recht die een residentieel gebouw of een residentiële gebouweenheid verhuurt, beschikt over een energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen.";
2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen moet beschikbaar zijn:
1° als er publiciteit wordt gemaakt: ten laatste bij de eerste bekendmaking van die publiciteit;
2° als er geen publiciteit wordt gemaakt: ten laatste voorafgaand aan het sluiten van de nieuwe huurovereenkomst.";
3° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, worden tussen de woorden "De eigenaar" en het woord "moet" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
Art. 79. A l'article 9.2.4 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Un propriétaire ou le titulaire d'un droit réel qui loue un bâtiment résidentiel ou une unité de bâtiment résidentiel dispose d'un certificat de performance énergétique bâtiments résidentiels. " ;
2° entre les alinéas 1er et 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
" Le certificat de performance énergétique bâtiments résidentiels doit être disponible :
1° en cas de publicité : au plus tard, à la première publication de cette publicité ;
2° en l'absence de publicité : au plus tard, avant la conclusion du nouveau bail. " ;
3° à l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés les mots " le propriétaire " et le mot " doit ".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Un propriétaire ou le titulaire d'un droit réel qui loue un bâtiment résidentiel ou une unité de bâtiment résidentiel dispose d'un certificat de performance énergétique bâtiments résidentiels. " ;
2° entre les alinéas 1er et 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
" Le certificat de performance énergétique bâtiments résidentiels doit être disponible :
1° en cas de publicité : au plus tard, à la première publication de cette publicité ;
2° en l'absence de publicité : au plus tard, avant la conclusion du nouveau bail. " ;
3° à l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés les mots " le propriétaire " et le mot " doit ".
Art. 80. Artikel 9.2.5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 9.2.5. In afwijking van artikel 9.2.3, § 1, eerste lid, artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid, en artikel 9.2.4, eerste lid, kan de eigenaar van een residentieel gebouw of residentiële gebouweenheid die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het hele gebouw of de hele residentiële gebouweenheid, het voormelde energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, tweede en derde lid, § 2 en § 3, artikel 9.2.3/1, § 1, tweede en derde lid, § 2 en § 3, en artikel 9.2.4, tweede en derde lid.".
"Art. 9.2.5. In afwijking van artikel 9.2.3, § 1, eerste lid, artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid, en artikel 9.2.4, eerste lid, kan de eigenaar van een residentieel gebouw of residentiële gebouweenheid die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het hele gebouw of de hele residentiële gebouweenheid, het voormelde energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, tweede en derde lid, § 2 en § 3, artikel 9.2.3/1, § 1, tweede en derde lid, § 2 en § 3, en artikel 9.2.4, tweede en derde lid.".
Art. 80. L'article 9.2.5 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 9.2.5. Par dérogation à l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, à l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er, et à l'article 9.2.4, alinéa 1er, le propriétaire d'un bâtiment résidentiel ou d'une unité de bâtiment résidentiel, qui dispose déjà lors de la construction d'un certificat de performance énergétique valable portant sur l'ensemble du bâtiment ou sur l'ensemble de l'unité de bâtiment résidentiel, peut utiliser le certificat de performance énergétique précité pour satisfaire aux obligations mentionnées dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéas 2 et 3, §§ 2 et 3, l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéas 2 et 3, §§ 2 et 3, et l'article 9.2.4, alinéas 2 et 3. ".
" Art. 9.2.5. Par dérogation à l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, à l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er, et à l'article 9.2.4, alinéa 1er, le propriétaire d'un bâtiment résidentiel ou d'une unité de bâtiment résidentiel, qui dispose déjà lors de la construction d'un certificat de performance énergétique valable portant sur l'ensemble du bâtiment ou sur l'ensemble de l'unité de bâtiment résidentiel, peut utiliser le certificat de performance énergétique précité pour satisfaire aux obligations mentionnées dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéas 2 et 3, §§ 2 et 3, l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéas 2 et 3, §§ 2 et 3, et l'article 9.2.4, alinéas 2 et 3. ".
Art. 81. In titel IX, hoofdstuk II, afdeling I, onderafdeling II, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, wordt een artikel 9.2.5/0 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 9.2.5/0. Als er in het kader van echtscheiding of de beëindiging van een al dan niet wettelijke samenwoning een notariële overdracht in volle eigendom van een deel van die volle eigendom plaatsvindt tussen natuurlijke personen die allen reeds eigenaar zijn van het residentieel gebouw en waarbij minstens een van hen daar zijn hoofdverblijfplaats heeft en behoudt, dan geldt de verplichting, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, eerste lid en artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid, niet.
Als een notariële overdracht in volle eigendom van een deel van die volle eigendom plaatsvindt tussen natuurlijke personen die allen reeds eigenaar zijn van één residentieel gebouw in kwestie, en waarbij minstens een van hen daar zijn hoofdverblijfplaats heeft en behoudt, dan geldt de verplichting, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, eerste lid en artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid, niet.
De verplichting, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, eerste lid en artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid, is niet van toepassing op authentieke akten met een declaratieve werking.
In geval een rechtspersoon wordt gesplitst of indien een rechtspersoon fusioneert met, of wordt overgenomen door een andere rechtspersoon, dan ontstaat door die splitsing, fusie of overneming voor de gebouwen van die rechtspersonen echter geen verplichting, als vermeld in artikel 9.2.3, § 1, eerste lid en artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid.".
"Art. 9.2.5/0. Als er in het kader van echtscheiding of de beëindiging van een al dan niet wettelijke samenwoning een notariële overdracht in volle eigendom van een deel van die volle eigendom plaatsvindt tussen natuurlijke personen die allen reeds eigenaar zijn van het residentieel gebouw en waarbij minstens een van hen daar zijn hoofdverblijfplaats heeft en behoudt, dan geldt de verplichting, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, eerste lid en artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid, niet.
Als een notariële overdracht in volle eigendom van een deel van die volle eigendom plaatsvindt tussen natuurlijke personen die allen reeds eigenaar zijn van één residentieel gebouw in kwestie, en waarbij minstens een van hen daar zijn hoofdverblijfplaats heeft en behoudt, dan geldt de verplichting, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, eerste lid en artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid, niet.
De verplichting, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, eerste lid en artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid, is niet van toepassing op authentieke akten met een declaratieve werking.
In geval een rechtspersoon wordt gesplitst of indien een rechtspersoon fusioneert met, of wordt overgenomen door een andere rechtspersoon, dan ontstaat door die splitsing, fusie of overneming voor de gebouwen van die rechtspersonen echter geen verplichting, als vermeld in artikel 9.2.3, § 1, eerste lid en artikel 9.2.3/1, § 1, eerste lid.".
Art. 81. Dans le titre IX, chapitre II, section I, sous-section II, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022, un article 9.2.5/0 rédigé comme suit est inséré :
" Art. 9.2.5/0. Si, dans le cadre d'un divorce ou de la fin d'une cohabitation légale ou non, un transfert notarié en pleine propriété d'une partie de cette pleine propriété a lieu entre des personnes physiques qui sont déjà toutes propriétaires du bâtiment résidentiel et dont au moins l'une d'elles y a et maintient sa résidence principale, l'obligation mentionnée dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas.
Si un transfert notarié en pleine propriété d'une partie de cette pleine propriété a lieu entre des personnes physiques qui sont déjà toutes propriétaires d'un bâtiment résidentiel en question et dont au moins l'une d'elles y a et maintient sa résidence principale, l'obligation mentionnée dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er,ne s'applique pas.
L'obligation mentionnée dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas aux actes authentiques à effet déclaratif.
Toutefois, en cas de scission d'une personne morale, de fusion d'une personne morale avec une autre personne morale ou d'absorption d'une personne morale par une autre personne morale, cette scission, cette fusion ou cette absorption ne crée pas d'obligation telle que mentionnée dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er, pour les bâtiments de ces personnes morales. ".
" Art. 9.2.5/0. Si, dans le cadre d'un divorce ou de la fin d'une cohabitation légale ou non, un transfert notarié en pleine propriété d'une partie de cette pleine propriété a lieu entre des personnes physiques qui sont déjà toutes propriétaires du bâtiment résidentiel et dont au moins l'une d'elles y a et maintient sa résidence principale, l'obligation mentionnée dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas.
Si un transfert notarié en pleine propriété d'une partie de cette pleine propriété a lieu entre des personnes physiques qui sont déjà toutes propriétaires d'un bâtiment résidentiel en question et dont au moins l'une d'elles y a et maintient sa résidence principale, l'obligation mentionnée dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er,ne s'applique pas.
L'obligation mentionnée dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas aux actes authentiques à effet déclaratif.
Toutefois, en cas de scission d'une personne morale, de fusion d'une personne morale avec une autre personne morale ou d'absorption d'une personne morale par une autre personne morale, cette scission, cette fusion ou cette absorption ne crée pas d'obligation telle que mentionnée dans l'article 9.2.3, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.3/1, § 1er, alinéa 1er, pour les bâtiments de ces personnes morales. ".
Art. 82. In artikel 9.2.5/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2020 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de zinsnede "artikel 9.2.4, tweede lid," wordt vervangen door de zinsnede "artikel 9.2.4, derde lid,";
2° de zinsnede "artikel 9.2.9, tweede lid," wordt vervangen door de zinsnede "artikel 9.2.9, derde lid,".
1° de zinsnede "artikel 9.2.4, tweede lid," wordt vervangen door de zinsnede "artikel 9.2.4, derde lid,";
2° de zinsnede "artikel 9.2.9, tweede lid," wordt vervangen door de zinsnede "artikel 9.2.9, derde lid,".
Art. 82. A l'article 9.2.5/3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 octobre 2020 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° le membre de phrase " l'article 9.2.4, alinéa 2, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 9.2.4, alinéa 3, " ;
2° le membre de phrase " l'article 9.2.9, alinéa 2, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 9.2.9, alinéa 3, ".
1° le membre de phrase " l'article 9.2.4, alinéa 2, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 9.2.4, alinéa 3, " ;
2° le membre de phrase " l'article 9.2.9, alinéa 2, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 9.2.9, alinéa 3, ".
Art. 83. In artikel 9.2.6, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021, wordt het derde lid opgeheven.
Art. 83. Dans l'article 9.2.6, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021, l'alinéa 3 est abrogé.
Art. 84. Aan artikel 9.2.6/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt tussen de woorden "De eigenaar" en de woorden "of gebruiker" de zinsnede ", houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
2° in het eerste lid wordt tussen de woorden "die gegevens" en de woorden "ter beschikking van" de zinsnede "en alle gegevens die nodig zijn voor de bepaling van de energiescore, " ingevoegd;
3° in het tweede lid wordt tussen de zinsnede "de eigenaar," en de woorden "de gebruiker" de zinsnede "de houder van een zakelijk recht," ingevoegd;
4° in het tweede lid wordt tussen de woorden "aangesteld door de eigenaar" en de woorden "of gebruiker" de zinsnede ", de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
1° in het eerste lid wordt tussen de woorden "De eigenaar" en de woorden "of gebruiker" de zinsnede ", houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
2° in het eerste lid wordt tussen de woorden "die gegevens" en de woorden "ter beschikking van" de zinsnede "en alle gegevens die nodig zijn voor de bepaling van de energiescore, " ingevoegd;
3° in het tweede lid wordt tussen de zinsnede "de eigenaar," en de woorden "de gebruiker" de zinsnede "de houder van een zakelijk recht," ingevoegd;
4° in het tweede lid wordt tussen de woorden "aangesteld door de eigenaar" en de woorden "of gebruiker" de zinsnede ", de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
Art. 84. A l'article 9.2.6/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " , le titulaire d'un droit réel " est inséré entre les mots " Le propriétaire " et les mots " ou l'utilisateur " ;
2° à l'alinéa 1er, les mots " et toutes les données nécessaires à la détermination du score énergétique " sont insérés entre les mots " ces données " et les mots " à la disposition de " ;
3° à l'alinéa 2, le membre de phrase " le titulaire d'un droit réel, " est inséré entre le membre de phrase " le propriétaire, " et les mots " l'utilisateur " ;
4° à l'alinéa 2, le membre de phrase " , le titulaire d'un droit réel " est inséré entre les mots " désigné par le propriétaire " et les mots " ou l'utilisateur ".
1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " , le titulaire d'un droit réel " est inséré entre les mots " Le propriétaire " et les mots " ou l'utilisateur " ;
2° à l'alinéa 1er, les mots " et toutes les données nécessaires à la détermination du score énergétique " sont insérés entre les mots " ces données " et les mots " à la disposition de " ;
3° à l'alinéa 2, le membre de phrase " le titulaire d'un droit réel, " est inséré entre le membre de phrase " le propriétaire, " et les mots " l'utilisateur " ;
4° à l'alinéa 2, le membre de phrase " , le titulaire d'un droit réel " est inséré entre les mots " désigné par le propriétaire " et les mots " ou l'utilisateur ".
Art. 85. Aan artikel 9.2.6/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
"1° de publieke gebouwen en de gebouwen die geen publiek gebouw zijn maar worden gebruikt door de federale overheid, inclusief de parastatalen; de Vlaamse overheid, inclusief de intern en extern verzelfstandigde agentschappen; de provinciale overheden, inclusief de autonome provinciebedrijven en de extern verzelfstandigde agentschappen; de gemeentelijke overheden, inclusief de O.C.M.W.'s, autonome gemeentebedrijven, de extern verzelfstandigde agentschappen en verenigingen en vennootschappen voor maatschappelijk welzijn; de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden; de politiezones; de hulpverleningszones en de overheidsbedrijven: 1 januari 2024;";
2° in het tweede lid worden tussen de zinsnede " de eigenaar," en de woorden "of als er een erfpacht" de woorden "de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
3° er worden een derde tot en met vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"In afwijking van het eerste lid hoeven grote niet-residentiële eenheden die in hun geheel afgebroken worden niet te voldoen aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, als cumulatief voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
1° voor de sloop van de grote niet-residentiële eenheid is een omgevingsvergunning verleend dat het aspect afbraak bevat conform in artikel 4.2.1, 1°, c) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
2° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de grote niet-residentiële eenheid meldt dat bij het VEKA uiterlijk één maand voor de verplichting, vermeld in het eerste lid, in werking treedt, of in voorkomend geval, één maand voordat het energieprestatiecertificaat vernieuwd moet worden;
3° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de grote niet-residentiële eenheid bewijst uiterlijk binnen vijf jaar nadat de omgevingsvergunning is verleend als vermeld in 1°, het einde van de sloopwerken van de grote niet-residentiële eenheid.
De melding, vermeld in het derde lid, 2°, bevat minstens en kopie van de verleende vergunning, de ligging en de gegevens van de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de melding.
In afwijking van het eerste lid en met behoud van toepassing van het derde en vierde lid kan de eigenaar, de houder van een zakelijk recht of in voorkomend geval de erfpachter of de opstalhouder van een grote niet-residentiële eenheid die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het volledige grote niet-residentiële gebouw of de gebouweenheid, het voormelde energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan verplichting, vermeld in het eerste lid.".
1° in het eerste lid wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
"1° de publieke gebouwen en de gebouwen die geen publiek gebouw zijn maar worden gebruikt door de federale overheid, inclusief de parastatalen; de Vlaamse overheid, inclusief de intern en extern verzelfstandigde agentschappen; de provinciale overheden, inclusief de autonome provinciebedrijven en de extern verzelfstandigde agentschappen; de gemeentelijke overheden, inclusief de O.C.M.W.'s, autonome gemeentebedrijven, de extern verzelfstandigde agentschappen en verenigingen en vennootschappen voor maatschappelijk welzijn; de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden; de politiezones; de hulpverleningszones en de overheidsbedrijven: 1 januari 2024;";
2° in het tweede lid worden tussen de zinsnede " de eigenaar," en de woorden "of als er een erfpacht" de woorden "de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
3° er worden een derde tot en met vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"In afwijking van het eerste lid hoeven grote niet-residentiële eenheden die in hun geheel afgebroken worden niet te voldoen aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, als cumulatief voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
1° voor de sloop van de grote niet-residentiële eenheid is een omgevingsvergunning verleend dat het aspect afbraak bevat conform in artikel 4.2.1, 1°, c) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
2° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de grote niet-residentiële eenheid meldt dat bij het VEKA uiterlijk één maand voor de verplichting, vermeld in het eerste lid, in werking treedt, of in voorkomend geval, één maand voordat het energieprestatiecertificaat vernieuwd moet worden;
3° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de grote niet-residentiële eenheid bewijst uiterlijk binnen vijf jaar nadat de omgevingsvergunning is verleend als vermeld in 1°, het einde van de sloopwerken van de grote niet-residentiële eenheid.
De melding, vermeld in het derde lid, 2°, bevat minstens en kopie van de verleende vergunning, de ligging en de gegevens van de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de melding.
In afwijking van het eerste lid en met behoud van toepassing van het derde en vierde lid kan de eigenaar, de houder van een zakelijk recht of in voorkomend geval de erfpachter of de opstalhouder van een grote niet-residentiële eenheid die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het volledige grote niet-residentiële gebouw of de gebouweenheid, het voormelde energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan verplichting, vermeld in het eerste lid.".
Art. 85. A l'article 9.2.6/2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° les bâtiments publics et les bâtiments qui n'ont pas le statut de bâtiment public mais qui sont utilisés par l'autorité fédérale, y compris les parastataux ; l'autorité flamande, y compris les agences autonomisées internes et externes ; les autorités provinciales, y compris les régies provinciales autonomes et les agences autonomisées externes ; les autorités communales, y compris les CPAS, les régies communales autonomes, les agences autonomisées externes et les associations et sociétés d'aide sociale ; les partenariats intercommunaux ; les zones de police ; les zones de secours et les entreprises publiques : 1er janvier 2024 ; " ;
2° à l'alinéa 2, le membre de phrase " , le titulaire d'un droit réel " est inséré entre les mots " le propriétaire " et le membre de phrase " ou, " ;
3° des alinéas 3 à 5 rédigés comme suit sont ajoutés :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, les grandes unités non résidentielles qui sont démolies dans leur ensemble ne doivent pas satisfaire à l'obligation visée à l'alinéa 1er, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
1° pour la démolition de la grande unité non résidentielle, un permis d'environnement a été accordé, qui contient l'aspect démolition conformément à l'article 4.2.1, 1°, c) du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
2° le propriétaire, le titulaire d'un droit réel, l'emphytéote ou le superficiaire de la grande unité non résidentielle le notifie à la VEKA au plus tard un mois avant l'entrée en vigueur de l'obligation visée à l'alinéa 1er ou, le cas échéant, un mois avant que le certificat de performance énergétique ne doive être renouvelé ;
3° le propriétaire, le titulaire d'un droit réel, l'emphytéote ou le superficiaire de la grande unité non résidentielle prouve, au plus tard dans les cinq ans suivant l'octroi du permis d'environnement tel que visé en 1°, la fin des travaux de démolition de la grande unité non résidentielle.
La notification visée à l'alinéa 3, 2°, contient au moins une copie du permis accordé, l'emplacement et les données du propriétaire, du titulaire d'un droit réel, de l'emphytéote ou du superficiaire. Le ministre peut préciser les modalités quant à la forme et au contenu de la notification.
Par dérogation à l'alinéa 1er et sans préjudice de l'application des alinéas 3 et 4, le propriétaire, le titulaire d'un droit réel ou, le cas échéant, l'emphytéote ou le superficiaire d'une grande unité non résidentielle, qui dispose déjà lors de la construction d'un certificat de performance énergétique valable portant sur l'ensemble du grand bâtiment non résidentiel ou sur l'unité de bâtiment, peut utiliser le certificat de performance énergétique précité pour satisfaire à l'obligation visée à l'alinéa 1er. ".
1° à l'alinéa 1er, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° les bâtiments publics et les bâtiments qui n'ont pas le statut de bâtiment public mais qui sont utilisés par l'autorité fédérale, y compris les parastataux ; l'autorité flamande, y compris les agences autonomisées internes et externes ; les autorités provinciales, y compris les régies provinciales autonomes et les agences autonomisées externes ; les autorités communales, y compris les CPAS, les régies communales autonomes, les agences autonomisées externes et les associations et sociétés d'aide sociale ; les partenariats intercommunaux ; les zones de police ; les zones de secours et les entreprises publiques : 1er janvier 2024 ; " ;
2° à l'alinéa 2, le membre de phrase " , le titulaire d'un droit réel " est inséré entre les mots " le propriétaire " et le membre de phrase " ou, " ;
3° des alinéas 3 à 5 rédigés comme suit sont ajoutés :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, les grandes unités non résidentielles qui sont démolies dans leur ensemble ne doivent pas satisfaire à l'obligation visée à l'alinéa 1er, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
1° pour la démolition de la grande unité non résidentielle, un permis d'environnement a été accordé, qui contient l'aspect démolition conformément à l'article 4.2.1, 1°, c) du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
2° le propriétaire, le titulaire d'un droit réel, l'emphytéote ou le superficiaire de la grande unité non résidentielle le notifie à la VEKA au plus tard un mois avant l'entrée en vigueur de l'obligation visée à l'alinéa 1er ou, le cas échéant, un mois avant que le certificat de performance énergétique ne doive être renouvelé ;
3° le propriétaire, le titulaire d'un droit réel, l'emphytéote ou le superficiaire de la grande unité non résidentielle prouve, au plus tard dans les cinq ans suivant l'octroi du permis d'environnement tel que visé en 1°, la fin des travaux de démolition de la grande unité non résidentielle.
La notification visée à l'alinéa 3, 2°, contient au moins une copie du permis accordé, l'emplacement et les données du propriétaire, du titulaire d'un droit réel, de l'emphytéote ou du superficiaire. Le ministre peut préciser les modalités quant à la forme et au contenu de la notification.
Par dérogation à l'alinéa 1er et sans préjudice de l'application des alinéas 3 et 4, le propriétaire, le titulaire d'un droit réel ou, le cas échéant, l'emphytéote ou le superficiaire d'une grande unité non résidentielle, qui dispose déjà lors de la construction d'un certificat de performance énergétique valable portant sur l'ensemble du grand bâtiment non résidentiel ou sur l'unité de bâtiment, peut utiliser le certificat de performance énergétique précité pour satisfaire à l'obligation visée à l'alinéa 1er. ".
Art. 86. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2022, wordt een artikel 9.2.6/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 9.2.6/3. Elke grote niet-residentiële eenheid beschikt vanaf 1 januari 2030 altijd over een geldig energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen waaruit blijkt dat minimaal een label E behaald wordt.
In afwijking van het eerste lid voldoen niet-residentiële eenheden in publieke gebouwen en gebouwen die geen publiek gebouw zijn maar worden gebruikt door de federale overheid, inclusief de parastatalen; de Vlaamse overheid, inclusief de intern en extern verzelfstandigde agentschappen; de provinciale overheden, inclusief de autonome provinciebedrijven en de extern verzelfstandigde agentschappen; de gemeentelijke overheden, inclusief de OCMW's, de autonome gemeentebedrijven, extern verzelfstandigde agentschappen, en verenigingen en vennootschappen voor maatschappelijk welzijn; de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden; de politiezones, de hulpverleningszones en de overheidsbedrijven; met uitzondering van gebouweenheden in gebouwen voor gemeenschapsonderwijs en gesubsidieerd onderwijs, al vanaf 1 januari 2028 aan deze verplichting.
Aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, wordt voldaan door de eigenaar, of als er een erfpacht of opstalrecht op het niet-residentiële gebouw of de niet-residentiële gebouweenheid bestaat door respectievelijk de erfpachter of de opstalhouder van de niet-residentiële gebouwen en de niet-residentiële gebouweenheden, vermeld in het eerste lid.
In afwijking van het eerste lid hoeven grote niet-residentiële eenheden die in hun geheel afgebroken worden niet te voldoen aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, als cumulatief voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
1° voor de sloop van de grote niet-residentiële eenheid is een omgevingsvergunning verleend dat het aspect afbraak bevat conform in artikel 4.2.1, 1°, c) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
2° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de grote niet-residentiële eenheid meldt dat bij het VEKA uiterlijk één maand voor de verplichting, vermeld in het eerste lid, in werking treedt, of in voorkomend geval, één maand voordat het energieprestatiecertificaat vernieuwd moet worden;
3° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de grote niet-residentiële eenheid bewijst uiterlijk binnen vijf jaar nadat de omgevingsvergunning is verleend als vermeld in 1°, het einde van de sloopwerken van de grote niet-residentiële eenheid.
De melding, vermeld in het vierde lid, 2°, bevat minstens en kopie van de verleende vergunning, de ligging en de gegevens van de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de melding.".
"Art. 9.2.6/3. Elke grote niet-residentiële eenheid beschikt vanaf 1 januari 2030 altijd over een geldig energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen waaruit blijkt dat minimaal een label E behaald wordt.
In afwijking van het eerste lid voldoen niet-residentiële eenheden in publieke gebouwen en gebouwen die geen publiek gebouw zijn maar worden gebruikt door de federale overheid, inclusief de parastatalen; de Vlaamse overheid, inclusief de intern en extern verzelfstandigde agentschappen; de provinciale overheden, inclusief de autonome provinciebedrijven en de extern verzelfstandigde agentschappen; de gemeentelijke overheden, inclusief de OCMW's, de autonome gemeentebedrijven, extern verzelfstandigde agentschappen, en verenigingen en vennootschappen voor maatschappelijk welzijn; de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden; de politiezones, de hulpverleningszones en de overheidsbedrijven; met uitzondering van gebouweenheden in gebouwen voor gemeenschapsonderwijs en gesubsidieerd onderwijs, al vanaf 1 januari 2028 aan deze verplichting.
Aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, wordt voldaan door de eigenaar, of als er een erfpacht of opstalrecht op het niet-residentiële gebouw of de niet-residentiële gebouweenheid bestaat door respectievelijk de erfpachter of de opstalhouder van de niet-residentiële gebouwen en de niet-residentiële gebouweenheden, vermeld in het eerste lid.
In afwijking van het eerste lid hoeven grote niet-residentiële eenheden die in hun geheel afgebroken worden niet te voldoen aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, als cumulatief voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
1° voor de sloop van de grote niet-residentiële eenheid is een omgevingsvergunning verleend dat het aspect afbraak bevat conform in artikel 4.2.1, 1°, c) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
2° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de grote niet-residentiële eenheid meldt dat bij het VEKA uiterlijk één maand voor de verplichting, vermeld in het eerste lid, in werking treedt, of in voorkomend geval, één maand voordat het energieprestatiecertificaat vernieuwd moet worden;
3° de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder van de grote niet-residentiële eenheid bewijst uiterlijk binnen vijf jaar nadat de omgevingsvergunning is verleend als vermeld in 1°, het einde van de sloopwerken van de grote niet-residentiële eenheid.
De melding, vermeld in het vierde lid, 2°, bevat minstens en kopie van de verleende vergunning, de ligging en de gegevens van de eigenaar, houder van een zakelijk recht, erfpachter of opstalhouder. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de melding.".
Art. 86. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 octobre 2022, un article 9.2.6/3 rédigé comme suit est inséré :
" Art. 9.2.6/3. Chaque grande unité non résidentielle dispose toujours, à partir du 1er janvier 2030, d'un certificat de performance énergétique bâtiments non résidentiels valable attestant qu'un label E au moins est obtenu.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les unités non résidentielles dans des bâtiments publics et des bâtiments qui n'ont pas le statut de bâtiment public mais qui sont utilisés par l'autorité fédérale, y compris les parastataux ; l'autorité flamande, y compris les agences autonomisées internes et externes ; les autorités provinciales, y compris les régies provinciales autonomes et les agences autonomisées internes et externes ; les autorités communales, y compris les CPAS, les régies communales autonomes, les agences autonomisées externes et les associations et sociétés d'aide sociale ; les partenariats intercommunaux ; les zones de police, les zones de secours et les entreprises publiques ; à l'exception d'unités de bâtiment dans des bâtiments de l'enseignement communautaire et de l'enseignement subventionné, satisfont déjà cette obligation à partir du 1er janvier 2028.
L'obligation visée à l'alinéa 1er est remplie par le propriétaire ou, si le bâtiment non résidentiel ou l'unité de bâtiment non résidentiel est grevé(e) d'une emphytéose ou d'un droit de superficie, par l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments non résidentiels et des unités de bâtiment non résidentiel visés à l'alinéa 1er, respectivement.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les grandes unités non résidentielles qui sont démolies dans leur ensemble ne doivent pas satisfaire à l'obligation visée à l'alinéa 1er, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
1° pour la démolition de la grande unité non résidentielle, un permis d'environnement a été accordé, qui contient l'aspect démolition conformément à l'article 4.2.1, 1°, c) du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
2° le propriétaire, le titulaire d'un droit réel, l'emphytéote ou le superficiaire de la grande unité non résidentielle le notifie à la VEKA au plus tard un mois avant l'entrée en vigueur de l'obligation visée à l'alinéa 1er ou, le cas échéant, un mois avant que le certificat de performance énergétique ne doive être renouvelé ;
3° le propriétaire, le titulaire d'un droit réel, l'emphytéote ou le superficiaire de la grande unité non résidentielle prouve, au plus tard dans les cinq ans suivant l'octroi du permis d'environnement tel que visé en 1°, la fin des travaux de démolition de la grande unité non résidentielle.
La notification visée à l'alinéa 4, 2°, contient au moins une copie du permis accordé, l'emplacement et les données du propriétaire, du titulaire d'un droit réel, de l'emphytéote ou du superficiaire. Le ministre peut préciser les modalités quant à la forme et au contenu de la notification. ".
" Art. 9.2.6/3. Chaque grande unité non résidentielle dispose toujours, à partir du 1er janvier 2030, d'un certificat de performance énergétique bâtiments non résidentiels valable attestant qu'un label E au moins est obtenu.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les unités non résidentielles dans des bâtiments publics et des bâtiments qui n'ont pas le statut de bâtiment public mais qui sont utilisés par l'autorité fédérale, y compris les parastataux ; l'autorité flamande, y compris les agences autonomisées internes et externes ; les autorités provinciales, y compris les régies provinciales autonomes et les agences autonomisées internes et externes ; les autorités communales, y compris les CPAS, les régies communales autonomes, les agences autonomisées externes et les associations et sociétés d'aide sociale ; les partenariats intercommunaux ; les zones de police, les zones de secours et les entreprises publiques ; à l'exception d'unités de bâtiment dans des bâtiments de l'enseignement communautaire et de l'enseignement subventionné, satisfont déjà cette obligation à partir du 1er janvier 2028.
L'obligation visée à l'alinéa 1er est remplie par le propriétaire ou, si le bâtiment non résidentiel ou l'unité de bâtiment non résidentiel est grevé(e) d'une emphytéose ou d'un droit de superficie, par l'emphytéote ou le superficiaire des bâtiments non résidentiels et des unités de bâtiment non résidentiel visés à l'alinéa 1er, respectivement.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les grandes unités non résidentielles qui sont démolies dans leur ensemble ne doivent pas satisfaire à l'obligation visée à l'alinéa 1er, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
1° pour la démolition de la grande unité non résidentielle, un permis d'environnement a été accordé, qui contient l'aspect démolition conformément à l'article 4.2.1, 1°, c) du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
2° le propriétaire, le titulaire d'un droit réel, l'emphytéote ou le superficiaire de la grande unité non résidentielle le notifie à la VEKA au plus tard un mois avant l'entrée en vigueur de l'obligation visée à l'alinéa 1er ou, le cas échéant, un mois avant que le certificat de performance énergétique ne doive être renouvelé ;
3° le propriétaire, le titulaire d'un droit réel, l'emphytéote ou le superficiaire de la grande unité non résidentielle prouve, au plus tard dans les cinq ans suivant l'octroi du permis d'environnement tel que visé en 1°, la fin des travaux de démolition de la grande unité non résidentielle.
La notification visée à l'alinéa 4, 2°, contient au moins une copie du permis accordé, l'emplacement et les données du propriétaire, du titulaire d'un droit réel, de l'emphytéote ou du superficiaire. Le ministre peut préciser les modalités quant à la forme et au contenu de la notification. ".
Art. 87. In artikel 9.2.7/1, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021, wordt het derde lid opgeheven.
Art. 87. Dans l'article 9.2.7/1, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 novembre 2018 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021, l'alinéa 3 est abrogé.
Art. 88. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2022, wordt een artikel 9.2.7/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 9.2.7/3. Elk klein niet-residentieel gebouw of elke kleine niet-residentiële eenheid beschikt vanaf 1 januari 2030 altijd over een geldig energieprestatiecertificaat kleine niet-residentiële gebouwen waaruit blijkt dat, afhankelijk van het type bebouwing, het volgende minimale label behaald is:
"Art. 9.2.7/3. Elk klein niet-residentieel gebouw of elke kleine niet-residentiële eenheid beschikt vanaf 1 januari 2030 altijd over een geldig energieprestatiecertificaat kleine niet-residentiële gebouwen waaruit blijkt dat, afhankelijk van het type bebouwing, het volgende minimale label behaald is:
Art. 88. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 octobre 2022, un article 9.2.7/3 rédigé comme suit est inséré :
" Art. 9.2.7/3. Chaque petit bâtiment non résidentiel ou chaque petite unité non résidentielle dispose toujours, à partir du 1er janvier 2030, d'un certificat de performance énergétique petits bâtiments non résidentiels attestant, en fonction du type de construction, que le label minimal suivant a été obtenu :
" Art. 9.2.7/3. Chaque petit bâtiment non résidentiel ou chaque petite unité non résidentielle dispose toujours, à partir du 1er janvier 2030, d'un certificat de performance énergétique petits bâtiments non résidentiels attestant, en fonction du type de construction, que le label minimal suivant a été obtenu :
| 2030 | 2035 | 2040 | |
| kleine niet-residentiële eenheid (kNR) in gebouw met meerdere eenheden of kNR in een gesloten bebouwing | D | C | C |
| kNR in open of half open bebouwing | E | D | C |
In afwijking van het eerste lid kunnen kleine niet-residentiële eenheden er ook voor kiezen om vanaf 1 januari 2030 te voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 9.2.6/3, die wordt opgelegd aan grote niet-residentiële eenheden.
Aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, wordt voldaan door de eigenaar of als er een erfpacht of opstalrecht op het kleine niet-residentiële gebouw of de kleine niet-residentiële gebouweenheid bestaat, door respectievelijk de erfpachter of de opstalhouder van de kleine niet-residentiële gebouwen en de kleine niet-residentiële gebouweenheden, vermeld in het eerste lid.".
| 2030 | 2035 | 2040 | |
| petite unité non résidentielle (kNR) dans un bâtiment de plusieurs unités ou kNR dans une construction entre mitoyens | D | C | C |
| kNR dans une construction isolée ou jumelée | E | D | C |
Par dérogation à l'alinéa 1er, les petites unités non résidentielles peuvent choisir de satisfaire, à partir du 1er janvier 2030, à l'obligation visée à l'article 9.2.6/3, qui est imposée aux grandes unités non résidentielles.
L'obligation visée à l'alinéa 1er est remplie par le propriétaire ou, si le petit bâtiment non résidentiel ou la petite unité de bâtiment non résidentiel est grevé(e) d'une emphytéose ou d'un droit de superficie, par l'emphytéote ou le superficiaire des petits bâtiments non résidentiels et des petites unités de bâtiment non résidentiel visés à l'alinéa 1er, respectivement. ".
Art. 89. In artikel 9.2.8 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, derde lid, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "een geldig energieprestatiecertificaat" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
2° in paragraaf 3, eerste lid, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "en de tegenpartij" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
1° in paragraaf 1, derde lid, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "een geldig energieprestatiecertificaat" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
2° in paragraaf 3, eerste lid, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "en de tegenpartij" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
Art. 89. A l'article 9.2.8 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " le propriétaire " et le mot " transmet " ;
2° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " ou du titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " du propriétaire " et les mots " et de la contrepartie ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " le propriétaire " et le mot " transmet " ;
2° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " ou du titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " du propriétaire " et les mots " et de la contrepartie ".
Art. 90. In artikel 9.2.8/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt: "Een eigenaar die een opstalrecht of een erfpachtrecht op een niet-residentieel gebouw of op een niet-residentiële gebouweenheid vestigt of overdraagt, beschikt over een energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen.";
2° in paragraaf 1, derde lid, worden tussen de woorden "Bij de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd;
3° in paragraaf 2 worden tussen de woorden "voor de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd;
4° in paragraaf 3, eerste lid, worden tussen de woorden "voor de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd.
1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt: "Een eigenaar die een opstalrecht of een erfpachtrecht op een niet-residentieel gebouw of op een niet-residentiële gebouweenheid vestigt of overdraagt, beschikt over een energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen.";
2° in paragraaf 1, derde lid, worden tussen de woorden "Bij de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd;
3° in paragraaf 2 worden tussen de woorden "voor de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd;
4° in paragraaf 3, eerste lid, worden tussen de woorden "voor de vestiging" en de woorden "van het opstalrecht" de woorden "of de overdracht" ingevoegd.
Art. 90. A l'article 9.2.8/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit : " Un propriétaire qui constitue ou cède un droit de superficie ou une emphytéose sur un bâtiment non résidentiel ou sur une unité de bâtiment non résidentiel dispose d'un certificat de performance énergétique bâtiments non résidentiels. " ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots " ou de la cession " sont insérés entre les mots " Lors de la constitution " et les mots " du droit de superficie " ;
3° dans le paragraphe 2, les mots " ou la cession " sont insérés entre les mots " pour la constitution " et les mots " du droit de superficie " ;
4° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " ou la cession " sont insérés entre les mots " pour la constitution " et les mots " du droit de superficie ".
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit : " Un propriétaire qui constitue ou cède un droit de superficie ou une emphytéose sur un bâtiment non résidentiel ou sur une unité de bâtiment non résidentiel dispose d'un certificat de performance énergétique bâtiments non résidentiels. " ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, les mots " ou de la cession " sont insérés entre les mots " Lors de la constitution " et les mots " du droit de superficie " ;
3° dans le paragraphe 2, les mots " ou la cession " sont insérés entre les mots " pour la constitution " et les mots " du droit de superficie " ;
4° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " ou la cession " sont insérés entre les mots " pour la constitution " et les mots " du droit de superficie ".
Art. 91. In artikel 9.2.9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Een eigenaar of de houder van een zakelijk recht die een niet-residentieel gebouw of een niet-residentiële gebouweenheid verhuurt, beschikt over een energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen.";
2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen moet beschikbaar zijn:
1° als er publiciteit wordt gemaakt: ten laatste bij de eerste bekendmaking van die publiciteit;
2° als er geen publiciteit wordt gemaakt: ten laatste voorafgaand aan het sluiten van de nieuwe huurovereenkomst.";
3° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, worden tussen de woorden "De eigenaar" en het woord "moet" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
4° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "van het gebouw" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Een eigenaar of de houder van een zakelijk recht die een niet-residentieel gebouw of een niet-residentiële gebouweenheid verhuurt, beschikt over een energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen.";
2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen moet beschikbaar zijn:
1° als er publiciteit wordt gemaakt: ten laatste bij de eerste bekendmaking van die publiciteit;
2° als er geen publiciteit wordt gemaakt: ten laatste voorafgaand aan het sluiten van de nieuwe huurovereenkomst.";
3° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, worden tussen de woorden "De eigenaar" en het woord "moet" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
4° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, worden tussen de woorden "de eigenaar" en de woorden "van het gebouw" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd.
Art. 91. A l'article 9.2.9 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Un propriétaire ou le titulaire d'un droit réel qui loue un bâtiment non résidentiel ou une unité de bâtiment non résidentiel dispose d'un certificat de performance énergétique bâtiments non résidentiels. " ;
2° entre les alinéas 1er et 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
" Le certificat de performance énergétique bâtiments non résidentiels doit être disponible :
1° en cas de publicité : au plus tard, à la première publication de cette publicité ;
2° en l'absence de publicité : au plus tard, avant la conclusion du nouveau bail. " ;
3° à l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés les mots " le propriétaire " et le mot " doit ".
4° à l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " le propriétaire " et les mots " du bâtiment ".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Un propriétaire ou le titulaire d'un droit réel qui loue un bâtiment non résidentiel ou une unité de bâtiment non résidentiel dispose d'un certificat de performance énergétique bâtiments non résidentiels. " ;
2° entre les alinéas 1er et 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré :
" Le certificat de performance énergétique bâtiments non résidentiels doit être disponible :
1° en cas de publicité : au plus tard, à la première publication de cette publicité ;
2° en l'absence de publicité : au plus tard, avant la conclusion du nouveau bail. " ;
3° à l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés les mots " le propriétaire " et le mot " doit ".
4° à l'alinéa 2 existant, qui devient l'alinéa 3, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " le propriétaire " et les mots " du bâtiment ".
Art. 92. Artikel 9.2.10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 november 2018 en 8 juli 2022, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 9.2.10. In afwijking van artikel 9.2.6/3, eerste lid, artikel 9.2.8, § 1, eerste lid, artikel 9.2.8/1, § 1, eerste lid, en artikel 9.2.9, eerste lid, kan de eigenaar of de houder van een zakelijk recht van een niet-residentieel gebouw of een niet-residentiële gebouweenheid die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het hele gebouw of de hele niet-residentiële gebouweenheid, het voormelde energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 9.2.6/3, artikel 9.2.8, § 1, tweede en derde lid, § 2 en § 3, artikel 9.2.8/1, § 1, tweede en derde lid, § 2 en § 3, en in artikel 9.2.9, tweede en derde lid.".
"Art. 9.2.10. In afwijking van artikel 9.2.6/3, eerste lid, artikel 9.2.8, § 1, eerste lid, artikel 9.2.8/1, § 1, eerste lid, en artikel 9.2.9, eerste lid, kan de eigenaar of de houder van een zakelijk recht van een niet-residentieel gebouw of een niet-residentiële gebouweenheid die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het hele gebouw of de hele niet-residentiële gebouweenheid, het voormelde energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 9.2.6/3, artikel 9.2.8, § 1, tweede en derde lid, § 2 en § 3, artikel 9.2.8/1, § 1, tweede en derde lid, § 2 en § 3, en in artikel 9.2.9, tweede en derde lid.".
Art. 92. L'article 9.2.10 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 30 novembre 2018 et 8 juillet 2022, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 9.2.10. Par dérogation à l'article 9.2.6/3, alinéa 1er, à l'article 9.2.8, § 1er, alinéa 1er, à l'article 9.2.8/1, § 1er, alinéa 1er, et à l'article 9.2.9, alinéa 1er, le propriétaire ou le titulaire d'un droit réel d'un bâtiment non résidentiel ou d'une unité de bâtiment non résidentiel, qui dispose déjà lors de la construction d'un certificat de performance énergétique valable portant sur l'ensemble du bâtiment ou sur l'ensemble de l'unité de bâtiment non résidentiel, peut utiliser le certificat de performance énergétique précité pour satisfaire aux obligations mentionnées dans l'article 9.2.6/3, l'article 9.2.8, § 1er, alinéas 2 et 3, §§ 2 et 3, l'article 9.2.8/1, § 1er, alinéas 2 et 3, §§ 2 et 3, et dans l'article 9.2.9, alinéas 2 et 3. ".
" Art. 9.2.10. Par dérogation à l'article 9.2.6/3, alinéa 1er, à l'article 9.2.8, § 1er, alinéa 1er, à l'article 9.2.8/1, § 1er, alinéa 1er, et à l'article 9.2.9, alinéa 1er, le propriétaire ou le titulaire d'un droit réel d'un bâtiment non résidentiel ou d'une unité de bâtiment non résidentiel, qui dispose déjà lors de la construction d'un certificat de performance énergétique valable portant sur l'ensemble du bâtiment ou sur l'ensemble de l'unité de bâtiment non résidentiel, peut utiliser le certificat de performance énergétique précité pour satisfaire aux obligations mentionnées dans l'article 9.2.6/3, l'article 9.2.8, § 1er, alinéas 2 et 3, §§ 2 et 3, l'article 9.2.8/1, § 1er, alinéas 2 et 3, §§ 2 et 3, et dans l'article 9.2.9, alinéas 2 et 3. ".
Art. 93. In hetzelfde besluit wordt een artikel 9.2.10/0 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 9.2.10/0. De verplichting, vermeld in artikel 9.2.8, § 1, eerste lid en artikel 9.2.8/1, § 1, eerste lid, is niet van toepassing op authentieke akten met een declaratieve werking.
In geval een rechtspersoon wordt gesplitst of indien een rechtspersoon fusioneert met, of wordt overgenomen door een andere rechtspersoon, dan ontstaat door die splitsing, fusie of overneming voor de gebouwen van die rechtspersonen echter geen verplichting, vermeld in artikel 9.2.8, § 1, eerste lid en artikel 9.2.8/1, § 1, eerste lid.".
"Art. 9.2.10/0. De verplichting, vermeld in artikel 9.2.8, § 1, eerste lid en artikel 9.2.8/1, § 1, eerste lid, is niet van toepassing op authentieke akten met een declaratieve werking.
In geval een rechtspersoon wordt gesplitst of indien een rechtspersoon fusioneert met, of wordt overgenomen door een andere rechtspersoon, dan ontstaat door die splitsing, fusie of overneming voor de gebouwen van die rechtspersonen echter geen verplichting, vermeld in artikel 9.2.8, § 1, eerste lid en artikel 9.2.8/1, § 1, eerste lid.".
Art. 93. Dans le même arrêté, un article 9.2.10/0 rédigé comme suit est inséré :
" Art. 9.2.10/0. L'obligation mentionnée dans l'article 9.2.8, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.8/1, § 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas aux actes authentiques à effet déclaratif.
Toutefois, en cas de scission d'une personne morale, de fusion d'une personne morale avec une autre personne morale ou d'absorption d'une personne morale par une autre personne morale, cette scission, cette fusion ou cette absorption ne crée pas d'obligation telle mentionnée dans l'article 9.2.8, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.8/1, § 1er, alinéa 1er, pour les bâtiments de ces personnes morales. ".
" Art. 9.2.10/0. L'obligation mentionnée dans l'article 9.2.8, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.8/1, § 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas aux actes authentiques à effet déclaratif.
Toutefois, en cas de scission d'une personne morale, de fusion d'une personne morale avec une autre personne morale ou d'absorption d'une personne morale par une autre personne morale, cette scission, cette fusion ou cette absorption ne crée pas d'obligation telle mentionnée dans l'article 9.2.8, § 1er, alinéa 1er, et l'article 9.2.8/1, § 1er, alinéa 1er, pour les bâtiments de ces personnes morales. ".
Art. 94. Aan artikel 9.2.10/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid worden tussen de zinsnede "de eigenaar," en de woorden "de erfpachter" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
2° in het tweede lid worden tussen de zinsnede "de eigenaar," en de woorden "of als er een erfpacht" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
3° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de gebruiker, eigenaar of de houder van een zakelijk recht die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het volledige gebouw of de gebouweenheid, het voormelde energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan de verplichting, vermeld in het eerste en tweede lid.".
1° in het tweede lid worden tussen de zinsnede "de eigenaar," en de woorden "de erfpachter" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
2° in het tweede lid worden tussen de zinsnede "de eigenaar," en de woorden "of als er een erfpacht" de woorden "of de houder van een zakelijk recht" ingevoegd;
3° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de gebruiker, eigenaar of de houder van een zakelijk recht die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het volledige gebouw of de gebouweenheid, het voormelde energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan de verplichting, vermeld in het eerste en tweede lid.".
Art. 94. A l'article 9.2.10/2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 2, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre le membre de phrase " le propriétaire, " et les mots " l'emphytéote " ;
2° à l'alinéa 2, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " par le propriétaire " et le membre de phrase " ou, " ;
3° un alinéa 3 rédigé comme suit est ajouté :
" Par dérogation aux alinéas 1er et 2, l'utilisateur, le propriétaire ou le titulaire d'un droit réel, qui dispose déjà lors de la construction d'un certificat de performance énergétique valable portant sur l'ensemble du bâtiment ou sur l'unité de bâtiment, peut utiliser le certificat de performance énergétique précité pour satisfaire à l'obligation visée aux alinéas 1er et 2. ".
1° à l'alinéa 2, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre le membre de phrase " le propriétaire, " et les mots " l'emphytéote " ;
2° à l'alinéa 2, les mots " ou le titulaire d'un droit réel " sont insérés entre les mots " par le propriétaire " et le membre de phrase " ou, " ;
3° un alinéa 3 rédigé comme suit est ajouté :
" Par dérogation aux alinéas 1er et 2, l'utilisateur, le propriétaire ou le titulaire d'un droit réel, qui dispose déjà lors de la construction d'un certificat de performance énergétique valable portant sur l'ensemble du bâtiment ou sur l'unité de bâtiment, peut utiliser le certificat de performance énergétique précité pour satisfaire à l'obligation visée aux alinéas 1er et 2. ".
Art. 95. In artikel 9.2.11, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
"1° de datum van ingebruikname van het gebouw of de gebouweenheid, de datum van beëindiging van de vergunnings- of meldingsplichtige werken of handelingen, de datum van verlening van de stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of neerlegging van de melding of de datum waarom de EPB-aangifte is ingediend, afhankelijk van welke voorwaarde, vermeld in paragraaf 4, het eerst vervuld is;".
"1° de datum van ingebruikname van het gebouw of de gebouweenheid, de datum van beëindiging van de vergunnings- of meldingsplichtige werken of handelingen, de datum van verlening van de stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of neerlegging van de melding of de datum waarom de EPB-aangifte is ingediend, afhankelijk van welke voorwaarde, vermeld in paragraaf 4, het eerst vervuld is;".
Art. 95. Dans l'article 9.2.11, § 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° la date de mise en service du bâtiment ou de l'unité de bâtiment, la date de fin des travaux ou actes soumis à autorisation ou à déclaration, la date d'octroi du permis d'urbanisme ou du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou de dépôt de la déclaration ou la date à laquelle a déclaration PEB a été introduite, selon la condition, énoncée dans le paragraphe 4, qui a été remplie en premier ; ".
" 1° la date de mise en service du bâtiment ou de l'unité de bâtiment, la date de fin des travaux ou actes soumis à autorisation ou à déclaration, la date d'octroi du permis d'urbanisme ou du permis d'environnement pour des actes urbanistiques ou de dépôt de la déclaration ou la date à laquelle a déclaration PEB a été introduite, selon la condition, énoncée dans le paragraphe 4, qui a été remplie en premier ; ".
Art. 96. Aan artikel 9.3.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 februari 2022 en 8 juli 2022, wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 5. In afwijking van paragraaf 1, paragraaf 2 en paragraaf 4, moet, voor een niet-residentieel gebouw of een niet-residentiële eenheid waarvoor op het moment van het verlijden van de authentieke akte reeds een geldig energieprestatiecertificaat beschikbaar is waaruit blijkt dat aan alle eisen, vermeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid, paragraaf 2, en paragraaf 4, is voldaan binnen vijf jaar vanaf de datum van de authentieke akte geen energieprestatiecertificaat worden opgemaakt. Die eigenaar, opstalhouder of erfpachter van het niet-residentieel gebouw of de niet-residentiële eenheid in kwestie mag echter de in het energieprestatiecertificaat vermelde installaties of constructies alleen wijzigen of vervangen voor zover die wijzigingen of vervangingen elk op zich minstens dezelfde prestaties leveren die in het energieprestatiecertificaat of haar bijlagen vermeld werden.".
" § 5. In afwijking van paragraaf 1, paragraaf 2 en paragraaf 4, moet, voor een niet-residentieel gebouw of een niet-residentiële eenheid waarvoor op het moment van het verlijden van de authentieke akte reeds een geldig energieprestatiecertificaat beschikbaar is waaruit blijkt dat aan alle eisen, vermeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid, paragraaf 2, en paragraaf 4, is voldaan binnen vijf jaar vanaf de datum van de authentieke akte geen energieprestatiecertificaat worden opgemaakt. Die eigenaar, opstalhouder of erfpachter van het niet-residentieel gebouw of de niet-residentiële eenheid in kwestie mag echter de in het energieprestatiecertificaat vermelde installaties of constructies alleen wijzigen of vervangen voor zover die wijzigingen of vervangingen elk op zich minstens dezelfde prestaties leveren die in het energieprestatiecertificaat of haar bijlagen vermeld werden.".
Art. 96. A l'article 9.3.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 4 février 2022 et 8 juillet 2022, un paragraphe 5 rédigé comme suit est ajouté :
" § 5. Par dérogation au paragraphe 1er, au paragraphe 2 et au paragraphe 4, dans le cas d'un bâtiment non résidentiel ou d'une unité non résidentielle possédant déjà, au moment de la passation de l'acte authentique, un certificat de performance énergétique valable attestant que toutes les exigences énoncées dans le paragraphe 1er, alinéas 1er et 2, dans le paragraphe 2 et dans le paragraphe 4, ont été remplies, il n'y a pas lieu d'établir de certificat de performance énergétique dans les cinq ans suivant la date de l'acte authentique. Ce propriétaire, ce superficiaire ou cet emphytéote du bâtiment non résidentiel ou de l'unité non résidentielle en question ne peut cependant modifier ou remplacer les installations ou constructions mentionnées dans le certificat de performance énergétique que dans la mesure où ces modifications ou remplacements fournissent au moins les mêmes performances que celles mentionnées dans le certificat de performance énergétique ou ses annexes. ".
" § 5. Par dérogation au paragraphe 1er, au paragraphe 2 et au paragraphe 4, dans le cas d'un bâtiment non résidentiel ou d'une unité non résidentielle possédant déjà, au moment de la passation de l'acte authentique, un certificat de performance énergétique valable attestant que toutes les exigences énoncées dans le paragraphe 1er, alinéas 1er et 2, dans le paragraphe 2 et dans le paragraphe 4, ont été remplies, il n'y a pas lieu d'établir de certificat de performance énergétique dans les cinq ans suivant la date de l'acte authentique. Ce propriétaire, ce superficiaire ou cet emphytéote du bâtiment non résidentiel ou de l'unité non résidentielle en question ne peut cependant modifier ou remplacer les installations ou constructions mentionnées dans le certificat de performance énergétique que dans la mesure où ces modifications ou remplacements fournissent au moins les mêmes performances que celles mentionnées dans le certificat de performance énergétique ou ses annexes. ".
Art. 97. In artikel 9.3.2, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° de zinsnede "beschermd cultuurhistorisch landschap," wordt opgeheven;
2° tussen de woorden "voorkomt op de" en de woorden "inventaris van bouwkundig erfgoed" wordt het woord "vastgestelde" ingevoegd.
1° de zinsnede "beschermd cultuurhistorisch landschap," wordt opgeheven;
2° tussen de woorden "voorkomt op de" en de woorden "inventaris van bouwkundig erfgoed" wordt het woord "vastgestelde" ingevoegd.
Art. 97. A l'article 9.3.2, alinéa 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° le membre de phrase " paysage historico-culturel protégé, " est abrogé ;
2° le mot établi " établi " est inséré entre les mots " l'inventaire " et les mots " du patrimoine architectural ".
1° le membre de phrase " paysage historico-culturel protégé, " est abrogé ;
2° le mot établi " établi " est inséré entre les mots " l'inventaire " et les mots " du patrimoine architectural ".
Art. 98. Aan artikel 9.3.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het tweede lid moet voor een residentieel gebouw of een residentiële eenheid waarvoor op het moment van het verlijden van de authentieke akte reeds een geldig energieprestatiecertificaat beschikbaar is met een label waardoor op dat moment reeds aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, is voldaan binnen vijf jaar vanaf de datum van de authentieke akte geen energieprestatiecertificaat worden opgemaakt. Die eigenaar, opstalhouder of erfpachter van het residentieel gebouw of de residentiële eenheid in kwestie mag echter de in het energieprestatiecertificaat vermelde installaties of constructies alleen wijzigen of vervangen voor zover die wijzigingen of vervangingen elk op zich minstens dezelfde prestaties leveren die in het energieprestatiecertificaat of haar bijlagen vermeld werden.".
"In afwijking van het tweede lid moet voor een residentieel gebouw of een residentiële eenheid waarvoor op het moment van het verlijden van de authentieke akte reeds een geldig energieprestatiecertificaat beschikbaar is met een label waardoor op dat moment reeds aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, is voldaan binnen vijf jaar vanaf de datum van de authentieke akte geen energieprestatiecertificaat worden opgemaakt. Die eigenaar, opstalhouder of erfpachter van het residentieel gebouw of de residentiële eenheid in kwestie mag echter de in het energieprestatiecertificaat vermelde installaties of constructies alleen wijzigen of vervangen voor zover die wijzigingen of vervangingen elk op zich minstens dezelfde prestaties leveren die in het energieprestatiecertificaat of haar bijlagen vermeld werden.".
Art. 98. A l'article 9.3.4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, un alinéa rédigé comme suit est ajouté :
" Par dérogation à l'alinéa 2, dans le cas d'un bâtiment résidentiel ou d'une unité résidentielle possédant déjà, au moment de la passation de l'acte authentique, un certificat de performance énergétique valable assorti d'un label selon lequel l'obligation visée à l'alinéa 1er a déjà été remplie à ce moment, il n'y a pas lieu d'établir de certificat de performance énergétique dans les cinq ans suivant la date de l'acte authentique.. Ce propriétaire, ce superficiaire ou cet emphytéote du bâtiment résidentiel ou de l'unité résidentielle en question ne peut cependant modifier ou remplacer les installations ou constructions mentionnées dans le certificat de performance énergétique que dans la mesure où ces modifications ou remplacements fournissent au moins les mêmes performances que celles mentionnées dans le certificat de performance énergétique ou ses annexes. ".
" Par dérogation à l'alinéa 2, dans le cas d'un bâtiment résidentiel ou d'une unité résidentielle possédant déjà, au moment de la passation de l'acte authentique, un certificat de performance énergétique valable assorti d'un label selon lequel l'obligation visée à l'alinéa 1er a déjà été remplie à ce moment, il n'y a pas lieu d'établir de certificat de performance énergétique dans les cinq ans suivant la date de l'acte authentique.. Ce propriétaire, ce superficiaire ou cet emphytéote du bâtiment résidentiel ou de l'unité résidentielle en question ne peut cependant modifier ou remplacer les installations ou constructions mentionnées dans le certificat de performance énergétique que dans la mesure où ces modifications ou remplacements fournissent au moins les mêmes performances que celles mentionnées dans le certificat de performance énergétique ou ses annexes. ".
Art. 99. Aan artikel 9.3.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van 8 juli 2022, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° de zinsnede "deel uitmaakt van een beschermd cultuurhistorisch landschap," wordt opgeheven;
2° tussen de woorden "voorkomt op de" en de woorden "inventaris van bouwkundig erfgoed" wordt het woord "vastgestelde" ingevoegd.
1° de zinsnede "deel uitmaakt van een beschermd cultuurhistorisch landschap," wordt opgeheven;
2° tussen de woorden "voorkomt op de" en de woorden "inventaris van bouwkundig erfgoed" wordt het woord "vastgestelde" ingevoegd.
Art. 99. A l'article 9.3.5 du même arrêté, inséré par l'arrêté du 8 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° le membre de phrase " fait partie d'un paysage culturel-historique, " est abrogé ;
2° le mot établi " établi " est inséré entre les mots " l'inventaire " et les mots " du patrimoine architectural ".
1° le membre de phrase " fait partie d'un paysage culturel-historique, " est abrogé ;
2° le mot établi " établi " est inséré entre les mots " l'inventaire " et les mots " du patrimoine architectural ".
Art. 100. In titel XI, hoofdstuk II, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2022, worden in het opschrift van afdeling IV de woorden "opleidings- en exameninstelling" vervangen door de zinsnede "opleidings-, vormings- of exameninstelling".
Art. 100. Dans le titre XI, chapitre II, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2022, dans l'intitulé de la section IV, les mots " institut de formation et d'examen " sont remplacés par le membre de phrase " établissement de formation ou d'un organisme d'examen ".
Art. 101. In artikel 11.2.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2013, en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 8 september 2017, 9 oktober 2020 en 11 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "opleidings- of exameninstelling" telkens vervangen door de zinsnede "opleidings-, vormings- of exameninstelling";
2° in het eerste lid, 2°, wordt de zinsnede "de artikelen 8.1.1, 8.4.1, 8.6.1 of 8.7.1" vervangen door de zinsnede "artikel 8.1.1, 8.1.1/2, 8.4.1, 8.6.1, 8.6.3 of 8.7.1,";
3° in het tweede lid wordt tussen de woorden "van de opleiding" en de woorden "of het examen" de zinsnede ", de vorming" ingevoegd.
1° in het eerste lid worden de woorden "opleidings- of exameninstelling" telkens vervangen door de zinsnede "opleidings-, vormings- of exameninstelling";
2° in het eerste lid, 2°, wordt de zinsnede "de artikelen 8.1.1, 8.4.1, 8.6.1 of 8.7.1" vervangen door de zinsnede "artikel 8.1.1, 8.1.1/2, 8.4.1, 8.6.1, 8.6.3 of 8.7.1,";
3° in het tweede lid wordt tussen de woorden "van de opleiding" en de woorden "of het examen" de zinsnede ", de vorming" ingevoegd.
Art. 101. A l'article 11.2.6 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2013 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 8 septembre 2017, 9 octobre 2020 et 11 décembre 2020, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, les mots " l'institut de formation ou d'examen " sont chaque fois remplacés par les mots " l'établissement de formation ou l'organisme d'examen " ;
2° à l'alinéa 1er, 2°, le membre de phrase " articles 8.1.1, 8.4.1, 8.6.1 ou 8.7.1 " est remplacé par le membre de phrase " articles 8.1.1, 8.1.1/2, 8.4.1, 8.6.1, 8.6.3 ou 8.7.1, " ;
3° à l'alinéa 2, les mots " l'institut de formation ou d'examen " sont remplacés par les mots " l'établissement de formation ou l'organisme d'examen ".
1° à l'alinéa 1er, les mots " l'institut de formation ou d'examen " sont chaque fois remplacés par les mots " l'établissement de formation ou l'organisme d'examen " ;
2° à l'alinéa 1er, 2°, le membre de phrase " articles 8.1.1, 8.4.1, 8.6.1 ou 8.7.1 " est remplacé par le membre de phrase " articles 8.1.1, 8.1.1/2, 8.4.1, 8.6.1, 8.6.3 ou 8.7.1, " ;
3° à l'alinéa 2, les mots " l'institut de formation ou d'examen " sont remplacés par les mots " l'établissement de formation ou l'organisme d'examen ".
Art. 102. In artikel 12.3.22 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2020 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021, wordt na de zinsnede "vermeld in artikel 9.2.3", de zinsnede "en artikel 9.2.3/1" ingevoegd.
Art. 102. Dans l'article 12.3.22 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 octobre 2020 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021, le membre de phrase " et à l'article 9.2.3/1 " est inséré après le membre de phrase " visée à l'article 9.2.3 ".
Art. 103. In artikel 12.3.27, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2022 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2022, worden de woorden "in de jaren 2022 en 2023" vervangen door de woorden "vanaf 1 januari 2022" en worden tussen de woorden "vanaf 1 juli 2022" en de woorden "worden de premies" de woorden "tot en met 31 december 2025" ingevoegd.
Art. 103. Dans l'article 12.3.27, alinéa 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 mai 2022 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022, le membre de phrase " dont la facture finale tombe en 2022 et en 2023 " est remplacé par le membre de phrase " avec facture finale à partir du 1er janvier 2022 " et le membre de phrase " jusqu'au 31 décembre 2025 " est inséré entre le membre de phrase " à partir du 1er juillet 2022 " et le membre de phrase " , les primes ".
Art. 104. Bijlage IV/1 bij het hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2018 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2020, wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 104. L'annexe IV/1 au même arrêté, insérée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2018 et modifiée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 décembre 2020, est remplacée par l'annexe 1re jointe au présent arrêté.
Art. 105. In bijlage V bij hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 2 december 2022, wordt punt 10.2.3.3.1 vervangen door wat volgt:
"10.2.3.3.1 Principe
Elektrische warmtepompen kunnen hun warmte onttrekken aan verschillende warmtebronnen:
* Bodem via een warmtetransporterend fluïdum. De warmtepomp pompt een warmtetransporterend fluïdum (meestal een anti-vries oplossing, bv. een water-glycol mengsel) door een ingegraven verticale of een horizontale warmtewisselaar. De warmte die dit medium aan de bodem onttrekt, wordt afgestaan aan de verdamper;
* Bodem via directe verdamping. De verdamper in de bodem onttrekt door geleiding voelbare warmte (en eventueel latente warmte, nl. door bevriezing) rechtstreeks aan de bodem zonder tussenkomst van een intermediair transportfluïdum;
* Grondwater, oppervlaktewater of gelijkaardig. Water wordt opgepompt, staat zijn warmte af aan de verdamper en wordt terug gepompt;
* Buitenlucht. De buitenlucht wordt met behulp van een ventilator over de verdamper geleid en staat er zijn warmte aan af;
* Afvoerlucht. De afvoerlucht van het ventilatiesysteem wordt over de verdamper geleid en staat er zijn warmte aan af;
* Andere.
Elektrische warmtepompen kunnen hun warmte afgeven aan water of lucht of aan de structuur van het gebouw (waarbij condensoren in de structuur van het gebouw (meestal vloeren, ev. ook andere scheidingsconstructies, bv. muren of plafonds) ingebed worden en de warmte rechtstreeks aan de gebouwstructuur afgeven (zonder tussenkomst van een intermediair transportfluïdum, zoals lucht of water)).
Mono- en multisplit warmtepompen worden gevormd door een combinatie van een buiteneenheid en één of meerdere binneneenheden. De prestatie van de warmtepomp wordt beïnvloed door de geplaatste combinatie aan binnen- en buiteneenheden. Wanneer er geen testgegevens beschikbaar zijn voor de geplaatste combinatie aan eenheden, wordt de waarde bij ontstentenis voor het opwekkingsrendement gebruikt.
Het opwekkingsrendement
* van elektrische warmtepompen op de markt gebracht vanaf 26/09/2015, met een nominaal vermogen dat niet groter is dan 400 kW en met:
° bodem via een warmtetransporterend fluïdum als warmtebron en water als warmteafvoerend fluïdum, of
° water als warmtebron en water als warmteafvoerend fluïdum, of
° buitenlucht als warmtebron en water als warmteafvoerend fluïdum, of
* van elektrische warmtepompen op de markt gebracht vanaf 01/01/2013, met een nominaal vermogen dat niet groter is dan 12 kW en met buitenlucht als warmtebron en lucht als warmteafvoerend fluïdum, of
* van elektrische warmtepompen op de markt gebracht vanaf 01/01/2018, met een nominaal vermogen dat groter is dan 12 kW maar niet groter dan 1 MW en met buitenlucht als warmtebron en lucht als warmteafvoerend fluïdum,
wordt bepaald volgens § 10.2.3.3.2.
Het opwekkingsrendement van andere elektrische warmtepompen wordt bepaald volgens § 10.2.3.3.3.
De waarde bij ontstentenis voor ηgen,heat voor elektrische warmtepompen met lucht als warmtebron én als warmteafvoerend fluïdum bedraagt:
- 3,30 als de buiten- en binneneenheden na 01/01/2018 op de markt zijn gebracht, een nominaal vermogen hebben dat groter is dan 12 kW maar niet groter dan 1 MW en de fabrikant geen technische documentatie volgens de Europese Verordening (EU) n° 2016/2281 voor de effectief toegepaste combinatie aanlevert maar wel voor een of meerdere andere combinaties van hetzelfde type buiteneenheid met hetzelfde type binneneenheid;
- als de buiten- en binneneenheden een nominaal vermogen hebben dat niet groter is dan 12 kW en de fabrikant geen technische documentatie volgens de Europese Verordening (EU) n° 206/2012 voor de effectief toegepaste combinatie aanlevert maar wel voor een of meerdere andere combinaties van hetzelfde type buiteneenheid met hetzelfde type binneneenheid, dan geldt als waarde bij ontstentenis voor ηgen,heat :
° 3,00 als de buiten- en binneneenheden na 01/01/2013 op de markt zijn gebracht,
° 3,40 als de buiten- en binneneenheden na 01/01/2014 op de markt zijn gebracht;
- 1,25 in alle andere gevallen.
Voor alle andere types elektrische warmtepompen is de waarde bij ontstentenis voor ηgen,heat gelijk aan 2,00.".
"10.2.3.3.1 Principe
Elektrische warmtepompen kunnen hun warmte onttrekken aan verschillende warmtebronnen:
* Bodem via een warmtetransporterend fluïdum. De warmtepomp pompt een warmtetransporterend fluïdum (meestal een anti-vries oplossing, bv. een water-glycol mengsel) door een ingegraven verticale of een horizontale warmtewisselaar. De warmte die dit medium aan de bodem onttrekt, wordt afgestaan aan de verdamper;
* Bodem via directe verdamping. De verdamper in de bodem onttrekt door geleiding voelbare warmte (en eventueel latente warmte, nl. door bevriezing) rechtstreeks aan de bodem zonder tussenkomst van een intermediair transportfluïdum;
* Grondwater, oppervlaktewater of gelijkaardig. Water wordt opgepompt, staat zijn warmte af aan de verdamper en wordt terug gepompt;
* Buitenlucht. De buitenlucht wordt met behulp van een ventilator over de verdamper geleid en staat er zijn warmte aan af;
* Afvoerlucht. De afvoerlucht van het ventilatiesysteem wordt over de verdamper geleid en staat er zijn warmte aan af;
* Andere.
Elektrische warmtepompen kunnen hun warmte afgeven aan water of lucht of aan de structuur van het gebouw (waarbij condensoren in de structuur van het gebouw (meestal vloeren, ev. ook andere scheidingsconstructies, bv. muren of plafonds) ingebed worden en de warmte rechtstreeks aan de gebouwstructuur afgeven (zonder tussenkomst van een intermediair transportfluïdum, zoals lucht of water)).
Mono- en multisplit warmtepompen worden gevormd door een combinatie van een buiteneenheid en één of meerdere binneneenheden. De prestatie van de warmtepomp wordt beïnvloed door de geplaatste combinatie aan binnen- en buiteneenheden. Wanneer er geen testgegevens beschikbaar zijn voor de geplaatste combinatie aan eenheden, wordt de waarde bij ontstentenis voor het opwekkingsrendement gebruikt.
Het opwekkingsrendement
* van elektrische warmtepompen op de markt gebracht vanaf 26/09/2015, met een nominaal vermogen dat niet groter is dan 400 kW en met:
° bodem via een warmtetransporterend fluïdum als warmtebron en water als warmteafvoerend fluïdum, of
° water als warmtebron en water als warmteafvoerend fluïdum, of
° buitenlucht als warmtebron en water als warmteafvoerend fluïdum, of
* van elektrische warmtepompen op de markt gebracht vanaf 01/01/2013, met een nominaal vermogen dat niet groter is dan 12 kW en met buitenlucht als warmtebron en lucht als warmteafvoerend fluïdum, of
* van elektrische warmtepompen op de markt gebracht vanaf 01/01/2018, met een nominaal vermogen dat groter is dan 12 kW maar niet groter dan 1 MW en met buitenlucht als warmtebron en lucht als warmteafvoerend fluïdum,
wordt bepaald volgens § 10.2.3.3.2.
Het opwekkingsrendement van andere elektrische warmtepompen wordt bepaald volgens § 10.2.3.3.3.
De waarde bij ontstentenis voor ηgen,heat voor elektrische warmtepompen met lucht als warmtebron én als warmteafvoerend fluïdum bedraagt:
- 3,30 als de buiten- en binneneenheden na 01/01/2018 op de markt zijn gebracht, een nominaal vermogen hebben dat groter is dan 12 kW maar niet groter dan 1 MW en de fabrikant geen technische documentatie volgens de Europese Verordening (EU) n° 2016/2281 voor de effectief toegepaste combinatie aanlevert maar wel voor een of meerdere andere combinaties van hetzelfde type buiteneenheid met hetzelfde type binneneenheid;
- als de buiten- en binneneenheden een nominaal vermogen hebben dat niet groter is dan 12 kW en de fabrikant geen technische documentatie volgens de Europese Verordening (EU) n° 206/2012 voor de effectief toegepaste combinatie aanlevert maar wel voor een of meerdere andere combinaties van hetzelfde type buiteneenheid met hetzelfde type binneneenheid, dan geldt als waarde bij ontstentenis voor ηgen,heat :
° 3,00 als de buiten- en binneneenheden na 01/01/2013 op de markt zijn gebracht,
° 3,40 als de buiten- en binneneenheden na 01/01/2014 op de markt zijn gebracht;
- 1,25 in alle andere gevallen.
Voor alle andere types elektrische warmtepompen is de waarde bij ontstentenis voor ηgen,heat gelijk aan 2,00.".
Art. 105. Dans l'annexe V au même arrêté, modifiée en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022, le point 10.2.3.3.1 est remplacé par ce qui suit :
" 10.2.3.3.1 Principe
Les pompes à chaleur électriques peuvent tirer leur chaleur de différentes sources de chaleur :
* sol via un fluide caloporteur : la pompe à chaleur pompe un fluide caloporteur (généralement, une solution antigel, par exemple, un mélange eau-glycol) à travers un échangeur de chaleur enterré vertical ou horizontal. La chaleur prélevée dans le sol par ce fluide est cédée à l'évaporateur ;
* sol par évaporation directe : l'évaporateur dans le sol tire directement la chaleur sensible du sol par conduction (et éventuellement la chaleur latente, par congélation) sans l'intervention d'un fluide de transport intermédiaire ;
* nappe phréatique, eau de surface ou similaire : l'eau est pompée, cède sa chaleur à l'évaporateur et est réinjectée dans son milieu d'origine ;
* air extérieur : l'air extérieur est amené jusqu'à l'évaporateur à l'aide d'un ventilateur et y cède sa chaleur ;
* air repris : l'air repris du système de ventilation est amené sur l'évaporateur et y cède sa chaleur ;
* autres.
Les pompes à chaleur électriques peuvent délivrer leur chaleur à l'eau, à l'air ou à la structure du bâtiment (où des condenseurs sont intégrés dans la structure du bâtiment (principalement les planchers et, éventuellement, d'autres parois comme par exemple les murs ou les plafonds) et délivrent la chaleur directement à la structure du bâtiment (sans l'intervention d'un fluide de transport intermédiaire tel que l'air ou l'eau)).
Les pompes à chaleur monosplit et multisplit sont formées par une combinaison d'une unité extérieure et d'une ou de plusieurs unités intérieures. La performance de la pompe à chaleur est influencée par la combinaison installée d'unités intérieures et extérieures. En l'absence de données d'essai pour la combinaison d'unités installée, on utilise la valeur par défaut pour le rendement de production.
Le rendement de production
* des pompes à chaleur électriques mises sur le marché à partir du 26/09/2015, d'une puissance nominale n'excédant pas 400 kW et utilisant :
° soit le sol via un fluide caloporteur comme source de chaleur et l'eau comme fluide caloporteur,
° soit l'eau comme source de chaleur et l'eau comme fluide caloporteur,
° soit l'air extérieur comme source de chaleur et l'eau comme fluide caloporteur, ou
* des pompes à chaleur électriques mises sur le marché à partir du 01/01/2013, d'une puissance nominale n'excédant pas 12 kW et utilisant l'air extérieur comme source de chaleur et l'air comme fluide caloporteur, ou
* des pompes à chaleur électriques mises sur le marché à partir du 01/01/2018, d'une puissance nominale supérieure à 12 kW mais n'excédant pas 1 MW et utilisant l'air extérieur comme source de chaleur et l'air comme fluide caloporteur
est déterminé selon le § 10.2.3.3.2.
Le rendement de production d'autres pompes à chaleur électriques est déterminé selon le § 10.2.3.3.3.
La valeur par défaut pour ηgen,heat pour des pompes à chaleur électriques utilisant l'air comme source de chaleur et comme fluide caloporteur est fixée à :
- 3,30 si les unités extérieures et intérieures ont été mises sur le marché après le 01/01/2018, ont une puissance nominale supérieure à 12 kW mais n'excédant pas 1 MW et si le fabricant ne fournit pas de documentation technique selon le règlement européen (UE) 2016/2281 pour la combinaison effectivement appliquée mais bien pour une ou plusieurs autres combinaisons du même type d'unité extérieure avec le même type d'unité intérieure ;
- si les unités extérieures et intérieures ont une puissance nominale n'excédant pas 12 kW et si le fabricant ne fournit pas de documentation technique selon le règlement européen (UE) no 206/2012 pour la combinaison effectivement appliquée mais bien pour une ou plusieurs autres combinaisons du même type d'unité extérieure avec le même type d'unité intérieure, la valeur par défaut pour ηgen,heat est :
° 3,00 si les unités extérieures et intérieures ont été mises sur le marché après le 01/01/2013,
° 3,40 si les unités extérieures et intérieures ont été mises sur le marché après le 01/01/2014 ;
- 1,25 dans tous les autres cas.
Pour tous les autres types de pompes à chaleur électriques, la valeur par défaut pour ηgen,heat est égale à 2,00. ".
" 10.2.3.3.1 Principe
Les pompes à chaleur électriques peuvent tirer leur chaleur de différentes sources de chaleur :
* sol via un fluide caloporteur : la pompe à chaleur pompe un fluide caloporteur (généralement, une solution antigel, par exemple, un mélange eau-glycol) à travers un échangeur de chaleur enterré vertical ou horizontal. La chaleur prélevée dans le sol par ce fluide est cédée à l'évaporateur ;
* sol par évaporation directe : l'évaporateur dans le sol tire directement la chaleur sensible du sol par conduction (et éventuellement la chaleur latente, par congélation) sans l'intervention d'un fluide de transport intermédiaire ;
* nappe phréatique, eau de surface ou similaire : l'eau est pompée, cède sa chaleur à l'évaporateur et est réinjectée dans son milieu d'origine ;
* air extérieur : l'air extérieur est amené jusqu'à l'évaporateur à l'aide d'un ventilateur et y cède sa chaleur ;
* air repris : l'air repris du système de ventilation est amené sur l'évaporateur et y cède sa chaleur ;
* autres.
Les pompes à chaleur électriques peuvent délivrer leur chaleur à l'eau, à l'air ou à la structure du bâtiment (où des condenseurs sont intégrés dans la structure du bâtiment (principalement les planchers et, éventuellement, d'autres parois comme par exemple les murs ou les plafonds) et délivrent la chaleur directement à la structure du bâtiment (sans l'intervention d'un fluide de transport intermédiaire tel que l'air ou l'eau)).
Les pompes à chaleur monosplit et multisplit sont formées par une combinaison d'une unité extérieure et d'une ou de plusieurs unités intérieures. La performance de la pompe à chaleur est influencée par la combinaison installée d'unités intérieures et extérieures. En l'absence de données d'essai pour la combinaison d'unités installée, on utilise la valeur par défaut pour le rendement de production.
Le rendement de production
* des pompes à chaleur électriques mises sur le marché à partir du 26/09/2015, d'une puissance nominale n'excédant pas 400 kW et utilisant :
° soit le sol via un fluide caloporteur comme source de chaleur et l'eau comme fluide caloporteur,
° soit l'eau comme source de chaleur et l'eau comme fluide caloporteur,
° soit l'air extérieur comme source de chaleur et l'eau comme fluide caloporteur, ou
* des pompes à chaleur électriques mises sur le marché à partir du 01/01/2013, d'une puissance nominale n'excédant pas 12 kW et utilisant l'air extérieur comme source de chaleur et l'air comme fluide caloporteur, ou
* des pompes à chaleur électriques mises sur le marché à partir du 01/01/2018, d'une puissance nominale supérieure à 12 kW mais n'excédant pas 1 MW et utilisant l'air extérieur comme source de chaleur et l'air comme fluide caloporteur
est déterminé selon le § 10.2.3.3.2.
Le rendement de production d'autres pompes à chaleur électriques est déterminé selon le § 10.2.3.3.3.
La valeur par défaut pour ηgen,heat pour des pompes à chaleur électriques utilisant l'air comme source de chaleur et comme fluide caloporteur est fixée à :
- 3,30 si les unités extérieures et intérieures ont été mises sur le marché après le 01/01/2018, ont une puissance nominale supérieure à 12 kW mais n'excédant pas 1 MW et si le fabricant ne fournit pas de documentation technique selon le règlement européen (UE) 2016/2281 pour la combinaison effectivement appliquée mais bien pour une ou plusieurs autres combinaisons du même type d'unité extérieure avec le même type d'unité intérieure ;
- si les unités extérieures et intérieures ont une puissance nominale n'excédant pas 12 kW et si le fabricant ne fournit pas de documentation technique selon le règlement européen (UE) no 206/2012 pour la combinaison effectivement appliquée mais bien pour une ou plusieurs autres combinaisons du même type d'unité extérieure avec le même type d'unité intérieure, la valeur par défaut pour ηgen,heat est :
° 3,00 si les unités extérieures et intérieures ont été mises sur le marché après le 01/01/2013,
° 3,40 si les unités extérieures et intérieures ont été mises sur le marché après le 01/01/2014 ;
- 1,25 dans tous les autres cas.
Pour tous les autres types de pompes à chaleur électriques, la valeur par défaut pour ηgen,heat est égale à 2,00. ".
Art. 106. In bijlage VI, punt 7.5.1, bij hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 2 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de zin "Het opwekkingsrendement voor ruimteverwarming van multisplit-systemen wordt bepaald zoals hieronder beschreven." wordt vervangen door de zin "Het opwekkingsrendement voor ruimteverwarming van multisplit-systemen met een variabel koelmiddeldebiet wordt bepaald zoals hieronder beschreven.";
2° het vijfde lid, dat bestaat uit "Bepaal het maandelijks opwekkingsrendement ηgen,heat,m van andere multisplit-systemen (niet-VRF) als volgt:
* als de buiten- en binneneenheden na 01/01/2018 op de markt zijn gebracht, een nominaal vermogen hebben dat groter is dan 12 kW maar niet groter dan 1 MW en de fabrikant geen technische documentatie volgens de Europese Verordening (EU) n° 2016/2281 voor de effectief toegepaste combinatie aanlevert maar wel voor een of meerdere andere combinaties van hetzelfde type buitenunit met hetzelfde type binnenunit, dan geldt:
* ηgen,heat,sec i,m = 3,30 (-)
* in alle andere gevallen geldt:
Eq. 413 ηgen,heat,sec i,m = ηgen,heat (-)
met:
ηgen,heat het opwekkingsrendement van de elektrische warmtepomp, bepaald volgens § 10.2.3.3 van bijlage EPW, (-)." wordt opgeheven.
1° de zin "Het opwekkingsrendement voor ruimteverwarming van multisplit-systemen wordt bepaald zoals hieronder beschreven." wordt vervangen door de zin "Het opwekkingsrendement voor ruimteverwarming van multisplit-systemen met een variabel koelmiddeldebiet wordt bepaald zoals hieronder beschreven.";
2° het vijfde lid, dat bestaat uit "Bepaal het maandelijks opwekkingsrendement ηgen,heat,m van andere multisplit-systemen (niet-VRF) als volgt:
* als de buiten- en binneneenheden na 01/01/2018 op de markt zijn gebracht, een nominaal vermogen hebben dat groter is dan 12 kW maar niet groter dan 1 MW en de fabrikant geen technische documentatie volgens de Europese Verordening (EU) n° 2016/2281 voor de effectief toegepaste combinatie aanlevert maar wel voor een of meerdere andere combinaties van hetzelfde type buitenunit met hetzelfde type binnenunit, dan geldt:
* ηgen,heat,sec i,m = 3,30 (-)
* in alle andere gevallen geldt:
Eq. 413 ηgen,heat,sec i,m = ηgen,heat (-)
met:
ηgen,heat het opwekkingsrendement van de elektrische warmtepomp, bepaald volgens § 10.2.3.3 van bijlage EPW, (-)." wordt opgeheven.
Art. 106. A l'annexe VI, point 7.5.1, au même arrêté, modifiée en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° la phrase " Pour les systèmes multisplit, le rendement de production pour le chauffage est déterminé comme décrit ci-dessous. " est remplacée par la phrase " Le rendement de production pour le chauffage de systèmes multisplit à débit de réfrigérant variable est déterminé comme décrit ci-dessous. " ;
2° l'alinéa 5, qui comprend " Le rendement de production mensuel ηgen,heat,m d'autres systèmes multisplit (qui ne sont pas VRF) est déterminé comme suit :
* si les unités extérieures et intérieures ont été mises sur le marché après le 01/01/2018, ont une puissance nominale supérieure à 12 kW mais n'excédant pas 1 MW et si le fabricant ne fournit pas de documentation technique selon le règlement européen (UE) 2016/2281 pour la combinaison effectivement appliquée mais bien pour une ou plusieurs autres combinaisons du même type d'unité extérieure avec le même type d'unité intérieure, on a :
* ηgen,heat,sec i,m = 3,30 (-)
* dans tous les autres cas, on a :
Eq. 413 ηgen,heat,sec i,m = ηgen,heat (-)
où :
ηgen,heat le rendement de production de la pompe à chaleur électrique, déterminé selon le § 10.2.3.3 de l'annexe PER, (-). " est abrogé.
1° la phrase " Pour les systèmes multisplit, le rendement de production pour le chauffage est déterminé comme décrit ci-dessous. " est remplacée par la phrase " Le rendement de production pour le chauffage de systèmes multisplit à débit de réfrigérant variable est déterminé comme décrit ci-dessous. " ;
2° l'alinéa 5, qui comprend " Le rendement de production mensuel ηgen,heat,m d'autres systèmes multisplit (qui ne sont pas VRF) est déterminé comme suit :
* si les unités extérieures et intérieures ont été mises sur le marché après le 01/01/2018, ont une puissance nominale supérieure à 12 kW mais n'excédant pas 1 MW et si le fabricant ne fournit pas de documentation technique selon le règlement européen (UE) 2016/2281 pour la combinaison effectivement appliquée mais bien pour une ou plusieurs autres combinaisons du même type d'unité extérieure avec le même type d'unité intérieure, on a :
* ηgen,heat,sec i,m = 3,30 (-)
* dans tous les autres cas, on a :
Eq. 413 ηgen,heat,sec i,m = ηgen,heat (-)
où :
ηgen,heat le rendement de production de la pompe à chaleur électrique, déterminé selon le § 10.2.3.3 de l'annexe PER, (-). " est abrogé.
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
CHAPITRE 4. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement
Art. 107. In artikel 37, § 10, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2020, wordt punt b opgeheven.
Art. 107. Dans l'article 37, § 10, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 portant exécution du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2020, le point b est abrogé.
Art. 108. In addendum RY van bijlage 2 bij hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2021, worden in vraag 1 de woorden "of een hervergunning van een BKG-installatie" opgeheven.
Art. 108. Dans l'addendum RY de l'annexe 2 au même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 avril 2021, dans la question 1, les mots " ou un renouvellement d'autorisation d'une installation de GES " est abrogé.
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van het besluit van 4 februari 2022 van de Vlaamse Regering tot oprichting van een uniek loket voor de aanvraag en behandeling van bepaalde woon- en energiepremies en tot wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010 en het Besluit van de Vlaamse Codex Wonen van 2021
CHAPITRE 5. - Modification de l'arrêté du 4 février 2022 du Gouvernement flamand créant un guichet unique pour la demande et l'examen de certaines primes au logement et primes énergie et modifiant l'arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010 et l'arrêté Code flamand du Logement de 2021
Art. 109. In artikel 1 van het besluit van 4 februari 2022 van de Vlaamse Regering tot oprichting van een uniek loket voor de aanvraag en behandeling van bepaalde woon- en energiepremies en tot wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010 en het Besluit van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
"2° de premies, vermeld in artikel 6.4.1/6, § 1, van het Energiebesluit van 19 november 2010.".
"2° de premies, vermeld in artikel 6.4.1/6, § 1, van het Energiebesluit van 19 november 2010.".
Art. 109. Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2022 créant un guichet unique pour la demande et l'examen de certaines primes au logement et primes énergie et modifiant l'arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010 et l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° les primes mentionnées à l'article 6.4.1/6, § 1er, de l'arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010. ".
" 2° les primes mentionnées à l'article 6.4.1/6, § 1er, de l'arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010. ".
HOOFDSTUK 6. - Overgangs- en slotbepalingen
CHAPITRE 6. - Dispositions transitoires et finales
Art. 110. Artikel 12 van het decreet van 17 december 2021 tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft toewijzingen aan het Energiefonds, wijzigingen betreffende flexibiliteit en energiedelen, de uitbouw van het energiedataplatform en de herziening van de administratieve geldboetes aangaande installatie-eisen treedt in werking op 1 oktober 2023.
Art. 110. L'article 12 du décret du 17 décembre 2021 modifiant le décret sur l'Energie du 8 mai 2009, en ce qui concerne les allocations au Fonds de l'Energie, les modifications relatives à la flexibilité et au partage d'énergie, le développement de la plateforme de données énergétiques et la révision des amendes administratives en matière d'exigences d'installation entre en vigueur le 1er octobre 2023.
Art. 111. Artikel 3, 7° en 8° en artikel 31 van het decreet van 23 december 2022 tot wijziging van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging, het Energiedecreet van 8 mei 2009, het decreet van 13 juli 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2012 en het decreet van 17 december 2021 tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft toewijzingen aan het Energiefonds, wijzigingen betreffende flexibiliteit en energiedelen, de uitbouw van het energiedataplatform en de herziening van de administratieve geldboetes aangaande installatie-eisen treden in werking op 1 december 2023.
Art. 111. L'article 3, 7° et 8°, et l'article 31 du décret du 23 décembre 2022 modifiant la loi du 28 décembre 1964 relative à la lutte contre la pollution atmosphérique, le décret sur l'Energie du 8 mai 2009, le décret du 13 juillet 2012 contenant les dispositions accompagnant le deuxième ajustement du budget 2012 et le décret du 17 décembre 2021 modifiant le décret sur l'Energie du 8 mai 2009, en ce qui concerne les allocations au Fonds de l'Energie, les modifications relatives à la flexibilité et au partage d'énergie, le développement de la plateforme de données énergétiques et la révision des amendes administratives en matière d'exigences d'installation entrent en vigueur le 1er décembre 2023.
Art. 112. Als de premie, vermeld in artikel 6.4.1/1/4 van het Energiebesluit, door de investeerder reeds voor [1 1 januari 2025]1 werd geactiveerd, dan blijft de procedure beschreven in artikel 6.4.1/1/4, zesde lid, van het Energiebesluit, in de lezing zoals van toepassing voorafgaand aan de wijziging ervan bij artikel 21 van dit besluit, op dat dossier van toepassing.
Modifications
Art. 112. Si la prime mentionnée à l'article 6.4.1/1/4 de l'arrêté relatif à l'Energie était déjà activée par l'investisseur avant le [1 1er janvier 2025]1, la procédure décrite dans l'article 6.4.1/1/4, alinéa 6, de l'arrêté relatif à l'Energie, dans sa rédaction antérieure à sa modification par l'article 21 du présent arrêté, demeure applicable à ce dossier.
Modifications
Art. 113. Artikel 6.4.1/5/2, § 3, eerste lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals gewijzigd bij artikel 24 van dit besluit, is van toepassing op aanvragen ingediend vanaf 1 januari 2023.
Art. 113. L'article 6.4.1/5/2, § 3, alinéa 1er, de l'arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010, tel que modifié par l'article 24 du présent arrêté, s'applique aux demandes introduites à partir du 1er janvier 2023.
Art. 114. Als de premie, vermeld in artikel 6.4.1/1/4 van het Energiebesluit, voor [1 1 januari 2025]1 werd geactiveerd, dan blijft artikel 6.4.1/6, § 6, van het Energiebesluit, in de lezing zoals van toepassing voorafgaand aan de wijziging ervan bij artikel 25, 3° van dit besluit, op dat dossier van toepassing.
Modifications
Art. 114. Si la prime mentionnée à l'article 6.4.1/1/4 de l'arrêté relatif à l'Energie était activée avant le [1 1er janvier 2025]1, l'article 6.4.1/6, § 6, de l'arrêté relatif à l'Energie, dans sa rédaction antérieure à sa modification par l'article 25, 3° du présent arrêté, demeure applicable à ce dossier.
Modifications
Art. 115. Artikel 6.4.1/8, van het Energiebesluit van 19 november 2010, in de lezing voorafgaand aan de wijziging ervan bij artikel 28 van dit besluit, blijft van toepassing op de ondersteuning die bij de elektriciteitsdistributienetbeheerders is aangevraagd voor een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, vast te stellen datum [1 ...]1.
Modifications
Art. 115. L'article 6.4.1/8, de l'arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010, dans sa rédaction antérieure à sa modification par l'article 28 du présent arrêté, demeure applicable au soutien demandé auprès des gestionnaires de réseau de distribution d'électricité avant une date à fixer par le ministre flamand qui a l'Energie dans ses attributions [1 ...]1.
Modifications
Art. 116. Artikel 7.9.1, § 2, 3°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals gewijzigd bij artikel 64 van dit besluit, is voor het eerst van toepassing op leningsaanvragen die ingediend worden vanaf 1 juli 2023.
Art. 116. L'article 7.9.1, § 2, 3°, de l'arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010, tel que modifié par l'article 64 du présent arrêté, s'applique pour la première fois aux demandes de prêt introduites à partir du 1er juillet 2023.
Art. 117. Artikel 9.1.29/1, tweede en derde lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals gewijzigd bij artikel 76 van dit besluit, is voor het eerst van toepassing op afwijkingsaanvragen die ingediend worden vanaf 1 juli 2023.
Art. 117. L'article 9.1.29/1 de l'arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010, tel que modifié par l'article 76 du présent arrêté, s'applique pour la première fois aux demandes de dérogation introduites à partir du 1er juillet 2023.
Art. 118. Voor groenestroominstallaties en warmte-krachtinstallaties die op de datum van inwerkingtreding van artikel 6.1.2, § 1, vierde lid, en artikel 6.2.2, § 1, vierde lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 15, 2°, en artikel 17, 2°, van dit besluit, meer dan achttien maanden en minder dan dertig maandenin dienst zijn genomen of meer dan achttien maanden en meer dan dertig maanden ingrijpend zijn gewijzigd en waarvoor nog geen aanvraag voor de toekenning van certificaten werd ingediend, kan de aanvraag voor de toekenning van certificaten in afwijking van artikel 6.1.2, § 1, vierde lid, en artikel 6.2.2, § 1, vierde lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010 tot uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van artikel 6.1.2, § 1, vierde lid, en artikel 6.2.2, § 1, vierde lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010 worden ingediend.
Art. 118. Pour les installations de production d'électricité verte et les installations de cogénération qui, à la date d'entrée en vigueur de l'article 6.1.2, § 1er, alinéa 4, et de l'article 6.2.2, § 1er, alinéa 4, de l'arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010, tels qu'insérés par l'article 15, 2°, et l'article 17, 2°, du présent arrêté, ont été mises en service depuis plus de dix-huit mois et moins de trente mois ou ont été profondément modifiées depuis plus de dix-huit mois et moins de trente mois et pour lesquelles aucune demande d'octroi de certificats n'a encore été introduite, la demande d'octroi de certificats peut être introduite, par dérogation à l'article 6.1.2, § 1er, alinéa 4, et à l'article 6.2.2, § 1er, alinéa 4, de l'arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010, pendant une période maximale de six mois à compter de la date d'entrée en vigueur de l'article 6.1.2, § 1er, alinéa 4, et de l'article 6.2.2, § 1er, alinéa 4, de l'arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010.
Art. 119. Artikelen 2, 110 en 113 treden in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 7°, en negende tot en met tiende lid van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit, en artikel 7.9.3/1, § 2, tweede lid, 5°, en zevende lid, zoals ingevoegd bij artikel 67 van dit besluit, hebben uitwerking vanaf 1 januari 2023.
Artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 8°, en achtste lid van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit, en artikel 7.9.3/1, § 2, tweede lid, 6°, en paragraaf 4/2, van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 67 van dit besluit, hebben uitwerking vanaf 1 maart 2023.
Artikel 13 en artikelen 54 tot en met 62 treden in werking op 1 juli 2023.
Artikel 6.4.1/4, eerste lid, tweede lid, 3°, vierde en achtste lid van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 22 van dit besluit, hebben uitwerking vanaf 1 juli 2023.
Artikelen 79, 2°, 91, 2°, 97 en 99 treden in werking op 1 oktober 2023.
Artikelen 41 tot en met 46 en artikel 104 treden in werking op 1 december 2023.
Artikelen 12, 1°, en 27 treden in werking op 1 januari 2024.
Bijlagen V en VI bij het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals van kracht vanaf de datum van inwerkingtreding van respectievelijk artikel 105 en 106 van dit besluit, zijn voor het eerst van toepassing op dossiers waarbij de melding of de aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wordt ingediend vanaf 1 januari 2024.
[1 ...]1, artikel 25, 1° en 3°, en artikel 112 treden in werking op 1 april 2024.
[1 Artikel 6.4.1/4, tweede lid, 1А en 2А, derde en zevende lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 22 van dit besluit, artikel 7.9.2/1, Ї 1, eerste lid, 5А en tweede en derde lid van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit, en artikel 7.9.3/1, Ї 2, tweede lid, 3А, vijfde lid, paragraaf 4/1 van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 67 van dit besluit, hebben uitwerking op [2 1 januari 2025]2.]1
[1 [3 Artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit, en gewijzigd bij artikel 17, 2° van het besluit van 23 mei 2025, artikel 7.9.2/1, § 1, vierde tot en met zevende lid, van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit]3 en artikel 7.9.3/1, Ї 2, tweede lid, 4А, zesde lid, en paragraaf 4/3 van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 67 van dit besluit, hebben uitwerking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, vast te stellen datum.]1
Artikel 12, 2° en 3°, treedt in werking op 1 juli 2024.
Artikelen 28 tot en met 30 treden in werking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, vast te stellen datum [1 ...]1.
Artikel 31 treedt in werking op een datum door de minister, bevoegd voor het Woonbeleid, te bepalen datum.
[1 Artikel 21 treedt in werking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, vast te stellen datum.]1
Artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 7°, en negende tot en met tiende lid van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit, en artikel 7.9.3/1, § 2, tweede lid, 5°, en zevende lid, zoals ingevoegd bij artikel 67 van dit besluit, hebben uitwerking vanaf 1 januari 2023.
Artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 8°, en achtste lid van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit, en artikel 7.9.3/1, § 2, tweede lid, 6°, en paragraaf 4/2, van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 67 van dit besluit, hebben uitwerking vanaf 1 maart 2023.
Artikel 13 en artikelen 54 tot en met 62 treden in werking op 1 juli 2023.
Artikel 6.4.1/4, eerste lid, tweede lid, 3°, vierde en achtste lid van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 22 van dit besluit, hebben uitwerking vanaf 1 juli 2023.
Artikelen 79, 2°, 91, 2°, 97 en 99 treden in werking op 1 oktober 2023.
Artikelen 41 tot en met 46 en artikel 104 treden in werking op 1 december 2023.
Artikelen 12, 1°, en 27 treden in werking op 1 januari 2024.
Bijlagen V en VI bij het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals van kracht vanaf de datum van inwerkingtreding van respectievelijk artikel 105 en 106 van dit besluit, zijn voor het eerst van toepassing op dossiers waarbij de melding of de aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wordt ingediend vanaf 1 januari 2024.
[1 ...]1, artikel 25, 1° en 3°, en artikel 112 treden in werking op 1 april 2024.
[1 Artikel 6.4.1/4, tweede lid, 1А en 2А, derde en zevende lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 22 van dit besluit, artikel 7.9.2/1, Ї 1, eerste lid, 5А en tweede en derde lid van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit, en artikel 7.9.3/1, Ї 2, tweede lid, 3А, vijfde lid, paragraaf 4/1 van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 67 van dit besluit, hebben uitwerking op [2 1 januari 2025]2.]1
[1 [3 Artikel 7.9.2/1, § 1, eerste lid, 6°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit, en gewijzigd bij artikel 17, 2° van het besluit van 23 mei 2025, artikel 7.9.2/1, § 1, vierde tot en met zevende lid, van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 66 van dit besluit]3 en artikel 7.9.3/1, Ї 2, tweede lid, 4А, zesde lid, en paragraaf 4/3 van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd bij artikel 67 van dit besluit, hebben uitwerking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, vast te stellen datum.]1
Artikel 12, 2° en 3°, treedt in werking op 1 juli 2024.
Artikelen 28 tot en met 30 treden in werking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, vast te stellen datum [1 ...]1.
Artikel 31 treedt in werking op een datum door de minister, bevoegd voor het Woonbeleid, te bepalen datum.
[1 Artikel 21 treedt in werking op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, vast te stellen datum.]1
Art. 119. Les articles 2, 110 et 113 entrent en vigueur le jour de leur publication au Moniteur belge.
L'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 7°, et alinéas 9 et 10, de l'arrêté relatif à l'Energie, tels qu'insérés par l'article 66 du présent arrêté, et l'article 7.9.3/1, § 2, alinéa 2, 5°, et alinéa 7, tels qu'insérés par l'article 67 du présent arrêté, produisent leurs effets le 1er janvier 2023.
L'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 8°, et alinéa 8, de l'arrêté relatif à l'Energie, tels qu'insérés par l'article 66 du présent arrêté, et l'article 7.9.3/1, § 2, alinéa 2, 6°, et paragraphe 4/2, de l'arrêté relatif à l'Energie, tels qu'insérés par l'article 67 du présent arrêté, produisent leurs effets le 1er mars 2023.
L'article 13 et les articles 54 à 62 entrent en vigueur le 1er juillet 2023.
L'article 6.4.1/4, alinéa 1er, alinéa 2, 3°, alinéas 4 et 8, de l'arrêté relatif à l'Energie, tels qu'insérés par l'article 22 du présent arrêté, produit ses effets le 1er juillet 2023.
L'article 79, 2°, l'article 91, 2°, et les articles 97 et 99 entrent en vigueur le 1er octobre 2023.
Les articles 41 à 46 et l'article 104 entrent en vigueur le 1er décembre 2023.
L'article 12, 1°, et l'article 27 entrent en vigueur le 1er janvier 2024.
Les annexes V et VI à l'arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010, telles qu'en vigueur à partir de la date d'entrée en vigueur des articles 105 et 106, respectivement, du présent arrêté, s'appliquent pour la première fois aux dossiers pour lesquels la déclaration ou la demande de permis d'environnement pour des actes urbanistiques est introduite à partir du 1er janvier 2024.
[1 ...]1 l'article 25, 1° et 3°, et l'article 112 entrent en vigueur le 1er avril 2024.
[1 L'article 6.4.1/4, alinéa 2, 1° et 2°, alinéas 3 et 7, de l'Arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, tels qu'insérés par l'article 22 du présent arrêté, l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 5°, et alinéas 2 et 3 de l'Arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, tels qu'insérés par l'article 66 du présent arrêté, et l'article 7.9.3/1, § 2, alinéa 2, 3°, alinéa 5, paragraphe 4/1 de l'Arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, tel qu'inséré par l'article 67 du présent arrêté, produisent leurs effets à une date à fixer par le ministre flamand qui a l'énergie dans ses attributions. ]1.
[1 [3 L'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, tel qu'inséré par l'article 66 du présent arrêté, et modifié par l'article 17, 2°, de l'arrêté du 23 mai 2025, l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéas 4 à 7, de l'arrêté relatif à l'énergie, tel qu'inséré par l'article 66 du présent arrêté]3, et l'article 7.9.3/1, § 2, alinéa 2, 4°, alinéa 6, et paragraphe 4/3 de l'Arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, tels qu'insérés par l'article 67 du présent arrêté, produisent leurs effets à une date à fixer par le ministre flamand qui a l'énergie dans ses attributions. ]1
L'article 12, 2° et 3°, entre en vigueur le 1er juillet 2024.
Les articles 28 à 30 entrent en vigueur [2 le 1er janvier 2025]2[1 ...]1.
L'article 31 entre en vigueur à une date à déterminer par le ministre qui a la politique du Logement dans ses attributions.
[1 L'article 21 entre en vigueur à une date à fixer par le ministre flamand qui a l'énergie dans ses attributions.]1
L'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 7°, et alinéas 9 et 10, de l'arrêté relatif à l'Energie, tels qu'insérés par l'article 66 du présent arrêté, et l'article 7.9.3/1, § 2, alinéa 2, 5°, et alinéa 7, tels qu'insérés par l'article 67 du présent arrêté, produisent leurs effets le 1er janvier 2023.
L'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 8°, et alinéa 8, de l'arrêté relatif à l'Energie, tels qu'insérés par l'article 66 du présent arrêté, et l'article 7.9.3/1, § 2, alinéa 2, 6°, et paragraphe 4/2, de l'arrêté relatif à l'Energie, tels qu'insérés par l'article 67 du présent arrêté, produisent leurs effets le 1er mars 2023.
L'article 13 et les articles 54 à 62 entrent en vigueur le 1er juillet 2023.
L'article 6.4.1/4, alinéa 1er, alinéa 2, 3°, alinéas 4 et 8, de l'arrêté relatif à l'Energie, tels qu'insérés par l'article 22 du présent arrêté, produit ses effets le 1er juillet 2023.
L'article 79, 2°, l'article 91, 2°, et les articles 97 et 99 entrent en vigueur le 1er octobre 2023.
Les articles 41 à 46 et l'article 104 entrent en vigueur le 1er décembre 2023.
L'article 12, 1°, et l'article 27 entrent en vigueur le 1er janvier 2024.
Les annexes V et VI à l'arrêté relatif à l'Energie du 19 novembre 2010, telles qu'en vigueur à partir de la date d'entrée en vigueur des articles 105 et 106, respectivement, du présent arrêté, s'appliquent pour la première fois aux dossiers pour lesquels la déclaration ou la demande de permis d'environnement pour des actes urbanistiques est introduite à partir du 1er janvier 2024.
[1 ...]1 l'article 25, 1° et 3°, et l'article 112 entrent en vigueur le 1er avril 2024.
[1 L'article 6.4.1/4, alinéa 2, 1° et 2°, alinéas 3 et 7, de l'Arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, tels qu'insérés par l'article 22 du présent arrêté, l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 5°, et alinéas 2 et 3 de l'Arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, tels qu'insérés par l'article 66 du présent arrêté, et l'article 7.9.3/1, § 2, alinéa 2, 3°, alinéa 5, paragraphe 4/1 de l'Arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, tel qu'inséré par l'article 67 du présent arrêté, produisent leurs effets à une date à fixer par le ministre flamand qui a l'énergie dans ses attributions. ]1.
[1 [3 L'article 7.9.2/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, tel qu'inséré par l'article 66 du présent arrêté, et modifié par l'article 17, 2°, de l'arrêté du 23 mai 2025, l'article 7.9.2/1, § 1er, alinéas 4 à 7, de l'arrêté relatif à l'énergie, tel qu'inséré par l'article 66 du présent arrêté]3, et l'article 7.9.3/1, § 2, alinéa 2, 4°, alinéa 6, et paragraphe 4/3 de l'Arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010, tels qu'insérés par l'article 67 du présent arrêté, produisent leurs effets à une date à fixer par le ministre flamand qui a l'énergie dans ses attributions. ]1
L'article 12, 2° et 3°, entre en vigueur le 1er juillet 2024.
Les articles 28 à 30 entrent en vigueur [2 le 1er janvier 2025]2[1 ...]1.
L'article 31 entre en vigueur à une date à déterminer par le ministre qui a la politique du Logement dans ses attributions.
[1 L'article 21 entre en vigueur à une date à fixer par le ministre flamand qui a l'énergie dans ses attributions.]1
Art. 120. De Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, de Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het klimaat, zijn ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 120. Le ministre flamand qui a l'Energie dans ses attributions, le ministre flamand qui a l'Environnement et la Nature dans ses attributions et le ministre flamand qui a le Climat dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-08-2023, p. 70140)
Art. N1.. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-08-2023, p. 70173)
Art. N2. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-08-2023, p. 70143)
Art. N2.. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 28-08-2023, p. 70176)