Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
12 MEI 2023. - Besluit van de Vlaamse Regering tot overdracht van de secretarissen van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen en tot wijziging en opheffing van diverse besluiten wat betreft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen en de rechtspositieregeling van de bestuursrechters van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges
Titre
12 MAI 2023. - Arrêté du Gouvernement flamand portant transfert des secrétaires du Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études et modifiant et abrogeant divers arrêtés relatifs au Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études et au statut juridique des juges administratifs de certaines juridictions administratives flamandes
Informations sur le document
Numac: 2023043121
Datum: 2023-05-12
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2023043121
Date: 2023-05-12
Moniteur: Voir
Tekst (26)
Texte (26)
HOOFDSTUK 1. - Overdracht van secretarissen van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen aan de Dienst van de Bestuursrechtscolleges
CHAPITRE 1er. - Transfert des secrétaires du Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études au Service des Juridictions administratives (" Dienst van de Bestuursrechtscolleges ")
Artikel 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen, afgekort AHOVOKS: het agentschap dat opgericht is bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 tot oprichting van het intern verzelfstandigd Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen;
  2° de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen: de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, vermeld in artikel II.285 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.
Article 1er. Dans le présent chapitre, on entend par :
  1° l'Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes, en abrégé AHOVOKS : l'agence créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009 portant création de l'agence autonomisée interne " Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen " ;
  2° le Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études : le Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études, visé à l'article II.285 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013.
Art. 2. De personeelsleden van AHOVOKS die aangesteld zijn als secretaris van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen en opgenomen zijn in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, worden ambtshalve overgedragen aan de Dienst van de Bestuursrechtscolleges.
  Voor het contractuele personeelslid, opgenomen in punt 2° van de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, geldt dezelfde arbeidsovereenkomst als op de dag vóór zijn overdracht, op voorwaarde dat een bijlage bij zijn arbeidsovereenkomst ondertekend is door de Dienst van de Bestuursrechtscolleges, AHOVOKS en het betrokken personeelslid. Hij kan er evenwel ook voor kiezen om een nieuwe arbeidsovereenkomst te sluiten met de Dienst van de Bestuursrechtscolleges.
  Indien het contractuele personeelslid vóór de overdracht bij AHOVOKS tot ambtenaar is benoemd, geschiedt de overdracht op dezelfde wijze als het statutaire personeelslid, opgenomen in punt 1° van de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 2. Les membres du personnel de l'AHOVOKS qui ont été désignés en tant que secrétaires du Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études et sont repris dans l'annexe jointe au présent arrêté sont transférés d'office au Service des Juridictions administratives.
  Le membre du personnel contractuel repris au point 2° de l'annexe jointe au présent arrêté est soumis au même contrat de travail que le jour précédant son transfert, à condition qu'une annexe à son contrat de travail ait été signée par le Service des Juridictions administratives, l'AHOVOKS et le membre du personnel concerné. Il peut toutefois également choisir de conclure un nouveau contrat de travail avec le Service des Juridictions administratives.
  Si le membre du personnel contractuel a été nommé fonctionnaire à l'AHOVOKS avant le transfert, le transfert s'effectue de la même manière que pour le membre du personnel statutaire repris au point 1° de l'annexe jointe au présent arrêté.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 portant la procédure devant certaines juridictions administratives flamandes
Art. 3. Aan artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 5 februari 2021 en 29 oktober 2021, wordt een punt 14° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "14° Databank Hoger Onderwijs: de databank, vermeld in artikel IV.90 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.".
Art. 3. Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 portant la procédure devant certaines juridictions administratives flamandes, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 5 février 2021 et du 29 octobre 2021, il est inséré un point 14°, rédigé comme suit :
  " 14° Databank Hoger Onderwijs (Base de données de l'Enseignement supérieur) : la base de données visée à l'article IV.90 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013. ".
Art. 4. In artikel 4 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2021, wordt tussen de zinsnede "12 juli 2013," en de zinsnede "het decreet van 25 april 2014" de zinsnede "de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013," ingevoegd.
Art. 4. Dans l'article 4 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 octobre 2021, le membre de phrase " le Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 " est inséré entre le membre de phrase " 12 juillet 2013, " et le membre de phrase " le décret du 25 avril 2014 ".
Art. 5. In artikel 8, § 1, vierde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2021, worden tussen de woorden "het omgevingsloket" en de woorden "is ingediend" de woorden "of de Databank Hoger Onderwijs" ingevoegd.
Art. 5. Dans l'article 8, § 1er, alinéa 4 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 octobre 2021, les mots " ou à la Base de données de l'Enseignement supérieur " sont insérés entre les mots " au guichet environnement " et les mots " sont également inclus ".
Art. 6. Aan artikel 15 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2017, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid, 4°, bevat het verzoekschrift voor de beroepen, vermeld in artikel 112/1, een feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren.".
Art. 6. Dans l'article 15 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2017, il est inséré un alinéa 2, rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, 4°, la requête pour les recours visés à l'article 112/1 comprend une description factuelle et une motivation des réclamations invoquées. ".
Art. 7. In artikel 17, § 2, derde lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2017, wordt tussen de woorden "verkiezings- of mandaatgeschillen" en de zinsnede ", stelt de griffier" de zinsnede "en behalve bij de beroepen, vermeld in artikel 112/1 van dit besluit" ingevoegd.
Art. 7. Dans l'article 17, § 2, alinéa 3 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2017, le membre de phrase " et sauf pour les recours visés à l'article 112/1 du présent arrêté " est inséré entre les mots " différends électoraux ou de mandat " et le membre de phrase " , le greffier permet ".
Art. 8. Aan artikel 21 van hetzelfde besluit wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het tweede lid bedraagt het getuigengeld in de beroepen, vermeld in artikel 112/1, maximaal de kosten voor het vervoer, berekend op de voordeligste wijze.".
Art. 8. Dans l'article 21 du même arrêté, il est ajouté un alinéa 4, rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 2, l'indemnité de témoin dans les recours visés à l'article 112/1 s'élève au maximum aux frais de transport, calculés de la manière la plus avantageuse. ".
Art. 9. In hetzelfde besluit wordt een deel 4/1, dat bestaat uit artikel 112/1 tot en met 112/25, ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Deel 4/1. Betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen
  Hoofdstuk 1. Toepassingsgebied
  Art. 112/1. Dit deel is van toepassing op de beroepen waarvoor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen bevoegd is met toepassing van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.
  Hoofdstuk 2. Rechtspleging
  Afdeling 1. Het indienen van een verzoekschrift
  Art. 112/2. Gelijktijdig met de indiening van het verzoekschrift bezorgt de verzoeker met een beveiligde zending ter informatie een afschrift van het verzoekschrift aan de verweerder.
  Het toesturen van het afschrift, vermeld in het eerste lid, houdt geen definitieve aanwijzing van de verweerder in en stelt geen termijnen in werking.
  Art. 112/3. Een onontvankelijk verzoekschrift kan tijdens de beroepstermijn worden vervangen door een nieuw verzoekschrift, dat uitdrukkelijk de intrekking van het eerdere verzoekschrift bevestigt.
  Art. 112/4. De verzoeker kan aan het verzoekschrift de bewijsstukken toevoegen die hij nodig acht.
  De verzoeker kan na de indiening van het verzoekschrift alleen aanvullende, geïnventariseerde overtuigingsstukken aan het dossier toevoegen als hij nog niet over die stukken beschikte op het ogenblik waarop het verzoekschrift werd ingediend.
  De verzoeker bezorgt in voorkomend geval onmiddellijk een afschrift van de ingediende aanvullende, geïnventariseerde overtuigingsstukken aan de verweerder.
  Afdeling 2. Verkorte procedure
  Onderafdeling 1. Algemeen
  Art. 112/5. Elk beroep wordt, zodra het is geregistreerd, aan de voorzitter van het College bezorgd.
  De voorzitter van het College of de bestuursrechter die hij heeft aangewezen, kan ambtshalve onderzoeken of het beroep volgens de vereenvoudigde procedure kan worden behandeld.
  Onderafdeling 2. Vereenvoudigde procedure
  Art. 112/6. § 1. Een beroep kan worden behandeld volgens de vereenvoudigde procedure als het College klaarblijkelijk onbevoegd is of zonder rechtsmacht om van het beroep kennis te nemen.
  § 2. De voorzitter van het College of de bestuursrechter die hij heeft aangewezen, stelt vast dat op het eerste gezicht het College klaarblijkelijk onbevoegd is of zonder rechtsmacht om van het beroep kennis te nemen.
  De griffier betekent de vaststelling onmiddellijk aan de partijen, samen met een procedurekalender die de partijen een vervaltermijn van ten minste twee werkdagen verleent om daarover een verantwoordingsnota in te dienen.
  § 3. Nadat de termijn voor het indienen van een verantwoordingsnota is verstreken, kan de voorzitter van het College of de bestuursrechter die hij heeft aangewezen, de zaak zonder verdere rechtspleging in beraad nemen.
  Als de voorzitter van het College of de bestuursrechter die hij heeft aangewezen, niet besluit dat het College klaarblijkelijk onbevoegd is of zonder rechtsmacht om van het beroep kennis te nemen, wordt de procedure voortgezet volgens de gewone rechtspleging, vermeld in dit besluit.
  Afdeling 3. Vernietiging
  Onderafdeling 1. De procedurekalender
  Art. 112/7. § 1. De griffier betekent de procedurekalender aan alle partijen. De procedurekalender bevat ten minste:
  1° de vervaltermijnen voor de indiening van de procedurestukken, het administratieve dossier en de aanvullende overtuigingsstukken;
  2° de termijn waarin ter griffie inzage kan worden genomen van het administratieve dossier en de overtuigingsstukken;
  3° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de vordering tot vernietiging wordt behandeld;
  4° de samenstelling van de bevoegde kamer.
  De vervaltermijnen, vermeld in punt 1°, bedragen ten minste 96 uur.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 betekent de griffier een vereenvoudigde procedurekalender aan alle partijen bij het rechtstreekse beroep over de aanpassing van het leerkrediet, vermeld in artikel II.285, tweede lid, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013. De vereenvoudigde procedurekalender bevat ten minste:
  1° de vervaltermijnen voor de indiening van de procedurestukken, het administratieve dossier en de aanvullende overtuigingsstukken;
  2° de termijn waarin ter griffie inzage kan worden genomen van het administratieve dossier en de overtuigingsstukken;
  3° de samenstelling van de bevoegde kamer.
  De vervaltermijnen, vermeld in punt 1°, bedragen ten minste 96 uur.
  § 3. Gelijktijdig met de betekening, vermeld in paragraaf 1 en 2, betekent de griffier het afschrift van het verzoekschrift aan de verweerder overeenkomstig artikel 19.
  Onderafdeling 2. Het vooronderzoek
  Sectie 1. De antwoordnota van de verweerder
  Art. 112/8. § 1. De verweerder dient een antwoordnota, een administratief dossier en eventuele aanvullende en geïnventariseerde overtuigingsstukken in binnen de vervaltermijn die vastgesteld is in de procedurekalender, vermeld in artikel 112/7.
  Binnen dezelfde termijn, vermeld in het eerste lid, bezorgt de verweerder een afschrift van de ingediende antwoordnota, het ingediende administratieve dossier en, in voorkomend geval, de ingediende overtuigingsstukken aan de verzoeker via het meest gerede communicatiemiddel. De termijn om het afschrift aan de verzoeker te bezorgen, geldt niet op straffe van verval.
  § 2. Het administratieve dossier, vermeld in paragraaf 1, bevat ten minste de volgende stukken:
  1° een afschrift van de bestreden studievoortgangsbeslissing;
  2° in voorkomend geval de examenkopieën of het stagerapport van de verzoeker of het verslag van het bekwaamheidsonderzoek met het oog op de verwerving van een bewijs van bekwaamheid;
  3° het dossier dat samengesteld is naar aanleiding van het interne beroep, vermeld in artikel II.283, eerste lid, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, met inbegrip van het verzoekschrift over het interne beroep;
  4° de reglementaire bepalingen die het bestuur heeft vastgelegd en die op de bestreden beslissing van toepassing waren, waaronder in elk geval het onderwijs- en examenreglement en, in voorkomend geval, andere teksten met reglementaire strekking, zoals de ECTS-fiche, het stagereglement, de studiegids en het vademecum.
  Sectie 2. De wederantwoordnota of toelichtende nota van de verzoeker
  Art. 112/9. De verzoeker kan een wederantwoordnota indienen binnen de vervaltermijn die vastgesteld is in de procedurekalender, vermeld in artikel 112/7.
  Als de verweerder geen antwoordnota heeft ingediend, mag de verzoeker een toelichtende nota indienen binnen de vervaltermijn, vermeld in het eerste lid.
  Binnen dezelfde termijn, vermeld in het eerste lid, bezorgt de verzoeker een afschrift van de ingediende wederantwoordnota of de ingediende toelichtende nota aan de verweerder via het meest gerede communicatiemiddel. De termijn om het afschrift aan de verweerder te bezorgen, geldt niet op straffe van verval.
  Onderafdeling 3. Getuigen
  Art. 112/10. § 1. De partij die wil dat een getuige wordt gehoord, dient tijdens het vooronderzoek een afzonderlijk verzoek in, dat gemotiveerd wordt.
  De kamer beslist over de noodzaak en relevantie om een getuige te horen.
  De kamer kan ook ambtshalve getuigen oproepen.
  § 2. In voorkomend geval hoort de kamer de getuigen.
  Onderafdeling 4. Deskundigen
  Art. 112/11. § 1. De partijen kunnen, hetzij in het verzoekschrift waarbij het beroep wordt ingediend, hetzij in hun nota's die daarop volgen, op gemotiveerde wijze vragen om deskundigen aan te stellen. De kamer beslist bij arrest over het verzoek. De kamer kan ook ambtshalve bij arrest een deskundig onderzoek bevelen.
  Als een deskundig onderzoek wordt bevolen, vermeldt het arrest de opdracht van de deskundigen en de termijn waarin het deskundigenverslag bij de griffie wordt ingediend.
  De griffier betekent het arrest aan de partijen en, in voorkomend geval, aan de deskundigen die in het arrest zijn aangewezen.
  § 2. De deskundigen beschikken over een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de betekening van het arrest, vermeld in paragraaf 1, om de griffier te laten weten of ze hun opdracht aanvaarden.
  Als de deskundigen de opdracht aanvaarden, bezorgt de griffier hun een afschrift van het administratieve dossier.
  Art. 112/12. Binnen vijftien dagen na de dag waarop de deskundigen hun opdracht, vermeld in artikel 112/11, hebben aanvaard, delen ze aan de partijen met een beveiligde zending de plaats, de dag en het uur mee waar en waarop ze hun deskundige werkzaamheden zullen aanvangen.
  De griffier en, in voorkomend geval, de partijen bezorgen aan de deskundigen de stukken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun opdracht.
  Art. 112/13. De deskundigen bezorgen hun voorverslag aan de partijen vóór ze hun definitieve deskundigenverslag bij de griffie indienen. Gedurende een termijn van hoogstens dertig dagen, die ingaat op de dag na de bezorging van het voorverslag, kunnen de partijen aan de deskundigen met een gewone brief, een fax of een e-mail opmerkingen geven over dat voorverslag. De deskundigen nemen eventuele opmerkingen, alsook hun standpunten daarover, op in hun definitieve verslag. Ze begroten hun staat van kosten en erelonen op omstandige wijze en voegen die begroting als bijlage bij hun verslag.
  De deskundigen ondertekenen hun verslag.
  De deskundigen bezorgen het origineel van het definitieve deskundigenverslag aan de griffie en een kopie ervan aan de partijen.
  Art. 112/14. De kamer kan de deskundigen horen om toelichtingen en ophelderingen over hun verslag te krijgen.
  Art. 112/15. De kamer kan, om gewichtige redenen en bij arrest, een einde maken aan de opdracht van de deskundigen en in hun vervanging voorzien nadat hij hen heeft gehoord.
  De griffier betekent het arrest aan de deskundigen en aan de partijen.
  Onderafdeling 5. Zitting
  Art. 112/16. § 1. De kamervoorzitter bepaalt, in voorkomend geval, bij beschikking:
  1° de namen van de partijen die persoonlijk moeten verschijnen om toelichting te geven, en de feiten waarover ze zullen worden gehoord, als de kamer heeft beslist om een partij te horen;
  2° de namen van de getuigen en de feiten waarover ze zullen worden gehoord, als de kamer heeft beslist een getuige te horen;
  3° de namen van deskundigen die de kamer heeft opgeroepen;
  4° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop het rechtstreekse beroep over de aanpassing van het leerkrediet, vermeld in artikel II.285, tweede lid, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, wordt behandeld.
  Het eerste lid, 4°, betreft het geval, vermeld in artikel 31/2 van het decreet, dat het College de behandeling ter zitting noodzakelijk acht voor de behandeling van de zaak of dat een van de partijen uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoekt om gehoord te worden.
  § 2. De griffier brengt de partijen en, in voorkomend geval, de getuigen of deskundigen schriftelijk op de hoogte van de inhoud van de beschikking, vermeld in paragraaf 1.
  Art. 112/17. In afwijking van de procedurekalender, vermeld in artikel 112/7, kan de kamer de zaak in beraad nemen op het ogenblik dat de zaak in staat is als de partijen, overeenkomstig artikel 16, zesde lid, van het decreet, in onderling overleg afzien van de behandeling van het beroep ter zitting.
  Art. 112/18. § 1. De kamervoorzitter verklaart de zitting voor geopend. Hij leidt de zitting.
  § 2. De griffier vermeldt op het zittingsblad de datum, het aanvangsuur en het einduur van de behandeling van de zaak, de verrichte proceshandelingen, de namen van de partijen en hun raadsman en hun aan- of afwezigheid, de samenstelling van de kamer en de naam van de griffier. De kamervoorzitter, de bijzitters en de griffier ondertekenen het zittingsblad.
  § 3. De kamervoorzitter sluit de debatten en neemt de zaak in beraad.
  Art. 112/19. De partij die aannemelijk maakt dat ze de taal van de rechtspleging onvoldoende beheerst, kan zich op de zitting laten bijstaan door een vertaler-tolk. Daarvan maakt de griffier proces-verbaal op.
  De kamervoorzitter wijst een vertaler-tolk aan uit de lijst van de beëdigde vertalers-tolken die ter beschikking ligt op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg in Brussel.
  De kosten van de vertaler-tolk zijn ten laste van het College.
  Onderafdeling 6. Beraadslaging en uitspraak
  Art. 112/20. Binnen een ordetermijn van twintig dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop het beroep is ingeschreven in het definitieve register, vermeld in artikel 17, § 2, spreekt de kamer waarbij de zaak aanhangig is, een arrest uit.
  In afwijking van het eerste lid spreekt de kamer waarbij de zaak aanhangig is, in een beroep tegen een beslissing als vermeld in artikel I.3, 69°, h), van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, een arrest uit binnen een ordetermijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag na de dag waarop het beroep is ingeschreven in het definitieve register, vermeld in artikel 17, § 2.
  Art. 112/21. Het arrest wordt met redenen omkleed overeenkomstig artikel 32, tweede lid, van het decreet en vermeldt de volgende gegevens:
  1° de namen van de partijen, de woonplaats die ze gekozen hebben, en, in voorkomend geval, de naam en de hoedanigheid van de persoon die de partijen bijstaat of vertegenwoordigt;
  2° de oproeping van partijen en van hun raadsmannen, alsook hun eventuele aanwezigheid op de zitting;
  3° de uitspraak in openbare zitting, de datum daarvan en de namen van de bestuursrechters die erover hebben beraadslaagd.
  Art. 112/22. Het College kan ambtshalve middelen inroepen die niet in het verzoekschrift zijn opgenomen, of ambtshalve excepties opwerpen, als die betrekking hebben op de openbare orde.
  Art. 112/23. De griffier brengt op de uitgifte, na het beschikkende gedeelte van het arrest, de volgende uitvoeringsformule aan: "De ministers en de besturen, ieder wat hen betreft, zorgen voor de uitvoering van dit arrest.".
  Art. 112/24. De griffier betekent een afschrift van het arrest aan de partijen.
  De griffier zendt onmiddellijk een afschrift aan de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid, vermeld in artikel IV.91, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, van het arrest waarbij het rechtstreekse beroep tot aanpassing van het leerkrediet, vermeld in artikel II.285, tweede lid, van dezelfde codex, wordt ingewilligd.
  Onderafdeling 7. Schorsing van de werkzaamheden
  Art. 112/25. Ten aanzien van beroepen die in juli of augustus worden ingeschreven in het definitieve register, vermeld in artikel 17, § 2, kan de verweerder het College verzoeken rekening te houden met een gestaafde onderbezetting van de instelling ten gevolge van de jaarlijkse vakantie van het personeel.
  Als het College de onderbezetting gestaafd acht, treft het College een van de volgende maatregelen:
  1° de in artikel 112/20 bedoelde termijnen worden gedurende ten hoogste 21 kalenderdagen geschorst;
  2° de overeenkomstig artikel 44/2, § 1, eerste lid, 2°, a), van het decreet door het College te bepalen termijn verstrijkt niet eerder dan op de dag na de dag waarop voldoende personeelsleden aanwezig zijn om een examencommissie opnieuw op rechtmatige wijze samen te stellen.
Art. 9. Dans le même arrêté, il est inséré une partie 4/1 qui se compose des articles 112/1 à 112/25, rédigée comme suit :
  " Partie 4/1. Différends en matière de décisions sur la progression des études
  Chapitre 1er. Champ d'application
  Art. 112/1. La présente partie s'applique aux recours pour lesquels le Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études est compétent en application du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013.
  Chapitre 2. Procédure
  Section 1ère. L'introduction d'une requête
  Art. 112/2. En même temps que l'introduction de la requête, le requérant envoie une copie de la requête pour information au défendeur par envoi sécurisé.
  L'envoi de la copie visée à l'alinéa 1er n'implique pas de désignation définitive du défendeur et ne fait pas produire les effets des délais.
  Art. 112/3. Une requête irrecevable peut être remplacée pendant le délai de recours par une nouvelle requête confirmant explicitement le retrait de la requête précédente.
  Art. 112/4. Le requérant peut joindre à la requête les pièces justificatives qu'il estime nécessaires.
  Après l'introduction de la requête, le requérant ne peut joindre au dossier des pièces à conviction inventoriées complémentaires que s'il ne disposait pas encore de ces pièces au moment où la requête a été introduite.
  Le cas échéant, le requérant fournit immédiatement au défendeur une copie des pièces à conviction inventoriées complémentaires qu'il a introduites.
  Section 2. Procédure abrégée
  Sous-section 1ère. Généralités
  Art. 112/5. Dès qu'un recours est enregistré, il est transmis au président du Collège.
  Le président du Collège ou le juge administratif désigné par lui peut examiner d'office si le recours peut être traité selon la procédure simplifiée.
  Sous-section 2. Procédure simplifiée
  Art. 112/6. § 1er. Un recours peut être examiné selon la procédure simplifiée si le Collège est manifestement incompétent ou sans pouvoir de juridiction pour prendre connaissance du recours.
  § 2. Le président du Collège ou le juge administratif désigné par lui établit le constat qu'à première vue, le Collège est manifestement incompétent ou sans pouvoir de juridiction pour prendre connaissance du recours.
  Le greffier notifie immédiatement le constat aux parties et leur soumet un calendrier de procédure accordant aux parties un délai d'au moins deux jours ouvrables pour introduire une note justificative à ce sujet.
  § 3. Après l'expiration du délai d'introduction d'une note justificative, le président du Collège ou le juge administratif désigné par lui peut prendre l'affaire en considération sans procédure ultérieure.
  Si le président du Collège ou le juge administratif désigné par lui ne décide pas que le Collège est manifestement incompétent ou sans pouvoir de juridiction pour prendre connaissance du recours, la procédure est poursuivie selon la procédure ordinaire, visée au présent arrêté.
  Section 3. Annulation
  Sous-section 1ère. Le calendrier de procédure
  Art. 112/7. § 1er. Le greffier notifie le calendrier de procédure à toutes les parties. Le calendrier de procédure comprend au moins :
  1° les délais d'introduction des pièces de la procédure, du dossier administratif et des pièces à conviction complémentaires ;
  2° le délai dans lequel le dossier administratif et les pièces à conviction peuvent être consultés au greffe ;
  3° le lieu, le jour et le moment de la séance durant laquelle la demande en annulation sera traitée ;
  4° la composition de la chambre compétente.
  Les délais visés au point 1° sont d'au moins 96 heures.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le greffier notifie un calendrier de procédure simplifiée à toutes les parties en cas de recours direct concernant l'adaptation du crédit d'apprentissage visée à l'article II.285, alinéa 2 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013. Le calendrier de procédure simplifiée comprend au moins :
  1° les délais d'introduction des pièces de la procédure, du dossier administratif et des pièces à conviction complémentaires ;
  2° le délai dans lequel le dossier administratif et les pièces à conviction peuvent être consultés au greffe ;
  3° la composition de la chambre compétente.
  Les délais visés au point 1° sont d'au moins 96 heures.
  § 3. En même temps que la notification mentionnée aux paragraphes 1er et 2, le greffier notifie la copie de la requête au défendeur conformément à l'article 19.
  Sous-section 2. La préenquête
  Section 1ère. La note de réponse du défendeur
  Art. 112/8. § 1er. Le défendeur introduit une note de réponse, un dossier administratif et des pièces à conviction supplémentaires et inventoriées éventuelles dans le délai d'échéance défini dans le calendrier de procédure visé à l'article 112/7.
  Dans le même délai que celui mentionné à l'alinéa 1er, le défendeur fournit au requérant, par voie du moyen de communication le plus diligent, une copie de la note de réponse qu'il a introduite, du dossier administratif qu'il a introduit et, le cas échéant, des pièces à conviction qu'il a introduites. Le délai de remise de la copie au requérant ne s'applique pas sous peine de déchéance.
  § 2. Le dossier administratif visé au paragraphe 1er contient au moins les documents suivants :
  1° une copie de la décision contestée sur la progression des études ;
  2° le cas échéant, les copies d'examen ou le rapport de stage du requérant, ou le rapport sur l'examen d'aptitude en vue de l'obtention d'un certificat d'aptitude ;
  3° le dossier composé en raison du recours interne visé à l'article II.283, alinéa 1er, du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, y compris la requête relative au recours interne ;
  4° les dispositions réglementaires fixées par la direction qui étaient d'application à la décision contestée, parmi lesquelles en tout cas le règlement des études et des examens et, le cas échéant, d'autres textes de nature réglementaire comme la fiche ECTS, le règlement du stage, le guide des études et le vadémécum.
  Section 2. La note de réponse en retour ou note explicative du requérant
  Art. 112/9. Le requérant peut introduire une note de réponse en retour dans le délai d'échéance défini dans le calendrier de procédure visé à l'article 112/7.
  Lorsque le défendeur n'a pas introduit de note de réponse, le requérant peut introduire une note explicative dans le délai d'échéance visé à l'alinéa 1er.
  Dans le même délai que celui mentionné à l'alinéa 1er, le requérant fournit au défendeur, par voie du moyen de communication le plus diligent, une copie de la note de réponse en retour ou de la note explicative qu'il a introduite. Le délai de remise de la copie au défendeur ne s'applique pas sous peine de déchéance.
  Sous-section 3. Témoins
  Art. 112/10. § 1er. La partie qui souhaite qu'un témoin soit entendu introduit lors de la préenquête une requête séparée, qui est motivée.
  La chambre décide de la nécessité et de la pertinence d'entendre un témoin.
  La chambre peut également convoquer des témoins d'office.
  § 2. Le cas échéant, la chambre entend les témoins.
  Sous-section 4. Experts
  Art. 112/11. § 1er. Les parties peuvent, soit dans la requête par laquelle le recours est introduit, soit dans leurs notes qui y suivent, demander de manière motivée de désigner des experts. La chambre prend une décision en ce qui concerne la requête par arrêt. La chambre peut également ordonner d'office une expertise par arrêt.
  Lorsqu'une expertise est ordonnée, l'arrêt mentionne la mission des experts et le délai dans lequel le rapport d'expertise est introduit auprès du greffe.
  Le greffier notifie l'arrêt aux parties et, le cas échéant, aux experts qui sont désignés dans l'arrêt.
  § 2. Les experts disposent d'un délai de quinze jours, qui prend cours le lendemain de la notification de l'arrêt, visé au paragraphe 1er, pour faire savoir au greffier s'ils acceptent leur mission.
  Lorsque les experts acceptent la mission, le greffier leur transmet une copie du dossier administratif.
  Art. 112/12. Dans les quinze jours qui suivent le jour auquel les experts ont accepté leur mission, visée à l'article 112/11, ils communiquent aux parties par envoi sécurisé le lieu, le jour et l'heure où et à laquelle ils commenceront leurs activités d'expert.
  Le greffier et, le cas échéant, les parties transmettent aux experts les pièces qui sont nécessaires à l'exécution de leur mission.
  Art. 112/13. Les experts transmettent leur pré-rapport aux parties avant d'introduire leur rapport d'expertise définitif auprès du greffe. Pendant un délai de trente jours au maximum, qui prend cours le lendemain de la remise du pré-rapport, les parties peuvent transmettre des remarques en ce qui concerne ce pré-rapport aux experts par une lettre ordinaire, un fax ou un e-mail. Les experts reprennent les remarques éventuelles ainsi que leurs points de vue à ce sujet dans leur rapport définitif. Ils évaluent leur état de frais et honoraires de manière circonstanciée et joignent cette évaluation en annexe à leur rapport.
  Les experts signent leur rapport.
  Les experts transmettent l'original du rapport d'expertise définitif au greffe et une copie aux parties.
  Art. 112/14. La chambre peut entendre les experts afin d'obtenir des explications et des clarifications en ce qui concerne leur rapport.
  Art. 112/15. La chambre peut, pour des motifs graves et par arrêt, mettre un terme à la mission des experts et assurer leur remplacement après les avoir entendus.
  Le greffier notifie l'arrêt aux experts et aux parties.
  Sous-section 5. Séance
  Art. 112/16. § 1er. Le président de la chambre fixe, le cas échéant, par disposition :
  1° les noms des parties qui doivent comparaître en personne pour donner des explications et les faits au sujet desquels elles seront entendues, lorsque la chambre a décidé d'entendre une partie ;
  2° les noms des témoins et les faits au sujet desquels ils seront entendus, lorsque la chambre a décidé d'entendre un témoin ;
  3° les noms des experts convoqués par la chambre ;
  4° le lieu, le jour et le moment de la séance où le recours direct concernant l'adaptation du crédit d'apprentissage visée à l'article II.285, alinéa 2, du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 est traité ;
  L'alinéa 1er, 4°, concerne le cas, visé à l'article 31/2 du décret, où le Collège estime que le traitement en séance est nécessaire à l'examen de l'affaire ou que l'une des parties demande expressément et de manière motivée à être entendue.
  § 2. Le greffier informe les parties, et le cas échéant les témoins ou experts, par écrit du contenu de la disposition visée au paragraphe 1er.
  Art. 112/17. Par dérogation au calendrier de procédure visé à l'article 112/7, la chambre peut prendre l'affaire en considération au moment où l'affaire est en état si les parties, en application de l'article 16, alinéa 6, du décret, renoncent d'un commun accord au traitement du recours en séance.
  Art. 112/18. § 1er. Le président de la chambre déclare la séance ouverte. Il préside la séance.
  § 2. Le greffier indique sur la feuille de séance la date, l'heure de début et l'heure de fin de l'examen de l'affaire, les actes de procédure accomplis, les noms des parties et de leurs conseils et leur présence ou absence, la composition de la chambre et le nom du greffier. Le président de la chambre, les assesseurs et le greffier signent la feuille de séance.
  § 3. Le président de la chambre clôt les débats et prend l'affaire en considération.
  Art. 112/19. La partie qui rend plausible qu'elle maîtrise insuffisamment la langue de la procédure peut se faire assister séance tenante par un traducteur-interprète. Le greffier en établit un procès-verbal.
  Le président de la chambre désigne le traducteur-interprète parmi la liste des traducteurs-interprètes assermentés qui est à disposition au greffe du tribunal de première instance de Bruxelles.
  Les frais du traducteur-interprète sont à charge du Collège.
  Sous-section 6. Délibération et jugement
  Art. 112/20. Dans un délai d'ordre de vingt jours qui prend cours le lendemain du jour de l'inscription du recours dans le registre définitif visé à l'article 17 § 2, la chambre où l'affaire est en instance rend un arrêt.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, en cas de recours contre une décision visée à l'article I.3, 69°, h), du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, la chambre où l'affaire est en instance rend un arrêt dans un délai d'ordre de trente jours calendrier, qui prend cours le lendemain du jour de l'inscription du recours dans le registre définitif visé à l'article 17, § 2.
  Art. 112/21. L'arrêt est dûment motivé, conformément à l'article 32, alinéa 2, du décret, et mentionne les données suivantes :
  1° les noms des parties, le domicile qu'elles ont choisi et, le cas échéant, le nom et la qualité de la personne qui assiste ou représente les parties ;
  2° la convocation des parties et de leurs conseils, ainsi que leur éventuelle présence lors de la séance ;
  3° le jugement en séance publique, la date de ce jugement et les noms des juges administratifs qui en ont délibéré.
  Art. 112/22. Le Collège peut d'office invoquer des moyens qui ne sont pas repris dans la requête, ou d'office invoquer des exceptions, pour autant qu'elles concernent l'ordre public.
  Art. 112/23. Le greffier appose sur la publication, après la partie dispositive de l'arrêt, la formule exécutoire suivante : " Les ministres et les administrations, chacun en ce qui les concerne, assurent l'exécution du présent arrêt. ".
  Art. 112/24. Le greffier notifie une copie de l'arrêt aux parties.
  Le greffier transmet immédiatement au service compétent de l'Autorité flamande, visé à l'article IV.91, § 1er, du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, une copie de l'arrêt par lequel il est fait droit au recours direct en adaptation du crédit d'apprentissage visé à l'article II.285, alinéa 2, du même code.
  Sous-section 7. Suspension des activités
  Art. 112/25. A l'égard des recours inscrits pendant le mois de juillet ou août dans le registre définitif visé à l'article 17, § 2, le défendeur peut demander au Collège de tenir compte d'un manque d'effectifs motivé dans l'établissement, à la suite des vacances annuelles du personnel.
  Si le Collège juge le manque d'effectifs motivé, il prend l'une des mesures suivantes :
  1° il suspend pendant 21 jours calendrier au maximum les délais visés à l'article 112/20 ;
  2° le délai à fixer par le Collège conformément à l'article 44/2, § 1er, alinéa 1er, 2°, a) du décret n'expire pas plus tôt que le lendemain du jour où suffisamment de membres du personnel sont présents pour pouvoir reconstituer de manière régulière un jury.
Art. 10. In artikel 116 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid en de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening" vervangen door de zinsnede "de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuursrechtspraak, de Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, en de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming".
Art. 10. Dans l'article 116 du même arrêté, le membre de phrase " la Ministre flamande ayant l'environnement et la politique de l'eau dans ses attributions et le Ministre flamand ayant l'aménagement du territoire dans ses attributions " est remplacé par le membre de phrase " la ministre flamande qui a le contentieux administratif dans ses attributions, la ministre flamande qui a l'environnement et la nature dans ses attributions, et le ministre flamand qui a l'enseignement et la formation dans ses attributions ".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende overdracht van personeel van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges naar de dienst van de Bestuursrechtscolleges en tot vaststelling van de rechtspositie van dit personeel en van de bestuursrechters van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 portant transfert du personnel de certaines juridictions administratives flamandes au Service des Juridictions administratives et fixant le statut de ce personnel et des juges administratifs de certaines juridictions administratives flamandes
Art. 11. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende overdracht van personeel van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges naar de dienst van de Bestuursrechtscolleges en tot vaststelling van de rechtspositie van dit personeel en van de bestuursrechters van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1° worden tussen de woorden "plaatsvervangende bestuursrechter" en de woorden "vermeld in" de woorden "of de bijzitter" ingevoegd;
  2° aan punt 7° wordt een punt d) toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "d) de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, opgericht bij artikel II.285 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;".
Art. 11. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 portant transfert du personnel de certaines juridictions administratives flamandes au Service des Juridictions administratives et fixant le statut de ce personnel et des juges administratifs de certaines juridictions administratives flamandes, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point 1°, entre le membre de phrase " suppléant, " et les mots " visé à ", est inséré le membre de phrase " , ou l'assesseur " ;
  2° le point 7° est complété par un point d), rédigé comme suit :
  " d) le Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études, institué par l'article II.285 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 ; ".
Art. 12. In hoofdstuk 3 van hetzelfde besluit worden aan het opschrift van afdeling 1 de woorden "en de bijzitters" toegevoegd.
Art. 12. Dans le chapitre 3 du même arrêté, l'intitulé de la section 1ère est complété par les mots " et des assesseurs ".
Art. 13. In artikel 6, eerste lid, van hetzelfde besluit worden tussen de woorden "kandidaat-bestuursrechters" en de woorden "wordt ten minste" de woorden "en de kandidaat-bijzitters" ingevoegd.
Art. 13. Dans l'article 6, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " et d'assesseurs " sont insérés entre les mots " effectifs et complémentaires " et les mots " est au moins ".
Art. 14. Aan artikel 11 van hetzelfde besluit wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid vraagt de effectieve bestuursrechter het verlof voor deeltijdse prestaties aan bij de voorzitter van het Vlaamse bestuursrechtscollege waarbij hij is benoemd, overeenkomstig artikel 63, eerste lid, van het decreet.".
Art. 14. L'article 11 du même arrêté est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, le juge administratif effectif demande les congés pour prestations à temps partiel au président de la juridiction administrative flamande auprès de laquelle il est nommé, conformément à l'article 63, alinéa 1er, du décret. ".
Art. 15. In artikel 14 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan het eerste lid wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "5° verlof voor deeltijdse prestaties."
  2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het tweede lid kan de effectieve bestuursrechter, overeenkomstig artikel 63, eerste lid, van het decreet, gedurende zijn volledige loopbaan verlof voor deeltijdse prestaties krijgen als gunst en kunnen de arbeidsprestaties met toepassing van dat verlof ten hoogste worden verminderd tot 80% van een voltijdse betrekking.".
Art. 15. A l'article 14 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, il est ajouté un point 5°, rédigé comme suit :
  " 5° congé pour prestations à temps partiel. "
  2° il est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 2, le juge administratif effectif, conformément à l'article 63, alinéa 1er, du décret, peut bénéficier d'un congé pour prestations à temps partiel à titre de faveur pendant toute sa carrière, et les prestations de travail peuvent être réduites à un maximum de 80 % d'un emploi à temps plein en application de ce congé. ".
Art. 16. Aan hoofdstuk 3 van hetzelfde besluit wordt een afdeling 8, die bestaat uit artikel 34/1, toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 8. Vergoeding voor de aanvullende bestuursrechter en de bijzitter van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen
  Art. 34/1. § 1. De vergoeding voor de aanvullende bestuursrechter, vermeld in artikel 52, vierde lid, van het decreet, die een zitting van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen leidt, bedraagt forfaitair 125 euro (100%) per rechtstreeks beroep tot aanpassing van het leerkrediet, vermeld in artikel II.285, tweede lid, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, dat wordt behandeld tijdens die zitting.
  Voor alle andere beroepen ontvangt de aanvullende bestuursrechter die een zitting van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen leidt, een forfaitaire vergoeding van 375 euro (100%) per beroep dat wordt behandeld tijdens die zitting.
  § 2. De vergoeding voor de bijzitter, vermeld in artikel 52, vierde lid, van het decreet, die deelneemt aan een zitting van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen bedraagt forfaitair 75 euro (100%) per beroep dat wordt behandeld tijdens die zitting.
  § 3. Als een beroep wordt verdaagd of tijdens verschillende zittingen wordt behandeld, wordt maar één zitting in aanmerking genomen om de vergoedingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, vast te stellen.
  De vergoedingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, volgen de evolutie van het indexcijfer, vermeld in de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De vergoeding tegen 100% wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer, zoals van toepassing op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.".
Art. 16. Au chapitre 3 du même arrêté, il est ajouté une section 8, comportant l'article 34/1, rédigée comme suit :
  " Section 8. Indemnisation du juge administratif complémentaire et de l'assesseur du Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études
  Art. 34/1 § 1er. L'indemnité du juge administratif complémentaire, visée à l'article 52, alinéa 4, du décret, qui dirige une séance du Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études, s'élève forfaitairement à 125 euros (100 %) par recours direct en adaptation du crédit d'apprentissage, visé à l'article II.285, alinéa 2, du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, qui est traité pendant cette séance.
  Pour tous les autres recours, le juge administratif complémentaire qui dirige une séance du Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études reçoit une indemnité forfaitaire de 375 euros (100 %) par recours traité pendant cette séance.
  § 2. L'indemnité de l'assesseur, visée à l'article 52, alinéa 4, du décret, qui participe à une séance du Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études, s'élève forfaitairement à 75 euros (100 %) par recours traité pendant cette séance.
  § 3. Si un recours est ajourné ou fait l'objet de plusieurs séances, une seule séance est prise en compte pour déterminer les indemnités visées aux paragraphes 1er et 2.
  Les indemnités, visées aux paragraphes 1er et 2, suivent l'évolution de l'indice, tel que visé dans la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. L'indemnité à 100 % est liée à l'indice pivot, tel qu'il est applicable à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté. ".
Art. 17. Aan hoofdstuk 3 van hetzelfde besluit wordt een afdeling 9, die bestaat uit artikel 34/2, toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 9. Beschikbaarheid van de bijzitter van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen
  Art. 34/2{. De bijzitter houdt zich beschikbaar voor de zittingen van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen.
  De verplichting tot beschikbaarheid houdt ten minste in dat de bijzitter regelmatig deelneemt aan de zittingen van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen.".
Art. 17. Au chapitre 3 du même arrêté, il est ajouté une section 9, comportant l'article 34/2, rédigée comme suit :
  " Section 9. Disponibilité de l'assesseur du Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études
  Art. 34/2. L'assesseur se tient à la disposition des séances du Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études
  L'obligation de disponibilité implique au minimum la participation régulière de l'assesseur aux séances du Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études. ".
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Art. 18. Het besluit van de Vlaamse Regering van 4 juni 2004 inzake sommige werkingsregelen betreffende de raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen bevoegd voor het hoger onderwijs wordt opgeheven.
Art. 18. L'arrêté du Gouvernement flamand du 4 juin 2004 relatif à certaines règles de fonctionnement concernant le Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études compétent pour l'enseignement supérieur est abrogé.
Art. 19. De artikelen 27, 28, 29 en 34 van het decreet van 17 maart 2023 tot wijziging van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 en het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, wat betreft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen en de rechtspositieregeling van de bestuursrechters treden in werking op 1 juni 2023.
  Dit besluit treedt in werking op 1 september 2023, met uitzondering van het eerste lid van dit artikel, dat in werking treedt op 1 juni 2023.
Art. 19. Les articles 27, 28, 29 et 34 du décret du 17 mars 2023 modifiant le Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 et le décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes, en ce qui concerne le Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études et le statut juridique des juges administratifs entrent en vigueur le 1er juin 2023.
  Le présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 2023, à l'exception de l'alinéa 1er du présent article, qui entre en vigueur le 1er juin 2023.
Art. 20. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuursrechtspraak, en de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs en vorming, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 20. La ministre flamande qui a le contentieux administratif dans ses attributions et le ministre flamand qui a l'enseignement et la formation dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le ou la concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N.   Bijlage. Overdracht van secretarissen van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen aan de Dienst van de Bestuursrechtscolleges als vermeld in artikel 3
  1° overdracht van de statutaire personeelsleden van AHOVOKS, vermeld in artikel 3
Art. N1.   Annexe. Transfert des secrétaires du Conseil de règlement des différends en matière de décisions sur la progression des études au Service des Juridictions administratives tel que visé à l'article 3
  1° transfert des membres du personnel statutaires de l'AHOVOKS, visé à l'article 3
achternaam voornaam rang graad salarisschaal
Thijs Melissa A1 adjunct van de directeur A111
achternaam voornaam rang graad salarisschaal Thijs Melissa A1 adjunct van de directeur A111
overdracht van het contractuele personeelslid van AHOVOKS, vermeld in artikel 3, tweede lid
nom prénom rang grade échelle de traitement
Thijs Melissa A1 adjoint du directeur A111
nom prénom rang grade échelle de traitement Thijs Melissa A1 adjoint du directeur A111
transfert du membre du personnel contractuel de l'AHOVOKS, visé à l'article 3, alinéa 2
achternaam voornaam rang graad salarisschaal
Fourneau Gilles A1 adjunct van de directeur A111
achternaam voornaam rang graad salarisschaal Fourneau Gilles A1 adjunct van de directeur A111
nom prénom rang grade échelle de traitement
Fourneau Gilles A1 adjoint du directeur A111
nom prénom rang grade échelle de traitement Fourneau Gilles A1 adjoint du directeur A111