Artikel 1. Aan artikel 21 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 2023, wordt een punt 31° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"31° artikel 21, 3°, van de wet onbevaarbare waterlopen, voor de onbevaarbare waterlopen en hun aanhorigheden én voor de publieke grachten en hun aanhorigheden.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
5 MEI 2023. - Besluit van de Vlaamse Regering over het peilbeheer op onbevaarbare waterlopen en grachten
Titre
5 MAI 2023. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif à la gestion du niveau d'eau dans les cours d'eau et fossés non navigables
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (8)
Texte (8)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Article 1er. A l'article 21 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 janvier 2023, est ajouté un point 31° rédigé comme suit:
" 31° l'article 21, 3°, de la loi sur les cours d'eau non navigables, pour les cours d'eau non navigables et leurs dépendances ainsi que pour les fossés publics et leurs dépendances. ".
" 31° l'article 21, 3°, de la loi sur les cours d'eau non navigables, pour les cours d'eau non navigables et leurs dépendances ainsi que pour les fossés publics et leurs dépendances. ".
Art. 2. Aan artikel 25 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 2023, wordt een punt 21° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"21° artikel 21, 3°, van de wet onbevaarbare waterlopen, voor de onbevaarbare waterlopen en hun aanhorigheden én voor de publieke grachten en hun aanhorigheden.".
"21° artikel 21, 3°, van de wet onbevaarbare waterlopen, voor de onbevaarbare waterlopen en hun aanhorigheden én voor de publieke grachten en hun aanhorigheden.".
Art. 2. A l'article 25 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 avril 2009 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 janvier 2023, est ajouté un point 21° rédigé comme suit:
" 21° l'article 21, 3°, de la loi sur les cours d'eau non navigables, pour les cours d'eau non navigables et leurs dépendances ainsi que pour les fossés publics et leurs dépendances. ".
" 21° l'article 21, 3°, de la loi sur les cours d'eau non navigables, pour les cours d'eau non navigables et leurs dépendances ainsi que pour les fossés publics et leurs dépendances. ".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 tot uitvoering van diverse bepalingen uit de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft het toezicht op de naleving van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mai 2021 portant exécution de diverses dispositions de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, en ce qui concerne le contrôle du respect de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables
Art. 3. Aan artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 tot uitvoering van diverse bepalingen uit de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft het toezicht op de naleving van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen worden een punt 11° tot en met 16° toegevoegd, die luiden als volgt:
"11° peilbeheer: het uitoefenen van invloed op de waterstanden van het oppervlaktewater en onrechtstreeks ook op de grondwaterstanden in een afgebakend gebied door het peil van de onbevaarbare waterlopen en grachten te sturen via regelbare en vaste constructies of via de inrichting en het beheer van waterlopen en grachten door een waterbeheerder;
12° bandbreedte: de bovengrens en benedengrens waarbinnen het peil in een onbevaarbare waterloop of gracht mag variëren;
13° peilregeling: de bandbreedtes in een onbevaarbare waterloop of gracht en de periodes waarin de voormelde bandbreedtes door de waterbeheerder ingesteld en bewaakt worden;
14° peilzone: een gebied waarin een uniforme peilregeling ingesteld wordt;
15° regelbare constructie: een beweegbare installatie waarmee het peil van een waterloop gestuurd wordt, zoals een pompgemaal of een stuw;
16° kwaliteitsbeoordeling : de kwaliteitsbeoordeling van de effectrapportages door de dienst, bevoegd voor milieueffectrapportage, waarin wordt beoordeeld of de effectrapportage voldoet aan de essentiële kenmerken, vermeld in artikel 4.1.4, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, door:
a) vast te stellen dat geen milieueffectrapport vereist is;
b) de inhoudsafbakening van het milieueffectrapport te bepalen en het milieueffectrapport daaraan te toetsen".
"11° peilbeheer: het uitoefenen van invloed op de waterstanden van het oppervlaktewater en onrechtstreeks ook op de grondwaterstanden in een afgebakend gebied door het peil van de onbevaarbare waterlopen en grachten te sturen via regelbare en vaste constructies of via de inrichting en het beheer van waterlopen en grachten door een waterbeheerder;
12° bandbreedte: de bovengrens en benedengrens waarbinnen het peil in een onbevaarbare waterloop of gracht mag variëren;
13° peilregeling: de bandbreedtes in een onbevaarbare waterloop of gracht en de periodes waarin de voormelde bandbreedtes door de waterbeheerder ingesteld en bewaakt worden;
14° peilzone: een gebied waarin een uniforme peilregeling ingesteld wordt;
15° regelbare constructie: een beweegbare installatie waarmee het peil van een waterloop gestuurd wordt, zoals een pompgemaal of een stuw;
16° kwaliteitsbeoordeling : de kwaliteitsbeoordeling van de effectrapportages door de dienst, bevoegd voor milieueffectrapportage, waarin wordt beoordeeld of de effectrapportage voldoet aan de essentiële kenmerken, vermeld in artikel 4.1.4, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, door:
a) vast te stellen dat geen milieueffectrapport vereist is;
b) de inhoudsafbakening van het milieueffectrapport te bepalen en het milieueffectrapport daaraan te toetsen".
Art. 3. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mai 2021 portant exécution de diverses dispositions de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, en ce qui concerne le contrôle du respect de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables, sont ajoutés des points 11° à 16° rédigés comme suit:
" 11° gestion du niveau d'eau : l'exercice d'une influence sur les niveaux des eaux de surface et indirectement sur les niveaux des eaux souterraines dans une zone définie en contrôlant le niveau des cours d'eau et des fossés non navigables au moyen de constructions réglables et fixes ou par l'aménagement et la gestion de cours d'eau et de fossés par un gestionnaire des eaux;
12° largeur de bande : les limites supérieure et inférieure dans lesquelles le niveau d'un cours d'eau ou d'un fossé non navigable peut varier ;
13° régulation du niveau d'eau : les largeurs de bande dans un cours d'eau ou un fossé non navigable et les périodes pendant lesquelles les largeurs de bande précitées sont fixées et contrôlées par le gestionnaire des eaux ;
14° zone de niveau : une zone dans laquelle une régulation du niveau d'eau uniforme est établie ;
15° construction réglable : une installation mobile permettant de contrôler le niveau d'un cours d'eau, telle qu'une station de pompage ou un barrage ;
16° évaluation de la qualité : l'évaluation de la qualité des évaluations d'incidences par le service compétent pour l'évaluation des incidences sur l'environnement, dans laquelle on évalue si l'évaluation d'incidence répond aux caractéristiques essentielles visées à l'article 4.1.4, § 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, en :
a) établissant qu'aucun rapport d'incidences sur l'environnement n'est requis ;
b) délimitant le contenu du rapport d'incidences sur l'environnement et en le comparant au rapport d'incidences sur l'environnement ".
" 11° gestion du niveau d'eau : l'exercice d'une influence sur les niveaux des eaux de surface et indirectement sur les niveaux des eaux souterraines dans une zone définie en contrôlant le niveau des cours d'eau et des fossés non navigables au moyen de constructions réglables et fixes ou par l'aménagement et la gestion de cours d'eau et de fossés par un gestionnaire des eaux;
12° largeur de bande : les limites supérieure et inférieure dans lesquelles le niveau d'un cours d'eau ou d'un fossé non navigable peut varier ;
13° régulation du niveau d'eau : les largeurs de bande dans un cours d'eau ou un fossé non navigable et les périodes pendant lesquelles les largeurs de bande précitées sont fixées et contrôlées par le gestionnaire des eaux ;
14° zone de niveau : une zone dans laquelle une régulation du niveau d'eau uniforme est établie ;
15° construction réglable : une installation mobile permettant de contrôler le niveau d'un cours d'eau, telle qu'une station de pompage ou un barrage ;
16° évaluation de la qualité : l'évaluation de la qualité des évaluations d'incidences par le service compétent pour l'évaluation des incidences sur l'environnement, dans laquelle on évalue si l'évaluation d'incidence répond aux caractéristiques essentielles visées à l'article 4.1.4, § 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, en :
a) établissant qu'aucun rapport d'incidences sur l'environnement n'est requis ;
b) délimitant le contenu du rapport d'incidences sur l'environnement et en le comparant au rapport d'incidences sur l'environnement ".
Art. 4. In hetzelfde besluit worden een artikel 26/1 tot en met 26/4 ingevoegd, die luiden als volgt:
"Art. 26/1. § 1. De waterbeheerder voert een peilbeheer in overeenstemming met de doelstellingen van het integraal waterbeleid, vermeld in artikel 1.2.2 van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018.
§ 2. De waterbeheerder houdt bij het peilbeheer rekening met onder andere de behoeften inzake milieu, natuur, landschap, economie, landbouw en waterveiligheid die er bestaan in de peilzones."
Art. 26/2. § 1. De waterbeheerder kan de nodige initiatieven nemen om te beschikken over een goedgekeurd peilbesluit voor alle gebieden waar het oppervlaktewaterpeil kunstmatig geregeld wordt.
De minister bepaalt de gebieden waar een peilbesluit prioritair opgemaakt moet worden. De minister houdt hierbij minstens rekening met de volgende criteria:
- de aanwezigheid van regelbare constructies;
- het belang van het peilbeheer om de doelstellingen te halen van het integraal waterbeleid, vermeld in artikel 1.2.2 van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018, te realiseren;
- het belang van het peilbeheer om de doelstellingen te halen van het natuurbeleid, vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
- het belang van peilbeheer voor milieu, natuur, landschap, economie, landbouw en waterveiligheid in het gebied;
- de vaststelling van verdroging en het risico op waterschaarste.
Voor de waterlopen en grachten gelegen in een prioritair gebied moeten de waterbeheerders binnen een termijn van 2 jaar na de aanduiding van het prioritaire gebied een ontwerp van peilbesluit aan de minister voorleggen. De waterbeheerders kunnen binnen de termijn van 2 jaar een gemotiveerd verzoek tot verlenging van deze termijn aan de minister voorleggen. De minister beslist binnen een termijn van 3 maand na ontvangst van het gemotiveerd verzoek of deze verlenging aanvaard kan worden.
De minister evalueert 2-jaarlijks of de aanduiding van bijkomende prioritaire gebieden nodig is.
§ 2. Waterbeheerders kunnen voor een bepaald gebied samen het initiatief nemen om een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, op te stellen. De waterbeheerders maken in een overeenkomst de noodzakelijke afspraken over de uitvoering van de verschillende taken die nodig zijn om een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, op te stellen, en over de kostenverdeling. De voormelde waterbeheerders wijzen een van de betrokken waterbeheerders aan als coördinerende waterbeheerder om het voormelde peilbesluit op te stellen. De voormelde afspraken kunnen gewijzigd of opgezegd worden op de wijze die in de voormelde overeenkomst bepaald is.
§ 3. Als de waterbeheerders niet tijdig een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, aan de minister voorleggen, kan de minister een instantie aanwijzen die het voormelde peilbesluit opstelt conform de procedure, vermeld in dit besluit.
§ 4. Een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, bevat al de volgende elementen:
1° de peilregeling voor de peilzones in het gebied waarop het peilbesluit van toepassing is, rekening houdend met de behoeften, vermeld in artikel 26/1, § 2, van dit besluit, waarmee in het gebied rekening moet worden gehouden;
2° in voorkomend geval de wijze waarop de peilregeling veranderd is ten opzichte van een vorige versie;
3° een peilkaart met daarop de begrenzing van het gebied waarop het peilbesluit betrekking heeft, en met de peilzones waarin de verschillende peilregelingen gelden die met het peilbesluit ingesteld worden;
4° een toelichting bij het besluit die al de volgende elementen bevat:
a) een overzicht van de onbevaarbare waterlopen en de grachten in het gebied én de regelbare en vaste constructies op de voormelde waterlopen en grachten en inrichtings- en beheermaatregelen die de waterbeheerder kan inzetten om de peilregeling te realiseren;
b) een overzicht van de verbindingen met de bevaarbare waterwegen;
c) de wetgeving die voor het peilbeheer in het gebied in kwestie relevant is, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
d) de geïdentificeerde behoeften, vermeld in artikel 26/1, § 2, van dit besluit, waarmee in het gebied rekening moet worden gehouden;
e) een grondige motivering van de peilregeling, waarbij rekening gehouden wordt met de verschillende belangen in het gebied;
f) de peilinstellingen voor de regelbare constructies die ingezet worden om de peilregeling te realiseren;
g) de meetpunten die in het gebied aanwezig zijn of aangebracht worden om de peilregeling te monitoren;
5° de kwaliteitsbeoordeling en, in voorkomend geval, de verklaring, vermeld in artikel 4.2.11, § 7, eerste lid, 2°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en, in voorkomend geval, een overzicht van de conclusies van de volgende effectbeoordelingen waarbij aangegeven wordt hoe die geïntegreerd zijn in het plan:
a) het planmilieueffectrapport;
b) de passende beoordeling;
c) andere verplicht voorgeschreven of gemaakte effectenrapporten;
d) in voorkomend geval de monitoringsmaatregelen in het kader van de uitgevoerde effectbeoordelingen.
§ 5. Een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, is bindend voor de waterbeheerders, vermeld in paragraaf 1 en 2, en de eigenaars en gebruikers van de onroerende goederen die in het gebied liggen waarop het voormelde peilbesluit betrekking heeft.
Art. 26/3. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage: de subentiteit van het Departement Omgeving die bevoegd is voor de milieueffectrapportage.
§ 2. De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, van dit besluit, stelt een oriëntatienota op via een participatief traject met lokale actoren, eigenaars en gebruikers die al de volgende elementen bevat:
1° de peilregeling die actueel is ingesteld met een kaart van het gebied waarop die peilregeling betrekking heeft, en, in voorkomend geval, de zones waarin de verschillende bestaande peilregelingen gelden;
2° de aanwezige regelbare en vaste constructies om de actuele peilregeling te realiseren, en de gehanteerde peilinstellingen van de voormelde regelbare constructies;
3° de huidige inrichting en het actueel gehanteerde beheer van de waterlopen en grachten met het oog op de peilregeling;
4° de wetgeving die relevant is voor het peilbeheer in het gebied in kwestie;
5° de relevante info uit de bodemkaart van het gebied;
6° de geïdentificeerde behoeften, vermeld in artikel 26/1, § 2, van dit besluit;
7° een kaart met daarop de begrenzing van het gebied waarvoor de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder een peilbesluit als vermeld in artikel 26/2, § 4, van dit besluit, wil opmaken;
8° in voorkomend geval de kennisgeving van het voorgenomen plan-milieueffectrapport, vermeld in artikel 4.2.8, § 1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
§ 3. De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder vraagt advies aan de volgende instanties over de oriëntatienota, vermeld in paragraaf 2:
1° het college van burgemeester en schepenen van de gemeenten waarop het peilbesluit, vermeld in artikel 26/2, § 4, van dit besluit, betrekking heeft;
2° de overige waterbeheerders die waterlopen of publieke grachten beheren in het gebied in kwestie;
3° het Agentschap voor Natuur en Bos;
4° het Departement Landbouw en Visserij;
5° het Agentschap Onroerend Erfgoed als een cultuurhistorisch landschap als vermeld in artikel 2.1, 22°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, deel uitmaakt van het gebied waarop het peilbesluit, vermeld in artikel 26/2, § 4, van dit besluit, betrekking heeft, of daaraan paalt;
6° in voorkomend geval de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage;
7° de deputatie van de provincie(s) waarin het grondgebied ligt waarop het peilbesluit betrekking heeft;
8° de Vlaamse Milieumaatschappij;
9° de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk als het peilbesluit, vermeld in artikel 26/2, § 4, van dit besluit, van toepassing is op waterlopen die gebruikt worden voor de onttrekking van de productie van water, bestemd voor menselijke consumptie;
10° de CIW;
11° in voorkomend geval een ander gewest, een andere lidstaat van de Europese Unie of de federale overheid als uit de aanmelding, vermeld in paragraaf 2, 8°, blijkt dat het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, bezorgt de oriëntatienota, vermeld in, § 2, aan de adviesinstanties, vermeld in het eerste lid. De adviesinstanties, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van punt 6°, geven advies binnen zestig dagen nadat ze de adviesvraag, vermeld in het eerste lid, hebben ontvangen. Als er geen advies wordt verleend binnen de voormelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
De afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, neemt een beslissing over de opstellers van het plan-MER, vermeld in artikel 4.2.9. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en deelt haar beslissing mee aan de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, van dit besluit, binnen zestig dagen nadat ze de adviesvraag heeft ontvangen.
§ 4. Op basis van de adviezen, vermeld in paragraaf 3, wordt de oriëntatienota, vermeld in paragraaf 2, aangepast waar dat nodig is. Op basis van de voormelde oriëntatienota maakt de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, een ontwerp van peilbesluit op.
Voor de goedkeuringsprocedure van het peilbesluit worden de volgende documenten opgesteld:
1° een ontwerp van peilregeling, een peilkaart en een toelichting bij het peilbesluit als vermeld in artikel 26/2, § 4, tweede lid, 4°, van dit besluit, dat gebaseerd is op de oriëntatienota, vermeld in paragraaf 2, en een gemotiveerde afweging van de behoeften, vermeld in artikel 26/1, § 2, van dit besluit. Er wordt een overzicht toegevoegd van de knelpunten die met de bestaande inrichting van het gebied, met de bestaande regelbare of vaste constructies en de huidige inrichting en het beheer van de waterlopen en grachten niet of niet volledig opgelost kunnen worden;
2° een actieplan om de knelpunten, vermeld in punt 1°, te remediëren, met daarin de maatregelen die daarvoor nodig zijn, de vermelding welke waterbeheerder of andere instantie de voormelde maatregelen neemt en binnen welke termijn dat gebeurt;
3° een passende beoordeling als vermeld in artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, of een VEN-toets als vermeld in artikel 26bis van het voormelde decreet;
4° een ontwerp van plan-milieueffectrapport, of een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting als vermeld in artikel 4.2.3, § 3bis, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, of een m.e.r.-screeningsnota als vermeld in artikel 4.2.3, § 2 2°, van het voormelde decreet.
In voorkomend geval wordt het gemotiveerde verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting, vermeld in het tweede lid, 4°, ingediend bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage. De definitieve beslissing over de voormelde ontheffing wordt toegevoegd aan het ontwerp van peilbesluit.
§ 5. Over het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, en, in voorkomend geval, over het ontwerp plan-MER wordt een openbaar onderzoek georganiseerd door de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, en de betrokken gemeenten maken het openbaar onderzoek uiterlijk de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek bekend op een opvallende plaats op hun website(s) die voor bekendmakingen geëigend is.
Het gemeentebestuur hangt minstens aan het gemeentehuis gedurende zestig dagen vanaf de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek een bekendmaking op die al de volgende gegevens bevat:
1° de begindatum en de einddatum van het openbaar onderzoek;
2° een korte omschrijving van het doel van het openbaar onderzoek;
3° de website waar het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, raadpleegbaar is;
4° de termijn waarin opmerkingen over de documenten die ter inzage gelegd zijn, ingediend kunnen worden, en de wijze waarop dat gebeurt.
§ 6. Bezwaren en opmerkingen over het ontwerp van peilbesluit en het ontwerp van plan-MER, vermeld in paragraaf 4, kunnen uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 5, digitaal ingediend worden via het inspraakformulier op de website van de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, of analoog met een beveiligde zending op het gemeentehuis.
De algemeen directeur of zijn gemachtigde stelt binnen vijftien dagen na de laatste dag van het openbaar onderzoek een proces-verbaal op van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 5. Het proces-verbaal bevat een inventaris van de bezwaren en opmerkingen die ingediend zijn tijdens het voormelde openbaar onderzoek.
De algemeen directeur of zijn gemachtigde bezorgt zo snel mogelijk het proces-verbaal en de ontvangen bezwaren en opmerkingen aan de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, bezorgt de processen-verbaal van het openbaar onderzoek en de ontvangen bezwaren, opmerkingen en adviezen aan de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage.
§ 7. Over het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, wordt advies gevraagd aan de adviesinstanties, vermeld in paragraaf 3, eerste lid.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, bezorgt de documenten, vermeld in paragraaf 4, aan de adviesinstanties, vermeld in paragraaf 3, eerste lid.
De adviesinstanties, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, met uitzondering van punt 6°, geven advies binnen zestig dagen nadat ze de adviesvraag, vermeld in het eerste lid, hebben ontvangen. Als er geen advies wordt verleend binnen de voormelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
§ 8. Als het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, een ontwerp van plan-MER omvat, beslist de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, over de goedkeuring of afkeuring van het plan-MER met toepassing van artikel 4.2.11, § 4, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
De afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, bezorgt haar beslissing over de plan-MER aan de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, binnen dertig dagen na de indiening van het verslag van het openbaar onderzoek en van de adviesronde, vermeld in § 6.
Als de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, het milieueffectrapport afkeurt, wordt de goedkeuringsprocedure van het ontwerp van peilbesluit van rechtswege stopgezet.
§ 9. De waterbeheerder past het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, aan de resultaten van het openbaar onderzoek aan, vermeld in paragraaf 5 en 6, en aan de adviezen, vermeld in paragraaf 7, binnen negentig dagen na het einde van het openbaar onderzoek en de adviesronde, vermeld in paragraaf 5 en 7.
Aan de documenten, vermeld in paragraaf 4, tweede lid, kunnen alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de adviezen, vermeld in paragraaf 7, en de vragen, opmerkingen en bezwaren uit het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 5 en 6.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, bezorgen de volgende stukken aan de minister:
1° het aangepaste peilbesluit, vermeld in het eerste lid;
2° de documenten, vermeld in paragraaf 4, tweede lid;
3° de ontvangen bezwaren en opmerkingen van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 6;
4° de goedkeuringsbeslissing van de afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage.
De minister houdt bij de beslissing onder meer rekening met de resultaten van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 5 en 6, en met de inhoud van de adviezen, vermeld in paragraaf 7 en met de beslissing van de afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in paragraaf 8.
De minister neemt binnen een termijn van 90 dagen een gemotiveerde beslissing omtrent het peilbesluit.
§ 10. Het goedgekeurde peilbesluit wordt tegelijkertijd bekendgemaakt op de website van de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, en op een digitaal platform over geografische informatie van de Vlaamse overheid.
Het ministerieel besluit tot goedkeuring van het peilbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
§ 11. In voorkomend geval wordt de beslissing tot afkeuring van het plan-milieueffectrapportage of de beslissing tot afkeuring van het peilbesluit bekendgemaakt op de dezelfde wijze als § 10.
Art. 26/4. § 1. Een peilbesluit als vermeld in artikel 26/2, § 4 blijft van kracht tot de minister de wijziging ervan goedkeurt.
§ 2. Ten minste om de zes jaar evalueert de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder in overleg met de andere betrokken waterbeheerders het peilbesluit, vermeld in 26/2, § 4.
Bij de evaluatie worden ten minste de gerealiseerde peilen in relatie tot de beoogde peilen beoordeeld en wordt een stand van zaken van het actieplan, vermeld in artikel 26/3, § 4 opgemaakt.
§ 3. Over de stukken die deel uitmaken van de evaluatie, vermeld in paragraaf 2, wordt het advies ingewonnen van de adviesinstanties, vermeld in artikel 26/3, § 3, eerste lid.
De voormelde adviesinstanties geven advies binnen zestig dagen nadat ze de adviesvraag, vermeld in het eerste lid, hebben ontvangen. Als er geen advies wordt verleend binnen de voormelde termijn, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
Nadat de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, de ontvangen adviezen verwerkt hebben, worden de definitieve evaluatie en de stand van zaken van het actieplan, vermeld in artikel 26/3, § 4, aan de minister bezorgd.
§ 4. Als uit de evaluatie van het peilbesluit, vermeld in paragraaf 2, blijkt dat een wijziging van het peilbesluit nodig is, wordt de procedure, vermeld in artikel 26/3, § 4 tot en met § 9, toegepast.".
"Art. 26/1. § 1. De waterbeheerder voert een peilbeheer in overeenstemming met de doelstellingen van het integraal waterbeleid, vermeld in artikel 1.2.2 van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018.
§ 2. De waterbeheerder houdt bij het peilbeheer rekening met onder andere de behoeften inzake milieu, natuur, landschap, economie, landbouw en waterveiligheid die er bestaan in de peilzones."
Art. 26/2. § 1. De waterbeheerder kan de nodige initiatieven nemen om te beschikken over een goedgekeurd peilbesluit voor alle gebieden waar het oppervlaktewaterpeil kunstmatig geregeld wordt.
De minister bepaalt de gebieden waar een peilbesluit prioritair opgemaakt moet worden. De minister houdt hierbij minstens rekening met de volgende criteria:
- de aanwezigheid van regelbare constructies;
- het belang van het peilbeheer om de doelstellingen te halen van het integraal waterbeleid, vermeld in artikel 1.2.2 van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018, te realiseren;
- het belang van het peilbeheer om de doelstellingen te halen van het natuurbeleid, vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
- het belang van peilbeheer voor milieu, natuur, landschap, economie, landbouw en waterveiligheid in het gebied;
- de vaststelling van verdroging en het risico op waterschaarste.
Voor de waterlopen en grachten gelegen in een prioritair gebied moeten de waterbeheerders binnen een termijn van 2 jaar na de aanduiding van het prioritaire gebied een ontwerp van peilbesluit aan de minister voorleggen. De waterbeheerders kunnen binnen de termijn van 2 jaar een gemotiveerd verzoek tot verlenging van deze termijn aan de minister voorleggen. De minister beslist binnen een termijn van 3 maand na ontvangst van het gemotiveerd verzoek of deze verlenging aanvaard kan worden.
De minister evalueert 2-jaarlijks of de aanduiding van bijkomende prioritaire gebieden nodig is.
§ 2. Waterbeheerders kunnen voor een bepaald gebied samen het initiatief nemen om een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, op te stellen. De waterbeheerders maken in een overeenkomst de noodzakelijke afspraken over de uitvoering van de verschillende taken die nodig zijn om een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, op te stellen, en over de kostenverdeling. De voormelde waterbeheerders wijzen een van de betrokken waterbeheerders aan als coördinerende waterbeheerder om het voormelde peilbesluit op te stellen. De voormelde afspraken kunnen gewijzigd of opgezegd worden op de wijze die in de voormelde overeenkomst bepaald is.
§ 3. Als de waterbeheerders niet tijdig een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, aan de minister voorleggen, kan de minister een instantie aanwijzen die het voormelde peilbesluit opstelt conform de procedure, vermeld in dit besluit.
§ 4. Een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, bevat al de volgende elementen:
1° de peilregeling voor de peilzones in het gebied waarop het peilbesluit van toepassing is, rekening houdend met de behoeften, vermeld in artikel 26/1, § 2, van dit besluit, waarmee in het gebied rekening moet worden gehouden;
2° in voorkomend geval de wijze waarop de peilregeling veranderd is ten opzichte van een vorige versie;
3° een peilkaart met daarop de begrenzing van het gebied waarop het peilbesluit betrekking heeft, en met de peilzones waarin de verschillende peilregelingen gelden die met het peilbesluit ingesteld worden;
4° een toelichting bij het besluit die al de volgende elementen bevat:
a) een overzicht van de onbevaarbare waterlopen en de grachten in het gebied én de regelbare en vaste constructies op de voormelde waterlopen en grachten en inrichtings- en beheermaatregelen die de waterbeheerder kan inzetten om de peilregeling te realiseren;
b) een overzicht van de verbindingen met de bevaarbare waterwegen;
c) de wetgeving die voor het peilbeheer in het gebied in kwestie relevant is, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
d) de geïdentificeerde behoeften, vermeld in artikel 26/1, § 2, van dit besluit, waarmee in het gebied rekening moet worden gehouden;
e) een grondige motivering van de peilregeling, waarbij rekening gehouden wordt met de verschillende belangen in het gebied;
f) de peilinstellingen voor de regelbare constructies die ingezet worden om de peilregeling te realiseren;
g) de meetpunten die in het gebied aanwezig zijn of aangebracht worden om de peilregeling te monitoren;
5° de kwaliteitsbeoordeling en, in voorkomend geval, de verklaring, vermeld in artikel 4.2.11, § 7, eerste lid, 2°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en, in voorkomend geval, een overzicht van de conclusies van de volgende effectbeoordelingen waarbij aangegeven wordt hoe die geïntegreerd zijn in het plan:
a) het planmilieueffectrapport;
b) de passende beoordeling;
c) andere verplicht voorgeschreven of gemaakte effectenrapporten;
d) in voorkomend geval de monitoringsmaatregelen in het kader van de uitgevoerde effectbeoordelingen.
§ 5. Een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, is bindend voor de waterbeheerders, vermeld in paragraaf 1 en 2, en de eigenaars en gebruikers van de onroerende goederen die in het gebied liggen waarop het voormelde peilbesluit betrekking heeft.
Art. 26/3. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage: de subentiteit van het Departement Omgeving die bevoegd is voor de milieueffectrapportage.
§ 2. De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, van dit besluit, stelt een oriëntatienota op via een participatief traject met lokale actoren, eigenaars en gebruikers die al de volgende elementen bevat:
1° de peilregeling die actueel is ingesteld met een kaart van het gebied waarop die peilregeling betrekking heeft, en, in voorkomend geval, de zones waarin de verschillende bestaande peilregelingen gelden;
2° de aanwezige regelbare en vaste constructies om de actuele peilregeling te realiseren, en de gehanteerde peilinstellingen van de voormelde regelbare constructies;
3° de huidige inrichting en het actueel gehanteerde beheer van de waterlopen en grachten met het oog op de peilregeling;
4° de wetgeving die relevant is voor het peilbeheer in het gebied in kwestie;
5° de relevante info uit de bodemkaart van het gebied;
6° de geïdentificeerde behoeften, vermeld in artikel 26/1, § 2, van dit besluit;
7° een kaart met daarop de begrenzing van het gebied waarvoor de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder een peilbesluit als vermeld in artikel 26/2, § 4, van dit besluit, wil opmaken;
8° in voorkomend geval de kennisgeving van het voorgenomen plan-milieueffectrapport, vermeld in artikel 4.2.8, § 1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
§ 3. De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder vraagt advies aan de volgende instanties over de oriëntatienota, vermeld in paragraaf 2:
1° het college van burgemeester en schepenen van de gemeenten waarop het peilbesluit, vermeld in artikel 26/2, § 4, van dit besluit, betrekking heeft;
2° de overige waterbeheerders die waterlopen of publieke grachten beheren in het gebied in kwestie;
3° het Agentschap voor Natuur en Bos;
4° het Departement Landbouw en Visserij;
5° het Agentschap Onroerend Erfgoed als een cultuurhistorisch landschap als vermeld in artikel 2.1, 22°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, deel uitmaakt van het gebied waarop het peilbesluit, vermeld in artikel 26/2, § 4, van dit besluit, betrekking heeft, of daaraan paalt;
6° in voorkomend geval de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage;
7° de deputatie van de provincie(s) waarin het grondgebied ligt waarop het peilbesluit betrekking heeft;
8° de Vlaamse Milieumaatschappij;
9° de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk als het peilbesluit, vermeld in artikel 26/2, § 4, van dit besluit, van toepassing is op waterlopen die gebruikt worden voor de onttrekking van de productie van water, bestemd voor menselijke consumptie;
10° de CIW;
11° in voorkomend geval een ander gewest, een andere lidstaat van de Europese Unie of de federale overheid als uit de aanmelding, vermeld in paragraaf 2, 8°, blijkt dat het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, bezorgt de oriëntatienota, vermeld in, § 2, aan de adviesinstanties, vermeld in het eerste lid. De adviesinstanties, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van punt 6°, geven advies binnen zestig dagen nadat ze de adviesvraag, vermeld in het eerste lid, hebben ontvangen. Als er geen advies wordt verleend binnen de voormelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
De afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, neemt een beslissing over de opstellers van het plan-MER, vermeld in artikel 4.2.9. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en deelt haar beslissing mee aan de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, van dit besluit, binnen zestig dagen nadat ze de adviesvraag heeft ontvangen.
§ 4. Op basis van de adviezen, vermeld in paragraaf 3, wordt de oriëntatienota, vermeld in paragraaf 2, aangepast waar dat nodig is. Op basis van de voormelde oriëntatienota maakt de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, een ontwerp van peilbesluit op.
Voor de goedkeuringsprocedure van het peilbesluit worden de volgende documenten opgesteld:
1° een ontwerp van peilregeling, een peilkaart en een toelichting bij het peilbesluit als vermeld in artikel 26/2, § 4, tweede lid, 4°, van dit besluit, dat gebaseerd is op de oriëntatienota, vermeld in paragraaf 2, en een gemotiveerde afweging van de behoeften, vermeld in artikel 26/1, § 2, van dit besluit. Er wordt een overzicht toegevoegd van de knelpunten die met de bestaande inrichting van het gebied, met de bestaande regelbare of vaste constructies en de huidige inrichting en het beheer van de waterlopen en grachten niet of niet volledig opgelost kunnen worden;
2° een actieplan om de knelpunten, vermeld in punt 1°, te remediëren, met daarin de maatregelen die daarvoor nodig zijn, de vermelding welke waterbeheerder of andere instantie de voormelde maatregelen neemt en binnen welke termijn dat gebeurt;
3° een passende beoordeling als vermeld in artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, of een VEN-toets als vermeld in artikel 26bis van het voormelde decreet;
4° een ontwerp van plan-milieueffectrapport, of een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting als vermeld in artikel 4.2.3, § 3bis, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, of een m.e.r.-screeningsnota als vermeld in artikel 4.2.3, § 2 2°, van het voormelde decreet.
In voorkomend geval wordt het gemotiveerde verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting, vermeld in het tweede lid, 4°, ingediend bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage. De definitieve beslissing over de voormelde ontheffing wordt toegevoegd aan het ontwerp van peilbesluit.
§ 5. Over het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, en, in voorkomend geval, over het ontwerp plan-MER wordt een openbaar onderzoek georganiseerd door de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, en de betrokken gemeenten maken het openbaar onderzoek uiterlijk de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek bekend op een opvallende plaats op hun website(s) die voor bekendmakingen geëigend is.
Het gemeentebestuur hangt minstens aan het gemeentehuis gedurende zestig dagen vanaf de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek een bekendmaking op die al de volgende gegevens bevat:
1° de begindatum en de einddatum van het openbaar onderzoek;
2° een korte omschrijving van het doel van het openbaar onderzoek;
3° de website waar het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, raadpleegbaar is;
4° de termijn waarin opmerkingen over de documenten die ter inzage gelegd zijn, ingediend kunnen worden, en de wijze waarop dat gebeurt.
§ 6. Bezwaren en opmerkingen over het ontwerp van peilbesluit en het ontwerp van plan-MER, vermeld in paragraaf 4, kunnen uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 5, digitaal ingediend worden via het inspraakformulier op de website van de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, of analoog met een beveiligde zending op het gemeentehuis.
De algemeen directeur of zijn gemachtigde stelt binnen vijftien dagen na de laatste dag van het openbaar onderzoek een proces-verbaal op van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 5. Het proces-verbaal bevat een inventaris van de bezwaren en opmerkingen die ingediend zijn tijdens het voormelde openbaar onderzoek.
De algemeen directeur of zijn gemachtigde bezorgt zo snel mogelijk het proces-verbaal en de ontvangen bezwaren en opmerkingen aan de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, bezorgt de processen-verbaal van het openbaar onderzoek en de ontvangen bezwaren, opmerkingen en adviezen aan de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage.
§ 7. Over het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, wordt advies gevraagd aan de adviesinstanties, vermeld in paragraaf 3, eerste lid.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, bezorgt de documenten, vermeld in paragraaf 4, aan de adviesinstanties, vermeld in paragraaf 3, eerste lid.
De adviesinstanties, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, met uitzondering van punt 6°, geven advies binnen zestig dagen nadat ze de adviesvraag, vermeld in het eerste lid, hebben ontvangen. Als er geen advies wordt verleend binnen de voormelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
§ 8. Als het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, een ontwerp van plan-MER omvat, beslist de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, over de goedkeuring of afkeuring van het plan-MER met toepassing van artikel 4.2.11, § 4, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
De afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, bezorgt haar beslissing over de plan-MER aan de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, binnen dertig dagen na de indiening van het verslag van het openbaar onderzoek en van de adviesronde, vermeld in § 6.
Als de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, het milieueffectrapport afkeurt, wordt de goedkeuringsprocedure van het ontwerp van peilbesluit van rechtswege stopgezet.
§ 9. De waterbeheerder past het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, aan de resultaten van het openbaar onderzoek aan, vermeld in paragraaf 5 en 6, en aan de adviezen, vermeld in paragraaf 7, binnen negentig dagen na het einde van het openbaar onderzoek en de adviesronde, vermeld in paragraaf 5 en 7.
Aan de documenten, vermeld in paragraaf 4, tweede lid, kunnen alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de adviezen, vermeld in paragraaf 7, en de vragen, opmerkingen en bezwaren uit het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 5 en 6.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, bezorgen de volgende stukken aan de minister:
1° het aangepaste peilbesluit, vermeld in het eerste lid;
2° de documenten, vermeld in paragraaf 4, tweede lid;
3° de ontvangen bezwaren en opmerkingen van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 6;
4° de goedkeuringsbeslissing van de afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage.
De minister houdt bij de beslissing onder meer rekening met de resultaten van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 5 en 6, en met de inhoud van de adviezen, vermeld in paragraaf 7 en met de beslissing van de afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in paragraaf 8.
De minister neemt binnen een termijn van 90 dagen een gemotiveerde beslissing omtrent het peilbesluit.
§ 10. Het goedgekeurde peilbesluit wordt tegelijkertijd bekendgemaakt op de website van de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, en op een digitaal platform over geografische informatie van de Vlaamse overheid.
Het ministerieel besluit tot goedkeuring van het peilbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
§ 11. In voorkomend geval wordt de beslissing tot afkeuring van het plan-milieueffectrapportage of de beslissing tot afkeuring van het peilbesluit bekendgemaakt op de dezelfde wijze als § 10.
Art. 26/4. § 1. Een peilbesluit als vermeld in artikel 26/2, § 4 blijft van kracht tot de minister de wijziging ervan goedkeurt.
§ 2. Ten minste om de zes jaar evalueert de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder in overleg met de andere betrokken waterbeheerders het peilbesluit, vermeld in 26/2, § 4.
Bij de evaluatie worden ten minste de gerealiseerde peilen in relatie tot de beoogde peilen beoordeeld en wordt een stand van zaken van het actieplan, vermeld in artikel 26/3, § 4 opgemaakt.
§ 3. Over de stukken die deel uitmaken van de evaluatie, vermeld in paragraaf 2, wordt het advies ingewonnen van de adviesinstanties, vermeld in artikel 26/3, § 3, eerste lid.
De voormelde adviesinstanties geven advies binnen zestig dagen nadat ze de adviesvraag, vermeld in het eerste lid, hebben ontvangen. Als er geen advies wordt verleend binnen de voormelde termijn, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
Nadat de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, de ontvangen adviezen verwerkt hebben, worden de definitieve evaluatie en de stand van zaken van het actieplan, vermeld in artikel 26/3, § 4, aan de minister bezorgd.
§ 4. Als uit de evaluatie van het peilbesluit, vermeld in paragraaf 2, blijkt dat een wijziging van het peilbesluit nodig is, wordt de procedure, vermeld in artikel 26/3, § 4 tot en met § 9, toegepast.".
Art. 4. Dans le même arrêté, des articles 26/1 à 26/4 sont insérés et rédigés comme suit :
" Art. 26/1. § 1er. Le gestionnaire des eaux met en oeuvre une gestion du niveau d'eau conformément aux objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2 du décret coordonné du 15 juin 2018.
§ 2. Dans le cadre de la gestion du niveau d'eau, le gestionnaire des eaux tient compte, entre autres, des besoins en matière d'environnement, de nature, de paysage, d'économie, d'agriculture et de sécurité de l'eau qui existent dans les zones de niveau. "
Article 26/2. § 1er. Le gestionnaire des eaux peut prendre les initiatives nécessaires pour obtenir une décision de niveau approuvée pour toutes les zones où le niveau des eaux de surface est artificiellement régulé.
Le ministre détermine les zones dans lesquelles une décision de niveau doit être prise en priorité. A cet égard, le ministre tient au moins compte des critères suivants :
- la présence de constructions réglables ;
- l'intérêt de la gestion du niveau d'eau pour atteindre les objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2 du décret coordonné du 15 juin 2018 ;
- l'intérêt de la gestion du niveau d'eau pour atteindre les objectifs de la politique de la nature visés dans le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
- l'intérêt de la gestion du niveau d'eau pour l'environnement, la nature, le paysage, l'économie, l'agriculture et la sécurité de l'eau dans la zone ;
- le constat de la dessiccation et le risque de pénurie d'eau.
Pour les cours d'eau et les fossés situés dans une zone prioritaire, les gestionnaires des eaux doivent soumettre au ministre un projet de décision de niveau dans un délai de deux ans à compter de la désignation de la zone prioritaire. Au cours de ce délai de deux ans, les gestionnaires des eaux peuvent soumettre au ministre une demande motivée de prolongation de ce délai. Le ministre décide dans les trois mois suivant la réception de la demande motivée si cette prolongation peut être acceptée.
Le ministre évalue tous les deux ans si la désignation de zones prioritaires supplémentaires est nécessaire.
§ 2. Les gestionnaires des eaux peuvent prendre conjointement l'initiative, pour une zone donnée, d'élaborer une décision de niveau, telle que visée au paragraphe 1er. Dans un accord, les gestionnaires des eaux prennent les dispositions nécessaires pour l'exécution des différentes tâches requises pour l'élaboration d'une décision de niveau telle que visée au paragraphe 1er, ainsi que pour la répartition des coûts. Les gestionnaires des eaux précités désignent l'un des gestionnaires des eaux concernés en tant que gestionnaire des eaux coordinateur pour élaborer la décision sur le niveau précitée. Les accords précités peuvent être modifiés ou résiliés de la manière prévue dans l'accord précité.
§ 3. Si les gestionnaires des eaux ne soumettent pas à temps au ministre une décision de niveau telle que visée au paragraphe 1er, le ministre peut désigner une autorité chargée d'élaborer la décision de niveau précitée conformément à la procédure visée dans le présent arrêté.
§ 4. Une décision de niveau telle que visée au paragraphe 1er, contient l'ensemble des éléments suivants :
1° la régulation du niveau d'eau pour les zones de niveau dans la région à laquelle la décision de niveau s'applique, compte tenu des besoins visés à l'article 26/1, § 2, du présent arrêté, à prendre en compte dans la région ;
2° le cas échéant, la manière dont la régulation du niveau d'eau a été modifiée par rapport à une version antérieure ;
3° une carte de niveau indiquant la délimitation de la zone à laquelle s'applique la décision de niveau et les zones de niveau dans lesquelles s'appliquent les différentes régulations du niveau d'eau établies par la décision de niveau;
4° une note explicative de la décision comprenant l'ensemble des éléments suivants :
a) un aperçu des cours d'eau et fossés non navigables de la zone ainsi que des constructions réglables et fixes sur les cours d'eau et fossés précités, et des mesures d'aménagement et de gestion que le gestionnaire des eaux peut mettre en oeuvre pour réaliser la régulation du niveau d'eau ;
b) un aperçu des connexions aux voies navigables ;
c) la législation pertinente dans la zone concernée pour la gestion du niveau d'eau et la manière dont elle est traitée ;
d) les besoins identifiés, visés à l'article 26/1, § 2, du présent arrêté, à prendre en compte dans la zone ;
e) une justification approfondie de la régulation du niveau d'eau, en tenant compte des différents intérêts dans la zone ;
f) les réglages de niveau pour les constructions réglables déployées en vue de réaliser la régulation du niveau d'eau ;
g) les points de mesure présents ou installés dans la zone pour le contrôle de la régulation du niveau d'eau ;
5° l'évaluation de la qualité et, le cas échéant, la déclaration visée à l'article 4.2.11, § 7, alinéa 1er, 2°, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales en matière de politique de l'environnement, ainsi que, le cas échéant, un aperçu des conclusions des études d'incidences suivantes, en indiquant la manière dont elles sont intégrées dans le plan :
a) le rapport d'incidences du plan sur l'environnement ;
b) l'évaluation appropriée ;
c) d'autres rapports d'incidences obligatoirement prescrits ou établis ;
d) le cas échéant, les mesures de suivi dans le cadre des évaluations d'incidences exécutées.
§ 5. Une décision de niveau telle que visée au paragraphe 1er, est contraignante pour les gestionnaires des eaux visés aux paragraphes 1er et 2, ainsi que pour les propriétaires et les utilisateurs des biens immobiliers situés dans la zone à laquelle se rapporte la décision de niveau précitée.
Article 26/3. § 1er. Dans le présent article, on entend par division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement : la sous-entité du Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire en charge de l'évaluation des incidences sur l'environnement.
§ 2. Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2 du présent arrêté, rédige une note d'orientation dans le cadre d'un processus participatif avec les acteurs locaux, les propriétaires et les utilisateurs, contentant l'ensemble des éléments suivants :
1° la régulation du niveau d'eau appliquée actuellement avec une carte de la zone couverte par cette régulation du niveau d'eau et, le cas échéant, les zones dans lesquelles les différentes régulations du niveau d'eau existantes s'appliquent ;
2° les constructions réglables et fixes présentes pour réaliser la régulation du niveau d'eau, et les réglages de niveau utilisés des constructions réglables précitées ;
3° le dispositif actuel et la gestion des cours d'eau et des fossés appliquée actuellement à des fins de régulation du niveau d'eau;
4° la législation relative à la gestion du niveau d'eau dans la zone concernée ;
5° les informations pertinentes de la carte des sols de la zone ;
6° les besoins identifiés visés à l'article 26/1, § 2, du présent arrêté ;
7° une carte indiquant la limitation de la zone pour laquelle le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur entend établir une décision de niveau telle que visée à l'article 26/2, § 4, du présent arrêté ;
8° le cas échéant la notification du rapport d'incidences sur l'environnement du plan envisagé visé à l'article 4.2.8, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
§ 3. Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur demande l'avis des organismes suivants sur la note d'orientation visée au paragraphe 2 :
1° le collège des bourgmestre et échevins des communes auxquelles se rapporte la décision de niveau, visée à l'article 26/2, § 4, du présent arrêté ;
2° les autres gestionnaires des eaux responsables de la gestion de cours d'eau ou de fossés publics dans la zone concernée ;
3° l'Agence de la Nature et des Forêts ;
4° le Département de l'Agriculture et de la Pêche ;
5° l'Agence Patrimoine de Flandre si un paysage historico-culturel tel que visé à l'article 2.1, 22°, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, fait partie de la zone à laquelle se rapporte la décision de niveau, visée à l'article 26/2, § 4, du présent arrêté, ou y est adjacent ;
6° le cas échéant la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement ;
7° la députation de la ou des provinces où se trouve le territoire couvert par la décision de niveau ;
8° la Société flamande de l'Environnement ;
9° l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau si la décision de niveau visée à l'article 26/2, § 4, du présent arrêté, s'applique aux cours d'eau utilisés pour le captage de la production d'eau destinée à la consommation humaine;
10° la CPIE ;
11° le cas échéant, une autre région, un autre Etat membre de l'Union européenne ou l'autorité fédérale s'il ressort de la notification, visée au paragraphe 2, 8°, que le projet est susceptible d'avoir des incidences considérables sur l'homme ou l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne ou dans des parties contractantes à la convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signée à Espoo le 25 février 1991, ou dans d'autres régions, ou si les autorités compétentes de ces Etats membres, de ces parties contractantes ou de ces régions le demandent.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, fournit la note d'orientation visée au § 2, aux instances consultatives visées à l'alinéa 1er. Les instances consultatives visées à l'alinéa 1er, à l'exception du point 6°, rendent leur avis dans un délai de soixante jours à compter de la réception de la demande d'avis visée à l'alinéa 1er. Si aucun avis n'est rendu dans le délai précité, l'avis est réputé favorable.
La division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement prend une décision sur les auteurs du RIE du plan, visés à l'article 4.2.9. du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, et communique sa décision au gestionnaire des eaux ou au gestionnaire des eaux coordinateur, visé à l'article 26/2, § 1er et § 2 du présent arrêté, dans un délai de 60 jours à compter de la réception de la demande d'avis.
§ 4. Sur la base des avis visés au paragraphe 3, la note d'orientation visée au paragraphe 2, est adaptée si nécessaire. Sur la base de la note d'orientation précitée, le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, prépare un projet de décision de niveau.
Les documents suivants sont établis pour le processus d'approbation de la décision de niveau :
1° un projet de régulation du niveau d'eau, une carte de niveau et une explication de la décision de niveau telle que visée à l'article 26/2, § 4, alinéa 2, 4°, du présent arrêté, basée sur la note d'orientation, visée au paragraphe 2, et une évaluation justifiée des besoins visée à l'article 26/1, § 2, du présent arrêté. Ils sont accompagnés d'un aperçu des problèmes qui ne peuvent pas être (entièrement) résolus avec l'aménagement actuel de la zone, les constructions réglables ou fixes existantes et l'aménagement actuel et la gestion des cours d'eau et des fossés ;
2° un plan d'action pour remédier aux problèmes visés au point 1°, comprenant les mesures nécessaires à cet effet, la mention du gestionnaire des eaux ou d'un autre organisme chargé de prendre les mesures précitées et le délai prévu ;
3° une évaluation appropriée telle que visée à l'article 36ter, § 3, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, ou un test VEN tel que visé à l'article 26bis du décret précité ;
4° un projet de plan de rapport d'incidences sur l'environnement du plan ou une demande motivée de dispense de l'obligation de rapportage, telle que visée à l'article 4.2.3, § 3bis, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, ou une note de screening de projet MER telle que visée à l'article 4.2.3, § 2, 2°, du décret précité.
Le cas échéant, la demande motivée de dispense de l'obligation de rapportage visée à l'alinéa 2, 4°, est soumise à la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement. La décision finale sur la dispense précitée est ajoutée au projet de décision de niveau.
§ 5. Une enquête publique est organisée par le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, sur le projet de décision de niveau, visé au paragraphe 4, et, le cas échéant, sur le projet de RIE du plan.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, et les communes concernées annoncent l'enquête publique au plus tard la veille de la date de début de l'enquête publique à un endroit bien visible sur leur(s) site(s) web approprié(s) aux avis.
Pendant soixante jours à compter de la veille de la date de début de l'enquête publique, l'administration communale affiche au moins à la maison communale un avis contenant toutes les informations suivantes :
1° la date de début et de fin de l'enquête publique ;
2° une description sommaire du but de l'enquête publique ;
3° le site web sur lequel le projet de décision de niveau visé au paragraphe 4, peut être consulté ;
4° le délai et les modalités d'introduction des observations au sujet des documents ouverts à la consultation.
§ 6. Les objections et les observations sur le projet de décision de niveau et sur le projet de RIE du plan, visés au paragraphe 4, peuvent être soumises par voie électronique via le formulaire mis à disposition sur le site web du gestionnaire des eaux ou du gestionnaire des eaux coordinateur, visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, ou par voie analogique par le biais d'un envoi sécurisé à la commune, au plus tard le dernier jour de la période d'enquête publique visée au paragraphe 5.
Le directeur général ou son mandataire dresse un procès-verbal de l'enquête publique visée au paragraphe 5, dans la quinzaine suivant le dernier jour de l'enquête publique. Le procès-verbal comprend un inventaire des objections et observations introduites durant l'enquête publique précitée.
Le directeur général ou son mandataire transmet dans les plus brefs délais le procès-verbal et les objections et observations reçues au gestionnaire des eaux ou au gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, remet les procès-verbaux de l'enquête publique et les objections, observations et avis reçus à la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement.
§ 7. Les instances consultatives visées au paragraphe 3, alinéa 1er, sont invitées à remettre un avis sur le projet de décision de niveau visé au paragraphe 4.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, fournit les documents visés au paragraphe 4, aux instances consultatives visées au paragraphe 3, alinéa 1er.
Les instances consultatives visées au paragraphe 3, alinéa 1er, à l'exception du point 6°, rendent leur avis dans un délai de soixante jours à compter de la réception de la demande d'avis visée à l'alinéa 1er. Si aucun avis n'est rendu dans le délai précité, l'avis est réputé favorable.
§ 8. Si le projet de décision de niveau visé au paragraphe 4, comprend un projet de RIE du plan, la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement décide de l'approbation ou du refus de RIE du plan en application de l'article 4.2.11, § 4, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
La division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement remet sa décision sur le RIE du plan au gestionnaire des eaux ou au gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, dans les trente jours suivant la remise du rapport de l'enquête publique et de la phase de consultation visée au § 6.
Si la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement n'approuve pas le rapport d'incidence sur l'environnement, la procédure d'approbation du projet de décision de niveau prend fin de plein droit.
§ 9. Le gestionnaire des eaux adapte le projet de décision de niveau, visé au paragraphe 4, aux résultats de l'enquête publique, visée aux paragraphes 5 et 6, et aux avis, visés au paragraphe 7, dans un délai de nonante jours à compter de la fin de l'enquête publique et de la phase de consultation visées aux paragraphes 5 et 7.
Les documents visés au paragraphe 4, alinéa 2, ne peuvent être modifiés que sur la base ou à la suite des avis visés au paragraphe 7, et des questions, observations et objections de l'enquête publique visée aux paragraphes 5 et 6.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, fournit au ministre les documents suivants :
1° la décision de niveau adaptée visée à l'alinéa 1er ;
2° les documents visés au paragraphe 4, alinéa 2 ;
3° les objections et observations reçues dans le cadre de l'enquête publique visée au paragraphe 6 ;
4° la décision d'approbation de la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement.
Dans sa décision, le ministre tient compte, entre autres, des résultats de l'enquête publique, visée aux paragraphes 5 et 6, du contenu des avis, visés au paragraphe 7 et de la décision de la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement visée au paragraphe 8.
Le ministre prend une décision motivée sur la décision de niveau dans un délai de nonante jours.
§ 10. La décision de niveau approuvée est publiée simultanément sur le site web du gestionnaire des eaux ou du gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, et sur une plate-forme numérique dédiée aux informations géographiques de l'Autorité flamande.
L'arrêté ministériel approuvant la décision de niveau est publié par extrait au Moniteur belge.
§ 11. Le cas échéant, la décision de refus de l'évaluation des incidences sur l'environnement du plan ou de la décision de niveau est publiée de la même manière qu'au § 10.
Article 26/4. § 1er. Une décision de niveau telle que visée à l'article 26/2, § 4, reste en vigueur jusqu'à ce que le ministre approuve sa modification.
§ 2. Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur, en concertation avec les autres gestionnaires des eaux concernés, évalue au moins tous les six ans la décision de niveau visée à l'article 26/2, § 4.
L'évaluation porte au moins sur les niveaux réalisés par rapport aux niveaux visés et inclut un état d'avancement du plan d'action visé à l'article 26/3 § 4.
§ 3. Les documents faisant partie de l'évaluation visée au paragraphe 2, sont soumis à l'avis des instances consultatives visées à l'article 26/3, § 3, alinéa 1er.
Les instances consultatives précitées rendent leur avis dans un délai de soixante jours à compter de la réception de la demande d'avis visée à l'alinéa 1er. Si aucun avis n'est rendu dans le délai précité, l'obligation en matière d'avis peut être ignorée.
Après que le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, a traité les avis reçus, l'évaluation finale et l'état d'avancement du plan d'action visés à l'article 26/3, § 4, sont transmis au ministre.
§ 4. S'il ressort de l'évaluation de la décision de niveau visée au paragraphe 2, qu'une modification de la décision de niveau est nécessaire, la procédure visée à l'article 26/3, paragraphes 4 à 9, est appliquée. ".
" Art. 26/1. § 1er. Le gestionnaire des eaux met en oeuvre une gestion du niveau d'eau conformément aux objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2 du décret coordonné du 15 juin 2018.
§ 2. Dans le cadre de la gestion du niveau d'eau, le gestionnaire des eaux tient compte, entre autres, des besoins en matière d'environnement, de nature, de paysage, d'économie, d'agriculture et de sécurité de l'eau qui existent dans les zones de niveau. "
Article 26/2. § 1er. Le gestionnaire des eaux peut prendre les initiatives nécessaires pour obtenir une décision de niveau approuvée pour toutes les zones où le niveau des eaux de surface est artificiellement régulé.
Le ministre détermine les zones dans lesquelles une décision de niveau doit être prise en priorité. A cet égard, le ministre tient au moins compte des critères suivants :
- la présence de constructions réglables ;
- l'intérêt de la gestion du niveau d'eau pour atteindre les objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2 du décret coordonné du 15 juin 2018 ;
- l'intérêt de la gestion du niveau d'eau pour atteindre les objectifs de la politique de la nature visés dans le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
- l'intérêt de la gestion du niveau d'eau pour l'environnement, la nature, le paysage, l'économie, l'agriculture et la sécurité de l'eau dans la zone ;
- le constat de la dessiccation et le risque de pénurie d'eau.
Pour les cours d'eau et les fossés situés dans une zone prioritaire, les gestionnaires des eaux doivent soumettre au ministre un projet de décision de niveau dans un délai de deux ans à compter de la désignation de la zone prioritaire. Au cours de ce délai de deux ans, les gestionnaires des eaux peuvent soumettre au ministre une demande motivée de prolongation de ce délai. Le ministre décide dans les trois mois suivant la réception de la demande motivée si cette prolongation peut être acceptée.
Le ministre évalue tous les deux ans si la désignation de zones prioritaires supplémentaires est nécessaire.
§ 2. Les gestionnaires des eaux peuvent prendre conjointement l'initiative, pour une zone donnée, d'élaborer une décision de niveau, telle que visée au paragraphe 1er. Dans un accord, les gestionnaires des eaux prennent les dispositions nécessaires pour l'exécution des différentes tâches requises pour l'élaboration d'une décision de niveau telle que visée au paragraphe 1er, ainsi que pour la répartition des coûts. Les gestionnaires des eaux précités désignent l'un des gestionnaires des eaux concernés en tant que gestionnaire des eaux coordinateur pour élaborer la décision sur le niveau précitée. Les accords précités peuvent être modifiés ou résiliés de la manière prévue dans l'accord précité.
§ 3. Si les gestionnaires des eaux ne soumettent pas à temps au ministre une décision de niveau telle que visée au paragraphe 1er, le ministre peut désigner une autorité chargée d'élaborer la décision de niveau précitée conformément à la procédure visée dans le présent arrêté.
§ 4. Une décision de niveau telle que visée au paragraphe 1er, contient l'ensemble des éléments suivants :
1° la régulation du niveau d'eau pour les zones de niveau dans la région à laquelle la décision de niveau s'applique, compte tenu des besoins visés à l'article 26/1, § 2, du présent arrêté, à prendre en compte dans la région ;
2° le cas échéant, la manière dont la régulation du niveau d'eau a été modifiée par rapport à une version antérieure ;
3° une carte de niveau indiquant la délimitation de la zone à laquelle s'applique la décision de niveau et les zones de niveau dans lesquelles s'appliquent les différentes régulations du niveau d'eau établies par la décision de niveau;
4° une note explicative de la décision comprenant l'ensemble des éléments suivants :
a) un aperçu des cours d'eau et fossés non navigables de la zone ainsi que des constructions réglables et fixes sur les cours d'eau et fossés précités, et des mesures d'aménagement et de gestion que le gestionnaire des eaux peut mettre en oeuvre pour réaliser la régulation du niveau d'eau ;
b) un aperçu des connexions aux voies navigables ;
c) la législation pertinente dans la zone concernée pour la gestion du niveau d'eau et la manière dont elle est traitée ;
d) les besoins identifiés, visés à l'article 26/1, § 2, du présent arrêté, à prendre en compte dans la zone ;
e) une justification approfondie de la régulation du niveau d'eau, en tenant compte des différents intérêts dans la zone ;
f) les réglages de niveau pour les constructions réglables déployées en vue de réaliser la régulation du niveau d'eau ;
g) les points de mesure présents ou installés dans la zone pour le contrôle de la régulation du niveau d'eau ;
5° l'évaluation de la qualité et, le cas échéant, la déclaration visée à l'article 4.2.11, § 7, alinéa 1er, 2°, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales en matière de politique de l'environnement, ainsi que, le cas échéant, un aperçu des conclusions des études d'incidences suivantes, en indiquant la manière dont elles sont intégrées dans le plan :
a) le rapport d'incidences du plan sur l'environnement ;
b) l'évaluation appropriée ;
c) d'autres rapports d'incidences obligatoirement prescrits ou établis ;
d) le cas échéant, les mesures de suivi dans le cadre des évaluations d'incidences exécutées.
§ 5. Une décision de niveau telle que visée au paragraphe 1er, est contraignante pour les gestionnaires des eaux visés aux paragraphes 1er et 2, ainsi que pour les propriétaires et les utilisateurs des biens immobiliers situés dans la zone à laquelle se rapporte la décision de niveau précitée.
Article 26/3. § 1er. Dans le présent article, on entend par division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement : la sous-entité du Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire en charge de l'évaluation des incidences sur l'environnement.
§ 2. Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2 du présent arrêté, rédige une note d'orientation dans le cadre d'un processus participatif avec les acteurs locaux, les propriétaires et les utilisateurs, contentant l'ensemble des éléments suivants :
1° la régulation du niveau d'eau appliquée actuellement avec une carte de la zone couverte par cette régulation du niveau d'eau et, le cas échéant, les zones dans lesquelles les différentes régulations du niveau d'eau existantes s'appliquent ;
2° les constructions réglables et fixes présentes pour réaliser la régulation du niveau d'eau, et les réglages de niveau utilisés des constructions réglables précitées ;
3° le dispositif actuel et la gestion des cours d'eau et des fossés appliquée actuellement à des fins de régulation du niveau d'eau;
4° la législation relative à la gestion du niveau d'eau dans la zone concernée ;
5° les informations pertinentes de la carte des sols de la zone ;
6° les besoins identifiés visés à l'article 26/1, § 2, du présent arrêté ;
7° une carte indiquant la limitation de la zone pour laquelle le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur entend établir une décision de niveau telle que visée à l'article 26/2, § 4, du présent arrêté ;
8° le cas échéant la notification du rapport d'incidences sur l'environnement du plan envisagé visé à l'article 4.2.8, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
§ 3. Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur demande l'avis des organismes suivants sur la note d'orientation visée au paragraphe 2 :
1° le collège des bourgmestre et échevins des communes auxquelles se rapporte la décision de niveau, visée à l'article 26/2, § 4, du présent arrêté ;
2° les autres gestionnaires des eaux responsables de la gestion de cours d'eau ou de fossés publics dans la zone concernée ;
3° l'Agence de la Nature et des Forêts ;
4° le Département de l'Agriculture et de la Pêche ;
5° l'Agence Patrimoine de Flandre si un paysage historico-culturel tel que visé à l'article 2.1, 22°, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, fait partie de la zone à laquelle se rapporte la décision de niveau, visée à l'article 26/2, § 4, du présent arrêté, ou y est adjacent ;
6° le cas échéant la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement ;
7° la députation de la ou des provinces où se trouve le territoire couvert par la décision de niveau ;
8° la Société flamande de l'Environnement ;
9° l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau si la décision de niveau visée à l'article 26/2, § 4, du présent arrêté, s'applique aux cours d'eau utilisés pour le captage de la production d'eau destinée à la consommation humaine;
10° la CPIE ;
11° le cas échéant, une autre région, un autre Etat membre de l'Union européenne ou l'autorité fédérale s'il ressort de la notification, visée au paragraphe 2, 8°, que le projet est susceptible d'avoir des incidences considérables sur l'homme ou l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne ou dans des parties contractantes à la convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signée à Espoo le 25 février 1991, ou dans d'autres régions, ou si les autorités compétentes de ces Etats membres, de ces parties contractantes ou de ces régions le demandent.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, fournit la note d'orientation visée au § 2, aux instances consultatives visées à l'alinéa 1er. Les instances consultatives visées à l'alinéa 1er, à l'exception du point 6°, rendent leur avis dans un délai de soixante jours à compter de la réception de la demande d'avis visée à l'alinéa 1er. Si aucun avis n'est rendu dans le délai précité, l'avis est réputé favorable.
La division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement prend une décision sur les auteurs du RIE du plan, visés à l'article 4.2.9. du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, et communique sa décision au gestionnaire des eaux ou au gestionnaire des eaux coordinateur, visé à l'article 26/2, § 1er et § 2 du présent arrêté, dans un délai de 60 jours à compter de la réception de la demande d'avis.
§ 4. Sur la base des avis visés au paragraphe 3, la note d'orientation visée au paragraphe 2, est adaptée si nécessaire. Sur la base de la note d'orientation précitée, le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, prépare un projet de décision de niveau.
Les documents suivants sont établis pour le processus d'approbation de la décision de niveau :
1° un projet de régulation du niveau d'eau, une carte de niveau et une explication de la décision de niveau telle que visée à l'article 26/2, § 4, alinéa 2, 4°, du présent arrêté, basée sur la note d'orientation, visée au paragraphe 2, et une évaluation justifiée des besoins visée à l'article 26/1, § 2, du présent arrêté. Ils sont accompagnés d'un aperçu des problèmes qui ne peuvent pas être (entièrement) résolus avec l'aménagement actuel de la zone, les constructions réglables ou fixes existantes et l'aménagement actuel et la gestion des cours d'eau et des fossés ;
2° un plan d'action pour remédier aux problèmes visés au point 1°, comprenant les mesures nécessaires à cet effet, la mention du gestionnaire des eaux ou d'un autre organisme chargé de prendre les mesures précitées et le délai prévu ;
3° une évaluation appropriée telle que visée à l'article 36ter, § 3, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, ou un test VEN tel que visé à l'article 26bis du décret précité ;
4° un projet de plan de rapport d'incidences sur l'environnement du plan ou une demande motivée de dispense de l'obligation de rapportage, telle que visée à l'article 4.2.3, § 3bis, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, ou une note de screening de projet MER telle que visée à l'article 4.2.3, § 2, 2°, du décret précité.
Le cas échéant, la demande motivée de dispense de l'obligation de rapportage visée à l'alinéa 2, 4°, est soumise à la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement. La décision finale sur la dispense précitée est ajoutée au projet de décision de niveau.
§ 5. Une enquête publique est organisée par le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, sur le projet de décision de niveau, visé au paragraphe 4, et, le cas échéant, sur le projet de RIE du plan.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, et les communes concernées annoncent l'enquête publique au plus tard la veille de la date de début de l'enquête publique à un endroit bien visible sur leur(s) site(s) web approprié(s) aux avis.
Pendant soixante jours à compter de la veille de la date de début de l'enquête publique, l'administration communale affiche au moins à la maison communale un avis contenant toutes les informations suivantes :
1° la date de début et de fin de l'enquête publique ;
2° une description sommaire du but de l'enquête publique ;
3° le site web sur lequel le projet de décision de niveau visé au paragraphe 4, peut être consulté ;
4° le délai et les modalités d'introduction des observations au sujet des documents ouverts à la consultation.
§ 6. Les objections et les observations sur le projet de décision de niveau et sur le projet de RIE du plan, visés au paragraphe 4, peuvent être soumises par voie électronique via le formulaire mis à disposition sur le site web du gestionnaire des eaux ou du gestionnaire des eaux coordinateur, visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, ou par voie analogique par le biais d'un envoi sécurisé à la commune, au plus tard le dernier jour de la période d'enquête publique visée au paragraphe 5.
Le directeur général ou son mandataire dresse un procès-verbal de l'enquête publique visée au paragraphe 5, dans la quinzaine suivant le dernier jour de l'enquête publique. Le procès-verbal comprend un inventaire des objections et observations introduites durant l'enquête publique précitée.
Le directeur général ou son mandataire transmet dans les plus brefs délais le procès-verbal et les objections et observations reçues au gestionnaire des eaux ou au gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, remet les procès-verbaux de l'enquête publique et les objections, observations et avis reçus à la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement.
§ 7. Les instances consultatives visées au paragraphe 3, alinéa 1er, sont invitées à remettre un avis sur le projet de décision de niveau visé au paragraphe 4.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, fournit les documents visés au paragraphe 4, aux instances consultatives visées au paragraphe 3, alinéa 1er.
Les instances consultatives visées au paragraphe 3, alinéa 1er, à l'exception du point 6°, rendent leur avis dans un délai de soixante jours à compter de la réception de la demande d'avis visée à l'alinéa 1er. Si aucun avis n'est rendu dans le délai précité, l'avis est réputé favorable.
§ 8. Si le projet de décision de niveau visé au paragraphe 4, comprend un projet de RIE du plan, la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement décide de l'approbation ou du refus de RIE du plan en application de l'article 4.2.11, § 4, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
La division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement remet sa décision sur le RIE du plan au gestionnaire des eaux ou au gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, dans les trente jours suivant la remise du rapport de l'enquête publique et de la phase de consultation visée au § 6.
Si la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement n'approuve pas le rapport d'incidence sur l'environnement, la procédure d'approbation du projet de décision de niveau prend fin de plein droit.
§ 9. Le gestionnaire des eaux adapte le projet de décision de niveau, visé au paragraphe 4, aux résultats de l'enquête publique, visée aux paragraphes 5 et 6, et aux avis, visés au paragraphe 7, dans un délai de nonante jours à compter de la fin de l'enquête publique et de la phase de consultation visées aux paragraphes 5 et 7.
Les documents visés au paragraphe 4, alinéa 2, ne peuvent être modifiés que sur la base ou à la suite des avis visés au paragraphe 7, et des questions, observations et objections de l'enquête publique visée aux paragraphes 5 et 6.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, fournit au ministre les documents suivants :
1° la décision de niveau adaptée visée à l'alinéa 1er ;
2° les documents visés au paragraphe 4, alinéa 2 ;
3° les objections et observations reçues dans le cadre de l'enquête publique visée au paragraphe 6 ;
4° la décision d'approbation de la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement.
Dans sa décision, le ministre tient compte, entre autres, des résultats de l'enquête publique, visée aux paragraphes 5 et 6, du contenu des avis, visés au paragraphe 7 et de la décision de la division compétente pour l'évaluation des incidences sur l'environnement visée au paragraphe 8.
Le ministre prend une décision motivée sur la décision de niveau dans un délai de nonante jours.
§ 10. La décision de niveau approuvée est publiée simultanément sur le site web du gestionnaire des eaux ou du gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, et sur une plate-forme numérique dédiée aux informations géographiques de l'Autorité flamande.
L'arrêté ministériel approuvant la décision de niveau est publié par extrait au Moniteur belge.
§ 11. Le cas échéant, la décision de refus de l'évaluation des incidences sur l'environnement du plan ou de la décision de niveau est publiée de la même manière qu'au § 10.
Article 26/4. § 1er. Une décision de niveau telle que visée à l'article 26/2, § 4, reste en vigueur jusqu'à ce que le ministre approuve sa modification.
§ 2. Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur, en concertation avec les autres gestionnaires des eaux concernés, évalue au moins tous les six ans la décision de niveau visée à l'article 26/2, § 4.
L'évaluation porte au moins sur les niveaux réalisés par rapport aux niveaux visés et inclut un état d'avancement du plan d'action visé à l'article 26/3 § 4.
§ 3. Les documents faisant partie de l'évaluation visée au paragraphe 2, sont soumis à l'avis des instances consultatives visées à l'article 26/3, § 3, alinéa 1er.
Les instances consultatives précitées rendent leur avis dans un délai de soixante jours à compter de la réception de la demande d'avis visée à l'alinéa 1er. Si aucun avis n'est rendu dans le délai précité, l'obligation en matière d'avis peut être ignorée.
Après que le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, a traité les avis reçus, l'évaluation finale et l'état d'avancement du plan d'action visés à l'article 26/3, § 4, sont transmis au ministre.
§ 4. S'il ressort de l'évaluation de la décision de niveau visée au paragraphe 2, qu'une modification de la décision de niveau est nécessaire, la procédure visée à l'article 26/3, paragraphes 4 à 9, est appliquée. ".
HOOFDSTUK 3. - Slotbepaling
CHAPITRE 3. - Disposition finale
Art. 5. De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 5. Le ministre flamand qui a l'environnement, l'aménagement du territoire et la nature dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.