Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
17 JULI 2022. - Wet tot invoering van een tijdelijke maatregel in het kader van het overbruggingsrecht naar aanleiding van de extreme weersomstandigheden in de maand juli 2021
Titre
17 JUILLET 2022. - Loi introduisant une mesure temporaire de droit passerelle à la suite des conditions météorologiques extrêmes du mois de juillet 2021
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (9)
Texte (9)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Tijdelijke maatregel in het kader van het overbruggingsrecht naar aanleiding van de extreme weersomstandigheden in de maand juli 2021
CHAPITRE 2. - Mesure temporaire de droit passerelle à la suite des conditions météorologiques extrêmes du mois de juillet 2021
Art. 2. Deze wet is van toepassing op zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, zoals bedoeld in respectievelijk artikel 3, 5quater, 6 en 7bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, voor zover ze voorlopige bijdragen verschuldigd zijn overeenkomstig de artikelen 12, § § 1, 1bis of 1ter, of 12bis, § 2, of 13bis, § 2, 1°, 1°bis of 2°, van hetzelfde koninklijk besluit in de periode waarvoor ze de tijdelijke maatregel vragen.
Deze wet is eveneens van toepassing op de zelfstandigen en helpers, zoals bedoeld in respectievelijk artikel 3, 5quater en 6 van hetzelfde koninklijk besluit, voor zover ze voorlopige bijdragen verschuldigd zijn overeenkomstig de artikelen 12, § 2, tweede, derde en vierde lid, of 12bis, § 1, 2, of 13, § 1, tweede, derde en vierde lid van hetzelfde koninklijk besluit, in de periode waarvoor ze de tijdelijke maatregel vragen en voor zover de voorlopige bijdragen berekend worden op ten minste de helft van het bedrag vermeld in artikel 12, § 1, tweede lid, eerste zin, van hetzelfde koninklijk besluit.
De bepalingen van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen die van toepassing zijn op de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten bedoeld in artikel 4, 3° van dezelfde wet, zijn van toepassing in de mate waarin de artikelen van deze wet er niet van afwijken.
Deze wet is eveneens van toepassing op de zelfstandigen en helpers, zoals bedoeld in respectievelijk artikel 3, 5quater en 6 van hetzelfde koninklijk besluit, voor zover ze voorlopige bijdragen verschuldigd zijn overeenkomstig de artikelen 12, § 2, tweede, derde en vierde lid, of 12bis, § 1, 2, of 13, § 1, tweede, derde en vierde lid van hetzelfde koninklijk besluit, in de periode waarvoor ze de tijdelijke maatregel vragen en voor zover de voorlopige bijdragen berekend worden op ten minste de helft van het bedrag vermeld in artikel 12, § 1, tweede lid, eerste zin, van hetzelfde koninklijk besluit.
De bepalingen van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen die van toepassing zijn op de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten bedoeld in artikel 4, 3° van dezelfde wet, zijn van toepassing in de mate waarin de artikelen van deze wet er niet van afwijken.
Art. 2. La présente loi s'applique aux travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants visés respectivement aux articles 3, 5quater, 6 et 7bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, pour autant qu'ils soient redevables de cotisations provisoires conformément aux articles 12, § § 1er, 1erbis ou 1erter, 12bis, § 2, ou 13bis, § 2, 1°, 1°bis ou 2° du même arrêté royal pendant la période pour laquelle ils demandent la mesure temporaire.
La présente loi s'applique également aux travailleurs indépendants et aux aidants, visés aux articles 3, 5quater et 6 du même arrêté royal, pour autant qu'ils soient redevables des cotisations provisoires conformément aux articles 12, § 2, alinéas 2, 3 et 4, ou 12bis, § 1er, 2, ou 13, § 1er, alinéas 2, 3 et 4 du même arrêté royal, pendant la période pour laquelle ils demandent la mesure temporaire, et pour autant que les cotisations provisoires soient calculées au moins sur la moitié du montant mentionné à l'article 12, § 1er, alinéa 2, première phrase, du même arrêté royal.
Les dispositions de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants, telles qu'elles s'appliquent aux travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants visés à l'article 4, 3°, de la même loi, s'appliquent dans la mesure où les articles de la présente loi n'y dérogent pas.
La présente loi s'applique également aux travailleurs indépendants et aux aidants, visés aux articles 3, 5quater et 6 du même arrêté royal, pour autant qu'ils soient redevables des cotisations provisoires conformément aux articles 12, § 2, alinéas 2, 3 et 4, ou 12bis, § 1er, 2, ou 13, § 1er, alinéas 2, 3 et 4 du même arrêté royal, pendant la période pour laquelle ils demandent la mesure temporaire, et pour autant que les cotisations provisoires soient calculées au moins sur la moitié du montant mentionné à l'article 12, § 1er, alinéa 2, première phrase, du même arrêté royal.
Les dispositions de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants, telles qu'elles s'appliquent aux travailleurs indépendants, aidants et conjoints aidants visés à l'article 4, 3°, de la même loi, s'appliquent dans la mesure où les articles de la présente loi n'y dérogent pas.
Art. 3. De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten kunnen aanspraak maken op het volledige maandelijkse bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, voor de kalendermaand waarin aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldaan is :
1° de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot is het slachtoffer van de extreme weeromstandigheden die zich in de tweede helft van juli 2021 hebben voorgedaan in de gemeenten die als getroffen worden erkend door de bevoegde deelstatelijke overheden;
2° de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot kan aantonen dat voor de kalendermaand voorafgaand aan de kalendermaand waarop de aanvraag betrekking heeft zijn activiteit een omzetverlies kent van ten minste 65 % in vergelijking met dezelfde kalendermaand van het referentiejaar 2019;
3° de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot heeft zijn wettelijk verschuldigde voorlopige bijdragen voor ten minste vier kwartalen tijdens het tijdvak van zestien kwartalen dat voorafgaat aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal van de kalendermaand waarop de aanvraag betrekking heeft effectief betaald. Indien de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot zijn verzekeringsplicht in het kader van het koninklijk besluit nr. 38 slechts kan bewijzen gedurende de twaalf kwartalen die onmiddellijk voorafgaan aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal van de kalendermaand waarop de aanvraag betrekking heeft of minder, volstaat het dat hij zijn wettelijk verschuldigde voorlopige bijdragen voor minstens twee kwartalen effectief betaald heeft;
4° de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot mag voor dezelfde kalendermaand geen andere financiële uitkering in het kader van om het even welke maatregel met betrekking tot het overbruggingsrecht genieten.
De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, bedoeld in het eerste lid kunnen het in het eerste lid bedoelde bedrag slechts cumuleren met een of meer andere vervangingsinkomens voor zover de som van het bedrag bedoeld in het eerste lid en de andere vervangingsinkomens niet meer bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen. Ingeval van overschrijding wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid verminderd ten belope van deze overschrijding.
1° de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot is het slachtoffer van de extreme weeromstandigheden die zich in de tweede helft van juli 2021 hebben voorgedaan in de gemeenten die als getroffen worden erkend door de bevoegde deelstatelijke overheden;
2° de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot kan aantonen dat voor de kalendermaand voorafgaand aan de kalendermaand waarop de aanvraag betrekking heeft zijn activiteit een omzetverlies kent van ten minste 65 % in vergelijking met dezelfde kalendermaand van het referentiejaar 2019;
3° de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot heeft zijn wettelijk verschuldigde voorlopige bijdragen voor ten minste vier kwartalen tijdens het tijdvak van zestien kwartalen dat voorafgaat aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal van de kalendermaand waarop de aanvraag betrekking heeft effectief betaald. Indien de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot zijn verzekeringsplicht in het kader van het koninklijk besluit nr. 38 slechts kan bewijzen gedurende de twaalf kwartalen die onmiddellijk voorafgaan aan de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal van de kalendermaand waarop de aanvraag betrekking heeft of minder, volstaat het dat hij zijn wettelijk verschuldigde voorlopige bijdragen voor minstens twee kwartalen effectief betaald heeft;
4° de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot mag voor dezelfde kalendermaand geen andere financiële uitkering in het kader van om het even welke maatregel met betrekking tot het overbruggingsrecht genieten.
De zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, bedoeld in het eerste lid kunnen het in het eerste lid bedoelde bedrag slechts cumuleren met een of meer andere vervangingsinkomens voor zover de som van het bedrag bedoeld in het eerste lid en de andere vervangingsinkomens niet meer bedraagt dan het bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen. Ingeval van overschrijding wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid verminderd ten belope van deze overschrijding.
Art. 3. Les travailleurs indépendants, les aidants et les conjoints aidants peuvent prétendre au montant mensuel complet visé à l'article 10, § 1er, de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants pour le mois civil au cours duquel ils répondent aux conditions cumulatives suivantes :
1° le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant est victime des conditions météorologiques extrêmes dans les communes reconnues comme sinistrées par les autorités des entités fédérées compétentes qui se sont produites au cours de la deuxième partie de juillet 2021;
2° le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant peut démontrer que, pour le mois civil précédant le mois civil sur lequel porte la demande, son activité connaît une diminution d'au moins 65 % du chiffre d'affaires par rapport au même mois civil de l'année de référence 2019;
3° le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant a effectivement payé ses cotisations provisoires légalement dues pour au moins quatre trimestres pendant la période de seize trimestres qui précède le premier jour du trimestre suivant le trimestre du mois civil sur lequel porte la demande. Si le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant ne peut prouver son assujettissement dans le cadre de l'arrêté royal n° 38 qu'au cours des douze trimestres précédant immédiatement le premier jour du trimestre du mois civil sur lequel porte la demande ou moins, il suffit qu'il ait effectivement payé ses cotisations provisoires légalement dues pendant au moins deux trimestres;
4° le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant ne peut pas bénéficier pour le même mois d'une autre prestation financière dans le cadre de toute mesure de droit passerelle.
Les travailleurs indépendants les aidants et les conjoints aidants visés à l'alinéa 1er ne peuvent cumuler le montant qui est visé à l'alinéa 1er qu'avec un ou plusieurs autres revenus de remplacement, pour autant que la somme du montant visé à l'alinéa 1er et les autres revenus de remplacement ne dépasse pas le montant visé à l'article 10, § 1er, de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants. En cas de dépassement, le montant visé à l'alinéa 1er sera réduit à concurrence de ce dépassement.
1° le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant est victime des conditions météorologiques extrêmes dans les communes reconnues comme sinistrées par les autorités des entités fédérées compétentes qui se sont produites au cours de la deuxième partie de juillet 2021;
2° le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant peut démontrer que, pour le mois civil précédant le mois civil sur lequel porte la demande, son activité connaît une diminution d'au moins 65 % du chiffre d'affaires par rapport au même mois civil de l'année de référence 2019;
3° le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant a effectivement payé ses cotisations provisoires légalement dues pour au moins quatre trimestres pendant la période de seize trimestres qui précède le premier jour du trimestre suivant le trimestre du mois civil sur lequel porte la demande. Si le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant ne peut prouver son assujettissement dans le cadre de l'arrêté royal n° 38 qu'au cours des douze trimestres précédant immédiatement le premier jour du trimestre du mois civil sur lequel porte la demande ou moins, il suffit qu'il ait effectivement payé ses cotisations provisoires légalement dues pendant au moins deux trimestres;
4° le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant ne peut pas bénéficier pour le même mois d'une autre prestation financière dans le cadre de toute mesure de droit passerelle.
Les travailleurs indépendants les aidants et les conjoints aidants visés à l'alinéa 1er ne peuvent cumuler le montant qui est visé à l'alinéa 1er qu'avec un ou plusieurs autres revenus de remplacement, pour autant que la somme du montant visé à l'alinéa 1er et les autres revenus de remplacement ne dépasse pas le montant visé à l'article 10, § 1er, de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants. En cas de dépassement, le montant visé à l'alinéa 1er sera réduit à concurrence de ce dépassement.
Art. 4. § 1. Voor de toepassing van deze wet en in afwijking van artikel 7, § 3, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, wordt er geen rekening gehouden met de financiële uitkeringen die de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenote reeds in het verleden heeft genoten krachtens het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en de uitvoeringsbesluiten ervan, krachtens de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en haar uitvoeringsbesluit en krachtens de wet van 23 maart 2020 tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen.
Bovendien zal de financiële uitkering die overeenkomstig deze wet wordt toegekend niet in rekening worden gebracht bij het bepalen van de maximale duur van het overbruggingsrecht in toepassing van artikel 7, § 3, van voormelde wet van 22 december 2016.
§ 2. Voor de toepassing van deze wet zijn de voorwaarden bedoeld in artikel 5 van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, niet van toepassing.
§ 3. Voor de toepassing van deze wet is het behoud van de sociale rechten, zoals bedoeld in artikel 3, 2°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, niet van toepassing.
§ 4. Voor de toepassing van deze wet wordt in afwijking van artikel 8, § 1, tweede lid, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen de aanvraag, op straffe van verval, ingediend uiterlijk binnen het tweede kwartaal volgend op het kwartaal waarin de periode gelegen is waarvoor de aanvraag wordt gedaan.
Bovendien zal de financiële uitkering die overeenkomstig deze wet wordt toegekend niet in rekening worden gebracht bij het bepalen van de maximale duur van het overbruggingsrecht in toepassing van artikel 7, § 3, van voormelde wet van 22 december 2016.
§ 2. Voor de toepassing van deze wet zijn de voorwaarden bedoeld in artikel 5 van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, niet van toepassing.
§ 3. Voor de toepassing van deze wet is het behoud van de sociale rechten, zoals bedoeld in artikel 3, 2°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, niet van toepassing.
§ 4. Voor de toepassing van deze wet wordt in afwijking van artikel 8, § 1, tweede lid, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen de aanvraag, op straffe van verval, ingediend uiterlijk binnen het tweede kwartaal volgend op het kwartaal waarin de periode gelegen is waarvoor de aanvraag wordt gedaan.
Art. 4. § 1er. Pour l'application de la présente loi et par dérogation à l'article 7, § 3, de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants, il n'est pas tenu compte des prestations financières que le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant visé à l'article 3 a déjà perçues dans le passé en vertu de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants et de ses arrêtés d'exécution, en vertu de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants et de son arrêté d'exécution et en vertu de la loi du 23 mars 2020 modifiant la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants et introduisant les mesures temporaires dans le cadre du COVID-19 en faveur des travailleurs indépendants.
En outre, la prestation financière octroyée conformément à la présente loi n'est pas prise en compte lors de la détermination de la durée maximale du droit passerelle en application de l'article 7, § 3, de la loi précitée du 22 décembre 2016.
§ 2. Pour l'application de la présente loi, les conditions visées à l'article 5 de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants, ne s'appliquent pas.
§ 3. Pour l'application de la présente loi, le maintien des droits sociaux visés à l'article 3, 2°, de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants, n'est pas applicable.
§ 4. Pour l'application de la présente loi, et par dérogation à l'article 8, § 1er, alinéa 2, de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants, la demande est introduite, sous peine de forclusion, au plus tard pendant le deuxième trimestre suivant le trimestre au cours duquel se trouve la période pour laquelle la demande est faite.
En outre, la prestation financière octroyée conformément à la présente loi n'est pas prise en compte lors de la détermination de la durée maximale du droit passerelle en application de l'article 7, § 3, de la loi précitée du 22 décembre 2016.
§ 2. Pour l'application de la présente loi, les conditions visées à l'article 5 de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants, ne s'appliquent pas.
§ 3. Pour l'application de la présente loi, le maintien des droits sociaux visés à l'article 3, 2°, de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants, n'est pas applicable.
§ 4. Pour l'application de la présente loi, et par dérogation à l'article 8, § 1er, alinéa 2, de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants, la demande est introduite, sous peine de forclusion, au plus tard pendant le deuxième trimestre suivant le trimestre au cours duquel se trouve la période pour laquelle la demande est faite.
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions finales
Art. 5. § 1. Deze wet is van toepassing in de periode van 1 oktober 2021 tot 31 december 2021.
§ 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad :
1° het bedrag bedoeld in artikel 3, eerste lid van deze wet aanpassen;
2° het percentage bedoeld in artikel 3, eerste lid, 2° van deze wet aanpassen;
3° de toepassing van de maatregel bedoeld in artikel 3 verlengen in de tijd.
§ 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad :
1° het bedrag bedoeld in artikel 3, eerste lid van deze wet aanpassen;
2° het percentage bedoeld in artikel 3, eerste lid, 2° van deze wet aanpassen;
3° de toepassing van de maatregel bedoeld in artikel 3 verlengen in de tijd.
Art. 5. § 1er. La présente loi s'applique pendant la période du 1er octobre 2021 jusqu'au 31 décembre 2021.
§ 2. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres :
1° adapter le montant visé à l'article 3, alinéa 1er de la présente loi;
2° adapter le pourcentage visé à l'article 3, alinéa 1er, 2° de la présente loi;
3° prolonger la période d'application de la mesure visée à l'article 3 dans le temps.
§ 2. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres :
1° adapter le montant visé à l'article 3, alinéa 1er de la présente loi;
2° adapter le pourcentage visé à l'article 3, alinéa 1er, 2° de la présente loi;
3° prolonger la période d'application de la mesure visée à l'article 3 dans le temps.
Art. 6. Deze wet heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2021.
Art. 6. La présente loi produit ses effets le 1er octobre 2021.