Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
13 OKTOBER 2022. - Wet tot wijziging van het Belgisch Scheepvaartwetboek betreffende de maritieme beveiliging
Titre
13 OCTOBRE 2022. - Loi modifiant le Code belge de la Navigation concernant la sûreté maritime
Informations sur le document
Info du document
Tekst (39)
Texte (39)
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art. 2. In artikel 120ter van het Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 19 juli 1934 en gewijzigd bij de wet van 26 juni 2000, worden in de bepaling onder 1 ° de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "militaire, zeevaart- of luchtvaartoverheid" worden vervangen door de woorden "militaire of luchtvaartoverheid";
2° de woorden "een militaire of zeevaartinrichting" wordt vervangen door de woorden "een militaire inrichting".
1° de woorden "militaire, zeevaart- of luchtvaartoverheid" worden vervangen door de woorden "militaire of luchtvaartoverheid";
2° de woorden "een militaire of zeevaartinrichting" wordt vervangen door de woorden "een militaire inrichting".
Art. 2. Dans le 1° de l'article 120ter du Code pénal, inséré par la loi du 19 juillet 1934 et modifié par la loi du 26 juin 2000, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " autorité miliaire, maritime ou aéronautique " sont remplacés par les mots " autorité militaire ou aéronautique " ;
2° les mots " un établissement militaire ou maritime " sont remplacés par les mots " un établissement militaire ".
1° les mots " autorité miliaire, maritime ou aéronautique " sont remplacés par les mots " autorité militaire ou aéronautique " ;
2° les mots " un établissement militaire ou maritime " sont remplacés par les mots " un établissement militaire ".
Art. 3. In artikel 546/1 van hetzelfde wetboek, ingevoegd door de wet van 20 mei 2016 en gewijzigd door de wet van 8 mei 20219 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "artikel 2.5.2.2, 3° en 4° van het Belgisch Scheepvaartwetboek" worden vervangen door de woorden "artikel 2.5.2.3, 4° en 5° van het Belgisch Scheepvaartwetboek";
2° de woorden "artikel 2.5.2.3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek" worden vervangen door de woorden "artikel 2.5.2.4, § 2, van het Belgisch Scheepvaartwetboek".
1° de woorden "artikel 2.5.2.2, 3° en 4° van het Belgisch Scheepvaartwetboek" worden vervangen door de woorden "artikel 2.5.2.3, 4° en 5° van het Belgisch Scheepvaartwetboek";
2° de woorden "artikel 2.5.2.3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek" worden vervangen door de woorden "artikel 2.5.2.4, § 2, van het Belgisch Scheepvaartwetboek".
Art. 3. A l'article 546/1 du même Code, inséré par la loi du 20 mai 2016 et modifié par la loi du 8 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " l'article 2.5.2.2, 3° et 4° de la Code belge de la Navigation " sont remplacés par les mots " l'article 2.5.2.3, 4° et 5° du Code belge de la Navigation " ;
2° les mots " l'article 2.5.2.3. de la Code belge de la Navigation " sont remplacés par les mots " l'article 2.5.2.4, § 2, du Code belge de la Navigation ".
1° les mots " l'article 2.5.2.2, 3° et 4° de la Code belge de la Navigation " sont remplacés par les mots " l'article 2.5.2.3, 4° et 5° du Code belge de la Navigation " ;
2° les mots " l'article 2.5.2.3. de la Code belge de la Navigation " sont remplacés par les mots " l'article 2.5.2.4, § 2, du Code belge de la Navigation ".
Art. 4. Artikel 1.1.1.1, § 1, eerste lid, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, gewijzigd door de wet van 16 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 29° worden de woorden "ISPS-Richtlijn" vervangen door het woord "Havenbeveiligingsrichtlijn";
2° het lid wordt aangevuld met de bepalingen onder 68°, 69° en 70°, luidende:
"68° "Deel A van de ISPS-Code": deel A van de ISPS-Code bestaande uit de preambule en dwingende voorschriften opgenomen in bijlage II van de ISPS-Verordening;
69° "Deel B van de ISPS-Code": deel B van de ISPS-Code bestaande uit de aanbevelingen opgenomen in bijlage III van de ISPS-Verordening;
70° "AVG": Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.".
1° in de bepaling onder 29° worden de woorden "ISPS-Richtlijn" vervangen door het woord "Havenbeveiligingsrichtlijn";
2° het lid wordt aangevuld met de bepalingen onder 68°, 69° en 70°, luidende:
"68° "Deel A van de ISPS-Code": deel A van de ISPS-Code bestaande uit de preambule en dwingende voorschriften opgenomen in bijlage II van de ISPS-Verordening;
69° "Deel B van de ISPS-Code": deel B van de ISPS-Code bestaande uit de aanbevelingen opgenomen in bijlage III van de ISPS-Verordening;
70° "AVG": Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.".
Art. 4. A l'article 1.1.1.1, § 1er, alinéa 1er, du Code belge de la Navigation, modifié par la loi du 16 juin 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le 29°, les mots " la Directive ISPS " sont remplacés par les mots " la Directive sur la sûreté portuaire " ;
2° l'alinéa est complété par les 68°, 69° et 70°, rédigés comme suit :
" 68° " Partie A du Code ISPS " : la partie A du Code ISPS constituée du préambule et des dispositions obligatoires figurant à l'annexe II du Règlement ISPS ;
69° " Partie B du Code ISPS " : la partie B du Code ISPS constituée des recommandations figurant à l'annexe III du Règlement ISPS ;
70° " RGPD " : le Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE. ".
1° dans le 29°, les mots " la Directive ISPS " sont remplacés par les mots " la Directive sur la sûreté portuaire " ;
2° l'alinéa est complété par les 68°, 69° et 70°, rédigés comme suit :
" 68° " Partie A du Code ISPS " : la partie A du Code ISPS constituée du préambule et des dispositions obligatoires figurant à l'annexe II du Règlement ISPS ;
69° " Partie B du Code ISPS " : la partie B du Code ISPS constituée des recommandations figurant à l'annexe III du Règlement ISPS ;
70° " RGPD " : le Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE. ".
Art. 5. Artikel 1.1.1.2 van hetzelfde wetboek wordt aangevuld met de bepalingen onder 8°, 9°, 10°, 11° en 12°, luidende:
"8° "NCCN": het Nationaal Crisiscentrum van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
9° "OCAD": het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse, opgericht door de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging;
10° "NAMB": de Nationale Autoriteit voor Maritieme Beveiliging, zoals bedoeld in artikel 2.5.2.5;
11° "LCMB": een Lokaal Comité voor Maritieme Beveiliging, zoals bedoeld in artikel 2.5.2.8;
12° "Cel Maritieme Beveiliging": de afdeling van het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer die belast wordt met de taken bedoeld in artikel 4.2.1.44.".
"8° "NCCN": het Nationaal Crisiscentrum van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
9° "OCAD": het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse, opgericht door de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging;
10° "NAMB": de Nationale Autoriteit voor Maritieme Beveiliging, zoals bedoeld in artikel 2.5.2.5;
11° "LCMB": een Lokaal Comité voor Maritieme Beveiliging, zoals bedoeld in artikel 2.5.2.8;
12° "Cel Maritieme Beveiliging": de afdeling van het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer die belast wordt met de taken bedoeld in artikel 4.2.1.44.".
Art. 5. L'article 1.1.1.2 du même Code est complété par les 8°, 9°, 10°, 11° et 12°, rédigés comme suit :
" 8° " NCCN " : le Centre national de crise du Service public fédéral Intérieur ;
9° " OCAM " : l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace, créé par la loi du 10 juillet 2006 relative à l'analyse de la menace ;
10° " ANSM " : l'Autorité Nationale de Sûreté Maritime, telle que visée à l'article 2.5.2.5 ;
11° " CLSM " : un Comité local de la Sûreté maritime, tel que visé à l'article 2.5.2.8 ;
12° " Cellule de la Sûreté maritime " : la division de la Direction générale de la Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports qui est chargée des tâches visées à l'article 4.2.1.44. ".
" 8° " NCCN " : le Centre national de crise du Service public fédéral Intérieur ;
9° " OCAM " : l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace, créé par la loi du 10 juillet 2006 relative à l'analyse de la menace ;
10° " ANSM " : l'Autorité Nationale de Sûreté Maritime, telle que visée à l'article 2.5.2.5 ;
11° " CLSM " : un Comité local de la Sûreté maritime, tel que visé à l'article 2.5.2.8 ;
12° " Cellule de la Sûreté maritime " : la division de la Direction générale de la Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports qui est chargée des tâches visées à l'article 4.2.1.44. ".
Art. 6. In artikel 2.4.3.1 van hetzelfde wetboek wordt de bepaling onder 1° opgeheven.
Art. 6. Dans l'article 2.4.3.1 du même code, le 1° est abrogé.
Art. 7. In artikel 2.4.3.4 van hetzelfde wetboek worden de woorden "het ADCC" vervangen door de woorden "het NCCN".
Art. 7. Dans l'article 2.4.3.4, du même code, les mots " à la DGCC " sont remplacés par les mots " au NCCN ".
Art. 8. Artikel 2.5.1.2 van hetzelfde wetboek, gewijzigd door de wet van 16 juni 2021 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Wanneer een activiteit of een geplande activiteit in de Belgische maritieme zones een impact heeft op de scheepvaart, kan de Scheepvaartcontrole een veiligheidsstudie uitvoeren overeenkomstig de vigerende normen van de IMO. Op basis van deze veiligheidsstudie kunnen scheepsrouteringsystemen of andere mitigerende maatregelen worden ingesteld overeenkomstig het eerste lid. Voor het opstellen van deze veiligheidsstudie is door de uitvoerder van de activiteit of de geplande activiteit in de Belgische maritieme zones een retributie verschuldigd aan de Scheepvaartcontrole. De Koning bepaalt het tarief van deze retributie en de nadere regels voor de toepassing en de inning ervan.".
"Wanneer een activiteit of een geplande activiteit in de Belgische maritieme zones een impact heeft op de scheepvaart, kan de Scheepvaartcontrole een veiligheidsstudie uitvoeren overeenkomstig de vigerende normen van de IMO. Op basis van deze veiligheidsstudie kunnen scheepsrouteringsystemen of andere mitigerende maatregelen worden ingesteld overeenkomstig het eerste lid. Voor het opstellen van deze veiligheidsstudie is door de uitvoerder van de activiteit of de geplande activiteit in de Belgische maritieme zones een retributie verschuldigd aan de Scheepvaartcontrole. De Koning bepaalt het tarief van deze retributie en de nadere regels voor de toepassing en de inning ervan.".
Art. 8. L'article 2.5.1.2 du même code, modifié par la loi du 16 juin 2021 est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
" Lorsque une activité ou une activité prévue dans les zones maritimes belges a un impact sur la navigation, le Contrôle de la navigation peut effectuer une étude de sûreté conformément aux normes de l'OMI en vigueur. Sur la base de cette étude de sûreté, les systèmes de routage des navires ou autres mesures de mitigation peuvent être introduits conformément à l'alinéa 1er. Pour l'élaboration de cette étude de sûreté, une redevance est due par l'exécutant de l'activité ou de l'activité prévu dans les zones maritimes belges au Contrôle de la navigation. Le Roi détermine le tarif de la redevance et les autres règles afférentes à son application et à sa perception. ".
" Lorsque une activité ou une activité prévue dans les zones maritimes belges a un impact sur la navigation, le Contrôle de la navigation peut effectuer une étude de sûreté conformément aux normes de l'OMI en vigueur. Sur la base de cette étude de sûreté, les systèmes de routage des navires ou autres mesures de mitigation peuvent être introduits conformément à l'alinéa 1er. Pour l'élaboration de cette étude de sûreté, une redevance est due par l'exécutant de l'activité ou de l'activité prévu dans les zones maritimes belges au Contrôle de la navigation. Le Roi détermine le tarif de la redevance et les autres règles afférentes à son application et à sa perception. ".
Art. 9. In het Belgisch Scheepvaartwetboek wordt hoofdstuk 2 van titel 5 van boek 2, dat de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.25 bevat, gewijzigd door de wet van 16 juni 2021, vervangen als volgt:
"HOOFDSTUK 2 - BEVEILIGING
Afdeling 1. - Algemene Bepalingen
Art. 2.5.2.1. ISPS-Verordening en Havenbeveiligingsrichtlijn
Dit hoofdstuk voorziet in de uitvoering van de ISPS-Verordening en in de omzetting van de Havenbeveiligingsrichtlijn.
Art. 2.5.2.2. Doelstellingen
De doelstellingen van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten zijn:
1° het invoeren van maatregelen voor de verbetering van de beveiliging van in de internationale handel en voor binnenlands verkeer gebruikte zeeschepen en bijhorende havenfaciliteiten, tegen het gevaar van ongeoorloofde acties;
2° het verhogen van de beveiliging ten aanzien van dreigingen van beveiligingsincidenten door het vaststellen van regels inzake beveiliging;
3° het beschermen van de personen werkzaam in een haven of havenfaciliteit, op een bouw- of kunstwerk in de maritieme zones of aan boord van zeeschepen;
4° het vaststellen van de maatregelen om de beveiliging van de zeeschepen en bouw- en kunstwerken, met inbegrip van kabels en pijpleidingen, in de Belgische maritieme zones te waarborgen;
5° het vaststellen van mechanismes voor de naleving van dit hoofdstuk.
Art. 2.5.2.3. Begrippen
In dit hoofdstuk, in de erop betrekking hebbende bepalingen in boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder:
1° "maritieme beveiliging": de combinatie van preventieve maatregelen en personele en materiële middelen die het zeevervoer, de havens en de havenfaciliteiten en de Belgische maritieme zones moeten beschermen tegen dreigingen van opzettelijk ongeoorloofde acties;
2° "internationaal zeescheepvaartverkeer": iedere zeeverbinding per zeeschip tussen een Belgische havenfaciliteit en een havenfaciliteit buiten België;
3° "binnenlands zeescheepvaartverkeer": iedere zeeverbinding per zeeschip tussen een Belgisch havenfaciliteit en diezelfde havenfaciliteit of een andere Belgische havenfaciliteit;
4° "haven": elk uit land en water bestaande cluster met werken en voorzieningen ten behoeve van het commercieel vervoer over zee, en de omliggende gebieden die een invloed hebben op de beveiliging ;
5° "havenfaciliteit": een locatie waar het schip/land raakvlak plaatsvindt waar ook, in voorkomend geval, ankergebieden, ligplaatsen en aanvaarroutes vanuit zee toe behoren;
6° "schip/land raakvlak": een interactie die plaatsvindt wanneer het zeeschip rechtstreeks en onmiddellijk betrokken is bij acties die gepaard gaan met de verplaatsing van personen of goederen, dan wel verlening van havendiensten aan of vanuit het schip;
7° "beveiligingsincident": iedere handeling of omstandigheid die bedreigend is voor de beveiliging van een zeeschip, een havenfaciliteit of een haven, met inbegrip van ongeoorloofde acties;
8° "ISPS-platform": het door de federale overheid opgericht en onderhouden elektronisch platform voor het uitwisselen en bijhouden van alle beveiligingsinformatie die valt onder de toepassing van de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, de Havenbeveiligingsrichtlijn, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten;
9° "erkende beveiligingsorganisatie": een onderneming die erkend is overeenkomstig artikel 2.5.2.71 om de in dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten toegewezen taken uit te voeren;
10° "minister": de minister bevoegd voor maritieme mobiliteit;
11° "PSO": de havenbeveiligingsfunctionaris bedoeld in artikel 9 van de Havenbeveiligingsrichtlijn;
12° "PFSO": de beveiligingsbeambte van een havenfaciliteit;
13° "CSO": de beveiligingsbeambte van de reder;
14° "SSO": de beveiligingsbeambte aan boord van een zeeschip;
15° "ongeoorloofde actie": elke opzettelijke actie die gezien de aard of context ervan schade kan toebrengen aan de bouw- of kunstwerken, kabels en pijpleidingen in de Belgische maritieme zones, aan zeeschepen in het internationale en binnenlands zeescheepvaartverkeer, aan bemanning, passagiers of lading, of aan de desbetreffende havens of havenfaciliteiten, met inbegrip van het gebruik van zeeschepen om via havens en havenfaciliteiten verboden voorwerpen of producten in- of uit België te brengen, personen of dieren zonder toelating te laten inschepen of ontschepen, of alle hiermee verband houdende activiteiten.".
Art. 2.5.2.4. Toepassingsgebied
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle zeeschepen met uitzondering van:
1° oorlogsschepen;
2° vrachtschepen met een brutotonnenmaat van minder dan 500;
3° zeeschepen zonder mechanische aandrijving of houten of op primitieve wijze gebouwde schepen;
4° vissersschepen;
5° schepen waarmee geen economische activiteit wordt bedreven.
De Koning kan maatregelen nemen om de maritieme beveiliging te regelen voor de zeeschepen bedoeld in het eerste lid onder 2°, 3°, 4° en 5°.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een schip dat zowel over certificaten voor de zeevaart als de binnenvaart beschikt, altijd beschouwd als een zeeschip.
§ 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle Belgische havenfaciliteiten die onder de ISPS-Verordening vallen, en op elke cluster waar zich een dergelijke havenfaciliteit bevindt.
De Koning stelt de coördinaten vast van elke havenfaciliteit rekening houdend met de bepalingen uit punt 15 in Deel A van de ISPS-Code.
Op basis van de vaststelling van de havenfaciliteiten in het eerste lid en rekening houdend met de bepalingen uit de Havenbeveiligingsrichtlijn en de havenbeveiligingsbeoordeling, bepaalt de Koning op advies van de NAMB, de coördinaten van de havens.
Indien uit het vorige lid blijkt dat de havenfaciliteit niet in een cluster overeenkomstig het derde lid moet worden opgenomen, dan hebben de bepalingen van de Verordening voorrang.
§ 3. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle bouw- of kunstwerken en elke kabel of pijpleiding in de Belgische maritieme zones. Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan de bepalingen inzake onschuldige doorvaart in het VN-Zeerechtverdrag.
§ 4. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op militaire installaties.
§ 5. Een haven en een havenfaciliteit moeten beschikken over een geldig beveiligingsplan, behalve in de uitzonderingen voorzien in dit hoofdstuk, om de zeeschepen bedoeld in paragraaf 1 te mogen ontvangen.
Afdeling 2. - Autoriteiten
Onderafdeling 1. - Nationale Autoriteit voor Maritieme Beveiliging
Art. 2.5.2.5. Instelling van de NAMB
De Nationale Autoriteit voor Maritieme Beveiliging, hierna NAMB, is belast met de maritieme beveiliging.
De NAMB is gevestigd op het adres van het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer te Brussel.
Art. 2.5.2.6. Taken van de NAMB
§ 1. De NAMB is voor de toepassing van deze wet het contactpunt voor de IMO, de Europese Commissie en andere Staten.
De NAMB is verantwoordelijk voor de toepassing van de maatregelen op het gebied van de maritieme beveiliging, verzorgt de opvolging en verschaft de nodige informatie zoals bedoeld in de ISPS-Code, artikel 2.6 van de ISPS-Verordening, artikel 3.4 van de Havenbeveiligingsrichtlijn, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten.
De NAMB coördineert de toepassing van de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, de Havenbeveiligingsrichtlijn, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten, brengt deze ten uitvoer en controleert de voorgeschreven beveiligingsmaatregelen voor schepen, havens en havenfaciliteiten.
§ 2. De NAMB is bevoegd voor de beveiligingsaangelegenheden:
1° aan boord van zeeschepen;
2° in havens en havenfaciliteiten;
3° betreffende bouw- en kunstwerken, kabels en pijpleidingen in de maritieme wateren.
§ 3. De NAMB is in het bijzonder belast met:
1° het voorstellen van een algemeen beleid inzake maritieme beveiliging;
2° het ontwikkelen van standaarden inzake maritieme beveiliging;
3° controle op de naleving van de standaarden;
4° de algemene coördinatie van de maatregelen tot uitvoering van de nationale, Europese en internationale regelgeving met betrekking tot maritieme beveiliging;
5° het verstrekken van adviezen, onderrichtingen en aanbevelingen over de te nemen maritieme beveiligingsmaatregelen aan de lokale comités voor maritieme beveiliging, het MIK en aan bevoegde overheden;
6° de coördinatie van studies betreffende de problemen op het vlak van maritieme beveiliging met inbegrip van de Belgische bijdrage tot de op het Europees en internationaal vlak geleverde inspanningen;
7° het fungeren als aanspreekpunt voor de verstrekking van inlichtingen over de beveiligingsplannen van havenfaciliteiten en havens, alsook als nationaal, Europees en internationaal contactpunt voor alle aangelegenheden die met de maritieme beveiliging verband houden;
8° het verlenen of intrekken van de erkenningen van de erkende beveiligingsorganisaties;
9° het overmaken aan de IMO van een lijst van havenfaciliteiten die in overeenstemming zijn met de ISPS-Code, alsook van eventuele wijzigingen in deze lijst;
10° het overmaken aan de Europese Commissie van een lijst van havens waarop dit hoofdstuk van toepassing is, alsook van eventuele wijzigingen van deze lijst;
11° de evaluatie en goedkeuring van de beveiligingsbeoordelingen van havenfaciliteiten en havens, en het geven van een advies over het indelen van havenfaciliteiten bij een cluster;
12° het beoordelen, evalueren en goedkeuren van de beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten;
13° het verlenen van een Verklaring van Goedkeuring als gevolg en bewijs van de goedkeuring van de beveiligingsplannen van de havenfaciliteiten;
14° het intrekken van beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten en Verklaringen van Goedkeuring;
15° het opleggen van corrigerende maatregelen aan havens en havenfaciliteiten na een evaluatie.
§ 4. De Koning kan bijkomende taken toekennen aan de NAMB.
Art. 2.5.2.7. Samenstelling en werking van de NAMB
§ 1. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de NAMB, waarbij de Directeur-generaal van het Directoraat-generaal Scheepvaart wordt aangesteld als de Voorzitter van de NAMB.
§ 2. De NAMB wordt voor de uitvoering van haar taken bijgestaan door de Cel Maritieme Beveiliging.
Onderafdeling 2. - Lokale Comités voor Maritieme Beveiliging
Art. 2.5.2.8. Instelling van een LCMB
De Koning richt de Lokale Comités voor Maritieme Beveiliging, hierna LCMB, op en bepaalt hun samenstelling, werking en voor welke havens en havenfaciliteiten een LCMB bevoegd is.
Een LCMB zoals bedoeld in het eerste lid fungeert als de autoriteit verantwoordelijk voor beveiligingsaangelegenheden als bedoeld in artikel 3.5 van de Havenbeveiligingsrichtlijn.
Het LCMB rapporteert aan de NAMB met het oog op het formuleren van beleidsaanbevelingen en onderrichtingen.
Art. 2.5.2.9. Taken van een LCMB
Het LCMB is in het bijzonder belast met:
1° het controleren van de echtheid van de door de beveiligingsbeambte van de havenfaciliteit of het havenbestuur geleverde inlichtingen;
2° het uitvoeren van de beveiligingsbeoordelingen van havens, het uitvoeren van de beveiligingsbeoordelingen van havenfaciliteiten, en van de wijzigingen hiervan;
3° het toezicht op de opstelling en de uitvoering van de beveiligingsplannen van havenfaciliteiten en havens, alsook het opstellen van een gemotiveerd advies voor de uiteindelijke goedkeuring door de NAMB van de beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten, en van de wijzigingen hiervan;
4° de opvolging van de beveiligingsbeoordelingen en de beveiligingsplannen van havenfaciliteiten en havens in de tijd;
5° het opstellen van een lijst van de havenfaciliteiten die moeten voldoen aan de ISPS-Code binnen hun gebied;
6° het controleren van de naleving van de bepalingen van de ISPS-code, dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten door de havenfaciliteiten.
De Koning kan bijkomende taken toekennen aan een LCMB.
Art. 2.5.2.10. Samenstelling en werking van een LCMB
De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van een LCMB waarbij de PSO van de betrokken haven wordt aangeduid als voorzitter.
Onderafdeling 3. - PSO
Art. 2.5.2.11. Aanduiding PSO
§ 1. Indien de haven beschikt over een havenkapitein overeenkomstig de gewestelijke regelgeving, wordt de havenkapitein aangeduid als PSO.
Indien er voor een haven geen havenkapitein is, is de directeur-coördinator van de federale politie van het betrokken arrondissement de PSO. Indien een haven verscheidene arrondissementen omvat, bepalen de betrokken directeur-coördinators in onderling overleg wie de PSO is.
Voor elke PSO worden 2 adjuncten aangeduid door de NAMB op voordracht van de PSO. Indien een haven verscheidene arrondissementen omvat, wordt de directeur-coördinator die niet als PSO wordt aangeduid adjunct PSO.
§ 2. Een persoon kan niet tot PSO worden benoemd in 2 of meer verschillende havens. Het is verboden dat een PSO wordt aangesteld als een PFSO.
In afwijking van het eerste lid kan een adjunct PSO als PFSO worden aangeduid voor een havenfaciliteit die in beheer of eigendom van de haven is. Deze persoon kan geen taken uitvoeren in het LCMB met betrekking tot de betrokken havenfaciliteit.
§ 3. Indien een PSO niet dezelfde is als de PFSO werken zij nauw samen.
Art. 2.5.2.12. Taken
De PSO fungeert als lokaal contactpersoon voor alle aangelegenheden die verband houden met de maritieme beveiliging van de betrokken haven en wordt ook belast met het toezicht overeenkomstig artikel 4.2.4.4.
Onderafdeling 4. - Gemeenschappelijke voorschriften
Art. 2.5.2.13. Behandeling van informatie
De beveiligingsbeoordelingen en de beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten mogen enkel gedeeld worden met personen die bevoegd zijn om er kennis van te nemen en worden aangemerkt met de vermelding "ISPS-restricted".
De Koning bepaalt:
1° wie bevoegd is om kennis te nemen van de beveiligingsbeoordelingen en de beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten;
2° de wijze waarop en de termijn dat de beveiligingsbeoordelingen en beveiligingsplannen fysiek of digitaal bewaard blijven.
De NAMB kan andere documenten aanmerken met de vermelding "ISPS-restricted".
Art. 2.5.2.14. Veiligheidsmachtiging
Elk lid van de NAMB of een LCMB, en elk personeelslid van de Cel Maritieme Beveiliging moet beschikken over een veiligheidsmachtiging niveau GEHEIM als bedoeld in hoofdstuk III van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
Indien een persoon die voor de toepassing van deze wet van rechtswege benoemd werd in een functie niet over de vereiste veiligheidsmachtiging kan beschikken, beslist de Koning, op voordracht van de NAMB, over de vervanging van deze persoon.
Afdeling 3. - Havenbeveiliging
Onderafdeling 1. - Havenbeveiligingsbeoordeling
Art. 2.5.2.15. Uitvoering havenbeveiligingsbeoordeling
§ 1. In elke haven wordt een havenbeveiligingsbeoordeling uitgevoerd door het LCMB dat de basis vormt voor het opstellen van het havenbeveiligingsplan en de implementatie ervan.
Bij de havenbeveiligingsbeoordeling wordt naar behoren rekening gehouden met de bijzonderheden van de verschillende delen van de haven alsmede met de naburige gebieden indien deze van invloed zijn op de beveiliging in de haven. Er wordt rekening gehouden met de beveiligingsbeoordelingen van de havenfaciliteiten uitgevoerd overeenkomstig de ISPS-Verordening en afdeling 4 van dit hoofdstuk, die binnen de grenzen van de haven vallen.
§ 2. De havenbeveiligingsbeoordeling wordt uitgevoerd met inachtneming van de door de Koning bepaalde vereisten en omvat ten minste de volgende elementen:
1° vaststelling en evaluatie van belangrijke bedrijfsmiddelen en infrastructuren die dienen te worden beschermd;
2° vaststelling van de risico's op ongeoorloofde acties;
3° vaststelling van mogelijke dreigingen voor de bedrijfsmiddelen en infrastructuren en de waarschijnlijkheid dat deze zich voordoen, met het oog op de vaststelling en prioritering van beveiligingsmaatregelen;
4° vaststelling, selectie en prioritering van maatregelen en procedurele wijzigingen met het oog op het verminderen van de kwetsbaarheid op het vlak van beveiliging en hun effectiviteitsniveau;
5° vaststelling van zwakke plekken, met inbegrip van menselijke factoren, in de infrastructuur, beleidsmaatregelen en procedures;
6° risicoanalyse van die onderdelen die vatbaar zijn voor spionage, terrorisme en sabotage ten gevolge van buitenlandse invloeden door middel van publieke of private samenwerking.
Art. 2.5.2.16. Goedkeuring havenbeveiligingsbeoordeling
§ 1. Het LCMB legt de havenbeveiligingsbeoordeling voor aan de NAMB ter goedkeuring. De NAMB beslist binnen de dertig dagen over goedkeuring van de havenbeveiligingsbeoordeling.
§ 2. De termijnen in dit hoofdstuk kunnen verlengd worden indien het LCMB, de NAMB of de minister, naar gelang het geval, van oordeel is dat niet alle elementen aanwezig zijn om een beslissing te nemen of het onderzoek meer tijd in beslag neemt. Het gebrek aan een beslissing impliceert geen automatische goedkeuring.
Art. 2.5.2.17. Geldigheidsduur havenbeveiligingsbeoordeling
Een havenbeveiligingsbeoordeling kan na de goedkeuring gedurende zes maanden gebruikt worden voor het opstellen van een havenbeveiligingsplan. Indien het havenbeveiligingsplan niet binnen deze termijn is opgesteld of indien het plan vernieuwd moet worden, is een nieuwe havenbeveiligingsbeoordeling vereist.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het havenbeveiligingsplan gewijzigd wordt overeenkomstig artikel 2.5.2.20, tweede lid of derde lid.
Onderafdeling 2. - Havenbeveiligingsplan
Art. 2.5.2.18. Opstelling havenbeveiligingsplan
§ 1. In elke haven wordt een havenbeveiligingsplan opgesteld door het havenbestuur.
De waterwegbeheerder stelt het havenbeveiligingsplan op voor havens met havenfaciliteiten gelegen langs de binnenwateren onder het beheer van een waterwegbeheerder, in samenwerking met de directeur-coördinator van de federale politie van het betrokken arrondissement.
Het havenbeveiligingsplan wordt opgesteld rekening houdend met de havenbeveiligingsbeoordeling waarbij op adequate wijze de bijzonderheden van de verschillende delen van de haven alsmede met de naburige gebieden indien deze van invloed zijn op de beveiliging in de haven in rekening worden genomen. De beveiligingsplannen van de havenfaciliteiten uitgevoerd overeenkomstig de ISPS-Verordening en afdeling 4 van dit hoofdstuk worden geïntegreerd in het havenbeveiligingsplan.
§ 2. In het havenbeveiligingsplan wordt, voor elk van de genoemde beveiligingsniveaus bedoeld in artikel 2.5.2.24, minstens de volgende punten vastgesteld:
1° de te volgen procedures;
2° de in te voeren maatregelen;
3° de te nemen acties.
Het havenbeveiligingsplan wordt opgesteld met inachtneming van de door de Koning bepaalde vereisten.
Art. 2.5.2.19. Goedkeuring havenbeveiligingsplan
Het havenbestuur of de waterwegbeheerder legt het havenbeveiligingsplan voor aan het betrokken LCMB. Binnen de dertig dagen geeft het betrokken LCMB een advies aan de NAMB. De NAMB beslist binnen de dertig dagen na ontvangst van het advies over goedkeuring van het havenbeveiligingsplan.
De goedkeuring geldt voor vijf jaar waarna een nieuw havenbeveiligingsplan moet worden opgesteld op grond van een vernieuwde havenbeveiligingsbeoordeling.
Art. 2.5.2.20. Wijziging havenbeveiligingsplan
Elke substantiële wijziging moet aan het betrokken LCMB en de NAMB worden voorgelegd ter goedkeuring. De Koning bepaalt op advies van de NAMB wat als substantiële wijziging dient te worden beschouwd. De geldigheidsduur bepaald overeenkomstig artikel 2.5.2.19, tweede lid, blijft onveranderd bij de goedkeuring van een substantiële wijziging.
Voor de integratie van nieuwe of gewijzigde beveiligingsplannen van een havenfaciliteit volstaat een jaarlijkse goedkeuring door het LCMB en de NAMB.
Bij tijdelijke evenementen of voorvallen, die geen verandering van het ISPS-niveau met zich meebrengen, kan de NAMB op advies van het LCMB het havenbeveiligingsplan aanpassen voor de duur van het evenement of voorval.
Art. 2.5.2.21. Intrekking havenbeveiligingsplan
§ 1. Het havenbeveiligingsplan kan door de NAMB worden ingetrokken ingeval:
1° de beveiliging in de haven niet meer gegarandeerd kan worden met het goedgekeurde havenbeveiligingsplan;
2° het havenbestuur heeft gehandeld in strijd met het havenbeveiligingsplan, de ISPS-Verordening, de Havenbeveiligingsrichtlijn, dit hoofdstuk of zijn uitvoeringsbesluiten;
3° het havenbestuur geen gevolg geeft aan de in artikel 2.5.2.22, § 2 bedoelde instructies.
De NAMB kan de haven een verbod opleggen om zeeschepen te ontvangen in de gehele haven of in bepaalde delen van de haven indien de beveiliging in deze zones niet gegarandeerd kan worden.
§ 2. Beroep tegen de intrekking of het verbod kan worden ingesteld bij de minister binnen de tien dagen nadat de beslissing ter kennis werd gebracht.
De minister neemt binnen de dertig dagen een beslissing, na de haven en de NAMB gehoord te hebben.
Het beroep schorst de beslissing niet.
Art. 2.5.2.22. Tussentijdse evaluaties
§ 1. Het havenbeveiligingsplan wordt geëvalueerd door de NAMB:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de goedkeuring;
2° indien de beveiliging van de haven door één of meer ongeoorloofde acties niet meer kan gegarandeerd worden of er een vermoeden is dat deze niet meer gegarandeerd kan worden.
§ 2. Op basis van de evaluatie bedoeld in paragraaf 1 kan de NAMB:
1° termijnen vaststellen waarbinnen een aanpassing van het havenbeveiligingsplan moet worden ingediend overeenkomstig artikel 2.5.2.19;
2° het havenbeveiligingsplan intrekken overeenkomstig artikel 2.5.2.21.
3° het LCMB een nieuwe havenbeveiligingsbeoordeling laten uitvoeren.
Art. 2.5.2.23. Oefening
Het havenbeveiligingsplan wordt ten minste éénmaal per kalenderjaar getest door middel van een oefening waarvan de vereisten worden vastgelegd door de Koning.
De PSO brengt de NAMB één maand voor de geplande oefening op de hoogte.
Uiterlijk één maand na de oefening wordt een verslag ingediend bij de NAMB door de PSO.
Onderafdeling 3. - Beveiligingsniveau
Art. 2.5.2.24. Omschrijving beveiligingsniveaus
Er zijn drie beveiligingsniveaus:
1° Beveiligingsniveau 1: het te allen tijde handhaven van een minimum aan passende beschermende beveiligingsmaatregelen;
2° Beveiligingsniveau 2: het gedurende een bepaalde tijd handhaven van bijkomende beschermende beveiligingsmaatregelen in verband met een verhoogd risico op een beveiligingsincident;
3° Beveiligingsniveau 3: het gedurende een bepaalde tijd handhaven van verdere specifieke beschermende beveiligingsmaatregelen, wanneer een beveiligingsincident waarschijnlijk of ophanden is, zelfs indien het specifieke doelwit misschien niet kan worden vastgesteld, waarbij de NAMB en het betrokken LCMB maatregelen kunnen opleggen.
Art. 2.5.2.25. Wijziging beveiligingsniveau
Beveiligingsniveau 1 geldt steeds voor de havens, tenzij de NAMB, na advies van het NCCN, dit wijzigt naar beveiligingsniveau 2 of 3 voor de gehele haven of in voorkomend geval voor een gedeelte van de haven.
Elke wijziging van het van kracht zijnde beveiligingsniveau in een haven of een gedeelte van de haven wordt door de NAMB onmiddellijk ter kennis gebracht aan het betrokken LCMB.
Het betrokken LCMB brengt deze wijziging ter kennis van de zeeschepen op weg naar of in de haven en van de havenfaciliteiten.
Afdeling 4. - Beveiliging van havenfaciliteiten
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 2.5.2.26. ISPS-Verordening
Bij de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met de aanbevelingen uit Deel B van de ISPS-Code, met uitzondering van de bepalingen opgenomen in artikel 3.5 van de ISPS-Verordening die van dwingend recht zijn.
De havenfaciliteit is verplicht acties te ondernemen overeenkomstig de geldende beveiligingsniveaus die worden ingesteld op grond van artikel 2.5.2.25 en de instructies van de NAMB en het bevoegde LCMB bij beveiligingsniveau 3 na te leven.
Art. 2.5.2.27. Categorieën
De havenfaciliteiten worden ingedeeld in de volgende categorieën:
1° Categorie 1: havenfaciliteiten voor goederenvervoer;
2° Categorie 2: havenfaciliteiten voor passagiersvervoer.
De NAMB beslist bij de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling bedoeld in artikel 2.5.2.30 tot welke categorie de havenfaciliteit zal behoren.
Art. 2.5.2.28. Havenfaciliteiten hoofdzakelijk gebruikt voor niet-internationale reizen
De NAMB beslist na advies van het betrokken LCMB in hoeverre dit hoofdstuk van toepassing is op havenfaciliteiten die hoofdzakelijk worden gebruikt voor schepen die geen internationale reizen maken, maar die incidenteel zeeschepen bedienen die aankomen van of vertrekken op een internationale reis, overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 2, punt 2 van hoofdstuk XI-2 van het SOLAS-Verdrag. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder incidenteel een maximaal aantal van 10 zeeschepen per jaar verstaan, waarbij nooit meer dan 2 zeeschepen op hetzelfde ogenblik aan de havenfaciliteit zijn afgemeerd.
De beveiligingsbeoordeling voor deze havenfaciliteiten wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 2.5.2.30. De lading die gelost wordt op dergelijke havenfaciliteiten mag nooit van oorsprong afkomstig zijn van buiten de Europese Unie en niet onbewaakt achter gelaten worden.
Art. 2.5.2.29. Beveiligingsniveau
De beveiligingsniveaus van artikel 2.5.2.24 zijn van overeenkomstige toepassing op havenfaciliteiten en worden ingesteld overeenkomstig de procedure van artikel 2.5.2.25.
Wanneer de havenfaciliteit bericht krijgt dat het beveiligingsniveau op een zeeschip op weg naar of aangemeerd in de havenfaciliteit hoger ligt dan dat in de havenfaciliteit, meldt de PFSO dit aan het LCMB en de NAMB.
Onderafdeling 2. - Beveiligingsbeoordeling van een havenfaciliteit
Art. 2.5.2.30. Uitvoering beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit
Het LCMB in wiens gebied de havenfaciliteit zich bevindt, stelt een beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit op overeenkomstig Voorschrift 10 van hoofdstuk XI-2 van het SOLAS-Verdrag, de bepalingen van punt 15 van Deel A van de ISPS-Code en de bepalingen van punt 15.3 tot en met 15.16 van Deel B van de ISPS-Code.
De mogelijkheid vervat in punt 15.6 van Deel A van de ISPS-Code om een beveiligingsbeoordeling van een havenfaciliteit meer dan één havenfaciliteit te laten omvatten, kan enkel worden toegestaan na uitdrukkelijk voorafgaandelijk akkoord van de NAMB.
Art. 2.5.2.31. Goedkeuring beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit
De NAMB beslist binnen de dertig dagen nadat het LCMB de beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit heeft overgemaakt aan de NAMB of deze wordt goedgekeurd of dat bijkomende actie vereist is.
Art. 2.5.2.32. Geldigheidsduur beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit
Naast de redenen bepaald in punt 15.4 van Deel A van de ISPS-Code, wordt elke beveiligingsbeoordeling van een havenfaciliteit ten minste eenmaal om de vijf jaar door het LCMB herzien.
Een beveiligingsbeoordeling van een havenfaciliteit kan na de goedkeuring gedurende drie maanden gebruikt worden voor het opstellen van het beveiligingsplan van de havenfaciliteit. Indien het beveiligingsplan van de havenfaciliteit niet binnen deze termijn is opgesteld of het plan vernieuwd moet worden, is een nieuwe beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit vereist.
Het tweede lid is niet van toepassing indien het beveiligingsplan van de havenfaciliteit gewijzigd wordt overeenkomstig artikel 2.5.2.36, tweede lid.
Onderafdeling 3. - Beveiligingsplan van een havenfaciliteit
Art. 2.5.2.33. PFSO
§ 1. Elke onderneming die een havenfaciliteit exploiteert stelt een PFSO aan.
De PFSO is:
1° verbonden aan de onderneming door middel van een arbeidsovereenkomst; of
2° een bestuurder van de onderneming; of
3° een personeelslid van een erkende beveiligingsorganisatie.
De onderneming brengt de aanstelling van een PFSO of elke wijziging hiervan onmiddellijk ter kennis van het betrokken LCMB die deze aanstelling ter kennis brengt van de NAMB.
Om als PFSO te worden aangesteld moet deze minstens een veiligheidsverificatie ondergaan zoals bedoeld in artikel 22quinquies van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. Indien een negatief veiligheidsadvies wordt uitgebracht, kan deze persoon de functie van PFSO niet uitoefenen.
Een PFSO moet uiterlijk binnen de zes maanden na de aanstelling beschikken over het certificaat bedoeld in artikel 2.5.2.39, § 2, tweede lid.
§ 2. De verantwoordelijkheden van de PFSO worden vastgesteld overeenkomstig punt 17.2 van deel A van de ISPS-Code en de aansprakelijkheid overeenkomstige de vigerende gemeenrechtelijke arbeids- of vennootschapswetgeving.
§ 3. De onderneming is verplicht om de nodige steun te geven aan de PFSO zodat deze de taken en verantwoordelijkheden bepaald in de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten naar behoren kan uitvoeren.
§ 4. Onverminderd paragraaf 1 kan een PFSO worden aangesteld voor meer dan één havenfaciliteit.
Indien de PFSO een personeelslid van een erkende beveiligingsorganisatie is, is het niet toegelaten dat de erkende beveiligingsorganisatie ook de werkgever is van de bewakingsagenten op de havenfaciliteit.
§ 5. Voor elke PFSO wordt ten minste een plaatsvervanger aangesteld waarop de paragrafen 1 tot en met 4 van toepassing zijn.
Art. 2.5.2.34. Opstellen beveiligingsplan van de havenfaciliteit
§ 1. De onderneming die de havenfaciliteit exploiteert stelt het beveiligingsplan van de havenfaciliteit op.
Het beveiligingsplan van de havenfaciliteit moet opgesteld worden overeenkomstig:
1° punt 16 van deel A van de ISPS-Code;
2° punt 16 van deel B van de ISPS-Code dat voor de toepassing van deze wet van dwingend recht is, met uitzondering van:
a) de bepalingen van punt 16.1;
b) de bepalingen van de punten 16.61 tot en met 16.63;
3° de uitvoeringsbesluiten genomen op grond van artikel 2.5.2.45 die de nodige standaarden vaststellen waaraan de beveiliging moet voldoen;
4° de beveiligingsbeoordeling.
Bij het goedkeuren van de beveiligingsbeoordeling waarop het beveiligingsplan wordt gebaseerd, kan de NAMB ontheffing ontlenen van één of meerdere bepalingen bedoeld in het tweede lid, 2°.
§ 2. Voor elke havenfaciliteit moet een afzonderlijk beveiligingsplan worden opgemaakt zelfs indien de beveiligingsbeoordeling verscheidene havenfaciliteiten omvat overeenkomstig artikel 2.5.2.30, tweede lid.
Art. 2.5.2.35. Goedkeuring beveiligingsplan van de havenfaciliteit
De PFSO legt het beveiligingsplan van de havenfaciliteit voor aan het betrokken LCMB ter goedkeuring binnen de drie maanden na de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit. Binnen de dertig dagen geeft het betrokken LCMB een gemotiveerd advies aan de NAMB. De NAMB beslist binnen de dertig dagen over goedkeuring van het beveiligingsplan van de havenfaciliteit.
De goedkeuring geldt voor vijf jaar waarna een nieuw beveiligingsplan moet worden opgesteld op grond van een vernieuwde beveiligingsbeoordeling.
Art. 2.5.2.36. Wijziging beveiligingsplan van de havenfaciliteit
Elke substantiële wijziging moet ook aan het betrokken LCMB en de NAMB worden voorgelegd ter goedkeuring. De Koning bepaalt op advies van de NAMB wat als substantiële wijziging dient te worden beschouwd. De geldigheidsduur bepaald overeenkomstig artikel 2.5.2.35, tweede lid, blijft onveranderd bij de goedkeuring van een substantiële wijziging.
Bij tijdelijke evenementen of voorvallen kan de NAMB op advies van het LCMB het beveiligingsplan aanpassen voor de duur van het evenement of voorval.
Art. 2.5.2.37. Intrekking beveiligingsplan van de havenfaciliteit
§ 1. Het beveiligingsplan van de havenfaciliteit kan door de NAMB worden ingetrokken ingeval:
1° de beveiliging in de havenfaciliteit niet meer gegarandeerd kan worden met het goedgekeurde beveiligingsplan van de havenfaciliteit;
2° de onderneming die de havenfaciliteit exploiteert heeft gehandeld in strijd met beveiligingsplan van de havenfaciliteit, de ISPS-Verordening, dit hoofdstuk of zijn uitvoeringsbesluiten;
3° de onderneming die de havenfaciliteit exploiteert geen gevolg geeft aan de in artikel 2.5.2.38 bedoelde instructies.
De intrekking kan enkel geheel zijn.
§ 2. Beroep tegen de intrekking kan worden ingesteld bij de minister binnen de tien dagen nadat de beslissing ter kennis werd gebracht.
De minister neemt binnen de dertig dagen een beslissing, na de havenfaciliteit en de NAMB gehoord te hebben.
Het beroep schorst de beslissing niet.
Art. 2.5.2.38. Tussentijdse evaluaties
§ 1. Het beveiligingsplan van de havenfaciliteit wordt door het LCMB geëvalueerd:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de goedkeuring;
2° indien de beveiliging van de havenfaciliteit door één of meer ongeoorloofde acties niet meer kan gegarandeerd worden of er een vermoeden is dat deze niet meer gegarandeerd kan worden.
§ 2. Het LCMB maakt de evaluatie over aan de NAMB die op basis van deze evaluatie:
1° termijnen kan vaststellen waarbinnen een aanpassing van het beveiligingsplan van de havenfaciliteit moet worden ingediend overeenkomstig artikel 2.5.2.35;
2° het beveiligingsplan van de havenfaciliteit geheel kan intrekken overeenkomstig artikel 2.5.2.37;
3° het LCMB een nieuwe beveiligingsbeoordeling kan laten uitvoeren.
Art. 2.5.2.39. Vorming
§ 1. Elke PFSO moet kennis hebben van, expertise hebben in en geslaagd zijn in een examen over al de volgende onderdelen die relevant zijn voor de havenfaciliteit:
1° de beveiligingsadministratie;
2° de van toepassing zijnde internationale verdragen, codes en aanbevelingen;
3° de van toepassing zijnde Belgische en Europese wetgeving en voorschriften;
4° de verantwoordelijkheden en functies van andere beveiligingsorganisaties;
5° de methodiek voor de beoordeling van de beveiliging van de havenfaciliteit;
6° de onderzoeks- en inspectiemethoden voor beveiliging van de scheepvaart en de beveiliging van de havenfaciliteit;
7° de scheeps- en havenactiviteiten en voorwaarden;
8° de beveiligingsmaatregelen voor het schip en de havenfaciliteit;
9° de paraatheid en reacties in noodsituaties en voorzorgmaatregelen;
10° de instructiemethoden voor beveiligingstraining en -scholing, waaronder beveiligingsmaatregelen en -procedures;
11° de omgang met gevoelige informatie met betrekking tot de beveiliging en de communicatie met betrekking tot de beveiliging;
12° de huidige bedreigingen met betrekking tot de beveiliging en de patronen hierin;
13° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
14° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen, zonder daarbij te discrimineren;
15° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
16° de beveiligingsapparatuur en -systemen, en de beperking van hun functies;
17° de methoden voor controle, inspectie, bewaking en toezicht;
18° de methoden voor het doorzoeken van lading en scheepsvoorraden en voor niet storende inspectie;
19° de beveiligingsoefeningen, waaronder oefeningen met schepen;
20° de beoordeling van beveiligingsoefeningen.
§ 2. Na het volgen van de vorming moet een examen worden afgelegd bij de erkende beveiligingsorganisatie of de erkende opleidingsinstantie. De Koning bepaalt de modaliteiten, inhoud en het slaagcijfer van het examen.
De erkende beveiligingsorganisatie of de erkende opleidingsinstantie bezorgen de lijst van de geslaagde personen aan de NAMB. Een geslaagde persoon verkrijgt een certificaat waarvan de vorm wordt vastgesteld door de Koning.
Een PFSO moet elke vijf jaar een heropfrissingscursus volgen waarvan de modaliteiten en de inhoud worden vastgesteld door de Koning. Het certificaat van de PFSO die deze cursus niet volgt vervalt van rechtswege 66 maanden na de uitreiking van het certificaat of het volgen van de opfriscursus.
§ 3. De PFSO zorgt ervoor dat het andere personeel van de havenfaciliteit met specifieke beveiligingstaken kennis heeft van de volgende onderdelen:
1° de huidige bedreigingen met betrekking tot de beveiliging en de patronen hierin;
2° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
3° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen;
4° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
5° de technieken voor massamanagement en -beheersing;
6° de communicatie met betrekking tot de beveiliging;
7° de werking van beveiligingsapparatuur en -systemen;
8° de het testen, ijken en onderhouden van beveiligingsapparatuur en -systemen;
9° de technieken voor inspectie, bewaking en toezicht;
10° de methoden voor het doorzoeken van lading en scheepsvoorraden.
Deze opleiding kan zowel extern als intern door de onderneming die de havenfaciliteit exploiteert worden gegeven.
§ 4. De PFSO moet ervoor zorgen dat al het ander personeel van de havenfaciliteit, met inbegrip van havenarbeiders, kennis heeft van de van toepassing zijnde bepalingen van het beveiligingsplan van de havenfaciliteit op de volgende onderdelen:
1° de betekenis en de daaruit voortvloeiende vereisten voor de verschillende beveiligingsniveaus;
2° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
3° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die beveiliging kunnen bedreigen;
4° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
5° de methodes die gebruikt worden om ongeoorloofde acties uit te voeren;
6° de algemene bewustwording van de beveiligingsproblematiek.
De PFSO is verantwoordelijk dat deze kennis bij de personeelsleden aanwezig is.
Art. 2.5.2.40. Oefening
§ 1. Het beveiligingsplan van de havenfaciliteit wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar getest door middel van een oefening waarvan de vereisten worden vastgelegd door de Koning.
De PFSO brengt uiterlijk één maand voor de oefening bedoeld in punt 18.6 van deel B van de ISPS-Code het betrokken LCMB op de hoogte. Het LCMB brengt de NAMB op de hoogte van de geplande oefeningen. Indien de omstandigheden een kortere termijn verantwoorden, beslist de NAMB of de gehouden oefening telt als de door punt 18.6 van deel B van de ISPS-Code vereiste oefening.
§ 2. De havenfaciliteit bezorgt uiterlijk één maand na de oefeningen bedoeld in het eerste lid of in punt 18.5 van deel B van de ISPS-Code een verslag aan het LCMB en de NAMB.
Art. 2.5.2.41. Verklaring van Goedkeuring
De NAMB reikt aan elke havenfaciliteit waarvan het beveiligingsplan werd goedgekeurd een Verklaring van Goedkeuring uit.
De Verklaring van Goedkeuring bevat de volgende gegevens:
1° de havenfaciliteit;
2° het feit dat de havenfaciliteit voldoet aan de bepalingen van Hoofstuk XI-2 van het SOLAS-verdrag, deel A van de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten;
3° de geldigheidstermijn van de Verklaring van Goedkeuring is maximaal vijf jaar en kan nooit langer zijn dan de geldigheidsduur van het beveiligingsplan;
4° de inspecties die werden uitgevoerd.
Onderafdeling 4. - Andere regelingen
Art. 2.5.2.42. Alternatieve regelingen
Alternatieve regelingen voor het intracommunautair verkeer op vaste routes zoals bedoeld in artikel 5 van de ISPS-Verordening en Voorschrift 11 van hoofdstuk XI-2 van het SOLAS-Verdrag worden niet toegestaan.
Art. 2.5.2.43. Gelijkwaardige regelingen
De NAMB kan, na advies van het betrokken LCMB over de uitgevoerde beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit, voor een beperkte duur die niet meer dan één jaar mag bedragen toestaan dat een havenfaciliteit wordt uitgebaat met maatregelen die gelijkwaardig zijn aan de beveiligingsmaatregelen vastgelegd in dit hoofdstuk en deel A van de ISPS-Code. De NAMB deelt de bijzonderheden van de toegestane gelijkwaardige regeling mee aan de IMO en de Europese Commissie.
Onderafdeling 5. - Beveiligingsstandaarden
Art. 2.5.2.44. Onderrichtingen door de NAMB
De NAMB kan onderrichtingen geven voor :
1° de te volgen procedures door havens en havenfaciliteiten in het kader van de beveiliging;
2° de communicatie tussen de havens, de havenfaciliteiten, de PFSO's, het LCMB en de NAMB;
3° standaarden voor toegangscontrole tot de havenfaciliteit;
4° standaarden voor de fysieke bescherming van de havenfaciliteit;
5° standaarden voor het houden van een permanent toezicht op de havenfaciliteit, met inbegrip van verlichting, beveiligingspersoneel en toegangsdetectieapparatuur en bewakingsapparatuur waaronder optische en thermische camera's;
6° de ladingsbehandeling;
7° de scheepsbevoorrading;
8° de omgang met onbegeleide bagage;
9° het aanduiden van gebieden binnen de havenfaciliteit waarvoor bijkomende beperkingen gelden;
10° het voorkomen van ongeoorloofde acties;
11° de verplichte vorming;
12° de beeldvorming van de haven en havenfaciliteit voor de overheid door middel van twee- en driedimensionale plannen en beelden;
13° incidentmeldingen.
14° de verslagen van de oefeningen.
Art. 2.5.2.45. Bekrachtiging
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in artikel 2.5.2.44 bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden.
Art. 2.5.2.46. Beveiligingsverklaring
Een beveiligingsverklaring opgesteld overeenkomstig punt 5 van deel A van de ISPS-code wordt gedurende 3 jaar bewaard door de havenfaciliteit.
Afdeling 5. - Beveiliging van vreemde schepen
Art. 2.5.2.47. Voorafgaande meldingen
§ 1. De verschaffing van de veiligheidsinlichtingen voorafgaande aan het aandoen van een Belgische haven of havenfaciliteit bedoeld in artikel 6 van de ISPS-Verordening gebeurt door de kapitein van het zeeschip of de aangestelde van de kapitein, binnen de termijnen bedoeld in artikel 6 van de ISPS-Verordening.
Deze melding gebeurt via het ISPS-platform.
§ 2. Het weigeren om de gegevens bedoeld in paragraaf 1 mee te delen heeft van rechtswege de weigering van het zeeschip in een Belgische haven of havenfaciliteit tot gevolg. Deze weigering wordt via het ISPS-Platform meegedeeld aan de verschillende betrokken Belgische overheden. Het MIK deelt deze weigering mee aan het zeeschip.
Art. 2.5.2.48. Vrijstellingen
Geregelde diensten kunnen onder de voorwaarden van artikel 7 van de ISPS-Verordening een vrijstelling verkrijgen van de in artikel 2.5.2.47 bedoelde verschaffing van beveiligingsinlichtingen. De Koning bepaalt de dienst die de vrijstelling verleent en de wijze waarop de vrijstelling wordt verleend.
Art. 2.5.2.49. Maatregelen
§ 1. Indien het MIK, de Scheepvaartcontrole of de Cel Maritieme Beveiliging gegronde redenen hebben om aan te nemen dat het zeeschip dat voornemens is om een Belgische haven aan te doen, niet aan de eisen van de ISPS-Code of deel A van de ISPS-Code voldoet, proberen deze diensten contact op te nemen met het zeeschip.
Indien deze communicatie niet leidt tot rechtzetting of indien de Scheepvaartcontrole of de Cel Maritieme Beveiliging gegronde redenen blijven hebben om aan te nemen dat het zeeschip niet aan de eisen van de ISPS-Code of deel A van de ISPS-Code voldoet, kunnen zij volgende maatregelen nemen:
1° eisen dat de niet-naleving wordt rechtgezet;
2° eisen dat het zeeschip zich begeeft naar een aangewezen plaats in de territoriale wateren of in een haven;
3° overgaan tot een inspectie van het zeeschip indien het zeeschip zich in de Belgische territoriale wateren of een haven bevindt.
Op advies van het MIK, de Scheepvaartcontrole of de Cel Maritieme Beveiliging kan de Voorzitter van de NAMB overgaan tot het ontzeggen van de toegang tot de Belgische havens.
Alvorens deze maatregelen genomen worden wordt de kapitein van het zeeschip hiervan ingelicht. Indien de kapitein beslist om geen Belgische haven aan te lopen, is dit artikel niet van toepassing.
§ 2. De voorzitter van de NAMB kan schepen onder vreemde vlag de toegang tot de Belgische havens weigeren indien er door de Verenigde Naties, de Europese Unie of de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, sancties zijn genomen tegen een derde land, ondernemingen of natuurlijke personen.
De voorzitter van de NAMB is belast met het ontzeggen van de toegang tot de Belgische havens voor de schepen bedoeld in het eerste lid, of ter uitvoering van sancties opgelegd door de Verenigde Naties of de Europese Unie.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de modaliteiten voor de controle op het naleven van de sancties en het uitvoeren van de weigering van de toegang van deze schepen.
Afdeling 6. - Beveiliging van Belgische Schepen
Onderafdeling 1. - Beveiligingsniveaus
Art. 2.5.2.50. Zeewateren
§ 1. Al de wateren die toegankelijk zijn voor Belgische zeeschepen met uitsluiting van de havens gelegen in andere landen krijgen een beveiligingsniveau overeenkomstig artikel 2.5.2.24.
Elk Belgisch zeeschip moet de maatregelen nemen verbonden aan het beveiligingsniveau van het gebied waarin het zich bevindt.
§ 2. Het beveiligingsniveau wordt ingesteld op niveau 1. Indien er informatie beschikbaar is waaruit zou blijken dat er risico's bestaan op beveiligingsincidenten en/of ongeoorloofde acties met Belgische zeeschepen kan het beveiligingsniveau in deze gebieden verhoogd worden.
De directeur generaal Scheepvaart bepaalt in deze gevallen, na advies van het NCCN en de Cel Maritieme Beveiliging het beveiligingsniveau in deze gebieden.
Voor het binnenvaren van een zone met beveiligingsniveau 2 of 3 moet de kapitein het vermoedelijk uur van binnenvaren melden aan de Cel Maritieme Beveiliging. De bemanningslijst moet in deze gevallen op eenvoudig verzoek onmiddellijk worden overgemaakt aan de Cel Maritieme Beveiliging.
Bij het instellen van beveiligingsniveau 3 kan de Voorzitter van de NAMB dringende maatregelen nemen die moeten opgevolgd worden door alle Belgische zeeschepen die zich in dat gebied bevinden.
§ 3. De Cel Maritieme Beveiliging evalueert elke drie maanden of het verhoogde beveiligingsniveau moet worden aangehouden, verhoogd of verlaagd en maakt deze evaluatie over aan het NCCN voor advies. De evaluatie en het advies worden overgemaakt aan de Voorzitter van de NAMB die binnen de vijf dagen een beslissing neemt.
§ 4. Elke wijziging van het beveiligingsniveau wordt door de Cel Maritieme Beveiliging ter kennis gebracht van de minister, de minister van Buitenlandse Zaken, elke CSO, de leden van de NAMB en het MIK.
Indien in de gebieden waar het beveiligingsniveau gewijzigd werd, een haven ligt, wordt het land waar die haven ligt geïnformeerd door de Belgische diplomatieke vertegenwoordiging in dat land over het ingestelde beveiligingsniveau.
Art. 2.5.2.51. Belgische zeeschepen
§ 1. Onverminderd artikel 2.5.2.50 heeft elk Belgisch zeeschip een beveiligingsniveau overeenkomstig artikel 2.5.2.24 en dient de maatregelen naleven die verbonden zijn aan dit beveiligingsniveau.
§ 2. Het beveiligingsniveau wordt ingesteld op niveau 1. Indien er beveiligingsinformatie beschikbaar is waaruit zou blijken dat er risico's bestaan op beveiligingsincidenten met een Belgische zeeschip kan het beveiligingsniveau voor het betrokken zeeschip verhoogd worden.
De directeur generaal Scheepvaart bepaalt in deze gevallen, na advies van het NCCN, de Cel Maritieme Beveiliging en de CSO van het betrokken zeeschip, het beveiligingsniveau van het zeeschip.
Bij het instellen van beveiligingsniveau 3 kan de Voorzitter van de NAMB dringende maatregelen nemen die moeten opgevolgd worden door het zeeschip.
§ 3. De Cel Maritieme Beveiliging evalueert elke maand of het verhoogde beveiligingsniveau moet worden aangehouden, verhoogd of verlaagd moet worden en maakt deze evaluatie over aan het NCCN voor advies. De evaluatie en het advies worden overgemaakt aan de Voorzitter van de NAMB die binnen de vijf dagen een beslissing neemt.
§ 4. Elke wijziging van het beveiligingsniveau wordt door de Cel Maritieme Beveiliging ter kennis gebracht van de minister, de CSO van het betrokken zeeschip, de leden van de NAMB en het MIK.
De CSO bezorgt aan de Cel Maritieme Beveiliging de schriftelijke bevestiging dat de kapitein de wijziging van het beveiligingsniveau heeft ontvangen.
Onderafdeling 2. - Beveiligingspersoneel van de reder
Art. 2.5.2.52. CSO
Voor elk Belgisch zeeschip dat door de reder geëxploiteerd wordt, stelt de reder een CSO aan. Een CSO kan worden aangesteld voor één of meerdere schepen en een reder heeft het recht om meer dan één CSO aan te stellen indien de reder verscheidene schepen exploiteert.
De aanstelling van een CSO in het eerst lid of elke wijziging daaraan wordt door de reder onmiddellijk gemeld aan de Cel Maritieme Beveiliging.
Art. 2.5.2.53. SSO
De reder zorgt ervoor dat op elk schip een SSO aanwezig is.
De reder houdt een lijst van de SSO's voor zijn schepen bij en bezorgt deze op eenvoudig verzoek aan de Cel Maritieme Beveiliging.
Onderafdeling 3. - Verplichtingen van de reder
Art. 2.5.2.54. Verantwoordelijkheid
De reder is verantwoordelijk om de nodige steun te geven aan de CSO, de SSO en de kapitein zodat deze de taken en verantwoordelijkheden bepaald in de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten naar behoren kunnen uitvoeren.
Art. 2.5.2.55. Beoordeling van de scheepsbeveiliging
De reder zorgt ervoor dat de CSO een beoordeling van de scheepsbeveiliging uitvoert voor elke zeeschip dat wordt geëxploiteerd door de reder. De beoordeling wordt uitgevoerd overeenkomstig punt 8 van Deel A van de ISPS-Code en punt 8 van Deel B van de ISPS-Code dat van dwingend recht is voor de toepassing van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten.
De NAMB, de Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole zijn bevoegd om kennis te nemen van de goedgekeurde beoordeling van de scheepsbeveiliging. De reder bezorgt deze goedgekeurde beoordeling op eenvoudig verzoek aan de NAMB, de Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole.
Art. 2.5.2.56. Scheepsbeveiligingsplan
§ 1. De reder is ervoor verantwoordelijk dat de CSO een scheepbeveiligingsplan uitwerkt en ter goedkeuring voorlegt aan de Scheepvaartcontrole.
De goedkeuring kan door de minister gedelegeerd worden aan een erkende beveiligingsorganisatie. De Koning bepaalt de modaliteiten waaronder deze delegatie mogelijk is.
Het scheepsbeveiligingsplan wordt opgesteld overeenkomstig punt 9 van Deel A van de ISPS-Code en punt 9 van Deel B van de ISPS-Code dat van dwingend recht is voor de toepassing van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten.
§ 2. De Koning bepaalt wie de bepalingen van punt 19 van deel A van de ISPS-code betreffende de keuring en certificatie van Belgische zeeschepen uitvoert.
§ 3. Het scheepsbeveiligingsplan kan worden ingetrokken indien het schip niet meer voldoet aan de vereisten bedoeld in punt 9 van Deel A van de ISPS-Code en punt 9 van Deel B van de ISPS-Code.
Onderafdeling 4. - Vorming en oefeningen
Art. 2.5.2.57. Vorming
§ 1. Elke CSO, SSO en het walpersoneel dat met beveiliging is belast moet kennis hebben van en getraind worden in al de volgende onderdelen die relevant zijn voor het zeeschip:
1° de beveiligingsadministratie;
2° de van toepassing zijnde internationale verdragen, codes en aanbevelingen;
3° de van toepassing zijnde Belgische en Europese wetgeving en voorschriften;
4° de verantwoordelijkheden en functies van andere beveiligingsorganisaties;
5° de methodiek voor de beoordeling van de scheepsbeveiliging;
6° de onderzoeks- en inspectiemethoden voor scheepsbeveiliging;
7° de scheeps- en havenactiviteiten en -voorwaarden;
8° de beveiligingsmaatregelen voor schepen en havenfaciliteiten;
9° de paraatheid en reacties in noodsituaties en voorzorgmaatregelen;
10° de instructiemethoden voor beveiligingstraining en scholing, waaronder beveiligingsmaatregelen en - procedures;
11° de omgang met gevoelige informatie met betrekking tot de beveiliging en de communicatie met betrekking tot de beveiliging;
12° de huidige dreigingen met betrekking tot de beveiliging en patronen daarin;
13° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
14° de herkenning van de kernmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen, zonder daarbij te discrimineren;
15° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
16° de beveiligingsapparatuur en - systemen, en de beperking van hun functies;
17° de methoden voor controle, inspectie, bewaking en toezicht;
18° de beveiligingsoefeningen;
19° de beoordeling van beveiligingsoefeningen.
§ 2. De SSO dient bovendien voldoende kennis te hebben van en training te krijgen in de volgende onderdelen:
1° de indeling van het zeeschip;
2° het scheepsbeveiligingsplan en de bijhorende procedures;
3° de technieken voor massamanagement en - beheersing;
4° de werking van beveiligingsapparatuur en -systemen;
5° het testen, ijken en het onderhouden van beveiligingsapparatuur en -systemen.
§ 3. Bemanningsleden met specifieke beveiligingstaken dienen voldoende kennis en vaardigheid te bezitten om de hun toegewezen taken uit te kunnen voeren, waaronder:
1° de huidige dreigingen met betrekking tot de beveiliging en patronen daarin;
2° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
3° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen;
4° de technieken die worden gebruikt om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
5° de technieken voor massamanagement en - beheersing;
6° de communicatie met betrekking tot de beveiliging;
7° de noodprocedures en voorzorgmaatregelen;
8° de werking van beveiligingsapparatuur en -systemen;
9° het testen, ijken en het op zee onderhouden van beveiligingsapparatuur en -systemen;
10° de technieken voor inspectie, bewaking en toezicht;
11° de technieken voor het doorzoeken van lading en scheepsvoorraden.
§ 4. Alle andere bemanningsleden dienen voldoende kennis te hebben van en gekend te zijn met de van toepassing zijnde bepalingen van het scheepsbeveiligingsplan, waaronder:
1° de betekenis van en de daaruit voortvloeiende vereisten voor de verschillende beveiligingsniveaus;
2° de noodprocedures en voorzorgmaatregelen;
3° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
4° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen;
5° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken.
§ 5. De Koning kan de organisatie van de trainingen en de afgifte van een certificaat aan de deelnemers regelen.
Art. 2.5.2.58. Scheepsbeveiligingsalarm
Bij het inschakelen van het scheepsbeveiligingsalarm bedoeld in Voorschrift 6 van hoofdstuk XI-2 van het SOLAS-Verdrag moet het alarm worden doorgezonden naar het MIK.
Art. 2.5.2.59. Incidentmeldingen
De CSO meldt onmiddellijk elk beveiligingsincident aan de Cel Maritieme Beveiliging. De Cel Maritieme Beveiliging zal de bevoegde overheden hiervan op de hoogte brengen.
Een beveiligingsverklaring opgesteld overeenkomstig punt 5 van deel A van de ISPS-code wordt gedurende 3 jaar bewaard aan boord van het schip, en worden op eenvoudig verzoek overhandigd aan het de Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole.
Art. 2.5.2.60. Oefeningen
De CSO houdt een overzicht bij van de oefeningen die georganiseerd worden overeenkomstig punt 13.6 van deel B van de ISPS-Code en deelt deze mee aan de Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole op verzoek.
De CSO brengt uiterlijk 24 uur voor de geplande oefening bedoeld in punt 13.7 van deel B van de ISPS-Code de Cel Maritieme Beveiliging op de hoogte. Op verzoek van de CSO kan de directeur generaal Scheepvaart toestaan dat de oefening niet voorafgaandelijk wordt meegedeeld aan de Cel Maritieme Beveiliging.
Art. 2.5.2.61. Onderrichtingen
De Cel Maritieme Beveiliging kan onderrichtingen geven voor:
1° de te volgen procedures door de reders in het kader van de beveiliging;
2° de communicatie tussen de CS0, SS0, het MIK, de Cel Maritieme Beveiliging en de NAMB;
3° de standaarden voor de fysieke bescherming van het zeeschip;
4° de beeldvorming door middel van twee- en driedimensionale plannen;
5° de verplichte vorming.
Art. 2.5.2.62. Bekrachtiging
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in artikel 2.5.2.61 bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden.
Afdeling 7. - Beveiliging van de Noordzee
Art. 2.5.2.63. Beveiligingsbeoordeling
§ 1. In overleg met de exploitant van het bouw- of kunstwerk of de kabel of pijpleiding voert het MIK een beveiligingsbeoordeling uit die minstens volgende elementen bevat:
1° de vaststelling en evaluatie van belangrijke bedrijfsmiddelen en infrastructuur die dienen te worden beschermd;
2° de vaststelling van de risico's op ongeoorloofde acties;
3° de vaststelling van mogelijke dreigingen voor de bedrijfsmiddelen en infrastructuur en de waarschijnlijkheid dat deze zich voordoen, met het oog op de vaststelling en prioritering van beveiligingsmaatregelen;
4° de vaststelling, selectie en prioritering van tegenmaatregelen en procedurele wijzigingen en hun effectiviteitsniveau wat vermindering van de kwetsbaarheid betreft;
5° de vaststelling van zwakke plekken, met inbegrip van menselijke factoren, in de infrastructuur, beleidsmaatregelen en procedures;
6° de risicoanalyse van die onderdelen die vatbaar zijn voor spionage, terrorisme en sabotage ten gevolge van buitenlandse invloeden door middel van publieke of private samenwerking.
§ 2. De NAMB beslist binnen de dertig dagen nadat het MIK de beveiligingsbeoordeling heeft overgemaakt aan de NAMB over de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling.
Op basis van de beveiligingsbeoordeling kan de NAMB besluiten dat er geen beveiligingsplan moet worden opgesteld.
§ 3. De beveiligingsbeoordeling wordt om de 5 jaar geëvalueerd door het MIK, ook in de gevallen waar de NAMB heeft beslist dat er geen beveiligingsplan moet worden opgesteld.
Een beveiligingsbeoordeling kan na de goedkeuring gedurende zes maanden gebruikt worden voor het opstellen van een beveiligingsplan. Indien het beveiligingsplan niet binnen deze termijn is opgesteld of het beveiligingsplan vernieuwd moet worden, is een nieuwe beveiligingsbeoordeling vereist.
Art. 2.5.2.64. Beveiligingsplan
De exploitant van het bouw- of kunstwerk of de kabel of pijpleiding stelt binnen de zes maand na de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling een beveiligingsplan op en legt dit voor aan het MIK. Binnen de dertig dagen geeft het MIK een advies aan de NAMB, na raadpleging van de door de Koning aangeduide diensten.
Het beveiligingsplan bevat een bepaling over de wijze waarop en de termijn waarbinnen een oefening moet worden gehouden.
De NAMB beslist binnen de dertig dagen over goedkeuring van het beveiligingsplan.
De goedkeuring geldt voor vijf jaar.
Elke substantiële wijziging moet ook aan het betrokken LCMB en de NAMB worden voorgelegd ter goedkeuring. De Koning bepaalt op advies van de NAMB wat als substantiële wijziging moet worden beschouwd.
Art. 2.5.2.65. Tussentijdse evaluaties
§ 1. Het beveiligingsplan wordt door het MIK geëvalueerd:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de goedkeuring;
2° indien de beveiliging van het bouw- of kunstwerk of kabel of pijpleiding door een of meer ongeoorloofde acties niet meer kan gegarandeerd worden of er een vermoeden is dat deze niet meer gegarandeerd kan worden.
§ 2. Op basis van deze evaluatie kan de NAMB termijnen vaststellen waarbinnen een aanpassing van het beveiligingsplan moet worden ingediend overeenkomstig artikel 2.5.2.64 of het MIK een nieuwe beveiligingsbeoordeling moet uitvoeren.
Art. 2.5.2.66. Onderrichtingen
De NAMB kan onderrichtingen geven voor :
1° de te volgen procedures door de exploitanten in het kader van de beveiliging;
2° de communicatie tussen de exploitanten, het MIK en de NAMB;
3° de standaarden voor de fysieke bescherming van de bouw- of kunstwerken, kabels of pijpleidingen;
4° de standaarden voor het houden van een permanent toezicht, met inbegrip van verlichting, beveiligingspersoneel en toegangsdetectieapparatuur en bewakingsapparatuur waaronder optische en thermische camera's;
5° het aanduiden van gebieden waarvoor bijkomende beperkingen gelden;
6° het voorkomen van ongeoorloofde acties;
7° de beeldvorming voor de overheid door middel van twee- en drie dimensionele plannen en beelden.
Art. 2.5.2.67. Bekrachtiging
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in artikel 2.5.2.66 bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden.
Art. 2.5.2.68. Oefening
In overleg met het MIK wordt de beveiliging van het bouw- of kunstwerk, de kabel of de pijpleiding getest overeenkomstig hetgeen werd vastgelegd in het beveiligingsplan.
Afdeling 8. - Erkende beveiligingsorganisaties en opleidingsinstanties
Onderafdeling 1. - Erkende beveiligingsorganisatie
Art. 2.5.2.69. Aanvraag en voorwaarden
§ 1. Een onderneming die erkend wil worden als erkende beveiligingsorganisatie dient hiertoe een aanvraag in bij de Cel Maritieme Beveiliging.
Om als beveiligingsorganisatie erkend te worden moet de onderneming voldoen aan de bepalingen van betreffende ondernemingen voor veiligheidsadvies bedoeld in artikel 8 van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid en een vestigingseenheid hebben in België.
De erkenning geldt enkel voor opdrachten ten behoeve van Belgische havens of havenfaciliteiten, of Belgische schepen.
§ 2. Ondernemingen die gemachtigd zijn als erkende organisatie in uitvoering van artikel 2.2.3.15, § 2, moeten voor het uitvoeren van de taken bedoeld in artikel 2.5.2.75 geen aparte aanvraag indienen indien de machtiging tevens de ISPS-Code omvat. De Scheepvaartcontrole bezorgt elke wijziging in de lijst van erkende ondernemingen aan de NAMB.
Art. 2.5.2.70. Audit
De Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole voeren een audit uit waarbij de onderneming moet aantonen dat ze:
1° beschikt over deskundigheid op het gebied van relevante aspecten van havenbeveiliging;
2° de nodige kennis heeft van havenactiviteiten, waaronder kennis van het ontwerp en constructie van havens;
3° de nodige kennis van andere voor de beveiliging relevante activiteiten heeft die van invloed kunnen zijn op de havenbeveiliging;
4° in staat is om waarschijnlijke havenbeveiligingsrisico's te beoordelen;
5° in staat is om de deskundigheid van het personeel op het gebied van havenbeveiliging te onderhouden en te verbeteren;
6° in staat is om de blijvende betrouwbaarheid van het personeel te controleren;
7° in staat is om de nodige maatregelen te onderhouden ter voorkoming van de bekendmaking van of toegang tot gevoelig materiaal door onbevoegden;
8° kennis heeft van relevante internationale, Europese en Belgische regelgeving en beveiligingseisen;
9° kennis heeft van huidige bedreigingen met betrekking tot de beveiliging en patronen daarin;
10° kennis heeft van herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
11° kennis heeft van de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de havenbeveiliging kunnen bedreigen, zonder daarbij te discrimineren;
12° kennis heeft van de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
13° kennis heeft van beveiligings- en bewakingsapparatuur en -systemen en van de beperking van de functies ervan;
14° kennis heeft van het voorkomen van ongeoorloofde acties en het opstellen van maatregelen ter voorkoming van ongeoorloofde acties.
Art. 2.5.2.71. Erkenning
De NAMB beslist over de erkenning op advies van de Cel Maritieme Beveiliging op grond van de audit. Een erkenning geldt voor een periode van 5 jaar.
Art. 2.5.2.72. Intrekking
De NAMB kan de erkenning van de beveiligingsorganisatie intrekken indien vastgesteld wordt dat deze niet meer voldoet aan de voorwaarden of niet langer kan aantonen dat ze beschikt over de elementen uit artikel 2.5.2.70.
Art. 2.5.2.73. Tussentijdse evaluatie
§ 1. De Cel Maritieme Beveiliging voert een tussentijdse evaluatie uit bij de erkende beveiligingsorganisatie:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de erkenning;
2° indien verscheidene beveiligingsincidenten of ongeoorloofde acties worden vastgesteld op havenfaciliteiten of aan boord van zeeschepen waarvoor de erkende beveiligingsorganisatie opdrachten uitvoert;
3° indien het vermoeden bestaat dat de erkende beveiligingsorganisatie de taken uitvoert op een wijze die de beveiliging in het gedrang kan brengen.
§ 2. Op basis van deze evaluatie kan de NAMB:
1° overgaan tot de intrekking overeenkomstig artikel 2.5.2.72.
2° maatregelen vaststellen met het oog op het wegwerken van tekortkomingen en termijnen bepalen waarbinnen de erkende onderneming aan deze maatregelen moet voldoen.
Art. 2.5.2.74. Onverenigbaarheden
Een erkende beveiligingsorganisatie die meegewerkt heeft aan het opstellen of evalueren van een beveiligingsbeoordeling, mag niet betrokken zijn bij de opstelling, evaluatie of ander werk inzake het beveiligingsplan.
Indien de PFSO een professionele band heeft met een erkende beveiligingsorganisatie, mag deze erkende beveiligingsorganisatie geen taken als bewakingsonderneming bedoeld in artikel 4 van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid uitvoeren op de havenfaciliteit waarvoor de PFSO verantwoordelijk is.
Art. 2.5.2.75. Bevoegdheden
Een erkende beveiligingsorganisatie kan:
1° meewerken aan het opstellen van een beveiligingsbeoordeling;
2° beveiligingsplannen voor havens en havenfaciliteiten opstellen, analyseren en hierover aanbevelingen formuleren;
3° opleidingen geven en examens voor PFSO's afnemen;
4° een PFSO ter beschikking stellen van één of meerdere havenfaciliteiten;
5° fungeren als verwerkingsverantwoordelijke zoals bedoeld in artikel 2.5.2.91;
6° het scheepsbeveiligingsplan goedkeuren.
Onderafdeling 2. - Goedgekeurde opleidingsinstantie
Art. 2.5.2.76. Goedkeuring
Een door een Gemeenschap erkende opleidingsinstantie kan na goedkeuring door de NAMB de opleidingen bedoeld in dit hoofdstuk geven.
Afdeling 9. - ISPS-platform
Art. 2.5.2.77. Toepassingsgebied
Deze afdeling regelt de elektronische informatie-uitwisseling tussen alle actoren betrokken bij de maritieme beveiliging voor de uitvoering van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten en de opslag van de informatie.
Art. 2.5.2.78. Oprichting van het ISPS-platform
§ 1. Er wordt een ISPS-platform opgericht.
De doelstellingen van het ISPS-platform zijn:
1° de opslag, opvolging en goedkeuring van alle in dit hoofdstuk vermelde beveiligingsbeoordelingen;
2° de opslag, opvolging en goedkeuring van alle in dit hoofdstuk vermelde beveiligingsplannen;
3° het melden, opslaan en opvolgen van beveiligingsincidenten;
4° het melden, opslaan en opvolgen van oefeningen;
5° het uitwisselen van informatie tussen de betrokken actoren;
6° het ingeven, opslaan en opvolgen van inspectierapporten door de verschillende diensten;
7° het elektronisch uitreiken en bijhouden van de verschillende certificaten;
8° het generen van de rapporten aan de IMO en de Europese Commissie;
9° het afbakenen van de havens en de havenfaciliteiten door middel van een GIS-component;
10° het uitvoeren van risicoanalyses op alle aanwezige data;
11° het visualiseren van de havens, havenfaciliteiten en schepen door middel van 2D, 3D en GIS-data;
12° het automatiseren van de verschaffing van de beveiligingsinformatie door vreemde schepen;
13° de opslag van de gegevens van de toegangscontrole;
14° het opslaan van de gegevens om het naleven te controleren van het verbod bedoeld in artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen en artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
15° het opslaan van de gegevens om het naleven te controleren van het verbod dat personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen;
16° het bijhouden van de veiligheidsverificaties en aanvragen vereist door dit hoofdstuk;
17° het bijhouden van de lijst van leden van de NAMB, LCMB en Cel Maritieme beveiliging, en de PFSO's en CSO's.
§ 2. De toegang tot de gegevens onder 1° tot en met 7°, 9° tot en met 11° en 13° tot en met 16° is beperkt tot de leden van de NAMB, de Cel Maritieme Beveiliging en de inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4..4, en tot de leden van de LCMB's voor de haven en havenfaciliteiten die onder hun bevoegdheid vallen, en tot de PFSO voor de eigen havenfaciliteit.
De toegang tot de gegevens onder 8° is beperkt tot de leden van de NAMB en de Cel Maritieme Beveiliging.
De toegang tot de gegevens onder 12° is beperkt tot de leden van de NAMB en de Cel Maritieme Beveiliging en de inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4.4.
Art. 2.5.2.79. Financiering
De kredieten die vereist zijn voor de oprichting en de werking van het ISPS-Platform worden ingeschreven op de begroting van het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
Om gebruik te kunnen maken van het ISPS-platform voor de doelstellingen bedoeld in artikel 2.5.2.78, 13°, 14°, 15° en 16° kan de Koning een retributie bepalen en de modaliteiten hiervoor vaststellen.
Art. 2.5.2.80. Beheer
§ 1. De NAMB fungeert als beheerscomité voor het ISPS-platform.
De minister is belast met de goede werking van het ISPS-platform.
§ 2. De NAMB beschikt over de volgende bevoegdheden met betrekking tot het ISPS-platform:
1° het ISPS-platform beheren;
2° elk initiatief nemen dat kan bijdragen tot de doeltreffendheid van de veilige werking van het ISPS-platform;
3° elk initiatief nemen tot aanpassing van het ISPS-platform aan de wijzigingen op wetgevend, regelgevend en technologisch vlak;
4° de bevoegde minister in kennis stellen van de middelen die vereist zijn voor de goede werking van het ISPS-platform;
5° jaarlijks aan de bevoegde minister de budgettaire ramingen meedelen met betrekking tot de kostprijs voor de werking en het onderhoud van het ISPS-platform, daarin inbegrepen de kostprijs van de in het systeem opgeslagen systemen;
6° akkoorden sluiten met betrekking tot de diensten die vereist zijn voor het beheer van het ISPS-platform;
7° advies verlenen op eigen initiatief of op verzoek van de bevoegde ministers met betrekking tot wetgevende en andere initiatieven die van invloed zijn op de werking van het ISPS-platform.
Art. 2.5.2.81. Controle op het havenverbod
Om toegang te krijgen tot een havenfaciliteit moet aan de ingang gecontroleerd worden of de persoon die toegang wenst te krijgen is opgenomen in het ISPS-platform als een persoon voor wie een verbod overeenkomstig artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek werd opgelegd of aan wie krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven werd opgelegd.
De Koning bepaalt de modaliteiten van en de werking van het ISPS-platform voor de controle bedoeld in het eerste lid.
Afdeling 10. - Gegevensbescherming
Onderafdeling 1. - Camerabeelden
Art. 2.5.2.82. Bewakingscamera's
Bewakingscamera's die geïnstalleerd worden door de exploitanten van havens of havenfaciliteiten moeten voldoen aan de bepalingen van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's.
Art. 2.5.2.83. Intelligente camera's
§ 1. Het plaatsen van intelligente camera's met het oog op de automatische nummerplaatherkenning door de exploitanten van havens en havenfaciliteiten is toegelaten waarbij het gebruik van deze camera's en de toegang tot de gegevens geregeld wordt overeenkomstig de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's .
In afwijking van artikel 8/1 van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's is het gebruik van intelligente bewakingscamera's toegelaten met het oog op de automatische herkenning van vaartuigen.
§ 2. Het gebruik van intelligente camera's overeenkomstig paragraaf 1 is toegelaten, op voorwaarde dat het plaatsing en het gebruik zijn opgenomen in het beveiligingsplan, om de naleving van de ISPS-verordening, de ISPS-Code en dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten te controleren, evenals het voorkomen van ongeoorloofde acties en het garanderen van de maritieme beveiliging.
Onderafdeling 2. - Biometrische gegevens
Art. 2.5.2.84. Gebruik
§ 1. Met het oog op de toegangscontrole tot havenfaciliteiten en identiteitscontrole voor het behandelen van lading kunnen de beveiligingsplannen, op basis van concrete elementen in de beveiligingsbeoordelingen die de noodzaak daarvoor aantonen, voorzien dat de toegang tot de havenfaciliteit afhankelijk wordt gemaakt van de verificatie van biometrische gegevens voor alle of bepaalde categorieën van bezoekers.
De beveiligingsplannen, op basis van concrete elementen in de beveiligingsbeoordeling die de noodzaak daarvoor aantonen, van een haven of een havenfaciliteit kunnen bepalingen opnemen om de digitale toegang tot de netwerk en informatiesystemen te beschermen door middel van biometrische gegevens.
§ 2. Het doel van de toegangscontrole is verhinderen dat onbevoegden toegang tot de havenfaciliteit of de netwerk- en informatiesystemen kunnen verkrijgen. De verwerking van de biometrische gegevens is een uitzondering zoals bedoeld in artikel 9.2, g) van de AVG.
Het doel van de identiteitscontrole voor het behandelen van lading is het voorkomen dat deze machines worden gebruikt bij het plegen van een ongeoorloofde actie. De verwerking van de biometrische gegevens is een uitzondering zoals bedoeld in artikel 9.2, a) en g) van de AVG.
§ 3. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt onder bezoeker verstaan iedereen, met inbegrip van bestuurders en personeelsleden, die toegang wensen tot de havenfaciliteit of gedeelten van de havenfaciliteit met uitzondering van de passagiers van zeeschepen die inschepen of ontschepen op een havenfaciliteit voor het vervoer van passagiers, en voor bemanningsleden van zeeschepen.
Art. 2.5.2.85. Erkenning verwerker
§ 1. Biometrische gegevens kunnen enkel worden verwerkt door een onderneming die hiertoe erkend wordt door de minister op basis van de audit bedoeld in paragraaf 2 en een advies van de NAMB.
Om als verwerker van deze biometrische gegevens erkend te worden moet de onderneming gevestigd zijn in de Europese Economische Ruimte en een vestigingseenheid hebben in België. De erkenning geldt enkel voor de verwerking van biometrische gegevens toegestaan overeenkomstig dit hoofdstuk.
§ 2. De Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole, in samenwerking met het Centrum voor Cyberveiligheid, voeren een audit uit waarbij de onderneming moet aantonen dat:
1° de onderneming gecertificeerd is overeenkomstig norm ISO 27001, ISO 27701 of een gelijkwaardige norm vastgesteld overeenkomstig artikel 22, § 1, van de wet van 7 april 2019 tot vaststelling van een kader voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen van algemeen belang voor de openbare veiligheid;
2° de nodige interne systemen en procedures hebben om te vermijden dat onbevoegde toegang hebben tot de biometrische gegevens;
3° het systeem van verwerking voldoet aan de in paragraaf 3 gestelde vereisten.
§ 3. Biometrische gegevens kunnen enkel verwerkt worden via systemen die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° bij de eerste inzamelingsfase van de biometrische gegevens worden de unieke en individuele kenmerken van het individu gecodeerd en als template opgeslagen, waarna de ruwe gegevens onmiddellijk verwijderd worden;
2° bij het verifiëren van de identiteit van het individu wordt enkel nagegaan of de informatie die ingezameld wordt op het ogenblik dat het individu zich wenst te authentiseren overeenkomt met de template die werd opgeslagen bij de eerste inzamelingsfase;
3° de template wordt uitsluitend bewaard op een duurzaam opslagmedium in het bezit van het individu waarbij geen opslag in databases van de verwerker is toegestaan;
4° de biometrische gegevens die tijdens de tweede inzamelingsfase voor het verifiëren van de identiteit worden ingezameld mogen niet langer bewaard worden dan nodig is om deze ingezamelde gegevens te vergelijken met de template.
§ 4. De erkenning geldt voor onbepaalde duur.
Na de erkenning en nadien telkens in de periode tussen de vierentwintig en zesendertig maanden na een vorige audit wordt een opvolgingsaudit uitgevoerd. Op basis van deze audit kan de minister beslissen om:
1° termijnen op te leggen waarin de onderneming de door de minister opgelegde maatregelen moet naleven;
2° de erkenning in te trekken.
Onderafdeling 3. - Verwerking van persoonsgegevens
Art. 2.5.2.86. Doeleinden
De gegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 worden verwerkt met het oog op:
1° het garanderen van de maritieme beveiliging in havens en de havenfaciliteiten;
2° het voorkomen van ongeoorloofde acties;
3° het opsporen, vervolgen en bestraffen van ongeoorloofde acties;
4° het garanderen van de beveiliging van de personen die werkzaam zijn in de havens en de havenfaciliteiten;
5° het uitvoeren van de taken van de inlichtingendiensten;
6° het controleren van de naleving van het verbod opgelegd overeenkomstig artikel 4, § 3bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
7° het controleren van de naleving van het verbod dat personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen;
8° het bijhouden van de gegevens voor de verplichte vorming en opleiding van de PFSO's zoals bedoeld in artikel 2.5.2.39, § 2.
De gegevens van de leden van de inspectiediensten worden verwerkt met het oog op het identificeren van de opsteller van een inspectierapport of proces-verbaal.
Art. 2.5.2.87. Betrokken natuurlijke personen
De gegevens van de volgende personen mogen verwerkt worden:
1° bezoekers van havenfaciliteiten en de personeelsleden belast met de behandeling van de lading;
2° PSO, PFSO, CSO en SSO;
3° leden van de inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4.4;
4° personen die een verbod kregen overeenkomstig artikel 4, § 3bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
5° personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen.
Art. 2.5.2.88. Te verwerken gegevens
§ 1. Van de bezoekers van havenfaciliteiten mogen de volgende gegevens worden verwerkt:
1° naam en voornamen;
2° rijksregisternummer voor Belgen;
3° geboortedatum en adres voor niet-Belgen;
4° e-mailadres
5° biometrische gegevens, indien van toepassing, overeenkomstig artikel 2.5.2.84;
6° doel van het bezoek;
7° aankomst- en vertrekuur en datum van het bezoek;
8° nummerplaat van wagens die de havenfaciliteit binnen- en buitenrijden;
9° foto.
§ 2. Van de PSO, PFSO, CSO en SSO mogen de volgende gegevens worden verwerkt:
1° naam en voornamen;
2° rijksregisternummer voor Belgen;
3° geboortedatum en adres voor niet-Belgen;
4° e-mailadres;
5° resultaat van het examen voor PFSO's;
6° foto.
§ 3. Van de leden van inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4.4 mogen de volgende gegevens worden verwerkt:
1° naam en voornamen;
2° identificatienummer gegeven door de overheidsdienst waarvoor de inspecteur werkt;
3° foto.
§ 4° Van de personen die een verbod kregen overeenkomstig artikel 4, § 3bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek en van de personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen, mogen de volgende gegevens verwerkt worden:
1° naam en voornamen;
2° rijksregisternummer voor Belgen;
3° datum tot wanneer het verbod van kracht is;
4° havens en havenfaciliteiten waar het verbod van kracht is.
§ 5. Voor de toepassing van dit artikel worden de verwerkers gemachtigd om het rijksregister te gebruiken overeenkomstig de bepalingen van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
Art. 2.5.2.89. Toegang
De leden van de NAMB, het betrokken LCMB, de Cel Maritieme Beveiliging, het openbaar ministerie, de inlichtingendiensten en de inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4.4 hebben toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 en voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86.
In afwijking van het eerste lid, hebben enkel de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker toegang tot de biometrische gegevens.
Art. 2.5.2.90. Bewaringstermijn
De gegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 worden bewaard gedurende de periode bepaald in het beveiligingsplan en kunnen nooit de periode van 10 jaar overschrijden.
In afwijking van het eerste lid, mogen de biometrische gegevens slechts bewaard blijven overeenkomstig de bepalingen van artikel 2.5.2.85.
In afwijking van het eerste lid worden de gegevens van de personen bedoeld in artikel 2.5.2.87, 4° en 5°, onmiddellijk verwijderd nadat het havenverbod is afgelopen of opgeheven.
Art. 2.5.2.91. Verwerkingsverantwoordelijke
De exploitant van de havenfaciliteit is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de bezoekers van een havenfaciliteit bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 1, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86.
De NAMB is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de PSO, PFSO, CSO, SSO en de inspecteurs, bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 2 en 3, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86.
De NAMB is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de personen bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 4, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86.
Art. 2.5.2.92. Recht op informatie
In afwijking van de artikelen 13 en 14 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, kan het recht op informatie worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 met het oog op het garanderen van de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.2.86.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
Art. 2.5.2.93. Recht op inzage
In afwijking van artikel 15 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, kan het recht op inzage geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 met het oog op het garanderen van de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.2.86.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
Art. 2.5.2.94. Recht op rectificatie
In afwijking van artikel 16 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, kan het recht op rectificatie geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 met het oog op het garanderen van de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.2.86.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
Art. 2.5.2.95. Recht op beperking van de verwerking
In afwijking van artikel 18 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, kan het recht op beperking van de verwerking, geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 met het oog op het garanderen van de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.2.86.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
Art. 2.5.2.96. Gemeenschappelijke bepalingen
§ 1. De beperking van de rechten bedoeld in de artikelen 2.5.2.92 tot en met 2.5.2.95 kan worden ingeroepen voor de gegevens waarvoor de NAMB of de exploitant van de havenfaciliteit de gegevensverwerker zijn.
Deze beperkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek, met inbegrip van de voorbereidende handelingen, en gedurende de periode die nodig is voor de vervolging, voor zover de uitoefening van de rechten afbreuk zou doen aan de behoeften van de controle, het onderzoek of de voorbereidende handelingen. De duur van de voorbereidende handelingen mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van een verzoek overeenkomstig de artikelen 13, 14, 15, 16 of 18 van de AVG.
§ 2. Bij ontvangst van een verzoek overeenkomstig de artikelen 13, 14, 15, 16 of 18 van de AVG, bevestigt de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk en binnen een termijn van één maand na de ontvangst van het verzoek over iedere weigering of beperking, alsook over de redenen voor deze weigering of beperking. De informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen bedoeld in artikel 2.5.2.86 zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nog met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen van het uitstel.
De verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen
De verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
§ 3. Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd en, in voorkomend geval, nadat de bevoegde dienst voor administratieve geldboeten een beslissing heeft genomen. Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.".
"HOOFDSTUK 2 - BEVEILIGING
Afdeling 1. - Algemene Bepalingen
Art. 2.5.2.1. ISPS-Verordening en Havenbeveiligingsrichtlijn
Dit hoofdstuk voorziet in de uitvoering van de ISPS-Verordening en in de omzetting van de Havenbeveiligingsrichtlijn.
Art. 2.5.2.2. Doelstellingen
De doelstellingen van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten zijn:
1° het invoeren van maatregelen voor de verbetering van de beveiliging van in de internationale handel en voor binnenlands verkeer gebruikte zeeschepen en bijhorende havenfaciliteiten, tegen het gevaar van ongeoorloofde acties;
2° het verhogen van de beveiliging ten aanzien van dreigingen van beveiligingsincidenten door het vaststellen van regels inzake beveiliging;
3° het beschermen van de personen werkzaam in een haven of havenfaciliteit, op een bouw- of kunstwerk in de maritieme zones of aan boord van zeeschepen;
4° het vaststellen van de maatregelen om de beveiliging van de zeeschepen en bouw- en kunstwerken, met inbegrip van kabels en pijpleidingen, in de Belgische maritieme zones te waarborgen;
5° het vaststellen van mechanismes voor de naleving van dit hoofdstuk.
Art. 2.5.2.3. Begrippen
In dit hoofdstuk, in de erop betrekking hebbende bepalingen in boek 4 en, behoudens uitdrukkelijke afwijking, in de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder:
1° "maritieme beveiliging": de combinatie van preventieve maatregelen en personele en materiële middelen die het zeevervoer, de havens en de havenfaciliteiten en de Belgische maritieme zones moeten beschermen tegen dreigingen van opzettelijk ongeoorloofde acties;
2° "internationaal zeescheepvaartverkeer": iedere zeeverbinding per zeeschip tussen een Belgische havenfaciliteit en een havenfaciliteit buiten België;
3° "binnenlands zeescheepvaartverkeer": iedere zeeverbinding per zeeschip tussen een Belgisch havenfaciliteit en diezelfde havenfaciliteit of een andere Belgische havenfaciliteit;
4° "haven": elk uit land en water bestaande cluster met werken en voorzieningen ten behoeve van het commercieel vervoer over zee, en de omliggende gebieden die een invloed hebben op de beveiliging ;
5° "havenfaciliteit": een locatie waar het schip/land raakvlak plaatsvindt waar ook, in voorkomend geval, ankergebieden, ligplaatsen en aanvaarroutes vanuit zee toe behoren;
6° "schip/land raakvlak": een interactie die plaatsvindt wanneer het zeeschip rechtstreeks en onmiddellijk betrokken is bij acties die gepaard gaan met de verplaatsing van personen of goederen, dan wel verlening van havendiensten aan of vanuit het schip;
7° "beveiligingsincident": iedere handeling of omstandigheid die bedreigend is voor de beveiliging van een zeeschip, een havenfaciliteit of een haven, met inbegrip van ongeoorloofde acties;
8° "ISPS-platform": het door de federale overheid opgericht en onderhouden elektronisch platform voor het uitwisselen en bijhouden van alle beveiligingsinformatie die valt onder de toepassing van de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, de Havenbeveiligingsrichtlijn, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten;
9° "erkende beveiligingsorganisatie": een onderneming die erkend is overeenkomstig artikel 2.5.2.71 om de in dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten toegewezen taken uit te voeren;
10° "minister": de minister bevoegd voor maritieme mobiliteit;
11° "PSO": de havenbeveiligingsfunctionaris bedoeld in artikel 9 van de Havenbeveiligingsrichtlijn;
12° "PFSO": de beveiligingsbeambte van een havenfaciliteit;
13° "CSO": de beveiligingsbeambte van de reder;
14° "SSO": de beveiligingsbeambte aan boord van een zeeschip;
15° "ongeoorloofde actie": elke opzettelijke actie die gezien de aard of context ervan schade kan toebrengen aan de bouw- of kunstwerken, kabels en pijpleidingen in de Belgische maritieme zones, aan zeeschepen in het internationale en binnenlands zeescheepvaartverkeer, aan bemanning, passagiers of lading, of aan de desbetreffende havens of havenfaciliteiten, met inbegrip van het gebruik van zeeschepen om via havens en havenfaciliteiten verboden voorwerpen of producten in- of uit België te brengen, personen of dieren zonder toelating te laten inschepen of ontschepen, of alle hiermee verband houdende activiteiten.".
Art. 2.5.2.4. Toepassingsgebied
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle zeeschepen met uitzondering van:
1° oorlogsschepen;
2° vrachtschepen met een brutotonnenmaat van minder dan 500;
3° zeeschepen zonder mechanische aandrijving of houten of op primitieve wijze gebouwde schepen;
4° vissersschepen;
5° schepen waarmee geen economische activiteit wordt bedreven.
De Koning kan maatregelen nemen om de maritieme beveiliging te regelen voor de zeeschepen bedoeld in het eerste lid onder 2°, 3°, 4° en 5°.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een schip dat zowel over certificaten voor de zeevaart als de binnenvaart beschikt, altijd beschouwd als een zeeschip.
§ 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle Belgische havenfaciliteiten die onder de ISPS-Verordening vallen, en op elke cluster waar zich een dergelijke havenfaciliteit bevindt.
De Koning stelt de coördinaten vast van elke havenfaciliteit rekening houdend met de bepalingen uit punt 15 in Deel A van de ISPS-Code.
Op basis van de vaststelling van de havenfaciliteiten in het eerste lid en rekening houdend met de bepalingen uit de Havenbeveiligingsrichtlijn en de havenbeveiligingsbeoordeling, bepaalt de Koning op advies van de NAMB, de coördinaten van de havens.
Indien uit het vorige lid blijkt dat de havenfaciliteit niet in een cluster overeenkomstig het derde lid moet worden opgenomen, dan hebben de bepalingen van de Verordening voorrang.
§ 3. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle bouw- of kunstwerken en elke kabel of pijpleiding in de Belgische maritieme zones. Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan de bepalingen inzake onschuldige doorvaart in het VN-Zeerechtverdrag.
§ 4. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op militaire installaties.
§ 5. Een haven en een havenfaciliteit moeten beschikken over een geldig beveiligingsplan, behalve in de uitzonderingen voorzien in dit hoofdstuk, om de zeeschepen bedoeld in paragraaf 1 te mogen ontvangen.
Afdeling 2. - Autoriteiten
Onderafdeling 1. - Nationale Autoriteit voor Maritieme Beveiliging
Art. 2.5.2.5. Instelling van de NAMB
De Nationale Autoriteit voor Maritieme Beveiliging, hierna NAMB, is belast met de maritieme beveiliging.
De NAMB is gevestigd op het adres van het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer te Brussel.
Art. 2.5.2.6. Taken van de NAMB
§ 1. De NAMB is voor de toepassing van deze wet het contactpunt voor de IMO, de Europese Commissie en andere Staten.
De NAMB is verantwoordelijk voor de toepassing van de maatregelen op het gebied van de maritieme beveiliging, verzorgt de opvolging en verschaft de nodige informatie zoals bedoeld in de ISPS-Code, artikel 2.6 van de ISPS-Verordening, artikel 3.4 van de Havenbeveiligingsrichtlijn, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten.
De NAMB coördineert de toepassing van de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, de Havenbeveiligingsrichtlijn, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten, brengt deze ten uitvoer en controleert de voorgeschreven beveiligingsmaatregelen voor schepen, havens en havenfaciliteiten.
§ 2. De NAMB is bevoegd voor de beveiligingsaangelegenheden:
1° aan boord van zeeschepen;
2° in havens en havenfaciliteiten;
3° betreffende bouw- en kunstwerken, kabels en pijpleidingen in de maritieme wateren.
§ 3. De NAMB is in het bijzonder belast met:
1° het voorstellen van een algemeen beleid inzake maritieme beveiliging;
2° het ontwikkelen van standaarden inzake maritieme beveiliging;
3° controle op de naleving van de standaarden;
4° de algemene coördinatie van de maatregelen tot uitvoering van de nationale, Europese en internationale regelgeving met betrekking tot maritieme beveiliging;
5° het verstrekken van adviezen, onderrichtingen en aanbevelingen over de te nemen maritieme beveiligingsmaatregelen aan de lokale comités voor maritieme beveiliging, het MIK en aan bevoegde overheden;
6° de coördinatie van studies betreffende de problemen op het vlak van maritieme beveiliging met inbegrip van de Belgische bijdrage tot de op het Europees en internationaal vlak geleverde inspanningen;
7° het fungeren als aanspreekpunt voor de verstrekking van inlichtingen over de beveiligingsplannen van havenfaciliteiten en havens, alsook als nationaal, Europees en internationaal contactpunt voor alle aangelegenheden die met de maritieme beveiliging verband houden;
8° het verlenen of intrekken van de erkenningen van de erkende beveiligingsorganisaties;
9° het overmaken aan de IMO van een lijst van havenfaciliteiten die in overeenstemming zijn met de ISPS-Code, alsook van eventuele wijzigingen in deze lijst;
10° het overmaken aan de Europese Commissie van een lijst van havens waarop dit hoofdstuk van toepassing is, alsook van eventuele wijzigingen van deze lijst;
11° de evaluatie en goedkeuring van de beveiligingsbeoordelingen van havenfaciliteiten en havens, en het geven van een advies over het indelen van havenfaciliteiten bij een cluster;
12° het beoordelen, evalueren en goedkeuren van de beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten;
13° het verlenen van een Verklaring van Goedkeuring als gevolg en bewijs van de goedkeuring van de beveiligingsplannen van de havenfaciliteiten;
14° het intrekken van beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten en Verklaringen van Goedkeuring;
15° het opleggen van corrigerende maatregelen aan havens en havenfaciliteiten na een evaluatie.
§ 4. De Koning kan bijkomende taken toekennen aan de NAMB.
Art. 2.5.2.7. Samenstelling en werking van de NAMB
§ 1. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de NAMB, waarbij de Directeur-generaal van het Directoraat-generaal Scheepvaart wordt aangesteld als de Voorzitter van de NAMB.
§ 2. De NAMB wordt voor de uitvoering van haar taken bijgestaan door de Cel Maritieme Beveiliging.
Onderafdeling 2. - Lokale Comités voor Maritieme Beveiliging
Art. 2.5.2.8. Instelling van een LCMB
De Koning richt de Lokale Comités voor Maritieme Beveiliging, hierna LCMB, op en bepaalt hun samenstelling, werking en voor welke havens en havenfaciliteiten een LCMB bevoegd is.
Een LCMB zoals bedoeld in het eerste lid fungeert als de autoriteit verantwoordelijk voor beveiligingsaangelegenheden als bedoeld in artikel 3.5 van de Havenbeveiligingsrichtlijn.
Het LCMB rapporteert aan de NAMB met het oog op het formuleren van beleidsaanbevelingen en onderrichtingen.
Art. 2.5.2.9. Taken van een LCMB
Het LCMB is in het bijzonder belast met:
1° het controleren van de echtheid van de door de beveiligingsbeambte van de havenfaciliteit of het havenbestuur geleverde inlichtingen;
2° het uitvoeren van de beveiligingsbeoordelingen van havens, het uitvoeren van de beveiligingsbeoordelingen van havenfaciliteiten, en van de wijzigingen hiervan;
3° het toezicht op de opstelling en de uitvoering van de beveiligingsplannen van havenfaciliteiten en havens, alsook het opstellen van een gemotiveerd advies voor de uiteindelijke goedkeuring door de NAMB van de beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten, en van de wijzigingen hiervan;
4° de opvolging van de beveiligingsbeoordelingen en de beveiligingsplannen van havenfaciliteiten en havens in de tijd;
5° het opstellen van een lijst van de havenfaciliteiten die moeten voldoen aan de ISPS-Code binnen hun gebied;
6° het controleren van de naleving van de bepalingen van de ISPS-code, dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten door de havenfaciliteiten.
De Koning kan bijkomende taken toekennen aan een LCMB.
Art. 2.5.2.10. Samenstelling en werking van een LCMB
De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van een LCMB waarbij de PSO van de betrokken haven wordt aangeduid als voorzitter.
Onderafdeling 3. - PSO
Art. 2.5.2.11. Aanduiding PSO
§ 1. Indien de haven beschikt over een havenkapitein overeenkomstig de gewestelijke regelgeving, wordt de havenkapitein aangeduid als PSO.
Indien er voor een haven geen havenkapitein is, is de directeur-coördinator van de federale politie van het betrokken arrondissement de PSO. Indien een haven verscheidene arrondissementen omvat, bepalen de betrokken directeur-coördinators in onderling overleg wie de PSO is.
Voor elke PSO worden 2 adjuncten aangeduid door de NAMB op voordracht van de PSO. Indien een haven verscheidene arrondissementen omvat, wordt de directeur-coördinator die niet als PSO wordt aangeduid adjunct PSO.
§ 2. Een persoon kan niet tot PSO worden benoemd in 2 of meer verschillende havens. Het is verboden dat een PSO wordt aangesteld als een PFSO.
In afwijking van het eerste lid kan een adjunct PSO als PFSO worden aangeduid voor een havenfaciliteit die in beheer of eigendom van de haven is. Deze persoon kan geen taken uitvoeren in het LCMB met betrekking tot de betrokken havenfaciliteit.
§ 3. Indien een PSO niet dezelfde is als de PFSO werken zij nauw samen.
Art. 2.5.2.12. Taken
De PSO fungeert als lokaal contactpersoon voor alle aangelegenheden die verband houden met de maritieme beveiliging van de betrokken haven en wordt ook belast met het toezicht overeenkomstig artikel 4.2.4.4.
Onderafdeling 4. - Gemeenschappelijke voorschriften
Art. 2.5.2.13. Behandeling van informatie
De beveiligingsbeoordelingen en de beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten mogen enkel gedeeld worden met personen die bevoegd zijn om er kennis van te nemen en worden aangemerkt met de vermelding "ISPS-restricted".
De Koning bepaalt:
1° wie bevoegd is om kennis te nemen van de beveiligingsbeoordelingen en de beveiligingsplannen van havens en havenfaciliteiten;
2° de wijze waarop en de termijn dat de beveiligingsbeoordelingen en beveiligingsplannen fysiek of digitaal bewaard blijven.
De NAMB kan andere documenten aanmerken met de vermelding "ISPS-restricted".
Art. 2.5.2.14. Veiligheidsmachtiging
Elk lid van de NAMB of een LCMB, en elk personeelslid van de Cel Maritieme Beveiliging moet beschikken over een veiligheidsmachtiging niveau GEHEIM als bedoeld in hoofdstuk III van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
Indien een persoon die voor de toepassing van deze wet van rechtswege benoemd werd in een functie niet over de vereiste veiligheidsmachtiging kan beschikken, beslist de Koning, op voordracht van de NAMB, over de vervanging van deze persoon.
Afdeling 3. - Havenbeveiliging
Onderafdeling 1. - Havenbeveiligingsbeoordeling
Art. 2.5.2.15. Uitvoering havenbeveiligingsbeoordeling
§ 1. In elke haven wordt een havenbeveiligingsbeoordeling uitgevoerd door het LCMB dat de basis vormt voor het opstellen van het havenbeveiligingsplan en de implementatie ervan.
Bij de havenbeveiligingsbeoordeling wordt naar behoren rekening gehouden met de bijzonderheden van de verschillende delen van de haven alsmede met de naburige gebieden indien deze van invloed zijn op de beveiliging in de haven. Er wordt rekening gehouden met de beveiligingsbeoordelingen van de havenfaciliteiten uitgevoerd overeenkomstig de ISPS-Verordening en afdeling 4 van dit hoofdstuk, die binnen de grenzen van de haven vallen.
§ 2. De havenbeveiligingsbeoordeling wordt uitgevoerd met inachtneming van de door de Koning bepaalde vereisten en omvat ten minste de volgende elementen:
1° vaststelling en evaluatie van belangrijke bedrijfsmiddelen en infrastructuren die dienen te worden beschermd;
2° vaststelling van de risico's op ongeoorloofde acties;
3° vaststelling van mogelijke dreigingen voor de bedrijfsmiddelen en infrastructuren en de waarschijnlijkheid dat deze zich voordoen, met het oog op de vaststelling en prioritering van beveiligingsmaatregelen;
4° vaststelling, selectie en prioritering van maatregelen en procedurele wijzigingen met het oog op het verminderen van de kwetsbaarheid op het vlak van beveiliging en hun effectiviteitsniveau;
5° vaststelling van zwakke plekken, met inbegrip van menselijke factoren, in de infrastructuur, beleidsmaatregelen en procedures;
6° risicoanalyse van die onderdelen die vatbaar zijn voor spionage, terrorisme en sabotage ten gevolge van buitenlandse invloeden door middel van publieke of private samenwerking.
Art. 2.5.2.16. Goedkeuring havenbeveiligingsbeoordeling
§ 1. Het LCMB legt de havenbeveiligingsbeoordeling voor aan de NAMB ter goedkeuring. De NAMB beslist binnen de dertig dagen over goedkeuring van de havenbeveiligingsbeoordeling.
§ 2. De termijnen in dit hoofdstuk kunnen verlengd worden indien het LCMB, de NAMB of de minister, naar gelang het geval, van oordeel is dat niet alle elementen aanwezig zijn om een beslissing te nemen of het onderzoek meer tijd in beslag neemt. Het gebrek aan een beslissing impliceert geen automatische goedkeuring.
Art. 2.5.2.17. Geldigheidsduur havenbeveiligingsbeoordeling
Een havenbeveiligingsbeoordeling kan na de goedkeuring gedurende zes maanden gebruikt worden voor het opstellen van een havenbeveiligingsplan. Indien het havenbeveiligingsplan niet binnen deze termijn is opgesteld of indien het plan vernieuwd moet worden, is een nieuwe havenbeveiligingsbeoordeling vereist.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het havenbeveiligingsplan gewijzigd wordt overeenkomstig artikel 2.5.2.20, tweede lid of derde lid.
Onderafdeling 2. - Havenbeveiligingsplan
Art. 2.5.2.18. Opstelling havenbeveiligingsplan
§ 1. In elke haven wordt een havenbeveiligingsplan opgesteld door het havenbestuur.
De waterwegbeheerder stelt het havenbeveiligingsplan op voor havens met havenfaciliteiten gelegen langs de binnenwateren onder het beheer van een waterwegbeheerder, in samenwerking met de directeur-coördinator van de federale politie van het betrokken arrondissement.
Het havenbeveiligingsplan wordt opgesteld rekening houdend met de havenbeveiligingsbeoordeling waarbij op adequate wijze de bijzonderheden van de verschillende delen van de haven alsmede met de naburige gebieden indien deze van invloed zijn op de beveiliging in de haven in rekening worden genomen. De beveiligingsplannen van de havenfaciliteiten uitgevoerd overeenkomstig de ISPS-Verordening en afdeling 4 van dit hoofdstuk worden geïntegreerd in het havenbeveiligingsplan.
§ 2. In het havenbeveiligingsplan wordt, voor elk van de genoemde beveiligingsniveaus bedoeld in artikel 2.5.2.24, minstens de volgende punten vastgesteld:
1° de te volgen procedures;
2° de in te voeren maatregelen;
3° de te nemen acties.
Het havenbeveiligingsplan wordt opgesteld met inachtneming van de door de Koning bepaalde vereisten.
Art. 2.5.2.19. Goedkeuring havenbeveiligingsplan
Het havenbestuur of de waterwegbeheerder legt het havenbeveiligingsplan voor aan het betrokken LCMB. Binnen de dertig dagen geeft het betrokken LCMB een advies aan de NAMB. De NAMB beslist binnen de dertig dagen na ontvangst van het advies over goedkeuring van het havenbeveiligingsplan.
De goedkeuring geldt voor vijf jaar waarna een nieuw havenbeveiligingsplan moet worden opgesteld op grond van een vernieuwde havenbeveiligingsbeoordeling.
Art. 2.5.2.20. Wijziging havenbeveiligingsplan
Elke substantiële wijziging moet aan het betrokken LCMB en de NAMB worden voorgelegd ter goedkeuring. De Koning bepaalt op advies van de NAMB wat als substantiële wijziging dient te worden beschouwd. De geldigheidsduur bepaald overeenkomstig artikel 2.5.2.19, tweede lid, blijft onveranderd bij de goedkeuring van een substantiële wijziging.
Voor de integratie van nieuwe of gewijzigde beveiligingsplannen van een havenfaciliteit volstaat een jaarlijkse goedkeuring door het LCMB en de NAMB.
Bij tijdelijke evenementen of voorvallen, die geen verandering van het ISPS-niveau met zich meebrengen, kan de NAMB op advies van het LCMB het havenbeveiligingsplan aanpassen voor de duur van het evenement of voorval.
Art. 2.5.2.21. Intrekking havenbeveiligingsplan
§ 1. Het havenbeveiligingsplan kan door de NAMB worden ingetrokken ingeval:
1° de beveiliging in de haven niet meer gegarandeerd kan worden met het goedgekeurde havenbeveiligingsplan;
2° het havenbestuur heeft gehandeld in strijd met het havenbeveiligingsplan, de ISPS-Verordening, de Havenbeveiligingsrichtlijn, dit hoofdstuk of zijn uitvoeringsbesluiten;
3° het havenbestuur geen gevolg geeft aan de in artikel 2.5.2.22, § 2 bedoelde instructies.
De NAMB kan de haven een verbod opleggen om zeeschepen te ontvangen in de gehele haven of in bepaalde delen van de haven indien de beveiliging in deze zones niet gegarandeerd kan worden.
§ 2. Beroep tegen de intrekking of het verbod kan worden ingesteld bij de minister binnen de tien dagen nadat de beslissing ter kennis werd gebracht.
De minister neemt binnen de dertig dagen een beslissing, na de haven en de NAMB gehoord te hebben.
Het beroep schorst de beslissing niet.
Art. 2.5.2.22. Tussentijdse evaluaties
§ 1. Het havenbeveiligingsplan wordt geëvalueerd door de NAMB:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de goedkeuring;
2° indien de beveiliging van de haven door één of meer ongeoorloofde acties niet meer kan gegarandeerd worden of er een vermoeden is dat deze niet meer gegarandeerd kan worden.
§ 2. Op basis van de evaluatie bedoeld in paragraaf 1 kan de NAMB:
1° termijnen vaststellen waarbinnen een aanpassing van het havenbeveiligingsplan moet worden ingediend overeenkomstig artikel 2.5.2.19;
2° het havenbeveiligingsplan intrekken overeenkomstig artikel 2.5.2.21.
3° het LCMB een nieuwe havenbeveiligingsbeoordeling laten uitvoeren.
Art. 2.5.2.23. Oefening
Het havenbeveiligingsplan wordt ten minste éénmaal per kalenderjaar getest door middel van een oefening waarvan de vereisten worden vastgelegd door de Koning.
De PSO brengt de NAMB één maand voor de geplande oefening op de hoogte.
Uiterlijk één maand na de oefening wordt een verslag ingediend bij de NAMB door de PSO.
Onderafdeling 3. - Beveiligingsniveau
Art. 2.5.2.24. Omschrijving beveiligingsniveaus
Er zijn drie beveiligingsniveaus:
1° Beveiligingsniveau 1: het te allen tijde handhaven van een minimum aan passende beschermende beveiligingsmaatregelen;
2° Beveiligingsniveau 2: het gedurende een bepaalde tijd handhaven van bijkomende beschermende beveiligingsmaatregelen in verband met een verhoogd risico op een beveiligingsincident;
3° Beveiligingsniveau 3: het gedurende een bepaalde tijd handhaven van verdere specifieke beschermende beveiligingsmaatregelen, wanneer een beveiligingsincident waarschijnlijk of ophanden is, zelfs indien het specifieke doelwit misschien niet kan worden vastgesteld, waarbij de NAMB en het betrokken LCMB maatregelen kunnen opleggen.
Art. 2.5.2.25. Wijziging beveiligingsniveau
Beveiligingsniveau 1 geldt steeds voor de havens, tenzij de NAMB, na advies van het NCCN, dit wijzigt naar beveiligingsniveau 2 of 3 voor de gehele haven of in voorkomend geval voor een gedeelte van de haven.
Elke wijziging van het van kracht zijnde beveiligingsniveau in een haven of een gedeelte van de haven wordt door de NAMB onmiddellijk ter kennis gebracht aan het betrokken LCMB.
Het betrokken LCMB brengt deze wijziging ter kennis van de zeeschepen op weg naar of in de haven en van de havenfaciliteiten.
Afdeling 4. - Beveiliging van havenfaciliteiten
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 2.5.2.26. ISPS-Verordening
Bij de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met de aanbevelingen uit Deel B van de ISPS-Code, met uitzondering van de bepalingen opgenomen in artikel 3.5 van de ISPS-Verordening die van dwingend recht zijn.
De havenfaciliteit is verplicht acties te ondernemen overeenkomstig de geldende beveiligingsniveaus die worden ingesteld op grond van artikel 2.5.2.25 en de instructies van de NAMB en het bevoegde LCMB bij beveiligingsniveau 3 na te leven.
Art. 2.5.2.27. Categorieën
De havenfaciliteiten worden ingedeeld in de volgende categorieën:
1° Categorie 1: havenfaciliteiten voor goederenvervoer;
2° Categorie 2: havenfaciliteiten voor passagiersvervoer.
De NAMB beslist bij de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling bedoeld in artikel 2.5.2.30 tot welke categorie de havenfaciliteit zal behoren.
Art. 2.5.2.28. Havenfaciliteiten hoofdzakelijk gebruikt voor niet-internationale reizen
De NAMB beslist na advies van het betrokken LCMB in hoeverre dit hoofdstuk van toepassing is op havenfaciliteiten die hoofdzakelijk worden gebruikt voor schepen die geen internationale reizen maken, maar die incidenteel zeeschepen bedienen die aankomen van of vertrekken op een internationale reis, overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 2, punt 2 van hoofdstuk XI-2 van het SOLAS-Verdrag. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder incidenteel een maximaal aantal van 10 zeeschepen per jaar verstaan, waarbij nooit meer dan 2 zeeschepen op hetzelfde ogenblik aan de havenfaciliteit zijn afgemeerd.
De beveiligingsbeoordeling voor deze havenfaciliteiten wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 2.5.2.30. De lading die gelost wordt op dergelijke havenfaciliteiten mag nooit van oorsprong afkomstig zijn van buiten de Europese Unie en niet onbewaakt achter gelaten worden.
Art. 2.5.2.29. Beveiligingsniveau
De beveiligingsniveaus van artikel 2.5.2.24 zijn van overeenkomstige toepassing op havenfaciliteiten en worden ingesteld overeenkomstig de procedure van artikel 2.5.2.25.
Wanneer de havenfaciliteit bericht krijgt dat het beveiligingsniveau op een zeeschip op weg naar of aangemeerd in de havenfaciliteit hoger ligt dan dat in de havenfaciliteit, meldt de PFSO dit aan het LCMB en de NAMB.
Onderafdeling 2. - Beveiligingsbeoordeling van een havenfaciliteit
Art. 2.5.2.30. Uitvoering beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit
Het LCMB in wiens gebied de havenfaciliteit zich bevindt, stelt een beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit op overeenkomstig Voorschrift 10 van hoofdstuk XI-2 van het SOLAS-Verdrag, de bepalingen van punt 15 van Deel A van de ISPS-Code en de bepalingen van punt 15.3 tot en met 15.16 van Deel B van de ISPS-Code.
De mogelijkheid vervat in punt 15.6 van Deel A van de ISPS-Code om een beveiligingsbeoordeling van een havenfaciliteit meer dan één havenfaciliteit te laten omvatten, kan enkel worden toegestaan na uitdrukkelijk voorafgaandelijk akkoord van de NAMB.
Art. 2.5.2.31. Goedkeuring beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit
De NAMB beslist binnen de dertig dagen nadat het LCMB de beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit heeft overgemaakt aan de NAMB of deze wordt goedgekeurd of dat bijkomende actie vereist is.
Art. 2.5.2.32. Geldigheidsduur beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit
Naast de redenen bepaald in punt 15.4 van Deel A van de ISPS-Code, wordt elke beveiligingsbeoordeling van een havenfaciliteit ten minste eenmaal om de vijf jaar door het LCMB herzien.
Een beveiligingsbeoordeling van een havenfaciliteit kan na de goedkeuring gedurende drie maanden gebruikt worden voor het opstellen van het beveiligingsplan van de havenfaciliteit. Indien het beveiligingsplan van de havenfaciliteit niet binnen deze termijn is opgesteld of het plan vernieuwd moet worden, is een nieuwe beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit vereist.
Het tweede lid is niet van toepassing indien het beveiligingsplan van de havenfaciliteit gewijzigd wordt overeenkomstig artikel 2.5.2.36, tweede lid.
Onderafdeling 3. - Beveiligingsplan van een havenfaciliteit
Art. 2.5.2.33. PFSO
§ 1. Elke onderneming die een havenfaciliteit exploiteert stelt een PFSO aan.
De PFSO is:
1° verbonden aan de onderneming door middel van een arbeidsovereenkomst; of
2° een bestuurder van de onderneming; of
3° een personeelslid van een erkende beveiligingsorganisatie.
De onderneming brengt de aanstelling van een PFSO of elke wijziging hiervan onmiddellijk ter kennis van het betrokken LCMB die deze aanstelling ter kennis brengt van de NAMB.
Om als PFSO te worden aangesteld moet deze minstens een veiligheidsverificatie ondergaan zoals bedoeld in artikel 22quinquies van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. Indien een negatief veiligheidsadvies wordt uitgebracht, kan deze persoon de functie van PFSO niet uitoefenen.
Een PFSO moet uiterlijk binnen de zes maanden na de aanstelling beschikken over het certificaat bedoeld in artikel 2.5.2.39, § 2, tweede lid.
§ 2. De verantwoordelijkheden van de PFSO worden vastgesteld overeenkomstig punt 17.2 van deel A van de ISPS-Code en de aansprakelijkheid overeenkomstige de vigerende gemeenrechtelijke arbeids- of vennootschapswetgeving.
§ 3. De onderneming is verplicht om de nodige steun te geven aan de PFSO zodat deze de taken en verantwoordelijkheden bepaald in de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten naar behoren kan uitvoeren.
§ 4. Onverminderd paragraaf 1 kan een PFSO worden aangesteld voor meer dan één havenfaciliteit.
Indien de PFSO een personeelslid van een erkende beveiligingsorganisatie is, is het niet toegelaten dat de erkende beveiligingsorganisatie ook de werkgever is van de bewakingsagenten op de havenfaciliteit.
§ 5. Voor elke PFSO wordt ten minste een plaatsvervanger aangesteld waarop de paragrafen 1 tot en met 4 van toepassing zijn.
Art. 2.5.2.34. Opstellen beveiligingsplan van de havenfaciliteit
§ 1. De onderneming die de havenfaciliteit exploiteert stelt het beveiligingsplan van de havenfaciliteit op.
Het beveiligingsplan van de havenfaciliteit moet opgesteld worden overeenkomstig:
1° punt 16 van deel A van de ISPS-Code;
2° punt 16 van deel B van de ISPS-Code dat voor de toepassing van deze wet van dwingend recht is, met uitzondering van:
a) de bepalingen van punt 16.1;
b) de bepalingen van de punten 16.61 tot en met 16.63;
3° de uitvoeringsbesluiten genomen op grond van artikel 2.5.2.45 die de nodige standaarden vaststellen waaraan de beveiliging moet voldoen;
4° de beveiligingsbeoordeling.
Bij het goedkeuren van de beveiligingsbeoordeling waarop het beveiligingsplan wordt gebaseerd, kan de NAMB ontheffing ontlenen van één of meerdere bepalingen bedoeld in het tweede lid, 2°.
§ 2. Voor elke havenfaciliteit moet een afzonderlijk beveiligingsplan worden opgemaakt zelfs indien de beveiligingsbeoordeling verscheidene havenfaciliteiten omvat overeenkomstig artikel 2.5.2.30, tweede lid.
Art. 2.5.2.35. Goedkeuring beveiligingsplan van de havenfaciliteit
De PFSO legt het beveiligingsplan van de havenfaciliteit voor aan het betrokken LCMB ter goedkeuring binnen de drie maanden na de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit. Binnen de dertig dagen geeft het betrokken LCMB een gemotiveerd advies aan de NAMB. De NAMB beslist binnen de dertig dagen over goedkeuring van het beveiligingsplan van de havenfaciliteit.
De goedkeuring geldt voor vijf jaar waarna een nieuw beveiligingsplan moet worden opgesteld op grond van een vernieuwde beveiligingsbeoordeling.
Art. 2.5.2.36. Wijziging beveiligingsplan van de havenfaciliteit
Elke substantiële wijziging moet ook aan het betrokken LCMB en de NAMB worden voorgelegd ter goedkeuring. De Koning bepaalt op advies van de NAMB wat als substantiële wijziging dient te worden beschouwd. De geldigheidsduur bepaald overeenkomstig artikel 2.5.2.35, tweede lid, blijft onveranderd bij de goedkeuring van een substantiële wijziging.
Bij tijdelijke evenementen of voorvallen kan de NAMB op advies van het LCMB het beveiligingsplan aanpassen voor de duur van het evenement of voorval.
Art. 2.5.2.37. Intrekking beveiligingsplan van de havenfaciliteit
§ 1. Het beveiligingsplan van de havenfaciliteit kan door de NAMB worden ingetrokken ingeval:
1° de beveiliging in de havenfaciliteit niet meer gegarandeerd kan worden met het goedgekeurde beveiligingsplan van de havenfaciliteit;
2° de onderneming die de havenfaciliteit exploiteert heeft gehandeld in strijd met beveiligingsplan van de havenfaciliteit, de ISPS-Verordening, dit hoofdstuk of zijn uitvoeringsbesluiten;
3° de onderneming die de havenfaciliteit exploiteert geen gevolg geeft aan de in artikel 2.5.2.38 bedoelde instructies.
De intrekking kan enkel geheel zijn.
§ 2. Beroep tegen de intrekking kan worden ingesteld bij de minister binnen de tien dagen nadat de beslissing ter kennis werd gebracht.
De minister neemt binnen de dertig dagen een beslissing, na de havenfaciliteit en de NAMB gehoord te hebben.
Het beroep schorst de beslissing niet.
Art. 2.5.2.38. Tussentijdse evaluaties
§ 1. Het beveiligingsplan van de havenfaciliteit wordt door het LCMB geëvalueerd:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de goedkeuring;
2° indien de beveiliging van de havenfaciliteit door één of meer ongeoorloofde acties niet meer kan gegarandeerd worden of er een vermoeden is dat deze niet meer gegarandeerd kan worden.
§ 2. Het LCMB maakt de evaluatie over aan de NAMB die op basis van deze evaluatie:
1° termijnen kan vaststellen waarbinnen een aanpassing van het beveiligingsplan van de havenfaciliteit moet worden ingediend overeenkomstig artikel 2.5.2.35;
2° het beveiligingsplan van de havenfaciliteit geheel kan intrekken overeenkomstig artikel 2.5.2.37;
3° het LCMB een nieuwe beveiligingsbeoordeling kan laten uitvoeren.
Art. 2.5.2.39. Vorming
§ 1. Elke PFSO moet kennis hebben van, expertise hebben in en geslaagd zijn in een examen over al de volgende onderdelen die relevant zijn voor de havenfaciliteit:
1° de beveiligingsadministratie;
2° de van toepassing zijnde internationale verdragen, codes en aanbevelingen;
3° de van toepassing zijnde Belgische en Europese wetgeving en voorschriften;
4° de verantwoordelijkheden en functies van andere beveiligingsorganisaties;
5° de methodiek voor de beoordeling van de beveiliging van de havenfaciliteit;
6° de onderzoeks- en inspectiemethoden voor beveiliging van de scheepvaart en de beveiliging van de havenfaciliteit;
7° de scheeps- en havenactiviteiten en voorwaarden;
8° de beveiligingsmaatregelen voor het schip en de havenfaciliteit;
9° de paraatheid en reacties in noodsituaties en voorzorgmaatregelen;
10° de instructiemethoden voor beveiligingstraining en -scholing, waaronder beveiligingsmaatregelen en -procedures;
11° de omgang met gevoelige informatie met betrekking tot de beveiliging en de communicatie met betrekking tot de beveiliging;
12° de huidige bedreigingen met betrekking tot de beveiliging en de patronen hierin;
13° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
14° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen, zonder daarbij te discrimineren;
15° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
16° de beveiligingsapparatuur en -systemen, en de beperking van hun functies;
17° de methoden voor controle, inspectie, bewaking en toezicht;
18° de methoden voor het doorzoeken van lading en scheepsvoorraden en voor niet storende inspectie;
19° de beveiligingsoefeningen, waaronder oefeningen met schepen;
20° de beoordeling van beveiligingsoefeningen.
§ 2. Na het volgen van de vorming moet een examen worden afgelegd bij de erkende beveiligingsorganisatie of de erkende opleidingsinstantie. De Koning bepaalt de modaliteiten, inhoud en het slaagcijfer van het examen.
De erkende beveiligingsorganisatie of de erkende opleidingsinstantie bezorgen de lijst van de geslaagde personen aan de NAMB. Een geslaagde persoon verkrijgt een certificaat waarvan de vorm wordt vastgesteld door de Koning.
Een PFSO moet elke vijf jaar een heropfrissingscursus volgen waarvan de modaliteiten en de inhoud worden vastgesteld door de Koning. Het certificaat van de PFSO die deze cursus niet volgt vervalt van rechtswege 66 maanden na de uitreiking van het certificaat of het volgen van de opfriscursus.
§ 3. De PFSO zorgt ervoor dat het andere personeel van de havenfaciliteit met specifieke beveiligingstaken kennis heeft van de volgende onderdelen:
1° de huidige bedreigingen met betrekking tot de beveiliging en de patronen hierin;
2° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
3° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen;
4° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
5° de technieken voor massamanagement en -beheersing;
6° de communicatie met betrekking tot de beveiliging;
7° de werking van beveiligingsapparatuur en -systemen;
8° de het testen, ijken en onderhouden van beveiligingsapparatuur en -systemen;
9° de technieken voor inspectie, bewaking en toezicht;
10° de methoden voor het doorzoeken van lading en scheepsvoorraden.
Deze opleiding kan zowel extern als intern door de onderneming die de havenfaciliteit exploiteert worden gegeven.
§ 4. De PFSO moet ervoor zorgen dat al het ander personeel van de havenfaciliteit, met inbegrip van havenarbeiders, kennis heeft van de van toepassing zijnde bepalingen van het beveiligingsplan van de havenfaciliteit op de volgende onderdelen:
1° de betekenis en de daaruit voortvloeiende vereisten voor de verschillende beveiligingsniveaus;
2° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
3° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die beveiliging kunnen bedreigen;
4° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
5° de methodes die gebruikt worden om ongeoorloofde acties uit te voeren;
6° de algemene bewustwording van de beveiligingsproblematiek.
De PFSO is verantwoordelijk dat deze kennis bij de personeelsleden aanwezig is.
Art. 2.5.2.40. Oefening
§ 1. Het beveiligingsplan van de havenfaciliteit wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar getest door middel van een oefening waarvan de vereisten worden vastgelegd door de Koning.
De PFSO brengt uiterlijk één maand voor de oefening bedoeld in punt 18.6 van deel B van de ISPS-Code het betrokken LCMB op de hoogte. Het LCMB brengt de NAMB op de hoogte van de geplande oefeningen. Indien de omstandigheden een kortere termijn verantwoorden, beslist de NAMB of de gehouden oefening telt als de door punt 18.6 van deel B van de ISPS-Code vereiste oefening.
§ 2. De havenfaciliteit bezorgt uiterlijk één maand na de oefeningen bedoeld in het eerste lid of in punt 18.5 van deel B van de ISPS-Code een verslag aan het LCMB en de NAMB.
Art. 2.5.2.41. Verklaring van Goedkeuring
De NAMB reikt aan elke havenfaciliteit waarvan het beveiligingsplan werd goedgekeurd een Verklaring van Goedkeuring uit.
De Verklaring van Goedkeuring bevat de volgende gegevens:
1° de havenfaciliteit;
2° het feit dat de havenfaciliteit voldoet aan de bepalingen van Hoofstuk XI-2 van het SOLAS-verdrag, deel A van de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten;
3° de geldigheidstermijn van de Verklaring van Goedkeuring is maximaal vijf jaar en kan nooit langer zijn dan de geldigheidsduur van het beveiligingsplan;
4° de inspecties die werden uitgevoerd.
Onderafdeling 4. - Andere regelingen
Art. 2.5.2.42. Alternatieve regelingen
Alternatieve regelingen voor het intracommunautair verkeer op vaste routes zoals bedoeld in artikel 5 van de ISPS-Verordening en Voorschrift 11 van hoofdstuk XI-2 van het SOLAS-Verdrag worden niet toegestaan.
Art. 2.5.2.43. Gelijkwaardige regelingen
De NAMB kan, na advies van het betrokken LCMB over de uitgevoerde beveiligingsbeoordeling van de havenfaciliteit, voor een beperkte duur die niet meer dan één jaar mag bedragen toestaan dat een havenfaciliteit wordt uitgebaat met maatregelen die gelijkwaardig zijn aan de beveiligingsmaatregelen vastgelegd in dit hoofdstuk en deel A van de ISPS-Code. De NAMB deelt de bijzonderheden van de toegestane gelijkwaardige regeling mee aan de IMO en de Europese Commissie.
Onderafdeling 5. - Beveiligingsstandaarden
Art. 2.5.2.44. Onderrichtingen door de NAMB
De NAMB kan onderrichtingen geven voor :
1° de te volgen procedures door havens en havenfaciliteiten in het kader van de beveiliging;
2° de communicatie tussen de havens, de havenfaciliteiten, de PFSO's, het LCMB en de NAMB;
3° standaarden voor toegangscontrole tot de havenfaciliteit;
4° standaarden voor de fysieke bescherming van de havenfaciliteit;
5° standaarden voor het houden van een permanent toezicht op de havenfaciliteit, met inbegrip van verlichting, beveiligingspersoneel en toegangsdetectieapparatuur en bewakingsapparatuur waaronder optische en thermische camera's;
6° de ladingsbehandeling;
7° de scheepsbevoorrading;
8° de omgang met onbegeleide bagage;
9° het aanduiden van gebieden binnen de havenfaciliteit waarvoor bijkomende beperkingen gelden;
10° het voorkomen van ongeoorloofde acties;
11° de verplichte vorming;
12° de beeldvorming van de haven en havenfaciliteit voor de overheid door middel van twee- en driedimensionale plannen en beelden;
13° incidentmeldingen.
14° de verslagen van de oefeningen.
Art. 2.5.2.45. Bekrachtiging
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in artikel 2.5.2.44 bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden.
Art. 2.5.2.46. Beveiligingsverklaring
Een beveiligingsverklaring opgesteld overeenkomstig punt 5 van deel A van de ISPS-code wordt gedurende 3 jaar bewaard door de havenfaciliteit.
Afdeling 5. - Beveiliging van vreemde schepen
Art. 2.5.2.47. Voorafgaande meldingen
§ 1. De verschaffing van de veiligheidsinlichtingen voorafgaande aan het aandoen van een Belgische haven of havenfaciliteit bedoeld in artikel 6 van de ISPS-Verordening gebeurt door de kapitein van het zeeschip of de aangestelde van de kapitein, binnen de termijnen bedoeld in artikel 6 van de ISPS-Verordening.
Deze melding gebeurt via het ISPS-platform.
§ 2. Het weigeren om de gegevens bedoeld in paragraaf 1 mee te delen heeft van rechtswege de weigering van het zeeschip in een Belgische haven of havenfaciliteit tot gevolg. Deze weigering wordt via het ISPS-Platform meegedeeld aan de verschillende betrokken Belgische overheden. Het MIK deelt deze weigering mee aan het zeeschip.
Art. 2.5.2.48. Vrijstellingen
Geregelde diensten kunnen onder de voorwaarden van artikel 7 van de ISPS-Verordening een vrijstelling verkrijgen van de in artikel 2.5.2.47 bedoelde verschaffing van beveiligingsinlichtingen. De Koning bepaalt de dienst die de vrijstelling verleent en de wijze waarop de vrijstelling wordt verleend.
Art. 2.5.2.49. Maatregelen
§ 1. Indien het MIK, de Scheepvaartcontrole of de Cel Maritieme Beveiliging gegronde redenen hebben om aan te nemen dat het zeeschip dat voornemens is om een Belgische haven aan te doen, niet aan de eisen van de ISPS-Code of deel A van de ISPS-Code voldoet, proberen deze diensten contact op te nemen met het zeeschip.
Indien deze communicatie niet leidt tot rechtzetting of indien de Scheepvaartcontrole of de Cel Maritieme Beveiliging gegronde redenen blijven hebben om aan te nemen dat het zeeschip niet aan de eisen van de ISPS-Code of deel A van de ISPS-Code voldoet, kunnen zij volgende maatregelen nemen:
1° eisen dat de niet-naleving wordt rechtgezet;
2° eisen dat het zeeschip zich begeeft naar een aangewezen plaats in de territoriale wateren of in een haven;
3° overgaan tot een inspectie van het zeeschip indien het zeeschip zich in de Belgische territoriale wateren of een haven bevindt.
Op advies van het MIK, de Scheepvaartcontrole of de Cel Maritieme Beveiliging kan de Voorzitter van de NAMB overgaan tot het ontzeggen van de toegang tot de Belgische havens.
Alvorens deze maatregelen genomen worden wordt de kapitein van het zeeschip hiervan ingelicht. Indien de kapitein beslist om geen Belgische haven aan te lopen, is dit artikel niet van toepassing.
§ 2. De voorzitter van de NAMB kan schepen onder vreemde vlag de toegang tot de Belgische havens weigeren indien er door de Verenigde Naties, de Europese Unie of de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, sancties zijn genomen tegen een derde land, ondernemingen of natuurlijke personen.
De voorzitter van de NAMB is belast met het ontzeggen van de toegang tot de Belgische havens voor de schepen bedoeld in het eerste lid, of ter uitvoering van sancties opgelegd door de Verenigde Naties of de Europese Unie.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de modaliteiten voor de controle op het naleven van de sancties en het uitvoeren van de weigering van de toegang van deze schepen.
Afdeling 6. - Beveiliging van Belgische Schepen
Onderafdeling 1. - Beveiligingsniveaus
Art. 2.5.2.50. Zeewateren
§ 1. Al de wateren die toegankelijk zijn voor Belgische zeeschepen met uitsluiting van de havens gelegen in andere landen krijgen een beveiligingsniveau overeenkomstig artikel 2.5.2.24.
Elk Belgisch zeeschip moet de maatregelen nemen verbonden aan het beveiligingsniveau van het gebied waarin het zich bevindt.
§ 2. Het beveiligingsniveau wordt ingesteld op niveau 1. Indien er informatie beschikbaar is waaruit zou blijken dat er risico's bestaan op beveiligingsincidenten en/of ongeoorloofde acties met Belgische zeeschepen kan het beveiligingsniveau in deze gebieden verhoogd worden.
De directeur generaal Scheepvaart bepaalt in deze gevallen, na advies van het NCCN en de Cel Maritieme Beveiliging het beveiligingsniveau in deze gebieden.
Voor het binnenvaren van een zone met beveiligingsniveau 2 of 3 moet de kapitein het vermoedelijk uur van binnenvaren melden aan de Cel Maritieme Beveiliging. De bemanningslijst moet in deze gevallen op eenvoudig verzoek onmiddellijk worden overgemaakt aan de Cel Maritieme Beveiliging.
Bij het instellen van beveiligingsniveau 3 kan de Voorzitter van de NAMB dringende maatregelen nemen die moeten opgevolgd worden door alle Belgische zeeschepen die zich in dat gebied bevinden.
§ 3. De Cel Maritieme Beveiliging evalueert elke drie maanden of het verhoogde beveiligingsniveau moet worden aangehouden, verhoogd of verlaagd en maakt deze evaluatie over aan het NCCN voor advies. De evaluatie en het advies worden overgemaakt aan de Voorzitter van de NAMB die binnen de vijf dagen een beslissing neemt.
§ 4. Elke wijziging van het beveiligingsniveau wordt door de Cel Maritieme Beveiliging ter kennis gebracht van de minister, de minister van Buitenlandse Zaken, elke CSO, de leden van de NAMB en het MIK.
Indien in de gebieden waar het beveiligingsniveau gewijzigd werd, een haven ligt, wordt het land waar die haven ligt geïnformeerd door de Belgische diplomatieke vertegenwoordiging in dat land over het ingestelde beveiligingsniveau.
Art. 2.5.2.51. Belgische zeeschepen
§ 1. Onverminderd artikel 2.5.2.50 heeft elk Belgisch zeeschip een beveiligingsniveau overeenkomstig artikel 2.5.2.24 en dient de maatregelen naleven die verbonden zijn aan dit beveiligingsniveau.
§ 2. Het beveiligingsniveau wordt ingesteld op niveau 1. Indien er beveiligingsinformatie beschikbaar is waaruit zou blijken dat er risico's bestaan op beveiligingsincidenten met een Belgische zeeschip kan het beveiligingsniveau voor het betrokken zeeschip verhoogd worden.
De directeur generaal Scheepvaart bepaalt in deze gevallen, na advies van het NCCN, de Cel Maritieme Beveiliging en de CSO van het betrokken zeeschip, het beveiligingsniveau van het zeeschip.
Bij het instellen van beveiligingsniveau 3 kan de Voorzitter van de NAMB dringende maatregelen nemen die moeten opgevolgd worden door het zeeschip.
§ 3. De Cel Maritieme Beveiliging evalueert elke maand of het verhoogde beveiligingsniveau moet worden aangehouden, verhoogd of verlaagd moet worden en maakt deze evaluatie over aan het NCCN voor advies. De evaluatie en het advies worden overgemaakt aan de Voorzitter van de NAMB die binnen de vijf dagen een beslissing neemt.
§ 4. Elke wijziging van het beveiligingsniveau wordt door de Cel Maritieme Beveiliging ter kennis gebracht van de minister, de CSO van het betrokken zeeschip, de leden van de NAMB en het MIK.
De CSO bezorgt aan de Cel Maritieme Beveiliging de schriftelijke bevestiging dat de kapitein de wijziging van het beveiligingsniveau heeft ontvangen.
Onderafdeling 2. - Beveiligingspersoneel van de reder
Art. 2.5.2.52. CSO
Voor elk Belgisch zeeschip dat door de reder geëxploiteerd wordt, stelt de reder een CSO aan. Een CSO kan worden aangesteld voor één of meerdere schepen en een reder heeft het recht om meer dan één CSO aan te stellen indien de reder verscheidene schepen exploiteert.
De aanstelling van een CSO in het eerst lid of elke wijziging daaraan wordt door de reder onmiddellijk gemeld aan de Cel Maritieme Beveiliging.
Art. 2.5.2.53. SSO
De reder zorgt ervoor dat op elk schip een SSO aanwezig is.
De reder houdt een lijst van de SSO's voor zijn schepen bij en bezorgt deze op eenvoudig verzoek aan de Cel Maritieme Beveiliging.
Onderafdeling 3. - Verplichtingen van de reder
Art. 2.5.2.54. Verantwoordelijkheid
De reder is verantwoordelijk om de nodige steun te geven aan de CSO, de SSO en de kapitein zodat deze de taken en verantwoordelijkheden bepaald in de ISPS-Code, de ISPS-Verordening, dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten naar behoren kunnen uitvoeren.
Art. 2.5.2.55. Beoordeling van de scheepsbeveiliging
De reder zorgt ervoor dat de CSO een beoordeling van de scheepsbeveiliging uitvoert voor elke zeeschip dat wordt geëxploiteerd door de reder. De beoordeling wordt uitgevoerd overeenkomstig punt 8 van Deel A van de ISPS-Code en punt 8 van Deel B van de ISPS-Code dat van dwingend recht is voor de toepassing van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten.
De NAMB, de Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole zijn bevoegd om kennis te nemen van de goedgekeurde beoordeling van de scheepsbeveiliging. De reder bezorgt deze goedgekeurde beoordeling op eenvoudig verzoek aan de NAMB, de Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole.
Art. 2.5.2.56. Scheepsbeveiligingsplan
§ 1. De reder is ervoor verantwoordelijk dat de CSO een scheepbeveiligingsplan uitwerkt en ter goedkeuring voorlegt aan de Scheepvaartcontrole.
De goedkeuring kan door de minister gedelegeerd worden aan een erkende beveiligingsorganisatie. De Koning bepaalt de modaliteiten waaronder deze delegatie mogelijk is.
Het scheepsbeveiligingsplan wordt opgesteld overeenkomstig punt 9 van Deel A van de ISPS-Code en punt 9 van Deel B van de ISPS-Code dat van dwingend recht is voor de toepassing van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten.
§ 2. De Koning bepaalt wie de bepalingen van punt 19 van deel A van de ISPS-code betreffende de keuring en certificatie van Belgische zeeschepen uitvoert.
§ 3. Het scheepsbeveiligingsplan kan worden ingetrokken indien het schip niet meer voldoet aan de vereisten bedoeld in punt 9 van Deel A van de ISPS-Code en punt 9 van Deel B van de ISPS-Code.
Onderafdeling 4. - Vorming en oefeningen
Art. 2.5.2.57. Vorming
§ 1. Elke CSO, SSO en het walpersoneel dat met beveiliging is belast moet kennis hebben van en getraind worden in al de volgende onderdelen die relevant zijn voor het zeeschip:
1° de beveiligingsadministratie;
2° de van toepassing zijnde internationale verdragen, codes en aanbevelingen;
3° de van toepassing zijnde Belgische en Europese wetgeving en voorschriften;
4° de verantwoordelijkheden en functies van andere beveiligingsorganisaties;
5° de methodiek voor de beoordeling van de scheepsbeveiliging;
6° de onderzoeks- en inspectiemethoden voor scheepsbeveiliging;
7° de scheeps- en havenactiviteiten en -voorwaarden;
8° de beveiligingsmaatregelen voor schepen en havenfaciliteiten;
9° de paraatheid en reacties in noodsituaties en voorzorgmaatregelen;
10° de instructiemethoden voor beveiligingstraining en scholing, waaronder beveiligingsmaatregelen en - procedures;
11° de omgang met gevoelige informatie met betrekking tot de beveiliging en de communicatie met betrekking tot de beveiliging;
12° de huidige dreigingen met betrekking tot de beveiliging en patronen daarin;
13° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
14° de herkenning van de kernmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen, zonder daarbij te discrimineren;
15° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
16° de beveiligingsapparatuur en - systemen, en de beperking van hun functies;
17° de methoden voor controle, inspectie, bewaking en toezicht;
18° de beveiligingsoefeningen;
19° de beoordeling van beveiligingsoefeningen.
§ 2. De SSO dient bovendien voldoende kennis te hebben van en training te krijgen in de volgende onderdelen:
1° de indeling van het zeeschip;
2° het scheepsbeveiligingsplan en de bijhorende procedures;
3° de technieken voor massamanagement en - beheersing;
4° de werking van beveiligingsapparatuur en -systemen;
5° het testen, ijken en het onderhouden van beveiligingsapparatuur en -systemen.
§ 3. Bemanningsleden met specifieke beveiligingstaken dienen voldoende kennis en vaardigheid te bezitten om de hun toegewezen taken uit te kunnen voeren, waaronder:
1° de huidige dreigingen met betrekking tot de beveiliging en patronen daarin;
2° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
3° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen;
4° de technieken die worden gebruikt om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
5° de technieken voor massamanagement en - beheersing;
6° de communicatie met betrekking tot de beveiliging;
7° de noodprocedures en voorzorgmaatregelen;
8° de werking van beveiligingsapparatuur en -systemen;
9° het testen, ijken en het op zee onderhouden van beveiligingsapparatuur en -systemen;
10° de technieken voor inspectie, bewaking en toezicht;
11° de technieken voor het doorzoeken van lading en scheepsvoorraden.
§ 4. Alle andere bemanningsleden dienen voldoende kennis te hebben van en gekend te zijn met de van toepassing zijnde bepalingen van het scheepsbeveiligingsplan, waaronder:
1° de betekenis van en de daaruit voortvloeiende vereisten voor de verschillende beveiligingsniveaus;
2° de noodprocedures en voorzorgmaatregelen;
3° de herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
4° de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de beveiliging kunnen bedreigen;
5° de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken.
§ 5. De Koning kan de organisatie van de trainingen en de afgifte van een certificaat aan de deelnemers regelen.
Art. 2.5.2.58. Scheepsbeveiligingsalarm
Bij het inschakelen van het scheepsbeveiligingsalarm bedoeld in Voorschrift 6 van hoofdstuk XI-2 van het SOLAS-Verdrag moet het alarm worden doorgezonden naar het MIK.
Art. 2.5.2.59. Incidentmeldingen
De CSO meldt onmiddellijk elk beveiligingsincident aan de Cel Maritieme Beveiliging. De Cel Maritieme Beveiliging zal de bevoegde overheden hiervan op de hoogte brengen.
Een beveiligingsverklaring opgesteld overeenkomstig punt 5 van deel A van de ISPS-code wordt gedurende 3 jaar bewaard aan boord van het schip, en worden op eenvoudig verzoek overhandigd aan het de Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole.
Art. 2.5.2.60. Oefeningen
De CSO houdt een overzicht bij van de oefeningen die georganiseerd worden overeenkomstig punt 13.6 van deel B van de ISPS-Code en deelt deze mee aan de Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole op verzoek.
De CSO brengt uiterlijk 24 uur voor de geplande oefening bedoeld in punt 13.7 van deel B van de ISPS-Code de Cel Maritieme Beveiliging op de hoogte. Op verzoek van de CSO kan de directeur generaal Scheepvaart toestaan dat de oefening niet voorafgaandelijk wordt meegedeeld aan de Cel Maritieme Beveiliging.
Art. 2.5.2.61. Onderrichtingen
De Cel Maritieme Beveiliging kan onderrichtingen geven voor:
1° de te volgen procedures door de reders in het kader van de beveiliging;
2° de communicatie tussen de CS0, SS0, het MIK, de Cel Maritieme Beveiliging en de NAMB;
3° de standaarden voor de fysieke bescherming van het zeeschip;
4° de beeldvorming door middel van twee- en driedimensionale plannen;
5° de verplichte vorming.
Art. 2.5.2.62. Bekrachtiging
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in artikel 2.5.2.61 bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden.
Afdeling 7. - Beveiliging van de Noordzee
Art. 2.5.2.63. Beveiligingsbeoordeling
§ 1. In overleg met de exploitant van het bouw- of kunstwerk of de kabel of pijpleiding voert het MIK een beveiligingsbeoordeling uit die minstens volgende elementen bevat:
1° de vaststelling en evaluatie van belangrijke bedrijfsmiddelen en infrastructuur die dienen te worden beschermd;
2° de vaststelling van de risico's op ongeoorloofde acties;
3° de vaststelling van mogelijke dreigingen voor de bedrijfsmiddelen en infrastructuur en de waarschijnlijkheid dat deze zich voordoen, met het oog op de vaststelling en prioritering van beveiligingsmaatregelen;
4° de vaststelling, selectie en prioritering van tegenmaatregelen en procedurele wijzigingen en hun effectiviteitsniveau wat vermindering van de kwetsbaarheid betreft;
5° de vaststelling van zwakke plekken, met inbegrip van menselijke factoren, in de infrastructuur, beleidsmaatregelen en procedures;
6° de risicoanalyse van die onderdelen die vatbaar zijn voor spionage, terrorisme en sabotage ten gevolge van buitenlandse invloeden door middel van publieke of private samenwerking.
§ 2. De NAMB beslist binnen de dertig dagen nadat het MIK de beveiligingsbeoordeling heeft overgemaakt aan de NAMB over de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling.
Op basis van de beveiligingsbeoordeling kan de NAMB besluiten dat er geen beveiligingsplan moet worden opgesteld.
§ 3. De beveiligingsbeoordeling wordt om de 5 jaar geëvalueerd door het MIK, ook in de gevallen waar de NAMB heeft beslist dat er geen beveiligingsplan moet worden opgesteld.
Een beveiligingsbeoordeling kan na de goedkeuring gedurende zes maanden gebruikt worden voor het opstellen van een beveiligingsplan. Indien het beveiligingsplan niet binnen deze termijn is opgesteld of het beveiligingsplan vernieuwd moet worden, is een nieuwe beveiligingsbeoordeling vereist.
Art. 2.5.2.64. Beveiligingsplan
De exploitant van het bouw- of kunstwerk of de kabel of pijpleiding stelt binnen de zes maand na de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling een beveiligingsplan op en legt dit voor aan het MIK. Binnen de dertig dagen geeft het MIK een advies aan de NAMB, na raadpleging van de door de Koning aangeduide diensten.
Het beveiligingsplan bevat een bepaling over de wijze waarop en de termijn waarbinnen een oefening moet worden gehouden.
De NAMB beslist binnen de dertig dagen over goedkeuring van het beveiligingsplan.
De goedkeuring geldt voor vijf jaar.
Elke substantiële wijziging moet ook aan het betrokken LCMB en de NAMB worden voorgelegd ter goedkeuring. De Koning bepaalt op advies van de NAMB wat als substantiële wijziging moet worden beschouwd.
Art. 2.5.2.65. Tussentijdse evaluaties
§ 1. Het beveiligingsplan wordt door het MIK geëvalueerd:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de goedkeuring;
2° indien de beveiliging van het bouw- of kunstwerk of kabel of pijpleiding door een of meer ongeoorloofde acties niet meer kan gegarandeerd worden of er een vermoeden is dat deze niet meer gegarandeerd kan worden.
§ 2. Op basis van deze evaluatie kan de NAMB termijnen vaststellen waarbinnen een aanpassing van het beveiligingsplan moet worden ingediend overeenkomstig artikel 2.5.2.64 of het MIK een nieuwe beveiligingsbeoordeling moet uitvoeren.
Art. 2.5.2.66. Onderrichtingen
De NAMB kan onderrichtingen geven voor :
1° de te volgen procedures door de exploitanten in het kader van de beveiliging;
2° de communicatie tussen de exploitanten, het MIK en de NAMB;
3° de standaarden voor de fysieke bescherming van de bouw- of kunstwerken, kabels of pijpleidingen;
4° de standaarden voor het houden van een permanent toezicht, met inbegrip van verlichting, beveiligingspersoneel en toegangsdetectieapparatuur en bewakingsapparatuur waaronder optische en thermische camera's;
5° het aanduiden van gebieden waarvoor bijkomende beperkingen gelden;
6° het voorkomen van ongeoorloofde acties;
7° de beeldvorming voor de overheid door middel van twee- en drie dimensionele plannen en beelden.
Art. 2.5.2.67. Bekrachtiging
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in artikel 2.5.2.66 bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden.
Art. 2.5.2.68. Oefening
In overleg met het MIK wordt de beveiliging van het bouw- of kunstwerk, de kabel of de pijpleiding getest overeenkomstig hetgeen werd vastgelegd in het beveiligingsplan.
Afdeling 8. - Erkende beveiligingsorganisaties en opleidingsinstanties
Onderafdeling 1. - Erkende beveiligingsorganisatie
Art. 2.5.2.69. Aanvraag en voorwaarden
§ 1. Een onderneming die erkend wil worden als erkende beveiligingsorganisatie dient hiertoe een aanvraag in bij de Cel Maritieme Beveiliging.
Om als beveiligingsorganisatie erkend te worden moet de onderneming voldoen aan de bepalingen van betreffende ondernemingen voor veiligheidsadvies bedoeld in artikel 8 van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid en een vestigingseenheid hebben in België.
De erkenning geldt enkel voor opdrachten ten behoeve van Belgische havens of havenfaciliteiten, of Belgische schepen.
§ 2. Ondernemingen die gemachtigd zijn als erkende organisatie in uitvoering van artikel 2.2.3.15, § 2, moeten voor het uitvoeren van de taken bedoeld in artikel 2.5.2.75 geen aparte aanvraag indienen indien de machtiging tevens de ISPS-Code omvat. De Scheepvaartcontrole bezorgt elke wijziging in de lijst van erkende ondernemingen aan de NAMB.
Art. 2.5.2.70. Audit
De Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole voeren een audit uit waarbij de onderneming moet aantonen dat ze:
1° beschikt over deskundigheid op het gebied van relevante aspecten van havenbeveiliging;
2° de nodige kennis heeft van havenactiviteiten, waaronder kennis van het ontwerp en constructie van havens;
3° de nodige kennis van andere voor de beveiliging relevante activiteiten heeft die van invloed kunnen zijn op de havenbeveiliging;
4° in staat is om waarschijnlijke havenbeveiligingsrisico's te beoordelen;
5° in staat is om de deskundigheid van het personeel op het gebied van havenbeveiliging te onderhouden en te verbeteren;
6° in staat is om de blijvende betrouwbaarheid van het personeel te controleren;
7° in staat is om de nodige maatregelen te onderhouden ter voorkoming van de bekendmaking van of toegang tot gevoelig materiaal door onbevoegden;
8° kennis heeft van relevante internationale, Europese en Belgische regelgeving en beveiligingseisen;
9° kennis heeft van huidige bedreigingen met betrekking tot de beveiliging en patronen daarin;
10° kennis heeft van herkenning en opsporing van wapens, gevaarlijke stoffen en apparatuur;
11° kennis heeft van de herkenning van de kenmerken en gedragspatronen van personen die de havenbeveiliging kunnen bedreigen, zonder daarbij te discrimineren;
12° kennis heeft van de technieken die worden gehanteerd om beveiligingsmaatregelen te ontduiken;
13° kennis heeft van beveiligings- en bewakingsapparatuur en -systemen en van de beperking van de functies ervan;
14° kennis heeft van het voorkomen van ongeoorloofde acties en het opstellen van maatregelen ter voorkoming van ongeoorloofde acties.
Art. 2.5.2.71. Erkenning
De NAMB beslist over de erkenning op advies van de Cel Maritieme Beveiliging op grond van de audit. Een erkenning geldt voor een periode van 5 jaar.
Art. 2.5.2.72. Intrekking
De NAMB kan de erkenning van de beveiligingsorganisatie intrekken indien vastgesteld wordt dat deze niet meer voldoet aan de voorwaarden of niet langer kan aantonen dat ze beschikt over de elementen uit artikel 2.5.2.70.
Art. 2.5.2.73. Tussentijdse evaluatie
§ 1. De Cel Maritieme Beveiliging voert een tussentijdse evaluatie uit bij de erkende beveiligingsorganisatie:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de erkenning;
2° indien verscheidene beveiligingsincidenten of ongeoorloofde acties worden vastgesteld op havenfaciliteiten of aan boord van zeeschepen waarvoor de erkende beveiligingsorganisatie opdrachten uitvoert;
3° indien het vermoeden bestaat dat de erkende beveiligingsorganisatie de taken uitvoert op een wijze die de beveiliging in het gedrang kan brengen.
§ 2. Op basis van deze evaluatie kan de NAMB:
1° overgaan tot de intrekking overeenkomstig artikel 2.5.2.72.
2° maatregelen vaststellen met het oog op het wegwerken van tekortkomingen en termijnen bepalen waarbinnen de erkende onderneming aan deze maatregelen moet voldoen.
Art. 2.5.2.74. Onverenigbaarheden
Een erkende beveiligingsorganisatie die meegewerkt heeft aan het opstellen of evalueren van een beveiligingsbeoordeling, mag niet betrokken zijn bij de opstelling, evaluatie of ander werk inzake het beveiligingsplan.
Indien de PFSO een professionele band heeft met een erkende beveiligingsorganisatie, mag deze erkende beveiligingsorganisatie geen taken als bewakingsonderneming bedoeld in artikel 4 van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid uitvoeren op de havenfaciliteit waarvoor de PFSO verantwoordelijk is.
Art. 2.5.2.75. Bevoegdheden
Een erkende beveiligingsorganisatie kan:
1° meewerken aan het opstellen van een beveiligingsbeoordeling;
2° beveiligingsplannen voor havens en havenfaciliteiten opstellen, analyseren en hierover aanbevelingen formuleren;
3° opleidingen geven en examens voor PFSO's afnemen;
4° een PFSO ter beschikking stellen van één of meerdere havenfaciliteiten;
5° fungeren als verwerkingsverantwoordelijke zoals bedoeld in artikel 2.5.2.91;
6° het scheepsbeveiligingsplan goedkeuren.
Onderafdeling 2. - Goedgekeurde opleidingsinstantie
Art. 2.5.2.76. Goedkeuring
Een door een Gemeenschap erkende opleidingsinstantie kan na goedkeuring door de NAMB de opleidingen bedoeld in dit hoofdstuk geven.
Afdeling 9. - ISPS-platform
Art. 2.5.2.77. Toepassingsgebied
Deze afdeling regelt de elektronische informatie-uitwisseling tussen alle actoren betrokken bij de maritieme beveiliging voor de uitvoering van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten en de opslag van de informatie.
Art. 2.5.2.78. Oprichting van het ISPS-platform
§ 1. Er wordt een ISPS-platform opgericht.
De doelstellingen van het ISPS-platform zijn:
1° de opslag, opvolging en goedkeuring van alle in dit hoofdstuk vermelde beveiligingsbeoordelingen;
2° de opslag, opvolging en goedkeuring van alle in dit hoofdstuk vermelde beveiligingsplannen;
3° het melden, opslaan en opvolgen van beveiligingsincidenten;
4° het melden, opslaan en opvolgen van oefeningen;
5° het uitwisselen van informatie tussen de betrokken actoren;
6° het ingeven, opslaan en opvolgen van inspectierapporten door de verschillende diensten;
7° het elektronisch uitreiken en bijhouden van de verschillende certificaten;
8° het generen van de rapporten aan de IMO en de Europese Commissie;
9° het afbakenen van de havens en de havenfaciliteiten door middel van een GIS-component;
10° het uitvoeren van risicoanalyses op alle aanwezige data;
11° het visualiseren van de havens, havenfaciliteiten en schepen door middel van 2D, 3D en GIS-data;
12° het automatiseren van de verschaffing van de beveiligingsinformatie door vreemde schepen;
13° de opslag van de gegevens van de toegangscontrole;
14° het opslaan van de gegevens om het naleven te controleren van het verbod bedoeld in artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen en artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
15° het opslaan van de gegevens om het naleven te controleren van het verbod dat personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen;
16° het bijhouden van de veiligheidsverificaties en aanvragen vereist door dit hoofdstuk;
17° het bijhouden van de lijst van leden van de NAMB, LCMB en Cel Maritieme beveiliging, en de PFSO's en CSO's.
§ 2. De toegang tot de gegevens onder 1° tot en met 7°, 9° tot en met 11° en 13° tot en met 16° is beperkt tot de leden van de NAMB, de Cel Maritieme Beveiliging en de inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4..4, en tot de leden van de LCMB's voor de haven en havenfaciliteiten die onder hun bevoegdheid vallen, en tot de PFSO voor de eigen havenfaciliteit.
De toegang tot de gegevens onder 8° is beperkt tot de leden van de NAMB en de Cel Maritieme Beveiliging.
De toegang tot de gegevens onder 12° is beperkt tot de leden van de NAMB en de Cel Maritieme Beveiliging en de inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4.4.
Art. 2.5.2.79. Financiering
De kredieten die vereist zijn voor de oprichting en de werking van het ISPS-Platform worden ingeschreven op de begroting van het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
Om gebruik te kunnen maken van het ISPS-platform voor de doelstellingen bedoeld in artikel 2.5.2.78, 13°, 14°, 15° en 16° kan de Koning een retributie bepalen en de modaliteiten hiervoor vaststellen.
Art. 2.5.2.80. Beheer
§ 1. De NAMB fungeert als beheerscomité voor het ISPS-platform.
De minister is belast met de goede werking van het ISPS-platform.
§ 2. De NAMB beschikt over de volgende bevoegdheden met betrekking tot het ISPS-platform:
1° het ISPS-platform beheren;
2° elk initiatief nemen dat kan bijdragen tot de doeltreffendheid van de veilige werking van het ISPS-platform;
3° elk initiatief nemen tot aanpassing van het ISPS-platform aan de wijzigingen op wetgevend, regelgevend en technologisch vlak;
4° de bevoegde minister in kennis stellen van de middelen die vereist zijn voor de goede werking van het ISPS-platform;
5° jaarlijks aan de bevoegde minister de budgettaire ramingen meedelen met betrekking tot de kostprijs voor de werking en het onderhoud van het ISPS-platform, daarin inbegrepen de kostprijs van de in het systeem opgeslagen systemen;
6° akkoorden sluiten met betrekking tot de diensten die vereist zijn voor het beheer van het ISPS-platform;
7° advies verlenen op eigen initiatief of op verzoek van de bevoegde ministers met betrekking tot wetgevende en andere initiatieven die van invloed zijn op de werking van het ISPS-platform.
Art. 2.5.2.81. Controle op het havenverbod
Om toegang te krijgen tot een havenfaciliteit moet aan de ingang gecontroleerd worden of de persoon die toegang wenst te krijgen is opgenomen in het ISPS-platform als een persoon voor wie een verbod overeenkomstig artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek werd opgelegd of aan wie krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven werd opgelegd.
De Koning bepaalt de modaliteiten van en de werking van het ISPS-platform voor de controle bedoeld in het eerste lid.
Afdeling 10. - Gegevensbescherming
Onderafdeling 1. - Camerabeelden
Art. 2.5.2.82. Bewakingscamera's
Bewakingscamera's die geïnstalleerd worden door de exploitanten van havens of havenfaciliteiten moeten voldoen aan de bepalingen van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's.
Art. 2.5.2.83. Intelligente camera's
§ 1. Het plaatsen van intelligente camera's met het oog op de automatische nummerplaatherkenning door de exploitanten van havens en havenfaciliteiten is toegelaten waarbij het gebruik van deze camera's en de toegang tot de gegevens geregeld wordt overeenkomstig de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's .
In afwijking van artikel 8/1 van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's is het gebruik van intelligente bewakingscamera's toegelaten met het oog op de automatische herkenning van vaartuigen.
§ 2. Het gebruik van intelligente camera's overeenkomstig paragraaf 1 is toegelaten, op voorwaarde dat het plaatsing en het gebruik zijn opgenomen in het beveiligingsplan, om de naleving van de ISPS-verordening, de ISPS-Code en dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten te controleren, evenals het voorkomen van ongeoorloofde acties en het garanderen van de maritieme beveiliging.
Onderafdeling 2. - Biometrische gegevens
Art. 2.5.2.84. Gebruik
§ 1. Met het oog op de toegangscontrole tot havenfaciliteiten en identiteitscontrole voor het behandelen van lading kunnen de beveiligingsplannen, op basis van concrete elementen in de beveiligingsbeoordelingen die de noodzaak daarvoor aantonen, voorzien dat de toegang tot de havenfaciliteit afhankelijk wordt gemaakt van de verificatie van biometrische gegevens voor alle of bepaalde categorieën van bezoekers.
De beveiligingsplannen, op basis van concrete elementen in de beveiligingsbeoordeling die de noodzaak daarvoor aantonen, van een haven of een havenfaciliteit kunnen bepalingen opnemen om de digitale toegang tot de netwerk en informatiesystemen te beschermen door middel van biometrische gegevens.
§ 2. Het doel van de toegangscontrole is verhinderen dat onbevoegden toegang tot de havenfaciliteit of de netwerk- en informatiesystemen kunnen verkrijgen. De verwerking van de biometrische gegevens is een uitzondering zoals bedoeld in artikel 9.2, g) van de AVG.
Het doel van de identiteitscontrole voor het behandelen van lading is het voorkomen dat deze machines worden gebruikt bij het plegen van een ongeoorloofde actie. De verwerking van de biometrische gegevens is een uitzondering zoals bedoeld in artikel 9.2, a) en g) van de AVG.
§ 3. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt onder bezoeker verstaan iedereen, met inbegrip van bestuurders en personeelsleden, die toegang wensen tot de havenfaciliteit of gedeelten van de havenfaciliteit met uitzondering van de passagiers van zeeschepen die inschepen of ontschepen op een havenfaciliteit voor het vervoer van passagiers, en voor bemanningsleden van zeeschepen.
Art. 2.5.2.85. Erkenning verwerker
§ 1. Biometrische gegevens kunnen enkel worden verwerkt door een onderneming die hiertoe erkend wordt door de minister op basis van de audit bedoeld in paragraaf 2 en een advies van de NAMB.
Om als verwerker van deze biometrische gegevens erkend te worden moet de onderneming gevestigd zijn in de Europese Economische Ruimte en een vestigingseenheid hebben in België. De erkenning geldt enkel voor de verwerking van biometrische gegevens toegestaan overeenkomstig dit hoofdstuk.
§ 2. De Cel Maritieme Beveiliging en de Scheepvaartcontrole, in samenwerking met het Centrum voor Cyberveiligheid, voeren een audit uit waarbij de onderneming moet aantonen dat:
1° de onderneming gecertificeerd is overeenkomstig norm ISO 27001, ISO 27701 of een gelijkwaardige norm vastgesteld overeenkomstig artikel 22, § 1, van de wet van 7 april 2019 tot vaststelling van een kader voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen van algemeen belang voor de openbare veiligheid;
2° de nodige interne systemen en procedures hebben om te vermijden dat onbevoegde toegang hebben tot de biometrische gegevens;
3° het systeem van verwerking voldoet aan de in paragraaf 3 gestelde vereisten.
§ 3. Biometrische gegevens kunnen enkel verwerkt worden via systemen die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° bij de eerste inzamelingsfase van de biometrische gegevens worden de unieke en individuele kenmerken van het individu gecodeerd en als template opgeslagen, waarna de ruwe gegevens onmiddellijk verwijderd worden;
2° bij het verifiëren van de identiteit van het individu wordt enkel nagegaan of de informatie die ingezameld wordt op het ogenblik dat het individu zich wenst te authentiseren overeenkomt met de template die werd opgeslagen bij de eerste inzamelingsfase;
3° de template wordt uitsluitend bewaard op een duurzaam opslagmedium in het bezit van het individu waarbij geen opslag in databases van de verwerker is toegestaan;
4° de biometrische gegevens die tijdens de tweede inzamelingsfase voor het verifiëren van de identiteit worden ingezameld mogen niet langer bewaard worden dan nodig is om deze ingezamelde gegevens te vergelijken met de template.
§ 4. De erkenning geldt voor onbepaalde duur.
Na de erkenning en nadien telkens in de periode tussen de vierentwintig en zesendertig maanden na een vorige audit wordt een opvolgingsaudit uitgevoerd. Op basis van deze audit kan de minister beslissen om:
1° termijnen op te leggen waarin de onderneming de door de minister opgelegde maatregelen moet naleven;
2° de erkenning in te trekken.
Onderafdeling 3. - Verwerking van persoonsgegevens
Art. 2.5.2.86. Doeleinden
De gegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 worden verwerkt met het oog op:
1° het garanderen van de maritieme beveiliging in havens en de havenfaciliteiten;
2° het voorkomen van ongeoorloofde acties;
3° het opsporen, vervolgen en bestraffen van ongeoorloofde acties;
4° het garanderen van de beveiliging van de personen die werkzaam zijn in de havens en de havenfaciliteiten;
5° het uitvoeren van de taken van de inlichtingendiensten;
6° het controleren van de naleving van het verbod opgelegd overeenkomstig artikel 4, § 3bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
7° het controleren van de naleving van het verbod dat personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen;
8° het bijhouden van de gegevens voor de verplichte vorming en opleiding van de PFSO's zoals bedoeld in artikel 2.5.2.39, § 2.
De gegevens van de leden van de inspectiediensten worden verwerkt met het oog op het identificeren van de opsteller van een inspectierapport of proces-verbaal.
Art. 2.5.2.87. Betrokken natuurlijke personen
De gegevens van de volgende personen mogen verwerkt worden:
1° bezoekers van havenfaciliteiten en de personeelsleden belast met de behandeling van de lading;
2° PSO, PFSO, CSO en SSO;
3° leden van de inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4.4;
4° personen die een verbod kregen overeenkomstig artikel 4, § 3bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
5° personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen.
Art. 2.5.2.88. Te verwerken gegevens
§ 1. Van de bezoekers van havenfaciliteiten mogen de volgende gegevens worden verwerkt:
1° naam en voornamen;
2° rijksregisternummer voor Belgen;
3° geboortedatum en adres voor niet-Belgen;
4° e-mailadres
5° biometrische gegevens, indien van toepassing, overeenkomstig artikel 2.5.2.84;
6° doel van het bezoek;
7° aankomst- en vertrekuur en datum van het bezoek;
8° nummerplaat van wagens die de havenfaciliteit binnen- en buitenrijden;
9° foto.
§ 2. Van de PSO, PFSO, CSO en SSO mogen de volgende gegevens worden verwerkt:
1° naam en voornamen;
2° rijksregisternummer voor Belgen;
3° geboortedatum en adres voor niet-Belgen;
4° e-mailadres;
5° resultaat van het examen voor PFSO's;
6° foto.
§ 3. Van de leden van inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4.4 mogen de volgende gegevens worden verwerkt:
1° naam en voornamen;
2° identificatienummer gegeven door de overheidsdienst waarvoor de inspecteur werkt;
3° foto.
§ 4° Van de personen die een verbod kregen overeenkomstig artikel 4, § 3bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek en van de personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen, mogen de volgende gegevens verwerkt worden:
1° naam en voornamen;
2° rijksregisternummer voor Belgen;
3° datum tot wanneer het verbod van kracht is;
4° havens en havenfaciliteiten waar het verbod van kracht is.
§ 5. Voor de toepassing van dit artikel worden de verwerkers gemachtigd om het rijksregister te gebruiken overeenkomstig de bepalingen van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
Art. 2.5.2.89. Toegang
De leden van de NAMB, het betrokken LCMB, de Cel Maritieme Beveiliging, het openbaar ministerie, de inlichtingendiensten en de inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4.4 hebben toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 en voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86.
In afwijking van het eerste lid, hebben enkel de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker toegang tot de biometrische gegevens.
Art. 2.5.2.90. Bewaringstermijn
De gegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 worden bewaard gedurende de periode bepaald in het beveiligingsplan en kunnen nooit de periode van 10 jaar overschrijden.
In afwijking van het eerste lid, mogen de biometrische gegevens slechts bewaard blijven overeenkomstig de bepalingen van artikel 2.5.2.85.
In afwijking van het eerste lid worden de gegevens van de personen bedoeld in artikel 2.5.2.87, 4° en 5°, onmiddellijk verwijderd nadat het havenverbod is afgelopen of opgeheven.
Art. 2.5.2.91. Verwerkingsverantwoordelijke
De exploitant van de havenfaciliteit is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de bezoekers van een havenfaciliteit bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 1, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86.
De NAMB is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de PSO, PFSO, CSO, SSO en de inspecteurs, bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 2 en 3, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86.
De NAMB is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de personen bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 4, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86.
Art. 2.5.2.92. Recht op informatie
In afwijking van de artikelen 13 en 14 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, kan het recht op informatie worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 met het oog op het garanderen van de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.2.86.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
Art. 2.5.2.93. Recht op inzage
In afwijking van artikel 15 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, kan het recht op inzage geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 met het oog op het garanderen van de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.2.86.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
Art. 2.5.2.94. Recht op rectificatie
In afwijking van artikel 16 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, kan het recht op rectificatie geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 met het oog op het garanderen van de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.2.86.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
Art. 2.5.2.95. Recht op beperking van de verwerking
In afwijking van artikel 18 van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, kan het recht op beperking van de verwerking, geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in artikel 2.5.2.88 met het oog op het garanderen van de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.2.86.
De in het eerste lid bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
Art. 2.5.2.96. Gemeenschappelijke bepalingen
§ 1. De beperking van de rechten bedoeld in de artikelen 2.5.2.92 tot en met 2.5.2.95 kan worden ingeroepen voor de gegevens waarvoor de NAMB of de exploitant van de havenfaciliteit de gegevensverwerker zijn.
Deze beperkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek, met inbegrip van de voorbereidende handelingen, en gedurende de periode die nodig is voor de vervolging, voor zover de uitoefening van de rechten afbreuk zou doen aan de behoeften van de controle, het onderzoek of de voorbereidende handelingen. De duur van de voorbereidende handelingen mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van een verzoek overeenkomstig de artikelen 13, 14, 15, 16 of 18 van de AVG.
§ 2. Bij ontvangst van een verzoek overeenkomstig de artikelen 13, 14, 15, 16 of 18 van de AVG, bevestigt de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk en binnen een termijn van één maand na de ontvangst van het verzoek over iedere weigering of beperking, alsook over de redenen voor deze weigering of beperking. De informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen bedoeld in artikel 2.5.2.86 zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nog met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen van het uitstel.
De verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen
De verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
§ 3. Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd en, in voorkomend geval, nadat de bevoegde dienst voor administratieve geldboeten een beslissing heeft genomen. Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.".
Art. 9. Dans le Code belge de la Navigation, le chapitre 2 du titre 5 du livre 2, contenant les articles 2.5.2.1 à 2.5.2.25, tel que modifié par la loi du 16 juin 2021, est remplacé par ce qui suit :
" CHAPITRE 2 - SURETE
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 2.5.2.1. Règlement ISPS et Directive sur la sûreté portuaire
Le présent chapitre prévoit la mise en oeuvre du Règlement ISPS et la transposition de la Directive sur la sûreté portuaire.
Art. 2.5.2.2. Objectifs
Les objectifs du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution sont les suivants :
1° l'introduction de mesures visant à améliorer la sûreté des navires de mer utilisés dans le commerce international et le trafic intérieur et des installations portuaires associées contre le danger d'actions illicites ;
2° le renforcement de la sûreté face aux menaces d'incidents de sûreté par l'établissement de règles relatives à la sûreté ;
3° la protection des personnes travaillant dans un port ou une installation portuaire, sur un ouvrage de construction ou de génie civil dans les zones maritimes ou à bord des navires de mer ;
4° l'établissement des mesures visant à garantir la sûreté des navires de mer et des ouvrages de construction et de génie civil, y compris les câbles et les pipelines, dans les zones maritimes belges ;
5° l'établissement de mécanismes pour le respect du présent chapitre.
Art. 2.5.2.3. Notions
Dans le présent chapitre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférents, l'on entend par :
1° " sûreté maritime " : la combinaison de mesures préventives et de moyens humains et matériels visant à protéger le transport par mer, les ports et les installations portuaires et les zones maritimes belges contre les menaces d'actions illicites intentionnelles ;
2° " trafic maritime international " : toute liaison maritime par navire de mer entre une installation portuaire belge et une installation portuaire extérieure à la Belgique ;
3° " trafic maritime intérieur " : toute liaison par navire de mer entre une installation portuaire belge et cette même installation portuaire ou une autre installation portuaire belge ;
4° " port " : tout ensemble de terre et d'eau existant, comprenant des infrastructures et équipements destinés à faciliter les opérations de transport maritime commercial, et les zones environnantes qui ont une incidence sur la sûreté ;
5° " installation portuaire " : un emplacement où a lieu l'interface navire/terre qui comprend également, le cas échéant, les zones de mouillage, les postes d'attente et leurs abords à partir de la mer ;
6° " interface navire/terre " : une interaction qui se produit lorsque le navire de mer est directement et immédiatement affecté par des actions entrainant le mouvement de personnes ou de marchandises, ou la fourniture de services portuaires vers ou depuis le navire ;
7° " incident de sûreté " : tout acte ou circonstance menaçant la sûreté d'un navire de mer, d'une installation portuaire ou d'un port, y compris les actions illicites;
8° " plateforme ISPS " : la plateforme électronique établie et maintenue par le Gouvernement fédéral pour l'échange et la mise à jour de toutes les informations de sûreté couvertes par l'application du Code ISPS, du Règlement ISPS, de la Directive sur la sûreté portuaire, du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution ;
9° " organisme de sûreté reconnu " : une entreprise qui est reconnue conformément à l'article 2.5.2.71 pour exécuter les tâches attribuées dans le présent chapitre et ses arrêtés d'exécution ;
10° " ministre " : le ministre chargé de la mobilité maritime ;
11° " PSO " : l'agent de sûreté portuaire visé à l'article 9 de la Directive sur la sûreté portuaire ;
12° " PFSO " : l'agent de sûreté de l'installation portuaire ;
13° " CSO " : l'agent de sûreté de l'armateur ;
14° " SSO " : l'agent de sûreté à bord d'un navire de mer ;
15° " action illicite " : toute action intentionnelle qui, compte tenu de sa nature ou de son contexte, pourrait causer des dommages aux ouvrages de construction et de génie civil ou aux câbles ou aux pipelines dans les zones maritimes belges, aux navires de mer du trafic maritime international et national, à l'équipage, aux passagers ou à la cargaison, ou aux ports ou installations portuaires concernés, y compris l'utilisation de navires de mer pour faire entrer ou sortir de Belgique des articles ou produits interdits via les ports et installations portuaires ou pour permettre à des personnes ou des animaux d'embarquer ou de débarquer sans autorisation, ou toute activité connexe. ".
Art. 2.5.2.4. Champ d'application
§ . 1er. Le présent chapitre s'applique à tous les navires de mer à l'exception :
1° des navires de guerre ;
2° des navires de charge d'une jauge brute inférieure à 500 ;
3° des navires de mer sans propulsion mécanique ou des navires en bois ou de construction primitive ;
4° des navires de pêche ;
5° des navires n'exerçant pas d'activité économique.
Le Roi peut prendre des mesures pour réglementer la sûreté maritime des navires de mer visés à l'alinéa 1er sous les 2°, 3°, 4° et 5°.
Aux fins du présent chapitre, un navire qui dispose des certificats nécessaires aussi bien pour la navigation maritime que pour la navigation intérieure est toujours considéré comme un navire de mer.
§ 2. Le présent chapitre s'applique à toutes les installations portuaires belges soumises au Règlement ISPS et à chaque groupe dans lequel une telle installation portuaire est située.
Le Roi fixe les coordonnées de chaque installation portuaire en tenant compte des dispositions de la section 15 de la partie A du Code ISPS.
Sur la base de la détermination des installations portuaires à l'alinéa 1er et en tenant compte des dispositions de la Directive sur la sûreté portuaire et l'évaluation de la sûreté portuaire, le Roi, sur l'avis de l'ANSM, détermine les coordonnées des ports.
Si l'alinéa précédent indique que l'installation portuaire ne doit pas être incluse dans un groupe conformément à l'alinéa 3, les dispositions du Règlement prévalent.
§ 3. Le présent chapitre s'applique à tout ouvrage de construction ou de génie civil et à tout câble ou pipeline dans les zones maritimes belges. Le présent chapitre est sans préjudice des dispositions relatives au passage inoffensif de la Convention des Nations Unies sur le droit de la mer.
§ 4. Le présent chapitre ne s'applique pas aux installations militaires.
§ 5. Un port et une installation portuaire doivent disposer d'un plan de sûreté valide, en dehors des exceptions prévues au présent chapitre, pour pouvoir accueillir les navires de mer visés au paragraphe 1er.
Section 2. - Autorités
Sous-section 1re. - Autorité Nationale de Sûreté Maritime
Art. 2.5.2.5. Création de l'ANSM
L'Autorité Nationale de Sûreté Maritime, ci-après dénommée ANSM, est chargée de la sûreté maritime.
L'ANSM est établie à l'adresse de la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports à Bruxelles.
Art. 2.5.2.6. Tâches de l'ANSM
§ 1er. L'ANSM est le point de contact pour l'OMI, la Commission européenne et les autres Etats, dans le cadre de l'application de cette loi.
L'ANSM est responsable de l'application des mesures de sûreté maritime, en assure le suivi et fournit les renseignements nécessaires tels que visés au Code ISPS, à l'article 2.6 du Règlement ISPS, à l'article 3.4 de la Directive sur la sûreté portuaire, au présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.
L'ANSM coordonne l'application du Code ISPS, du Règlement ISPS, de la Directive sur la sûreté portuaire, du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution, met en oeuvre et contrôle les mesures de sûreté prescrites pour les navires, les ports et les installations portuaires.
§ 2. L'ANSM est compétent pour les questions de sûreté :
1° à bord des navires de mer ;
2° dans les ports et les installations portuaires ;
3° concernant les ouvrages de construction et de génie civil, les câbles et les pipelines dans les eaux maritimes.
§ 3. L'ANSM est notamment chargée de :
1° la proposition d'une politique générale relative à la matière de sûreté maritime ;
2° l'élaboration des normes relative à la sûreté maritime ;
3° le contrôle du respect des normes ;
4° la coordination générale des mesures pour la mise en oeuvre de la réglementation nationale, européenne et internationale relatives à la sûreté maritime ;
5° la délivrance d'avis, instructions et recommandations sur les mesures de sûreté maritime aux comités locaux pour la sûreté maritime, au MIK et aux autorités compétentes, quant aux mesures à prendre en matière de sûreté maritime ;
6° la coordination des études relatives aux problèmes de sûreté maritime, y compris la contribution de la Belgique aux efforts réalisés au niveau européen et international ;
7° faire office de point de contact pour la diffusion d'informations sur les plans de sûreté des installations portuaires et ports, et de point de contact national, européen et international pour toutes les questions liées à la sûreté maritime ;
8° l'octroi ou le retrait des reconnaissances des organismes de sûreté reconnus ;
9° la transmission à l'OMI d'une liste des installations portuaires conformes au Code ISPS, ainsi que les modifications éventuelles apportées à cette liste ;
10° la transmission à la Commission européenne d'une liste des ports auxquels le présent chapitre s'applique, ainsi que les modifications éventuelles apportées à cette liste ;
11° l'évaluation et l'approbation des évaluations de la sûreté des installations portuaires et des ports, et la remise d'un avis sur la classification des installations portuaires dans un groupe ;
12° l'appréciation, l'évaluation et l'approbation des plans de sûreté des ports et des installations portuaires ;
13° l'octroi d'une Déclaration d'approbation comme résultat et preuve de l'approbation des plans de sûreté des installations portuaires ;
14° le retrait des plans de sûreté des ports et des installations portuaires et des déclarations d'approbation ;
15° l'imposition des mesures correctives aux ports et aux installations portuaires après une évaluation.
§ 4. Le Roi peut assigner des tâches supplémentaires à l'ANSM.
Art. 2.5.2.7. Composition et fonctionnement de l'ANSM
§ 1er. Le Roi détermine la composition et le fonctionnement de l'ANSM, en nommant comme Président le Directeur général de la Direction générale Navigation.
§ 2. L'ANSM est assistée par la Cellule de la Sûreté maritime dans l'exercice de ses fonctions.
Sous-section 2. - Comités locaux pour la Sûreté Maritime
Art. 2.5.2.8. Création d'un CLSM
Le Roi crée les Comités locaux pour la sûreté maritime, ci-après dénommés CLSM, et détermine leur composition, leur fonctionnement et les ports et installations portuaires pour lesquels un CLSM est compétent.
Un CLSM visé à l'alinéa 1er agit comme l'autorité responsable des questions de sûreté telle que visée à l'article 3.5 de la Directive sur la sûreté portuaire.
Le CLSM fait rapport à l' ANSM en vue de formuler des recommandations et des instructions politiques.
Art. 2.5.2.9. Tâches d'un CLSM
Le CLSM est notamment chargé de :
1° la vérification de l'authenticité des informations fournies par l'agent de sûreté de l'installation portuaire ou de l'autorité du port ;
2° la réalisation des évaluations de la sûreté des ports, la réalisation des évaluations de la sûreté des installations portuaires, et de leurs modifications ;
3° la supervision de l'élaboration et de la mise en oeuvre des plans de sûreté des installations portuaires et des ports, ainsi que la rédaction d'un avis motivé pour l'approbation finale par l'ANSM des plans de sûreté des ports et des installations portuaires, et de leurs modifications ;
4° le suivi dans le temps des évaluations de la sûreté et des plans de sûreté des installations portuaires et des ports ;
5° l'établissement d'une liste des installations portuaires qui doivent être conformes au Code ISPS dans leur zone ;
6° la vérification que les installations portuaires sont conformes aux dispositions du Code ISPS, du présent chapitre et des arrêtés d'exécutions.
Le Roi peut assigner des tâches supplémentaires à un CLSM.
Art. 2.5.2.10. Composition et fonctionnement d'un CLSM
Le Roi détermine la composition et le fonctionnement d'un CLSM dans lequel le PSO du port concerné est désigné comme président.
Sous-section 3. - PSO
Art. 2.5.2.11. Désignation d'un PSO
§ 1er. Si le port dispose d'un capitaine de port conformément à la réglementation régionale, le capitaine de port est désigné comme PSO.
S'il n'y a pas de capitaine de port pour un port, le directeur coordonnateur de la police fédérale de l'arrondissement concerné est le PSO. Si un port comprend plusieurs arrondissements, les directeurs coordonnateurs concernés déterminent d'un commun accord qui est le PSO.
Pour chaque PSO, 2 adjoints sont désignés par l'ANSM sur recommandation du PSO. Si un port comprend plusieurs arrondissements, le directeur coordonnateur qui n'est pas désigné comme PSO devient PSO adjoint.
§ 2. Une personne ne peut pas être nommée en tant que PSO dans 2 ou plusieurs ports différents. Il est interdit à un PSO d'être nommé PFSO.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un PSO adjoint peut être désigné comme PFSO pour une installation portuaire dont la gestion ou la propriété est détenue par le port. Cette personne ne peut effectuer aucune tâche au sein du CLSM en ce qui concerne l'installation portuaire concernée.
§ 3. Si le PSO est différent du PFSO, ils collaborent étroitement.
Art. 2.5.2.12. Tâches
Le PSO agit comme personne de contact locale pour toutes les questions liées à la sûreté maritime du port concerné et est également chargé de la surveillance conformément à l'article 4.2.4.4.
Sous-section 4. - Règles communes
Art. 2.5.2.13. Traitement de l'information
Les évaluations de la sûreté et les plans de sûreté des ports et des installations portuaires ne peuvent être partagés qu'avec les personnes autorisées à y avoir accès et portent la mention " ISPS-restricted ".
Le Roi détermine :
1° qui est autorisé à prendre connaissance des évaluations de la sûreté et des plans de sûreté des ports et des installations portuaires ;
2° la manière dont les évaluations de la sûreté et les plans de sûreté sont conservés physiquement ou numériquement et le délai pendant lequel ils le sont.
L'ANSM peut marquer d'autres documents avec la mention " ISPS-restricted ".
Art. 2.5.2.14. Habilitation de sécurité
Chaque membre de l'ANSM ou du CLSM et chaque membre du personnel de la Cellule de la Sûreté maritime doit être titulaire d'une habilitation de sécurité de niveau SECRET telle que visée au chapitre III de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité.
Si une personne nommée de plein droit à un poste aux fins de la présente loi ne peut disposer de l'habilitation de sécurité requise, le Roi, sur recommandation de l'ANSM, décide du remplacement de cette personne.
Section 3. - Sûreté portuaire
Sous-section 1re. - Evaluation de la sûreté portuaire
Art. 2.5.2.15. Mise en oeuvre de l'évaluation de la sûreté portuaire
§ 1er. Dans chaque port, une évaluation de la sûreté portuaire qui sert de base à l'élaboration du plan de sûreté portuaire et à sa mise en oeuvre est effectuée par le CLSM.
L'évaluation de la sûreté portuaire prend dûment en compte les particularités des différentes parties du port ainsi que des zones adjacentes si ces dernières ont une incidence sur la sûreté du port. Les évaluations de la sûreté des installations portuaires effectuées conformément au Règlement ISPS et à la section 4 du présent chapitre, qui se trouvent dans les limites du port, sont prises en compte.
§ 2. L'évaluation de la sûreté portuaire est effectuée dans le respect des exigences déterminées par le Roi et comprend au moins les éléments suivants :
1° l'identification et l'évaluation des biens et des infrastructures essentiels qu'il importe de protéger ;
2° l'identification des risques d'actions illicites ;
3° l'identification des menaces éventuelles contre les biens et les infrastructures, et de leur probabilité de survenance, afin d'établir des mesures de sûreté en les classant par ordre de priorité ;
4° l'identification, le choix et le classement par ordre de priorité des contre-mesures et des changements de procédure ainsi que leur degré d'efficacité pour réduire la vulnérabilité ;
5° l'identification des points faibles, y compris les facteurs humains, dans l'infrastructure, les politiques et les procédures ;
6° l'analyse des risques des éléments susceptibles d'être victimes d'espionnage, de terrorisme et de sabotage à la suite d'influences étrangères au moyen d'une collaboration publique ou privée.
Art. 2.5.2.16. Approbation de l'évaluation de la sûreté portuaire
§ 1er. Le CLSM soumet l'évaluation de la sûreté portuaire à l'ANSM pour approbation. L'ANSM décide de l'approbation de l'évaluation de la sûreté portuaire dans les trente jours.
§ 2. Les délais prévus au présent chapitre peuvent être prolongés si le CLSM, l'ANSM ou le ministre, selon le cas, estime que tous les éléments ne sont pas réunis pour prendre une décision ou si l'enquête prend plus de temps. L'absence de décision n'implique pas une approbation automatique.
Art. 2.5.2.17. Durée de validité de l'évaluation de la sûreté portuaire
Une évaluation de la sûreté portuaire peut être utilisée pendant six mois après son approbation pour l'élaboration d'un plan de sûreté portuaire. Si le plan de sûreté portuaire n'est pas approuvé pendant de cette période, ou si le plan doit être renouvelé, une nouvelle évaluation de la sûreté portuaire est requise.
L'alinéa 1er ne s'applique pas si le plan de sûreté portuaire est modifié conformément à l' l'article 2.5.2.20, alinéa 2 ou 3.
Sous-section 2. - Plan de sûreté portuaire
Art. 2.5.2.18. Elaboration du plan de sûreté portuaire
§ 1er. Dans chaque port, un plan de sûreté portuaire est établi par l'autorité du port.
Le gestionnaire des voies navigables élabore le plan de sûreté portuaire pour les ports dont les installations portuaires sont situées le long des voies navigables gérées par un gestionnaire des voies navigables, en collaboration avec le directeur coordonnateur de la police fédérale de l'arrondissement concerné.
Le plan de sûreté portuaire est élaboré en tenant compte de l'évaluation de la sûreté portuaire et prend en compte de manière appropriée les particularités des différentes parties du port ainsi que des zones adjacentes si ces dernières ont une incidence sur la sûreté du port. Les plans de sûreté des installations portuaires effectués conformément au Règlement ISPS et à la section 4 du présent chapitre sont intégrés dans le plan de sûreté portuaire.
§ 2. Le plan de sûreté portuaire doit, pour chacun des niveaux de sûreté visés à l'article 2.5.2.24, établir au moins les éléments suivants :
1° les procédures à suivre ;
2° les mesures à mettre en place ;
3° les actions à entreprendre.
Le plan de sûreté portuaire est élaboré dans le respect des exigences déterminées par le Roi.
Art. 2.5.2.19. Approbation du plan de sûreté portuaire
L'autorité du port ou le gestionnaire des voies navigables soumet le plan de sûreté portuaire au CLSM concerné. Dans un délai de trente jours, le CLSM concerné soumet un avis à l'ANSM. L'ANSM décide de l'approbation du plan de sûreté portuaire dans les trente jours suivant la réception de l'avis.
L'approbation est valable cinq ans, après quoi un nouveau plan de sûreté portuaire doit être élaboré sur la base d'une nouvelle évaluation de la sûreté portuaire.
Art. 2.5.2.20. Modification du plan de sûreté portuaire
Toute modification substantielle doit être soumise au CLSM concerné et à l'ANSM pour approbation. Le Roi détermine, sur l'avis de l'ANSM, ce qui doit être considéré comme une modification substantielle. La durée de validité déterminée conformément à l'article 2.5.2.19, alinéa 2, reste inchangée lors de l'approbation d'une modification substantielle.
Pour intégrer de nouveaux plans ou des plans modifiés de sûreté d'une installation portuaire, une approbation annuelle par le CLSM et l'ANSM suffit.
Dans le cas d'événements ou d'incidents temporaires qui n'entrainent pas de changement du niveau ISPS, l'ANSM peut, sur l'avis du CLSM, adapter le plan de sûreté portuaire pour la durée de l'événement ou de l'incident.
Art. 2.5.2.21. Retrait du plan de sûreté portuaire
§ 1er. Le plan de sûreté portuaire peut être retiré par l'ANSM dans le cas où :
1° la sûreté du port ne peut plus être garantie avec le plan de sûreté portuaire approuvé ;
2° l'autorité du port a agi en violation du plan de sûreté portuaire, du Règlement ISPS, de la Directive sur la sûreté portuaire, du présent chapitre ou ses arrêtés d'exécution ;
3° l'autorité du port ne suit pas les instructions visées à l'article 2.5.2.22, § 2.
L'ANSM peut imposer au port une interdiction d'accueillir des navires de mer dans l'ensemble du port ou dans certaines parties du port si la sûreté dans ces zones ne peut être garantie.
§ 2. Un recours contre le retrait ou l'interdiction peut être introduit auprès du ministre dans les dix jours après la notification de la décision.
Le ministre prend une décision dans les trente jours, après avoir entendu le port et l'ANSM.
Le recours ne suspend pas la décision.
Art. 2.5.2.22. Evaluations intermédiaires
§ 1er. Le plan de sûreté portuaire est évalué par l'ANSM :
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après l'approbation ;
2° si la sûreté du port ne peut plus être garantie en raison d'une ou plusieurs actions illicites ou s'il existe un soupçon qu'elle ne peut plus être garantie.
§ 2. Sur la base de l'évaluation visée au paragraphe 1er, l'ANSM peut :
1° fixer les délais dans lesquels une adaptation du plan de sûreté portuaire doit être soumise conformément à l'article 2.5.2.19 ;
2° retirer le plan de sûreté portuaire conformément à l'article 2.5.2.21.
3° faire procéder à une nouvelle évaluation de la sûreté portuaire par le CLSM.
Art. 2.5.2.23. Exercice
Le plan de sûreté portuaire est testé au moins une fois par année civile au moyen d'un exercice dont les exigences sont fixées par le Roi.
Le PSO informe l'ANSM un mois avant l'exercice prévu.
Au plus tard un mois après l'exercice, un rapport est soumis à l'ANSM par le PSO.
Sous-section 3. - Niveau de sûreté
Art. 2.5.2.24. Description des niveaux de sûreté
Il existe trois niveaux de sûreté :
1° Niveau de sûreté 1 : maintien d'un minimum de mesures de sûreté protectrices appropriées en permanence ;
2° Niveau de sûreté 2 : maintien de mesures de sûreté protectrices supplémentaires pendant un temps déterminé en raison d'un risque accru d'un incident de sûreté ;
3° Niveau de sûreté 3 : maintien de mesures de sûreté protectrices spécifiques supplémentaires pendant un temps déterminé, lorsqu'un incident de sûreté est probable ou imminent, même si la cible spécifique peut ne pas être identifiée, permettant à l'ANSM et au CLSM compétent d' imposer des mesures.
Art. 2.5.2.25. Modification du niveau de sûreté
Le niveau de sûreté 1 s'applique toujours aux ports, à moins que l'ANSM, après avis du NCCN, ne le modifie en niveau de sûreté 2 ou 3 pour l'ensemble du port ou, le cas échéant, pour une partie du port.
Toute modification du niveau de sûreté en vigueur dans un port ou une partie du port est immédiatement notifié par l'ANSM au CLSM concerné.
Le CLSM concerné notifie cette modification aux navires de mer en route vers ou dans le port et aux installations portuaires.
Section 4. - Sûreté des installations portuaires
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 2.5.2.26. Règlement ISPS
Lors de la mise en oeuvre des dispositions du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution, les recommandations de la partie B du Code ISPS sont prises en compte dans la mesure du possible, à l'exception des dispositions figurant à l'article 3.5 du Règlement ISPS qui sont obligatoires.
L'installation portuaire est tenue d'entreprendre des actions conformément aux niveaux de sûreté en vigueur introduits sur la base de l'article 2.5.2.25 et de se conformer aux instructions de l'ANSM et du CLSM compétent au niveau de sûreté 3.
Art. 2.5.2.27. Catégories
Les installations portuaires sont classées dans les catégories suivantes :
1° Catégorie 1 : installations portuaires pour le transport de marchandises ;
2° Catégorie 2 : installations portuaires pour le transport de passagers.
L'ANSM, lors de l'approbation de l'évaluation de la sûreté visée à l'article 2.5.2.30, décide à quelle catégorie l'installation portuaire appartiendra.
Art. 2.5.2.28. Installations portuaires utilisées principalement pour des voyages non internationaux
L'ANSM, après avis du CLSM compétent, décide dans quelle mesure le présent chapitre s'applique aux installations portuaires principalement utilisées pour les navires qui n'effectuent pas de voyages internationaux, mais qui servent occasionnellement des navires à l'arrivée ou au départ d'un voyage international, conformément aux dispositions de la Règle 2, 2, du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS. Aux fins du présent article, on entend par " occasionnel " un maximum de 10 navires de mer par an et jamais plus de deux navires de mer amarrés à l'installation portuaire en même temps.
L'évaluation de la sûreté de ces installations portuaires est effectuée conformément à l'article 2.5.2.30. Les cargaisons déchargées dans ces installations portuaires ne doivent jamais provenir de l'extérieur de l'Union européenne et ne doivent pas être laissées sans surveillance.
Art. 2.5.2.29. Niveau de sûreté
Les niveaux de sûreté à l'article 2.5.2.24 sont d'application mutatis mutandis aux installations portuaires et sont introduits conformément à la procédure prévue à l'article 2.5.2.25.
Lorsque l'installation portuaire est informée que le niveau de sûreté applicable à un navire de mer est plus élevé que celui qui s'applique à l'installation portuaire, le PFSO le signale au CLSM et à l'ANSM.
Sous-section 2. - Evaluation de la sûreté de l'installation portuaire
Art. 2.5.2.30. Mise en oeuvre de l'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire
Le CLSM dans la zone duquel l'installation portuaire est située élabore une évaluation de la sûreté de l'installation portuaire conformément à la règle 10 du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS, aux dispositions du 15 de la partie A du Code ISPS et aux dispositions des 15.3 à 15.16 de la partie B du Code ISPS.
La possibilité, prévue au 15.6 de la partie A du Code ISPS, qu'une évaluation de la sûreté de l'installation portuaire couvre plus d'une installation portuaire ne peut être autorisée qu'avec l'accord exprès préalable de l'ANSM.
Art. 2.5.2.31. Approbation de l'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire
L'ANSM décide dans les trente jours à compter de la transmission par le CLSM de l'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire à l'ANSM, si celle-ci est approuvée ou si des actions supplémentaires sont requises.
Art. 2.5.2.32. Durée de validité de l'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire
Outre les raisons énoncées au 15.4 de la partie A du Code ISPS, chaque évaluation de la sûreté de l'installation portuaire doit être revue par le CLSM au moins une fois tous les cinq ans.
Une évaluation de la sûreté de l'installation portuaire peut être utilisée pendant trois mois après son approbation pour l'élaboration du plan de sûreté de l'installation portuaire. Si le plan de sûreté de l'installation portuaire n'est pas élaboré pendant cette période, ou si le plan doit être renouvelé, une nouvelle évaluation de la sûreté de l'installation portuaire est nécessaire.
L'alinéa 2 ne s'applique pas lorsque le plan de sûreté de l'installation portuaire est modifié conformément à l'article 2.5.2.36, alinéa 2.
Sous-section 3. - Plan de sûreté d'une installation portuaire
Art. 2.5.2.33. PFSO
§ 1er. Chaque entreprise qui exploite une installation portuaire nomme un PFSO.
Le PFSO est :
1° lié à l'entreprise par un contrat de travail ; ou
2° un administrateur de l'entreprise ; ou
3° un membre du personnel d'un organisme de sûreté reconnu.
L'entreprise notifie immédiatement la nomination d'un PFSO ou toute modification de celle-ci au CLSM compétent, qui notifie cette nomination à l'ANSM.
Pour être nommé PFSO, il doit subir au moins une vérification de sécurité telle que visée à l'article 22quinquies de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité. Si un avis de sécurité négatif est émis, cette personne ne peut exercer la fonction de PFSO.
Un PFSO doit disposer du certificat visé à l'article 2.5.2.39, § 2r, alinéa 2, au plus tard dans les six mois suivant la nomination.
§ 2. La responsabilité du PFSO est déterminée conformément au 17.2 de la partie A du Code ISPS et à la législation du travail ou sur les sociétés du droit commun en vigueur.
§ 3. L'entreprise est tenue de fournir le soutien nécessaire au PFSO pour lui permettre d'effectuer correctement les tâches et les responsabilités déterminées par le Code ISPS, le Règlement ISPS, le présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.
§ 4. Sans préjudice du paragraphe 1er, un PFSO peut être nommé pour plus d'une installation portuaire.
Si le PFSO est un membre du personnel d'un organisme de sûreté reconnu, il n'est pas permis que l'organisme de sûreté reconnu soit également l'employeur des agents de gardiennage de l'installation portuaire.
§ 5. Pour chaque PFSO, il est nommé au moins un adjoint auquel s'appliquent les paragraphes 1er à 4.
Art. 2.5.2.34. Elaboration du plan de sûreté de l'installation portuaire
§ 1er. L'entreprise qui exploite l'installation portuaire élabore le plan de sûreté de l'installation portuaire.
Le plan de sûreté de l'installation portuaire doit être élaboré conformément :
1° au 16 de la partie A du Code ISPS ;
2° au 16 de la partie B du Code ISPS, qui est obligatoire aux fins de la présente loi, à l'exception :
a) des dispositions du 16.1 ;
b) des dispositions des 16.61 jusqu'à et y compris 16.63 ;
3° aux arrêtés d'exécution pris sur la base de l'article 2.5.2.45 qui fixent les normes nécessaires auxquelles la sûreté doit se conformer ;
4° de l'évaluation de la sûreté.
Pour l'approbation de l'évaluation de la sûreté sur laquelle le plan de sûreté est basé, l'ANSM peut bénéficier d'une dérogation à une ou plusieurs dispositions visées à l'alinéa 2, 2°.
§ 2. Pour chaque installation portuaire, un plan de sûreté distinct doit être établi même si l'évaluation de la sûreté couvre plusieurs installations portuaires, conformément à l'article 2.5.2.30, alinéa 2.
Art. 2.5.2.35. Approbation du plan de sûreté de l'installation portuaire
Le PFSO soumet le plan de sûreté de l'installation portuaire à l'approbation du CLSM compétent dans les trois mois suivant l'approbation de l'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire. Dans les trente jours, le CLSM concerné donne un avis motivé à l'ANSM. L'ANSM décide de l'approbation du plan de sûreté de l'installation portuaire dans les trente jours.
L'approbation est valable cinq ans, après quoi un nouveau plan de sûreté doit être élaboré sur la base d'une nouvelle évaluation de la sûreté.
Art. 2.5.2.36. Modification du plan de sûreté de l'installation portuaire
Toute modification substantielle doit également être soumise au CLSM concerné et à l'ANSM pour approbation. Le Roi détermine, sur l'avis de l'ANSM, ce qui doit être considéré comme une modification substantielle. La durée de validité déterminée conformément à l'article 2.5.2.35, alinéa 2, reste inchangée lors de l'approbation d'une modification substantielle.
Dans le cas d'événements ou d'incidents temporaires, l'ANSM peut, sur l'avis du CLSM, adapter le plan de sûreté pour la durée de l'événement ou de l'incident.
Art. 2.5.2.37. Retrait du plan de sûreté de l'installation portuaire
§ 1er. Le plan de sûreté de l'installation portuaire peut être retiré par l'ANSM dans le cas où :
1° la sûreté de l'installation portuaire ne peut plus être garantie avec le plan de sûreté de l'installation portuaire approuvé ;
2° l'entreprise qui exploite l'installation portuaire a agi en violation du plan de sûreté de l'installation portuaire, du Règlement ISPS, du présent chapitre ou ses arrêtés d'exécution ;
3° l'entreprise qui exploite l'installation portuaire ne suit pas les instructions visées à l'article 2.5.2.38.
Le retrait ne peut être que total.
§ 2. Un recours contre le retrait peut être introduit auprès du ministre dans les dix jours après la notification de la décision.
Le ministre prend une décision dans les trente jours, après avoir entendu l'installation portuaire et l'ANSM.
Le recours ne suspend pas la décision.
Art. 2.5.2.38. Evaluations intermédiaires
§ 1er. Le plan de sûreté de l'installation portuaire est évalué par le CLSM :
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après l'approbation ;
2° si la sûreté de l'installation portuaire ne peut plus être garantie en raison d'une ou plusieurs actions illicites ou s'il existe un soupçon qu'elle ne peut plus être garantie.
§ 2. Le CLSM transmet l'évaluation à l'ANSM qui, sur la base de cette évaluation, peut :
1° fixer les délais dans lesquels une adaptation du plan de sûreté de l'installation portuaire doit être soumise conformément à l'article 2.5.2.35 ;
2° retirer le plan de sûreté de l'installation portuaire totalement, conformément à l'article 2.5.2.37 ;
3° faire procéder à une nouvelle évaluation de la sûreté par le CLSM.
Art. 2.5.2.39. Formation
§ 1er. Chaque PFSO doit avoir des connaissances, une expertise et avoir réussi un examen couvrant tous les éléments pertinents pour l'installation portuaire suivants :
1° l'administration de la sûreté ;
2° les conventions, codes et recommandations internationaux applicables ;
3° la législation et les réglementations belges et européennes applicables ;
4° les responsabilités et les fonctions des autres organismes de sûreté ;
5° la méthodologie d'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire ;
6° les méthodes d'enquête et d'inspection pour la sûreté de la navigation et la sûreté de l'installation portuaire ;
7° les activités et conditions des navires et des ports ;
8° les mesures de sûreté du navire et de l'installation portuaire ;
9° la préparation et la réponse aux situations d'urgence et mesures de précaution ;
10° les méthodes d'instruction pour la formation et l'éducation à la sûreté, y compris les mesures et procédures de sûreté ;
11° le traitement d'informations sensibles en matière de sûreté et les communications en matière de sûreté ;
12° les menaces actuelles en matière de sûreté et leurs modèles ;
13° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
14° la reconnaissance, sans discrimination, des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
15° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
16° les équipements et systèmes de sûreté, et la limitation de leurs fonctions ;
17° les méthodes de contrôle, d'inspection, de gardiennage et de surveillance ;
18° les méthodes de fouille de la cargaison et des provisions de bord et d'inspection non intrusive ;
19° les exercices de sûreté, y compris les exercices avec les navires ;
20° l'évaluation des exercices de sûreté.
§ 2. A l'issue de la formation, un examen doit être passé auprès de l'organisme de sûreté reconnu ou de l'organisme de formation reconnu. Le Roi détermine les modalités, le contenu et la note de passage de l'examen.
L'organisme de sûreté reconnu ou l'organisme de formation reconnu remet la liste des personnes ayant réussi à l'ANSM. Une personne ayant réussi reçoit un certificat dont la forme est déterminée par le Roi.
Un PFSO doit suivre un cours de recyclage tous les cinq ans dont les modalités et le contenu sont déterminés par le Roi. Le certificat du PFSO qui ne suit pas ce cours expire de plein droit 66 mois après la délivrance du certificat ou le suivi du cours de recyclage.
§ 3. Le PFSO veille à ce que les autres membres du personnel de l'installation portuaire ayant des tâches spécifiques en matière de sûreté aient connaissance des éléments suivants :
1° les menaces actuelles pour la sûreté et leurs modèles ;
2° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
3° la reconnaissance des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
4° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
5° les techniques de gestion et de contrôle des masses ;
6° la communication en matière de sûreté ;
7° le fonctionnement des équipements et systèmes de sûreté ;
8° l'essai, l'étalonnage et l'entretien des équipements et systèmes de sûreté ;
9° les techniques d'inspection, de gardiennage et de surveillance ;
10° les méthodes de fouille de la cargaison et des provisions de bord.
Cette formation peut être dispensée soit en externe, soit en interne par l'entreprise qui exploite l'installation portuaire.
§ 4. Le PFSO doit veiller à ce que tous les autres membres du personnel de l'installation portuaire, y compris les ouvriers portuaires, aient connaissance des dispositions applicables du plan de sûreté de l'installation portuaire sur les éléments suivants :
1° la signification des différents niveaux de sûreté et les exigences qui en découlent ;
2° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
3° la reconnaissance des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
4° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
5° les méthodes utilisées pour effectuer des actions illicites ;
6° une sensibilisation générale aux questions de sûreté.
Le PFSO est chargé de veiller à ce que ces connaissances soient présentes au sein du personnel.
Art. 2.5.2.40. Exercice
§ 1er. Le plan de sûreté de l'installation portuaire est testé au moins une fois par année civile au moyen d'un exercice dont les exigences sont fixées par le Roi.
Le PFSO informe le CLSM compétent au plus tard un mois avant l'exercice visé au 18.6 de la partie B du Code ISPS. Le CLSM informe l'ANSM des exercices prévus. Si les circonstances justifient un délai plus court, l'ANSM décide si l'exercice effectué compte comme l'exercice requis par le 18.6 de la partie B du Code ISPS.
§ 2. L'installation portuaire remet un rapport au CLSM et à l'ANSM au plus tard un mois après les exercices visés à l'alinéa 1er ou au 18.6 de la partie B du Code ISPS.
Art. 2.5.2.41. Déclaration d'approbation
L'ANSM délivre une Déclaration d'approbation à chaque installation portuaire dont le plan de sûreté a été approuvé.
La Déclaration d'approbation contient les données suivantes :
1° l'installation portuaire ;
2° le fait que l'installation portuaire satisfait aux dispositions du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS, de la partie A du Code ISPS, du Règlement ISPS, du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution ;
3° la durée de validité de la Déclaration d'approbation est de cinq ans maximum et ne peut jamais dépasser la durée de validité du plan de sûreté ;
4° les inspections qui ont été effectuées.
Sous-section 4. - Autres mesures
Art. 2.5.2.42. Mesures alternatives
Les mesures alternatives pour la circulation intracommunautaire sur des itinéraires fixes, tels que visés à l'article 5 du Règlement ISPS et à la Règle 11 du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS, ne sont pas autorisées.
Art. 2.5.2.43. Mesures équivalentes
L'ANSM peut autoriser, après avis du CLSM concerné sur l'évaluation de sûreté de l'installation portuaire effectuée, pour une durée limitée ne dépassant pas un an, l'exploitation d'une installation portuaire en appliquant des mesures équivalentes aux mesures de sûreté prévues dans le présent chapitre et dans la partie A du Code ISPS. L'ANSM communique les particularités de la mesure équivalente autorisée à l'OMI et à la Commission européenne.
Sous-section 5. - Normes de sûreté
Art. 2.5.2.44. Instructions de l'ANSM
L'ANSM peut donner des instructions pour :
1° les procédures à suivre par les ports et les installations portuaires dans le cadre de la sûreté ;
2° la communication entre les ports, les installations portuaires, les PFSO, le CLSM et l'ANSM ;
3° les normes de contrôle d'accès à l'installation portuaire ;
4° les normes de protection physique de l'installation portuaire ;
5° les normes pour le maintien d'une surveillance permanente de l'installation portuaire, y compris l'éclairage, le personnel de sûreté et les équipements de détection d'accès et de surveillance, notamment les caméras optiques et thermiques ;
6° la manutention des cargaisons ;
7° l'approvisionnement du navire ;
8° le traitement des bagages non accompagnés ;
9° la désignation des zones de l'installation portuaire soumises à des restrictions supplémentaires ;
10° la prévention des actions illicites ;
11° la formation obligatoire ;
12° l'imagerie du port et de l'installation portuaire pour l'autorité au moyen de plans et d'images en deux et trois dimensions ;
13° les notifications d'incidents.
14° les rapports des exercices.
Art. 2.5.2.45. Ratification
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'article 2.5.2.44, les rendant ainsi obligatoires.
Art. 2.5.2.46. Déclaration de sûreté
Une déclaration de sûreté, élaborée conformément au 5 de la partie A du Code ISPS, doit être conservée par l'installation portuaire pendant 3 ans.
Section 5. - Sûreté des navires étrangers
Art. 2.5.2.47. Notifications préalables
§ 1er. La fourniture des renseignements en matière de la sûreté préalable au mouillage dans un port ou une installation portuaire belge visée à l'article 6 du Règlement ISPS est effectuée par le capitaine du navire de mer ou son représentant, dans les délais visés à l'article 6 du Règlement ISPS.
Cette notification s'effectue via la plateforme ISPS.
§ 2. Le refus de communiquer les données visées au paragraphe 1er entraîne de plein droit le refus du navire de mer d'entrer dans un port ou une installation portuaire belge. Ce refus est communiqué via la plateforme ISPS aux différentes autorités belges concernées. Le MIK communique ce refus au navire de mer.
Art. 2.5.2.48. Exemptions
Les services réguliers peuvent, dans les conditions de l'article 7 du Règlement ISPS, bénéficier d'une exemption de fourniture des renseignements de sûreté visés à l'article 2.5.2.47. Le Roi détermine le service qui accorde l'exemption et la manière dont l'exemption est accordée.
Art. 2.5.2.49. Mesures
§ 1er. Si le MIK, le Contrôle de la navigation ou la Cellule de la Sûreté maritime ont de bonnes raisons de croire que le navire de mer qui a l'intention de mouiller dans un port belge ne satisfait pas aux exigences du Code ISPS ou de la partie A du Code ISPS, ces services tenteront de contacter le navire de mer.
Si cette communication n'aboutit pas à une rectification ou si le Contrôle de la navigation ou la Cellule de la Sûreté maritime continuent d'avoir de bonnes raisons de croire que le navire de mer ne satisfait pas aux exigences du Code ISPS ou de la partie A du Code ISPS, ils peuvent prendre les mesures suivantes :
1° exiger que la non-conformité soit rectifiée ;
2° exiger que le navire de mer se rende à un endroit désigné dans les eaux territoriales ou dans un port ;
3° procéder à une inspection du navire de mer si le navire de mer se trouve dans les eaux territoriales belges ou dans un port.
Sur avis du MIK, du Contrôle de la navigation ou de la Cellule de la Sûreté maritime, le Président de l'ANSM peut procéder au refus d'accès aux ports belges.
Le capitaine du navire de mer doit être informé avant que ces mesures ne soient prises. Si le capitaine décide de ne pas faire escale dans un port belge, le présent article n'est pas applicable.
§ 2. Le président de l'ANSM peut refuser aux navires battant pavillon étranger l'accès aux ports belges si des sanctions ont été prises par l'Organisation des Nations unies, l'Union européenne ou le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, à l'encontre d'un pays tiers, d'entreprises ou de personnes physiques.
Le président de l'ANSM est chargé de refuser l'accès aux ports belges aux navires visés à l'alinéa 1er, ou d'appliquer les sanctions imposées par l'Organisation des Nations unies ou l'Union européenne.
Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités de contrôle du respect des sanctions et de l'application du refus d'accès à ces navires.
Section 6. - Sûreté des navires belges
Sous-section 1re. - Niveau de sûreté
Art. 2.5.2.50. Eaux maritimes
§ 1er. Toutes les eaux accessibles aux navires de mer belges, à l'exception des ports situés dans d'autres pays, se voient attribuer un niveau de sûreté conformément à l'article 2.5.2.24.
Chaque navire de mer belge doit prendre les mesures liées au niveau de sûreté de la zone dans laquelle il se trouve.
§ 2. Le niveau de sûreté est fixé au niveau 1. Si des informations sont disponibles indiquant qu'il existe des risques d'incidents de sûreté et/ou d'actions illicites avec des navires de mer belges, le niveau de sûreté dans ces zones peut être augmenté.
Dans ces cas, le directeur général de la Navigation détermine le niveau de sûreté dans ces zones après avis du NCCN et de la Cellule de la Sûreté maritime.
Pour entrer dans une zone de niveau de sûreté 2 ou 3, le capitaine doit signaler à la Cellule de la Sûreté maritime l'heure présumée de son entrée. Dans ces cas, la liste de l'équipage doit, sur simple demande, être transmise immédiatement à la Cellule de la Sûreté maritime.
Lorsque le niveau de sûreté 3 est mis en place, le Président de l'ANSM peut prendre des mesures d'urgence qui doivent être suivies par tous les navires de mer belges se trouvant dans cette zone.
§ 3. La Cellule de la Sûreté maritime évalue tous les trois mois si le niveau de sûreté accru doit être maintenu, augmenté ou diminué et transmet cette évaluation au NCCN pour avis. L'évaluation et l'avis sont transmis au Président de l'ANSM, qui prend une décision dans les cinq jours.
§ 4. Toute modification du niveau de sûreté est notifiée par la Cellule de la Sûreté maritime au ministre, au ministre des affaires étrangères, à chaque CSO, aux membres de l'ANSM et du MIK.
Si un port est situé dans les zones où le niveau de sûreté a été modifié, le pays où se situe ce port est informé par la représentation diplomatique belge dans ce pays du niveau de sûreté mis en place.
Art. 2.5.2.51. Navires de mer belges
§ 1er. Sans préjudice de l'article 2.5.2.50, chaque navire de mer belge a un niveau de sûreté conformément à l'article 2.5.2.24 et doit respecter les mesures liées à ce niveau de sûreté.
§ 2. Le niveau de sûreté est fixé au niveau 1. Si des informations sont disponibles indiquant qu'il existe des risques d'incidents de sûreté et/ou d'actions illicites avec des navires de mer belges, le niveau de sûreté pour le navire de mer concerné peut être augmenté.
Dans ces cas, le directeur général de la Navigation détermine le niveau de sûreté dans ces zones après avis du NCCN, de la Cellule de la Sûreté maritime et du CSO du navire de mer concerné.
Lorsque le niveau de sûreté 3 est mis en place, le président de l'ANSM peut prendre des mesures d'urgence qui doivent être suivies par le navire de mer belge.
§ 3. La Cellule de la Sûreté maritime évalue chaque mois si le niveau de sûreté accru doit être maintenu, augmenté ou diminué et transmet cette évaluation au NCCN pour avis. L'évaluation et l'avis sont transmis au Président de l'ANSM, qui prend une décision dans les cinq jours.
§ 4. Toute modification du niveau de sûreté est notifiée par la Cellule de la Sûreté maritime au ministre, au CSO du navire de mer concerné, aux membres de l'ANSM et du MIK.
Le CSO remet à la Cellule de la Sûreté maritime une confirmation écrite que le capitaine a reçu les modifications du niveau de sûreté.
Sous-section 2. - Personnel de sûreté de l'armateur
Art. 2.5.2.52. CSO
L'armateur nomme un CSO pour chaque navire de mer belge exploité par l'armateur. Un CSO peut être nommé pour un ou plusieurs navires et un armateur a le droit de nommer plus d'un CSO s'il exploite plusieurs navires.
La nomination d'un CSO à l'alinéa 1er ou toute modification de celle-ci est immédiatement communiquée par l'armateur à la Cellule de la Sûreté maritime.
Art. 2.5.2.53. SSO
L'armateur veille à ce qu'un SSO soit présent sur chaque navire.
L'armateur doit tenir une liste des SSO de ses navires et la remet à la Cellule de la Sûreté maritime sur simple demande.
Sous-section 3. - Obligations de l'armateur
Art. 2.5.2.54. Responsabilité
L'armateur est chargé de fournir le soutien nécessaire au CSO, au SSO et au capitaine pour leur permettre d'effectuer correctement les tâches et les responsabilités déterminées par le Code ISPS, le Règlement ISPS, le présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.
Art. 2.5.2.55. Evaluation de la sûreté des navires
L'armateur veille à ce que le CSO procède à une évaluation de la sûreté du navire pour chaque navire de mer exploité par l'armateur. L'évaluation est effectuée conformément au point 8 de la partie A du Code ISPS et au point 8 de la partie B du Code ISPS, qui sont obligatoires aux fins du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.
L'ANSM, la Cellule de la Sûreté maritime et le Contrôle de la navigation sont autorisés à prendre connaissance de l'évaluation approuvée de la sûreté des navires. L'armateur remet cette évaluation approuvée à l'ANSM, à la Cellule de la Sûreté maritime et au Contrôle de la navigation sur simple demande.
Art. 2.5.2.56. Plan de sûreté du navire
§ 1er. L'armateur est chargé de faire établir par le CSO un plan de sûreté du navire et de le soumettre au Contrôle de la navigation pour approbation.
L'approbation peut être délégué par le ministre à un organisme de sûreté reconnu. Le Roi détermine les modalités selon lesquelles cette délégation est possible.
Le plan de sûreté du navire doit être élaboré conformément au point 9 de la partie A du Code ISPS et au point 9 de la partie B du Code ISPS, qui sont obligatoires aux fins du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.
§ 2. Le Roi détermine qui met en oeuvre les dispositions du 19 de la partie A du Code ISPS concernant la vérification des navires de mer belges et la délivrance des certificats.
§ 3. Le plan de sûreté du navire peut être retiré si le navire ne satisfait plus aux exigences visées au point 9 de la partie A du Code ISPS et au point 9 de la partie B du Code ISPS.
Sous-section 4. - Formation et exercices
Art. 2.5.2.57. Formation
§ 1er. Chaque CSO, SSO et personnel à terre chargé de la sûreté doit avoir des connaissances et être formé à tous les éléments concernant le navire de mer suivants :
1° l'administration de la sûreté ;
2° les conventions, codes et recommandations internationaux applicables ;
3° la législation et les réglementations belges et européennes applicables ;
4° les responsabilités et les fonctions des autres organismes de sûreté ;
5° la méthodologie d'évaluation de la sûreté des navires ;
6° les méthodes d'enquête et d'inspection pour la sûreté des navires ;
7° les activités et conditions des navires et des ports ;
8° les mesures de sûreté des navires et des installations portuaires ;
9° la préparation et la réponse aux situations d'urgence et mesures de précaution ;
10° les méthodes d'instruction pour la formation et l'éducation à la sûreté, y compris les mesures et procédures de sûreté ;
11° le traitement d'informations sensibles en matière de sûreté et la communication en matière de sûreté ;
12° les menaces actuelles en matière de sûreté et leurs modèles ;
13° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
14° la reconnaissance, sans discrimination, des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
15° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
16° les équipements et systèmes de sûreté, et la limitation de leurs fonctions ;
17° les méthodes de contrôle, d'inspection, de gardiennage et de surveillance ;
18° les exercices de sûreté ;
19° l'évaluation des exercices de sûreté.
§ 2. En outre, le SSO doit avoir des connaissances suffisantes et recevoir une formation sur les éléments suivants :
1° l'agencement du navire de mer ;
2° le plan de sûreté du navire et les procédures associées ;
3° les techniques de gestion et de contrôle des masses ;
4° le fonctionnement des équipements et systèmes de sûreté ;
5° l'essai, l'étalonnage et l'entretien des équipements et systèmes de sûreté.
§ 3. Les membres de l'équipage ayant des tâches spécifiques en matière de sûreté doivent avoir des connaissances et des compétences suffisantes pour pouvoir exécuter les tâches qui leur sont assignées, notamment :
1° les menaces actuelles en matière de sûreté et leurs modèles ;
2° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
3° la reconnaissance des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
4° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
5° les techniques de gestion et de contrôle des masses ;
6° la communication en matière de sûreté ;
7° les procédures d'urgence et les mesures de précaution ;
8° le fonctionnement des équipements et systèmes de sûreté ;
9° l'essai, l'étalonnage et l'entretien en mer des équipements et systèmes de sûreté ;
10° les techniques d'inspection, de gardiennage et de surveillance ;
11° les techniques de fouille de la cargaison et des provisions de bord.
§ 4. Tous les autres membres de l'équipage doivent avoir des connaissances suffisantes et être familiarisés avec les dispositions applicables du plan de sûreté du navire, notamment :
1° la signification des différents niveaux de sûreté et les exigences qui en découlent ;
2° les procédures d'urgence et les mesures de précaution ;
3° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
4° la reconnaissance des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
5° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté.
§ 5. le Roi peut réglementer l'organisation des formations et la délivrance d'un certificat aux participants.
Art. 2.5.2.58. Alerte de sûreté du navire
Lorsque l'alerte de sûreté du navire visée à la Règle 6 du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS est activée, l'alerte doit être transmise au MIK.
Art. 2.5.2.59. Rapports d'incidents
Le CSO signale immédiatement tout incident de sûreté à la Cellule de la Sûreté maritime. La Cellule de la Sûreté maritime informera les autorités compétentes à cet égard.
Une déclaration de sûreté, élaborée conformément au point 5 de la partie A du Code ISPS, est conservée à bord du navire pendant 3 ans et est remise, sur simple demande, à la Cellule de la Sûreté maritime et au Contrôle de la navigation.
Art. 2.5.2.60. Exercices
Le CSO garde un aperçu des exercices organisés conformément au point 13.6 de la partie B du Code ISPS et les communique à la Cellule de la Sûreté maritime et au Contrôle de la navigation sur demande.
Le CSO informe la Cellule de la Sûreté maritime au plus tard 24 heures avant l'exercice prévu visé au point 13.7 de la partie B du Code ISPS. A la demande du CSO, le directeur général de la Navigation peut autoriser que l'exercice ne soit pas communiqué au préalable à la Cellule de la Sûreté maritime.
Art. 2.5.2.61. Instructions
La Cellule de la Sûreté maritime peut donner des instructions pour :
1° les procédures à suivre par les armateurs dans le cadre de la sûreté ;
2° la communication entre le CSO, le SSO, le MIK, la Cellule de la Sûreté maritime et l'ANSM ;
3° les normes de protection physique du navire de mer ;
4° l'imagerie au moyen de plans en deux et trois dimensions ;
5° la formation obligatoire.
Art. 2.5.2.62. Ratification
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'article 2.5.2.61, les rendant ainsi obligatoires.
Section 7. - Sûreté de la mer du Nord
Art. 2.5.2.63. Evaluation de la sûreté
§ 1er. En concertation avec l'exploitant de l'ouvrage de construction ou de génie civil ou du câble ou du pipeline, le MIK effectue une évaluation de la sûreté contenant au moins les éléments suivants :
1° l'identification et l'évaluation des biens et des infrastructures essentiels qu'il importe de protéger ;
2° l'identification des risques d'actions illicites ;
3° l'identification des menaces éventuelles contre les biens et les infrastructures, et de leur probabilité de survenance, afin d'établir des mesures de sûreté en les classent par ordre de priorité ;
4° l'identification, le choix et le classement par ordre de priorité des contre-mesures et des changements de procédure ainsi que leur degré d'efficacité pour réduire la vulnérabilité ;
5° l'identification des points faibles, y compris les facteurs humains, dans l'infrastructure, les politiques et les procédures ;
6° l'analyse des risques des éléments susceptibles d'être victimes d'espionnage, de terrorisme et de sabotage à la suite d'influences étrangères au moyen d'une collaboration publique ou privée.
§ 2. L'ANSM se prononce sur l'approbation de l'évaluation de la sûreté dans les trente jours à compter de la transmission par le MIK de cette évaluation.
Sur la base de l'évaluation de la sûreté, l'ANSM peut décider qu'il n'est pas nécessaire d'élaborer un plan de sûreté.
§ 3. L'évaluation de la sûreté est évaluée par le MIK tous les 5 ans, même dans les cas où l'ANSM a décidé qu'il n'était pas nécessaire d'élaborer un plan de sûreté.
Une évaluation de la sûreté peut être utilisée pendant six mois après son approbation pour l'élaboration d'un plan de sûreté. Si le plan de sûreté n'est pas élaboré pendant cette période ou si le plan de sûreté doit être renouvelé, une nouvelle évaluation de la sûreté est nécessaire.
Art. 2.5.2.64. Plan de sûreté
L'exploitant de l'ouvrage de construction ou de génie civil ou du câble ou du pipeline élabore un plan de sûreté et le soumet au MIK dans les six mois suivant l'approbation de l'évaluation de la sûreté. Dans les trente jours, le MIK donne un avis à l'ANSM, après consultation des services désignés par le Roi.
Le plan de sûreté contient une disposition sur la manière et le délai dans lequel un exercice doit être effectué.
L'ANSM décide de l'approbation du plan de sûreté dans les trente jours.
L'approbation est valable cinq ans.
Toute modification substantielle doit également être soumise au CLSM concerné et à l'ANSM pour approbation. Le Roi détermine, sur l'avis de l'ANSM, ce qui doit être considéré comme une modification substantielle.
Art. 2.5.2.65. Evaluations intermédiaires
§ 1er. Le plan de sûreté est évalué par le MIK :
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après l'approbation ;
2° si la sûreté de l'ouvrage de construction ou de génie civil ou du câble ou du pipeline ne peut plus être garantie en raison d'une ou plusieurs actions illicites ou s'il existe un soupçon qu'elle ne peut plus être garantie.
§ 2. Sur la base de cette évaluation, l'ANSM peut fixer des délais dans lesquels une adaptation du plan de sûreté doit être soumise conformément à l'article 2.5.2.64 ou le MIK doit procéder à une nouvelle évaluation de la sûreté.
Art. 2.5.2.66. Instructions
L'ANSM peut donner des instructions pour :
1° les procédures à suivre par les exploitants dans le cadre de la sûreté ;
2° la communication entre les exploitants, le MIK et l'ANSM ;
3° les normes de protection physique des ouvrages de construction ou de génie civil, des câbles ou des pipelines ;
4° les normes pour le maintien d'une surveillance permanente, y compris l'éclairage, le personnel de sûreté et les équipements de détection d'accès et de surveillance, notamment les caméras optiques et thermiques ;
5° la désignation de zones soumises à des restrictions supplémentaires ;
6° la prévention des actions illicites ;
7° l'imagerie pour l'autorité au moyen de plans et d'images en deux et trois dimensions.
Art. 2.5.2.67. Ratification
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'article 2.5.2.66, les rendant ainsi obligatoires.
Art. 2.5.2.68. Exercice
En concertation avec le MIK, la sûreté de l'ouvrage de construction ou de génie civil, du câble ou du pipeline est testée conformément à ce qui est prévu dans le plan de sûreté.
Section 8. - Organismes de sûreté et organismes de formation reconnus
Sous-section 1re. - Organisme de sûreté reconnu
Art. 2.5.2.69. Demande et conditions
§ 1er. Une entreprise souhaitant être reconnue comme un organisme de sûreté reconnu doit soumettre une demande auprès de la Cellule de la Sûreté maritime.
Afin d'être reconnue comme un organisme de sûreté, l'entreprise doit satisfaire aux dispositions concernant les entreprises de consultance visées à l'article 8 de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière et avoir une unité d'établissement en Belgique.
La reconnaissance ne s'applique qu'aux missions effectuées pour le compte de ports ou installations portuaires belges, ou de navires belges.
§ 2. Les entreprises autorisées en tant qu'organisme reconnu conformément à l'article 2.2.3.15, § 2, n'ont pas besoin de soumettre une demande distincte pour effectuer les tâches visées à l'article 2.5.2.75 si l'autorisation couvre également le Code ISPS. Le Contrôle de la navigation transmet à l'ANSM toute modification de la liste des entreprises reconnues.
Art. 2.5.2.70. Audit
La Cellule de la Sûreté maritime et le Contrôle de la navigation effectuent un audit, au cours duquel l'entreprise doit démontrer qu'elle :
1° dispose d'une expertise des aspects pertinents en terme de sûreté portuaire ;
2° a la connaissance nécessaire des activités portuaires, notamment de la conception et de la construction de ports ;
3° a la connaissance nécessaire des autres activités pertinentes liées à la sûreté qui peuvent avoir une influence sur la sûreté portuaire ;
4° est capable d'évaluer les risques probables liés à la sûreté portuaire ;
5° est capable de maintenir et d'améliorer l'expertise du personnel en terme de sûreté portuaire ;
6° est capable de vérifier la fiabilité continue du personnel ;
7° est capable de maintenir les mesures nécessaires visant à prévenir la divulgation ou l'accès non autorisé à du matériel sensible ;
8° a une connaissance des réglementations internationales, européennes et belges pertinentes et des exigences de sûreté ;
9° a une connaissance des menaces actuelles en matière de sûreté et de leurs modèles ;
10° a des connaissances en matière de reconnaissance et de détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
11° a des connaissances en matière de reconnaissance, sans discrimination, des caractéristiques et des modèles de comportement des personnes qui peuvent menacer la sûreté portuaire ;
12° a une connaissance des techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
13° a une connaissance des équipements et systèmes de sûreté et de surveillance et de la limitation de leurs fonctions ;
14° a une connaissance de la prévention des actions illicites et de l'élaboration de mesures visant à prévenir les actions illicites.
Art. 2.5.2.71. Reconnaissance
L'ANSM décide de la reconnaissance sur l'avis de la Cellule de la Sûreté maritime sur la base de l'audit. La reconnaissance est valable pour une période de 5 ans.
Art. 2.5.2.72. Retrait
L'ANSM peut retirer la reconnaissance de l'organisme de sûreté s'il est établi qu'il ne satisfait plus aux conditions ou ne peut plus démontrer qu'elle dispose des éléments visés à l'article 2.5.2.70.
Art. 2.5.2.73. Evaluation intermédiaire
§ 1er. La Cellule de la Sûreté maritime procède à une évaluation intermédiaire de l'organisme de sûreté reconnu :
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après la reconnaissance ;
2° si plusieurs incidents de sûreté ou actions illicites sont constatés dans les installations portuaires ou à bord des navires de mer pour lesquels l'organisme de sûreté reconnu effectue des missions ;
3° s'il existe un soupçon que l'organisme de sûreté reconnu effectue les tâches d'une manière qui pourrait compromettre la sûreté.
Sur la base de cette évaluation, l'ANSM peut :
1° procéder au retrait conformément à l'article 2.5.2.72 ;
2° établir des mesures en vue de remédier aux déficiences et déterminer des délais pour que l'organisme reconnu satisfasse à ces mesures.
Art. 2.5.2.74. Incompatibilités
Un organisme de sûreté reconnu qui a participé à l'élaboration ou à l'évaluation d'une évaluation de la sûreté ne peut pas être impliqué dans l'élaboration, l'évaluation ou d'autres travaux relatif au plan de sûreté.
Si le PFSO a une relation professionnelle avec un organisme de sûreté reconnu, cet organisme de sûreté reconnu ne peut pas effectuer les tâches comme entreprise de gardiennage visée à l'article 4 de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière sur l'installation portuaire dont le PFSO est responsable.
Art. 2.5.2.75. Compétences
Un organisme de sûreté reconnu peut :
1° collaborer à l'élaboration d'une évaluation de la sûreté ;
2° élaborer, analyser et faire des recommandations sur les plans de sûreté des ports et des installations portuaires ;
3° dispenser des formations et faire passer des examens aux PFSO ;
4° mettre un PFSO à la disposition d'une ou plusieurs installations portuaires ;
5° faire office de responsable du traitement tel que visé à l'article 2.5.2.91 ;
6° approuver le plan de sûreté du navire.
Sous-section 2. - Approbation de l'organisme de formation
Art. 2.5.2.76. Approbation
Un organisme de formation reconnu par une Communauté peut, après approbation de l'ANSM, dispenser les formations visées au présent chapitre.
Section 9. - Plateforme ISPS
Art. 2.5.2.77. Champ d'application
La présente section règle l'échange d'informations électroniques entre tous les acteurs concernés par la sûreté maritime pour la mise en oeuvre du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution ainsi que le stockage des informations.
Art. 2.5.2.78. Création de la plateforme ISPS
§ 1er. Une plateforme ISPS est créée.
Les objectifs de la plateforme ISPS sont :
1° le stockage, le suivi et l'approbation de toutes les évaluations de la sûreté mentionnées dans le présent chapitre ;
2° le stockage, le suivi et l'approbation de tous les plans de sûreté mentionnés dans le présent chapitre ;
3° le signalement, l'enregistrement et le suivi des incidents de sûreté ;
4° le signalement, l'enregistrement et le suivi des exercices ;
5° l'échange d'informations entre les acteurs concernés ;
6° la saisie, l'enregistrement et le suivi des rapports d'inspection par les différents services ;
7° la délivrance et la mise à jour électronique des différents certificats ;
8° la génération de rapports à l'OMI et à la Commission européenne ;
9° la délimitation des ports et des installations portuaires au moyen d'un composant SIG ;
10° la réalisation d'analyses des risques sur toutes les données disponibles ;
11° la visualisation des ports, installations portuaires et navires au moyen de données 2D, 3D et SIG ;
12° l'automatisation et la fourniture des informations de sûreté par les navires étrangers ;
13° le stockage des données du contrôle d'accès ;
14° l'enregistrement des données pour vérifier le respect de l'interdiction visée à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes et à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation ;
15° l'enregistrement des données pour vérifier le respect de l'interdiction imposée aux personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, ont reçu la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire ;
16° la mise à jour des vérifications de sûreté et des demandes requises par le présent chapitre ;
17° la mise à jour de la liste des membres de l'ANSM, du CLSM et de la Cellule de la Sûreté maritime, et les PFSO et les CSO.
§ 2. L'accès aux données du 1° au 7°, du 9° au 11° et du 13° au 16° est limité aux membres de l'ANSM, de la Cellule de la Sûreté maritime et des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4, et aux membres du CLSM pour le port et les installations portuaires relevant de leur compétence, et au PFSO pour sa propre installation portuaire.
L'accès aux données du 8° est limité aux membres de l'ANSM et de la Cellule de la Sûreté maritime.
L'accès aux données du 12° est limité aux membres de l'ANSM, de la Cellule de la Sûreté maritime et des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4.
Art. 2.5.2.79. Financement
Les crédits nécessaires à la création et le fonctionnement de la plateforme ISPS sont inscrits au budget de la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports.
Afin de pouvoir utiliser la plateforme ISPS pour les objectifs visés à l'article 2.5.2.78, 13°, 14°, 15° et 16°, le Roi peut déterminer une redevance et en fixer les modalités.
Art. 2.5.2.80. Gestion
§ 1er. L'ANSM agit comme comité de gestion de la plateforme ISPS
Le ministre est chargé du bon fonctionnement de la plateforme ISPS.
§ 2. L'ANSM dispose des compétences suivantes en ce qui concerne la plateforme ISPS :
1° gérer la plateforme ISPS ;
2° prendre toute initiative pouvant contribuer à l'efficacité du fonctionnement sûr de la plateforme ISPS ;
3° prendre toute initiative pour adapter la plateforme ISPS aux modifications sur le plan législatif, réglementaire et technologique ;
4° notifier au ministre compétent les moyens nécessaires au bon fonctionnement de la plateforme ISPS ;
5° communiquer annuellement au ministre compétent les estimations budgétaires en matière de coûts de fonctionnement et de maintenance de la plateforme ISPS, y compris le coût des systèmes qui y sont stockés ;
6° conclure des accords en ce qui concerne les services nécessaires pour la gestion de la plateforme ISPS ;
7° octroyer des avis, de sa propre initiative ou à la demande des ministres compétents, en ce qui concerne les initiatives législatives et autres qui ont une incidence sur le fonctionnement de la plateforme ISPS.
Art. 2.5.2.81. Contrôle sur l'interdiction portuaire
Afin d'avoir accès à une installation portuaire, il faut vérifier à l'entrée si la personne qui souhaite y accéder figure sur la plateforme ISPS en tant que personne à laquelle une interdiction a été imposée conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation, ou à laquelle en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire a été imposée.
Le Roi détermine les modalités et le fonctionnement de la plateforme ISPS pour le contrôle visé à l'alinéa 1er.
Section 10. - Protection des données
Sous-section 1re. - Images de caméra
Art. 2.5.2.82. Caméras de surveillance
Les caméras de surveillance installées par les exploitants des ports ou des installations portuaires doivent être conformes aux dispositions de la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance.
Art. 2.5.2.83. Caméras intelligentes
§ 1er. L'installation de caméras intelligentes en vue de la reconnaissance automatique des plaques d'immatriculation par les exploitants des ports et des installations portuaires est autorisée, l'utilisation de ces caméras et l'accès aux données est réglementé conformément à la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance..
Par dérogation à l'article 8/1 de la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance, l'utilisation de caméras de surveillance intelligentes en vue de la reconnaissance automatique des navires est autorisée.
§ 2. L'utilisation de caméras intelligentes conformément au paragraphe 1er est autorisée, à condition que l'installation et l'utilisation figurent dans le plan de sûreté, pour la vérification du respect du Règlement ISPS, du Code ISPS et du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution, ainsi que pour la prévention des actions illicites et la garantie de la sûreté maritime.
Sous-section 2. - Données biométriques
Art. 2.5.2.84. Utilisation
§ 1er. En vue du contrôle de l'accès aux installations portuaires et du contrôle de l'identité pour la manutention de la cargaison, les plans de sûreté peuvent, sur la base d'éléments concrets repris dans les évaluations de la sûreté qui en démontrent la nécessité, prévoir que l'accès à l'installation portuaire soit subordonné à la vérification des données biométriques pour toutes ou certaines catégories de visiteurs.
Les plans de sûreté d'un port ou d'une installation portuaire, sur la base d'éléments concrets de l'évaluation de la sûreté qui en démontrent la nécessité, peuvent inclure des dispositions visant à protéger l'accès numérique aux réseaux et systèmes d'information au moyen des données biométriques.
§ 2. L'objectif du contrôle d'accès est d'empêcher tout accès non autorisé à l'installation portuaire ou aux réseaux et systèmes d'information. Le traitement des données biométriques est une exception telle que visée à l'article 9.2, g) du RGPD.
L'objectif du contrôle de l'identité pour la manutention de la cargaison est la prévention que ces machines soient utilisées pour commettre une action illicite. Le traitement des données biométriques est une exception telle que visée à l'article 9.2, a) et g) du RGPD.
§ 3. Aux fins de la présente sous-section, on entend par " visiteur " quiconque, y compris les administrateurs et les membres du personnel, souhaite avoir accès à l'installation portuaire ou à des parties de l'installation portuaire à l'exception des passagers des navires de mer qui embarquent ou débarquent dans une installation portuaire pour le transport de passagers, et des membres de l'équipage des navires de mer.
Art. 2.5.2.85. Reconnaissance du sous-traitant
§ 1er. Les données biométriques ne peuvent être traitées que par une entreprise reconnue à cet effet par le ministre sur la base de l'audit visé au paragraphe 2 et d'un avis de l'ANSM.
Afin d'être reconnue comme sous-traitant de ces données biométriques, l'entreprise doit être établie dans l'Espace économique européen et avoir une unité d'établissement en Belgique. La reconnaissance ne s'applique que pour le traitement des données biométriques autorisées conformément au présent chapitre.
§ 2. La Cellule de la Sûreté maritime et le Contrôle de la navigation, en collaboration avec le Centre pour la Cybersécurité, effectuent un audit au cours duquel l'entreprise doit démontrer que :
1° l'entreprise est certifiée conformément à la norme ISO 27001, ISO 27701 ou une norme équivalente établie conformément à l'article 22, § 1er, de la loi du 7 avril 2019 établissant un cadre pour la sécurité des réseaux et des systèmes d'information d'intérêt général pour la sécurité publique ;
2° elle dispose des systèmes et procédures internes nécessaires pour empêcher l'accès non autorisé aux données biométriques ;
3° le système de traitement satisfait aux exigences énoncées au paragraphe 3.
§ 3. Les données biométriques ne peuvent être traitées que via des systèmes qui sont conformes aux conditions suivantes :
1° lors de la première phase de collecte des données biométriques, les caractéristiques uniques et individuelles de l'individu sont codées et enregistrées en tant que modèle, et ensuite les données biométriques brutes sont immédiatement supprimées ;
2° lors de la vérification de l'identité de l'individu, il est seulement vérifié si les informations collectées au moment où l'individu souhaite s'authentifier correspondent au modèle qui a été enregistré lors de la première phase de collecte ;
3° le modèle est exclusivement conservé sur un support de stockage durable en possession de l'individu, aucun stockage n'étant autorisé dans les bases de données du sous-traitant ;
4° les données biométriques collectées lors de la deuxième phase de collecte aux fins de vérification de l'identité ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire aux fins de comparaison de ces données collectées avec le modèle.
§ 4. La reconnaissance s'applique pour une durée indéterminée.
Après la reconnaissance et ensuite à chaque fois dans la période comprise entre vingt-quatre et trente-six mois après un audit précédent, un audit de suivi est effectué. Sur la base de cet audit, le ministre peut décider :
1° d'imposer des délais dans lesquels l'entreprise doit se conformer aux mesures imposées par le ministre ;
2° de retirer la reconnaissance.
Sous-section 3. - Traitement des données à caractère personnel
Art. 2.5.2.86. Finalités
Les données visées à l'article 2.5.2.88 sont traitées en vue de :
1° garantir la sûreté maritime dans les ports et les installations portuaires ;
2° prévenir les actions illicites ;
3° détecter, poursuivre et sanctionner les actions illicites ;
4° garantir la sûreté des personnes travaillant dans les ports et les installations portuaires ;
5° réaliser les tâches des services de renseignement ;
6° vérifier le respect de l'interdiction imposée conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation ;
7° vérifier le respect de l'interdiction imposée aux personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, ont reçu la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire ;
8° mettre à jour les données relatives à la formation et à l'instruction obligatoires des PFSO telles que visées à l'article 2.5.2.39, § 2.
Les données des membres des services d'inspection sont traitées en vue d'identifier l'auteur d'un rapport d'inspection ou d'un procès-verbal.
Art. 2.5.2.87. Personnes physiques concernées
Les données des personnes suivantes peuvent être traitées :
1° les visiteurs des installations portuaires et les membres du personnel chargés de la manutention de la cargaison ;
2° les PSO, PFSO, CSO et SSO ;
3° les membres des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4 ;
4° les personnes qui se sont vues imposer une interdiction conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation ;
5° les personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, se sont vues imposer la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire.
Art. 2.5.2.88. Données à traiter
§ 1er. Pour les visiteurs des installations portuaires, les données suivantes peuvent être traitées :
1° les nom et prénoms ;
2° le numéro de registre national pour les Belges ;
3° les date de naissance et adresse pour les non-Belges ;
4° l'adresse e-mail ;
5° les données biométriques, le cas échéant, conformément à l'article 2.5.2.84 ;
6° l'objectif de la visite ;
7° les heures d'arrivée et de départ et la date de la visite ;
8° la plaque d'immatriculation des voitures entrant et sortant des installations portuaires ;
9° la photo .
§ 2. Pour les PSO, PSFO, CSO et SSO, les données suivantes peuvent être traitées :
1° les nom et prénoms ;
2° le numéro de registre national pour les Belges ;
3° Les date de naissance et adresse pour les non-Belges ;
4° l'adresse e-mail ;
5° Le résultat de l'examen pour les PFSO ;
6° la photo.
§ 3. Pour les membres des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4, les données suivantes peuvent être traitées :
1° les nom et prénoms ;
2° le numéro d'identification donné par le service public pour lequel l'inspecteur travaille ;
3° la photo.
§ 4. Pour les personnes qui se sont vues imposer une interdiction conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation et les personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, se sont vues imposer la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire, les données suivantes peuvent être traitées :
1° les nom et prénoms ;
2° le numéro de registre national pour les Belges ;
3° la date jusqu'à laquelle l'interdiction est en vigueur ;
4° les ports et installations portuaires où l'interdiction est en vigueur ;
§ 5. Aux fins du présent article, les sous-traitants sont habilités à utiliser le registre national conformément aux dispositions de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques.
Art. 2.5.2.89. Accès
Les membres de l'ANSM, du CLSM concerné, de la Cellule de la Sûreté maritime, du ministère public, des services de renseignement et des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4 ont accès aux données visées à l'article 2.5.2.88 et aux fins visées à l'article 2.5.2.86.
Par dérogation à l'alinéa 1er, seuls le responsable du traitement et le sous-traitant ont accès aux données biométriques.
Art. 2.5.2.90. Délai de conservation
Les données visées à l'article 2.5.2.88 sont conservées pendant la période déterminée dans le plan de sûreté et ne peuvent jamais excéder une période de 10 ans.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les données biométriques ne peuvent être conservées que conformément aux dispositions de l'article 2.5.2.85.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les données des personnes visées à l'article 2.5.2.87, 4° et 5°, sont immédiatement effacées après l'expiration ou la levée de l'interdiction portuaire.
Art. 2.5.2.91. Responsable du traitement
L'exploitant de l'installation portuaire est le responsable du traitement pour les données des visiteurs d'une installation portuaire visées à l'article 2.5.2.88, § 1er, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86.
L'ANSM est le responsable du traitement pour les données du PSO, du PFSO, du CSO, du SSO et des inspecteurs, visés à l'article 2.5.2.88, § 2 et 3, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86.
L'ANSM est le responsable du traitement pour les données des personnes visées à l'article 2.5.2.88, § 4, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86.
Art.2.5.2.92. Droit à l'information
Par dérogation aux articles 13 et 14 du Règlement (UE) 2016/679 du 27 avril 2016 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, le droit à l'information peut être différé, limité ou exclu en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé à l'article 2.5.2.88 en vue de garantir les objectifs énoncés à l'article 2.5.2.86.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
Art. 2.5.2.93. Droit d'accès
Par dérogation à l'article 15 du Règlement (UE) 2016/679 du 27 avril 2016 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, le droit d'accès peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé à l'article 2.5.2.88 en vue de garantir les objectifs énoncés à l'article 2.5.2.86.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
Art. 2.5.2.94. Droit de rectification
Par dérogation à l'article 16 du Règlement (UE) 2016/679 du 27 avril 2016 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, le droit de rectification peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé à l'article 2.5.2.88 en vue de garantir les objectifs énoncés à l'article 2.5.2.86.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
Art. 2.5.2.95. Droit à la limitation du traitement
Par dérogation à l'article 18 du Règlement (UE) 2016/679 du 27 avril 2016 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, le droit à la limitation du traitement peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé à l'article 2.5.2.88 en vue de garantir les objectifs énoncés à l'article 2.5.2.86.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
Art. 2.5.2.96. Dispositions communes
§ 1er. La limitation des droits visée aux articles 2.5.2.92 à 2.5.2.95 peut être invoquée pour les données pour lesquelles l'ANSM ou l'exploitant de l'installation portuaire est le responsable du traitement des données.
Ces limitations valent durant la période dans laquelle la personne concernée fait l'objet d'un contrôle ou d'une enquête, y compris les actes préparatoires à ceux-ci, et durant la période nécessaire aux poursuites, dans la mesure où l'exercice des droits porterait atteinte aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires. La durée des actes préparatoires ne peut excéder un an à partir de la réception d'une demande concernant la communication d'informations à fournir conformément aux articles 13, 14, 15, 16 ou 18 du RGDP.
§ 2. Dès réception d'une demande concernant la communication d'informations à fournir conformément aux articles 13, 14, 15, 16 ou 18 du RGDP, le responsable du traitement en accuse réception.
Le responsable du traitement informe la personne concernée par écrit et dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation d'information, ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'une des finalités visées à l'article 2.5.2.86. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
§ 3. Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire soit terminée, et, le cas échéant, après que le service des amendes administratives compétent ait pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci. ".
" CHAPITRE 2 - SURETE
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 2.5.2.1. Règlement ISPS et Directive sur la sûreté portuaire
Le présent chapitre prévoit la mise en oeuvre du Règlement ISPS et la transposition de la Directive sur la sûreté portuaire.
Art. 2.5.2.2. Objectifs
Les objectifs du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution sont les suivants :
1° l'introduction de mesures visant à améliorer la sûreté des navires de mer utilisés dans le commerce international et le trafic intérieur et des installations portuaires associées contre le danger d'actions illicites ;
2° le renforcement de la sûreté face aux menaces d'incidents de sûreté par l'établissement de règles relatives à la sûreté ;
3° la protection des personnes travaillant dans un port ou une installation portuaire, sur un ouvrage de construction ou de génie civil dans les zones maritimes ou à bord des navires de mer ;
4° l'établissement des mesures visant à garantir la sûreté des navires de mer et des ouvrages de construction et de génie civil, y compris les câbles et les pipelines, dans les zones maritimes belges ;
5° l'établissement de mécanismes pour le respect du présent chapitre.
Art. 2.5.2.3. Notions
Dans le présent chapitre, dans les dispositions du livre 4 qui y ont trait et, sauf dérogation expresse, dans les arrêtés d'exécution y afférents, l'on entend par :
1° " sûreté maritime " : la combinaison de mesures préventives et de moyens humains et matériels visant à protéger le transport par mer, les ports et les installations portuaires et les zones maritimes belges contre les menaces d'actions illicites intentionnelles ;
2° " trafic maritime international " : toute liaison maritime par navire de mer entre une installation portuaire belge et une installation portuaire extérieure à la Belgique ;
3° " trafic maritime intérieur " : toute liaison par navire de mer entre une installation portuaire belge et cette même installation portuaire ou une autre installation portuaire belge ;
4° " port " : tout ensemble de terre et d'eau existant, comprenant des infrastructures et équipements destinés à faciliter les opérations de transport maritime commercial, et les zones environnantes qui ont une incidence sur la sûreté ;
5° " installation portuaire " : un emplacement où a lieu l'interface navire/terre qui comprend également, le cas échéant, les zones de mouillage, les postes d'attente et leurs abords à partir de la mer ;
6° " interface navire/terre " : une interaction qui se produit lorsque le navire de mer est directement et immédiatement affecté par des actions entrainant le mouvement de personnes ou de marchandises, ou la fourniture de services portuaires vers ou depuis le navire ;
7° " incident de sûreté " : tout acte ou circonstance menaçant la sûreté d'un navire de mer, d'une installation portuaire ou d'un port, y compris les actions illicites;
8° " plateforme ISPS " : la plateforme électronique établie et maintenue par le Gouvernement fédéral pour l'échange et la mise à jour de toutes les informations de sûreté couvertes par l'application du Code ISPS, du Règlement ISPS, de la Directive sur la sûreté portuaire, du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution ;
9° " organisme de sûreté reconnu " : une entreprise qui est reconnue conformément à l'article 2.5.2.71 pour exécuter les tâches attribuées dans le présent chapitre et ses arrêtés d'exécution ;
10° " ministre " : le ministre chargé de la mobilité maritime ;
11° " PSO " : l'agent de sûreté portuaire visé à l'article 9 de la Directive sur la sûreté portuaire ;
12° " PFSO " : l'agent de sûreté de l'installation portuaire ;
13° " CSO " : l'agent de sûreté de l'armateur ;
14° " SSO " : l'agent de sûreté à bord d'un navire de mer ;
15° " action illicite " : toute action intentionnelle qui, compte tenu de sa nature ou de son contexte, pourrait causer des dommages aux ouvrages de construction et de génie civil ou aux câbles ou aux pipelines dans les zones maritimes belges, aux navires de mer du trafic maritime international et national, à l'équipage, aux passagers ou à la cargaison, ou aux ports ou installations portuaires concernés, y compris l'utilisation de navires de mer pour faire entrer ou sortir de Belgique des articles ou produits interdits via les ports et installations portuaires ou pour permettre à des personnes ou des animaux d'embarquer ou de débarquer sans autorisation, ou toute activité connexe. ".
Art. 2.5.2.4. Champ d'application
§ . 1er. Le présent chapitre s'applique à tous les navires de mer à l'exception :
1° des navires de guerre ;
2° des navires de charge d'une jauge brute inférieure à 500 ;
3° des navires de mer sans propulsion mécanique ou des navires en bois ou de construction primitive ;
4° des navires de pêche ;
5° des navires n'exerçant pas d'activité économique.
Le Roi peut prendre des mesures pour réglementer la sûreté maritime des navires de mer visés à l'alinéa 1er sous les 2°, 3°, 4° et 5°.
Aux fins du présent chapitre, un navire qui dispose des certificats nécessaires aussi bien pour la navigation maritime que pour la navigation intérieure est toujours considéré comme un navire de mer.
§ 2. Le présent chapitre s'applique à toutes les installations portuaires belges soumises au Règlement ISPS et à chaque groupe dans lequel une telle installation portuaire est située.
Le Roi fixe les coordonnées de chaque installation portuaire en tenant compte des dispositions de la section 15 de la partie A du Code ISPS.
Sur la base de la détermination des installations portuaires à l'alinéa 1er et en tenant compte des dispositions de la Directive sur la sûreté portuaire et l'évaluation de la sûreté portuaire, le Roi, sur l'avis de l'ANSM, détermine les coordonnées des ports.
Si l'alinéa précédent indique que l'installation portuaire ne doit pas être incluse dans un groupe conformément à l'alinéa 3, les dispositions du Règlement prévalent.
§ 3. Le présent chapitre s'applique à tout ouvrage de construction ou de génie civil et à tout câble ou pipeline dans les zones maritimes belges. Le présent chapitre est sans préjudice des dispositions relatives au passage inoffensif de la Convention des Nations Unies sur le droit de la mer.
§ 4. Le présent chapitre ne s'applique pas aux installations militaires.
§ 5. Un port et une installation portuaire doivent disposer d'un plan de sûreté valide, en dehors des exceptions prévues au présent chapitre, pour pouvoir accueillir les navires de mer visés au paragraphe 1er.
Section 2. - Autorités
Sous-section 1re. - Autorité Nationale de Sûreté Maritime
Art. 2.5.2.5. Création de l'ANSM
L'Autorité Nationale de Sûreté Maritime, ci-après dénommée ANSM, est chargée de la sûreté maritime.
L'ANSM est établie à l'adresse de la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports à Bruxelles.
Art. 2.5.2.6. Tâches de l'ANSM
§ 1er. L'ANSM est le point de contact pour l'OMI, la Commission européenne et les autres Etats, dans le cadre de l'application de cette loi.
L'ANSM est responsable de l'application des mesures de sûreté maritime, en assure le suivi et fournit les renseignements nécessaires tels que visés au Code ISPS, à l'article 2.6 du Règlement ISPS, à l'article 3.4 de la Directive sur la sûreté portuaire, au présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.
L'ANSM coordonne l'application du Code ISPS, du Règlement ISPS, de la Directive sur la sûreté portuaire, du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution, met en oeuvre et contrôle les mesures de sûreté prescrites pour les navires, les ports et les installations portuaires.
§ 2. L'ANSM est compétent pour les questions de sûreté :
1° à bord des navires de mer ;
2° dans les ports et les installations portuaires ;
3° concernant les ouvrages de construction et de génie civil, les câbles et les pipelines dans les eaux maritimes.
§ 3. L'ANSM est notamment chargée de :
1° la proposition d'une politique générale relative à la matière de sûreté maritime ;
2° l'élaboration des normes relative à la sûreté maritime ;
3° le contrôle du respect des normes ;
4° la coordination générale des mesures pour la mise en oeuvre de la réglementation nationale, européenne et internationale relatives à la sûreté maritime ;
5° la délivrance d'avis, instructions et recommandations sur les mesures de sûreté maritime aux comités locaux pour la sûreté maritime, au MIK et aux autorités compétentes, quant aux mesures à prendre en matière de sûreté maritime ;
6° la coordination des études relatives aux problèmes de sûreté maritime, y compris la contribution de la Belgique aux efforts réalisés au niveau européen et international ;
7° faire office de point de contact pour la diffusion d'informations sur les plans de sûreté des installations portuaires et ports, et de point de contact national, européen et international pour toutes les questions liées à la sûreté maritime ;
8° l'octroi ou le retrait des reconnaissances des organismes de sûreté reconnus ;
9° la transmission à l'OMI d'une liste des installations portuaires conformes au Code ISPS, ainsi que les modifications éventuelles apportées à cette liste ;
10° la transmission à la Commission européenne d'une liste des ports auxquels le présent chapitre s'applique, ainsi que les modifications éventuelles apportées à cette liste ;
11° l'évaluation et l'approbation des évaluations de la sûreté des installations portuaires et des ports, et la remise d'un avis sur la classification des installations portuaires dans un groupe ;
12° l'appréciation, l'évaluation et l'approbation des plans de sûreté des ports et des installations portuaires ;
13° l'octroi d'une Déclaration d'approbation comme résultat et preuve de l'approbation des plans de sûreté des installations portuaires ;
14° le retrait des plans de sûreté des ports et des installations portuaires et des déclarations d'approbation ;
15° l'imposition des mesures correctives aux ports et aux installations portuaires après une évaluation.
§ 4. Le Roi peut assigner des tâches supplémentaires à l'ANSM.
Art. 2.5.2.7. Composition et fonctionnement de l'ANSM
§ 1er. Le Roi détermine la composition et le fonctionnement de l'ANSM, en nommant comme Président le Directeur général de la Direction générale Navigation.
§ 2. L'ANSM est assistée par la Cellule de la Sûreté maritime dans l'exercice de ses fonctions.
Sous-section 2. - Comités locaux pour la Sûreté Maritime
Art. 2.5.2.8. Création d'un CLSM
Le Roi crée les Comités locaux pour la sûreté maritime, ci-après dénommés CLSM, et détermine leur composition, leur fonctionnement et les ports et installations portuaires pour lesquels un CLSM est compétent.
Un CLSM visé à l'alinéa 1er agit comme l'autorité responsable des questions de sûreté telle que visée à l'article 3.5 de la Directive sur la sûreté portuaire.
Le CLSM fait rapport à l' ANSM en vue de formuler des recommandations et des instructions politiques.
Art. 2.5.2.9. Tâches d'un CLSM
Le CLSM est notamment chargé de :
1° la vérification de l'authenticité des informations fournies par l'agent de sûreté de l'installation portuaire ou de l'autorité du port ;
2° la réalisation des évaluations de la sûreté des ports, la réalisation des évaluations de la sûreté des installations portuaires, et de leurs modifications ;
3° la supervision de l'élaboration et de la mise en oeuvre des plans de sûreté des installations portuaires et des ports, ainsi que la rédaction d'un avis motivé pour l'approbation finale par l'ANSM des plans de sûreté des ports et des installations portuaires, et de leurs modifications ;
4° le suivi dans le temps des évaluations de la sûreté et des plans de sûreté des installations portuaires et des ports ;
5° l'établissement d'une liste des installations portuaires qui doivent être conformes au Code ISPS dans leur zone ;
6° la vérification que les installations portuaires sont conformes aux dispositions du Code ISPS, du présent chapitre et des arrêtés d'exécutions.
Le Roi peut assigner des tâches supplémentaires à un CLSM.
Art. 2.5.2.10. Composition et fonctionnement d'un CLSM
Le Roi détermine la composition et le fonctionnement d'un CLSM dans lequel le PSO du port concerné est désigné comme président.
Sous-section 3. - PSO
Art. 2.5.2.11. Désignation d'un PSO
§ 1er. Si le port dispose d'un capitaine de port conformément à la réglementation régionale, le capitaine de port est désigné comme PSO.
S'il n'y a pas de capitaine de port pour un port, le directeur coordonnateur de la police fédérale de l'arrondissement concerné est le PSO. Si un port comprend plusieurs arrondissements, les directeurs coordonnateurs concernés déterminent d'un commun accord qui est le PSO.
Pour chaque PSO, 2 adjoints sont désignés par l'ANSM sur recommandation du PSO. Si un port comprend plusieurs arrondissements, le directeur coordonnateur qui n'est pas désigné comme PSO devient PSO adjoint.
§ 2. Une personne ne peut pas être nommée en tant que PSO dans 2 ou plusieurs ports différents. Il est interdit à un PSO d'être nommé PFSO.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un PSO adjoint peut être désigné comme PFSO pour une installation portuaire dont la gestion ou la propriété est détenue par le port. Cette personne ne peut effectuer aucune tâche au sein du CLSM en ce qui concerne l'installation portuaire concernée.
§ 3. Si le PSO est différent du PFSO, ils collaborent étroitement.
Art. 2.5.2.12. Tâches
Le PSO agit comme personne de contact locale pour toutes les questions liées à la sûreté maritime du port concerné et est également chargé de la surveillance conformément à l'article 4.2.4.4.
Sous-section 4. - Règles communes
Art. 2.5.2.13. Traitement de l'information
Les évaluations de la sûreté et les plans de sûreté des ports et des installations portuaires ne peuvent être partagés qu'avec les personnes autorisées à y avoir accès et portent la mention " ISPS-restricted ".
Le Roi détermine :
1° qui est autorisé à prendre connaissance des évaluations de la sûreté et des plans de sûreté des ports et des installations portuaires ;
2° la manière dont les évaluations de la sûreté et les plans de sûreté sont conservés physiquement ou numériquement et le délai pendant lequel ils le sont.
L'ANSM peut marquer d'autres documents avec la mention " ISPS-restricted ".
Art. 2.5.2.14. Habilitation de sécurité
Chaque membre de l'ANSM ou du CLSM et chaque membre du personnel de la Cellule de la Sûreté maritime doit être titulaire d'une habilitation de sécurité de niveau SECRET telle que visée au chapitre III de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité.
Si une personne nommée de plein droit à un poste aux fins de la présente loi ne peut disposer de l'habilitation de sécurité requise, le Roi, sur recommandation de l'ANSM, décide du remplacement de cette personne.
Section 3. - Sûreté portuaire
Sous-section 1re. - Evaluation de la sûreté portuaire
Art. 2.5.2.15. Mise en oeuvre de l'évaluation de la sûreté portuaire
§ 1er. Dans chaque port, une évaluation de la sûreté portuaire qui sert de base à l'élaboration du plan de sûreté portuaire et à sa mise en oeuvre est effectuée par le CLSM.
L'évaluation de la sûreté portuaire prend dûment en compte les particularités des différentes parties du port ainsi que des zones adjacentes si ces dernières ont une incidence sur la sûreté du port. Les évaluations de la sûreté des installations portuaires effectuées conformément au Règlement ISPS et à la section 4 du présent chapitre, qui se trouvent dans les limites du port, sont prises en compte.
§ 2. L'évaluation de la sûreté portuaire est effectuée dans le respect des exigences déterminées par le Roi et comprend au moins les éléments suivants :
1° l'identification et l'évaluation des biens et des infrastructures essentiels qu'il importe de protéger ;
2° l'identification des risques d'actions illicites ;
3° l'identification des menaces éventuelles contre les biens et les infrastructures, et de leur probabilité de survenance, afin d'établir des mesures de sûreté en les classant par ordre de priorité ;
4° l'identification, le choix et le classement par ordre de priorité des contre-mesures et des changements de procédure ainsi que leur degré d'efficacité pour réduire la vulnérabilité ;
5° l'identification des points faibles, y compris les facteurs humains, dans l'infrastructure, les politiques et les procédures ;
6° l'analyse des risques des éléments susceptibles d'être victimes d'espionnage, de terrorisme et de sabotage à la suite d'influences étrangères au moyen d'une collaboration publique ou privée.
Art. 2.5.2.16. Approbation de l'évaluation de la sûreté portuaire
§ 1er. Le CLSM soumet l'évaluation de la sûreté portuaire à l'ANSM pour approbation. L'ANSM décide de l'approbation de l'évaluation de la sûreté portuaire dans les trente jours.
§ 2. Les délais prévus au présent chapitre peuvent être prolongés si le CLSM, l'ANSM ou le ministre, selon le cas, estime que tous les éléments ne sont pas réunis pour prendre une décision ou si l'enquête prend plus de temps. L'absence de décision n'implique pas une approbation automatique.
Art. 2.5.2.17. Durée de validité de l'évaluation de la sûreté portuaire
Une évaluation de la sûreté portuaire peut être utilisée pendant six mois après son approbation pour l'élaboration d'un plan de sûreté portuaire. Si le plan de sûreté portuaire n'est pas approuvé pendant de cette période, ou si le plan doit être renouvelé, une nouvelle évaluation de la sûreté portuaire est requise.
L'alinéa 1er ne s'applique pas si le plan de sûreté portuaire est modifié conformément à l' l'article 2.5.2.20, alinéa 2 ou 3.
Sous-section 2. - Plan de sûreté portuaire
Art. 2.5.2.18. Elaboration du plan de sûreté portuaire
§ 1er. Dans chaque port, un plan de sûreté portuaire est établi par l'autorité du port.
Le gestionnaire des voies navigables élabore le plan de sûreté portuaire pour les ports dont les installations portuaires sont situées le long des voies navigables gérées par un gestionnaire des voies navigables, en collaboration avec le directeur coordonnateur de la police fédérale de l'arrondissement concerné.
Le plan de sûreté portuaire est élaboré en tenant compte de l'évaluation de la sûreté portuaire et prend en compte de manière appropriée les particularités des différentes parties du port ainsi que des zones adjacentes si ces dernières ont une incidence sur la sûreté du port. Les plans de sûreté des installations portuaires effectués conformément au Règlement ISPS et à la section 4 du présent chapitre sont intégrés dans le plan de sûreté portuaire.
§ 2. Le plan de sûreté portuaire doit, pour chacun des niveaux de sûreté visés à l'article 2.5.2.24, établir au moins les éléments suivants :
1° les procédures à suivre ;
2° les mesures à mettre en place ;
3° les actions à entreprendre.
Le plan de sûreté portuaire est élaboré dans le respect des exigences déterminées par le Roi.
Art. 2.5.2.19. Approbation du plan de sûreté portuaire
L'autorité du port ou le gestionnaire des voies navigables soumet le plan de sûreté portuaire au CLSM concerné. Dans un délai de trente jours, le CLSM concerné soumet un avis à l'ANSM. L'ANSM décide de l'approbation du plan de sûreté portuaire dans les trente jours suivant la réception de l'avis.
L'approbation est valable cinq ans, après quoi un nouveau plan de sûreté portuaire doit être élaboré sur la base d'une nouvelle évaluation de la sûreté portuaire.
Art. 2.5.2.20. Modification du plan de sûreté portuaire
Toute modification substantielle doit être soumise au CLSM concerné et à l'ANSM pour approbation. Le Roi détermine, sur l'avis de l'ANSM, ce qui doit être considéré comme une modification substantielle. La durée de validité déterminée conformément à l'article 2.5.2.19, alinéa 2, reste inchangée lors de l'approbation d'une modification substantielle.
Pour intégrer de nouveaux plans ou des plans modifiés de sûreté d'une installation portuaire, une approbation annuelle par le CLSM et l'ANSM suffit.
Dans le cas d'événements ou d'incidents temporaires qui n'entrainent pas de changement du niveau ISPS, l'ANSM peut, sur l'avis du CLSM, adapter le plan de sûreté portuaire pour la durée de l'événement ou de l'incident.
Art. 2.5.2.21. Retrait du plan de sûreté portuaire
§ 1er. Le plan de sûreté portuaire peut être retiré par l'ANSM dans le cas où :
1° la sûreté du port ne peut plus être garantie avec le plan de sûreté portuaire approuvé ;
2° l'autorité du port a agi en violation du plan de sûreté portuaire, du Règlement ISPS, de la Directive sur la sûreté portuaire, du présent chapitre ou ses arrêtés d'exécution ;
3° l'autorité du port ne suit pas les instructions visées à l'article 2.5.2.22, § 2.
L'ANSM peut imposer au port une interdiction d'accueillir des navires de mer dans l'ensemble du port ou dans certaines parties du port si la sûreté dans ces zones ne peut être garantie.
§ 2. Un recours contre le retrait ou l'interdiction peut être introduit auprès du ministre dans les dix jours après la notification de la décision.
Le ministre prend une décision dans les trente jours, après avoir entendu le port et l'ANSM.
Le recours ne suspend pas la décision.
Art. 2.5.2.22. Evaluations intermédiaires
§ 1er. Le plan de sûreté portuaire est évalué par l'ANSM :
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après l'approbation ;
2° si la sûreté du port ne peut plus être garantie en raison d'une ou plusieurs actions illicites ou s'il existe un soupçon qu'elle ne peut plus être garantie.
§ 2. Sur la base de l'évaluation visée au paragraphe 1er, l'ANSM peut :
1° fixer les délais dans lesquels une adaptation du plan de sûreté portuaire doit être soumise conformément à l'article 2.5.2.19 ;
2° retirer le plan de sûreté portuaire conformément à l'article 2.5.2.21.
3° faire procéder à une nouvelle évaluation de la sûreté portuaire par le CLSM.
Art. 2.5.2.23. Exercice
Le plan de sûreté portuaire est testé au moins une fois par année civile au moyen d'un exercice dont les exigences sont fixées par le Roi.
Le PSO informe l'ANSM un mois avant l'exercice prévu.
Au plus tard un mois après l'exercice, un rapport est soumis à l'ANSM par le PSO.
Sous-section 3. - Niveau de sûreté
Art. 2.5.2.24. Description des niveaux de sûreté
Il existe trois niveaux de sûreté :
1° Niveau de sûreté 1 : maintien d'un minimum de mesures de sûreté protectrices appropriées en permanence ;
2° Niveau de sûreté 2 : maintien de mesures de sûreté protectrices supplémentaires pendant un temps déterminé en raison d'un risque accru d'un incident de sûreté ;
3° Niveau de sûreté 3 : maintien de mesures de sûreté protectrices spécifiques supplémentaires pendant un temps déterminé, lorsqu'un incident de sûreté est probable ou imminent, même si la cible spécifique peut ne pas être identifiée, permettant à l'ANSM et au CLSM compétent d' imposer des mesures.
Art. 2.5.2.25. Modification du niveau de sûreté
Le niveau de sûreté 1 s'applique toujours aux ports, à moins que l'ANSM, après avis du NCCN, ne le modifie en niveau de sûreté 2 ou 3 pour l'ensemble du port ou, le cas échéant, pour une partie du port.
Toute modification du niveau de sûreté en vigueur dans un port ou une partie du port est immédiatement notifié par l'ANSM au CLSM concerné.
Le CLSM concerné notifie cette modification aux navires de mer en route vers ou dans le port et aux installations portuaires.
Section 4. - Sûreté des installations portuaires
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 2.5.2.26. Règlement ISPS
Lors de la mise en oeuvre des dispositions du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution, les recommandations de la partie B du Code ISPS sont prises en compte dans la mesure du possible, à l'exception des dispositions figurant à l'article 3.5 du Règlement ISPS qui sont obligatoires.
L'installation portuaire est tenue d'entreprendre des actions conformément aux niveaux de sûreté en vigueur introduits sur la base de l'article 2.5.2.25 et de se conformer aux instructions de l'ANSM et du CLSM compétent au niveau de sûreté 3.
Art. 2.5.2.27. Catégories
Les installations portuaires sont classées dans les catégories suivantes :
1° Catégorie 1 : installations portuaires pour le transport de marchandises ;
2° Catégorie 2 : installations portuaires pour le transport de passagers.
L'ANSM, lors de l'approbation de l'évaluation de la sûreté visée à l'article 2.5.2.30, décide à quelle catégorie l'installation portuaire appartiendra.
Art. 2.5.2.28. Installations portuaires utilisées principalement pour des voyages non internationaux
L'ANSM, après avis du CLSM compétent, décide dans quelle mesure le présent chapitre s'applique aux installations portuaires principalement utilisées pour les navires qui n'effectuent pas de voyages internationaux, mais qui servent occasionnellement des navires à l'arrivée ou au départ d'un voyage international, conformément aux dispositions de la Règle 2, 2, du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS. Aux fins du présent article, on entend par " occasionnel " un maximum de 10 navires de mer par an et jamais plus de deux navires de mer amarrés à l'installation portuaire en même temps.
L'évaluation de la sûreté de ces installations portuaires est effectuée conformément à l'article 2.5.2.30. Les cargaisons déchargées dans ces installations portuaires ne doivent jamais provenir de l'extérieur de l'Union européenne et ne doivent pas être laissées sans surveillance.
Art. 2.5.2.29. Niveau de sûreté
Les niveaux de sûreté à l'article 2.5.2.24 sont d'application mutatis mutandis aux installations portuaires et sont introduits conformément à la procédure prévue à l'article 2.5.2.25.
Lorsque l'installation portuaire est informée que le niveau de sûreté applicable à un navire de mer est plus élevé que celui qui s'applique à l'installation portuaire, le PFSO le signale au CLSM et à l'ANSM.
Sous-section 2. - Evaluation de la sûreté de l'installation portuaire
Art. 2.5.2.30. Mise en oeuvre de l'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire
Le CLSM dans la zone duquel l'installation portuaire est située élabore une évaluation de la sûreté de l'installation portuaire conformément à la règle 10 du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS, aux dispositions du 15 de la partie A du Code ISPS et aux dispositions des 15.3 à 15.16 de la partie B du Code ISPS.
La possibilité, prévue au 15.6 de la partie A du Code ISPS, qu'une évaluation de la sûreté de l'installation portuaire couvre plus d'une installation portuaire ne peut être autorisée qu'avec l'accord exprès préalable de l'ANSM.
Art. 2.5.2.31. Approbation de l'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire
L'ANSM décide dans les trente jours à compter de la transmission par le CLSM de l'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire à l'ANSM, si celle-ci est approuvée ou si des actions supplémentaires sont requises.
Art. 2.5.2.32. Durée de validité de l'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire
Outre les raisons énoncées au 15.4 de la partie A du Code ISPS, chaque évaluation de la sûreté de l'installation portuaire doit être revue par le CLSM au moins une fois tous les cinq ans.
Une évaluation de la sûreté de l'installation portuaire peut être utilisée pendant trois mois après son approbation pour l'élaboration du plan de sûreté de l'installation portuaire. Si le plan de sûreté de l'installation portuaire n'est pas élaboré pendant cette période, ou si le plan doit être renouvelé, une nouvelle évaluation de la sûreté de l'installation portuaire est nécessaire.
L'alinéa 2 ne s'applique pas lorsque le plan de sûreté de l'installation portuaire est modifié conformément à l'article 2.5.2.36, alinéa 2.
Sous-section 3. - Plan de sûreté d'une installation portuaire
Art. 2.5.2.33. PFSO
§ 1er. Chaque entreprise qui exploite une installation portuaire nomme un PFSO.
Le PFSO est :
1° lié à l'entreprise par un contrat de travail ; ou
2° un administrateur de l'entreprise ; ou
3° un membre du personnel d'un organisme de sûreté reconnu.
L'entreprise notifie immédiatement la nomination d'un PFSO ou toute modification de celle-ci au CLSM compétent, qui notifie cette nomination à l'ANSM.
Pour être nommé PFSO, il doit subir au moins une vérification de sécurité telle que visée à l'article 22quinquies de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité. Si un avis de sécurité négatif est émis, cette personne ne peut exercer la fonction de PFSO.
Un PFSO doit disposer du certificat visé à l'article 2.5.2.39, § 2r, alinéa 2, au plus tard dans les six mois suivant la nomination.
§ 2. La responsabilité du PFSO est déterminée conformément au 17.2 de la partie A du Code ISPS et à la législation du travail ou sur les sociétés du droit commun en vigueur.
§ 3. L'entreprise est tenue de fournir le soutien nécessaire au PFSO pour lui permettre d'effectuer correctement les tâches et les responsabilités déterminées par le Code ISPS, le Règlement ISPS, le présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.
§ 4. Sans préjudice du paragraphe 1er, un PFSO peut être nommé pour plus d'une installation portuaire.
Si le PFSO est un membre du personnel d'un organisme de sûreté reconnu, il n'est pas permis que l'organisme de sûreté reconnu soit également l'employeur des agents de gardiennage de l'installation portuaire.
§ 5. Pour chaque PFSO, il est nommé au moins un adjoint auquel s'appliquent les paragraphes 1er à 4.
Art. 2.5.2.34. Elaboration du plan de sûreté de l'installation portuaire
§ 1er. L'entreprise qui exploite l'installation portuaire élabore le plan de sûreté de l'installation portuaire.
Le plan de sûreté de l'installation portuaire doit être élaboré conformément :
1° au 16 de la partie A du Code ISPS ;
2° au 16 de la partie B du Code ISPS, qui est obligatoire aux fins de la présente loi, à l'exception :
a) des dispositions du 16.1 ;
b) des dispositions des 16.61 jusqu'à et y compris 16.63 ;
3° aux arrêtés d'exécution pris sur la base de l'article 2.5.2.45 qui fixent les normes nécessaires auxquelles la sûreté doit se conformer ;
4° de l'évaluation de la sûreté.
Pour l'approbation de l'évaluation de la sûreté sur laquelle le plan de sûreté est basé, l'ANSM peut bénéficier d'une dérogation à une ou plusieurs dispositions visées à l'alinéa 2, 2°.
§ 2. Pour chaque installation portuaire, un plan de sûreté distinct doit être établi même si l'évaluation de la sûreté couvre plusieurs installations portuaires, conformément à l'article 2.5.2.30, alinéa 2.
Art. 2.5.2.35. Approbation du plan de sûreté de l'installation portuaire
Le PFSO soumet le plan de sûreté de l'installation portuaire à l'approbation du CLSM compétent dans les trois mois suivant l'approbation de l'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire. Dans les trente jours, le CLSM concerné donne un avis motivé à l'ANSM. L'ANSM décide de l'approbation du plan de sûreté de l'installation portuaire dans les trente jours.
L'approbation est valable cinq ans, après quoi un nouveau plan de sûreté doit être élaboré sur la base d'une nouvelle évaluation de la sûreté.
Art. 2.5.2.36. Modification du plan de sûreté de l'installation portuaire
Toute modification substantielle doit également être soumise au CLSM concerné et à l'ANSM pour approbation. Le Roi détermine, sur l'avis de l'ANSM, ce qui doit être considéré comme une modification substantielle. La durée de validité déterminée conformément à l'article 2.5.2.35, alinéa 2, reste inchangée lors de l'approbation d'une modification substantielle.
Dans le cas d'événements ou d'incidents temporaires, l'ANSM peut, sur l'avis du CLSM, adapter le plan de sûreté pour la durée de l'événement ou de l'incident.
Art. 2.5.2.37. Retrait du plan de sûreté de l'installation portuaire
§ 1er. Le plan de sûreté de l'installation portuaire peut être retiré par l'ANSM dans le cas où :
1° la sûreté de l'installation portuaire ne peut plus être garantie avec le plan de sûreté de l'installation portuaire approuvé ;
2° l'entreprise qui exploite l'installation portuaire a agi en violation du plan de sûreté de l'installation portuaire, du Règlement ISPS, du présent chapitre ou ses arrêtés d'exécution ;
3° l'entreprise qui exploite l'installation portuaire ne suit pas les instructions visées à l'article 2.5.2.38.
Le retrait ne peut être que total.
§ 2. Un recours contre le retrait peut être introduit auprès du ministre dans les dix jours après la notification de la décision.
Le ministre prend une décision dans les trente jours, après avoir entendu l'installation portuaire et l'ANSM.
Le recours ne suspend pas la décision.
Art. 2.5.2.38. Evaluations intermédiaires
§ 1er. Le plan de sûreté de l'installation portuaire est évalué par le CLSM :
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après l'approbation ;
2° si la sûreté de l'installation portuaire ne peut plus être garantie en raison d'une ou plusieurs actions illicites ou s'il existe un soupçon qu'elle ne peut plus être garantie.
§ 2. Le CLSM transmet l'évaluation à l'ANSM qui, sur la base de cette évaluation, peut :
1° fixer les délais dans lesquels une adaptation du plan de sûreté de l'installation portuaire doit être soumise conformément à l'article 2.5.2.35 ;
2° retirer le plan de sûreté de l'installation portuaire totalement, conformément à l'article 2.5.2.37 ;
3° faire procéder à une nouvelle évaluation de la sûreté par le CLSM.
Art. 2.5.2.39. Formation
§ 1er. Chaque PFSO doit avoir des connaissances, une expertise et avoir réussi un examen couvrant tous les éléments pertinents pour l'installation portuaire suivants :
1° l'administration de la sûreté ;
2° les conventions, codes et recommandations internationaux applicables ;
3° la législation et les réglementations belges et européennes applicables ;
4° les responsabilités et les fonctions des autres organismes de sûreté ;
5° la méthodologie d'évaluation de la sûreté de l'installation portuaire ;
6° les méthodes d'enquête et d'inspection pour la sûreté de la navigation et la sûreté de l'installation portuaire ;
7° les activités et conditions des navires et des ports ;
8° les mesures de sûreté du navire et de l'installation portuaire ;
9° la préparation et la réponse aux situations d'urgence et mesures de précaution ;
10° les méthodes d'instruction pour la formation et l'éducation à la sûreté, y compris les mesures et procédures de sûreté ;
11° le traitement d'informations sensibles en matière de sûreté et les communications en matière de sûreté ;
12° les menaces actuelles en matière de sûreté et leurs modèles ;
13° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
14° la reconnaissance, sans discrimination, des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
15° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
16° les équipements et systèmes de sûreté, et la limitation de leurs fonctions ;
17° les méthodes de contrôle, d'inspection, de gardiennage et de surveillance ;
18° les méthodes de fouille de la cargaison et des provisions de bord et d'inspection non intrusive ;
19° les exercices de sûreté, y compris les exercices avec les navires ;
20° l'évaluation des exercices de sûreté.
§ 2. A l'issue de la formation, un examen doit être passé auprès de l'organisme de sûreté reconnu ou de l'organisme de formation reconnu. Le Roi détermine les modalités, le contenu et la note de passage de l'examen.
L'organisme de sûreté reconnu ou l'organisme de formation reconnu remet la liste des personnes ayant réussi à l'ANSM. Une personne ayant réussi reçoit un certificat dont la forme est déterminée par le Roi.
Un PFSO doit suivre un cours de recyclage tous les cinq ans dont les modalités et le contenu sont déterminés par le Roi. Le certificat du PFSO qui ne suit pas ce cours expire de plein droit 66 mois après la délivrance du certificat ou le suivi du cours de recyclage.
§ 3. Le PFSO veille à ce que les autres membres du personnel de l'installation portuaire ayant des tâches spécifiques en matière de sûreté aient connaissance des éléments suivants :
1° les menaces actuelles pour la sûreté et leurs modèles ;
2° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
3° la reconnaissance des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
4° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
5° les techniques de gestion et de contrôle des masses ;
6° la communication en matière de sûreté ;
7° le fonctionnement des équipements et systèmes de sûreté ;
8° l'essai, l'étalonnage et l'entretien des équipements et systèmes de sûreté ;
9° les techniques d'inspection, de gardiennage et de surveillance ;
10° les méthodes de fouille de la cargaison et des provisions de bord.
Cette formation peut être dispensée soit en externe, soit en interne par l'entreprise qui exploite l'installation portuaire.
§ 4. Le PFSO doit veiller à ce que tous les autres membres du personnel de l'installation portuaire, y compris les ouvriers portuaires, aient connaissance des dispositions applicables du plan de sûreté de l'installation portuaire sur les éléments suivants :
1° la signification des différents niveaux de sûreté et les exigences qui en découlent ;
2° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
3° la reconnaissance des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
4° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
5° les méthodes utilisées pour effectuer des actions illicites ;
6° une sensibilisation générale aux questions de sûreté.
Le PFSO est chargé de veiller à ce que ces connaissances soient présentes au sein du personnel.
Art. 2.5.2.40. Exercice
§ 1er. Le plan de sûreté de l'installation portuaire est testé au moins une fois par année civile au moyen d'un exercice dont les exigences sont fixées par le Roi.
Le PFSO informe le CLSM compétent au plus tard un mois avant l'exercice visé au 18.6 de la partie B du Code ISPS. Le CLSM informe l'ANSM des exercices prévus. Si les circonstances justifient un délai plus court, l'ANSM décide si l'exercice effectué compte comme l'exercice requis par le 18.6 de la partie B du Code ISPS.
§ 2. L'installation portuaire remet un rapport au CLSM et à l'ANSM au plus tard un mois après les exercices visés à l'alinéa 1er ou au 18.6 de la partie B du Code ISPS.
Art. 2.5.2.41. Déclaration d'approbation
L'ANSM délivre une Déclaration d'approbation à chaque installation portuaire dont le plan de sûreté a été approuvé.
La Déclaration d'approbation contient les données suivantes :
1° l'installation portuaire ;
2° le fait que l'installation portuaire satisfait aux dispositions du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS, de la partie A du Code ISPS, du Règlement ISPS, du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution ;
3° la durée de validité de la Déclaration d'approbation est de cinq ans maximum et ne peut jamais dépasser la durée de validité du plan de sûreté ;
4° les inspections qui ont été effectuées.
Sous-section 4. - Autres mesures
Art. 2.5.2.42. Mesures alternatives
Les mesures alternatives pour la circulation intracommunautaire sur des itinéraires fixes, tels que visés à l'article 5 du Règlement ISPS et à la Règle 11 du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS, ne sont pas autorisées.
Art. 2.5.2.43. Mesures équivalentes
L'ANSM peut autoriser, après avis du CLSM concerné sur l'évaluation de sûreté de l'installation portuaire effectuée, pour une durée limitée ne dépassant pas un an, l'exploitation d'une installation portuaire en appliquant des mesures équivalentes aux mesures de sûreté prévues dans le présent chapitre et dans la partie A du Code ISPS. L'ANSM communique les particularités de la mesure équivalente autorisée à l'OMI et à la Commission européenne.
Sous-section 5. - Normes de sûreté
Art. 2.5.2.44. Instructions de l'ANSM
L'ANSM peut donner des instructions pour :
1° les procédures à suivre par les ports et les installations portuaires dans le cadre de la sûreté ;
2° la communication entre les ports, les installations portuaires, les PFSO, le CLSM et l'ANSM ;
3° les normes de contrôle d'accès à l'installation portuaire ;
4° les normes de protection physique de l'installation portuaire ;
5° les normes pour le maintien d'une surveillance permanente de l'installation portuaire, y compris l'éclairage, le personnel de sûreté et les équipements de détection d'accès et de surveillance, notamment les caméras optiques et thermiques ;
6° la manutention des cargaisons ;
7° l'approvisionnement du navire ;
8° le traitement des bagages non accompagnés ;
9° la désignation des zones de l'installation portuaire soumises à des restrictions supplémentaires ;
10° la prévention des actions illicites ;
11° la formation obligatoire ;
12° l'imagerie du port et de l'installation portuaire pour l'autorité au moyen de plans et d'images en deux et trois dimensions ;
13° les notifications d'incidents.
14° les rapports des exercices.
Art. 2.5.2.45. Ratification
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'article 2.5.2.44, les rendant ainsi obligatoires.
Art. 2.5.2.46. Déclaration de sûreté
Une déclaration de sûreté, élaborée conformément au 5 de la partie A du Code ISPS, doit être conservée par l'installation portuaire pendant 3 ans.
Section 5. - Sûreté des navires étrangers
Art. 2.5.2.47. Notifications préalables
§ 1er. La fourniture des renseignements en matière de la sûreté préalable au mouillage dans un port ou une installation portuaire belge visée à l'article 6 du Règlement ISPS est effectuée par le capitaine du navire de mer ou son représentant, dans les délais visés à l'article 6 du Règlement ISPS.
Cette notification s'effectue via la plateforme ISPS.
§ 2. Le refus de communiquer les données visées au paragraphe 1er entraîne de plein droit le refus du navire de mer d'entrer dans un port ou une installation portuaire belge. Ce refus est communiqué via la plateforme ISPS aux différentes autorités belges concernées. Le MIK communique ce refus au navire de mer.
Art. 2.5.2.48. Exemptions
Les services réguliers peuvent, dans les conditions de l'article 7 du Règlement ISPS, bénéficier d'une exemption de fourniture des renseignements de sûreté visés à l'article 2.5.2.47. Le Roi détermine le service qui accorde l'exemption et la manière dont l'exemption est accordée.
Art. 2.5.2.49. Mesures
§ 1er. Si le MIK, le Contrôle de la navigation ou la Cellule de la Sûreté maritime ont de bonnes raisons de croire que le navire de mer qui a l'intention de mouiller dans un port belge ne satisfait pas aux exigences du Code ISPS ou de la partie A du Code ISPS, ces services tenteront de contacter le navire de mer.
Si cette communication n'aboutit pas à une rectification ou si le Contrôle de la navigation ou la Cellule de la Sûreté maritime continuent d'avoir de bonnes raisons de croire que le navire de mer ne satisfait pas aux exigences du Code ISPS ou de la partie A du Code ISPS, ils peuvent prendre les mesures suivantes :
1° exiger que la non-conformité soit rectifiée ;
2° exiger que le navire de mer se rende à un endroit désigné dans les eaux territoriales ou dans un port ;
3° procéder à une inspection du navire de mer si le navire de mer se trouve dans les eaux territoriales belges ou dans un port.
Sur avis du MIK, du Contrôle de la navigation ou de la Cellule de la Sûreté maritime, le Président de l'ANSM peut procéder au refus d'accès aux ports belges.
Le capitaine du navire de mer doit être informé avant que ces mesures ne soient prises. Si le capitaine décide de ne pas faire escale dans un port belge, le présent article n'est pas applicable.
§ 2. Le président de l'ANSM peut refuser aux navires battant pavillon étranger l'accès aux ports belges si des sanctions ont été prises par l'Organisation des Nations unies, l'Union européenne ou le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, à l'encontre d'un pays tiers, d'entreprises ou de personnes physiques.
Le président de l'ANSM est chargé de refuser l'accès aux ports belges aux navires visés à l'alinéa 1er, ou d'appliquer les sanctions imposées par l'Organisation des Nations unies ou l'Union européenne.
Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités de contrôle du respect des sanctions et de l'application du refus d'accès à ces navires.
Section 6. - Sûreté des navires belges
Sous-section 1re. - Niveau de sûreté
Art. 2.5.2.50. Eaux maritimes
§ 1er. Toutes les eaux accessibles aux navires de mer belges, à l'exception des ports situés dans d'autres pays, se voient attribuer un niveau de sûreté conformément à l'article 2.5.2.24.
Chaque navire de mer belge doit prendre les mesures liées au niveau de sûreté de la zone dans laquelle il se trouve.
§ 2. Le niveau de sûreté est fixé au niveau 1. Si des informations sont disponibles indiquant qu'il existe des risques d'incidents de sûreté et/ou d'actions illicites avec des navires de mer belges, le niveau de sûreté dans ces zones peut être augmenté.
Dans ces cas, le directeur général de la Navigation détermine le niveau de sûreté dans ces zones après avis du NCCN et de la Cellule de la Sûreté maritime.
Pour entrer dans une zone de niveau de sûreté 2 ou 3, le capitaine doit signaler à la Cellule de la Sûreté maritime l'heure présumée de son entrée. Dans ces cas, la liste de l'équipage doit, sur simple demande, être transmise immédiatement à la Cellule de la Sûreté maritime.
Lorsque le niveau de sûreté 3 est mis en place, le Président de l'ANSM peut prendre des mesures d'urgence qui doivent être suivies par tous les navires de mer belges se trouvant dans cette zone.
§ 3. La Cellule de la Sûreté maritime évalue tous les trois mois si le niveau de sûreté accru doit être maintenu, augmenté ou diminué et transmet cette évaluation au NCCN pour avis. L'évaluation et l'avis sont transmis au Président de l'ANSM, qui prend une décision dans les cinq jours.
§ 4. Toute modification du niveau de sûreté est notifiée par la Cellule de la Sûreté maritime au ministre, au ministre des affaires étrangères, à chaque CSO, aux membres de l'ANSM et du MIK.
Si un port est situé dans les zones où le niveau de sûreté a été modifié, le pays où se situe ce port est informé par la représentation diplomatique belge dans ce pays du niveau de sûreté mis en place.
Art. 2.5.2.51. Navires de mer belges
§ 1er. Sans préjudice de l'article 2.5.2.50, chaque navire de mer belge a un niveau de sûreté conformément à l'article 2.5.2.24 et doit respecter les mesures liées à ce niveau de sûreté.
§ 2. Le niveau de sûreté est fixé au niveau 1. Si des informations sont disponibles indiquant qu'il existe des risques d'incidents de sûreté et/ou d'actions illicites avec des navires de mer belges, le niveau de sûreté pour le navire de mer concerné peut être augmenté.
Dans ces cas, le directeur général de la Navigation détermine le niveau de sûreté dans ces zones après avis du NCCN, de la Cellule de la Sûreté maritime et du CSO du navire de mer concerné.
Lorsque le niveau de sûreté 3 est mis en place, le président de l'ANSM peut prendre des mesures d'urgence qui doivent être suivies par le navire de mer belge.
§ 3. La Cellule de la Sûreté maritime évalue chaque mois si le niveau de sûreté accru doit être maintenu, augmenté ou diminué et transmet cette évaluation au NCCN pour avis. L'évaluation et l'avis sont transmis au Président de l'ANSM, qui prend une décision dans les cinq jours.
§ 4. Toute modification du niveau de sûreté est notifiée par la Cellule de la Sûreté maritime au ministre, au CSO du navire de mer concerné, aux membres de l'ANSM et du MIK.
Le CSO remet à la Cellule de la Sûreté maritime une confirmation écrite que le capitaine a reçu les modifications du niveau de sûreté.
Sous-section 2. - Personnel de sûreté de l'armateur
Art. 2.5.2.52. CSO
L'armateur nomme un CSO pour chaque navire de mer belge exploité par l'armateur. Un CSO peut être nommé pour un ou plusieurs navires et un armateur a le droit de nommer plus d'un CSO s'il exploite plusieurs navires.
La nomination d'un CSO à l'alinéa 1er ou toute modification de celle-ci est immédiatement communiquée par l'armateur à la Cellule de la Sûreté maritime.
Art. 2.5.2.53. SSO
L'armateur veille à ce qu'un SSO soit présent sur chaque navire.
L'armateur doit tenir une liste des SSO de ses navires et la remet à la Cellule de la Sûreté maritime sur simple demande.
Sous-section 3. - Obligations de l'armateur
Art. 2.5.2.54. Responsabilité
L'armateur est chargé de fournir le soutien nécessaire au CSO, au SSO et au capitaine pour leur permettre d'effectuer correctement les tâches et les responsabilités déterminées par le Code ISPS, le Règlement ISPS, le présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.
Art. 2.5.2.55. Evaluation de la sûreté des navires
L'armateur veille à ce que le CSO procède à une évaluation de la sûreté du navire pour chaque navire de mer exploité par l'armateur. L'évaluation est effectuée conformément au point 8 de la partie A du Code ISPS et au point 8 de la partie B du Code ISPS, qui sont obligatoires aux fins du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.
L'ANSM, la Cellule de la Sûreté maritime et le Contrôle de la navigation sont autorisés à prendre connaissance de l'évaluation approuvée de la sûreté des navires. L'armateur remet cette évaluation approuvée à l'ANSM, à la Cellule de la Sûreté maritime et au Contrôle de la navigation sur simple demande.
Art. 2.5.2.56. Plan de sûreté du navire
§ 1er. L'armateur est chargé de faire établir par le CSO un plan de sûreté du navire et de le soumettre au Contrôle de la navigation pour approbation.
L'approbation peut être délégué par le ministre à un organisme de sûreté reconnu. Le Roi détermine les modalités selon lesquelles cette délégation est possible.
Le plan de sûreté du navire doit être élaboré conformément au point 9 de la partie A du Code ISPS et au point 9 de la partie B du Code ISPS, qui sont obligatoires aux fins du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution.
§ 2. Le Roi détermine qui met en oeuvre les dispositions du 19 de la partie A du Code ISPS concernant la vérification des navires de mer belges et la délivrance des certificats.
§ 3. Le plan de sûreté du navire peut être retiré si le navire ne satisfait plus aux exigences visées au point 9 de la partie A du Code ISPS et au point 9 de la partie B du Code ISPS.
Sous-section 4. - Formation et exercices
Art. 2.5.2.57. Formation
§ 1er. Chaque CSO, SSO et personnel à terre chargé de la sûreté doit avoir des connaissances et être formé à tous les éléments concernant le navire de mer suivants :
1° l'administration de la sûreté ;
2° les conventions, codes et recommandations internationaux applicables ;
3° la législation et les réglementations belges et européennes applicables ;
4° les responsabilités et les fonctions des autres organismes de sûreté ;
5° la méthodologie d'évaluation de la sûreté des navires ;
6° les méthodes d'enquête et d'inspection pour la sûreté des navires ;
7° les activités et conditions des navires et des ports ;
8° les mesures de sûreté des navires et des installations portuaires ;
9° la préparation et la réponse aux situations d'urgence et mesures de précaution ;
10° les méthodes d'instruction pour la formation et l'éducation à la sûreté, y compris les mesures et procédures de sûreté ;
11° le traitement d'informations sensibles en matière de sûreté et la communication en matière de sûreté ;
12° les menaces actuelles en matière de sûreté et leurs modèles ;
13° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
14° la reconnaissance, sans discrimination, des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
15° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
16° les équipements et systèmes de sûreté, et la limitation de leurs fonctions ;
17° les méthodes de contrôle, d'inspection, de gardiennage et de surveillance ;
18° les exercices de sûreté ;
19° l'évaluation des exercices de sûreté.
§ 2. En outre, le SSO doit avoir des connaissances suffisantes et recevoir une formation sur les éléments suivants :
1° l'agencement du navire de mer ;
2° le plan de sûreté du navire et les procédures associées ;
3° les techniques de gestion et de contrôle des masses ;
4° le fonctionnement des équipements et systèmes de sûreté ;
5° l'essai, l'étalonnage et l'entretien des équipements et systèmes de sûreté.
§ 3. Les membres de l'équipage ayant des tâches spécifiques en matière de sûreté doivent avoir des connaissances et des compétences suffisantes pour pouvoir exécuter les tâches qui leur sont assignées, notamment :
1° les menaces actuelles en matière de sûreté et leurs modèles ;
2° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
3° la reconnaissance des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
4° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
5° les techniques de gestion et de contrôle des masses ;
6° la communication en matière de sûreté ;
7° les procédures d'urgence et les mesures de précaution ;
8° le fonctionnement des équipements et systèmes de sûreté ;
9° l'essai, l'étalonnage et l'entretien en mer des équipements et systèmes de sûreté ;
10° les techniques d'inspection, de gardiennage et de surveillance ;
11° les techniques de fouille de la cargaison et des provisions de bord.
§ 4. Tous les autres membres de l'équipage doivent avoir des connaissances suffisantes et être familiarisés avec les dispositions applicables du plan de sûreté du navire, notamment :
1° la signification des différents niveaux de sûreté et les exigences qui en découlent ;
2° les procédures d'urgence et les mesures de précaution ;
3° la reconnaissance et la détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
4° la reconnaissance des caractéristiques et des modèles de comportements des personnes qui peuvent menacer la sûreté ;
5° les techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté.
§ 5. le Roi peut réglementer l'organisation des formations et la délivrance d'un certificat aux participants.
Art. 2.5.2.58. Alerte de sûreté du navire
Lorsque l'alerte de sûreté du navire visée à la Règle 6 du chapitre XI-2 de la Convention SOLAS est activée, l'alerte doit être transmise au MIK.
Art. 2.5.2.59. Rapports d'incidents
Le CSO signale immédiatement tout incident de sûreté à la Cellule de la Sûreté maritime. La Cellule de la Sûreté maritime informera les autorités compétentes à cet égard.
Une déclaration de sûreté, élaborée conformément au point 5 de la partie A du Code ISPS, est conservée à bord du navire pendant 3 ans et est remise, sur simple demande, à la Cellule de la Sûreté maritime et au Contrôle de la navigation.
Art. 2.5.2.60. Exercices
Le CSO garde un aperçu des exercices organisés conformément au point 13.6 de la partie B du Code ISPS et les communique à la Cellule de la Sûreté maritime et au Contrôle de la navigation sur demande.
Le CSO informe la Cellule de la Sûreté maritime au plus tard 24 heures avant l'exercice prévu visé au point 13.7 de la partie B du Code ISPS. A la demande du CSO, le directeur général de la Navigation peut autoriser que l'exercice ne soit pas communiqué au préalable à la Cellule de la Sûreté maritime.
Art. 2.5.2.61. Instructions
La Cellule de la Sûreté maritime peut donner des instructions pour :
1° les procédures à suivre par les armateurs dans le cadre de la sûreté ;
2° la communication entre le CSO, le SSO, le MIK, la Cellule de la Sûreté maritime et l'ANSM ;
3° les normes de protection physique du navire de mer ;
4° l'imagerie au moyen de plans en deux et trois dimensions ;
5° la formation obligatoire.
Art. 2.5.2.62. Ratification
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'article 2.5.2.61, les rendant ainsi obligatoires.
Section 7. - Sûreté de la mer du Nord
Art. 2.5.2.63. Evaluation de la sûreté
§ 1er. En concertation avec l'exploitant de l'ouvrage de construction ou de génie civil ou du câble ou du pipeline, le MIK effectue une évaluation de la sûreté contenant au moins les éléments suivants :
1° l'identification et l'évaluation des biens et des infrastructures essentiels qu'il importe de protéger ;
2° l'identification des risques d'actions illicites ;
3° l'identification des menaces éventuelles contre les biens et les infrastructures, et de leur probabilité de survenance, afin d'établir des mesures de sûreté en les classent par ordre de priorité ;
4° l'identification, le choix et le classement par ordre de priorité des contre-mesures et des changements de procédure ainsi que leur degré d'efficacité pour réduire la vulnérabilité ;
5° l'identification des points faibles, y compris les facteurs humains, dans l'infrastructure, les politiques et les procédures ;
6° l'analyse des risques des éléments susceptibles d'être victimes d'espionnage, de terrorisme et de sabotage à la suite d'influences étrangères au moyen d'une collaboration publique ou privée.
§ 2. L'ANSM se prononce sur l'approbation de l'évaluation de la sûreté dans les trente jours à compter de la transmission par le MIK de cette évaluation.
Sur la base de l'évaluation de la sûreté, l'ANSM peut décider qu'il n'est pas nécessaire d'élaborer un plan de sûreté.
§ 3. L'évaluation de la sûreté est évaluée par le MIK tous les 5 ans, même dans les cas où l'ANSM a décidé qu'il n'était pas nécessaire d'élaborer un plan de sûreté.
Une évaluation de la sûreté peut être utilisée pendant six mois après son approbation pour l'élaboration d'un plan de sûreté. Si le plan de sûreté n'est pas élaboré pendant cette période ou si le plan de sûreté doit être renouvelé, une nouvelle évaluation de la sûreté est nécessaire.
Art. 2.5.2.64. Plan de sûreté
L'exploitant de l'ouvrage de construction ou de génie civil ou du câble ou du pipeline élabore un plan de sûreté et le soumet au MIK dans les six mois suivant l'approbation de l'évaluation de la sûreté. Dans les trente jours, le MIK donne un avis à l'ANSM, après consultation des services désignés par le Roi.
Le plan de sûreté contient une disposition sur la manière et le délai dans lequel un exercice doit être effectué.
L'ANSM décide de l'approbation du plan de sûreté dans les trente jours.
L'approbation est valable cinq ans.
Toute modification substantielle doit également être soumise au CLSM concerné et à l'ANSM pour approbation. Le Roi détermine, sur l'avis de l'ANSM, ce qui doit être considéré comme une modification substantielle.
Art. 2.5.2.65. Evaluations intermédiaires
§ 1er. Le plan de sûreté est évalué par le MIK :
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après l'approbation ;
2° si la sûreté de l'ouvrage de construction ou de génie civil ou du câble ou du pipeline ne peut plus être garantie en raison d'une ou plusieurs actions illicites ou s'il existe un soupçon qu'elle ne peut plus être garantie.
§ 2. Sur la base de cette évaluation, l'ANSM peut fixer des délais dans lesquels une adaptation du plan de sûreté doit être soumise conformément à l'article 2.5.2.64 ou le MIK doit procéder à une nouvelle évaluation de la sûreté.
Art. 2.5.2.66. Instructions
L'ANSM peut donner des instructions pour :
1° les procédures à suivre par les exploitants dans le cadre de la sûreté ;
2° la communication entre les exploitants, le MIK et l'ANSM ;
3° les normes de protection physique des ouvrages de construction ou de génie civil, des câbles ou des pipelines ;
4° les normes pour le maintien d'une surveillance permanente, y compris l'éclairage, le personnel de sûreté et les équipements de détection d'accès et de surveillance, notamment les caméras optiques et thermiques ;
5° la désignation de zones soumises à des restrictions supplémentaires ;
6° la prévention des actions illicites ;
7° l'imagerie pour l'autorité au moyen de plans et d'images en deux et trois dimensions.
Art. 2.5.2.67. Ratification
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'article 2.5.2.66, les rendant ainsi obligatoires.
Art. 2.5.2.68. Exercice
En concertation avec le MIK, la sûreté de l'ouvrage de construction ou de génie civil, du câble ou du pipeline est testée conformément à ce qui est prévu dans le plan de sûreté.
Section 8. - Organismes de sûreté et organismes de formation reconnus
Sous-section 1re. - Organisme de sûreté reconnu
Art. 2.5.2.69. Demande et conditions
§ 1er. Une entreprise souhaitant être reconnue comme un organisme de sûreté reconnu doit soumettre une demande auprès de la Cellule de la Sûreté maritime.
Afin d'être reconnue comme un organisme de sûreté, l'entreprise doit satisfaire aux dispositions concernant les entreprises de consultance visées à l'article 8 de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière et avoir une unité d'établissement en Belgique.
La reconnaissance ne s'applique qu'aux missions effectuées pour le compte de ports ou installations portuaires belges, ou de navires belges.
§ 2. Les entreprises autorisées en tant qu'organisme reconnu conformément à l'article 2.2.3.15, § 2, n'ont pas besoin de soumettre une demande distincte pour effectuer les tâches visées à l'article 2.5.2.75 si l'autorisation couvre également le Code ISPS. Le Contrôle de la navigation transmet à l'ANSM toute modification de la liste des entreprises reconnues.
Art. 2.5.2.70. Audit
La Cellule de la Sûreté maritime et le Contrôle de la navigation effectuent un audit, au cours duquel l'entreprise doit démontrer qu'elle :
1° dispose d'une expertise des aspects pertinents en terme de sûreté portuaire ;
2° a la connaissance nécessaire des activités portuaires, notamment de la conception et de la construction de ports ;
3° a la connaissance nécessaire des autres activités pertinentes liées à la sûreté qui peuvent avoir une influence sur la sûreté portuaire ;
4° est capable d'évaluer les risques probables liés à la sûreté portuaire ;
5° est capable de maintenir et d'améliorer l'expertise du personnel en terme de sûreté portuaire ;
6° est capable de vérifier la fiabilité continue du personnel ;
7° est capable de maintenir les mesures nécessaires visant à prévenir la divulgation ou l'accès non autorisé à du matériel sensible ;
8° a une connaissance des réglementations internationales, européennes et belges pertinentes et des exigences de sûreté ;
9° a une connaissance des menaces actuelles en matière de sûreté et de leurs modèles ;
10° a des connaissances en matière de reconnaissance et de détection d'armes, de substances et d'équipements dangereux ;
11° a des connaissances en matière de reconnaissance, sans discrimination, des caractéristiques et des modèles de comportement des personnes qui peuvent menacer la sûreté portuaire ;
12° a une connaissance des techniques utilisées pour contourner les mesures de sûreté ;
13° a une connaissance des équipements et systèmes de sûreté et de surveillance et de la limitation de leurs fonctions ;
14° a une connaissance de la prévention des actions illicites et de l'élaboration de mesures visant à prévenir les actions illicites.
Art. 2.5.2.71. Reconnaissance
L'ANSM décide de la reconnaissance sur l'avis de la Cellule de la Sûreté maritime sur la base de l'audit. La reconnaissance est valable pour une période de 5 ans.
Art. 2.5.2.72. Retrait
L'ANSM peut retirer la reconnaissance de l'organisme de sûreté s'il est établi qu'il ne satisfait plus aux conditions ou ne peut plus démontrer qu'elle dispose des éléments visés à l'article 2.5.2.70.
Art. 2.5.2.73. Evaluation intermédiaire
§ 1er. La Cellule de la Sûreté maritime procède à une évaluation intermédiaire de l'organisme de sûreté reconnu :
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après la reconnaissance ;
2° si plusieurs incidents de sûreté ou actions illicites sont constatés dans les installations portuaires ou à bord des navires de mer pour lesquels l'organisme de sûreté reconnu effectue des missions ;
3° s'il existe un soupçon que l'organisme de sûreté reconnu effectue les tâches d'une manière qui pourrait compromettre la sûreté.
Sur la base de cette évaluation, l'ANSM peut :
1° procéder au retrait conformément à l'article 2.5.2.72 ;
2° établir des mesures en vue de remédier aux déficiences et déterminer des délais pour que l'organisme reconnu satisfasse à ces mesures.
Art. 2.5.2.74. Incompatibilités
Un organisme de sûreté reconnu qui a participé à l'élaboration ou à l'évaluation d'une évaluation de la sûreté ne peut pas être impliqué dans l'élaboration, l'évaluation ou d'autres travaux relatif au plan de sûreté.
Si le PFSO a une relation professionnelle avec un organisme de sûreté reconnu, cet organisme de sûreté reconnu ne peut pas effectuer les tâches comme entreprise de gardiennage visée à l'article 4 de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière sur l'installation portuaire dont le PFSO est responsable.
Art. 2.5.2.75. Compétences
Un organisme de sûreté reconnu peut :
1° collaborer à l'élaboration d'une évaluation de la sûreté ;
2° élaborer, analyser et faire des recommandations sur les plans de sûreté des ports et des installations portuaires ;
3° dispenser des formations et faire passer des examens aux PFSO ;
4° mettre un PFSO à la disposition d'une ou plusieurs installations portuaires ;
5° faire office de responsable du traitement tel que visé à l'article 2.5.2.91 ;
6° approuver le plan de sûreté du navire.
Sous-section 2. - Approbation de l'organisme de formation
Art. 2.5.2.76. Approbation
Un organisme de formation reconnu par une Communauté peut, après approbation de l'ANSM, dispenser les formations visées au présent chapitre.
Section 9. - Plateforme ISPS
Art. 2.5.2.77. Champ d'application
La présente section règle l'échange d'informations électroniques entre tous les acteurs concernés par la sûreté maritime pour la mise en oeuvre du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution ainsi que le stockage des informations.
Art. 2.5.2.78. Création de la plateforme ISPS
§ 1er. Une plateforme ISPS est créée.
Les objectifs de la plateforme ISPS sont :
1° le stockage, le suivi et l'approbation de toutes les évaluations de la sûreté mentionnées dans le présent chapitre ;
2° le stockage, le suivi et l'approbation de tous les plans de sûreté mentionnés dans le présent chapitre ;
3° le signalement, l'enregistrement et le suivi des incidents de sûreté ;
4° le signalement, l'enregistrement et le suivi des exercices ;
5° l'échange d'informations entre les acteurs concernés ;
6° la saisie, l'enregistrement et le suivi des rapports d'inspection par les différents services ;
7° la délivrance et la mise à jour électronique des différents certificats ;
8° la génération de rapports à l'OMI et à la Commission européenne ;
9° la délimitation des ports et des installations portuaires au moyen d'un composant SIG ;
10° la réalisation d'analyses des risques sur toutes les données disponibles ;
11° la visualisation des ports, installations portuaires et navires au moyen de données 2D, 3D et SIG ;
12° l'automatisation et la fourniture des informations de sûreté par les navires étrangers ;
13° le stockage des données du contrôle d'accès ;
14° l'enregistrement des données pour vérifier le respect de l'interdiction visée à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes et à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation ;
15° l'enregistrement des données pour vérifier le respect de l'interdiction imposée aux personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, ont reçu la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire ;
16° la mise à jour des vérifications de sûreté et des demandes requises par le présent chapitre ;
17° la mise à jour de la liste des membres de l'ANSM, du CLSM et de la Cellule de la Sûreté maritime, et les PFSO et les CSO.
§ 2. L'accès aux données du 1° au 7°, du 9° au 11° et du 13° au 16° est limité aux membres de l'ANSM, de la Cellule de la Sûreté maritime et des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4, et aux membres du CLSM pour le port et les installations portuaires relevant de leur compétence, et au PFSO pour sa propre installation portuaire.
L'accès aux données du 8° est limité aux membres de l'ANSM et de la Cellule de la Sûreté maritime.
L'accès aux données du 12° est limité aux membres de l'ANSM, de la Cellule de la Sûreté maritime et des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4.
Art. 2.5.2.79. Financement
Les crédits nécessaires à la création et le fonctionnement de la plateforme ISPS sont inscrits au budget de la Direction générale Navigation du Service public fédéral Mobilité et Transports.
Afin de pouvoir utiliser la plateforme ISPS pour les objectifs visés à l'article 2.5.2.78, 13°, 14°, 15° et 16°, le Roi peut déterminer une redevance et en fixer les modalités.
Art. 2.5.2.80. Gestion
§ 1er. L'ANSM agit comme comité de gestion de la plateforme ISPS
Le ministre est chargé du bon fonctionnement de la plateforme ISPS.
§ 2. L'ANSM dispose des compétences suivantes en ce qui concerne la plateforme ISPS :
1° gérer la plateforme ISPS ;
2° prendre toute initiative pouvant contribuer à l'efficacité du fonctionnement sûr de la plateforme ISPS ;
3° prendre toute initiative pour adapter la plateforme ISPS aux modifications sur le plan législatif, réglementaire et technologique ;
4° notifier au ministre compétent les moyens nécessaires au bon fonctionnement de la plateforme ISPS ;
5° communiquer annuellement au ministre compétent les estimations budgétaires en matière de coûts de fonctionnement et de maintenance de la plateforme ISPS, y compris le coût des systèmes qui y sont stockés ;
6° conclure des accords en ce qui concerne les services nécessaires pour la gestion de la plateforme ISPS ;
7° octroyer des avis, de sa propre initiative ou à la demande des ministres compétents, en ce qui concerne les initiatives législatives et autres qui ont une incidence sur le fonctionnement de la plateforme ISPS.
Art. 2.5.2.81. Contrôle sur l'interdiction portuaire
Afin d'avoir accès à une installation portuaire, il faut vérifier à l'entrée si la personne qui souhaite y accéder figure sur la plateforme ISPS en tant que personne à laquelle une interdiction a été imposée conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation, ou à laquelle en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire a été imposée.
Le Roi détermine les modalités et le fonctionnement de la plateforme ISPS pour le contrôle visé à l'alinéa 1er.
Section 10. - Protection des données
Sous-section 1re. - Images de caméra
Art. 2.5.2.82. Caméras de surveillance
Les caméras de surveillance installées par les exploitants des ports ou des installations portuaires doivent être conformes aux dispositions de la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance.
Art. 2.5.2.83. Caméras intelligentes
§ 1er. L'installation de caméras intelligentes en vue de la reconnaissance automatique des plaques d'immatriculation par les exploitants des ports et des installations portuaires est autorisée, l'utilisation de ces caméras et l'accès aux données est réglementé conformément à la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance..
Par dérogation à l'article 8/1 de la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance, l'utilisation de caméras de surveillance intelligentes en vue de la reconnaissance automatique des navires est autorisée.
§ 2. L'utilisation de caméras intelligentes conformément au paragraphe 1er est autorisée, à condition que l'installation et l'utilisation figurent dans le plan de sûreté, pour la vérification du respect du Règlement ISPS, du Code ISPS et du présent chapitre et ses arrêtés d'exécution, ainsi que pour la prévention des actions illicites et la garantie de la sûreté maritime.
Sous-section 2. - Données biométriques
Art. 2.5.2.84. Utilisation
§ 1er. En vue du contrôle de l'accès aux installations portuaires et du contrôle de l'identité pour la manutention de la cargaison, les plans de sûreté peuvent, sur la base d'éléments concrets repris dans les évaluations de la sûreté qui en démontrent la nécessité, prévoir que l'accès à l'installation portuaire soit subordonné à la vérification des données biométriques pour toutes ou certaines catégories de visiteurs.
Les plans de sûreté d'un port ou d'une installation portuaire, sur la base d'éléments concrets de l'évaluation de la sûreté qui en démontrent la nécessité, peuvent inclure des dispositions visant à protéger l'accès numérique aux réseaux et systèmes d'information au moyen des données biométriques.
§ 2. L'objectif du contrôle d'accès est d'empêcher tout accès non autorisé à l'installation portuaire ou aux réseaux et systèmes d'information. Le traitement des données biométriques est une exception telle que visée à l'article 9.2, g) du RGPD.
L'objectif du contrôle de l'identité pour la manutention de la cargaison est la prévention que ces machines soient utilisées pour commettre une action illicite. Le traitement des données biométriques est une exception telle que visée à l'article 9.2, a) et g) du RGPD.
§ 3. Aux fins de la présente sous-section, on entend par " visiteur " quiconque, y compris les administrateurs et les membres du personnel, souhaite avoir accès à l'installation portuaire ou à des parties de l'installation portuaire à l'exception des passagers des navires de mer qui embarquent ou débarquent dans une installation portuaire pour le transport de passagers, et des membres de l'équipage des navires de mer.
Art. 2.5.2.85. Reconnaissance du sous-traitant
§ 1er. Les données biométriques ne peuvent être traitées que par une entreprise reconnue à cet effet par le ministre sur la base de l'audit visé au paragraphe 2 et d'un avis de l'ANSM.
Afin d'être reconnue comme sous-traitant de ces données biométriques, l'entreprise doit être établie dans l'Espace économique européen et avoir une unité d'établissement en Belgique. La reconnaissance ne s'applique que pour le traitement des données biométriques autorisées conformément au présent chapitre.
§ 2. La Cellule de la Sûreté maritime et le Contrôle de la navigation, en collaboration avec le Centre pour la Cybersécurité, effectuent un audit au cours duquel l'entreprise doit démontrer que :
1° l'entreprise est certifiée conformément à la norme ISO 27001, ISO 27701 ou une norme équivalente établie conformément à l'article 22, § 1er, de la loi du 7 avril 2019 établissant un cadre pour la sécurité des réseaux et des systèmes d'information d'intérêt général pour la sécurité publique ;
2° elle dispose des systèmes et procédures internes nécessaires pour empêcher l'accès non autorisé aux données biométriques ;
3° le système de traitement satisfait aux exigences énoncées au paragraphe 3.
§ 3. Les données biométriques ne peuvent être traitées que via des systèmes qui sont conformes aux conditions suivantes :
1° lors de la première phase de collecte des données biométriques, les caractéristiques uniques et individuelles de l'individu sont codées et enregistrées en tant que modèle, et ensuite les données biométriques brutes sont immédiatement supprimées ;
2° lors de la vérification de l'identité de l'individu, il est seulement vérifié si les informations collectées au moment où l'individu souhaite s'authentifier correspondent au modèle qui a été enregistré lors de la première phase de collecte ;
3° le modèle est exclusivement conservé sur un support de stockage durable en possession de l'individu, aucun stockage n'étant autorisé dans les bases de données du sous-traitant ;
4° les données biométriques collectées lors de la deuxième phase de collecte aux fins de vérification de l'identité ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire aux fins de comparaison de ces données collectées avec le modèle.
§ 4. La reconnaissance s'applique pour une durée indéterminée.
Après la reconnaissance et ensuite à chaque fois dans la période comprise entre vingt-quatre et trente-six mois après un audit précédent, un audit de suivi est effectué. Sur la base de cet audit, le ministre peut décider :
1° d'imposer des délais dans lesquels l'entreprise doit se conformer aux mesures imposées par le ministre ;
2° de retirer la reconnaissance.
Sous-section 3. - Traitement des données à caractère personnel
Art. 2.5.2.86. Finalités
Les données visées à l'article 2.5.2.88 sont traitées en vue de :
1° garantir la sûreté maritime dans les ports et les installations portuaires ;
2° prévenir les actions illicites ;
3° détecter, poursuivre et sanctionner les actions illicites ;
4° garantir la sûreté des personnes travaillant dans les ports et les installations portuaires ;
5° réaliser les tâches des services de renseignement ;
6° vérifier le respect de l'interdiction imposée conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation ;
7° vérifier le respect de l'interdiction imposée aux personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, ont reçu la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire ;
8° mettre à jour les données relatives à la formation et à l'instruction obligatoires des PFSO telles que visées à l'article 2.5.2.39, § 2.
Les données des membres des services d'inspection sont traitées en vue d'identifier l'auteur d'un rapport d'inspection ou d'un procès-verbal.
Art. 2.5.2.87. Personnes physiques concernées
Les données des personnes suivantes peuvent être traitées :
1° les visiteurs des installations portuaires et les membres du personnel chargés de la manutention de la cargaison ;
2° les PSO, PFSO, CSO et SSO ;
3° les membres des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4 ;
4° les personnes qui se sont vues imposer une interdiction conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation ;
5° les personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, se sont vues imposer la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire.
Art. 2.5.2.88. Données à traiter
§ 1er. Pour les visiteurs des installations portuaires, les données suivantes peuvent être traitées :
1° les nom et prénoms ;
2° le numéro de registre national pour les Belges ;
3° les date de naissance et adresse pour les non-Belges ;
4° l'adresse e-mail ;
5° les données biométriques, le cas échéant, conformément à l'article 2.5.2.84 ;
6° l'objectif de la visite ;
7° les heures d'arrivée et de départ et la date de la visite ;
8° la plaque d'immatriculation des voitures entrant et sortant des installations portuaires ;
9° la photo .
§ 2. Pour les PSO, PSFO, CSO et SSO, les données suivantes peuvent être traitées :
1° les nom et prénoms ;
2° le numéro de registre national pour les Belges ;
3° Les date de naissance et adresse pour les non-Belges ;
4° l'adresse e-mail ;
5° Le résultat de l'examen pour les PFSO ;
6° la photo.
§ 3. Pour les membres des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4, les données suivantes peuvent être traitées :
1° les nom et prénoms ;
2° le numéro d'identification donné par le service public pour lequel l'inspecteur travaille ;
3° la photo.
§ 4. Pour les personnes qui se sont vues imposer une interdiction conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation et les personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, se sont vues imposer la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire, les données suivantes peuvent être traitées :
1° les nom et prénoms ;
2° le numéro de registre national pour les Belges ;
3° la date jusqu'à laquelle l'interdiction est en vigueur ;
4° les ports et installations portuaires où l'interdiction est en vigueur ;
§ 5. Aux fins du présent article, les sous-traitants sont habilités à utiliser le registre national conformément aux dispositions de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques.
Art. 2.5.2.89. Accès
Les membres de l'ANSM, du CLSM concerné, de la Cellule de la Sûreté maritime, du ministère public, des services de renseignement et des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4 ont accès aux données visées à l'article 2.5.2.88 et aux fins visées à l'article 2.5.2.86.
Par dérogation à l'alinéa 1er, seuls le responsable du traitement et le sous-traitant ont accès aux données biométriques.
Art. 2.5.2.90. Délai de conservation
Les données visées à l'article 2.5.2.88 sont conservées pendant la période déterminée dans le plan de sûreté et ne peuvent jamais excéder une période de 10 ans.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les données biométriques ne peuvent être conservées que conformément aux dispositions de l'article 2.5.2.85.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les données des personnes visées à l'article 2.5.2.87, 4° et 5°, sont immédiatement effacées après l'expiration ou la levée de l'interdiction portuaire.
Art. 2.5.2.91. Responsable du traitement
L'exploitant de l'installation portuaire est le responsable du traitement pour les données des visiteurs d'une installation portuaire visées à l'article 2.5.2.88, § 1er, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86.
L'ANSM est le responsable du traitement pour les données du PSO, du PFSO, du CSO, du SSO et des inspecteurs, visés à l'article 2.5.2.88, § 2 et 3, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86.
L'ANSM est le responsable du traitement pour les données des personnes visées à l'article 2.5.2.88, § 4, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86.
Art.2.5.2.92. Droit à l'information
Par dérogation aux articles 13 et 14 du Règlement (UE) 2016/679 du 27 avril 2016 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, le droit à l'information peut être différé, limité ou exclu en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé à l'article 2.5.2.88 en vue de garantir les objectifs énoncés à l'article 2.5.2.86.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
Art. 2.5.2.93. Droit d'accès
Par dérogation à l'article 15 du Règlement (UE) 2016/679 du 27 avril 2016 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, le droit d'accès peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé à l'article 2.5.2.88 en vue de garantir les objectifs énoncés à l'article 2.5.2.86.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
Art. 2.5.2.94. Droit de rectification
Par dérogation à l'article 16 du Règlement (UE) 2016/679 du 27 avril 2016 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, le droit de rectification peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé à l'article 2.5.2.88 en vue de garantir les objectifs énoncés à l'article 2.5.2.86.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
Art. 2.5.2.95. Droit à la limitation du traitement
Par dérogation à l'article 18 du Règlement (UE) 2016/679 du 27 avril 2016 du Parlement européen et du Conseil relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, le droit à la limitation du traitement peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé à l'article 2.5.2.88 en vue de garantir les objectifs énoncés à l'article 2.5.2.86.
Les traitements visés à l'alinéa 1er sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
Art. 2.5.2.96. Dispositions communes
§ 1er. La limitation des droits visée aux articles 2.5.2.92 à 2.5.2.95 peut être invoquée pour les données pour lesquelles l'ANSM ou l'exploitant de l'installation portuaire est le responsable du traitement des données.
Ces limitations valent durant la période dans laquelle la personne concernée fait l'objet d'un contrôle ou d'une enquête, y compris les actes préparatoires à ceux-ci, et durant la période nécessaire aux poursuites, dans la mesure où l'exercice des droits porterait atteinte aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires. La durée des actes préparatoires ne peut excéder un an à partir de la réception d'une demande concernant la communication d'informations à fournir conformément aux articles 13, 14, 15, 16 ou 18 du RGDP.
§ 2. Dès réception d'une demande concernant la communication d'informations à fournir conformément aux articles 13, 14, 15, 16 ou 18 du RGDP, le responsable du traitement en accuse réception.
Le responsable du traitement informe la personne concernée par écrit et dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation d'information, ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'une des finalités visées à l'article 2.5.2.86. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
§ 3. Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire soit terminée, et, le cas échéant, après que le service des amendes administratives compétent ait pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci. ".
Art. 10. In artikel 2.7.7.2 van hetzelfde wetboek worden in de bepaling onder 19° de woorden "schip/haven raakvlak" vervangen door de woorden "schip/land raakvlak".
Art. 10. Dans l'article 2.7.7.2. du même code, dans le 19°, les mots " activité d'interface navire/port " sont remplacés par les mots " activité d'interface navire/terre ".
Art. 11. In artikel 2.7.7.11, § 6, van hetzelfde wetboek worden de woorden "schip/haven raakvlak" vervangen door de woorden "schip/land raakvlak".
Art. 11. Dans l'article 2.7.7.11, § 6, du même code, les mots " activité d'interface navire/port " sont remplacés par les mots " activité d'interface navire/terre ".
Art. 12. Artikel 4.1.2.48 van hetzelfde wetboek wordt vervangen als volgt:
"Art. 4.1.2.48. Inbreuk op de ISPS-Verordeningen of de artikelen 2.5.2.1 tot 2.5.2.71
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft:
1° eenieder die de ISPS-Verordening overtreedt;
2° eenieder die de artikelen 2.5.2.1 tot 2.5.2.71 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt;
3° eenieder die de opdrachten van de NAMB, LCMB, scheepvaartcontrole, Cel Maritieme Beveiliging of de inspectiediensten, uitgevoerd krachtens de ISPS-Verordening of de artikelen 2.5.2.1 tot 2.5.2.71 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, verhindert of belemmert.
§ 2. Eenieder die een ongeoorloofde actie heeft gesteld wordt gestraft met de sanctie uit het Strafwetboek die hierop is gesteld of met een sanctie van niveau 5, welke van de 2 de zwaarste is.
§ 3. Met een sanctie van niveau 5 wordt gestraft, eenieder die medewerking heeft verleend door handelingen te stellen of door het nalaten te handelen ongeoorloofde acties heeft toegelaten of vergemakkelijkt.
§ 4. Bij veroordeling wegens een van de misdrijven bedoeld in paragraaf 2 en 3 kan de rechter het tijdelijk verbod uitspreken om zich binnen een of meer havens of havenfaciliteiten in de zin van artikel 2.5.2.3, 4° en 5° te begeven overeenkomstig de modaliteiten van artikel 4, § 3bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen.
§ 5. De overtredingen bedoeld in paragraaf 2 en 3 zijn niet strafbaar met een administratieve sanctie.
§ 6. De procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de federale procureur of de procureur-generaal bij het hof van beroep, al naar het geval, kan, wanneer het noodzakelijk is voor de openbare veiligheid dat ondernemingen die een havenfaciliteit exploiteren administratieve maatregelen kunnen nemen tegen verdachten van een overtreding bedoeld in de paragrafen 1 of 2, aan deze ondernemingen meedelen dat er een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek loopt naar een overtreding bedoeld in de paragrafen 1 of 2. Indien het een gerechtelijk onderzoek betreft, kan deze mededeling slechts worden gedaan met akkoord van de onderzoeksrechter.".
"Art. 4.1.2.48. Inbreuk op de ISPS-Verordeningen of de artikelen 2.5.2.1 tot 2.5.2.71
§ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft:
1° eenieder die de ISPS-Verordening overtreedt;
2° eenieder die de artikelen 2.5.2.1 tot 2.5.2.71 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten overtreedt;
3° eenieder die de opdrachten van de NAMB, LCMB, scheepvaartcontrole, Cel Maritieme Beveiliging of de inspectiediensten, uitgevoerd krachtens de ISPS-Verordening of de artikelen 2.5.2.1 tot 2.5.2.71 van dit wetboek of de desbetreffende uitvoeringsbesluiten, verhindert of belemmert.
§ 2. Eenieder die een ongeoorloofde actie heeft gesteld wordt gestraft met de sanctie uit het Strafwetboek die hierop is gesteld of met een sanctie van niveau 5, welke van de 2 de zwaarste is.
§ 3. Met een sanctie van niveau 5 wordt gestraft, eenieder die medewerking heeft verleend door handelingen te stellen of door het nalaten te handelen ongeoorloofde acties heeft toegelaten of vergemakkelijkt.
§ 4. Bij veroordeling wegens een van de misdrijven bedoeld in paragraaf 2 en 3 kan de rechter het tijdelijk verbod uitspreken om zich binnen een of meer havens of havenfaciliteiten in de zin van artikel 2.5.2.3, 4° en 5° te begeven overeenkomstig de modaliteiten van artikel 4, § 3bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen.
§ 5. De overtredingen bedoeld in paragraaf 2 en 3 zijn niet strafbaar met een administratieve sanctie.
§ 6. De procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de federale procureur of de procureur-generaal bij het hof van beroep, al naar het geval, kan, wanneer het noodzakelijk is voor de openbare veiligheid dat ondernemingen die een havenfaciliteit exploiteren administratieve maatregelen kunnen nemen tegen verdachten van een overtreding bedoeld in de paragrafen 1 of 2, aan deze ondernemingen meedelen dat er een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek loopt naar een overtreding bedoeld in de paragrafen 1 of 2. Indien het een gerechtelijk onderzoek betreft, kan deze mededeling slechts worden gedaan met akkoord van de onderzoeksrechter.".
Art. 12. L'article 4.1.2.48 du même code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 4.1.2.48. Infraction au Règlement ISPS ou aux articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4 :
1° quiconque enfreint le Règlement ISPS ;
2° quiconque enfreint les articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents ;
3° quiconque empêche ou entrave les missions confiées à l'ANSM, au CLSM, au Contrôle de la navigation, à la Cellule de la Sûreté maritime ou aux services d'inspection, exécutées en vertu du Règlement ISPS, des articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents.
§ 2. Quiconque a commis une action illicite est puni de la sanction prévue par le Code pénal ou d'une sanction de niveau 5, laquelle des 2 est la plus lourde.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 5, quiconque a coopéré en agissant ou en s'abstenant d'agir, a autorisé ou facilité des actions illicites.
§ 4. En cas de condamnation pour l'un des délits visés aux paragraphes 2 et 3, le juge peut prononcer une interdiction temporaire de se rendre dans un ou plusieurs ports ou installations portuaires au sens de l'article 2.5.2.3, 4° et 5° conformément aux modalités de l'article 4, § 3bis de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes.
§ 5. Les infractions visées aux paragraphes 2 et 3 ne sont pas passibles d'une sanction administrative.
§ 6. Le procureur du Roi, l'auditeur du travail, le procureur fédéral ou le procureur général près la Cour d'Appel, selon le cas, peut, lorsqu'il est nécessaire pour la sûreté publique que les entreprises qui exploitent une installation portuaire puissent prendre des mesures administratives à l'encontre des suspects d'infractions visées aux paragraphes 1er ou 2, communiquer à ces entreprises qu'une information ou une instruction judiciaire sur une infraction visée aux paragraphes 1er ou 2 est en cours. Si cela concerne une instruction judiciaire, cette communication ne peut se faire qu'avec l'accord du juge d'instruction. ".
" Art. 4.1.2.48. Infraction au Règlement ISPS ou aux articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71
§ 1er. Est puni d'une sanction de niveau 4 :
1° quiconque enfreint le Règlement ISPS ;
2° quiconque enfreint les articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents ;
3° quiconque empêche ou entrave les missions confiées à l'ANSM, au CLSM, au Contrôle de la navigation, à la Cellule de la Sûreté maritime ou aux services d'inspection, exécutées en vertu du Règlement ISPS, des articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents.
§ 2. Quiconque a commis une action illicite est puni de la sanction prévue par le Code pénal ou d'une sanction de niveau 5, laquelle des 2 est la plus lourde.
§ 3. Est puni d'une sanction de niveau 5, quiconque a coopéré en agissant ou en s'abstenant d'agir, a autorisé ou facilité des actions illicites.
§ 4. En cas de condamnation pour l'un des délits visés aux paragraphes 2 et 3, le juge peut prononcer une interdiction temporaire de se rendre dans un ou plusieurs ports ou installations portuaires au sens de l'article 2.5.2.3, 4° et 5° conformément aux modalités de l'article 4, § 3bis de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes.
§ 5. Les infractions visées aux paragraphes 2 et 3 ne sont pas passibles d'une sanction administrative.
§ 6. Le procureur du Roi, l'auditeur du travail, le procureur fédéral ou le procureur général près la Cour d'Appel, selon le cas, peut, lorsqu'il est nécessaire pour la sûreté publique que les entreprises qui exploitent une installation portuaire puissent prendre des mesures administratives à l'encontre des suspects d'infractions visées aux paragraphes 1er ou 2, communiquer à ces entreprises qu'une information ou une instruction judiciaire sur une infraction visée aux paragraphes 1er ou 2 est en cours. Si cela concerne une instruction judiciaire, cette communication ne peut se faire qu'avec l'accord du juge d'instruction. ".
Art. 13. In hetzelfde wetboek worden de artikelen 4.1.2.48/1 en 4.1.2.48/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 4.1.2.48/1. Beeldopnames van havens en havenfaciliteiten
Eenieder die op welke wijze dan ook beeldopnames maakt van een haven of havenfaciliteit bedoeld in artikel 2.5.2.3, 4° en 5° zonder toelating van de havenbeheerder of de havenfaciliteit, en waarop de delen van de beveiligingsinfrastructuur duidelijk herkenbaar zijn wordt gestraft met een sanctie van niveau 2.
Indien deze beeldopnames worden gemaakt met het oogmerk om ongeoorloofde acties zoals bedoeld in artikel 2.5.2.2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek te plegen of te vergemakkelijken wordt de betrokkene gestraft met de sanctie zoals bedoeld in artikel 4.1.2.48, § 3.".
4.1.2.48/2. Schending van de "ISPS-restricted"
Eenieder die een document dat krachtens artikel 2.5.2.13 met "ISPS-restricted" werd aangemerkt, gebruikt buiten het kader van het doel waarvoor het is opgesteld, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en een geldboete van 100 euro tot 1.000 euro of met een van die straffen alleen.
Indien de schending bedoeld in het eerste lid heeft geleid tot een ongeoorloofde actie wordt de maximale straf verdubbeld.".
"Art. 4.1.2.48/1. Beeldopnames van havens en havenfaciliteiten
Eenieder die op welke wijze dan ook beeldopnames maakt van een haven of havenfaciliteit bedoeld in artikel 2.5.2.3, 4° en 5° zonder toelating van de havenbeheerder of de havenfaciliteit, en waarop de delen van de beveiligingsinfrastructuur duidelijk herkenbaar zijn wordt gestraft met een sanctie van niveau 2.
Indien deze beeldopnames worden gemaakt met het oogmerk om ongeoorloofde acties zoals bedoeld in artikel 2.5.2.2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek te plegen of te vergemakkelijken wordt de betrokkene gestraft met de sanctie zoals bedoeld in artikel 4.1.2.48, § 3.".
4.1.2.48/2. Schending van de "ISPS-restricted"
Eenieder die een document dat krachtens artikel 2.5.2.13 met "ISPS-restricted" werd aangemerkt, gebruikt buiten het kader van het doel waarvoor het is opgesteld, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en een geldboete van 100 euro tot 1.000 euro of met een van die straffen alleen.
Indien de schending bedoeld in het eerste lid heeft geleid tot een ongeoorloofde actie wordt de maximale straf verdubbeld.".
Art. 13. Dans le même code, il est inséré les articles 4.1.2.48/1 et 4.1.2.48/2 rédigés comme suit :
" Art. 4.1.2.48/1. Prises d'images des ports et installations portuaires
Quiconque, de quelque manière que ce soit, prend des images d'un port ou d'une installation portuaire visé à l'article 2.5.2.3, 4° et 5°, sans l'autorisation du gestionnaire du port ou de l'installation portuaire, et sur lesquelles des parties de l'infrastructure de sûreté sont clairement identifiables, est puni d'une sanction de niveau 2.
Si ces prises d'images sont réalisées dans le but de commettre ou de faciliter des actions illicites telles que visées à l'article 2.5.2.2 du Code belge de la Navigation, l'intéressé est puni de la sanction telle que visée à l'article 4.1.2.48, § 3. ".
Art. 4.1.2.48/2. Violation de la " ISPS-restricted "
Quiconque utilise un document portant la mention " ISPS-restricted " en vertu de l'article 2.5.2.13 en dehors du cadre de l'objectif pour lequel il est élaboré, est puni d'une peine d'emprisonnement d'un an à trois ans et d'une amende de 100 euros à 1.000 euros ou d'une de ces peines seulement.
Si la violation visée à l'alinéa 1er a mené à une action illicite, la peine maximale est doublée. ".
" Art. 4.1.2.48/1. Prises d'images des ports et installations portuaires
Quiconque, de quelque manière que ce soit, prend des images d'un port ou d'une installation portuaire visé à l'article 2.5.2.3, 4° et 5°, sans l'autorisation du gestionnaire du port ou de l'installation portuaire, et sur lesquelles des parties de l'infrastructure de sûreté sont clairement identifiables, est puni d'une sanction de niveau 2.
Si ces prises d'images sont réalisées dans le but de commettre ou de faciliter des actions illicites telles que visées à l'article 2.5.2.2 du Code belge de la Navigation, l'intéressé est puni de la sanction telle que visée à l'article 4.1.2.48, § 3. ".
Art. 4.1.2.48/2. Violation de la " ISPS-restricted "
Quiconque utilise un document portant la mention " ISPS-restricted " en vertu de l'article 2.5.2.13 en dehors du cadre de l'objectif pour lequel il est élaboré, est puni d'une peine d'emprisonnement d'un an à trois ans et d'une amende de 100 euros à 1.000 euros ou d'une de ces peines seulement.
Si la violation visée à l'alinéa 1er a mené à une action illicite, la peine maximale est doublée. ".
Art. 14. In artikel 4.1.2.49, § 5, van het Belgisch Scheepvaartwetboek worden de woorden "twintig procent" vervangen worden door de woorden "dertig procent".
Art. 14. Dans l'article 4.1.2.49, § 5, du même code, les mots " vingt pour cent " sont remplacés par les mots " trente pour cent ".
Art. 15. In artikel 4.2.1.2, § 1, 2°, van hetzelfde wetboek wordt de bepaling onder e) vervangen als volgt:
"e) het toezicht met het oog op de naleving van de artikelen 2.5.2.47 tot en met 2.5.2.62 voor wat betreft het toezicht aan boord van schepen; de daartoe aangeduide scheepvaartcontroleurs personeelsleden rapporteren aan de Voorzitter van de NAMB;".
"e) het toezicht met het oog op de naleving van de artikelen 2.5.2.47 tot en met 2.5.2.62 voor wat betreft het toezicht aan boord van schepen; de daartoe aangeduide scheepvaartcontroleurs personeelsleden rapporteren aan de Voorzitter van de NAMB;".
Art. 15. A l'article 4.2.1.2, § 1er, 2°, du même code, le e) est remplacé par ce qui suit :
" e) le contrôle du respect des articles 2.5.2.47 à 2.5.2.62 en ce qui concerne la surveillance à bord des navires; les membres du personnel des contrôleurs de la navigation désignés font rapport au Président de l'ANSM ; ".
" e) le contrôle du respect des articles 2.5.2.47 à 2.5.2.62 en ce qui concerne la surveillance à bord des navires; les membres du personnel des contrôleurs de la navigation désignés font rapport au Président de l'ANSM ; ".
Art. 16. In artikel 4.2.1.24 van hetzelfde wetboek wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 16. A l'article 4.2.1.24 du même code, le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 17. Afdeling 3 van hoofdstuk 1 van titel 2 van boek 4 van hetzelfde wetboek word aangevuld met een onderafdeling 5 dat de artikelen 4.2.1.43 tot en met 4.2.1.45 omvat, luidende:
"Onderafdeling 5. - Cel Maritieme Beveiliging
"Onderafdeling 5. - Cel Maritieme Beveiliging
Art. 17. La section 3 du chapitre 1er du titre 2 du livre 4 du même code est complété d'une sous-section 5 comprenant les articles 4.2.1.43 à 4.2.1.45, rédigés comme suit :
" Sous-section 5 - Cellule de la Sûreté maritime
" Sous-section 5 - Cellule de la Sûreté maritime
Art. 4.2.1.43. Inrichting
Binnen het DG Scheepvaart wordt een Cel Maritieme Beveiliging opgericht.
Binnen het DG Scheepvaart wordt een Cel Maritieme Beveiliging opgericht.
Art. 4.2.1.43. Organisation
Au sein de la DG Navigation est créée une Cellule de la Sûreté maritime.
Au sein de la DG Navigation est créée une Cellule de la Sûreté maritime.
Art. 4.2.1.44. Taken
De Cel Maritieme Beveiliging is belast met:
1° het ondersteunen van de NAMB;
2° het inspecteren van de havens, de havenfaciliteiten, de schepen, de bouw- en kunstwerken, de kabels en de pijpleidingen;
3° het opsporen van inbreuken op de ISPS-Verordening en de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.71 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten;
4° het vertegenwoordigen van DG Scheepvaart binnen het MIK;
5° het organiseren van regelmatig overleg met de Belgische reders en andere relevante belanghebbende;
6° het voeren van een operationele permanentie voor beveiligingsincidenten.
De Cel Maritieme Beveiliging is belast met:
1° het ondersteunen van de NAMB;
2° het inspecteren van de havens, de havenfaciliteiten, de schepen, de bouw- en kunstwerken, de kabels en de pijpleidingen;
3° het opsporen van inbreuken op de ISPS-Verordening en de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.71 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten;
4° het vertegenwoordigen van DG Scheepvaart binnen het MIK;
5° het organiseren van regelmatig overleg met de Belgische reders en andere relevante belanghebbende;
6° het voeren van een operationele permanentie voor beveiligingsincidenten.
Art. 4.2.1.44. Tâches
La Cellule de la Sûreté maritime est chargée de :
1° soutenir l'ANSM ;
2° inspecter les ports, les installations portuaires, les navires, les ouvrages de construction et de génie civil, les câbles et les pipelines ;
3° détecter les infractions au Règlement ISPS et aux articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71 et les arrêtés d'exécution y afférents ;
4° représenter la DG Navigation au sein du MIK ;
5° organiser des concertations régulières avec les armateurs belges et les autres parties intéressées pertinentes ;
6° assurer une permanence opérationnelle pour les incidents de sûreté.
La Cellule de la Sûreté maritime est chargée de :
1° soutenir l'ANSM ;
2° inspecter les ports, les installations portuaires, les navires, les ouvrages de construction et de génie civil, les câbles et les pipelines ;
3° détecter les infractions au Règlement ISPS et aux articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71 et les arrêtés d'exécution y afférents ;
4° représenter la DG Navigation au sein du MIK ;
5° organiser des concertations régulières avec les armateurs belges et les autres parties intéressées pertinentes ;
6° assurer une permanence opérationnelle pour les incidents de sûreté.
Art. 4.2.1.45. Bevoegdheden en uitvoering
De Cel Maritieme Beveiliging heeft de bevoegdheden van de Scheepvaartcontrole zoals bedoeld in artikel 4.2.1.2, § 2 en 4.2.1.3 tot en met 4.2.1.21.
Het opstellen van processen--verbaal gebeurt met naleving van de artikelen 4.2.1.22 tot en met 4.2.2.26, waarbij een afschrift van het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk op de ISPS-Verordening, op de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.71 van dit wetboek of op de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt opgeladen in het ISPS-platform.".
De Cel Maritieme Beveiliging heeft de bevoegdheden van de Scheepvaartcontrole zoals bedoeld in artikel 4.2.1.2, § 2 en 4.2.1.3 tot en met 4.2.1.21.
Het opstellen van processen--verbaal gebeurt met naleving van de artikelen 4.2.1.22 tot en met 4.2.2.26, waarbij een afschrift van het proces-verbaal tot vaststelling van een inbreuk op de ISPS-Verordening, op de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.71 van dit wetboek of op de desbetreffende uitvoeringsbesluiten wordt opgeladen in het ISPS-platform.".
Art. 4.2.1.45. Compétences et mise en oeuvre
La Cellule de la Sûreté maritime a les compétences du Contrôle de la navigation telles que visées aux articles 4.2.1.2, § 2 et 4.2.1.3 à 4.2.1.21.
L'établissement des procès-verbaux se fait conformément aux articles 4.2.1.22 à 4.2.2.26, et une copie du procès-verbal constatant une infraction au Règlement ISPS, aux articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents est téléchargée sur la plateforme ISPS. ".
La Cellule de la Sûreté maritime a les compétences du Contrôle de la navigation telles que visées aux articles 4.2.1.2, § 2 et 4.2.1.3 à 4.2.1.21.
L'établissement des procès-verbaux se fait conformément aux articles 4.2.1.22 à 4.2.2.26, et une copie du procès-verbal constatant une infraction au Règlement ISPS, aux articles 2.5.2.1 à 2.5.2.71 du présent code ou les arrêtés d'exécution y afférents est téléchargée sur la plateforme ISPS. ".
Art. 18. Artikel 4.2.4.4 van hetzelfde wetboek wordt vervangen als volgt:
"Art. 4.2.4.4. Overheden bevoegd inzake maritieme beveiliging
§ 1. Onverminderd de bevoegdheden van de Scheepvaartcontrole en de Cel Maritieme Beveiliging zijn mede belast met het toezicht op de naleving van de ISPS-Verordening, de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.58 en 2.5.2.65 tot en met 2.5.2.71 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten:
1° de leden van de NAMB en het LCMB, waarbij de bevoegdheid van de leden van een LCMB beperkt is tot de haven en havenfaciliteiten die onder hun bevoegdheid vallen;
2° de personeelsleden van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen;
3° de personeelsleden van het Ministerie van Landsverdediging;
4° de Directie Kritieke Infrastructuur en risicoanalyse van het NCCN;
5° de door de NAMB aangewezen personeelsleden van de haven;
6° de federale en lokale politie;
7° de PSO voor de haven en havenfaciliteiten die onder hun bevoegdheid van vallen.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden stellen bij proces-verbaal dat geldt tot bewijs van tegendeel de inbreuken op de ISPS-Verordening, de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.58 en 2.5.2.65 tot en met 2.5.2.71 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten vast.
Deze processen-verbaal worden aan de Procureur des Konings overgezonden, alsook aan de overtreder of zijn wettelijk vertegenwoordiger in België.
De in paragraaf 1 bedoelde personen laden het proces-verbaal op in het ISPS-platform.
§ 3. Indien de personeelsleden van de Cel Maritieme Beveiliging naar aanleiding van de uitoefening van hun bevoegdheden kennis krijgen van andere misdrijven lichten zij de bevoegde politiediensten hierover onmiddellijk in.".
"Art. 4.2.4.4. Overheden bevoegd inzake maritieme beveiliging
§ 1. Onverminderd de bevoegdheden van de Scheepvaartcontrole en de Cel Maritieme Beveiliging zijn mede belast met het toezicht op de naleving van de ISPS-Verordening, de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.58 en 2.5.2.65 tot en met 2.5.2.71 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten:
1° de leden van de NAMB en het LCMB, waarbij de bevoegdheid van de leden van een LCMB beperkt is tot de haven en havenfaciliteiten die onder hun bevoegdheid vallen;
2° de personeelsleden van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen;
3° de personeelsleden van het Ministerie van Landsverdediging;
4° de Directie Kritieke Infrastructuur en risicoanalyse van het NCCN;
5° de door de NAMB aangewezen personeelsleden van de haven;
6° de federale en lokale politie;
7° de PSO voor de haven en havenfaciliteiten die onder hun bevoegdheid van vallen.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden stellen bij proces-verbaal dat geldt tot bewijs van tegendeel de inbreuken op de ISPS-Verordening, de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.58 en 2.5.2.65 tot en met 2.5.2.71 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten vast.
Deze processen-verbaal worden aan de Procureur des Konings overgezonden, alsook aan de overtreder of zijn wettelijk vertegenwoordiger in België.
De in paragraaf 1 bedoelde personen laden het proces-verbaal op in het ISPS-platform.
§ 3. Indien de personeelsleden van de Cel Maritieme Beveiliging naar aanleiding van de uitoefening van hun bevoegdheden kennis krijgen van andere misdrijven lichten zij de bevoegde politiediensten hierover onmiddellijk in.".
Art. 18. L'article 4.2.4.4 du même code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 4.2.4.4. Autorités chargées de la sûreté maritime
§ 1er. Sans préjudice des compétences du Contrôle de la navigation et de la Cellule de la Sûreté maritime, sont également chargés du contrôle du respect du Règlement ISPS, des articles 2.5.2.1 à 2.5.2.58 et 2.5.2.65 à 2.5.2.71 et les arrêtés d'exécution y afférents :
1° les membres de l'ANSM et du CLSM, lorsque la compétence des membres d'un CLSM est limitée pour au port et aux installations portuaires relevant de leur compétence ;
2° les membres du personnel de l'Administration générales des Douanes et Accises ;
3° les membres du personnel du Ministère de la Défense ;
4° la Direction Infrastructures critiques et Analyse de risque du NCCN ;
5° les membres du personnel du port désignés par l'ANSM ;
6° la police fédérale et locale ;
7° le PSO pour le port et les installations portuaires relevant de sa compétence.
§ 2. Les membres du personnel visés au paragraphe 1er constatent, au moyen d'un procès-verbal qui vaut jusqu'à preuve du contraire, les infractions au Règlement ISPS, aux articles 2.5.2.1 à 2.5.2.58 et 2.5.2.65 à 2.5.2.71 et les arrêtés d'exécution y afférents.
Ces procès-verbaux sont transmis au Procureur du Roi, ainsi qu'au contrevenant ou à son représentant légal en Belgique.
Les personnes visées au paragraphe 1er téléchargent le procès-verbal sur la plateforme ISPS.
§ 3. Si, dans le cadre de l'exercice de leurs compétences, les membres du personnel de la Cellule de la Sûreté maritime, ont connaissance d'autres délits, ils en informent immédiatement les services de police compétents. ".
" Art. 4.2.4.4. Autorités chargées de la sûreté maritime
§ 1er. Sans préjudice des compétences du Contrôle de la navigation et de la Cellule de la Sûreté maritime, sont également chargés du contrôle du respect du Règlement ISPS, des articles 2.5.2.1 à 2.5.2.58 et 2.5.2.65 à 2.5.2.71 et les arrêtés d'exécution y afférents :
1° les membres de l'ANSM et du CLSM, lorsque la compétence des membres d'un CLSM est limitée pour au port et aux installations portuaires relevant de leur compétence ;
2° les membres du personnel de l'Administration générales des Douanes et Accises ;
3° les membres du personnel du Ministère de la Défense ;
4° la Direction Infrastructures critiques et Analyse de risque du NCCN ;
5° les membres du personnel du port désignés par l'ANSM ;
6° la police fédérale et locale ;
7° le PSO pour le port et les installations portuaires relevant de sa compétence.
§ 2. Les membres du personnel visés au paragraphe 1er constatent, au moyen d'un procès-verbal qui vaut jusqu'à preuve du contraire, les infractions au Règlement ISPS, aux articles 2.5.2.1 à 2.5.2.58 et 2.5.2.65 à 2.5.2.71 et les arrêtés d'exécution y afférents.
Ces procès-verbaux sont transmis au Procureur du Roi, ainsi qu'au contrevenant ou à son représentant légal en Belgique.
Les personnes visées au paragraphe 1er téléchargent le procès-verbal sur la plateforme ISPS.
§ 3. Si, dans le cadre de l'exercice de leurs compétences, les membres du personnel de la Cellule de la Sûreté maritime, ont connaissance d'autres délits, ils en informent immédiatement les services de police compétents. ".
Art. 19. In hetzelfde wetboek wordt een artikel 4.2.4.4/1 ingevoegd luidende:
"Art. 4.2.4.4/1 Overheden bevoegd voor de beveiliging van de Noordzee
§ 1. Onverminderd de bevoegdheden van de Scheepvaartcontrole en de Cel Maritieme Beveiliging zijn mede belast met het toezicht op de naleving van de artikelen 2.5.2.63 tot en met 2.5.2.68 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten:
1° de leden van de NAMB;
2° de personeelsleden van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen;
3° de personeelsleden van het Ministerie van Landsverdediging;
4° de federale politie;
5° de personeelsleden van het Belgische Mathematisch Model voor de Noordzee.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden stellen bij proces-verbaal dat geldt tot bewijs van tegendeel de inbreuken van de artikelen 2.5.2.63 tot en met 2.5.2.68 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten vast.
Deze processen-verbaal worden aan de procureur des Konings overgezonden, alsook aan de overtreder of zijn wettelijk vertegenwoordiger in België.
De in paragraaf 1 bedoelde personen maken melding van het proces-verbaal in het ISPS-platform.".
"Art. 4.2.4.4/1 Overheden bevoegd voor de beveiliging van de Noordzee
§ 1. Onverminderd de bevoegdheden van de Scheepvaartcontrole en de Cel Maritieme Beveiliging zijn mede belast met het toezicht op de naleving van de artikelen 2.5.2.63 tot en met 2.5.2.68 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten:
1° de leden van de NAMB;
2° de personeelsleden van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen;
3° de personeelsleden van het Ministerie van Landsverdediging;
4° de federale politie;
5° de personeelsleden van het Belgische Mathematisch Model voor de Noordzee.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden stellen bij proces-verbaal dat geldt tot bewijs van tegendeel de inbreuken van de artikelen 2.5.2.63 tot en met 2.5.2.68 en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten vast.
Deze processen-verbaal worden aan de procureur des Konings overgezonden, alsook aan de overtreder of zijn wettelijk vertegenwoordiger in België.
De in paragraaf 1 bedoelde personen maken melding van het proces-verbaal in het ISPS-platform.".
Art. 19. Dans le même code, un article 4.2.4.4/1 est inséré, rédigé comme suit :
" Art. 4.2.4.4/1. Autorités chargées de la sûreté de la mer du Nord
§ 1er. Sans préjudice des compétences du Contrôle de la navigation et de la Cellule de la Sûreté maritime, sont également chargés du contrôle du respect des articles 2.5.2.63 à 2.5.2.68 et les arrêtés d'exécution y afférents :
1° les membres de l'ANSM ;
2° les membres du personnel de l'Administration générales des Douanes et Accises ;
3° les membres du personnel du Ministère de la Défense ;
4° la police fédérale ;
5° les membres du personnel de l'Unité de Gestion du modèle mathématique de la Mer du Nord.
§ 2. Les membres du personnel visés au paragraphe 1er constatent, au moyen d'un procès-verbal qui vaut jusqu'à preuve du contraire, les infractions aux articles 2.5.2.63 à 2.5.2.68 et les arrêtés d'exécution y afférents.
Ces procès-verbaux sont transmis au procureur du Roi, ainsi qu'au contrevenant ou à son représentant légal en Belgique.
Les personnes visées au paragraphe 1er mentionne le procès-verbal dans la plateforme ISPS. ".
" Art. 4.2.4.4/1. Autorités chargées de la sûreté de la mer du Nord
§ 1er. Sans préjudice des compétences du Contrôle de la navigation et de la Cellule de la Sûreté maritime, sont également chargés du contrôle du respect des articles 2.5.2.63 à 2.5.2.68 et les arrêtés d'exécution y afférents :
1° les membres de l'ANSM ;
2° les membres du personnel de l'Administration générales des Douanes et Accises ;
3° les membres du personnel du Ministère de la Défense ;
4° la police fédérale ;
5° les membres du personnel de l'Unité de Gestion du modèle mathématique de la Mer du Nord.
§ 2. Les membres du personnel visés au paragraphe 1er constatent, au moyen d'un procès-verbal qui vaut jusqu'à preuve du contraire, les infractions aux articles 2.5.2.63 à 2.5.2.68 et les arrêtés d'exécution y afférents.
Ces procès-verbaux sont transmis au procureur du Roi, ainsi qu'au contrevenant ou à son représentant légal en Belgique.
Les personnes visées au paragraphe 1er mentionne le procès-verbal dans la plateforme ISPS. ".
Art. 20. Artikel 4.2.4.7 van hetzelfde wetboek wordt aangevuld met de bepaling onder 10°, luidende:
"10° het, in overeenstemming met het internationale recht, afleiden van schepen, die de openbare veiligheid bedreigen of waarvan gegronde vermoedens bestaan dat het schip betrokken is bij spionage of sabotage naar een Belgische haven.".
"10° het, in overeenstemming met het internationale recht, afleiden van schepen, die de openbare veiligheid bedreigen of waarvan gegronde vermoedens bestaan dat het schip betrokken is bij spionage of sabotage naar een Belgische haven.".
Art. 20. L'article 4.2.4.7 du même code est complété d'un 10°, rédigé comme suit :
" 10° détourner vers un port belge, conformément au droit international, des navires qui menacent la sûreté publique ou dont on a de bonnes raisons de soupçonner que le navire est impliqué dans de l'espionnage ou du sabotage. ".
" 10° détourner vers un port belge, conformément au droit international, des navires qui menacent la sûreté publique ou dont on a de bonnes raisons de soupçonner que le navire est impliqué dans de l'espionnage ou du sabotage. ".
Art. 21. In hetzelfde wetboek wordt het artikel 4.3.1.4. ingevoegd, luidende:
"Art. 4.3.1.4. Fonds betreffende de maritieme en mariene handhaving
Dertig percent van het bedrag van alle strafrechtelijke en administratieve geldboetes, of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering of een administratieve minnelijke schikking bedoeld in artikel 14/4 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten opgelegd voor inbreuken op dit wetboek of de scheepvaartwetten zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten wordt gestort in het Fonds betreffende de maritieme en mariene handhaving, opgericht door artikel 25 van de wet van 13 oktober 2022 tot wijziging van het Belgisch Scheepvaartwetboek betreffende de maritieme beveiliging.
In afwijking van het eerste lid wordt de dertig procent van de strafrechtelijke en administratieve geldboetes, of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering of een administratieve minnelijke schikking bedoeld in artikel 14/4 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, opgelegd voor overtredingen van de hoofdstuk 3 van titel 5 van boek 2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek en zijn uitvoeringsbesluiten, voor overtredingen van de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee en voor overtredingen van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, gestort in het Fonds Leefmilieu.
Bij samenloop tussen inbreuken bedoeld in het eerste en tweede lid, en in afwijking van artikel 4.1.2.49, § 5, artikel 57 van de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee, en artikel 57 van de wet 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, wordt de dertig procent gestort in het Fonds betreffende de maritieme en mariene handhaving.".
"Art. 4.3.1.4. Fonds betreffende de maritieme en mariene handhaving
Dertig percent van het bedrag van alle strafrechtelijke en administratieve geldboetes, of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering of een administratieve minnelijke schikking bedoeld in artikel 14/4 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten opgelegd voor inbreuken op dit wetboek of de scheepvaartwetten zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten wordt gestort in het Fonds betreffende de maritieme en mariene handhaving, opgericht door artikel 25 van de wet van 13 oktober 2022 tot wijziging van het Belgisch Scheepvaartwetboek betreffende de maritieme beveiliging.
In afwijking van het eerste lid wordt de dertig procent van de strafrechtelijke en administratieve geldboetes, of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering of een administratieve minnelijke schikking bedoeld in artikel 14/4 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, opgelegd voor overtredingen van de hoofdstuk 3 van titel 5 van boek 2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek en zijn uitvoeringsbesluiten, voor overtredingen van de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee en voor overtredingen van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, gestort in het Fonds Leefmilieu.
Bij samenloop tussen inbreuken bedoeld in het eerste en tweede lid, en in afwijking van artikel 4.1.2.49, § 5, artikel 57 van de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee, en artikel 57 van de wet 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, wordt de dertig procent gestort in het Fonds betreffende de maritieme en mariene handhaving.".
Art. 21. Dans le même code, un article 4.3.1.4 est inséré, rédigé comme suit :
" Art. 4.3.1.4. Fonds concernant l'application maritime et marine
Trente pour cent du montant de toutes les amendes pénales et administratives, ou d'une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou d'une transaction administrative visée à l'article 14/4 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation imposées pour les infractions au présent code ou aux lois sur la navigation telles que visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation sont versés au Fonds concernant l'application maritime et marine, créé par l'article 25 de la loi du 13 octobre 2022 modifiant le Code belge de la Navigation concernant la sûreté maritime.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les trente pour cent des amendes pénales et administratives, ou d'une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou d'une transaction administrative visée à l'article 14/4 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, imposées pour les infractions au chapitre 3 du titre 5 du Livre 2 du Code belge de la Navigation et ses arrêtés d'exécution, pour les infractions à la loi du 22 avril 1999 concernant la zone économique exclusive de la Belgique en mer du Nord et pour les infractions à la loi du 20 janvier 1999 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins sous juridiction de la Belgique, sont versés au Fonds Environnement.
En cas de concours entre les infractions visées aux alinéas 1er et 2, et par dérogation à l'article 4.1.2.49, § 5, article 57 de la loi du 22 avril 1999 concernant la zone économique exclusive de la Belgique en mer du Nord, et l'article 57 de la loi du 20 janvier 1999 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins sous juridiction de la Belgique, les trente pour cent sont versés au Fonds concernant l'application maritime et marine. ".
" Art. 4.3.1.4. Fonds concernant l'application maritime et marine
Trente pour cent du montant de toutes les amendes pénales et administratives, ou d'une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou d'une transaction administrative visée à l'article 14/4 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation imposées pour les infractions au présent code ou aux lois sur la navigation telles que visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation sont versés au Fonds concernant l'application maritime et marine, créé par l'article 25 de la loi du 13 octobre 2022 modifiant le Code belge de la Navigation concernant la sûreté maritime.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les trente pour cent des amendes pénales et administratives, ou d'une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou d'une transaction administrative visée à l'article 14/4 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, imposées pour les infractions au chapitre 3 du titre 5 du Livre 2 du Code belge de la Navigation et ses arrêtés d'exécution, pour les infractions à la loi du 22 avril 1999 concernant la zone économique exclusive de la Belgique en mer du Nord et pour les infractions à la loi du 20 janvier 1999 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins sous juridiction de la Belgique, sont versés au Fonds Environnement.
En cas de concours entre les infractions visées aux alinéas 1er et 2, et par dérogation à l'article 4.1.2.49, § 5, article 57 de la loi du 22 avril 1999 concernant la zone économique exclusive de la Belgique en mer du Nord, et l'article 57 de la loi du 20 janvier 1999 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins sous juridiction de la Belgique, les trente pour cent sont versés au Fonds concernant l'application maritime et marine. ".
Art. 22. Boek 4 van hetzelfde wetboek wordt aangevuld met titel 6, dat de artikelen 4.6.1.1 tot en met 4.6.2.3 omvat, luidende:
"Titel 6. - Bijzondere bepalingen voor de Noordzee
Hoofdstuk 1. - Cameragebruik
Art. 4.6.1.1. Wet van 21 maart 2007
De wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's is niet van toepassing in de Belgische maritieme zones.
Art. 4.6.1.2. Begrippen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° camera: elke observatiesysteem dat beelden verwerkt;
2° mobiele camera: camera die tijdens de observatie wordt verplaats om vanaf verschillende plaatsen of posities te filmen, met inbegrip van camera's geïnstalleerd aan boord van vaartuigen of vliegtuigen of gehangen aan drones;
3° vaste camera: camera die tijdens de observatie op een vaste plaats blijft om vanaf deze locatie te filmen;
4° intelligente camera: camera die ook onderdelen en software bevat die, al niet gekoppeld aan registers of bestanden, de verzamelde beelden al dan niet autonoom kan verwerken;
5° verwerkingsverantwoordelijke: de persoon bedoeld in artikel 4, 7) van de AVG.
Art. 4.6.1.3. Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op de plaatsing en het gebruik van camera's in de Belgische territoriale zee en de Exclusief Economische Zone.
Art. 4.6.1.4. Doel
Het doel van de camera's is:
1° misdrijven tegen personen of goederen te voorkomen, vast te stellen of op te sporen;
2° het mariene milieu te beschermen;
3° wetenschappelijk onderzoek;
4° de scheepvaartveiligheid garanderen;
5° de beveiliging van de bouw- en kunstwerken, kabels en pijpleidingen te garanderen;
6° de beveiliging van de Belgische maritieme zones garanderen;
7° het behoud van de levende rijkdommen.
Art. 4.6.1.5. Andere wetgeving
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op camera's die toegelaten zijn door of krachtens een bijzondere wet of decreet.
Art. 4.6.1.6. Gebruik van vaste camera's in de territoriale zee
§ 1. Het initiatief tot het plaatsen van één of meer vaste camera's wordt genomen door de verwerkingsverantwoordelijke, die enkel een openbare overheid kan zijn.
§ 2. De verwerkingsverantwoordelijke richt de aanvraag tot het installeren van een vaste camera aan de Cel Maritieme Beveiliging en verduidelijkt in de aanvraag volgende punten:
1° locatie van het plaatsen van de camera;
2° de perimeter;
3° het doeleinde van het gebruik van de camera;
4° de specificaties van de camera;
5° de voorgestelde bewaringstermijn die de maximale van duur zoals bepaald in paragraaf 7 niet te boven mag gaan;
6° de wijze waarop de verwerking van de gegevens gebeurt.
De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het aanvraagformulier.
De Cel Maritieme Beveiliging vraagt een advies aan het MIK over de punten 1° tot en met 4°. Indien dit advies niet binnen de dertig dagen wordt gegeven, wordt het geacht positief te zijn.
De Cel Maritieme Beveiliging bezorgt het dossier samen met het advies van het MIK aan de minister die beslist over de plaatsing en de modaliteiten van de camera. De beslissing van de minister is geldig voor een termijn van 5 jaar waarna deze vernieuwd moet worden.
§ 3. De Cel Maritieme Beveiliging maakt de plaatsing van de camera bekend via een Bericht aan Zeevarenden en een publicatie op de website van de Cel Maritieme Beveiliging.
§ 4. De verwerkingsverantwoordelijke houdt een register bij met de beeldverwerkingsactiviteiten van de camera's uitgevoerd onder zijn verantwoordelijkheid. De Koning bepaalt de inhoud van dit register, de modaliteiten en de bewaartermijn ervan.
§ 5. Het bekijken van deze beelden in real time is enkel toegestaan door de diensten bedoeld in artikel 4.2.4.4/1, opdat de bevoegde diensten onmiddellijk kunnen ingrijpen bij misdrijf, schade, overlast of verstoring van de openbare orde en deze diensten in hun optreden optimaal kunnen worden gestuurd, of voor het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek.
§ 6. Het opnemen van de beelden die aanleiding geven tot een verwerking van persoonsgegevens is uitsluitend toegestaan voor de verwezenlijking van de doelstellingen bedoeld in artikel 4.6.1.4.
§ 7. De beelden die aanleiding geven tot een verwerking van persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan strikt noodzakelijk voor de verwezenlijking van de doelstellingen zoals bedoeld in artikel 4.6.1.4, zonder dat de termijn 5 jaar mag overschrijden.
§ 8. In afwijking van paragraaf 1 kan de verwerkingsverantwoordelijke de exploitant van een bouw- of kunstwerk, kabel of pijpleiding zijn op voorwaarde dat de camera enkel de eigen installatie of veiligheidszone filmt en:
1° het gebruik van de camera's is opgenomen in het beveiligingsplan bedoeld in artikel 2.5.2.64; of
2° het gebruik van de camera tot doel heeft de naleving van de veiligheidszone vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 4 februari 2020 tot instelling van veiligheidszones in de zeegebieden onder Belgische rechtsbevoegdheid.
De paragrafen 2 tot en met 4 en paragrafen 6 tot en met 7 zijn overeenkomstige toepassing. De beelden mogen in real time uitsluitend bekeken worden om de beveiliging te kunnen garanderen of onmiddellijk te kunnen ingrijpen als een vaartuig de veiligheidszone schendt.
De beelden bedoeld in deze paragraaf kunnen gedeeld worden met de diensten bedoeld in artikel 4.2.4.4/1 voor de doeleinden bedoeld in artikel 4.6.1.4.
Art. 4.6.1.7. Gebruik van mobiele camera's in de territoriale zee
Een mobiele camera kan enkel geïnstalleerd worden door een overheid bedoeld in artikel 4.2.4.4/1 overeenkomstig de modaliteiten in artikel 4.6.1.6.
Art. 4.6.1.8. Gebruik van vaste of mobiele camera's in de Exclusief Economische Zone
Het gebruik van vaste of mobiele camera's in de Exclusief Economische Zone is toegelaten overeenkomstig de modaliteiten bedoeld in artikel 4.6.1.6 en 4.6.1.7, met als bijkomende voorwaarde dat de aanvrager moet aantonen dat de camera gebruikt wordt voor één van de rechten bedoeld in artikel 56 of 60 van het VN-Zeerechtenverdrag.
Art. 4.6.1.9. Verboden gebruik van camera's
Elke plaatsing of gebruik van camera's in de territoriale zee of de exclusief economische zone in strijd met de bepalingen overeenkomstig de artikelen 4.6.1.4, 4.6.1.6, 4.6.1.7 en 4.6.1.8 is verboden.
Art. 4.6.1.10. Intelligente camera's
Het gebruik van intelligente camera's gekoppeld aan registers of bestanden van persoonsgegevens zijn enkel toegelaten met het oog op de automatische herkenning van het vaartuig.
Art. 4.6.1.11. Recht van toegang
§ 1. Iedere gefilmde persoon heeft een recht van toegang tot de beelden.
De gefilmde persoon richt hiervoor een verzoek aan de verwerkingsverantwoordelijke. Dit verzoek bevat voldoende gedetailleerde aanwijzingen om de betrokken beelden precies te kunnen lokaliseren.
Wanneer de gefilmde persoon aanspraak kan maken op het recht om een kopie te verkrijgen overeenkomstig artikel 15, 3, van de AVG kan de verwerkingsverantwoordelijke het verzoek tot toegang inwilligen, door aan de gefilmde persoon de beelden te laten bekijken, zonder een kopie van de beelden te verstrekken, teneinde te waarborgen dat:
1° de rechten en vrijheden van andere zoals voorzien door artikel 15, 4, van de AVG niet in het gedrang komen;
2° de openbare veiligheid of de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, met toepassing van artikel 23, 1, c) en d), van de AVG niet in gevaar wordt gebracht.
Art. 4.6.1.12. Strafbepalingen
Overtreding van de artikelen 4.6.1.6 tot 4.6.1.10 wordt gestraft met een geldboete van 100 euro tot 10.000 euro. Wordt gestraft met dezelfde geldboete, de persoon die de beschikking heeft over een afbeelding waarvan redelijkerwijs kan vermoed worden dat dit beeld verkregen met schending van deze artikelen.
Hoofdstuk 2. - Andere detectiemiddelen
Art. 4.6.2.1. Overheden
De diensten bedoeld in artikel 4.2.4.4/1 kunnen detectieapparatuur plaatsen in de Belgische maritieme zones, met inbegrip van onderwatersensoren.
Indien door middel van deze detectieapparatuur een persoon geïdentificeerd kan worden, is de procedure van artikel 4.6.1.6 of 4.6.1.8 van overeenkomstige toepassing.
Art. 4.6.2.2. Private personen
Een natuurlijk of rechtspersoon kan detectieapparatuur plaatsen in de Belgische maritieme zones om de naleving van de veiligheidszone vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 4 februari 2020 tot instelling van veiligheidszones in de zeegebieden onder Belgische rechtsbevoegdheid te controleren.
Indien door middel van deze detectieapparatuur een persoon geïdentificeerd kan worden, is de procedure van artikel 4.6.1.6 of 4.6.1.8 van overeenkomstige toepassing.".
Art. 4.6.2.3. Strafbepalingen
Overtreding van de artikelen 4.6.2.1 of 4.6.2.2 wordt gestraft met een geldboete van 100 euro tot 10.000 euro.".
"Titel 6. - Bijzondere bepalingen voor de Noordzee
Hoofdstuk 1. - Cameragebruik
Art. 4.6.1.1. Wet van 21 maart 2007
De wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's is niet van toepassing in de Belgische maritieme zones.
Art. 4.6.1.2. Begrippen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° camera: elke observatiesysteem dat beelden verwerkt;
2° mobiele camera: camera die tijdens de observatie wordt verplaats om vanaf verschillende plaatsen of posities te filmen, met inbegrip van camera's geïnstalleerd aan boord van vaartuigen of vliegtuigen of gehangen aan drones;
3° vaste camera: camera die tijdens de observatie op een vaste plaats blijft om vanaf deze locatie te filmen;
4° intelligente camera: camera die ook onderdelen en software bevat die, al niet gekoppeld aan registers of bestanden, de verzamelde beelden al dan niet autonoom kan verwerken;
5° verwerkingsverantwoordelijke: de persoon bedoeld in artikel 4, 7) van de AVG.
Art. 4.6.1.3. Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op de plaatsing en het gebruik van camera's in de Belgische territoriale zee en de Exclusief Economische Zone.
Art. 4.6.1.4. Doel
Het doel van de camera's is:
1° misdrijven tegen personen of goederen te voorkomen, vast te stellen of op te sporen;
2° het mariene milieu te beschermen;
3° wetenschappelijk onderzoek;
4° de scheepvaartveiligheid garanderen;
5° de beveiliging van de bouw- en kunstwerken, kabels en pijpleidingen te garanderen;
6° de beveiliging van de Belgische maritieme zones garanderen;
7° het behoud van de levende rijkdommen.
Art. 4.6.1.5. Andere wetgeving
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op camera's die toegelaten zijn door of krachtens een bijzondere wet of decreet.
Art. 4.6.1.6. Gebruik van vaste camera's in de territoriale zee
§ 1. Het initiatief tot het plaatsen van één of meer vaste camera's wordt genomen door de verwerkingsverantwoordelijke, die enkel een openbare overheid kan zijn.
§ 2. De verwerkingsverantwoordelijke richt de aanvraag tot het installeren van een vaste camera aan de Cel Maritieme Beveiliging en verduidelijkt in de aanvraag volgende punten:
1° locatie van het plaatsen van de camera;
2° de perimeter;
3° het doeleinde van het gebruik van de camera;
4° de specificaties van de camera;
5° de voorgestelde bewaringstermijn die de maximale van duur zoals bepaald in paragraaf 7 niet te boven mag gaan;
6° de wijze waarop de verwerking van de gegevens gebeurt.
De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het aanvraagformulier.
De Cel Maritieme Beveiliging vraagt een advies aan het MIK over de punten 1° tot en met 4°. Indien dit advies niet binnen de dertig dagen wordt gegeven, wordt het geacht positief te zijn.
De Cel Maritieme Beveiliging bezorgt het dossier samen met het advies van het MIK aan de minister die beslist over de plaatsing en de modaliteiten van de camera. De beslissing van de minister is geldig voor een termijn van 5 jaar waarna deze vernieuwd moet worden.
§ 3. De Cel Maritieme Beveiliging maakt de plaatsing van de camera bekend via een Bericht aan Zeevarenden en een publicatie op de website van de Cel Maritieme Beveiliging.
§ 4. De verwerkingsverantwoordelijke houdt een register bij met de beeldverwerkingsactiviteiten van de camera's uitgevoerd onder zijn verantwoordelijkheid. De Koning bepaalt de inhoud van dit register, de modaliteiten en de bewaartermijn ervan.
§ 5. Het bekijken van deze beelden in real time is enkel toegestaan door de diensten bedoeld in artikel 4.2.4.4/1, opdat de bevoegde diensten onmiddellijk kunnen ingrijpen bij misdrijf, schade, overlast of verstoring van de openbare orde en deze diensten in hun optreden optimaal kunnen worden gestuurd, of voor het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek.
§ 6. Het opnemen van de beelden die aanleiding geven tot een verwerking van persoonsgegevens is uitsluitend toegestaan voor de verwezenlijking van de doelstellingen bedoeld in artikel 4.6.1.4.
§ 7. De beelden die aanleiding geven tot een verwerking van persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan strikt noodzakelijk voor de verwezenlijking van de doelstellingen zoals bedoeld in artikel 4.6.1.4, zonder dat de termijn 5 jaar mag overschrijden.
§ 8. In afwijking van paragraaf 1 kan de verwerkingsverantwoordelijke de exploitant van een bouw- of kunstwerk, kabel of pijpleiding zijn op voorwaarde dat de camera enkel de eigen installatie of veiligheidszone filmt en:
1° het gebruik van de camera's is opgenomen in het beveiligingsplan bedoeld in artikel 2.5.2.64; of
2° het gebruik van de camera tot doel heeft de naleving van de veiligheidszone vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 4 februari 2020 tot instelling van veiligheidszones in de zeegebieden onder Belgische rechtsbevoegdheid.
De paragrafen 2 tot en met 4 en paragrafen 6 tot en met 7 zijn overeenkomstige toepassing. De beelden mogen in real time uitsluitend bekeken worden om de beveiliging te kunnen garanderen of onmiddellijk te kunnen ingrijpen als een vaartuig de veiligheidszone schendt.
De beelden bedoeld in deze paragraaf kunnen gedeeld worden met de diensten bedoeld in artikel 4.2.4.4/1 voor de doeleinden bedoeld in artikel 4.6.1.4.
Art. 4.6.1.7. Gebruik van mobiele camera's in de territoriale zee
Een mobiele camera kan enkel geïnstalleerd worden door een overheid bedoeld in artikel 4.2.4.4/1 overeenkomstig de modaliteiten in artikel 4.6.1.6.
Art. 4.6.1.8. Gebruik van vaste of mobiele camera's in de Exclusief Economische Zone
Het gebruik van vaste of mobiele camera's in de Exclusief Economische Zone is toegelaten overeenkomstig de modaliteiten bedoeld in artikel 4.6.1.6 en 4.6.1.7, met als bijkomende voorwaarde dat de aanvrager moet aantonen dat de camera gebruikt wordt voor één van de rechten bedoeld in artikel 56 of 60 van het VN-Zeerechtenverdrag.
Art. 4.6.1.9. Verboden gebruik van camera's
Elke plaatsing of gebruik van camera's in de territoriale zee of de exclusief economische zone in strijd met de bepalingen overeenkomstig de artikelen 4.6.1.4, 4.6.1.6, 4.6.1.7 en 4.6.1.8 is verboden.
Art. 4.6.1.10. Intelligente camera's
Het gebruik van intelligente camera's gekoppeld aan registers of bestanden van persoonsgegevens zijn enkel toegelaten met het oog op de automatische herkenning van het vaartuig.
Art. 4.6.1.11. Recht van toegang
§ 1. Iedere gefilmde persoon heeft een recht van toegang tot de beelden.
De gefilmde persoon richt hiervoor een verzoek aan de verwerkingsverantwoordelijke. Dit verzoek bevat voldoende gedetailleerde aanwijzingen om de betrokken beelden precies te kunnen lokaliseren.
Wanneer de gefilmde persoon aanspraak kan maken op het recht om een kopie te verkrijgen overeenkomstig artikel 15, 3, van de AVG kan de verwerkingsverantwoordelijke het verzoek tot toegang inwilligen, door aan de gefilmde persoon de beelden te laten bekijken, zonder een kopie van de beelden te verstrekken, teneinde te waarborgen dat:
1° de rechten en vrijheden van andere zoals voorzien door artikel 15, 4, van de AVG niet in het gedrang komen;
2° de openbare veiligheid of de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, met toepassing van artikel 23, 1, c) en d), van de AVG niet in gevaar wordt gebracht.
Art. 4.6.1.12. Strafbepalingen
Overtreding van de artikelen 4.6.1.6 tot 4.6.1.10 wordt gestraft met een geldboete van 100 euro tot 10.000 euro. Wordt gestraft met dezelfde geldboete, de persoon die de beschikking heeft over een afbeelding waarvan redelijkerwijs kan vermoed worden dat dit beeld verkregen met schending van deze artikelen.
Hoofdstuk 2. - Andere detectiemiddelen
Art. 4.6.2.1. Overheden
De diensten bedoeld in artikel 4.2.4.4/1 kunnen detectieapparatuur plaatsen in de Belgische maritieme zones, met inbegrip van onderwatersensoren.
Indien door middel van deze detectieapparatuur een persoon geïdentificeerd kan worden, is de procedure van artikel 4.6.1.6 of 4.6.1.8 van overeenkomstige toepassing.
Art. 4.6.2.2. Private personen
Een natuurlijk of rechtspersoon kan detectieapparatuur plaatsen in de Belgische maritieme zones om de naleving van de veiligheidszone vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 4 februari 2020 tot instelling van veiligheidszones in de zeegebieden onder Belgische rechtsbevoegdheid te controleren.
Indien door middel van deze detectieapparatuur een persoon geïdentificeerd kan worden, is de procedure van artikel 4.6.1.6 of 4.6.1.8 van overeenkomstige toepassing.".
Art. 4.6.2.3. Strafbepalingen
Overtreding van de artikelen 4.6.2.1 of 4.6.2.2 wordt gestraft met een geldboete van 100 euro tot 10.000 euro.".
Art. 22. Le livre 4 du même code est complété d'un titre 6 comprenant les articles 4.6.1.1 à 4.6.2.3, rédigés comme suit :
" Titre 6. - Dispositions particulières pour la mer du Nord
Chapitre 1er. - Utilisation de caméras
Art. 4.6.1.1. Loi du 21 mars 2007
La loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance ne s'applique pas dans les zones maritimes belges.
Art. 4.6.1.2. Notions
Pour l'application du présent chapitre, l'on entend par :
1° caméra : tout système d'observation qui traite des images ;
2° caméra mobile : caméra déplacée au cours de l'observation afin de filmer à partir de différents lieux ou positions, y compris les caméras installées à bord des navires ou des avions ou accrochées à des drones ;
3° caméra fixe : caméra placée dans un lieu fixe au cours de l'observation afin de filmer à partir de cet emplacement ;
4° caméra intelligente : caméra qui comprend également des composantes ainsi que des logiciels qui, couplés ou non à des registres ou à des fichiers, peuvent traiter de manière autonome ou non les images recueillies ;
5° responsable du traitement: la personne visée à l'article 4, 7) du RGPD.
Art. 4.6.1.3. Champ d'application
Le présent chapitre s'applique à l'installation et à l'utilisation de caméras dans la mer territoriale belge et la zone économique exclusive.
Art. 4.6.1.4. Objectif
L'objectif des caméras est :
1° la prévention, la constatation ou la détection des délits contre les personnes et les marchandises ;
2° la protection du milieu marin ;
3° la recherche scientifique ;
4° la garantie de la sécurité de la navigation ;
5° la garantie de la sûreté des ouvrages de construction et de génie civil, des câbles et des pipelines ;
6° la garantie de la sûreté des zones maritimes belges ;
7° la conservation des ressources vivantes.
Art. 4.6.1.5. Autres législations
Le présent chapitre ne s'applique pas aux caméras autorisées par ou en vertu d'une loi ou d'un décret spécial.
Art. 4.6.1.6. Utilisation de caméras fixes dans la mer territoriale
§ 1er. L'initiative d'installer une ou plusieurs caméras fixes est prise par le responsable du traitement, qui ne peut être qu'une autorité publique.
§ 2. Le responsable du traitement adresse la demande d'installation d'une caméra fixe à la Cellule de la Sûreté maritime et précise les point suivants :
1° l'emplacement de l'installation de la caméra ;
2° le périmètre ;
3° la finalité de l'utilisation de la caméra ;
4° les spécifications de la caméra ;
5° le délai de conservation proposé, qui ne peut excéder la durée maximale énoncée au paragraphe 7 ;
6° la manière dont les données sont traitées.
Le Roi détermine la forme et le contenu du formulaire de demande.
La Cellule de la Sûreté maritime demande un avis au MIK sur les 1° à 4°. Si cet avis n'est pas donné dans les trente jours, il est réputé être positif.
La Cellule de la Sûreté maritime transmet le dossier avec l'avis du MIK au ministre qui décide de l'installation et des modalités de la caméra. La décision du ministre est valable pour un délai de 5 ans, après quoi elle doit être renouvelée.
§ 3. La Cellule de la Sûreté maritime annonce l'installation de la caméra via un Avis aux Navigateurs et une publication sur le site web de la Cellule de la Sûreté maritime.
§ 4. Le responsable du traitement tient un registre des activités de traitement d'images des caméras effectuées sous sa responsabilité. Le Roi détermine le contenu de ce registre, ses modalités et son délai de conservation.
§ 5. La visualisation de ces images en temps réel n'est autorisée que par les services visés à l'article 4.2.4.4/1, afin que les services compétents puissent intervenir immédiatement en cas d'infraction, de dommage, de nuisance ou de perturbation de l'ordre public et que ce services puissent être guidés de manière optimale dans leurs actions, ou afin de réaliser des recherches scientifiques.
§ 6. L'enregistrement des images donnant lieu à un traitement des données à caractère personnel n'est autorisé que pour la réalisation des finalités visées à l'article 4.6.1.4.
§ 7. Les images donnant lieu à un traitement des données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que la durée strictement nécessaire à la réalisation des finalités telles que visées à l'article 4.6.1.4, sans que le délai n'excède 5 ans.
§ 8. Par dérogation au paragraphe 1er, le responsable du traitement peut être l'exploitant d'un ouvrage de construction ou de génie civil, d'un câble ou d'un pipeline, à condition que la caméra filme uniquement sa propre installation ou zone de sécurité, et que :
1° l'utilisation des caméras figure dans le plan de sûreté visé à l'article 2.5.2.64 ; ou
2° l'utilisation de la caméra a pour objectif le respect de la zone de sécurité établie conformément à l'arrêté royal du 4 février 2020 établissant des zones de sécurité dans les espaces marins sous la juridiction de la Belgique.
Les paragraphes 2 à 4 et les paragraphes 6 à 7 sont d'application mutatis mutandis. Les images ne peuvent être visualisées en temps réel qu'afin de garantir la sûreté ou intervenir immédiatement si un navire enfreint la zone de sécurité.
Les images visées au présent paragraphe peuvent être partagées avec les services visés à l'article 4.2.4.4/1 aux fins visées à l'article 4.6.1.4.
Art. 4.6.1.7. Utilisation de caméras mobiles dans la mer territoriale
Une caméra mobile ne peut être installée que par une autorité visée à l'article 4.2.4.4/1 conformément aux modalités à l'article 4.6.1.6.
Art. 4.6.1.8. Utilisation de caméras fixes ou mobiles dans la zone économique exclusive
L'utilisation de caméras fixes ou mobiles dans la zone économique exclusive est autorisée conformément aux modalités visées aux articles 4.6.1.6 et 4.6.1.7, avec pour condition supplémentaire que le demandeur doit démontrer que la caméra est utilisée pour l'un des droits visés à l'article 56 ou 60 de la Convention des NU sur le droit de la mer.
Art. 4.6.1.9. Utilisation interdite de caméras
Toute installation ou utilisation de caméras dans la mer territoriale ou la zone économique exclusive en violation des dispositions conformément aux articles 4.6.1.4, 4.6.1.6, 4.6.1.7 et 4.6.1.8 est interdite.
Art. 4.6.1.10. Caméras intelligentes
L'utilisation de caméras intelligentes couplées à des registres ou à des fichiers de données à caractère personnel n'est autorisée qu'en vue de la reconnaissance automatique du navire.
Art. 4.6.1.11. Droit d'accès
§ 1er. Toute personne filmée a un droit d'accès aux images.
La personne filmée adresse à cet effet une demande au responsable du traitement. Cette demande comporte des indications suffisamment détaillées pour permettre de localiser les images concernées de manière précise.
Lorsque la personne filmée peut prétendre au droit d'obtenir une copie conformément à l'article 15, 3, du RGPD, le responsable du traitement peut répondre à la demande d'accès en faisant visionner à la personne filmée les images où elle apparaît, sans lui fournir une copie des images, afin de garantir que :
1° les droits et libertés d'autrui, comme prévu à l'article 15, 4, du RGPD, ne sont pas compromis ;
2° la sécurité publique ou la prévention et la détection d'infractions pénales, ainsi que les enquêtes et les poursuites en la matière ou l'exécution de sanctions pénales, en application de l'article 23, paragraphe 1er, c) et d), du RGPD, ne sont pas compromises.
Art. 4.6.1.12. Dispositions pénales
Quiconque enfreint les articles 4.6.1.6 à 4.6.1.10 est puni d'une amende de 100 euros à 10.000 euros. Est puni d'une amende identique, la personne qui dispose d'une image dont on peut raisonnablement soupçonner qu'elle a été obtenue en violation de ces mêmes articles.
Chapitre 2. - Autres moyens de détection
Art. 4.6.2.1. Autorités
Les services visés à l'article 4.2.4.4/1 peuvent installer des équipements de détection dans les zones maritimes belges, y compris des capteurs sous-marins.
S'il est possible d'identifier une personne au moyen de cet équipement de détection, la procédure aux articles 4.6.1.6 ou 4.6.1.8 est d'application mutatis mutandis.
Art. 4.6.2.2. Personnes privées
Une personne physique ou morale peut installer des équipements de détection dans les zones maritimes belges pour vérifier le respect de la zone de sécurité établie conformément à l'arrêté royal du 4 février 2020 établissant des zones de sécurité dans les espaces marins sous la juridiction de la Belgique.
S'il est possible d'identifier une personne au moyen de cet équipement de détection, la procédure aux articles 4.6.1.6 ou 4.6.1.8 est d'application mutatis mutandis.
Art. 4.6.2.3. Dispositions pénales
Quiconque enfreint les articles 4.6.2.1 ou 4.6.2.2 est puni d'une amende de 100 euros à 10.000 euros. ".
" Titre 6. - Dispositions particulières pour la mer du Nord
Chapitre 1er. - Utilisation de caméras
Art. 4.6.1.1. Loi du 21 mars 2007
La loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance ne s'applique pas dans les zones maritimes belges.
Art. 4.6.1.2. Notions
Pour l'application du présent chapitre, l'on entend par :
1° caméra : tout système d'observation qui traite des images ;
2° caméra mobile : caméra déplacée au cours de l'observation afin de filmer à partir de différents lieux ou positions, y compris les caméras installées à bord des navires ou des avions ou accrochées à des drones ;
3° caméra fixe : caméra placée dans un lieu fixe au cours de l'observation afin de filmer à partir de cet emplacement ;
4° caméra intelligente : caméra qui comprend également des composantes ainsi que des logiciels qui, couplés ou non à des registres ou à des fichiers, peuvent traiter de manière autonome ou non les images recueillies ;
5° responsable du traitement: la personne visée à l'article 4, 7) du RGPD.
Art. 4.6.1.3. Champ d'application
Le présent chapitre s'applique à l'installation et à l'utilisation de caméras dans la mer territoriale belge et la zone économique exclusive.
Art. 4.6.1.4. Objectif
L'objectif des caméras est :
1° la prévention, la constatation ou la détection des délits contre les personnes et les marchandises ;
2° la protection du milieu marin ;
3° la recherche scientifique ;
4° la garantie de la sécurité de la navigation ;
5° la garantie de la sûreté des ouvrages de construction et de génie civil, des câbles et des pipelines ;
6° la garantie de la sûreté des zones maritimes belges ;
7° la conservation des ressources vivantes.
Art. 4.6.1.5. Autres législations
Le présent chapitre ne s'applique pas aux caméras autorisées par ou en vertu d'une loi ou d'un décret spécial.
Art. 4.6.1.6. Utilisation de caméras fixes dans la mer territoriale
§ 1er. L'initiative d'installer une ou plusieurs caméras fixes est prise par le responsable du traitement, qui ne peut être qu'une autorité publique.
§ 2. Le responsable du traitement adresse la demande d'installation d'une caméra fixe à la Cellule de la Sûreté maritime et précise les point suivants :
1° l'emplacement de l'installation de la caméra ;
2° le périmètre ;
3° la finalité de l'utilisation de la caméra ;
4° les spécifications de la caméra ;
5° le délai de conservation proposé, qui ne peut excéder la durée maximale énoncée au paragraphe 7 ;
6° la manière dont les données sont traitées.
Le Roi détermine la forme et le contenu du formulaire de demande.
La Cellule de la Sûreté maritime demande un avis au MIK sur les 1° à 4°. Si cet avis n'est pas donné dans les trente jours, il est réputé être positif.
La Cellule de la Sûreté maritime transmet le dossier avec l'avis du MIK au ministre qui décide de l'installation et des modalités de la caméra. La décision du ministre est valable pour un délai de 5 ans, après quoi elle doit être renouvelée.
§ 3. La Cellule de la Sûreté maritime annonce l'installation de la caméra via un Avis aux Navigateurs et une publication sur le site web de la Cellule de la Sûreté maritime.
§ 4. Le responsable du traitement tient un registre des activités de traitement d'images des caméras effectuées sous sa responsabilité. Le Roi détermine le contenu de ce registre, ses modalités et son délai de conservation.
§ 5. La visualisation de ces images en temps réel n'est autorisée que par les services visés à l'article 4.2.4.4/1, afin que les services compétents puissent intervenir immédiatement en cas d'infraction, de dommage, de nuisance ou de perturbation de l'ordre public et que ce services puissent être guidés de manière optimale dans leurs actions, ou afin de réaliser des recherches scientifiques.
§ 6. L'enregistrement des images donnant lieu à un traitement des données à caractère personnel n'est autorisé que pour la réalisation des finalités visées à l'article 4.6.1.4.
§ 7. Les images donnant lieu à un traitement des données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que la durée strictement nécessaire à la réalisation des finalités telles que visées à l'article 4.6.1.4, sans que le délai n'excède 5 ans.
§ 8. Par dérogation au paragraphe 1er, le responsable du traitement peut être l'exploitant d'un ouvrage de construction ou de génie civil, d'un câble ou d'un pipeline, à condition que la caméra filme uniquement sa propre installation ou zone de sécurité, et que :
1° l'utilisation des caméras figure dans le plan de sûreté visé à l'article 2.5.2.64 ; ou
2° l'utilisation de la caméra a pour objectif le respect de la zone de sécurité établie conformément à l'arrêté royal du 4 février 2020 établissant des zones de sécurité dans les espaces marins sous la juridiction de la Belgique.
Les paragraphes 2 à 4 et les paragraphes 6 à 7 sont d'application mutatis mutandis. Les images ne peuvent être visualisées en temps réel qu'afin de garantir la sûreté ou intervenir immédiatement si un navire enfreint la zone de sécurité.
Les images visées au présent paragraphe peuvent être partagées avec les services visés à l'article 4.2.4.4/1 aux fins visées à l'article 4.6.1.4.
Art. 4.6.1.7. Utilisation de caméras mobiles dans la mer territoriale
Une caméra mobile ne peut être installée que par une autorité visée à l'article 4.2.4.4/1 conformément aux modalités à l'article 4.6.1.6.
Art. 4.6.1.8. Utilisation de caméras fixes ou mobiles dans la zone économique exclusive
L'utilisation de caméras fixes ou mobiles dans la zone économique exclusive est autorisée conformément aux modalités visées aux articles 4.6.1.6 et 4.6.1.7, avec pour condition supplémentaire que le demandeur doit démontrer que la caméra est utilisée pour l'un des droits visés à l'article 56 ou 60 de la Convention des NU sur le droit de la mer.
Art. 4.6.1.9. Utilisation interdite de caméras
Toute installation ou utilisation de caméras dans la mer territoriale ou la zone économique exclusive en violation des dispositions conformément aux articles 4.6.1.4, 4.6.1.6, 4.6.1.7 et 4.6.1.8 est interdite.
Art. 4.6.1.10. Caméras intelligentes
L'utilisation de caméras intelligentes couplées à des registres ou à des fichiers de données à caractère personnel n'est autorisée qu'en vue de la reconnaissance automatique du navire.
Art. 4.6.1.11. Droit d'accès
§ 1er. Toute personne filmée a un droit d'accès aux images.
La personne filmée adresse à cet effet une demande au responsable du traitement. Cette demande comporte des indications suffisamment détaillées pour permettre de localiser les images concernées de manière précise.
Lorsque la personne filmée peut prétendre au droit d'obtenir une copie conformément à l'article 15, 3, du RGPD, le responsable du traitement peut répondre à la demande d'accès en faisant visionner à la personne filmée les images où elle apparaît, sans lui fournir une copie des images, afin de garantir que :
1° les droits et libertés d'autrui, comme prévu à l'article 15, 4, du RGPD, ne sont pas compromis ;
2° la sécurité publique ou la prévention et la détection d'infractions pénales, ainsi que les enquêtes et les poursuites en la matière ou l'exécution de sanctions pénales, en application de l'article 23, paragraphe 1er, c) et d), du RGPD, ne sont pas compromises.
Art. 4.6.1.12. Dispositions pénales
Quiconque enfreint les articles 4.6.1.6 à 4.6.1.10 est puni d'une amende de 100 euros à 10.000 euros. Est puni d'une amende identique, la personne qui dispose d'une image dont on peut raisonnablement soupçonner qu'elle a été obtenue en violation de ces mêmes articles.
Chapitre 2. - Autres moyens de détection
Art. 4.6.2.1. Autorités
Les services visés à l'article 4.2.4.4/1 peuvent installer des équipements de détection dans les zones maritimes belges, y compris des capteurs sous-marins.
S'il est possible d'identifier une personne au moyen de cet équipement de détection, la procédure aux articles 4.6.1.6 ou 4.6.1.8 est d'application mutatis mutandis.
Art. 4.6.2.2. Personnes privées
Une personne physique ou morale peut installer des équipements de détection dans les zones maritimes belges pour vérifier le respect de la zone de sécurité établie conformément à l'arrêté royal du 4 février 2020 établissant des zones de sécurité dans les espaces marins sous la juridiction de la Belgique.
S'il est possible d'identifier une personne au moyen de cet équipement de détection, la procédure aux articles 4.6.1.6 ou 4.6.1.8 est d'application mutatis mutandis.
Art. 4.6.2.3. Dispositions pénales
Quiconque enfreint les articles 4.6.2.1 ou 4.6.2.2 est puni d'une amende de 100 euros à 10.000 euros. ".
Art. 23. In het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 73bis ingevoegd, luidende als volgt:
"Art. 73bis. In afwijking van artikel 73 en de gebiedsomschrijving in het bijvoegsel bij dit Wetboek, worden inbreuken op de Verordening (EG) Nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten, de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.46 van het Belgisch Scheepvaartwetboek en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten en artikel 4.1.2.48/1 die gepleegd worden in het deel van het Linkerscheldeoevergebied, bedoeld in artikel 1 van de wet van 19 juni 1978 betreffende het beheer van het Linkerscheldeoevergebied ter hoogte van Antwerpen en houdende maatregelen voor het beheer en de exploitatie van de haven van Antwerpen, vervolgd door de bevoegde rechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen.".
"Art. 73bis. In afwijking van artikel 73 en de gebiedsomschrijving in het bijvoegsel bij dit Wetboek, worden inbreuken op de Verordening (EG) Nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten, de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.46 van het Belgisch Scheepvaartwetboek en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten en artikel 4.1.2.48/1 die gepleegd worden in het deel van het Linkerscheldeoevergebied, bedoeld in artikel 1 van de wet van 19 juni 1978 betreffende het beheer van het Linkerscheldeoevergebied ter hoogte van Antwerpen en houdende maatregelen voor het beheer en de exploitatie van de haven van Antwerpen, vervolgd door de bevoegde rechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen.".
Art. 23. Dans le Code judiciaire, un article 73bis est inséré, rédigé comme suit :
" Art. 73bis. Par dérogation à l'article 73 et aux limites territoriales à l'annexe du présent Code, les infractions au Règlement (CE) N° 725/2004 du Parlement européen et du Conseil du 31 mars 2004 relatif à l'amélioration de la sûreté des navires et des installations portuaires, aux articles 2.5.2.1 à 2.5.2.46 du Code belge de la Navigation et les arrêtés d'exécution y afférents et à l'article 4.1.2.48/1, commises dans la partie du territoire de la rive gauche de l'Escaut, visé à l'article 1er de la loi du 19 juin 1978 relative à la gestion du territoire de la rive gauche de l'Escaut à hauteur d'Anvers et portant des mesures de gestion et d'exploitation du port d'Anvers, sont poursuivies par les tribunaux compétents de l'arrondissement judiciaire d'Anvers. ".
" Art. 73bis. Par dérogation à l'article 73 et aux limites territoriales à l'annexe du présent Code, les infractions au Règlement (CE) N° 725/2004 du Parlement européen et du Conseil du 31 mars 2004 relatif à l'amélioration de la sûreté des navires et des installations portuaires, aux articles 2.5.2.1 à 2.5.2.46 du Code belge de la Navigation et les arrêtés d'exécution y afférents et à l'article 4.1.2.48/1, commises dans la partie du territoire de la rive gauche de l'Escaut, visé à l'article 1er de la loi du 19 juin 1978 relative à la gestion du territoire de la rive gauche de l'Escaut à hauteur d'Anvers et portant des mesures de gestion et d'exploitation du port d'Anvers, sont poursuivies par les tribunaux compétents de l'arrondissement judiciaire d'Anvers. ".
Art. 24. § 1. Met de toepassing van artikel 62 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat, wordt een begrotingsfonds betreffende de maritieme en mariene handhaving opgericht.
§ 2. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van de begrotingsfondsen wordt de rubriek 33 - Mobiliteit en Vervoer aangevuld als volgt:
"13: Benaming van het organiek begrotingsfonds:
Fonds betreffende de maritieme en mariene handhaving;
Aard van de toegewezen ontvangsten:
1° dertig percent van het bedrag van alle strafrechtelijke en administratieve geldboetes, minnelijke schikkingen bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering of administratieve minnelijke schikkingen bedoeld in artikel 14/4 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, opgelegd voor inbreuken op het Belgisch Scheepvaartwetboek, met uitzondering van de strafrechtelijke en administratieve geldboetes bedoeld in artikel 4.3.1.4, tweede lid, van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
2° dertig percent van het bedrag van alle strafrechtelijke en administratieve geldboetes, minnelijke schikkingen bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering of administratieve minnelijke schikkingen bedoeld in artikel 14/4 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, opgelegd voor inbreuken op de scheepvaartwetten bedoeld in artikel 2 van wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, met uitzondering van de strafrechtelijke en administratieve geldboetes bedoeld in artikel 4.3.1.4, tweede lid, van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
3° alle inkomsten uit gerechtelijke en buitengerechtelijke uitspraken en schikkingen naar aanleiding van incidenten en ongevallen in de Belgische maritieme zones.
Aard van de toegestane uitgaven:
1° de aankoop van materiaal, met inbegrip van netwerk en informatiesystemen, voor het verhogen van de handhaving van het Belgisch Scheepvaartwetboek en de scheepvaartwetten bedoeld in artikel 2 de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
2° de studies en sensibiliseringscampagnes met het oog op het verbeteren van de handhaving van het Belgisch Scheepvaartwetboek en de scheepvaartwetten overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
3° het leveren van diensten met het oog op het verbeteren van de handhaving van het Belgisch Scheepvaartwetboek en de scheepvaartwetten bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.".
§ 2. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van de begrotingsfondsen wordt de rubriek 33 - Mobiliteit en Vervoer aangevuld als volgt:
"13: Benaming van het organiek begrotingsfonds:
Fonds betreffende de maritieme en mariene handhaving;
Aard van de toegewezen ontvangsten:
1° dertig percent van het bedrag van alle strafrechtelijke en administratieve geldboetes, minnelijke schikkingen bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering of administratieve minnelijke schikkingen bedoeld in artikel 14/4 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, opgelegd voor inbreuken op het Belgisch Scheepvaartwetboek, met uitzondering van de strafrechtelijke en administratieve geldboetes bedoeld in artikel 4.3.1.4, tweede lid, van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
2° dertig percent van het bedrag van alle strafrechtelijke en administratieve geldboetes, minnelijke schikkingen bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering of administratieve minnelijke schikkingen bedoeld in artikel 14/4 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, opgelegd voor inbreuken op de scheepvaartwetten bedoeld in artikel 2 van wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, met uitzondering van de strafrechtelijke en administratieve geldboetes bedoeld in artikel 4.3.1.4, tweede lid, van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
3° alle inkomsten uit gerechtelijke en buitengerechtelijke uitspraken en schikkingen naar aanleiding van incidenten en ongevallen in de Belgische maritieme zones.
Aard van de toegestane uitgaven:
1° de aankoop van materiaal, met inbegrip van netwerk en informatiesystemen, voor het verhogen van de handhaving van het Belgisch Scheepvaartwetboek en de scheepvaartwetten bedoeld in artikel 2 de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
2° de studies en sensibiliseringscampagnes met het oog op het verbeteren van de handhaving van het Belgisch Scheepvaartwetboek en de scheepvaartwetten overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
3° het leveren van diensten met het oog op het verbeteren van de handhaving van het Belgisch Scheepvaartwetboek en de scheepvaartwetten bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.".
Art. 24. § 1er. En application de l'article 62 de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral, un fonds budgétaire concernant l'application maritime et marine est créé.
§ 2. Dans le tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, la rubrique 33 - Mobilité et Transports est complétée comme suit :
" 13 : Dénomination du fonds budgétaire organique :
Fonds concernant l'application maritime et marine ;
Nature des recettes affectées :
1° trente pour cent du montant de toutes les amendes pénales et administratives, ou d'une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou d'une transaction administrative visée à l'article 14/4 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation imposées pour les infractions au Code belge de la Navigation, à l'exception des amendes pénales et administratives visées à l'article 4.3.1.4, alinéa 2, du Code belge de la Navigation ;
2° trente pour cent du montant de toutes les amendes pénales et administratives, ou d'une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou d'une transaction administrative visée à l'article 14/4 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation imposées pour les infractions aux lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, à l'exception des amendes pénales et administratives visées à l'article 4.3.1.4, alinéa 2, du Code belge de la Navigation ;
3° tous les revenus des jugements et transactions judiciaires et extrajudiciaires suite à des incidents et des accidents dans les zones maritimes belges.
Nature des dépenses autorisées :
1° l'achat de matériel, y compris les réseaux et systèmes d'information, pour le renforcement de l'application du Code belge de la Navigation et des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation ;
2° les études et campagnes de sensibilisation en vue d'améliorer l'application du Code belge de la Navigation et des lois sur la navigation conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation ;
3° la fourniture des services en vue d'améliorer l'application du Code belge de la Navigation et des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation. ".
§ 2. Dans le tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, la rubrique 33 - Mobilité et Transports est complétée comme suit :
" 13 : Dénomination du fonds budgétaire organique :
Fonds concernant l'application maritime et marine ;
Nature des recettes affectées :
1° trente pour cent du montant de toutes les amendes pénales et administratives, ou d'une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou d'une transaction administrative visée à l'article 14/4 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation imposées pour les infractions au Code belge de la Navigation, à l'exception des amendes pénales et administratives visées à l'article 4.3.1.4, alinéa 2, du Code belge de la Navigation ;
2° trente pour cent du montant de toutes les amendes pénales et administratives, ou d'une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou d'une transaction administrative visée à l'article 14/4 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation imposées pour les infractions aux lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, à l'exception des amendes pénales et administratives visées à l'article 4.3.1.4, alinéa 2, du Code belge de la Navigation ;
3° tous les revenus des jugements et transactions judiciaires et extrajudiciaires suite à des incidents et des accidents dans les zones maritimes belges.
Nature des dépenses autorisées :
1° l'achat de matériel, y compris les réseaux et systèmes d'information, pour le renforcement de l'application du Code belge de la Navigation et des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation ;
2° les études et campagnes de sensibilisation en vue d'améliorer l'application du Code belge de la Navigation et des lois sur la navigation conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation ;
3° la fourniture des services en vue d'améliorer l'application du Code belge de la Navigation et des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation. ".
Art. 25. Artikel 4, § 3bis, eerste lid, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, ingevoegd bij de wet van 28 november 2021, wordt vervangen als volgt:
"Bij veroordeling wegens een van de misdrijven omschreven in de artikelen 2, 2°, 2bis, 2quater en 3, kan de rechter het tijdelijke verbod uitspreken zich binnen één of meerdere van de Belgische havens of havenfaciliteiten in de zin van artikel 2.5.2.3, 4° en 5° van het Belgisch Scheepvaartwetboek te begeven, en om beroepsactiviteiten uit te oefenen in deze Belgische havens of havenfaciliteiten alsook in de dienstverlenende sectoren ten behoeve van deze havens en havenfaciliteiten.".
"Bij veroordeling wegens een van de misdrijven omschreven in de artikelen 2, 2°, 2bis, 2quater en 3, kan de rechter het tijdelijke verbod uitspreken zich binnen één of meerdere van de Belgische havens of havenfaciliteiten in de zin van artikel 2.5.2.3, 4° en 5° van het Belgisch Scheepvaartwetboek te begeven, en om beroepsactiviteiten uit te oefenen in deze Belgische havens of havenfaciliteiten alsook in de dienstverlenende sectoren ten behoeve van deze havens en havenfaciliteiten.".
Art. 25. L'article 4, § 3bis, alinéa 1er, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes, inséré par la loi du 28 novembre 2021, est remplacé par ce qui suit :
" En condamnant du chef d'une des infractions visées aux articles 2, 2°, 2bis, 2quater et 3, le juge pourra prononcer l'interdiction temporaire d'entrer dans un ou plusieurs des ports belges ou des installations portuaires tels que définis à l'article 2.5.2.3, 4° et 5° du Code belge de la Navigation, et d'exercer des activités professionnelles dans ces ports ou installations portuaires ainsi que dans les secteurs de services pour ces ports ou installations portuaires. "
" En condamnant du chef d'une des infractions visées aux articles 2, 2°, 2bis, 2quater et 3, le juge pourra prononcer l'interdiction temporaire d'entrer dans un ou plusieurs des ports belges ou des installations portuaires tels que définis à l'article 2.5.2.3, 4° et 5° du Code belge de la Navigation, et d'exercer des activités professionnelles dans ces ports ou installations portuaires ainsi que dans les secteurs de services pour ces ports ou installations portuaires. "
Art. 26. In artikel 57 van de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee worden de woorden "20 %" vervangen door de woorden "dertig procent".
Art. 26. Dans l'article 57 de la loi du 22 avril 1999 concernant la zone économique exclusive de la Belgique en mer du Nord, les mots " 20 % " sont remplacés par les mots " trente pour cent ".
Art. 27. Artikel 25/2, § 2, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, ingevoegd bij de wet van 21 maart 2018, wordt aangevuld met de bepaling onder 3°, luidende:
" 3° wat het gebruik van vaste camera's in de Belgische maritieme zones zoals bepaald in artikel 1.1.1.4 van het Belgisch Scheepvaartwetboek wordt het pictogram bedoeld in de bepaling onder 1° vervangen door de bekendmaking zoals bepaald in artikel 4.6.1.6, § 3, van het Belgisch Scheepvaartwetboek.".
" 3° wat het gebruik van vaste camera's in de Belgische maritieme zones zoals bepaald in artikel 1.1.1.4 van het Belgisch Scheepvaartwetboek wordt het pictogram bedoeld in de bepaling onder 1° vervangen door de bekendmaking zoals bepaald in artikel 4.6.1.6, § 3, van het Belgisch Scheepvaartwetboek.".
Art. 27. L'article 25/2, § 2, de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, inséré par la loi du 21 mars 2018, est complété d'un 3°, rédigé comme suit :
" 3° en ce qui concerne l'utilisation de caméras fixes dans les zones maritimes belges énoncée à l'article 1.1.1.4 du Code belge de la Navigation, le pictogramme visé au 1° est remplacé par l'annonce énoncée à l'article 4.6.1.6, § 3, du Code belge de la Navigation. ".
" 3° en ce qui concerne l'utilisation de caméras fixes dans les zones maritimes belges énoncée à l'article 1.1.1.4 du Code belge de la Navigation, le pictogramme visé au 1° est remplacé par l'annonce énoncée à l'article 4.6.1.6, § 3, du Code belge de la Navigation. ".
Art. 28. In artikel 3, 3°, van de wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren, gewijzigd door de wet van 7 april 2019, wordt de bepaling onder a) aangevuld met de woorden:
" met uitzondering van de lange omvaart en short sea shipping en havens waarvoor de minister bevoegd voor maritieme mobiliteit de sectoriële overheid is".
" met uitzondering van de lange omvaart en short sea shipping en havens waarvoor de minister bevoegd voor maritieme mobiliteit de sectoriële overheid is".
Art. 28. A l'article 3, 3°, de la loi du 1 juillet 2011 relative à la sécurité et la protection des infrastructures critiques, modifié par la loi du 7 avril 2019, le a) est complété par ce qui suit :
" à l'exception de transport hauturier et transport maritime à court distance et ports pour lequel le ministre compétent pour la mobilité maritime est l'autorité sectorielle ".
" à l'exception de transport hauturier et transport maritime à court distance et ports pour lequel le ministre compétent pour la mobilité maritime est l'autorité sectorielle ".
Art. 29. In de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten wordt het artikel 14/4 ingevoegd, luidende:
" Art. 14/4. § 1. De bevoegde autoriteit kan voor inbreuken op het Belgisch Scheepvaartwetboek en zijn uitvoeringsbesluiten en de scheepvaartwetten en hun uitvoeringsbesluiten die bestraft kunnen worden met een administratieve geldboete, indien het feit geen schade aan derden heeft veroorzaakt, en met instemming van de overtreder, een administratieve minnelijke schikking voorstellen, hetzij onmiddellijk of hetzij binnen een door de bevoegde autoriteit bepaalde termijn volgens de door de bevoegde autoriteit bepaalde modaliteiten.
Het bedrag van deze som mag niet hoger zijn dan het maximum van de geldboete die op die inbreuk staat, vermeerderd met de opdeciemen. Naast deze som wordt er een administratieve toeslag van 8,84 euro geheven. De door de overtreder verrichte betalingen worden eerst op deze administratieve toeslag toegerekend.
Het bedrag van deze administratieve toeslag wordt vanaf 1 januari 2022 jaarlijks automatisch aangepast aan het indexcijfer van de gezondheidsindex op basis van de volgende formule: het bedrag van de toeslag zoals vastgesteld in het eerste lid vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.
Het nieuwe indexcijfer is het indexcijfer van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bedrag van de toeslag wordt aangepast en het aanvangsindexcijfer is het indexcijfer van de maand november 2021.
Het verkregen resultaat wordt afgerond naar boven op de euro als het decimale gedeelte gelijk aan of meer dan 50 cent is. Het wordt naar onder op de euro afgerond als het decimale gedeelte minder is dan 50 cent.
§ 2. De ambtenaren en overheidspersonen aangewezen door de Koning zijn belast met de toepassing van dit artikel en van de ter uitvoering ervan genomen maatregelen.
Door betaling vervalt de administratieve vordering, tenzij de bevoegde autoriteit binnen een maand, te rekenen van de dag van de betaling, de betrokkene kennis geeft van zijn voornemen de administratieve vordering in te stellen.
§ 3. Wanneer de administratieve minnelijk schikking niet binnen de bepaalde termijn wordt betaald kan de bevoegde autoriteit de administratieve vervolging instellen.".
" Art. 14/4. § 1. De bevoegde autoriteit kan voor inbreuken op het Belgisch Scheepvaartwetboek en zijn uitvoeringsbesluiten en de scheepvaartwetten en hun uitvoeringsbesluiten die bestraft kunnen worden met een administratieve geldboete, indien het feit geen schade aan derden heeft veroorzaakt, en met instemming van de overtreder, een administratieve minnelijke schikking voorstellen, hetzij onmiddellijk of hetzij binnen een door de bevoegde autoriteit bepaalde termijn volgens de door de bevoegde autoriteit bepaalde modaliteiten.
Het bedrag van deze som mag niet hoger zijn dan het maximum van de geldboete die op die inbreuk staat, vermeerderd met de opdeciemen. Naast deze som wordt er een administratieve toeslag van 8,84 euro geheven. De door de overtreder verrichte betalingen worden eerst op deze administratieve toeslag toegerekend.
Het bedrag van deze administratieve toeslag wordt vanaf 1 januari 2022 jaarlijks automatisch aangepast aan het indexcijfer van de gezondheidsindex op basis van de volgende formule: het bedrag van de toeslag zoals vastgesteld in het eerste lid vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.
Het nieuwe indexcijfer is het indexcijfer van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bedrag van de toeslag wordt aangepast en het aanvangsindexcijfer is het indexcijfer van de maand november 2021.
Het verkregen resultaat wordt afgerond naar boven op de euro als het decimale gedeelte gelijk aan of meer dan 50 cent is. Het wordt naar onder op de euro afgerond als het decimale gedeelte minder is dan 50 cent.
§ 2. De ambtenaren en overheidspersonen aangewezen door de Koning zijn belast met de toepassing van dit artikel en van de ter uitvoering ervan genomen maatregelen.
Door betaling vervalt de administratieve vordering, tenzij de bevoegde autoriteit binnen een maand, te rekenen van de dag van de betaling, de betrokkene kennis geeft van zijn voornemen de administratieve vordering in te stellen.
§ 3. Wanneer de administratieve minnelijk schikking niet binnen de bepaalde termijn wordt betaald kan de bevoegde autoriteit de administratieve vervolging instellen.".
Art. 29. Dans la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, l'article 14/4 est inséré, rédigé comme suit :
" Art. 14/4. § 1er. L'autorité compétente peut, pour les infractions au Code belge de la Navigation et ses arrêtés d'exécution et aux lois sur la navigation et leurs arrêtés d'exécution punissables d'une amende administrative, si le fait n'a pas causé de dommages à des tiers, et avec l'accord du contrevenant, proposer une transaction administrative, soit immédiatement, soit dans un délai déterminé par l'autorité compétente selon les modalités déterminées par l'autorité compétente.
Le. montant de cette somme ne peut dépasser le maximum de l'amende prévue pour cette infraction, majoré des décimes additionnels. En plus de cette somme, un supplément administratif de 8,84 euros est perçu. Les paiements effectués par le contrevenant sont d'abord imputés à ce supplément administratif
A compter du 1er janvier 2022, le montant du supplément administratif est automatiquement adapté chaque année à l'indice de l'indice-santé selon la formule suivante : le montant du supplément prévu à l'alinéa 1er multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ.
Le nouvel indice étant l'indice pour le mois de novembre de l'année précédant l'année au cours de laquelle le montant du supplément est rajusté, et l'indice de départ étant l'indice pour le mois de novembre 2021.
Le résultat obtenu est arrondi à l'euro supérieur si la partie décimale est égale ou supérieure à 50 cents. Il est arrondi à l'euro inférieur si la partie décimale est inférieure à 50 cents.
§ 2. Les agents et personnes ressortissant à une autorité publique désignés par le Roi sont chargés de l'application du présent article et des mesures pour sa mise en oeuvre.
Le paiement éteint l'action administrative, à moins que l'autorité compétente ne notifie l'intéressé de son intention d'engager une action administrative dans un délai d'un mois à compter du jour du paiement.
§ 3. Lorsque la transaction administrative n'est pas payée dans le délai déterminé, l'autorité compétente peut engager les poursuites administratives. ".
" Art. 14/4. § 1er. L'autorité compétente peut, pour les infractions au Code belge de la Navigation et ses arrêtés d'exécution et aux lois sur la navigation et leurs arrêtés d'exécution punissables d'une amende administrative, si le fait n'a pas causé de dommages à des tiers, et avec l'accord du contrevenant, proposer une transaction administrative, soit immédiatement, soit dans un délai déterminé par l'autorité compétente selon les modalités déterminées par l'autorité compétente.
Le. montant de cette somme ne peut dépasser le maximum de l'amende prévue pour cette infraction, majoré des décimes additionnels. En plus de cette somme, un supplément administratif de 8,84 euros est perçu. Les paiements effectués par le contrevenant sont d'abord imputés à ce supplément administratif
A compter du 1er janvier 2022, le montant du supplément administratif est automatiquement adapté chaque année à l'indice de l'indice-santé selon la formule suivante : le montant du supplément prévu à l'alinéa 1er multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ.
Le nouvel indice étant l'indice pour le mois de novembre de l'année précédant l'année au cours de laquelle le montant du supplément est rajusté, et l'indice de départ étant l'indice pour le mois de novembre 2021.
Le résultat obtenu est arrondi à l'euro supérieur si la partie décimale est égale ou supérieure à 50 cents. Il est arrondi à l'euro inférieur si la partie décimale est inférieure à 50 cents.
§ 2. Les agents et personnes ressortissant à une autorité publique désignés par le Roi sont chargés de l'application du présent article et des mesures pour sa mise en oeuvre.
Le paiement éteint l'action administrative, à moins que l'autorité compétente ne notifie l'intéressé de son intention d'engager une action administrative dans un délai d'un mois à compter du jour du paiement.
§ 3. Lorsque la transaction administrative n'est pas payée dans le délai déterminé, l'autorité compétente peut engager les poursuites administratives. ".
Art. 30. De beveiligingsbeoordelingen en de beveiligingsplannen van de havens en de havenfaciliteiten die werden goedgekeurd door de minister voor de inwerkingtreding van deze wet blijven geldig tot 5 jaar na de goedkeuring.
Het beveiligingsplan van een haven of van een havenfaciliteit kan worden ingetrokken onder de voorwaarden van artikel 2.5.2.21 en 2.5.2.37.
Het beveiligingsplan van een haven of van een havenfaciliteit kan worden ingetrokken onder de voorwaarden van artikel 2.5.2.21 en 2.5.2.37.
Art. 30. Les évaluations de la sûreté et les plans de sûreté des ports et des installations portuaires qui ont été approuvés par le ministre avant l'entrée en vigueur de la présente loi restent valables jusqu'à 5 ans après l'approbation.
Le plan de sûreté d'un port ou d'une installation portuaire peut être retiré dans les conditions des articles 2.5.2.21 et 2.5.2.37.
Le plan de sûreté d'un port ou d'une installation portuaire peut être retiré dans les conditions des articles 2.5.2.21 et 2.5.2.37.
Art. 31. Een scheepsbeveiligingsplan dat werd goedgekeurd door de Scheepvaartcontrole voor de inwerkingtreding van deze wet blijven geldig tot 5 jaar na de goedkeuring.
Het scheepsbeveiligingsplan kan worden ingetrokken onder de voorwaarden van artikel 2.5.2.56, paragraaf 3.
Het scheepsbeveiligingsplan kan worden ingetrokken onder de voorwaarden van artikel 2.5.2.56, paragraaf 3.
Art. 31. Un plan de sûreté du navire qui a été approuvé par le Contrôle de la navigation avant l'entrée en vigueur de la présente loi reste valable jusqu'à 5 ans après l'approbation.
Le plan de sûreté du navire peut être retiré dans les conditions de l'article 2.5.2.56, paragraphe 3.
Le plan de sûreté du navire peut être retiré dans les conditions de l'article 2.5.2.56, paragraphe 3.
Art. 32. Een beveiligingsorganisatie die het Certificaat "Erkende beveiligingsorganisatie" uitgereikt door de NAMB heeft verkregen voor de inwerkingtreding van deze wet, moet de aanvraag om erkend te worden overeenkomstig deze wet indienen binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze wet.
Art. 32. Un organisme de sûreté qui a obtenu le certificat " organisme de sûreté reconnu " délivré par l'ANSM avant l'entrée en vigueur de la présente loi, doit soumettre la demande afin d'être reconnu conformément à la présente loi dans l'année après l'entrée en vigueur de la présente loi.
Art. 33. Personen die op de dag van de inwerkingtreding van deze wet de taak van PFSO uitvoeren, beschikken over een termijn van één jaar om het certificaat vereist in artikel 2.5.2.39, § 2, tweede lid, van het Belgisch Scheepvaartwetboek te behalen.
Art. 33. Les personnes qui exercent la tâche de PFSO le jour de l'entrée en vigueur de la présente loi disposent d'un délai d'un an pour obtenir le certificat requis à l'article 2.5.2.39, § 2, alinéa 2, du Code belge de la Navigation.
Art. 34. Voor de bouw- en kunstwerken, kabels en pijpleidingen die geëxploiteerd werden voor de inwerkingtreding van deze wet stelt het MIK binnen het jaar na de inwerkingtreding van deze wet een beveiligingsbeoordeling op.
Art. 34. Pour les ouvrages de construction et de génie civil, les câbles et les pipelines exploités avant l'entrée en vigueur de la présente loi, le MIK élabore une évaluation de la sûreté dans l'année après l'entrée en vigueur de la présente loi.
Art. 35. In de periode tussen de inwerkingtreding van deze wet en het operationeel zijn van het ISPS-platform, bepaalt de NAMB hoe doelstellingen van het ISPS-platform worden ingevuld.
Art. 35. Dans la période comprise entre l'entrée en vigueur de la présente loi et le moment où la plateforme ISPS est opérationnelle, l'ANSM détermine comment les objectifs de la plateforme ISPS sont atteints.
Art. 36. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2023 met uitzondering:
1° van de artikelen 8 en 24 die in werking treden 10 dagen na de publicatie in het Belgisch Scheepvaartwetboek;
2° van artikel 29 dat in werking treedt op een door de Koning te bepalen datum.
1° van de artikelen 8 en 24 die in werking treden 10 dagen na de publicatie in het Belgisch Scheepvaartwetboek;
2° van artikel 29 dat in werking treedt op een door de Koning te bepalen datum.
Art. 36. La présente loi entre en vigueur le 1er janvier 2023, à l'exception :
1° des articles 8 et 24 que entrent en vigueur 10 jour après la publication au Moniteur belge ;
2° de l'article 29 qui entre en vigueur à une date à déterminer par le Roi.
1° des articles 8 et 24 que entrent en vigueur 10 jour après la publication au Moniteur belge ;
2° de l'article 29 qui entre en vigueur à une date à déterminer par le Roi.
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 29 fixée au 01-11-2023 par AR 2023-10-05/04, art. 1)