Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
6 DECEMBER 2022. - Wet om justitie menselijker, sneller en straffer te maken IIbis
Titre
6 DECEMBRE 2022. - Loi visant à rendre la justice plus humaine, plus rapide et plus ferme IIbis
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het oud Burgerlijk...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Wetboek van ...
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het Strafwetboek
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het Gerechtelijk...
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van de wet van 16 maar...
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 8 augus...
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het Wetboek van ...
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van de wet van 7 mei...
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van de wet van 29 m...
HOOFDSTUK 11. - Wijziging van de wet van 8 juni...
HOOFDSTUK 12. - Wijzigingen van de wet van 18 o...
HOOFDSTUK 13. - Wijzigingen van de wet van 23 m...
HOOFDSTUK 14. - Bekrachtiging van een koninklij...
HOOFDSTUK 15. - Wijzigingen van de wet van 30 j...
HOOFDSTUK 16. - Overgangsbepalingen
HOOFDSTUK 17. - Inwerkingtreding
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
CHAPITRE 2. - Modification de l'ancien Code civil
CHAPITRE 3. - Modifications du Code d'instructi...
CHAPITRE 4. - Modifications du Code pénal
CHAPITRE 5. - Modifications du Code judiciaire
CHAPITRE 6. - Modification de la loi du 16 mars...
CHAPITRE 7. - Modification de la loi du 8 août ...
CHAPITRE 8. - Modifications du Code de la natio...
CHAPITRE 9. - Modifications de la loi du 7 mai ...
CHAPITRE 10. - Modifications de la loi du 29 ma...
CHAPITRE 11. - Modification de la loi du 8 juin...
CHAPITRE 12. - Modifications de la loi du 18 oc...
CHAPITRE 13. - Modifications de la loi du 23 ma...
CHAPITRE 14. - Confirmation d'un arrêté royal e...
CHAPITRE 15. - Modifications de la loi du 30 ju...
CHAPITRE 16. - Dispositions transitoires
CHAPITRE 17. - Entrée en vigueur
Tekst (91)
Texte (91)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek
CHAPITRE 2. - Modification de l'ancien Code civil
Art. 2. In artikel 165/1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de woorden ", waarvan de gemeente het uitsluitend gebruiksrecht heeft," opgeheven.
Art. 2. Dans l'article 165/1, alinéa 2, de l'ancien Code civil, inséré par la loi du 18 juin 2018, les mots "dont la commune a l'usage exclusif," sont abrogés.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
CHAPITRE 3. - Modifications du Code d'instruction criminelle
Art. 3. In artikel 28sexies, § 4, zesde lid, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998, worden de woorden "per faxpost of bij een ter post aangetekende brief" vervangen door de woorden "per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg".
Art. 3. Dans l'article 28sexies, § 4, alinéa 6, du Code d'instruction criminelle, inséré par la loi du 12 mars 1998, les mots "par télécopie ou par lettre recommandée à la poste" sont remplacés par les mots "par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique".
Art. 4. In het eerste boek, hoofdstuk IV, van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling 1bis/1 ingevoegd, luidende "Toezicht op het opsporingsonderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling".
Art. 4. Dans le livre premier, chapitre IV, du même Code, il est inséré une section 1rebis/1 intitulée: "Du contrôle de l'information par la chambre des mises en accusation".
Art. 5. In afdeling 1bis/1, ingevoegd bij artikel 4, wordt een artikel 28decies ingevoegd, luidende:
"Art. 28decies. Als het opsporingsonderzoek na een jaar niet is afgesloten, kan de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling worden aanhangig gemaakt door een aan de griffie van het hof van beroep gericht met redenen omkleed verzoekschrift uitgaande van de verdachte die in die hoedanigheid werd verhoord overeenkomstig artikel 47bis, § 2, of de persoon die de verklaring van benadeelde aflegde overeenkomstig artikel 5bis van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering.
De procureur des Konings zendt de stukken over aan de procureur-generaal die ze ter griffie neerlegt.
Indien het opsporingsonderzoek wordt gevoerd door de federale procureur, wordt de zaak aangebracht bij de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Brussel.
De griffier stelt de verzoeker en, in voorkomend geval zijn advocaat, per faxpost, bij een gewone brief of langs elektronische weg, uiterlijk achtenveertig uur vooraf in kennis van plaats, dag en uur van de zitting.
De procureur-generaal, de verzoeker en zijn advocaat worden gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling kan de procureur-generaal horen buiten de aanwezigheid van de partijen indien zij dat nuttig acht. Zij kan eveneens een andere benadeelde persoon of verdachte en hun advocaten horen, na kennisgeving die hen door de griffier ten laatste achtenveertig uur voor de zitting per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg wordt gedaan.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet over het verzoekschrift uitspraak binnen vijftien dagen na de neerlegging van het verzoekschrift bij een met redenen omkleed arrest dat wordt meegedeeld aan de procureur-generaal, de verzoekende partij en de gehoorde partijen. Deze termijn is geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op vraag van de verzoeker of van zijn advocaat, of van een gehoorde partij of zijn advocaat.
De kamer van inbeschuldigingstelling kan het openbaar ministerie uitnodigen een beslissing te nemen over de strafvervolging binnen een termijn die ze vaststelt. Ze kan het openbaar ministerie uitnodigen bijkomende opsporingshandelingen te verrichten waarvan ze de uitvoering noodzakelijk acht. Ze kan vaststellen dat de redelijke termijn is overschreden.
De verzoeker en de gehoorde partijen mogen geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp indienen vooraleer een termijn van zes maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing.".
"Art. 28decies. Als het opsporingsonderzoek na een jaar niet is afgesloten, kan de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling worden aanhangig gemaakt door een aan de griffie van het hof van beroep gericht met redenen omkleed verzoekschrift uitgaande van de verdachte die in die hoedanigheid werd verhoord overeenkomstig artikel 47bis, § 2, of de persoon die de verklaring van benadeelde aflegde overeenkomstig artikel 5bis van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering.
De procureur des Konings zendt de stukken over aan de procureur-generaal die ze ter griffie neerlegt.
Indien het opsporingsonderzoek wordt gevoerd door de federale procureur, wordt de zaak aangebracht bij de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Brussel.
De griffier stelt de verzoeker en, in voorkomend geval zijn advocaat, per faxpost, bij een gewone brief of langs elektronische weg, uiterlijk achtenveertig uur vooraf in kennis van plaats, dag en uur van de zitting.
De procureur-generaal, de verzoeker en zijn advocaat worden gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling kan de procureur-generaal horen buiten de aanwezigheid van de partijen indien zij dat nuttig acht. Zij kan eveneens een andere benadeelde persoon of verdachte en hun advocaten horen, na kennisgeving die hen door de griffier ten laatste achtenveertig uur voor de zitting per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg wordt gedaan.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet over het verzoekschrift uitspraak binnen vijftien dagen na de neerlegging van het verzoekschrift bij een met redenen omkleed arrest dat wordt meegedeeld aan de procureur-generaal, de verzoekende partij en de gehoorde partijen. Deze termijn is geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op vraag van de verzoeker of van zijn advocaat, of van een gehoorde partij of zijn advocaat.
De kamer van inbeschuldigingstelling kan het openbaar ministerie uitnodigen een beslissing te nemen over de strafvervolging binnen een termijn die ze vaststelt. Ze kan het openbaar ministerie uitnodigen bijkomende opsporingshandelingen te verrichten waarvan ze de uitvoering noodzakelijk acht. Ze kan vaststellen dat de redelijke termijn is overschreden.
De verzoeker en de gehoorde partijen mogen geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp indienen vooraleer een termijn van zes maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing.".
Art. 5. Dans la section 1rebis/1, insérée par l'article 4, il est inséré un article 28decies, rédigé comme suit:
"Art. 28decies. Si l'information n'est pas clôturée après une année, la chambre des mises en accusation peut être saisie par une requête motivée adressée au greffe de la cour d'appel par le suspect qui a été entendu en cette qualité conformément à l'article 47bis, § 2, ou par la personne qui s'est déclarée partie lésée conformément à l'article 5bis du titre préliminaire du Code de procédure pénale.
Le procureur du Roi envoie les pièces au procureur général qui les dépose au greffe.
Si l'information est menée par le procureur fédéral, l'affaire est portée devant la chambre des mises en accusation de la cour d'appel de Bruxelles.
Le greffier notifie au requérant et, le cas échéant, à son conseil, le lieu, la date et l'heure de l'audience par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique, au plus tard quarante-huit heures avant celle-ci.
Le procureur général, le requérant et son conseil sont entendus. La chambre des mises en accusation peut entendre le procureur général, hors la présence des parties si elle l'estime utile. Elle peut également entendre une autre partie lésée, un autre suspect et leurs conseils, sur convocation qui leur est notifiée par le greffier, par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique, au plus tard quarante-huit heures avant l'audience.
La chambre des mises en accusation statue sur la requête, dans les quinze jours du dépôt de celle-ci, par arrêt motivé qui est communiqué, au procureur général, à la partie requérante et aux parties entendues. Ce délai est suspendu pour la durée de la prolongation accordé à la demande du requérant ou de son conseil, d'une partie entendue ou de son conseil.
La chambre des mises en accusation peut inviter le ministère public à prendre une décision sur les poursuites pénales dans un délai fixé par elle. Elle peut inviter le ministère public à procéder aux actes d'enquête complémentaires qu'elle estime nécessaire. Elle peut constater que le délai raisonnable a été dépassé.
Le requérant et les parties entendues ne peuvent déposer de requête ayant le même objet avant l'expiration du délai de six mois à compter de la dernière décision.".
"Art. 28decies. Si l'information n'est pas clôturée après une année, la chambre des mises en accusation peut être saisie par une requête motivée adressée au greffe de la cour d'appel par le suspect qui a été entendu en cette qualité conformément à l'article 47bis, § 2, ou par la personne qui s'est déclarée partie lésée conformément à l'article 5bis du titre préliminaire du Code de procédure pénale.
Le procureur du Roi envoie les pièces au procureur général qui les dépose au greffe.
Si l'information est menée par le procureur fédéral, l'affaire est portée devant la chambre des mises en accusation de la cour d'appel de Bruxelles.
Le greffier notifie au requérant et, le cas échéant, à son conseil, le lieu, la date et l'heure de l'audience par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique, au plus tard quarante-huit heures avant celle-ci.
Le procureur général, le requérant et son conseil sont entendus. La chambre des mises en accusation peut entendre le procureur général, hors la présence des parties si elle l'estime utile. Elle peut également entendre une autre partie lésée, un autre suspect et leurs conseils, sur convocation qui leur est notifiée par le greffier, par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique, au plus tard quarante-huit heures avant l'audience.
La chambre des mises en accusation statue sur la requête, dans les quinze jours du dépôt de celle-ci, par arrêt motivé qui est communiqué, au procureur général, à la partie requérante et aux parties entendues. Ce délai est suspendu pour la durée de la prolongation accordé à la demande du requérant ou de son conseil, d'une partie entendue ou de son conseil.
La chambre des mises en accusation peut inviter le ministère public à prendre une décision sur les poursuites pénales dans un délai fixé par elle. Elle peut inviter le ministère public à procéder aux actes d'enquête complémentaires qu'elle estime nécessaire. Elle peut constater que le délai raisonnable a été dépassé.
Le requérant et les parties entendues ne peuvent déposer de requête ayant le même objet avant l'expiration du délai de six mois à compter de la dernière décision.".
Art. 6. In artikel 39ter, § 3, tweede lid van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2016, worden de woorden "met een gevangenisstraf van zes maanden tot een jaar en met een geldboete van zesentwintig tot twintigduizend euro of met één van die straffen alleen" vervangen door de woorden "met geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro".
Art. 6. Dans l'article 39ter, § 3, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 25 décembre 2016, les mots "d'un emprisonnement de six mois à un an ou d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros ou d'une de ces peines seulement" sont remplacés par les mots "d'une amende de cent euros à trente mille euros".
Art. 7. In artikel 39quinquies, § 3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2022, worden de woorden "met een gevangenisstraf van zes maanden tot een jaar en met een geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met één van die straffen alleen" vervangen door de woorden "met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro.".
Art. 7. Dans l'article 39quinquies, § 3, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 20 juillet 2022, les mots "d'un emprisonnement de six mois à un an ou d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros ou d'une de ces peines seulement." sont remplacés par les mots "d'une amende de cent euros à trente mille euros.".
Art. 8. In artikel 46bis, § 4, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2022, worden de woorden "met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro" vervangen door de woorden "met geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro".
Art. 8. Dans l'article 46bis, § 4, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 20 juillet 2022, les mots "d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros" sont remplacés par les mots "d'une amende de cent euros à trente mille euros".
Art. 9. In artikel 46bis/1, § 2, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 mei 2017, worden de woorden "met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro" vervangen door de woorden "met geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro".
Art. 9. Dans l'article 46bis/1, § 2, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 17 mai 2017, les mots "d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros" sont remplacés par les mots "d'une amende de cent euros à trente mille euros".
Art. 10. In artikel 46ter, § 2, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003, worden de woorden "met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig EUR tot tienduizend EUR of met een van die straffen alleen" vervangen door de woorden "met geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro".
Art. 10. Dans l'article 46ter, § 2, alinéa 4, du même Code, inséré par la loi du 6 janvier 2003, les mots "d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de vingt-six EUR à dix mille EUR ou d'une de ces peines seulement" sont remplacés par les mots "d'une amende de cent euros à trente mille euros".
Art. 11. In artikel 46quater, § 4, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003 en vervangen bij de wet van 5 mei 2019, worden de woorden "met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro of met een van die straffen alleen" vervangen door de woorden "met geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro".
Art. 11. Dans l'article 46quater, § 4, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 6 janvier 2003 et remplacé par la loi du 5 mai 2019, les mots "d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros ou d'une de ces peines seulement" sont remplacés par les mots "d'une amende de cent euros à trente mille euros".
Art. 12. In artikel 61quater, § 5, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998, worden de woorden "per faxpost of bij een ter post aangetekende brief" vervangen door de woorden "per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg".
Art. 12. Dans l'article 61quater, § 5, alinéa 5, du même Code, inséré par la loi du 12 mars 1998, les mots "par télécopie ou par lettre recommandée à la poste" sont remplacés par les mots "par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique".
Art. 13. In artikel 88bis, § 4, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 juni 1998 en vervangen bij de wet van 25 december 2016, worden de woorden "met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro" vervangen door de woorden "met geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro".
Art. 13. Dans l'article 88bis, § 4, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 10 juin 1998 et remplacé par la loi du 25 décembre 2016, les mots "d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros" sont remplacés par les mots "d'une amende de cent euros à trente mille euros".
Art. 14. In artikel 88quater, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 november 2000 en gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met een van die straffen alleen" vervangen door de woorden "met geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro";
2° het tweede lid wordt aangevuld met de woorden "of een van die straffen alleen".
1° in het eerste lid worden de woorden "met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met een van die straffen alleen" vervangen door de woorden "met geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro";
2° het tweede lid wordt aangevuld met de woorden "of een van die straffen alleen".
Art. 14. A l'article 88quater, § 3, du même Code, inséré par la loi du 28 novembre 2000 et modifié par la loi du 25 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 1er, les mots "d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros ou d'une de ces peines seulement" sont remplacés par les mots "d'une amende de cent euros à trente mille euros";
2° l'alinéa 2 est complété par les mots "ou une de ces peines seulement".
1° dans l'alinéa 1er, les mots "d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros ou d'une de ces peines seulement" sont remplacés par les mots "d'une amende de cent euros à trente mille euros";
2° l'alinéa 2 est complété par les mots "ou une de ces peines seulement".
Art. 15. In artikel 90quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en vervangen bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro" vervangen door de woorden "met geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro";
2° in paragraaf 4, wordt het derde lid vervangen als volgt:
"Iedere persoon die zijn technische medewerking weigert aan de vorderingen bedoeld in het eerste en tweede lid, of de maatregel bedoeld in artikel 90ter, § 1, hindert, wordt gestraft met geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro.";
3° in dezelfde paragraaf wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:
"Wanneer de medewerking bedoeld in het eerste en tweede lid de uitvoering van een misdaad of een wanbedrijf kan verhinderen, of de gevolgen ervan kan beperken, en deze medewerking niet verleend wordt, zijn de straffen een gevangenisstraf van één tot vijf jaar en een geldboete van vijfhonderd euro tot vijftigduizend euro of een van die straffen alleen.";
4° in paragraaf 5 worden de woorden "artikel 39bis, § 3, vierde lid" vervangen door de woorden "artikel 88ter, vierde lid".
1° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro" vervangen door de woorden "met geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro";
2° in paragraaf 4, wordt het derde lid vervangen als volgt:
"Iedere persoon die zijn technische medewerking weigert aan de vorderingen bedoeld in het eerste en tweede lid, of de maatregel bedoeld in artikel 90ter, § 1, hindert, wordt gestraft met geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro.";
3° in dezelfde paragraaf wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:
"Wanneer de medewerking bedoeld in het eerste en tweede lid de uitvoering van een misdaad of een wanbedrijf kan verhinderen, of de gevolgen ervan kan beperken, en deze medewerking niet verleend wordt, zijn de straffen een gevangenisstraf van één tot vijf jaar en een geldboete van vijfhonderd euro tot vijftigduizend euro of een van die straffen alleen.";
4° in paragraaf 5 worden de woorden "artikel 39bis, § 3, vierde lid" vervangen door de woorden "artikel 88ter, vierde lid".
Art. 15. A l'article 90quater du même Code, inséré par la loi du 30 juin 1994 et remplacé par la loi du 25 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots "d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros" sont remplacés par les mots "d'une amende de cent euros à trente mille euros";
2° dans le paragraphe 4, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
"Toute personne qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées aux alinéas 1er et 2, ou qui fait obstacle aux mesures visées à l'article 90ter, § 1er, est punie d'une amende de cent euros à trente mille euros.";
3° dans le même paragraphe, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l'alinéa 3 et l'alinéa 4:
"Si la collaboration visée aux alinéas 1er et 2 peut empêcher la commission d'un crime ou d'un délit ou peut en limiter les effets et que cette collaboration n'est pas fournie, les peines sont un emprisonnement de un à cinq ans et une amende de cinq cents euros à cinquante mille euros ou une de ces peines seulement.";
4° dans le paragraphe 5, les mots "l'article 39bis, § 3, alinéa 4" sont remplacés par les mots "l'article 88ter, alinéa 4".
1° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots "d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros" sont remplacés par les mots "d'une amende de cent euros à trente mille euros";
2° dans le paragraphe 4, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
"Toute personne qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées aux alinéas 1er et 2, ou qui fait obstacle aux mesures visées à l'article 90ter, § 1er, est punie d'une amende de cent euros à trente mille euros.";
3° dans le même paragraphe, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l'alinéa 3 et l'alinéa 4:
"Si la collaboration visée aux alinéas 1er et 2 peut empêcher la commission d'un crime ou d'un délit ou peut en limiter les effets et que cette collaboration n'est pas fournie, les peines sont un emprisonnement de un à cinq ans et une amende de cinq cents euros à cinquante mille euros ou une de ces peines seulement.";
4° dans le paragraphe 5, les mots "l'article 39bis, § 3, alinéa 4" sont remplacés par les mots "l'article 88ter, alinéa 4".
Art. 16. In artikel 111quater, § 3, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, worden de woorden "met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro" vervangen door de woorden "met geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro".
Art. 16. Dans l'article 111quater, § 3, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 5 mai 2019, les mots "d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros" sont remplacés par les mots "d'une amende de cent euros à trente mille euros".
Art. 17. In artikel 127, § 2, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "per faxpost of bij een ter post aangetekende brief" vervangen door de woorden "per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg".
Art. 17. Dans l'article 127, § 2, du même Code les mots "par télécopie ou par lettre recommandée à la poste" sont remplacés par les mots "par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique".
Art. 18. In artikel 135, § 3, derde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 12 maart 1998, worden de woorden "per faxpost of bij een ter post aangetekende brief" vervangen door de woorden "per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg".
Art. 18. Dans l'article 135, § 3, alinéa 3, du même Code, remplacé par la loi du 12 mars 1998, les mots "par télécopie ou par lettre recommandée à la poste" sont remplacés par les mots "par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique".
Art. 19. In artikel 136bis, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, hernummerd bij de wet van 20 juli 1990 en vervangen bij de wet van 12 maart 1998, worden de woorden "per faxpost of bij een ter post aangetekende brief" vervangen door de woorden "per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg".
Art. 19. Dans l'article 136bis, alinéa 5, du même Code, renuméroté par la loi du 20 juillet 1990 et remplacé par la loi du 12 mars 1998, les mots "par télécopie ou par lettre recommandée à la poste" sont remplacés par les mots "par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique".
Art. 20. In artikel 162ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, geeft aanleiding tot de betaling van de administratieve toeslag bedoeld in titel 4 van de programmawet van 21 juni 2021, indien de voorgestelde minnelijke schikking overeenkomstig artikel 216bis niet kan worden uitgevoerd of bekrachtigd. Het bedrag van de administratieve toeslag bedraagt 25,32 euro.";
2° in het tweede lid wordt de zin "Het bedrag van de administratieve toeslag bedraagt in dat geval 25,32 euro." opgeheven.
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, geeft aanleiding tot de betaling van de administratieve toeslag bedoeld in titel 4 van de programmawet van 21 juni 2021, indien de voorgestelde minnelijke schikking overeenkomstig artikel 216bis niet kan worden uitgevoerd of bekrachtigd. Het bedrag van de administratieve toeslag bedraagt 25,32 euro.";
2° in het tweede lid wordt de zin "Het bedrag van de administratieve toeslag bedraagt in dat geval 25,32 euro." opgeheven.
Art. 20. A l'article 162ter du même Code, inséré par la loi du 21 juin 2021, les modifications suivantes sont apportées:
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"Tout jugement de condamnation rendu contre le prévenu et les personnes civilement responsables de l'infraction donne lieu au paiement de la redevance administrative telle que visée au titre 4 de la loi-programme du 21 juin 2021, si la transaction pénale proposée conformément à l'article 216bis ne peut pas être exécutée ou homologuée. Le montant de la redevance administrative s'élève à 25,32 euros.";
2° dans l'alinéa 2, la phrase "Le montant de la redevance administrative s'élève dans ce cas à 25,32 euros." est abrogée.
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"Tout jugement de condamnation rendu contre le prévenu et les personnes civilement responsables de l'infraction donne lieu au paiement de la redevance administrative telle que visée au titre 4 de la loi-programme du 21 juin 2021, si la transaction pénale proposée conformément à l'article 216bis ne peut pas être exécutée ou homologuée. Le montant de la redevance administrative s'élève à 25,32 euros.";
2° dans l'alinéa 2, la phrase "Le montant de la redevance administrative s'élève dans ce cas à 25,32 euros." est abrogée.
Art. 21. In artikel 196/1, achtste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 maart 2019 en gewijzigd bij de wet van 21 juni 2021, worden de woorden "een bijdrage of een administratieve toeslag." vervangen door de woorden "of een bijdrage.".
Art. 21. Dans l'article 196/1, alinéa 8, du même Code, inséré par la loi du 21 mars 2019 et modifié par la loi du 21 juin 2021, les mots ", à une contribution ou à une redevance administrative." sont remplacés par les mots "ou à une contribution.".
Art. 22. In artikel 203 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 31 mei 1955 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de eerste paragraaf worden de woorden "Behoudens de uitzondering van artikel 205 hierna, vervalt het recht van hoger beroep," vervangen door de woorden "Het recht van hoger beroep vervalt";
2° in de eerste paragraaf wordt het tweede lid opgeheven;
3° de tweede paragraaf wordt vervangen als volgt:
" § 2. Indien de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij hoger beroep heeft ingesteld beschikt het openbaar ministerie over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen. Deze termijn loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij.
Indien het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld, beschikken de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen. Deze termijn loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van het openbaar ministerie.
Is het hoger beroep tegen de burgerlijke partij gericht, dan beschikt deze over de bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen tegen de beklaagden en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen die zij in de zaak wil doen blijven, onverminderd haar recht incidenteel beroep in te stellen overeenkomstig paragraaf 4. Deze termijn loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij die het hoofdberoep hebben ingesteld.".
1° in de eerste paragraaf worden de woorden "Behoudens de uitzondering van artikel 205 hierna, vervalt het recht van hoger beroep," vervangen door de woorden "Het recht van hoger beroep vervalt";
2° in de eerste paragraaf wordt het tweede lid opgeheven;
3° de tweede paragraaf wordt vervangen als volgt:
" § 2. Indien de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij hoger beroep heeft ingesteld beschikt het openbaar ministerie over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen. Deze termijn loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij.
Indien het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld, beschikken de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen. Deze termijn loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van het openbaar ministerie.
Is het hoger beroep tegen de burgerlijke partij gericht, dan beschikt deze over de bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen tegen de beklaagden en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen die zij in de zaak wil doen blijven, onverminderd haar recht incidenteel beroep in te stellen overeenkomstig paragraaf 4. Deze termijn loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij die het hoofdberoep hebben ingesteld.".
Art. 22. A l'article 203 du même Code, remplacé par la loi du 31 mai 1955 et modifié en dernier lieu par la loi du 5 février 2016, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, les mots ", sauf l'exception portée en l'article 205 ci-après," sont abrogés;
2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est supprimé;
3° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. Si le prévenu ou la partie civilement responsable a interjeté appel, le ministère public dispose d'un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel. Ce délai court à partir de l'expiration du délai d'appel ouvert au prévenu ou à la partie civilement responsable.
Si le ministère public a interjeté appel, le prévenu et la partie civilement responsable disposent d'un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel. Ce délai court à partir de l'expiration du délai d'appel ouvert au ministère public.
Lorsque l'appel est dirigé contre la partie civile, celle-ci a un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel contre les prévenus et les personnes civilement responsables qu'elle entend maintenir à la cause, sans préjudice de son droit de faire appel incident conformément au paragraphe 4. Ce délai court à partir de l'expiration du délai d'appel ouvert au prévenu ou à la personne civilement responsable ayant formé l'appel principal.".
1° dans le paragraphe 1er, les mots ", sauf l'exception portée en l'article 205 ci-après," sont abrogés;
2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est supprimé;
3° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. Si le prévenu ou la partie civilement responsable a interjeté appel, le ministère public dispose d'un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel. Ce délai court à partir de l'expiration du délai d'appel ouvert au prévenu ou à la partie civilement responsable.
Si le ministère public a interjeté appel, le prévenu et la partie civilement responsable disposent d'un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel. Ce délai court à partir de l'expiration du délai d'appel ouvert au ministère public.
Lorsque l'appel est dirigé contre la partie civile, celle-ci a un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel contre les prévenus et les personnes civilement responsables qu'elle entend maintenir à la cause, sans préjudice de son droit de faire appel incident conformément au paragraphe 4. Ce délai court à partir de l'expiration du délai d'appel ouvert au prévenu ou à la personne civilement responsable ayant formé l'appel principal.".
Art. 23. Artikel 205 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 juni 1981 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 mei 2019, wordt opgeheven.
Art. 23. L'article 205 du même Code, remplacé par la loi du 15 juin 1981 et modifié en dernier lieu par la loi du 5 mai 2019, est abrogé.
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het Strafwetboek
CHAPITRE 4. - Modifications du Code pénal
Art. 24. Het opschrift van hoofdstuk IX van boek 1 van het Strafwetboek wordt als volgt vervangen:
"Verzwarende omstandigheden, verzwarende factoren en verzachtende omstandigheden".
"Verzwarende omstandigheden, verzwarende factoren en verzachtende omstandigheden".
Art. 24. L'intitulé du chapitre IX du livre 1er du Code pénal est remplacé par ce qui suit:
"Des circonstances aggravantes, des facteurs aggravants et des circonstances atténuantes".
"Des circonstances aggravantes, des facteurs aggravants et des circonstances atténuantes".
Art. 25. In hoofdstuk IX van boek 1 van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 78bis ingevoegd, luidende:
"Art. 78bis. Indien de wet voorziet in verzwarende factoren, moet de rechter deze factoren in overweging nemen wanneer hij de straf of de maatregel en de zwaarte ervan kiest, zonder dat hij een straf kan opleggen die hoger is dan de maximumstraf op dit misdrijf gesteld.".
"Art. 78bis. Indien de wet voorziet in verzwarende factoren, moet de rechter deze factoren in overweging nemen wanneer hij de straf of de maatregel en de zwaarte ervan kiest, zonder dat hij een straf kan opleggen die hoger is dan de maximumstraf op dit misdrijf gesteld.".
Art. 25. Dans le chapitre IX du livre 1er du même Code, il est inséré un article 78bis, rédigé comme suit:
"Art. 78bis. Si la loi prévoit des facteurs aggravants, le juge doit les prendre en considération lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, sans pouvoir prononcer une peine supérieure à la peine maximale prévue pour l'infraction.".
"Art. 78bis. Si la loi prévoit des facteurs aggravants, le juge doit les prendre en considération lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, sans pouvoir prononcer une peine supérieure à la peine maximale prévue pour l'infraction.".
Art. 26. In hoofdstuk IX van boek 1 van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 78ter ingevoegd, luidende:
"Art. 78ter. De discriminerende drijfveer van de dader is een verzwarende factor bij alle misdrijven, behoudens in die gevallen waarin de wet van de discriminerende drijfveer een verzwarende omstandigheid maakt.
Een misdrijf wordt geacht te zijn gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader.
Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het tweede lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken.".
"Art. 78ter. De discriminerende drijfveer van de dader is een verzwarende factor bij alle misdrijven, behoudens in die gevallen waarin de wet van de discriminerende drijfveer een verzwarende omstandigheid maakt.
Een misdrijf wordt geacht te zijn gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader.
Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het tweede lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken.".
Art. 26. Dans le chapitre IX du livre 1er du même Code, il est inséré un article 78ter, rédigé comme suit:
"Art. 78ter. Le mobile discriminatoire de l'auteur est un facteur aggravant pour toutes les infractions sauf dans les cas où la loi fait du mobile discriminatoire une circonstance aggravante.
Une infraction est réputée avoir été commise avec un mobile discriminatoire lorsque l'un des mobiles de l'auteur est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l'allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociales, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l'auteur.
Il en va de même lorsque l'un des mobiles de l'auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l'égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l'hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l'alinéa 2.".
"Art. 78ter. Le mobile discriminatoire de l'auteur est un facteur aggravant pour toutes les infractions sauf dans les cas où la loi fait du mobile discriminatoire une circonstance aggravante.
Une infraction est réputée avoir été commise avec un mobile discriminatoire lorsque l'un des mobiles de l'auteur est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l'allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociales, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l'auteur.
Il en va de même lorsque l'un des mobiles de l'auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l'égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l'hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l'alinéa 2.".
Art. 27. In artikel 405quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003 en vervangen bij de wet van 14 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "Wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn geslachtsverandering, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst" worden vervangen door de woorden "Wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader";
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het eerste lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken.".
1° de woorden "Wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn geslachtsverandering, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst" worden vervangen door de woorden "Wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader";
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het eerste lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken.".
Art. 27. A l'article 405quater du même Code, inséré par la loi du 25 février 2003 et remplacé par la loi du 14 janvier 2013, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots "Lorsqu'un des mobiles du crime ou du délit est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son changement de sexe, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé actuel ou futur, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine sociale" sont remplacés par les mots "Lorsqu'un des mobiles de l'auteur est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l'allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociales, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l'auteur";
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Il en va de même lorsque l'un des mobiles de l'auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l'égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l'hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l'alinéa 1er.".
1° les mots "Lorsqu'un des mobiles du crime ou du délit est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son changement de sexe, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé actuel ou futur, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine sociale" sont remplacés par les mots "Lorsqu'un des mobiles de l'auteur est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l'allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociales, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l'auteur";
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Il en va de même lorsque l'un des mobiles de l'auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l'égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l'hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l'alinéa 1er.".
Art. 28. In artikel 417/20 van het hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 maart 2022, worden de woorden "bevalling, ouderschap, geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksuele geaardheid" vervangen door de woorden "bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken".
Art. 28. Dans l'article 417/20 du même Code, inséré par la loi du 21 mars 2022, les mots "de son accouchement, de sa parentalité, de son changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre" sont remplacés par les mots "de son accouchement, de l'allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles".
Art. 29. In artikel 417/50 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 maart 2022, wordt het eerste streepje opgeheven.
Art. 29. Dans l'article 417/50 du même Code, inséré par la loi du 21 mars 2022, le premier tiret est abrogé.
Art. 30. In artikel 417/55 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 maart 2022, wordt het eerste streepje opgeheven.
Art. 30. Dans l'article 417/55 du même Code, inséré par la loi du 21 mars 2022, le premier tiret est abrogé.
Art. 31. In de artikelen 422quater, 438bis, 442ter, 453bis, 514bis, 525bis, 532bis, 534quater, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, vervangen bij de wet van 10 mei 2007 en gewijzigd bij de wet van 30 december 2009, worden telkens de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst" worden vervangen door de woorden "wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader";
2° de artikelen worden telkens aangevuld met een lid, luidende:
"Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het eerste lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken.".
1° de woorden "wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst" worden vervangen door de woorden "wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader";
2° de artikelen worden telkens aangevuld met een lid, luidende:
"Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het eerste lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken.".
Art. 31. Aux articles 422quater, 438bis, 442ter, 453bis, 514bis, 525bis, 532bis, 534quater, du même Code, insérés par la loi du 25 février 2003, remplacés par la loi du 10 mai 2007 et modifiés par la loi du 30 décembre 2009, les modifications suivantes sont chaque fois apportées:
1° les mots "lorsqu'un des mobiles du crime ou du délit est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé actuel ou futur, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine sociale" sont remplacés par les mots "lorsqu'un des mobiles de l'auteur est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l'allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociales, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l'auteur";
2° les articles sont chaque fois complétés par un alinéa rédigé comme suit:
"Il en va de même lorsque l'un des mobiles de l'auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l'égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l'hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l'alinéa 1er.".
1° les mots "lorsqu'un des mobiles du crime ou du délit est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé actuel ou futur, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine sociale" sont remplacés par les mots "lorsqu'un des mobiles de l'auteur est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l'allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociales, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l'auteur";
2° les articles sont chaque fois complétés par un alinéa rédigé comme suit:
"Il en va de même lorsque l'un des mobiles de l'auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l'égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l'hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l'alinéa 1er.".
Art. 32. In hetzelfde Wetboek worden in artikel 442/1, § 2, in de plaats van de woorden "aan het bevel tot ontruiming bedoeld in artikel 12, § 1, van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed of", vernietigd bij arrest nr. 39/2020 van het Grondwettelijk Hof, de volgende woorden ingevoegd: "aan het bevel tot ontruiming bedoeld in artikel 12, § 1, van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed, zoals hersteld bij de wet van 6 december 2022 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken IIbis of".
Art. 32. Dans l'article 442/1, § 2, du même Code, à la place des mots "à l'ordonnance d'évacuation visée à l'article 12, § 1er, de la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l'occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d'autrui ou" annulés par l'arrêt n° 39/2020 de la Cour constitutionnelle, les mots suivants sont insérés: "à l'ordonnance d'évacuation visée à l'article 12, § 1er, de la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l'occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d'autrui, rétabli par la loi du 6 décembre 2022 visant à rendre la justice plus humaine, plus rapide et plus ferme IIbis ou".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
CHAPITRE 5. - Modifications du Code judiciaire
Art. 33. In artikel 555/10, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, wordt de bepaling onder 8° opgeheven.
Art. 33. Dans l'article 555/10, § 2, du Code judiciaire, inséré par la loi du 5 mai 2019, le point 8° est abrogé.
Art. 34. In artikel 555/11, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019 en gewijzigd bij de wet van 20 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de tweede zin opgeheven;
2° in paragraaf 4 wordt het derde lid vervangen als volgt:
"De beëdigd vertaler of vertaler-tolk vermeldt eerst zijn identificatienummer, gevolgd door zijn handtekening, naam, titel en zijn gekwalificeerde elektronische handtekening. Daardoor geldt de verrichte vertaling als een gelegaliseerde vertaling voor het gebruik ervan binnen het Koninkrijk. Voor het gebruik ervan in het buitenland moet de vertaling achtereenvolgens worden gelegaliseerd door de Federale Overheidsdienst Justitie op basis van de handtekening, de gekwalificeerde handtekening en de opname in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken en door de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op basis van de handtekening die erop werd geplaatst door de Federale Overheidsdienst Justitie. De legalisatie bevestigt slechts de echtheid van de handtekening, de hoedanigheid waarin de ondertekenaar van de vertaling heeft gehandeld en, in voorkomend geval, de geldigheid van de handtekening of de gekwalificeerde elektronische handtekening geplaatst op het document.";
3° in paragraaf 4, vierde lid, worden de woorden ", de handtekening en de officiële stempel met identificatienummer" vervangen door de woorden "en de handtekening";
4° in paragraaf 5 worden de woorden "en de officiële stempel" opgeheven.
1° in paragraaf 1 wordt de tweede zin opgeheven;
2° in paragraaf 4 wordt het derde lid vervangen als volgt:
"De beëdigd vertaler of vertaler-tolk vermeldt eerst zijn identificatienummer, gevolgd door zijn handtekening, naam, titel en zijn gekwalificeerde elektronische handtekening. Daardoor geldt de verrichte vertaling als een gelegaliseerde vertaling voor het gebruik ervan binnen het Koninkrijk. Voor het gebruik ervan in het buitenland moet de vertaling achtereenvolgens worden gelegaliseerd door de Federale Overheidsdienst Justitie op basis van de handtekening, de gekwalificeerde handtekening en de opname in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken en door de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op basis van de handtekening die erop werd geplaatst door de Federale Overheidsdienst Justitie. De legalisatie bevestigt slechts de echtheid van de handtekening, de hoedanigheid waarin de ondertekenaar van de vertaling heeft gehandeld en, in voorkomend geval, de geldigheid van de handtekening of de gekwalificeerde elektronische handtekening geplaatst op het document.";
3° in paragraaf 4, vierde lid, worden de woorden ", de handtekening en de officiële stempel met identificatienummer" vervangen door de woorden "en de handtekening";
4° in paragraaf 5 worden de woorden "en de officiële stempel" opgeheven.
Art. 34. Dans l'article 555/11, du même Code, inséré par la loi du 5 mai 2019 et modifié par la loi du 20 décembre 2020, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, la deuxième phrase est abrogée;
2° dans le paragraphe 4, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
"Le traducteur ou le traducteur-interprète juré mentionne en premier son numéro d'identification, suivi de sa signature, de son nom, de son titre et de sa signature électronique qualifiée. En conséquence, la traduction effectuée vaut comme une traduction légalisée pour son utilisation au sein du Royaume. Pour son utilisation à l'étranger, la traduction doit consécutivement être légalisée par le Service Public Fédéral Justice sur la base de la signature, la signature électronique qualifiée et de l'inscription au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés et le Service Public Fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement sur la base de la signature qui y a été apposée par le Service Public Fédéral Justice. La légalisation ne fait que confirmer l'authenticité de la signature, la qualité en laquelle le signataire de la traduction a agi et, le cas échéant, la validité de la signature ou la signature électronique qualifié apposée sur le document.";
3° dans le paragraphe 4, alinéa 4, les mots ", la signature et le cachet officiel avec le numéro d'identification" sont remplacés par les mots "et la signature";
4° dans le paragraphe 5, les mots "et le cachet officiel" sont abrogés.
1° dans le paragraphe 1er, la deuxième phrase est abrogée;
2° dans le paragraphe 4, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
"Le traducteur ou le traducteur-interprète juré mentionne en premier son numéro d'identification, suivi de sa signature, de son nom, de son titre et de sa signature électronique qualifiée. En conséquence, la traduction effectuée vaut comme une traduction légalisée pour son utilisation au sein du Royaume. Pour son utilisation à l'étranger, la traduction doit consécutivement être légalisée par le Service Public Fédéral Justice sur la base de la signature, la signature électronique qualifiée et de l'inscription au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés et le Service Public Fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement sur la base de la signature qui y a été apposée par le Service Public Fédéral Justice. La légalisation ne fait que confirmer l'authenticité de la signature, la qualité en laquelle le signataire de la traduction a agi et, le cas échéant, la validité de la signature ou la signature électronique qualifié apposée sur le document.";
3° dans le paragraphe 4, alinéa 4, les mots ", la signature et le cachet officiel avec le numéro d'identification" sont remplacés par les mots "et la signature";
4° dans le paragraphe 5, les mots "et le cachet officiel" sont abrogés.
Art. 35. Artikel 555/13, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, wordt vervangen als volgt:
"De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar kan een vrijstelling voor de in paragraaf 1, 2°, bedoelde voorwaarde verlenen aan de gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk, die vóór de datum van aanvraag van de vrijstelling gedurende een ononderbroken periode van minimum vijftien jaar de activiteit van gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk heeft uitgeoefend en zich in die periode voldoende heeft bijgeschoold.".
"De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar kan een vrijstelling voor de in paragraaf 1, 2°, bedoelde voorwaarde verlenen aan de gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk, die vóór de datum van aanvraag van de vrijstelling gedurende een ononderbroken periode van minimum vijftien jaar de activiteit van gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk heeft uitgeoefend en zich in die periode voldoende heeft bijgeschoold.".
Art. 35. L'article 555/13, § 2, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 5 mai 2019, est remplacé par ce qui suit:
"Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui peut accorder une dispense de la condition visée au paragraphe 1er, 2°, à l'expert judiciaire ou au traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré qui, durant une période ininterrompue de minimum quinze ans avant la date de la demande de la dispense, a exercé l'activité d'expert judiciaire ou de traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré et s'est suffisamment formé durant cette période.".
"Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui peut accorder une dispense de la condition visée au paragraphe 1er, 2°, à l'expert judiciaire ou au traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré qui, durant une période ininterrompue de minimum quinze ans avant la date de la demande de la dispense, a exercé l'activité d'expert judiciaire ou de traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré et s'est suffisamment formé durant cette période.".
Art. 36. In artikel 837, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 2000, worden de woorden ",niet zijn betaald binnen acht dagen" vervangen door de woorden "en de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, niet zijn betaald binnen tien dagen.".
Art. 36. Dans l'article 837, alinéa 4, du même Code, inséré par la loi du 30 juin 2000, les mots "n'est pas acquitté dans les huit jours" sont remplacés par les mots "et la contribution due en vertu de l'article 4, § 2, de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne ne sont pas acquittés dans les dix jours.".
Art. 37. In artikel 1344octies, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 oktober 2017, worden de woorden "doordat het ondanks pogingen van de verzoeker in die zin, voor hem niet mogelijk is geweest om de identiteit van zelfs een van de bezetters van het goed te bepalen" ingevoegd tussen de woorden "noodzakelijkheid" en het woord ", bij".
Art. 37. Dans l'article 1344octies, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 18 octobre 2017, les mots "découlant du fait que malgré les tentatives du requérant en ce sens, il ne lui a pas été possible de déterminer l'identité d'aucun des occupants du bien" sont insérés entre le mot "nécessité" et le mot ", par".
Art. 38. In artikel 1727, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 18 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 2° worden de woorden ", evenals de evaluaties met het oog op het afleveren van een erkenning en de erkenningsprocedure;" vervangen door de woorden "die de kandidaten-bemiddelaars moeten volgen en die daadwerkelijk door de opleidingsinstantie moeten worden beoordeeld;";
2° de bepaling onder 2° /1 wordt ingevoegd, luidende:
"2° /1 de voorwaarden en de procedure voor de erkenning van bemiddelaars bepalen;";
3° in de bepaling onder 10° worden de woorden "de lijst van bemiddelaars opstellen en verspreiden" vervangen door de woorden "de lijst van bemiddelaars opstellen volgens de bijzondere domeinen van de bemiddelingspraktijk en deze lijst verspreiden".
1° in de bepaling onder 2° worden de woorden ", evenals de evaluaties met het oog op het afleveren van een erkenning en de erkenningsprocedure;" vervangen door de woorden "die de kandidaten-bemiddelaars moeten volgen en die daadwerkelijk door de opleidingsinstantie moeten worden beoordeeld;";
2° de bepaling onder 2° /1 wordt ingevoegd, luidende:
"2° /1 de voorwaarden en de procedure voor de erkenning van bemiddelaars bepalen;";
3° in de bepaling onder 10° worden de woorden "de lijst van bemiddelaars opstellen en verspreiden" vervangen door de woorden "de lijst van bemiddelaars opstellen volgens de bijzondere domeinen van de bemiddelingspraktijk en deze lijst verspreiden".
Art. 38. Dans l'article 1727, § 2, du même Code, remplacé par la loi du 18 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le 2°, les mots "ainsi que les évaluations en vue de la délivrance d'un agrément et la procédure d'agrément;" sont remplacés par les mots "par les candidats médiateurs et devant faire l'objet d'une évaluation effective organisée par l'organe de formation;";
2° il est inséré un 2° /1 rédigé comme suit:
"2° /1 déterminer les conditions et la procédure d'agrément des médiateurs;";
3° dans le 10°, les mots "dresser et diffuser la liste des médiateurs" sont remplacés par les mots "dresser la liste des médiateurs en fonction des domaines particuliers de pratique de la médiation et la diffuser".
1° dans le 2°, les mots "ainsi que les évaluations en vue de la délivrance d'un agrément et la procédure d'agrément;" sont remplacés par les mots "par les candidats médiateurs et devant faire l'objet d'une évaluation effective organisée par l'organe de formation;";
2° il est inséré un 2° /1 rédigé comme suit:
"2° /1 déterminer les conditions et la procédure d'agrément des médiateurs;";
3° dans le 10°, les mots "dresser et diffuser la liste des médiateurs" sont remplacés par les mots "dresser la liste des médiateurs en fonction des domaines particuliers de pratique de la médiation et la diffuser".
Art. 39. In artikel 1727/2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 3 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"De algemene vergadering wijst te midden van de leden van het bureau een voorzitter aan en een ondervoorzitter, die de voorzitter zo nodig vervangt, evenals een secretaris. Bij de aanwijzing ziet de algemene vergadering erop toe dat de duur van de voorzitterschappen en ondervoorzitterschappen in aantal maanden gelijk is. Die ambten worden afwisselend toegekend aan een Franstalige en een Nederlandstalige. Het voorzitterschap en het ondervoorzitterschap worden bovendien afwisselend uitgeoefend door notarissen, advocaten, magistraten, gerechtsdeurwaarders en door bemiddelaars die geen van voornoemde beroepen uitoefenen.";
2° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden "in artikel 1727, § 2, 8°, 9°, 11° en 12° " vervangen door de woorden "in artikel 1727, § 2, 9°, 10°, 11° en 12° " en wordt in het derde lid, het cijfer "6° " vervangen door het cijfer "7° ".
1° in paragraaf 3 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"De algemene vergadering wijst te midden van de leden van het bureau een voorzitter aan en een ondervoorzitter, die de voorzitter zo nodig vervangt, evenals een secretaris. Bij de aanwijzing ziet de algemene vergadering erop toe dat de duur van de voorzitterschappen en ondervoorzitterschappen in aantal maanden gelijk is. Die ambten worden afwisselend toegekend aan een Franstalige en een Nederlandstalige. Het voorzitterschap en het ondervoorzitterschap worden bovendien afwisselend uitgeoefend door notarissen, advocaten, magistraten, gerechtsdeurwaarders en door bemiddelaars die geen van voornoemde beroepen uitoefenen.";
2° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden "in artikel 1727, § 2, 8°, 9°, 11° en 12° " vervangen door de woorden "in artikel 1727, § 2, 9°, 10°, 11° en 12° " en wordt in het derde lid, het cijfer "6° " vervangen door het cijfer "7° ".
Art. 39. A l'article 1727/2 du même Code, inséré par la loi du 18 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 3, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"L'assemblée générale désigne parmi les membres du bureau un président et un vice-président, qui remplace le président le cas échéant, ainsi qu'un secrétaire. L'assemblée générale veille au moment de la désignation à ce que la durée des présidences et vice-présidences soit équivalente en nombre de mois. Ces fonctions sont attribuées alternativement à un francophone et un néerlandophone. La présidence et la vice-présidence sont, en outre, exercées alternativement par des notaires, des avocats, des magistrats, des huissiers de justice et par des médiateurs qui n'exercent aucune des professions précitées.";
2° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, les mots "à l'article 1727, § 2, 8°, 9°, 11° et 12° " sont remplacés par les mots "à l'article 1727, § 2, 9°, 10°, 11° et 12° "; et dans l'alinéa 3, le chiffre "6° " est remplacé par le chiffre "7° ".
1° dans le paragraphe 3, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"L'assemblée générale désigne parmi les membres du bureau un président et un vice-président, qui remplace le président le cas échéant, ainsi qu'un secrétaire. L'assemblée générale veille au moment de la désignation à ce que la durée des présidences et vice-présidences soit équivalente en nombre de mois. Ces fonctions sont attribuées alternativement à un francophone et un néerlandophone. La présidence et la vice-présidence sont, en outre, exercées alternativement par des notaires, des avocats, des magistrats, des huissiers de justice et par des médiateurs qui n'exercent aucune des professions précitées.";
2° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, les mots "à l'article 1727, § 2, 8°, 9°, 11° et 12° " sont remplacés par les mots "à l'article 1727, § 2, 9°, 10°, 11° et 12° "; et dans l'alinéa 3, le chiffre "6° " est remplacé par le chiffre "7° ".
Art. 40. In artikel 1727/4, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, worden het derde tot het zesde lid vervangen als volgt:
"Een oproep tot kandidaten wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De leden worden benoemd door de minister van Justitie op voordracht van een lijst opgesteld door het bureau, en waarin een met redenen omkleed advies is opgenomen met betrekking tot maximaal vijfentwintig kandidaten, die in volgorde van voorkeur zijn gerangschikt. De Koning bepaalt de nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de indiening van de kandidaturen, voor de voordracht van de leden en de criteria voor de kandidaatstelling.
De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal worden verlengd. Het mandaat van een lid kan voortijdig beëindigd worden door het ontslag van het lid of door een met redenen omklede beslissing genomen door de minister van Justitie op voorstel van het bureau. De als vervanger aangewezen persoon wordt door het bureau gekozen uit de in het derde lid bedoelde lijst. Indien op deze lijst geen vervanger kan worden gevonden, wordt er vervolgens gehandeld overeenkomstig het derde lid. In alle gevallen voltooien de ter vervanging benoemde personen het mandaat van de voorganger. Indien het om een eerste mandaat gaat, mag het mandaat van de ter vervanging benoemde persoon tweemaal worden verlengd.
De algemene vergadering wijst te midden van de leden van het bureau een voorzitter voor elke commissie aan. Bij de aanwijzing ziet de algemene vergadering erop toe dat de duur van de voorzitterschappen in aantal maanden gelijk is. Dit ambt wordt afwisselend bekleed door een Nederlandstalige en een Franstalige.".
"Een oproep tot kandidaten wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De leden worden benoemd door de minister van Justitie op voordracht van een lijst opgesteld door het bureau, en waarin een met redenen omkleed advies is opgenomen met betrekking tot maximaal vijfentwintig kandidaten, die in volgorde van voorkeur zijn gerangschikt. De Koning bepaalt de nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de indiening van de kandidaturen, voor de voordracht van de leden en de criteria voor de kandidaatstelling.
De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal worden verlengd. Het mandaat van een lid kan voortijdig beëindigd worden door het ontslag van het lid of door een met redenen omklede beslissing genomen door de minister van Justitie op voorstel van het bureau. De als vervanger aangewezen persoon wordt door het bureau gekozen uit de in het derde lid bedoelde lijst. Indien op deze lijst geen vervanger kan worden gevonden, wordt er vervolgens gehandeld overeenkomstig het derde lid. In alle gevallen voltooien de ter vervanging benoemde personen het mandaat van de voorganger. Indien het om een eerste mandaat gaat, mag het mandaat van de ter vervanging benoemde persoon tweemaal worden verlengd.
De algemene vergadering wijst te midden van de leden van het bureau een voorzitter voor elke commissie aan. Bij de aanwijzing ziet de algemene vergadering erop toe dat de duur van de voorzitterschappen in aantal maanden gelijk is. Dit ambt wordt afwisselend bekleed door een Nederlandstalige en een Franstalige.".
Art. 40. Dans l'article 1727/4, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 18 juin 2018, les alinéas 3 à 6 sont remplacés par ce qui suit:
"Un appel aux candidats est publié au Moniteur belge. Les membres sont nommés par le ministre de la Justice sur la base de la présentation d'une liste rédigée par le bureau de maximum vingt-cinq candidats classés par ordre de préférence, contenant un avis motivé pour chaque candidat. Le Roi fixe les modalités de la publication des vacances, du dépôt des candidatures, de la présentation des membres ainsi que les critères requis pour poser sa candidature.
Les membres sont nommés pour une période de quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu'une seule fois. Il peut être mis fin prématurément au mandat d'un membre par la démission du membre ou par une décision motivée prise par le ministre de la Justice sur la proposition du bureau. La personne nommée en remplacement doit être choisie par le bureau sur la liste visée à l'alinéa 3. Dans l'hypothèse où aucun remplaçant ne peut être trouvé sur cette liste, il sera procédé conformément à l'alinéa 3. Dans tous les cas, les personnes nommées en remplacement achèvent le mandat du prédécesseur. S'il s'agit d'un premier mandat, le mandat de la personne nommée en remplacement peut être renouvelé deux fois.
L'assemblée générale désigne parmi les membres du bureau un président pour chaque commission. L'assemblée générale veille au moment de la désignation à ce que la durée des présidences soit équivalente en nombre de mois. Cette fonction est attribuée alternativement à un francophone et à un néerlandophone.".
"Un appel aux candidats est publié au Moniteur belge. Les membres sont nommés par le ministre de la Justice sur la base de la présentation d'une liste rédigée par le bureau de maximum vingt-cinq candidats classés par ordre de préférence, contenant un avis motivé pour chaque candidat. Le Roi fixe les modalités de la publication des vacances, du dépôt des candidatures, de la présentation des membres ainsi que les critères requis pour poser sa candidature.
Les membres sont nommés pour une période de quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu'une seule fois. Il peut être mis fin prématurément au mandat d'un membre par la démission du membre ou par une décision motivée prise par le ministre de la Justice sur la proposition du bureau. La personne nommée en remplacement doit être choisie par le bureau sur la liste visée à l'alinéa 3. Dans l'hypothèse où aucun remplaçant ne peut être trouvé sur cette liste, il sera procédé conformément à l'alinéa 3. Dans tous les cas, les personnes nommées en remplacement achèvent le mandat du prédécesseur. S'il s'agit d'un premier mandat, le mandat de la personne nommée en remplacement peut être renouvelé deux fois.
L'assemblée générale désigne parmi les membres du bureau un président pour chaque commission. L'assemblée générale veille au moment de la désignation à ce que la durée des présidences soit équivalente en nombre de mois. Cette fonction est attribuée alternativement à un francophone et à un néerlandophone.".
Art. 41. In artikel 1727/5 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, worden de woorden "Het bureau wijst voor een periode van twee jaar de voorzitter aan." vervangen door de woorden "Het bureau wijst de voorzitter aan, en ziet er bij de benoeming op toe dat de duur van de voorzitterschappen in aantal maanden gelijk is.";
2° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende:
" § 1/1. De assessoren worden benoemd voor een periode van vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal worden verlengd.
Het mandaat van een assessor kan voortijdig beëindigd worden door het ontslag van het lid of door een met redenen omklede beslissing genomen door de minister van Justitie op voorstel van het bureau. Er wordt vervolgens gehandeld overeenkomstig de paragraaf 1, derde lid. In alle gevallen voltooien de ter vervanging benoemde personen het mandaat van de voorganger. Indien het om een eerste mandaat gaat, mag het mandaat van de ter vervanging benoemde persoon tweemaal worden verlengd.";
3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het cijfer "5° " vervangen door het cijfer "6° ";
4° in dezelfde paragraaf, derde lid, worden de woorden "artikel 1727, § 2, 7° en 10°, " vervangen door de woorden "artikel 1727, § 2, 5° en 8°, ".
1° in paragraaf 1, worden de woorden "Het bureau wijst voor een periode van twee jaar de voorzitter aan." vervangen door de woorden "Het bureau wijst de voorzitter aan, en ziet er bij de benoeming op toe dat de duur van de voorzitterschappen in aantal maanden gelijk is.";
2° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende:
" § 1/1. De assessoren worden benoemd voor een periode van vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal worden verlengd.
Het mandaat van een assessor kan voortijdig beëindigd worden door het ontslag van het lid of door een met redenen omklede beslissing genomen door de minister van Justitie op voorstel van het bureau. Er wordt vervolgens gehandeld overeenkomstig de paragraaf 1, derde lid. In alle gevallen voltooien de ter vervanging benoemde personen het mandaat van de voorganger. Indien het om een eerste mandaat gaat, mag het mandaat van de ter vervanging benoemde persoon tweemaal worden verlengd.";
3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het cijfer "5° " vervangen door het cijfer "6° ";
4° in dezelfde paragraaf, derde lid, worden de woorden "artikel 1727, § 2, 7° en 10°, " vervangen door de woorden "artikel 1727, § 2, 5° en 8°, ".
Art. 41. A l'article 1727/5 du même Code, inséré par la loi du 18 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, les mots "Le bureau désigne le président pour une période de deux ans" sont remplacés par les mots "Le bureau désigne le président et veille, au moment de la désignation, à ce que la durée des présidences soit équivalente en nombre de mois.";
2° il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit:
" § 1er/1. Les assesseurs sont nommés pour une période de quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu'une seule fois.
Il peut être mis fin prématurément au mandat d'un assesseur par la démission de celui-ci ou par une décision motivée prise par le ministre de la Justice sur la proposition du bureau. Il est ensuite procédé conformément au paragraphe 1er, alinéa 3. Dans tous les cas, les personnes nommées en remplacement achèvent le mandat du prédécesseur. S'il s'agit d'un premier mandat, le mandat de la personne nommée en remplacement peut être renouvelé deux fois.";
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, le chiffre "5° " est remplacé par le chiffre "6° ";
4° dans le même paragraphe, alinéa 3, les mots "à l'article 1727, § 2, 7° et 10°, " sont remplacés par les mots "à l'article 1727, § 2, 5° et 8°, ".
1° dans le paragraphe 1er, les mots "Le bureau désigne le président pour une période de deux ans" sont remplacés par les mots "Le bureau désigne le président et veille, au moment de la désignation, à ce que la durée des présidences soit équivalente en nombre de mois.";
2° il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit:
" § 1er/1. Les assesseurs sont nommés pour une période de quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu'une seule fois.
Il peut être mis fin prématurément au mandat d'un assesseur par la démission de celui-ci ou par une décision motivée prise par le ministre de la Justice sur la proposition du bureau. Il est ensuite procédé conformément au paragraphe 1er, alinéa 3. Dans tous les cas, les personnes nommées en remplacement achèvent le mandat du prédécesseur. S'il s'agit d'un premier mandat, le mandat de la personne nommée en remplacement peut être renouvelé deux fois.";
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, le chiffre "5° " est remplacé par le chiffre "6° ";
4° dans le même paragraphe, alinéa 3, les mots "à l'article 1727, § 2, 7° et 10°, " sont remplacés par les mots "à l'article 1727, § 2, 5° et 8°, ".
Art. 42. In artikel 1734, § 1/1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"Indien de partijen geen overeenstemming bereiken over de aan te wijzen bemiddelaar of bemiddelaars, gaat de rechter over tot de aanwijzing van een of meerdere bemiddelaars, die erkend zijn overeenkomstig artikel 1727, § 2, bij voorkeur op basis van een lijst met alle bemiddelaars die is opgesteld door de Federale bemiddelingscommissie overeenkomstig artikel 1727, § 2, 10°. De rechter kiest een of meerdere bemiddelaars die geschikt zijn in het licht van de aard van het geschil tussen de partijen en die, voor zover mogelijk, gevestigd zijn in de buurt van de woonplaats van de partijen.".
"Indien de partijen geen overeenstemming bereiken over de aan te wijzen bemiddelaar of bemiddelaars, gaat de rechter over tot de aanwijzing van een of meerdere bemiddelaars, die erkend zijn overeenkomstig artikel 1727, § 2, bij voorkeur op basis van een lijst met alle bemiddelaars die is opgesteld door de Federale bemiddelingscommissie overeenkomstig artikel 1727, § 2, 10°. De rechter kiest een of meerdere bemiddelaars die geschikt zijn in het licht van de aard van het geschil tussen de partijen en die, voor zover mogelijk, gevestigd zijn in de buurt van de woonplaats van de partijen.".
Art. 42. Dans l'article 1734, § 1er/1, du même Code, inséré par la loi du 18 juin 2018, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
"Si les parties ne s'accordent pas sur le médiateur ou les médiateurs à désigner, le juge désigne un médiateur ou des médiateurs agréés selon l'article 1727, § 2, de préférence sur la base d'une liste de tous les médiateurs établie par la Commission fédérale de médiation conformément à l'article 1727, § 2, 10°. Le juge choisit un ou des médiateurs compétents au regard de la nature du différend entre les parties et, dans la mesure du possible, établis à proximité du domicile des parties.".
"Si les parties ne s'accordent pas sur le médiateur ou les médiateurs à désigner, le juge désigne un médiateur ou des médiateurs agréés selon l'article 1727, § 2, de préférence sur la base d'une liste de tous les médiateurs établie par la Commission fédérale de médiation conformément à l'article 1727, § 2, 10°. Le juge choisit un ou des médiateurs compétents au regard de la nature du différend entre les parties et, dans la mesure du possible, établis à proximité du domicile des parties.".
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer
CHAPITRE 6. - Modification de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière
Art. 43. In artikel 65, § 5, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, vervangen bij de wet van 29 februari 1984 en gewijzigd bij de wet van 21 juni 2021, worden de woorden "en de administratieve toeslag, bedoeld in paragraaf 1, tweede lid," opgeheven.
Art. 43. Dans l'article 65, § 5, alinéa 1er, de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière, remplacé par la loi du 29 février 1984 et modifié par la loi du 21 juin 2021, les mots "et la redevance administrative visée au paragraphe 1er, alinéa 2," sont abrogés.
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen
CHAPITRE 7. - Modification de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques
Art. 44. In artikel 8, § 6, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, vervangen bij de wet van 25 november 2018 en gewijzigd bij de wet van 5 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het derde lid, worden de woorden "van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen toegang hebben tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste tot derde lid" opgeheven;
2° in het vierde lid, worden de woorden "de via het Rijksregister verkregen informatiegegevens" vervangen door de woorden "het Rijksregisternummer", de woorden "die informatiegegevens" door de woorden "dat nummer" en de woorden "die gegevens" door de woorden "het nummer".
1° in het derde lid, worden de woorden "van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen toegang hebben tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste tot derde lid" opgeheven;
2° in het vierde lid, worden de woorden "de via het Rijksregister verkregen informatiegegevens" vervangen door de woorden "het Rijksregisternummer", de woorden "die informatiegegevens" door de woorden "dat nummer" en de woorden "die gegevens" door de woorden "het nummer".
Art. 44. A l'article 8, § 6, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques, remplacé par la loi du 25 novembre 2018 et modifié par la loi du 5 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées:
1° à l'alinéa 3, les mots "du ministre ayant l'Intérieur dans ses attributions et peuvent accéder aux informations visées à l'article 3, alinéas 1er à 3" sont abrogés;
2° à l'alinéa 4, les mots "des informations obtenues du" sont remplacés par les mots "le numéro du", les mots "à les recevoir" sont remplacés par les mots "à le recevoir" et les mots "ces données" sont remplacés par les mots "ce numéro".
1° à l'alinéa 3, les mots "du ministre ayant l'Intérieur dans ses attributions et peuvent accéder aux informations visées à l'article 3, alinéas 1er à 3" sont abrogés;
2° à l'alinéa 4, les mots "des informations obtenues du" sont remplacés par les mots "le numéro du", les mots "à les recevoir" sont remplacés par les mots "à le recevoir" et les mots "ces données" sont remplacés par les mots "ce numéro".
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit
CHAPITRE 8. - Modifications du Code de la nationalité belge
Art. 45. In artikel 10 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste en tweede lid zullen paragraaf 1 vormen;
2° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "staatloos zou zijn, indien het die nationaliteit niet bezat" vervangen door de woorden "geen andere nationaliteit bezit";
3° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De wettelijke vertegenwoordiger van het kind zendt alle nuttige stukken waarover hij beschikt over aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het kind geboren is. In geval van twijfel over het ontbreken van nationaliteit van het kind, vraagt de ambtenaar van de burgerlijke stand het advies van de procureur des Konings. In dat geval zendt hij hem een afschrift van het dossier. Het advies wordt op korte termijn verstrekt door de procureur des Konings.";
4° het derde lid zal paragraaf 2 vormen;
5° het vierde lid zal paragraaf 3 vormen.
1° het eerste en tweede lid zullen paragraaf 1 vormen;
2° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "staatloos zou zijn, indien het die nationaliteit niet bezat" vervangen door de woorden "geen andere nationaliteit bezit";
3° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De wettelijke vertegenwoordiger van het kind zendt alle nuttige stukken waarover hij beschikt over aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het kind geboren is. In geval van twijfel over het ontbreken van nationaliteit van het kind, vraagt de ambtenaar van de burgerlijke stand het advies van de procureur des Konings. In dat geval zendt hij hem een afschrift van het dossier. Het advies wordt op korte termijn verstrekt door de procureur des Konings.";
4° het derde lid zal paragraaf 2 vormen;
5° het vierde lid zal paragraaf 3 vormen.
Art. 45. A l'article 10 du Code de la nationalité belge, modifié par la loi du 27 décembre 2006, les modifications suivantes sont apportées:
1° les alinéas 1er et 2 formeront le paragraphe 1er;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots ", serait apatride s'il n'avait cette nationalité" sont remplacés par les mots "ne possède aucune autre nationalité";
3° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Le représentant légal de l'enfant transmet à l'officier de l'état civil du lieu de naissance de l'enfant toutes les pièces utiles dont il dispose. En cas de doute sur l'absence de nationalité de l'enfant, l'officier de l'état civil demande l'avis du procureur du Roi. Dans ce cas, il lui transmet une copie du dossier. L'avis est rendu à bref délai par le procureur du Roi.";
4° l'alinéa 3 formera le paragraphe 2;
5° l'alinéa 4 formera le paragraphe 3.
1° les alinéas 1er et 2 formeront le paragraphe 1er;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots ", serait apatride s'il n'avait cette nationalité" sont remplacés par les mots "ne possède aucune autre nationalité";
3° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Le représentant légal de l'enfant transmet à l'officier de l'état civil du lieu de naissance de l'enfant toutes les pièces utiles dont il dispose. En cas de doute sur l'absence de nationalité de l'enfant, l'officier de l'état civil demande l'avis du procureur du Roi. Dans ce cas, il lui transmet une copie du dossier. L'avis est rendu à bref délai par le procureur du Roi.";
4° l'alinéa 3 formera le paragraphe 2;
5° l'alinéa 4 formera le paragraphe 3.
Art. 46. In artikel 24bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "De minister van Justitie legt de richtlijnen vast" worden vervangen door de woorden "Het College van procureurs-generaal kan de richtlijnen vastleggen";
2° de woorden "nadat hij het advies heeft ingewonnen van het College van procureurs-generaal" worden opgeheven.
1° de woorden "De minister van Justitie legt de richtlijnen vast" worden vervangen door de woorden "Het College van procureurs-generaal kan de richtlijnen vastleggen";
2° de woorden "nadat hij het advies heeft ingewonnen van het College van procureurs-generaal" worden opgeheven.
Art. 46. A l'article 24bis du même Code, inséré par la loi du 22 décembre 1998, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots "Le ministre de la Justice arrête" sont remplacés par les mots "Le Collège des procureurs généraux peut arrêter";
2° les mots ", après consultation du Collège des procureurs généraux" sont abrogés.
1° les mots "Le ministre de la Justice arrête" sont remplacés par les mots "Le Collège des procureurs généraux peut arrêter";
2° les mots ", après consultation du Collège des procureurs généraux" sont abrogés.
Art. 47. In hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk Vter ingevoegd, luidende "Adviesbevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Justitie".
Art. 47. Dans le même Code, il est inséré un chapitre Vter, intitulé "Compétence d'avis du Service Public Fédéral Justice".
Art. 48. In hoofdstuk Vter, ingevoegd bij artikel 47, wordt een artikel 24ter ingevoegd, luidende:
"Art. 24ter. § 1. Een Centrale Autoriteit inzake nationaliteit wordt opgericht binnen de Federale Overheidsdienst Justitie.
Behalve in de materies of in de gevallen waar dit Wetboek of de wet bevoegdheden toekent aan de procureur des Konings, verleent de Centrale Autoriteit inzake nationaliteit niet-bindende adviezen, op vraag van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister, in geval van ernstige twijfel omtrent de wijze van toepassing van een of meer bepalingen van dit Wetboek.
§ 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister zendt zijn adviesaanvraag over aan de Centrale Autoriteit inzake nationaliteit, samen met de stukken waarover hij beschikt.
De Centrale Autoriteit inzake nationaliteit kan, indien nodig, bijkomende documenten of akten opvragen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister die het advies heeft gevraagd. Deze laatste zendt ze onmiddellijk over aan de Centrale Autoriteit inzake nationaliteit.
§ 3. De Centrale Autoriteit inzake nationaliteit verleent advies binnen een termijn van zes maanden vanaf de ontvangst van alle benodigde stukken, verlengbaar met zes maanden door de Centrale Autoriteit inzake nationaliteit.
§ 4. De Centrale Autoriteit inzake nationaliteit brengt het advies ter kennis van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister die het advies heeft gevraagd.".
"Art. 24ter. § 1. Een Centrale Autoriteit inzake nationaliteit wordt opgericht binnen de Federale Overheidsdienst Justitie.
Behalve in de materies of in de gevallen waar dit Wetboek of de wet bevoegdheden toekent aan de procureur des Konings, verleent de Centrale Autoriteit inzake nationaliteit niet-bindende adviezen, op vraag van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister, in geval van ernstige twijfel omtrent de wijze van toepassing van een of meer bepalingen van dit Wetboek.
§ 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister zendt zijn adviesaanvraag over aan de Centrale Autoriteit inzake nationaliteit, samen met de stukken waarover hij beschikt.
De Centrale Autoriteit inzake nationaliteit kan, indien nodig, bijkomende documenten of akten opvragen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister die het advies heeft gevraagd. Deze laatste zendt ze onmiddellijk over aan de Centrale Autoriteit inzake nationaliteit.
§ 3. De Centrale Autoriteit inzake nationaliteit verleent advies binnen een termijn van zes maanden vanaf de ontvangst van alle benodigde stukken, verlengbaar met zes maanden door de Centrale Autoriteit inzake nationaliteit.
§ 4. De Centrale Autoriteit inzake nationaliteit brengt het advies ter kennis van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister die het advies heeft gevraagd.".
Art. 48. Dans le chapitre Vter, inséré par l'article 47, il est inséré un article 24ter rédigé comme suit:
"Art. 24ter. § 1er. Une Autorité Centrale en matière de nationalité est créée au sein du Service public fédéral Justice.
Sauf dans les matières où le présent Code ou la loi accordent des compétences au procureur du Roi, l'Autorité Centrale en matière de nationalité rend des avis non contraignants, à la demande de l'officier de l'état civil ou du détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente, en cas de doute sérieux sur la manière d'appliquer une ou plusieurs dispositions du présent Code.
§ 2. L'officier de l'état civil ou le détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente, transmet sa demande d'avis à l'Autorité Centrale en matière de nationalité, accompagnée des pièces dont il dispose.
L'Autorité Centrale en matière de nationalité peut, si nécessaire, demander des documents ou des actes complémentaires, à l'officier de l'état civil ou au détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente qui a demandé l'avis. Celui-ci les transmet immédiatement à l'Autorité Centrale en matière de nationalité.
§ 3. L'Autorité Centrale en matière de nationalité rend un avis dans un délai de six mois à partir de la réception de l'ensemble des pièces nécessaires, prolongeable de six mois par l'Autorité Centrale en matière de nationalité.
§ 4. L'Autorité Centrale en matière de nationalité porte l'avis à la connaissance de l'officier de l'état civil ou du détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente qui l'a demandé.".
"Art. 24ter. § 1er. Une Autorité Centrale en matière de nationalité est créée au sein du Service public fédéral Justice.
Sauf dans les matières où le présent Code ou la loi accordent des compétences au procureur du Roi, l'Autorité Centrale en matière de nationalité rend des avis non contraignants, à la demande de l'officier de l'état civil ou du détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente, en cas de doute sérieux sur la manière d'appliquer une ou plusieurs dispositions du présent Code.
§ 2. L'officier de l'état civil ou le détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente, transmet sa demande d'avis à l'Autorité Centrale en matière de nationalité, accompagnée des pièces dont il dispose.
L'Autorité Centrale en matière de nationalité peut, si nécessaire, demander des documents ou des actes complémentaires, à l'officier de l'état civil ou au détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente qui a demandé l'avis. Celui-ci les transmet immédiatement à l'Autorité Centrale en matière de nationalité.
§ 3. L'Autorité Centrale en matière de nationalité rend un avis dans un délai de six mois à partir de la réception de l'ensemble des pièces nécessaires, prolongeable de six mois par l'Autorité Centrale en matière de nationalité.
§ 4. L'Autorité Centrale en matière de nationalité porte l'avis à la connaissance de l'officier de l'état civil ou du détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente qui l'a demandé.".
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers
CHAPITRE 9. - Modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs
Art. 49. In artikel 15/3 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, ingevoegd bij de wet van 10 januari 2010, gewijzigd bij de wet van 7 mei 2019 en gedeeltelijk vernietigd bij het arrest nr. 36/2021 van het Grondwettelijk Hof, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden "60, 62" vervangen door de woorden "60, de bepalingen genomen in uitvoering van artikel 61, tweede lid, en de bepalingen van artikel 62";
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende:
" § 6. De Commissie kan ermee instemmen de tenuitvoerlegging van de beslissing tot het opleggen van een administratieve boete geheel of gedeeltelijk uit te stellen op voorwaarde dat de overtreder in de drie jaar voorafgaand aan de inbreuk geen andere administratieve of strafrechtelijke boetes voor inbreuken op deze wet heeft ontvangen.
De beslissing waarbij het uitstel wordt toegestaan of geweigerd moet met redenen omkleed zijn.
Het uitstel geldt voor een proeftijd van drie jaar. De proeftijd begint te lopen vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete.
Het uitstel wordt automatisch herroepen wanneer tijdens de proeftijd een nieuwe inbreuk wordt begaan die aanleiding geeft tot een beslissing tot het opleggen van een nieuwe administratieve of strafrechtelijke geldboete.
Van de herroeping van het uitstel wordt kennisgegeven bij dezelfde beslissing als die waarbij de administratieve geldboete voor deze nieuwe inbreuk wordt opgelegd.
De administratieve geldboete waarvan de betaling afdwingbaar wordt na de herroeping van het uitstel wordt gecumuleerd met de geldboete die voor deze nieuwe inbreuk wordt opgelegd.".
1° in paragraaf 1 worden de woorden "60, 62" vervangen door de woorden "60, de bepalingen genomen in uitvoering van artikel 61, tweede lid, en de bepalingen van artikel 62";
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende:
" § 6. De Commissie kan ermee instemmen de tenuitvoerlegging van de beslissing tot het opleggen van een administratieve boete geheel of gedeeltelijk uit te stellen op voorwaarde dat de overtreder in de drie jaar voorafgaand aan de inbreuk geen andere administratieve of strafrechtelijke boetes voor inbreuken op deze wet heeft ontvangen.
De beslissing waarbij het uitstel wordt toegestaan of geweigerd moet met redenen omkleed zijn.
Het uitstel geldt voor een proeftijd van drie jaar. De proeftijd begint te lopen vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete.
Het uitstel wordt automatisch herroepen wanneer tijdens de proeftijd een nieuwe inbreuk wordt begaan die aanleiding geeft tot een beslissing tot het opleggen van een nieuwe administratieve of strafrechtelijke geldboete.
Van de herroeping van het uitstel wordt kennisgegeven bij dezelfde beslissing als die waarbij de administratieve geldboete voor deze nieuwe inbreuk wordt opgelegd.
De administratieve geldboete waarvan de betaling afdwingbaar wordt na de herroeping van het uitstel wordt gecumuleerd met de geldboete die voor deze nieuwe inbreuk wordt opgelegd.".
Art. 49. A l'article 15/3 de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, inséré par la loi du 10 janvier 2010, modifié par la loi du 7 mai 2019 et partiellement annulé par l'arrêt n° 36/2021 de la Cour constitutionnelle, les modifications suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, les mots "60, 62" sont remplacés par les mots "60, aux dispositions prises en exécution de l'article 61, alinéa 2, et aux dispositions de l'article 62";
2° l'article est complété par un paragraphe 6 rédigé comme suit:
" § 6. La Commission peut convenir qu'il sera sursis à l'exécution de la décision infligeant une amende administrative, en tout ou en partie, pour autant que le contrevenant ne s'est pas vu infliger d'autres amendes administratives ou pénales pour infractions à la présente loi durant les trois années qui précèdent l'infraction.
La décision accordant ou refusant le sursis doit être motivée.
Le sursis vaut pendant un délai d'épreuve de trois ans. Le délai d'épreuve commence à courir à partir de la date de la notification de la décision infligeant une amende administrative.
Le sursis est révoqué de plein droit lorsqu'une nouvelle infraction qui donne lieu à une décision infligeant une nouvelle amende administrative ou pénale est commise pendant le délai d'épreuve.
La révocation du sursis est notifiée par la même décision que celle qui inflige l'amende administrative pour cette nouvelle infraction.
L'amende administrative dont le paiement devient exécutoire à la suite de la révocation du sursis est cumulée avec celle infligée du chef de cette nouvelle infraction.".
1° au paragraphe 1er, les mots "60, 62" sont remplacés par les mots "60, aux dispositions prises en exécution de l'article 61, alinéa 2, et aux dispositions de l'article 62";
2° l'article est complété par un paragraphe 6 rédigé comme suit:
" § 6. La Commission peut convenir qu'il sera sursis à l'exécution de la décision infligeant une amende administrative, en tout ou en partie, pour autant que le contrevenant ne s'est pas vu infliger d'autres amendes administratives ou pénales pour infractions à la présente loi durant les trois années qui précèdent l'infraction.
La décision accordant ou refusant le sursis doit être motivée.
Le sursis vaut pendant un délai d'épreuve de trois ans. Le délai d'épreuve commence à courir à partir de la date de la notification de la décision infligeant une amende administrative.
Le sursis est révoqué de plein droit lorsqu'une nouvelle infraction qui donne lieu à une décision infligeant une nouvelle amende administrative ou pénale est commise pendant le délai d'épreuve.
La révocation du sursis est notifiée par la même décision que celle qui inflige l'amende administrative pour cette nouvelle infraction.
L'amende administrative dont le paiement devient exécutoire à la suite de la révocation du sursis est cumulée avec celle infligée du chef de cette nouvelle infraction.".
Art. 50. In artikel 52, tweede lid, tweede streepje, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 10 januari 2010 en 26 december 2015, worden de woorden "in het raam van de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling of geaccrediteerd is in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een ander land dat partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte" vervangen door de woorden "in het raam van titel 2 van boek VIII van het Wetboek van economisch recht".
Art. 50. Dans l'article 52, alinéa 2, 2e tiret, de la même loi, modifié par les lois des 10 janvier 2010 et 26 décembre 2015, les mots "dans le cadre de la loi du 20 juillet 1990 concernant l'accréditation des organismes d'évaluation de la conformité ou accrédité dans un autre Etat membre des Communautés européennes ou dans un autre pays qui est partie à l'Accord sur l'Espace économique européen" sont remplacés par les mots "dans le cadre du titre 2 du livre VIII du Code de droit économique".
Art. 51. In artikel 58, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 10 januari 2010, worden de woorden "10 000 euro" vervangen door de woorden "3 000 euro".
Art. 51. Dans l'article 58, alinéa 2, de la même loi, modifié par la loi du 10 janvier 2010, les mots "10 000 euros" sont remplacés par les mots "3 000 euros".
Art. 52. Artikel 62/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 7 mei 2019, wordt opgeheven.
Art. 52. L'article 62/1 de la même loi, inséré par la loi du 7 mai 2019, est abrogé.
Art. 53. In artikel 64 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 26 juni 2000, 10 januari 2010 en 7 mei 2019, worden de woorden "60 en 62" vervangen door de woorden "60, de bepalingen genomen in uitvoering van artikel 61, tweede lid, en de bepalingen van artikel 62".
Art. 53. Dans l'article 64 de la même loi, modifié par les lois des 26 juin 2000, 10 janvier 2010 et 7 mai 2019, les mots "60 et 62" sont remplacés par les mots "60, aux dispositions prises en exécution de l'article 61, alinéa 2, et aux dispositions de l'article 62".
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen
CHAPITRE 10. - Modifications de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux
Art. 54. In de Franse tekst van artikel 43, eerste streepje, van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen, gewijzigd bij de wet van 26 maart 2014, worden de woorden "chargé d'" vervangen door de woorden "appelé à".
Art. 54. Dans l'article 43, 1er tiret, de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux, modifié par la loi du 26 mars 2014, les mots "chargé d'" sont remplacés par les mots "appelé à".
Art. 55. In dezelfde wet wordt het opschrift van titel VIquater, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, vervangen als volgt: "Samenwerking met de internationale Onderzoeksmechanismen".
Art. 55. Dans la même loi, l'intitulé du titre VIquater, inséré par la loi du 5 mai 2019, est remplacé par ce qui suit: "Coopération avec les Mécanismes d'enquête internationaux.".
Art. 56. In artikel 91 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, worden de eerste twee streepjes vervangen als volgt:
"- "Mechanismen": de internationale Onderzoeks-mechanismen ingesteld door de Verenigde Naties, of door een andere internationale organisatie waarvan België lid is, en die het mandaat hebben om straffeloosheid voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de mensheid, misdaden van genocide of enig ander internationaal misdrijf te bestrijden door de uitoefening van bepaalde functies van gerechtelijke aard;
- "Statuut": het mandaat van het Mechanisme, zoals nader omschreven in de relevante instrumenten die zijn aangenomen door de Verenigde Naties of door de bevoegde internationale organisatie waarvan België lid is;".
"- "Mechanismen": de internationale Onderzoeks-mechanismen ingesteld door de Verenigde Naties, of door een andere internationale organisatie waarvan België lid is, en die het mandaat hebben om straffeloosheid voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de mensheid, misdaden van genocide of enig ander internationaal misdrijf te bestrijden door de uitoefening van bepaalde functies van gerechtelijke aard;
- "Statuut": het mandaat van het Mechanisme, zoals nader omschreven in de relevante instrumenten die zijn aangenomen door de Verenigde Naties of door de bevoegde internationale organisatie waarvan België lid is;".
Art. 56. Dans l'article 91 de la même loi, inséré par la loi du 5 mai 2019, les deux premiers tirets sont remplacés par ce qui suit:
"- "Mécanismes": les Mécanismes d'enquête internationaux créés par l'Organisation des Nations unies, ou par une autre organisation internationale, dont la Belgique est membre, et ayant mandat de lutter contre l'impunité pour les crimes de guerre, les crimes contre l'humanité, les crimes de génocide ou toute autre infraction internationale, par l'exercice de certaines fonctions à caractère judiciaire;
- "Statut": le mandat du Mécanisme tel que détaillé dans les instruments pertinents adoptés par l'Organisation des Nations unies ou par l'organisation internationale compétente, dont la Belgique est membre;".
"- "Mécanismes": les Mécanismes d'enquête internationaux créés par l'Organisation des Nations unies, ou par une autre organisation internationale, dont la Belgique est membre, et ayant mandat de lutter contre l'impunité pour les crimes de guerre, les crimes contre l'humanité, les crimes de génocide ou toute autre infraction internationale, par l'exercice de certaines fonctions à caractère judiciaire;
- "Statut": le mandat du Mécanisme tel que détaillé dans les instruments pertinents adoptés par l'Organisation des Nations unies ou par l'organisation internationale compétente, dont la Belgique est membre;".
HOOFDSTUK 11. - Wijziging van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens
CHAPITRE 11. - Modification de la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des armes
Art. 57. In artikel 19,1° van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, vervangen bij de wet van 25 juli 2008 en gewijzigd bij de wet van 5 mei 2019, worden de woorden "wapens per postorder of via internet te verkopen of te koop aan te bieden aan particulieren" vervangen door de woorden "wapens alsook losse onderdelen die aan de wettelijk voorgeschreven proef zijn onderworpen per postorder of via het internet te kopen of te verkopen, te koop aan te bieden of over te dragen aan particulieren".
Art. 57. Dans l'article 19, 1°, de la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et industrielles avec des armes, remplacé par la loi du 25 juillet 2008 et modifié par la loi du 5 mai 2019, les mots "de vendre ou d'offrir en vente des armes à des particuliers par correspondance ou par internet" sont remplacés par les mots "d'acheter ou de vendre, d'offrir en vente ou de céder des armes ainsi que des pièces détachées soumises à l'épreuve légale à des particuliers par correspondance ou par internet".
HOOFDSTUK 12. - Wijzigingen van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed
CHAPITRE 12. - Modifications de la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l'occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d'autrui
Art. 58. In de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed, wordt in de plaats van artikel 12, vernietigd bij arrest nr. 39/2020 van het Grondwettelijk Hof, het als volgt luidende artikel 12 ingevoegd:
"Art. 12. § 1. In de gevallen bedoeld in artikel 442/1, § 1, van het Strafwetboek kan de procureur des Konings, op verzoek van de houder van een titel of een recht op het betrokken goed, na machtiging door de onderzoeksrechter, de ontruiming van het betrokken goed bevelen, ten aanzien van de in het goed aangetroffen personen.
De procureur des Konings richt een met redenen omkleed verzoek aan de onderzoeksrechter dat minstens de volgende gegevens bevat:
1° een omschrijving van de plaats waarop de maatregel betrekking heeft en de vermelding van het adres van het goed dat het voorwerp van het bevel uitmaakt;
2° alle documenten en inlichtingen waaruit blijkt dat het gebruik van dit middel nodig is;
3° de identiteit van de bezetters van het betrokken goed voor zover die kan worden achterhaald.
Hij vermeldt in zijn verzoek de omstandigheden die het bevel tot ontruiming zouden rechtvaardigen.
De onderzoeksrechter beslist binnen een termijn van maximum tweeënzeventig uur na de ontvangst van het verzoek. De onderzoeksrechter kan het verzoek afwijzen indien het kennelijk ongegrond is. De onderzoeksrechter beoordeelt minstens de wettigheid en de proportionaliteit van de machtiging ten aanzien van de feiten. Hij hoort de personen, die zich in het goed bevinden en tegen wie een bevel tot ontruiming wordt beoogd, tenzij dit wegens de concrete omstandigheden van de zaak niet mogelijk is. De beslissing van de onderzoeksrechter is met redenen omkleed. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Indien de onderzoeksrechter de machtiging verleent, vaardigt de procureur des Konings het bevel tot ontruiming uit, dat met redenen wordt omkleed en met eerbiediging van het vermoeden van onschuld wordt genomen. Het bevel houdt de ontruiming in binnen een termijn van acht dagen vanaf het ogenblik van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, aan de in het goed aangetroffen personen.
Een proces-verbaal van kennisgeving, bestaand uit een afschrift van het bevel en de datum en het uur van de kennisgeving, wordt opgesteld en in het dossier gevoegd.
§ 2. Het bevel van de procureur des Konings wordt op schrift gesteld en bevat inzonderheid:
1° een omschrijving van de plaats waarop de maatregel betrekking heeft en de vermelding van het adres van het goed dat het voorwerp van het bevel uitmaakt;
2° de feiten en omstandigheden die aanleiding gegeven hebben tot het bevel;
3° de naam, voornamen en woonplaats van de verzoeker met aanduiding van het recht of de titel op het betrokken goed waarop hij zich beroept;
4° de termijn bedoeld in paragraaf 1, vijfde lid;
5° de sancties die de niet-naleving van dit bevel tot ontruiming tot gevolg kunnen hebben, inzonderheid deze bedoeld in artikel 442/1, § 2, van het Strafwetboek;
6° de beroepsmogelijkheid en de termijn waarbinnen dat beroep moet worden ingediend.
Dit bevel wordt op een zichtbare plaats aangeplakt aan het betrokken goed. Een afschrift van het bevel wordt ter kennisgeving overhandigd aan de personen die zich op het moment van de aanplakking in het betrokken goed bevinden. Een afschrift van het bevel wordt via het meest geschikte communicatiemiddel meegedeeld aan de korpschef van de lokale politie van de politiezone waarbinnen het goed waarop het bevel betrekking heeft, gelegen is, alsook aan de houder van het recht of de titel op het betrokken goed en aan het bevoegde Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn.
De procureur des Konings staat in voor de tenuitvoerlegging van het bevel tot ontruiming.
§ 3. Elke persoon die van oordeel is dat zijn rechten geschaad worden door het bevel van de procureur des Konings kan beroep instellen tegen het bevel bij een met redenen omkleed verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van het vredegerecht van het kanton waarin het betrokken goed gelegen is binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van het bevel door zichtbare aanplakking aan het te ontruimen goed of door de overhandiging van het afschrift, zulks op straffe van verval. Het beroep heeft schorsende werking. Het bevel van de procureur des Konings kan niet ten uitvoer worden gelegd zolang de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld loopt.
Dit beroep wordt niet geschorst gedurende een strafvordering die geheel of gedeeltelijk op dezelfde feiten is gegrond.
§ 4. Binnen vierentwintig uur na de neerlegging van het verzoekschrift bepaalt de vrederechter de dag en het uur van de zitting waarop de zaak kan worden behandeld. De zitting vindt plaats binnen tien dagen na de neerlegging van het verzoekschrift. In afwijking van artikel 1344octies van het Gerechtelijk Wetboek is geen getuigschrift van woonplaats vereist voor de neerlegging van het verzoekschrift.
Bij gerechtsbrief geeft de griffier onverwijld kennis aan de persoon die beroep instelt tegen het bevel alsook aan de houder van het recht of de titel op het goed van de plaats, de dag en het uur van de zitting. Hij deelt eveneens de dag en het uur van de zitting mee aan de procureur des Konings die het bevel tot ontruiming heeft gegeven. Bij de gerechtsbrief wordt een afschrift van het verzoekschrift gevoegd.
De vrederechter doet uitspraak na de aanwezige partijen te hebben opgeroepen, ten einde hen te horen, alsook te hebben geprobeerd hen te verzoenen. Behoudens andersluidende bepaling verloopt de procedure zoals bepaald in artikel 1344octies van het Gerechtelijk Wetboek. De vrederechter doet uitspraak over de gegrondheid van het bevel tot ontruiming en het recht of de titel waarop men zich beroept. In de uitzonderlijke, ernstige omstandigheden onder meer bedoeld in artikel 1344decies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de vrederechter bij een met redenen omklede beslissing een langere termijn bepalen dan die waarin het bevel van de procureur des Konings voorziet. Wanneer de titel of het recht toebehoort aan een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon, mag deze termijn niet meer dan één maand bedragen. Wanneer de titel of het recht toebehoort aan een publiekrechtelijke rechtspersoon, mag deze termijn niet meer dan zes maanden bedragen.
De vrederechter spreekt zich binnen een termijn van tien dagen volgend op de zitting uit.
Tegen de beslissing van de vrederechter staat geen rechtsmiddel open.".
"Art. 12. § 1. In de gevallen bedoeld in artikel 442/1, § 1, van het Strafwetboek kan de procureur des Konings, op verzoek van de houder van een titel of een recht op het betrokken goed, na machtiging door de onderzoeksrechter, de ontruiming van het betrokken goed bevelen, ten aanzien van de in het goed aangetroffen personen.
De procureur des Konings richt een met redenen omkleed verzoek aan de onderzoeksrechter dat minstens de volgende gegevens bevat:
1° een omschrijving van de plaats waarop de maatregel betrekking heeft en de vermelding van het adres van het goed dat het voorwerp van het bevel uitmaakt;
2° alle documenten en inlichtingen waaruit blijkt dat het gebruik van dit middel nodig is;
3° de identiteit van de bezetters van het betrokken goed voor zover die kan worden achterhaald.
Hij vermeldt in zijn verzoek de omstandigheden die het bevel tot ontruiming zouden rechtvaardigen.
De onderzoeksrechter beslist binnen een termijn van maximum tweeënzeventig uur na de ontvangst van het verzoek. De onderzoeksrechter kan het verzoek afwijzen indien het kennelijk ongegrond is. De onderzoeksrechter beoordeelt minstens de wettigheid en de proportionaliteit van de machtiging ten aanzien van de feiten. Hij hoort de personen, die zich in het goed bevinden en tegen wie een bevel tot ontruiming wordt beoogd, tenzij dit wegens de concrete omstandigheden van de zaak niet mogelijk is. De beslissing van de onderzoeksrechter is met redenen omkleed. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Indien de onderzoeksrechter de machtiging verleent, vaardigt de procureur des Konings het bevel tot ontruiming uit, dat met redenen wordt omkleed en met eerbiediging van het vermoeden van onschuld wordt genomen. Het bevel houdt de ontruiming in binnen een termijn van acht dagen vanaf het ogenblik van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, aan de in het goed aangetroffen personen.
Een proces-verbaal van kennisgeving, bestaand uit een afschrift van het bevel en de datum en het uur van de kennisgeving, wordt opgesteld en in het dossier gevoegd.
§ 2. Het bevel van de procureur des Konings wordt op schrift gesteld en bevat inzonderheid:
1° een omschrijving van de plaats waarop de maatregel betrekking heeft en de vermelding van het adres van het goed dat het voorwerp van het bevel uitmaakt;
2° de feiten en omstandigheden die aanleiding gegeven hebben tot het bevel;
3° de naam, voornamen en woonplaats van de verzoeker met aanduiding van het recht of de titel op het betrokken goed waarop hij zich beroept;
4° de termijn bedoeld in paragraaf 1, vijfde lid;
5° de sancties die de niet-naleving van dit bevel tot ontruiming tot gevolg kunnen hebben, inzonderheid deze bedoeld in artikel 442/1, § 2, van het Strafwetboek;
6° de beroepsmogelijkheid en de termijn waarbinnen dat beroep moet worden ingediend.
Dit bevel wordt op een zichtbare plaats aangeplakt aan het betrokken goed. Een afschrift van het bevel wordt ter kennisgeving overhandigd aan de personen die zich op het moment van de aanplakking in het betrokken goed bevinden. Een afschrift van het bevel wordt via het meest geschikte communicatiemiddel meegedeeld aan de korpschef van de lokale politie van de politiezone waarbinnen het goed waarop het bevel betrekking heeft, gelegen is, alsook aan de houder van het recht of de titel op het betrokken goed en aan het bevoegde Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn.
De procureur des Konings staat in voor de tenuitvoerlegging van het bevel tot ontruiming.
§ 3. Elke persoon die van oordeel is dat zijn rechten geschaad worden door het bevel van de procureur des Konings kan beroep instellen tegen het bevel bij een met redenen omkleed verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van het vredegerecht van het kanton waarin het betrokken goed gelegen is binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van het bevel door zichtbare aanplakking aan het te ontruimen goed of door de overhandiging van het afschrift, zulks op straffe van verval. Het beroep heeft schorsende werking. Het bevel van de procureur des Konings kan niet ten uitvoer worden gelegd zolang de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld loopt.
Dit beroep wordt niet geschorst gedurende een strafvordering die geheel of gedeeltelijk op dezelfde feiten is gegrond.
§ 4. Binnen vierentwintig uur na de neerlegging van het verzoekschrift bepaalt de vrederechter de dag en het uur van de zitting waarop de zaak kan worden behandeld. De zitting vindt plaats binnen tien dagen na de neerlegging van het verzoekschrift. In afwijking van artikel 1344octies van het Gerechtelijk Wetboek is geen getuigschrift van woonplaats vereist voor de neerlegging van het verzoekschrift.
Bij gerechtsbrief geeft de griffier onverwijld kennis aan de persoon die beroep instelt tegen het bevel alsook aan de houder van het recht of de titel op het goed van de plaats, de dag en het uur van de zitting. Hij deelt eveneens de dag en het uur van de zitting mee aan de procureur des Konings die het bevel tot ontruiming heeft gegeven. Bij de gerechtsbrief wordt een afschrift van het verzoekschrift gevoegd.
De vrederechter doet uitspraak na de aanwezige partijen te hebben opgeroepen, ten einde hen te horen, alsook te hebben geprobeerd hen te verzoenen. Behoudens andersluidende bepaling verloopt de procedure zoals bepaald in artikel 1344octies van het Gerechtelijk Wetboek. De vrederechter doet uitspraak over de gegrondheid van het bevel tot ontruiming en het recht of de titel waarop men zich beroept. In de uitzonderlijke, ernstige omstandigheden onder meer bedoeld in artikel 1344decies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de vrederechter bij een met redenen omklede beslissing een langere termijn bepalen dan die waarin het bevel van de procureur des Konings voorziet. Wanneer de titel of het recht toebehoort aan een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon, mag deze termijn niet meer dan één maand bedragen. Wanneer de titel of het recht toebehoort aan een publiekrechtelijke rechtspersoon, mag deze termijn niet meer dan zes maanden bedragen.
De vrederechter spreekt zich binnen een termijn van tien dagen volgend op de zitting uit.
Tegen de beslissing van de vrederechter staat geen rechtsmiddel open.".
Art. 58. Dans la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l'occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d'autrui, à la place de l'article 12 annulé par l'arrêt n° 39/2020 de la Cour constitutionnelle, il est inséré un article 12 rédigé comme suit:
"Art. 12. § 1er. Dans les cas visés à l'article 442/1, § 1er, du Code pénal, le procureur du Roi peut, à la demande du détenteur d'un droit ou d'un titre sur le bien concerné, ordonner l'évacuation du bien concerné après autorisation du juge d'instruction, à l'égard des personnes trouvées dans le bien.
Le procureur du Roi adresse au juge d'instruction une demande motivée qui contient au moins les données suivantes:
1° une description du lieu concerné par la mesure et l'indication de l'adresse du bien qui fait l'objet de l'ordonnance;
2° tous les documents et renseignements desquels il ressort que le recours à ce moyen est nécessaire;
3° l'identité des occupants du bien concerné dans la mesure où celle-ci peut être retrouvée.
Il mentionne dans sa demande les circonstances susceptibles de justifier l'ordonnance d'évacuation.
Le juge d'instruction décide dans un délai de septante-deux heures maximum après réception de la demande. Le juge d'instruction peut rejeter la demande si elle est manifestement non fondée. Le juge d'instruction apprécie au moins la légalité et la proportionnalité de l'autorisation au regard des faits. Il entend les personnes qui se trouvent dans le bien et contre lesquelles une ordonnance d'évacuation est visée, sauf si cela n'est pas possible en raison des circonstances particulières de l'affaire. La décision du juge d'instruction est motivée. Cette décision n'est susceptible d'aucun recours.
Si le juge d'instruction accorde l'autorisation, le procureur du Roi prend l'ordonnance d'évacuation en la motivant et dans le respect de la présomption d'innocence. L'ordonnance implique l'évacuation dans un délai de huit jours à compter de la notification visée au paragraphe 2, alinéa 2, faite aux personnes qui se trouvent dans le bien.
Un procès-verbal de notification, constitué d'une copie de l'ordonnance et indiquant la date et l'heure de la notification, est dressé et joint au dossier.
§ 2. L'ordonnance du procureur du Roi est consignée par écrit et contient entre autres:
1° une description du lieu concerné par la mesure et l'indication de l'adresse du bien qui fait l'objet de l'ordonnance;
2° les faits et circonstances qui ont donné lieu à l'ordonnance;
3° les nom, prénoms et domicile du requérant et une indication du droit ou du titre dont celui-ci se prévaut à l'égard du bien concerné;
4° le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 5;
5° les sanctions qui pourront être imposées en cas de non-respect de cette ordonnance d'évacuation, notamment celles visées à l'article 442/1, § 2, du Code pénal;
6° la possibilité de recours et le délai dans lequel ledit recours doit être introduit.
Cette ordonnance est affichée à un endroit visible du bien concerné. Une copie de l'ordonnance est remise à titre de notification aux personnes qui se trouvent dans le bien concerné au moment de l'affichage. Une copie de l'ordonnance est transmise par le moyen de communication le plus approprié au chef de corps de la police locale de la zone de police au sein de laquelle se situe le bien concerné par l'ordonnance, ainsi qu'au détenteur du droit ou du titre sur le bien concerné et au Centre public d'action sociale compétent.
Le procureur du Roi se charge de l'exécution de l'ordonnance d'évacuation.
§ 3. Toute personne qui estime que ses droits sont lésés par l'ordonnance du procureur du Roi peut former un recours contre cette ordonnance par requête contradictoire motivée déposée au greffe de la justice de paix du canton où le bien concerné est situé dans un délai de huit jours à compter de la notification de l'ordonnance par affichage visible sur le bien à évacuer ou de la remise de sa copie, et ce, à peine de déchéance. Le recours est suspensif. L'ordonnance du procureur du Roi ne peut pas être exécutée tant que le délai pour introduire ce recours court toujours.
Ce recours n'est pas suspendu pendant une action publique fondée en tout ou en partie sur les mêmes faits.
§ 4. Dans les vingt-quatre heures du dépôt de la requête, le juge de paix fixe les date et heure de l'audience au cours de laquelle la cause peut être instruite. L'audience a lieu au plus tard dans les dix jours qui suivent le dépôt de la requête. Par dérogation à l'article 1344octies du Code judiciaire, un certificat de résidence n'est pas requis pour le dépôt de la requête.
Par pli judiciaire, le greffier notifie sans délai le lieu, les date et heure de l'audience à la personne qui forme un recours contre l'ordonnance ainsi qu'au détenteur d'un droit ou d'un titre sur le bien. Il communique également les jour et heure de l'audience au procureur du Roi qui a pris l'ordonnance d'évacuation. Une copie de la requête est jointe au pli judiciaire.
Le juge de paix statue après avoir convoqué les parties présentes afin de les entendre et après avoir tenté une conciliation entre elles. Sauf disposition contraire, la procédure se déroule comme déterminé à l'article 1344octies du Code judiciaire. Le juge de paix statue sur le bien-fondé de l'ordonnance d'évacuation et sur le droit ou le titre invoqué. En cas de circonstances exceptionnelles et graves visées notamment à l'article 1344decies, alinéa 1er, du Code judiciaire, le juge de paix peut, par décision motivée, fixer un délai plus long que le délai prévu dans l'ordonnance du procureur du Roi. Lorsque le titre ou le droit appartient à une personne physique ou une personne morale de droit privé, ce délai ne peut pas être supérieur à un mois. Lorsque le titre ou le droit appartient à une personne morale de droit public, ce délai ne peut pas être supérieur à six mois.
Le juge de paix se prononce au plus tard dans les dix jours qui suivent l'audience.
La décision du juge de paix n'est susceptible d'aucun recours.".
"Art. 12. § 1er. Dans les cas visés à l'article 442/1, § 1er, du Code pénal, le procureur du Roi peut, à la demande du détenteur d'un droit ou d'un titre sur le bien concerné, ordonner l'évacuation du bien concerné après autorisation du juge d'instruction, à l'égard des personnes trouvées dans le bien.
Le procureur du Roi adresse au juge d'instruction une demande motivée qui contient au moins les données suivantes:
1° une description du lieu concerné par la mesure et l'indication de l'adresse du bien qui fait l'objet de l'ordonnance;
2° tous les documents et renseignements desquels il ressort que le recours à ce moyen est nécessaire;
3° l'identité des occupants du bien concerné dans la mesure où celle-ci peut être retrouvée.
Il mentionne dans sa demande les circonstances susceptibles de justifier l'ordonnance d'évacuation.
Le juge d'instruction décide dans un délai de septante-deux heures maximum après réception de la demande. Le juge d'instruction peut rejeter la demande si elle est manifestement non fondée. Le juge d'instruction apprécie au moins la légalité et la proportionnalité de l'autorisation au regard des faits. Il entend les personnes qui se trouvent dans le bien et contre lesquelles une ordonnance d'évacuation est visée, sauf si cela n'est pas possible en raison des circonstances particulières de l'affaire. La décision du juge d'instruction est motivée. Cette décision n'est susceptible d'aucun recours.
Si le juge d'instruction accorde l'autorisation, le procureur du Roi prend l'ordonnance d'évacuation en la motivant et dans le respect de la présomption d'innocence. L'ordonnance implique l'évacuation dans un délai de huit jours à compter de la notification visée au paragraphe 2, alinéa 2, faite aux personnes qui se trouvent dans le bien.
Un procès-verbal de notification, constitué d'une copie de l'ordonnance et indiquant la date et l'heure de la notification, est dressé et joint au dossier.
§ 2. L'ordonnance du procureur du Roi est consignée par écrit et contient entre autres:
1° une description du lieu concerné par la mesure et l'indication de l'adresse du bien qui fait l'objet de l'ordonnance;
2° les faits et circonstances qui ont donné lieu à l'ordonnance;
3° les nom, prénoms et domicile du requérant et une indication du droit ou du titre dont celui-ci se prévaut à l'égard du bien concerné;
4° le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 5;
5° les sanctions qui pourront être imposées en cas de non-respect de cette ordonnance d'évacuation, notamment celles visées à l'article 442/1, § 2, du Code pénal;
6° la possibilité de recours et le délai dans lequel ledit recours doit être introduit.
Cette ordonnance est affichée à un endroit visible du bien concerné. Une copie de l'ordonnance est remise à titre de notification aux personnes qui se trouvent dans le bien concerné au moment de l'affichage. Une copie de l'ordonnance est transmise par le moyen de communication le plus approprié au chef de corps de la police locale de la zone de police au sein de laquelle se situe le bien concerné par l'ordonnance, ainsi qu'au détenteur du droit ou du titre sur le bien concerné et au Centre public d'action sociale compétent.
Le procureur du Roi se charge de l'exécution de l'ordonnance d'évacuation.
§ 3. Toute personne qui estime que ses droits sont lésés par l'ordonnance du procureur du Roi peut former un recours contre cette ordonnance par requête contradictoire motivée déposée au greffe de la justice de paix du canton où le bien concerné est situé dans un délai de huit jours à compter de la notification de l'ordonnance par affichage visible sur le bien à évacuer ou de la remise de sa copie, et ce, à peine de déchéance. Le recours est suspensif. L'ordonnance du procureur du Roi ne peut pas être exécutée tant que le délai pour introduire ce recours court toujours.
Ce recours n'est pas suspendu pendant une action publique fondée en tout ou en partie sur les mêmes faits.
§ 4. Dans les vingt-quatre heures du dépôt de la requête, le juge de paix fixe les date et heure de l'audience au cours de laquelle la cause peut être instruite. L'audience a lieu au plus tard dans les dix jours qui suivent le dépôt de la requête. Par dérogation à l'article 1344octies du Code judiciaire, un certificat de résidence n'est pas requis pour le dépôt de la requête.
Par pli judiciaire, le greffier notifie sans délai le lieu, les date et heure de l'audience à la personne qui forme un recours contre l'ordonnance ainsi qu'au détenteur d'un droit ou d'un titre sur le bien. Il communique également les jour et heure de l'audience au procureur du Roi qui a pris l'ordonnance d'évacuation. Une copie de la requête est jointe au pli judiciaire.
Le juge de paix statue après avoir convoqué les parties présentes afin de les entendre et après avoir tenté une conciliation entre elles. Sauf disposition contraire, la procédure se déroule comme déterminé à l'article 1344octies du Code judiciaire. Le juge de paix statue sur le bien-fondé de l'ordonnance d'évacuation et sur le droit ou le titre invoqué. En cas de circonstances exceptionnelles et graves visées notamment à l'article 1344decies, alinéa 1er, du Code judiciaire, le juge de paix peut, par décision motivée, fixer un délai plus long que le délai prévu dans l'ordonnance du procureur du Roi. Lorsque le titre ou le droit appartient à une personne physique ou une personne morale de droit privé, ce délai ne peut pas être supérieur à un mois. Lorsque le titre ou le droit appartient à une personne morale de droit public, ce délai ne peut pas être supérieur à six mois.
Le juge de paix se prononce au plus tard dans les dix jours qui suivent l'audience.
La décision du juge de paix n'est susceptible d'aucun recours.".
HOOFDSTUK 13. - Wijzigingen van de wet van 23 maart 2019 betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het statuut van het penitentiair personeel
CHAPITRE 13. - Modifications de la loi du 23 mars 2019 concernant l'organisation des services pénitentiaires et le statut du personnel pénitentiaire
Art. 59. In artikel 5 van de wet van 23 maart 2019 betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het statuut van het penitentiair personeel worden de volgende wijzingen aangebracht:
1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
"Bij de minister wordt een penitentiaire beleidsraad opgericht.";
2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° op voordracht van het College van het openbaar ministerie, een parketmagistraat per taalrol, waarvan minstens één behoort tot het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank;";
b) de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt:
"4° op voordracht van het College van de hoven en rechtbanken, een magistraat van de zetel per taalrol, waarvan minstens één behoort tot de strafuitvoeringsrechtbank;";
c) de bepaling onder 5° wordt vervangen als volgt:
"5° op respectievelijke voordracht van de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone, een advocaat per taalrol;";
d) de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt:
"6° op respectievelijke voordracht van de Raad van rectoren van de Franstalige universiteiten en de Vlaamse Interuniversitaire Raad, een vertegenwoordiger per taalrol van de academische wereld;";
e) de bepaling onder 8° wordt vervangen als volgt:
"8° op respectievelijke voordracht van de ministers van de gefedereerde entiteiten, bevoegd inzake de hulp- en dienstverlening aan de gedetineerden, een vertegenwoordiger per gefedereerde entiteit.";
f) het lid wordt aangevuld met een bepaling onder 9°, luidende:
"9° een vertegenwoordiger aangewezen door de minister van Justitie."
3° in paragraaf 2 wordt het tweede lid opgeheven;
4° in paragraaf 2 wordt het derde lid vervangen als volgt:
"De leden worden benoemd middels een koninklijk besluit voor een duur van vier jaar. Hun mandaat kan worden hernieuwd.".
1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
"Bij de minister wordt een penitentiaire beleidsraad opgericht.";
2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° op voordracht van het College van het openbaar ministerie, een parketmagistraat per taalrol, waarvan minstens één behoort tot het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank;";
b) de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt:
"4° op voordracht van het College van de hoven en rechtbanken, een magistraat van de zetel per taalrol, waarvan minstens één behoort tot de strafuitvoeringsrechtbank;";
c) de bepaling onder 5° wordt vervangen als volgt:
"5° op respectievelijke voordracht van de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone, een advocaat per taalrol;";
d) de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt:
"6° op respectievelijke voordracht van de Raad van rectoren van de Franstalige universiteiten en de Vlaamse Interuniversitaire Raad, een vertegenwoordiger per taalrol van de academische wereld;";
e) de bepaling onder 8° wordt vervangen als volgt:
"8° op respectievelijke voordracht van de ministers van de gefedereerde entiteiten, bevoegd inzake de hulp- en dienstverlening aan de gedetineerden, een vertegenwoordiger per gefedereerde entiteit.";
f) het lid wordt aangevuld met een bepaling onder 9°, luidende:
"9° een vertegenwoordiger aangewezen door de minister van Justitie."
3° in paragraaf 2 wordt het tweede lid opgeheven;
4° in paragraaf 2 wordt het derde lid vervangen als volgt:
"De leden worden benoemd middels een koninklijk besluit voor een duur van vier jaar. Hun mandaat kan worden hernieuwd.".
Art. 59. A l'article 5 de la loi du 23 mars 2019 concernant l'organisation des services pénitentiaires et le statut du personnel pénitentiaire, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit:
"Un conseil pénitentiaire est mis en place auprès du ministre.";
2° au paragraphe 2, alinéa 1er, les modifications suivantes sont apportées:
a) le 3° est remplacé par ce qui suit:
"3° sur proposition du Collège du ministère public, d'un magistrat du parquet par rôle linguistique, dont au moins un appartient au ministère public près le tribunal de l'application des peines;";
b) le 4° est remplacé par ce qui suit:
"4° sur proposition du Collège des cours et tribunaux, d'un magistrat par rôle linguistique dont au moins un appartient au tribunal de l'application des peines;";
c) le 5° est remplacé par ce qui suit:
"5° sur proposition respective de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone et de l'Ordre van Vlaamse Balies, d'un avocat par rôle linguistique;";
d) le 6° est remplacé par ce qui suit:
"6° sur proposition respective du Conseil des recteurs des Universités francophones et du Conseil interuniversitaire flamand, d'un représentant par rôle linguistique du monde académique;";
e) le 8° est remplacé par ce qui suit:
"8° un représentant par entité fédérée, sur proposition respective des ministres des entités fédérées compétents en matière d'aide sociale aux détenus.";
f) l'alinéa est complété par un 9° rédigé comme suit:
"9° un représentant désigné par le ministre de la Justice.";
3° au paragraphe 2, l'alinéa 2 est abrogé;
4° au paragraphe 2, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
"Les membres sont nommés par arrêté royal pour une période de quatre ans. Leur mandat est renouvelable.".
1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit:
"Un conseil pénitentiaire est mis en place auprès du ministre.";
2° au paragraphe 2, alinéa 1er, les modifications suivantes sont apportées:
a) le 3° est remplacé par ce qui suit:
"3° sur proposition du Collège du ministère public, d'un magistrat du parquet par rôle linguistique, dont au moins un appartient au ministère public près le tribunal de l'application des peines;";
b) le 4° est remplacé par ce qui suit:
"4° sur proposition du Collège des cours et tribunaux, d'un magistrat par rôle linguistique dont au moins un appartient au tribunal de l'application des peines;";
c) le 5° est remplacé par ce qui suit:
"5° sur proposition respective de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone et de l'Ordre van Vlaamse Balies, d'un avocat par rôle linguistique;";
d) le 6° est remplacé par ce qui suit:
"6° sur proposition respective du Conseil des recteurs des Universités francophones et du Conseil interuniversitaire flamand, d'un représentant par rôle linguistique du monde académique;";
e) le 8° est remplacé par ce qui suit:
"8° un représentant par entité fédérée, sur proposition respective des ministres des entités fédérées compétents en matière d'aide sociale aux détenus.";
f) l'alinéa est complété par un 9° rédigé comme suit:
"9° un représentant désigné par le ministre de la Justice.";
3° au paragraphe 2, l'alinéa 2 est abrogé;
4° au paragraphe 2, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
"Les membres sont nommés par arrêté royal pour une période de quatre ans. Leur mandat est renouvelable.".
Art. 60. Artikel 8 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 8. De Koning bepaalt de nadere regels voor de indiening van de kandidaturen en voor de benoeming van de leden van de penitentiaire beleidsraad.
De Koning bepaalt de regels inzake de werking van de penitentiaire beleidsraad alsmede de regels met betrekking tot de vergoedingen en de onkosten die van toepassing zijn op de leden van de penitentiaire beleidsraad.".
"Art. 8. De Koning bepaalt de nadere regels voor de indiening van de kandidaturen en voor de benoeming van de leden van de penitentiaire beleidsraad.
De Koning bepaalt de regels inzake de werking van de penitentiaire beleidsraad alsmede de regels met betrekking tot de vergoedingen en de onkosten die van toepassing zijn op de leden van de penitentiaire beleidsraad.".
Art. 60. L'article 8 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
"Art. 8. Le Roi détermine les modalités d'introduction des candidatures et de nomination des membres du conseil pénitentiaire.
Le Roi détermine les règles relatives au fonctionnement du conseil pénitentiaire ainsi que les règles relatives aux indemnités et aux frais applicables aux membres du conseil pénitentiaire.".
"Art. 8. Le Roi détermine les modalités d'introduction des candidatures et de nomination des membres du conseil pénitentiaire.
Le Roi détermine les règles relatives au fonctionnement du conseil pénitentiaire ainsi que les règles relatives aux indemnités et aux frais applicables aux membres du conseil pénitentiaire.".
HOOFDSTUK 14. - Bekrachtiging van een koninklijk besluit inzake kansspelen
CHAPITRE 14. - Confirmation d'un arrêté royal en matière de jeux de hasard
Art. 61. Het koninklijk besluit van 27 januari 2022 betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de Kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 en G2 voor het burgerlijk jaar 2022 wordt bekrachtigd met uitwerking op de dag van zijn inwerkingtreding.
Art. 61. L'arrêté royal du 27 janvier 2022 relatif à la contribution aux frais de fonctionnement, de personnel et d'installation de la Commission des jeux de hasard due par les titulaires de licence de classe A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 et G2 pour l'année civile 2022 est confirmé avec effet à la date de son entrée en vigueur.
HOOFDSTUK 15. - Wijzigingen van de wet van 30 juli 2022 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II
CHAPITRE 15. - Modifications de la loi du 30 juillet 2022 visant à rendre la justice plus humaine, plus rapide et plus ferme II
Art. 62. In artikel 20 van de wet van 30 juli 2022 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek wordt aangevuld met een opschrift, luidende "Akten of attesten van erfopvolging";
2° in artikel 4.59, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt in het eerste lid het woord "Al" vervangen door de woorden "Zonder afbreuk te doen aan de andere bewijsmiddelen, kan al", wordt het woord "kan" opgeheven en worden in het tweede lid de woorden "De langstlevende echtgenoot kan" vervangen door de woorden "Zonder afbreuk te doen aan de andere bewijsmiddelen, kan de langstlevende echtgenoot".
1° artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek wordt aangevuld met een opschrift, luidende "Akten of attesten van erfopvolging";
2° in artikel 4.59, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt in het eerste lid het woord "Al" vervangen door de woorden "Zonder afbreuk te doen aan de andere bewijsmiddelen, kan al", wordt het woord "kan" opgeheven en worden in het tweede lid de woorden "De langstlevende echtgenoot kan" vervangen door de woorden "Zonder afbreuk te doen aan de andere bewijsmiddelen, kan de langstlevende echtgenoot".
Art. 62. A l'article 20 de la loi du 30 juillet 2022 visant à rendre la justice plus humaine, plus rapide et plus ferme II, les modifications suivantes sont apportées:
1° à l'article 4.59 du Code civil, il est inséré un intitulé "Actes ou certificats d'hérédité";
2° à l'article 4.59, § 1er, du même Code, dans l'alinéa 1er, le mot "Toute" est remplacé par les mots "Sans préjudice des autres moyens de preuve, toute" et dans l'alinéa 2, les mots "Le conjoint" sont remplacés par les mots "Sans préjudice des autres moyens de preuve, le conjoint".
1° à l'article 4.59 du Code civil, il est inséré un intitulé "Actes ou certificats d'hérédité";
2° à l'article 4.59, § 1er, du même Code, dans l'alinéa 1er, le mot "Toute" est remplacé par les mots "Sans préjudice des autres moyens de preuve, toute" et dans l'alinéa 2, les mots "Le conjoint" sont remplacés par les mots "Sans préjudice des autres moyens de preuve, le conjoint".
Art. 63. Artikel 36 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 36. In artikel 43, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 23 april 2020 en 19 januari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "legatarissen of de begunstigden" worden vervangen door de woorden "legatarissen, de begunstigden";
2° de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" worden ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden "verschuldigd zijn";
3° het cijfer "4.59" wordt vervangen door de woorden "4.59, § 4, derde lid,";
4° de woorden "attest, of de begunstigden" worden vervangen door de woorden "attest, de begunstigden";
5° de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" worden ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden ", verschuldigde sommen".".
"Art. 36. In artikel 43, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 23 april 2020 en 19 januari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "legatarissen of de begunstigden" worden vervangen door de woorden "legatarissen, de begunstigden";
2° de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" worden ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden "verschuldigd zijn";
3° het cijfer "4.59" wordt vervangen door de woorden "4.59, § 4, derde lid,";
4° de woorden "attest, of de begunstigden" worden vervangen door de woorden "attest, de begunstigden";
5° de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" worden ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden ", verschuldigde sommen".".
Art. 63. L'article 36 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
"Art. 36. Dans l'article 43, § 1er, alinéa 1er, du même Code, modifié par les lois des 23 avril 2020 et 19 janvier 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots "légataires ou les bénéficiaires" sont remplacés par les mots "légataires, les bénéficiaires";
2° les mots "ou le conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "le de cujus" et les mots ", les notaires";
3° le chiffre "4.59" est remplacé par les mots "4.59, § 4, alinéa 3,";
4° les mots "certificat, ou les bénéficiaires" sont remplacés par les mots "certificat, les bénéficiaires";
5° les mots "ou le conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "le de cujus" et les mots ", et qui sont".".
"Art. 36. Dans l'article 43, § 1er, alinéa 1er, du même Code, modifié par les lois des 23 avril 2020 et 19 janvier 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots "légataires ou les bénéficiaires" sont remplacés par les mots "légataires, les bénéficiaires";
2° les mots "ou le conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "le de cujus" et les mots ", les notaires";
3° le chiffre "4.59" est remplacé par les mots "4.59, § 4, alinéa 3,";
4° les mots "certificat, ou les bénéficiaires" sont remplacés par les mots "certificat, les bénéficiaires";
5° les mots "ou le conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "le de cujus" et les mots ", et qui sont".".
Art. 64. In dezelfde wet wordt een artikel 36/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 36/1. In artikel 43, § 5, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 20 december 2021, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Het bericht vermeldt de identiteit van de erflater, van zijn erfgenamen of legatarissen, van de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling of van de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.".
"Art. 36/1. In artikel 43, § 5, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 20 december 2021, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Het bericht vermeldt de identiteit van de erflater, van zijn erfgenamen of legatarissen, van de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling of van de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.".
Art. 64. Dans la même loi, il est inséré un article 36/1 rédigé comme suit:
"Art. 36/1. Dans l'article 43, § 5, du même Code, modifié par la loi du 20 décembre 2021, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"L'avis mentionne l'identité du de cujus, de ses héritiers ou légataires, du bénéficiaire éventuel d'une institution contractuelle ou du conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil.".
"Art. 36/1. Dans l'article 43, § 5, du même Code, modifié par la loi du 20 décembre 2021, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"L'avis mentionne l'identité du de cujus, de ses héritiers ou légataires, du bénéficiaire éventuel d'une institution contractuelle ou du conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil.".
Art. 65. In artikel 38 van dezelfde wet worden de bepalingen onder 2° /1, 2° /2 en 2° /3 ingevoegd, luidende:
"2° /1 in het tweede lid, in de inleidende zin, worden de woorden "contractuele erfstelling of" vervangen door de woorden "contractuele erfstelling, de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek of";
2° /2 in het tweede lid, a), worden de woorden "legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling" vervangen door de woorden "legataris, de begunstigde van een contractuele erfstelling of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek";
2° /3 in het tweede lid, b), worden de woorden "contractuele erfstelling of" vervangen door de woorden "contractuele erfstelling, de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek of".
"2° /1 in het tweede lid, in de inleidende zin, worden de woorden "contractuele erfstelling of" vervangen door de woorden "contractuele erfstelling, de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek of";
2° /2 in het tweede lid, a), worden de woorden "legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling" vervangen door de woorden "legataris, de begunstigde van een contractuele erfstelling of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek";
2° /3 in het tweede lid, b), worden de woorden "contractuele erfstelling of" vervangen door de woorden "contractuele erfstelling, de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek of".
Art. 65. Dans l'article 38 de la même loi, sont insérés les 2° /1, 2° /2 et 2/3°, rédigés comme suit:
"2° /1 dans l'alinéa 2, dans la phrase introductive, les mots "institution contractuelle ou" sont remplacés par les mots "institution contractuelle, au conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil ou";
2° /2 dans l'alinéa 2, a), les mots "légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle" sont remplacés par les mots "légataire, bénéficiaire d'une institution contractuelle ou conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil"";
2/3° dans l'alinéa 2, b), les mots "institution contractuelle ou" sont remplacés par les mots "institution contractuelle, conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil ou".
"2° /1 dans l'alinéa 2, dans la phrase introductive, les mots "institution contractuelle ou" sont remplacés par les mots "institution contractuelle, au conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil ou";
2° /2 dans l'alinéa 2, a), les mots "légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle" sont remplacés par les mots "légataire, bénéficiaire d'une institution contractuelle ou conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil"";
2/3° dans l'alinéa 2, b), les mots "institution contractuelle ou" sont remplacés par les mots "institution contractuelle, conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil ou".
Art. 66. Artikel 55 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 55. In artikel 157, § 1, eerste lid, van de programmawet (I) van 29 maart 2012, vervangen bij de wet van 23 april 2020 en gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "legatarissen, of de begunstigden" worden vervangen door de woorden "legatarissen, de begunstigden";
2° de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" worden ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden ", zijn de notarissen";
3° het cijfer "4.59" wordt vervangen door de woorden "4.59, § 4, derde lid,";
4° de woorden "attest, of de begunstigden" worden vervangen door de woorden "attest, de begunstigden";
5° de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" worden ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden ", mits die schulden".
"Art. 55. In artikel 157, § 1, eerste lid, van de programmawet (I) van 29 maart 2012, vervangen bij de wet van 23 april 2020 en gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "legatarissen, of de begunstigden" worden vervangen door de woorden "legatarissen, de begunstigden";
2° de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" worden ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden ", zijn de notarissen";
3° het cijfer "4.59" wordt vervangen door de woorden "4.59, § 4, derde lid,";
4° de woorden "attest, of de begunstigden" worden vervangen door de woorden "attest, de begunstigden";
5° de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" worden ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden ", mits die schulden".
Art. 66. L'article 55 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
"Art. 55. Dans l'article 157, § 1er, alinéa 1er, de la loi-programme (I) du 29 mars 2012, remplacé par la loi du 23 avril 2020 et modifié par la loi du 19 janvier 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots "légataires ou les bénéficiaires" sont remplacés par les mots "légataires, les bénéficiaires";
2° les mots "ou le conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "le de cujus" et les mots ", les notaires";
3° le chiffre "4.59" est remplacé par les mots "4.59, § 4, alinéa 3,";
4° les mots "certificat, ou les bénéficiaires" sont remplacés par les mots "certificat, les bénéficiaires";
5° les mots "ou le conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "le de cujus" et les mots ", s'ils n'en avisent".
"Art. 55. Dans l'article 157, § 1er, alinéa 1er, de la loi-programme (I) du 29 mars 2012, remplacé par la loi du 23 avril 2020 et modifié par la loi du 19 janvier 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots "légataires ou les bénéficiaires" sont remplacés par les mots "légataires, les bénéficiaires";
2° les mots "ou le conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "le de cujus" et les mots ", les notaires";
3° le chiffre "4.59" est remplacé par les mots "4.59, § 4, alinéa 3,";
4° les mots "certificat, ou les bénéficiaires" sont remplacés par les mots "certificat, les bénéficiaires";
5° les mots "ou le conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "le de cujus" et les mots ", s'ils n'en avisent".
Art. 67. In dezelfde wet wordt een artikel 55/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 55/1. In artikel 157, § 5, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 23 april 2020, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Het bericht vermeldt de identiteit van de erflater, van zijn erfgenamen of legatarissen, van de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling of van de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.".
"Art. 55/1. In artikel 157, § 5, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 23 april 2020, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Het bericht vermeldt de identiteit van de erflater, van zijn erfgenamen of legatarissen, van de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling of van de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.".
Art. 67. Dans la même loi, il est inséré un article 55/1 rédigé comme suit:
"Art. 55/1. Dans l'article 157, § 5, de la même loi, remplacé par la loi du 23 avril 2020, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"L'avis mentionne l'identité du de cujus, de ses héritiers ou légataires, du bénéficiaire éventuel d'une institution contractuelle ou du conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil.".
"Art. 55/1. Dans l'article 157, § 5, de la même loi, remplacé par la loi du 23 avril 2020, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"L'avis mentionne l'identité du de cujus, de ses héritiers ou légataires, du bénéficiaire éventuel d'une institution contractuelle ou du conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil.".
Art. 68. In artikel 58 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de bepalingen onder 1° /1 en 1° /2 worden ingevoegd, luidende:
"1° /1 in paragraaf 2 worden de woorden "legataris of een begunstigde" vervangen door de woorden "legataris, een begunstigde";
1° /2 in paragraaf 2 worden de woorden ", aan de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden "of aan een gerechtsmandataris";";
b) de bepalingen onder 2° /1, 2° /2 en 2° /3 worden ingevoegd, luidende:
"2° /1 in paragraaf 2, a), worden de woorden "legataris of de begunstigde" vervangen door de woorden "legataris, de begunstigde";
2° /2 in paragraaf 2, a), worden de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden "bestaande schulden";
2° /3 in paragraaf 2, b), worden de woorden ", de langstlevende echtgenoot als bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden "of de gerechtsmandataris";".
a) de bepalingen onder 1° /1 en 1° /2 worden ingevoegd, luidende:
"1° /1 in paragraaf 2 worden de woorden "legataris of een begunstigde" vervangen door de woorden "legataris, een begunstigde";
1° /2 in paragraaf 2 worden de woorden ", aan de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden "of aan een gerechtsmandataris";";
b) de bepalingen onder 2° /1, 2° /2 en 2° /3 worden ingevoegd, luidende:
"2° /1 in paragraaf 2, a), worden de woorden "legataris of de begunstigde" vervangen door de woorden "legataris, de begunstigde";
2° /2 in paragraaf 2, a), worden de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden "bestaande schulden";
2° /3 in paragraaf 2, b), worden de woorden ", de langstlevende echtgenoot als bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden "of de gerechtsmandataris";".
Art. 68. Dans l'article 58 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
a) les 1° /1 et 1° /2 sont insérés, rédigés comme suit:
"1° /1 dans le paragraphe 2, les mots "légataire ou au bénéficiaire" sont remplacés par les mots "légataire, au bénéficiaire";
1° /2 dans le paragraphe 2, les mots ", au conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "institution contractuelle" et les mots "ou à un mandataire";";
b) les 2° /1, 2° /2 et 2° /3 sont insérés, rédigés comme suit:
"2° /1 dans le paragraphe 2, a), les mots "légataire ou bénéficiaire" sont remplacés par les mots "légataire, bénéficiaire";
2° /2 dans le paragraphe 2, a), les mots "ou conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "institution contractuelle" et les mots "ont été payées";
2° /3 dans le paragraphe 2, b), les mots ", conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "institution contractuelle" et les mots "ou mandataire judiciaire";".
a) les 1° /1 et 1° /2 sont insérés, rédigés comme suit:
"1° /1 dans le paragraphe 2, les mots "légataire ou au bénéficiaire" sont remplacés par les mots "légataire, au bénéficiaire";
1° /2 dans le paragraphe 2, les mots ", au conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "institution contractuelle" et les mots "ou à un mandataire";";
b) les 2° /1, 2° /2 et 2° /3 sont insérés, rédigés comme suit:
"2° /1 dans le paragraphe 2, a), les mots "légataire ou bénéficiaire" sont remplacés par les mots "légataire, bénéficiaire";
2° /2 dans le paragraphe 2, a), les mots "ou conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "institution contractuelle" et les mots "ont été payées";
2° /3 dans le paragraphe 2, b), les mots ", conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "institution contractuelle" et les mots "ou mandataire judiciaire";".
Art. 69. In artikel 61 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de bepalingen onder 1° /1, 1° /2 en 1° /3 worden ingevoegd, luidende:
"1° /1 in paragraaf 1, in de inleidende zin, worden de woorden "het attest, of door de" vervangen door de woorden "het attest, door de";
1° /2 in paragraaf 1 worden de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden ", indien zij";
1° /3 in paragraaf 4 wordt de eerste zin aangevuld met de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek";";
b) de bepalingen onder 4° /1 tot en met 4° /5 worden ingevoegd, luidende:
"4° /1 in paragraaf 7, tweede lid, in de inleidende zin, worden de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden ", indien deze";
4° /2 in paragraaf 7, tweede lid, 1°, worden de woorden "legataris of begunstigde" vervangen door de woorden "legataris, begunstigde";
4° /3 in paragraaf 7, tweede lid, 1°, worden de woorden "of langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden "bestaande schulden";
4° /4 in paragraaf 7, tweede lid, 2°, worden de woorden "legataris of de begunstigde" vervangen door de woorden "legataris, de begunstigde";
4° /5 in paragraaf 7, tweede lid, 2°, worden de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden "na de betaling";".
a) de bepalingen onder 1° /1, 1° /2 en 1° /3 worden ingevoegd, luidende:
"1° /1 in paragraaf 1, in de inleidende zin, worden de woorden "het attest, of door de" vervangen door de woorden "het attest, door de";
1° /2 in paragraaf 1 worden de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden ", indien zij";
1° /3 in paragraaf 4 wordt de eerste zin aangevuld met de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek";";
b) de bepalingen onder 4° /1 tot en met 4° /5 worden ingevoegd, luidende:
"4° /1 in paragraaf 7, tweede lid, in de inleidende zin, worden de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden ", indien deze";
4° /2 in paragraaf 7, tweede lid, 1°, worden de woorden "legataris of begunstigde" vervangen door de woorden "legataris, begunstigde";
4° /3 in paragraaf 7, tweede lid, 1°, worden de woorden "of langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden "bestaande schulden";
4° /4 in paragraaf 7, tweede lid, 2°, worden de woorden "legataris of de begunstigde" vervangen door de woorden "legataris, de begunstigde";
4° /5 in paragraaf 7, tweede lid, 2°, worden de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden "na de betaling";".
Art. 69. Dans l'article 61 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
a) les 1° /1, 1° /2 et 1° /3 sont insérés, rédigés comme suit:
"1° /1 dans le paragraphe 1er, dans la phrase introductive, les mots "certificat, ou les" sont remplacés par les mots "certificat, les";
1° /2 dans le paragraphe 1er, les mots "ou le conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "le de cujus" et les mots ", s'ils n'en avisent";
1° /3 dans le paragraphe 4, la première phrase est complétée par les mots "ou le conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil";";
b) les 4° /1 à 4° /5 sont insérés, rédigés comme suit:
"4° /1 dans le paragraphe 7, alinéa 2, dans la phrase introductive, les mots "ou au conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "le de cujus" et les mots "qui présente";
4° /2 dans le paragraphe 7, alinéa 2, 1°, les mots "légataire ou bénéficiaire" sont remplacés par les mots "légataire, bénéficiaire";
4° /3 dans le paragraphe 7, alinéa 2, 1°, les mots "ou conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "institution contractuelle" et les mots "ont été payées";
4° /4 dans le paragraphe 7, alinéa 2, 2°, les mots "légataire ou bénéficiaire" sont remplacés par les mots "légataire, bénéficiaire";
4° /5 dans le paragraphe 7, alinéa 2, 2°, les mots "ou conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "institution contractuelle" et les mots ", après paiement";".
a) les 1° /1, 1° /2 et 1° /3 sont insérés, rédigés comme suit:
"1° /1 dans le paragraphe 1er, dans la phrase introductive, les mots "certificat, ou les" sont remplacés par les mots "certificat, les";
1° /2 dans le paragraphe 1er, les mots "ou le conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "le de cujus" et les mots ", s'ils n'en avisent";
1° /3 dans le paragraphe 4, la première phrase est complétée par les mots "ou le conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil";";
b) les 4° /1 à 4° /5 sont insérés, rédigés comme suit:
"4° /1 dans le paragraphe 7, alinéa 2, dans la phrase introductive, les mots "ou au conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "le de cujus" et les mots "qui présente";
4° /2 dans le paragraphe 7, alinéa 2, 1°, les mots "légataire ou bénéficiaire" sont remplacés par les mots "légataire, bénéficiaire";
4° /3 dans le paragraphe 7, alinéa 2, 1°, les mots "ou conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "institution contractuelle" et les mots "ont été payées";
4° /4 dans le paragraphe 7, alinéa 2, 2°, les mots "légataire ou bénéficiaire" sont remplacés par les mots "légataire, bénéficiaire";
4° /5 dans le paragraphe 7, alinéa 2, 2°, les mots "ou conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "institution contractuelle" et les mots ", après paiement";".
Art. 70. In artikel 62 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de bepalingen onder 1° /1 tot en met 1° /4 worden ingevoegd, luidende:
"1° /1 in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "het attest, of van de begunstigden" vervangen door de woorden "het attest, van de begunstigden";
1° /2 in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "of van de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "heeft ingestemd" en de woorden ", indien zij";
1° /3 in paragraaf 1, wordt het vijfde lid aangevuld met de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek";";
1° /4 in de inleidende zin van de Franse tekst, worden de woorden "du 27 juin 1967" vervangen door de woorden "du 27 juillet 1967";";
b) de bepalingen onder 4° /1 en 4° /2 worden ingevoegd, luidende:
"4° /1 in paragraaf 4, tweede lid, in de inleidende zin, worden de woorden "legataris of de begunstigde" vervangen door de woorden "legataris, de begunstigde";
4° /2 in paragraaf 4, tweede lid, in de inleidende zin, worden de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden "die de akte";";
c) de bepalingen onder 5° /1 tot en met 5° /4 worden ingevoegd, luidende:
"5° /1 in paragraaf 4, tweede lid, 1°, worden de woorden "legataris of de begunstigde" vervangen door de woorden "legataris, de begunstigde";
5° /2 in paragraaf 4, tweede lid, 1°, worden de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden "bestaande schulden";
5° /3 in paragraaf 4, tweede lid, 2°, worden de woorden "legataris of de begunstigde" vervangen door de woorden "legataris, de begunstigde";
5° /4 in paragraaf 4, tweede lid, 2°, worden de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden "na betaling";".
a) de bepalingen onder 1° /1 tot en met 1° /4 worden ingevoegd, luidende:
"1° /1 in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "het attest, of van de begunstigden" vervangen door de woorden "het attest, van de begunstigden";
1° /2 in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "of van de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "heeft ingestemd" en de woorden ", indien zij";
1° /3 in paragraaf 1, wordt het vijfde lid aangevuld met de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek";";
1° /4 in de inleidende zin van de Franse tekst, worden de woorden "du 27 juin 1967" vervangen door de woorden "du 27 juillet 1967";";
b) de bepalingen onder 4° /1 en 4° /2 worden ingevoegd, luidende:
"4° /1 in paragraaf 4, tweede lid, in de inleidende zin, worden de woorden "legataris of de begunstigde" vervangen door de woorden "legataris, de begunstigde";
4° /2 in paragraaf 4, tweede lid, in de inleidende zin, worden de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden "die de akte";";
c) de bepalingen onder 5° /1 tot en met 5° /4 worden ingevoegd, luidende:
"5° /1 in paragraaf 4, tweede lid, 1°, worden de woorden "legataris of de begunstigde" vervangen door de woorden "legataris, de begunstigde";
5° /2 in paragraaf 4, tweede lid, 1°, worden de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden "bestaande schulden";
5° /3 in paragraaf 4, tweede lid, 2°, worden de woorden "legataris of de begunstigde" vervangen door de woorden "legataris, de begunstigde";
5° /4 in paragraaf 4, tweede lid, 2°, worden de woorden "of de langstlevende echtgenoot bedoeld in artikel 4.59, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek" ingevoegd tussen de woorden "contractuele erfstelling" en de woorden "na betaling";".
Art. 70. Dans l'article 62 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
a) les 1° /1 à 1° /4 sont insérés, rédigés comme suit:
"1° /1 dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "certificat, ou des" sont remplacés par les mots "certificat, des";
1° /2 dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "ou du conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "par le défunt" et les mots "s'ils n'en avisent";
1° /3 dans le paragraphe 1er, l'alinéa 5 est complété par les mots "ou du conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil";";
1° /4 dans la phrase introductive, les mots "du 27 juin 1967" sont remplacés par les mots "du 27 juillet 1967";";
b) les 4° /1 et 4° /2 sont insérés, rédigés comme suit:
"4° /1 dans le paragraphe 4, alinéa 2, dans la phrase introductive, les mots "légataire ou bénéficiaire" sont remplacés par les mots "légataire, bénéficiaire";
4° /2 dans le paragraphe 4, alinéa 2, dans la phrase introductive, les mots "ou au conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "institution contractuelle" et les mots "qui présente";";
c) les 5° /1 à 5° /4 sont insérés, rédigés comme suit:
"5° /1 dans le paragraphe 4, alinéa 2, 1°, les mots "légataire ou bénéficiaire" sont remplacés par les mots "légataire, bénéficiaire";
5° /2 dans le paragraphe 4, alinéa 2, 1°, les mots "ou conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "institution contractuelle" et les mots "ont été payées";
5° /3 dans le paragraphe 4, alinéa 2, 2°, les mots "légataire ou bénéficiaire" sont remplacés par les mots "légataire, bénéficiaire";
5° /4 dans le paragraphe 4, alinéa 2, 2°, les mots "ou conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "institution contractuelle" et les mots ", après paiement";".
a) les 1° /1 à 1° /4 sont insérés, rédigés comme suit:
"1° /1 dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "certificat, ou des" sont remplacés par les mots "certificat, des";
1° /2 dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "ou du conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "par le défunt" et les mots "s'ils n'en avisent";
1° /3 dans le paragraphe 1er, l'alinéa 5 est complété par les mots "ou du conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil";";
1° /4 dans la phrase introductive, les mots "du 27 juin 1967" sont remplacés par les mots "du 27 juillet 1967";";
b) les 4° /1 et 4° /2 sont insérés, rédigés comme suit:
"4° /1 dans le paragraphe 4, alinéa 2, dans la phrase introductive, les mots "légataire ou bénéficiaire" sont remplacés par les mots "légataire, bénéficiaire";
4° /2 dans le paragraphe 4, alinéa 2, dans la phrase introductive, les mots "ou au conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "institution contractuelle" et les mots "qui présente";";
c) les 5° /1 à 5° /4 sont insérés, rédigés comme suit:
"5° /1 dans le paragraphe 4, alinéa 2, 1°, les mots "légataire ou bénéficiaire" sont remplacés par les mots "légataire, bénéficiaire";
5° /2 dans le paragraphe 4, alinéa 2, 1°, les mots "ou conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "institution contractuelle" et les mots "ont été payées";
5° /3 dans le paragraphe 4, alinéa 2, 2°, les mots "légataire ou bénéficiaire" sont remplacés par les mots "légataire, bénéficiaire";
5° /4 dans le paragraphe 4, alinéa 2, 2°, les mots "ou conjoint survivant visé à l'article 4.59, § 1er, alinéa 2, du Code civil" sont insérés entre les mots "institution contractuelle" et les mots ", après paiement";".
Art. 71. Artikel 70 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 70. Hoofdstuk 6 van deze wet treedt in werking op 1 november 2022 met uitzondering van:
1° de artikelen 24 en 29 die in werking treden op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad;
2° de artikelen 19, 20, 21, 22, 23 en 25 die in werking treden op de door de Koning bepaalde datum en uiterlijk op 1 april 2023.
De hoofdstukken 9, 12 en 14 van deze wet treden in werking op de door de Koning bepaalde datum en uiterlijk op 1 april 2023.".
"Art. 70. Hoofdstuk 6 van deze wet treedt in werking op 1 november 2022 met uitzondering van:
1° de artikelen 24 en 29 die in werking treden op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad;
2° de artikelen 19, 20, 21, 22, 23 en 25 die in werking treden op de door de Koning bepaalde datum en uiterlijk op 1 april 2023.
De hoofdstukken 9, 12 en 14 van deze wet treden in werking op de door de Koning bepaalde datum en uiterlijk op 1 april 2023.".
Art. 71. L'article 70 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
"Art. 70. Le chapitre 6 de la présente loi entre en vigueur le 1er novembre 2022, à l'exception:
1° des articles 24 et 29 qui entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge;
2° des articles 19, 20, 21, 22, 23 et 25 qui entrent en vigueur à la date déterminée par le Roi et au plus tard le 1er avril 2023.
Les chapitres 9, 12 et 14 de la présente loi entrent en vigueur à la date déterminée par le Roi et au plus tard le 1er avril 2023.".
"Art. 70. Le chapitre 6 de la présente loi entre en vigueur le 1er novembre 2022, à l'exception:
1° des articles 24 et 29 qui entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge;
2° des articles 19, 20, 21, 22, 23 et 25 qui entrent en vigueur à la date déterminée par le Roi et au plus tard le 1er avril 2023.
Les chapitres 9, 12 et 14 de la présente loi entrent en vigueur à la date déterminée par le Roi et au plus tard le 1er avril 2023.".
HOOFDSTUK 16. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 16. - Dispositions transitoires
Art. 72. De bij ministerieel besluit van 25 februari 2020 benoemde assessoren van de commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling van de Federale bemiddelingscommissie beëindigen hun mandaat op 6 maart 2024. Hun mandaten kunnen slechts eenmaal worden verlengd volgens de door de Koning bepaalde procedure.
Art. 72. Les assesseurs de la commission disciplinaire et de traitement des plaintes de la Commission fédérale de médiation, nommés par arrêté ministériel du 25 février 2020 terminent leur mandat le 6 mars 2024. Leurs mandats ne peuvent être renouvelés qu'une seule fois selon la procédure prévue par le Roi.
Art. 73. De mandaten van de leden van het bureau van de Federale bemiddelingscommissie die zijn benoemd bij de ministeriële besluiten van 24 mei 2019, 15 oktober 2019, 7 december 2020 en 4 april 2022, worden verlengd tot 20 december 2023.
Art. 73. Les mandats des membres du bureau de la commission fédérale de médiation nommés par arrêtés ministériels des 24 mai 2019, 15 octobre 2019, 7 décembre 2020 et 4 avril 2022 sont prolongés jusqu'au 20 décembre 2023.
HOOFDSTUK 17. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 17. - Entrée en vigueur
Art. 74. De artikelen 33 en 34 hebben uitwerking met ingang van 1 december 2022.
Hoofdstuk 15. treedt in werking op de door de Koning bepaalde datum en uiterlijk op 1 april 2023.
In afwijking van het tweede lid heeft artikel 71 uitwerking met ingang van 31 oktober 2022.
Hoofdstuk 15. treedt in werking op de door de Koning bepaalde datum en uiterlijk op 1 april 2023.
In afwijking van het tweede lid heeft artikel 71 uitwerking met ingang van 31 oktober 2022.
Art. 74. Les articles 33 et 34 produisent leurs effets le 1er décembre 2022.
Le chapitre 15 entre en vigueur à la date déterminée par le Roi et au plus tard le 1er avril 2023.
Par dérogation à l'alinéa 2, l'article 71 produit ses effets le 31 octobre 2022.
Le chapitre 15 entre en vigueur à la date déterminée par le Roi et au plus tard le 1er avril 2023.
Par dérogation à l'alinéa 2, l'article 71 produit ses effets le 31 octobre 2022.