Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de volgende richtlijnen:
1° richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de Richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de Raad;
2° gedelegeerde richtlijn (EU) 2020/12 van de Commissie van 2 augustus 2019 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft normen betreffende competenties en de overeenkomstige kennis en vaardigheden voor praktijkexamens, de goedkeuring van simulatoren en medische geschiktheid.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
6 MEI 2022. - Besluit van de Vlaamse Regering over de beroepscompetenties voor binnenvaartpersoneel(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 07-09-2022 en tekstbijwerking tot 24-10-2025)
Titre
6 MAI 2022. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif aux compétences professionnelles du personnel de la navigation intérieure(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 07-09-2022 et mise à jour au 24-10-2025)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen
HOOFDSTUK 2. - Kwalificatiecertificaten en spec...
HOOFDSTUK 3. - Certificering van beroepskwalifi...
Afdeling 1. - Procedure om kwalificatiecertific...
Afdeling 2. - Competenties
Afdeling 3. - Vaartijd en medische geschiktheid
Afdeling 4. [1 - Retributies]1
HOOFDSTUK 4. - Administratieve bepalingen
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
BIJLAGEN.
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Dispositions introductives
CHAPITRE 2. - Certificats de qualification et a...
CHAPITRE 3. - Certification des qualifications ...
Section 1. - Procédure de délivrance des certif...
Section 2. - Compétences
Section 3. - Temps de navigation et aptitude mé...
Section 4. [1 - Rétributions]1
CHAPITRE 4. - Dispositions administratives
CHAPITRE 5. - Dispositions modificatives
CHAPITRE 6. - Dispositions finales
ANNEXES.
Tekst (79)
Texte (79)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions introductives
Article 1er. Le présent arrêté transpose partiellement les directives suivantes :
1° la directive (UE) 2017/2397 du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2017 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles dans le domaine de la navigation intérieure et abrogeant les directives du Conseil 91/672/CEE et 96/50/CE;
2° la directive déléguée (UE) 2020/12 de la Commission du 2 août 2019 complétant la directive (UE) 2017/2397 du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne les normes relatives aux compétences et aux connaissances et aptitudes correspondantes, aux épreuves pratiques, à l'agrément de simulateurs et à l'aptitude médicale.
1° la directive (UE) 2017/2397 du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2017 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles dans le domaine de la navigation intérieure et abrogeant les directives du Conseil 91/672/CEE et 96/50/CE;
2° la directive déléguée (UE) 2020/12 de la Commission du 2 août 2019 complétant la directive (UE) 2017/2397 du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne les normes relatives aux compétences et aux connaissances et aptitudes correspondantes, aux épreuves pratiques, à l'agrément de simulateurs et à l'aptitude médicale.
Art. 2. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG;
2° binnenwater: een waterweg die bevaarbaar is voor de vaartuigen, vermeld in artikel 3, met uitzondering van de zee;
3° breedte: de grootste breedte van de scheepsromp in meters, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating, met uitzondering van de schoepraderen, schuurlijst en dergelijke;
4° certificaat van radio-operator: een nationaal certificaat dat is afgegeven door een lidstaat in overeenstemming met het radioreglement dat is gehecht aan het Internationaal Verdrag betreffende de telecommunicatie, waarbij machtiging wordt verleend voor de exploitatie van een radiocommunicatiestation op een vaartuig voor de binnenwaterwegen;
5° competentie: het bewezen vermogen om de kennis en vaardigheden te gebruiken die de normen voorschrijven om de taken die nodig zijn voor het besturen van binnenvaartuigen, goed uit te voeren;
6° De Vlaamse Waterweg nv: het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht, vermeld in artikel 3 van het decreet van 2 april 2004 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht;
7° dekbemanningsleden: de personen die betrokken zijn bij de algemene bediening van een vaartuig dat de binnenwateren van de Europese Unie bevaart en die verschillende taken uitvoeren, zoals taken in verband met het besturen van het vaartuig, de beheersing van het vaartuig, ladingsbehandeling, het stouwen, het vervoer van passagiers, scheepswerktuigbouwkundige aspecten, het onderhoud en de reparatie, de communicatie, de gezondheid, de veiligheid en de milieubescherming, met uitzondering van de personen die uitsluitend worden ingezet voor de bediening van de motoren, kranen, of elektrische en elektronische uitrusting;
8° deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas: een persoon die gekwalificeerd is om actief te zijn bij de bunkeringsprocedure van schepen die op vloeibaar aardgas varen of om als schipper een dergelijk vaartuig te besturen;
9° deskundige voor de passagiersvaart: een persoon die dienst doet aan boord van het schip en bevoegd is om aan boord van passagiersschepen maatregelen te nemen in noodsituaties;
10° dienstboekje: een persoonlijk register waarin de gegevens over het arbeidsverleden van een bemanningslid staan genoteerd, namelijk de vaartijden en de gemaakte reizen;
11° drijvend werktuig: een drijvende inrichting waarop zich werkinstallaties bevinden, zoals kranen, baggerwerktuigen, hei-installaties of elevatoren;
12° Europese bemanningsdatabank, afgekort ECDB: de gegevensbank die de Europese Commissie beheert conform artikel 25, lid 2, van de richtlijn;
13° Europese scheepsrompendatabank, afgekort EHDB: de gegevensbank die de Europese Commissie beheert conform artikel 25, lid 2, van de richtlijn;
14° kwalificatiecertificaat van de Unie: een door een bevoegde autoriteit afgegeven certificaat waarin wordt verklaard dat een persoon aan de voorschriften van de richtlijn voldoet;
15° lengte: de grootste lengte van de scheepsromp in meters, het roer en de boegspriet niet inbegrepen;
16° lidstaat: een staat waarop de richtlijn van toepassing is;
17° managementniveau: de mate van verantwoordelijkheid die samenhangt met het werk als schipper en waarborgt dat alle andere dekbemanningsleden alle taken bij de bediening van een vaartuig goed uitvoeren;
18° minister: Vlaamse minister bevoegd voor de waterinfrastructuur en het waterbeleid;
19° operationeel niveau: de mate van verantwoordelijkheid die samenhangt met het werk als matroos, als volmatroos of als stuurman en het onder controle houden van de uitvoering van alle taken binnen het kader van zijn verantwoordelijkheid, overeenkomstig passende procedures en onder leiding van een persoon die op managementniveau werkt;
20° passagiersschip: een schip dat is gebouwd en ingericht voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;
21° Permanente Commissie van Toezicht op de Scheldevaart: de commissie zoals bedoeld in artikel 4 van Verdrag tussen het Vlaams Gewest en het Koninkrijk der Nederlanden inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied van 21 december 2005;
22° richtlijn: richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de Richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de Raad;
23° schip: een binnenschip of een zeeschip;
24° schipper: een dekbemanningslid dat gekwalificeerd is om een vaartuig op de binnenwateren van de lidstaten te besturen en om aan boord de algemene verantwoordelijkheid te dragen, ook voor de bemanning, de passagiers en de lading;
25° sleepboot: een schip dat speciaal is gebouwd om te slepen;
26° specifiek risico: een veiligheidsrisico als gevolg van bijzondere navigatie-omstandigheden waarvoor schippers competenties moeten hebben die verder gaan dan wat in het kader van de algemene normen voor managementcompetenties wordt verwacht;
27° vaartijd: de tijd, uitgedrukt in dagen, die dekbemanningsleden aan boord hebben doorgebracht tijdens een reis met een vaartuig op binnenwateren die een bevoegde autoriteit heeft gevalideerd, met inbegrip van laad- en losactiviteiten die actieve scheepvaartoperaties vereisen;
28° vaartijdenboek: een officiële registratie van de reizen die een vaartuig en zijn bemanning hebben gemaakt;
29° vaartuig: een schip of een drijvend werktuig.
30° ES-TRIN 2021/1: Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, editie 2021/1, welke kan worden geraadpleegd op de volgende website: https://www.cesni.eu/wp-content/uploads/2020/10/ES_TRIN_2021_nl.pdf
1° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG;
2° binnenwater: een waterweg die bevaarbaar is voor de vaartuigen, vermeld in artikel 3, met uitzondering van de zee;
3° breedte: de grootste breedte van de scheepsromp in meters, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating, met uitzondering van de schoepraderen, schuurlijst en dergelijke;
4° certificaat van radio-operator: een nationaal certificaat dat is afgegeven door een lidstaat in overeenstemming met het radioreglement dat is gehecht aan het Internationaal Verdrag betreffende de telecommunicatie, waarbij machtiging wordt verleend voor de exploitatie van een radiocommunicatiestation op een vaartuig voor de binnenwaterwegen;
5° competentie: het bewezen vermogen om de kennis en vaardigheden te gebruiken die de normen voorschrijven om de taken die nodig zijn voor het besturen van binnenvaartuigen, goed uit te voeren;
6° De Vlaamse Waterweg nv: het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht, vermeld in artikel 3 van het decreet van 2 april 2004 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht;
7° dekbemanningsleden: de personen die betrokken zijn bij de algemene bediening van een vaartuig dat de binnenwateren van de Europese Unie bevaart en die verschillende taken uitvoeren, zoals taken in verband met het besturen van het vaartuig, de beheersing van het vaartuig, ladingsbehandeling, het stouwen, het vervoer van passagiers, scheepswerktuigbouwkundige aspecten, het onderhoud en de reparatie, de communicatie, de gezondheid, de veiligheid en de milieubescherming, met uitzondering van de personen die uitsluitend worden ingezet voor de bediening van de motoren, kranen, of elektrische en elektronische uitrusting;
8° deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas: een persoon die gekwalificeerd is om actief te zijn bij de bunkeringsprocedure van schepen die op vloeibaar aardgas varen of om als schipper een dergelijk vaartuig te besturen;
9° deskundige voor de passagiersvaart: een persoon die dienst doet aan boord van het schip en bevoegd is om aan boord van passagiersschepen maatregelen te nemen in noodsituaties;
10° dienstboekje: een persoonlijk register waarin de gegevens over het arbeidsverleden van een bemanningslid staan genoteerd, namelijk de vaartijden en de gemaakte reizen;
11° drijvend werktuig: een drijvende inrichting waarop zich werkinstallaties bevinden, zoals kranen, baggerwerktuigen, hei-installaties of elevatoren;
12° Europese bemanningsdatabank, afgekort ECDB: de gegevensbank die de Europese Commissie beheert conform artikel 25, lid 2, van de richtlijn;
13° Europese scheepsrompendatabank, afgekort EHDB: de gegevensbank die de Europese Commissie beheert conform artikel 25, lid 2, van de richtlijn;
14° kwalificatiecertificaat van de Unie: een door een bevoegde autoriteit afgegeven certificaat waarin wordt verklaard dat een persoon aan de voorschriften van de richtlijn voldoet;
15° lengte: de grootste lengte van de scheepsromp in meters, het roer en de boegspriet niet inbegrepen;
16° lidstaat: een staat waarop de richtlijn van toepassing is;
17° managementniveau: de mate van verantwoordelijkheid die samenhangt met het werk als schipper en waarborgt dat alle andere dekbemanningsleden alle taken bij de bediening van een vaartuig goed uitvoeren;
18° minister: Vlaamse minister bevoegd voor de waterinfrastructuur en het waterbeleid;
19° operationeel niveau: de mate van verantwoordelijkheid die samenhangt met het werk als matroos, als volmatroos of als stuurman en het onder controle houden van de uitvoering van alle taken binnen het kader van zijn verantwoordelijkheid, overeenkomstig passende procedures en onder leiding van een persoon die op managementniveau werkt;
20° passagiersschip: een schip dat is gebouwd en ingericht voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;
21° Permanente Commissie van Toezicht op de Scheldevaart: de commissie zoals bedoeld in artikel 4 van Verdrag tussen het Vlaams Gewest en het Koninkrijk der Nederlanden inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied van 21 december 2005;
22° richtlijn: richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de Richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de Raad;
23° schip: een binnenschip of een zeeschip;
24° schipper: een dekbemanningslid dat gekwalificeerd is om een vaartuig op de binnenwateren van de lidstaten te besturen en om aan boord de algemene verantwoordelijkheid te dragen, ook voor de bemanning, de passagiers en de lading;
25° sleepboot: een schip dat speciaal is gebouwd om te slepen;
26° specifiek risico: een veiligheidsrisico als gevolg van bijzondere navigatie-omstandigheden waarvoor schippers competenties moeten hebben die verder gaan dan wat in het kader van de algemene normen voor managementcompetenties wordt verwacht;
27° vaartijd: de tijd, uitgedrukt in dagen, die dekbemanningsleden aan boord hebben doorgebracht tijdens een reis met een vaartuig op binnenwateren die een bevoegde autoriteit heeft gevalideerd, met inbegrip van laad- en losactiviteiten die actieve scheepvaartoperaties vereisen;
28° vaartijdenboek: een officiële registratie van de reizen die een vaartuig en zijn bemanning hebben gemaakt;
29° vaartuig: een schip of een drijvend werktuig.
30° ES-TRIN 2021/1: Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, editie 2021/1, welke kan worden geraadpleegd op de volgende website: https://www.cesni.eu/wp-content/uploads/2020/10/ES_TRIN_2021_nl.pdf
Art. 2. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE ;
2° voie d'eau intérieure : toute voie de navigation, autre que la mer, ouverte aux bâtiments visés à l'article 3 ;
3° largeur: la largeur maximale de la coque en mètres, mesurée à l'extérieur du bordé, à l'exception des roues à aubes, bourrelet de défense ou analogues ;
4° certificat d'opérateur de radiotéléphonie : un certificat national, délivré par un Etat membre conformément au règlement des radiocommunications annexé à la Convention internationale des télécommunications, autorisant l'exploitation d'une station de radiotéléphonie sur un bâtiment de navigation intérieure ;
5° compétence : la capacité avérée d'utiliser les connaissances et aptitudes requises par les normes établies aux fins de la bonne exécution des tâches nécessaires à l'exploitation des bâtiments de navigation intérieure ;
6° De Vlaamse Waterweg nv : l'agence autonomisée externe de droit public De Vlaamse Waterweg nv, société anonyme de droit public, visée à l'article 3 du décret du 2 avril 2004 relatif à l'agence autonomisée externe de droit public De Vlaamse Waterweg SA, société anonyme de droit public ;
7° membres d'équipage de pont : les personnes qui participent à l'exploitation générale d'un bâtiment naviguant sur les voies d'eau intérieures de l'Union et qui effectuent des tâches diverses telles que des tâches liées à la navigation, au contrôle de l'exploitation du bâtiment, à la manutention de cargaison, à l'arrimage, au transport de passagers, à la mécanique navale, à l'entretien et à la réparation, à la communication, à la santé et à la sécurité, et à la protection de l'environnement, autres que les personnes exclusivement affectées au fonctionnement des moteurs, des grues et des équipements électriques et électroniques ;
8° expert en matière de gaz naturel liquéfié : une personne qui est qualifiée pour intervenir dans la procédure d'avitaillement d'un bâtiment propulsé au gaz naturel liquéfié ou pour être le conducteur d'un tel bâtiment ;
9° expert en matière de navigation avec passagers : une personne travaillant à bord du bateau qui est qualifiée pour prendre des mesures dans les situations d'urgence à bord de bateaux à passagers ;
10° livret de service : un registre personnel détaillant les antécédents professionnels d'un membre d'équipage, notamment le temps de navigation et les trajets effectués ;
11° engin flottant : une construction flottante portant des installations destinées à travailler, telles que grues, dragues, sonnettes ou élévateurs ;
12° base de données européenne des équipages, abrégée en ECDB : la base de données gérée par la Commission européenne conformément à l'article 25, paragraphe 2, de la directive ;
13° base de données européenne sur les bateaux de navigation intérieure, en abrégé EHDB : la base de données gérée par la Commission européenne conformément à l'article 25, paragraphe 2, de la directive ;
14° certificat de qualification de l'Union : un certificat délivré par une autorité compétente attestant qu'une personne respecte les exigences de la directive ;
15° longueur : la longueur maximale de la coque en mètres, gouvernail et beaupré non compris ;
16° Etat membre : un Etat auquel la directive s'applique ;
17° niveau du commandement : le niveau de responsabilité consistant à travailler comme conducteur de bateau et à veiller à ce que les autres membres d'équipage de pont exécutent correctement l'ensemble des tâches inhérentes à l'exploitation d'un bâtiment ;
18° ministre : le ministre flamand ayant l'infrastructure hydraulique et la politique de l'eau dans ses attributions ;
19° niveau opérationnel : le niveau de responsabilité consistant à travailler comme matelot, comme maître matelot ou comme timonier et à contrôler en permanence l'accomplissement de l'ensemble des tâches relevant de son domaine de compétence conformément aux procédures appropriées et sous la direction d'une personne exerçant des fonctions au niveau du commandement ;
20° bateau à passagers : un bateau construit et aménagé pour le transport de plus de douze passagers ;
21° Commission permanente de Surveillance sur la Navigation sur l'Escaut : la commission telle que visée à l'article 4 du Traité entre la Région flamande et le Royaume des Pays-Bas relatif à la gestion nautique commune dans le bassin de l'Escaut du 21 décembre 2005 ;
22° directive : la directive (UE) 2017/2397 du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2017 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles dans le domaine de la navigation intérieure et abrogeant les directives du Conseil 91/672/CEE et 96/50/CE ;
23° bateau : un bateau de navigation intérieure ou un navire de mer ;
24° conducteur de bateau ou conducteur : un membre d'équipage de pont qui est qualifié pour faire naviguer un bâtiment sur les voies d'eau intérieures des Etats membres et qui est qualifié pour exercer la pleine responsabilité à bord, y compris en ce qui concerne l'équipage, les passagers et la cargaison ;
25° remorqueur : un bateau spécialement construit pour effectuer le remorquage ;
26° risque spécifique : un danger pour la sécurité en raison de conditions de navigation particulières qui exigent de la part des conducteurs des compétences dépassant le niveau attendu d'après les normes générales de compétence relatives au niveau du commandement ;
27° temps de navigation : le temps, mesuré en jours, passé à bord par les membres d'équipage de pont au cours d'un trajet effectué sur un bâtiment de navigation intérieure, y compris lors des activités de chargement et de déchargement nécessitant des opérations de navigation active, qui a été validé par l'autorité compétente ;
28° livre de bord : un registre officiel des trajets effectués par un bâtiment et son équipage ;
29° bâtiment : un bateau ou un engin flottant.
30° ES-TRIN 2021/1 : standard européen établissant les prescriptions techniques des bateaux de navigation intérieure, édition 2021/1, disponible sur le site internet suivant : https://www.cesni.eu/wp-content/uploads/2020/10/ES_TRIN_2021_fr.pdf
1° règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE ;
2° voie d'eau intérieure : toute voie de navigation, autre que la mer, ouverte aux bâtiments visés à l'article 3 ;
3° largeur: la largeur maximale de la coque en mètres, mesurée à l'extérieur du bordé, à l'exception des roues à aubes, bourrelet de défense ou analogues ;
4° certificat d'opérateur de radiotéléphonie : un certificat national, délivré par un Etat membre conformément au règlement des radiocommunications annexé à la Convention internationale des télécommunications, autorisant l'exploitation d'une station de radiotéléphonie sur un bâtiment de navigation intérieure ;
5° compétence : la capacité avérée d'utiliser les connaissances et aptitudes requises par les normes établies aux fins de la bonne exécution des tâches nécessaires à l'exploitation des bâtiments de navigation intérieure ;
6° De Vlaamse Waterweg nv : l'agence autonomisée externe de droit public De Vlaamse Waterweg nv, société anonyme de droit public, visée à l'article 3 du décret du 2 avril 2004 relatif à l'agence autonomisée externe de droit public De Vlaamse Waterweg SA, société anonyme de droit public ;
7° membres d'équipage de pont : les personnes qui participent à l'exploitation générale d'un bâtiment naviguant sur les voies d'eau intérieures de l'Union et qui effectuent des tâches diverses telles que des tâches liées à la navigation, au contrôle de l'exploitation du bâtiment, à la manutention de cargaison, à l'arrimage, au transport de passagers, à la mécanique navale, à l'entretien et à la réparation, à la communication, à la santé et à la sécurité, et à la protection de l'environnement, autres que les personnes exclusivement affectées au fonctionnement des moteurs, des grues et des équipements électriques et électroniques ;
8° expert en matière de gaz naturel liquéfié : une personne qui est qualifiée pour intervenir dans la procédure d'avitaillement d'un bâtiment propulsé au gaz naturel liquéfié ou pour être le conducteur d'un tel bâtiment ;
9° expert en matière de navigation avec passagers : une personne travaillant à bord du bateau qui est qualifiée pour prendre des mesures dans les situations d'urgence à bord de bateaux à passagers ;
10° livret de service : un registre personnel détaillant les antécédents professionnels d'un membre d'équipage, notamment le temps de navigation et les trajets effectués ;
11° engin flottant : une construction flottante portant des installations destinées à travailler, telles que grues, dragues, sonnettes ou élévateurs ;
12° base de données européenne des équipages, abrégée en ECDB : la base de données gérée par la Commission européenne conformément à l'article 25, paragraphe 2, de la directive ;
13° base de données européenne sur les bateaux de navigation intérieure, en abrégé EHDB : la base de données gérée par la Commission européenne conformément à l'article 25, paragraphe 2, de la directive ;
14° certificat de qualification de l'Union : un certificat délivré par une autorité compétente attestant qu'une personne respecte les exigences de la directive ;
15° longueur : la longueur maximale de la coque en mètres, gouvernail et beaupré non compris ;
16° Etat membre : un Etat auquel la directive s'applique ;
17° niveau du commandement : le niveau de responsabilité consistant à travailler comme conducteur de bateau et à veiller à ce que les autres membres d'équipage de pont exécutent correctement l'ensemble des tâches inhérentes à l'exploitation d'un bâtiment ;
18° ministre : le ministre flamand ayant l'infrastructure hydraulique et la politique de l'eau dans ses attributions ;
19° niveau opérationnel : le niveau de responsabilité consistant à travailler comme matelot, comme maître matelot ou comme timonier et à contrôler en permanence l'accomplissement de l'ensemble des tâches relevant de son domaine de compétence conformément aux procédures appropriées et sous la direction d'une personne exerçant des fonctions au niveau du commandement ;
20° bateau à passagers : un bateau construit et aménagé pour le transport de plus de douze passagers ;
21° Commission permanente de Surveillance sur la Navigation sur l'Escaut : la commission telle que visée à l'article 4 du Traité entre la Région flamande et le Royaume des Pays-Bas relatif à la gestion nautique commune dans le bassin de l'Escaut du 21 décembre 2005 ;
22° directive : la directive (UE) 2017/2397 du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2017 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles dans le domaine de la navigation intérieure et abrogeant les directives du Conseil 91/672/CEE et 96/50/CE ;
23° bateau : un bateau de navigation intérieure ou un navire de mer ;
24° conducteur de bateau ou conducteur : un membre d'équipage de pont qui est qualifié pour faire naviguer un bâtiment sur les voies d'eau intérieures des Etats membres et qui est qualifié pour exercer la pleine responsabilité à bord, y compris en ce qui concerne l'équipage, les passagers et la cargaison ;
25° remorqueur : un bateau spécialement construit pour effectuer le remorquage ;
26° risque spécifique : un danger pour la sécurité en raison de conditions de navigation particulières qui exigent de la part des conducteurs des compétences dépassant le niveau attendu d'après les normes générales de compétence relatives au niveau du commandement ;
27° temps de navigation : le temps, mesuré en jours, passé à bord par les membres d'équipage de pont au cours d'un trajet effectué sur un bâtiment de navigation intérieure, y compris lors des activités de chargement et de déchargement nécessitant des opérations de navigation active, qui a été validé par l'autorité compétente ;
28° livre de bord : un registre officiel des trajets effectués par un bâtiment et son équipage ;
29° bâtiment : un bateau ou un engin flottant.
30° ES-TRIN 2021/1 : standard européen établissant les prescriptions techniques des bateaux de navigation intérieure, édition 2021/1, disponible sur le site internet suivant : https://www.cesni.eu/wp-content/uploads/2020/10/ES_TRIN_2021_fr.pdf
Art. 3. § 1. Dit besluit is van toepassing op dekbemanningsleden, deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas en deskundigen voor de passagiersvaart van de volgende typen vaartuigen op de binnenwateren:
1° vaartuigen met een lengte van 20 meter of meer;
2° vaartuigen waarvan het volume, berekend als het product van lengte, breedte en diepgang, 100 kubieke meter of meer bedraagt;
3° sleep- en duwboten die zijn bestemd voor:
a) het slepen of duwen van de vaartuigen, vermeld in punt 1° en 2° ;
b) het slepen of duwen van drijvende werktuigen;
c) het langszij gekoppeld meevoeren van de vaartuigen, vermeld in punt 1° en 2°, of drijvende werktuigen;
4° passagiersvaartuigen;
5° vaartuigen die met toepassing van de Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land, over een certificaat van goedkeuring moeten beschikken;
6° drijvende werktuigen.
In het eerste lid wordt verstaan onder
1° diepgang: de verticale afstand in meters van het laagste punt van de scheepsromp zonder rekening te houden met de kiel of andere vaste onderdelen tot het vlak van de grootste inzinking van de scheepsromp;
2° duwboot: een schip dat speciaal is gebouwd voor het voortbewegen van een duwstel.
§ 2. Dit besluit is niet van toepassing op de volgende personen:
1° personen die varen om sportieve of recreatieve redenen;
2° personen die betrokken zijn bij het bedienen van ponten die niet vrij varen;
3° personen die betrokken zijn bij het bedienen van vaartuigen die door de strijdkrachten, diensten voor de handhaving van de openbare orde, civiele bescherming, vaarwegbeheerders, brandweerdiensten en andere hulpdiensten worden gebruikt;
4° personen die betrokken zijn bij het bedienen van zeeschepen.
1° vaartuigen met een lengte van 20 meter of meer;
2° vaartuigen waarvan het volume, berekend als het product van lengte, breedte en diepgang, 100 kubieke meter of meer bedraagt;
3° sleep- en duwboten die zijn bestemd voor:
a) het slepen of duwen van de vaartuigen, vermeld in punt 1° en 2° ;
b) het slepen of duwen van drijvende werktuigen;
c) het langszij gekoppeld meevoeren van de vaartuigen, vermeld in punt 1° en 2°, of drijvende werktuigen;
4° passagiersvaartuigen;
5° vaartuigen die met toepassing van de Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land, over een certificaat van goedkeuring moeten beschikken;
6° drijvende werktuigen.
In het eerste lid wordt verstaan onder
1° diepgang: de verticale afstand in meters van het laagste punt van de scheepsromp zonder rekening te houden met de kiel of andere vaste onderdelen tot het vlak van de grootste inzinking van de scheepsromp;
2° duwboot: een schip dat speciaal is gebouwd voor het voortbewegen van een duwstel.
§ 2. Dit besluit is niet van toepassing op de volgende personen:
1° personen die varen om sportieve of recreatieve redenen;
2° personen die betrokken zijn bij het bedienen van ponten die niet vrij varen;
3° personen die betrokken zijn bij het bedienen van vaartuigen die door de strijdkrachten, diensten voor de handhaving van de openbare orde, civiele bescherming, vaarwegbeheerders, brandweerdiensten en andere hulpdiensten worden gebruikt;
4° personen die betrokken zijn bij het bedienen van zeeschepen.
Art. 3. § 1er. Le présent arrêté s'applique aux membres d'équipage de pont, aux experts en gaz naturel liquéfié et aux experts en matière de navigation avec passagers pour les types de bâtiments suivants sur toute voie d'eau intérieure :
1° les bâtiments dont la longueur est supérieure ou égale à 20 mètres ;
2° les bâtiments dont le volume, calculé comme le produit de la longueur, de la largeur et du tirant d'eau, est égal ou supérieur à 100 mètres cubes ;
3° les remorqueurs et pousseurs destinés à :
a) remorquer ou pousser les bâtiments visés aux points 1° et 2° ;
b) remorquer ou pousser des engins flottants ;
c) mener à couple les bâtiments visés aux points 1° et 2° ou des engins flottants ;
4° les bateaux à passagers ;
5° les bâtiments tenus de posséder un certificat d'agrément conformément à la directive 2008/68/CE du Parlement européen et du Conseil du 24 septembre 2008 relative au transport intérieur des marchandises dangereuses ;
6° les engins flottants.
A l'alinéa premier, on entend par :
1° tirant d'eau : la distance verticale en mètres entre le point le plus bas de la coque, la quille ou d'autres appendices fixes n'étant pas pris en compte, et le plan du plus grand enfoncement du bateau ;
2° pousseur : un bateau spécialement construit pour assurer la propulsion d'un convoi poussé.
§ 2. Le présent arrêté ne s'applique pas aux personnes suivantes :
1° les personnes naviguant à des fins sportives ou de plaisance ;
2° les personnes intervenant dans l'exploitation de bacs qui ne se déplacent pas de façon autonome ;
3° les personnes intervenant dans l'exploitation de bâtiments utilisés par les forces armées, les services chargés du maintien de l'ordre public, les services de protection civile, les administrations fluviales, les services d'incendie et les autres services d'urgence ;
4° les personnes intervenant dans l'exploitation des navires de mer.
1° les bâtiments dont la longueur est supérieure ou égale à 20 mètres ;
2° les bâtiments dont le volume, calculé comme le produit de la longueur, de la largeur et du tirant d'eau, est égal ou supérieur à 100 mètres cubes ;
3° les remorqueurs et pousseurs destinés à :
a) remorquer ou pousser les bâtiments visés aux points 1° et 2° ;
b) remorquer ou pousser des engins flottants ;
c) mener à couple les bâtiments visés aux points 1° et 2° ou des engins flottants ;
4° les bateaux à passagers ;
5° les bâtiments tenus de posséder un certificat d'agrément conformément à la directive 2008/68/CE du Parlement européen et du Conseil du 24 septembre 2008 relative au transport intérieur des marchandises dangereuses ;
6° les engins flottants.
A l'alinéa premier, on entend par :
1° tirant d'eau : la distance verticale en mètres entre le point le plus bas de la coque, la quille ou d'autres appendices fixes n'étant pas pris en compte, et le plan du plus grand enfoncement du bateau ;
2° pousseur : un bateau spécialement construit pour assurer la propulsion d'un convoi poussé.
§ 2. Le présent arrêté ne s'applique pas aux personnes suivantes :
1° les personnes naviguant à des fins sportives ou de plaisance ;
2° les personnes intervenant dans l'exploitation de bacs qui ne se déplacent pas de façon autonome ;
3° les personnes intervenant dans l'exploitation de bâtiments utilisés par les forces armées, les services chargés du maintien de l'ordre public, les services de protection civile, les administrations fluviales, les services d'incendie et les autres services d'urgence ;
4° les personnes intervenant dans l'exploitation des navires de mer.
HOOFDSTUK 2. - Kwalificatiecertificaten en specifieke vergunningen
CHAPITRE 2. - Certificats de qualification et autorisations spécifiques
Art. 4. Dekbemanningsleden die binnenwateren bevaren, hebben een kwalificatiecertificaat van de Unie voor dekbemanningsleden dat is afgegeven conform artikel 11 tot en met 14, of een certificaat dat is erkend conform artikel 10, § 2 of § 3, bij zich.
Voor andere dekbemanningsleden dan schippers worden het kwalificatiecertificaat van de Unie en het dienstboekje, vermeld in artikel 31, in één document opgenomen.
Voor andere dekbemanningsleden dan schippers worden het kwalificatiecertificaat van de Unie en het dienstboekje, vermeld in artikel 31, in één document opgenomen.
Art. 4. Les membres d'équipage de pont opérant sur les voies d'eau intérieures disposent soit d'un certificat de qualification de l'Union en tant que membre d'équipage de pont délivré conformément aux articles 11 à 14, soit d'un certificat reconnu conformément à l'article 10, paragraphe 2 ou 3.
Pour les membres d'équipage de pont autres que les conducteurs, le certificat de qualification de l'Union et le livret de service visé à l'article 31 sont présentés dans un document unique.
Pour les membres d'équipage de pont autres que les conducteurs, le certificat de qualification de l'Union et le livret de service visé à l'article 31 sont présentés dans un document unique.
Art. 5. De deskundigen voor de passagiersvaart en deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas hebben een kwalificatiecertificaat van de Unie voor hun specifieke activiteiten dat is afgegeven conform artikel 11 tot en met 14, of een certificaat dat is erkend conform artikel 10, § 2 of § 3, bij zich.
Art. 5. Les experts en matière de navigation avec passagers et les experts en gaz naturel liquéfié disposent soit d'un certificat de qualification de l'Union pour leurs activités spécifiques délivré conformément aux articles 11 à 14, soit d'un certificat reconnu conformément à l'article 10, paragraphe 2 ou 3.
Art. 6. In de volgende gevallen hebben schippers een specifieke vergunning die conform artikel 15 tot en met 20 is verleend of een specifieke vergunning die door een andere lidstaat is verleend:
1° ze varen op wateren die zijn geclassificeerd als binnenwateren van maritieme aard conform artikel 8;
2° ze varen op waterwegen die zijn ingedeeld als binnenwatertrajecten met specifieke risico's conform artikel 9;
3° ze varen met behulp van een radar;
4° ze varen met vaartuigen die vloeibaar aardgas als brandstof gebruiken;
5° ze varen met grote konvooien.
In het eerste lid, 5°, wordt verstaan onder groot konvooi: een duwstel waarbij het product van de totale lengte en totale breedte van het geduwde vaartuig 7000 vierkante meter of meer bedraagt.
1° ze varen op wateren die zijn geclassificeerd als binnenwateren van maritieme aard conform artikel 8;
2° ze varen op waterwegen die zijn ingedeeld als binnenwatertrajecten met specifieke risico's conform artikel 9;
3° ze varen met behulp van een radar;
4° ze varen met vaartuigen die vloeibaar aardgas als brandstof gebruiken;
5° ze varen met grote konvooien.
In het eerste lid, 5°, wordt verstaan onder groot konvooi: een duwstel waarbij het product van de totale lengte en totale breedte van het geduwde vaartuig 7000 vierkante meter of meer bedraagt.
Art. 6. Dans les cas suivants, les conducteurs de bateaux disposent d'une autorisation spécifique délivrée conformément aux articles 15 à 20 ou d'une autorisation spécifique délivrée par un autre Etat membre :
1° ils naviguent sur des voies d'eau classées comme voies d'eau intérieures à caractère maritime conformément à l'article 8 ;
2° ils naviguent sur des voies d'eau qui ont été recensées comme des tronçons de voies d'eau intérieures présentant des risques spécifiques conformément à l'article 9 ;
3° ils naviguent au radar ;
4° ils conduisent des bâtiments fonctionnant au gaz naturel liquéfié ;
5° ils conduisent de gros convois.
A l'alinéa premier, 5°, il faut entendre par gros convois : un convoi poussé dont le produit longueur totale x largeur totale du bâtiment poussé est égal ou supérieur à 7 000 mètres carrés.
1° ils naviguent sur des voies d'eau classées comme voies d'eau intérieures à caractère maritime conformément à l'article 8 ;
2° ils naviguent sur des voies d'eau qui ont été recensées comme des tronçons de voies d'eau intérieures présentant des risques spécifiques conformément à l'article 9 ;
3° ils naviguent au radar ;
4° ils conduisent des bâtiments fonctionnant au gaz naturel liquéfié ;
5° ils conduisent de gros convois.
A l'alinéa premier, 5°, il faut entendre par gros convois : un convoi poussé dont le produit longueur totale x largeur totale du bâtiment poussé est égal ou supérieur à 7 000 mètres carrés.
Art. 7. De in artikel 4, eerste lid, artikel 5 en artikel 6 bedoelde personen die uitsluitend actief zijn op stadsrondvaartboten of op binnenwateren die niet in verbinding staan met het vaarwegennet van een andere lidstaat, worden vrijgesteld van de in artikel 4, 5 en 6 en artikel 31, § 1, eerste lid, § 3, en § 5, vastgelegde verplichtingen.
In het eerste lid worden vaartuigen als stadsrondvaartboten beschouwd de vaartuigen zoals in artikel 2, 9° van het Besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen.
In het eerste lid worden vaartuigen als stadsrondvaartboten beschouwd de vaartuigen zoals in artikel 2, 9° van het Besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen.
Art. 7. Les personnes visées à l'article 4, alinéa premier, et aux articles 5 et 6, qui exercent leur activité exclusivement sur des bateaux de promenade urbaine ou sur des voies d'eau intérieures non reliées au réseau navigable d'un autre Etat membre, sont exemptées des obligations prévues aux articles 4, 5 et 6 et à l'article 31, alinéa premier, § 3 et § 5.
A l'alinéa premier, les bâtiments sont considérés comme bateaux de promenade urbaine les bâtiments visés à l'article 2, 9° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 octobre 2018 établissant les prescriptions techniques applicables aux bateaux de navigation intérieure.
A l'alinéa premier, les bâtiments sont considérés comme bateaux de promenade urbaine les bâtiments visés à l'article 2, 9° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 octobre 2018 établissant les prescriptions techniques applicables aux bateaux de navigation intérieure.
Art. 8. De volgende binnenwateren worden beschouwd als binnenwateren van maritieme aard op het grondgebied van het Vlaamse Gewest:
1° de Beneden-Zeeschelde;
2° het kanaal Gent-Terneuzen.
1° de Beneden-Zeeschelde;
2° het kanaal Gent-Terneuzen.
Art. 8. Les voies d'eau intérieures suivantes sont considérées comme voies d'eau intérieures à caractère maritime sur le territoire de la Région flamande :
1° le Bas Escaut maritime ;
2° le canal Gand-Terneuzen.
1° le Bas Escaut maritime ;
2° le canal Gand-Terneuzen.
Art. 9. § 1. Als dat nodig is om de veiligheid van de scheepvaart te waarborgen, kan de minister binnenwatertrajecten classificeren als binnenwateren met specifieke risico's als die risico's het gevolg zijn van een of meer van de volgende omstandigheden:
1° vaak veranderende stroompatronen en -snelheid;
2° de hydromorfologische kenmerken van de binnenwaterweg en het ontbreken van passende vaarweginformatiediensten over de binnenwaterweg of het ontbreken van geschikte kaarten;
3° de aanwezigheid van een specifieke lokale verkeersregeling die wordt gerechtvaardigd door specifieke hydromorfologische kenmerken van de binnenwaterweg;
4° een hoge ongevallenfrequentie op een specifiek traject van de binnenwateren, die wordt toegeschreven aan het ontbreken van een competentie die niet worden gedekt door de normen, vermeld in artikel 23.
Als de minister binnenwatertrajecten die in de Beneden-Zeeschelde of het kanaal Gent-Terneuzen liggen, classificeert als binnenwateren met specifieke risico's conform het eerste lid, overlegt de minister daarover met de Permanente Commissie van Toezicht op de Scheldevaart als dat nodig is om de veiligheid te waarborgen.
§ 2. Minstens zes maanden voor de voorgenomen datum van de vaststelling van de voorgenomen maatregelen, vermeld in paragraaf 1 en artikel 28, brengt de minister de Europese Commissie op de hoogte ervan, samen met de motivering van die maatregelen.
§ 3. Als de binnenwatertrajecten, vermeld in paragraaf 1, langs de grens met een andere lidstaat of de grens met een ander gewest liggen, raadpleegt de minister die lidstaat of dat gewest. De minister brengt samen met die lidstaat of dat gewest de Europese Commissie daarvan op de hoogte conform paragraaf 2.
1° vaak veranderende stroompatronen en -snelheid;
2° de hydromorfologische kenmerken van de binnenwaterweg en het ontbreken van passende vaarweginformatiediensten over de binnenwaterweg of het ontbreken van geschikte kaarten;
3° de aanwezigheid van een specifieke lokale verkeersregeling die wordt gerechtvaardigd door specifieke hydromorfologische kenmerken van de binnenwaterweg;
4° een hoge ongevallenfrequentie op een specifiek traject van de binnenwateren, die wordt toegeschreven aan het ontbreken van een competentie die niet worden gedekt door de normen, vermeld in artikel 23.
Als de minister binnenwatertrajecten die in de Beneden-Zeeschelde of het kanaal Gent-Terneuzen liggen, classificeert als binnenwateren met specifieke risico's conform het eerste lid, overlegt de minister daarover met de Permanente Commissie van Toezicht op de Scheldevaart als dat nodig is om de veiligheid te waarborgen.
§ 2. Minstens zes maanden voor de voorgenomen datum van de vaststelling van de voorgenomen maatregelen, vermeld in paragraaf 1 en artikel 28, brengt de minister de Europese Commissie op de hoogte ervan, samen met de motivering van die maatregelen.
§ 3. Als de binnenwatertrajecten, vermeld in paragraaf 1, langs de grens met een andere lidstaat of de grens met een ander gewest liggen, raadpleegt de minister die lidstaat of dat gewest. De minister brengt samen met die lidstaat of dat gewest de Europese Commissie daarvan op de hoogte conform paragraaf 2.
Art. 9. § 1er. Lorsque cela s'avère nécessaire pour assurer la sécurité de la navigation, le ministre peut recenser des tronçons de voies d'eau intérieures présentant des risques spécifiques lorsque ces risques sont dus à l'une ou plusieurs des raisons suivantes :
1° des modifications fréquentes des structures des flux et de leur vitesse ;
2° les caractéristiques hydromorphologiques de la voie d'eau intérieure et l'absence, sur la voie d'eau intérieure, de services d'information sur les chenaux adéquats ou de graphiques appropriés ;
3° l'existence d'une réglementation spécifique du trafic local justifiée par des caractéristiques hydromorphologiques de la voie d'eau intérieure ;
4° une fréquence élevée d'accidents sur un tronçon particulier de la voie d'eau intérieure, attribuée à l'absence d'une compétence qui n'est pas couverte par les normes visées à l'article 23.
Si le ministre classe des tronçons de voies d'eau intérieures situés dans le Bas Escaut maritime ou dans le canal Gand-Terneuzen comme présentant des risques spécifiques conformément à l'alinéa premier, le ministre se concerte avec la Commission permanente de Surveillance sur la Navigation sur l'Escaut à ce sujet si tel s'avère nécessaire pour assurer la sécurité.
§ 2. Au moins six mois avant la date prévue pour l'adoption des mesures envisagées visées au paragraphe 1er et à l'article 28, le ministre les notifie à la Commission européenne, en indiquant les raisons de ces mesures.
§ 3. Si les tronçons de voies d'eau intérieures visées au paragraphe 1er se trouvent le long de la frontière avec un autre Etat membre ou de la frontière avec une autre région, le ministre consulte cet Etat membre ou cette région. Le ministre, conjointement avec cet Etat membre ou cette région, en informe la Commission européenne conformément au paragraphe 2.
1° des modifications fréquentes des structures des flux et de leur vitesse ;
2° les caractéristiques hydromorphologiques de la voie d'eau intérieure et l'absence, sur la voie d'eau intérieure, de services d'information sur les chenaux adéquats ou de graphiques appropriés ;
3° l'existence d'une réglementation spécifique du trafic local justifiée par des caractéristiques hydromorphologiques de la voie d'eau intérieure ;
4° une fréquence élevée d'accidents sur un tronçon particulier de la voie d'eau intérieure, attribuée à l'absence d'une compétence qui n'est pas couverte par les normes visées à l'article 23.
Si le ministre classe des tronçons de voies d'eau intérieures situés dans le Bas Escaut maritime ou dans le canal Gand-Terneuzen comme présentant des risques spécifiques conformément à l'alinéa premier, le ministre se concerte avec la Commission permanente de Surveillance sur la Navigation sur l'Escaut à ce sujet si tel s'avère nécessaire pour assurer la sécurité.
§ 2. Au moins six mois avant la date prévue pour l'adoption des mesures envisagées visées au paragraphe 1er et à l'article 28, le ministre les notifie à la Commission européenne, en indiquant les raisons de ces mesures.
§ 3. Si les tronçons de voies d'eau intérieures visées au paragraphe 1er se trouvent le long de la frontière avec un autre Etat membre ou de la frontière avec une autre région, le ministre consulte cet Etat membre ou cette région. Le ministre, conjointement avec cet Etat membre ou cette région, en informe la Commission européenne conformément au paragraphe 2.
Art. 10. § 1. Alle kwalificatiecertificaten van de Unie, dienstboekjes en vaartijdenboeken die conform de richtlijn door de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten of andere gewesten zijn afgegeven, zijn geldig op alle binnenwateren in het Vlaams Gewest.
§ 2. Kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en vaartijdenboeken waarin eisen zijn opgenomen die identiek zijn aan de eisen in de richtlijn, en die conform het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn zijn afgegeven, zijn geldig op alle binnenwateren in het Vlaamse Gewest.
Certificaten, dienstboekjes en vaartijdenboeken als bedoeld in dit besluit, die door een derde land zijn afgegeven, zijn uitsluitend op alle binnenwateren in het Vlaams Gewest geldig als dat derde land binnen zijn eigen rechtsgebied de documenten erkent die op grond van de richtlijn zijn afgegeven.
§ 3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 zijn alle kwalificatiecertificaten, dienstboekjes of vaartijdenboeken waarin eisen worden gesteld die identiek zijn aan de eisen die in de richtlijn zijn vastgesteld en die zijn afgegeven conform de nationale regelgeving van een derde land, geldig op alle binnenwateren in het Vlaamse Gewest, op voorwaarde dat de Europese Commissie ze als dusdanig heeft erkend.
§ 2. Kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en vaartijdenboeken waarin eisen zijn opgenomen die identiek zijn aan de eisen in de richtlijn, en die conform het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn zijn afgegeven, zijn geldig op alle binnenwateren in het Vlaamse Gewest.
Certificaten, dienstboekjes en vaartijdenboeken als bedoeld in dit besluit, die door een derde land zijn afgegeven, zijn uitsluitend op alle binnenwateren in het Vlaams Gewest geldig als dat derde land binnen zijn eigen rechtsgebied de documenten erkent die op grond van de richtlijn zijn afgegeven.
§ 3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 zijn alle kwalificatiecertificaten, dienstboekjes of vaartijdenboeken waarin eisen worden gesteld die identiek zijn aan de eisen die in de richtlijn zijn vastgesteld en die zijn afgegeven conform de nationale regelgeving van een derde land, geldig op alle binnenwateren in het Vlaamse Gewest, op voorwaarde dat de Europese Commissie ze als dusdanig heeft erkend.
Art. 10. § 1er. Tous les certificats de qualification de l'Union, les livrets de service et les livres de bord délivrés par les autorités compétentes d'autres Etats membres ou d'autres régions conformément à la directive sont valables sur toutes les voies navigables intérieures de la Région flamande.
§ 2. Les certificats de qualification, les livrets de service et les livres de bord contenant des exigences identiques à celles de la directive, délivrés conformément au Règlement relatif au Personnel de la Navigation sur le Rhin, sont valables sur toutes les voies navigables intérieures de la Région flamande.
Les certificats, les livrets de service et les livres de bord tels que visés dans le présent arrêté et délivrés par un pays tiers ne sont valables sur toutes les voies navigables intérieures de la Région flamande que si ce pays tiers reconnaît les documents délivrés conformément à la directive dans sa propre juridiction.
§ 3. Sans préjudice de l'application du paragraphe 2, tous les certificats de qualification, livrets de service ou livres de bord contenant des exigences identiques à celles prévues par la directive et délivrés conformément à la réglementation nationale d'un pays tiers sont valables sur toutes les voies navigables intérieures de la Région flamande, pour autant que la Commission européenne les ait reconnus comme tels.
§ 2. Les certificats de qualification, les livrets de service et les livres de bord contenant des exigences identiques à celles de la directive, délivrés conformément au Règlement relatif au Personnel de la Navigation sur le Rhin, sont valables sur toutes les voies navigables intérieures de la Région flamande.
Les certificats, les livrets de service et les livres de bord tels que visés dans le présent arrêté et délivrés par un pays tiers ne sont valables sur toutes les voies navigables intérieures de la Région flamande que si ce pays tiers reconnaît les documents délivrés conformément à la directive dans sa propre juridiction.
§ 3. Sans préjudice de l'application du paragraphe 2, tous les certificats de qualification, livrets de service ou livres de bord contenant des exigences identiques à celles prévues par la directive et délivrés conformément à la réglementation nationale d'un pays tiers sont valables sur toutes les voies navigables intérieures de la Région flamande, pour autant que la Commission européenne les ait reconnus comme tels.
HOOFDSTUK 3. - Certificering van beroepskwalificaties
CHAPITRE 3. - Certification des qualifications professionnelles
Afdeling 1. - Procedure om kwalificatiecertificaten van de Unie en specifieke vergunningen voor schippers af te geven
Section 1. - Procédure de délivrance des certificats de qualification de l'Union et des autorisations spécifiques pour conducteurs de bateaux
Art. 11. Aanvragers van een kwalificatiecertificaat van de Unie voor dekbemanningsleden en een kwalificatiecertificaat van de Unie voor specifieke activiteiten, voegen bij de aanvraag die ze indienen bij De Vlaamse Waterweg nv, de bewijsstukken toe die de volgende aspecten aantonen:
1° hun identiteit;
2° het voldoen aan de minimumeisen over de leeftijd, de competentie, de naleving van de administratieve voorschriften en de vaartijd die voor de aangevraagde kwalificatie is vereist, vermeld in bijlage A1, die bij dit besluit is gevoegd;
3° het voldoen aan de normen voor medische geschiktheid conform artikel 32, als dat van toepassing is.
1° hun identiteit;
2° het voldoen aan de minimumeisen over de leeftijd, de competentie, de naleving van de administratieve voorschriften en de vaartijd die voor de aangevraagde kwalificatie is vereist, vermeld in bijlage A1, die bij dit besluit is gevoegd;
3° het voldoen aan de normen voor medische geschiktheid conform artikel 32, als dat van toepassing is.
Art. 11. Les demandeurs d'un certificat de qualification de l'Union pour les membres d'équipage de pont et d'un certificat de qualification de l'Union pour des activités spécifiques doivent joindre à leur demande à De Vlaamse Waterweg nv les pièces justificatives des éléments suivants :
1° leur identité ;
2° le respect des exigences minimales en matière d'âge, de compétence, de conformité administrative et de temps de navigation requis pour la qualification demandée, telle que définie à l'annexe A1 jointe au présent arrêté ;
3° satisfaire aux normes d'aptitude médicale conformément à l'article 32, le cas échéant.
1° leur identité ;
2° le respect des exigences minimales en matière d'âge, de compétence, de conformité administrative et de temps de navigation requis pour la qualification demandée, telle que définie à l'annexe A1 jointe au présent arrêté ;
3° satisfaire aux normes d'aptitude médicale conformément à l'article 32, le cas échéant.
Art. 12. Nadat De Vlaamse Waterweg nv de echtheid en de geldigheid van de documenten die de aanvrager heeft bezorgd, heeft gecontroleerd en nadat hij heeft gecontroleerd of aan de aanvrager niet al een geldig kwalificatiecertificaat van de Unie is afgegeven, geeft De Vlaamse Waterweg nv het kwalificatiecertificaat van de Unie af.
Art. 12. Après que De Vlaamse Waterweg nv a contrôlé l'authenticité et la validité des documents soumis par le demandeur, et après avoir vérifié si un certificat de qualification de l'Union en cours de validité n'a pas déjà été délivré au demandeur, De Vlaamse Waterweg nv délivre le certificat de qualification de l'Union.
Art. 13. De kwalificatiecertificaten van de Unie worden afgegeven conform de modellen, opgenomen in bijlage I en II bij de uitvoeringsverordening (EU) 2020/182 van de Commissie van 14 januari 2020 betreffende modellen voor beroepskwalificaties in de binnenvaart.
Art. 13. Les certificats de qualification de l'Union sont délivrés conformément aux modèles figurant aux annexes I et II du règlement d'exécution(UE) 2020/182 de la commission du 14 janvier 2020 sur les modèles relatifs aux qualifications professionnelles dans le domaine de la navigation intérieure.
Art. 14. § 1. De geldigheid van het kwalificatiecertificaat van de Unie voor dekbemanningsleden wordt beperkt tot de datum van de volgende medische keuring die conform artikel 32 is vereist.
Met behoud van de toepassing van de beperking, vermeld in het eerste lid, zijn kwalificatiecertificaten van de Unie voor schippers maximaal dertien jaar geldig.
§ 2. De kwalificatiecertificaten van de Unie voor specifieke activiteiten zijn maximaal vijf jaar geldig.
Met behoud van de toepassing van de beperking, vermeld in het eerste lid, zijn kwalificatiecertificaten van de Unie voor schippers maximaal dertien jaar geldig.
§ 2. De kwalificatiecertificaten van de Unie voor specifieke activiteiten zijn maximaal vijf jaar geldig.
Art. 14. § 1er. La validité du certificat de qualification de l'Union pour les membres d'équipage de pont est limitée à la date du prochain examen médical requis conformément à l'article 32.
Sans préjudice de l'application de la limitation visée à l'alinéa premier, les certificats de qualification de l'Union pour les conducteurs de bateaux ont une durée de validité maximale de treize ans.
§ 2. Les certificats de qualification de l'Union pour des activités spécifiques ont une durée de validité maximale de cinq ans.
Sans préjudice de l'application de la limitation visée à l'alinéa premier, les certificats de qualification de l'Union pour les conducteurs de bateaux ont une durée de validité maximale de treize ans.
§ 2. Les certificats de qualification de l'Union pour des activités spécifiques ont une durée de validité maximale de cinq ans.
Art. 15. Aanvragers van een specifieke vergunning als vermeld in artikel 6, voegen de volgende documenten bij hun aanvraag die ze indienen bij De Vlaamse Waterweg nv:
1° bewijs van hun identiteit;
2° bewijsstukken die aantonen dat ze voldoen aan de minimumeisen over de leeftijd, de competentie, de naleving van de administratieve voorschriften en de vaartijd voor de aangevraagde vergunning, vermeld in bijlage A1, die bij dit besluit is gevoegd;
3° bewijsstukken die aantonen dat ze voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
a) beschikken over een kwalificatiecertificaat van de Unie voor schippers dat is afgegeven conform artikel 11 tot en met 14, of een certificaat dat is erkend conform artikel 10, § 2 of § 3;
b) voldoen aan de minimumeisen voor kwalificatiecertificaten van de Unie voor schippers, vermeld in bijlage A1 die bij dit besluit is gevoegd.
1° bewijs van hun identiteit;
2° bewijsstukken die aantonen dat ze voldoen aan de minimumeisen over de leeftijd, de competentie, de naleving van de administratieve voorschriften en de vaartijd voor de aangevraagde vergunning, vermeld in bijlage A1, die bij dit besluit is gevoegd;
3° bewijsstukken die aantonen dat ze voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
a) beschikken over een kwalificatiecertificaat van de Unie voor schippers dat is afgegeven conform artikel 11 tot en met 14, of een certificaat dat is erkend conform artikel 10, § 2 of § 3;
b) voldoen aan de minimumeisen voor kwalificatiecertificaten van de Unie voor schippers, vermeld in bijlage A1 die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 15. Les demandeurs d'une autorisation spécifique telle que visée à l'article 6, joignent les documents suivants à la demande qu'ils introduisent à De Vlaamse Waterweg nv :
1° la preuve de leur identité ;
2° les pièces justificatives démontrant leur respect des exigences minimales en matière d'âge, de compétence, de conformité administrative et de temps de navigation requis pour l'autorisation demandée, telle que définie à l'annexe A1 jointe au présent arrêté ;
3° les pièces justificatives démontrant qu'ils répondent à l'une des conditions suivantes :
a) être titulaire d'un certificat de qualification de conducteur de bateau de l'Union délivré conformément aux articles 11 à 14, ou d'un certificat reconnu conformément à l'article 10, paragraphe 2 ou 3 ;
b) satisfaire aux exigences minimales des certificats de qualification de l'Union pour les conducteurs figurant à l'annexe A1 jointe au présent arrêté.
1° la preuve de leur identité ;
2° les pièces justificatives démontrant leur respect des exigences minimales en matière d'âge, de compétence, de conformité administrative et de temps de navigation requis pour l'autorisation demandée, telle que définie à l'annexe A1 jointe au présent arrêté ;
3° les pièces justificatives démontrant qu'ils répondent à l'une des conditions suivantes :
a) être titulaire d'un certificat de qualification de conducteur de bateau de l'Union délivré conformément aux articles 11 à 14, ou d'un certificat reconnu conformément à l'article 10, paragraphe 2 ou 3 ;
b) satisfaire aux exigences minimales des certificats de qualification de l'Union pour les conducteurs figurant à l'annexe A1 jointe au présent arrêté.
Art. 16. In afwijking van artikel 15 voegen aanvragers van een specifieke vergunning om op een binnenwatertraject met specifieke risico's in het Vlaams Gewest te varen, die vereist is conform artikel 6, eerste lid, 2°, de volgende documenten bij hun aanvraag bij De Vlaamse Waterweg nv:
1° bewijs van hun identiteit;
2° bewijsstukken die aantonen dat ze voldoen aan de competentievereisten voor specifieke risico's voor het specifieke binnenwatertraject waarvoor de vergunning vereist is, vermeld in artikel 28;
3° bewijsstukken die aantonen dat ze voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
a) beschikken over een kwalificatiecertificaat van de Unie voor schippers dat is afgegeven conform artikel 11 tot en met 14, of een certificaat dat is erkend conform artikel 10, § 2 of § 3;
b) voldoen aan de minimumeisen voor kwalificatiecertificaten van de Unie voor schippers, vermeld in bijlage A1 die bij dit besluit is gevoegd.
1° bewijs van hun identiteit;
2° bewijsstukken die aantonen dat ze voldoen aan de competentievereisten voor specifieke risico's voor het specifieke binnenwatertraject waarvoor de vergunning vereist is, vermeld in artikel 28;
3° bewijsstukken die aantonen dat ze voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
a) beschikken over een kwalificatiecertificaat van de Unie voor schippers dat is afgegeven conform artikel 11 tot en met 14, of een certificaat dat is erkend conform artikel 10, § 2 of § 3;
b) voldoen aan de minimumeisen voor kwalificatiecertificaten van de Unie voor schippers, vermeld in bijlage A1 die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 16. Par dérogation à l'article 15, les demandeurs d'une autorisation spécifique pour naviguer sur un tronçon de voie d'eau intérieure présentant des risques spécifiques en Région flamande, requise conformément à l'article 6, alinéa premier, 2°, joignent les documents suivants à leur demande à De Vlaamse Waterweg nv :
1° la preuve de leur identité ;
2° les pièces justificatives démontrant qu'ils satisfont aux exigences de compétence en matière de risques spécifiques pour le tronçon de voie d'eau intérieure spécifique pour lequel l'autorisation est requise, telles que visées à l'article 28 ;
3° les pièces justificatives démontrant qu'ils répondent à l'une des conditions suivantes :
a) être titulaire d'un certificat de qualification de conducteur de bateau de l'Union délivré conformément aux articles 11 à 14, ou d'un certificat reconnu conformément à l'article 10, paragraphe 2 ou 3 ;
b) satisfaire aux exigences minimales des certificats de qualification de l'Union pour les conducteurs figurant à l'annexe A1 jointe au présent arrêté.
1° la preuve de leur identité ;
2° les pièces justificatives démontrant qu'ils satisfont aux exigences de compétence en matière de risques spécifiques pour le tronçon de voie d'eau intérieure spécifique pour lequel l'autorisation est requise, telles que visées à l'article 28 ;
3° les pièces justificatives démontrant qu'ils répondent à l'une des conditions suivantes :
a) être titulaire d'un certificat de qualification de conducteur de bateau de l'Union délivré conformément aux articles 11 à 14, ou d'un certificat reconnu conformément à l'article 10, paragraphe 2 ou 3 ;
b) satisfaire aux exigences minimales des certificats de qualification de l'Union pour les conducteurs figurant à l'annexe A1 jointe au présent arrêté.
Art. 17. In afwijking van artikel 15 voegen aanvragers van een specifieke vergunning om op een binnenwatertraject met specifieke risico's in een andere lidstaat of een ander gewest te varen, de volgende documenten bij hun aanvraag bij De Vlaamse Waterweg nv:
1° bewijs van hun identiteit;
2° bewijsstukken die aantonen dat ze voldoen aan de competentievereisten voor specifieke risico's voor het specifieke binnenwatertraject waarvoor de vergunning vereist is die de lidstaat of het gewest in kwestie bepaalt;
3° bewijsstukken die aantonen dat ze voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
a) beschikken over een kwalificatiecertificaat van de Unie voor schippers dat is afgegeven conform artikel 11 tot en met 14, of een certificaat dat is erkend conform artikel 10, § 2 of § 3;
b) voldoen aan de minimumeisen voor kwalificatiecertificaten van de Unie voor schippers, vermeld in bijlage A1 die bij dit besluit is gevoegd.
1° bewijs van hun identiteit;
2° bewijsstukken die aantonen dat ze voldoen aan de competentievereisten voor specifieke risico's voor het specifieke binnenwatertraject waarvoor de vergunning vereist is die de lidstaat of het gewest in kwestie bepaalt;
3° bewijsstukken die aantonen dat ze voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
a) beschikken over een kwalificatiecertificaat van de Unie voor schippers dat is afgegeven conform artikel 11 tot en met 14, of een certificaat dat is erkend conform artikel 10, § 2 of § 3;
b) voldoen aan de minimumeisen voor kwalificatiecertificaten van de Unie voor schippers, vermeld in bijlage A1 die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 17. Par dérogation à l'article 15, les demandeurs d'une autorisation spécifique pour naviguer sur un tronçon de voie navigable présentant des risques spécifiques dans un autre Etat membre ou une autre région joignent les documents suivants à leur demande à De Vlaamse Waterweg nv :
1° la preuve de leur identité ;
2° les pièces justificatives démontrant qu'ils satisfont aux exigences de compétence en matière de risques spécifiques pour le tronçon de voie d'eau intérieure spécifique pour lequel l'autorisation est requise, fixées par l'Etat membre ou la région concernée ;
3° les pièces justificatives démontrant qu'ils répondent à l'une des conditions suivantes :
a) être titulaire d'un certificat de qualification de conducteur de bateau de l'Union délivré conformément aux articles 11 à 14, ou d'un certificat reconnu conformément à l'article 10, paragraphe 2 ou 3 ;
b) satisfaire aux exigences minimales des certificats de qualification de l'Union pour les conducteurs figurant à l'annexe A1 jointe au présent arrêté.
1° la preuve de leur identité ;
2° les pièces justificatives démontrant qu'ils satisfont aux exigences de compétence en matière de risques spécifiques pour le tronçon de voie d'eau intérieure spécifique pour lequel l'autorisation est requise, fixées par l'Etat membre ou la région concernée ;
3° les pièces justificatives démontrant qu'ils répondent à l'une des conditions suivantes :
a) être titulaire d'un certificat de qualification de conducteur de bateau de l'Union délivré conformément aux articles 11 à 14, ou d'un certificat reconnu conformément à l'article 10, paragraphe 2 ou 3 ;
b) satisfaire aux exigences minimales des certificats de qualification de l'Union pour les conducteurs figurant à l'annexe A1 jointe au présent arrêté.
Art. 18. Nadat De Vlaamse Waterweg nv de echtheid en de geldigheid van de documenten, vermeld in artikel in artikel 15 tot 17 heeft gecontroleerd, geeft hij de vergunningen, vermeld in artikel 15 tot 17, af.
Art. 18. Après que De Vlaamse Waterweg nv a vérifié l'authenticité et la validité des documents visés aux articles 15 à 17, elle délivre les autorisations visées aux articles 15 à 17.
Art. 19. De Vlaamse Waterweg nv specificeert alle specifieke vergunningen, vermeld in artikel 6, op de kwalificatiecertificaten van de Unie die hij uitgeeft.
De geldigheid van een specifieke vergunning als vermeld in het eerste lid, eindigt als de geldigheid van het kwalificatiecertificaat van de Unie eindigt.
De geldigheid van een specifieke vergunning als vermeld in het eerste lid, eindigt als de geldigheid van het kwalificatiecertificaat van de Unie eindigt.
Art. 19. De Vlaamse Waterweg nv indique toutes les autorisations spécifiques, visées à l'article 6, sur les certificats de qualification de l'Union qu'elle délivre.
La validité d'une autorisation spécifique visée à l'alinéa premier prend fin à l'expiration de la validité du certificat de qualification de l'Union.
La validité d'une autorisation spécifique visée à l'alinéa premier prend fin à l'expiration de la validité du certificat de qualification de l'Union.
Art. 20. In afwijking van artikel 19 wordt de specifieke vergunning, vermeld in artikel 6, eerste lid, 4°, afgegeven als een kwalificatiecertificaat van de Unie voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas. Deze vergunning is maximaal vijf jaar geldig.
Art. 20. Par dérogation à l'article 19, l'autorisation spécifique visée à l'article 6, alinéa premier, 4°, est délivrée en tant que certificat de qualification de l'Union pour les experts en gaz naturel liquéfié. Cette autorisation est valable pour une durée de cinq ans maximum.
Art. 21. Nadat de geldigheidsduur van een kwalificatiecertificaat van de Unie is verstreken, verlengt De Vlaamse Waterweg nv in de volgende gevallen op verzoek het certificaat en, in voorkomend geval, de daarin vervatte specifieke vergunningen:
1° voor de kwalificatiecertificaten van de Unie voor dekbemanningsleden en voor andere specifieke vergunningen dan de specifieke vergunningen, vermeld in artikel 6, eerste lid, 4°, bezorgen de aanvragers de documenten, vermeld in artikel 11, 1° en 3° ;
2° voor de kwalificatiecertificaten van de Unie voor specifieke activiteiten bezorgen de aanvragers de documenten, vermeld in artikel 11, 1° en 2°.
1° voor de kwalificatiecertificaten van de Unie voor dekbemanningsleden en voor andere specifieke vergunningen dan de specifieke vergunningen, vermeld in artikel 6, eerste lid, 4°, bezorgen de aanvragers de documenten, vermeld in artikel 11, 1° en 3° ;
2° voor de kwalificatiecertificaten van de Unie voor specifieke activiteiten bezorgen de aanvragers de documenten, vermeld in artikel 11, 1° en 2°.
Art. 21. Après l'expiration de la période de validité d'un certificat de qualification de l'Union, De Vlaamse Waterweg nv prolongera, sur demande, le certificat et, le cas échéant, les autorisations spécifiques qu'il contient, dans les cas suivants :
1° pour les certificats de qualification de l'Union destinés aux membres d'équipage de pont et pour les autorisations spécifiques autres que celles visées à l'article 6, alinéa premier, 4°, les demandeurs fournissent les documents visés à l'article 11, 1° et 3° ;
2° pour les certificats de qualification de l'Union pour des activités spécifiques, les demandeurs fournissent les documents visés à l'article 11, 1° et 2°.
1° pour les certificats de qualification de l'Union destinés aux membres d'équipage de pont et pour les autorisations spécifiques autres que celles visées à l'article 6, alinéa premier, 4°, les demandeurs fournissent les documents visés à l'article 11, 1° et 3° ;
2° pour les certificats de qualification de l'Union pour des activités spécifiques, les demandeurs fournissent les documents visés à l'article 11, 1° et 2°.
Art. 22. § 1. Als er aanwijzingen zijn dat de houder van een kwalificatiecertificaat van de Unie of specifieke vergunning die De Vlaamse Waterweg nv heeft afgegeven, niet langer aan de bijbehorende eisen voldoet, voert De Vlaamse Waterweg nv alle noodzakelijke beoordelingen uit en trekt hij in voorkomend geval het certificaat of de specifieke vergunning in.
§ 2. De Vlaamse Waterweg nv kan een kwalificatiecertificaat van de Unie die hij zelf heeft afgegeven of die een andere lidstaat of een ander gewest heeft afgegeven, tijdelijk schorsen als dat nodig is om redenen van veiligheid of openbare orde.
Als een lidstaat als vermeld in artikel 39, lid 3, van de richtlijn verzoekt om de schorsing te overwegen van een kwalificatiecertificaat van de Unie die De Vlaamse Waterweg nv heeft afgegeven, onderzoekt De Vlaamse Waterweg nv dat verzoek en brengt hij de verzoekende instantie op de hoogte van zijn beslissing.
§ 3. De schorsingen en intrekkingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden zonder onnodige vertraging in de ECDB geregistreerd.
§ 2. De Vlaamse Waterweg nv kan een kwalificatiecertificaat van de Unie die hij zelf heeft afgegeven of die een andere lidstaat of een ander gewest heeft afgegeven, tijdelijk schorsen als dat nodig is om redenen van veiligheid of openbare orde.
Als een lidstaat als vermeld in artikel 39, lid 3, van de richtlijn verzoekt om de schorsing te overwegen van een kwalificatiecertificaat van de Unie die De Vlaamse Waterweg nv heeft afgegeven, onderzoekt De Vlaamse Waterweg nv dat verzoek en brengt hij de verzoekende instantie op de hoogte van zijn beslissing.
§ 3. De schorsingen en intrekkingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden zonder onnodige vertraging in de ECDB geregistreerd.
Art. 22. § 1er. S'il existe des indications selon lesquelles le titulaire d'un certificat de qualification de l'Union ou d'une autorisation spécifique délivré par De Vlaamse Waterweg nv ne remplit plus les exigences correspondantes, De Vlaamse Waterweg nv effectue toutes les évaluations nécessaires et retire le certificat ou l'autorisation spécifique selon le cas.
§ 2. De Vlaamse Waterweg nv peut suspendre temporairement un certificat de qualification de l'Union qu'elle a délivré elle-même ou qui a été délivré par un autre Etat membre ou une autre région, si tel s'avère nécessaire pour des raisons de sécurité ou d'ordre public.
Lorsqu'un Etat membre visé à l'article 39, paragraphe 3, de la directive demande de considérer la suspension d'un certificat de qualification de l'Union délivré par De Vlaamse Waterweg nv, De Vlaamse Waterweg nv examine cette demande et informe l'instance requérante de sa décision.
§ 3. Les suspensions et retraits visés aux paragraphes 1er et 2 sont enregistrés dans l'ECDB sans délai indu.
§ 2. De Vlaamse Waterweg nv peut suspendre temporairement un certificat de qualification de l'Union qu'elle a délivré elle-même ou qui a été délivré par un autre Etat membre ou une autre région, si tel s'avère nécessaire pour des raisons de sécurité ou d'ordre public.
Lorsqu'un Etat membre visé à l'article 39, paragraphe 3, de la directive demande de considérer la suspension d'un certificat de qualification de l'Union délivré par De Vlaamse Waterweg nv, De Vlaamse Waterweg nv examine cette demande et informe l'instance requérante de sa décision.
§ 3. Les suspensions et retraits visés aux paragraphes 1er et 2 sont enregistrés dans l'ECDB sans délai indu.
Afdeling 2. - Competenties
Section 2. - Compétences
Art. 23. De personen, vermeld in artikel 4, 5 en 6, beschikken over de competenties en bijbehorende kennis en vaardigheden, vermeld in bijlage A2 en B1, die bij dit besluit zijn gevoegd.
Art. 23. Les personnes, visées aux articles 4, 5 et 6, possèdent les compétences et les connaissances et aptitudes correspondantes, visées aux annexes A2 et B1 jointes au présent arrêté.
Art. 24. Als dat van toepassing is, tonen de personen die een aanvraag indienen voor een kwalificatiecertificaat van de Unie of een specifieke vergunning, op een van de volgende wijzen aan dat ze voldoen aan de toepasselijke competentienormen, vermeld in bijlage A2 en B1, die bij dit besluit zijn gevoegd:
1° door te slagen voor een examen dat is georganiseerd onder verantwoordelijkheid van De Vlaamse Waterweg nv of van een andere lidstaat of een ander gewest;
2° door te slagen voor een examen dat een onderdeel is van een opleidingsprogramma dat conform artikel 27 is goedgekeurd of een opleidingsprogramma dat door een andere lidstaat of een ander gewest is goedgekeurd.
1° door te slagen voor een examen dat is georganiseerd onder verantwoordelijkheid van De Vlaamse Waterweg nv of van een andere lidstaat of een ander gewest;
2° door te slagen voor een examen dat een onderdeel is van een opleidingsprogramma dat conform artikel 27 is goedgekeurd of een opleidingsprogramma dat door een andere lidstaat of een ander gewest is goedgekeurd.
Art. 24. Le cas échéant, les personnes qui introduisent une demande de certificat de qualification de l'Union ou d'autorisation spécifique démontrent leur conformité aux normes de compétence applicables, visées dans les annexes A2 et B1 jointes au présent arrêté, par l'un des moyens suivants :
1° par la réussite d'un examen organisé sous la responsabilité de De Vlaamse Waterweg nv ou d'un autre Etat membre ou d'une autre région ;
2° par la réussite d'un examen faisant partie d'un programme de formation approuvé conformément à l'article 27 ou d'un programme de formation approuvé par un autre Etat membre ou une autre région.
1° par la réussite d'un examen organisé sous la responsabilité de De Vlaamse Waterweg nv ou d'un autre Etat membre ou d'une autre région ;
2° par la réussite d'un examen faisant partie d'un programme de formation approuvé conformément à l'article 27 ou d'un programme de formation approuvé par un autre Etat membre ou une autre région.
Art. 25. Het aantonen dat is voldaan aan de competentienormen omvat onder meer het slagen voor een praktijkexamen voor het verkrijgen van:
1° een kwalificatiecertificaat van de Unie voor schippers;
2° een specifieke vergunning voor het varen met behulp van een radar als bedoeld in artikel 6, 3° ;
3° een kwalificatiecertificaat van de Unie voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas;
4° een kwalificatiecertificaat van de Unie voor deskundigen voor de passagiersvaart.
De praktijkexamens om kwalificatiecertificaat van de Unie of een specifieke vergunning als vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, te verkrijgen, kunnen plaatsvinden aan boord van een vaartuig of op een simulator die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 30. De praktijkexamens om de documenten, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, te verkrijgen, kunnen aan boord van een vaartuig of een passende walinstallatie plaatsvinden.
De praktijkexamens, vermeld in dit artikel, voldoen aan de normen, vermeld in bijlage B2, die bij dit besluit is gevoegd.
1° een kwalificatiecertificaat van de Unie voor schippers;
2° een specifieke vergunning voor het varen met behulp van een radar als bedoeld in artikel 6, 3° ;
3° een kwalificatiecertificaat van de Unie voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas;
4° een kwalificatiecertificaat van de Unie voor deskundigen voor de passagiersvaart.
De praktijkexamens om kwalificatiecertificaat van de Unie of een specifieke vergunning als vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, te verkrijgen, kunnen plaatsvinden aan boord van een vaartuig of op een simulator die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 30. De praktijkexamens om de documenten, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, te verkrijgen, kunnen aan boord van een vaartuig of een passende walinstallatie plaatsvinden.
De praktijkexamens, vermeld in dit artikel, voldoen aan de normen, vermeld in bijlage B2, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 25. La démonstration du respect des normes de compétence comprend notamment la réussite d'un examen pratique en vue de l'obtention :
1° d'un certificat de qualification de l'Union pour les conducteurs ;
2° d'une autorisation spécifique pour la navigation au radar telle que visée à l'article 6, 3° ;
3° d'un certificat de qualification de l'Union pour les experts en gaz naturel liquéfié ;
4° d'un certificat de qualification de l'Union pour les experts en matière de navigation avec passagers.
Les examens pratiques en vue de l'obtention d'un certificat de qualification de l'Union ou d'une autorisation spécifique, tels que visés à l'alinéa premier, 1° et 2°, peuvent se dérouler à bord d'un bâtiment ou sur un simulateur répondant aux exigences visées à l'article 30. Les examens pratiques en vue de l'obtention des documents visés à l'alinéa premier, 3° et 4°, peuvent avoir lieu à bord d'un bâtiment ou dans une installation à terre appropriée.
Les examens pratiques, visés au présent article, remplissent les normes visées à l'annexe B2 jointe au présent arrêté.
1° d'un certificat de qualification de l'Union pour les conducteurs ;
2° d'une autorisation spécifique pour la navigation au radar telle que visée à l'article 6, 3° ;
3° d'un certificat de qualification de l'Union pour les experts en gaz naturel liquéfié ;
4° d'un certificat de qualification de l'Union pour les experts en matière de navigation avec passagers.
Les examens pratiques en vue de l'obtention d'un certificat de qualification de l'Union ou d'une autorisation spécifique, tels que visés à l'alinéa premier, 1° et 2°, peuvent se dérouler à bord d'un bâtiment ou sur un simulateur répondant aux exigences visées à l'article 30. Les examens pratiques en vue de l'obtention des documents visés à l'alinéa premier, 3° et 4°, peuvent avoir lieu à bord d'un bâtiment ou dans une installation à terre appropriée.
Les examens pratiques, visés au présent article, remplissent les normes visées à l'annexe B2 jointe au présent arrêté.
Art. 26. De Vlaamse Waterweg nv zorgt ervoor dat de examens, vermeld in artikel 24, die onder zijn verantwoordelijkheid worden georganiseerd, worden afgenomen door examinatoren die gekwalificeerd zijn om de competenties en de bijbehorende kennis en vaardigheden, vermeld in artikel 23, te beoordelen.
De Vlaamse Waterweg nv geeft een praktijkdiploma af aan aanvragers die het praktijkexamen, vermeld in artikel 25, hebben afgelegd, als dat examen heeft plaatsgevonden op een simulator die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 30, en als de aanvrager om dat diploma heeft verzocht.
De praktijkdiploma's worden afgegeven conform het model, opgenomen in bijlage III bij de uitvoeringsverordening (EU) 2020/182 van de Commissie van 14 januari 2020 betreffende modellen voor beroepskwalificaties in de binnenvaart.
De praktijkdiploma's die een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat of van een ander gewest afgeeft, worden zonder verdere vereisten of beoordelingen als gelijkwaardig erkend.
Bij schriftelijke of computergebaseerde examens kan De Vlaamse Waterweg nv het examen laten afnemen door een bevoegde supervisor in plaats van een examinator.
Examinatoren en supervisoren die een belang hebben bij het resultaat van een examen, onthouden zich van elke tussenkomst bij dat examen en laten zich door De Vlaamse Waterweg nv vervangen.
[1 De Vlaamse Waterweg nv kan voor de deelname aan de examens die onder haar verantwoordelijkheid worden georganiseerd, of aan onderdelen ervan, toelatingsvoorwaarden opleggen. De voormelde toelatingsvoorwaarden hebben betrekking op:
1° de naleving van administratieve voorschriften, met name de betaling van de retributie, vermeld in artikel 32/1;
2° de eerder aangetoonde competenties, kennis en vaardigheden van de deelnemer waarop examenonderdelen die door het Europees Comité voor de opstelling van standaarden voor de binnenvaart worden vastgesteld in de standaarden voor geharmoniseerde praktijkexamens op Europees vlak, betrekking hebben. De Vlaamse Waterweg nv kan ook nadere regels vaststellen over de volgende zaken:
1° het verloop en de inhoud van de examens;
2° algemeen geldende vrijstellingen van examenonderdelen voor wie eerder heeft aangetoond over de competenties, kennis en vaardigheden te beschikken waarop die examenonderdelen betrekking hebben;
3° de mogelijkheid om op grond van eerder aangetoonde competenties, kennis en vaardigheden waarop examenonderdelen betrekking hebben, individuele vrijstellingen van die examenonderdelen te verkrijgen;
4° de mogelijkheid om examenonderdelen meer dan één keer af te leggen als de deelnemer bij een eerste poging niet geslaagd is;
5° de uitreiking van diploma's of getuigschriften als de deelnemer voor een examen of examenonderdeel geslaagd is.
Het zevende lid is van overeenkomstige toepassing op de examens die worden georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van De Vlaamse Waterweg nv op grond van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn en op grond van de Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren.]1
De Vlaamse Waterweg nv geeft een praktijkdiploma af aan aanvragers die het praktijkexamen, vermeld in artikel 25, hebben afgelegd, als dat examen heeft plaatsgevonden op een simulator die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 30, en als de aanvrager om dat diploma heeft verzocht.
De praktijkdiploma's worden afgegeven conform het model, opgenomen in bijlage III bij de uitvoeringsverordening (EU) 2020/182 van de Commissie van 14 januari 2020 betreffende modellen voor beroepskwalificaties in de binnenvaart.
De praktijkdiploma's die een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat of van een ander gewest afgeeft, worden zonder verdere vereisten of beoordelingen als gelijkwaardig erkend.
Bij schriftelijke of computergebaseerde examens kan De Vlaamse Waterweg nv het examen laten afnemen door een bevoegde supervisor in plaats van een examinator.
Examinatoren en supervisoren die een belang hebben bij het resultaat van een examen, onthouden zich van elke tussenkomst bij dat examen en laten zich door De Vlaamse Waterweg nv vervangen.
[1 De Vlaamse Waterweg nv kan voor de deelname aan de examens die onder haar verantwoordelijkheid worden georganiseerd, of aan onderdelen ervan, toelatingsvoorwaarden opleggen. De voormelde toelatingsvoorwaarden hebben betrekking op:
1° de naleving van administratieve voorschriften, met name de betaling van de retributie, vermeld in artikel 32/1;
2° de eerder aangetoonde competenties, kennis en vaardigheden van de deelnemer waarop examenonderdelen die door het Europees Comité voor de opstelling van standaarden voor de binnenvaart worden vastgesteld in de standaarden voor geharmoniseerde praktijkexamens op Europees vlak, betrekking hebben. De Vlaamse Waterweg nv kan ook nadere regels vaststellen over de volgende zaken:
1° het verloop en de inhoud van de examens;
2° algemeen geldende vrijstellingen van examenonderdelen voor wie eerder heeft aangetoond over de competenties, kennis en vaardigheden te beschikken waarop die examenonderdelen betrekking hebben;
3° de mogelijkheid om op grond van eerder aangetoonde competenties, kennis en vaardigheden waarop examenonderdelen betrekking hebben, individuele vrijstellingen van die examenonderdelen te verkrijgen;
4° de mogelijkheid om examenonderdelen meer dan één keer af te leggen als de deelnemer bij een eerste poging niet geslaagd is;
5° de uitreiking van diploma's of getuigschriften als de deelnemer voor een examen of examenonderdeel geslaagd is.
Het zevende lid is van overeenkomstige toepassing op de examens die worden georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van De Vlaamse Waterweg nv op grond van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn en op grond van de Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren.]1
Modifications
Art. 26. De Vlaamse Waterweg nv veille à ce que les examens visés à l'article 24, qui sont organisés sous sa responsabilité, soient réalisés par des examinateurs qualifiés pour évaluer les compétences et les connaissances et aptitudes correspondantes visées à l'article 23.
De Vlaamse Waterweg nv délivre un certificat d'examen pratique aux candidats qui ont réussi l'examen pratique, visé à l'article 25, si cet examen a été effectué sur un simulateur répondant aux exigences visées à l'article 30, et si le candidat a demandé ce certificat.
Les certificats d'examen pratique sont délivrés conformément au modèle figurant à l'annexe III du règlement d'exécution (UE) 2020/182 de la commission du 14 janvier 2020 sur les modèles relatifs aux qualifications professionnelles dans le domaine de la navigation intérieure.
Les certificats d'examen pratique délivrés par une autorité compétente d'un autre Etat membre ou d'une autre région sont reconnus comme équivalents sans autres exigences ou évaluations.
En cas d'examens écrits ou sur ordinateur, De Vlaamse Waterweg nv peut faire réaliser l'examen par un superviseur qualifié au lieu d'un examinateur.
Les examinateurs et superviseurs qui ont un intérêt dans le résultat d'un examen s'abstiennent de toute intervention dans cet examen et se font remplacer par De Vlaamse Waterweg nv.
[1 De Vlaamse Waterweg SA peut subordonner la participation aux examens organisés sous sa responsabilité ou à des éléments de ceux-ci à des conditions d'admission. Les conditions d'admission précitées portent sur :
1° le respect des prescriptions administratives, à savoir le paiement de la rétribution mentionnée à l'article 32/1 ;
2° les compétences, connaissances et aptitudes préalablement démontrées du participant sur lesquelles portent les épreuves établies par le Comité européen pour l'élaboration de standards dans le domaine de la navigation intérieure dans les standards pour des examens pratiques harmonisés à l'échelle européenne. De Vlaamse Waterweg SA peut également adopter des règles supplémentaires concernant les aspects suivants :
1° le déroulement et le contenu des examens ;
2° des dispenses générales d'épreuves pour quiconque a démontré disposer des compétences, connaissances et aptitudes sur lesquelles portent ces épreuves ;
3° la possibilité d'obtenir, sur la base de compétences, connaissances et aptitudes préalablement démontrées sur lesquelles portent les épreuves, des dispenses individuelles de ces épreuves ;
4° la possibilité de présenter des épreuves plus d'une fois lorsque le participant a échoué à la première tentative ;
5° la délivrance de diplômes ou de certificats lorsque le participant a réussi un examen ou une épreuve.
L'alinéa 7 s'applique par analogie aux examens organisés sous la responsabilité de De Vlaamse Waterweg SA sur la base du règlement relatif au personnel de la navigation sur le Rhin et sur la base de l'accord européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par voies de navigation intérieure.]1
De Vlaamse Waterweg nv délivre un certificat d'examen pratique aux candidats qui ont réussi l'examen pratique, visé à l'article 25, si cet examen a été effectué sur un simulateur répondant aux exigences visées à l'article 30, et si le candidat a demandé ce certificat.
Les certificats d'examen pratique sont délivrés conformément au modèle figurant à l'annexe III du règlement d'exécution (UE) 2020/182 de la commission du 14 janvier 2020 sur les modèles relatifs aux qualifications professionnelles dans le domaine de la navigation intérieure.
Les certificats d'examen pratique délivrés par une autorité compétente d'un autre Etat membre ou d'une autre région sont reconnus comme équivalents sans autres exigences ou évaluations.
En cas d'examens écrits ou sur ordinateur, De Vlaamse Waterweg nv peut faire réaliser l'examen par un superviseur qualifié au lieu d'un examinateur.
Les examinateurs et superviseurs qui ont un intérêt dans le résultat d'un examen s'abstiennent de toute intervention dans cet examen et se font remplacer par De Vlaamse Waterweg nv.
[1 De Vlaamse Waterweg SA peut subordonner la participation aux examens organisés sous sa responsabilité ou à des éléments de ceux-ci à des conditions d'admission. Les conditions d'admission précitées portent sur :
1° le respect des prescriptions administratives, à savoir le paiement de la rétribution mentionnée à l'article 32/1 ;
2° les compétences, connaissances et aptitudes préalablement démontrées du participant sur lesquelles portent les épreuves établies par le Comité européen pour l'élaboration de standards dans le domaine de la navigation intérieure dans les standards pour des examens pratiques harmonisés à l'échelle européenne. De Vlaamse Waterweg SA peut également adopter des règles supplémentaires concernant les aspects suivants :
1° le déroulement et le contenu des examens ;
2° des dispenses générales d'épreuves pour quiconque a démontré disposer des compétences, connaissances et aptitudes sur lesquelles portent ces épreuves ;
3° la possibilité d'obtenir, sur la base de compétences, connaissances et aptitudes préalablement démontrées sur lesquelles portent les épreuves, des dispenses individuelles de ces épreuves ;
4° la possibilité de présenter des épreuves plus d'une fois lorsque le participant a échoué à la première tentative ;
5° la délivrance de diplômes ou de certificats lorsque le participant a réussi un examen ou une épreuve.
L'alinéa 7 s'applique par analogie aux examens organisés sous la responsabilité de De Vlaamse Waterweg SA sur la base du règlement relatif au personnel de la navigation sur le Rhin et sur la base de l'accord européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par voies de navigation intérieure.]1
Modifications
Art. 27. § 1. De opleidingsprogramma's waarmee een diploma of certificaat kan worden behaald om de naleving van de competentienormen, vermeld in bijlage A2 en B1, die bij dit besluit zijn gevoegd, te bewijzen voor de personen, vermeld in de artikel 4, 5 en 6, worden goedgekeurd door de minister, of de gemachtigde van de minister.
De kwaliteitsbeoordeling en -bewaking van de opleidingsprogramma's wordt gewaarborgd door de toepassing van een nationale of internationale kwaliteitsnorm conform artikel 35.
§ 2. De opleidingsprogramma's worden alleen goedgekeurd als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de opleidingsdoelstellingen, leerinhoud, methoden, hulpmiddelen voor kennisoverdracht, procedures, met inbegrip van, in voorkomend geval, het gebruik van simulatoren, en het cursusmateriaal zijn naar behoren gedocumenteerd en stellen de aanvragers in staat om de competentienormen, vermeld in bijlage A2 en B1, die bij dit besluit zijn gevoegd, te bereiken;
2° de programma's om de competenties in kwestie te beoordelen, worden uitgevoerd door gekwalificeerde personen met een diepgaande kennis van het opleidingsprogramma;
3° via een examen dat wordt afgenomen door gekwalificeerde examinatoren die vrij zijn van belangenconflicten, wordt gecontroleerd of aan de competentienormen, vermeld in bijlage A2 en B1, die bij dit besluit zijn gevoegd, is voldaan.
De minister kan de procedure voor de goedkeuring van opleidingsprogramma's vastleggen.
§ 3. De minister of de gemachtigde van de minister trekt de goedkeuring van opleidingsprogramma's in of schorst die goedkeuring als die opleidingsprogramma's niet langer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2.
§ 4. De diploma's of certificaten die worden uitgereikt na het voltooien van door andere lidstaten overeenkomstig artikel 19, lid 1 van de richtlijn goedgekeurde opleidingsprogramma's, worden als gelijkwaardig erkend.
§ 5. De minister deelt de lijst van goedgekeurde opleidingsprogramma's en alle opleidingsprogramma's waarvan de goedkeuring is ingetrokken of geschorst, mee aan de Europese Commissie. Op de lijst die daarvoor wordt doorgestuurd, staan al de volgende gegevens:
1° de naam van het opleidingsprogramma;
2° de titels van de diploma's of certificaten die worden uitgereikt;
3° de autoriteit die de diploma's of certificaten uitreikt;
4° het jaar van inwerkingtreding van de goedkeuring;
5° de relevante kwalificatie en alle specifieke vergunningen waartoe de diploma's of certificaten toegang geven.
De kwaliteitsbeoordeling en -bewaking van de opleidingsprogramma's wordt gewaarborgd door de toepassing van een nationale of internationale kwaliteitsnorm conform artikel 35.
§ 2. De opleidingsprogramma's worden alleen goedgekeurd als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de opleidingsdoelstellingen, leerinhoud, methoden, hulpmiddelen voor kennisoverdracht, procedures, met inbegrip van, in voorkomend geval, het gebruik van simulatoren, en het cursusmateriaal zijn naar behoren gedocumenteerd en stellen de aanvragers in staat om de competentienormen, vermeld in bijlage A2 en B1, die bij dit besluit zijn gevoegd, te bereiken;
2° de programma's om de competenties in kwestie te beoordelen, worden uitgevoerd door gekwalificeerde personen met een diepgaande kennis van het opleidingsprogramma;
3° via een examen dat wordt afgenomen door gekwalificeerde examinatoren die vrij zijn van belangenconflicten, wordt gecontroleerd of aan de competentienormen, vermeld in bijlage A2 en B1, die bij dit besluit zijn gevoegd, is voldaan.
De minister kan de procedure voor de goedkeuring van opleidingsprogramma's vastleggen.
§ 3. De minister of de gemachtigde van de minister trekt de goedkeuring van opleidingsprogramma's in of schorst die goedkeuring als die opleidingsprogramma's niet langer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2.
§ 4. De diploma's of certificaten die worden uitgereikt na het voltooien van door andere lidstaten overeenkomstig artikel 19, lid 1 van de richtlijn goedgekeurde opleidingsprogramma's, worden als gelijkwaardig erkend.
§ 5. De minister deelt de lijst van goedgekeurde opleidingsprogramma's en alle opleidingsprogramma's waarvan de goedkeuring is ingetrokken of geschorst, mee aan de Europese Commissie. Op de lijst die daarvoor wordt doorgestuurd, staan al de volgende gegevens:
1° de naam van het opleidingsprogramma;
2° de titels van de diploma's of certificaten die worden uitgereikt;
3° de autoriteit die de diploma's of certificaten uitreikt;
4° het jaar van inwerkingtreding van de goedkeuring;
5° de relevante kwalificatie en alle specifieke vergunningen waartoe de diploma's of certificaten toegang geven.
Art. 27. § 1er. Les programmes de formation conduisant à l'obtention de diplômes ou de certificats attestant le respect des normes de compétence, visées dans les annexes A2 et B1, jointes au présent arrêté, pour les personnes, visées aux articles 4, 5 et 6, sont approuvés par le ministre, ou son délégué.
L'évaluation et l'assurance de la qualité des programmes de formation sont garanties par l'application d'une norme de qualité nationale ou internationale conformément à l'article 35.
§ 2. Les programmes de formation ne sont approuvés que si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° les objectifs de la formation, le contenu pédagogique, les méthodes, les moyens d'exécution, les procédures, y compris l'utilisation de simulateurs, le cas échéant, et le matériel didactique sont correctement documentés et permettent aux demandeurs d'atteindre les normes de compétence visées aux annexes A2 et B1 jointes au présent arrêté ;
2° les programmes d'évaluation des compétences utiles sont menés par des personnes qualifiées ayant une connaissance approfondie du programme de formation ;
3° un examen visant à contrôler le respect des normes de compétence, visées aux annexes A2 et B1 jointes au présent arrêté, est effectué par des examinateurs qualifiés, qui ne se trouvent pas dans des situations de conflits d'intérêts.
Le ministre peut arrêter la procédure pour l'approbation des programmes de formation.
§ 3. Le ministre ou son délégué révoque ou suspend l'approbation des programmes de formation qui ne sont plus conformes aux critères énoncés au paragraphe 2.
§ 4. Les diplômes ou certificats délivrés après avoir suivi des programmes de formation approuvés par d'autres Etats membres conformément à l'article 19, paragraphe 1, de la directive, sont reconnus comme équivalents.
§ 5. Le ministre notifie à la Commission européenne la liste des programmes de formation approuvés et de tous les programmes de formation dont l'approbation a été révoquée ou suspendue. La liste transmise à cet effet contient toutes les informations suivantes :
1° le nom du programme de formation ;
2° les intitulés des diplômes ou certificats délivrés ;
3° l'autorité qui délivre les diplômes ou certificats ;
4° l'année d'entrée en vigueur de l'approbation ;
5° les qualifications pertinentes et les éventuelles autorisations spécifiques auxquelles le diplôme ou certificat donne accès.
L'évaluation et l'assurance de la qualité des programmes de formation sont garanties par l'application d'une norme de qualité nationale ou internationale conformément à l'article 35.
§ 2. Les programmes de formation ne sont approuvés que si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° les objectifs de la formation, le contenu pédagogique, les méthodes, les moyens d'exécution, les procédures, y compris l'utilisation de simulateurs, le cas échéant, et le matériel didactique sont correctement documentés et permettent aux demandeurs d'atteindre les normes de compétence visées aux annexes A2 et B1 jointes au présent arrêté ;
2° les programmes d'évaluation des compétences utiles sont menés par des personnes qualifiées ayant une connaissance approfondie du programme de formation ;
3° un examen visant à contrôler le respect des normes de compétence, visées aux annexes A2 et B1 jointes au présent arrêté, est effectué par des examinateurs qualifiés, qui ne se trouvent pas dans des situations de conflits d'intérêts.
Le ministre peut arrêter la procédure pour l'approbation des programmes de formation.
§ 3. Le ministre ou son délégué révoque ou suspend l'approbation des programmes de formation qui ne sont plus conformes aux critères énoncés au paragraphe 2.
§ 4. Les diplômes ou certificats délivrés après avoir suivi des programmes de formation approuvés par d'autres Etats membres conformément à l'article 19, paragraphe 1, de la directive, sont reconnus comme équivalents.
§ 5. Le ministre notifie à la Commission européenne la liste des programmes de formation approuvés et de tous les programmes de formation dont l'approbation a été révoquée ou suspendue. La liste transmise à cet effet contient toutes les informations suivantes :
1° le nom du programme de formation ;
2° les intitulés des diplômes ou certificats délivrés ;
3° l'autorité qui délivre les diplômes ou certificats ;
4° l'année d'entrée en vigueur de l'approbation ;
5° les qualifications pertinentes et les éventuelles autorisations spécifiques auxquelles le diplôme ou certificat donne accès.
Art. 28. Met behoud van toepassing van artikel 23, beschikt de houder van een specifieke vergunning voor het varen op binnenwatertrajecten met specifieke risico's in het Vlaams Gewest, die is vereist conform artikel 6, eerste lid, 2°, over de aanvullende competenties die worden bepaald door de minister.
De minister specificeert de middelen waarmee schippers kunnen bewijzen dat ze voldoen aan de aanvullende competenties. Als de minister de aanvullende competenties bepaalt voor trajecten die zich bevinden in de Beneden-Zeeschelde of het kanaal Gent-Terneuzen, overlegt de minister daarover met de Permanente Commissie van Toezicht op de Scheldevaart als dat nodig is om de veiligheid te waarborgen.
Rekening houdend met de aanvullende competenties die voor het varen op binnenwatertrajecten met specifieke risico's vereist zijn, kunnen schippers op de volgende wijzen bewijzen dat ze voldoen aan deze aanvullende competenties:
1° een beperkt aantal reizen op het binnenwatertraject in kwestie uitvoeren;
2° een examen met een simulator afleggen;
3° een meerkeuze-examen afleggen;
4° een mondeling examen afleggen;
5° een combinatie van de middelen, vermeld in punt 1° tot en met 4°.
Bij de toepassing van dit artikel past de minister objectieve, transparante, niet-discriminerende en proportionele criteria toe.
De minister stelt procedures in om de competentie te beoordelen voor specifieke risico's van de aanvragers, en maakt hulpmiddelen openbaar toegankelijk, zodat schippers gemakkelijker de vereiste competentie voor specifieke risico's kunnen verwerven.
Op verzoek van andere lidstaten en andere gewesten verstrekt de minister aan die andere lidstaten en andere gewesten de nodige middelen om de beoordeling van de competentie voor specifieke risico's uit te voeren.
De minister specificeert de middelen waarmee schippers kunnen bewijzen dat ze voldoen aan de aanvullende competenties. Als de minister de aanvullende competenties bepaalt voor trajecten die zich bevinden in de Beneden-Zeeschelde of het kanaal Gent-Terneuzen, overlegt de minister daarover met de Permanente Commissie van Toezicht op de Scheldevaart als dat nodig is om de veiligheid te waarborgen.
Rekening houdend met de aanvullende competenties die voor het varen op binnenwatertrajecten met specifieke risico's vereist zijn, kunnen schippers op de volgende wijzen bewijzen dat ze voldoen aan deze aanvullende competenties:
1° een beperkt aantal reizen op het binnenwatertraject in kwestie uitvoeren;
2° een examen met een simulator afleggen;
3° een meerkeuze-examen afleggen;
4° een mondeling examen afleggen;
5° een combinatie van de middelen, vermeld in punt 1° tot en met 4°.
Bij de toepassing van dit artikel past de minister objectieve, transparante, niet-discriminerende en proportionele criteria toe.
De minister stelt procedures in om de competentie te beoordelen voor specifieke risico's van de aanvragers, en maakt hulpmiddelen openbaar toegankelijk, zodat schippers gemakkelijker de vereiste competentie voor specifieke risico's kunnen verwerven.
Op verzoek van andere lidstaten en andere gewesten verstrekt de minister aan die andere lidstaten en andere gewesten de nodige middelen om de beoordeling van de competentie voor specifieke risico's uit te voeren.
Art. 28. Sans préjudice de l'application de l'article 23, le titulaire d'une autorisation spécifique pour la navigation sur des tronçons de voies d'eau intérieures présentant des risques spécifiques en Région flamande, requise en vertu de l'article 6, alinéa premier, 2°, dispose des compétences supplémentaires déterminées par le ministre.
Le ministre précise les moyens par lesquels les conducteurs peuvent prouver qu'ils répondent aux compétences supplémentaires. Si le ministre détermine les compétences supplémentaires pour les tronçons situés dans l'Escaut inférieur ou le canal Gand-Terneuzen, le ministre se concerte à ce sujet avec la Commission permanente de Surveillance sur la Navigation sur l'Escaut si tel s'avère nécessaire en vue de garantir la sécurité.
Compte tenu des compétences supplémentaires requises pour la navigation sur des tronçons de voies d'eau intérieures présentant des risques spécifiques, les conducteurs peuvent prouver leur conformité à ces compétences supplémentaires selon les manières suivantes :
1° la réalisation d'un petit nombre de trajets sur le tronçon concerné ;
2° passer une épreuve sur simulateur;
3° passer une épreuve à choix multiple ;
4° passer une épreuve orale ;
5° une combinaison des moyens, visés aux points 1° à 4°.
Lors de l'application du présent article, le ministre utilise des critères objectifs, transparents, non discriminatoires et proportionnés.
Le ministre établit des procédures en vue d'évaluer la compétence des demandeurs en matière de risques spécifiques et met à la disposition du public des outils pour faciliter l'acquisition par les conducteurs de la compétence requise en matière de risques spécifiques.
A la demande d'autres Etats membres et d'autres régions, le ministre fournit à ces autres Etats membres et à ces autres régions les moyens nécessaires pour procéder à l'évaluation des compétences en matière de risques spécifiques.
Le ministre précise les moyens par lesquels les conducteurs peuvent prouver qu'ils répondent aux compétences supplémentaires. Si le ministre détermine les compétences supplémentaires pour les tronçons situés dans l'Escaut inférieur ou le canal Gand-Terneuzen, le ministre se concerte à ce sujet avec la Commission permanente de Surveillance sur la Navigation sur l'Escaut si tel s'avère nécessaire en vue de garantir la sécurité.
Compte tenu des compétences supplémentaires requises pour la navigation sur des tronçons de voies d'eau intérieures présentant des risques spécifiques, les conducteurs peuvent prouver leur conformité à ces compétences supplémentaires selon les manières suivantes :
1° la réalisation d'un petit nombre de trajets sur le tronçon concerné ;
2° passer une épreuve sur simulateur;
3° passer une épreuve à choix multiple ;
4° passer une épreuve orale ;
5° une combinaison des moyens, visés aux points 1° à 4°.
Lors de l'application du présent article, le ministre utilise des critères objectifs, transparents, non discriminatoires et proportionnés.
Le ministre établit des procédures en vue d'évaluer la compétence des demandeurs en matière de risques spécifiques et met à la disposition du public des outils pour faciliter l'acquisition par les conducteurs de la compétence requise en matière de risques spécifiques.
A la demande d'autres Etats membres et d'autres régions, le ministre fournit à ces autres Etats membres et à ces autres régions les moyens nécessaires pour procéder à l'évaluation des compétences en matière de risques spécifiques.
Art. 29. In afwijking van artikel 23 laten aanvragers van een specifieke vergunning voor het varen op een binnenwatertraject met specifieke risico's in een andere lidstaat of een ander gewest het feit dat ze voldoen aan de competentievereisten voor specifieke risico's die de lidstaat of het gewest in kwestie heeft bepaald, beoordelen en laten ze daarvan een bewijsstuk opstellen door een van de volgende instanties:
1° de lidstaat of het gewest in kwestie;
2° De Vlaamse Waterweg nv als de lidstaat of het gewest in kwestie daarvoor toestemming geeft;
3° een andere lidstaat of een ander gewest als de lidstaat of het gewest in kwestie daarvoor toestemming geeft.
In het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt de beoordeling uitgevoerd aan de hand van de middelen waarmee schippers kunnen bewijzen dat ze voldoen aan de eisen die de lidstaat of het gewest heeft gespecificeerd. Als De Vlaamse Waterweg nv niet over de nodige middelen beschikt om die beoordeling uit te voeren, wijst hij het verzoek om de competentie te beoordelen af.
1° de lidstaat of het gewest in kwestie;
2° De Vlaamse Waterweg nv als de lidstaat of het gewest in kwestie daarvoor toestemming geeft;
3° een andere lidstaat of een ander gewest als de lidstaat of het gewest in kwestie daarvoor toestemming geeft.
In het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt de beoordeling uitgevoerd aan de hand van de middelen waarmee schippers kunnen bewijzen dat ze voldoen aan de eisen die de lidstaat of het gewest heeft gespecificeerd. Als De Vlaamse Waterweg nv niet over de nodige middelen beschikt om die beoordeling uit te voeren, wijst hij het verzoek om de competentie te beoordelen af.
Art. 29. Par dérogation à l'article 23, les demandeurs d'une autorisation spécifique de naviguer sur un tronçon de voie d'eau intérieure présentant des risques spécifiques dans un autre Etat membre ou une autre région font évaluer et certifier leur conformité aux exigences de compétence en matière de risques spécifiques fixées par l'Etat membre ou la région en question par l'un des organismes suivants :
1° l'Etat membre ou la région en question ;
2° De Vlaamse Waterweg nv si l'Etat membre ou la région en question l'autorise ;
3° un autre Etat membre ou une autre région si l'Etat membre ou la région en question l'autorise.
Dans le cas visé à l'alinéa premier, 2°, l'évaluation est effectuée par les moyens par lesquels les conducteurs peuvent prouver qu'ils satisfont aux exigences spécifiées par l'Etat membre ou la région. Si De Vlaamse Waterweg nv ne dispose pas des moyens nécessaires pour procéder à une telle évaluation, elle rejette la demande d'évaluation des compétences.
1° l'Etat membre ou la région en question ;
2° De Vlaamse Waterweg nv si l'Etat membre ou la région en question l'autorise ;
3° un autre Etat membre ou une autre région si l'Etat membre ou la région en question l'autorise.
Dans le cas visé à l'alinéa premier, 2°, l'évaluation est effectuée par les moyens par lesquels les conducteurs peuvent prouver qu'ils satisfont aux exigences spécifiées par l'Etat membre ou la région. Si De Vlaamse Waterweg nv ne dispose pas des moyens nécessaires pour procéder à une telle évaluation, elle rejette la demande d'évaluation des compétences.
Art. 30. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder Departement Mobiliteit en Openbare Werken: het departement, vermeld in artikel 28, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie.
§ 2. De simulatoren die voor competentiebeoordeling worden gebruikt, worden goedgekeurd door de minister, of door de gemachtigde van de minister.
§ 3. De entiteit die simulatoren gebruikt om de competenties te beoordelen, dient bij het Departement Mobiliteit en Openbare Werken een goedkeuringsverzoek in waarin wordt gespecificeerd voor welke van de volgende competentiebeoordelingen de simulator moet worden toegelaten:
1° een praktijkexamen voor het verkrijgen van een kwalificatiecertificaat van de Unie voor schippers;
2° een praktijkexamen voor het verkrijgen van een specifieke vergunning voor het varen met behulp van een radar.
In het goedkeuringsverzoek geeft de entiteit die simulatoren gebruikt aan dat de simulator volledig voldoet aan de toepasselijke technische en functionele minimumvereisten, vermeld in bijlage B3, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 4. Het Departement Mobiliteit en Openbare Werken controleert met de testprocedures in kwestie of de simulatoren voldoen aan de technische en functionele minimumvereisten, vermeld in bijlage B3, die bij dit besluit is gevoegd. Voor die controle worden deskundigen ingezet die onafhankelijk zijn van de entiteit die verantwoordelijk is voor het opleidingsprogramma. De deskundigen documenteren schriftelijk voor elke vereiste of ze wordt nageleefd.
Als op grond van de testprocedures in kwestie wordt vastgesteld dat voldaan is aan de vereisten, vermeld in bijlage B3, keurt de minister of de gemachtigde van de minister de simulator goed. In de goedkeuring wordt vermeld voor welke specifieke competentiebeoordelingen de simulator toegelaten is.
[1 De minister kan het praktische verloop van de procedure om simulatoren goed te keuren vaststellen.]1
§ 5. De minister of de gemachtigde van de minister trekt de goedkeuring van de simulatoren in of schorst die goedkeuring als die simulatoren niet langer voldoen aan de criteria, vermeld in bijlage B3, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 6. De minister brengt de Europese Commissie en de andere internationale organisaties die betrokken zijn, op de hoogte van de goedkeuring van een simulator. In die kennisgeving worden al de volgende gegevens vermeld:
1° de competentiebeoordelingen waarvoor de simulator is toegelaten;
2° de naam van de operator van de simulator;
3° de benaming van het opleidingsprogramma, als dat van toepassing is;
4° de instantie die bevoegd is voor de afgifte van de kwalificatiecertificaten, specifieke vergunningen of certificaten van een praktijkexamen dat met goed gevolg is afgelegd;
5° de datum van de inwerkingtreding, intrekking of schorsing van de goedkeuring van de simulator.
§ 7. Voor de kwaliteitsbeoordeling en het stelsel van kwaliteitsnormen, vermeld in artikel 35, bewaart het Departement Mobiliteit en Openbare Werken de verzoeken, vermeld in paragraaf 3, en de documentatie, vermeld in paragraaf 4, eerste lid.
§ 8. In afwijking van paragraaf 2 hoeven de simulatoren niet goedgekeurd te worden door de minister of de gemachtigde van de minister, als die simulatoren zijn goedgekeurd door een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat of van een ander gewest.
§ 9. De entiteit die simulatoren gebruikt om de competenties te beoordelen, verleent een niet-discriminerende toegang tot die simulatoren.
§ 2. De simulatoren die voor competentiebeoordeling worden gebruikt, worden goedgekeurd door de minister, of door de gemachtigde van de minister.
§ 3. De entiteit die simulatoren gebruikt om de competenties te beoordelen, dient bij het Departement Mobiliteit en Openbare Werken een goedkeuringsverzoek in waarin wordt gespecificeerd voor welke van de volgende competentiebeoordelingen de simulator moet worden toegelaten:
1° een praktijkexamen voor het verkrijgen van een kwalificatiecertificaat van de Unie voor schippers;
2° een praktijkexamen voor het verkrijgen van een specifieke vergunning voor het varen met behulp van een radar.
In het goedkeuringsverzoek geeft de entiteit die simulatoren gebruikt aan dat de simulator volledig voldoet aan de toepasselijke technische en functionele minimumvereisten, vermeld in bijlage B3, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 4. Het Departement Mobiliteit en Openbare Werken controleert met de testprocedures in kwestie of de simulatoren voldoen aan de technische en functionele minimumvereisten, vermeld in bijlage B3, die bij dit besluit is gevoegd. Voor die controle worden deskundigen ingezet die onafhankelijk zijn van de entiteit die verantwoordelijk is voor het opleidingsprogramma. De deskundigen documenteren schriftelijk voor elke vereiste of ze wordt nageleefd.
Als op grond van de testprocedures in kwestie wordt vastgesteld dat voldaan is aan de vereisten, vermeld in bijlage B3, keurt de minister of de gemachtigde van de minister de simulator goed. In de goedkeuring wordt vermeld voor welke specifieke competentiebeoordelingen de simulator toegelaten is.
[1 De minister kan het praktische verloop van de procedure om simulatoren goed te keuren vaststellen.]1
§ 5. De minister of de gemachtigde van de minister trekt de goedkeuring van de simulatoren in of schorst die goedkeuring als die simulatoren niet langer voldoen aan de criteria, vermeld in bijlage B3, die bij dit besluit is gevoegd.
§ 6. De minister brengt de Europese Commissie en de andere internationale organisaties die betrokken zijn, op de hoogte van de goedkeuring van een simulator. In die kennisgeving worden al de volgende gegevens vermeld:
1° de competentiebeoordelingen waarvoor de simulator is toegelaten;
2° de naam van de operator van de simulator;
3° de benaming van het opleidingsprogramma, als dat van toepassing is;
4° de instantie die bevoegd is voor de afgifte van de kwalificatiecertificaten, specifieke vergunningen of certificaten van een praktijkexamen dat met goed gevolg is afgelegd;
5° de datum van de inwerkingtreding, intrekking of schorsing van de goedkeuring van de simulator.
§ 7. Voor de kwaliteitsbeoordeling en het stelsel van kwaliteitsnormen, vermeld in artikel 35, bewaart het Departement Mobiliteit en Openbare Werken de verzoeken, vermeld in paragraaf 3, en de documentatie, vermeld in paragraaf 4, eerste lid.
§ 8. In afwijking van paragraaf 2 hoeven de simulatoren niet goedgekeurd te worden door de minister of de gemachtigde van de minister, als die simulatoren zijn goedgekeurd door een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat of van een ander gewest.
§ 9. De entiteit die simulatoren gebruikt om de competenties te beoordelen, verleent een niet-discriminerende toegang tot die simulatoren.
Modifications
Art. 30. § 1er. Dans le présent article, on entend par Département de la Mobilité et des Travaux publics : le département, visé à l'article 28, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande.
§ 2. Les simulateurs utilisés pour l'évaluation des compétences sont agréés par le ministre ou son délégué.
§ 3. L'entité qui utilise des simulateurs pour évaluer les compétences doit soumettre une demande d'approbation au Département de la Mobilité et des Travaux publics en précisant pour laquelle des évaluations des compétences suivantes le simulateur doit être approuvé :
1° une épreuve pratique en vue de l'obtention d'un certificat de qualification de l'Union pour conducteurs ;
2° une épreuve pratique en vue de l'obtention d'une autorisation spécifique pour la navigation au radar.
Dans la demande d'agrément, l'entité qui utilise des simulateurs doit indiquer que le simulateur est pleinement conforme aux exigences techniques et fonctionnelles minimales applicables, visées à l'annexe B3 jointe au présent arrêté.
§ 4. Le Département de la Mobilité et des Travaux publics vérifie à l'aide des procédures de test en question que les simulateurs sont conformes aux exigences techniques et fonctionnelles minimales, visées à l'annexe B3 jointe au présent arrêté. Il est fait appel pour cet audit à des experts indépendants de l'entité responsable du programme de formation. Les experts documentent par écrit la conformité à chaque exigence.
Si les procédures de test en question établissent que les exigences visées à l'annexe B3 ont été respectées, le ministre ou son délégué approuve le simulateur. L'approbation doit indiquer les évaluations des compétences spécifiques pour lesquelles le simulateur est autorisé.
[1 Le ministre peut déterminer le déroulement pratique de la procédure d'agrément de simulateurs.]1
§ 5. Le ministre ou son délégué révoque ou suspend l'approbation des simulateurs si ceux-ci ne répondent plus aux critères visés à l'annexe B3 jointe au présent arrêté.
§ 6. Le ministre informe la Commission européenne et les autres organisations internationales concernées de l'approbation d'un simulateur. Cette notification comprend toutes les informations suivantes :
1° les évaluations des compétences pour lesquelles le simulateur est autorisé ;
2° le nom de l'opérateur du simulateur ;
3° le nom du programme de formation, le cas échéant ;
4° l'organisme compétent pour délivrer les certificats de qualification, les autorisations spécifiques ou les certificats d'une épreuve pratique réussie ;
5° la date d'entrée en vigueur, de retrait ou de suspension de l'approbation du simulateur.
§ 7. Pour l'évaluation de la qualité et le système de normes de qualité, visé à l'article 35, le Département de la Mobilité et des Travaux publics conserve les demandes, visées au paragraphe 3, et la documentation, visée au paragraphe 4, alinéa premier.
§ 8. Par dérogation au paragraphe 2, les simulateurs ne doivent pas être approuvés par le ministre ou son délégué s'ils ont été approuvés par une autorité compétente d'un autre Etat membre ou d'une autre région.
§ 9. L'entité qui utilise des simulateurs pour évaluer les compétences doit fournir un accès non discriminatoire à ces simulateurs.
§ 2. Les simulateurs utilisés pour l'évaluation des compétences sont agréés par le ministre ou son délégué.
§ 3. L'entité qui utilise des simulateurs pour évaluer les compétences doit soumettre une demande d'approbation au Département de la Mobilité et des Travaux publics en précisant pour laquelle des évaluations des compétences suivantes le simulateur doit être approuvé :
1° une épreuve pratique en vue de l'obtention d'un certificat de qualification de l'Union pour conducteurs ;
2° une épreuve pratique en vue de l'obtention d'une autorisation spécifique pour la navigation au radar.
Dans la demande d'agrément, l'entité qui utilise des simulateurs doit indiquer que le simulateur est pleinement conforme aux exigences techniques et fonctionnelles minimales applicables, visées à l'annexe B3 jointe au présent arrêté.
§ 4. Le Département de la Mobilité et des Travaux publics vérifie à l'aide des procédures de test en question que les simulateurs sont conformes aux exigences techniques et fonctionnelles minimales, visées à l'annexe B3 jointe au présent arrêté. Il est fait appel pour cet audit à des experts indépendants de l'entité responsable du programme de formation. Les experts documentent par écrit la conformité à chaque exigence.
Si les procédures de test en question établissent que les exigences visées à l'annexe B3 ont été respectées, le ministre ou son délégué approuve le simulateur. L'approbation doit indiquer les évaluations des compétences spécifiques pour lesquelles le simulateur est autorisé.
[1 Le ministre peut déterminer le déroulement pratique de la procédure d'agrément de simulateurs.]1
§ 5. Le ministre ou son délégué révoque ou suspend l'approbation des simulateurs si ceux-ci ne répondent plus aux critères visés à l'annexe B3 jointe au présent arrêté.
§ 6. Le ministre informe la Commission européenne et les autres organisations internationales concernées de l'approbation d'un simulateur. Cette notification comprend toutes les informations suivantes :
1° les évaluations des compétences pour lesquelles le simulateur est autorisé ;
2° le nom de l'opérateur du simulateur ;
3° le nom du programme de formation, le cas échéant ;
4° l'organisme compétent pour délivrer les certificats de qualification, les autorisations spécifiques ou les certificats d'une épreuve pratique réussie ;
5° la date d'entrée en vigueur, de retrait ou de suspension de l'approbation du simulateur.
§ 7. Pour l'évaluation de la qualité et le système de normes de qualité, visé à l'article 35, le Département de la Mobilité et des Travaux publics conserve les demandes, visées au paragraphe 3, et la documentation, visée au paragraphe 4, alinéa premier.
§ 8. Par dérogation au paragraphe 2, les simulateurs ne doivent pas être approuvés par le ministre ou son délégué s'ils ont été approuvés par une autorité compétente d'un autre Etat membre ou d'une autre région.
§ 9. L'entité qui utilise des simulateurs pour évaluer les compétences doit fournir un accès non discriminatoire à ces simulateurs.
Modifications
Afdeling 3. - Vaartijd en medische geschiktheid
Section 3. - Temps de navigation et aptitude médicale
Art. 31. § 1. De schippers registreren de vaartijd en de gemaakte reizen op binnenwatertrajecten met specifieke risico's, vermeld in artikel 6, eerste lid, 2°, in een dienstboekje als vermeld in paragraaf 4, of in een dienstboekje dat is erkend op grond van artikel 10, § 2 of § 3.
In afwijking van het eerste lid geldt de verplichting, vermeld in het eerste lid, voor de personen, vermeld in artikel 7, uitsluitend als een houder van een dienstboekje om de registratie verzoekt.
§ 2. Na controle van de echtheid en de geldigheid van de nodige schriftelijke bewijzen valideert De Vlaamse Waterweg nv in het dienstboekje de gegevens over de vaartijd en de reizen die zijn gemaakt gedurende een periode van maximaal vijftien maanden vóór het verzoek, als een bemanningslid daarom verzoekt.
Als er elektronische hulpmiddelen worden gebruikt, waaronder elektronische dienstboekjes en elektronische vaartijdenboeken, met inbegrip van passende procedures om de echtheid van de documenten te waarborgen, kunnen de gegevens die daarin zijn vervat, zonder aanvullende procedures worden gevalideerd.
Er wordt rekening gehouden met de vaartijd die op de binnenwateren van alle lidstaten is opgebouwd. In geval van binnenwateren waarvan de loop niet volledig binnen het grondgebied van de Europese Unie ligt, wordt ook de vaartijd die is opgebouwd op delen die buiten het grondgebied van de Europese Unie liggen, in aanmerking genomen.
§ 3. De reizen van de vaartuigen, vermeld in artikel 3, § 1, worden geregistreerd in een vaartijdenboek als vermeld in paragraaf 4, of in een vaartijdenboek dat is erkend op grond van artikel 10, § 2 of § 3. [1 Het vaartijdenboek wordt bijgehouden conform de instructies voor het bijhouden van het vaartijdenboek, vermeld in bijlage V bij uitvoeringsverordening (EU) 2020/182 van de Commissie van 14 januari 2020 betreffende modellen voor beroepskwalificaties in de binnenvaart.";]1
[1 De schipper en het bemanningslid in kwestie onderzoeken en bekrachtigen samen, met passende tussenpozen en uiterlijk op het einde van de maand, de notities over een bemanningslid in het vaartijdenboek. Het bemanningslid ontvangt een kopie van de notities die op hem betrekking hebben, en houdt die kopieën twaalf maanden bij zich aan boord.]1
§ 4. De Vlaamse Waterweg nv geeft dienstboekjes en vaartijdenboeken af conform de modellen die opgenomen zijn in bijlage II, IV en V bij de uitvoeringsverordening (EU) 2020/182 van de Commissie van 14 januari 2020 betreffende modellen voor beroepskwalificaties in de binnenvaart.
§ 5. De bemanningsleden mogen maar één actief dienstboekje bezitten en de vaartuigen mogen maar één actief vaartijdenboek bezitten.
[1 Bij afgifte van een nieuw vaartijdenboek voorziet De Vlaamse Waterweg nv het oude vaartijdenboek van de vermelding "ongeldig".
Het vaartijdenboek dat De Vlaamse Waterweg nv of een andere bevoegde autoriteit ongeldig heeft gemaakt, wordt gedurende twaalf maanden na de laatste aantekening aan boord bewaard.]1
In het eerste lid wordt verstaan onder actief dienstboekje of actief vaartijdenboek: een dienstboekje of vaartijdenboek waarin gegevens kunnen worden geregistreerd.
In afwijking van het eerste lid geldt de verplichting, vermeld in het eerste lid, voor de personen, vermeld in artikel 7, uitsluitend als een houder van een dienstboekje om de registratie verzoekt.
§ 2. Na controle van de echtheid en de geldigheid van de nodige schriftelijke bewijzen valideert De Vlaamse Waterweg nv in het dienstboekje de gegevens over de vaartijd en de reizen die zijn gemaakt gedurende een periode van maximaal vijftien maanden vóór het verzoek, als een bemanningslid daarom verzoekt.
Als er elektronische hulpmiddelen worden gebruikt, waaronder elektronische dienstboekjes en elektronische vaartijdenboeken, met inbegrip van passende procedures om de echtheid van de documenten te waarborgen, kunnen de gegevens die daarin zijn vervat, zonder aanvullende procedures worden gevalideerd.
Er wordt rekening gehouden met de vaartijd die op de binnenwateren van alle lidstaten is opgebouwd. In geval van binnenwateren waarvan de loop niet volledig binnen het grondgebied van de Europese Unie ligt, wordt ook de vaartijd die is opgebouwd op delen die buiten het grondgebied van de Europese Unie liggen, in aanmerking genomen.
§ 3. De reizen van de vaartuigen, vermeld in artikel 3, § 1, worden geregistreerd in een vaartijdenboek als vermeld in paragraaf 4, of in een vaartijdenboek dat is erkend op grond van artikel 10, § 2 of § 3. [1 Het vaartijdenboek wordt bijgehouden conform de instructies voor het bijhouden van het vaartijdenboek, vermeld in bijlage V bij uitvoeringsverordening (EU) 2020/182 van de Commissie van 14 januari 2020 betreffende modellen voor beroepskwalificaties in de binnenvaart.";]1
[1 De schipper en het bemanningslid in kwestie onderzoeken en bekrachtigen samen, met passende tussenpozen en uiterlijk op het einde van de maand, de notities over een bemanningslid in het vaartijdenboek. Het bemanningslid ontvangt een kopie van de notities die op hem betrekking hebben, en houdt die kopieën twaalf maanden bij zich aan boord.]1
§ 4. De Vlaamse Waterweg nv geeft dienstboekjes en vaartijdenboeken af conform de modellen die opgenomen zijn in bijlage II, IV en V bij de uitvoeringsverordening (EU) 2020/182 van de Commissie van 14 januari 2020 betreffende modellen voor beroepskwalificaties in de binnenvaart.
§ 5. De bemanningsleden mogen maar één actief dienstboekje bezitten en de vaartuigen mogen maar één actief vaartijdenboek bezitten.
[1 Bij afgifte van een nieuw vaartijdenboek voorziet De Vlaamse Waterweg nv het oude vaartijdenboek van de vermelding "ongeldig".
Het vaartijdenboek dat De Vlaamse Waterweg nv of een andere bevoegde autoriteit ongeldig heeft gemaakt, wordt gedurende twaalf maanden na de laatste aantekening aan boord bewaard.]1
In het eerste lid wordt verstaan onder actief dienstboekje of actief vaartijdenboek: een dienstboekje of vaartijdenboek waarin gegevens kunnen worden geregistreerd.
Modifications
Art. 31. § 1er. Les conducteurs consignent le temps de navigation et les trajets effectués sur des tronçons de voies d'eau intérieures présentant des risques spécifiques, visés à l'article 6, alinéa premier, 2°, dans un livret de service tel que visé au paragraphe 4 ou dans un livret de service reconnu sur la base de l'article 10, § 2 ou 3.
Par dérogation à l'alinéa premier, l'obligation visée à l'alinéa premier ne s'applique aux personnes visées à l'article 7 que si un titulaire de livret de service demande à ce que ces informations soient consignées.
§ 2. Après vérification de l'authenticité et de la validité des preuves écrites nécessaires, De Vlaamse Waterweg nv valide dans le livret de service les informations relatives au temps de navigation et aux trajets effectués au cours d'une période de quinze mois maximum précédant la demande, si un membre d'équipage en fait la demande.
Lorsque des outils électroniques sont mis en place, notamment des livrets de service électroniques et des livres de bord électroniques, comportant des procédures appropriées pour préserver l'authenticité des documents, les données correspondantes peuvent être validées sans procédures supplémentaires.
Le temps de navigation qui a été effectué sur toute voie d'eau intérieure des Etats membres est pris en compte. Lorsque des voies d'eau intérieures ne sont pas intégralement situées sur le territoire de l'Union, le temps de navigation est calculé en tenant également compte des sections situées à l'extérieur du territoire de l'Union.
§ 3. Les trajets des bâtiments visés à l'article 3, § 1er, sont consignés dans un livre de bord tel que visé au paragraphe 4, ou dans un livre de bord reconnu conformément à l'article 10, § 2 ou § 3. [1 Le livre de bord est tenu conformément aux instructions relatives à la tenue du livre de bord figurant à l'annexe V du règlement d'exécution (UE) 2020/182 de la Commission du 14 janvier 2020 sur les modèles relatifs aux qualifications professionnelles dans le domaine de la navigation intérieure. ]1
[1 Le conducteur et le membre d'équipage concerné examinent et valident ensemble, à intervalles appropriés et au plus tard à la fin du mois, les notes relatives à un membre d'équipage dans le livre de bord. Le membre d'équipage reçoit une copie des notes le concernant et conserve ces copies à bord pendant douze mois. ]1
§ 4. De Vlaamse Waterweg nv délivre des livrets de service et des livres de bord conformément aux modèles inclus dans les annexes II, IV et V du règlement d'exécution (UE) 2020/182 de la commission du 14 janvier 2020 sur les modèles relatifs aux qualifications professionnelles dans le domaine de la navigation intérieure.
§ 5. Les membres d'équipage ne peuvent détenir qu'un seul livret de service actif et les bâtiments ne peuvent détenir qu'un seul livre de bord actif.
[1 Lors de la délivrance d'un nouveau livre de bord, De Vlaamse Waterweg nv appose la mention " invalide " sur l'ancien livre de bord.
Le livre de bord invalidé par De Vlaamse Waterweg nv ou par une autre autorité compétente est conservé à bord pendant douze mois après la dernière annotation.]1
A l'alinéa premier, il convient d'entendre par livret de service actif et livre de bord actif : un livret de service ou un livre de bord dans lequel des données peuvent être consignées.
Par dérogation à l'alinéa premier, l'obligation visée à l'alinéa premier ne s'applique aux personnes visées à l'article 7 que si un titulaire de livret de service demande à ce que ces informations soient consignées.
§ 2. Après vérification de l'authenticité et de la validité des preuves écrites nécessaires, De Vlaamse Waterweg nv valide dans le livret de service les informations relatives au temps de navigation et aux trajets effectués au cours d'une période de quinze mois maximum précédant la demande, si un membre d'équipage en fait la demande.
Lorsque des outils électroniques sont mis en place, notamment des livrets de service électroniques et des livres de bord électroniques, comportant des procédures appropriées pour préserver l'authenticité des documents, les données correspondantes peuvent être validées sans procédures supplémentaires.
Le temps de navigation qui a été effectué sur toute voie d'eau intérieure des Etats membres est pris en compte. Lorsque des voies d'eau intérieures ne sont pas intégralement situées sur le territoire de l'Union, le temps de navigation est calculé en tenant également compte des sections situées à l'extérieur du territoire de l'Union.
§ 3. Les trajets des bâtiments visés à l'article 3, § 1er, sont consignés dans un livre de bord tel que visé au paragraphe 4, ou dans un livre de bord reconnu conformément à l'article 10, § 2 ou § 3. [1 Le livre de bord est tenu conformément aux instructions relatives à la tenue du livre de bord figurant à l'annexe V du règlement d'exécution (UE) 2020/182 de la Commission du 14 janvier 2020 sur les modèles relatifs aux qualifications professionnelles dans le domaine de la navigation intérieure. ]1
[1 Le conducteur et le membre d'équipage concerné examinent et valident ensemble, à intervalles appropriés et au plus tard à la fin du mois, les notes relatives à un membre d'équipage dans le livre de bord. Le membre d'équipage reçoit une copie des notes le concernant et conserve ces copies à bord pendant douze mois. ]1
§ 4. De Vlaamse Waterweg nv délivre des livrets de service et des livres de bord conformément aux modèles inclus dans les annexes II, IV et V du règlement d'exécution (UE) 2020/182 de la commission du 14 janvier 2020 sur les modèles relatifs aux qualifications professionnelles dans le domaine de la navigation intérieure.
§ 5. Les membres d'équipage ne peuvent détenir qu'un seul livret de service actif et les bâtiments ne peuvent détenir qu'un seul livre de bord actif.
[1 Lors de la délivrance d'un nouveau livre de bord, De Vlaamse Waterweg nv appose la mention " invalide " sur l'ancien livre de bord.
Le livre de bord invalidé par De Vlaamse Waterweg nv ou par une autre autorité compétente est conservé à bord pendant douze mois après la dernière annotation.]1
A l'alinéa premier, il convient d'entendre par livret de service actif et livre de bord actif : un livret de service ou un livre de bord dans lequel des données peuvent être consignées.
Modifications
Art. 32. § 1. Dekbemanningsleden die een kwalificatiecertificaat van de Unie aanvragen, tonen hun medische geschiktheid aan als vermeld in bijlage A3 en B4, die bij dit besluit zijn gevoegd, door aan De Vlaamse Waterweg nv een geldige medische verklaring te bezorgen die is afgegeven door een arts die door de minister, of de gemachtigde van de minister [1 of door een bevoegde autoriteit van een ander gewest of van een andere lidstaat]1 is erkend, en die gebaseerd is op een onderzoek van de medische geschiktheid, waarvoor het dekbemanningslid in kwestie is geslaagd.
[1 Bij een medische verklaring die is afgegeven door een arts van een ander lidstaat wordt een beëdigde vertaling in het Nederlands, Frans, Duits of Engels gevoegd als dat niet de taal van de verklaring in kwestie is. Het bewijs dat de arts die de medische verklaring heeft afgegeven, erkend is in de betrokken lidstaat, is ten laste van de aanvrager.
Een persoon die aan al de volgende voorwaarden voldoet, kan als arts erkend worden:
1° houder zijn van een diploma van master in de geneeskunde of een gelijkwaardig diploma, toegekend door een andere gemeenschap binnen België, door een andere lidstaat van de Europese Unie of door een staat waarmee een overeenkomst is gesloten waarbij de erkenning van een gelijkwaardige beroepskwalificatie wordt opgelegd;
2° beschikken over de nodige werkende apparatuur, ruimte, voorzieningen, procedures en documentatie om de naleving van de medische geschiktheidscriteria voor binnenvaartpersoneel te kunnen nagaan, zoals beschreven in bijlage A3 en B4, die bij dit besluit zijn gevoegd.
De minister kan de in het tweede lid vastgestelde voorwaarden nader specificeren en kan het praktische verloop van de procedure voor de erkenning van artsen vastleggen.
De erkende artsen brengen de minister op de hoogte van wijzigingen die betrekking hebben op de voorwaarden, vermeld in het derde lid. De minister of de gemachtigde van de minister trekt de erkenning in of schorst die erkenning als de arts niet langer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het derde lid, of als de arts ernstig of herhaaldelijk de bepalingen van dit besluit niet naleeft.]1
§ 2. Om een van de volgende kwalificatiecertificaten van de Unie te verkrijgen, bezorgen de aanvragers aan De Vlaamse Waterweg nv een medische verklaring:
1° de eerste afgifte van een kwalificatiecertificaat van de Unie voor dekbemanningsleden;
2° een kwalificatiecertificaat van de Unie voor schippers;
3° de verlenging van een kwalificatiecertificaat van de Unie voor dekbemanningsleden als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 3.
Medische verklaringen die zijn afgegeven voor het verkrijgen van een kwalificatiecertificaat van de Unie, mogen niet eerder zijn afgegeven dan drie maanden vóór de datum van de aanvraag van het kwalificatiecertificaat van de Unie.
[1 De medische verklaring die overeenkomstig het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn moet worden overgelegd door een bemanningslid, een kandidaat voor het Rijnpatent of een houder van een Rijnpatent om de lichamelijke en geestelijke geschiktheid aan te tonen, wordt afgegeven door een arts die is erkend conform paragraaf 1, tweede tot en met vierde lid.]1
§ 3. Vanaf de leeftijd van zestig jaar tonen de houders van een kwalificatiecertificaat van de Unie voor dekbemanningsleden ten minste om de vijf jaar hun medische geschiktheid aan conform paragraaf 1. Vanaf de leeftijd van zeventig jaar tonen de houders om de twee jaar hun medische geschiktheid aan conform paragraaf 1.
§ 4. De werkgever van een dekbemanningslid, de schipper en de personen, vermeld in artikel 112 van het scheepvaartdecreet van 21 januari 2022, kunnen dekbemanningsleden verplichten om hun medische geschiktheid conform paragraaf 1 aan te tonen als er objectieve aanwijzingen zijn dat ze niet meer voldoen aan de eisen over de medische geschiktheid, vermeld in bijlage B4, die bij dit besluit is gevoegd. Houders van het kwalificatiecertificaat hoeven de kosten daarvan alleen te betalen als het vermoeden gegrond blijkt te zijn.
§ 5. Als aanvragers hun medische geschiktheid niet volledig kunnen aantonen, kan De Vlaamse Waterweg nv op basis van een medisch attest mitigerende maatregelen of beperkingen opleggen die een gelijkwaardige veiligheid van de scheepvaart garanderen. In dat geval worden die mitigerende maatregelen en beperkingen in verband met de medische geschiktheid vermeld in het kwalificatiecertificaat van de Unie conform de modellen die zijn opgenomen bijlage I en II bij de uitvoeringsverordening (EU) 2020/182 van de Commissie van 14 januari 2020 betreffende modellen voor beroepskwalificaties in de binnenvaart.
§ 6. Als de gezondheidstoestand van dekbemanningsleden op blijvende wijze niet meer in overeenstemming is met de medische geschiktheidseisen, vermeld in bijlage A3 en B4, die bij dit besluit zijn gevoegd, lijden ze aan de gebreken of kwalen, vermeld in artikel 64, eerste lid, van het scheepvaartdecreet van 21 januari 2022. Op het geneeskundig onderzoek, vermeld in artikel 64, tweede lid, van het voormelde decreet, is paragraaf 1 van overeenkomstige toepassing.
[1 Bij een medische verklaring die is afgegeven door een arts van een ander lidstaat wordt een beëdigde vertaling in het Nederlands, Frans, Duits of Engels gevoegd als dat niet de taal van de verklaring in kwestie is. Het bewijs dat de arts die de medische verklaring heeft afgegeven, erkend is in de betrokken lidstaat, is ten laste van de aanvrager.
Een persoon die aan al de volgende voorwaarden voldoet, kan als arts erkend worden:
1° houder zijn van een diploma van master in de geneeskunde of een gelijkwaardig diploma, toegekend door een andere gemeenschap binnen België, door een andere lidstaat van de Europese Unie of door een staat waarmee een overeenkomst is gesloten waarbij de erkenning van een gelijkwaardige beroepskwalificatie wordt opgelegd;
2° beschikken over de nodige werkende apparatuur, ruimte, voorzieningen, procedures en documentatie om de naleving van de medische geschiktheidscriteria voor binnenvaartpersoneel te kunnen nagaan, zoals beschreven in bijlage A3 en B4, die bij dit besluit zijn gevoegd.
De minister kan de in het tweede lid vastgestelde voorwaarden nader specificeren en kan het praktische verloop van de procedure voor de erkenning van artsen vastleggen.
De erkende artsen brengen de minister op de hoogte van wijzigingen die betrekking hebben op de voorwaarden, vermeld in het derde lid. De minister of de gemachtigde van de minister trekt de erkenning in of schorst die erkenning als de arts niet langer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het derde lid, of als de arts ernstig of herhaaldelijk de bepalingen van dit besluit niet naleeft.]1
§ 2. Om een van de volgende kwalificatiecertificaten van de Unie te verkrijgen, bezorgen de aanvragers aan De Vlaamse Waterweg nv een medische verklaring:
1° de eerste afgifte van een kwalificatiecertificaat van de Unie voor dekbemanningsleden;
2° een kwalificatiecertificaat van de Unie voor schippers;
3° de verlenging van een kwalificatiecertificaat van de Unie voor dekbemanningsleden als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 3.
Medische verklaringen die zijn afgegeven voor het verkrijgen van een kwalificatiecertificaat van de Unie, mogen niet eerder zijn afgegeven dan drie maanden vóór de datum van de aanvraag van het kwalificatiecertificaat van de Unie.
[1 De medische verklaring die overeenkomstig het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn moet worden overgelegd door een bemanningslid, een kandidaat voor het Rijnpatent of een houder van een Rijnpatent om de lichamelijke en geestelijke geschiktheid aan te tonen, wordt afgegeven door een arts die is erkend conform paragraaf 1, tweede tot en met vierde lid.]1
§ 3. Vanaf de leeftijd van zestig jaar tonen de houders van een kwalificatiecertificaat van de Unie voor dekbemanningsleden ten minste om de vijf jaar hun medische geschiktheid aan conform paragraaf 1. Vanaf de leeftijd van zeventig jaar tonen de houders om de twee jaar hun medische geschiktheid aan conform paragraaf 1.
§ 4. De werkgever van een dekbemanningslid, de schipper en de personen, vermeld in artikel 112 van het scheepvaartdecreet van 21 januari 2022, kunnen dekbemanningsleden verplichten om hun medische geschiktheid conform paragraaf 1 aan te tonen als er objectieve aanwijzingen zijn dat ze niet meer voldoen aan de eisen over de medische geschiktheid, vermeld in bijlage B4, die bij dit besluit is gevoegd. Houders van het kwalificatiecertificaat hoeven de kosten daarvan alleen te betalen als het vermoeden gegrond blijkt te zijn.
§ 5. Als aanvragers hun medische geschiktheid niet volledig kunnen aantonen, kan De Vlaamse Waterweg nv op basis van een medisch attest mitigerende maatregelen of beperkingen opleggen die een gelijkwaardige veiligheid van de scheepvaart garanderen. In dat geval worden die mitigerende maatregelen en beperkingen in verband met de medische geschiktheid vermeld in het kwalificatiecertificaat van de Unie conform de modellen die zijn opgenomen bijlage I en II bij de uitvoeringsverordening (EU) 2020/182 van de Commissie van 14 januari 2020 betreffende modellen voor beroepskwalificaties in de binnenvaart.
§ 6. Als de gezondheidstoestand van dekbemanningsleden op blijvende wijze niet meer in overeenstemming is met de medische geschiktheidseisen, vermeld in bijlage A3 en B4, die bij dit besluit zijn gevoegd, lijden ze aan de gebreken of kwalen, vermeld in artikel 64, eerste lid, van het scheepvaartdecreet van 21 januari 2022. Op het geneeskundig onderzoek, vermeld in artikel 64, tweede lid, van het voormelde decreet, is paragraaf 1 van overeenkomstige toepassing.
Modifications
Art. 32. § 1er. Les membres de l'équipage de pont qui demandent un certificat de qualification de l'Union démontrent leur aptitude médicale telle que visée aux annexes A3 et B4 jointes au présent arrêté, en fournissant à De Vlaamse Waterweg nv un certificat médical valide délivré par un médecin reconnu par le ministre ou son délégué [1 ou par une autorité compétente d'une autre région ou d'un autre Etat membre]1 et basé sur un examen confirmant l'aptitude médicale, que le membre de l'équipage de pont en question a réussi.
[1 Un certificat médical délivré par un médecin d'un autre Etat membre est accompagné d'une traduction jurée en néerlandais, en français, en allemand ou en anglais si ce n'est pas la langue du certificat en question. La preuve que le médecin qui a délivré le certificat médical est agréé dans l'Etat membre concerné incombe au demandeur.
La personne qui remplit toutes les conditions suivantes peut être agréée en tant que médecin :
1° être titulaire d'un diplôme de master en médecine ou d'un diplôme équivalent décerné par une autre communauté en Belgique, par un autre Etat membre de l'Union européenne ou par un Etat avec lequel a été conclue une convention imposant la reconnaissance d'une qualification professionnelle équivalente ;
2° disposer des équipements en état de marche, de l'espace, des installations, des procédures et de la documentation nécessaires afin de pouvoir vérifier si les critères d'aptitude médicale pour le personnel de la navigation intérieure, tels que décrits dans les annexes A3 et B4 jointes au présent arrêté, sont remplis.
Le ministre peut préciser les conditions fixées à l'alinéa 2 et définir le déroulement pratique de la procédure d'agrément de médecins.
Les médecins agréés informent le ministre des changements se rapportant aux conditions énoncées à l'alinéa 3. Le ministre ou son délégué retire ou suspend l'agrément si le médecin ne remplit plus les conditions énoncées à l'alinéa 3 ou enfreint gravement ou à plusieurs reprises les dispositions du présent arrêté.]1
§ 2. Afin d'obtenir l'un des certificats de qualification de l'Union suivants, les demandeurs fournissent un certificat médical à De Vlaamse Waterweg nv :
1° leur premier certificat de qualification de l'Union en tant que membre d'équipage de pont ;
2° leur certificat de qualification de l'Union en tant que conducteur ;
3° le renouvellement de leur certificat de qualification de l'Union en tant que membre d'équipage de pont lorsque les conditions visées au paragraphe 3 sont remplies.
Les certificats médicaux délivrés en vue de l'obtention d'un certificat de qualification de l'Union ne doivent pas avoir été établis plus de trois mois avant la date de la demande de certificat de qualification de l'Union.
[1 Le certificat médical qui, conformément au règlement relatif au personnel de la navigation sur le Rhin, doit être soumis par un membre d'équipage, par un candidat à la patente du Rhin ou par un titulaire de la patente du Rhin pour attester l'aptitude physique et psychique, est délivré par un médecin qui a été agréé conformément au paragraphe 1er, alinéas 2 à 4.]1
§ 3. A partir de 60 ans, le titulaire d'un certificat de qualification de l'Union en tant que membre d'équipage de pont démontre son aptitude médicale conformément au paragraphe 1er, au moins tous les cinq ans. A partir de 70 ans, le titulaire démontre son aptitude médicale conformément au paragraphe 1er tous les deux ans.
§ 4. L'employeur d'un membre d'équipage de pont, le conducteur et les personnes visées à l'article 112 du décret sur la navigation du 21 janvier 2022 peuvent exiger que les membres de l'équipage de pont démontrent leur aptitude médicale conformément au paragraphe 1er s'il existe des indications objectives qu'ils ne répondent plus aux exigences en matière d'aptitude médicale visées à l'annexe B4 jointe au présent arrêté. Les détenteurs du certificat de qualification ne doivent payer les frais que si le soupçon s'avère fondé.
§ 5. Si les demandeurs ne peuvent démontrer pleinement leur aptitude médicale, De Vlaamse Waterweg nv peut, sur la base d'un certificat médical, imposer des mesures d'atténuation ou des restrictions assurant une sécurité de navigation équivalente. Dans ce cas, ces mesures d'atténuation et restrictions en lien avec l'aptitude médicale sont mentionnées dans le certificat de qualification de l'Union conformément aux modèles figurant aux annexes I et II du règlement d'exécution (UE) 2020/182 de la commission du 14 janvier 2020 sur les modèles relatifs aux qualifications professionnelles dans le domaine de la navigation intérieure.
§ 6. Lorsque l'état de santé de membres d'équipage de pont ne répond plus de manière permanente aux exigences d'aptitude médicale, visées aux annexes A3 et B4 jointes au présent arrêté, ils souffrent des déficiences ou affections, visées à l'article 64, alinéa premier, du décret sur la navigation du 21 janvier 2022. Le paragraphe 1er s'applique par analogie à l'examen médical visé à l'article 64, alinéa deux, du décret précité.
[1 Un certificat médical délivré par un médecin d'un autre Etat membre est accompagné d'une traduction jurée en néerlandais, en français, en allemand ou en anglais si ce n'est pas la langue du certificat en question. La preuve que le médecin qui a délivré le certificat médical est agréé dans l'Etat membre concerné incombe au demandeur.
La personne qui remplit toutes les conditions suivantes peut être agréée en tant que médecin :
1° être titulaire d'un diplôme de master en médecine ou d'un diplôme équivalent décerné par une autre communauté en Belgique, par un autre Etat membre de l'Union européenne ou par un Etat avec lequel a été conclue une convention imposant la reconnaissance d'une qualification professionnelle équivalente ;
2° disposer des équipements en état de marche, de l'espace, des installations, des procédures et de la documentation nécessaires afin de pouvoir vérifier si les critères d'aptitude médicale pour le personnel de la navigation intérieure, tels que décrits dans les annexes A3 et B4 jointes au présent arrêté, sont remplis.
Le ministre peut préciser les conditions fixées à l'alinéa 2 et définir le déroulement pratique de la procédure d'agrément de médecins.
Les médecins agréés informent le ministre des changements se rapportant aux conditions énoncées à l'alinéa 3. Le ministre ou son délégué retire ou suspend l'agrément si le médecin ne remplit plus les conditions énoncées à l'alinéa 3 ou enfreint gravement ou à plusieurs reprises les dispositions du présent arrêté.]1
§ 2. Afin d'obtenir l'un des certificats de qualification de l'Union suivants, les demandeurs fournissent un certificat médical à De Vlaamse Waterweg nv :
1° leur premier certificat de qualification de l'Union en tant que membre d'équipage de pont ;
2° leur certificat de qualification de l'Union en tant que conducteur ;
3° le renouvellement de leur certificat de qualification de l'Union en tant que membre d'équipage de pont lorsque les conditions visées au paragraphe 3 sont remplies.
Les certificats médicaux délivrés en vue de l'obtention d'un certificat de qualification de l'Union ne doivent pas avoir été établis plus de trois mois avant la date de la demande de certificat de qualification de l'Union.
[1 Le certificat médical qui, conformément au règlement relatif au personnel de la navigation sur le Rhin, doit être soumis par un membre d'équipage, par un candidat à la patente du Rhin ou par un titulaire de la patente du Rhin pour attester l'aptitude physique et psychique, est délivré par un médecin qui a été agréé conformément au paragraphe 1er, alinéas 2 à 4.]1
§ 3. A partir de 60 ans, le titulaire d'un certificat de qualification de l'Union en tant que membre d'équipage de pont démontre son aptitude médicale conformément au paragraphe 1er, au moins tous les cinq ans. A partir de 70 ans, le titulaire démontre son aptitude médicale conformément au paragraphe 1er tous les deux ans.
§ 4. L'employeur d'un membre d'équipage de pont, le conducteur et les personnes visées à l'article 112 du décret sur la navigation du 21 janvier 2022 peuvent exiger que les membres de l'équipage de pont démontrent leur aptitude médicale conformément au paragraphe 1er s'il existe des indications objectives qu'ils ne répondent plus aux exigences en matière d'aptitude médicale visées à l'annexe B4 jointe au présent arrêté. Les détenteurs du certificat de qualification ne doivent payer les frais que si le soupçon s'avère fondé.
§ 5. Si les demandeurs ne peuvent démontrer pleinement leur aptitude médicale, De Vlaamse Waterweg nv peut, sur la base d'un certificat médical, imposer des mesures d'atténuation ou des restrictions assurant une sécurité de navigation équivalente. Dans ce cas, ces mesures d'atténuation et restrictions en lien avec l'aptitude médicale sont mentionnées dans le certificat de qualification de l'Union conformément aux modèles figurant aux annexes I et II du règlement d'exécution (UE) 2020/182 de la commission du 14 janvier 2020 sur les modèles relatifs aux qualifications professionnelles dans le domaine de la navigation intérieure.
§ 6. Lorsque l'état de santé de membres d'équipage de pont ne répond plus de manière permanente aux exigences d'aptitude médicale, visées aux annexes A3 et B4 jointes au présent arrêté, ils souffrent des déficiences ou affections, visées à l'article 64, alinéa premier, du décret sur la navigation du 21 janvier 2022. Le paragraphe 1er s'applique par analogie à l'examen médical visé à l'article 64, alinéa deux, du décret précité.
Modifications
Afdeling 4. [1 - Retributies]1
Section 4. [1 - Rétributions]1
Art.32/1. [1 Voor de volgende prestaties wordt een retributie geheven:
1° het afnemen van een examen;
2° de afgifte of de verlenging van een kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning;
3° de afgifte van een duplicaat van een kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning;
4° de afgifte van een vaartijdenboek;
5° de afgifte van een dienstboekje;
6° de validatie van de gegevens in een dienstboekje.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het afnemen van examens, de afgifte, uitbreiding of verlenging van voorgeschreven documenten en de validatie van vaargegevens op grond van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn en op grond van de Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren.]1
1° het afnemen van een examen;
2° de afgifte of de verlenging van een kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning;
3° de afgifte van een duplicaat van een kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning;
4° de afgifte van een vaartijdenboek;
5° de afgifte van een dienstboekje;
6° de validatie van de gegevens in een dienstboekje.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het afnemen van examens, de afgifte, uitbreiding of verlenging van voorgeschreven documenten en de validatie van vaargegevens op grond van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn en op grond van de Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren.]1
Art.32/1. [1 Une rétribution est perçue pour les prestations suivantes :
1° faire passer un examen ;
2° délivrance ou prolongation d'un certificat de qualification ou d'une autorisation spécifique ;
3° délivrance d'un duplicata d'un certificat de qualification ou d'une autorisation spécifique ;
4° délivrance d'un livre de bord ;
5° délivrance d'un livret de service ;
6° validation des données consignées dans un livret de service.
L'alinéa 1er s'applique par analogie à la conduite d'examens, la délivrance, l'extension ou la prolongation des documents prescrits et la validation des données de navigation sur la base du règlement relatif au personnel de la navigation sur le Rhin et sur la base de l'accord européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par voies de navigation intérieure.]1
1° faire passer un examen ;
2° délivrance ou prolongation d'un certificat de qualification ou d'une autorisation spécifique ;
3° délivrance d'un duplicata d'un certificat de qualification ou d'une autorisation spécifique ;
4° délivrance d'un livre de bord ;
5° délivrance d'un livret de service ;
6° validation des données consignées dans un livret de service.
L'alinéa 1er s'applique par analogie à la conduite d'examens, la délivrance, l'extension ou la prolongation des documents prescrits et la validation des données de navigation sur la base du règlement relatif au personnel de la navigation sur le Rhin et sur la base de l'accord européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par voies de navigation intérieure.]1
HOOFDSTUK 4. - Administratieve bepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions administratives
Art. 33. § 1. De verwerking van persoonsgegevens op grond van dit besluit gebeurt conform de algemene verordening gegevensbescherming.
§ 2. De persoonsgegevens mogen uitsluitend worden verwerkt voor de volgende doeleinden:
1° de toepassing, handhaving en evaluatie van dit besluit en de richtlijn;
2° de uitwisseling van informatie tussen de autoriteiten die toegang hebben tot de ECDB en de EHDB en de Europese Commissie;
3° het opstellen van statistieken;
4° de instandhouding van de veiligheid en het navigatiecomfort.
Geanonimiseerde informatie uit dergelijke gegevens, vermeld in deze paragraaf, kan gebruikt worden om het beleid om het vervoer over de binnenwateren te bevorderen, te ondersteunen.
§ 3. De Vlaamse Waterweg nv kwalificeert als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7) van de algemene verordening gegevensbescherming.
§ 4. De personen, vermeld in artikel 4 en 5, van wie de persoonsgegevens, met name de gegevens over hun gezondheid, worden verwerkt in de registers, vermeld in artikel 34, de ECDB en de EHDB, worden daar vooraf van op de hoogte gebracht. Die personen krijgen toegang tot hun eigen persoonsgegevens en ontvangen op hun verzoek altijd een afschrift van die gegevens.
§ 5. Met behoud van toepassing van artikel [1 artikel 34, § 3]1 worden persoonsgegevens die niet in de registers, vermeld in artikel 34, § 1 worden geregistreerd, niet langer bewaard dan 13 jaar.
§ 2. De persoonsgegevens mogen uitsluitend worden verwerkt voor de volgende doeleinden:
1° de toepassing, handhaving en evaluatie van dit besluit en de richtlijn;
2° de uitwisseling van informatie tussen de autoriteiten die toegang hebben tot de ECDB en de EHDB en de Europese Commissie;
3° het opstellen van statistieken;
4° de instandhouding van de veiligheid en het navigatiecomfort.
Geanonimiseerde informatie uit dergelijke gegevens, vermeld in deze paragraaf, kan gebruikt worden om het beleid om het vervoer over de binnenwateren te bevorderen, te ondersteunen.
§ 3. De Vlaamse Waterweg nv kwalificeert als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7) van de algemene verordening gegevensbescherming.
§ 4. De personen, vermeld in artikel 4 en 5, van wie de persoonsgegevens, met name de gegevens over hun gezondheid, worden verwerkt in de registers, vermeld in artikel 34, de ECDB en de EHDB, worden daar vooraf van op de hoogte gebracht. Die personen krijgen toegang tot hun eigen persoonsgegevens en ontvangen op hun verzoek altijd een afschrift van die gegevens.
§ 5. Met behoud van toepassing van artikel [1 artikel 34, § 3]1 worden persoonsgegevens die niet in de registers, vermeld in artikel 34, § 1 worden geregistreerd, niet langer bewaard dan 13 jaar.
Modifications
Art. 33. § 1er. Le traitement des données à caractère personnel en vertu du présent arrêté est effectué conformément au règlement général sur la protection des données.
§ 2. Les données à caractère personnel ne peuvent être traitées qu'aux fins suivantes :
1° l'application, le maintien et l'évaluation du présent arrêté et de la directive ;
2° l'échange d'informations entre les autorités ayant accès à l'ECDB et à l'EHDB et la Commission européenne ;
3° l'établissement de statistiques ;
4° le maintien de la sécurité et de la facilité de navigation.
Les informations anonymisées de ces données, visées dans le présent paragraphe, peuvent être utilisées dans le cadre de la promotion de la politique du transport par voies navigables intérieures.
§ 3. De Vlaamse Waterweg nv est considérée comme responsable du traitement au sens de l'article 4, 7) du règlement général sur la protection des données.
§ 4. Les personnes visées aux articles 4 et 5, dont les données à caractère personnel, notamment les données relatives à leur santé, sont traitées dans les registres visés à l'article 34, l'ECDB et l'EHDB, en sont préalablement informées. Ces personnes ont accès à leurs propres données à caractère personnel et reçoivent toujours une copie de ces données sur demande.
§ 5. Sans préjudice de l'application de l'[1 article 34, § 3 ]1, les données à caractère personnel qui ne sont pas enregistrées dans les registres visés à l'article 34, § 1er, sont conservées durant une période maximale de 13 ans.
§ 2. Les données à caractère personnel ne peuvent être traitées qu'aux fins suivantes :
1° l'application, le maintien et l'évaluation du présent arrêté et de la directive ;
2° l'échange d'informations entre les autorités ayant accès à l'ECDB et à l'EHDB et la Commission européenne ;
3° l'établissement de statistiques ;
4° le maintien de la sécurité et de la facilité de navigation.
Les informations anonymisées de ces données, visées dans le présent paragraphe, peuvent être utilisées dans le cadre de la promotion de la politique du transport par voies navigables intérieures.
§ 3. De Vlaamse Waterweg nv est considérée comme responsable du traitement au sens de l'article 4, 7) du règlement général sur la protection des données.
§ 4. Les personnes visées aux articles 4 et 5, dont les données à caractère personnel, notamment les données relatives à leur santé, sont traitées dans les registres visés à l'article 34, l'ECDB et l'EHDB, en sont préalablement informées. Ces personnes ont accès à leurs propres données à caractère personnel et reçoivent toujours une copie de ces données sur demande.
§ 5. Sans préjudice de l'application de l'[1 article 34, § 3 ]1, les données à caractère personnel qui ne sont pas enregistrées dans les registres visés à l'article 34, § 1er, sont conservées durant une période maximale de 13 ans.
Modifications
Art. 34. § 1. De Vlaamse Waterweg nv houdt een register bij over de kwalificatiecertificaten van de Unie, dienstboekjes en vaartijdenboeken die hij heeft afgegeven en, in voorkomend geval, de documenten, vermeld in artikel 10, § 2, die zijn afgegeven, verlengd, geschorst of ingetrokken, die als verloren, gestolen of vernietigd zijn opgegeven, of die zijn verlopen.
In de registers, vermeld in het eerste lid, worden over de kwalificatiecertificaten van de Unie de gegevens en de autoriteit van afgifte vermeld die op de kwalificatiecertificaten van de Unie zijn vermeld.
In de registers, vermeld in het eerste lid, worden al de volgende gegevens over de dienstboekjes vermeld:
1° de naam van de houder en zijn identificatienummer;
2° het identificatienummer van het dienstboekje;
3° de datum van afgifte;
4° de autoriteit van afgifte.
In de registers, vermeld in het eerste lid, worden al de volgende gegevens over de vaartijdenboeken vermeld:
1° de naam van het vaartuig;
2° het Europees identificatienummer of het Europees scheepsidentificatienummer (ENI-nummer);
3° het identificatienummer van het vaartijdenboek;
4° de datum van afgifte;
5° de autoriteit van afgifte.
§ 2. De gegevens over de kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en vaartijdenboeken, vermeld in paragraaf 1, worden op accurate wijze en onmiddellijk geregistreerd in de ECDB en de EHDB.
§ 3. Alle persoonsgegevens die in de registers, vermeld in paragraaf 1 worden opgenomen, worden niet langer bewaard dan negentig jaar. Persoonsgegevens die niet meer nodig zijn voor de doeleinden waarvoor de gegevens worden verzameld of verwerkt, worden vernietigd.
In de registers, vermeld in het eerste lid, worden over de kwalificatiecertificaten van de Unie de gegevens en de autoriteit van afgifte vermeld die op de kwalificatiecertificaten van de Unie zijn vermeld.
In de registers, vermeld in het eerste lid, worden al de volgende gegevens over de dienstboekjes vermeld:
1° de naam van de houder en zijn identificatienummer;
2° het identificatienummer van het dienstboekje;
3° de datum van afgifte;
4° de autoriteit van afgifte.
In de registers, vermeld in het eerste lid, worden al de volgende gegevens over de vaartijdenboeken vermeld:
1° de naam van het vaartuig;
2° het Europees identificatienummer of het Europees scheepsidentificatienummer (ENI-nummer);
3° het identificatienummer van het vaartijdenboek;
4° de datum van afgifte;
5° de autoriteit van afgifte.
§ 2. De gegevens over de kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en vaartijdenboeken, vermeld in paragraaf 1, worden op accurate wijze en onmiddellijk geregistreerd in de ECDB en de EHDB.
§ 3. Alle persoonsgegevens die in de registers, vermeld in paragraaf 1 worden opgenomen, worden niet langer bewaard dan negentig jaar. Persoonsgegevens die niet meer nodig zijn voor de doeleinden waarvoor de gegevens worden verzameld of verwerkt, worden vernietigd.
Art. 34. § 1er. De Vlaamse Waterweg nv tient un registre des certificats de qualification de l'Union, des livrets de service et des livres de bord qu'elle a délivrés et, le cas échéant, des documents visés à l'article 10, § 2, qui ont été délivrés, renouvelés, suspendus ou retirés, qui ont été déclarés perdus, volés ou détruits ou qui ont expiré.
Les registres, visés à l'alinéa premier, contiennent les données et indiquent l'autorité de délivrance figurant sur les certificats de qualification de l'Union.
Les registres, visés à l'alinéa premier, mentionnent l'ensemble des données suivantes relatives aux livrets de service :
1° le nom du titulaire et son numéro d'identification ;
2° le numéro d'identification du livret de service ;
3° la date de délivrance ;
4° l'autorité de délivrance.
Les registres, visés à l'alinéa premier, mentionnent l'ensemble des données suivantes relatives aux livres de bord :
1° le nom du bâtiment ;
2° le numéro européen d'identification ou le numéro européen unique d'identification des bateaux (numéro ENI) ;
3° le numéro d'identification du livre de bord ;
4° la date de délivrance ;
5° l'autorité de délivrance.
§ 2. Les données relatives aux certificats de qualification, aux livrets de service et aux livres de bord visés au paragraphe 1er, sont consignées de manière fiable et sans délai dans l'ECDB et l'EHDB.
§ 3. Toutes les données à caractère personnel inscrites dans les registres visés au paragraphe 1er sont conservées durant une période maximale de 90 ans. Les données à caractère personnel qui ne sont plus nécessaires aux fins pour lesquelles elles ont été collectées ou traitées sont détruites.
Les registres, visés à l'alinéa premier, contiennent les données et indiquent l'autorité de délivrance figurant sur les certificats de qualification de l'Union.
Les registres, visés à l'alinéa premier, mentionnent l'ensemble des données suivantes relatives aux livrets de service :
1° le nom du titulaire et son numéro d'identification ;
2° le numéro d'identification du livret de service ;
3° la date de délivrance ;
4° l'autorité de délivrance.
Les registres, visés à l'alinéa premier, mentionnent l'ensemble des données suivantes relatives aux livres de bord :
1° le nom du bâtiment ;
2° le numéro européen d'identification ou le numéro européen unique d'identification des bateaux (numéro ENI) ;
3° le numéro d'identification du livre de bord ;
4° la date de délivrance ;
5° l'autorité de délivrance.
§ 2. Les données relatives aux certificats de qualification, aux livrets de service et aux livres de bord visés au paragraphe 1er, sont consignées de manière fiable et sans délai dans l'ECDB et l'EHDB.
§ 3. Toutes les données à caractère personnel inscrites dans les registres visés au paragraphe 1er sont conservées durant une période maximale de 90 ans. Les données à caractère personnel qui ne sont plus nécessaires aux fins pour lesquelles elles ont été collectées ou traitées sont détruites.
Art. 35. Op alle activiteiten die verband houden met opleiding, competentiebeoordeling, de afgifte en het actualiseren van kwalificatiecertificaten van de Unie, dienstboekjes en vaartijdenboeken die met toepassing van dit besluit worden uitgevoerd, wordt voortdurend toezicht gehouden via een stelsel van kwaliteitsnormen om de verwezenlijking van de doelstellingen van dit besluit te waarborgen.
De opleidingsdoelstellingen van goedgekeurde opleidingsprogramma's en de competentienormen die daarmee verband houden en bereikt moeten worden, zijn duidelijk omschreven, met vermelding van de niveaus van kennis en vaardigheden die conform dit besluit moeten worden beoordeeld en geëxamineerd.
Met inachtneming van de beleidslijnen, systemen, controles en interne kwaliteitsbeoordelingen die zijn ingesteld om de doelstellingen van dit besluit te bereiken, zijn de kwaliteitsnormen van toepassing op:
1° de afgifte, verlenging, schorsing en intrekking van kwalificatiecertificaten van de Unie, dienstboekjes en vaartijdenboeken;
2° alle opleidingscursussen en -programma's;
3° de afgenomen examens en de beoordelingen;
4° de kwalificaties en ervaring die worden verlangd van opleiders en examinatoren.
De opleidingsdoelstellingen van goedgekeurde opleidingsprogramma's en de competentienormen die daarmee verband houden en bereikt moeten worden, zijn duidelijk omschreven, met vermelding van de niveaus van kennis en vaardigheden die conform dit besluit moeten worden beoordeeld en geëxamineerd.
Met inachtneming van de beleidslijnen, systemen, controles en interne kwaliteitsbeoordelingen die zijn ingesteld om de doelstellingen van dit besluit te bereiken, zijn de kwaliteitsnormen van toepassing op:
1° de afgifte, verlenging, schorsing en intrekking van kwalificatiecertificaten van de Unie, dienstboekjes en vaartijdenboeken;
2° alle opleidingscursussen en -programma's;
3° de afgenomen examens en de beoordelingen;
4° de kwalificaties en ervaring die worden verlangd van opleiders en examinatoren.
Art. 35. Toutes les activités liées à la formation, aux évaluations de compétences, à la délivrance et à la mise à jour des certificats de qualification de l'Union, des livrets de service et des livres de bord, menées en application du présent arrêté, font l'objet d'un suivi continu dans le cadre d'un système de normes de qualité afin de garantir la réalisation des objectifs du présent arrêté.
Les objectifs de formation des programmes de formation approuvés et les normes de compétence connexes à atteindre sont clairement définis, en précisant les niveaux de connaissances et aptitudes évalués et examinés conformément au présent arrêté.
Compte tenu des politiques, des systèmes, des contrôles et des examens internes d'assurance qualité établis pour assurer la réalisation des objectifs du présent arrêté, le champ d'application des normes de qualité couvre :
1° la délivrance, le renouvellement, la suspension et le retrait des certificats de qualification de l'Union, des livrets de service et des livres de bord;
2° tous les cours et programmes de formation ;
3° les examens et évaluations effectués ;
4° les qualifications et l'expérience que doivent posséder les formateurs et les examinateurs.
Les objectifs de formation des programmes de formation approuvés et les normes de compétence connexes à atteindre sont clairement définis, en précisant les niveaux de connaissances et aptitudes évalués et examinés conformément au présent arrêté.
Compte tenu des politiques, des systèmes, des contrôles et des examens internes d'assurance qualité établis pour assurer la réalisation des objectifs du présent arrêté, le champ d'application des normes de qualité couvre :
1° la délivrance, le renouvellement, la suspension et le retrait des certificats de qualification de l'Union, des livrets de service et des livres de bord;
2° tous les cours et programmes de formation ;
3° les examens et évaluations effectués ;
4° les qualifications et l'expérience que doivent posséder les formateurs et les examinateurs.
Art. 36. De minister laat de werkzaamheden voor de verwerving en de beoordeling van competenties en ook het beheer van de kwalificatiecertificaten van de Unie, dienstboekjes en vaartijdenboeken, uiterlijk op 17 januari 2037 en vervolgens ten minste om de tien jaar door een onafhankelijke instantie evalueren.
De minister zorgt ervoor dat de resultaten van de evaluaties van de onafhankelijke instantie, vermeld in het eerste lid, vergezeld gaan van bewijsstukken en onder de aandacht van de betrokken instanties worden gebracht. Als dat nodig is, neemt de minister passende maatregelen om eventuele tekortkomingen te verhelpen die worden geconstateerd bij de onafhankelijke evaluatie.
De minister zorgt ervoor dat de resultaten van de evaluaties van de onafhankelijke instantie, vermeld in het eerste lid, vergezeld gaan van bewijsstukken en onder de aandacht van de betrokken instanties worden gebracht. Als dat nodig is, neemt de minister passende maatregelen om eventuele tekortkomingen te verhelpen die worden geconstateerd bij de onafhankelijke evaluatie.
Art. 36. Le ministre fait évaluer par un organisme indépendant les activités liées à l'acquisition et l'évaluation des compétences, ainsi qu'à l'administration des certificats de qualification de l'Union, des livrets de service et des livres de bord, au plus tard le 17 janvier 2037, et au moins tous les dix ans par la suite.
Le ministre veille à ce que les résultats des évaluations effectuées par l'organisme indépendant, visé à l'alinéa premier, soient dûment étayés et portés à l'attention des autorités compétentes concernées. Si nécessaire, le ministre prend les mesures appropriées en vue de remédier à toute carence détectée par l'évaluation indépendante.
Le ministre veille à ce que les résultats des évaluations effectuées par l'organisme indépendant, visé à l'alinéa premier, soient dûment étayés et portés à l'attention des autorités compétentes concernées. Si nécessaire, le ministre prend les mesures appropriées en vue de remédier à toute carence détectée par l'évaluation indépendante.
Art. 37. De Vlaamse Waterweg nv en de personen, vermeld in artikel 112 van het scheepvaartdecreet, nemen passende maatregelen ter voorkoming, opsporing en bestrijding van fraude en andere onrechtmatige praktijken met de kwalificatiecertificaten van de Unie, dienstboekjes, vaartijdenboeken, medische verklaringen en registers waarin dit besluit en de richtlijn voorzien.
De Vlaamse Waterweg nv en de personen, vermeld in artikel 112 van het scheepvaartdecreet wisselen relevante informatie uit met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en andere gewesten over de certificering van personen die bij de bediening van een vaartuig zijn betrokken, met inbegrip van informatie over de schorsing en intrekking van certificaten. Deze informatie-uitwisseling gebeurt conform de beginselen over de bescherming van persoonsgegevens, vermeld in de algemene verordening gegevensbescherming.
De Vlaamse Waterweg nv en de personen, vermeld in artikel 112 van het scheepvaartdecreet wisselen relevante informatie uit met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en andere gewesten over de certificering van personen die bij de bediening van een vaartuig zijn betrokken, met inbegrip van informatie over de schorsing en intrekking van certificaten. Deze informatie-uitwisseling gebeurt conform de beginselen over de bescherming van persoonsgegevens, vermeld in de algemene verordening gegevensbescherming.
Art. 37. De Vlaamse Waterweg nv et les personnes visées à l'article 112 du décret sur la navigation, prennent les mesures appropriées destinées à prévenir, détecter et combattre la fraude et d'autres pratiques illégales concernant les certificats de qualification de l'Union, les livrets de service, les livres de bord, les certificats médicaux et les registres prévus par le présent arrêté et la directive.
De Vlaamse Waterweg nv et les personnes visées à l'article 112 du décret sur la navigation échangent des informations pertinentes avec les autorités compétentes d'autres Etats membres et régions concernant la certification des personnes intervenant dans l'exploitation d'un bâtiment, y compris les informations relatives à la suspension et au retrait des certificats. Cet échange d'informations s'effectue dans le respect des principes de la protection des données à caractère personnel énoncés dans le règlement général sur la protection des données.
De Vlaamse Waterweg nv et les personnes visées à l'article 112 du décret sur la navigation échangent des informations pertinentes avec les autorités compétentes d'autres Etats membres et régions concernant la certification des personnes intervenant dans l'exploitation d'un bâtiment, y compris les informations relatives à la suspension et au retrait des certificats. Cet échange d'informations s'effectue dans le respect des principes de la protection des données à caractère personnel énoncés dans le règlement général sur la protection des données.
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions modificatives
Art. 38. In artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 maart 2007 houdende de bemanningsvoorschriften op de scheepvaartwegen van het Koninkrijk, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 november 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 1° tot en met 3° worden opgeheven;
2° punt 5° tot en met 7° worden opgeheven.
1° punt 1° tot en met 3° worden opgeheven;
2° punt 5° tot en met 7° worden opgeheven.
Art. 38. A l'article 8 de l'arrêté royal du 9 mars 2007 portant les prescriptions d'équipage sur les voies navigables du Royaume, modifié par l'arrêté royal du 30 novembre 2011, sont apportées les modifications suivantes :
1° les points 1° à 3° inclus sont abrogés ;
2° les points 5° à 7° inclus sont abrogés.
1° les points 1° à 3° inclus sont abrogés ;
2° les points 5° à 7° inclus sont abrogés.
Art. 39. Artikel 9 en 10 van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 november 2011, worden opgeheven.
Art. 39. Les articles 9 et 10 du même arrêté royal, modifié par l'arrêté royal du 30 novembre 2011, sont abrogés.
Art. 40. Artikel 15 van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 november 2011 en het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018, wordt opgeheven.
Art. 40. L'article 15 du même arrêté royal, modifié par l'arrêté royal du 30 novembre 2011 et l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 octobre 2018, est abrogé.
Art. 41. Aan artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke uitvoering van de gedelegeerde verordening (EU) 2021/1308 van de Commissie van 28 april 2021 tot wijziging van de bijlagen I en II bij Richtlijn (EU) 2016/1629 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de wijziging van de lijst van binnenwateren in de Unie en de minimale technische voorschriften voor vaartuigen .".
"Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke uitvoering van de gedelegeerde verordening (EU) 2021/1308 van de Commissie van 28 april 2021 tot wijziging van de bijlagen I en II bij Richtlijn (EU) 2016/1629 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de wijziging van de lijst van binnenwateren in de Unie en de minimale technische voorschriften voor vaartuigen .".
Art. 41. A l'article 1 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 octobre 2018 établissant les prescriptions techniques applicables aux bateaux de navigation intérieure est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
" Le présent arrêté prévoit l'exécution partielle du règlement délégué (UE) 2021/1308 de la Commission du 28 avril 2021 modifiant les annexes I et II de la directive (UE) 2016/1629 du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne la modification de la liste des voies d'eau intérieures de l'Union et les prescriptions techniques minimales applicables aux bâtiments. ".
" Le présent arrêté prévoit l'exécution partielle du règlement délégué (UE) 2021/1308 de la Commission du 28 avril 2021 modifiant les annexes I et II de la directive (UE) 2016/1629 du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne la modification de la liste des voies d'eau intérieures de l'Union et les prescriptions techniques minimales applicables aux bâtiments. ".
Art. 42. Aan artikel 2 van hetzelfde besluit wordt een punt 17° toegevoegd dat luidt als volgt:
"17° ES-TRIN 2021/1: Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, editie 2021/1, welke kan worden geraadpleegd op de volgende website: https://www.cesni.eu/wp-content/uploads/2020/10/ES_TRIN_2021_nl.pdf"
"17° ES-TRIN 2021/1: Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, editie 2021/1, welke kan worden geraadpleegd op de volgende website: https://www.cesni.eu/wp-content/uploads/2020/10/ES_TRIN_2021_nl.pdf"
Art. 42. A l'article 2 du même arrêté est ajouté un point 17°, rédigé comme suit:
" 17° ES-TRIN 2021/1 : standard européen établissant les prescriptions techniques des bateaux de navigation intérieure, édition 2021/1, disponible sur le site internet suivant : https://www.cesni.eu/wp-content/uploads/2020/10/ES_TRIN_2021_fr.pdf "
" 17° ES-TRIN 2021/1 : standard européen établissant les prescriptions techniques des bateaux de navigation intérieure, édition 2021/1, disponible sur le site internet suivant : https://www.cesni.eu/wp-content/uploads/2020/10/ES_TRIN_2021_fr.pdf "
Art. 43. In artikel 7 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1";
2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1 en bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd".
1° in paragraaf 2 wordt de zinsnede "bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1";
2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1 en bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd".
Art. 43. A l'article 7 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 2 le membre de phrase " à l'annexe 2 jointe au présent arrêté " est remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1 " ;
2° au paragraphe 3 le membre de phrase " aux annexes 2 et 7 au présent arrêté " est remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1 et à l'annexe 7, jointe au présent arrêté ".
1° au paragraphe 2 le membre de phrase " à l'annexe 2 jointe au présent arrêté " est remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1 " ;
2° au paragraphe 3 le membre de phrase " aux annexes 2 et 7 au présent arrêté " est remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1 et à l'annexe 7, jointe au présent arrêté ".
Art. 44. In artikel 8, 1°, van hetzelfde besluit wordt punt b) vervangen door wat volgt:
"b) als dat van toepassing is voor vaartuigen die de Rijn (zone R) bevaren conform de overgangsbepalingen van ES-TRIN 2021/1: een Uniebinnenvaartcertificaat dat de volledige conformiteit van het vaartuig bewijst met de technische voorschriften, vermeld in ES-TRIN 2021/1 en bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd, en waarvan de gelijkwaardigheid is vastgesteld met de technische voorschriften, vermeld in de Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868;"
"b) als dat van toepassing is voor vaartuigen die de Rijn (zone R) bevaren conform de overgangsbepalingen van ES-TRIN 2021/1: een Uniebinnenvaartcertificaat dat de volledige conformiteit van het vaartuig bewijst met de technische voorschriften, vermeld in ES-TRIN 2021/1 en bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd, en waarvan de gelijkwaardigheid is vastgesteld met de technische voorschriften, vermeld in de Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868;"
Art. 44. A l'article 8, 1°, du même arrêté, le point b) est remplacé par ce qui suit :
" b) si applicable aux bateaux naviguant sur le Rhin (zone R) conformément aux dispositions transitoires de ES-TRIN 2021/1 : un certificat de l'Union pour bateaux de navigation intérieure qui atteste leur conformité totale avec les prescriptions techniques prévues dans ES-TRIN 2021/1 et à l'annexe 7 du présent arrêté, et dont l'équivalence avec les prescriptions techniques fixées en application de la Convention révisée pour la navigation du Rhin du 17 octobre 1868 a été établie ; "
" b) si applicable aux bateaux naviguant sur le Rhin (zone R) conformément aux dispositions transitoires de ES-TRIN 2021/1 : un certificat de l'Union pour bateaux de navigation intérieure qui atteste leur conformité totale avec les prescriptions techniques prévues dans ES-TRIN 2021/1 et à l'annexe 7 du présent arrêté, et dont l'équivalence avec les prescriptions techniques fixées en application de la Convention révisée pour la navigation du Rhin du 17 octobre 1868 a été établie ; "
Art. 45. In artikel 9, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1".
Art. 45. A l'article 9, alinéa deux, du même arrêté, le membre de phrase " à l'annexe 2 du présent arrêté " est remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1 ".
Art. 46. In artikel 10 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid, 2°, 4° en 7°, wordt de zinsnede "bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1 en bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd;";
2° in het derde lid wordt de zinsnede "bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1".
1° in het tweede lid, 2°, 4° en 7°, wordt de zinsnede "bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1 en bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd;";
2° in het derde lid wordt de zinsnede "bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1".
Art. 46. A l'article 10 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa deux, 2°, 4° et 7°, le membre de phrase " des annexes 2 et 7 jointes au présent arrêté " est remplacé par le membre de phrase " de ES-TRIN 2021/1 et de l'annexe 7 au présent arrêté ; " ;
2° à l'alinéa trois, le membre de phrase " à l'annexe 2 jointe au présent arrêté " est remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1. ".
1° à l'alinéa deux, 2°, 4° et 7°, le membre de phrase " des annexes 2 et 7 jointes au présent arrêté " est remplacé par le membre de phrase " de ES-TRIN 2021/1 et de l'annexe 7 au présent arrêté ; " ;
2° à l'alinéa trois, le membre de phrase " à l'annexe 2 jointe au présent arrêté " est remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1. ".
Art. 47. In artikel 12, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1 en bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd".
Art. 47. A l'article 12, alinéa premier, du même arrêté, le membre de phrase " aux annexes 2 et 7, jointes au présent arrêté " est remplacé par le membre de phrase " à ES-TRIN 2021/1 et à l'annexe 7 jointe au présent arrêté, ".
Art. 48. In artikel 13 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1 en bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd;";
2° in het tweede lid wordt de zinsnede "bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1".
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1 en bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd;";
2° in het tweede lid wordt de zinsnede "bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1".
Art. 48. A l'article 13 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa premier, le membre de phrase " aux annexes 2 et 7 jointes au présent arrêté. " est remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1 et à l'annexe 7 jointe au présent arrêté. " ;
2° à l'alinéa deux, le membre de phrase " à l'annexe 2 du présent arrêté " est remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1 ".
1° à l'alinéa premier, le membre de phrase " aux annexes 2 et 7 jointes au présent arrêté. " est remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1 et à l'annexe 7 jointe au présent arrêté. " ;
2° à l'alinéa deux, le membre de phrase " à l'annexe 2 du présent arrêté " est remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1 ".
Art. 49. In artikel 15, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1 en bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd".
Art. 49. A l'article 15, alinéa premier, du même arrêté, le membre de phrase " aux annexes 2 et 7 " est remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1 et à l'annexe 7 jointe au présent arrêté, ".
Art. 50. In artikel 18, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1".
Art. 50. A l'article 18, alinéa deux, du même arrêté, le membre de phrase " à l'annexe 2 jointe au présent arrêté " est remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1. ".
Art. 51. In artikel 19, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1 en bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd".
Art. 51. A l'article 19, alinéa premier, du même arrêté, le membre de phrase " aux annexes 2 et 7 jointes au présent arrêté " est remplacé par le membre de phrase " à ES-TRIN 2021/1 et à l'annexe 7 jointe au présent arrêté. ".
Art. 52. In artikel 21, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1 en bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd".
Art. 52. A l'article 21, alinéa deux, du même arrêté, le membre de phrase " aux annexes 2 et 7 jointes au présent arrêté. " est remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1 et à l'annexe 7 jointe au présent arrêté. ".
Art. 53. In artikel 24 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd" telkens vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1 en bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd".
Art. 53. A l'article 24 du même arrêté, le membre de phrase " aux annexes 2 et 7 du présent arrêté " est remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1 et à l'annexe 7 jointe au présent arrêté, ".
Art. 54. In artikel 26, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd" telkens vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1 en bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd".
Art. 54. A l'article 26 du même arrêté, le membre de phrase " aux annexes 2 et 7 du présent arrêté " est à chaque fois remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1 et à l'annexe 7 jointe au présent arrêté ".
Art. 55. In artikel 27, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1".
Art. 55. A l'article 27, alinéa premier, du même arrêté, le membre de phrase " à l'annexe 2 jointe au présent arrêté " est remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1 ".
Art. 56. In artikel 50 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1 en bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd";
2° in het tweede en het vierde lid wordt de zinsnede "bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd" telkens vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1 en bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd".
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd" vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1 en bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd";
2° in het tweede en het vierde lid wordt de zinsnede "bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd" telkens vervangen door de zinsnede "ES-TRIN 2021/1 en bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd".
Art. 56. A l'article 50 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa premier, le membre de phrase " aux annexes 2 et 7 du présent arrêté " est remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1 et à l'annexe 7 jointe au présent arrêté " ;
2° à l'alinéa deux et quatre, le membre de phrase " aux annexes 2 et 7 du présent arrêté " est à chaque fois remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1 et à l'annexe 7 jointe au présent arrêté ".
1° à l'alinéa premier, le membre de phrase " aux annexes 2 et 7 du présent arrêté " est remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1 et à l'annexe 7 jointe au présent arrêté " ;
2° à l'alinéa deux et quatre, le membre de phrase " aux annexes 2 et 7 du présent arrêté " est à chaque fois remplacé par le membre de phrase " dans ES-TRIN 2021/1 et à l'annexe 7 jointe au présent arrêté ".
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
CHAPITRE 6. - Dispositions finales
Art. 57. De volgende regelingen worden opgeheven:
1° het koninklijk besluit van 23 december 1998 betreffende het verkrijgen van vaarbewijzen voor het besturen van binnenvaartuigen bestemd voor het goederen- en personenvervoer, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 maart 2007 en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2015;
2° het ministerieel besluit van 6 december 2002 houdende organisatie van een examen matroos voor de binnenvaart;
3° het koninklijk besluit van 27 maart 2007 houdende de organisatie van de examens en de vaststelling van de retributies voor de bekwaamheidsbewijzen in Rijn- en binnenvaart, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 december 2012 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 juli 2015 en 23 december 2016.
1° het koninklijk besluit van 23 december 1998 betreffende het verkrijgen van vaarbewijzen voor het besturen van binnenvaartuigen bestemd voor het goederen- en personenvervoer, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 maart 2007 en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2015;
2° het ministerieel besluit van 6 december 2002 houdende organisatie van een examen matroos voor de binnenvaart;
3° het koninklijk besluit van 27 maart 2007 houdende de organisatie van de examens en de vaststelling van de retributies voor de bekwaamheidsbewijzen in Rijn- en binnenvaart, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 december 2012 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 juli 2015 en 23 december 2016.
Art. 57. Les réglementations suivantes sont abrogées :
1° l'arrêté royal du 23 décembre 1998 relatif à l'obtention de certificats de conduite de bateaux de navigation intérieure destinés au transport de marchandises et de personnes, modifié par l'arrêté royal du 27 mars 2007 et l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2015 ;
2° l'arrêté ministériel du 6 décembre 2002 portant organisation d'un examen de matelot pour la navigation intérieure ;
3° l'arrêté royal du 27 mars 2007 portant organisation des examens et fixation des rétributions pour les attestations de qualification en navigation rhénane et intérieure, modifié par l'arrêté royal du 21 décembre 2012 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 10 juillet 2015 et du 23 décembre 2016.
1° l'arrêté royal du 23 décembre 1998 relatif à l'obtention de certificats de conduite de bateaux de navigation intérieure destinés au transport de marchandises et de personnes, modifié par l'arrêté royal du 27 mars 2007 et l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juillet 2015 ;
2° l'arrêté ministériel du 6 décembre 2002 portant organisation d'un examen de matelot pour la navigation intérieure ;
3° l'arrêté royal du 27 mars 2007 portant organisation des examens et fixation des rétributions pour les attestations de qualification en navigation rhénane et intérieure, modifié par l'arrêté royal du 21 décembre 2012 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 10 juillet 2015 et du 23 décembre 2016.
Art. 58. § 1. De vaarbewijzen die conform richtlijn 96/50/EG zijn afgegeven, de vaarbewijzen, vermeld in artikel 1, lid 6, van de voormelde richtlijn en de Rijnschipperspatenten, vermeld in artikel 1, lid 5, van Richtlijn 96/50/EG, die zijn afgegeven vóór 18 januari 2022, blijven gedurende maximaal tien jaar na die datum geldig op de binnenwateren waarop ze vóór die datum geldig waren.
Als de certificaten, vermeld in het eerste lid, zijn afgegeven door een instantie van de federale, het Vlaamse Gewest of De Vlaamse Waterweg NV, geeft De Vlaamse Waterweg nv vóór 18 januari 2032 een van de volgende certificaten aan de schippers die over het voormelde certificaat beschikken op hun verzoek en op voorwaarde dat de schipper aan De Vlaamse Waterweg nv bewijsstukken bezorgt als vermeld in artikel 11, 1° en 3°, van dit besluit:
1° een kwalificatiecertificaat van de Unie conform het model dat is opgenomen in bijlage I bij de uitvoeringsverordening (EU) 2020/182 van de Commissie van 14 januari 2020 betreffende modellen voor beroepskwalificaties in de binnenvaart;
2° een certificaat als vermeld in [1 artikel 10, § 2]1, van dit besluit.
§ 2. Als De Vlaamse Waterweg nv kwalificatiecertificaten van de Unie afgeeft conform paragraaf 1, waarborgt De Vlaamse Waterweg nv, als dat mogelijk is, bevoegdheden die eerder zijn verleend, namelijk over de specifieke vergunningen, vermeld in artikel 6.
§ 3. Andere bemanningsleden dan schippers die beschikken over een kwalificatiecertificaat dat door een lidstaat is afgegeven vóór 18 januari 2022, of die beschikken over een kwalificatie die in een of meer lidstaten is erkend, kunnen zich nog voor een periode van maximaal tien jaar na die datum beroepen op dat certificaat of die kwalificatie. Tijdens die periode kunnen die bemanningsleden zich blijven beroepen op het decreet van 24 februari 2017 tot gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties voor de erkenning van hun kwalificaties. Vóór die periode is verstreken, kunnen ze bij De Vlaamse Waterweg nv een kwalificatiecertificaat van de Unie of een certificaat als vermeld in [1 artikel 10, § 2 ]1, van dit besluit, aanvragen, op voorwaarde dat ze aan De Vlaamse Waterweg nv bewijsstukken als vermeld in artikel 11, 1° en 3°, van dit besluit, bezorgen.
Als de bemanningsleden, vermeld in het eerste lid, een kwalificatiecertificaat van de Unie of een certificaat als vermeld in [1 artikel 10, § 2]1, aanvragen, zorgt De Vlaamse Waterweg nv ervoor dat een kwalificatiecertificaat van de Unie wordt afgegeven waarvan de bekwaamheidseisen vergelijkbaar zijn met of lager zijn dan die van het te vervangen certificaat. Een certificaat waarvoor de eisen hoger zijn dan die van het te vervangen certificaat, wordt alleen afgegeven als de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° voor het kwalificatiecertificaat van de Unie voor een matroos: 540 dagen vaartijd inclusief ten minste 180 dagen in de binnenvaart;
2° voor het kwalificatiecertificaat van de Unie voor een volmatroos: 900 dagen vaartijd inclusief ten minste 540 dagen in de binnenvaart;
3° voor het kwalificatiecertificaat van de Unie voor een stuurman: 1080 dagen vaartijd inclusief ten minste 720 dagen in de binnenvaart.
De vaarervaring, vermeld in het tweede lid, wordt aangetoond via een dienstboekje, vaartijdenboek of ander bewijsmateriaal.
De minimumduur van de vaartijd, vermeld in het tweede lid, 1°, 2° en 3°, kan met ten hoogste 360 dagen vaartijd worden verminderd als de aanvrager houder is van een van een door de Minister erkend diploma ter afsluiting van een gespecialiseerde binnenvaartopleiding van de aanvrager met praktijkstages voor het besturen van een vaartuig. De minimale duur mag niet worden verminderd voor een periode die langer is dan de duur van de gespecialiseerde opleiding.
§ 4. De dienstboekjes en vaartijdenboeken die vóór 18 januari 2022 zijn afgegeven conform andere regels dan die welke bij dit besluit zijn vastgesteld, kunnen nog gedurende maximaal tien jaar na 18 januari 2022 actief blijven.
Als de certificaten, vermeld in het eerste lid, zijn afgegeven door een instantie van de federale, het Vlaamse Gewest of De Vlaamse Waterweg NV, geeft De Vlaamse Waterweg nv vóór 18 januari 2032 een van de volgende certificaten aan de schippers die over het voormelde certificaat beschikken op hun verzoek en op voorwaarde dat de schipper aan De Vlaamse Waterweg nv bewijsstukken bezorgt als vermeld in artikel 11, 1° en 3°, van dit besluit:
1° een kwalificatiecertificaat van de Unie conform het model dat is opgenomen in bijlage I bij de uitvoeringsverordening (EU) 2020/182 van de Commissie van 14 januari 2020 betreffende modellen voor beroepskwalificaties in de binnenvaart;
2° een certificaat als vermeld in [1 artikel 10, § 2]1, van dit besluit.
§ 2. Als De Vlaamse Waterweg nv kwalificatiecertificaten van de Unie afgeeft conform paragraaf 1, waarborgt De Vlaamse Waterweg nv, als dat mogelijk is, bevoegdheden die eerder zijn verleend, namelijk over de specifieke vergunningen, vermeld in artikel 6.
§ 3. Andere bemanningsleden dan schippers die beschikken over een kwalificatiecertificaat dat door een lidstaat is afgegeven vóór 18 januari 2022, of die beschikken over een kwalificatie die in een of meer lidstaten is erkend, kunnen zich nog voor een periode van maximaal tien jaar na die datum beroepen op dat certificaat of die kwalificatie. Tijdens die periode kunnen die bemanningsleden zich blijven beroepen op het decreet van 24 februari 2017 tot gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties voor de erkenning van hun kwalificaties. Vóór die periode is verstreken, kunnen ze bij De Vlaamse Waterweg nv een kwalificatiecertificaat van de Unie of een certificaat als vermeld in [1 artikel 10, § 2 ]1, van dit besluit, aanvragen, op voorwaarde dat ze aan De Vlaamse Waterweg nv bewijsstukken als vermeld in artikel 11, 1° en 3°, van dit besluit, bezorgen.
Als de bemanningsleden, vermeld in het eerste lid, een kwalificatiecertificaat van de Unie of een certificaat als vermeld in [1 artikel 10, § 2]1, aanvragen, zorgt De Vlaamse Waterweg nv ervoor dat een kwalificatiecertificaat van de Unie wordt afgegeven waarvan de bekwaamheidseisen vergelijkbaar zijn met of lager zijn dan die van het te vervangen certificaat. Een certificaat waarvoor de eisen hoger zijn dan die van het te vervangen certificaat, wordt alleen afgegeven als de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° voor het kwalificatiecertificaat van de Unie voor een matroos: 540 dagen vaartijd inclusief ten minste 180 dagen in de binnenvaart;
2° voor het kwalificatiecertificaat van de Unie voor een volmatroos: 900 dagen vaartijd inclusief ten minste 540 dagen in de binnenvaart;
3° voor het kwalificatiecertificaat van de Unie voor een stuurman: 1080 dagen vaartijd inclusief ten minste 720 dagen in de binnenvaart.
De vaarervaring, vermeld in het tweede lid, wordt aangetoond via een dienstboekje, vaartijdenboek of ander bewijsmateriaal.
De minimumduur van de vaartijd, vermeld in het tweede lid, 1°, 2° en 3°, kan met ten hoogste 360 dagen vaartijd worden verminderd als de aanvrager houder is van een van een door de Minister erkend diploma ter afsluiting van een gespecialiseerde binnenvaartopleiding van de aanvrager met praktijkstages voor het besturen van een vaartuig. De minimale duur mag niet worden verminderd voor een periode die langer is dan de duur van de gespecialiseerde opleiding.
§ 4. De dienstboekjes en vaartijdenboeken die vóór 18 januari 2022 zijn afgegeven conform andere regels dan die welke bij dit besluit zijn vastgesteld, kunnen nog gedurende maximaal tien jaar na 18 januari 2022 actief blijven.
Modifications
Art. 58. § 1er. Les certificats de conduite délivrés conformément à la directive 96/50/CE, les certificats de conduite, visés à l'article 1, paragraphe 6, de la directive précitée et les patentes de batelier du Rhin, visées à l'article 1, paragraphe 5, de la directive 96/50/CE, délivrés avant le 18 janvier 2022 demeurent valables sur les voies d'eau intérieures de l'Union sur lesquelles ils étaient valables avant cette date, pour une durée maximale de dix ans après cette date.
Si les certificats visés à l'alinéa premier ont été délivrés par un organisme fédéral, la Région flamande ou De Vlaamse Waterweg NV, De Vlaamse Waterweg nv délivrera avant le 18 janvier 2032 l'un des certificats suivants aux conducteurs titulaires du certificat précité, à leur demande et à condition que le conducteur fournisse à De Vlaamse Waterweg nv les justificatifs visés à l'article 11, 1° et 3°, du présent arrêté :
1° un certificat de qualification de l'Union conforme au modèle figurant à l'annexe I du règlement d'exécution (UE) 2020/182 de la Commission du 14 janvier 2020 sur les modèles relatifs aux qualifications professionnelles dans le domaine de la navigation intérieure ;
2° un certificat tel que visé à l'[1 article 10, § 2]1, du présent arrêté.
§ 2. Lorsque De Vlaamse Waterweg nv délivre des certificats de qualification de l'Union conformément au paragraphe 1er, elle sauvegarde, si possible, des compétences précédemment accordées, à savoir relatives aux autorisations spécifiques visées à l'article 6.
§ 3. Les membres d'équipage autres que les conducteurs titulaires d'un certificat de qualification délivré par un Etat membre avant le 18 janvier 2022, ou titulaires d'une qualification reconnue dans un ou plusieurs Etats membres, peuvent encore s'appuyer sur ce certificat ou sur cette qualification pendant une durée maximale de dix ans après cette date. Pendant cette période, ces membres d'équipage peuvent continuer à se prévaloir du décret du 24 février 2017 transposant partiellement la directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 2005 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles pour obtenir la reconnaissance de leurs qualifications. Avant l'expiration de cette période, ils peuvent solliciter auprès de De Vlaamse Waterweg nv un certificat de qualification de l'Union ou un certificat tel que visé à l'[1 article 10, § 2]1, du présent arrêté, à condition de présenter à De Vlaamse Waterweg nv les pièces justificatives visées à l'article 11, 1° et 3°, du présent arrêté.
Lorsque les membres d'équipage visés à l'alinéa premier, demandent un certificat de qualification de l'Union ou un certificat visé à l'[1 article 10, § 2]1, De Vlaamse Waterweg nv veille à ce que soit délivré un certificat de qualification de l'Union pour lequel les exigences en matière de compétences sont similaires ou inférieures à celles du certificat à remplacer. Un certificat pour lequel les exigences sont supérieures à celles du certificat à remplacer n'est délivré que si les conditions suivantes sont remplies :
1° pour le certificat de qualification de l'Union en tant que matelot : 540 jours de temps de navigation dont au moins 180 jours de navigation intérieure ;
2° pour le certificat de qualification de l'Union en tant que maître matelot : 900 jours de temps de navigation dont au moins 540 jours de navigation intérieure ;
3° pour le certificat de qualification de l'Union en tant que timonier : 1080 jours de temps de navigation dont au moins 720 jours de navigation intérieure.
L'expérience en matière de navigation visée à l'alinéa deux, est démontrée au moyen d'un livret de service, d'un livre de bord ou d'une autre preuve.
Les durées minimales des temps de navigation, visées à l'alinéa deux, 1°, 2° et 3°, peuvent être réduites de 360 jours de temps de navigation au maximum lorsque le demandeur est titulaire d'un diplôme reconnu par le ministre sanctionnant la formation spécialisée du demandeur en navigation intérieure qui comporte des stages pratiques de navigation. La réduction des durées minimales des temps de navigation ne peut être supérieure à la durée de la formation spécialisée.
§ 4. Les livrets de service et les livres de bord qui ont été délivrés avant le 18 janvier 2022 selon des modalités autres que celles prévues par le présent arrêté peuvent rester actifs pendant une durée maximale de dix ans après le 18 janvier 2022.
Si les certificats visés à l'alinéa premier ont été délivrés par un organisme fédéral, la Région flamande ou De Vlaamse Waterweg NV, De Vlaamse Waterweg nv délivrera avant le 18 janvier 2032 l'un des certificats suivants aux conducteurs titulaires du certificat précité, à leur demande et à condition que le conducteur fournisse à De Vlaamse Waterweg nv les justificatifs visés à l'article 11, 1° et 3°, du présent arrêté :
1° un certificat de qualification de l'Union conforme au modèle figurant à l'annexe I du règlement d'exécution (UE) 2020/182 de la Commission du 14 janvier 2020 sur les modèles relatifs aux qualifications professionnelles dans le domaine de la navigation intérieure ;
2° un certificat tel que visé à l'[1 article 10, § 2]1, du présent arrêté.
§ 2. Lorsque De Vlaamse Waterweg nv délivre des certificats de qualification de l'Union conformément au paragraphe 1er, elle sauvegarde, si possible, des compétences précédemment accordées, à savoir relatives aux autorisations spécifiques visées à l'article 6.
§ 3. Les membres d'équipage autres que les conducteurs titulaires d'un certificat de qualification délivré par un Etat membre avant le 18 janvier 2022, ou titulaires d'une qualification reconnue dans un ou plusieurs Etats membres, peuvent encore s'appuyer sur ce certificat ou sur cette qualification pendant une durée maximale de dix ans après cette date. Pendant cette période, ces membres d'équipage peuvent continuer à se prévaloir du décret du 24 février 2017 transposant partiellement la directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 2005 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles pour obtenir la reconnaissance de leurs qualifications. Avant l'expiration de cette période, ils peuvent solliciter auprès de De Vlaamse Waterweg nv un certificat de qualification de l'Union ou un certificat tel que visé à l'[1 article 10, § 2]1, du présent arrêté, à condition de présenter à De Vlaamse Waterweg nv les pièces justificatives visées à l'article 11, 1° et 3°, du présent arrêté.
Lorsque les membres d'équipage visés à l'alinéa premier, demandent un certificat de qualification de l'Union ou un certificat visé à l'[1 article 10, § 2]1, De Vlaamse Waterweg nv veille à ce que soit délivré un certificat de qualification de l'Union pour lequel les exigences en matière de compétences sont similaires ou inférieures à celles du certificat à remplacer. Un certificat pour lequel les exigences sont supérieures à celles du certificat à remplacer n'est délivré que si les conditions suivantes sont remplies :
1° pour le certificat de qualification de l'Union en tant que matelot : 540 jours de temps de navigation dont au moins 180 jours de navigation intérieure ;
2° pour le certificat de qualification de l'Union en tant que maître matelot : 900 jours de temps de navigation dont au moins 540 jours de navigation intérieure ;
3° pour le certificat de qualification de l'Union en tant que timonier : 1080 jours de temps de navigation dont au moins 720 jours de navigation intérieure.
L'expérience en matière de navigation visée à l'alinéa deux, est démontrée au moyen d'un livret de service, d'un livre de bord ou d'une autre preuve.
Les durées minimales des temps de navigation, visées à l'alinéa deux, 1°, 2° et 3°, peuvent être réduites de 360 jours de temps de navigation au maximum lorsque le demandeur est titulaire d'un diplôme reconnu par le ministre sanctionnant la formation spécialisée du demandeur en navigation intérieure qui comporte des stages pratiques de navigation. La réduction des durées minimales des temps de navigation ne peut être supérieure à la durée de la formation spécialisée.
§ 4. Les livrets de service et les livres de bord qui ont été délivrés avant le 18 janvier 2022 selon des modalités autres que celles prévues par le présent arrêté peuvent rester actifs pendant une durée maximale de dix ans après le 18 janvier 2022.
Modifications
Art. 59. Dit besluit treedt inwerking op de tiende dag na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Dat is ook de datum bedoeld in artikel 61, § 1, derde lid, en artikel 63, tweede lid, van het Scheepvaartdecreet.
Art. 59. Le présent arrêté entre en vigueur le dixième jour suivant sa publication au Moniteur belge. Il s'agit également de la date visée à l'article 61, § 1er, alinéa trois, et à l'article 63, alinéa deux, du décret sur la navigation.
Art. 60. De Vlaamse minister, bevoegd voor de waterinfrastructuur en het waterbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 60. Le ministre flamand qui a l'infrastructure hydraulique et la politique de l'eau dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 07-09-2022, p. 66255)
Gewijzigd bij :
Gewijzigd bij :
Art. N1. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 07-09-2022, p. 66376)
Modifié par :
Modifié par :
Art. N2. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 07-09-2022, p. 66261)
Art. N2. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 07-09-2022, p. 66383)
Art. N3. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 07-09-2022, p. 66265)
Art. N3. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 07-09-2022, p. 66388)
Art. N4. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 07-09-2022, p. 66266)
Art. N4. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 07-09-2022, p. 66389)
Art. N5. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 07-09-2022, p. 66313)
Art. N5. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 07-09-2022, p. 66437)
Art. N6. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 07-09-2022, p. 66324)
Art. N6. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 07-09-2022, p. 66448)
Art. N7. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 07-09-2022, p. 66345)
Art. N7. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 07-09-2022, p. 66469)