Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
24 JUNI 2022. - Decreet tot wijziging van diverse bepalingen in de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018
Titre
24 JUIN 2022. - Décret modifiant diverses dispositions de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement et du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018
Informations sur le document
Numac: 2022015459
Datum: 2022-06-24
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2022015459
Date: 2022-06-24
Moniteur: Voir
Tekst (24)
Texte (24)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Dit decreet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid.
Dit decreet voorziet in de gedeeltelijke uitvoering van de verordening (EU) 2020/741 van 25 mei 2020 van het Europees Parlement en de Raad inzake minimumeisen voor hergebruik van water.
Article 1er. Le présent décret règle une matière régionale.
Le présent décret prévoit la transposition partielle de la directive 2000/60/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2000 établissant un cadre pour une politique communautaire dans le domaine de l'eau.
Le présent décret prévoit la mise en oeuvre partielle du règlement (UE) 2020/741 du Parlement européen et du Conseil du 25 mai 2020 relatif aux exigences minimales applicables à la réutilisation de l'eau.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables
Art. 2. In artikel 1 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, gewijzigd bij de decreten van 28 februari 2014 en 26 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 4° wordt vervangen door wat volgt:
"4° bedding van een onbevaarbare waterloop of gracht: de oppervlakte die gevormd wordt door de bodem van de waterloop of gracht en de beide taluds;";
2° punt 6° wordt vervangen door wat volgt:
"6° talud: een strook land van een onbevaarbare waterloop of gracht vanaf de bodem van de bedding tot aan het begin van het omgevende maaiveld of de kruin van de berm;".
Art. 2. A l'article 1er de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables, modifié par les décrets des 28 février 2014 et 26 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° lit d'un cours d'eau non navigable ou d'un fossé : la superficie formée par le fond du cours d'eau ou du fossé et les deux talus ; " ;
2° le point 6° est remplacé par ce qui suit :
" 6° talus : bande de sol du lit de cours d'eau, qui s'étend du fond du lit jusqu'au commencement du terrain naturel environnant ou du sommet de l'accotement ; ".
Art. 3. In artikel 12 van dezelfde wet, vervangen bij het decreet van 26 april 2019, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
" § 2. Tegen de beslissingen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kan beroep worden ingesteld conform artikel 19, tweede tot en met vierde lid.".
Art. 3. Dans l'article 12 de la même loi, remplacé par le décret du 26 avril 2019, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Les décisions visées au paragraphe 1er, alinéa premier, peuvent faire l'objet d'un recours conformément à l'article 19, alinéas deux à quatre. ".
Art. 4. In artikel 19, derde lid, van dezelfde wet, vervangen bij het decreet van 26 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan punt 2° wordt de zinsnede ", polder of watering" toegevoegd;
2° er wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"4° de aanvrager van de machtiging, vermeld in artikel 12, § 1, eerste lid.".
Art. 4. A l'article 19, alinéa trois, de la même loi, remplacé par le décret du 26 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 2° est ajouté le membre de phrase " , le polder ou la wateringue " ;
2° il est ajouté un point 4°, rédigé comme suit :
" 4° le demandeur de l'autorisation visée à l'article 12, § 1er, alinéa premier. ".
Art. 5. Aan artikel 23bis van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 26 april 2019, worden een tweede, een derde, een vierde en een vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"De nadere regels, vermeld in het eerste lid, kunnen procedures omvatten die volledig of gedeeltelijk elektronisch verlopen. Daarbij kunnen persoonsgegevens verwerkt worden, alsook geografische gegevens die kunnen leiden tot de identificatie van natuurlijke personen. Die gegevens worden verwerkt conform de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens. De persoonsgegevens en geografische gegevens zijn de identificatiegegevens van de aanvrager, de hoeveelheid water die onttrokken zal worden en de locatie van de onttrekking.
De waterbeheerders, vermeld in artikel 7, eerste lid, worden aangewezen als verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), voor de gegevens, vermeld in het tweede lid, als die gegevens betrekking hebben op de waterlopen en publieke grachten onder hun beheer. Enkel hun personeel betrokken bij de regeling rond wateronttrekkingen heeft toegang tot de vermelde gegevens.
De persoonsgegevens, vermeld in het tweede lid, worden verwerkt om de onttrekking te kunnen reguleren met het oog op het halen van de doelstellingen van het integraal waterbeleid, vermeld in artikel 1.2.2 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, en om de heffing te kunnen vestigen als vermeld in artikel 4.2.4.2 van het voormelde decreet. De geografische gegevens worden verwerkt om bij waterschaarste en droogte maatregelen te kunnen nemen in het kader van de droogtecommissie en het provinciale droogteoverleg, alsook om de controle op de verplichte aangifte en de correctheid daarvan te kunnen uitvoeren.
De bewaartermijn van de persoonsgegevens, vermeld in het tweede lid, is zes jaar na de ontvangst ervan. De bewaartermijn van de geografische gegevens, vermeld in het tweede lid, is tien jaar na de ontvangst ervan.".
Art. 5. A l'article 23bis de la même loi, inséré par le décret du 26 avril 2019, sont ajoutés les alinéas deux, trois, quatre et cinq, rédigés comme suit :
" Les règles, mentionnées à l'alinéa premier, peuvent comporter des procédures entièrement ou partiellement électroniques. Ces procédures peuvent impliquer le traitement de données personnelles, ainsi que de données géographiques pouvant conduire à l'identification de personnes physiques. Ces données sont traitées conformément à la réglementation relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel. Les données personnelles et les données géographiques sont les données d'identification du demandeur, la quantité d'eau qui sera prélevée et le lieu du prélèvement.
Les gestionnaires des eaux, visés à l'article 7, alinéa premier, sont désignés comme responsable du traitement, tel que visé à l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), pour les données visées à l'alinéa deux, si ces données ont trait aux cours d'eau et aux fossés publics gérés par eux. Seul les membres de leur personnel impliqués dans le règlement des prélèvements d'eau ont accès aux données mentionnées.
Les données à caractère personnel visées à l'alinéa deux sont traitées afin de pouvoir réguler le prélèvement en vue d'atteindre les objectifs de la politique intégrée de l'eau, visés à l'article 1.2.2 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, et de pouvoir établir la redevance au sens de l'article 4.2.4.2 du décret précité. Les données géographiques sont traitées afin de pouvoir prendre des mesures en cas de pénurie d'eau et de sécheresse dans le cadre de la commission sécheresse et de la consultation provinciale sécheresse, ainsi qu'aux fins du contrôle de la déclaration obligatoire et de son exactitude.
Le délai de conservation des données à caractère personnel, visé à l'alinéa deux, est de six ans à compter de leur réception. Le délai de conservation des données géographiques, visé à l'alinéa deux, est de dix ans à compter de leur réception. ".
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
CHAPITRE 3. - Modification du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art. 6. In artikel 10.2.3, § 1, tweede lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 juni 2018, wordt punt 14° vervangen door wat volgt:
"14° het bijdragen aan de beleidsvoorbereiding, de controle en de opvolging van de volgende aspecten over water bestemd voor menselijke aanwending:
a) de kwaliteit en de levering;
b) de dienstverlening, met inbegrip van de openbare dienstverplichtingen;
c) de tarieven die verbonden zijn aan de aspecten, vermeld in punt a) en b);".
Art. 6. Dans l'article 10.2.3, § 1er, alinéa deux, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, inséré par le décret du 7 mai 2004 et modifié en dernier lieu par le décret du 15 juin 2018, le point 14° est remplacé par ce qui suit :
" 14° contribuer à la préparation politique, au contrôle et au suivi des aspects suivants concernant les eaux destinées à l'utilisation humaine :
a) la qualité et la fourniture ;
b) la prestation de services, y compris les obligations de service public ;
c) les tarifs associés aux aspects visés aux points a) et b) ; ".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018
CHAPITRE 4. - Modifications du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018
Art. 7. In artikel 1.1.3, § 2, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 7° wordt de zinsnede "een wachtbekken, een spaarbekken" vervangen door de woorden "een waterbekken";
2° punt 18° wordt vervangen door wat volgt:
"18° schadelijk effect: ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur, gelegen buiten afgebakende overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, een achteruitgang in de toestand van een waterlichaam, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen;";
3° punt 44° wordt vervangen door wat volgt:
"44° talud: een strook land van een oppervlaktewaterlichaam vanaf de bodem van de bedding tot aan het begin van het omgevende maaiveld of de kruin van de berm;";
4° punt 54° wordt vervangen door wat volgt:
"54° water bestemd voor menselijke consumptie: al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding, vaat of persoonlijke hygiëne, ongeacht de herkomst en ongeacht of het water wordt geleverd via een waterdistributienetwerk of via een private waterwinning, uit een tankschip of tankauto, of in flessen of verpakkingen, met uitzondering van:
a) natuurlijk mineraalwater dat dusdanig is erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 februari 1999 betreffende natuurlijk mineraalwater en bronwater;
b) water dat een geneesmiddel is;";
5° een punt 68° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt:
"68° achteruitgang van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam: als de toestand van ten minste één van de kwaliteitselementen, bedoeld in bijlage V bij de kaderrichtlijn Water, een klasse achteruitgaat, zelfs als die achteruitgang niet tot gevolg heeft dat het oppervlaktewaterlichaam in het algemeen wordt ingedeeld in een lagere klasse. Indien het betreffende kwaliteitselement uit bijlage V bij de kaderrichtlijn Water zich reeds in de laagste klasse bevindt, vormt iedere achteruitgang van dat element een achteruitgang van de toestand;";
6° een punt 69° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt:
"69° achteruitgang van de chemische toestand van een grondwaterlichaam: als ten minste één van de kwaliteitsnormen of drempelwaarden in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand, overschreden wordt, of als er een voorzienbare verhoging van de concentratie van een verontreinigende stof is terwijl de daarvoor vastgestelde drempel reeds is overschreden. Hiervoor moeten de op elk monitoringspunt gemeten waarden ieder afzonderlijk in aanmerking worden genomen.".
Art. 7. A l'article 1.1.3, § 2, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le point 7°, le membre de phrase " un bassin d'attente, un bassin d'épargne " est remplacé par les mots " un plan d'eau ".
2° le point 18° est remplacé par ce qui suit :
" 18° effet nocif : tout effet préjudiciable significatif sur l'environnement résultant d'un changement de l'état des systèmes d'eau ou de leurs composants qui est engendré par une activité humaine; ces effets comprennent, entre autres, des effets sur la santé humaine et la sécurité de bâtiments et d'infrastructures autorisés ou supposés être autorisés, situés en dehors de zones inondables délimitées, sur l'utilisation durable de l'eau par l'homme, sur la faune, la flore, le sol, l'air, l'eau, le climat, le paysage et le patrimoine immobilier, une détérioration de l'état d'une masse d'eau, ainsi que la cohérence entre un ou plusieurs de ces éléments ; " ;
3° le point 44° est remplacé par ce qui suit :
" 44° talus : bande de sol d'une masse d'eau de surface, qui s'étend du fond du lit jusqu'au commencement du terrain naturel environnant ou du sommet de l'accotement ; " ;
4° le point 54° est remplacé par ce qui suit :
" 54° eaux destinées à la consommation humaine : toutes les eaux, soit en l'état, soit après traitement, destinées à la boisson, à la cuisson, à la préparation d'aliments, à la vaisselle ou à l'hygiène personnelle, quelle que soit leur origine et qu'elles soient fournies par un réseau de distribution d'eau ou un captage privé, à partir d'un bateau-citerne ou d'un camion-citerne, en bouteilles ou en conteneurs, à l'exception des :
a) eaux minérales naturelles, reconnues comme telles par l'arrêté royal du 8 février 1999 concernant les eaux minérales naturelles et les eaux de source ;
b) eaux médicinales ; " ;
5° il est ajouté un point 68° rédigé comme suit :
" 68° détérioration de l'état d'une masse d'eau de surface : si l'état d'au moins un des éléments de qualité visés à l'annexe V de la directive-cadre sur l'eau se détériore d'une classe, même si cette détérioration n'entraîne pas un déclassement global de cette masse d'eau de surface. Si l'élément de qualité en question de l'annexe V de la directive-cadre sur l'eau est déjà classé au niveau le plus bas, toute détérioration de cet élément constitue une détérioration de l'état ; " ;
6° il est ajouté un point 69° rédigé comme suit :
" 69° détérioration de l'état chimique d'une masse d'eau souterraine : si au moins une des normes de qualité ou des valeurs seuils visées à l'article 3, paragraphe 1er, de la directive 2006/118/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 sur la protection des eaux souterraines contre la pollution et la détérioration est dépassée, ou s'il y a une augmentation prévisible de la concentration d'un polluant alors que la valeur seuil fixée à cet effet a déjà été dépassée. A cette fin, les valeurs mesurées à chaque point de surveillance doivent être prises en compte individuellement. ".
Art. 8. In artikel 1.3.1.1 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 1 wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Wanneer het schadelijk effect bestaat uit een achteruitgang in de toestand van een waterlichaam, wordt artikel 1.7.2.5.4 toegepast.";
2° in paragraaf 3, eerste lid, worden tussen het woord "instantie" en de woorden "Die brengt" de woorden "of instanties" ingevoegd;
3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "Die brengt" vervangen door de woorden "Die brengen";
4° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "de door de Vlaamse Regering aan te wijzen instantie over" vervangen door de woorden "elke door de Vlaamse Regering aangewezen instantie over";
5° in paragraaf 3, derde lid, wordt het woord "instantie" vervangen door het woord "instanties".
Art. 8. A l'article 1.3.1.1 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
" Si l'effet nocif consiste en une détérioration de l'état d'une masse d'eau, l'article 1.7.2.5.4 s'applique. " ;
2° au paragraphe 3, alinéa premier, entre les mots " de l'instance " et les mots " à désigner " sont insérés les mots " ou des instances " ;
3° dans le paragraphe 3, alinéa premier, les mots " Cette instance rend " sont remplacés par les mots " Cette ou ces instances rendent " ;
4° dans le paragraphe 3, alinéa premier, les mots " l'instance à désigner par le Gouvernement flamand dispose " sont remplacés par les mots " toute instance à désigner par le Gouvernement flamand dispose " ;
5° dans le paragraphe 3, alinéa trois, les mots " de l'instance désignée " sont remplacés par les mots " des instances désignées ".
Art. 9. In artikel 1.3.2.2, § 1, van hetzelfde decreet wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° er mogen geen nieuwe bovengrondse constructies worden opgericht of aanmerkelijke reliëfwijzigingen als vermeld in artikel 4.2.1, 4°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 worden doorgevoerd binnen vijf meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een oppervlaktewaterlichaam. Dat geldt ook aan overwelfde of ingebuisde oppervlaktewaterlichamen. Met uitzondering van herbouwen als vermeld in artikel 4.1.1, 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 is de uitvoering van onderhoudswerken, stabiliteitswerken en het verbouwen van dergelijke constructies, vermeld in artikel 4.1.1, 9°, 11° en 12°, van de voormelde codex, toegestaan als die handelingen toelaatbaar zijn op basis van de regelgeving over de ruimtelijke ordening.
De voormelde verboden zijn niet van toepassing op:
a) constructies en reliëfwijzigingen die noodzakelijk zijn voor het beheer van het oppervlaktewaterlichaam;
b) werkzaamheden van algemeen belang;
c) werkzaamheden en constructies die expliciet zijn toegelaten door een ruimtelijk uitvoeringsplan als ze de functie of de functies van de oeverzone niet onmogelijk maken;
d) werkzaamheden en constructies voorzien in een goedgekeurd beheersplan voor onroerend erfgoed of erfgoedlandschappen als vermeld in artikel 8.1.6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 betreffende de uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
e) constructies en reliëfwijzigingen die verenigbaar zijn met de functie of de functies van de oeverzone en met het recht van doorgang van de waterbeheerder.".
Art. 9. Dans l'article 1.3.2.2, § 1er du même décret le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° aucune nouvelle construction hors sol ne peut être érigée ni aucune modification substantielle du relief visée à l'article 4.2.1, 4°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009 ne peut être effectuée à moins de cinq mètres, vers l'intérieur des terres, du bord supérieur du talus d'une masse d'eau de surface. Cela s'applique également aux masses d'eau de surface voûtées ou canalisées. A l'exception de la reconstruction visée à l'article 4.1.1, 6° du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009, l'exécution de travaux d'entretien ou de stabilité et la transformation de telles constructions, visés à l'article 4.1.1, 9°, 11° et 12°, du code précité, est autorisée si ces opérations sont autorisables en application de la réglementation en matière d'aménagement du territoire.
Les interdictions précitées ne s'appliquent pas aux interventions suivantes :
a) les constructions et les modifications du relief qui sont nécessaires à la gestion de la masse d'eau de surface ;
b) les travaux d'intérêt général ;
c) les travaux et constructions qui sont explicitement autorisés par un plan d'exécution spatiale s'ils ne rendent pas impossible la ou les fonctions de la zone de rive ;
d) les travaux et constructions prévus dans un plan de gestion approuvé du patrimoine immobilier culturel ou des paysages patrimoniaux visés à l'article 8.1.6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 portant exécution du décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier ;
e) les constructions et les modifications du relief qui sont compatibles avec la ou les fonctions de la zone de rive et avec le droit de passage du gestionnaire des eaux. ".
Art. 10. In artikel 1.3.3.3.2 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 26 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Iedereen die voor eigen rekening of als tussenpersoon een onroerend goed verkoopt, verhuurt voor meer dan negen jaar, inbrengt in een vennootschap, een vruchtgebruik, erfpacht of een opstalrecht overdraagt, of op andere wijze een eigendomsoverdracht met een vergeldend karakter van het goed bewerkstelligt, vermeldt in de publiciteit die daaraan verbonden is, of het onroerend goed al dan niet volledig of gedeeltelijk in een van de volgende gebieden ligt:
1° in overstromingsgevoelig gebied zoals afgebakend door de Vlaamse Regering;
2° in een afgebakend overstromingsgebied of een afgebakende oeverzone.
De Vlaamse Regering kan nader bepalen wat onder publiciteit als vermeld in het eerste lid begrepen wordt. De Vlaamse Regering kan bepaalde vormen van publiciteit om praktische redenen vrijstellen en kan nadere regels bepalen om de informatieplicht na te komen.
Iedereen die een onderhandse akte van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, van inbreng van een onroerend goed in een vennootschap en ook van vestiging of overdracht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal opmaakt, vermeldt of het onroerend goed al dan niet volledig of gedeeltelijk in een van de volgende gebieden ligt:
1° in overstromingsgevoelig gebied zoals afgebakend door de Vlaamse Regering;
2° in een afgebakend overstromingsgebied of een afgebakende oeverzone.
De instrumenterende ambtenaar vermeldt in alle onderhandse en authentieke akten van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, van een inbreng van een onroerend goed in een vennootschap, en ook in alle akten van vestiging of overdracht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal, en in elke andere akte van een eigendomsoverdracht ten bezwarende titel, met uitzondering van huwelijkscontracten en de wijzigingen ervan en contracten over de mandeligheid of het onroerend goed in een van de volgende gebieden ligt:
1° in overstromingsgevoelig gebied zoals afgebakend door de Vlaamse Regering;
2° in een afgebakend overstromingsgebied of een afgebakende oeverzone.
Met overstromingsgevoelig gebied wordt bedoeld een door de Vlaamse Regering vastgesteld en op kaart aangeduid gebied waar overstromingen kunnen worden verwacht vanuit de zee, of door fluviale of pluviale overstromingen.";
2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "de mogelijk of effectief overstromingsgevoelig gebieden" vervangen door de woorden "de overstromingsgevoelige gebieden";
3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "de mogelijk of effectief overstromingsgevoelige gebieden" vervangen door de woorden "de overstromings gevoelige gebieden";
4° er wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 3. De Vlaamse Regering kan voorzien dat een daartoe erkende persoon attesteert dat de overstromingsgevoeligheid van een of meer onroerende goederen op basis van gebouwkenmerken, de bouwwijze of andere genomen maatregelen voor de bescherming tegen overstromingen, verschilt van de overstromingsgevoeligheid, zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering.
De erkenning, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld door de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, met inbegrip van de erkenningsvoorwaarden, de gebruikseisen en de sancties.
De Vlaamse Regering kan het gebruik regelen van het attest, vermeld in het eerste lid.".
Art. 10. A l'article 1.3.3.3.2 du même décret, modifié par le décret du 26 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Toute personne qui, pour son propre compte ou en tant qu'intermédiaire, vend un bien immobilier, le donne en location pour plus de neuf ans, en fait apport dans une société, cède un usufruit, un bail emphytéotique ou un droit de superficie, ou réalise de quelque autre manière un transfert de propriété à caractère commutatif du bien, mentionne dans la publicité y afférente si le bien immobilier se situe ou non, entièrement ou partiellement dans l'une des zones suivantes :
1° une zone inondable, telle que délimitée par le Gouvernement flamand ;
2° une zone inondable délimitée ou une zone de rive délimitée.
Le Gouvernement flamand peut préciser ce qu'il faut entendre par publicité au sens de l'alinéa premier. Le Gouvernement flamand peut exempter certaines formes de publicité pour des raisons pratiques et fixer des modalités concernant le respect du devoir d'information.
Toute personne établissant un acte sous seing privé de vente ou de location pour plus de neuf ans d'un bien immobilier, d'apport d'un bien immobilier dans une société ainsi que d'établissement ou de cession d'un usufruit, d'un bail emphytéotique ou d'un droit de superficie, indique si le bien immobilier se situe ou non, entièrement ou partiellement dans l'une des zones suivantes :
1° une zone inondable, telle que délimitée par le Gouvernement flamand ;
2° une zone inondable délimitée ou une zone de rive délimitée.
Le fonctionnaire instrumentant indique dans tous les actes sous seing privé et authentiques de vente ou de location pour plus de neuf ans d'un bien immobilier, d'apport d'un bien immobilier dans une société, ainsi que dans tous les actes d'établissement ou de cession d'un usufruit, d'un bail emphytéotique ou d'un droit de superficie, et dans tout autre acte de cession de propriété à titre onéreux, à l'exception des contrats mariage et leurs modifications et des contrats de copropriété, si le bien immobilier se situe dans l'une des zones suivantes :
1° une zone inondable, telle que délimitée par le Gouvernement flamand ;
2° une zone inondable délimitée ou une zone de rive délimitée.
Une zone inondable s'entend d'une zone déterminée et indiquée sur une carte par le Gouvernement flamand, sur laquelle des inondations marines, fluviales ou pluviales sont susceptibles de se produire. " ;
2° au paragraphe 2, alinéa premier, les mots " les zones potentiellement ou effectivement inondables " sont remplacés par les mots " les zones inondables " ;
3° au paragraphe 2, alinéa deux, les mots " les zones potentiellement ou effectivement inondables " sont remplacés par les mots " les zones inondables " ;
4° il est inséré un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. Le Gouvernement flamand peut disposer qu'une personne reconnue à cet effet atteste, sur la base des caractéristiques du bâtiment, de la méthode de construction ou d'autres mesures de protection contre les inondations qui ont été prises, que la susceptibilité aux inondations d'un ou plusieurs biens immobiliers diffère de la susceptibilité aux inondations telle que déterminée par le Gouvernement flamand.
La reconnaissance visée à l'alinéa premier est régie par les dispositions du titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, notamment les conditions de reconnaissance, les exigences d'utilisation et les sanctions.
Le Gouvernement flamand peut modaliser l'utilisation de l'attestation visée à l'alinéa premier. ".
Art. 11. In artikel 1.7.2.5.4 van hetzelfde decreet, gecoördineerd op 15 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "indirecte" opgeheven;
2° aan paragraaf 1 worden een tweede en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Daarbij worden de volgende voorwaarden in acht genomen:
1° de redenen voor die veranderingen of wijzigingen uit het eerste lid zijn van hoger openbaar belang en/of het nut van het bereiken van de in het eerste lid vermelde doelstellingen voor milieu en samenleving wordt overtroffen door het nut van de nieuwe veranderingen en wijzigingen voor de gezondheid van de mens, de handhaving van de veiligheid van de mens of duurzame ontwikkeling;
2° alle haalbare stappen en maatregelen worden genomen om de negatieve effecten op de toestand van het oppervlaktewaterlichaam of het grondwaterlichaam tegen te gaan;
3° het doel dat met die veranderingen of wijzigingen van het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam wordt gediend, kan niet worden bereikt met andere voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen, omdat dit technisch niet haalbaar is of onevenredig hoge kosten zou meebrengen.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen om te beoordelen of de voorwaarden uit het eerste en tweede lid vervuld zijn.";
3° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. De overheid die over een vergunningsaanvraag beslist die tot gevolg kan hebben dat de toestand van een grondwaterlichaam of oppervlaktewaterlichaam achteruitgaat, kan de aanvraag slechts goedkeuren als de voorwaarden uit paragraaf 1, eerste en tweede lid, vervuld zijn.
De overheid die over een plan of programma beslist dat tot gevolg kan hebben dat de toestand van een grondwaterlichaam of oppervlaktewaterlichaam achteruitgaat, kan het plan of programma slechts goedkeuren als de voorwaarden uit paragraaf 1, eerste en tweede lid, vervuld zijn.
Alvorens de beslissingen te nemen, vermeld in het eerste en tweede lid, vraagt de betrokken overheid advies aan de CIW. Die brengt een gemotiveerd advies uit binnen dertig dagen als het een vergunningsprocedure betreft en binnen zestig dagen als het een goedkeuringsprocedure voor een plan of programma betreft. Wordt er al op basis van andere regelgeving advies gevraagd in de loop van de procedure, dan beschikt de CIW over dezelfde termijn als de andere adviesverleners. Als het advies niet binnen deze termijnen verleend wordt, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
Als de vergunningsplichtige activiteit overeenkomstig artikel 4.3.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid onderworpen is aan de verplichting tot opmaak van een project-MER, gebeuren de analyse en de evaluatie van het al dan niet optreden van een achteruitgang van de toestand van een waterlichaam en over het al dan niet vervuld zijn van de voorwaarden uit paragraaf 1, eerste en tweede lid, in het project-MER of in het gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de verplichting tot het opstellen van een project-MER, vermeld in artikel 4.3.3, § 4, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
Wat betreft een plan of programma als vermeld in het tweede lid dat geen ruimtelijk uitvoeringsplan is, gebeuren de analyse en de evaluatie van het al dan niet optreden van een achteruitgang van de toestand van een waterlichaam en over het al dan niet vervuld zijn van de voorwaarden uit paragraaf 1, eerste en tweede lid, in de documenten die de initiatiefnemer bij het onderzoek tot milieueffectrapportage, vermeld in titel IV, hoofdstuk II, afdeling 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, bezorgt aan de dienst, bevoegd voor milieueffectrapportage. Als de initiatiefnemer een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de verplichting inzake milieueffectrapportage indient als vermeld in artikel 4.2.3, § 3ter, van het voormelde decreet, gebeuren de voormelde analyse en evaluatie in dat verzoek. Als een plan-MER wordt opgemaakt, gebeuren de voormelde analyse en evaluatie in het plan-MER.
Bij een plan of programma als vermeld in het tweede lid dat een ruimtelijk uitvoeringsplan is, gebeuren de analyse en de evaluatie van het al dan niet optreden van een achteruitgang van de toestand van een waterlichaam en over het al dan niet vervuld zijn van de voorwaarden uit paragraaf 1, eerste en tweede lid, als er geen plan-MER moet worden opgemaakt, zo mogelijk in de startnota, vermeld in artikel 2.2.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, en in elk geval in de scopingnota, vermeld in het voormelde artikel. Als uit de scopingnota blijkt dat een plan-MER moet worden opgemaakt, gebeurt de vermelde analyse en evaluatie in het plan-MER.
De betrokken overheid brengt de CIW op de hoogte van de beslissing, vermeld in het eerste en tweede lid, binnen tien dagen nadat de beslissing is genomen.
De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de procedure die gevolgd moet worden door de overheden die een project, plan of programma willen goedkeuren in het kader van paragraaf 1, eerste en tweede lid.";
4° een paragraaf 3 wordt toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 3. Bij de opmaak of de herziening van de stroomgebiedbeheerplannen duidt de Vlaamse Regering de gevallen aan waarin overeenkomstig de eerste paragraaf afgeweken moet worden van de milieudoelstellingen. Daarbij wordt rekening gehouden met punt 4.2 uit bijlage 1.
De Vlaamse Regering herziet om de zes jaar de gevallen waarin van de milieudoelstellingen afgeweken wordt volgens dit artikel.".
Art. 11. A l'article 1.7.2.5.4 du même décret, coordonné le 15 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, alinéa premier, le mot " indirects " est abrogé ;
2° le paragraphe 1er est complété par des alinéas deux et trois, rédigés comme suit :
" Notamment, les conditions suivantes sont prises en considération :
1° les changements ou modifications visées à l'alinéa premier servent un intérêt public supérieur ou l'utilité de la réalisation des objectifs environnementaux et sociaux visés au premier alinéa est dépassée par l'utilité des nouveaux changements et modifications pour la santé humaine, le maintien de la sécurité humaine ou le développement durable ;
2° toutes les démarches et mesures faisables sont prises pour atténuer l'incidence négative sur l'état de la masse d'eau de surface ou de la masse d'eau souterraine ;
3° les objectifs poursuivis par ces modifications ou changements de la masse d'eau de surface ou de la masse d'eau souterraine ne peuvent, pour des raisons de faisabilité technique ou de coûts disproportionnés, être atteints par d'autres moyens qui constituent une option environnementale sensiblement meilleure.
Le Gouvernement flamand peut fixer des règles pour évaluer si les conditions des alinéas premier et deux sont remplies. " ;
3° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. L'autorité qui statue sur une demande d'autorisation susceptible d'entraîner une détérioration de l'état d'une masse d'eau souterraine ou d'une masse d'eau de surface ne peut approuver la demande que si les conditions énoncées au paragraphe 1er, alinéas premier et deux, sont remplies.
L'autorité qui statue sur un plan ou un programme susceptible d'entraîner une détérioration de l'état d'une masse d'eau souterraine ou d'une masse d'eau de surface ne peut approuver le plan ou le programme que si les conditions énoncées au paragraphe 1er, alinéas premier et deux, sont remplies.
Avant de prendre les décisions visées aux alinéas premier et deux, l'autorité concernée demande l'avis de la CPIE. Celle-ci émet un avis motivé dans un délai de trente jours dans le cas d'une procédure d'autorisation et de soixante jours dans le cas d'une procédure d'approbation de plan ou de programme. Si un avis est déjà sollicité sur la base d'une autre réglementation au cours de la procédure, la CPIE dispose du même délai que les autres parties consultées. Faute d'avis dans ces délais, il peut être passé outre à l'obligation d'avis.
Si l'activité soumise à autorisation implique l'obligation d'établir un RIE de projet, conformément à l'article 4.3.2 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, l'analyse et l'évaluation de la détérioration ou non de l'état d'une masse d'eau et de la satisfaction ou non des conditions énoncées au paragraphe 1er, alinéas premier et deux, sont incluses dans le RIE de projet ou dans la demande motivée d'exemption de l'obligation d'établir un RIE de projet, au sens de l'article 4.3.3, § 4, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
Pour un plan ou un programme visé à l'alinéa deux qui n'est pas un plan d'exécution spatiale, l'analyse et l'évaluation de la détérioration ou non de l'état d'une masse d'eau et de la satisfaction ou non des conditions énoncées au paragraphe 1er, alinéas premier et deux, sont incluses dans les documents que l'initiateur soumet au service compétent pour l'évaluation des incidences sur l'environnement lors de l'examen en vue de l'évaluation des incidences sur l'environnement, visé au titre IV, chapitre II, section 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement. Si l'initiateur introduit une demande motivée de dispense de l'obligation d'évaluation des incidences sur l'environnement telle que visée à l'article 4.2.3, § 3ter, du décret précité, l'analyse et l'évaluation précitées sont incluses dans cette demande. Si un RIE de plan est élaboré, l'analyse et l'évaluation précitées sont incluses dans le RIE de plan.
Pour un plan ou un programme visé à l'alinéa deux qui est un plan d'exécution spatiale, l'analyse et l'évaluation de la détérioration ou non de l'état d'une masse d'eau et de la satisfaction ou non des conditions énoncées au paragraphe 1er, alinéas premier et deux, sont incluses, lorsque le RIE de plan ne doit pas être établi, dans la mesure du possible dans la note de lancement visée à l'article 2.2.4 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, et en tout cas dans la note de cadrage visée dans l'article précité. S'il ressort de la note de cadrage qu'un RIE de plan doit être établi, l'analyse et l'évaluation précitée est incluse dans le RIE de plan.
L'autorité concernée notifie à la CPIE la décision visée aux alinéas premier et deux dans les dix jours suivant la prise de décision.
Le Gouvernement flamand peut modaliser la procédure à suivre par les autorités souhaitant approuver un projet, un plan ou un programme en vertu du paragraphe 1er, alinéas premier et deux. " ;
4° il est ajouté un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. Lors de l'élaboration ou de la révision des plans de gestion des bassins hydrographiques, le Gouvernement flamand indique les cas dans lesquels il doit être dérogé aux objectifs environnementaux, conformément au paragraphe premier. Dans ce cas, il est tenu compte du point 4.2 de l'annexe 1.
Le Gouvernement flamand révise tous les six ans les cas dans lesquels il est dérogé aux objectifs environnementaux conformément au présent article. ".
Art. 12. In artikel 1.7.3.1, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "punt 1.2.1" vervangen door de zinsnede "punt 6.2.1".
Art. 12. Dans l'article 1.7.3.1, § 2, alinéa premier du même décret, le membre de phrase " point 1.2.1 " est remplacé par le membre de phrase " point 6.2.1 ".
Art. 13. In artikel 2.1.2 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 17° wordt de zinsnede "artikel 6" vervangen door de zinsnede "artikel 2.3.2";
2° in punt 19° wordt het woord "consumptie" telkens vervangen door het woord "aanwending";
3° in punt 31° worden de woorden "beschikt in een onroerend goed" vervangen door de woorden "beschikt in of op een onroerend goed";
4° punt 34° wordt vervangen door wat volgt:
"34° waterleverancier: een van de volgende instanties:
a) de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk;
b) de titularis van een private waterwinning, die verbruikers of anderen bevoorraadt, al dan niet via een openbaar waterdistributienetwerk, en die water bestemd voor menselijke aanwending gebruikt;".
Art. 13. A l'article 2.1.2 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 17°, le membre de phrase " à l'article 6 " est remplacé par le membre de phrase " à l'article 2.3.2 " ;
2° au point 19°, le mot " consommation " est chaque fois remplacé par le mot " utilisation " ;
3° au point 31°, les mots " ou sur " sont insérés entre les mots " humaine dans " et les mots " un immeuble " ;
4° le point 34° est remplacé par ce qui suit :
" 34° fournisseur d'eau : une des instances suivantes :
a) l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau ;
b) le titulaire d'un captage privé qui alimente des consommateurs ou d'autres personnes, par l'intermédiaire ou non d'un réseau public de distribution d'eau, et qui utilise de l'eau destinée à l'utilisation humaine ; ".
Art. 14. Aan artikel 2.2.1 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 26 april 2019, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Om de risico's voor de volksgezondheid te beperken en het milieu te beschermen bij de productie, de levering en het gebruik van water bestemd voor menselijke consumptie, kan de Vlaamse Regering nadere regels bepalen die betrekking hebben op:
1° de aanwijzing van een bevoegde autoriteit die moet toezien op het kader dat uitgewerkt kan worden ter uitvoering van punt 2° tot en met 5° ;
2° de minimale kwaliteitseisen van het water bestemd voor menselijke consumptie die onder andere uitgedrukt kunnen worden in parameterwaarden;
3° de minimale kwaliteitseisen, voor de productie, de levering, de controle en het gebruik van het water bestemd voor menselijke consumptie, de plaats waarop aan die eisen moet worden voldaan en de verantwoordelijkheid van de actoren die aan de eisen moeten voldoen;
4° de minimale eisen op het vlak van risicobeoordeling en risicobeheer voor de productie, de levering, de controle en het gebruik van water bestemd voor menselijke consumptie en de verantwoordelijkheid van de waterleveranciers die aan de eisen moeten voldoen;
5° een voorafgaande toelating of melding voor de productie, de levering en het gebruik van water bestemd voor menselijke consumptie, met inbegrip van:
a) de modaliteiten van de procedure voor de toelating of het doen van een melding;
b) de aanwijzing van de partijen die de bevoegde autoriteit kunnen adviseren die de toelating moet verlenen, of die akte nemen van een melding;
c) de geldigheidsperiode, de modaliteiten voor de herziening en de actualisering van de toelating;
6° de minimale bepalingen en eisen die in een technische reglementering vastgelegd worden inzake de kwaliteit en levering van het water bestemd voor menselijke consumptie.";
2° er wordt een nieuwe paragraaf 1/1 ingevoegd tussen paragraaf 1 en 2, die luidt als volgt:
" § 1/1. Om de risico's voor de volksgezondheid en het milieu door het gebruik van tweedecircuitwater te beperken, kan de Vlaamse Regering nadere regels bepalen voor de productie, de levering en het gebruik van tweedecircuitwater. De nadere regels kunnen betrekking hebben op:
1° de aanwijzing van een bevoegde autoriteit die moet toezien op het kader dat uitgewerkt kan worden ter uitvoering van punt 2° tot en met 5° ;
2° een overzicht van de tweedecircuitwatertoepassingen die een risico kunnen vormen voor de volksgezondheid en het milieu, afhankelijk van de toepassing of de ruwwaterbron van het tweedecircuitwater;
3° de minimale kwaliteitseisen van het tweedecircuitwater, eventueel gedifferentieerd in functie van de beoogde toepassing;
4° de minimale kwaliteitseisen voor de productie, de levering, de controle en het gebruik van het tweedecircuitwater, de plaats waarop aan die eisen moet worden voldaan en de verantwoordelijkheid van de actoren die aan de eisen moeten voldoen;
5° de minimale eisen op het vlak van risicobeoordeling en risicobeheer voor de productie, de levering, de controle en het gebruik van tweedecircuitwater en de verantwoordelijkheid van de actoren die aan de eisen moeten voldoen;
6° een voorafgaande toelating of, afhankelijk van de toepassing, een voorafgaande meldingsplicht voor de productie, de levering en het gebruik van tweedecircuitwater voor tweedecircuitwatertoepassingen, met inbegrip van:
a) de modaliteiten van de procedure voor de toelating of het doen van een melding;
b) de aanwijzing van de partijen die de bevoegde autoriteit kunnen adviseren die de toelating moet verlenen, of die akte nemen van een melding;
c) de geldigheidsperiode, de modaliteiten voor de herziening en de actualisering van de toelating;
7° de minimale bepalingen en eisen die in een technische reglementering vastgelegd worden inzake de kwaliteit en levering van het tweedecircuitwater.
Tweedecircuitwater moet stromen in een afzonderlijk circuit, afgescheiden van het huishoudelijk leidingnet van water bestemd voor menselijke consumptie. Op plaatsen binnenshuis waar water bestemd voor menselijke consumptie kan worden aangewend, mag er geen afname mogelijk zijn van tweedecircuitwater dat zou kunnen worden aangewend als water bestemd voor menselijke consumptie, tenzij de nodige voorzorgen genomen werden.";
3° in paragraaf 3 wordt het woord "consumptie" telkens vervangen door het woord "aanwending".
Art. 14. A l'article 2.2.1 du même décret, modifié par le décret du 26 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Afin de limiter les risques pour la santé publique et de protéger l'environnement lors de la production, de la fourniture et de l'utilisation de l'eau destinée à la consommation humaine, le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités concernant :
1° la désignation d'une autorité compétente chargée de superviser le cadre qui peut être élaboré pour la mise en oeuvre des points 2° à 5° ;
2° les exigences minimales de qualité des eaux destinées à la consommation humaine, qui peuvent notamment être exprimées en valeurs paramétriques ;
3° les exigences minimales de qualité pour la production, la fourniture, le contrôle et l'utilisation de l'eau destinée à la consommation humaine, le lieu où ces exigences doivent être satisfaites et la responsabilité des acteurs qui doivent satisfaire à ces exigences ;
4° les exigences minimales en matière d'évaluation et de gestion des risques pour la production, la fourniture, le contrôle et l'utilisation de l'eau destinée à la consommation humaine et la responsabilité des fournisseurs d'eau qui doivent satisfaire à ces exigences ;
5° une autorisation ou une déclaration préalables pour la production, la fourniture et l'utilisation de l'eau destinée à la consommation humaine, y compris :
a) les modalités de la procédure d'autorisation ou de déclaration ;
b) la désignation des parties qui peuvent conseiller l'autorité compétente qui doit accorder l'autorisation, ou qui prennent acte d'une déclaration ;
c) la période de validité, les modalités de révision et de mise à jour de l'autorisation ;
6° les dispositions et exigences minimales fixées dans un règlement technique concernant la qualité et la fourniture d'eau destinée à la consommation humaine. " ;
2° il est inséré un nouveau paragraphe 1/1 entre les paragraphes 1er et 2, rédigé comme suit :
" § 1/1. Afin de limiter les risques de l'utilisation de l'eau de deuxième circuit pour la santé publique et l'environnement, le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités concernant la production, la fourniture et l'utilisation de l'eau de deuxième circuit. Ces modalités peuvent porter sur :
1° la désignation d'une autorité compétente chargée de superviser le cadre qui peut être élaboré pour la mise en oeuvre des points 2° à 5° ;
2° un aperçu des applications des eaux de deuxième circuit qui peuvent présenter un risque pour la santé publique et l'environnement, en fonction de l'application ou de la source d'eau brute de l'eau de deuxième circuit ;
3° les exigences minimales de qualité de l'eau de deuxième circuit, éventuellement différenciées selon l'application prévue ;
4° les exigences minimales de qualité pour la production, la fourniture, le contrôle et l'utilisation de l'eau de deuxième circuit, le lieu où ces exigences doivent être satisfaites et la responsabilité des acteurs qui doivent satisfaire à ces exigences ;
5° les exigences minimales en matière d'évaluation et de gestion des risques pour la production, la fourniture, le contrôle et l'utilisation de l'eau de deuxième circuit et la responsabilité des acteurs qui doivent satisfaire à ces exigences ;
6° une autorisation préalable ou, selon l'application, une obligation de déclaration préalable pour la production, la fourniture et l'utilisation d'eau de deuxième circuit pour des applications d'eau de deuxième circuit, notamment :
a) les modalités de la procédure d'autorisation ou de déclaration ;
b) la désignation des parties qui peuvent conseiller l'autorité compétente qui doit accorder l'autorisation, ou qui prennent acte d'une déclaration ;
c) la période de validité, les modalités de révision et de mise à jour de l'autorisation ;
7° les dispositions et exigences minimales fixées dans un règlement technique concernant la qualité et la fourniture d'eau de deuxième circuit.
L'eau de deuxième circuit doit circuler dans un circuit distinct, séparé du réseau de distribution résidentiel d'eau destinée à la consommation humaine. Aux endroits à l'intérieur des logements où des eaux destinées à la consommation humaine peuvent être utilisées, il doit être impossible de prélever de l'eau de deuxième circuit susceptible d'être utilisée comme eau destinée à la consommation humaine, à moins que les précautions nécessaires ne soient prises. " ;
3° au paragraphe 3, le mot " consommation " est chaque fois remplacé par le mot " utilisation ".
Art. 15. Aan artikel 5.2.1.1, § 2, eerste lid, 4°, van hetzelfde decreet worden de volgende zinnen toegevoegd:
"Indien de inrichting deel uitmaakt van een woning en er een acuut gevaar is voor de doelstellingen opgenomen in artikel 2.1.1, § 2, heeft de toezichthoudende ambtenaar steeds en te allen tijde toegang tot de inrichting om de nodige vaststellingen te doen. Indien de inrichting deel uitmaakt van een woning en er geen acuut gevaar is voor de doelstellingen opgenomen in artikel 2.1.1, § 2, hebben de toezichthoudende ambtenaren toegang tot de inrichting met voorafgaande verwittiging tussen 8 uur en 20 uur.".
Art. 15. A l'article 5.2.1.1, § 2, alinéa premier, 4°, du même décret, les phrases suivantes sont ajoutées :
" Si l'installation fait partie d'un logement et qu'il existe un danger aigu pour les objectifs énoncés à l'article 2.1.1, § 2, le fonctionnaire chargé de la surveillance a accès à l'installation à tout moment afin de procéder aux constatations nécessaires. Si l'installation fait partie d'un logement et qu'il n'y a pas de danger aigu pour les objectifs énoncés à l'article 2.1.1, § 2, les fonctionnaires chargés de la surveillance ont accès à l'installation entre 8 heures et 20 heures, moyennant préavis. ".
Art. 16. In artikel 5.2.1.2 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 26 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het woord "consumptie" telkens vervangen door het woord "aanwending";
2° in paragraaf 2, eerste lid, worden tussen het woord "abonnee" en het woord "een" telkens de woorden "of andere gebruikers" ingevoegd;
3° aan paragraaf 2, eerste lid, wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"7° weigert om de uitvoeringsbepalingen na te leven, vastgesteld door de Vlaamse Regering krachtens artikel 2.2.1, § 1/1.";
4° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord "consumptie" vervangen door het woord "aanwending";
5° in paragraaf 3 en 4 wordt het woord "consumptie" telkens vervangen door het woord "aanwending".
Art. 16. A l'article 5.2.1.2 du même décret, modifié par le décret du 26 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, le mot " consommation " est chaque fois remplacé par le mot " utilisation " ;
2° au paragraphe 2, alinéa premier, les mots " le propriétaire ou l'abonné pose " sont remplacés par les mots " le propriétaire, l'abonné ou d'autres utilisateurs posent " ;
3° au paragraphe 2, alinéa premier, il est ajouté un point 7°, rédigé comme suit :
" 7° refuse de respecter les dispositions d'exécution fixées par le Gouvernement flamand en vertu de l'article 2.2.1, § 1/1. " ;
4° au paragraphe 2, alinéa premier, le mot " consommation " est remplacé par le mot " utilisation " ;
5° aux paragraphes 3 et 4, le mot " consommation " est chaque fois remplacé par le mot " utilisation ".
Art. 17. In artikel 5.2.2.1, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 26 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin wordt het woord "een" tussen de woorden "tot" en "jaar" vervangen door het woord "twee";
2° het bedrag "15.000 euro" wordt vervangen door het bedrag "250.000 euro";
3° er wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"5° de producent, de distributeur of de verbruiker die opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid een inbreuk maakt op de bepalingen die genomen zijn ter uitvoering van artikel 2.2.1, § 1/1.".
Art. 17. A l'article 5.2.2.1, § 1er du même décret, modifié par le décret du 26 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans la phrase introductive, les mots " à un an " sont remplacés par les mots " à deux ans " ;
2° le montant " 15 000 euros " est remplacé par le montant " 250 000 euros " ;
3° il est ajouté un point 5°, rédigé comme suit :
" 5° le producteur, le distributeur ou le consommateur qui, intentionnellement ou par manque de soin ou de prudence, enfreint les dispositions prises en application de l'article 2.2.1, § 1/1. ".
Art. 18. In artikel 5.3.1, § 1, van hetzelfde decreet, wordt het eerste punt vervangen door wat volgt:
"1° de overeenkomstig artikel 2.2.1, § 1/1, 3° en 4°, en artikel 2.4.1, § 1 en § 4, en hun respectievelijke uitvoeringsbesluiten opgelegde controleverplichtingen, wordt een administratieve geldboete opgelegd van 750 euro;".
Art. 18. Dans l'article 5.3.1, § 1er du même décret, le premier point est remplacé par ce qui suit :
" 1° aux obligations de contrôle imposées conformément à l'article 2.2.1., § 1/1, 3° et 4°, et à l'article 2.4.1, §§ 1er et 4, et à leurs arrêtés d'exécution respectifs, une amende administrative de 750 euros est infligée ; ".
HOOFDSTUK 5. - Slotbepaling
CHAPITRE 5. - Disposition finale
Art. 19. Artikel 7, 1°, 4° en 5°, artikel 8, 1°, artikel 10 en artikel 11 treden in werking op een datum die de Vlaamse Regering vaststelt en uiterlijk op 1 januari 2023.
Art. 19. L'article 7, 1°, 4° et 5°, l'article 8, 1° et les articles 10 et 11 entrent en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand, et au plus tard le 1er janvier 2023.
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 10 fixée au 01-01-2023 par AGF 2022-11-25/07, art. 34)