Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
23 DECEMBER 2021. - Programmadecreet bij de begroting 2022(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-12-2021 en tekstbijwerking tot 29-12-2022)
Titre
23 DECEMBRE 2021. - Décret-programme accompagnant le budget 2022(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-12-2021 et mise à jour au 29-12-2022)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
HOOFDSTUK 2. - Financiering lokale besturen
Afdeling 1. - Gemeentefonds
Afdeling 2. - Gedeeltelijke compensatie verlies...
HOOFDSTUK 3. - Omgeving
Afdeling 1. - Afschaffing dubbele waarborg erke...
Afdeling 2. - Doorgifte persoonsgegevens in het...
Afdeling 3. - Stopzetting uitbetalingen water- ...
Afdeling 4. - Wijziging van het decreet van 18 ...
Afdeling 5. - Decreet van 23 december 2011 betr...
Afdeling 6. - Aanpassing decretaal werkingskade...
Afdeling 7. - Aanpassing decretale bepaling beg...
Afdeling 8. - Overname provinciale leningen doo...
HOOFDSTUK 4. - Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
Afdeling 1. - Opheffing van de dienst met afzon...
Afdeling 2. - Wijzigingen van het Groeipakketde...
HOOFDSTUK 5. - Onderwijs en Vorming
Afdeling 1. - Vervanging van de opdracht en sub...
Afdeling 2. - Toekenning jaarlijkse aanvullende...
Afdeling 3. - Kerntaken en financiering van de ...
Afdeling 4. - Decretale verankering en indexeri...
Afdeling 5. - Verlenging van de subsidieovereen...
Afdeling 6. - Aanpassing van de werkingsuitkeri...
Afdeling 7. - AGION - Terugvorderingstermijn
HOOFDSTUK 6. - Financiën en Begroting
HOOFDSTUK 7. - Werk en Sociale Economie
HOOFDSTUK 8. - Inwerkingtreding
BIJLAGE.
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Généralités
CHAPITRE 2. - Financement des administrations l...
Section 1. - Fonds des communes
Section 2. - Compensation partielle de la perte...
CHAPITRE 3. - Environnement et Aménagement du T...
Section 1. - Suppression de la double garantie ...
Section 2. - Transfert de données personnelles ...
Section 3. - Arrêt des paiements de l'indemnité...
Section 4. - Modification du décret du 18 juill...
Section 5. - Décret du 23 décembre 2011 relatif...
Section 6. - Adaptation du cadre de fonctionnem...
Section 7. - Adaptation de la disposition décré...
Section 8. - Reprise des prêts provinciaux par ...
CHAPITRE 4. - Bien-être, Santé publique et Famille
Section 1. - Suppression du service à gestion s...
Section 2. - Modifications du décret relatif au...
CHAPITRE 5. - Enseignement et Formation
Section 1. - Remplacement de la tâche et subven...
Section 2. - Attribution de ETP/périodes-enseig...
Section 3. - Missions de base et financement de...
Section 4. - Ancrage décrétal et indexation des...
Section 5. - Renouvellement de la convention de...
Section 6. - Adaptation de l'allocation de fonc...
Section 7. - AGION - Délai de recouvrement
CHAPITRE 6. - Finances et Budget
CHAPITRE 7. - Domaine politique de l'Emploi et ...
CHAPITRE 8. - Entrée en vigueur
ANNEXE.
Tekst (112)
Texte (112)
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
CHAPITRE 1er. - Généralités
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewest- en gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
HOOFDSTUK 2. - Financiering lokale besturen
CHAPITRE 2. - Financement des administrations locales
Afdeling 1. - Gemeentefonds
Section 1. - Fonds des communes
Art. 2. Aan artikel 11, § 1, van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, gewijzigd bij het decreet van 6 juli 2018, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Als de gemeente gedifferentieerde tarieven voor de opcentiemen op de onroerende voorheffing heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 41 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wordt het eerste lid van toepassing als het gewogen gemiddelde van alle tarieven lager ligt dan de drempelwaarde van 441 opcentiemen. Voor de berekening van het gewogen gemiddelde wordt aan de verschillende tarieven een wegingsfactor toegekend die overeenstemt met het aandeel van het belastbaar kadastraal inkomen waarop elk tarief van toepassing is, in verhouding tot het totale belastbare kadastrale inkomen van de gemeente.".
"Als de gemeente gedifferentieerde tarieven voor de opcentiemen op de onroerende voorheffing heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 41 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wordt het eerste lid van toepassing als het gewogen gemiddelde van alle tarieven lager ligt dan de drempelwaarde van 441 opcentiemen. Voor de berekening van het gewogen gemiddelde wordt aan de verschillende tarieven een wegingsfactor toegekend die overeenstemt met het aandeel van het belastbaar kadastraal inkomen waarop elk tarief van toepassing is, in verhouding tot het totale belastbare kadastrale inkomen van de gemeente.".
Art. 2. A l'article 11, § 1, du décret du 5 juillet 2002 réglant la dotation et la répartition du Fonds flamand des Communes, modifié par le décret du 6 juillet 2018, est inséré un alinéa deux, énoncé comme suit :
" Si la commune a fixé des tarifs différenciés pour les centimes additionnels sur le précompte immobilier conformément à l'article 41 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale, l'alinéa premier s'applique si la moyenne pondérée de tous les tarifs est inférieure à la valeur seuil de 441 centimes additionnels. Pour le calcul de la moyenne pondérée, on attribue aux différents tarifs un facteur de pondération qui correspond à la proportion du revenu cadastral imposable auquel s'applique chaque tarif, par rapport au revenu cadastral imposable total de la commune. ".
" Si la commune a fixé des tarifs différenciés pour les centimes additionnels sur le précompte immobilier conformément à l'article 41 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale, l'alinéa premier s'applique si la moyenne pondérée de tous les tarifs est inférieure à la valeur seuil de 441 centimes additionnels. Pour le calcul de la moyenne pondérée, on attribue aux différents tarifs un facteur de pondération qui correspond à la proportion du revenu cadastral imposable auquel s'applique chaque tarif, par rapport au revenu cadastral imposable total de la commune. ".
Art. 3. In artikel 13 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009, worden de woorden "Op het einde van de eerste maand van elk kwartaal wordt" vervangen door de zinsnede "Op het einde van de maanden januari tot en met oktober van elk jaar worden," en de woorden "één vierde" vervangen door de woorden "één tiende".
Art. 3. A l'article 13 du même décret, modifié par le décret du 18 décembre 2009, les mots " à la fin du premier mois de chaque trimestre " sont remplacés par les mots " à la fin des mois de janvier à octobre de chaque année, " et les mots " un quart " sont remplacés par les mots " un dixième ".
Art. 4. Aan artikel 19 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Voor de jaarlijkse toekenningsbesluiten van voorschotten, eindsaldi en subsidiebedragen in het kader van dit decreet is geen voorafgaande controle, zoals bedoeld in artikel 75 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, vereist.".
"Voor de jaarlijkse toekenningsbesluiten van voorschotten, eindsaldi en subsidiebedragen in het kader van dit decreet is geen voorafgaande controle, zoals bedoeld in artikel 75 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, vereist.".
Art. 4. A l'article 19 du même décret, est ajouté un alinéa deux, énoncé comme suit :
" Les arrêtés d'octroi annuels d'avances, de soldes finaux et de montants de subvention en vertu du présent décret ne nécessitent pas de contrôle préalable, visé à l'article 75 du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019. ".
" Les arrêtés d'octroi annuels d'avances, de soldes finaux et de montants de subvention en vertu du présent décret ne nécessitent pas de contrôle préalable, visé à l'article 75 du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019. ".
Art. 5. In artikel 19quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en gewijzigd bij het decreet van 21 november 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "voor het volledige bedrag" opgeheven en de woorden "op het einde van de eerste maand van het tweede kwartaal" vervangen door de zinsnede "in tien gelijke delen, telkens op het einde van de maanden januari tot en met oktober van het begrotingsjaar";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
1° in het eerste lid worden de woorden "voor het volledige bedrag" opgeheven en de woorden "op het einde van de eerste maand van het tweede kwartaal" vervangen door de zinsnede "in tien gelijke delen, telkens op het einde van de maanden januari tot en met oktober van het begrotingsjaar";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 5. A l'article 19quater du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007 et modifié par le décret du 21 novembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa premier, les mots " pour le montant global " sont abrogés et les mots " à la fin du premier mois du deuxième trimestre " sont remplacés par le membre de phrase " en dix parties égales, chaque fois à la fin des mois de janvier à octobre de l'année budgétaire. " ;
2° l'alinéa deux est abrogé.
1° à l'alinéa premier, les mots " pour le montant global " sont abrogés et les mots " à la fin du premier mois du deuxième trimestre " sont remplacés par le membre de phrase " en dix parties égales, chaque fois à la fin des mois de janvier à octobre de l'année budgétaire. " ;
2° l'alinéa deux est abrogé.
Art. 6. In artikel 19octies van het hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2009, worden de woorden "vier kwartaalvoorschotten" vervangen door de woorden "tien voorschotten".
Art. 6. A l'article 19octies du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2009, les mots " quatre avances trimestrielles " sont remplacés par les mots " dix avances ".
Art. 7. In artikel 19undecies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 22 december 2017, wordt de zinsnede "voor 50% op het einde van april van het begrotingsjaar, voor 25% op het einde van oktober van het begrotingsjaar en voor 25% op het einde van januari van het volgende begrotingsjaar" vervangen door de zinsnede "in tien gelijke delen, telkens op het einde van de maanden januari tot en met oktober van het begrotingsjaar".
Art. 7. A l'article 19undecies du même décret, inséré par le décret du 22 décembre 2017, le membre de phrase " jusqu'à concurrence de 50 % à la fin du mois d'avril de l'année budgétaire, jusqu'à concurrence de 25% à la fin d'octobre de l'année budgétaire et jusqu'à concurrence de 25 % à la fin de janvier de l'année budgétaire suivante. " est remplacé par le membre de phrase " en dix parties égales, chaque fois à la fin des mois de janvier à octobre de l'année budgétaire. ".
Art. 8. In artikel 19quinquies decies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 2 december 2016, wordt de zinsnede "in vier gelijke delen, telkens op het einde van de eerste maand van elk kwartaal" vervangen door de zinsnede "in tien gelijke delen, telkens op het einde van de maanden januari tot en met oktober van het begrotingsjaar".
Art. 8. A l'article 19quinquies decies du même décret, inséré par le décret du 2 décembre 2016, le membre de phrase " en quatre parties égales, chaque fois à la fin du premier mois de chaque trimestre. " est remplacé par le membre de phrase " en dix parties égales, chaque fois à la fin des mois de janvier à octobre de l'année budgétaire. ".
Art. 9. In artikel 19duodevicies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 22 december 2017, wordt de zinsnede "in vier gelijke delen, telkens op het einde van de eerste maand van elk kwartaal" vervangen door de zinsnede "in tien gelijke delen, telkens op het einde van de maanden januari tot en met oktober van het begrotings- jaar".
Art. 9. A l'article 19duodevicies du même décret, inséré par le décret du 22 décembre 2017, le membre de phrase " en quatre parties égales, toujours à la fin du premier mois de chaque trimestre. " est remplacé par le membre de phrase " en dix parties égales, chaque fois à la fin des mois de janvier à octobre de l'année budgétaire. ".
Afdeling 2. - Gedeeltelijke compensatie verlies energiedividenden
Section 2. - Compensation partielle de la perte des dividendes de l'énergie
Art. 10. Vanaf 2022 tot en met 2026 wordt jaarlijks op de begroting een subsidie voor de gemeenten van het Vlaamse Gewest ingeschreven. Deze subsidie dient ter gedeeltelijke compensatie van hun verlies aan ontvangsten uit dividenden ten gevolge van de nieuwe tariefmethodologie die door de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt werd vastgesteld voor de reguleringsperiode 2021- 2024.
De totale subsidie bedraagt respectievelijk 50%, 40%, 30%, 20% en 10% van de door de netbeheerder Fluvius geraamde minderontvangsten uit dividenden voor de gemeenten voor de jaren 2022, 2023, 2024, 2025 en 2026 ten opzichte van 2020.
De subsidie wordt als een algemene werkingssubsidie aan de gemeenten toegekend. De gemeenten moeten geen verantwoording verstrekken over het gebruik ervan.
De totale subsidie bedraagt respectievelijk 50%, 40%, 30%, 20% en 10% van de door de netbeheerder Fluvius geraamde minderontvangsten uit dividenden voor de gemeenten voor de jaren 2022, 2023, 2024, 2025 en 2026 ten opzichte van 2020.
De subsidie wordt als een algemene werkingssubsidie aan de gemeenten toegekend. De gemeenten moeten geen verantwoording verstrekken over het gebruik ervan.
Art. 10. De 2022 à 2026 inclus, une subvention annuelle pour les communes de la Région flamande est inscrite au budget. Cette subvention sert à compenser partiellement leur perte de revenus provenant des dividendes à la suite de l'application de la nouvelle méthode de tarification établie par le Régulateur flamand des marchés de l'électricité et du gaz pour la période de régulation 2021-2024.
La subvention totale s'élève respectivement à 50 %, 40 %, 30 %, 20 % et 10 % de la diminution de recettes provenant de dividendes pour les communes estimée par le gestionnaire de réseau Fluvius pour les années 2022, 2023, 2024, 2025 et 2026 par rapport à 2020.
La subvention est accordée aux communes en tant que subvention de fonctionnement générale. Les communes n'ont pas à justifier leur utilisation.
La subvention totale s'élève respectivement à 50 %, 40 %, 30 %, 20 % et 10 % de la diminution de recettes provenant de dividendes pour les communes estimée par le gestionnaire de réseau Fluvius pour les années 2022, 2023, 2024, 2025 et 2026 par rapport à 2020.
La subvention est accordée aux communes en tant que subvention de fonctionnement générale. Les communes n'ont pas à justifier leur utilisation.
Art. 11. De subsidie, vermeld in artikel 10, wordt onder de gemeenten verdeeld op basis van de volgende parameters:
1° een derde volgens hun respectieve aandeel in de geraamde minderontvangsten uit dividenden voor de jaren 2022, 2023, 2024, 2025 en 2026 ten opzichte van het jaar 2020;
2° een derde volgens hun respectieve aandeel in de dividenden voor het jaar 2020;
3° een derde volgens hun respectieve aandeel in de dividenden voor het jaar 2021.
De lijst met gemeenten en de definitieve aandelen in de subsidie, vermeld in artikel 10, waarop ze vanaf het begrotingsjaar 2022 tot en met het begrotingsjaar 2026 recht hebben, wordt als bijlage bij dit decreet gevoegd.
1° een derde volgens hun respectieve aandeel in de geraamde minderontvangsten uit dividenden voor de jaren 2022, 2023, 2024, 2025 en 2026 ten opzichte van het jaar 2020;
2° een derde volgens hun respectieve aandeel in de dividenden voor het jaar 2020;
3° een derde volgens hun respectieve aandeel in de dividenden voor het jaar 2021.
De lijst met gemeenten en de definitieve aandelen in de subsidie, vermeld in artikel 10, waarop ze vanaf het begrotingsjaar 2022 tot en met het begrotingsjaar 2026 recht hebben, wordt als bijlage bij dit decreet gevoegd.
Art. 11. La subvention visée à l'article 10 est répartie entre les communes sur la base des critères suivants :
1° un tiers en fonction de leur part respective dans la diminution de recettes estimée provenant de dividendes pour les années 2022, 2023, 2024, 2025 et 2026 par rapport à l'année 2020 ;
2° un tiers en fonction de leur part respective dans les dividendes de l'année 2020 ;
3° un tiers en fonction de leur part respective dans les dividendes de l'année 2021.
La liste des communes et parts définitives de la subvention, visée à l'article 10, à laquelle elles ont droit à partir de l'année budgétaire 2022 jusqu'à l'année budgétaire 2026 est jointe en tant qu'annexe au présent décret.
1° un tiers en fonction de leur part respective dans la diminution de recettes estimée provenant de dividendes pour les années 2022, 2023, 2024, 2025 et 2026 par rapport à l'année 2020 ;
2° un tiers en fonction de leur part respective dans les dividendes de l'année 2020 ;
3° un tiers en fonction de leur part respective dans les dividendes de l'année 2021.
La liste des communes et parts définitives de la subvention, visée à l'article 10, à laquelle elles ont droit à partir de l'année budgétaire 2022 jusqu'à l'année budgétaire 2026 est jointe en tant qu'annexe au présent décret.
Art. 12. De subsidie wordt voor het volledige bedrag aan de gemeenten betaald op uiterlijk 31 december van elk van de begrotingsjaren 2022 tot en met 2026.
Art. 12. Le montant total de la subvention est versé aux communes au plus tard le 31 décembre de chaque année budgétaire 2022 à 2026.
HOOFDSTUK 3. - Omgeving
CHAPITRE 3. - Environnement et Aménagement du Territoire
Afdeling 1. - Afschaffing dubbele waarborg erkende kredietmaatschappijen
Section 1. - Suppression de la double garantie pour les sociétés de crédit agréées
Art. 13. In artikel 4.79 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 wordt de zinsnede "eerste lid, 1° " opgeheven.
Art. 13. A l'article 4.79 du Code flamand du Logement de 2021, le membre de phrase " alinéa 1er, 1° " est abrogé.
Art. 14. In artikel 4.89 van dezelfde codex wordt de zinsnede "eerste lid, 1° " opgeheven.
Art. 14. A l'article 4.89 du même Code, le membre de phrase " alinéa 1er, 1° " est abrogé.
Art. 15. Artikel 5.58 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 5.58. Om de erkenning te behouden die ze verkregen met toepassing van artikel 5.58, eerste lid, 1°, zoals dit vóór 1 januari 2022 gold, dienen de kredietmaatschappijen aan de volgende voorwaarden te voldoen:
1° de kredietmaatschappij heeft als hoofdzakelijk maatschappelijk doel het toekennen en beheren van sociale leningen voor het bouwen, kopen, verbouwen, behouden of het energetische renoveren van een bescheiden woning ten behoeve van natuurlijke personen die geen andere woning in volle eigendom bezitten en die woning zelf bewonen of zullen bewonen;
2° de kredietmaatschappij beschikt over een vergunning als kredietgever verkregen bij de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA), vermeld in artikel VII.159, § 1, van het Wetboek van Economisch Recht;
3° de kredietmaatschappij verbindt zich in haar statuten, de voorwaarden, bepalingen en verplichtingen, vermeld in dit hoofdstuk, na te leven en het toezicht van de toezichthouder daarop te aanvaarden;
4° de maatschappelijke zetel of exploitatiezetel van de kredietmaatschappij ligt in het Vlaamse Gewest;
5° de kredietmaatschappij keert een dividend uit dat niet hoger is dan de rentevoet, vastgesteld door de Koning ter uitvoering van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de Coöperatie, toegepast op het gestorte kapitaal, zonder dat dat dividend hoger is dan 25% van de te bestemmen winst van het boekjaar.
De Vlaamse Regering stelt aanvullende voorwaarden voor het behoud van de erkenning vast met betrekking tot:
1° de interne en externe controle;
2° het liquiditeitsbeheer en de beleggingen;
3° het minimaal eigen vermogen;
4° de solvabiliteit.
Een bescheiden woning, vermeld in het eerste lid, 1°, is hetzij een woning die door de VMSW, een sociale huisvestingsmaatschappij of het VWF wordt bestemd om verkocht te worden aan woonbehoeftige gezinnen of alleenstaanden, hetzij een te bouwen, te kopen, te verbouwen of te behouden woning waarvan de verkoopwaarde maximaal 225.000 euro bedraagt. Dat bedrag wordt verhoogd met 15% als de woning gelegen is in een gemeente die is opgenomen in cluster 1 of cluster 2 van de lijst die is opgenomen in bijlage 19 bij het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021 en wordt cumulatief verhoogd met 5%:
1° voor elke persoon ten laste;
2° voor ieder van de ascendenten van de ontlener die op de datum van de leningsaanvraag sedert ten minste zes maanden met hem samenwoont.
De maximale verkoopwaarde wordt op 1 januari aangepast aan de gezondheidsindex van de maand november die aan de aanpassing voorafgaat met als basisindex die van de maand november 2012. Het resultaat wordt afgerond naar het eerstvolgende veelvoud van 1000 euro.".
"Art. 5.58. Om de erkenning te behouden die ze verkregen met toepassing van artikel 5.58, eerste lid, 1°, zoals dit vóór 1 januari 2022 gold, dienen de kredietmaatschappijen aan de volgende voorwaarden te voldoen:
1° de kredietmaatschappij heeft als hoofdzakelijk maatschappelijk doel het toekennen en beheren van sociale leningen voor het bouwen, kopen, verbouwen, behouden of het energetische renoveren van een bescheiden woning ten behoeve van natuurlijke personen die geen andere woning in volle eigendom bezitten en die woning zelf bewonen of zullen bewonen;
2° de kredietmaatschappij beschikt over een vergunning als kredietgever verkregen bij de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA), vermeld in artikel VII.159, § 1, van het Wetboek van Economisch Recht;
3° de kredietmaatschappij verbindt zich in haar statuten, de voorwaarden, bepalingen en verplichtingen, vermeld in dit hoofdstuk, na te leven en het toezicht van de toezichthouder daarop te aanvaarden;
4° de maatschappelijke zetel of exploitatiezetel van de kredietmaatschappij ligt in het Vlaamse Gewest;
5° de kredietmaatschappij keert een dividend uit dat niet hoger is dan de rentevoet, vastgesteld door de Koning ter uitvoering van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de Coöperatie, toegepast op het gestorte kapitaal, zonder dat dat dividend hoger is dan 25% van de te bestemmen winst van het boekjaar.
De Vlaamse Regering stelt aanvullende voorwaarden voor het behoud van de erkenning vast met betrekking tot:
1° de interne en externe controle;
2° het liquiditeitsbeheer en de beleggingen;
3° het minimaal eigen vermogen;
4° de solvabiliteit.
Een bescheiden woning, vermeld in het eerste lid, 1°, is hetzij een woning die door de VMSW, een sociale huisvestingsmaatschappij of het VWF wordt bestemd om verkocht te worden aan woonbehoeftige gezinnen of alleenstaanden, hetzij een te bouwen, te kopen, te verbouwen of te behouden woning waarvan de verkoopwaarde maximaal 225.000 euro bedraagt. Dat bedrag wordt verhoogd met 15% als de woning gelegen is in een gemeente die is opgenomen in cluster 1 of cluster 2 van de lijst die is opgenomen in bijlage 19 bij het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021 en wordt cumulatief verhoogd met 5%:
1° voor elke persoon ten laste;
2° voor ieder van de ascendenten van de ontlener die op de datum van de leningsaanvraag sedert ten minste zes maanden met hem samenwoont.
De maximale verkoopwaarde wordt op 1 januari aangepast aan de gezondheidsindex van de maand november die aan de aanpassing voorafgaat met als basisindex die van de maand november 2012. Het resultaat wordt afgerond naar het eerstvolgende veelvoud van 1000 euro.".
Art. 15. L'article 5.58 du même Code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 5.58. Pour conserver l'agrément qu'elles ont obtenu en application de l'article 5.58, alinéa premier, 1°, tel qu'il était appliqué avant le 1er janvier 2022, les sociétés de crédit doivent remplir les conditions suivantes :
1° la société de crédit a pour objet social principal l'octroi et la gestion de prêts sociaux pour la construction, l'achat, la transformation, la conservation ou la rénovation énergétique d'un logement modeste en faveur de personnes physiques qui ne possèdent pas d'autre logement en pleine propriété et qui occupent ou occuperont elles-mêmes le logement ;
2° la société de crédit a obtenu une autorisation comme prêteur auprès de l'Autorité des services et marchés financiers (FSMA), visée à l'article VII.159, § 1, du Code de droit économique ;
3° la société de crédit s'engage dans ses statuts à respecter les conditions, dispositions et obligations, visées au présent chapitre et à accepter le contrôle du superviseur quant à ce respect ;
4° le siège social ou le siège d'exploitation de la société de crédit se situe dans la Région flamande ;
5° la société de crédit verse un dividende qui n'est pas supérieur au taux d'intérêt, fixé par le Roi en exécution de la loi du 20 juillet 1955 portant institution d'un Conseil national de la Coopération, appliqué au capital versé, sans que ce dividende ne soit supérieur à 25 % du bénéfice à affecter de l'exercice comptable.
Le Gouvernement flamand fixe des conditions supplémentaires pour le maintien de l'agrément en ce qui concerne :
1° le contrôle interne et externe ;
2° la gestion des liquidités et les investissements ;
3° les fonds propres minimum ;
4° la solvabilité.
Un logement modeste, visé à l'alinéa premier, 1°, est soit un logement que la Société flamande du Logement social, une société de logement social ou le Fonds flamand du Logement affecte à la vente aux ménages ou personnes isolées nécessiteux d'un logement, soit un logement qui sera construit, acheté, transformé ou conservé dont la valeur vénale s'élève au maximum à 225 000 euros. Ce montant est majoré de 15 % si le logement est situé dans une commune qui fait partie du groupe 1 ou du groupe 2 de la liste figurant à l'annexe 19 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, et est majoré cumulativement de 5 % :
1° pour chaque personne à charge ;
2° pour chacun des ascendants de l'emprunteur qui, à la date de la demande du prêt, cohabite au moins depuis six mois avec lui.
La valeur vénale maximale est ajustée au 1er janvier à l'indice santé du mois de novembre précédant l'ajustement, l'indice du mois de novembre 2012 servant d'indice de base. Le résultat est arrondi au premier multiple supérieur de 1000 euros. ".
" Art. 5.58. Pour conserver l'agrément qu'elles ont obtenu en application de l'article 5.58, alinéa premier, 1°, tel qu'il était appliqué avant le 1er janvier 2022, les sociétés de crédit doivent remplir les conditions suivantes :
1° la société de crédit a pour objet social principal l'octroi et la gestion de prêts sociaux pour la construction, l'achat, la transformation, la conservation ou la rénovation énergétique d'un logement modeste en faveur de personnes physiques qui ne possèdent pas d'autre logement en pleine propriété et qui occupent ou occuperont elles-mêmes le logement ;
2° la société de crédit a obtenu une autorisation comme prêteur auprès de l'Autorité des services et marchés financiers (FSMA), visée à l'article VII.159, § 1, du Code de droit économique ;
3° la société de crédit s'engage dans ses statuts à respecter les conditions, dispositions et obligations, visées au présent chapitre et à accepter le contrôle du superviseur quant à ce respect ;
4° le siège social ou le siège d'exploitation de la société de crédit se situe dans la Région flamande ;
5° la société de crédit verse un dividende qui n'est pas supérieur au taux d'intérêt, fixé par le Roi en exécution de la loi du 20 juillet 1955 portant institution d'un Conseil national de la Coopération, appliqué au capital versé, sans que ce dividende ne soit supérieur à 25 % du bénéfice à affecter de l'exercice comptable.
Le Gouvernement flamand fixe des conditions supplémentaires pour le maintien de l'agrément en ce qui concerne :
1° le contrôle interne et externe ;
2° la gestion des liquidités et les investissements ;
3° les fonds propres minimum ;
4° la solvabilité.
Un logement modeste, visé à l'alinéa premier, 1°, est soit un logement que la Société flamande du Logement social, une société de logement social ou le Fonds flamand du Logement affecte à la vente aux ménages ou personnes isolées nécessiteux d'un logement, soit un logement qui sera construit, acheté, transformé ou conservé dont la valeur vénale s'élève au maximum à 225 000 euros. Ce montant est majoré de 15 % si le logement est situé dans une commune qui fait partie du groupe 1 ou du groupe 2 de la liste figurant à l'annexe 19 de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021, et est majoré cumulativement de 5 % :
1° pour chaque personne à charge ;
2° pour chacun des ascendants de l'emprunteur qui, à la date de la demande du prêt, cohabite au moins depuis six mois avec lui.
La valeur vénale maximale est ajustée au 1er janvier à l'indice santé du mois de novembre précédant l'ajustement, l'indice du mois de novembre 2012 servant d'indice de base. Le résultat est arrondi au premier multiple supérieur de 1000 euros. ".
Art. 16. In artikel 5.59 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid van paragraaf 1 wordt opgeheven;
2° het tweede lid van paragraaf 1 dat het eerste lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
"Aan het Waarborgfonds sociale leningen, dat werd opgericht als een begrotingsfonds als vermeld in artikel 15, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, worden de ontvangsten die voortvloeien uit terugwinningen, de inkomsten uit de wederverkoop van ingekochte onroerende goederen en de intresten op belegde sommen toegewezen.";
3° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "en bepaalt de hoogte van de bijdrage, die in geen geval meer mag bedragen dan 0,5% van de geleende bedragen" opgeheven;
4° paragraaf 6 wordt opgeheven;
5° paragraaf 7 wordt opgeheven.
1° het eerste lid van paragraaf 1 wordt opgeheven;
2° het tweede lid van paragraaf 1 dat het eerste lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
"Aan het Waarborgfonds sociale leningen, dat werd opgericht als een begrotingsfonds als vermeld in artikel 15, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, worden de ontvangsten die voortvloeien uit terugwinningen, de inkomsten uit de wederverkoop van ingekochte onroerende goederen en de intresten op belegde sommen toegewezen.";
3° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "en bepaalt de hoogte van de bijdrage, die in geen geval meer mag bedragen dan 0,5% van de geleende bedragen" opgeheven;
4° paragraaf 6 wordt opgeheven;
5° paragraaf 7 wordt opgeheven.
Art. 16. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 5.59 du même Code :
1° l'alinéa premier du paragraphe 1 est abrogé ;
2° l'alinéa deux du paragraphe 1, qui devient l'alinéa premier, est remplacé par ce qui suit :
" Au Fonds de Garantie des Prêts sociaux, créé en tant que fonds budgétaire visé à l'article 15, § 2, du Code flamand des finances publiques du 29 mars 2019, sont affectés les revenus provenant de recouvrements, les revenus de la revente de biens immobiliers acquis et les intérêts des sommes placées. " ;
3° au paragraphe 5, le membre de phrase " et fixe la hauteur de la cotisation, qui ne doit en aucun cas dépasser 0,5 % des montants empruntés. " est abrogé ;
4° le paragraphe 6 est abrogé ;
5° le paragraphe 7 est abrogé.
1° l'alinéa premier du paragraphe 1 est abrogé ;
2° l'alinéa deux du paragraphe 1, qui devient l'alinéa premier, est remplacé par ce qui suit :
" Au Fonds de Garantie des Prêts sociaux, créé en tant que fonds budgétaire visé à l'article 15, § 2, du Code flamand des finances publiques du 29 mars 2019, sont affectés les revenus provenant de recouvrements, les revenus de la revente de biens immobiliers acquis et les intérêts des sommes placées. " ;
3° au paragraphe 5, le membre de phrase " et fixe la hauteur de la cotisation, qui ne doit en aucun cas dépasser 0,5 % des montants empruntés. " est abrogé ;
4° le paragraphe 6 est abrogé ;
5° le paragraphe 7 est abrogé.
Art. 17. Artikel 5.60 van dezelfde codex wordt opgeheven.
Art. 17. L'article 5.60 du même Code est abrogé.
Art. 18. In artikel 5.61 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "eerste lid, 1°, " opgeheven;
2° in het tweede lid wordt de zinsnede "eerste lid, 1°, " opgeheven.
1° in het eerste lid wordt de zinsnede "eerste lid, 1°, " opgeheven;
2° in het tweede lid wordt de zinsnede "eerste lid, 1°, " opgeheven.
Art. 18. A l'article 5.61 du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa premier, le membre de phrase " alinéa premier, 1°, " est abrogé ;
2° à l'alinéa deux, le membre de phrase " alinéa premier, 1°, " est abrogé.
1° à l'alinéa premier, le membre de phrase " alinéa premier, 1°, " est abrogé ;
2° à l'alinéa deux, le membre de phrase " alinéa premier, 1°, " est abrogé.
Art. 19. In artikel 5.62 van dezelfde codex wordt de zinsnede "eerste lid, 1° " opgeheven.
Art. 19. A l'article 5.62 du même Code, le membre de phrase " alinéa 1er, 1° " est abrogé.
Art. 20. In artikel 5.63 van dezelfde codex wordt de zinsnede "eerste lid, 1° " opgeheven.
Art. 20. A l'article 5.63 du même Code, le membre de phrase " alinéa 1er, 1° " est abrogé.
Art. 21. In artikel 7.4, § 2, 4°, van dezelfde codex wordt de zinsnede "eerste lid, 1° " opgeheven.
Art. 21. A l'article 7.4, § 2, 4°, du même Code, le membre de phrase " alinéa 1er, 1°. " est abrogé.
Afdeling 2. - Doorgifte persoonsgegevens in het kader van de huursubsidie
Section 2. - Transfert de données personnelles dans le cadre de la subvention à la location
Art. 22. In artikel 6.3/1, § 6, 5°, van de Vlaamse Codex Wonen, ingevoegd door het decreet van 16 juli 2021 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen, wordt de zinsnede "titel 3" vervangen door de zinsnede "titel 2 en 3".
Art. 22. A l'article 6.3/1, § 6, 5° du Code flamand du logement, inséré par le décret du 16 juillet 2021 modifiant divers décrets en ce qui concerne le logement, le membre de phrase " titre 3 " est remplacé par le membre de phrase " titres 2 et 3 ".
Afdeling 3. - Stopzetting uitbetalingen water- en energievergoedingen in kader van COVID-19
Section 3. - Arrêt des paiements de l'indemnité " eau et énergie " dans le cadre du COVID-19
Art. 23. Aan artikel 9 van het decreet van 3 april 2020 tot afwijking van diverse bepalingen van het Energiedecreet van 8 mei 2009, het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, en de uitvoeringsbesluiten ervan, en tot dekking van de kosten voor elektriciteitsverbruik, verwarming of waterverbruik voor de eerste maand van tijdelijke werkloosheid ten gevolge van de coronacrisis worden een tweede, een derde en een vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Vanaf één maand na inwerkingtreding van artikel 23 van het programmadecreet van 23 december 2021 bij de begroting 2022 worden geen nieuwe rechthebbenden op de vergoeding als vermeld in artikel 6, § 1, meer aanvaard.
Tijdig ontvangen maar onvolledige dossiers kunnen tot uiterlijk twee maanden na inwerkingtreding van artikel 23 van voormeld programmadecreet aangevuld worden met bewijsstukken.
Twee maanden na inwerkingtreding van artikel 23 van voormeld programmadecreet vervalt het recht op de vergoeding voor die rechthebbenden die zich niet tijdig hebben gemeld of voor die dossiers die nog niet vervolledigd zijn.".
"Vanaf één maand na inwerkingtreding van artikel 23 van het programmadecreet van 23 december 2021 bij de begroting 2022 worden geen nieuwe rechthebbenden op de vergoeding als vermeld in artikel 6, § 1, meer aanvaard.
Tijdig ontvangen maar onvolledige dossiers kunnen tot uiterlijk twee maanden na inwerkingtreding van artikel 23 van voormeld programmadecreet aangevuld worden met bewijsstukken.
Twee maanden na inwerkingtreding van artikel 23 van voormeld programmadecreet vervalt het recht op de vergoeding voor die rechthebbenden die zich niet tijdig hebben gemeld of voor die dossiers die nog niet vervolledigd zijn.".
Art. 23. A l'article 9 du décret du 3 avril 2020 portant dérogation à diverses dispositions du décret sur l'Energie du 8 mai 2009, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, et de leurs arrêtés d'exécution, et portant couverture des frais de la consommation d'électricité, de chauffage ou de la consommation d'eau pour le premier mois de chômage temporaire suite à la crise du coronavirus, est inséré un alinéa deux, trois et quatre énoncés comme suit :
" A partir d'un mois après l'entrée en vigueur de l'article 23 du décret-programme du 23 décembre 2021 accompagnant le budget 2022, plus aucun nouveau ayant droit à l'indemnité visée à l'article 6, § 1, ne sera accepté.
Les dossiers reçus à temps mais qui sont incomplets peuvent être complétés par des pièces justificatives jusqu'à deux mois après l'entrée en vigueur de l'article 23 du décret-programme précité.
Deux mois après l'entrée en vigueur de l'article 23 du décret-programme précité, le droit à l'indemnité s'éteint pour les ayants droit qui n'ont pas introduit leur déclaration dans les délais ou pour les dossiers qui n'ont pas encore été complétés. ".
" A partir d'un mois après l'entrée en vigueur de l'article 23 du décret-programme du 23 décembre 2021 accompagnant le budget 2022, plus aucun nouveau ayant droit à l'indemnité visée à l'article 6, § 1, ne sera accepté.
Les dossiers reçus à temps mais qui sont incomplets peuvent être complétés par des pièces justificatives jusqu'à deux mois après l'entrée en vigueur de l'article 23 du décret-programme précité.
Deux mois après l'entrée en vigueur de l'article 23 du décret-programme précité, le droit à l'indemnité s'éteint pour les ayants droit qui n'ont pas introduit leur déclaration dans les délais ou pour les dossiers qui n'ont pas encore été complétés. ".
Afdeling 4. - Wijziging van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018
Section 4. - Modification du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018
Art. 24. In artikel 4.2.2.1.5 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood volgens het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming;";
2° in paragraaf 2 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, eerste lid, 47°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige, vermeld op het heffingsbiljet, of een gezinslid het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood genoten heeft;".
1° in paragraaf 1 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood volgens het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming;";
2° in paragraaf 2 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, eerste lid, 47°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige, vermeld op het heffingsbiljet, of een gezinslid het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood genoten heeft;".
Art. 24. A l'article 4.2.2.1.5 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° le budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins, visé au décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ; " ;
2° au paragraphe 2, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° une attestation, délivrée par une caisse d'assurance soins, visée à l'article 2, alinéa premier, 47°, du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande, démontrant que le redevable mentionné sur la feuille d'impôts, ou un membre de la famille, a bénéficié du budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins ; ".
1° au paragraphe 1, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° le budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins, visé au décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ; " ;
2° au paragraphe 2, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° une attestation, délivrée par une caisse d'assurance soins, visée à l'article 2, alinéa premier, 47°, du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande, démontrant que le redevable mentionné sur la feuille d'impôts, ou un membre de la famille, a bénéficié du budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins ; ".
Art. 25. In artikel 4.2.2.1.6 van hetzelfde decreet worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood volgens het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming;";
2° in paragraaf 2 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, eerste lid, 47°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige, vermeld op het heffingsbiljet, of een gezinslid het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood genoten heeft.".
1° in paragraaf 1 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood volgens het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming;";
2° in paragraaf 2 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, eerste lid, 47°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige, vermeld op het heffingsbiljet, of een gezinslid het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood genoten heeft.".
Art. 25. A l'article 4.2.2.1.6 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° le budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins, visé au décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ; " ;
2° au paragraphe 2, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° une attestation, délivrée par une caisse d'assurance soins, visée à l'article 2, alinéa premier, 47°, du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande, démontrant que le redevable mentionné sur la feuille d'impôts, ou un membre de la famille a bénéficié du budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins. ".
1° au paragraphe 1, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° le budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins, visé au décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ; " ;
2° au paragraphe 2, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° une attestation, délivrée par une caisse d'assurance soins, visée à l'article 2, alinéa premier, 47°, du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande, démontrant que le redevable mentionné sur la feuille d'impôts, ou un membre de la famille a bénéficié du budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins. ".
Art. 26. In artikel 4.2.2.5.2, tweede lid, van hetzelfde decreet, worden onder punt 3° de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan punt b) wordt de zinsnede ", of voor onttrekkingen uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten het debiet en de hoeveelheid water die opgenomen wordt volgens de melding, vermeld in artikel 30, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 tot uitvoering van diverse bepalingen uit de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft het toezicht op de naleving van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;" toegevoegd;
2° in punt c) worden tussen de woorden "de watervang" en "bedoeld in b)" de woorden "of de melding voor onttrekkingen uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten" ingevoegd.
1° aan punt b) wordt de zinsnede ", of voor onttrekkingen uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten het debiet en de hoeveelheid water die opgenomen wordt volgens de melding, vermeld in artikel 30, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2021 tot uitvoering van diverse bepalingen uit de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft het toezicht op de naleving van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;" toegevoegd;
2° in punt c) worden tussen de woorden "de watervang" en "bedoeld in b)" de woorden "of de melding voor onttrekkingen uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten" ingevoegd.
Art. 26. A l'article 4.2.2.5.2, alinéa deux, du même décret, les modifications suivantes sont apportées au point 3 :
1° au point b), le membre de phrase " , ou pour les captages dans des cours d'eau non navigables et des fossés publics, le débit et la quantité d'eau prélevée selon la déclaration visée à l'article 30, § 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mai 2021 portant exécution de diverses dispositions de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, en ce qui concerne le contrôle du respect de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables ; " est ajouté ;
2° au point c), les mots " ou la déclaration pour les captages dans des cours d'eau non navigables et des fossés publics " sont insérés entre les mots " de prise d'eau " et " visée au point b) ".
1° au point b), le membre de phrase " , ou pour les captages dans des cours d'eau non navigables et des fossés publics, le débit et la quantité d'eau prélevée selon la déclaration visée à l'article 30, § 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 mai 2021 portant exécution de diverses dispositions de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, en ce qui concerne le contrôle du respect de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables ; " est ajouté ;
2° au point c), les mots " ou la déclaration pour les captages dans des cours d'eau non navigables et des fossés publics " sont insérés entre les mots " de prise d'eau " et " visée au point b) ".
Art. 27. In artikel 4.3.3.1 van hetzelfde decreet worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood met toepassing van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming;";
2° in paragraaf 3 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, eerste lid, 47°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de vrijstellingsgerechtigde, vermeld in het eerste of tweede lid, het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood genoten heeft.".
1° in paragraaf 1 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood met toepassing van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming;";
2° in paragraaf 3 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, eerste lid, 47°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de vrijstellingsgerechtigde, vermeld in het eerste of tweede lid, het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood genoten heeft.".
Art. 27. A l'article 4.3.3.1 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° le budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins en application du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ; " ;
2° au paragraphe 3, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° une attestation, délivrée par une caisse d'assurance soins, visée à l'article 2, alinéa premier, 47°, du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande, démontrant que le bénéficiaire de l'exemption, visé à l'alinéa premier ou deux, a bénéficié du budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins. ".
1° au paragraphe 1, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° le budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins en application du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ; " ;
2° au paragraphe 3, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° une attestation, délivrée par une caisse d'assurance soins, visée à l'article 2, alinéa premier, 47°, du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande, démontrant que le bénéficiaire de l'exemption, visé à l'alinéa premier ou deux, a bénéficié du budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins. ".
Art. 28. In artikel 4.3.3.3 van hetzelfde decreet worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood met toepassing van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming;";
2° in paragraaf 4 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, eerste lid, 47°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de tegemoetkomingsgerechtigde, vermeld in het eerste lid, het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood genoten heeft.".
1° in paragraaf 1 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood met toepassing van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming;";
2° in paragraaf 4 wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
"4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, eerste lid, 47°, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de tegemoetkomingsgerechtigde, vermeld in het eerste lid, het zorgbudget voor ouderen met een zorgnood genoten heeft.".
Art. 28. A l'article 4.3.3.3 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° le budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins en application du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ; " ;
2° au paragraphe 4, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° une attestation, délivrée par une caisse d'assurance soins, visée à l'article 2, alinéa premier, 47°, du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande, démontrant que le bénéficiaire de l'intervention, visé à l'alinéa premier, a bénéficié du budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins. ".
1° au paragraphe 1, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° le budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins en application du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande ; " ;
2° au paragraphe 4, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° une attestation, délivrée par une caisse d'assurance soins, visée à l'article 2, alinéa premier, 47°, du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande, démontrant que le bénéficiaire de l'intervention, visé à l'alinéa premier, a bénéficié du budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin en soins. ".
Art. 29. In bijlage 5 bij hetzelfde decreet, zoals gewijzigd bij de decreten van 21 december 2018 en 26 juni 2020, wordt de zinsnede "artikel 4.1.1.5.1" vervangen door de zinsnede "artikel 4.2.2.5.1".
Art. 29. A l'annexe 5 du même décret, tel que modifié par les décrets des 21 décembre 2018 et 26 juin 2020, le membre de phrase " article 4.1.1.5.1 " est remplacé par le membre de phrase " 4.2.2.5.1 ".
Afdeling 5. - Decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen - OVAM-heffingen
Section 5. - Décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets - Redevances OVAM
Art. 30. In artikel 46, § 1, 16°, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen wordt vanaf 1 januari 2022 het woord "afvalstoffen" vervangen door de zinsnede "huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, riool waterzuiveringsslib en ander industrieel slib".
Art. 30. A l'article 46, § 1, 16°, du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets, à partir du 1er janvier 2022, le mot " déchets " est remplacé par le membre de phrase " déchets ménagers, déchets ménagers prétraités, déchets médicaux, boues d'épuration d'eaux d'égouts et autres boues industrielles ".
Art. 31. In artikel 46, § 1, van hetzelfde decreet wordt een punt 16° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"16° /1 voor het verbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022;".
"16° /1 voor het verbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 16°, in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022;".
Art. 31. A l'article 46, § 1, du même décret, est inséré un point 16° /1, énoncé comme suit :
" 16° /1 pour l'incinération de déchets industriels autres que ceux visés au point 16° dans une installation autorisée à cet effet : 25 euros par tonne. Ce tarif est d'application à partir du 1er janvier 2022 ; ".
" 16° /1 pour l'incinération de déchets industriels autres que ceux visés au point 16° dans une installation autorisée à cet effet : 25 euros par tonne. Ce tarif est d'application à partir du 1er janvier 2022 ; ".
Art. 32. In artikel 46, § 1, 17°, van hetzelfde decreet wordt vanaf 1 januari 2022 het woord "afvalstoffen" vervangen door de zinsnede "huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval, rioolwaterzuiveringsslib en ander industrieel slib".
Art. 32. A l'article 46, § 1, 17°, du même décret, à partir du 1er janvier 2022 le mot " déchets " est remplacé par le membre de phrase " déchets ménagers, déchets ménagers prétraités, déchets médicaux, boues d'épuration d'eaux d'égouts et autres boues industrielles ".
Art. 33. In artikel 46, § 1, van hetzelfde decreet wordt een punt 17° /1 ingevoegd dat luidt als volgt:
"17° /1 voor het meeverbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022;".
"17° /1 voor het meeverbranden van bedrijfsafvalstoffen andere dan bedoeld in punt 17° in een daartoe vergunde installatie: 25 euro per ton. Dit tarief geldt met ingang van 1 januari 2022;".
Art. 33. A l'article 46, § 1, du même décret, est inséré un point 17° /1, énoncé comme suit :
" 17° /1 pour la co-incinération de déchets industriels autres que ceux visés au point 17° dans une installation autorisée à cet effet : 25 euros par tonne. Ce tarif est d'application à partir du 1er janvier 2022 ; ".
" 17° /1 pour la co-incinération de déchets industriels autres que ceux visés au point 17° dans une installation autorisée à cet effet : 25 euros par tonne. Ce tarif est d'application à partir du 1er janvier 2022 ; ".
Art. 34. In artikel 46, § 1, vierde tot en met achtste lid, en in artikel 46, § 7 en § 8, van hetzelfde decreet wordt in de eerste zin de zinsnede "16° en 17° " vervangen door de zinsnede "16°, 16° /1, 17° en 17° /1".
Art. 34. A l'article 46, § 1, alinéa quatre à huit, et à l'article 46, § 7 et § 8 du même décret, dans la première phrase, le membre de phrase " 16° et 17° " est remplacé par " 16°, 16° /1, 17° et 17° /1 ".
Art. 35. In artikel 46, § 2, tweede lid, 11°, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2020, wordt in de eerste zin in de zinsnede "tot en met het vierde kwartaal van 2020, K = 0,1 voor het heffingsjaar 2021" de zinsnede "2020," vervangen door de zinsnede "2020 en" en het woord "voor" vervangen door het woord "vanaf".
Art. 35. A l'article 46, § 2, alinéa deux, 11°, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2020, dans la première phrase dans le membre de phrase " jusqu'au quatrième trimestre de 2020, K = 0,1 pour l'année d'imposition 2021 ", le membre de phrase " 2020 " est remplacé par le membre de phrase " 2020 et ", et le mot " pour " est remplacé par le mot " à partir de ".
Art. 36. In artikel 46, § 2, tweede lid, 11°, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2020, wordt in de eerste zin de zinsnede ", K = 0,2 voor het heffingsjaar 2022, K = 0,6 voor het heffingsjaar 2023 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2024" opgeheven.
Art. 36. A l'article 46, § 2, alinéa deux, 11°, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2020, dans la première phrase, le membre de phrase " , K = 0,2 pour l'année d'imposition 2022, K = 0,6 pour l'année d'imposition 2023 et K = 1 à partir de l'année d'imposition 2024 " est abrogé.
Art. 37. In artikel 46, § 2, tweede lid, 11°, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2020, wordt op het einde van de eerste zin na het woord "brengen" de volgende zinsnede toegevoegd:
"en voor wat betreft de heffing vanaf het heffingsjaar 2022, op voorwaarde dat het betreffend bedrijf voor de toepassing van het verlaagd tarief overeenkomstig het advies van OVAM voldoende wordt opgevolgd door de certificatie-instelling die instaat voor de certificatie van de geproduceerde granulaten. De opvolging door de certificatie-instelling houdt in dat aansluitend bij de certificatie van de granulaten via de kwaliteitscontrole van de inrichting wordt bewaakt dat de granulaten effectief worden opgeschoond en enkel de residu's die daarbij vrijkomen onder het verlaagd tarief worden afgevoerd.".
"en voor wat betreft de heffing vanaf het heffingsjaar 2022, op voorwaarde dat het betreffend bedrijf voor de toepassing van het verlaagd tarief overeenkomstig het advies van OVAM voldoende wordt opgevolgd door de certificatie-instelling die instaat voor de certificatie van de geproduceerde granulaten. De opvolging door de certificatie-instelling houdt in dat aansluitend bij de certificatie van de granulaten via de kwaliteitscontrole van de inrichting wordt bewaakt dat de granulaten effectief worden opgeschoond en enkel de residu's die daarbij vrijkomen onder het verlaagd tarief worden afgevoerd.".
Art. 37. A l'article 46, § 2, alinéa 2, 11°, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2020, le membre de phrase suivant est ajouté à la fin de la première phrase après le mot " colorés " :
" et en ce qui concerne l'imposition à partir de l'année d'imposition 2022, à condition que l'entreprise concernée soit suffisamment contrôlée par l'organisme de certification responsable de la certification des granulats produits pour l'application du tarif réduit conformément à l'avis de l'OVAM. Le suivi par l'organisme de certification implique qu'à la suite de la certification des granulats, le contrôle de qualité de l'installation garantit que les granulats sont effectivement nettoyés et que seuls les résidus libérés lors du processus sont évacués au tarif réduit. ".
" et en ce qui concerne l'imposition à partir de l'année d'imposition 2022, à condition que l'entreprise concernée soit suffisamment contrôlée par l'organisme de certification responsable de la certification des granulats produits pour l'application du tarif réduit conformément à l'avis de l'OVAM. Le suivi par l'organisme de certification implique qu'à la suite de la certification des granulats, le contrôle de qualité de l'installation garantit que les granulats sont effectivement nettoyés et que seuls les résidus libérés lors du processus sont évacués au tarif réduit. ".
Art. 38. Aan artikel 46, § 5, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2016 en 22 december 2017, wordt na het derde lid een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2021, basis 1996.".
"In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 16° /1 en 17° /1 van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2021, basis 1996.".
Art. 38. A l'article 46, § 5, du même décret, modifié par le décret des 8 juillet 2016 et 22 décembre 2017, est ajouté après l'alinéa trois un alinéa énoncé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa deux, les montants introduits à partir du 1er janvier 2022, visés aux points 16° /1 et 17° /1 du paragraphe 1, sont adaptés à l'indice des prix à la consommation avec comme indice de base l'indice des prix à la consommation de novembre 2021, base 1996. ".
" Par dérogation à l'alinéa deux, les montants introduits à partir du 1er janvier 2022, visés aux points 16° /1 et 17° /1 du paragraphe 1, sont adaptés à l'indice des prix à la consommation avec comme indice de base l'indice des prix à la consommation de novembre 2021, base 1996. ".
Art. 39. In artikel 46, § 6, van hetzelfde decreet wordt aan het laatste lid de volgende zin toegevoegd:
"Deze bepaling is niet van toepassing op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 16° /1 en 17° /1.".
"Deze bepaling is niet van toepassing op de bedragen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 16° /1 en 17° /1.".
Art. 39. A l'article 46, § 6, du même décret, la phrase suivante est ajoutée au dernier alinéa :
" Cette disposition ne s'applique pas aux montants visés au paragraphe 1, alinéa premier, 16° /1 et 17° /1. ".
" Cette disposition ne s'applique pas aux montants visés au paragraphe 1, alinéa premier, 16° /1 et 17° /1. ".
Afdeling 6. - Aanpassing decretaal werkingskader Dierenwelzijnsfonds
Section 6. - Adaptation du cadre de fonctionnement décrétal du Fonds pour le bien-être des animaux
Art. 40. In artikel 107 van het decreet van 19 december 2014 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015, gewijzigd bij de decreten van 3 juli 2015, 22 december 2017, 29 maart 2019 en 9 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 2, 1°, worden de volgende bepalingen toegevoegd:
"- retributies voor de behandeling van de aanvragen tot erkenning, bedoeld in artikel 21, § 1, en artikel 22;
- retributies voor de behandeling van de vergunningen, bedoeld in artikel 21, § 3.";
2° in paragraaf 3 worden tussen de woorden "administratie- en werkingskosten," en de woorden "kosten voor juridische bijstand" de woorden "personeelskosten van de entiteit bevoegd voor dierenwelzijn," ingevoegd.
1° aan paragraaf 2, 1°, worden de volgende bepalingen toegevoegd:
"- retributies voor de behandeling van de aanvragen tot erkenning, bedoeld in artikel 21, § 1, en artikel 22;
- retributies voor de behandeling van de vergunningen, bedoeld in artikel 21, § 3.";
2° in paragraaf 3 worden tussen de woorden "administratie- en werkingskosten," en de woorden "kosten voor juridische bijstand" de woorden "personeelskosten van de entiteit bevoegd voor dierenwelzijn," ingevoegd.
Art. 40. A l'article 107 du décret du 19 décembre 2014 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2015, modifié par les décrets des 22 décembre 2017, 29 mars 2019 et 9 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, 1°, les dispositions suivantes sont ajoutées :
" - les rétributions pour le traitement des demandes d'agrément visées à l'article 21, § 1, et à l'article 22 ;
- rétributions pour le traitement des permis visés à l'article 21, § 3. " ;
2° au paragraphe 3, les mots " des frais de personnel de l'entité chargée du bien-être des animaux, " sont insérés entre les mots " des frais d'administration et de fonctionnement, " et les mots " des frais d'assistance juridique, ".
1° au paragraphe 2, 1°, les dispositions suivantes sont ajoutées :
" - les rétributions pour le traitement des demandes d'agrément visées à l'article 21, § 1, et à l'article 22 ;
- rétributions pour le traitement des permis visés à l'article 21, § 3. " ;
2° au paragraphe 3, les mots " des frais de personnel de l'entité chargée du bien-être des animaux, " sont insérés entre les mots " des frais d'administration et de fonctionnement, " et les mots " des frais d'assistance juridique, ".
Afdeling 7. - Aanpassing decretale bepaling begrotingsfonds Fonds Onroerend Erfgoed en oprichting Fonds Handhaving Onroerend Erfgoed
Section 7. - Adaptation de la disposition décrétale fonds budgétaire du Fonds du Patrimoine immobilieret création du Fonds pour le Maintien du Patrimoine immobilier
Art. 41. Artikel 24 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede de bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, opgeheven door het decreet van 18 mei 1999, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"Art. 24. Er wordt een Fonds Handhaving Onroerend Erfgoed opgericht.
Aan het Fonds Handhaving Onroerend Erfgoed worden de ontvangsten toegewezen die gerealiseerd worden op grond van hoofdstuk 11 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en zijn uitvoeringsbesluiten en de handhavingsbepalingen in de decreten, vermeld in artikel 12.2.1 van het Onroerend-erfgoeddecreet.
De middelen van het Fonds Handhaving Onroerend Erfgoed worden aangewend voor het dekken van uitgaven die betrekking hebben op de handhaving van de decreten en uitvoeringsbesluiten, vermeld in het eerste lid.".
"Art. 24. Er wordt een Fonds Handhaving Onroerend Erfgoed opgericht.
Aan het Fonds Handhaving Onroerend Erfgoed worden de ontvangsten toegewezen die gerealiseerd worden op grond van hoofdstuk 11 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en zijn uitvoeringsbesluiten en de handhavingsbepalingen in de decreten, vermeld in artikel 12.2.1 van het Onroerend-erfgoeddecreet.
De middelen van het Fonds Handhaving Onroerend Erfgoed worden aangewend voor het dekken van uitgaven die betrekking hebben op de handhaving van de decreten en uitvoeringsbesluiten, vermeld in het eerste lid.".
Art. 41. L'article 24 du décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991, abrogé par le décret du 18 mai 1999, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 24. Un Fonds pour le Maintien du Patrimoine immobilier est créé.
Le Fonds pour le Maintien du Patrimoine immobilier se voit attribuer les recettes réalisées en application du chapitre 11 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et de ses arrêtés d'exécution et des dispositions de maintien des décrets visés à l'article 12.2.1 du décret relatif au patrimoine immobilier.
Les ressources du Fonds pour le Maintien du Patrimoine immobilier sont utilisées pour couvrir les dépenses liées au maintien des décrets et arrêtés d'exécution visés à l'alinéa premier. ".
" Art. 24. Un Fonds pour le Maintien du Patrimoine immobilier est créé.
Le Fonds pour le Maintien du Patrimoine immobilier se voit attribuer les recettes réalisées en application du chapitre 11 du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013 et de ses arrêtés d'exécution et des dispositions de maintien des décrets visés à l'article 12.2.1 du décret relatif au patrimoine immobilier.
Les ressources du Fonds pour le Maintien du Patrimoine immobilier sont utilisées pour couvrir les dépenses liées au maintien des décrets et arrêtés d'exécution visés à l'alinéa premier. ".
Art. 42. In artikel 25 van hetzelfde decreet, gewijzigd door het decreet van 4 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid, wordt punt 2° opgeheven;
2° paragraaf 2, tweede lid, wordt opgeheven;
3° in paragraaf 3 wordt punt 2° opgeheven;
4° paragraaf 4 wordt opgeheven.
1° in paragraaf 2, eerste lid, wordt punt 2° opgeheven;
2° paragraaf 2, tweede lid, wordt opgeheven;
3° in paragraaf 3 wordt punt 2° opgeheven;
4° paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art. 42. A l'article 25 du même décret, modifié par le décret du 4 mai 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, alinéa premier, le point 2° est abrogé ;
2° le paragraphe 2, alinéa deux, est abrogé ;
3° au paragraphe 3, le point 2° est abrogé ;
4° le paragraphe 4 est abrogé.
1° au paragraphe 2, alinéa premier, le point 2° est abrogé ;
2° le paragraphe 2, alinéa deux, est abrogé ;
3° au paragraphe 3, le point 2° est abrogé ;
4° le paragraphe 4 est abrogé.
Afdeling 8. - Overname provinciale leningen door het Vlaams Woningfonds
Section 8. - Reprise des prêts provinciaux par le Fonds flamand du Logement
Art. 43. In artikel 4.62 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan het eerste lid wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"4° na goedkeuring door de Vlaamse Regering, het verder afhandelen van aanvullende woonleningen die de provincies hebben toegekend voor het kopen, bouwen en verbouwen van woningen in het Vlaamse Gewest.";
2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Het VWF dat volgens het eerste lid, 4°, optreedt als kredietgever wordt toegelaten om op te treden als kredietgever inzake consumentenkrediet als vermeld in artikel VII.159, § 1 en § 2, van het Wetboek van Economisch Recht.".
1° aan het eerste lid wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"4° na goedkeuring door de Vlaamse Regering, het verder afhandelen van aanvullende woonleningen die de provincies hebben toegekend voor het kopen, bouwen en verbouwen van woningen in het Vlaamse Gewest.";
2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Het VWF dat volgens het eerste lid, 4°, optreedt als kredietgever wordt toegelaten om op te treden als kredietgever inzake consumentenkrediet als vermeld in artikel VII.159, § 1 en § 2, van het Wetboek van Economisch Recht.".
Art. 43. A l'article 4.62 du Code flamand du Logement de 2021 les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa premier est inséré un point 4°, énoncé comme suit :
" 4° après approbation par le Gouvernement flamand, la poursuite du traitement des prêts au logement supplémentaires accordés par les provinces pour l'achat, la construction et la rénovation de logements en Région flamande. " ;
2° il est ajouté un alinéa deux, énoncé comme suit :
" Le Fonds flamand du Logement agissant en tant que prêteur conformément à l'alinéa premier, 4°, est autorisé à agir en tant que prêteur en crédit à la consommation visé à l'article VII.159, § 1 et 2 du Code de droit économique. ".
1° à l'alinéa premier est inséré un point 4°, énoncé comme suit :
" 4° après approbation par le Gouvernement flamand, la poursuite du traitement des prêts au logement supplémentaires accordés par les provinces pour l'achat, la construction et la rénovation de logements en Région flamande. " ;
2° il est ajouté un alinéa deux, énoncé comme suit :
" Le Fonds flamand du Logement agissant en tant que prêteur conformément à l'alinéa premier, 4°, est autorisé à agir en tant que prêteur en crédit à la consommation visé à l'article VII.159, § 1 et 2 du Code de droit économique. ".
HOOFDSTUK 4. - Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
CHAPITRE 4. - Bien-être, Santé publique et Famille
Afdeling 1. - Opheffing van de dienst met afzonderlijk beheer `Centrum voor Informatie,Communicatie en Vorming in de Welzijnssector' (DAB CICOV)
Section 1. - Suppression du service à gestion séparée " Centrum voor Informatie, Communicatie en Vorming in de Welzijnssector " (DAB CICOV)
Art. 44. In het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999, wordt hoofdstuk I. Centrum voor Informatie, Communicatie en Vorming in de Welzijnssector, opgeheven.
Art. 44. Dans le décret du 19 décembre 1998 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1999, le chapitre I, Centrum voor Informatie, communicatie en vorming in de welzijnssector (Centre d'information, de communication et de formation dans le secteur de l'aide sociale) est abrogé.
Art. 45. In het decreet van 2 juni 2006 tot omvorming van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden tot een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid, en tot wijziging van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° artikel 9 wordt opgeheven;
2° artikel 13, § 1, 3°, wordt opgeheven.
1° artikel 9 wordt opgeheven;
2° artikel 13, § 1, 3°, wordt opgeheven.
Art. 45. Dans le décret du 2 juin 2006 portant transformation du " Vlaams Infrastructuurfonds voor persoonsgebonden Aangelegenheden " en agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique, et modifiant le décret du 23 février 1994 relatif à l'infrastructure affectée aux matières personnalisables, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'article 9 est abrogé ;
2° l'article 13, § 1, 3°, est abrogé.
1° l'article 9 est abrogé ;
2° l'article 13, § 1, 3°, est abrogé.
Afdeling 2. - Wijzigingen van het Groeipakketdecreet
Section 2. - Modifications du décret relatif au Panier de croissance
Art. 46. Aan artikel 4, § 1, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, gewijzigd bij het decreet van 20 december 2019, wordt een zesde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het vierde lid wordt het basisbedrag, vermeld in artikel 13, en het bedrag voor het jongste kind en het tweede jongste kind, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, waar de evolutie gekoppeld is aan de jaarlijkse verhoging met een index van 2%, zoals bepaald in het vierde lid, in 2022, 2023 en 2024 jaarlijks op 1 september verhoogd met een index van 1%.".
"In afwijking van het vierde lid wordt het basisbedrag, vermeld in artikel 13, en het bedrag voor het jongste kind en het tweede jongste kind, vermeld in artikel 210, § 2, tweede lid, waar de evolutie gekoppeld is aan de jaarlijkse verhoging met een index van 2%, zoals bepaald in het vierde lid, in 2022, 2023 en 2024 jaarlijks op 1 september verhoogd met een index van 1%.".
Art. 46. A l'article 4, § 1, du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale, modifié par le décret du 20 décembre 2019, est ajouté un alinéa six énoncé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa quatre, le montant de base, visé à l'article 13, et le montant pour l'enfant le plus jeune et le deuxième enfant le plus jeune, visé à l'article 210, § 2, alinéa deux, lorsque l'évolution est liée à l'augmentation annuelle d'un indice de 2 %, tel que prévu à l'alinéa quatre, sont augmentés en 2022, 2023 et 2024 chaque année au 1er septembre d'un indice de 1 %. ".
" Par dérogation à l'alinéa quatre, le montant de base, visé à l'article 13, et le montant pour l'enfant le plus jeune et le deuxième enfant le plus jeune, visé à l'article 210, § 2, alinéa deux, lorsque l'évolution est liée à l'augmentation annuelle d'un indice de 2 %, tel que prévu à l'alinéa quatre, sont augmentés en 2022, 2023 et 2024 chaque année au 1er septembre d'un indice de 1 %. ".
HOOFDSTUK 5. - Onderwijs en Vorming
CHAPITRE 5. - Enseignement et Formation
Afdeling 1. - Vervanging van de opdracht en subsidie met betrekking tot de pedagogische begeleiding van de CBE
Section 1. - Remplacement de la tâche et subvention concernant l'accompagnement pédagogique du CBE
Art. 47. In artikel 10 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009, 19 juni 2015 en 26 juni 2020, worden de woorden "het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs" vervangen door de woorden "de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie".
Art. 47. A l'article 10 du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, modifié par les décrets des 8 mai 2009, 19 juin 2015 et 26 juin 2020, les mots " Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs " sont remplacés par les mots " groupement représentatif des centres d'éducation de base ".
Art. 48. In artikel 24, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009, 19 juni 2015 en 26 juni 2020, worden de woorden "het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs" vervangen door de woorden "de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie".
Art. 48. A l'article 24, § 1, du même décret, modifié par les décrets des 30 avril 2009, 19 juin 2015 et 26 juin 2020, les mots " Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs " sont remplacés par les mots " groupement représentatif des centres d'éducation de base ".
Art. 49. In hoofdstuk VIII van titel III van hetzelfde decreet wordt het opschrift van afdeling I vervangen door wat volgt:
"Afdeling I. Ondersteuning van de centra voor basiseducatie".
"Afdeling I. Ondersteuning van de centra voor basiseducatie".
Art. 49. Au chapitre VIII du titre III du même décret, l'intitulé de la section Ire est remplacé par ce qui suit :
" Section Ire. Aide aux centres d'éducation de base ".
" Section Ire. Aide aux centres d'éducation de base ".
Art. 50. In artikel 43 van hetzelfde decreet worden de woorden "Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs" vervangen door de woorden "representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie".
Art. 50. A l'article 43 du même décret, les mots " Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes " sont remplacés par les mots " groupement représentatif des centres d'éducation de base ".
Art. 51. In artikel 44 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 26 juni 2020, worden de woorden "het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs" telkens vervangen door de woorden "de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie".
Art. 51. A l'article 44 du même décret, modifié par le décret du 26 juin 2020, les mots " Le Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes " sont à chaque fois remplacés par les mots " Le groupement représentatif des centres d'éducation de base ".
Art. 52. In artikel 45 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009, 19 juni 2015 en 26 juni 2020, worden de woorden "het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs" vervangen door de woorden "de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie".
Art. 52. A l'article 45 du même décret, modifié par les décrets des 30 avril 2009, 19 juin 2015 et 26 juin 2020, les mots " Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs " sont à chaque fois remplacés par les mots " Le groupement représentatif des centres d'éducation de base ".
Art. 53. In artikel 46 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "Het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs" worden vervangen door de woorden "De representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie";
2° in punt 1° worden de woorden "het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs opgericht wordt" vervangen door de woorden "deze opgericht is".
1° de woorden "Het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs" worden vervangen door de woorden "De representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie";
2° in punt 1° worden de woorden "het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs opgericht wordt" vervangen door de woorden "deze opgericht is".
Art. 53. A l'article 46 du même décret, modifié par le décret du 17 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes " sont remplacés par les mots " groupement représentatif des centres d'éducation de base " ;
2° au point 1° les mots " le Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes est établi " sont remplacés par " il est établi ".
1° les mots " Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes " sont remplacés par les mots " groupement représentatif des centres d'éducation de base " ;
2° au point 1° les mots " le Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes est établi " sont remplacés par " il est établi ".
Art. 54. In artikel 47 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 26 juni 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 3 en 4 worden de woorden "het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs" telkens vervangen door de woorden "de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie";
2° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "schooljaar 2020-2021" vervangen door de zinsnede "begrotingsjaar 2022";
3° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "vanaf het begrotingsjaar 2015" opgeheven;
4° paragraaf 6 tot en met 8 worden opgeheven.
1° in paragraaf 1, 3 en 4 worden de woorden "het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs" telkens vervangen door de woorden "de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie";
2° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "schooljaar 2020-2021" vervangen door de zinsnede "begrotingsjaar 2022";
3° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "vanaf het begrotingsjaar 2015" opgeheven;
4° paragraaf 6 tot en met 8 worden opgeheven.
Art. 54. A l'article 47 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 juin 2020, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux paragraphes 1, 3 et 4, les mots " Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes " sont à chaque fois remplacés par les mots " groupement représentatif des centres d'éducation de base " ;
2° au paragraphe 1, le membre de phrase " l'année scolaire 2020-2021 " est remplacé par le membre de phrase " l'année budgétaire 2022 " ;
3° au paragraphe 5, le membre de phrase " A partir de l'année budgétaire 2015 " est abrogé ;
4° les paragraphes 6 à 8 sont abrogés.
1° aux paragraphes 1, 3 et 4, les mots " Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes " sont à chaque fois remplacés par les mots " groupement représentatif des centres d'éducation de base " ;
2° au paragraphe 1, le membre de phrase " l'année scolaire 2020-2021 " est remplacé par le membre de phrase " l'année budgétaire 2022 " ;
3° au paragraphe 5, le membre de phrase " A partir de l'année budgétaire 2015 " est abrogé ;
4° les paragraphes 6 à 8 sont abrogés.
Art. 55. In artikel 48 van hetzelfde decreet worden de woorden "Het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs" vervangen door de woorden "De representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie".
Art. 55. A l'article 48 du même décret, les mots " Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes " sont remplacés par les mots " groupement représentatif des centres d'éducation de base ".
Art. 56. In artikel 72sexies van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009, 1 juli 2011, 19 december 2014, 19 juni 2015 en 26 juni 2020, worden de woorden "het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs" vervangen door de woorden "de representatieve groepering van de Centra voor Basiseducatie".
Art. 56. A l'article 72sexies du même décret, modifié par les décrets des 8 mai 2009, 1er juillet 2011, 19 décembre 2014, 19 juin 2015 et 26 juin 2020, les mots " Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs " sont remplacés par les mots " groupement représentatif des centres d'éducation de base ".
Art. 57. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2021, wordt een artikel 196undecies ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 196undecies. In afwijking van artikel 47, § 1, stelt de Vlaamse Regering aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs een subsidie ter beschikking van 54.667 euro voor de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 45, gedurende de maanden september 2021 tot en met december 2021.
In afwijking van artikel 47, § 3, wordt de subsidie, vermeld in het eerste lid, uitbetaald nadat het activiteitenverslag en financieel rapport voor de periode september 2021 tot en met december 2021 zijn overgemaakt aan de bevoegde administratie.".
"Art. 196undecies. In afwijking van artikel 47, § 1, stelt de Vlaamse Regering aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs een subsidie ter beschikking van 54.667 euro voor de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 45, gedurende de maanden september 2021 tot en met december 2021.
In afwijking van artikel 47, § 3, wordt de subsidie, vermeld in het eerste lid, uitbetaald nadat het activiteitenverslag en financieel rapport voor de periode september 2021 tot en met december 2021 zijn overgemaakt aan de bevoegde administratie.".
Art. 57. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 9 juillet 2021, est inséré un article 196undecies, énoncé comme suit :
" Art. 196undecies. Par dérogation à l'article 47, § 1, le Gouvernement flamand met à la disposition du Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes une subvention de 54 667 euros pour l'exécution des tâches visées à l'article 45 pendant les mois de septembre 2021 à décembre 2021.
Par dérogation à l'article 47, § 3, la subvention visée à l'alinéa premier est versée après la remise à l'administration compétente du rapport d'activité et du rapport financier pour la période de septembre 2021 à décembre 2021. ".
" Art. 196undecies. Par dérogation à l'article 47, § 1, le Gouvernement flamand met à la disposition du Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes une subvention de 54 667 euros pour l'exécution des tâches visées à l'article 45 pendant les mois de septembre 2021 à décembre 2021.
Par dérogation à l'article 47, § 3, la subvention visée à l'alinéa premier est versée après la remise à l'administration compétente du rapport d'activité et du rapport financier pour la période de septembre 2021 à décembre 2021. ".
Afdeling 2. - Toekenning jaarlijkse aanvullende vte/leraarsuren/punten/werkingsmiddelen ten behoeve van de asielproblematiek
Section 2. - Attribution de ETP/périodes-enseignant/points/moyens de fonctionnement complémentaires annuels au profit de la problématique en matière d'asile
Art. 58. Aan artikel 196sexies, § 1, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2015 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2020, wordt een zevende lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Ten laste van het begrotingsjaar 2022 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkings- middelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.".
"Ten laste van het begrotingsjaar 2022 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkings- middelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 132,96 aanvullende vte, 2.192,09 aanvullende punten en een bedrag van 1.627.652,82 euro aan werkings- middelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.".
Art. 58. A l'article 196sexies, § 1, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, inséré par le décret du 18 décembre 2015, et modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2020, est ajouté un alinéa sept énoncé comme suit :
" A charge de l'année budgétaire 2022, 32 955,75 périodes/enseignant complémentaires, 481,99 points complémentaires et un montant de 604 847,18 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation des adultes, et 132,96 ETP complémentaires, 2 192,09 points complémentaires et un montant de 1 627 652,82 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation de base. ".
" A charge de l'année budgétaire 2022, 32 955,75 périodes/enseignant complémentaires, 481,99 points complémentaires et un montant de 604 847,18 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation des adultes, et 132,96 ETP complémentaires, 2 192,09 points complémentaires et un montant de 1 627 652,82 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation de base. ".
Afdeling 3. - Kerntaken en financiering van de Pedagogische Begeleidingsdiensten
Section 3. - Missions de base et financement des services d'encadrement pédagogique
Art. 59. In artikel 2 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 14° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) punt a) wordt vervangen door wat volgt:
"a) Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten;";
b) punt c) wordt vervangen door wat volgt:
"c) Katholiek Onderwijs Vlaanderen;";
c) punt f) wordt vervangen door wat volgt:
"f) Federatie Steinerscholen;";
d) punt g) wordt vervangen door wat volgt:
"g) Raad van Inrichtende Machten van het Protestants-Christelijk Onderwijs (IPCO);";
2° aan punt 16° worden de woorden "ingebed in een duurzame instellingsnabije relatie" toegevoegd.
1° in punt 14° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) punt a) wordt vervangen door wat volgt:
"a) Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten;";
b) punt c) wordt vervangen door wat volgt:
"c) Katholiek Onderwijs Vlaanderen;";
c) punt f) wordt vervangen door wat volgt:
"f) Federatie Steinerscholen;";
d) punt g) wordt vervangen door wat volgt:
"g) Raad van Inrichtende Machten van het Protestants-Christelijk Onderwijs (IPCO);";
2° aan punt 16° worden de woorden "ingebed in een duurzame instellingsnabije relatie" toegevoegd.
Art. 59. A l'article 2 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 14°, les modifications suivantes sont apportées :
a) le point a) est remplacé par ce qui suit :
" a) Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten (association d'enseignement des villes et communes) ; " ;
b) le point c) est remplacé par ce qui suit :
" c) Katholiek Onderwijs Vlaanderen (enseignement catholique flamand) ; " ;
c) le point f) est remplacé par ce qui suit :
" f) Fédération Steinerscholen (Fédération des écoles Steiner) ; " ;
d) le point g) est remplacé par ce qui suit :
" g) Raad van Inrichtende Machten van het Protestants-Christelijk onderwijs (IPCO) (Conseil des pouvoirs organisateurs des écoles chrétiennes à vocation protestante) " ; ".
2° au point 16° sont ajoutés les mots " intégré dans une relation durable proche de l'établissement ".
1° au point 14°, les modifications suivantes sont apportées :
a) le point a) est remplacé par ce qui suit :
" a) Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten (association d'enseignement des villes et communes) ; " ;
b) le point c) est remplacé par ce qui suit :
" c) Katholiek Onderwijs Vlaanderen (enseignement catholique flamand) ; " ;
c) le point f) est remplacé par ce qui suit :
" f) Fédération Steinerscholen (Fédération des écoles Steiner) ; " ;
d) le point g) est remplacé par ce qui suit :
" g) Raad van Inrichtende Machten van het Protestants-Christelijk onderwijs (IPCO) (Conseil des pouvoirs organisateurs des écoles chrétiennes à vocation protestante) " ; ".
2° au point 16° sont ajoutés les mots " intégré dans une relation durable proche de l'établissement ".
Art. 60. In deel II van hetzelfde decreet wordt in het opschrift van titel III het woord "ondersteuning" vervangen door het woord "begeleiding".
Art. 60. Dans la partie II du même décret, dans l'intitulé du titre III le mot " soutien " est remplacé par le mot " encadrement ".
Art. 61. In artikel 14, § 3, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede ", met uitzondering van artikel 15, § 1, 1°, " telkens opgeheven.
Art. 61. A l'article 14, § 3, du même décret, le membre de phrase " , à l'exception de l'article 15, § 1er, 1°. " est abrogé à chaque fois.
Art. 62. Artikel 15 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014 en 5 april 2019, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 15. § 1. De pedagogische begeleidingsdiensten begeleiden de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie en hun personeelsleden in het verstrekken van kwaliteitsonderwijs en kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding, zoals bepaald in artikel 4, § 2.
Dit houdt in dat de pedagogische begeleidingsdiensten de volgende doelstellingen realiseren met de begeleiding die ze opzetten, waarbij ze vertrekken vanuit het pedagogisch, artistiek-pedagogisch of agogisch project van de onderwijsinstelling in kwestie of van de eigen missie en het eigen begeleidingsproject van het CLB in kwestie en ze steeds rekening houden met de noden en de vragen van de onder- wijsinstelling of het CLB in kwestie:
1° het versterken van de beroepsbekwaamheid van de personeelsleden van onderwijsinstellingen en de CLB's in kwestie, in rechtstreeks contact, met aandacht voor het versterken van hun pedagogische en didactische handelen en met het oog op de ontwikkeling van alle lerenden;
2° het versterken van de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie als professionele lerende organisatie. De pedagogische begeleidingsdiensten geven hierbij voorrang aan de onderwijsinstellingen of CLB's waar zich de grootste noden op deze vlakken situeren. Om deze onderwijsinstellingen of CLB's te identificeren kunnen de pedagogische begeleidingsdiensten gebruikmaken van verschillende bronnen zoals de gegevens van de pedagogische begeleidingsdienst zelf, de gegevens van de onderwijsinstelling of het CLB in kwestie, de gegevens uit doorlichtingstrajecten uitgevoerd door de onderwijsinspectie van de onderwijsinstelling of het CLB in kwestie, de gegevens die aan de basis liggen van het profiel van de onderwijsinstelling of het CLB zoals bepaald in artikel 38, § 4, of andere resultaten of gegevens die wijzen op een lage kwaliteit van onderwijs of leerlingenbegeleiding;
3° het ondersteunen van de onderwijsinstellingen in kwestie bij de realisatie van hun eigen pedagogisch, artistiek-pedagogisch of agogisch project en het ondersteunen van de CLB's in kwestie bij de realisatie van hun eigen missie en hun eigen begeleidingsproject;
4° het begeleiden van de implementatie van bepaalde beleidsprioriteiten van de Vlaamse Regering bij de onderwijsinstellingen en de CLB's in kwestie, zoals bepaald in artikel 19/2.
De nadruk van de begeleiding van de pedagogische begeleidingsdiensten ligt steeds op de ontwikkeling van onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie. Hiervoor is een duurzame relatie met de betrokken instellingen noodzakelijk.
§ 2. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt vijfjaarlijks een begeleidingsplan op voor de volgende vijf schooljaren. Zij dient dit uiterlijk in bij de bevoegde dienst op 1 april voorafgaand aan de start van het eerste schooljaar van de periode van in totaal vijf schooljaren waarop het begeleidingsplan betrekking heeft. In afwijking hiervan dient iedere pedagogische begeleidingsdienst uiterlijk op 30 september 2022 een begeleidingsplan in bij de bevoegde dienst voor een periode van drie schooljaren die betrekking heeft op de schooljaren 2022-2023, 2023-2024 en 2024-2025.
De Vlaamse Regering keurt de begeleidingsplannen goed op basis van de volgende criteria:
1° de uitwerking en de volledigheid van het begeleidingsplan. Daarvoor bevat elk begeleidingsplan een beschrijving van ten minste de volgende elementen en een globale motivering bij de gemaakte keuzes:
a) een visie op begeleiding en een duurzame vertaling van deze visie in de begeleidingspraktijk;
b) een vertaling van de doelstellingen, vermeld in artikel 15, § 1, 1° tot en met 4°, naar operationele doelstellingen, inclusief het vooropgestelde tijdspad en de geraamde inzet van personeel en werkingsmiddelen;
c) de beoogde doelgroepen;
d) de wijze waarop de instellingen met de grootste noden, vermeld in artikel 15, § 1, 2°, van het decreet, worden geïdentificeerd en begeleid;
e) de wijze waarop rechtstreekse contacten met de beoogde doelgroepen gerealiseerd worden met het oog op de realisatie van een duurzame instellingsnabije relatie als vermeld in paragraaf 1, laatste lid;
f) het verwachte bereik van de begeleidingsactiviteiten en de wijze waarop de effectiviteit van deze activiteiten in kaart zal worden gebracht;
2° de ontwikkeling van de pedagogische begeleidingsdienst als organisatie. Daarvoor bevat elk begeleidingsplan een beschrijving van ten minste de volgende elementen en een globale motivering bij de gemaakte keuzes:
a) het personeels- en professionaliseringsbeleid;
b) het interne kwaliteitszorgbeleid;
c) de wijze waarop doelgerichte samenwerking met de andere pedagogische begeleidingsdiensten of permanente ondersteuningscellen wordt gekozen;
d) de wijze waarop doelgerichte samenwerking met andere actoren betrokken bij de kwaliteit van onderwijs en leerlingenbegeleiding wordt gekozen;
e) de wijze waarop de wetenschappelijke onderbouwing van de begeleiding vorm krijgt;
f) de wijze waarop wordt omgegaan met onverwachte of nieuwe vragen en uitdagingen.
De Vlaamse Regering bepaalt een sjabloon waarin de begeleidingsplannen worden opgesteld en de verdere procedure voor de goedkeuring van de begeleidingsplannen. De pedagogische begeleidingsdiensten delen de goedgekeurde begeleidingsplannen mee aan de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie.
Jaarlijks rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten aan de Vlaamse Regering over de activiteiten van het vorige schooljaar. Na de periode van vijf schooljaren waarop het begeleidingsplan betrekking heeft, rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten in hun jaarlijkse rapport over de activiteiten van de ganse periode van vijf schooljaren. De stukken ter verantwoording van de ingezette middelen worden op de zetel van de pedagogische begeleidingsdiensten bewaard, waar ze voor controle ter beschikking zijn van de bevoegde diensten.
De Vlaamse Regering bepaalt welke elementen minimaal in de jaarlijkse rapporten worden opgenomen en bepaalt de procedure voor goedkeuring van de jaarlijkse rapporten.
§ 3. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt een werkingscode op en maakt die bekend bij de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie en hun personeelsleden.
§ 4. Elke pedagogische begeleidingsdienst onderzoekt en bewaakt op systematische wijze de kwaliteit van de geboden begeleiding. De pedagogische begeleidingsdienst kiest zelf de wijze waarop zij dit doet, waarbij ze er rekening mee houdt dat een kwaliteitsvolle begeleiding minimaal inhoudt dat de pedagogische begeleidingsdiensten:
1° zowel inhoudelijk als agogisch werken op een wetenschappelijk onderbouwde wijze en functioneren als professionele organisaties;
2° deelnemen aan overleg met de Vlaamse overheid en andere actoren over de kwaliteit van onderwijs en leerlingenbegeleiding;
3° doelgericht samenwerken, zowel onderling als met andere relevante actoren zoals de lerarenopleidingen, de instellingen hoger onderwijs en de onderwijsinspectie. Doelgericht betekent met het oog op het versterken van de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van de begeleiding en kan voor de pedagogische begeleidingsdienst betekenen dat zij een makelaarsrol opneemt. In dit artikel wordt verstaan onder makelaarsrol, de rol die de pedagogische begeleidingsdiensten hebben om de onderwijsinstellingen of de CLB's in kwestie gericht te adviseren over het aanbod van een andere organisatie die expertise kan binnenbrengen die niet bij de pedagogische begeleidingsdiensten zelf aanwezig is. In dat geval voeren de pedagogische begeleidingsdiensten de begeleiding niet zelf uit, maar blijven ze wel de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie verder opvolgen.".
"Art. 15. § 1. De pedagogische begeleidingsdiensten begeleiden de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie en hun personeelsleden in het verstrekken van kwaliteitsonderwijs en kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding, zoals bepaald in artikel 4, § 2.
Dit houdt in dat de pedagogische begeleidingsdiensten de volgende doelstellingen realiseren met de begeleiding die ze opzetten, waarbij ze vertrekken vanuit het pedagogisch, artistiek-pedagogisch of agogisch project van de onderwijsinstelling in kwestie of van de eigen missie en het eigen begeleidingsproject van het CLB in kwestie en ze steeds rekening houden met de noden en de vragen van de onder- wijsinstelling of het CLB in kwestie:
1° het versterken van de beroepsbekwaamheid van de personeelsleden van onderwijsinstellingen en de CLB's in kwestie, in rechtstreeks contact, met aandacht voor het versterken van hun pedagogische en didactische handelen en met het oog op de ontwikkeling van alle lerenden;
2° het versterken van de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie als professionele lerende organisatie. De pedagogische begeleidingsdiensten geven hierbij voorrang aan de onderwijsinstellingen of CLB's waar zich de grootste noden op deze vlakken situeren. Om deze onderwijsinstellingen of CLB's te identificeren kunnen de pedagogische begeleidingsdiensten gebruikmaken van verschillende bronnen zoals de gegevens van de pedagogische begeleidingsdienst zelf, de gegevens van de onderwijsinstelling of het CLB in kwestie, de gegevens uit doorlichtingstrajecten uitgevoerd door de onderwijsinspectie van de onderwijsinstelling of het CLB in kwestie, de gegevens die aan de basis liggen van het profiel van de onderwijsinstelling of het CLB zoals bepaald in artikel 38, § 4, of andere resultaten of gegevens die wijzen op een lage kwaliteit van onderwijs of leerlingenbegeleiding;
3° het ondersteunen van de onderwijsinstellingen in kwestie bij de realisatie van hun eigen pedagogisch, artistiek-pedagogisch of agogisch project en het ondersteunen van de CLB's in kwestie bij de realisatie van hun eigen missie en hun eigen begeleidingsproject;
4° het begeleiden van de implementatie van bepaalde beleidsprioriteiten van de Vlaamse Regering bij de onderwijsinstellingen en de CLB's in kwestie, zoals bepaald in artikel 19/2.
De nadruk van de begeleiding van de pedagogische begeleidingsdiensten ligt steeds op de ontwikkeling van onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie. Hiervoor is een duurzame relatie met de betrokken instellingen noodzakelijk.
§ 2. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt vijfjaarlijks een begeleidingsplan op voor de volgende vijf schooljaren. Zij dient dit uiterlijk in bij de bevoegde dienst op 1 april voorafgaand aan de start van het eerste schooljaar van de periode van in totaal vijf schooljaren waarop het begeleidingsplan betrekking heeft. In afwijking hiervan dient iedere pedagogische begeleidingsdienst uiterlijk op 30 september 2022 een begeleidingsplan in bij de bevoegde dienst voor een periode van drie schooljaren die betrekking heeft op de schooljaren 2022-2023, 2023-2024 en 2024-2025.
De Vlaamse Regering keurt de begeleidingsplannen goed op basis van de volgende criteria:
1° de uitwerking en de volledigheid van het begeleidingsplan. Daarvoor bevat elk begeleidingsplan een beschrijving van ten minste de volgende elementen en een globale motivering bij de gemaakte keuzes:
a) een visie op begeleiding en een duurzame vertaling van deze visie in de begeleidingspraktijk;
b) een vertaling van de doelstellingen, vermeld in artikel 15, § 1, 1° tot en met 4°, naar operationele doelstellingen, inclusief het vooropgestelde tijdspad en de geraamde inzet van personeel en werkingsmiddelen;
c) de beoogde doelgroepen;
d) de wijze waarop de instellingen met de grootste noden, vermeld in artikel 15, § 1, 2°, van het decreet, worden geïdentificeerd en begeleid;
e) de wijze waarop rechtstreekse contacten met de beoogde doelgroepen gerealiseerd worden met het oog op de realisatie van een duurzame instellingsnabije relatie als vermeld in paragraaf 1, laatste lid;
f) het verwachte bereik van de begeleidingsactiviteiten en de wijze waarop de effectiviteit van deze activiteiten in kaart zal worden gebracht;
2° de ontwikkeling van de pedagogische begeleidingsdienst als organisatie. Daarvoor bevat elk begeleidingsplan een beschrijving van ten minste de volgende elementen en een globale motivering bij de gemaakte keuzes:
a) het personeels- en professionaliseringsbeleid;
b) het interne kwaliteitszorgbeleid;
c) de wijze waarop doelgerichte samenwerking met de andere pedagogische begeleidingsdiensten of permanente ondersteuningscellen wordt gekozen;
d) de wijze waarop doelgerichte samenwerking met andere actoren betrokken bij de kwaliteit van onderwijs en leerlingenbegeleiding wordt gekozen;
e) de wijze waarop de wetenschappelijke onderbouwing van de begeleiding vorm krijgt;
f) de wijze waarop wordt omgegaan met onverwachte of nieuwe vragen en uitdagingen.
De Vlaamse Regering bepaalt een sjabloon waarin de begeleidingsplannen worden opgesteld en de verdere procedure voor de goedkeuring van de begeleidingsplannen. De pedagogische begeleidingsdiensten delen de goedgekeurde begeleidingsplannen mee aan de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie.
Jaarlijks rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten aan de Vlaamse Regering over de activiteiten van het vorige schooljaar. Na de periode van vijf schooljaren waarop het begeleidingsplan betrekking heeft, rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten in hun jaarlijkse rapport over de activiteiten van de ganse periode van vijf schooljaren. De stukken ter verantwoording van de ingezette middelen worden op de zetel van de pedagogische begeleidingsdiensten bewaard, waar ze voor controle ter beschikking zijn van de bevoegde diensten.
De Vlaamse Regering bepaalt welke elementen minimaal in de jaarlijkse rapporten worden opgenomen en bepaalt de procedure voor goedkeuring van de jaarlijkse rapporten.
§ 3. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt een werkingscode op en maakt die bekend bij de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie en hun personeelsleden.
§ 4. Elke pedagogische begeleidingsdienst onderzoekt en bewaakt op systematische wijze de kwaliteit van de geboden begeleiding. De pedagogische begeleidingsdienst kiest zelf de wijze waarop zij dit doet, waarbij ze er rekening mee houdt dat een kwaliteitsvolle begeleiding minimaal inhoudt dat de pedagogische begeleidingsdiensten:
1° zowel inhoudelijk als agogisch werken op een wetenschappelijk onderbouwde wijze en functioneren als professionele organisaties;
2° deelnemen aan overleg met de Vlaamse overheid en andere actoren over de kwaliteit van onderwijs en leerlingenbegeleiding;
3° doelgericht samenwerken, zowel onderling als met andere relevante actoren zoals de lerarenopleidingen, de instellingen hoger onderwijs en de onderwijsinspectie. Doelgericht betekent met het oog op het versterken van de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van de begeleiding en kan voor de pedagogische begeleidingsdienst betekenen dat zij een makelaarsrol opneemt. In dit artikel wordt verstaan onder makelaarsrol, de rol die de pedagogische begeleidingsdiensten hebben om de onderwijsinstellingen of de CLB's in kwestie gericht te adviseren over het aanbod van een andere organisatie die expertise kan binnenbrengen die niet bij de pedagogische begeleidingsdiensten zelf aanwezig is. In dat geval voeren de pedagogische begeleidingsdiensten de begeleiding niet zelf uit, maar blijven ze wel de onderwijsinstellingen en CLB's in kwestie verder opvolgen.".
Art. 62. L'article 15, du même décret, modifié par les décrets des 25 avril 2014 et 5 avril 2019, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 15. § 1. Les services d'encadrement pédagogique accompagnent les établissements d'enseignement et les CLB en question ainsi que leurs membres du personnel dans la fourniture d'un enseignement de qualité et d'un encadrement des élèves de qualité, visés à l'article 4, § 2.
Cela implique que les services d'encadrement pédagogique réalisent les objectifs suivants à travers l'accompagnement qu'ils mettent en place, en partant du projet pédagogique, artistico-pédagogique ou agogique de l'établissement d'enseignement en question ou de la mission et du projet d'accompagnement du CLB en question et en tenant toujours compte des besoins et des questions de l'établissement d'enseignement ou du CLB en question :
1° renforcer la compétence professionnelle des membres du personnel des établissements d'enseignement et des CLB en question, en contact direct, en veillant au renforcement de leur approche pédagogique et didactique et en vue du développement de tous les apprenants ;
2° renforcer les établissements d'enseignement et les CLB en question en tant qu'organisation apprenante professionnelle. Les services d'encadrement pédagogique donnent à cet égard la priorité aux établissements d'enseignement ou aux CLB éprouvant les plus grands besoins dans ces domaines. Afin d'identifier ces établissements d'enseignement ou ces CLB, les services d'encadrement pédagogique peuvent utiliser différentes sources telles que les données du service d'encadrement pédagogique lui-même, les données de l'établissement d'enseignement ou du CLB en question, les données des audits réalisés par l'inspection de l'enseignement de l'établissement d'enseignement ou du CLB en question, les données qui constituent la base du profil de l'établissement d'enseignement ou du CLB visé à l'article 38 § 4 ou d'autres résultats ou données qui indiquent un faible niveau de qualité de l'enseignement ou de l'accompagnement des élèves ;
3° soutenir les établissements d'enseignement en question dans la réalisation de leur propre projet pédagogique, artistico-pédagogique ou agogique et soutenir les CLB en question dans la réalisation de leur propre mission et leur propre projet d'accompagnement ;
4° encadrer la mise en oeuvre de certaines priorités politiques du Gouvernement flamand dans les établissements d'enseignement et les CLB en question, conformément à l'article 19/2.
Les services d'encadrement pédagogique sont toujours axés sur le développement des établissements d'enseignement et des CLB en question. Une relation durable avec les établissements concernés est à cet égard nécessaire.
§ 2. Chaque service d'encadrement pédagogique établit tous les cinq ans un plan d'accompagnement pour les cinq prochaines années scolaires. Ce plan doit être soumis au service compétent au plus tard le 1er avril précédant le début de la première année scolaire de la période totale de cinq années scolaires couverte par le plan d'accompagnement. Par dérogation à ce qui précède, chaque service d'encadrement pédagogique soumet au service compétent, au plus tard le 30 septembre 2022, un plan d'accompagnement pour une période de trois années scolaires couvrant les années scolaires 2022-2023, 2023-2024 et 2024-2025.
Le Gouvernement flamand approuve le plan d'accompagnement sur la base des critères suivants :
1° l'élaboration et l'exhaustivité du plan d'accompagnement. A cette fin, chaque plan d'accompagnement contient une description d'au moins les éléments suivants et une justification globale des choix effectués :
a) une vision de l'accompagnement et une traduction durable de cette vision dans la pratique d'accompagnement ;
b) une traduction des objectifs visés à l'article 15, § 1, 1° à 4° en objectifs opérationnels, y compris le calendrier proposé et le déploiement estimé du personnel et des moyens de fonctionnement ;
c) les groupes cibles visés ;
d) la manière dont les établissements éprouvant les besoins les plus importants, visés à l'article 15, § 1, 2° du décret, sont identifiés et accompagnés ;
e) la manière dont les contacts directs avec les groupes cibles visés sont réalisés en vue d'instaurer une relation durable proche de l'institution, visée au § 1, dernier alinéa ;
f) la portée prévue des activités d'accompagnement et la manière dont l'efficacité de ces activités sera mesurée ;
2° le développement du service d'encadrement pédagogique en tant qu'organisation. A cette fin, chaque plan d'accompagnement contient une description d'au moins les éléments suivants et une justification globale des choix effectués :
a) la politique du personnel et de professionnalisation ;
b) la politique interne d'assurance de la qualité ;
c) la méthode de sélection de la coopération ciblée avec les autres services d'encadrement pédagogique ou cellules permanentes d'appui ;
d) la méthode de sélection de la coopération ciblée avec d'autres acteurs impliqués dans la qualité de l'enseignement et l'accompagnement des élèves ;
e) la manière dont le fondement scientifique de l'accompagnement est façonné ;
f) la manière de répondre à des questions et des défis inattendus ou nouveaux ;
Le Gouvernement flamand détermine un modèle dans lequel les plans d'accompagnement sont établis et la suite de la procédure d'approbation des plans d'accompagnement. Les services d'encadrement pédagogique communiquent les plans d'accompagnement approuvés aux établissements d'enseignement et aux CLB en question.
Chaque année, les services d'encadrement pédagogique remettent un rapport au Gouvernement flamand sur les activités de l'année scolaire précédente. Après la période de cinq années scolaires couverte par le plan d'accompagnement, les services d'encadrement pédagogique rendent compte dans leur rapport annuel des activités de l'ensemble de cette période. Les pièces justificatives des moyens engagés doivent être conservées au siège des services d'encadrement pédagogique, où elles sont mises à la disposition des services compétents à des fins de contrôle.
Le Gouvernement flamand détermine les éléments qui doivent être au minimum inclus dans les rapports annuels et établit la procédure d'approbation des rapports annuels.
§ 3. Chaque service d'encadrement pédagogique établit un code de fonctionnement et le communique aux établissements et aux CLB ainsi qu'à leurs membres du personnel.
§ 4. Chaque service d'encadrement pédagogique examine et contrôle systématiquement la qualité de l'accompagnement offert. Le service d'encadrement pédagogique choisit la manière dont il procède, en tenant compte du fait qu'un accompagnement de qualité implique au moins que les services d'encadrement pédagogique :
1° travaillent tant sur le plan du contenu qu'au niveau agogique de manière scientifique et fonctionnent comme des organisations professionnelles ;
2° participent aux réunions de concertation avec l'Autorité flamande et d'autres acteurs sur la qualité de l'enseignement et de l'accompagnement des élèves ;
3° coopèrent de manière ciblée, tant entre eux qu'avec d'autres acteurs pertinents, tels que les instituts de formation des enseignants, les établissements d'enseignement supérieur et l'inspection de l'enseignement. De manière ciblée signifie en vue de renforcer la préparation, la mise en oeuvre et l'évaluation de l'accompagnement et peut signifier pour le service d'encadrement pédagogique d'assumer un rôle de facilitateur. Dans cet article, on entend par rôle de facilitateur le rôle que les services d'encadrement pédagogique jouent en conseillant de manière ciblée les établissements d'enseignement ou les CLB en question sur l'offre d'une autre organisation en mesure d'apporter une expertise qui n'est pas présente dans les services d'encadrement pédagogique eux-mêmes. Dans ce cas, les services d'encadrement pédagogique n'effectuent pas eux-mêmes l'accompagnement, mais ils continuent à suivre les établissements d'enseignement et les CLB en question. ".
" Art. 15. § 1. Les services d'encadrement pédagogique accompagnent les établissements d'enseignement et les CLB en question ainsi que leurs membres du personnel dans la fourniture d'un enseignement de qualité et d'un encadrement des élèves de qualité, visés à l'article 4, § 2.
Cela implique que les services d'encadrement pédagogique réalisent les objectifs suivants à travers l'accompagnement qu'ils mettent en place, en partant du projet pédagogique, artistico-pédagogique ou agogique de l'établissement d'enseignement en question ou de la mission et du projet d'accompagnement du CLB en question et en tenant toujours compte des besoins et des questions de l'établissement d'enseignement ou du CLB en question :
1° renforcer la compétence professionnelle des membres du personnel des établissements d'enseignement et des CLB en question, en contact direct, en veillant au renforcement de leur approche pédagogique et didactique et en vue du développement de tous les apprenants ;
2° renforcer les établissements d'enseignement et les CLB en question en tant qu'organisation apprenante professionnelle. Les services d'encadrement pédagogique donnent à cet égard la priorité aux établissements d'enseignement ou aux CLB éprouvant les plus grands besoins dans ces domaines. Afin d'identifier ces établissements d'enseignement ou ces CLB, les services d'encadrement pédagogique peuvent utiliser différentes sources telles que les données du service d'encadrement pédagogique lui-même, les données de l'établissement d'enseignement ou du CLB en question, les données des audits réalisés par l'inspection de l'enseignement de l'établissement d'enseignement ou du CLB en question, les données qui constituent la base du profil de l'établissement d'enseignement ou du CLB visé à l'article 38 § 4 ou d'autres résultats ou données qui indiquent un faible niveau de qualité de l'enseignement ou de l'accompagnement des élèves ;
3° soutenir les établissements d'enseignement en question dans la réalisation de leur propre projet pédagogique, artistico-pédagogique ou agogique et soutenir les CLB en question dans la réalisation de leur propre mission et leur propre projet d'accompagnement ;
4° encadrer la mise en oeuvre de certaines priorités politiques du Gouvernement flamand dans les établissements d'enseignement et les CLB en question, conformément à l'article 19/2.
Les services d'encadrement pédagogique sont toujours axés sur le développement des établissements d'enseignement et des CLB en question. Une relation durable avec les établissements concernés est à cet égard nécessaire.
§ 2. Chaque service d'encadrement pédagogique établit tous les cinq ans un plan d'accompagnement pour les cinq prochaines années scolaires. Ce plan doit être soumis au service compétent au plus tard le 1er avril précédant le début de la première année scolaire de la période totale de cinq années scolaires couverte par le plan d'accompagnement. Par dérogation à ce qui précède, chaque service d'encadrement pédagogique soumet au service compétent, au plus tard le 30 septembre 2022, un plan d'accompagnement pour une période de trois années scolaires couvrant les années scolaires 2022-2023, 2023-2024 et 2024-2025.
Le Gouvernement flamand approuve le plan d'accompagnement sur la base des critères suivants :
1° l'élaboration et l'exhaustivité du plan d'accompagnement. A cette fin, chaque plan d'accompagnement contient une description d'au moins les éléments suivants et une justification globale des choix effectués :
a) une vision de l'accompagnement et une traduction durable de cette vision dans la pratique d'accompagnement ;
b) une traduction des objectifs visés à l'article 15, § 1, 1° à 4° en objectifs opérationnels, y compris le calendrier proposé et le déploiement estimé du personnel et des moyens de fonctionnement ;
c) les groupes cibles visés ;
d) la manière dont les établissements éprouvant les besoins les plus importants, visés à l'article 15, § 1, 2° du décret, sont identifiés et accompagnés ;
e) la manière dont les contacts directs avec les groupes cibles visés sont réalisés en vue d'instaurer une relation durable proche de l'institution, visée au § 1, dernier alinéa ;
f) la portée prévue des activités d'accompagnement et la manière dont l'efficacité de ces activités sera mesurée ;
2° le développement du service d'encadrement pédagogique en tant qu'organisation. A cette fin, chaque plan d'accompagnement contient une description d'au moins les éléments suivants et une justification globale des choix effectués :
a) la politique du personnel et de professionnalisation ;
b) la politique interne d'assurance de la qualité ;
c) la méthode de sélection de la coopération ciblée avec les autres services d'encadrement pédagogique ou cellules permanentes d'appui ;
d) la méthode de sélection de la coopération ciblée avec d'autres acteurs impliqués dans la qualité de l'enseignement et l'accompagnement des élèves ;
e) la manière dont le fondement scientifique de l'accompagnement est façonné ;
f) la manière de répondre à des questions et des défis inattendus ou nouveaux ;
Le Gouvernement flamand détermine un modèle dans lequel les plans d'accompagnement sont établis et la suite de la procédure d'approbation des plans d'accompagnement. Les services d'encadrement pédagogique communiquent les plans d'accompagnement approuvés aux établissements d'enseignement et aux CLB en question.
Chaque année, les services d'encadrement pédagogique remettent un rapport au Gouvernement flamand sur les activités de l'année scolaire précédente. Après la période de cinq années scolaires couverte par le plan d'accompagnement, les services d'encadrement pédagogique rendent compte dans leur rapport annuel des activités de l'ensemble de cette période. Les pièces justificatives des moyens engagés doivent être conservées au siège des services d'encadrement pédagogique, où elles sont mises à la disposition des services compétents à des fins de contrôle.
Le Gouvernement flamand détermine les éléments qui doivent être au minimum inclus dans les rapports annuels et établit la procédure d'approbation des rapports annuels.
§ 3. Chaque service d'encadrement pédagogique établit un code de fonctionnement et le communique aux établissements et aux CLB ainsi qu'à leurs membres du personnel.
§ 4. Chaque service d'encadrement pédagogique examine et contrôle systématiquement la qualité de l'accompagnement offert. Le service d'encadrement pédagogique choisit la manière dont il procède, en tenant compte du fait qu'un accompagnement de qualité implique au moins que les services d'encadrement pédagogique :
1° travaillent tant sur le plan du contenu qu'au niveau agogique de manière scientifique et fonctionnent comme des organisations professionnelles ;
2° participent aux réunions de concertation avec l'Autorité flamande et d'autres acteurs sur la qualité de l'enseignement et de l'accompagnement des élèves ;
3° coopèrent de manière ciblée, tant entre eux qu'avec d'autres acteurs pertinents, tels que les instituts de formation des enseignants, les établissements d'enseignement supérieur et l'inspection de l'enseignement. De manière ciblée signifie en vue de renforcer la préparation, la mise en oeuvre et l'évaluation de l'accompagnement et peut signifier pour le service d'encadrement pédagogique d'assumer un rôle de facilitateur. Dans cet article, on entend par rôle de facilitateur le rôle que les services d'encadrement pédagogique jouent en conseillant de manière ciblée les établissements d'enseignement ou les CLB en question sur l'offre d'une autre organisation en mesure d'apporter une expertise qui n'est pas présente dans les services d'encadrement pédagogique eux-mêmes. Dans ce cas, les services d'encadrement pédagogique n'effectuent pas eux-mêmes l'accompagnement, mais ils continuent à suivre les établissements d'enseignement et les CLB en question. ".
Art. 63. In artikel 17 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aan- gebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Dat verlof wegens bijzondere opdracht kan voor schooljaar 2021-2022 worden uitgeoefend in 150,5 voltijdse betrekkingen. Voor schooljaar 2022-2023 kan het verlof wegens bijzondere opdracht worden uitgeoefend in 106 voltijdse betrekkingen. Vanaf schooljaar 2023-2024 kunnen er 53,5 voltijdse betrekkingen verlof wegens bijzondere opdracht worden uitgeoefend.";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. De pedagogische begeleidingsdiensten die niet beschikken over een personeelsformatie hebben samen elk schooljaar recht op 1,5 voltijdse betrekkingen verlof wegens bijzondere opdracht. De overige betrekkingen worden verdeeld over de pedagogische begeleidingsdiensten met personeelsformatie naar rato van het aandeel in de organieke betrekkingen in de onderwijsinstellingen die verbonden zijn aan die pedagogische begeleidingsdiensten.".
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"Dat verlof wegens bijzondere opdracht kan voor schooljaar 2021-2022 worden uitgeoefend in 150,5 voltijdse betrekkingen. Voor schooljaar 2022-2023 kan het verlof wegens bijzondere opdracht worden uitgeoefend in 106 voltijdse betrekkingen. Vanaf schooljaar 2023-2024 kunnen er 53,5 voltijdse betrekkingen verlof wegens bijzondere opdracht worden uitgeoefend.";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. De pedagogische begeleidingsdiensten die niet beschikken over een personeelsformatie hebben samen elk schooljaar recht op 1,5 voltijdse betrekkingen verlof wegens bijzondere opdracht. De overige betrekkingen worden verdeeld over de pedagogische begeleidingsdiensten met personeelsformatie naar rato van het aandeel in de organieke betrekkingen in de onderwijsinstellingen die verbonden zijn aan die pedagogische begeleidingsdiensten.".
Art. 63. A l'article 17 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1, l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" Ce congé pour mission spéciale peut être exercé pour l'année scolaire 2021-2022 en 150,5 emplois à temps plein. Pour l'année scolaire 2022-2023 ce congé pour mission spéciale peut être exercé en 106 emplois à temps plein. A partir de l'année scolaire 2023-2024, 53,5 emplois à temps plein peuvent être exercés en congé pour mission spéciale. " ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Les services d'encadrement pédagogique qui ne disposent pas d'un cadre organique ont collectivement droit à 1,5 emploi à temps plein en congé pour mission spéciale par année scolaire. Les emplois restants sont répartis sur les services d'encadrement pédagogique disposant d'un cadre organique au prorata de la partie des emplois organiques dans les établissements d'enseignement rattachés à ces services d'encadrement pédagogique. ".
1° au paragraphe 1, l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" Ce congé pour mission spéciale peut être exercé pour l'année scolaire 2021-2022 en 150,5 emplois à temps plein. Pour l'année scolaire 2022-2023 ce congé pour mission spéciale peut être exercé en 106 emplois à temps plein. A partir de l'année scolaire 2023-2024, 53,5 emplois à temps plein peuvent être exercés en congé pour mission spéciale. " ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Les services d'encadrement pédagogique qui ne disposent pas d'un cadre organique ont collectivement droit à 1,5 emploi à temps plein en congé pour mission spéciale par année scolaire. Les emplois restants sont répartis sur les services d'encadrement pédagogique disposant d'un cadre organique au prorata de la partie des emplois organiques dans les établissements d'enseignement rattachés à ces services d'encadrement pédagogique. ".
Art. 64. In hetzelfde decreet wordt een artikel 19/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 19/2. Voor het begeleiden van de implementatie van bepaalde beleidsprioriteiten van de Vlaamse Regering, zoals bepaald in artikel 15, § 1, eerste lid, 4°, ontvangen de pedagogische begeleidingsdiensten:
1° in het begrotingsjaar 2022 5.000.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen;
2° in het begrotingsjaar 2023 6.500.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen;
3° vanaf het begrotingsjaar 2024 8.000.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen.
De aanvullende werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, worden verdeeld over alle pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in de onderwijsinstellingen verbonden aan de pedagogische begeleidingsdienst. De Vlaamse Regering bepaalt de beleidsprioriteiten waarvoor de middelen aangewend worden en de verdeling van de middelen over deze beleids prioriteiten.
De aanvullende werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, kunnen aangewend worden voor salarissen en werkingskosten. De uitgaven voor de salarissen bedragen minimaal 80 procent van de jaarlijkse middelen. De aanvullende werkingsmiddelen worden vanaf begrotingsjaar 2025 geïndexeerd. 80% van het bedrag volgt de evolutie van de gezondheidsindex en 20% van het bedrag volgt 75% van de gezondheidsindex.
De indexering is gebaseerd op de toename van de gezondheidsindex in de maand januari van het begrotingsjaar x-1 ten opzichte van de gezondheidsindex in de maand januari van het begrotingsjaar x-2.".
"Art. 19/2. Voor het begeleiden van de implementatie van bepaalde beleidsprioriteiten van de Vlaamse Regering, zoals bepaald in artikel 15, § 1, eerste lid, 4°, ontvangen de pedagogische begeleidingsdiensten:
1° in het begrotingsjaar 2022 5.000.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen;
2° in het begrotingsjaar 2023 6.500.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen;
3° vanaf het begrotingsjaar 2024 8.000.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen.
De aanvullende werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, worden verdeeld over alle pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in de onderwijsinstellingen verbonden aan de pedagogische begeleidingsdienst. De Vlaamse Regering bepaalt de beleidsprioriteiten waarvoor de middelen aangewend worden en de verdeling van de middelen over deze beleids prioriteiten.
De aanvullende werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, kunnen aangewend worden voor salarissen en werkingskosten. De uitgaven voor de salarissen bedragen minimaal 80 procent van de jaarlijkse middelen. De aanvullende werkingsmiddelen worden vanaf begrotingsjaar 2025 geïndexeerd. 80% van het bedrag volgt de evolutie van de gezondheidsindex en 20% van het bedrag volgt 75% van de gezondheidsindex.
De indexering is gebaseerd op de toename van de gezondheidsindex in de maand januari van het begrotingsjaar x-1 ten opzichte van de gezondheidsindex in de maand januari van het begrotingsjaar x-2.".
Art. 64. Dans le même décret, est inséré un article 19/2 énoncé comme suit :
" Art. 19/2. Pour l'accompagnement de la mise en oeuvre de certaines priorités politiques du Gouvernement flamand, visées à l'article 15, § 1, alinéa premier, 4°, les services d'encadrement pédagogique reçoivent :
1° au cours de l'année budgétaire 2022, 5 000 000 euros de moyens de fonctionnement supplémentaires ;
2° au cours de l'année budgétaire 2023, 6 5 00 000 euros de moyens de fonctionnement supplémentaires ;
3° à partir de l'année budgétaire 2024, 8 000 000 euros de moyens de fonctionnement supplémentaires.
Les moyens de fonctionnement supplémentaires visés à l'alinéa premier sont répartis à travers l'ensemble des services d'encadrement pédagogique au prorata du nombre d'emplois organiques dans les établissements d'enseignement rattachés au service d'encadrement pédagogique. Le Gouvernement flamand détermine les priorités politiques pour lesquelles les moyens sont utilisés et la répartition des moyens entre ces priorités politiques.
Les moyens de fonctionnement supplémentaires visés à l'alinéa premier peuvent être utilisés pour les traitements et les frais de fonctionnement. Les dépenses pour les traitements s'élèvent au minimum à 80 % des moyens annuels. Les moyens de fonctionnement supplémentaires seront indexés à partir de l'année budgétaire 2025. 80 % du montant suivent l'évolution de l'indice santé et 20 % du montant suivent 75 % de l'indice santé.
L'indexation est basée sur l'augmentation de l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire X-1 par rapport à l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire X-2. ".
" Art. 19/2. Pour l'accompagnement de la mise en oeuvre de certaines priorités politiques du Gouvernement flamand, visées à l'article 15, § 1, alinéa premier, 4°, les services d'encadrement pédagogique reçoivent :
1° au cours de l'année budgétaire 2022, 5 000 000 euros de moyens de fonctionnement supplémentaires ;
2° au cours de l'année budgétaire 2023, 6 5 00 000 euros de moyens de fonctionnement supplémentaires ;
3° à partir de l'année budgétaire 2024, 8 000 000 euros de moyens de fonctionnement supplémentaires.
Les moyens de fonctionnement supplémentaires visés à l'alinéa premier sont répartis à travers l'ensemble des services d'encadrement pédagogique au prorata du nombre d'emplois organiques dans les établissements d'enseignement rattachés au service d'encadrement pédagogique. Le Gouvernement flamand détermine les priorités politiques pour lesquelles les moyens sont utilisés et la répartition des moyens entre ces priorités politiques.
Les moyens de fonctionnement supplémentaires visés à l'alinéa premier peuvent être utilisés pour les traitements et les frais de fonctionnement. Les dépenses pour les traitements s'élèvent au minimum à 80 % des moyens annuels. Les moyens de fonctionnement supplémentaires seront indexés à partir de l'année budgétaire 2025. 80 % du montant suivent l'évolution de l'indice santé et 20 % du montant suivent 75 % de l'indice santé.
L'indexation est basée sur l'augmentation de l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire X-1 par rapport à l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire X-2. ".
Art. 65. Artikel 23 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 23. De werkingsmiddelen, vermeld in deze afdeling, worden uitbetaald in twee schijven:
1° een eerste schijf van zestig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand februari van het betreffende begrotingsjaar;
2° een tweede schijf van veertig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand juni van het betreffende begrotingsjaar.
Er kan een reserve worden opgebouwd ten bedrage van maximaal twintig procent van de jaarlijkse middelen.".
"Art. 23. De werkingsmiddelen, vermeld in deze afdeling, worden uitbetaald in twee schijven:
1° een eerste schijf van zestig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand februari van het betreffende begrotingsjaar;
2° een tweede schijf van veertig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand juni van het betreffende begrotingsjaar.
Er kan een reserve worden opgebouwd ten bedrage van maximaal twintig procent van de jaarlijkse middelen.".
Art. 65. L'article 23 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 23. Les moyens de fonctionnement, visés dans la présente section, sont payés en deux tranches :
1° une première tranche de soixante pour cent est versée avant la fin du mois de février de l'année budgétaire concernée ;
2° une deuxième tranche de quarante pour cent est versée avant la fin du mois de juin de l'année budgétaire concernée.
Une réserve peut être constituée à hauteur de vingt pour cent au maximum des moyens annuels. ".
" Art. 23. Les moyens de fonctionnement, visés dans la présente section, sont payés en deux tranches :
1° une première tranche de soixante pour cent est versée avant la fin du mois de février de l'année budgétaire concernée ;
2° une deuxième tranche de quarante pour cent est versée avant la fin du mois de juin de l'année budgétaire concernée.
Une réserve peut être constituée à hauteur de vingt pour cent au maximum des moyens annuels. ".
Art. 66. In artikel 24 van hetzelfde decreet wordt voor het eerste lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De pedagogische begeleidingsdiensten wenden de werkingsmiddelen, vermeld in deze afdeling, uitsluitend aan voor de begeleiding van de onderwijsinstellingen en de CLB's in kwestie, en dit overeenkomstig de goedgekeurde begeleidingsplannen. Indien uit de jaarlijkse rapporten, vermeld in artikel 15, § 2, blijkt, met toepassing van de procedure voor goedkeuring van de jaarlijkse rapporten, dat deze middelen niet worden aangewend voor de begeleiding overeenkomstig de goedgekeurde begeleidingsplannen, dan kan een gedeeltelijke terugbetaling van het werkingsbudget worden opgelegd. Deze terugbetaling kan maximaal tien procent van het werkingsbudget bedragen en wordt in mindering gebracht van de werkingsmiddelen van het daarop volgende werkingsjaar.".
"De pedagogische begeleidingsdiensten wenden de werkingsmiddelen, vermeld in deze afdeling, uitsluitend aan voor de begeleiding van de onderwijsinstellingen en de CLB's in kwestie, en dit overeenkomstig de goedgekeurde begeleidingsplannen. Indien uit de jaarlijkse rapporten, vermeld in artikel 15, § 2, blijkt, met toepassing van de procedure voor goedkeuring van de jaarlijkse rapporten, dat deze middelen niet worden aangewend voor de begeleiding overeenkomstig de goedgekeurde begeleidingsplannen, dan kan een gedeeltelijke terugbetaling van het werkingsbudget worden opgelegd. Deze terugbetaling kan maximaal tien procent van het werkingsbudget bedragen en wordt in mindering gebracht van de werkingsmiddelen van het daarop volgende werkingsjaar.".
Art. 66. A l'article 24 du même décret, est inséré avant le premier alinéa, un alinéa énoncé comme suit :
" Les services d'encadrement pédagogique utilisent les moyens de fonctionnement visés à la présente section exclusivement pour l'accompagnement des établissements d'enseignement et des CLB en question et ce, conformément aux plans d'accompagnement approuvés. S'il ressort des rapports annuels, visés à l'article 15, § 2, en application de la procédure d'approbation des rapports annuels, que ces moyens ne sont pas utilisés pour l'accompagnement conformément aux plans d'accompagnement approuvés, un remboursement partiel du budget de fonctionnement peut alors être imposé. Ce remboursement ne peut dépasser dix pour cent du budget de fonctionnement et est déduit des moyens de fonctionnement de l'année d'activité suivante. ".
" Les services d'encadrement pédagogique utilisent les moyens de fonctionnement visés à la présente section exclusivement pour l'accompagnement des établissements d'enseignement et des CLB en question et ce, conformément aux plans d'accompagnement approuvés. S'il ressort des rapports annuels, visés à l'article 15, § 2, en application de la procédure d'approbation des rapports annuels, que ces moyens ne sont pas utilisés pour l'accompagnement conformément aux plans d'accompagnement approuvés, un remboursement partiel du budget de fonctionnement peut alors être imposé. Ce remboursement ne peut dépasser dix pour cent du budget de fonctionnement et est déduit des moyens de fonctionnement de l'année d'activité suivante. ".
Art. 67. In artikel 29 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. De bepalingen van artikel 15, §§ 2, 3 en 4, zijn van toepassing op de permanente ondersteuningscellen in de CLB's, vermeld in artikel 15 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. Zij maken hierover afspraken met de pedagogische begeleidingsdienst van het betrokken centrumnet.";
2° paragraaf 2, 3 en 4 worden opgeheven;
3° paragraaf 5 wordt vervangen door wat volgt:
" § 5. Het begeleidingsplan, de jaarlijkse rapportering en de werkingscode van de pedagogische begeleidingsdiensten en de permanente ondersteuningscellen kunnen geïntegreerd worden.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. De bepalingen van artikel 15, §§ 2, 3 en 4, zijn van toepassing op de permanente ondersteuningscellen in de CLB's, vermeld in artikel 15 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding. Zij maken hierover afspraken met de pedagogische begeleidingsdienst van het betrokken centrumnet.";
2° paragraaf 2, 3 en 4 worden opgeheven;
3° paragraaf 5 wordt vervangen door wat volgt:
" § 5. Het begeleidingsplan, de jaarlijkse rapportering en de werkingscode van de pedagogische begeleidingsdiensten en de permanente ondersteuningscellen kunnen geïntegreerd worden.".
Art. 67. A l'article 29 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1 est remplacé par ce qui suit :
" § 1. Les dispositions de l'article 15, paragraphes 2, 3 et 4 s'appliquent aux cellules permanentes d'appui des CLB, visées à l'article 15 du décret du 27 avril 2018 relatif à l'orientation des élèves dans l'enseignement primaire, l'enseignement secondaire et les centres d'orientation des élèves. Elles prennent des dispositions à ce sujet avec le service d'encadrement pédagogique du réseau-centres concerné. " ;
2° les paragraphes 2, 3 et 4 sont abrogés ;
3° le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
" § 5. Le plan d'accompagnement, le rapport annuel et le code de fonctionnement des services d'encadrement pédagogique et les cellules permanentes d'appui peuvent être intégrés. ".
1° le paragraphe 1 est remplacé par ce qui suit :
" § 1. Les dispositions de l'article 15, paragraphes 2, 3 et 4 s'appliquent aux cellules permanentes d'appui des CLB, visées à l'article 15 du décret du 27 avril 2018 relatif à l'orientation des élèves dans l'enseignement primaire, l'enseignement secondaire et les centres d'orientation des élèves. Elles prennent des dispositions à ce sujet avec le service d'encadrement pédagogique du réseau-centres concerné. " ;
2° les paragraphes 2, 3 et 4 sont abrogés ;
3° le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
" § 5. Le plan d'accompagnement, le rapport annuel et le code de fonctionnement des services d'encadrement pédagogique et les cellules permanentes d'appui peuvent être intégrés. ".
Afdeling 4. - Decretale verankering en indexering van de middelen voor de Hogere Instituten voor Schone Kunsten en andere instellingen voor Schone Kunsten voor het organiseren van posthogeschoolvormingen voor het kalenderjaar 2022
Section 4. - Ancrage décrétal et indexation des moyens destinés aux instituts supérieurs des beaux-arts et autres institutions des beaux-arts pour l'organisation des formations postgraduats pour l'année civile 2022
Art. 68. Aan artikel III.119 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2021, wordt een paragraaf 9 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 9. De toelage, vermeld in paragraaf 1 en berekend overeenkomstig dit artikel, wordt in het begrotingsjaar 2022 als volgt verdeeld over de hogere instituten voor schone kunsten en de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren:
1° de toelage voor P.A.R.T.S. (Performing Arts, Research and Training Studies) wordt vastgesteld op 1.309.000 euro;
2° de toelage voor het HISK (Hoger Instituut voor Schone Kunsten) wordt vastgesteld op 1.188.000 euro;
3° de toelage voor het Orpheus Instituut wordt vastgesteld op 757.000 euro;
4° de toelage voor de IOA (International Opera Academy) wordt vastgesteld op 501.000 euro;
5° de toelage voor PoPoK (Posthogeschool voor Podiumkunsten) wordt vastgesteld op 461.000 euro.
De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden in het begrotingsjaar 2022 geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen in paragraaf 1 van dit artikel.".
" § 9. De toelage, vermeld in paragraaf 1 en berekend overeenkomstig dit artikel, wordt in het begrotingsjaar 2022 als volgt verdeeld over de hogere instituten voor schone kunsten en de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren:
1° de toelage voor P.A.R.T.S. (Performing Arts, Research and Training Studies) wordt vastgesteld op 1.309.000 euro;
2° de toelage voor het HISK (Hoger Instituut voor Schone Kunsten) wordt vastgesteld op 1.188.000 euro;
3° de toelage voor het Orpheus Instituut wordt vastgesteld op 757.000 euro;
4° de toelage voor de IOA (International Opera Academy) wordt vastgesteld op 501.000 euro;
5° de toelage voor PoPoK (Posthogeschool voor Podiumkunsten) wordt vastgesteld op 461.000 euro.
De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden in het begrotingsjaar 2022 geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen in paragraaf 1 van dit artikel.".
Art. 68. A l'article III.119 du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, modifié en dernier lieu par le décret du 9 juillet 2021, est ajouté un paragraphe 9 énoncé comme suit :
" § 9. L'allocation visée au paragraphe 1er et calculée conformément au présent article, est répartie comme suit dans l'année budgétaire 2022 entre les instituts supérieurs de beaux-arts et les institutions organisant d'excellentes formations artistiques :
1° l'allocation pour P.A.R.T.S. (Performing Arts, Research and Training Studies) est établie à 1 309 000 euros ;
2° l'allocation pour le HISK (Institut supérieur des Beaux-Arts) est établie à 1 188 000 euros ;
3° l'allocation pour " Orpheus Instituut " est établie à 757 000 euros ;
4° l'allocation pour l'IOA (International Opera Academy) est établie à 501 000 euros ;
5° l'allocation pour la PoPoK (Posthogeschool voor Podiumkunsten) est établie à 461 000 euros.
Les montants visés à l'alinéa premier sont indexés durant l'année budgétaire 2022 conformément aux dispositions du paragraphe 1er du présent article. ".
" § 9. L'allocation visée au paragraphe 1er et calculée conformément au présent article, est répartie comme suit dans l'année budgétaire 2022 entre les instituts supérieurs de beaux-arts et les institutions organisant d'excellentes formations artistiques :
1° l'allocation pour P.A.R.T.S. (Performing Arts, Research and Training Studies) est établie à 1 309 000 euros ;
2° l'allocation pour le HISK (Institut supérieur des Beaux-Arts) est établie à 1 188 000 euros ;
3° l'allocation pour " Orpheus Instituut " est établie à 757 000 euros ;
4° l'allocation pour l'IOA (International Opera Academy) est établie à 501 000 euros ;
5° l'allocation pour la PoPoK (Posthogeschool voor Podiumkunsten) est établie à 461 000 euros.
Les montants visés à l'alinéa premier sont indexés durant l'année budgétaire 2022 conformément aux dispositions du paragraphe 1er du présent article. ".
Afdeling 5. - Verlenging van de subsidieovereenkomst met MOEV
Section 5. - Renouvellement de la convention de subvention avec MOEV
Art. 69. § 1. In afwijking van artikel 4 en 5 van het decreet van 13 februari 2009 houdende de organisatie van schoolsport, kan de Vlaamse Regering de subsidieovereenkomst die loopt van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2021, binnen de beschikbare begrotingskredieten, met één jaar verlengen voor de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022.
§ 2. Voor verlenging met de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 wordt een jaarplan en begroting opgemaakt, die uiterlijk op 1 november 2021 worden ingediend. Na afloop van deze periode, en uiterlijk op 1 mei 2023, worden een jaarverslag en jaarrekening ingediend bij de opvolgingsgroep, zoals bepaald in artikel 6 van het decreet, vermeld in paragraaf 1.
§ 3. De verlenging van de subsidieovereenkomst wordt als addendum bij de huidige subsidieovereenkomst gevoegd.
§ 2. Voor verlenging met de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 wordt een jaarplan en begroting opgemaakt, die uiterlijk op 1 november 2021 worden ingediend. Na afloop van deze periode, en uiterlijk op 1 mei 2023, worden een jaarverslag en jaarrekening ingediend bij de opvolgingsgroep, zoals bepaald in artikel 6 van het decreet, vermeld in paragraaf 1.
§ 3. De verlenging van de subsidieovereenkomst wordt als addendum bij de huidige subsidieovereenkomst gevoegd.
Art. 69. § 1. Par dérogation aux articles 4 et 5 du décret du 13 février 2009 portant organisation du sport scolaire, le Gouvernement flamand peut prolonger d'un an, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, la convention de subvention allant du 1er janvier 2018 au 31 décembre 2021, pour la période du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2022.
§ 2. Aux fins de la prolongation pour la période du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2022, un plan annuel et un budget doivent être établis et soumis au plus tard pour le 1er novembre 2021. A l'issue de cette période, et au plus tard le 1er mai 2023, un rapport annuel et des comptes annuels sont remis au groupe de suivi tel que prévu à l'article 6 du décret visé au paragraphe 1.
§ 3. La prolongation de la convention de subvention est jointe en tant qu'avenant à la convention de subvention actuelle.
§ 2. Aux fins de la prolongation pour la période du 1er janvier 2022 au 31 décembre 2022, un plan annuel et un budget doivent être établis et soumis au plus tard pour le 1er novembre 2021. A l'issue de cette période, et au plus tard le 1er mai 2023, un rapport annuel et des comptes annuels sont remis au groupe de suivi tel que prévu à l'article 6 du décret visé au paragraphe 1.
§ 3. La prolongation de la convention de subvention est jointe en tant qu'avenant à la convention de subvention actuelle.
Afdeling 6. - Aanpassing van de werkingsuitkering voor de Hogere Zeevaartschool
Section 6. - Adaptation de l'allocation de fonctionnement de la Hogere Zeevaartschool (Ecole supérieure de Navigation)
Art. 70. In artikel 2, § 2, eerste lid, van het decreet van 20 februari 2009 betreffende de Hogere Zeevaartschool, vervangen bij het decreet van 9 juli 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de zinsnede "4.279.000,00 euro (prijsniveau 2010)" wordt vervangen door de zinsnede "5.375.631,00 euro (prijsniveau 2021)";
2° in punt 1° wordt het bedrag "200.000,00 euro" vervangen door het bedrag "2.000.000,00 euro";
3° in punt 2° wordt het bedrag "4.079.000,00 euro" vervangen door het bedrag "3.375.631,00 euro".
1° de zinsnede "4.279.000,00 euro (prijsniveau 2010)" wordt vervangen door de zinsnede "5.375.631,00 euro (prijsniveau 2021)";
2° in punt 1° wordt het bedrag "200.000,00 euro" vervangen door het bedrag "2.000.000,00 euro";
3° in punt 2° wordt het bedrag "4.079.000,00 euro" vervangen door het bedrag "3.375.631,00 euro".
Art. 70. A l'article 2, § 2, alinéa premier, du décret du 20 février 2009 relatif à la " Hogere Zeevaartschool ", remplacé par le décret du 9 juillet 2010, les modifications suivantes sont apportées :
1° le membre de phrase " 4 279 000,00 euros (niveau des prix 2010) " est remplacé par le membre de phrase " 5 375 631,00 euros (niveau des prix 2021) " ;
2° au point 1°, le montant de " 200 000,00 euros " est remplacé par le montant de " 2 000 000,00 euros " ;
3° au point 2°, le montant de " 4 079 000,00 euros " est remplacé par le montant de " 3 375 631,00 euros ".
1° le membre de phrase " 4 279 000,00 euros (niveau des prix 2010) " est remplacé par le membre de phrase " 5 375 631,00 euros (niveau des prix 2021) " ;
2° au point 1°, le montant de " 200 000,00 euros " est remplacé par le montant de " 2 000 000,00 euros " ;
3° au point 2°, le montant de " 4 079 000,00 euros " est remplacé par le montant de " 3 375 631,00 euros ".
Afdeling 7. - AGION - Terugvorderingstermijn
Section 7. - AGION - Délai de recouvrement
Art. 71. In hoofdstuk II van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, wordt het opschrift van afdeling II vervangen door wat volgt:
"Afdeling II. Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs".
"Afdeling II. Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs".
Art. 71. Dans le chapitre II de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, l'intitulé de la section II est remplacé par ce qui suit :
" Section II. Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (Agence de l'Infrastructure dans l'Enseignement) "
" Section II. Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (Agence de l'Infrastructure dans l'Enseignement) "
Art. 72. Artikel 19 van dezelfde wet, het laatst gewijzigd bij decreet van 3 juli 2020, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 19. § 1. Een inrichtende macht mag op AGION slechts een beroep doen voor een onroerend goed waarvan zij eigenaar is of waarop zij een zakelijk recht bezit dat haar het genot van het goed verzekert gedurende ten minste dertig jaar. Bij het einde van het zakelijk recht zal de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het zakelijk recht heeft toegestaan een vergoeding verschuldigd zijn aan de inrichtende macht gelijk aan de meerwaarde die op dat tijdstip zal ontstaan door de aan de gebouwen aangebrachte gesubsidieerde verbouwingen of nieuw opgerichte gesubsidieerde gebouwen.
De hiervoor gestelde voorwaarden gelden niet voor de aankoop van gebouwen of de eerste uitrusting.
Dit zakelijk recht zal slechts vervreemd of met een zakelijk recht bezwaard mogen worden met de toestemming van de raad van bestuur van AGION. Indien de inrichtende macht deze toestemming niet voorafgaandelijk vraagt, is deze vervreemding of bezwaring niet tegenstelbaar aan AGION.
§ 2. Bij verkoop of wijziging van het doel van het geheel of een deel van een gebouw dat werd aangekocht, gebouwd, gemoderniseerd, uitgebreid of geschikt gemaakt met tussenkomst van AGION, gaat AGION over tot terugvordering van het verstrekte subsidiebedrag. De aanvangsdatum voor de berekening van de toegekende vermindering is 1 september van het schooljaar tijdens het welke de subsidie werd toegekend. De einddatum van de berekening is 31 augustus van het schooljaar waarin het feit zich voordoet dat aanleiding geeft tot terugvordering.
Het verstrekte subsidiebedrag wordt verminderd met 1/30 per jaar voor de periode waarbinnen het aldus aangekochte, gebouwde, gemoderniseerde, uitgebreide en geschikt gemaakte gebouw werd aangewend voor de bestemming waar voor de tussenkomst van AGION werd bekomen.
De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om voor technische installaties waarvan de normale levensduur minder dan dertig jaar bedraagt, een afwijking op deze regel toe te staan met het oog op een kortere terugvorderingstermijn en de nadere modaliteiten hiervan te regelen.
Wanneer een inrichtende macht de vervreemding of bezwaring van het zakelijk recht, vermeld in paragraaf 1, derde lid, niet voorafgaandelijk heeft gevraagd, kunnen de terugvorderingen waartoe de raad van bestuur beslist op basis van paragraaf 2 of 4 worden verhoogd met de wettelijke interesten voor burgerlijke zaken zoals bepaald conform artikel 2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest. Deze interesten lopen vanaf het moment waarop het feit dat aanleiding geeft tot de terugvordering zich voordoet tot het moment waarop AGION kennis neemt van of op de hoogte gebracht wordt van dit feit.
§ 3. Paragraaf 1 en 2 zijn niet van toepassing op de aankoop van de in artikel 13, § 2, bedoelde apparatuur.
§ 4. Bij een fusie van inrichtende machten waardoor er een nieuwe inrichtende macht ontstaat of bij een overname van de onderwijsbevoegdheid door een andere inrichtende macht, kan het gebouw waarvoor er een beroep werd gedaan op AGION, met behoud van de bestemming, worden overgedragen of ter beschikking worden gesteld van de nieuw bevoegde inrichtende macht door gebruik te maken van één van de rechtsfiguren uit het burgerlijk recht.
De nieuw bevoegde inrichtende macht treedt ten aanzien van AGION in de rechten en verplichtingen van de oorspronkelijke inrichtende macht op voorwaarde dat de nieuw bevoegde inrichtende macht eigenaar wordt van het gebouw of het zakelijk recht overneemt dat noodzakelijk was voor het bekomen van de subsidie door AGION. Indien de nieuw bevoegde inrichtende macht de eigendom of het zakelijk recht niet overneemt, blijft de oorspronkelijke inrichtende macht verantwoordelijk voor de naleving van de verplichtingen die door deze wet worden opgelegd voor het bekomen van de subsidies.
§ 5. Bij een overdracht van het goed waarvoor een tussenkomst van AGION werd verkregen of van het zakelijk recht hierop naar een andere juridische entiteit zonder de overdracht van de onderwijsbevoegdheid en zonder wijziging van de subsidieerbare bestemming, blijft de oorspronkelijke inrichtende macht verantwoordelijk voor de naleving van de verplichtingen die door deze wet worden opgelegd voor het bekomen van de subsidies.
§ 6. In afwijking van paragraaf 2 kan de raad van bestuur van AGION beslissen niet terug te vorderen in het geval van een bestemmingswijziging die het gevolg is van de toepassing van decretale of reglementaire regels met een impact op de organisatie van het onderwijs in het algemeen.
§ 7. In afwijking van paragraaf 2, tweede lid, wordt het subsidiebedrag verminderd met 1/20 per jaar voor de periode waarin het aldus aangekochte, gebouwde, gemoderniseerde, uitgebreide en geschikt gemaakte gebouw werd aangewend voor de bestemming waarvoor de tussenkomst van AGION werd bekomen voor subsidiemiddelen die vastgelegd werden voor 1 september 2020.".
"Art. 19. § 1. Een inrichtende macht mag op AGION slechts een beroep doen voor een onroerend goed waarvan zij eigenaar is of waarop zij een zakelijk recht bezit dat haar het genot van het goed verzekert gedurende ten minste dertig jaar. Bij het einde van het zakelijk recht zal de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het zakelijk recht heeft toegestaan een vergoeding verschuldigd zijn aan de inrichtende macht gelijk aan de meerwaarde die op dat tijdstip zal ontstaan door de aan de gebouwen aangebrachte gesubsidieerde verbouwingen of nieuw opgerichte gesubsidieerde gebouwen.
De hiervoor gestelde voorwaarden gelden niet voor de aankoop van gebouwen of de eerste uitrusting.
Dit zakelijk recht zal slechts vervreemd of met een zakelijk recht bezwaard mogen worden met de toestemming van de raad van bestuur van AGION. Indien de inrichtende macht deze toestemming niet voorafgaandelijk vraagt, is deze vervreemding of bezwaring niet tegenstelbaar aan AGION.
§ 2. Bij verkoop of wijziging van het doel van het geheel of een deel van een gebouw dat werd aangekocht, gebouwd, gemoderniseerd, uitgebreid of geschikt gemaakt met tussenkomst van AGION, gaat AGION over tot terugvordering van het verstrekte subsidiebedrag. De aanvangsdatum voor de berekening van de toegekende vermindering is 1 september van het schooljaar tijdens het welke de subsidie werd toegekend. De einddatum van de berekening is 31 augustus van het schooljaar waarin het feit zich voordoet dat aanleiding geeft tot terugvordering.
Het verstrekte subsidiebedrag wordt verminderd met 1/30 per jaar voor de periode waarbinnen het aldus aangekochte, gebouwde, gemoderniseerde, uitgebreide en geschikt gemaakte gebouw werd aangewend voor de bestemming waar voor de tussenkomst van AGION werd bekomen.
De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om voor technische installaties waarvan de normale levensduur minder dan dertig jaar bedraagt, een afwijking op deze regel toe te staan met het oog op een kortere terugvorderingstermijn en de nadere modaliteiten hiervan te regelen.
Wanneer een inrichtende macht de vervreemding of bezwaring van het zakelijk recht, vermeld in paragraaf 1, derde lid, niet voorafgaandelijk heeft gevraagd, kunnen de terugvorderingen waartoe de raad van bestuur beslist op basis van paragraaf 2 of 4 worden verhoogd met de wettelijke interesten voor burgerlijke zaken zoals bepaald conform artikel 2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest. Deze interesten lopen vanaf het moment waarop het feit dat aanleiding geeft tot de terugvordering zich voordoet tot het moment waarop AGION kennis neemt van of op de hoogte gebracht wordt van dit feit.
§ 3. Paragraaf 1 en 2 zijn niet van toepassing op de aankoop van de in artikel 13, § 2, bedoelde apparatuur.
§ 4. Bij een fusie van inrichtende machten waardoor er een nieuwe inrichtende macht ontstaat of bij een overname van de onderwijsbevoegdheid door een andere inrichtende macht, kan het gebouw waarvoor er een beroep werd gedaan op AGION, met behoud van de bestemming, worden overgedragen of ter beschikking worden gesteld van de nieuw bevoegde inrichtende macht door gebruik te maken van één van de rechtsfiguren uit het burgerlijk recht.
De nieuw bevoegde inrichtende macht treedt ten aanzien van AGION in de rechten en verplichtingen van de oorspronkelijke inrichtende macht op voorwaarde dat de nieuw bevoegde inrichtende macht eigenaar wordt van het gebouw of het zakelijk recht overneemt dat noodzakelijk was voor het bekomen van de subsidie door AGION. Indien de nieuw bevoegde inrichtende macht de eigendom of het zakelijk recht niet overneemt, blijft de oorspronkelijke inrichtende macht verantwoordelijk voor de naleving van de verplichtingen die door deze wet worden opgelegd voor het bekomen van de subsidies.
§ 5. Bij een overdracht van het goed waarvoor een tussenkomst van AGION werd verkregen of van het zakelijk recht hierop naar een andere juridische entiteit zonder de overdracht van de onderwijsbevoegdheid en zonder wijziging van de subsidieerbare bestemming, blijft de oorspronkelijke inrichtende macht verantwoordelijk voor de naleving van de verplichtingen die door deze wet worden opgelegd voor het bekomen van de subsidies.
§ 6. In afwijking van paragraaf 2 kan de raad van bestuur van AGION beslissen niet terug te vorderen in het geval van een bestemmingswijziging die het gevolg is van de toepassing van decretale of reglementaire regels met een impact op de organisatie van het onderwijs in het algemeen.
§ 7. In afwijking van paragraaf 2, tweede lid, wordt het subsidiebedrag verminderd met 1/20 per jaar voor de periode waarin het aldus aangekochte, gebouwde, gemoderniseerde, uitgebreide en geschikt gemaakte gebouw werd aangewend voor de bestemming waarvoor de tussenkomst van AGION werd bekomen voor subsidiemiddelen die vastgelegd werden voor 1 september 2020.".
Art. 72. L'article 19 de la même loi, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juillet 2020, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 19. § 1. Un pouvoir organisateur peut uniquement faire appel à AGION pour un bien immobilier dont il est propriétaire ou sur lequel il dispose d'un droit réel lui garantissant la jouissance du bien pendant au moins trente ans. A la fin du droit réel, la personne physique ou la personne morale qui a accordé le droit réel sera redevable d'une indemnité au pouvoir organisateur égale à la plus-value qui sera créée à ce moment par les transformations subventionnées apportées aux bâtiments ou par des bâtiments subventionnés nouvellement créés.
Les conditions applicables à cette situation ne s'appliquent pas à l'achat de bâtiments ou de premier équipement.
Ce droit réel peut uniquement être aliéné ou grevé d'un droit réel moyennant le consentement du conseil d'administration d'AGION. Si le pouvoir organisateur ne demande pas ce consentement au préalable, cette aliénation ou ce grèvement n'est pas opposable à AGION.
§ 2. Lors de la vente ou de la modification de la destination de l'ensemble ou d'une partie d'un bâtiment qui a été acquis, construit, modernisé, étendu ou aménagé par l'intervention d'AGION, AGION procède au recouvrement du montant de subvention octroyé. La date de début pour le calcul de la réduction accordée est le 1er septembre de l'année scolaire au cours de laquelle la subvention a été octroyée. La date de fin du calcul est le 31 août de l'année scolaire au cours de laquelle le fait donnant lieu au recouvrement se produit.
Le montant de subvention octroyé est diminué de 1/30 par an pour la période au cours de laquelle le bâtiment ainsi acquis, construit, modernisé, étendu et aménagé a été affecté à la destination pour laquelle l'intervention d'AGION a été obtenue.
Le Gouvernement flamand est autorisé à accorder une dérogation à cette règle pour des installations techniques dont la durée de vie normale est inférieure à 30 ans, en vue d'un délai de recouvrement plus court, et à en régler les modalités.
Lorsqu'un pouvoir organisateur n'a pas demandé au préalable l'aliénation ou le grèvement du droit réel visé au paragraphe 1, alinéa trois, les recouvrements décidés par le conseil d'administration sur la base du paragraphe 2 ou 4 peuvent être majorés des intérêts légaux en matière civile tels que déterminés conformément à l'article 2 de la loi du 5 mai 1865 relative au prêt à intérêt. Ces intérêts courent à partir du moment où le fait donnant lieu au recouvrement se produit jusqu'au moment où AGION prend connaissance ou est informé de ce fait.
§ 3. Les dispositions des paragraphes 1 et 2 ne s'appliquent pas à l'achat des équipements visés à l'article 13, § 2.
§ 4. En cas de fusion de pouvoirs organisateurs aboutissant à la création d'un nouveau pouvoir organisateur, ou en cas de reprise de la compétence d'enseignement par un autre pouvoir organisateur, le bâtiment pour lequel il a été fait appel à AGION peut, tout en conservant sa destination, être transféré ou mis à disposition du pouvoir organisateur nouvellement compétent en utilisant l'une des formes juridiques du droit civil.
Le pouvoir organisateur nouvellement compétent est subrogé, vis-à-vis d'AGION, dans les droits et obligations de l'ancien pouvoir organisateur, à condition que le pouvoir organisateur nouvellement compétent devienne propriétaire du bâtiment ou reprenne le droit réel qui était nécessaire pour obtenir la subvention d'AGION. Si le pouvoir organisateur nouvellement compétent ne reprend pas la propriété ou le droit réel, l'ancien pouvoir organisateur reste responsable du respect des obligations qui découlent de cette loi pour l'obtention des subventions.
§ 5. En cas de transfert du bien pour lequel une intervention d'AGION a été obtenue ou du droit réel sur ce bien à une autre entité juridique sans transfert de la compétence d'enseignement et sans modification de la destination subventionnable, le pouvoir organisateur initial reste responsable du respect des obligations imposées par la présente loi pour l'obtention des subventions.
§ 6. Par dérogation au paragraphe 2, le conseil d'administration d'AGION peut décider de ne pas procéder au recouvrement en cas de changement de destination résultant de l'application de règles décrétales ou réglementaires ayant un impact sur l'organisation de l'enseignement en général.
§ 7. Par dérogation au paragraphe 2, alinéa deux, le montant de la subvention est réduit de 1/20 par an pour la période pendant laquelle le bâtiment ainsi acquis, construit, modernisé, étendu et aménagé a été utilisé aux fins pour lesquelles l'intervention d'AGION a été obtenue pour les moyens de subvention fixés avant le 1er septembre 2020. ".
" Art. 19. § 1. Un pouvoir organisateur peut uniquement faire appel à AGION pour un bien immobilier dont il est propriétaire ou sur lequel il dispose d'un droit réel lui garantissant la jouissance du bien pendant au moins trente ans. A la fin du droit réel, la personne physique ou la personne morale qui a accordé le droit réel sera redevable d'une indemnité au pouvoir organisateur égale à la plus-value qui sera créée à ce moment par les transformations subventionnées apportées aux bâtiments ou par des bâtiments subventionnés nouvellement créés.
Les conditions applicables à cette situation ne s'appliquent pas à l'achat de bâtiments ou de premier équipement.
Ce droit réel peut uniquement être aliéné ou grevé d'un droit réel moyennant le consentement du conseil d'administration d'AGION. Si le pouvoir organisateur ne demande pas ce consentement au préalable, cette aliénation ou ce grèvement n'est pas opposable à AGION.
§ 2. Lors de la vente ou de la modification de la destination de l'ensemble ou d'une partie d'un bâtiment qui a été acquis, construit, modernisé, étendu ou aménagé par l'intervention d'AGION, AGION procède au recouvrement du montant de subvention octroyé. La date de début pour le calcul de la réduction accordée est le 1er septembre de l'année scolaire au cours de laquelle la subvention a été octroyée. La date de fin du calcul est le 31 août de l'année scolaire au cours de laquelle le fait donnant lieu au recouvrement se produit.
Le montant de subvention octroyé est diminué de 1/30 par an pour la période au cours de laquelle le bâtiment ainsi acquis, construit, modernisé, étendu et aménagé a été affecté à la destination pour laquelle l'intervention d'AGION a été obtenue.
Le Gouvernement flamand est autorisé à accorder une dérogation à cette règle pour des installations techniques dont la durée de vie normale est inférieure à 30 ans, en vue d'un délai de recouvrement plus court, et à en régler les modalités.
Lorsqu'un pouvoir organisateur n'a pas demandé au préalable l'aliénation ou le grèvement du droit réel visé au paragraphe 1, alinéa trois, les recouvrements décidés par le conseil d'administration sur la base du paragraphe 2 ou 4 peuvent être majorés des intérêts légaux en matière civile tels que déterminés conformément à l'article 2 de la loi du 5 mai 1865 relative au prêt à intérêt. Ces intérêts courent à partir du moment où le fait donnant lieu au recouvrement se produit jusqu'au moment où AGION prend connaissance ou est informé de ce fait.
§ 3. Les dispositions des paragraphes 1 et 2 ne s'appliquent pas à l'achat des équipements visés à l'article 13, § 2.
§ 4. En cas de fusion de pouvoirs organisateurs aboutissant à la création d'un nouveau pouvoir organisateur, ou en cas de reprise de la compétence d'enseignement par un autre pouvoir organisateur, le bâtiment pour lequel il a été fait appel à AGION peut, tout en conservant sa destination, être transféré ou mis à disposition du pouvoir organisateur nouvellement compétent en utilisant l'une des formes juridiques du droit civil.
Le pouvoir organisateur nouvellement compétent est subrogé, vis-à-vis d'AGION, dans les droits et obligations de l'ancien pouvoir organisateur, à condition que le pouvoir organisateur nouvellement compétent devienne propriétaire du bâtiment ou reprenne le droit réel qui était nécessaire pour obtenir la subvention d'AGION. Si le pouvoir organisateur nouvellement compétent ne reprend pas la propriété ou le droit réel, l'ancien pouvoir organisateur reste responsable du respect des obligations qui découlent de cette loi pour l'obtention des subventions.
§ 5. En cas de transfert du bien pour lequel une intervention d'AGION a été obtenue ou du droit réel sur ce bien à une autre entité juridique sans transfert de la compétence d'enseignement et sans modification de la destination subventionnable, le pouvoir organisateur initial reste responsable du respect des obligations imposées par la présente loi pour l'obtention des subventions.
§ 6. Par dérogation au paragraphe 2, le conseil d'administration d'AGION peut décider de ne pas procéder au recouvrement en cas de changement de destination résultant de l'application de règles décrétales ou réglementaires ayant un impact sur l'organisation de l'enseignement en général.
§ 7. Par dérogation au paragraphe 2, alinéa deux, le montant de la subvention est réduit de 1/20 par an pour la période pendant laquelle le bâtiment ainsi acquis, construit, modernisé, étendu et aménagé a été utilisé aux fins pour lesquelles l'intervention d'AGION a été obtenue pour les moyens de subvention fixés avant le 1er septembre 2020. ".
HOOFDSTUK 6. - Financiën en Begroting
CHAPITRE 6. - Finances et Budget
Art. 73. In artikel 2.9.4.1.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014, wordt de zinsnede "10%" vervangen door de zinsnede "12%".
Art. 73. A l'article 2.9.4.1.1 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, inséré par le décret du 19 décembre 2014, le membre de phrase " 10 % " est remplacé par le membre de phrase " 12 % ".
Art. 74. In artikel 2.9.4.2.11 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 2018 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 2 april 2021, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "6%" vervangen door de zinsnede "3%";
2° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief 6% voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop waarvan de authentieke akte uiterlijk op 31 december 2023 is verleden, als de verkrijger opteert voor de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.";
3° in paragraaf 3, eerste lid, 1°, worden de woorden "één jaar" vervangen door de woorden "twee jaar";
4° er wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 6. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kan niet gecombineerd worden met de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.".
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "6%" vervangen door de zinsnede "3%";
2° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief 6% voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop waarvan de authentieke akte uiterlijk op 31 december 2023 is verleden, als de verkrijger opteert voor de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.";
3° in paragraaf 3, eerste lid, 1°, worden de woorden "één jaar" vervangen door de woorden "twee jaar";
4° er wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 6. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kan niet gecombineerd worden met de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.".
Art. 74. A l'article 2.9.4.2.11 du même décret, inséré par le décret du 18 mai 2018 et modifié en dernier lieu par le décret du 2 avril 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1, alinéa premier, le membre de phrase " 6 % " est remplacé par le membre de phrase " 3 % " ;
2° le paragraphe 1 est complété par un alinéa deux, énoncé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa premier, le tarif est de 6 % pour les contrats d'acquisition pure dont l'acte authentique est passé au plus tard le 31 décembre 2023, si l'acquéreur opte pour la réduction, visée à l'article 2.9.5.0.1, ou le dégrèvement, visé à l'article 3.6.0.0.6, § 3. " ;
3° au paragraphe 3, alinéa premier, 1°, les mots " un an " sont remplacés par les mots " deux ans " ;
4° il est ajouté un paragraphe 6 énoncé comme suit :
" § 6. Le tarif visé au paragraphe 1, alinéa premier, n'est pas cumulable avec la réduction, visée à l'article 2.9.5.0.1, ou le dégrèvement, visé à l'article 3.6.0.0.6, § 3. ".
1° au paragraphe 1, alinéa premier, le membre de phrase " 6 % " est remplacé par le membre de phrase " 3 % " ;
2° le paragraphe 1 est complété par un alinéa deux, énoncé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa premier, le tarif est de 6 % pour les contrats d'acquisition pure dont l'acte authentique est passé au plus tard le 31 décembre 2023, si l'acquéreur opte pour la réduction, visée à l'article 2.9.5.0.1, ou le dégrèvement, visé à l'article 3.6.0.0.6, § 3. " ;
3° au paragraphe 3, alinéa premier, 1°, les mots " un an " sont remplacés par les mots " deux ans " ;
4° il est ajouté un paragraphe 6 énoncé comme suit :
" § 6. Le tarif visé au paragraphe 1, alinéa premier, n'est pas cumulable avec la réduction, visée à l'article 2.9.5.0.1, ou le dégrèvement, visé à l'article 3.6.0.0.6, § 3. ".
Art. 75. In artikel 2.9.4.2.12 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "vermeld in artikel 2.9.4.2.11, wordt verminderd tot 5%" vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, wordt verminderd tot 1%";
2° aan paragraaf 1 wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief 5% voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop waarvan de authentieke akte uiterlijk op 31 december 2023 is verleden, als de verkrijger opteert voor de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.";
3° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, worden de woorden "één jaar" vervangen door de woorden "twee jaar";
4° er wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 4. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kan niet gecombineerd worden met de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.".
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "vermeld in artikel 2.9.4.2.11, wordt verminderd tot 5%" vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, wordt verminderd tot 1%";
2° aan paragraaf 1 wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief 5% voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop waarvan de authentieke akte uiterlijk op 31 december 2023 is verleden, als de verkrijger opteert voor de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.";
3° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, worden de woorden "één jaar" vervangen door de woorden "twee jaar";
4° er wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 4. Het tarief, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kan niet gecombineerd worden met de vermindering, vermeld in artikel 2.9.5.0.1, of de ontheffing, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 3.".
Art. 75. A l'article 2.9.4.2.12 du même décret, inséré par le décret du 18 mai 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1, alinéa premier, le membre de phrase " visé à l'article 2.9.4.2.11 est réduit jusqu'à 5 % " est remplacé par le membre de phrase " visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa premier, est réduit jusqu'à 1 % " ;
2° le paragraphe 1 est complété par un alinéa cinq, énoncé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa premier, le tarif est de 5 % pour les contrats d'acquisition pure dont l'acte authentique est passé au plus tard le 31 décembre 2023, si l'acquéreur opte pour la réduction, visée à l'article 2.9.5.0.1, ou le dégrèvement, visé à l'article 3.6.0.0.6, § 3. " ;
3° au paragraphe 2, alinéa premier, 1°, les mots " un an " sont remplacés par les mots " deux ans " ;
4° il est ajouté un paragraphe 4 énoncé comme suit :
" § 4. Le tarif visé au paragraphe 1, alinéa premier, n'est pas cumulable avec la réduction, visée à l'article 2.9.5.0.1, ou le dégrèvement, visé à l'article 3.6.0.0.6, § 3. ".
1° au paragraphe 1, alinéa premier, le membre de phrase " visé à l'article 2.9.4.2.11 est réduit jusqu'à 5 % " est remplacé par le membre de phrase " visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa premier, est réduit jusqu'à 1 % " ;
2° le paragraphe 1 est complété par un alinéa cinq, énoncé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa premier, le tarif est de 5 % pour les contrats d'acquisition pure dont l'acte authentique est passé au plus tard le 31 décembre 2023, si l'acquéreur opte pour la réduction, visée à l'article 2.9.5.0.1, ou le dégrèvement, visé à l'article 3.6.0.0.6, § 3. " ;
3° au paragraphe 2, alinéa premier, 1°, les mots " un an " sont remplacés par les mots " deux ans " ;
4° il est ajouté un paragraphe 4 énoncé comme suit :
" § 4. Le tarif visé au paragraphe 1, alinéa premier, n'est pas cumulable avec la réduction, visée à l'article 2.9.5.0.1, ou le dégrèvement, visé à l'article 3.6.0.0.6, § 3. ".
Art. 76. In artikel 2.9.4.2.14, § 5, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 2018 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 2 april 2021, worden in het eerste lid, 1°, de woorden "één jaar" vervangen door de woorden "twee jaar".
Art. 76. A l'article 2.9.4.2.14, § 5, du même décret, inséré par le décret du 18 mai 2018 et modifié en dernier lieu par le décret du 2 avril 2021, à l'alinéa premier, 1°, les mots " un an " sont remplacés par les mots " deux ans ".
Art. 77. Aan titel 2, hoofdstuk 9, afdeling 4, onderafdeling 2, van hetzelfde decreet wordt een artikel 2.9.4.2.15 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Artikel 2.9.4.2.15. § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 10% voor verkoopovereenkomsten van onbebouwde landgoederen en onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan type twee of drie als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2° en 3°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet.
§ 2. Voor de toepassing van het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, moeten naargelang het geval de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de verkrijgers van het onbebouwde landgoed voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1;
2° de verkrijgers van het onbebouwd onroerend goed voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3.".
"Artikel 2.9.4.2.15. § 1. In afwijking van artikel 2.9.4.1.1 bedraagt het verkooprecht 10% voor verkoopovereenkomsten van onbebouwde landgoederen en onbebouwde onroerende goederen waarvoor een natuurbeheerplan type twee of drie als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2° en 3°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet.
§ 2. Voor de toepassing van het verlaagd tarief, vermeld in paragraaf 1, moeten naargelang het geval de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de verkrijgers van het onbebouwde landgoed voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1;
2° de verkrijgers van het onbebouwd onroerend goed voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 1 en § 3.".
Art. 77. Le titre 2, chapitre 9, section 4, sous-section 2, du même décret, est complété par un article 2.9.4.2.15, énoncé comme suit :
" Article 2.9.4.2.15. § 1. Par dérogation à l'article 2.9.4.1.1, le droit de vente s'élève à 10 % pour les contrats de vente d'immeubles ruraux non bâtis et de biens immobiliers non bâtis pour lesquels un plan de gestion de la nature type deux ou trois visé à l'article 16ter, § 1, 2° et 3°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, a été approuvé conformément à l'article 16octies du décret précité.
§ 2. Pour l'application du tarif réduit, visé au paragraphe 1, les conditions suivantes doivent être remplies selon le cas :
1° les acquéreurs de l'immeuble rural non bâti satisfont à l'obligation visée à l'article 3.12.3.0.1, § 1 ;
2° les acquéreurs du bien immobilier non bâti satisfont à l'obligation visée à l'article 3.12.3.0.1, § 1 et § 3. ".
" Article 2.9.4.2.15. § 1. Par dérogation à l'article 2.9.4.1.1, le droit de vente s'élève à 10 % pour les contrats de vente d'immeubles ruraux non bâtis et de biens immobiliers non bâtis pour lesquels un plan de gestion de la nature type deux ou trois visé à l'article 16ter, § 1, 2° et 3°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, a été approuvé conformément à l'article 16octies du décret précité.
§ 2. Pour l'application du tarif réduit, visé au paragraphe 1, les conditions suivantes doivent être remplies selon le cas :
1° les acquéreurs de l'immeuble rural non bâti satisfont à l'obligation visée à l'article 3.12.3.0.1, § 1 ;
2° les acquéreurs du bien immobilier non bâti satisfont à l'obligation visée à l'article 3.12.3.0.1, § 1 et § 3. ".
Art. 78. In artikel 2.9.5.0.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij de decreten van 17 juli 2015, 18 mei 2018 en 21 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt tussen de zinsnede "een tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed" en de zinsnede "door een natuurlijke persoon" de zinsnede "waarvan de authentieke akte uiterlijk op 31 december 2023 wordt verleden" ingevoegd;
2° in het eerste lid wordt tussen de woorden "verschuldigd waren op de aankoop van de woning" en de woorden "die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend" de zinsnede "waarvan de authentieke akte voor 1 januari 2022 werd verleden en" ingevoegd.
1° in het eerste lid wordt tussen de zinsnede "een tot bewoning aangewend of bestemd onroerend goed" en de zinsnede "door een natuurlijke persoon" de zinsnede "waarvan de authentieke akte uiterlijk op 31 december 2023 wordt verleden" ingevoegd;
2° in het eerste lid wordt tussen de woorden "verschuldigd waren op de aankoop van de woning" en de woorden "die hem voorheen tot hoofdverblijfplaats heeft gediend" de zinsnede "waarvan de authentieke akte voor 1 januari 2022 werd verleden en" ingevoegd.
Art. 78. A l'article 2.9.5.0.1 du même décret, inséré par le décret du 19 décembre 2014 et modifié par les décrets des 17 juillet 2015, 18 mai 2018 et 21 décembre 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa premier, entre le membre de phrase " d'un immeuble affecté ou destiné à l'habitation " et le membre de phrase " par une personne physique ", est inséré le membre de phrase " dont l'acte authentique est passé au plus tard le 31 décembre 2023 " ;
2° à l'alinéa premier, entre les mots " sur l'acquisition de l'habitation " et les mots " qui lui a servi auparavant comme résidence principale ", est inséré le membre de phrase " dont l'acte authentique a été passé avant le 1er janvier 2022 et " ;
1° à l'alinéa premier, entre le membre de phrase " d'un immeuble affecté ou destiné à l'habitation " et le membre de phrase " par une personne physique ", est inséré le membre de phrase " dont l'acte authentique est passé au plus tard le 31 décembre 2023 " ;
2° à l'alinéa premier, entre les mots " sur l'acquisition de l'habitation " et les mots " qui lui a servi auparavant comme résidence principale ", est inséré le membre de phrase " dont l'acte authentique a été passé avant le 1er janvier 2022 et " ;
Art. 79. Artikel 2.9.5.0.5 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 2018 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2018, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 2.9.5.0.5. § 1. Als er voor alle verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt er een rechtenvermindering toegestaan van respectievelijk 2800 euro of 960 euro op het totaal van de op de aankoop berekende rechten. Als het verschuldigde verkooprecht lager is dan, naargelang het geval, hetzij 2800 euro, hetzij 960 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van dit verkooprecht.
Als er slechts voor sommige verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 2800 euro of 960 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aandeel van de betrokken verkrijgers in de totale aankoop. Als het door deze verkrijgers verschuldigde verkooprecht lager is dan het overeenkomstige breukdeel van, naargelang het geval, hetzij 2800 euro, hetzij 960 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van het wettelijk aandeel van deze verkrijgers in het totale verschuldigde verkooprecht.
Als er slechts voor een deel van de verkrijging toepassing wordt gemaakt van het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 2800 euro of 960 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aandeel van de verkrijging waarvoor het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, wordt toegepast.
Voor de onroerende goederen gelegen op het grondgebied van de kernsteden en de gemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel zoals bepaald in artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 8° en 9°, wordt de rechtenvermindering, vermeld in het eerste lid, toegestaan als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 240.000 euro.
§ 2. Als er voor alle verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt er een rechtenvermindering toegestaan van respectievelijk 5600 euro of 4800 euro op het totaal van de op de aankoop berekende rechten. Als het verschuldigde verkooprecht lager is dan, naargelang het geval, hetzij 5600 euro, hetzij 4800 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van dit verkooprecht.
Als er slechts voor sommige verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 5600 euro of 4800 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aan- deel van de betrokken verkrijgers in de totale aankoop. Als het door deze verkrijgers verschuldigde verkooprecht lager is dan het overeenkomstig breukdeel van, naargelang het geval, hetzij 5600 euro, hetzij 4800 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van het wettelijk aandeel van deze verkrijgers in het totale verschuldigde verkooprecht.
Als er slechts voor een deel van de verkrijging toepassing wordt gemaakt van het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 5600 euro of 4800 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aandeel van de verkrijging waarvoor het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, wordt toegepast.
Voor de onroerende goederen gelegen op het grondgebied van de kernsteden en de gemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel zoals bepaald in artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 8° en 9°, wordt de rechtenvermindering, vermeld in het eerste lid, toegestaan als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 240.000 euro.".
"Art. 2.9.5.0.5. § 1. Als er voor alle verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt er een rechtenvermindering toegestaan van respectievelijk 2800 euro of 960 euro op het totaal van de op de aankoop berekende rechten. Als het verschuldigde verkooprecht lager is dan, naargelang het geval, hetzij 2800 euro, hetzij 960 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van dit verkooprecht.
Als er slechts voor sommige verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 2800 euro of 960 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aandeel van de betrokken verkrijgers in de totale aankoop. Als het door deze verkrijgers verschuldigde verkooprecht lager is dan het overeenkomstige breukdeel van, naargelang het geval, hetzij 2800 euro, hetzij 960 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van het wettelijk aandeel van deze verkrijgers in het totale verschuldigde verkooprecht.
Als er slechts voor een deel van de verkrijging toepassing wordt gemaakt van het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 2800 euro of 960 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aandeel van de verkrijging waarvoor het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, wordt toegepast.
Voor de onroerende goederen gelegen op het grondgebied van de kernsteden en de gemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel zoals bepaald in artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 8° en 9°, wordt de rechtenvermindering, vermeld in het eerste lid, toegestaan als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 240.000 euro.
§ 2. Als er voor alle verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt er een rechtenvermindering toegestaan van respectievelijk 5600 euro of 4800 euro op het totaal van de op de aankoop berekende rechten. Als het verschuldigde verkooprecht lager is dan, naargelang het geval, hetzij 5600 euro, hetzij 4800 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van dit verkooprecht.
Als er slechts voor sommige verkrijgers toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 5600 euro of 4800 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aan- deel van de betrokken verkrijgers in de totale aankoop. Als het door deze verkrijgers verschuldigde verkooprecht lager is dan het overeenkomstig breukdeel van, naargelang het geval, hetzij 5600 euro, hetzij 4800 euro, dan wordt de rechtenvermindering verlaagd tot het bedrag van het wettelijk aandeel van deze verkrijgers in het totale verschuldigde verkooprecht.
Als er slechts voor een deel van de verkrijging toepassing wordt gemaakt van het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, en als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 220.000 euro, wordt de rechtenvermindering van 5600 euro of 4800 euro herleid tot het breukdeel van deze bedragen dat overeenstemt met het aandeel van de verkrijging waarvoor het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, wordt toegepast.
Voor de onroerende goederen gelegen op het grondgebied van de kernsteden en de gemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel zoals bepaald in artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 8° en 9°, wordt de rechtenvermindering, vermeld in het eerste lid, toegestaan als de totale belastbare grondslag van het onroerend goed niet hoger is dan 240.000 euro.".
Art. 79. L'article 2.9.5.0.5 du même décret, inséré par le décret du 18 mai 2018 et modifié par le décret du 21 décembre 2018, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 2.9.5.0.5. § 1. Si le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa premier, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa premier, est appliqué à tous les acquéreurs, et si la base imposable totale du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, une réduction des droits est accordée de respectivement 2 800 euros ou 960 euros sur le total des droits qui ont été calculés sur l'acquisition. Si le droit de vente dû est inférieur, selon le cas, à 2800 euros ou à 960 euros, la réduction des droits est réduite jusqu'au montant de ce droit de vente.
Si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa premier, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa premier, n'est appliqué qu'à certains acquéreurs et que la base totale imposable du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, la réduction des droits de 2 800 euros ou 960 euros est ramenée à la fraction de ces montants qui correspond à la quote-part des acquéreurs concernés dans l'acquisition totale. Si le droit de vente payable par ces acquéreurs est inférieur à la fraction correspondante de, selon le cas, 2 800 euros ou 960 euros, la réduction des droits est réduite jusqu'au montant de la quote-part légale de ces acquéreurs dans le droit de vente total dû.
Si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa premier, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa premier, n'est appliqué qu'à une partie de l'acquisition, et que la base totale imposable du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, la réduction des droits de 2 800 euros ou 960 euros est ramenée à la fraction de ces montants qui correspond à la quote-part de l'acquisition à laquelle est appliqué le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa premier, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa premier.
Pour les biens immobiliers situés sur le territoire des villes noyaux et des communes de la périphérie flamande de Bruxelles, visées à l'article 1.1.0.0.2, alinéa douze, 8° et 9°, la réduction des droits, visée à l'alinéa premier, est accordée si la base imposable du bien immobilier n'excède pas 240 000 euros.
§ 2. Si le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq, est appliqué à tous les acquéreurs, et si la base imposable totale du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, une réduction des droits est accordée de respectivement 5 600 euros ou 4 800 euros sur le total des droits qui ont été calculés sur l'acquisition. Si le droit de vente dû est inférieur, selon le cas, à 5 600 euros ou à 4 800 euros, la réduction des droits est réduite jusqu'au montant de ce droit de vente.
Si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq, n'est appliqué qu'à certains acquéreurs et que la base totale imposable du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, la réduction des droits de 5 600 euros ou 4 800 euros est ramenée à la fraction de ces montants qui correspond à la quote-part des acquéreurs concernés dans l'acquisition totale. Si le droit de vente payable par ces acquéreurs est inférieur à la fraction correspondante de, selon le cas, 5 600 euros ou 4 800 euros, la réduction des droits est réduite jusqu'au montant de la quote-part légale de ces acquéreurs dans le droit de vente total dû.
Si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq, n'est appliqué qu'à une partie de l'acquisition, et que la base totale imposable du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, la réduction des droits de 5 600 euros ou 4 800 euros est ramenée à la fraction de ces montants qui correspond à la quote-part de l'acquisition à laquelle est appliqué le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq.
Pour les biens immobiliers situés sur le territoire des villes noyaux et des communes de la périphérie flamande de Bruxelles, visées à l'article 1.1.0.0.2, alinéa douze, 8° et 9°, la réduction des droits, visée à l'alinéa premier, est accordée si la base imposable du bien immobilier n'excède pas 240 000 euros. ".
" Art. 2.9.5.0.5. § 1. Si le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa premier, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa premier, est appliqué à tous les acquéreurs, et si la base imposable totale du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, une réduction des droits est accordée de respectivement 2 800 euros ou 960 euros sur le total des droits qui ont été calculés sur l'acquisition. Si le droit de vente dû est inférieur, selon le cas, à 2800 euros ou à 960 euros, la réduction des droits est réduite jusqu'au montant de ce droit de vente.
Si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa premier, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa premier, n'est appliqué qu'à certains acquéreurs et que la base totale imposable du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, la réduction des droits de 2 800 euros ou 960 euros est ramenée à la fraction de ces montants qui correspond à la quote-part des acquéreurs concernés dans l'acquisition totale. Si le droit de vente payable par ces acquéreurs est inférieur à la fraction correspondante de, selon le cas, 2 800 euros ou 960 euros, la réduction des droits est réduite jusqu'au montant de la quote-part légale de ces acquéreurs dans le droit de vente total dû.
Si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa premier, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa premier, n'est appliqué qu'à une partie de l'acquisition, et que la base totale imposable du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, la réduction des droits de 2 800 euros ou 960 euros est ramenée à la fraction de ces montants qui correspond à la quote-part de l'acquisition à laquelle est appliqué le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa premier, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa premier.
Pour les biens immobiliers situés sur le territoire des villes noyaux et des communes de la périphérie flamande de Bruxelles, visées à l'article 1.1.0.0.2, alinéa douze, 8° et 9°, la réduction des droits, visée à l'alinéa premier, est accordée si la base imposable du bien immobilier n'excède pas 240 000 euros.
§ 2. Si le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq, est appliqué à tous les acquéreurs, et si la base imposable totale du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, une réduction des droits est accordée de respectivement 5 600 euros ou 4 800 euros sur le total des droits qui ont été calculés sur l'acquisition. Si le droit de vente dû est inférieur, selon le cas, à 5 600 euros ou à 4 800 euros, la réduction des droits est réduite jusqu'au montant de ce droit de vente.
Si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq, n'est appliqué qu'à certains acquéreurs et que la base totale imposable du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, la réduction des droits de 5 600 euros ou 4 800 euros est ramenée à la fraction de ces montants qui correspond à la quote-part des acquéreurs concernés dans l'acquisition totale. Si le droit de vente payable par ces acquéreurs est inférieur à la fraction correspondante de, selon le cas, 5 600 euros ou 4 800 euros, la réduction des droits est réduite jusqu'au montant de la quote-part légale de ces acquéreurs dans le droit de vente total dû.
Si le tarif réduit, visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq, n'est appliqué qu'à une partie de l'acquisition, et que la base totale imposable du bien immobilier n'excède pas 220 000 euros, la réduction des droits de 5 600 euros ou 4 800 euros est ramenée à la fraction de ces montants qui correspond à la quote-part de l'acquisition à laquelle est appliqué le tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux, ou à l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq.
Pour les biens immobiliers situés sur le territoire des villes noyaux et des communes de la périphérie flamande de Bruxelles, visées à l'article 1.1.0.0.2, alinéa douze, 8° et 9°, la réduction des droits, visée à l'alinéa premier, est accordée si la base imposable du bien immobilier n'excède pas 240 000 euros. ".
Art. 80. In artikel 3.6.0.0.6 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2/1 worden de woorden "uiterlijk een jaar" vervangen door de woorden "uiterlijk twee jaar";
2° in paragraaf 3, eerste lid, wordt tussen de zinsnede "een woning in het Vlaamse Gewest," en de woorden "waarin hij op een ogenblik" de zinsnede "waarvan de authentieke aankoopakte voor 1 januari 2022 werd verleden, en" ingevoegd;
3° in paragraaf 3, eerste lid, wordt tussen de woorden "dat hij als zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt" en de zinsnede ", en, in geval van" de zinsnede "waarvan de akte uiterlijk op 31 december 2023 werd verleden" ingevoegd.
1° in paragraaf 2/1 worden de woorden "uiterlijk een jaar" vervangen door de woorden "uiterlijk twee jaar";
2° in paragraaf 3, eerste lid, wordt tussen de zinsnede "een woning in het Vlaamse Gewest," en de woorden "waarin hij op een ogenblik" de zinsnede "waarvan de authentieke aankoopakte voor 1 januari 2022 werd verleden, en" ingevoegd;
3° in paragraaf 3, eerste lid, wordt tussen de woorden "dat hij als zijn nieuwe hoofdverblijfplaats aanwendt of bestemt" en de zinsnede ", en, in geval van" de zinsnede "waarvan de akte uiterlijk op 31 december 2023 werd verleden" ingevoegd.
Art. 80. A l'article 3.6.0.0.6 du même décret, inséré par le décret du 19 décembre 2014 et modifié en dernier lieu par le décret du 21 décembre 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2/1, les mots " au plus tard un an " sont remplacés par les mots " au plus tard deux ans " ;
2° au paragraphe 3, alinéa premier, entre le membre de phrase " une habitation en Région flamande " et les mots " dans laquelle elle a eu à un moment " est inséré le membre de phrase " dont l'acte d'achat a été passé avant le 1er janvier 2022, et " ;
3° au paragraphe 3, alinéa premier, le membre de phrase " dont l'acte d'achat a été passé avant le 31 décembre 2023 " " est inséré entre les mots " qu'elle affecte ou destine à sa nouvelle résidence principale " et le membre de phrase " et attestant, en cas de partage " ;
1° au paragraphe 2/1, les mots " au plus tard un an " sont remplacés par les mots " au plus tard deux ans " ;
2° au paragraphe 3, alinéa premier, entre le membre de phrase " une habitation en Région flamande " et les mots " dans laquelle elle a eu à un moment " est inséré le membre de phrase " dont l'acte d'achat a été passé avant le 1er janvier 2022, et " ;
3° au paragraphe 3, alinéa premier, le membre de phrase " dont l'acte d'achat a été passé avant le 31 décembre 2023 " " est inséré entre les mots " qu'elle affecte ou destine à sa nouvelle résidence principale " et le membre de phrase " et attestant, en cas de partage " ;
Art. 81. In artikel 3.12.3.0.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 4°, wordt de zinsnede "artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13, artikel 2.9.4.2.14," vervangen door de zinsnede "artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, artikel 2.9.4.2.13, artikel 2.9.4.2.14, artikel 2.9.4.2.15";
2° in paragraaf 3, vijfde lid, 2°, worden de woorden "een jaar" vervangen door de woorden "twee jaar";
3° in paragraaf 3, vijfde en zesde lid, wordt de zinsnede "artikel 2.9.4.2.11, § 1" telkens vervangen door de zinsnede "artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid";
4° in paragraaf 3, zevende lid, wordt de zinsnede "artikel 2.9.4.2.12, § 1, de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 1, derde lid," vervangen door de zinsnede "artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 1, derde lid,";
5° in paragraaf 3, achtste lid, worden de woorden "een jaar" vervangen door de woorden "twee jaar";
6° in paragraaf 3, achtste en negende lid, wordt de zinsnede "artikel 2.9.4.2.12, § 1" telkens vervangen door de zinsnede "artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid";
7° in paragraaf 3, tiende lid, worden de woorden "een jaar" vervangen door de woorden "twee jaar";
8° aan paragraaf 3 wordt een twaalfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Als de partijen de toepassing van het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.15, § 1, van dit decreet, inroepen voor de aankoop van een onbebouwd onroerend goed, wordt bij de akte, vermeld in paragraaf 1, een afschrift van de beslissing tot goedkeuring van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 5°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu toegevoegd.".
1° in paragraaf 1, 4°, wordt de zinsnede "artikel 2.9.4.2.11, artikel 2.9.4.2.12, artikel 2.9.4.2.13, artikel 2.9.4.2.14," vervangen door de zinsnede "artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid, artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, artikel 2.9.4.2.13, artikel 2.9.4.2.14, artikel 2.9.4.2.15";
2° in paragraaf 3, vijfde lid, 2°, worden de woorden "een jaar" vervangen door de woorden "twee jaar";
3° in paragraaf 3, vijfde en zesde lid, wordt de zinsnede "artikel 2.9.4.2.11, § 1" telkens vervangen door de zinsnede "artikel 2.9.4.2.11, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.11, § 1, tweede lid";
4° in paragraaf 3, zevende lid, wordt de zinsnede "artikel 2.9.4.2.12, § 1, de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 1, derde lid," vervangen door de zinsnede "artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid, de toepassing van artikel 2.9.4.2.12, § 1, derde lid,";
5° in paragraaf 3, achtste lid, worden de woorden "een jaar" vervangen door de woorden "twee jaar";
6° in paragraaf 3, achtste en negende lid, wordt de zinsnede "artikel 2.9.4.2.12, § 1" telkens vervangen door de zinsnede "artikel 2.9.4.2.12, § 1, eerste lid, of artikel 2.9.4.2.12, § 1, vijfde lid";
7° in paragraaf 3, tiende lid, worden de woorden "een jaar" vervangen door de woorden "twee jaar";
8° aan paragraaf 3 wordt een twaalfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Als de partijen de toepassing van het verlaagd tarief, vermeld in artikel 2.9.4.2.15, § 1, van dit decreet, inroepen voor de aankoop van een onbebouwd onroerend goed, wordt bij de akte, vermeld in paragraaf 1, een afschrift van de beslissing tot goedkeuring van het natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 5°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu toegevoegd.".
Art. 81. A l'article 3.12.3.0.1 du même décret, inséré par le décret du 19 décembre 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1, 4°, le membre de phrase " l'article 2.9.4.2.11, l'article 2.9.4.2.12, l'article 2.9.4.2.13, l'article 2.9.4.2.14, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa premier, l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux, l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa premier, l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq, l'article 2.9.4.2.13, l'article 2.9.4.2.14, l'article 2.9.4.2.15, " ;
2° au paragraphe 3, alinéa cinq, 2°, les mots " un an " sont remplacés par les mots " deux ans " ;
3° au paragraphe 3, alinéas cinq et six, le membre de phrase " l'article 2.9.4.2.11, § 1er " est à chaque fois remplacé par le membre de phrase " l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa premier ou l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux ; " ;
4° au paragraphe 3, alinéa sept, le membre de phrase " l'article 2.9.4.2.12, § 1er, les parties invoquent l'application de l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa trois, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa premier, ou l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq, les parties invoquent l'application de l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa trois " ;
5° au paragraphe 3, alinéa huit, les mots " un an " sont remplacés par les mots " deux ans " ;
6° au paragraphe 3, alinéas huit et neuf, le membre de phrase " l'article 2.9.4.2.12, § 1er " est à chaque fois remplacé par le membre de phrase " l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa premier ou l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq " ;
7° au paragraphe 3, alinéa dix, les mots " un an " sont remplacés par les mots " deux ans " ;
8° au paragraphe 3, est ajouté un alinéa douze, énoncé comme suit:
" Lorsque les parties invoquent l'application du tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.15, § 1, du présent décret, pour l'acquisition d'un bien immobilier non bâti, une copie de la décision d'approbation du plan de gestion de la nature visée à l'article 16octies, § 1, alinéa premier, 5°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel est jointe à l'acte visé au paragraphe 1. ".
1° au paragraphe 1, 4°, le membre de phrase " l'article 2.9.4.2.11, l'article 2.9.4.2.12, l'article 2.9.4.2.13, l'article 2.9.4.2.14, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa premier, l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux, l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa premier, l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq, l'article 2.9.4.2.13, l'article 2.9.4.2.14, l'article 2.9.4.2.15, " ;
2° au paragraphe 3, alinéa cinq, 2°, les mots " un an " sont remplacés par les mots " deux ans " ;
3° au paragraphe 3, alinéas cinq et six, le membre de phrase " l'article 2.9.4.2.11, § 1er " est à chaque fois remplacé par le membre de phrase " l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa premier ou l'article 2.9.4.2.11, § 1, alinéa deux ; " ;
4° au paragraphe 3, alinéa sept, le membre de phrase " l'article 2.9.4.2.12, § 1er, les parties invoquent l'application de l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa trois, " est remplacé par le membre de phrase " l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa premier, ou l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq, les parties invoquent l'application de l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa trois " ;
5° au paragraphe 3, alinéa huit, les mots " un an " sont remplacés par les mots " deux ans " ;
6° au paragraphe 3, alinéas huit et neuf, le membre de phrase " l'article 2.9.4.2.12, § 1er " est à chaque fois remplacé par le membre de phrase " l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa premier ou l'article 2.9.4.2.12, § 1, alinéa cinq " ;
7° au paragraphe 3, alinéa dix, les mots " un an " sont remplacés par les mots " deux ans " ;
8° au paragraphe 3, est ajouté un alinéa douze, énoncé comme suit:
" Lorsque les parties invoquent l'application du tarif réduit visé à l'article 2.9.4.2.15, § 1, du présent décret, pour l'acquisition d'un bien immobilier non bâti, une copie de la décision d'approbation du plan de gestion de la nature visée à l'article 16octies, § 1, alinéa premier, 5°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel est jointe à l'acte visé au paragraphe 1. ".
HOOFDSTUK 7. - Werk en Sociale Economie
CHAPITRE 7. - Domaine politique de l'Emploi et de l'Economie sociale
Art. 82. § 1. De Vlaamse Regering kan binnen de perken van de relanceprovisie lokale partnerschappen ondersteunen die tot doel hebben om het risico op digitale uitsluiting of achterstand van volwassen personen te verminderen.
De projectondersteuning is gericht op gewest- en gemeenschapsbevoegdheden die al de volgende doelstellingen omvatten:
1° toegang verlenen tot digitale technologieën via het voorwaardelijk ter beschikking stellen van laptops, beeldschermen en diverse hardware;
2° via opleiding en kennisdeling persoonlijke of technische digitale vaardigheden aanleren;
3° via begeleiding een verbeterde digitale toegang tot essentiële maatschappelijke diensten aanreiken.
§ 2. [1 De projectondersteuning loopt uiterlijk tot 31 juli 2026.]1
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor de projectondersteuning nader.
§ 4. Het toezicht en de controle op de uitvoering van de projectondersteuning gebeuren conform het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht.
De projectondersteuning is gericht op gewest- en gemeenschapsbevoegdheden die al de volgende doelstellingen omvatten:
1° toegang verlenen tot digitale technologieën via het voorwaardelijk ter beschikking stellen van laptops, beeldschermen en diverse hardware;
2° via opleiding en kennisdeling persoonlijke of technische digitale vaardigheden aanleren;
3° via begeleiding een verbeterde digitale toegang tot essentiële maatschappelijke diensten aanreiken.
§ 2. [1 De projectondersteuning loopt uiterlijk tot 31 juli 2026.]1
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor de projectondersteuning nader.
§ 4. Het toezicht en de controle op de uitvoering van de projectondersteuning gebeuren conform het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht.
Modifications
Art. 82. § 1er. Le Gouvernement flamand peut, dans les limites de la provision de relance, soutenir les partenariats locaux qui visent à réduire le risque d'exclusion numérique ou de retard des personnes adultes.
Le soutien du projet est axé sur les compétences régionales et communautaires qui comprennent l'ensemble des objectifs suivants :
1° fournir un accès aux technologies numériques par la mise à disposition conditionnelle d'ordinateurs portables, d'écrans et de matériel informatique divers ;
2° acquérir des compétences numériques personnelles ou techniques grâce à la formation et au partage des connaissances ;
3° fournir un meilleur accès numérique aux services sociaux essentiels par le biais d'un accompagnement.
§ 2. [1 Le soutien du projet court jusqu'au 31 juillet 2026 au plus tard.]1
§ 3. Le Gouvernement flamand en fixe les modalités.
§ 4. La surveillance et le contrôle de l'exécution du soutien du projet sont effectués conformément au décret du 30 avril 2004 relatif au contrôle des lois sociales.
Le soutien du projet est axé sur les compétences régionales et communautaires qui comprennent l'ensemble des objectifs suivants :
1° fournir un accès aux technologies numériques par la mise à disposition conditionnelle d'ordinateurs portables, d'écrans et de matériel informatique divers ;
2° acquérir des compétences numériques personnelles ou techniques grâce à la formation et au partage des connaissances ;
3° fournir un meilleur accès numérique aux services sociaux essentiels par le biais d'un accompagnement.
§ 2. [1 Le soutien du projet court jusqu'au 31 juillet 2026 au plus tard.]1
§ 3. Le Gouvernement flamand en fixe les modalités.
§ 4. La surveillance et le contrôle de l'exécution du soutien du projet sont effectués conformément au décret du 30 avril 2004 relatif au contrôle des lois sociales.
Modifications
HOOFDSTUK 8. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 8. - Entrée en vigueur
Art. 83. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2022, met uitzondering van:
1° artikel 23 tot en met 25 en 27 tot en met 29, die in werking treden tien dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad;
2° artikel 59 tot en met 61 en 65 tot en met 67, die in werking treden op 1 september 2022;
3° artikel 62 dat in werking treedt op 1 september 2022. Artikel 15, § 2, laatste lid, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, ingevoegd bij artikel 62, heeft uitwerking vanaf de datum dat de pedagogische begeleidingsdiensten en de permanente ondersteuningscellen het jaarlijkse rapport indienen voor het schooljaar 2022-2023.
Artikel 57 heeft uitwerking vanaf 1 september 2021.
Artikel 69 heeft uitwerking vanaf 1 november 2021.
Artikel 74 tot en met 76 en 78 tot en met 80 zijn van toepassing op overeenkomsten houdende zuivere aankoop gesloten vanaf 1 januari 2022, of, in afwijking daarvan, op authentieke akten verleden vanaf 1 januari 2022, wanneer de overeenkomsten houdende zuivere aankoop waarop de akten betrekking hebben, gesloten zijn voor 1 januari 2022.
1° artikel 23 tot en met 25 en 27 tot en met 29, die in werking treden tien dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad;
2° artikel 59 tot en met 61 en 65 tot en met 67, die in werking treden op 1 september 2022;
3° artikel 62 dat in werking treedt op 1 september 2022. Artikel 15, § 2, laatste lid, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, ingevoegd bij artikel 62, heeft uitwerking vanaf de datum dat de pedagogische begeleidingsdiensten en de permanente ondersteuningscellen het jaarlijkse rapport indienen voor het schooljaar 2022-2023.
Artikel 57 heeft uitwerking vanaf 1 september 2021.
Artikel 69 heeft uitwerking vanaf 1 november 2021.
Artikel 74 tot en met 76 en 78 tot en met 80 zijn van toepassing op overeenkomsten houdende zuivere aankoop gesloten vanaf 1 januari 2022, of, in afwijking daarvan, op authentieke akten verleden vanaf 1 januari 2022, wanneer de overeenkomsten houdende zuivere aankoop waarop de akten betrekking hebben, gesloten zijn voor 1 januari 2022.
Art. 83. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2022, à l'exception :
1° des articles 23 à 25 et des articles 27 à 29 qui entrent en vigueur dix jours après leur publication au Moniteur belge ;
2° des articles 59 à 61 inclus et 65 à 67 inclus, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2022 ;
3° de l'article 62, qui entre en vigueur le 1er septembre 2022 ; L'article 15, § 2, dernier alinéa, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, inséré par l'article 62, produit ses effets à la date à laquelle les services d'encadrement pédagogique et les cellules permanentes d'appui remettent le rapport annuel pour l'année scolaire 2022-2023.
L'article 57 produit ses effets à partir du 1er septembre 2021.
L'article 69 produit ses effets à partir du 1er novembre 2021.
Les articles 74 à 76 et 78 à 80 s'appliquent aux contrats d'acquisition pure conclus à partir du 1er janvier 2022 ou, par dérogation, aux actes authentiques passés à partir du 1er janvier 2022, lorsque les contrats d'acquisition pure auxquels ces actes se rapportent ont été conclus avant le 1er janvier 2022.
1° des articles 23 à 25 et des articles 27 à 29 qui entrent en vigueur dix jours après leur publication au Moniteur belge ;
2° des articles 59 à 61 inclus et 65 à 67 inclus, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2022 ;
3° de l'article 62, qui entre en vigueur le 1er septembre 2022 ; L'article 15, § 2, dernier alinéa, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, inséré par l'article 62, produit ses effets à la date à laquelle les services d'encadrement pédagogique et les cellules permanentes d'appui remettent le rapport annuel pour l'année scolaire 2022-2023.
L'article 57 produit ses effets à partir du 1er septembre 2021.
L'article 69 produit ses effets à partir du 1er novembre 2021.
Les articles 74 à 76 et 78 à 80 s'appliquent aux contrats d'acquisition pure conclus à partir du 1er janvier 2022 ou, par dérogation, aux actes authentiques passés à partir du 1er janvier 2022, lorsque les contrats d'acquisition pure auxquels ces actes se rapportent ont été conclus avant le 1er janvier 2022.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-12-2021, p. 126012)
Art. N. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-12-2021, p. 126030)