Artikel 1. Aan artikel 5.123 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 2. De aanvrager is op de referentiedatum bij het aangaan van de lening ingeschreven in de bevolkingsregisters, vermeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 1°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, of is op dat tijdstip ingeschreven op een referentieadres als vermeld in artikel 1, § 2, van de voormelde wet.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
22 OKTOBER 2021. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, wat betreft de bijzondere sociale leningen
Titre
22 OCTOBRE 2021. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'Arrêté relatif au Code flamand du Logement de 2021, en ce qui concerne les prêts sociaux spéciaux
Informations sur le document
Info du document
Tekst (6)
Texte (6)
Article 1er. L'article 5.123 de l'Arrêté relatif au Code flamand du Logement de 2021, dont le texte existant formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. A la date de référence lors de la conclusion du prêt, le demandeur est inscrit dans les registres de la population, visés à l'article 1, § 1, alinéa premier, 1° de la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes d'étranger et aux documents de séjour ou, à ce moment-là, il est inscrit à une adresse de référence, visée à l'article 1, § 2 de la loi précitée. ".
" § 2. A la date de référence lors de la conclusion du prêt, le demandeur est inscrit dans les registres de la population, visés à l'article 1, § 1, alinéa premier, 1° de la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes d'étranger et aux documents de séjour ou, à ce moment-là, il est inscrit à une adresse de référence, visée à l'article 1, § 2 de la loi précitée. ".
Art. 2. In artikel 5.130, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt het woord "twee" vervangen door het woord "drie".
Art. 2. Dans l'article 5.130, alinéa deux, du même arrêté, le mot " deux " est remplacé par le mot " trois ".
Art. 3. In hetzelfde besluit wordt een artikel 5.135/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 5.135/1. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
1° appartement: in afwijking van artikel 1.2, eerste lid, 11°, een zelfstandige woning in een gebouw waarin zich minimaal twee zelfstandige woningen in verschillende bouwlagen boven elkaar bevinden;
2° energielabel: het label dat de energieprestatie van een woning aangeeft en dat blijkt uit een energieprestatiecertificaat;
3° energieprestatiecertificaat: het energieprestatiecertificaat, vermeld in artikel 9.2.1 van het Energiebesluit van 19 november 2010;
4° niet-energiezuinige eengezinswoning of appartement: een eengezinswoning met een energielabel E of F die in het Vlaamse Gewest ligt en een appartement met een energielabel D, E of F dat in het Vlaamse Gewest ligt, en waarbij dat energielabel blijkt uit een energieprestatiecertificaat dat niet ouder is dan 2019.
§ 2. De kredietgever is er toe gemachtigd om binnen de beschikbare begrotingskredieten een energetische renovatielening toe te kennen samen met de lening, vermeld in punt 1°, aan natuurlijke personen die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° ze verwerven met een lening, vermeld in artikel 5.117, eerste lid, 4°, de volle eigendom van een niet-energiezuinige eengezinswoning of een niet-energiezuinig appartement waarvoor de authentieke akte is verleden na 31 december 2020 maar vóór 1 januari 2025;
2° ze verbinden zich tot de grondige energetische renovatie van de eengezinswoning of het appartement, vermeld in punt 1°.
§ 3. De energetische renovatielening heeft een rentevoet van 0% als de ontlener de voorwaarden, vermeld in deze paragraaf, naleeft.
De ontlener realiseert de grondige energetische renovatie van de niet-energiezuinige eengezinswoning of het niet-energiezuinig appartement.
Tegenover de toekenning van een energetische renovatielening met een bedrag van maximaal 30.000 euro verbindt de ontlener zich ertoe om binnen vijf jaar na de datum van de verwerving van de eengezinswoning of het appartement de niet-energiezuinige eengezinswoning energetisch te renoveren tot minstens energielabel C en het niet-energiezuinige appartement tot minstens energielabel B.
Tegenover de toekenning van de energetische renovatielening met een bedrag van maximaal 45.000 euro verbindt de ontlener zich ertoe om binnen vijf jaar na de datum van de verwerving van de eengezinswoning of het appartement de niet-energiezuinige eengezinswoning energetisch te renoveren tot minstens energielabel B en het niet-energiezuinige appartement tot minstens energielabel A.
Tegenover de toekenning van een energetische renovatielening met een bedrag van maximaal 60.000 euro verbindt de ontlener zich ertoe om binnen vijf jaar na de datum van de verwerving van de eengezinswoning de niet-energiezuinige eengezinswoning energetisch te renoveren tot minstens energielabel A.
Met behoud van de toepassing van de termijn van drie jaar, vermeld in artikel 5.130, tweede lid, legt de ontlener binnen vijf jaar na de datum van de authentieke akte van verwerving van de niet-energiezuinige eengezinswoning of het niet-energiezuinige appartement een nieuw energieprestatiecertificaat voor aan de kredietgever.
§ 4. Als de ontlener de voorwaarden, vermeld in paragraaf 3, niet naleeft, is hij op de energetische renovatielening een intrest verschuldigd die gelijk is aan de referentierentevoet bij het aangaan van de lening, vermeld in artikel 5.117, eerste lid, 4°, verhoogd met twee procentpunten.
De kredietgever brengt de ontlener op de hoogte van de toekomstige maandelijks te betalen aflossing van de energetische renovatielening, verhoogd met de intrest, en vordert het genoten voordeel terug. De kredietgever vordert het genoten voordeel niet terug bij een vervroegde terugbetaling van de lening als gevolg van het overlijden van de ontlener of als gevolg van overmacht.
In afwijking van het tweede lid vordert de kredietgever alleen een percentage van het genoten voordeel terug. Dat percentage bedraagt:
1° 25% als de ontlener zich ertoe heeft verbonden energielabel A te behalen na de grondige energetische renovatie, maar slechts energielabel B heeft behaald, of als de ontlener zich ertoe heeft verbonden energielabel B te behalen na de grondige energetische renovatie, maar slechts energielabel C heeft behaald;
2° 50% als de ontlener zich ertoe heeft verbonden energielabel A te behalen na de grondige energetische renovatie, maar slechts energielabel C heeft behaald.
§ 5. Bij de toekenning van een energetische renovatielening zijn artikel 5.117 tot en met 5.123, artikel 5.125, artikel 5.127 tot en met 5.132 en artikel 5.135 en 5.136 van toepassing.
In afwijking van artikel 5.119 wordt de maximale verkoopwaarde van de eengezinswoning of het appartement verhoogd met 50% van de kostprijs van de werken die worden gefinancierd met de energetische renovatielening.
In afwijking van artikel 5.127 bedraagt de duur van de energetische renovatielening ten hoogste driehonderd maanden. De duur van de energetische renovatielening is niet langer dan de duur van de lening, vermeld in artikel 5.117, eerste lid, 4°. ".
"Art. 5.135/1. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
1° appartement: in afwijking van artikel 1.2, eerste lid, 11°, een zelfstandige woning in een gebouw waarin zich minimaal twee zelfstandige woningen in verschillende bouwlagen boven elkaar bevinden;
2° energielabel: het label dat de energieprestatie van een woning aangeeft en dat blijkt uit een energieprestatiecertificaat;
3° energieprestatiecertificaat: het energieprestatiecertificaat, vermeld in artikel 9.2.1 van het Energiebesluit van 19 november 2010;
4° niet-energiezuinige eengezinswoning of appartement: een eengezinswoning met een energielabel E of F die in het Vlaamse Gewest ligt en een appartement met een energielabel D, E of F dat in het Vlaamse Gewest ligt, en waarbij dat energielabel blijkt uit een energieprestatiecertificaat dat niet ouder is dan 2019.
§ 2. De kredietgever is er toe gemachtigd om binnen de beschikbare begrotingskredieten een energetische renovatielening toe te kennen samen met de lening, vermeld in punt 1°, aan natuurlijke personen die voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° ze verwerven met een lening, vermeld in artikel 5.117, eerste lid, 4°, de volle eigendom van een niet-energiezuinige eengezinswoning of een niet-energiezuinig appartement waarvoor de authentieke akte is verleden na 31 december 2020 maar vóór 1 januari 2025;
2° ze verbinden zich tot de grondige energetische renovatie van de eengezinswoning of het appartement, vermeld in punt 1°.
§ 3. De energetische renovatielening heeft een rentevoet van 0% als de ontlener de voorwaarden, vermeld in deze paragraaf, naleeft.
De ontlener realiseert de grondige energetische renovatie van de niet-energiezuinige eengezinswoning of het niet-energiezuinig appartement.
Tegenover de toekenning van een energetische renovatielening met een bedrag van maximaal 30.000 euro verbindt de ontlener zich ertoe om binnen vijf jaar na de datum van de verwerving van de eengezinswoning of het appartement de niet-energiezuinige eengezinswoning energetisch te renoveren tot minstens energielabel C en het niet-energiezuinige appartement tot minstens energielabel B.
Tegenover de toekenning van de energetische renovatielening met een bedrag van maximaal 45.000 euro verbindt de ontlener zich ertoe om binnen vijf jaar na de datum van de verwerving van de eengezinswoning of het appartement de niet-energiezuinige eengezinswoning energetisch te renoveren tot minstens energielabel B en het niet-energiezuinige appartement tot minstens energielabel A.
Tegenover de toekenning van een energetische renovatielening met een bedrag van maximaal 60.000 euro verbindt de ontlener zich ertoe om binnen vijf jaar na de datum van de verwerving van de eengezinswoning de niet-energiezuinige eengezinswoning energetisch te renoveren tot minstens energielabel A.
Met behoud van de toepassing van de termijn van drie jaar, vermeld in artikel 5.130, tweede lid, legt de ontlener binnen vijf jaar na de datum van de authentieke akte van verwerving van de niet-energiezuinige eengezinswoning of het niet-energiezuinige appartement een nieuw energieprestatiecertificaat voor aan de kredietgever.
§ 4. Als de ontlener de voorwaarden, vermeld in paragraaf 3, niet naleeft, is hij op de energetische renovatielening een intrest verschuldigd die gelijk is aan de referentierentevoet bij het aangaan van de lening, vermeld in artikel 5.117, eerste lid, 4°, verhoogd met twee procentpunten.
De kredietgever brengt de ontlener op de hoogte van de toekomstige maandelijks te betalen aflossing van de energetische renovatielening, verhoogd met de intrest, en vordert het genoten voordeel terug. De kredietgever vordert het genoten voordeel niet terug bij een vervroegde terugbetaling van de lening als gevolg van het overlijden van de ontlener of als gevolg van overmacht.
In afwijking van het tweede lid vordert de kredietgever alleen een percentage van het genoten voordeel terug. Dat percentage bedraagt:
1° 25% als de ontlener zich ertoe heeft verbonden energielabel A te behalen na de grondige energetische renovatie, maar slechts energielabel B heeft behaald, of als de ontlener zich ertoe heeft verbonden energielabel B te behalen na de grondige energetische renovatie, maar slechts energielabel C heeft behaald;
2° 50% als de ontlener zich ertoe heeft verbonden energielabel A te behalen na de grondige energetische renovatie, maar slechts energielabel C heeft behaald.
§ 5. Bij de toekenning van een energetische renovatielening zijn artikel 5.117 tot en met 5.123, artikel 5.125, artikel 5.127 tot en met 5.132 en artikel 5.135 en 5.136 van toepassing.
In afwijking van artikel 5.119 wordt de maximale verkoopwaarde van de eengezinswoning of het appartement verhoogd met 50% van de kostprijs van de werken die worden gefinancierd met de energetische renovatielening.
In afwijking van artikel 5.127 bedraagt de duur van de energetische renovatielening ten hoogste driehonderd maanden. De duur van de energetische renovatielening is niet langer dan de duur van de lening, vermeld in artikel 5.117, eerste lid, 4°. ".
Art. 3. Dans le même arrêté, il est inséré un article 5.135/1, rédigé comme suit :
" Art. 5.135/1. § 1. Dans le présent article, on entend par :
1° appartement : par dérogation à l'article 1.2, alinéa premier, 11°, une habitation indépendante dans un bâtiment dans lequel se trouvent au moins deux habitations indépendantes l'une au-dessus de l'autre à différents niveaux de construction ;
2° label énergétique : le label qui indique la performance énergétique d'une habitation et est attesté par un certificat de performance énergétique;
3° certificat de performance énergétique : le certificat de performance énergétique, visé à l'article 9.2.1 de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010 ;
4° maison unifamiliale ou appartement non économe en énergie : une maison unifamiliale avec un label énergétique E ou F située en Région flamande, et un appartement avec un label énergétique D, E ou F situé en Région flamande, ce label énergétique étant attesté par un certificat de performance énergétique datant de 2019 au plus tard.
§ 2. Le prêteur est autorisé à accorder, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, un prêt à la rénovation énergétique combiné avec le prêt visé au point 1°, aux personnes physiques qui répondent aux conditions suivantes :
1° à l'aide d'un prêt, visé à l'article 5.117, alinéa premier, 4°, elles acquièrent la pleine propriété d'une maison unifamiliale non économe en énergie ou d'un appartement non économe en énergie dont l'acte authentique a été passé après le 31 décembre 2020 mais avant le 1er janvier 2025 ;
2° elles s'engagent à la rénovation énergétique approfondie de la maison unifamiliale ou de l'appartement, visés au point 1°.
§ 3. Le prêt à la rénovation énergétique a un taux d'intérêt de 0% si l'emprunteur respecte les conditions visées au présent paragraphe.
L'emprunteur réalise la rénovation énergétique approfondie de la maison unifamiliale non économe en énergie ou de l'appartement non économe en énergie.
En échange de l'octroi d'un prêt à la rénovation énergétique d'un montant maximal de 30.000 euros, l'emprunteur s'engage à rénover énergétiquement la maison unifamiliale non économe en énergie au moins jusqu'au label énergétique C, et l'appartement non économe en énergie au moins jusqu'au label énergétique B, et ce dans les cinq ans suivant la date de l'acquisition de la maison unifamiliale ou de l'appartement.
En échange de l'octroi d'un prêt à la rénovation énergétique d'un montant maximal de 45.000 euros, l'emprunteur s'engage à rénover énergétiquement la maison unifamiliale non économe en énergie au moins jusqu'au label énergétique B, et l'appartement non économe en énergie au moins jusqu'au label énergétique A, et ce dans les cinq ans suivant la date de l'acquisition de la maison unifamiliale ou de l'appartement.
En échange de l'octroi d'un prêt à la rénovation énergétique d'un montant maximal de 60.000 euros, l'emprunteur s'engage à rénover énergétiquement la maison unifamiliale non économe en énergie au moins jusqu'au label énergétique A, et ce dans les cinq ans suivant la date de l'acquisition de la maison unifamiliale.
Sans préjudice de l'application du délai de trois ans, visé à l'article 5.130, alinéa deux, l'emprunteur soumet un nouveau certificat de performance énergétique au prêteur dans les cinq ans suivant la date de l'acte authentique de l'acquisition de la maison unifamiliale non économe en énergie ou de l'appartement non économe en énergie.
§ 4. Si l'emprunteur ne respecte pas les conditions visées au paragraphe 3, il est redevable d'un intérêt sur le prêt à la rénovation énergétique, égal au taux d'intérêt de référence lors de la conclusion du prêt, visé à l'article 5.117, alinéa premier, 4°, majoré de deux points de pourcentage.
Le prêteur informe l'emprunteur de l'amortissement mensuel futur du prêt à la rénovation énergétique, majoré de l'intérêt, et recouvre l'avantage dont l'emprunteur a bénéficié. Le prêteur ne recouvre pas l'avantage dont l'emprunteur a bénéficié en cas de remboursement anticipé du prêt à la suite du décès de l'emprunteur ou pour cause de force majeure.
Par dérogation à l'alinéa deux, le prêteur ne recouvre qu'un pourcentage de l'avantage dont l'emprunteur a bénéficié. Ce pourcentage s'élève à :
1° 25 % si l'emprunteur s'est engagé à obtenir le label énergétique A après la rénovation énergétique approfondie, mais n'a obtenu que le label énergétique B, ou si l'emprunteur s'est engagé à obtenir le label énergétique B après la rénovation énergétique approfondie, mais n'a obtenu que le label énergétique C ;
2° 50 % si l'emprunteur s'est engagé à obtenir le label énergétique A après la rénovation énergétique approfondie, mais n'a obtenu que le label énergétique C.
§ 5. Lors de l'octroi d'un prêt à la rénovation énergétique, les articles 5.117 à 5.123, l'article 5.125, les articles 5.127 à 5.132 et les articles 5.135 et 5.136 s'appliquent.
Par dérogation à l'article 5.119, la valeur vénale maximale de la maison unifamiliale ou de l'appartement est majorée de 50 % des coûts des travaux financés par le prêt à la rénovation énergétique.
Par dérogation à l'article 5.127, la durée du prêt à la rénovation énergétique est de trois cent mois au maximum. La durée du prêt à la rénovation énergétique ne dépasse pas la durée du prêt, visé à l'article 5.117, alinéa premier, 4°. ".
" Art. 5.135/1. § 1. Dans le présent article, on entend par :
1° appartement : par dérogation à l'article 1.2, alinéa premier, 11°, une habitation indépendante dans un bâtiment dans lequel se trouvent au moins deux habitations indépendantes l'une au-dessus de l'autre à différents niveaux de construction ;
2° label énergétique : le label qui indique la performance énergétique d'une habitation et est attesté par un certificat de performance énergétique;
3° certificat de performance énergétique : le certificat de performance énergétique, visé à l'article 9.2.1 de l'arrêté relatif à l'énergie du 19 novembre 2010 ;
4° maison unifamiliale ou appartement non économe en énergie : une maison unifamiliale avec un label énergétique E ou F située en Région flamande, et un appartement avec un label énergétique D, E ou F situé en Région flamande, ce label énergétique étant attesté par un certificat de performance énergétique datant de 2019 au plus tard.
§ 2. Le prêteur est autorisé à accorder, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, un prêt à la rénovation énergétique combiné avec le prêt visé au point 1°, aux personnes physiques qui répondent aux conditions suivantes :
1° à l'aide d'un prêt, visé à l'article 5.117, alinéa premier, 4°, elles acquièrent la pleine propriété d'une maison unifamiliale non économe en énergie ou d'un appartement non économe en énergie dont l'acte authentique a été passé après le 31 décembre 2020 mais avant le 1er janvier 2025 ;
2° elles s'engagent à la rénovation énergétique approfondie de la maison unifamiliale ou de l'appartement, visés au point 1°.
§ 3. Le prêt à la rénovation énergétique a un taux d'intérêt de 0% si l'emprunteur respecte les conditions visées au présent paragraphe.
L'emprunteur réalise la rénovation énergétique approfondie de la maison unifamiliale non économe en énergie ou de l'appartement non économe en énergie.
En échange de l'octroi d'un prêt à la rénovation énergétique d'un montant maximal de 30.000 euros, l'emprunteur s'engage à rénover énergétiquement la maison unifamiliale non économe en énergie au moins jusqu'au label énergétique C, et l'appartement non économe en énergie au moins jusqu'au label énergétique B, et ce dans les cinq ans suivant la date de l'acquisition de la maison unifamiliale ou de l'appartement.
En échange de l'octroi d'un prêt à la rénovation énergétique d'un montant maximal de 45.000 euros, l'emprunteur s'engage à rénover énergétiquement la maison unifamiliale non économe en énergie au moins jusqu'au label énergétique B, et l'appartement non économe en énergie au moins jusqu'au label énergétique A, et ce dans les cinq ans suivant la date de l'acquisition de la maison unifamiliale ou de l'appartement.
En échange de l'octroi d'un prêt à la rénovation énergétique d'un montant maximal de 60.000 euros, l'emprunteur s'engage à rénover énergétiquement la maison unifamiliale non économe en énergie au moins jusqu'au label énergétique A, et ce dans les cinq ans suivant la date de l'acquisition de la maison unifamiliale.
Sans préjudice de l'application du délai de trois ans, visé à l'article 5.130, alinéa deux, l'emprunteur soumet un nouveau certificat de performance énergétique au prêteur dans les cinq ans suivant la date de l'acte authentique de l'acquisition de la maison unifamiliale non économe en énergie ou de l'appartement non économe en énergie.
§ 4. Si l'emprunteur ne respecte pas les conditions visées au paragraphe 3, il est redevable d'un intérêt sur le prêt à la rénovation énergétique, égal au taux d'intérêt de référence lors de la conclusion du prêt, visé à l'article 5.117, alinéa premier, 4°, majoré de deux points de pourcentage.
Le prêteur informe l'emprunteur de l'amortissement mensuel futur du prêt à la rénovation énergétique, majoré de l'intérêt, et recouvre l'avantage dont l'emprunteur a bénéficié. Le prêteur ne recouvre pas l'avantage dont l'emprunteur a bénéficié en cas de remboursement anticipé du prêt à la suite du décès de l'emprunteur ou pour cause de force majeure.
Par dérogation à l'alinéa deux, le prêteur ne recouvre qu'un pourcentage de l'avantage dont l'emprunteur a bénéficié. Ce pourcentage s'élève à :
1° 25 % si l'emprunteur s'est engagé à obtenir le label énergétique A après la rénovation énergétique approfondie, mais n'a obtenu que le label énergétique B, ou si l'emprunteur s'est engagé à obtenir le label énergétique B après la rénovation énergétique approfondie, mais n'a obtenu que le label énergétique C ;
2° 50 % si l'emprunteur s'est engagé à obtenir le label énergétique A après la rénovation énergétique approfondie, mais n'a obtenu que le label énergétique C.
§ 5. Lors de l'octroi d'un prêt à la rénovation énergétique, les articles 5.117 à 5.123, l'article 5.125, les articles 5.127 à 5.132 et les articles 5.135 et 5.136 s'appliquent.
Par dérogation à l'article 5.119, la valeur vénale maximale de la maison unifamiliale ou de l'appartement est majorée de 50 % des coûts des travaux financés par le prêt à la rénovation énergétique.
Par dérogation à l'article 5.127, la durée du prêt à la rénovation énergétique est de trois cent mois au maximum. La durée du prêt à la rénovation énergétique ne dépasse pas la durée du prêt, visé à l'article 5.117, alinéa premier, 4°. ".
Art. 4. In afwijking van artikel 5.135/1, § 2, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, kan de kredietnemer tot de laatste dag van de zesde maand die volgt op de maand waarin dit besluit in werking treedt een afzonderlijke leningsaanvraag indienen voor de energetische renovatielening als de authentieke akte van de lening, vermeld in artikel 5.117, eerste lid, 4°, van hetzelfde besluit is verleden tussen 31 december 2020 en de laatste dag van de zesde maand die volgt op de maand waarin dit besluit in werking treedt.
Art. 4. Par dérogation à l'article 5.135/1, § 2, de l'Arrêté relatif au Code flamand du Logement de 2021, l'emprunteur peut introduire une demande de prêt distincte pour le prêt à la rénovation énergétique jusqu'au dernier jour du sixième mois qui suit le mois au cours duquel le présent arrêté entre en vigueur, si l'acte authentique du prêt, visé à l'article 5.117, alinéa premier, 4°, du même arrêté, a été passé entre le 31 décembre 2020 et le dernier jour du sixième mois qui suit le mois auquel le présent arrêté entre en vigueur.
Art. 5. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2022.
Art. 5. Le présent arrêté entre en vigueur le 1 janvier 2022.
Art. 6. De Vlaamse minister, bevoegd voor het woonbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 6. Le ministre flamand ayant la politique du logement dans ses attributions, est chargé de l'exécution du présent arrêté.