Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° algemeen directeur: de persoon, vermeld in artikel 170 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
2° beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:
a) een aangetekende brief;
b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
c) een elektronisch aangetekende zending;
d) in voorkomend geval: elektronische communicatie via een elektronisch loket van de betrokken overheid;
3° gecoördineerd decreet van 15 juni 2018: het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018;
4° CIW: de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, vermeld in artikel 1.5.2.2 van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018.
5° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving en natuur;
6° Vogelrichtlijn: de richtlijn 2009/147/EG van 30 november 2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake het behoud van de vogelstand;
7° Habitatrichtlijn: de richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 van de Raad inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna;
8° speciale beschermingszone:
a) een gebied, aangewezen door de Vlaamse Regering met toepassing van artikel 4 van de Vogelrichtlijn;
b) een gebied, aangewezen door het Waalse Gewest, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of een andere lidstaat van de Europese Unie met toepassing van artikel 4 van de Vogelrichtlijn;
c) een gebied, aangewezen door de Vlaamse Regering met toepassing van artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn, of, in afwachting van die aanwijzing, een gebied dat met toepassing van de Habitatrichtlijn door de Vlaamse Regering definitief is vastgesteld met toepassing van artikel 36bis, § 6, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu of dat geacht wordt definitief te zijn vastgesteld met toepassing van artikel 36bis, § 12, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu ;
d) een gebied, aangewezen door het Waalse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of door een andere lidstaat van de Europese Unie met toepassing van artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn of, in afwachting van die aanwijzing, een gebied dat voorgesteld is door één van beide gewesten of door een andere lidstaat, met toepassing van artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn, dat door de Europese Commissie van communautair belang is verklaard met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de Habitatrichtlijn;
9° waterbeheerder: de instantie die aangewezen is in artikel 7, eerste lid, van de wet van 28 december 1967;
10° wet van 28 december 1967: de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
[1 11° peilbeheer: het uitoefenen van invloed op de waterstanden van het oppervlaktewater en onrechtstreeks ook op de grondwaterstanden in een afgebakend gebied door het peil van de onbevaarbare waterlopen en grachten te sturen via regelbare en vaste constructies of via de inrichting en het beheer van waterlopen en grachten door een waterbeheerder;]1
[1 12° bandbreedte: de bovengrens en benedengrens waarbinnen het peil in een onbevaarbare waterloop of gracht mag variëren;]1
[1 13° peilregeling: de bandbreedtes in een onbevaarbare waterloop of gracht en de periodes waarin de voormelde bandbreedtes door de waterbeheerder ingesteld en bewaakt worden;]1
[1 14° peilzone: een gebied waarin een uniforme peilregeling ingesteld wordt;]1
[1 15° regelbare constructie: een beweegbare installatie waarmee het peil van een waterloop gestuurd wordt, zoals een pompgemaal of een stuw;]1
16° [2 ...]2.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
7 MEI 2021. - Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van diverse bepalingen uit de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft het toezicht op de naleving van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-06-2021 en tekstbijwerking tot 27-11-2025)
Titre
7 MAI 2021. - Arrêté du Gouvernement flamand portant exécution de diverses dispositions de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, en ce qui concerne le contrôle du respect de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 28-06-2021 et mise à jour au 27-11-2025)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Uitvoering van de wet van 28 dec...
Afdeling 1. - Definities
Afdeling 2. - Digitale atlas
Afdeling 3. - Publieke grachten
Afdeling 4. - Het openbaar onderzoek, vermeld i...
Afdeling 5. - Het beroep, vermeld in artikel 12...
Afdeling 6. - Algemeen reglement onbevaarbare w...
Afdeling 7. - Onttrekken van water uit onbevaar...
Onderafdeling 1. - Algemeen
Onderafdeling 2. - Melding tot onttrekken
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Mise en oeuvre de la loi du 28 ...
Section 1ère. - Définitions
Section 2. - Atlas numérique
Section 3. - Fossés publics
Section 4. - L'enquête publique visée à l'artic...
Section 5. - Le recours visé à l'article 12, § ...
Section 6. - Règlement général des cours d'eau ...
Section 7. - Captage d'eau de cours d'eau non n...
Sous-section 1ère. - Généralités
Sous-section 2. - Déclaration de captage
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Tekst (62)
Texte (62)
HOOFDSTUK 1. - Uitvoering van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen
CHAPITRE 1er. - Mise en oeuvre de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables
Afdeling 1. - Definities
Section 1ère. - Définitions
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° directeur général : la personne visée à l'article 170 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale ;
2° envoi sécurisé : l'un des modes de signification suivants :
a) une lettre recommandée ;
b) une remise contre récépissé ;
c) un envoi recommandé électronique ;
d) le cas échéant : communication électronique via un guichet électronique de l'autorité concernée ;
3° décret coordonné du 18 juin 2018 : le décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018 ;
4° CPIE: la Commission de coordination de la Politique intégrée de l'Eau, visée à l'article 1.5.2.2 du décret coordonné du 15 juin 2018 ;
5° ministre : le ministre flamand compétent pour l'environnement et la nature ;
6° directive Oiseaux : la directive 2009/147/CE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages ;
7° directive Habitats : la directive 92/43/CEE du Conseil, du 21 mai 1992, concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages ;
8° zone de protection spéciale :
a) un site désigné par le Gouvernement flamand en application de l'article 4 de la directive Oiseaux ;
b) un site désigné par la Région wallonne, la Région de Bruxelles-Capitale ou par un autre Etat membre de l'Union européenne en application de l'article 4 de la directive Oiseaux ;
c) un site désigné par le Gouvernement flamand en application de l'article 4, paragraphe 4, de la directive Habitats, ou, dans l'attente de cette désignation, un site qui a été définitivement arrêté par le Gouvernement flamand en application de la directive Habitats conformément à l'article 36bis, § 6, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ou qui est réputé avoir été définitivement arrêté conformément à l'article 36bis, § 12, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
d) un site désigné par la Région wallonne ou la Région de Bruxelles-Capitale ou par un autre Etat membre de l'Union européenne en application de l'article 4, paragraphe 4, de la directive Habitats ou, dans l'attente de cette désignation, un site qui a été proposé par l'une des deux régions ou par un autre Etat membre en application de l'article 4, paragraphe 1er, de la directive Habitats, que la Commission européenne a déclaré d'importance communautaire en application de l'article 4, paragraphe 2, de la directive Habitats ;
9° gestionnaire des eaux : l'instance désignée à l'article 7, alinéa 1er, de la loi du 28 décembre 1967 ;
10° loi du 28 décembre 1967 : la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables;
[1 11° gestion du niveau d'eau : l'exercice d'une influence sur les niveaux des eaux de surface et indirectement sur les niveaux des eaux souterraines dans une zone définie en contrôlant le niveau des cours d'eau et des fossés non navigables au moyen de constructions réglables et fixes ou par l'aménagement et la gestion de cours d'eau et de fossés par un gestionnaire des eaux;]1
[1 12° largeur de bande : les limites supérieure et inférieure dans lesquelles le niveau d'un cours d'eau ou d'un fossé non navigable peut varier;]1
[1 13° régulation du niveau d'eau : les largeurs de bande dans un cours d'eau ou un fossé non navigable et les périodes pendant lesquelles les largeurs de bande précitées sont fixées et contrôlées par le gestionnaire des eaux;]1
[1 14° zone de niveau : une zone dans laquelle une régulation du niveau d'eau uniforme est établie;]1
[1 15° construction réglable : une installation mobile permettant de contrôler le niveau d'un cours d'eau, telle qu'une station de pompage ou un barrage;]1
[2 ...]2
1° directeur général : la personne visée à l'article 170 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale ;
2° envoi sécurisé : l'un des modes de signification suivants :
a) une lettre recommandée ;
b) une remise contre récépissé ;
c) un envoi recommandé électronique ;
d) le cas échéant : communication électronique via un guichet électronique de l'autorité concernée ;
3° décret coordonné du 18 juin 2018 : le décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018 ;
4° CPIE: la Commission de coordination de la Politique intégrée de l'Eau, visée à l'article 1.5.2.2 du décret coordonné du 15 juin 2018 ;
5° ministre : le ministre flamand compétent pour l'environnement et la nature ;
6° directive Oiseaux : la directive 2009/147/CE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages ;
7° directive Habitats : la directive 92/43/CEE du Conseil, du 21 mai 1992, concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages ;
8° zone de protection spéciale :
a) un site désigné par le Gouvernement flamand en application de l'article 4 de la directive Oiseaux ;
b) un site désigné par la Région wallonne, la Région de Bruxelles-Capitale ou par un autre Etat membre de l'Union européenne en application de l'article 4 de la directive Oiseaux ;
c) un site désigné par le Gouvernement flamand en application de l'article 4, paragraphe 4, de la directive Habitats, ou, dans l'attente de cette désignation, un site qui a été définitivement arrêté par le Gouvernement flamand en application de la directive Habitats conformément à l'article 36bis, § 6, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ou qui est réputé avoir été définitivement arrêté conformément à l'article 36bis, § 12, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
d) un site désigné par la Région wallonne ou la Région de Bruxelles-Capitale ou par un autre Etat membre de l'Union européenne en application de l'article 4, paragraphe 4, de la directive Habitats ou, dans l'attente de cette désignation, un site qui a été proposé par l'une des deux régions ou par un autre Etat membre en application de l'article 4, paragraphe 1er, de la directive Habitats, que la Commission européenne a déclaré d'importance communautaire en application de l'article 4, paragraphe 2, de la directive Habitats ;
9° gestionnaire des eaux : l'instance désignée à l'article 7, alinéa 1er, de la loi du 28 décembre 1967 ;
10° loi du 28 décembre 1967 : la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables;
[1 11° gestion du niveau d'eau : l'exercice d'une influence sur les niveaux des eaux de surface et indirectement sur les niveaux des eaux souterraines dans une zone définie en contrôlant le niveau des cours d'eau et des fossés non navigables au moyen de constructions réglables et fixes ou par l'aménagement et la gestion de cours d'eau et de fossés par un gestionnaire des eaux;]1
[1 12° largeur de bande : les limites supérieure et inférieure dans lesquelles le niveau d'un cours d'eau ou d'un fossé non navigable peut varier;]1
[1 13° régulation du niveau d'eau : les largeurs de bande dans un cours d'eau ou un fossé non navigable et les périodes pendant lesquelles les largeurs de bande précitées sont fixées et contrôlées par le gestionnaire des eaux;]1
[1 14° zone de niveau : une zone dans laquelle une régulation du niveau d'eau uniforme est établie;]1
[1 15° construction réglable : une installation mobile permettant de contrôler le niveau d'un cours d'eau, telle qu'une station de pompage ou un barrage;]1
[2 ...]2
Afdeling 2. - Digitale atlas
Section 2. - Atlas numérique
Art. 2. De digitale atlas van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen en publieke grachten bevat ten minste al de volgende gegevens:
1° voor iedere gerangschikte onbevaarbare waterloop in zijn geheel al de volgende gegevens:
a) de aslijn van de waterloop: de lineaire samenstelling van alle waterloopsegmenten van een onbevaarbare waterloop;
b) de bodembreedte, de kruinbreedte en de diepte van de bedding, namelijk de diepte van de bodem van de bedding tot aan de laagste oever, als getallen of in de vorm van een dwarsprofiel met vermelding van het jaartal van de vaststelling. Minimaal worden die gegevens opgenomen aan de bron en de monding van de onbevaarbare waterloop en tussendoor om de halve kilometer;
2° voor iedere onbevaarbare waterloop die of deel ervan dat is gerangschikt, al de volgende gegevens:
a) de naam van de waterloop, als die beschikbaar is;
b) de categorie van de waterloop;
c) de beheerder van de waterloop;
d) de VHAG-code die een waterloop van bron tot monding identificeert;
e) het waterloopnummer, de code die een waterloop of een deel van de waterloop identificeert. De code wordt voorafgegaan door de eerste letter van de provincie, namelijk W, O, A, L of B;
f) de bestuurlijke beslissing, als zich een wijziging in de gegevens over de waterloop of een deel ervan voordoet die het gevolg is van een bestuurlijke beslissing;
3° voor iedere publieke gracht in zijn geheel: de aslijn van de gracht, namelijk de lineaire samenstelling van alle segmenten van de publieke gracht;
4° voor iedere gracht die of deel ervan dat als publieke gracht is aangeduid al de volgende gegevens:
a) de naam van de gracht, als die beschikbaar is;
b) de beheerder van de gracht;
c) de VHAG-code die een gracht van bron tot monding identificeert;
d) de breedte van de erfdienstbaarheidszone aan de linkerkant;
e) de breedte van de erfdienstbaarheidszone aan de rechterkant;
f) alle bestuurlijke beslissingen tot aanduiding en wijziging van de publieke gracht.
In het eerste lid wordt verstaan onder VHAG-code: de identificator van de waterloop in de Vlaamse hydrografische atlas. De Vlaamse hydrografische atlas is het vectoriële bestand met de assen van het waterlopennetwerk in Vlaanderen.
1° voor iedere gerangschikte onbevaarbare waterloop in zijn geheel al de volgende gegevens:
a) de aslijn van de waterloop: de lineaire samenstelling van alle waterloopsegmenten van een onbevaarbare waterloop;
b) de bodembreedte, de kruinbreedte en de diepte van de bedding, namelijk de diepte van de bodem van de bedding tot aan de laagste oever, als getallen of in de vorm van een dwarsprofiel met vermelding van het jaartal van de vaststelling. Minimaal worden die gegevens opgenomen aan de bron en de monding van de onbevaarbare waterloop en tussendoor om de halve kilometer;
2° voor iedere onbevaarbare waterloop die of deel ervan dat is gerangschikt, al de volgende gegevens:
a) de naam van de waterloop, als die beschikbaar is;
b) de categorie van de waterloop;
c) de beheerder van de waterloop;
d) de VHAG-code die een waterloop van bron tot monding identificeert;
e) het waterloopnummer, de code die een waterloop of een deel van de waterloop identificeert. De code wordt voorafgegaan door de eerste letter van de provincie, namelijk W, O, A, L of B;
f) de bestuurlijke beslissing, als zich een wijziging in de gegevens over de waterloop of een deel ervan voordoet die het gevolg is van een bestuurlijke beslissing;
3° voor iedere publieke gracht in zijn geheel: de aslijn van de gracht, namelijk de lineaire samenstelling van alle segmenten van de publieke gracht;
4° voor iedere gracht die of deel ervan dat als publieke gracht is aangeduid al de volgende gegevens:
a) de naam van de gracht, als die beschikbaar is;
b) de beheerder van de gracht;
c) de VHAG-code die een gracht van bron tot monding identificeert;
d) de breedte van de erfdienstbaarheidszone aan de linkerkant;
e) de breedte van de erfdienstbaarheidszone aan de rechterkant;
f) alle bestuurlijke beslissingen tot aanduiding en wijziging van de publieke gracht.
In het eerste lid wordt verstaan onder VHAG-code: de identificator van de waterloop in de Vlaamse hydrografische atlas. De Vlaamse hydrografische atlas is het vectoriële bestand met de assen van het waterlopennetwerk in Vlaanderen.
Art. 2. L'atlas numérique des cours d'eau non navigables classés et des fossés publics contient au moins toutes les données suivantes :
1° pour chaque cours d'eau non navigable classé dans son ensemble, toutes les données suivantes :
a) l'axe du cours d'eau : la composition linéaire de tous les tronçons d'un cours d'eau non navigable ;
b) la largeur au plafond, la largeur en crête et la profondeur du lit, à savoir la profondeur du sol du lit jusqu'à la rive la plus basse, en chiffres ou sous la forme d'une section transversale avec mention de l'année de la détermination. Au minimum, ces données sont enregistrées à la source et à l'embouchure du cours d'eau non navigable et à intervalles d'un demi-kilomètre ;
2° pour chaque cours d'eau non navigable classé ou toute partie classée de celui-ci, toutes les données suivantes :
a) le nom du cours d'eau, s'il est disponible ;
b) la catégorie du cours d'eau ;
c) le gestionnaire du cours d'eau ;
d) le code VHAG qui identifie un cours d'eau de la source à l'embouchure ;
e) le numéro du cours d'eau, le code qui identifie un cours d'eau ou une partie du cours d'eau. Le code est précédé de la première lettre de la province, à savoir W, O, A, L ou B ;
f) la décision administrative, si une modification des données relatives au cours d'eau ou à une partie de celui-ci intervient à la suite d'une décision administrative ;
3° pour chaque fossé public dans son ensemble : l'axe du fossé, à savoir la composition linéaire de tous les tronçons du fossé public ;
4° pour chaque fossé désigné comme fossé public ou toute partie de celui-ci désignée comme fossé public, toutes les données suivantes :
a) le nom du fossé, s'il est disponible ;
b) le gestionnaire du fossé ;
c) le code VHAG qui identifie un fossé de la source à l'embouchure ;
d) la largeur de la zone de servitude du côté gauche ;
e) la largeur de la zone de servitude du côté droit ;
f) toutes les décisions administratives de désignation et de modification du fossé public.
A l'alinéa 1er, on entend par code VHAG : l'identificateur du cours d'eau dans l'atlas hydrographique flamand. L'atlas hydrographique flamand est le fichier vectoriel comportant les axes du réseau de cours d'eau en Flandre.
1° pour chaque cours d'eau non navigable classé dans son ensemble, toutes les données suivantes :
a) l'axe du cours d'eau : la composition linéaire de tous les tronçons d'un cours d'eau non navigable ;
b) la largeur au plafond, la largeur en crête et la profondeur du lit, à savoir la profondeur du sol du lit jusqu'à la rive la plus basse, en chiffres ou sous la forme d'une section transversale avec mention de l'année de la détermination. Au minimum, ces données sont enregistrées à la source et à l'embouchure du cours d'eau non navigable et à intervalles d'un demi-kilomètre ;
2° pour chaque cours d'eau non navigable classé ou toute partie classée de celui-ci, toutes les données suivantes :
a) le nom du cours d'eau, s'il est disponible ;
b) la catégorie du cours d'eau ;
c) le gestionnaire du cours d'eau ;
d) le code VHAG qui identifie un cours d'eau de la source à l'embouchure ;
e) le numéro du cours d'eau, le code qui identifie un cours d'eau ou une partie du cours d'eau. Le code est précédé de la première lettre de la province, à savoir W, O, A, L ou B ;
f) la décision administrative, si une modification des données relatives au cours d'eau ou à une partie de celui-ci intervient à la suite d'une décision administrative ;
3° pour chaque fossé public dans son ensemble : l'axe du fossé, à savoir la composition linéaire de tous les tronçons du fossé public ;
4° pour chaque fossé désigné comme fossé public ou toute partie de celui-ci désignée comme fossé public, toutes les données suivantes :
a) le nom du fossé, s'il est disponible ;
b) le gestionnaire du fossé ;
c) le code VHAG qui identifie un fossé de la source à l'embouchure ;
d) la largeur de la zone de servitude du côté gauche ;
e) la largeur de la zone de servitude du côté droit ;
f) toutes les décisions administratives de désignation et de modification du fossé public.
A l'alinéa 1er, on entend par code VHAG : l'identificateur du cours d'eau dans l'atlas hydrographique flamand. L'atlas hydrographique flamand est le fichier vectoriel comportant les axes du réseau de cours d'eau en Flandre.
Art. 3. De digitale atlas van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen en publieke grachten wordt via een digitaal platform over geografische informatie van de Vlaamse overheid ter beschikking gesteld.
De Vlaamse Milieumaatschappij is de verwerkingsverantwoordelijke van de digitale atlas.
De gegevens worden in de digitale atlas bijgehouden zolang ze actueel zijn.
De Vlaamse Milieumaatschappij is de verwerkingsverantwoordelijke van de digitale atlas.
De gegevens worden in de digitale atlas bijgehouden zolang ze actueel zijn.
Art. 3. L'atlas numérique des cours d'eau non navigables classés et des fossés publics est mis à disposition par le biais d'une plate-forme numérique dédiée aux informations géographiques de l'Autorité flamande.
La Société flamande de l'Environnement est le responsable du traitement de l'atlas numérique.
Les données sont tenues à jour dans l'atlas numérique tant qu'elles sont d'actualité.
La Société flamande de l'Environnement est le responsable du traitement de l'atlas numérique.
Les données sont tenues à jour dans l'atlas numérique tant qu'elles sont d'actualité.
Art. 4. § 1. Het ontwerp van de digitale atlas van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen en publieke grachten wordt gedurende zes maanden ter inzage gelegd bij de gemeenten.
§ 2. Het openbaar onderzoek heeft betrekking op de volgende delen van de digitale atlas van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen en publieke grachten:
1° de aslijnen van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen en de publieke grachten;
2° de bodembreedte, kruinbreedte en diepte van de bedding van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen.
De gemeenten en de CIW maken binnen tien dagen na ontvangst van het ontwerp ten minste op hun website bekend dat het ontwerp, vermeld in paragraaf 1, ter inzage wordt gelegd.
Iedereen kan gedurende de termijn, vermeld in paragraaf 1, zijn schriftelijke opmerkingen, al dan niet digitaal, indienen bij de colleges van burgemeester en schepenen of bij de CIW.
§ 3. De gemeente en de CIW bezorgen uiterlijk vijftien dagen na het einde van het openbaar onderzoek de ontvangen bezwaren en opmerkingen over het ontwerp van de digitale atlas van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen en publieke grachten aan de Vlaamse Milieumaatschappij.
De Vlaamse Milieumaatschappij staat in voor de verwerking van de bezwaren en opmerkingen. De bezwaren en opmerkingen die betrekking hebben op onbevaarbare waterlopen van tweede en derde categorie en op de publieke grachten, bezorgt de Vlaamse Milieumaatschappij aan de betrokken waterbeheerder voor advies. Als de waterbeheerder geen advies uitbrengt binnen zestig dagen na het versturen van de bezwaren en opmerkingen, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
De Vlaamse Milieumaatschappij verwerkt de bezwaren, de opmerkingen en de adviezen en legt een definitief voorstel voor aan de minister. Dat voorstel bestaat uit een of meer ontwerpbesluiten.
§ 4. Binnen zestig dagen na de dag waarop de minister het definitieve voorstel ontvangt, keurt de minister de digitale atlas van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen en publieke grachten goed en legt hem bij ministerieel besluit vast.
Het ministerieel besluit tot vastlegging van de digitale atlas van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen en publieke grachten wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Het volledige besluit wordt bekendgemaakt op het digitale platform over geografische informatie van de Vlaamse overheid waarop de digitale atlas ter beschikking gesteld wordt.
§ 2. Het openbaar onderzoek heeft betrekking op de volgende delen van de digitale atlas van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen en publieke grachten:
1° de aslijnen van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen en de publieke grachten;
2° de bodembreedte, kruinbreedte en diepte van de bedding van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen.
De gemeenten en de CIW maken binnen tien dagen na ontvangst van het ontwerp ten minste op hun website bekend dat het ontwerp, vermeld in paragraaf 1, ter inzage wordt gelegd.
Iedereen kan gedurende de termijn, vermeld in paragraaf 1, zijn schriftelijke opmerkingen, al dan niet digitaal, indienen bij de colleges van burgemeester en schepenen of bij de CIW.
§ 3. De gemeente en de CIW bezorgen uiterlijk vijftien dagen na het einde van het openbaar onderzoek de ontvangen bezwaren en opmerkingen over het ontwerp van de digitale atlas van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen en publieke grachten aan de Vlaamse Milieumaatschappij.
De Vlaamse Milieumaatschappij staat in voor de verwerking van de bezwaren en opmerkingen. De bezwaren en opmerkingen die betrekking hebben op onbevaarbare waterlopen van tweede en derde categorie en op de publieke grachten, bezorgt de Vlaamse Milieumaatschappij aan de betrokken waterbeheerder voor advies. Als de waterbeheerder geen advies uitbrengt binnen zestig dagen na het versturen van de bezwaren en opmerkingen, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
De Vlaamse Milieumaatschappij verwerkt de bezwaren, de opmerkingen en de adviezen en legt een definitief voorstel voor aan de minister. Dat voorstel bestaat uit een of meer ontwerpbesluiten.
§ 4. Binnen zestig dagen na de dag waarop de minister het definitieve voorstel ontvangt, keurt de minister de digitale atlas van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen en publieke grachten goed en legt hem bij ministerieel besluit vast.
Het ministerieel besluit tot vastlegging van de digitale atlas van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen en publieke grachten wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Het volledige besluit wordt bekendgemaakt op het digitale platform over geografische informatie van de Vlaamse overheid waarop de digitale atlas ter beschikking gesteld wordt.
Art. 4. § 1er. Le projet de l'atlas numérique des cours d'eau non navigables classés et des fossés publics est ouvert à la consultation auprès des communes pendant six mois.
§ 2. L'enquête publique porte sur les parties suivantes de l'atlas numérique des cours d'eau non navigables classés et des fossés publics :
1° les axes des cours d'eau non navigables classés et des fossés publics ;
2° la largeur au plafond, la largeur en crête et la profondeur du lit des cours d'eau non navigables classés.
Dans les dix jours de la réception du projet, les communes et la CPIE annoncent au moins sur leur site Internet que le projet visé au paragraphe 1er est ouvert à la consultation.
Pendant la période visée au paragraphe 1er, chacun peut introduire ses observations écrites, par voie numérique ou non, auprès des collèges des bourgmestre et échevins ou de la CPIE.
§ 3. Au plus tard quinze jours après la fin de l'enquête publique, la commune et la CPIE transmettent les objections et observations reçues à propos du projet de l'atlas numérique des cours d'eau non navigables classés et des fossés publics à la Société flamande de l'Environnement.
La Société flamande de l'Environnement se charge du traitement des objections et observations. La Société flamande de l'Environnement transmet les objections et observations ayant trait aux cours d'eau non navigables des deuxième et troisième catégories et aux fossés publics au gestionnaire des eaux concerné pour avis. Si le gestionnaire des eaux ne rend pas d'avis dans les soixante jours de l'envoi des objections et observations, l'obligation en matière d'avis peut être ignorée.
La Société flamande de l'Environnement traite les objections, les observations et les avis et soumet une proposition définitive au ministre. Cette proposition consiste en un ou plusieurs projets d'arrêtés.
§ 4. Dans les soixante jours de la réception de la proposition définitive par le ministre, celui-ci approuve l'atlas numérique des cours d'eau non navigables classés et des fossés publics et l'établit par arrêté ministériel.
L'arrêté ministériel établissant l'atlas numérique des cours d'eau non navigables classés et des fossés publics est publié par extrait au Moniteur belge.
L'arrêté est publié dans son intégralité sur la plate-forme numérique dédiée aux informations géographiques de l'Autorité flamande sur laquelle l'atlas numérique est mis à disposition.
§ 2. L'enquête publique porte sur les parties suivantes de l'atlas numérique des cours d'eau non navigables classés et des fossés publics :
1° les axes des cours d'eau non navigables classés et des fossés publics ;
2° la largeur au plafond, la largeur en crête et la profondeur du lit des cours d'eau non navigables classés.
Dans les dix jours de la réception du projet, les communes et la CPIE annoncent au moins sur leur site Internet que le projet visé au paragraphe 1er est ouvert à la consultation.
Pendant la période visée au paragraphe 1er, chacun peut introduire ses observations écrites, par voie numérique ou non, auprès des collèges des bourgmestre et échevins ou de la CPIE.
§ 3. Au plus tard quinze jours après la fin de l'enquête publique, la commune et la CPIE transmettent les objections et observations reçues à propos du projet de l'atlas numérique des cours d'eau non navigables classés et des fossés publics à la Société flamande de l'Environnement.
La Société flamande de l'Environnement se charge du traitement des objections et observations. La Société flamande de l'Environnement transmet les objections et observations ayant trait aux cours d'eau non navigables des deuxième et troisième catégories et aux fossés publics au gestionnaire des eaux concerné pour avis. Si le gestionnaire des eaux ne rend pas d'avis dans les soixante jours de l'envoi des objections et observations, l'obligation en matière d'avis peut être ignorée.
La Société flamande de l'Environnement traite les objections, les observations et les avis et soumet une proposition définitive au ministre. Cette proposition consiste en un ou plusieurs projets d'arrêtés.
§ 4. Dans les soixante jours de la réception de la proposition définitive par le ministre, celui-ci approuve l'atlas numérique des cours d'eau non navigables classés et des fossés publics et l'établit par arrêté ministériel.
L'arrêté ministériel établissant l'atlas numérique des cours d'eau non navigables classés et des fossés publics est publié par extrait au Moniteur belge.
L'arrêté est publié dans son intégralité sur la plate-forme numérique dédiée aux informations géographiques de l'Autorité flamande sur laquelle l'atlas numérique est mis à disposition.
Art. 5. De Vlaamse Milieumaatschappij staat, overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de wet van 28 december 1967, in voor het actueel houden van de digitale atlas van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen en publieke grachten.
In het eerste lid wordt verstaan onder actueel houden: de noodzakelijke aanpassingen ten gevolge van bestuurlijke beslissingen aanbrengen. Deze beslissingen kunnen machtigingen van waterbeheerders zijn om werken uit te voeren of omgevingsvergunningen waarvoor het advies van de waterbeheerder wordt gevraagd overeenkomstig artikel 12, § 1, derde lid, van de wet van 28 december 1967.
Overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de wet van 28 december 1967 stellen de provincies voor de onbevaarbare waterlopen die gerangschikt zijn in tweede en derde categorie, en de publieke grachten op hun grondgebied alle gevalideerde gegevens ter beschikking, vermeld in artikel 2. Met gevalideerde gegevens wordt bedoeld dat de provincie de taak heeft om de ontvangen gegevens voldoende te controleren en na te zien. De provincie bekomt de gegevens van de gemeenten, de polders en wateringen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de betrokken waterlopen.
Naar aanleiding van wijzigingen die het gevolg zijn van een bestuurlijke beslissing van de Vlaamse Regering, de deputatie of een andere bevoegde instantie wordt de digitale atlas van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen geactualiseerd binnen de volgende termijnen:
1° binnen dertig dagen na de dag waarop de bestuurlijke beslissing aan de Vlaamse Milieumaatschappij is bezorgd;
2° binnen zestig dagen na de dag waarop de werken zijn beëindigd als die bestuurlijke beslissing gepaard gaat met werken.
In het eerste lid wordt verstaan onder actueel houden: de noodzakelijke aanpassingen ten gevolge van bestuurlijke beslissingen aanbrengen. Deze beslissingen kunnen machtigingen van waterbeheerders zijn om werken uit te voeren of omgevingsvergunningen waarvoor het advies van de waterbeheerder wordt gevraagd overeenkomstig artikel 12, § 1, derde lid, van de wet van 28 december 1967.
Overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de wet van 28 december 1967 stellen de provincies voor de onbevaarbare waterlopen die gerangschikt zijn in tweede en derde categorie, en de publieke grachten op hun grondgebied alle gevalideerde gegevens ter beschikking, vermeld in artikel 2. Met gevalideerde gegevens wordt bedoeld dat de provincie de taak heeft om de ontvangen gegevens voldoende te controleren en na te zien. De provincie bekomt de gegevens van de gemeenten, de polders en wateringen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de betrokken waterlopen.
Naar aanleiding van wijzigingen die het gevolg zijn van een bestuurlijke beslissing van de Vlaamse Regering, de deputatie of een andere bevoegde instantie wordt de digitale atlas van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen geactualiseerd binnen de volgende termijnen:
1° binnen dertig dagen na de dag waarop de bestuurlijke beslissing aan de Vlaamse Milieumaatschappij is bezorgd;
2° binnen zestig dagen na de dag waarop de werken zijn beëindigd als die bestuurlijke beslissing gepaard gaat met werken.
Art. 5. Conformément à l'article 5, alinéa 1er, de la loi du 28 décembre 1967, la Société flamande de l'Environnement se charge d'actualiser l'atlas numérique des cours d'eau non navigables classés et des fossés publics.
A l'alinéa 1er, on entend par " actualiser " : apporter les modifications nécessaires à la suite de décisions administratives. Ces décisions peuvent être des autorisations des gestionnaires des eaux en vue d'effectuer des travaux ou des permis d'environnement pour lesquels l'avis du gestionnaire des eaux est demandé conformément à l'article 12, § 1er, alinéa 3, de la loi du 28 décembre 1967.
Conformément à l'article 5, alinéa 1er, de la loi du 28 décembre 1967, les provinces mettent à disposition toutes les données validées, visées à l'article 2, pour les cours d'eau non navigables qui ont été classés dans les deuxième et troisième catégories et les fossés publics sur leur territoire. Des données validées supposent que la province a pour tâche de contrôler et de vérifier suffisamment les données reçues. La province obtient les données des communes, des polders et des wateringues responsables de la gestion des cours d'eau concernés.
A la suite de modifications résultant d'une décision administrative du Gouvernement flamand, de la députation ou d'une autre instance compétente, l'atlas numérique des cours d'eau non navigables classés fait l'objet d'une actualisation dans les délais suivants :
1° dans les trente jours de la transmission de la décision administrative à la Société flamande de l'Environnement ;
2° dans les soixante jours de l'achèvement des travaux si cette décision administrative s'accompagne de travaux.
A l'alinéa 1er, on entend par " actualiser " : apporter les modifications nécessaires à la suite de décisions administratives. Ces décisions peuvent être des autorisations des gestionnaires des eaux en vue d'effectuer des travaux ou des permis d'environnement pour lesquels l'avis du gestionnaire des eaux est demandé conformément à l'article 12, § 1er, alinéa 3, de la loi du 28 décembre 1967.
Conformément à l'article 5, alinéa 1er, de la loi du 28 décembre 1967, les provinces mettent à disposition toutes les données validées, visées à l'article 2, pour les cours d'eau non navigables qui ont été classés dans les deuxième et troisième catégories et les fossés publics sur leur territoire. Des données validées supposent que la province a pour tâche de contrôler et de vérifier suffisamment les données reçues. La province obtient les données des communes, des polders et des wateringues responsables de la gestion des cours d'eau concernés.
A la suite de modifications résultant d'une décision administrative du Gouvernement flamand, de la députation ou d'une autre instance compétente, l'atlas numérique des cours d'eau non navigables classés fait l'objet d'une actualisation dans les délais suivants :
1° dans les trente jours de la transmission de la décision administrative à la Société flamande de l'Environnement ;
2° dans les soixante jours de l'achèvement des travaux si cette décision administrative s'accompagne de travaux.
Art. 6. De minister legt de geactualiseerde digitale atlas van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen en publieke grachten om de zes jaar vast.
Artikel 4 is van toepassing bij het vastleggen van de geactualiseerde versie, vermeld in het eerste lid.
Artikel 4 is van toepassing bij het vastleggen van de geactualiseerde versie, vermeld in het eerste lid.
Art. 6. Le ministre établit la version actualisée de l'atlas numérique des cours d'eau non navigables classés et des fossés publics tous les six ans.
L'article 4 ne s'applique pas lors de l'établissement de la version actualisée visée à l'alinéa 1er.
L'article 4 ne s'applique pas lors de l'établissement de la version actualisée visée à l'alinéa 1er.
Afdeling 3. - Publieke grachten
Section 3. - Fossés publics
Art. 7. § 1. De gemeenteraad organiseert het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 23ter, § 3, van de wet van 28 december 1967.
Tijdens het openbaar onderzoek worden de volgende documenten ter inzage gelegd:
1° een plan waarop de gracht duidelijk zichtbaar is, met vermelding van de ligging en de breedte van de erfdienstbaarheidszone;
2° een motiveringsnota die aangeeft waarom de overname van het beheer nuttig is voor het watersysteem, wat de erfdienstbaarheid inhoudt, en waarom een bepaalde erfdienstbaarheidszone aangewezen is.
Voor grachten die in het werkingsgebied van polders en wateringen gelegen zijn, bezorgt de polder of watering in kwestie de documenten vermeld in het tweede lid aan de gemeente. Het openbaar onderzoek wordt gehouden binnen dertig dagen na de ontvangst van die documenten.
§ 2. Het gemeentebestuur hangt gedurende dertig dagen vanaf het begin van het openbaar onderzoek op de gewone aanplakplaatsen en in ieder geval aan het gemeentehuis, en ook op de plaats waar de gracht uitkomt op de openbare weg of aan de dichtstbijzijnde openbare weg als de gracht niet op de openbare weg uitkomt, een bekendmaking uit die ten minste al de volgende gegevens bevat:
1° de aanvangsdatum en de einddatum van het openbaar onderzoek;
2° een korte omschrijving van het doel van het openbaar onderzoek;
3° de plaats waar de documenten ter inzage liggen;
4° de termijn waarin bezwaren en opmerkingen over de documenten die ter inzage gelegd zijn, ingediend kunnen worden, en de wijze waarop dat gebeurt.
De gemeente publiceert uiterlijk de eerste dag van het openbaar onderzoek de bekendmaking, vermeld in het eerste lid, op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats op haar website.
Het gemeentebestuur licht de aanpalende eigenaars in van het openbaar onderzoek en bezorgt hen de informatie vermeld in het eerste lid.
Bezwaren en opmerkingen over de documenten die ter inzage gelegd zijn, kunnen uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek met een beveiligde zending ingediend worden op het gemeentehuis.
De algemeen directeur of zijn gemachtigde stelt een proces-verbaal op van het openbaar onderzoek. Het proces-verbaal omvat ten minste een inventaris van de bezwaren en opmerkingen die ingediend zijn tijdens het openbaar onderzoek. Voor grachten gelegen in het werkingsgebied van polders en wateringen bezorgt de algemeen directeur of zijn gemachtigde het proces-verbaal aan de betrokken polder of watering.
§ 3. De beslissing tot overname van het beheer en de beslissing om een erfdienstbaarheid op te leggen, wordt door het gemeentebestuur tien dagen na het nemen van de beslissing gedurende dertig dagen bekendgemaakt op dezelfde plaatsen als de bekendmaking van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 2. Het gemeentebestuur licht tevens de aanpalende eigenaars in.
Als het bevoegde bestuur een polder of watering is, bezorgt de polder of de watering de beslissing aan de gemeente. De termijn van tien dagen vermeld in het eerste lid begint op de dag dat de gemeente de beslissing van de polder of de watering ontvangt.
De algemeen directeur of zijn gemachtigde stelt een proces-verbaal op van de bekendmaking van de beslissing. Het proces-verbaal omvat een overzicht van de begin- en de einddata van de verschillende vormen van de bekendmaking.
De gemeente bezorgt een afschrift van de beslissing, vermeld in het eerste lid, met inbegrip van de bijbehorende plannen, aan de provincie. Voor grachten in het werkingsgebied van polders en wateringen bezorgt de betrokken polder of watering een afschrift van de beslissing, vermeld in het eerste lid, met inbegrip van de bijbehorende plannen, aan de gemeente en de provincie.
Tijdens het openbaar onderzoek worden de volgende documenten ter inzage gelegd:
1° een plan waarop de gracht duidelijk zichtbaar is, met vermelding van de ligging en de breedte van de erfdienstbaarheidszone;
2° een motiveringsnota die aangeeft waarom de overname van het beheer nuttig is voor het watersysteem, wat de erfdienstbaarheid inhoudt, en waarom een bepaalde erfdienstbaarheidszone aangewezen is.
Voor grachten die in het werkingsgebied van polders en wateringen gelegen zijn, bezorgt de polder of watering in kwestie de documenten vermeld in het tweede lid aan de gemeente. Het openbaar onderzoek wordt gehouden binnen dertig dagen na de ontvangst van die documenten.
§ 2. Het gemeentebestuur hangt gedurende dertig dagen vanaf het begin van het openbaar onderzoek op de gewone aanplakplaatsen en in ieder geval aan het gemeentehuis, en ook op de plaats waar de gracht uitkomt op de openbare weg of aan de dichtstbijzijnde openbare weg als de gracht niet op de openbare weg uitkomt, een bekendmaking uit die ten minste al de volgende gegevens bevat:
1° de aanvangsdatum en de einddatum van het openbaar onderzoek;
2° een korte omschrijving van het doel van het openbaar onderzoek;
3° de plaats waar de documenten ter inzage liggen;
4° de termijn waarin bezwaren en opmerkingen over de documenten die ter inzage gelegd zijn, ingediend kunnen worden, en de wijze waarop dat gebeurt.
De gemeente publiceert uiterlijk de eerste dag van het openbaar onderzoek de bekendmaking, vermeld in het eerste lid, op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats op haar website.
Het gemeentebestuur licht de aanpalende eigenaars in van het openbaar onderzoek en bezorgt hen de informatie vermeld in het eerste lid.
Bezwaren en opmerkingen over de documenten die ter inzage gelegd zijn, kunnen uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek met een beveiligde zending ingediend worden op het gemeentehuis.
De algemeen directeur of zijn gemachtigde stelt een proces-verbaal op van het openbaar onderzoek. Het proces-verbaal omvat ten minste een inventaris van de bezwaren en opmerkingen die ingediend zijn tijdens het openbaar onderzoek. Voor grachten gelegen in het werkingsgebied van polders en wateringen bezorgt de algemeen directeur of zijn gemachtigde het proces-verbaal aan de betrokken polder of watering.
§ 3. De beslissing tot overname van het beheer en de beslissing om een erfdienstbaarheid op te leggen, wordt door het gemeentebestuur tien dagen na het nemen van de beslissing gedurende dertig dagen bekendgemaakt op dezelfde plaatsen als de bekendmaking van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 2. Het gemeentebestuur licht tevens de aanpalende eigenaars in.
Als het bevoegde bestuur een polder of watering is, bezorgt de polder of de watering de beslissing aan de gemeente. De termijn van tien dagen vermeld in het eerste lid begint op de dag dat de gemeente de beslissing van de polder of de watering ontvangt.
De algemeen directeur of zijn gemachtigde stelt een proces-verbaal op van de bekendmaking van de beslissing. Het proces-verbaal omvat een overzicht van de begin- en de einddata van de verschillende vormen van de bekendmaking.
De gemeente bezorgt een afschrift van de beslissing, vermeld in het eerste lid, met inbegrip van de bijbehorende plannen, aan de provincie. Voor grachten in het werkingsgebied van polders en wateringen bezorgt de betrokken polder of watering een afschrift van de beslissing, vermeld in het eerste lid, met inbegrip van de bijbehorende plannen, aan de gemeente en de provincie.
Art. 7. § 1er. Le conseil communal organise l'enquête publique visée à l'article 23ter, § 3, de la loi du 28 décembre 1967.
Durant l'enquête publique, les documents suivants sont ouverts à la consultation :
1° un plan montrant clairement le fossé, avec mention de la localisation et de la largeur de la zone de servitude ;
2° une note de motivation indiquant pour quelle raison la reprise de gestion est utile au système d'eau, ce qu'implique la servitude et pour quelle raison une zone de servitude donnée est indiquée.
En ce qui concerne les fossés situés dans la zone d'action des polders et wateringues, le polder ou la wateringue en question transmet les documents visés à l'alinéa 2 à la commune. L'enquête publique se tient dans les trente jours de la réception de ces documents.
§ 2. Pendant trente jours à compter de l'ouverture de l'enquête publique, l'administration communale affiche, aux endroits habituels d'affichage et, en tout cas, à la maison communale ainsi qu'à l'endroit où le fossé débouche sur la voie publique ou sur la voie publique la plus proche si le fossé ne débouche pas sur la voie publique, un avis comprenant au moins les informations suivantes :
1° la date de début et de fin de l'enquête publique ;
2° une description sommaire du but de l'enquête publique ;
3° le lieu où les documents peuvent être consultés ;
4° le délai et les modalités d'introduction des objections et observations au sujet des documents ouverts à la consultation.
Au plus tard le premier jour de l'enquête publique, la commune publie l'avis visé à l'alinéa 1er sur son site Internet à un endroit approprié aux avis et bien en vue.
L'administration communale informe les propriétaires riverains de l'enquête publique et leur transmet les informations visées à l'alinéa 1er.
Les objections et observations au sujet des documents ouverts à la consultation peuvent être introduites à la maison communale par envoi sécurisé au plus tard le dernier jour de l'enquête publique.
Le directeur général ou son mandataire dresse un procès-verbal de l'enquête publique. Le procès-verbal contient au moins un inventaire des objections et observations introduites durant l'enquête publique. En ce qui concerne les fossés situés dans la zone d'action des polders et wateringues, le directeur général ou son mandataire transmet le procès-verbal au polder ou à la wateringue concernés.
§ 3. L'administration communale affiche, pendant trente jours, la décision de reprise de la gestion et la décision d'imposer une servitude dix jours après la prise de la décision aux mêmes endroits que l'avis d'enquête publique visé au paragraphe 2. L'administration communale informe également les propriétaires riverains.
Si l'administration compétente est un polder ou une wateringue, le polder ou la wateringue transmet la décision à la commune. Le délai de dix jours visé à l'alinéa 1er commence à courir le jour où la commune reçoit la décision du polder ou de la wateringue.
Le directeur général ou son mandataire dresse un procès-verbal de la publication de la décision. Le procès-verbal comprend un aperçu des dates de début et de fin des différentes formes de publicité.
La commune transmet une copie de la décision visée à l'alinéa 1er, y compris les plans y afférents, à la province. En ce qui concerne les fossés situés dans la zone d'action des polders et wateringues, le polder concerné ou la wateringue concernée transmet une copie de la décision visée à l'alinéa 1er, y compris les plans y afférents, à la commune et à la province.
Durant l'enquête publique, les documents suivants sont ouverts à la consultation :
1° un plan montrant clairement le fossé, avec mention de la localisation et de la largeur de la zone de servitude ;
2° une note de motivation indiquant pour quelle raison la reprise de gestion est utile au système d'eau, ce qu'implique la servitude et pour quelle raison une zone de servitude donnée est indiquée.
En ce qui concerne les fossés situés dans la zone d'action des polders et wateringues, le polder ou la wateringue en question transmet les documents visés à l'alinéa 2 à la commune. L'enquête publique se tient dans les trente jours de la réception de ces documents.
§ 2. Pendant trente jours à compter de l'ouverture de l'enquête publique, l'administration communale affiche, aux endroits habituels d'affichage et, en tout cas, à la maison communale ainsi qu'à l'endroit où le fossé débouche sur la voie publique ou sur la voie publique la plus proche si le fossé ne débouche pas sur la voie publique, un avis comprenant au moins les informations suivantes :
1° la date de début et de fin de l'enquête publique ;
2° une description sommaire du but de l'enquête publique ;
3° le lieu où les documents peuvent être consultés ;
4° le délai et les modalités d'introduction des objections et observations au sujet des documents ouverts à la consultation.
Au plus tard le premier jour de l'enquête publique, la commune publie l'avis visé à l'alinéa 1er sur son site Internet à un endroit approprié aux avis et bien en vue.
L'administration communale informe les propriétaires riverains de l'enquête publique et leur transmet les informations visées à l'alinéa 1er.
Les objections et observations au sujet des documents ouverts à la consultation peuvent être introduites à la maison communale par envoi sécurisé au plus tard le dernier jour de l'enquête publique.
Le directeur général ou son mandataire dresse un procès-verbal de l'enquête publique. Le procès-verbal contient au moins un inventaire des objections et observations introduites durant l'enquête publique. En ce qui concerne les fossés situés dans la zone d'action des polders et wateringues, le directeur général ou son mandataire transmet le procès-verbal au polder ou à la wateringue concernés.
§ 3. L'administration communale affiche, pendant trente jours, la décision de reprise de la gestion et la décision d'imposer une servitude dix jours après la prise de la décision aux mêmes endroits que l'avis d'enquête publique visé au paragraphe 2. L'administration communale informe également les propriétaires riverains.
Si l'administration compétente est un polder ou une wateringue, le polder ou la wateringue transmet la décision à la commune. Le délai de dix jours visé à l'alinéa 1er commence à courir le jour où la commune reçoit la décision du polder ou de la wateringue.
Le directeur général ou son mandataire dresse un procès-verbal de la publication de la décision. Le procès-verbal comprend un aperçu des dates de début et de fin des différentes formes de publicité.
La commune transmet une copie de la décision visée à l'alinéa 1er, y compris les plans y afférents, à la province. En ce qui concerne les fossés situés dans la zone d'action des polders et wateringues, le polder concerné ou la wateringue concernée transmet une copie de la décision visée à l'alinéa 1er, y compris les plans y afférents, à la commune et à la province.
Art. 8. § 1. De eigenaar of de gebruiker van het perceel waarop de erfdienstbaarheid rust, vermeld in artikel 23ter van de wet van 28 december 1967, kan om de stopzetting van de overname van het beheer door de gemeente, respectievelijk de polder of watering, of om de gehele of gedeeltelijke opheffing van die erfdienstbaarheid verzoeken. Daarvoor stuurt de eigenaar of gebruiker met een beveiligde zending een gemotiveerd verzoek naar het college van burgemeester en schepenen, respectievelijk naar de betrokken polder of watering.
Het college van burgemeester en schepenen beslist op basis van het gemotiveerde verzoek om de procedure al dan niet op te starten. Voor grachten in het werkingsgebied van polders en wateringen beslist het bestuur van de polder of watering op basis van het gemotiveerde verzoek om de procedure al dan niet op te starten.
Het college van burgemeester en schepenen, respectievelijk het bestuur van de polder of watering, brengt de eigenaar of de gebruiker, vermeld in het eerste lid, met een beveiligde zending op de hoogte van zijn beslissing om al dan niet de procedure op te starten.
§ 2. Als de gemeente, respectievelijk de polder of watering, al dan niet op eigen initiatief de overname van het beheer wil stopzetten of de erfdienstbaarheid volledig of gedeeltelijk wil opheffen, zijn de procedures, vermeld in dit artikel en in artikel 7, van toepassing.
In afwijking van artikel 7 liggen de volgende documenten ter inzage gedurende het openbaar onderzoek:
1° een plan waarop de gracht duidelijk zichtbaar is, met vermelding van de huidige en toekomstige breedte en de ligging van de erfdienstbaarheidszone;
2° een motiveringsnota die aangeeft waarom de overname van het beheer of de erfdienstbaarheidszone volledig of gedeeltelijk opgeheven wordt.
Het college van burgemeester en schepenen beslist op basis van het gemotiveerde verzoek om de procedure al dan niet op te starten. Voor grachten in het werkingsgebied van polders en wateringen beslist het bestuur van de polder of watering op basis van het gemotiveerde verzoek om de procedure al dan niet op te starten.
Het college van burgemeester en schepenen, respectievelijk het bestuur van de polder of watering, brengt de eigenaar of de gebruiker, vermeld in het eerste lid, met een beveiligde zending op de hoogte van zijn beslissing om al dan niet de procedure op te starten.
§ 2. Als de gemeente, respectievelijk de polder of watering, al dan niet op eigen initiatief de overname van het beheer wil stopzetten of de erfdienstbaarheid volledig of gedeeltelijk wil opheffen, zijn de procedures, vermeld in dit artikel en in artikel 7, van toepassing.
In afwijking van artikel 7 liggen de volgende documenten ter inzage gedurende het openbaar onderzoek:
1° een plan waarop de gracht duidelijk zichtbaar is, met vermelding van de huidige en toekomstige breedte en de ligging van de erfdienstbaarheidszone;
2° een motiveringsnota die aangeeft waarom de overname van het beheer of de erfdienstbaarheidszone volledig of gedeeltelijk opgeheven wordt.
Art. 8. § 1er. Le propriétaire ou l'usager de la parcelle grevée de la servitude visée à l'article 23ter de la loi du 28 décembre 1967 peut demander l'arrêt de la reprise de la gestion par la commune ou par le polder ou la wateringue, ou la suppression totale ou partielle de cette servitude. A cet effet, le propriétaire ou l'usager adresse une demande motivée, par envoi sécurisé, au collège des bourgmestre et échevins ou au polder ou à la wateringue concernés.
Le collège des bourgmestre et échevins décide, sur la base de la demande motivée, d'engager ou non la procédure. En ce qui concerne les fossés situés dans la zone d'action des polders et wateringues, l'administration du polder ou de la wateringue décide, sur la base de la demande motivée, d'engager ou non la procédure.
Le collège des bourgmestre et échevins ou l'administration du polder ou de la wateringue informe le propriétaire ou l'usager visé à l'alinéa 1er, par envoi sécurisé, de sa décision d'engager ou non la procédure.
§ 2. Si la commune ou le polder ou la wateringue souhaite, de sa propre initiative ou non, arrêter la reprise de la gestion ou supprimer la servitude totalement ou partiellement, les procédures visées au présent article et à l'article 7 s'appliquent.
Par dérogation à l'article 7, les documents suivants sont ouverts à la consultation durant l'enquête publique :
1° un plan montrant clairement le fossé, avec mention de la largeur actuelle et future et de la localisation de la zone de servitude ;
2° une note de motivation indiquant pour quelle raison la reprise de la gestion est arrêtée ou la zone de servitude est entièrement ou partiellement supprimée.
Le collège des bourgmestre et échevins décide, sur la base de la demande motivée, d'engager ou non la procédure. En ce qui concerne les fossés situés dans la zone d'action des polders et wateringues, l'administration du polder ou de la wateringue décide, sur la base de la demande motivée, d'engager ou non la procédure.
Le collège des bourgmestre et échevins ou l'administration du polder ou de la wateringue informe le propriétaire ou l'usager visé à l'alinéa 1er, par envoi sécurisé, de sa décision d'engager ou non la procédure.
§ 2. Si la commune ou le polder ou la wateringue souhaite, de sa propre initiative ou non, arrêter la reprise de la gestion ou supprimer la servitude totalement ou partiellement, les procédures visées au présent article et à l'article 7 s'appliquent.
Par dérogation à l'article 7, les documents suivants sont ouverts à la consultation durant l'enquête publique :
1° un plan montrant clairement le fossé, avec mention de la largeur actuelle et future et de la localisation de la zone de servitude ;
2° une note de motivation indiquant pour quelle raison la reprise de la gestion est arrêtée ou la zone de servitude est entièrement ou partiellement supprimée.
Art. 9. § 1. Tegen de beslissingen, vermeld in artikel 7, § 3, en artikel 8, § 1 en § 2, kan elke belanghebbende beroep instellen bij de provincie in kwestie. Met de beslissing uit artikel 8, § 1, worden enkel de beslissingen om de procedure niet op te starten bedoeld.
Het beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen, te rekenen vanaf de dag volgend op de dag van de kennisname van de bestreden beslissing overeenkomstig artikel 23ter van de wet van 28 december 1967.
Het beroep wordt ingediend met een beveiligde zending. Het beroep is gemotiveerd en bevat een kopie van de bestreden beslissing.
§ 2. De provincie stuurt binnen tien dagen na de dag waarop ze het beroep heeft ontvangen, een kopie van het beroepschrift naar het college van burgemeester en schepenen, respectievelijk naar de betrokken polder of watering.
Het college van burgemeester en schepenen, respectievelijk het bestuur van de polder of watering, kan een verweernota indienen binnen dertig dagen na de dag waarop de provincie het beroepschrift heeft verzonden. Bij overschrijding van die termijn is de provincie niet verplicht rekening te houden met de verweernota.
De provincie doet uitspraak binnen zestig dagen na de ontvangst van het beroepschrift overeenkomstig artikel 23ter van de wet van 28 december 1967. Die beslissing wordt binnen tien dagen nadat ze genomen werd met een communicatie per beveiligde zending bezorgd aan de beroepsindiener, aan het college van burgemeester en schepenen en aan betrokken polder of watering.
De gemeente, respectievelijk de polder of watering, maakt de beslissingen waarbij de provincie de bestreden beslissing wijzigt, conform artikel 7, § 3, bekend. Deze verplichting tot bekendmaking geldt niet voor de beslissingen, zoals vermeld in artikel 8, § 1, die de beslissing om de procedure niet op te starten herzien.
Het beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen, te rekenen vanaf de dag volgend op de dag van de kennisname van de bestreden beslissing overeenkomstig artikel 23ter van de wet van 28 december 1967.
Het beroep wordt ingediend met een beveiligde zending. Het beroep is gemotiveerd en bevat een kopie van de bestreden beslissing.
§ 2. De provincie stuurt binnen tien dagen na de dag waarop ze het beroep heeft ontvangen, een kopie van het beroepschrift naar het college van burgemeester en schepenen, respectievelijk naar de betrokken polder of watering.
Het college van burgemeester en schepenen, respectievelijk het bestuur van de polder of watering, kan een verweernota indienen binnen dertig dagen na de dag waarop de provincie het beroepschrift heeft verzonden. Bij overschrijding van die termijn is de provincie niet verplicht rekening te houden met de verweernota.
De provincie doet uitspraak binnen zestig dagen na de ontvangst van het beroepschrift overeenkomstig artikel 23ter van de wet van 28 december 1967. Die beslissing wordt binnen tien dagen nadat ze genomen werd met een communicatie per beveiligde zending bezorgd aan de beroepsindiener, aan het college van burgemeester en schepenen en aan betrokken polder of watering.
De gemeente, respectievelijk de polder of watering, maakt de beslissingen waarbij de provincie de bestreden beslissing wijzigt, conform artikel 7, § 3, bekend. Deze verplichting tot bekendmaking geldt niet voor de beslissingen, zoals vermeld in artikel 8, § 1, die de beslissing om de procedure niet op te starten herzien.
Art. 9. § 1er. Tout intéressé peut former un recours contre les décisions visées à l'article 7, § 3, et à l'article 8, §§ 1er et 2, auprès de la province en question. Par la décision de l'article 8, § 1er, seules sont visées les décisions de ne pas engager la procédure.
Conformément à l'article 23ter de la loi du 28 décembre 1967, le recours est formé dans les trente jours à compter du lendemain de la prise de connaissance de la décision contestée.
Le recours est introduit par envoi sécurisé. Il est motivé et contient une copie de la décision contestée.
§ 2. Dans les dix jours suivant la réception du recours, la province envoie une copie de l'acte de recours au collège des bourgmestre et échevins ou au polder ou à la wateringue concernés.
Le collège des bourgmestre et échevins ou l'administration du polder ou de la wateringue peut introduire une note de défense dans les trente jours de l'envoi de l'acte de recours par la province. En cas de dépassement de ce délai, la province n'a pas l'obligation de tenir compte de la note de défense.
Conformément à l'article 23ter de la loi du 28 décembre 1967, la province statue dans les soixante jours suivant la réception de l'acte de recours. Cette décision est communiquée par envoi sécurisé dans les dix jours suivant celui où elle a été prise à l'auteur du recours, au collège des bourgmestre et échevins et au polder ou à la wateringue concernés.
La commune ou le polder ou la wateringue publie les décisions par lesquelles la province modifie la décision contestée conformément à l'article 7, § 3. Cette obligation de publicité ne s'applique pas aux décisions, telles que visées à l'article 8, § 1er, de révision de la décision de ne pas engager la procédure.
Conformément à l'article 23ter de la loi du 28 décembre 1967, le recours est formé dans les trente jours à compter du lendemain de la prise de connaissance de la décision contestée.
Le recours est introduit par envoi sécurisé. Il est motivé et contient une copie de la décision contestée.
§ 2. Dans les dix jours suivant la réception du recours, la province envoie une copie de l'acte de recours au collège des bourgmestre et échevins ou au polder ou à la wateringue concernés.
Le collège des bourgmestre et échevins ou l'administration du polder ou de la wateringue peut introduire une note de défense dans les trente jours de l'envoi de l'acte de recours par la province. En cas de dépassement de ce délai, la province n'a pas l'obligation de tenir compte de la note de défense.
Conformément à l'article 23ter de la loi du 28 décembre 1967, la province statue dans les soixante jours suivant la réception de l'acte de recours. Cette décision est communiquée par envoi sécurisé dans les dix jours suivant celui où elle a été prise à l'auteur du recours, au collège des bourgmestre et échevins et au polder ou à la wateringue concernés.
La commune ou le polder ou la wateringue publie les décisions par lesquelles la province modifie la décision contestée conformément à l'article 7, § 3. Cette obligation de publicité ne s'applique pas aux décisions, telles que visées à l'article 8, § 1er, de révision de la décision de ne pas engager la procédure.
Afdeling 4. - Het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 19, eerste lid, van de wet van 28 december 1967
Section 4. - L'enquête publique visée à l'article 19, alinéa 1er, de la loi du 28 décembre 1967
Art. 10. § 1. Als er een openbaar onderzoek wordt gevoerd om het punt van oorsprong van een waterloop als vermeld in artikel 3, § 1, van de wet van 28 december 1967, te bepalen, bevat het dossier dat ter inzage wordt gelegd, al de volgende stukken:
1° een voorontwerp van besluit
2° een duidelijk plan met aanduiding van het punt van oorsprong;
3° een motiveringsnota die aangeeft waarom de verplaatsing van het punt van oorsprong belangrijk is.
De provincie stelt het dossier samen.
§ 2. Als er een openbaar onderzoek wordt gevoerd om kunstmatige waterlopen of waterlopen waarvan het waterbekken geen honderd hectare bedraagt, bij de onbevaarbare waterlopen te rangschikken, met inbegrip van het vastleggen van de categorie ervan, en om het punt van oorsprong te bepalen, vermeld in artikel 4, § 1, van de wet van 28 december 1967, bevat het dossier dat ter inzage wordt gelegd, al de volgende stukken:
1° een voorontwerp van besluit;
2° een duidelijk plan met aanduiding van de te rangschikken waterlopen;
3° een motiveringsnota die aangeeft waarom de rangschikking belangrijk is en die een motivatie bevat voor de vastlegging van de categorie en de locatie van het punt van oorsprong.
De provincie stelt het dossier samen.
§ 3. Als er een openbaar onderzoek wordt gevoerd om een waterloop het statuut van gerangschikte onbevaarbare waterloop te ontnemen als vermeld in artikel 4, § 2, van de wet van 28 december 1967, bevat het dossier dat ter inzage wordt gelegd, al de volgende stukken:
1° een voorontwerp van besluit;
2° een duidelijk plan met aanduiding van de waterlopen die de rangschikking ontnomen worden;
3° een motiveringsnota die aangeeft waarom het aangewezen is om de waterloop het statuut van gerangschikte onbevaarbare waterloop te ontnemen.
De provincie stelt het dossier samen.
§ 4. Als er een openbaar onderzoek wordt gevoerd om kunstmatige waterlopen met een waterbekken groter dan honderd hectare te rangschikken bij de onbevaarbare waterlopen, met inbegrip van het vastleggen van de categorie ervan, en om het punt van oorsprong te bepalen, vermeld in artikel 4bis, § 1, van de wet van 28 december 1967, bevat het dossier al de volgende stukken:
1° een voorontwerp van besluit;
2° een duidelijk plan met aanduiding van de te rangschikken waterlopen;
3° een motiveringsnota die aangeeft waarom de rangschikking belangrijk is en een motivatie voor de vastlegging van de categorie en de locatie van het punt van oorsprong.
De Vlaamse Milieumaatschappij stelt het dossier samen.
§ 5. Als er een openbaar onderzoek wordt gevoerd om een kunstmatige waterloop zijn rangschikking als onbevaarbare waterloop te ontnemen als vermeld in artikel 4bis, § 4, van de wet van 28 december 1967, bevat het dossier al de volgende stukken:
1° een voorontwerp van besluit;
2° een duidelijk plan met aanduiding van de waterlopen die de rangschikking ontnomen worden;
3° een motiveringsnota die aangeeft waarom het aangewezen is om de waterloop het statuut van gerangschikte onbevaarbare waterloop te ontnemen.
De Vlaamse Milieumaatschappij stelt het dossier samen.
1° een voorontwerp van besluit
2° een duidelijk plan met aanduiding van het punt van oorsprong;
3° een motiveringsnota die aangeeft waarom de verplaatsing van het punt van oorsprong belangrijk is.
De provincie stelt het dossier samen.
§ 2. Als er een openbaar onderzoek wordt gevoerd om kunstmatige waterlopen of waterlopen waarvan het waterbekken geen honderd hectare bedraagt, bij de onbevaarbare waterlopen te rangschikken, met inbegrip van het vastleggen van de categorie ervan, en om het punt van oorsprong te bepalen, vermeld in artikel 4, § 1, van de wet van 28 december 1967, bevat het dossier dat ter inzage wordt gelegd, al de volgende stukken:
1° een voorontwerp van besluit;
2° een duidelijk plan met aanduiding van de te rangschikken waterlopen;
3° een motiveringsnota die aangeeft waarom de rangschikking belangrijk is en die een motivatie bevat voor de vastlegging van de categorie en de locatie van het punt van oorsprong.
De provincie stelt het dossier samen.
§ 3. Als er een openbaar onderzoek wordt gevoerd om een waterloop het statuut van gerangschikte onbevaarbare waterloop te ontnemen als vermeld in artikel 4, § 2, van de wet van 28 december 1967, bevat het dossier dat ter inzage wordt gelegd, al de volgende stukken:
1° een voorontwerp van besluit;
2° een duidelijk plan met aanduiding van de waterlopen die de rangschikking ontnomen worden;
3° een motiveringsnota die aangeeft waarom het aangewezen is om de waterloop het statuut van gerangschikte onbevaarbare waterloop te ontnemen.
De provincie stelt het dossier samen.
§ 4. Als er een openbaar onderzoek wordt gevoerd om kunstmatige waterlopen met een waterbekken groter dan honderd hectare te rangschikken bij de onbevaarbare waterlopen, met inbegrip van het vastleggen van de categorie ervan, en om het punt van oorsprong te bepalen, vermeld in artikel 4bis, § 1, van de wet van 28 december 1967, bevat het dossier al de volgende stukken:
1° een voorontwerp van besluit;
2° een duidelijk plan met aanduiding van de te rangschikken waterlopen;
3° een motiveringsnota die aangeeft waarom de rangschikking belangrijk is en een motivatie voor de vastlegging van de categorie en de locatie van het punt van oorsprong.
De Vlaamse Milieumaatschappij stelt het dossier samen.
§ 5. Als er een openbaar onderzoek wordt gevoerd om een kunstmatige waterloop zijn rangschikking als onbevaarbare waterloop te ontnemen als vermeld in artikel 4bis, § 4, van de wet van 28 december 1967, bevat het dossier al de volgende stukken:
1° een voorontwerp van besluit;
2° een duidelijk plan met aanduiding van de waterlopen die de rangschikking ontnomen worden;
3° een motiveringsnota die aangeeft waarom het aangewezen is om de waterloop het statuut van gerangschikte onbevaarbare waterloop te ontnemen.
De Vlaamse Milieumaatschappij stelt het dossier samen.
Art. 10. § 1er. Si une enquête publique est tenue pour déterminer le point d'origine d'un cours d'eau tel que visé à l'article 3, § 1er, de la loi du 28 décembre 1967, le dossier ouvert à la consultation contient toutes les pièces suivantes :
1° un avant-projet d'arrêté ;
2° un plan clair indiquant le point d'origine ;
3° une note de motivation indiquant pour quelle raison le déplacement du point d'origine est important.
La province constitue le dossier.
§ 2. Si une enquête publique est tenue pour classer parmi les cours d'eau non navigables des cours d'eau artificiels ou des cours d'eau dont le bassin hydrographique n'atteint pas cent hectares, y compris la détermination de leur catégorie, et pour déterminer le point d'origine visé à l'article 4, § 1er, de la loi du 28 décembre 1967, le dossier ouvert à la consultation contient toutes les pièces suivantes :
1° un avant-projet d'arrêté ;
2° un plan clair indiquant les cours d'eau à classer ;
3° une note de motivation indiquant pour quelle raison la classification est importante et justifiant la détermination de la catégorie et de la localisation du point d'origine.
La province constitue le dossier.
§ 3. Si une enquête publique est tenue pour retirer à un cours d'eau le statut de cours d'eau non navigable classé tel que visé à l'article 4, § 2, de la loi du 28 décembre 1967, le dossier ouvert à la consultation contient toutes les pièces suivantes :
1° un avant-projet d'arrêté ;
2° un plan clair indiquant les cours d'eau privés de la classification ;
3° une note de motivation indiquant pour quelle raison il est indiqué de retirer au cours d'eau le statut de cours d'eau non navigable classé.
La province constitue le dossier.
§ 4. Si une enquête publique est tenue pour classer parmi les cours d'eau non navigables des cours d'eau artificiels dont le bassin hydrographique est supérieur à cent hectares, y compris la détermination de leur catégorie, et pour déterminer le point d'origine visé à l'article 4bis, § 1er, de la loi du 28 décembre 1967, le dossier contient toutes les pièces suivantes :
1° un avant-projet d'arrêté ;
2° un plan clair indiquant les cours d'eau à classer ;
3° une note de motivation indiquant pour quelle raison la classification est importante et justifiant la détermination de la catégorie et de la localisation du point d'origine.
La Société flamande de l'Environnement constitue le dossier.
§ 5. Si une enquête publique est tenue pour retirer à un cours d'eau artificiel sa classification comme cours d'eau non navigable tel que visé à l'article 4bis, § 4, de la loi du 28 décembre 1967, le dossier contient toutes les pièces suivantes :
1° un avant-projet d'arrêté ;
2° un plan clair indiquant les cours d'eau privés de la classification ;
3° une note de motivation indiquant pour quelle raison il est indiqué de retirer au cours d'eau le statut de cours d'eau non navigable classé.
La Société flamande de l'Environnement constitue le dossier.
1° un avant-projet d'arrêté ;
2° un plan clair indiquant le point d'origine ;
3° une note de motivation indiquant pour quelle raison le déplacement du point d'origine est important.
La province constitue le dossier.
§ 2. Si une enquête publique est tenue pour classer parmi les cours d'eau non navigables des cours d'eau artificiels ou des cours d'eau dont le bassin hydrographique n'atteint pas cent hectares, y compris la détermination de leur catégorie, et pour déterminer le point d'origine visé à l'article 4, § 1er, de la loi du 28 décembre 1967, le dossier ouvert à la consultation contient toutes les pièces suivantes :
1° un avant-projet d'arrêté ;
2° un plan clair indiquant les cours d'eau à classer ;
3° une note de motivation indiquant pour quelle raison la classification est importante et justifiant la détermination de la catégorie et de la localisation du point d'origine.
La province constitue le dossier.
§ 3. Si une enquête publique est tenue pour retirer à un cours d'eau le statut de cours d'eau non navigable classé tel que visé à l'article 4, § 2, de la loi du 28 décembre 1967, le dossier ouvert à la consultation contient toutes les pièces suivantes :
1° un avant-projet d'arrêté ;
2° un plan clair indiquant les cours d'eau privés de la classification ;
3° une note de motivation indiquant pour quelle raison il est indiqué de retirer au cours d'eau le statut de cours d'eau non navigable classé.
La province constitue le dossier.
§ 4. Si une enquête publique est tenue pour classer parmi les cours d'eau non navigables des cours d'eau artificiels dont le bassin hydrographique est supérieur à cent hectares, y compris la détermination de leur catégorie, et pour déterminer le point d'origine visé à l'article 4bis, § 1er, de la loi du 28 décembre 1967, le dossier contient toutes les pièces suivantes :
1° un avant-projet d'arrêté ;
2° un plan clair indiquant les cours d'eau à classer ;
3° une note de motivation indiquant pour quelle raison la classification est importante et justifiant la détermination de la catégorie et de la localisation du point d'origine.
La Société flamande de l'Environnement constitue le dossier.
§ 5. Si une enquête publique est tenue pour retirer à un cours d'eau artificiel sa classification comme cours d'eau non navigable tel que visé à l'article 4bis, § 4, de la loi du 28 décembre 1967, le dossier contient toutes les pièces suivantes :
1° un avant-projet d'arrêté ;
2° un plan clair indiquant les cours d'eau privés de la classification ;
3° une note de motivation indiquant pour quelle raison il est indiqué de retirer au cours d'eau le statut de cours d'eau non navigable classé.
La Société flamande de l'Environnement constitue le dossier.
Art. 11. De deputatie of de Vlaamse Milieumaatschappij bezorgt naargelang het openbaar onderzoek georganiseerd wordt voor een dossier als vermeld in artikel 10, § 1, § 2 of § 3, of voor een dossier als vermeld in artikel 10, § 4 of § 5, het dossier, vermeld in artikel 10, aan elke gemeente op het grondgebied waarvan de voorgenomen beslissing betrekking heeft.
Het gemeentebestuur organiseert een openbaar onderzoek binnen tien dagen na de dag waarop ze het dossier ontvangt. Dat openbaar onderzoek duurt dertig dagen.
Het gemeentebestuur organiseert een openbaar onderzoek binnen tien dagen na de dag waarop ze het dossier ontvangt. Dat openbaar onderzoek duurt dertig dagen.
Art. 11. Selon que l'enquête publique est organisée pour un dossier tel que visé à l'article 10, § 1er, § 2 ou § 3, ou pour un dossier tel que visé à l'article 10, § 4 ou § 5, la députation ou la Société flamande de l'Environnement transmet le dossier visé à l'article 10 à chaque commune dont le territoire est concerné par la décision envisagée.
L'administration communale organise une enquête publique dans les dix jours de la réception du dossier. Cette enquête publique dure trente jours.
L'administration communale organise une enquête publique dans les dix jours de la réception du dossier. Cette enquête publique dure trente jours.
Art. 12. Het gemeentebestuur hangt op de gewone aanplakplaatsen en in ieder geval aan het gemeentehuis, en ook op de plaats waar de betrokken waterloop uitkomt op de openbare weg of aan de dichtstbijzijnde openbare weg als de waterloop niet op de openbare weg uitkomt, gedurende dertig dagen vanaf de dag waarop het openbaar onderzoek begint, een bekendmaking uit die ten minste al de volgende gegevens bevat:
1° de begindatum en de einddatum van het openbaar onderzoek;
2° een korte omschrijving van het doel van het openbaar onderzoek;
3° de plaats waar het dossier ter inzage ligt;
4° de termijn waarin bezwaren en opmerkingen over de documenten die ter inzage gelegd zijn, ingediend kunnen worden, en de wijze waarop dat gebeurt.
De gemeente publiceert uiterlijk de eerste dag van het openbaar onderzoek de bekendmaking, vermeld in het eerste lid, op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats op haar website.
1° de begindatum en de einddatum van het openbaar onderzoek;
2° een korte omschrijving van het doel van het openbaar onderzoek;
3° de plaats waar het dossier ter inzage ligt;
4° de termijn waarin bezwaren en opmerkingen over de documenten die ter inzage gelegd zijn, ingediend kunnen worden, en de wijze waarop dat gebeurt.
De gemeente publiceert uiterlijk de eerste dag van het openbaar onderzoek de bekendmaking, vermeld in het eerste lid, op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats op haar website.
Art. 12. Pendant trente jours à compter de l'ouverture de l'enquête publique, l'administration communale affiche, aux endroits habituels d'affichage et, en tout cas, à la maison communale ainsi qu'à l'endroit où le cours d'eau concerné débouche sur la voie publique ou sur la voie publique la plus proche si le cours d'eau ne débouche pas sur la voie publique, un avis comprenant au moins les informations suivantes :
1° la date de début et de fin de l'enquête publique ;
2° une description sommaire du but de l'enquête publique ;
3° le lieu où le dossier peut être consulté ;
4° le délai et les modalités d'introduction des objections et observations au sujet des documents ouverts à la consultation.
Au plus tard le premier jour de l'enquête publique, la commune publie l'avis visé à l'alinéa 1er sur son site Internet à un endroit approprié aux avis et bien en vue.
1° la date de début et de fin de l'enquête publique ;
2° une description sommaire du but de l'enquête publique ;
3° le lieu où le dossier peut être consulté ;
4° le délai et les modalités d'introduction des objections et observations au sujet des documents ouverts à la consultation.
Au plus tard le premier jour de l'enquête publique, la commune publie l'avis visé à l'alinéa 1er sur son site Internet à un endroit approprié aux avis et bien en vue.
Art. 13. Bezwaren en opmerkingen over het dossier dat ter inzage gelegd is, kunnen uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek met een beveiligde zending ingediend worden op het gemeentehuis.
De algemeen directeur of zijn gemachtigde stelt binnen vijftien dagen na de laatste dag van het openbaar onderzoek een proces-verbaal op van het openbaar onderzoek. Het proces-verbaal omvat ten minste een inventaris van de bezwaren en opmerkingen die ingediend zijn tijdens het openbaar onderzoek.
De algemeen directeur of zijn gemachtigde bezorgt zo snel mogelijk het proces-verbaal en de ontvangen bezwaren en opmerkingen aan de deputatie als het openbaar onderzoek gaat over een dossier als vermeld in artikel 10, § 1, § 2 of § 3. Voor dossiers als vermeld in artikel 10, § 4 of § 5, worden het proces-verbaal en de ontvangen bezwaren en opmerkingen zo snel mogelijk aan de Vlaamse Milieumaatschappij bezorgd.
De algemeen directeur of zijn gemachtigde stelt binnen vijftien dagen na de laatste dag van het openbaar onderzoek een proces-verbaal op van het openbaar onderzoek. Het proces-verbaal omvat ten minste een inventaris van de bezwaren en opmerkingen die ingediend zijn tijdens het openbaar onderzoek.
De algemeen directeur of zijn gemachtigde bezorgt zo snel mogelijk het proces-verbaal en de ontvangen bezwaren en opmerkingen aan de deputatie als het openbaar onderzoek gaat over een dossier als vermeld in artikel 10, § 1, § 2 of § 3. Voor dossiers als vermeld in artikel 10, § 4 of § 5, worden het proces-verbaal en de ontvangen bezwaren en opmerkingen zo snel mogelijk aan de Vlaamse Milieumaatschappij bezorgd.
Art. 13. Les objections et observations au sujet du dossier ouvert à la consultation peuvent être introduites à la maison communale par envoi sécurisé au plus tard le dernier jour de l'enquête publique.
Le directeur général ou son mandataire dresse un procès-verbal de l'enquête publique dans la quinzaine suivant le dernier jour de l'enquête publique. Le procès-verbal contient au moins un inventaire des objections et observations introduites durant l'enquête publique.
Le directeur général ou son mandataire transmet le procès-verbal et les objections et observations reçues à la députation dans les plus brefs délais si l'enquête publique porte sur un dossier tel que visé à l'article 10, § 1er, § 2 ou § 3. En ce qui concerne les dossiers tels que visés à l'article 10, § 4 ou § 5, le procès-verbal et les objections et observations reçues sont transmis à la Société flamande de l'Environnement dans les plus brefs délais.
Le directeur général ou son mandataire dresse un procès-verbal de l'enquête publique dans la quinzaine suivant le dernier jour de l'enquête publique. Le procès-verbal contient au moins un inventaire des objections et observations introduites durant l'enquête publique.
Le directeur général ou son mandataire transmet le procès-verbal et les objections et observations reçues à la députation dans les plus brefs délais si l'enquête publique porte sur un dossier tel que visé à l'article 10, § 1er, § 2 ou § 3. En ce qui concerne les dossiers tels que visés à l'article 10, § 4 ou § 5, le procès-verbal et les objections et observations reçues sont transmis à la Société flamande de l'Environnement dans les plus brefs délais.
Art. 14. Naargelang het geval nemen de deputatie of de Vlaamse Regering hun beslissing binnen zestig dagen na de dag waarop ze het proces-verbaal, vermeld in artikel 13, hebben ontvangen.
Als het openbaar onderzoek in verschillende gemeenten liep, begint de termijn, vermeld in het eerste lid, op de dag waarop ze het laatste proces-verbaal hebben ontvangen.
Als het openbaar onderzoek in verschillende gemeenten liep, begint de termijn, vermeld in het eerste lid, op de dag waarop ze het laatste proces-verbaal hebben ontvangen.
Art. 14. La députation ou le Gouvernement flamand, selon le cas, prend sa décision dans les soixante jours de la réception du procès-verbal visé à l'article 13.
Si l'enquête publique a eu lieu dans plusieurs communes, le délai visé à l'alinéa 1er commence à courir le jour de la réception du dernier procès-verbal.
Si l'enquête publique a eu lieu dans plusieurs communes, le délai visé à l'alinéa 1er commence à courir le jour de la réception du dernier procès-verbal.
Afdeling 5. - Het beroep, vermeld in artikel 12, § 2, en artikel 19, tweede lid, van de wet van 28 december 1967
Section 5. - Le recours visé à l'article 12, § 2, et à l'article 19, alinéa 2, de la loi du 28 décembre 1967
Art. 15. Het beroep, vermeld in artikel 12, § 2, en artikel 19, tweede lid, van de wet van 28 december 1967, wordt ingesteld met een beveiligde zending die gericht is aan de minister op het adres van de Vlaamse Milieumaatschappij.
Het beroepschrift bevat al de volgende documenten:
1° een uiteenzetting van de motieven voor het beroep;
2° een kopie van de bestreden beslissing;
3° de bewijsstukken. De bewijsstukken worden genummerd en opgenomen in een inventaris die bij het beroepschrift wordt gevoegd.
Het beroepschrift bevat al de volgende documenten:
1° een uiteenzetting van de motieven voor het beroep;
2° een kopie van de bestreden beslissing;
3° de bewijsstukken. De bewijsstukken worden genummerd en opgenomen in een inventaris die bij het beroepschrift wordt gevoegd.
Art. 15. Le recours visé à l'article 12, § 2, et à l'article 19, alinéa 2, de la loi du 28 décembre 1967, est formé par envoi sécurisé au ministre à l'adresse de la Société flamande de l'Environnement.
L'acte de recours contient tous les documents suivants :
1° un exposé des motifs du recours ;
2° une copie de la décision contestée ;
3° les pièces justificatives. Les pièces justificatives sont numérotées et reprises dans un inventaire joint à l'acte de recours.
L'acte de recours contient tous les documents suivants :
1° un exposé des motifs du recours ;
2° une copie de la décision contestée ;
3° les pièces justificatives. Les pièces justificatives sont numérotées et reprises dans un inventaire joint à l'acte de recours.
Art. 16. De Vlaamse Milieumaatschappij brengt het bestuur dat de bestreden beslissing heeft genomen, op de hoogte van het feit dat ze het beroep heeft ontvangen door met een beveiligde zending een kopie van het ontvangen beroepschrift en de bewijsstukken te versturen.
Het bestuur dat de beslissing in eerste aanleg heeft genomen, kan binnen dertig dagen na de dag waarop het de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, ontvangt, een nota versturen met een beveiligde zending die gericht is aan de Vlaamse Milieumaatschappij, waarin het standpunt van het bestuur over het beroep wordt uiteengezet.
Als de Vlaamse Milieumaatschappij de bestreden beslissing nam, zijn het eerste en het tweede lid niet van toepassing.
Het bestuur dat de beslissing in eerste aanleg heeft genomen, kan binnen dertig dagen na de dag waarop het de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, ontvangt, een nota versturen met een beveiligde zending die gericht is aan de Vlaamse Milieumaatschappij, waarin het standpunt van het bestuur over het beroep wordt uiteengezet.
Als de Vlaamse Milieumaatschappij de bestreden beslissing nam, zijn het eerste en het tweede lid niet van toepassing.
Art. 16. La Société flamande de l'Environnement informe l'administration qui a pris la décision contestée du fait qu'elle a reçu le recours en envoyant, par envoi sécurisé, une copie de l'acte de recours reçu et les pièces justificatives.
Dans les trente jours de la réception de la notification visée à l'alinéa 1er, l'administration qui a pris la décision en première instance peut envoyer, par envoi sécurisé, une note adressée à la Société flamande de l'Environnement dans laquelle elle expose sa position au sujet du recours.
Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas si la Société flamande de l'Environnement a pris la décision contestée.
Dans les trente jours de la réception de la notification visée à l'alinéa 1er, l'administration qui a pris la décision en première instance peut envoyer, par envoi sécurisé, une note adressée à la Société flamande de l'Environnement dans laquelle elle expose sa position au sujet du recours.
Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas si la Société flamande de l'Environnement a pris la décision contestée.
Art. 17. De minister beslist binnen vier maanden over het ingestelde beroep.
De termijn, vermeld in het eerste lid, begint op de dag dat de Vlaamse Milieumaatschappij de nota, vermeld in artikel 16, tweede lid, ontvangt. Als ze geen nota ontvangt, begint de termijn, vermeld in het eerste lid, dertig dagen na de dag van de kennisgeving, vermeld in artikel 16, eerste lid.
Als de Vlaamse Milieumaatschappij de bestreden beslissing heeft genomen, begint de termijn, vermeld in het eerste lid, op de dag dat de Vlaamse Milieumaatschappij het beroepschrift ontvangt.
De termijn, vermeld in het eerste lid, begint op de dag dat de Vlaamse Milieumaatschappij de nota, vermeld in artikel 16, tweede lid, ontvangt. Als ze geen nota ontvangt, begint de termijn, vermeld in het eerste lid, dertig dagen na de dag van de kennisgeving, vermeld in artikel 16, eerste lid.
Als de Vlaamse Milieumaatschappij de bestreden beslissing heeft genomen, begint de termijn, vermeld in het eerste lid, op de dag dat de Vlaamse Milieumaatschappij het beroepschrift ontvangt.
Art. 17. Dans les quatre mois, le ministre statue sur le recours formé.
Le délai visé à l'alinéa 1er commence à courir le jour où la Société flamande de l'Environnement reçoit la note visée à l'article 16, alinéa 2. Si elle ne reçoit pas de note, le délai visé à l'alinéa 1er commence à courir trente jours après la notification visée à l'article 16, alinéa 1er.
Si la Société flamande de l'Environnement a pris la décision contestée, le délai visé à l'alinéa 1er commence à courir le jour où elle reçoit l'acte de recours.
Le délai visé à l'alinéa 1er commence à courir le jour où la Société flamande de l'Environnement reçoit la note visée à l'article 16, alinéa 2. Si elle ne reçoit pas de note, le délai visé à l'alinéa 1er commence à courir trente jours après la notification visée à l'article 16, alinéa 1er.
Si la Société flamande de l'Environnement a pris la décision contestée, le délai visé à l'alinéa 1er commence à courir le jour où elle reçoit l'acte de recours.
Art. 18. Binnen tien dagen nadat de beslissing in beroep is genomen bezorgt de Vlaamse Milieumaatschappij de beslissing over het beroep met een beveiligde zending aan de indiener van het beroep en aan de overheid die de beslissing in eerste aanleg heeft genomen.
Als de Vlaamse Milieumaatschappij de beslissing in eerste aanleg heeft genomen, wordt de beslissing over het beroep alleen aan de indiener van het beroep bezorgd.
Als de Vlaamse Milieumaatschappij de beslissing in eerste aanleg heeft genomen, wordt de beslissing over het beroep alleen aan de indiener van het beroep bezorgd.
Art. 18. Dans les dix jours de la décision prise sur recours, la Société flamande de l'Environnement transmet la décision au sujet du recours, par envoi sécurisé, à l'auteur du recours et à l'autorité qui a pris la décision en première instance.
Si la Société flamande de l'Environnement a pris la décision en première instance, la décision au sujet du recours n'est transmise qu'à l'auteur du recours.
Si la Société flamande de l'Environnement a pris la décision en première instance, la décision au sujet du recours n'est transmise qu'à l'auteur du recours.
Afdeling 6. - Algemeen reglement onbevaarbare waterlopen en grachten
Section 6. - Règlement général des cours d'eau non navigables et des fossés
Art. 19. Nieuwe bomen en struiken worden alleen aangeplant binnen een afstand van vijf meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van de gerangschikte onbevaarbare waterlopen en publieke grachten indien:
1° een minimale tussenafstand van 12 m voor opgaande bomen gerespecteerd wordt;
2° de houtkant regelmatig teruggezet wordt én die indien nodig voor de toegankelijkheid van de waterloop periodiek teruggezet wordt op vraag van de waterbeheerder;
3° voor een andere plantwijze geopteerd wordt dan vermeld in 1° en 2° nadat de waterbeheerder daarvoor een schriftelijke toestemming gaf.
De toestemming vermeld in 3° kan aangevraagd worden met een gewone brief of met een elektronische zending. De waterbeheerder beslist over de aanvraag binnen dertig dagen na de ontvangst ervan.
Als de waterbeheerder een beslissing neemt over de gevraagde aanplanting, motiveert hij die beslissing rekening houdend met de relevante doelstellingen van het integraal waterbeleid, als vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018 en de onderhoudsvereisten van de waterloop in kwestie.
De waterbeheerder bezorgt zijn schriftelijke beslissing met een gewone brief of met een elektronische zending.
Bij spontane verbossing dienen, als dit nodig is voor de toegankelijkheid van de waterloop, periodiek de bomen en struiken teruggezet te worden op vraag van de waterbeheerder.
1° een minimale tussenafstand van 12 m voor opgaande bomen gerespecteerd wordt;
2° de houtkant regelmatig teruggezet wordt én die indien nodig voor de toegankelijkheid van de waterloop periodiek teruggezet wordt op vraag van de waterbeheerder;
3° voor een andere plantwijze geopteerd wordt dan vermeld in 1° en 2° nadat de waterbeheerder daarvoor een schriftelijke toestemming gaf.
De toestemming vermeld in 3° kan aangevraagd worden met een gewone brief of met een elektronische zending. De waterbeheerder beslist over de aanvraag binnen dertig dagen na de ontvangst ervan.
Als de waterbeheerder een beslissing neemt over de gevraagde aanplanting, motiveert hij die beslissing rekening houdend met de relevante doelstellingen van het integraal waterbeleid, als vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018 en de onderhoudsvereisten van de waterloop in kwestie.
De waterbeheerder bezorgt zijn schriftelijke beslissing met een gewone brief of met een elektronische zending.
Bij spontane verbossing dienen, als dit nodig is voor de toegankelijkheid van de waterloop, periodiek de bomen en struiken teruggezet te worden op vraag van de waterbeheerder.
Art. 19. De nouveaux arbres et arbustes ne sont plantés sur une distance de cinq mètres vers l'intérieur des terres, mesurée à partir du bord supérieur du talus des cours d'eau non navigables classés et des fossés publics que si :
1° un intervalle minimal de 12 m est respecté ente les arbres de haute futaie ;
2° le talus boisé est régulièrement recépé et, si nécessaire pour l'accessibilité du cours d'eau, est périodiquement recépé à la demande du gestionnaire des eaux ;
3° un mode de plantation différent de ceux visés aux points 1° et 2° est adopté après autorisation écrite du gestionnaire des eaux.
L'autorisation visée au point 3° peut être demandée par simple lettre ou par envoi électronique. Le gestionnaire des eaux statue sur la demande dans les trente jours de sa réception.
Si le gestionnaire des eaux prend une décision au sujet de la plantation demandée, il la motive en tenant compte des objectifs pertinents de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2. du décret coordonné du 15 juin 2018 et des exigences d'entretien du cours d'eau en question.
Le gestionnaire des eaux transmet sa décision écrite par simple lettre ou par envoi électronique.
En cas de boisement spontané, il y a lieu de recéper périodiquement les arbres et arbustes à la demande du gestionnaire des eaux si cela s'avère nécessaire pour l'accessibilité du cours d'eau.
1° un intervalle minimal de 12 m est respecté ente les arbres de haute futaie ;
2° le talus boisé est régulièrement recépé et, si nécessaire pour l'accessibilité du cours d'eau, est périodiquement recépé à la demande du gestionnaire des eaux ;
3° un mode de plantation différent de ceux visés aux points 1° et 2° est adopté après autorisation écrite du gestionnaire des eaux.
L'autorisation visée au point 3° peut être demandée par simple lettre ou par envoi électronique. Le gestionnaire des eaux statue sur la demande dans les trente jours de sa réception.
Si le gestionnaire des eaux prend une décision au sujet de la plantation demandée, il la motive en tenant compte des objectifs pertinents de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2. du décret coordonné du 15 juin 2018 et des exigences d'entretien du cours d'eau en question.
Le gestionnaire des eaux transmet sa décision écrite par simple lettre ou par envoi électronique.
En cas de boisement spontané, il y a lieu de recéper périodiquement les arbres et arbustes à la demande du gestionnaire des eaux si cela s'avère nécessaire pour l'accessibilité du cours d'eau.
Art. 20. Om het talud te beschermen, kan de waterbeheerder aangelanden verplichten om gronden die aan een waterloop of publieke gracht palen en die begraasd worden, af te rasteren.
Bij afrastering bevindt het deel van de afsluiting aan de kant van de grond die aan de waterloop paalt, zich op een afstand van 0,75 meter tot 1 meter, landinwaarts gemeten vanaf het einde van het talud van de waterloop. De afsluiting mag niet hoger dan 1,50 meter boven de begane grond zijn.
De afsluiting is zo opgesteld dat ze geen belemmering vormt bij het onderhoud van de waterlopen, of ze kan weggenomen worden.
De waterbeheerder legt de verplichting vermeld in het eerste lid op aan de aangelanden door middel van een beveiligde zending. De waterbeheerder motiveert zijn beslissing op basis van de noodwendigheden van het beheer van de betrokken waterloop en de relevante doelstellingen van het integraal waterbeleid, als vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018.
Bij afrastering bevindt het deel van de afsluiting aan de kant van de grond die aan de waterloop paalt, zich op een afstand van 0,75 meter tot 1 meter, landinwaarts gemeten vanaf het einde van het talud van de waterloop. De afsluiting mag niet hoger dan 1,50 meter boven de begane grond zijn.
De afsluiting is zo opgesteld dat ze geen belemmering vormt bij het onderhoud van de waterlopen, of ze kan weggenomen worden.
De waterbeheerder legt de verplichting vermeld in het eerste lid op aan de aangelanden door middel van een beveiligde zending. De waterbeheerder motiveert zijn beslissing op basis van de noodwendigheden van het beheer van de betrokken waterloop en de relevante doelstellingen van het integraal waterbeleid, als vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018.
Art. 20. Afin de protéger le talus, le gestionnaire des eaux peut obliger les riverains à clôturer les terres situées en bordure d'un cours d'eau ou d'un fossé public et qui sont pâturées.
La partie de la clôture située en bordure du cours d'eau se trouve à une distance de 0,75 à 1 mètre, mesurée à partir de l'extrémité du talus du cours d'eau vers l'intérieur des terres. La clôture ne peut pas avoir une hauteur supérieure à 1,50 m au-dessus du sol.
La clôture est montée de façon à ne pas entraver l'entretien du cours d'eau ou elle peut être retirée.
Le gestionnaire des eaux impose l'obligation visée à l'alinéa 1er aux riverains au moyen d'un envoi sécurisé. Le gestionnaire des eaux motive sa décision sur la base des nécessités de la gestion du cours d'eau concerné et des objectifs pertinents de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2. du décret coordonné du 15 juin 2018.
La partie de la clôture située en bordure du cours d'eau se trouve à une distance de 0,75 à 1 mètre, mesurée à partir de l'extrémité du talus du cours d'eau vers l'intérieur des terres. La clôture ne peut pas avoir une hauteur supérieure à 1,50 m au-dessus du sol.
La clôture est montée de façon à ne pas entraver l'entretien du cours d'eau ou elle peut être retirée.
Le gestionnaire des eaux impose l'obligation visée à l'alinéa 1er aux riverains au moyen d'un envoi sécurisé. Le gestionnaire des eaux motive sa décision sur la base des nécessités de la gestion du cours d'eau concerné et des objectifs pertinents de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2. du décret coordonné du 15 juin 2018.
Art. 21. Varen met gemotoriseerde vaartuigen is verboden, tenzij na een schriftelijke toestemming van de waterbeheerder.
De onbevaarbare waterlopen zijn altijd bevaarbaar voor niet-gemotoriseerde vaartuigen, behalve als de waterbeheerder het gebruik van die vaartuigen op onbevaarbare waterlopen of delen ervan permanent of gedurende een periode van het jaar verbiedt om een van de volgende redenen:
1° om de doelstellingen van het integraal waterbeleid, vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018, te realiseren;
2° om redenen van natuurbehoud;
3° voor de rustige uitoefening van het visrecht of ander recreatief medegebruik;
4° voor onderhoud en andere werken aan de waterloop;
5° om andere redenen van algemeen belang dan de redenen, vermeld in punt 1° tot en met 4°.
Bij de afvaart van onbevaarbare waterlopen houdt de vaarder rekening met het natuurlijke karakter van onbevaarbare waterlopen.
Bij het varen is het verboden om:
1° de rust te verstoren;
2° schade aan oevers, de waterbodem en de vegetatie die erop voorkomt, te veroorzaken;
3° in het wild levende diersoorten opzettelijk te verstoren.
De waterbeheerder kan alleen onderhoudsmaatregelen en inrichtingswerken uitvoeren om de bevaarbaarheid met niet-gemotoriseerde vaartuigen van onbevaarbare waterlopen te verbeteren als dat niet in strijd is met de doelstellingen van het integraal waterbeleid, als vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018.
De waterbeheerder is niet verantwoordelijk voor ongevallen en incidenten die zich voordoen met de vaartuigen en opvarenden tijdens het afvaren van onbevaarbare waterlopen.
De onbevaarbare waterlopen zijn altijd bevaarbaar voor niet-gemotoriseerde vaartuigen, behalve als de waterbeheerder het gebruik van die vaartuigen op onbevaarbare waterlopen of delen ervan permanent of gedurende een periode van het jaar verbiedt om een van de volgende redenen:
1° om de doelstellingen van het integraal waterbeleid, vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018, te realiseren;
2° om redenen van natuurbehoud;
3° voor de rustige uitoefening van het visrecht of ander recreatief medegebruik;
4° voor onderhoud en andere werken aan de waterloop;
5° om andere redenen van algemeen belang dan de redenen, vermeld in punt 1° tot en met 4°.
Bij de afvaart van onbevaarbare waterlopen houdt de vaarder rekening met het natuurlijke karakter van onbevaarbare waterlopen.
Bij het varen is het verboden om:
1° de rust te verstoren;
2° schade aan oevers, de waterbodem en de vegetatie die erop voorkomt, te veroorzaken;
3° in het wild levende diersoorten opzettelijk te verstoren.
De waterbeheerder kan alleen onderhoudsmaatregelen en inrichtingswerken uitvoeren om de bevaarbaarheid met niet-gemotoriseerde vaartuigen van onbevaarbare waterlopen te verbeteren als dat niet in strijd is met de doelstellingen van het integraal waterbeleid, als vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018.
De waterbeheerder is niet verantwoordelijk voor ongevallen en incidenten die zich voordoen met de vaartuigen en opvarenden tijdens het afvaren van onbevaarbare waterlopen.
Art. 21. La navigation avec des embarcations motorisées est interdite sauf autorisation écrite du gestionnaire des eaux.
Les cours d'eau non navigables sont toujours accessibles aux embarcations non motorisées à moins que le gestionnaire des eaux n'interdise, de façon permanente ou durant une période de l'année, l'utilisation de ces embarcations sur des cours d'eau non navigables ou des parties de ceux-ci pour l'une des raisons suivantes :
1° pour réaliser les objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2. du décret coordonné du 15 juin 2018 ;
2° pour des raisons de conservation de la nature ;
3° pour l'exercice paisible du droit de pêche ou tout autre usage récréatif complémentaire ;
4° pour l'entretien ou d'autres travaux au cours d'eau ;
5° pour des motifs d'intérêt général autres que ceux visés aux points 1° à 4°.
Lors de la descente de cours d'eau non navigables, le navigateur tient compte de leur caractère naturel.
Lors de la navigation, il est interdit :
1° de troubler la quiétude ;
2° d'occasionner des dommages aux rives, au fond aquatique et à la végétation qui s'y trouve ;
3° de perturber intentionnellement les espèces animales vivant à l'état sauvage.
Le gestionnaire des eaux ne peut exécuter des mesures d'entretien et des travaux d'aménagement en vue d'améliorer la navigabilité de cours d'eau non navigables avec des embarcations non motorisées que dans la mesure où cela n'est pas contraire aux objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2. du décret coordonné du 15 juin 2018.
Le gestionnaire des eaux n'est pas responsable des accidents et incidents impliquant les embarcations et les personnes embarquées durant la descente de cours d'eau non navigables.
Les cours d'eau non navigables sont toujours accessibles aux embarcations non motorisées à moins que le gestionnaire des eaux n'interdise, de façon permanente ou durant une période de l'année, l'utilisation de ces embarcations sur des cours d'eau non navigables ou des parties de ceux-ci pour l'une des raisons suivantes :
1° pour réaliser les objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2. du décret coordonné du 15 juin 2018 ;
2° pour des raisons de conservation de la nature ;
3° pour l'exercice paisible du droit de pêche ou tout autre usage récréatif complémentaire ;
4° pour l'entretien ou d'autres travaux au cours d'eau ;
5° pour des motifs d'intérêt général autres que ceux visés aux points 1° à 4°.
Lors de la descente de cours d'eau non navigables, le navigateur tient compte de leur caractère naturel.
Lors de la navigation, il est interdit :
1° de troubler la quiétude ;
2° d'occasionner des dommages aux rives, au fond aquatique et à la végétation qui s'y trouve ;
3° de perturber intentionnellement les espèces animales vivant à l'état sauvage.
Le gestionnaire des eaux ne peut exécuter des mesures d'entretien et des travaux d'aménagement en vue d'améliorer la navigabilité de cours d'eau non navigables avec des embarcations non motorisées que dans la mesure où cela n'est pas contraire aux objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2. du décret coordonné du 15 juin 2018.
Le gestionnaire des eaux n'est pas responsable des accidents et incidents impliquant les embarcations et les personnes embarquées durant la descente de cours d'eau non navigables.
Art. 22. Een vergunning voor stedenbouwkundige handelingen, zoals vermeld in artikel 4.2.1. Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, voor het volledig of gedeeltelijk dempen, voor het verdiepen of verleggen van grachten kan slechts goedgekeurd worden als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
1° de gracht dempen, verdiepen of verleggen is in overeenstemming met de doelstellingen van het integraal waterbeleid, als vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018;
2° de ingreep zorgt niet voor ongewenste verdroging of een versnelde afvoer van hemel- of drainagewater; de minister kan nadere regelen vaststellen voor de beoordeling van deze voorwaarde.
3° het bufferende volume en de infiltratiecapaciteit minimaal behouden blijft, al dan niet door compenserende maatregelen.
1° de gracht dempen, verdiepen of verleggen is in overeenstemming met de doelstellingen van het integraal waterbeleid, als vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018;
2° de ingreep zorgt niet voor ongewenste verdroging of een versnelde afvoer van hemel- of drainagewater; de minister kan nadere regelen vaststellen voor de beoordeling van deze voorwaarde.
3° het bufferende volume en de infiltratiecapaciteit minimaal behouden blijft, al dan niet door compenserende maatregelen.
Art. 22. Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques, tel que visé à l'article 4.2.1. du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, pour le comblement partiel ou total, l'approfondissement ou la déviation de fossés ne peut être approuvé que si les conditions suivantes sont remplies :
1° le comblement, l'approfondissement ou la déviation du fossé est conforme aux objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2. du décret coordonné du 15 juin 2018 ;
2° l'intervention n'entraîne pas un assèchement indésirable ou une évacuation accélérée des eaux de pluie ou de drainage. Le ministre peut préciser les règles d'appréciation de cette condition ;
3° le volume tampon et la capacité d'infiltration sont au minimum maintenus, par le biais de mesures compensatoires ou non.
1° le comblement, l'approfondissement ou la déviation du fossé est conforme aux objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2. du décret coordonné du 15 juin 2018 ;
2° l'intervention n'entraîne pas un assèchement indésirable ou une évacuation accélérée des eaux de pluie ou de drainage. Le ministre peut préciser les règles d'appréciation de cette condition ;
3° le volume tampon et la capacité d'infiltration sont au minimum maintenus, par le biais de mesures compensatoires ou non.
Art. 23. § 1. Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen grachten overwelven of inbuizen.
Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, zoals vermeld in artikel 4.2.1. Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, voor het overwelven of inbuizen van een gracht kan alleen verleend worden om toegang tot een perceel te verlenen, te verbeteren of om werken van algemeen belang uit te voeren.
§ 2. De omgevingsvergunning als vermeld in de eerste paragraaf, kan slechts goedgekeurd worden als de werken voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° de overwelving of inbuizing van de gracht veroorzaakt geen schadelijk effect als vermeld in artikel 1.1.3, § 2, 18°, van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018 en veroorzaakt geen ongewenste vernatting van aanpalende landbouwgronden buiten SBZ en VEN; en is in overeenstemming met de doelstellingen van het integraal waterbeleid, als vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018;
2° er is maar één overwelving of inbuizing per kadastraal perceel. Als verschillende kadastrale percelen door gebruik één geheel vormen, wordt er maar één overwelving of inbuizing voor het geheel van die percelen aangebracht, tenzij de aanvrager kan aantonen dat meer dan één overwelving redelijkerwijs noodzakelijk is voor het normale gebruik en de vlotte ontsluiting van de gronden.
De lengte van de overwelving of inbuizing mag maximaal vijf meter bedragen. De vergunningverlenende overheid kan een afwijking van de maximale lengte toestaan om een van de volgende redenen:
1° voor werken van algemeen belang;
2° om redenen van gezondheid of veiligheid voor de bewoners van de woning waarvoor de overwelving wordt aangelegd;
3° de lengte van vijf meter volstaat niet om toegang tot het perceel of de percelen in kwestie te verlenen.
De aanvrager motiveert de noodzaak om af te wijken van de maximale lengte. Het feit dat de toegang tot het perceel gebruikt wordt door andere voertuigen dan personenwagens en lichte bestelwagens, geldt als voldoende motivering om af te wijken tot 7,5 meter. Als uit een gemotiveerde aanvraag blijkt dat 7,5 meter niet volstaat, kan de vergunningverlenende overheid daar ook van afwijken. Bij elke overwelving of inbuizing van meer dan 7,5 meter moet de infiltratie van hemelwater blijvend verzekerd worden en worden hiertoe indien nodig bijkomende maatregelen genomen;
4° de overwelving of inbuizing is voldoende groot om het opwaarts afstromende debiet te kunnen afvoeren en heeft een minimale binnendiameter van 400 millimeter;
5° de buizen worden in een volledig geruimde grachtbodem geplaatst. Bij de plaatsing wordt er geen schade toegebracht aan de grachtkanten en de nutsleidingen. De overgang van het open grachtprofiel naar de overwelving of inbuizing wordt zo afgewerkt dat uitspoeling niet mogelijk is.
§ 3. De vergunningverlenende overheid kan bijkomende voorwaarden opleggen, onder meer voor de aanvulling van de sleuf rond de inbuizing, het aanbrengen van kopmuren en inspectieschouwen.
De vergunninghouder of zijn rechtsopvolger is verantwoordelijk voor de goede staat en werking van de overwelving. Hij ruimt de overwelving of inbuizing en houdt ze vrij van alle obstakels die een goede afwatering verhinderen.
Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, zoals vermeld in artikel 4.2.1. Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, voor het overwelven of inbuizen van een gracht kan alleen verleend worden om toegang tot een perceel te verlenen, te verbeteren of om werken van algemeen belang uit te voeren.
§ 2. De omgevingsvergunning als vermeld in de eerste paragraaf, kan slechts goedgekeurd worden als de werken voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° de overwelving of inbuizing van de gracht veroorzaakt geen schadelijk effect als vermeld in artikel 1.1.3, § 2, 18°, van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018 en veroorzaakt geen ongewenste vernatting van aanpalende landbouwgronden buiten SBZ en VEN; en is in overeenstemming met de doelstellingen van het integraal waterbeleid, als vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018;
2° er is maar één overwelving of inbuizing per kadastraal perceel. Als verschillende kadastrale percelen door gebruik één geheel vormen, wordt er maar één overwelving of inbuizing voor het geheel van die percelen aangebracht, tenzij de aanvrager kan aantonen dat meer dan één overwelving redelijkerwijs noodzakelijk is voor het normale gebruik en de vlotte ontsluiting van de gronden.
De lengte van de overwelving of inbuizing mag maximaal vijf meter bedragen. De vergunningverlenende overheid kan een afwijking van de maximale lengte toestaan om een van de volgende redenen:
1° voor werken van algemeen belang;
2° om redenen van gezondheid of veiligheid voor de bewoners van de woning waarvoor de overwelving wordt aangelegd;
3° de lengte van vijf meter volstaat niet om toegang tot het perceel of de percelen in kwestie te verlenen.
De aanvrager motiveert de noodzaak om af te wijken van de maximale lengte. Het feit dat de toegang tot het perceel gebruikt wordt door andere voertuigen dan personenwagens en lichte bestelwagens, geldt als voldoende motivering om af te wijken tot 7,5 meter. Als uit een gemotiveerde aanvraag blijkt dat 7,5 meter niet volstaat, kan de vergunningverlenende overheid daar ook van afwijken. Bij elke overwelving of inbuizing van meer dan 7,5 meter moet de infiltratie van hemelwater blijvend verzekerd worden en worden hiertoe indien nodig bijkomende maatregelen genomen;
4° de overwelving of inbuizing is voldoende groot om het opwaarts afstromende debiet te kunnen afvoeren en heeft een minimale binnendiameter van 400 millimeter;
5° de buizen worden in een volledig geruimde grachtbodem geplaatst. Bij de plaatsing wordt er geen schade toegebracht aan de grachtkanten en de nutsleidingen. De overgang van het open grachtprofiel naar de overwelving of inbuizing wordt zo afgewerkt dat uitspoeling niet mogelijk is.
§ 3. De vergunningverlenende overheid kan bijkomende voorwaarden opleggen, onder meer voor de aanvulling van de sleuf rond de inbuizing, het aanbrengen van kopmuren en inspectieschouwen.
De vergunninghouder of zijn rechtsopvolger is verantwoordelijk voor de goede staat en werking van de overwelving. Hij ruimt de overwelving of inbuizing en houdt ze vrij van alle obstakels die een goede afwatering verhinderen.
Art. 23. § 1er. Nul ne peut voûter ou canaliser des fossés sans permis d'environnement préalable pour des actes urbanistiques.
Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques, tel que visé à l'article 4.2.1. du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, pour le voûtement ou la canalisation d'un fossé ne peut être accordé que pour donner ou améliorer l'accès à une parcelle ou exécuter des travaux d'intérêt général.
§ 2. Le permis d'environnement visé au paragraphe 1er ne peut être approuvé que si les travaux remplissent toutes les conditions suivantes :
1° le voûtement ou la canalisation du fossé ne provoque pas d'effet néfaste tel que visé à l'article 1.1.3, § 2, 18°, du décret coordonné du 15 juin 2018, ne provoque pas de remise en eau indésirable de terres agricoles adjacentes hors ZPS (zone de protection spéciale) et REF (Réseau écologique flamand) et est conforme aux objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2. du décret coordonné du 15 juin 2018 ;
2° il n'y a qu'un seul voûtement ou qu'une seule canalisation par parcelle cadastrale. Si plusieurs parcelles cadastrales constituent un ensemble par l'usage, un seul voûtement ou une seule canalisation seront mis en place pour l'ensemble de ces parcelles à moins que le demandeur ne puisse démontrer que plusieurs voûtements sont raisonnablement nécessaires à l'utilisation normale et à un bon désenclavement des terres.
La longueur du voûtement ou de la canalisation ne peut pas excéder cinq mètres. L'autorité délivrant le permis peut autoriser une dérogation à la longueur maximale pour l'un des motifs suivants :
1° pour des travaux d'intérêt général ;
2° pour des raisons d'hygiène ou de sécurité pour les occupants de l'habitation pour laquelle le voûtement est aménagé ;
3° la longueur de cinq mètres ne suffit pas pour assurer l'accès à la ou aux parcelles en question.
Le demandeur motive la demande de dérogation à la longueur maximale. Le fait que l'accès à la parcelle soit emprunté par des véhicules autres que des voitures particulières et des véhicules utilitaires légers constitue un motif suffisant pour déroger jusqu'à 7,5 mètres. S'il ressort d'une demande motivée qu'une longueur de 7,5 mètres ne suffit pas, l'autorité délivrant le permis peut également y déroger. A chaque voûtement ou canalisation de plus de 7,5 mètres, l'infiltration d'eaux pluviales doit être assurée en permanence et, si nécessaire, des mesures additionnelles sont prises à cet effet ;
4° le voûtement ou la canalisation est de taille suffisante pour pouvoir évacuer le débit d'écoulement en amont et présente un diamètre intérieur minimal de 400 millimètres ;
5° les tuyaux sont placés dans le sol d'un fossé complètement dégagé. Lors de la pose, aucun dommage ne sera causé aux parois du fossé et aux conduites utilitaires. La transition entre le profil de fossé ouvert et le voûtement ou la canalisation est parachevée de manière à ce que le lessivage ne soit pas possible.
§ 3. L'autorité délivrant le permis peut imposer des conditions supplémentaires, notamment pour le remblayage de la tranchée autour de la canalisation, la pose de murs d'aqueduc et de regards de visite.
Le titulaire du permis ou son ayant cause est responsable de l'état et du fonctionnement corrects du voûtement. Il dégage le voûtement ou la canalisation et les libère de tous obstacles empêchant un bon drainage.
Un permis d'environnement pour des actes urbanistiques, tel que visé à l'article 4.2.1. du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, pour le voûtement ou la canalisation d'un fossé ne peut être accordé que pour donner ou améliorer l'accès à une parcelle ou exécuter des travaux d'intérêt général.
§ 2. Le permis d'environnement visé au paragraphe 1er ne peut être approuvé que si les travaux remplissent toutes les conditions suivantes :
1° le voûtement ou la canalisation du fossé ne provoque pas d'effet néfaste tel que visé à l'article 1.1.3, § 2, 18°, du décret coordonné du 15 juin 2018, ne provoque pas de remise en eau indésirable de terres agricoles adjacentes hors ZPS (zone de protection spéciale) et REF (Réseau écologique flamand) et est conforme aux objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2. du décret coordonné du 15 juin 2018 ;
2° il n'y a qu'un seul voûtement ou qu'une seule canalisation par parcelle cadastrale. Si plusieurs parcelles cadastrales constituent un ensemble par l'usage, un seul voûtement ou une seule canalisation seront mis en place pour l'ensemble de ces parcelles à moins que le demandeur ne puisse démontrer que plusieurs voûtements sont raisonnablement nécessaires à l'utilisation normale et à un bon désenclavement des terres.
La longueur du voûtement ou de la canalisation ne peut pas excéder cinq mètres. L'autorité délivrant le permis peut autoriser une dérogation à la longueur maximale pour l'un des motifs suivants :
1° pour des travaux d'intérêt général ;
2° pour des raisons d'hygiène ou de sécurité pour les occupants de l'habitation pour laquelle le voûtement est aménagé ;
3° la longueur de cinq mètres ne suffit pas pour assurer l'accès à la ou aux parcelles en question.
Le demandeur motive la demande de dérogation à la longueur maximale. Le fait que l'accès à la parcelle soit emprunté par des véhicules autres que des voitures particulières et des véhicules utilitaires légers constitue un motif suffisant pour déroger jusqu'à 7,5 mètres. S'il ressort d'une demande motivée qu'une longueur de 7,5 mètres ne suffit pas, l'autorité délivrant le permis peut également y déroger. A chaque voûtement ou canalisation de plus de 7,5 mètres, l'infiltration d'eaux pluviales doit être assurée en permanence et, si nécessaire, des mesures additionnelles sont prises à cet effet ;
4° le voûtement ou la canalisation est de taille suffisante pour pouvoir évacuer le débit d'écoulement en amont et présente un diamètre intérieur minimal de 400 millimètres ;
5° les tuyaux sont placés dans le sol d'un fossé complètement dégagé. Lors de la pose, aucun dommage ne sera causé aux parois du fossé et aux conduites utilitaires. La transition entre le profil de fossé ouvert et le voûtement ou la canalisation est parachevée de manière à ce que le lessivage ne soit pas possible.
§ 3. L'autorité délivrant le permis peut imposer des conditions supplémentaires, notamment pour le remblayage de la tranchée autour de la canalisation, la pose de murs d'aqueduc et de regards de visite.
Le titulaire du permis ou son ayant cause est responsable de l'état et du fonctionnement corrects du voûtement. Il dégage le voûtement ou la canalisation et les libère de tous obstacles empêchant un bon drainage.
Art. 24. Oever- en bodemversteviging van een gracht zijn alleen aanvaardbaar als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° het gabariet van de gracht neemt niet af;
2° de infiltratie via de bodem en via de wanden van de gracht blijft mogelijk;
3° harde materialen worden beperkt tot het noodzakelijke om de gracht en talud in goede toestand te behouden.
De vergunningverlenende overheid kan alleen een afwijking van het eerste lid toestaan als de aanvrager afdoende motiveert dat er geen schadelijk effect als vermeld in artikel 1.1.3, § 2, 18°, van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018, veroorzaakt wordt en de afwijking in overeenstemming is met de doelstellingen van het integraal waterbeleid, als vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018.
1° het gabariet van de gracht neemt niet af;
2° de infiltratie via de bodem en via de wanden van de gracht blijft mogelijk;
3° harde materialen worden beperkt tot het noodzakelijke om de gracht en talud in goede toestand te behouden.
De vergunningverlenende overheid kan alleen een afwijking van het eerste lid toestaan als de aanvrager afdoende motiveert dat er geen schadelijk effect als vermeld in artikel 1.1.3, § 2, 18°, van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018, veroorzaakt wordt en de afwijking in overeenstemming is met de doelstellingen van het integraal waterbeleid, als vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018.
Art. 24. Le renforcement des rives et du sol d'un fossé n'est admissible que si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° le gabarit du fossé ne diminue pas ;
2° l'infiltration via le sol et les parois du fossé reste possible ;
3° les matériaux durs sont limités au strict nécessaire afin de maintenir le fossé et le talus en bon état.
L'autorité délivrant le permis ne peut autoriser une dérogation à l'alinéa 1er que si le demandeur motive à suffisance l'absence d'effet néfaste tel que visé à l'article 1.1.3, § 2, 18°, du décret coordonné du 15 juin 2018 et que si la dérogation est conforme aux objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2. du décret coordonné du 15 juin 2018.
1° le gabarit du fossé ne diminue pas ;
2° l'infiltration via le sol et les parois du fossé reste possible ;
3° les matériaux durs sont limités au strict nécessaire afin de maintenir le fossé et le talus en bon état.
L'autorité délivrant le permis ne peut autoriser une dérogation à l'alinéa 1er que si le demandeur motive à suffisance l'absence d'effet néfaste tel que visé à l'article 1.1.3, § 2, 18°, du décret coordonné du 15 juin 2018 et que si la dérogation est conforme aux objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2. du décret coordonné du 15 juin 2018.
Art. 25. Voor de publieke grachten hebben de gemeenten, polders en wateringen, onder meer de volgende verplichtingen:
1° de begroeiingen onderhouden volgens de code van goede natuurpraktijk voor het beheer van waterlopen als vermeld in artikel 14, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
2° de publieke grachten in stand houden in functie van de in overeenstemming met de doelstellingen van het integraal waterbeleid, als vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018, gewenste infiltratie-, buffer-, afvoer- en bergingscapaciteit en hiertoe indien nodig materialen, voorwerpen en plantenresten verwijderen. Met in stand houden worden handelingen van onderhoud en herstel bedoeld, die als doel hebben om de gracht verder zijn functies in de lokale waterhuishouding te laten vervullen.
Bij de baangrachten staat de wegbeheerder in voor de taken, vermeld in het eerste lid. Baangrachten zijn grachten die onderdeel zijn van de openbare weg, van het openbaar domein van de spoorwegen, van vliegvelden, en zo meer.
Voor de overige grachten staan de aangelanden in voor de taken, vermeld in het eerste lid.
1° de begroeiingen onderhouden volgens de code van goede natuurpraktijk voor het beheer van waterlopen als vermeld in artikel 14, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
2° de publieke grachten in stand houden in functie van de in overeenstemming met de doelstellingen van het integraal waterbeleid, als vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018, gewenste infiltratie-, buffer-, afvoer- en bergingscapaciteit en hiertoe indien nodig materialen, voorwerpen en plantenresten verwijderen. Met in stand houden worden handelingen van onderhoud en herstel bedoeld, die als doel hebben om de gracht verder zijn functies in de lokale waterhuishouding te laten vervullen.
Bij de baangrachten staat de wegbeheerder in voor de taken, vermeld in het eerste lid. Baangrachten zijn grachten die onderdeel zijn van de openbare weg, van het openbaar domein van de spoorwegen, van vliegvelden, en zo meer.
Voor de overige grachten staan de aangelanden in voor de taken, vermeld in het eerste lid.
Art. 25. En ce qui concerne les fossés publics, les communes, polders et wateringues ont notamment les obligations suivantes :
1° l'entretien des végétations suivant le code de bonne pratique naturelle en matière de gestion de cours d'eau visé à l'article 14, § 2, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
2° la conservation des fossés publics en fonction de la capacité d'infiltration, tampon, de drainage et de stockage souhaitée conformément aux objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2. du décret coordonné du 15 juin 2018 et, à cette fin, l'évacuation, si nécessaire, des matériaux, objets et résidus végétaux. Par " conservation ", on entend les actes d'entretien et de réparation visant à faire en sorte que le fossé continue à remplir ses fonctions dans la gestion locale des eaux.
Dans le cas de fossés le long des routes, le gestionnaire de la voirie se charge des tâches visées à l'alinéa 1er. Les fossés le long des routes font partie de la voie publique, du domaine public des chemins de fer, des aérodromes, etc.
En ce qui concerne les autres fossés, les riverains se chargent des tâches visées à l'alinéa 1er.
1° l'entretien des végétations suivant le code de bonne pratique naturelle en matière de gestion de cours d'eau visé à l'article 14, § 2, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
2° la conservation des fossés publics en fonction de la capacité d'infiltration, tampon, de drainage et de stockage souhaitée conformément aux objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2. du décret coordonné du 15 juin 2018 et, à cette fin, l'évacuation, si nécessaire, des matériaux, objets et résidus végétaux. Par " conservation ", on entend les actes d'entretien et de réparation visant à faire en sorte que le fossé continue à remplir ses fonctions dans la gestion locale des eaux.
Dans le cas de fossés le long des routes, le gestionnaire de la voirie se charge des tâches visées à l'alinéa 1er. Les fossés le long des routes font partie de la voie publique, du domaine public des chemins de fer, des aérodromes, etc.
En ce qui concerne les autres fossés, les riverains se chargent des tâches visées à l'alinéa 1er.
Art. 26. De waterbeheerder kan gebruikers of eigenaars van gemachtigde constructies op onbevaarbare waterlopen verplichten:
1° op eigen kosten peilschalen of peilspijkers in de bedding van de waterlopen te plaatsen;
2° de bestaande peilschalen of peilspijkers te verplaatsen;
3° de stand van peilschalen of peilspijkers te wijzigen.
De waterbeheerder legt de verplichting vermeld in het eerste lid op aan de gebruikers of eigenaars van gemachtigde constructies door middel van een beveiligde zending. De waterbeheerder motiveert zijn beslissing op basis van de noodwendigheden van het beheer van de betrokken waterloop en de relevante doelstellingen van het integraal waterbeleid.
Het is verboden de peilschalen, peilspijkers of andere merktekens die aangebracht zijn in opdracht van de waterbeheerder, te verwijderen, onherkenbaar te maken of iets aan de stand of plaats ervan te veranderen.
1° op eigen kosten peilschalen of peilspijkers in de bedding van de waterlopen te plaatsen;
2° de bestaande peilschalen of peilspijkers te verplaatsen;
3° de stand van peilschalen of peilspijkers te wijzigen.
De waterbeheerder legt de verplichting vermeld in het eerste lid op aan de gebruikers of eigenaars van gemachtigde constructies door middel van een beveiligde zending. De waterbeheerder motiveert zijn beslissing op basis van de noodwendigheden van het beheer van de betrokken waterloop en de relevante doelstellingen van het integraal waterbeleid.
Het is verboden de peilschalen, peilspijkers of andere merktekens die aangebracht zijn in opdracht van de waterbeheerder, te verwijderen, onherkenbaar te maken of iets aan de stand of plaats ervan te veranderen.
Art. 26. Le gestionnaire des eaux peut obliger les usagers ou propriétaires de constructions autorisées sur des cours d'eau non navigables à :
1° placer, à leur frais, dans le lit des cours d'eau, des échelles de niveau ou des clous de jauge ;
2° déplacer les échelles de niveau ou clous de jauge existants ;
3° modifier la disposition des échelles de niveau ou clous de jauge.
Le gestionnaire des eaux impose l'obligation visée à l'alinéa 1er aux usagers ou propriétaires de constructions autorisées au moyen d'un envoi sécurisé. Le gestionnaire des eaux motive sa décision sur la base des nécessités de la gestion du cours d'eau concerné et des objectifs pertinents de la politique intégrée de l'eau.
Il est interdit d'enlever les échelles de niveau, les clous de jauge ou tous autres systèmes de repérage mis en place à la requête du gestionnaire des eaux, de les rendre méconnaissables ou de modifier quoi que ce soit à leur disposition ou emplacement.
1° placer, à leur frais, dans le lit des cours d'eau, des échelles de niveau ou des clous de jauge ;
2° déplacer les échelles de niveau ou clous de jauge existants ;
3° modifier la disposition des échelles de niveau ou clous de jauge.
Le gestionnaire des eaux impose l'obligation visée à l'alinéa 1er aux usagers ou propriétaires de constructions autorisées au moyen d'un envoi sécurisé. Le gestionnaire des eaux motive sa décision sur la base des nécessités de la gestion du cours d'eau concerné et des objectifs pertinents de la politique intégrée de l'eau.
Il est interdit d'enlever les échelles de niveau, les clous de jauge ou tous autres systèmes de repérage mis en place à la requête du gestionnaire des eaux, de les rendre méconnaissables ou de modifier quoi que ce soit à leur disposition ou emplacement.
Art.26/1. [1 § 1. De waterbeheerder voert een peilbeheer in overeenstemming met de doelstellingen van het integraal waterbeleid, vermeld in artikel 1.2.2 van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018.
§ 2. De waterbeheerder houdt bij het peilbeheer rekening met onder andere de behoeften inzake milieu, natuur, landschap, economie, landbouw en waterveiligheid die er bestaan in de peilzones.]1
§ 2. De waterbeheerder houdt bij het peilbeheer rekening met onder andere de behoeften inzake milieu, natuur, landschap, economie, landbouw en waterveiligheid die er bestaan in de peilzones.]1
Art.26/1. [1 § 1er. Le gestionnaire des eaux met en oeuvre une gestion du niveau d'eau conformément aux objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2 du décret coordonné du 15 juin 2018.
§ 2. Dans le cadre de la gestion du niveau d'eau, le gestionnaire des eaux tient compte, entre autres, des besoins en matière d'environnement, de nature, de paysage, d'économie, d'agriculture et de sécurité de l'eau qui existent dans les zones de niveau.]1
§ 2. Dans le cadre de la gestion du niveau d'eau, le gestionnaire des eaux tient compte, entre autres, des besoins en matière d'environnement, de nature, de paysage, d'économie, d'agriculture et de sécurité de l'eau qui existent dans les zones de niveau.]1
Modifications
Art.26/2.[1 § 1. De waterbeheerder kan de nodige initiatieven nemen om te beschikken over een goedgekeurd peilbesluit voor alle gebieden waar het oppervlaktewaterpeil kunstmatig geregeld wordt.
De minister bepaalt de gebieden waar een peilbesluit prioritair opgemaakt moet worden. De minister houdt hierbij minstens rekening met de volgende criteria:
- de aanwezigheid van regelbare constructies;
- het belang van het peilbeheer om de doelstellingen te halen van het integraal waterbeleid, vermeld in artikel 1.2.2 van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018, te realiseren;
- het belang van het peilbeheer om de doelstellingen te halen van het natuurbeleid, vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
- het belang van peilbeheer voor milieu, natuur, landschap, economie, landbouw en waterveiligheid in het gebied;
- de vaststelling van verdroging en het risico op waterschaarste.
Voor de waterlopen en grachten gelegen in een prioritair gebied moeten de waterbeheerders binnen een termijn van 2 jaar na de aanduiding van het prioritaire gebied een ontwerp van peilbesluit aan de minister voorleggen. De waterbeheerders kunnen binnen de termijn van 2 jaar een gemotiveerd verzoek tot verlenging van deze termijn aan de minister voorleggen. De minister beslist binnen een termijn van 3 maand na ontvangst van het gemotiveerd verzoek of deze verlenging aanvaard kan worden.
De minister evalueert 2-jaarlijks of de aanduiding van bijkomende prioritaire gebieden nodig is.
§ 2. Waterbeheerders kunnen voor een bepaald gebied samen het initiatief nemen om een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, op te stellen. De waterbeheerders maken in een overeenkomst de noodzakelijke afspraken over de uitvoering van de verschillende taken die nodig zijn om een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, op te stellen, en over de kostenverdeling. De voormelde waterbeheerders wijzen een van de betrokken waterbeheerders aan als coördinerende waterbeheerder om het voormelde peilbesluit op te stellen. De voormelde afspraken kunnen gewijzigd of opgezegd worden op de wijze die in de voormelde overeenkomst bepaald is.
§ 3. Als de waterbeheerders niet tijdig een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, aan de minister voorleggen, kan de minister een instantie aanwijzen die het voormelde peilbesluit opstelt conform de procedure, vermeld in dit besluit.
§ 4. Een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, bevat al de volgende elementen:
1° de peilregeling voor de peilzones in het gebied waarop het peilbesluit van toepassing is, rekening houdend met de behoeften, vermeld in artikel 26/1, § 2, van dit besluit, waarmee in het gebied rekening moet worden gehouden;
2° in voorkomend geval de wijze waarop de peilregeling veranderd is ten opzichte van een vorige versie;
3° een peilkaart met daarop de begrenzing van het gebied waarop het peilbesluit betrekking heeft, en met de peilzones waarin de verschillende peilregelingen gelden die met het peilbesluit ingesteld worden;
4° een toelichting bij het besluit die al de volgende elementen bevat:
a) een overzicht van de onbevaarbare waterlopen en de grachten in het gebied én de regelbare en vaste constructies op de voormelde waterlopen en grachten en inrichtings- en beheermaatregelen die de waterbeheerder kan inzetten om de peilregeling te realiseren;
b) een overzicht van de verbindingen met de bevaarbare waterwegen;
c) de wetgeving die voor het peilbeheer in het gebied in kwestie relevant is, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
d) de geïdentificeerde behoeften, vermeld in artikel 26/1, § 2, van dit besluit, waarmee in het gebied rekening moet worden gehouden;
e) een grondige motivering van de peilregeling, waarbij rekening gehouden wordt met de verschillende belangen in het gebied;
f) de peilinstellingen voor de regelbare constructies die ingezet worden om de peilregeling te realiseren;
g) de meetpunten die in het gebied aanwezig zijn of aangebracht worden om de peilregeling te monitoren;
5° [2 de beslissing van de bevoegde overheid conform artikel 4.3.5, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, dat voor het plan geen milieubeoordeling moet worden uitgevoerd, of het kwaliteitsadvies van het Vlaams expertisecentrum m.e.r. vermeld in artikel 4.4.6, § 2, tweede lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en, in voorkomend geval, een overzicht van de conclusies van de volgende effectbeoordelingen waarbij aangegeven wordt hoe die geïntegreerd zijn in het plan:
a) het planmilieueffectrapport;
b) de passende beoordeling;
c) andere verplicht voorgeschreven of gemaakte effectenrapporten;
d) in voorkomend geval de monitoringsmaatregelen in het kader van de uitgevoerde effectbeoordelingen]2.
§ 5. Een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, is bindend voor de waterbeheerders, vermeld in paragraaf 1 en 2, en de eigenaars en gebruikers van de onroerende goederen die in het gebied liggen waarop het voormelde peilbesluit betrekking heeft.]1
De minister bepaalt de gebieden waar een peilbesluit prioritair opgemaakt moet worden. De minister houdt hierbij minstens rekening met de volgende criteria:
- de aanwezigheid van regelbare constructies;
- het belang van het peilbeheer om de doelstellingen te halen van het integraal waterbeleid, vermeld in artikel 1.2.2 van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018, te realiseren;
- het belang van het peilbeheer om de doelstellingen te halen van het natuurbeleid, vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
- het belang van peilbeheer voor milieu, natuur, landschap, economie, landbouw en waterveiligheid in het gebied;
- de vaststelling van verdroging en het risico op waterschaarste.
Voor de waterlopen en grachten gelegen in een prioritair gebied moeten de waterbeheerders binnen een termijn van 2 jaar na de aanduiding van het prioritaire gebied een ontwerp van peilbesluit aan de minister voorleggen. De waterbeheerders kunnen binnen de termijn van 2 jaar een gemotiveerd verzoek tot verlenging van deze termijn aan de minister voorleggen. De minister beslist binnen een termijn van 3 maand na ontvangst van het gemotiveerd verzoek of deze verlenging aanvaard kan worden.
De minister evalueert 2-jaarlijks of de aanduiding van bijkomende prioritaire gebieden nodig is.
§ 2. Waterbeheerders kunnen voor een bepaald gebied samen het initiatief nemen om een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, op te stellen. De waterbeheerders maken in een overeenkomst de noodzakelijke afspraken over de uitvoering van de verschillende taken die nodig zijn om een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, op te stellen, en over de kostenverdeling. De voormelde waterbeheerders wijzen een van de betrokken waterbeheerders aan als coördinerende waterbeheerder om het voormelde peilbesluit op te stellen. De voormelde afspraken kunnen gewijzigd of opgezegd worden op de wijze die in de voormelde overeenkomst bepaald is.
§ 3. Als de waterbeheerders niet tijdig een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, aan de minister voorleggen, kan de minister een instantie aanwijzen die het voormelde peilbesluit opstelt conform de procedure, vermeld in dit besluit.
§ 4. Een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, bevat al de volgende elementen:
1° de peilregeling voor de peilzones in het gebied waarop het peilbesluit van toepassing is, rekening houdend met de behoeften, vermeld in artikel 26/1, § 2, van dit besluit, waarmee in het gebied rekening moet worden gehouden;
2° in voorkomend geval de wijze waarop de peilregeling veranderd is ten opzichte van een vorige versie;
3° een peilkaart met daarop de begrenzing van het gebied waarop het peilbesluit betrekking heeft, en met de peilzones waarin de verschillende peilregelingen gelden die met het peilbesluit ingesteld worden;
4° een toelichting bij het besluit die al de volgende elementen bevat:
a) een overzicht van de onbevaarbare waterlopen en de grachten in het gebied én de regelbare en vaste constructies op de voormelde waterlopen en grachten en inrichtings- en beheermaatregelen die de waterbeheerder kan inzetten om de peilregeling te realiseren;
b) een overzicht van de verbindingen met de bevaarbare waterwegen;
c) de wetgeving die voor het peilbeheer in het gebied in kwestie relevant is, en de wijze waarop daarmee is omgegaan;
d) de geïdentificeerde behoeften, vermeld in artikel 26/1, § 2, van dit besluit, waarmee in het gebied rekening moet worden gehouden;
e) een grondige motivering van de peilregeling, waarbij rekening gehouden wordt met de verschillende belangen in het gebied;
f) de peilinstellingen voor de regelbare constructies die ingezet worden om de peilregeling te realiseren;
g) de meetpunten die in het gebied aanwezig zijn of aangebracht worden om de peilregeling te monitoren;
5° [2 de beslissing van de bevoegde overheid conform artikel 4.3.5, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, dat voor het plan geen milieubeoordeling moet worden uitgevoerd, of het kwaliteitsadvies van het Vlaams expertisecentrum m.e.r. vermeld in artikel 4.4.6, § 2, tweede lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en, in voorkomend geval, een overzicht van de conclusies van de volgende effectbeoordelingen waarbij aangegeven wordt hoe die geïntegreerd zijn in het plan:
a) het planmilieueffectrapport;
b) de passende beoordeling;
c) andere verplicht voorgeschreven of gemaakte effectenrapporten;
d) in voorkomend geval de monitoringsmaatregelen in het kader van de uitgevoerde effectbeoordelingen]2.
§ 5. Een peilbesluit als vermeld in paragraaf 1, is bindend voor de waterbeheerders, vermeld in paragraaf 1 en 2, en de eigenaars en gebruikers van de onroerende goederen die in het gebied liggen waarop het voormelde peilbesluit betrekking heeft.]1
Art.26/2.[1 § 1er. Le gestionnaire des eaux peut prendre les initiatives nécessaires pour obtenir une décision de niveau approuvée pour toutes les zones où le niveau des eaux de surface est artificiellement régulé.
Le ministre détermine les zones dans lesquelles une décision de niveau doit être prise en priorité. A cet égard, le ministre tient au moins compte des critères suivants :
- la présence de constructions réglables ;
- l'intérêt de la gestion du niveau d'eau pour atteindre les objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2 du décret coordonné du 15 juin 2018 ;
- l'intérêt de la gestion du niveau d'eau pour atteindre les objectifs de la politique de la nature visés dans le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
- l'intérêt de la gestion du niveau d'eau pour l'environnement, la nature, le paysage, l'économie, l'agriculture et la sécurité de l'eau dans la zone ;
- le constat de la dessiccation et le risque de pénurie d'eau.
Pour les cours d'eau et les fossés situés dans une zone prioritaire, les gestionnaires des eaux doivent soumettre au ministre un projet de décision de niveau dans un délai de deux ans à compter de la désignation de la zone prioritaire. Au cours de ce délai de deux ans, les gestionnaires des eaux peuvent soumettre au ministre une demande motivée de prolongation de ce délai. Le ministre décide dans les trois mois suivant la réception de la demande motivée si cette prolongation peut être acceptée.
Le ministre évalue tous les deux ans si la désignation de zones prioritaires supplémentaires est nécessaire.
§ 2. Les gestionnaires des eaux peuvent prendre conjointement l'initiative, pour une zone donnée, d'élaborer une décision de niveau, telle que visée au paragraphe 1er. Dans un accord, les gestionnaires des eaux prennent les dispositions nécessaires pour l'exécution des différentes tâches requises pour l'élaboration d'une décision de niveau telle que visée au paragraphe 1er, ainsi que pour la répartition des coûts. Les gestionnaires des eaux précités désignent l'un des gestionnaires des eaux concernés en tant que gestionnaire des eaux coordinateur pour élaborer la décision sur le niveau précitée. Les accords précités peuvent être modifiés ou résiliés de la manière prévue dans l'accord précité.
§ 3. Si les gestionnaires des eaux ne soumettent pas à temps au ministre une décision de niveau telle que visée au paragraphe 1er, le ministre peut désigner une autorité chargée d'élaborer la décision de niveau précitée conformément à la procédure visée dans le présent arrêté.
§ 4. Une décision de niveau telle que visée au paragraphe 1er, contient l'ensemble des éléments suivants :
1° la régulation du niveau d'eau pour les zones de niveau dans la région à laquelle la décision de niveau s'applique, compte tenu des besoins visés à l'article 26/1, § 2, du présent arrêté, à prendre en compte dans la région ;
2° le cas échéant, la manière dont la régulation du niveau d'eau a été modifiée par rapport à une version antérieure ;
3° une carte de niveau indiquant la délimitation de la zone à laquelle s'applique la décision de niveau et les zones de niveau dans lesquelles s'appliquent les différentes régulations du niveau d'eau établies par la décision de niveau;
4° une note explicative de la décision comprenant l'ensemble des éléments suivants :
a) un aperçu des cours d'eau et fossés non navigables de la zone ainsi que des constructions réglables et fixes sur les cours d'eau et fossés précités, et des mesures d'aménagement et de gestion que le gestionnaire des eaux peut mettre en oeuvre pour réaliser la régulation du niveau d'eau ;
b) un aperçu des connexions aux voies navigables ;
c) la législation pertinente dans la zone concernée pour la gestion du niveau d'eau et la manière dont elle est traitée ;
d) les besoins identifiés, visés à l'article 26/1, § 2, du présent arrêté, à prendre en compte dans la zone ;
e) une justification approfondie de la régulation du niveau d'eau, en tenant compte des différents intérêts dans la zone ;
f) les réglages de niveau pour les constructions réglables déployées en vue de réaliser la régulation du niveau d'eau ;
g) les points de mesure présents ou installés dans la zone pour le contrôle de la régulation du niveau d'eau ;
5° [2 la décision de l'autorité compétente conformément à l'article 4.3.5, § 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, selon laquelle aucune évaluation environnementale ne doit être réalisée pour le plan, ou l'avis sur la qualité émis par le Centre d'Expertise flamand R.I.E. visé à l'article 4.4.6, § 2, alinéa 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, ainsi que, le cas échéant, un aperçu des conclusions des études d'incidences suivantes, en indiquant la manière dont elles sont intégrées dans le plan :
a) le rapport d'incidences du plan sur l'environnement ;
b) l'évaluation appropriée ;
c) d'autres rapports d'incidences obligatoirement prescrits ou établis ;
d) le cas échéant, les mesures de suivi dans le cadre des évaluations d'incidences exécutées]2.
§ 5. Une décision de niveau telle que visée au paragraphe 1er, est contraignante pour les gestionnaires des eaux visés aux paragraphes 1er et 2, ainsi que pour les propriétaires et les utilisateurs des biens immobiliers situés dans la zone à laquelle se rapporte la décision de niveau précitée.]1
Le ministre détermine les zones dans lesquelles une décision de niveau doit être prise en priorité. A cet égard, le ministre tient au moins compte des critères suivants :
- la présence de constructions réglables ;
- l'intérêt de la gestion du niveau d'eau pour atteindre les objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2 du décret coordonné du 15 juin 2018 ;
- l'intérêt de la gestion du niveau d'eau pour atteindre les objectifs de la politique de la nature visés dans le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ;
- l'intérêt de la gestion du niveau d'eau pour l'environnement, la nature, le paysage, l'économie, l'agriculture et la sécurité de l'eau dans la zone ;
- le constat de la dessiccation et le risque de pénurie d'eau.
Pour les cours d'eau et les fossés situés dans une zone prioritaire, les gestionnaires des eaux doivent soumettre au ministre un projet de décision de niveau dans un délai de deux ans à compter de la désignation de la zone prioritaire. Au cours de ce délai de deux ans, les gestionnaires des eaux peuvent soumettre au ministre une demande motivée de prolongation de ce délai. Le ministre décide dans les trois mois suivant la réception de la demande motivée si cette prolongation peut être acceptée.
Le ministre évalue tous les deux ans si la désignation de zones prioritaires supplémentaires est nécessaire.
§ 2. Les gestionnaires des eaux peuvent prendre conjointement l'initiative, pour une zone donnée, d'élaborer une décision de niveau, telle que visée au paragraphe 1er. Dans un accord, les gestionnaires des eaux prennent les dispositions nécessaires pour l'exécution des différentes tâches requises pour l'élaboration d'une décision de niveau telle que visée au paragraphe 1er, ainsi que pour la répartition des coûts. Les gestionnaires des eaux précités désignent l'un des gestionnaires des eaux concernés en tant que gestionnaire des eaux coordinateur pour élaborer la décision sur le niveau précitée. Les accords précités peuvent être modifiés ou résiliés de la manière prévue dans l'accord précité.
§ 3. Si les gestionnaires des eaux ne soumettent pas à temps au ministre une décision de niveau telle que visée au paragraphe 1er, le ministre peut désigner une autorité chargée d'élaborer la décision de niveau précitée conformément à la procédure visée dans le présent arrêté.
§ 4. Une décision de niveau telle que visée au paragraphe 1er, contient l'ensemble des éléments suivants :
1° la régulation du niveau d'eau pour les zones de niveau dans la région à laquelle la décision de niveau s'applique, compte tenu des besoins visés à l'article 26/1, § 2, du présent arrêté, à prendre en compte dans la région ;
2° le cas échéant, la manière dont la régulation du niveau d'eau a été modifiée par rapport à une version antérieure ;
3° une carte de niveau indiquant la délimitation de la zone à laquelle s'applique la décision de niveau et les zones de niveau dans lesquelles s'appliquent les différentes régulations du niveau d'eau établies par la décision de niveau;
4° une note explicative de la décision comprenant l'ensemble des éléments suivants :
a) un aperçu des cours d'eau et fossés non navigables de la zone ainsi que des constructions réglables et fixes sur les cours d'eau et fossés précités, et des mesures d'aménagement et de gestion que le gestionnaire des eaux peut mettre en oeuvre pour réaliser la régulation du niveau d'eau ;
b) un aperçu des connexions aux voies navigables ;
c) la législation pertinente dans la zone concernée pour la gestion du niveau d'eau et la manière dont elle est traitée ;
d) les besoins identifiés, visés à l'article 26/1, § 2, du présent arrêté, à prendre en compte dans la zone ;
e) une justification approfondie de la régulation du niveau d'eau, en tenant compte des différents intérêts dans la zone ;
f) les réglages de niveau pour les constructions réglables déployées en vue de réaliser la régulation du niveau d'eau ;
g) les points de mesure présents ou installés dans la zone pour le contrôle de la régulation du niveau d'eau ;
5° [2 la décision de l'autorité compétente conformément à l'article 4.3.5, § 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, selon laquelle aucune évaluation environnementale ne doit être réalisée pour le plan, ou l'avis sur la qualité émis par le Centre d'Expertise flamand R.I.E. visé à l'article 4.4.6, § 2, alinéa 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, ainsi que, le cas échéant, un aperçu des conclusions des études d'incidences suivantes, en indiquant la manière dont elles sont intégrées dans le plan :
a) le rapport d'incidences du plan sur l'environnement ;
b) l'évaluation appropriée ;
c) d'autres rapports d'incidences obligatoirement prescrits ou établis ;
d) le cas échéant, les mesures de suivi dans le cadre des évaluations d'incidences exécutées]2.
§ 5. Une décision de niveau telle que visée au paragraphe 1er, est contraignante pour les gestionnaires des eaux visés aux paragraphes 1er et 2, ainsi que pour les propriétaires et les utilisateurs des biens immobiliers situés dans la zone à laquelle se rapporte la décision de niveau précitée.]1
Art.26/3.[1 § 1. In dit artikel wordt verstaan onder [3 het Vlaams expertisecentrum m.e.r.]3: de subentiteit van het Departement Omgeving die bevoegd is voor de milieueffectrapportage.
§ 2. De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, van dit besluit, stelt een oriëntatienota op via een participatief traject met lokale actoren, eigenaars en gebruikers die al de volgende elementen bevat:
1° de peilregeling die actueel is ingesteld met een kaart van het gebied waarop die peilregeling betrekking heeft, en, in voorkomend geval, de zones waarin de verschillende bestaande peilregelingen gelden;
2° de aanwezige regelbare en vaste constructies om de actuele peilregeling te realiseren, en de gehanteerde peilinstellingen van de voormelde regelbare constructies;
3° de huidige inrichting en het actueel gehanteerde beheer van de waterlopen en grachten met het oog op de peilregeling;
4° de wetgeving die relevant is voor het peilbeheer in het gebied in kwestie;
5° de relevante info uit de bodemkaart van het gebied;
6° de geïdentificeerde behoeften, vermeld in artikel 26/1, § 2, van dit besluit;
7° een kaart met daarop de begrenzing van het gebied waarvoor de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder een peilbesluit als vermeld in artikel 26/2, § 4, van dit besluit, wil opmaken;
8° in voorkomend geval [3 de aanmelding van het voorgenomen plan-milieueffectrapport, vermeld in artikel 4.4.2, § 1]3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
[3 9° in voorkomend geval, een voorstel van scoping, vermeld in artikel 4.4.2, § 2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid]3.
§ 3. De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder vraagt advies aan de volgende instanties over de oriëntatienota, vermeld in paragraaf 2:
1° het college van burgemeester en schepenen van de gemeenten waarop het peilbesluit, vermeld in artikel 26/2, § 4, van dit besluit, betrekking heeft;
2° de overige waterbeheerders die waterlopen of publieke grachten beheren in het gebied in kwestie;
3° het Agentschap voor Natuur en Bos;
4° [2 het Agentschap Landbouw en Zeevisserij]2;
5° het Agentschap Onroerend Erfgoed als een cultuurhistorisch landschap als vermeld in artikel 2.1, 22°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, deel uitmaakt van het gebied waarop het peilbesluit, vermeld in artikel 26/2, § 4, van dit besluit, betrekking heeft, of daaraan paalt;
6° in voorkomend geval de [3 het Vlaams expertisecentrum m.e.r.]3;
7° de deputatie van de provincie(s) waarin het grondgebied ligt waarop het peilbesluit betrekking heeft;
8° de Vlaamse Milieumaatschappij;
9° de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk als het peilbesluit, vermeld in artikel 26/2, § 4, van dit besluit, van toepassing is op waterlopen die gebruikt worden voor de onttrekking van de productie van water, bestemd voor menselijke consumptie;
10° de CIW;
11° in voorkomend geval een ander gewest, een andere lidstaat van de Europese Unie of de federale overheid als uit de aanmelding, vermeld in paragraaf 2, 8°, blijkt dat het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, bezorgt de oriëntatienota, vermeld in, § 2, aan de adviesinstanties, vermeld in het eerste lid. De adviesinstanties, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van punt 6°, geven advies binnen zestig dagen nadat ze de adviesvraag, vermeld in het eerste lid, hebben ontvangen. Als er geen advies wordt verleend binnen de voormelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
[3 ...]3.
§ 4. Op basis van de adviezen, vermeld in paragraaf 3, wordt de oriëntatienota, vermeld in paragraaf 2, aangepast waar dat nodig is. Op basis van de voormelde oriëntatienota maakt de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, een ontwerp van peilbesluit op.
Voor de goedkeuringsprocedure van het peilbesluit worden de volgende documenten opgesteld:
1° een ontwerp van peilregeling, een peilkaart en een toelichting bij het peilbesluit als vermeld in artikel 26/2, § 4, tweede lid, 4°, van dit besluit, dat gebaseerd is op de oriëntatienota, vermeld in paragraaf 2, en een gemotiveerde afweging van de behoeften, vermeld in artikel 26/1, § 2, van dit besluit. Er wordt een overzicht toegevoegd van de knelpunten die met de bestaande inrichting van het gebied, met de bestaande regelbare of vaste constructies en de huidige inrichting en het beheer van de waterlopen en grachten niet of niet volledig opgelost kunnen worden;
2° een actieplan om de knelpunten, vermeld in punt 1°, te remediëren, met daarin de maatregelen die daarvoor nodig zijn, de vermelding welke waterbeheerder of andere instantie de voormelde maatregelen neemt en binnen welke termijn dat gebeurt;
3° een passende beoordeling als vermeld in artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, of een VEN-toets als vermeld in artikel 26bis van het voormelde decreet;
4° een ontwerp van plan-milieueffectrapport, [3 ...]3 of een [3 m.e.r.-screening als vermeld in artikel 4.3.2, § 2]3, van het voormelde decreet.
[3 ...]3.
§ 5. Over het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, en, in voorkomend geval, over het ontwerp plan-MER wordt een openbaar onderzoek georganiseerd door de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, en de betrokken gemeenten maken het openbaar onderzoek uiterlijk de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek bekend op een opvallende plaats op hun website(s) die voor bekendmakingen geëigend is.
Het gemeentebestuur hangt minstens aan het gemeentehuis gedurende zestig dagen vanaf de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek een bekendmaking op die al de volgende gegevens bevat:
1° de begindatum en de einddatum van het openbaar onderzoek;
2° een korte omschrijving van het doel van het openbaar onderzoek;
3° de website waar het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, raadpleegbaar is;
4° de termijn waarin opmerkingen over de documenten die ter inzage gelegd zijn, ingediend kunnen worden, en de wijze waarop dat gebeurt.
§ 6. Bezwaren en opmerkingen over het ontwerp van peilbesluit en het ontwerp van plan-MER, vermeld in paragraaf 4, kunnen uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 5, digitaal ingediend worden via het inspraakformulier op de website van de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, of analoog met een beveiligde zending op het gemeentehuis.
De algemeen directeur of zijn gemachtigde stelt binnen vijftien dagen na de laatste dag van het openbaar onderzoek een proces-verbaal op van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 5. Het proces-verbaal bevat een inventaris van de bezwaren en opmerkingen die ingediend zijn tijdens het voormelde openbaar onderzoek.
De algemeen directeur of zijn gemachtigde bezorgt zo snel mogelijk het proces-verbaal en de ontvangen bezwaren en opmerkingen aan de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, bezorgt de processen-verbaal van het openbaar onderzoek en de ontvangen bezwaren, opmerkingen en adviezen aan [3 het Vlaams expertisecentrum m.e.r.]3.
§ 7. Over het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, wordt advies gevraagd aan de adviesinstanties, vermeld in paragraaf 3, eerste lid.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, bezorgt de documenten, vermeld in paragraaf 4, aan de adviesinstanties, vermeld in paragraaf 3, eerste lid.
De adviesinstanties, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, met uitzondering van punt 6°, geven advies binnen zestig dagen nadat ze de adviesvraag, vermeld in het eerste lid, hebben ontvangen. Als er geen advies wordt verleend binnen de voormelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
§ 8. [3 Als het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, een ontwerp van plan-MER omvat, wordt het ontwerp van plan-MER conform artikel 4.4.6, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voor advies ter beschikking gesteld aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de instanties vermeld in artikel 24, § 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2025 tot uitvoering van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft de milieueffectrapportage]3.
§ 9. [3 De waterbeheerder past het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, aan de resultaten van het openbaar onderzoek aan, vermeld in paragraaf 5 en 6, en aan de adviezen, vermeld in paragraaf 7 en 8, binnen negentig dagen na het einde van het openbaar onderzoek en de adviesronde, vermeld in paragraaf 5, 7 en 8.
Aan de documenten, vermeld in paragraaf 4, tweede lid, kunnen alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de adviezen, vermeld in paragraaf 7 en 8, en de vragen, opmerkingen en bezwaren uit het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 5 en 6.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, bezorgen de volgende stukken aan de minister:
1° het aangepaste peilbesluit, vermeld in het eerste lid;
2° de documenten, vermeld in paragraaf 4, tweede lid;
3° de ontvangen bezwaren en opmerkingen van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 6;
4° in voorkomend geval, het kwaliteitsadvies van het Vlaams expertisecentrum m.e.r. vermeld in artikel 4.4.6, § 2, tweede lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
De minister houdt bij de beslissing onder meer rekening met de resultaten van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 5 en 6, en met de inhoud van de adviezen, vermeld in paragraaf 7 en 8.
De minister neemt binnen een termijn van 90 dagen een gemotiveerde beslissing omtrent het peilbesluit]3.
§ 10. Het goedgekeurde peilbesluit wordt tegelijkertijd bekendgemaakt op de website van de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, en op een digitaal platform over geografische informatie van de Vlaamse overheid.
Het ministerieel besluit tot goedkeuring van het peilbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
§ 11. In voorkomend geval wordt [3 ...]3 de beslissing tot afkeuring van het peilbesluit bekendgemaakt op de dezelfde wijze als § 10.]1
§ 2. De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, van dit besluit, stelt een oriëntatienota op via een participatief traject met lokale actoren, eigenaars en gebruikers die al de volgende elementen bevat:
1° de peilregeling die actueel is ingesteld met een kaart van het gebied waarop die peilregeling betrekking heeft, en, in voorkomend geval, de zones waarin de verschillende bestaande peilregelingen gelden;
2° de aanwezige regelbare en vaste constructies om de actuele peilregeling te realiseren, en de gehanteerde peilinstellingen van de voormelde regelbare constructies;
3° de huidige inrichting en het actueel gehanteerde beheer van de waterlopen en grachten met het oog op de peilregeling;
4° de wetgeving die relevant is voor het peilbeheer in het gebied in kwestie;
5° de relevante info uit de bodemkaart van het gebied;
6° de geïdentificeerde behoeften, vermeld in artikel 26/1, § 2, van dit besluit;
7° een kaart met daarop de begrenzing van het gebied waarvoor de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder een peilbesluit als vermeld in artikel 26/2, § 4, van dit besluit, wil opmaken;
8° in voorkomend geval [3 de aanmelding van het voorgenomen plan-milieueffectrapport, vermeld in artikel 4.4.2, § 1]3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
[3 9° in voorkomend geval, een voorstel van scoping, vermeld in artikel 4.4.2, § 2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid]3.
§ 3. De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder vraagt advies aan de volgende instanties over de oriëntatienota, vermeld in paragraaf 2:
1° het college van burgemeester en schepenen van de gemeenten waarop het peilbesluit, vermeld in artikel 26/2, § 4, van dit besluit, betrekking heeft;
2° de overige waterbeheerders die waterlopen of publieke grachten beheren in het gebied in kwestie;
3° het Agentschap voor Natuur en Bos;
4° [2 het Agentschap Landbouw en Zeevisserij]2;
5° het Agentschap Onroerend Erfgoed als een cultuurhistorisch landschap als vermeld in artikel 2.1, 22°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, deel uitmaakt van het gebied waarop het peilbesluit, vermeld in artikel 26/2, § 4, van dit besluit, betrekking heeft, of daaraan paalt;
6° in voorkomend geval de [3 het Vlaams expertisecentrum m.e.r.]3;
7° de deputatie van de provincie(s) waarin het grondgebied ligt waarop het peilbesluit betrekking heeft;
8° de Vlaamse Milieumaatschappij;
9° de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk als het peilbesluit, vermeld in artikel 26/2, § 4, van dit besluit, van toepassing is op waterlopen die gebruikt worden voor de onttrekking van de productie van water, bestemd voor menselijke consumptie;
10° de CIW;
11° in voorkomend geval een ander gewest, een andere lidstaat van de Europese Unie of de federale overheid als uit de aanmelding, vermeld in paragraaf 2, 8°, blijkt dat het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, bezorgt de oriëntatienota, vermeld in, § 2, aan de adviesinstanties, vermeld in het eerste lid. De adviesinstanties, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van punt 6°, geven advies binnen zestig dagen nadat ze de adviesvraag, vermeld in het eerste lid, hebben ontvangen. Als er geen advies wordt verleend binnen de voormelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
[3 ...]3.
§ 4. Op basis van de adviezen, vermeld in paragraaf 3, wordt de oriëntatienota, vermeld in paragraaf 2, aangepast waar dat nodig is. Op basis van de voormelde oriëntatienota maakt de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, een ontwerp van peilbesluit op.
Voor de goedkeuringsprocedure van het peilbesluit worden de volgende documenten opgesteld:
1° een ontwerp van peilregeling, een peilkaart en een toelichting bij het peilbesluit als vermeld in artikel 26/2, § 4, tweede lid, 4°, van dit besluit, dat gebaseerd is op de oriëntatienota, vermeld in paragraaf 2, en een gemotiveerde afweging van de behoeften, vermeld in artikel 26/1, § 2, van dit besluit. Er wordt een overzicht toegevoegd van de knelpunten die met de bestaande inrichting van het gebied, met de bestaande regelbare of vaste constructies en de huidige inrichting en het beheer van de waterlopen en grachten niet of niet volledig opgelost kunnen worden;
2° een actieplan om de knelpunten, vermeld in punt 1°, te remediëren, met daarin de maatregelen die daarvoor nodig zijn, de vermelding welke waterbeheerder of andere instantie de voormelde maatregelen neemt en binnen welke termijn dat gebeurt;
3° een passende beoordeling als vermeld in artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, of een VEN-toets als vermeld in artikel 26bis van het voormelde decreet;
4° een ontwerp van plan-milieueffectrapport, [3 ...]3 of een [3 m.e.r.-screening als vermeld in artikel 4.3.2, § 2]3, van het voormelde decreet.
[3 ...]3.
§ 5. Over het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, en, in voorkomend geval, over het ontwerp plan-MER wordt een openbaar onderzoek georganiseerd door de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, en de betrokken gemeenten maken het openbaar onderzoek uiterlijk de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek bekend op een opvallende plaats op hun website(s) die voor bekendmakingen geëigend is.
Het gemeentebestuur hangt minstens aan het gemeentehuis gedurende zestig dagen vanaf de dag voor de begindatum van het openbaar onderzoek een bekendmaking op die al de volgende gegevens bevat:
1° de begindatum en de einddatum van het openbaar onderzoek;
2° een korte omschrijving van het doel van het openbaar onderzoek;
3° de website waar het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, raadpleegbaar is;
4° de termijn waarin opmerkingen over de documenten die ter inzage gelegd zijn, ingediend kunnen worden, en de wijze waarop dat gebeurt.
§ 6. Bezwaren en opmerkingen over het ontwerp van peilbesluit en het ontwerp van plan-MER, vermeld in paragraaf 4, kunnen uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 5, digitaal ingediend worden via het inspraakformulier op de website van de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, of analoog met een beveiligde zending op het gemeentehuis.
De algemeen directeur of zijn gemachtigde stelt binnen vijftien dagen na de laatste dag van het openbaar onderzoek een proces-verbaal op van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 5. Het proces-verbaal bevat een inventaris van de bezwaren en opmerkingen die ingediend zijn tijdens het voormelde openbaar onderzoek.
De algemeen directeur of zijn gemachtigde bezorgt zo snel mogelijk het proces-verbaal en de ontvangen bezwaren en opmerkingen aan de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, bezorgt de processen-verbaal van het openbaar onderzoek en de ontvangen bezwaren, opmerkingen en adviezen aan [3 het Vlaams expertisecentrum m.e.r.]3.
§ 7. Over het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, wordt advies gevraagd aan de adviesinstanties, vermeld in paragraaf 3, eerste lid.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, bezorgt de documenten, vermeld in paragraaf 4, aan de adviesinstanties, vermeld in paragraaf 3, eerste lid.
De adviesinstanties, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, met uitzondering van punt 6°, geven advies binnen zestig dagen nadat ze de adviesvraag, vermeld in het eerste lid, hebben ontvangen. Als er geen advies wordt verleend binnen de voormelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
§ 8. [3 Als het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, een ontwerp van plan-MER omvat, wordt het ontwerp van plan-MER conform artikel 4.4.6, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid voor advies ter beschikking gesteld aan het Vlaams expertisecentrum m.e.r. en de instanties vermeld in artikel 24, § 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2025 tot uitvoering van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft de milieueffectrapportage]3.
§ 9. [3 De waterbeheerder past het ontwerp van peilbesluit, vermeld in paragraaf 4, aan de resultaten van het openbaar onderzoek aan, vermeld in paragraaf 5 en 6, en aan de adviezen, vermeld in paragraaf 7 en 8, binnen negentig dagen na het einde van het openbaar onderzoek en de adviesronde, vermeld in paragraaf 5, 7 en 8.
Aan de documenten, vermeld in paragraaf 4, tweede lid, kunnen alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de adviezen, vermeld in paragraaf 7 en 8, en de vragen, opmerkingen en bezwaren uit het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 5 en 6.
De waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, bezorgen de volgende stukken aan de minister:
1° het aangepaste peilbesluit, vermeld in het eerste lid;
2° de documenten, vermeld in paragraaf 4, tweede lid;
3° de ontvangen bezwaren en opmerkingen van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 6;
4° in voorkomend geval, het kwaliteitsadvies van het Vlaams expertisecentrum m.e.r. vermeld in artikel 4.4.6, § 2, tweede lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
De minister houdt bij de beslissing onder meer rekening met de resultaten van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 5 en 6, en met de inhoud van de adviezen, vermeld in paragraaf 7 en 8.
De minister neemt binnen een termijn van 90 dagen een gemotiveerde beslissing omtrent het peilbesluit]3.
§ 10. Het goedgekeurde peilbesluit wordt tegelijkertijd bekendgemaakt op de website van de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, en op een digitaal platform over geografische informatie van de Vlaamse overheid.
Het ministerieel besluit tot goedkeuring van het peilbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
§ 11. In voorkomend geval wordt [3 ...]3 de beslissing tot afkeuring van het peilbesluit bekendgemaakt op de dezelfde wijze als § 10.]1
Art.26/3.[1 § 1er. Dans le présent article, on entend par [3 Centre d'Expertise flamand R.I.E. ]3 : la sous-entité du Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire en charge de l'évaluation des incidences sur l'environnement.
§ 2. Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2 du présent arrêté, rédige une note d'orientation dans le cadre d'un processus participatif avec les acteurs locaux, les propriétaires et les utilisateurs, contentant l'ensemble des éléments suivants :
1° la régulation du niveau d'eau appliquée actuellement avec une carte de la zone couverte par cette régulation du niveau d'eau et, le cas échéant, les zones dans lesquelles les différentes régulations du niveau d'eau existantes s'appliquent ;
2° les constructions réglables et fixes présentes pour réaliser la régulation du niveau d'eau, et les réglages de niveau utilisés des constructions réglables précitées ;
3° le dispositif actuel et la gestion des cours d'eau et des fossés appliquée actuellement à des fins de régulation du niveau d'eau;
4° la législation relative à la gestion du niveau d'eau dans la zone concernée ;
5° les informations pertinentes de la carte des sols de la zone ;
6° les besoins identifiés visés à l'article 26/1, § 2, du présent arrêté ;
7° une carte indiquant la limitation de la zone pour laquelle le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur entend établir une décision de niveau telle que visée à l'article 26/2, § 4, du présent arrêté ;
8° le cas échéant [3 la notification du rapport d'incidence sur l'environnement du plan envisagé visé à l'article 4.4.2, § 1er]3, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement;
[3 9° le cas échéant, une proposition de cadrage, visée à l'article 4.4.2, § 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.]3
§ 3. Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur demande l'avis des organismes suivants sur la note d'orientation visée au paragraphe 2 :
1° le collège des bourgmestre et échevins des communes auxquelles se rapporte la décision de niveau, visée à l'article 26/2, § 4, du présent arrêté ;
2° les autres gestionnaires des eaux responsables de la gestion de cours d'eau ou de fossés publics dans la zone concernée ;
3° l'Agence de la Nature et des Forêts ;
4° [2 l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche]2 ;
5° l'Agence Patrimoine de Flandre si un paysage historico-culturel tel que visé à l'article 2.1, 22°, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, fait partie de la zone à laquelle se rapporte la décision de niveau, visée à l'article 26/2, § 4, du présent arrêté, ou y est adjacent ;
6° [3 le Centre d'Expertise flamand R.I.E.]3 ;
7° la députation de la ou des provinces où se trouve le territoire couvert par la décision de niveau ;
8° la Société flamande de l'Environnement ;
9° l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau si la décision de niveau visée à l'article 26/2, § 4, du présent arrêté, s'applique aux cours d'eau utilisés pour le captage de la production d'eau destinée à la consommation humaine;
10° la CPIE ;
11° le cas échéant, une autre région, un autre Etat membre de l'Union européenne ou l'autorité fédérale s'il ressort de la notification, visée au paragraphe 2, 8°, que le projet est susceptible d'avoir des incidences considérables sur l'homme ou l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne ou dans des parties contractantes à la convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signée à Espoo le 25 février 1991, ou dans d'autres régions, ou si les autorités compétentes de ces Etats membres, de ces parties contractantes ou de ces régions le demandent.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, fournit la note d'orientation visée au § 2, aux instances consultatives visées à l'alinéa 1er. Les instances consultatives visées à l'alinéa 1er, à l'exception du point 6°, rendent leur avis dans un délai de soixante jours à compter de la réception de la demande d'avis visée à l'alinéa 1er. Si aucun avis n'est rendu dans le délai précité, l'avis est réputé favorable.
[3 ...]3.
§ 4. Sur la base des avis visés au paragraphe 3, la note d'orientation visée au paragraphe 2, est adaptée si nécessaire. Sur la base de la note d'orientation précitée, le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, prépare un projet de décision de niveau.
Les documents suivants sont établis pour le processus d'approbation de la décision de niveau :
1° un projet de régulation du niveau d'eau, une carte de niveau et une explication de la décision de niveau telle que visée à l'article 26/2, § 4, alinéa 2, 4°, du présent arrêté, basée sur la note d'orientation, visée au paragraphe 2, et une évaluation justifiée des besoins visée à l'article 26/1, § 2, du présent arrêté. Ils sont accompagnés d'un aperçu des problèmes qui ne peuvent pas être (entièrement) résolus avec l'aménagement actuel de la zone, les constructions réglables ou fixes existantes et l'aménagement actuel et la gestion des cours d'eau et des fossés ;
2° un plan d'action pour remédier aux problèmes visés au point 1°, comprenant les mesures nécessaires à cet effet, la mention du gestionnaire des eaux ou d'un autre organisme chargé de prendre les mesures précitées et le délai prévu ;
3° une évaluation appropriée telle que visée à l'article 36ter, § 3, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, ou un test VEN tel que visé à l'article 26bis du décret précité ;
4° un projet de plan de rapport d'incidences sur l'environnement du plan [3 ...]3 ou [3 un screening RIE tel que visé à l'article 4.3.2, § 2]3, du décret précité.
[3 ...]3.
§ 5. Une enquête publique est organisée par le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, sur le projet de décision de niveau, visé au paragraphe 4, et, le cas échéant, sur le projet de RIE du plan.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, et les communes concernées annoncent l'enquête publique au plus tard la veille de la date de début de l'enquête publique à un endroit bien visible sur leur(s) site(s) web approprié(s) aux avis.
Pendant soixante jours à compter de la veille de la date de début de l'enquête publique, l'administration communale affiche au moins à la maison communale un avis contenant toutes les informations suivantes :
1° la date de début et de fin de l'enquête publique ;
2° une description sommaire du but de l'enquête publique ;
3° le site web sur lequel le projet de décision de niveau visé au paragraphe 4, peut être consulté ;
4° le délai et les modalités d'introduction des observations au sujet des documents ouverts à la consultation.
§ 6. Les objections et les observations sur le projet de décision de niveau et sur le projet de RIE du plan, visés au paragraphe 4, peuvent être soumises par voie électronique via le formulaire mis à disposition sur le site web du gestionnaire des eaux ou du gestionnaire des eaux coordinateur, visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, ou par voie analogique par le biais d'un envoi sécurisé à la commune, au plus tard le dernier jour de la période d'enquête publique visée au paragraphe 5.
Le directeur général ou son mandataire dresse un procès-verbal de l'enquête publique visée au paragraphe 5, dans la quinzaine suivant le dernier jour de l'enquête publique. Le procès-verbal comprend un inventaire des objections et observations introduites durant l'enquête publique précitée.
Le directeur général ou son mandataire transmet dans les plus brefs délais le procès-verbal et les objections et observations reçues au gestionnaire des eaux ou au gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, remet les procès-verbaux de l'enquête publique et les objections, observations et avis reçus [3 au Centre d'Expertise flamand R.I.E.]3.
§ 7. Les instances consultatives visées au paragraphe 3, alinéa 1er, sont invitées à remettre un avis sur le projet de décision de niveau visé au paragraphe 4.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, fournit les documents visés au paragraphe 4, aux instances consultatives visées au paragraphe 3, alinéa 1er.
Les instances consultatives visées au paragraphe 3, alinéa 1er, à l'exception du point 6°, rendent leur avis dans un délai de soixante jours à compter de la réception de la demande d'avis visée à l'alinéa 1er. Si aucun avis n'est rendu dans le délai précité, l'avis est réputé favorable.
§ 8. [3 Si le projet de décision de niveau visé au paragraphe 4 comprend un projet de RIE du plan, le projet de RIE du plan est mis pour avis, conformément à l'article 4.4.6, § 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, à la disposition du Centre d'Expertise flamand R.I.E. et aux instances visées à l'article 24, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2025 portant exécution du titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, pour ce qui est des rapports d'incidence sur l'environnement]3.
§ 9. [3 Le gestionnaire des eaux adapte le projet de décision de niveau, visé au paragraphe 4, aux résultats de l'enquête publique, visée aux paragraphes 5 et 6, et aux avis, visés aux paragraphes 7 et 8, dans un délai de nonante jours à compter de la fin de l'enquête publique et de la phase de consultation, visées aux paragraphes 5, 7 et 8.
Les documents visés au paragraphe 4, alinéa 2, ne peuvent être modifiés que sur la base ou à la suite des avis visés aux paragraphes 7 et 8, et des questions, observations et objections de l'enquête publique visée aux paragraphes 5 et 6.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, fournit au ministre les documents suivants :
1° la décision de niveau adaptée visée à l'alinéa 1er ;
2° les documents visés au paragraphe 4, alinéa 2 ;
3° les objections et observations reçues dans le cadre de l'enquête publique visée au paragraphe 6 ;
4° le cas échéant, l'avis sur la qualité émis par le Centre d'Expertise flamand R.I.E., visé à l'article 4.4.6, § 2, alinéa 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
Dans sa décision, le ministre tient compte, entre autres, des résultats de l'enquête publique, visée aux paragraphes 5 et 6, et du contenu des avis, visés aux paragraphes 7 et 8.
Le ministre prend une décision motivée sur la décision de niveau dans un délai de nonante jours]3.
§ 10. La décision de niveau approuvée est publiée simultanément sur le site web du gestionnaire des eaux ou du gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, et sur une plate-forme numérique dédiée aux informations géographiques de l'Autorité flamande.
L'arrêté ministériel approuvant la décision de niveau est publié par extrait au Moniteur belge.
§ 11. Le cas échéant, [3 ...]3 de la décision de niveau est publiée de la même manière qu'au § 10.]1
§ 2. Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2 du présent arrêté, rédige une note d'orientation dans le cadre d'un processus participatif avec les acteurs locaux, les propriétaires et les utilisateurs, contentant l'ensemble des éléments suivants :
1° la régulation du niveau d'eau appliquée actuellement avec une carte de la zone couverte par cette régulation du niveau d'eau et, le cas échéant, les zones dans lesquelles les différentes régulations du niveau d'eau existantes s'appliquent ;
2° les constructions réglables et fixes présentes pour réaliser la régulation du niveau d'eau, et les réglages de niveau utilisés des constructions réglables précitées ;
3° le dispositif actuel et la gestion des cours d'eau et des fossés appliquée actuellement à des fins de régulation du niveau d'eau;
4° la législation relative à la gestion du niveau d'eau dans la zone concernée ;
5° les informations pertinentes de la carte des sols de la zone ;
6° les besoins identifiés visés à l'article 26/1, § 2, du présent arrêté ;
7° une carte indiquant la limitation de la zone pour laquelle le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur entend établir une décision de niveau telle que visée à l'article 26/2, § 4, du présent arrêté ;
8° le cas échéant [3 la notification du rapport d'incidence sur l'environnement du plan envisagé visé à l'article 4.4.2, § 1er]3, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement;
[3 9° le cas échéant, une proposition de cadrage, visée à l'article 4.4.2, § 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.]3
§ 3. Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur demande l'avis des organismes suivants sur la note d'orientation visée au paragraphe 2 :
1° le collège des bourgmestre et échevins des communes auxquelles se rapporte la décision de niveau, visée à l'article 26/2, § 4, du présent arrêté ;
2° les autres gestionnaires des eaux responsables de la gestion de cours d'eau ou de fossés publics dans la zone concernée ;
3° l'Agence de la Nature et des Forêts ;
4° [2 l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche]2 ;
5° l'Agence Patrimoine de Flandre si un paysage historico-culturel tel que visé à l'article 2.1, 22°, du décret relatif au patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, fait partie de la zone à laquelle se rapporte la décision de niveau, visée à l'article 26/2, § 4, du présent arrêté, ou y est adjacent ;
6° [3 le Centre d'Expertise flamand R.I.E.]3 ;
7° la députation de la ou des provinces où se trouve le territoire couvert par la décision de niveau ;
8° la Société flamande de l'Environnement ;
9° l'exploitant d'un réseau public de distribution d'eau si la décision de niveau visée à l'article 26/2, § 4, du présent arrêté, s'applique aux cours d'eau utilisés pour le captage de la production d'eau destinée à la consommation humaine;
10° la CPIE ;
11° le cas échéant, une autre région, un autre Etat membre de l'Union européenne ou l'autorité fédérale s'il ressort de la notification, visée au paragraphe 2, 8°, que le projet est susceptible d'avoir des incidences considérables sur l'homme ou l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne ou dans des parties contractantes à la convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signée à Espoo le 25 février 1991, ou dans d'autres régions, ou si les autorités compétentes de ces Etats membres, de ces parties contractantes ou de ces régions le demandent.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, fournit la note d'orientation visée au § 2, aux instances consultatives visées à l'alinéa 1er. Les instances consultatives visées à l'alinéa 1er, à l'exception du point 6°, rendent leur avis dans un délai de soixante jours à compter de la réception de la demande d'avis visée à l'alinéa 1er. Si aucun avis n'est rendu dans le délai précité, l'avis est réputé favorable.
[3 ...]3.
§ 4. Sur la base des avis visés au paragraphe 3, la note d'orientation visée au paragraphe 2, est adaptée si nécessaire. Sur la base de la note d'orientation précitée, le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, prépare un projet de décision de niveau.
Les documents suivants sont établis pour le processus d'approbation de la décision de niveau :
1° un projet de régulation du niveau d'eau, une carte de niveau et une explication de la décision de niveau telle que visée à l'article 26/2, § 4, alinéa 2, 4°, du présent arrêté, basée sur la note d'orientation, visée au paragraphe 2, et une évaluation justifiée des besoins visée à l'article 26/1, § 2, du présent arrêté. Ils sont accompagnés d'un aperçu des problèmes qui ne peuvent pas être (entièrement) résolus avec l'aménagement actuel de la zone, les constructions réglables ou fixes existantes et l'aménagement actuel et la gestion des cours d'eau et des fossés ;
2° un plan d'action pour remédier aux problèmes visés au point 1°, comprenant les mesures nécessaires à cet effet, la mention du gestionnaire des eaux ou d'un autre organisme chargé de prendre les mesures précitées et le délai prévu ;
3° une évaluation appropriée telle que visée à l'article 36ter, § 3, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, ou un test VEN tel que visé à l'article 26bis du décret précité ;
4° un projet de plan de rapport d'incidences sur l'environnement du plan [3 ...]3 ou [3 un screening RIE tel que visé à l'article 4.3.2, § 2]3, du décret précité.
[3 ...]3.
§ 5. Une enquête publique est organisée par le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, sur le projet de décision de niveau, visé au paragraphe 4, et, le cas échéant, sur le projet de RIE du plan.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, et les communes concernées annoncent l'enquête publique au plus tard la veille de la date de début de l'enquête publique à un endroit bien visible sur leur(s) site(s) web approprié(s) aux avis.
Pendant soixante jours à compter de la veille de la date de début de l'enquête publique, l'administration communale affiche au moins à la maison communale un avis contenant toutes les informations suivantes :
1° la date de début et de fin de l'enquête publique ;
2° une description sommaire du but de l'enquête publique ;
3° le site web sur lequel le projet de décision de niveau visé au paragraphe 4, peut être consulté ;
4° le délai et les modalités d'introduction des observations au sujet des documents ouverts à la consultation.
§ 6. Les objections et les observations sur le projet de décision de niveau et sur le projet de RIE du plan, visés au paragraphe 4, peuvent être soumises par voie électronique via le formulaire mis à disposition sur le site web du gestionnaire des eaux ou du gestionnaire des eaux coordinateur, visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, ou par voie analogique par le biais d'un envoi sécurisé à la commune, au plus tard le dernier jour de la période d'enquête publique visée au paragraphe 5.
Le directeur général ou son mandataire dresse un procès-verbal de l'enquête publique visée au paragraphe 5, dans la quinzaine suivant le dernier jour de l'enquête publique. Le procès-verbal comprend un inventaire des objections et observations introduites durant l'enquête publique précitée.
Le directeur général ou son mandataire transmet dans les plus brefs délais le procès-verbal et les objections et observations reçues au gestionnaire des eaux ou au gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, remet les procès-verbaux de l'enquête publique et les objections, observations et avis reçus [3 au Centre d'Expertise flamand R.I.E.]3.
§ 7. Les instances consultatives visées au paragraphe 3, alinéa 1er, sont invitées à remettre un avis sur le projet de décision de niveau visé au paragraphe 4.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, fournit les documents visés au paragraphe 4, aux instances consultatives visées au paragraphe 3, alinéa 1er.
Les instances consultatives visées au paragraphe 3, alinéa 1er, à l'exception du point 6°, rendent leur avis dans un délai de soixante jours à compter de la réception de la demande d'avis visée à l'alinéa 1er. Si aucun avis n'est rendu dans le délai précité, l'avis est réputé favorable.
§ 8. [3 Si le projet de décision de niveau visé au paragraphe 4 comprend un projet de RIE du plan, le projet de RIE du plan est mis pour avis, conformément à l'article 4.4.6, § 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, à la disposition du Centre d'Expertise flamand R.I.E. et aux instances visées à l'article 24, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2025 portant exécution du titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, pour ce qui est des rapports d'incidence sur l'environnement]3.
§ 9. [3 Le gestionnaire des eaux adapte le projet de décision de niveau, visé au paragraphe 4, aux résultats de l'enquête publique, visée aux paragraphes 5 et 6, et aux avis, visés aux paragraphes 7 et 8, dans un délai de nonante jours à compter de la fin de l'enquête publique et de la phase de consultation, visées aux paragraphes 5, 7 et 8.
Les documents visés au paragraphe 4, alinéa 2, ne peuvent être modifiés que sur la base ou à la suite des avis visés aux paragraphes 7 et 8, et des questions, observations et objections de l'enquête publique visée aux paragraphes 5 et 6.
Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, fournit au ministre les documents suivants :
1° la décision de niveau adaptée visée à l'alinéa 1er ;
2° les documents visés au paragraphe 4, alinéa 2 ;
3° les objections et observations reçues dans le cadre de l'enquête publique visée au paragraphe 6 ;
4° le cas échéant, l'avis sur la qualité émis par le Centre d'Expertise flamand R.I.E., visé à l'article 4.4.6, § 2, alinéa 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
Dans sa décision, le ministre tient compte, entre autres, des résultats de l'enquête publique, visée aux paragraphes 5 et 6, et du contenu des avis, visés aux paragraphes 7 et 8.
Le ministre prend une décision motivée sur la décision de niveau dans un délai de nonante jours]3.
§ 10. La décision de niveau approuvée est publiée simultanément sur le site web du gestionnaire des eaux ou du gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, et sur une plate-forme numérique dédiée aux informations géographiques de l'Autorité flamande.
L'arrêté ministériel approuvant la décision de niveau est publié par extrait au Moniteur belge.
§ 11. Le cas échéant, [3 ...]3 de la décision de niveau est publiée de la même manière qu'au § 10.]1
Art.26/4. [1 § 1. Een peilbesluit als vermeld in artikel 26/2, § 4 blijft van kracht tot de minister de wijziging ervan goedkeurt.
§ 2. Ten minste om de zes jaar evalueert de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder in overleg met de andere betrokken waterbeheerders het peilbesluit, vermeld in 26/2, § 4.
Bij de evaluatie worden ten minste de gerealiseerde peilen in relatie tot de beoogde peilen beoordeeld en wordt een stand van zaken van het actieplan, vermeld in artikel 26/3, § 4 opgemaakt.
§ 3. Over de stukken die deel uitmaken van de evaluatie, vermeld in paragraaf 2, wordt het advies ingewonnen van de adviesinstanties, vermeld in artikel 26/3, § 3, eerste lid.
De voormelde adviesinstanties geven advies binnen zestig dagen nadat ze de adviesvraag, vermeld in het eerste lid, hebben ontvangen. Als er geen advies wordt verleend binnen de voormelde termijn, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
Nadat de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, de ontvangen adviezen verwerkt hebben, worden de definitieve evaluatie en de stand van zaken van het actieplan, vermeld in artikel 26/3, § 4, aan de minister bezorgd.
§ 4. Als uit de evaluatie van het peilbesluit, vermeld in paragraaf 2, blijkt dat een wijziging van het peilbesluit nodig is, wordt de procedure, vermeld in artikel 26/3, § 4 tot en met § 9, toegepast.]1
§ 2. Ten minste om de zes jaar evalueert de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder in overleg met de andere betrokken waterbeheerders het peilbesluit, vermeld in 26/2, § 4.
Bij de evaluatie worden ten minste de gerealiseerde peilen in relatie tot de beoogde peilen beoordeeld en wordt een stand van zaken van het actieplan, vermeld in artikel 26/3, § 4 opgemaakt.
§ 3. Over de stukken die deel uitmaken van de evaluatie, vermeld in paragraaf 2, wordt het advies ingewonnen van de adviesinstanties, vermeld in artikel 26/3, § 3, eerste lid.
De voormelde adviesinstanties geven advies binnen zestig dagen nadat ze de adviesvraag, vermeld in het eerste lid, hebben ontvangen. Als er geen advies wordt verleend binnen de voormelde termijn, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
Nadat de waterbeheerder of de coördinerende waterbeheerder, vermeld in artikel 26/2, § 1 en § 2, de ontvangen adviezen verwerkt hebben, worden de definitieve evaluatie en de stand van zaken van het actieplan, vermeld in artikel 26/3, § 4, aan de minister bezorgd.
§ 4. Als uit de evaluatie van het peilbesluit, vermeld in paragraaf 2, blijkt dat een wijziging van het peilbesluit nodig is, wordt de procedure, vermeld in artikel 26/3, § 4 tot en met § 9, toegepast.]1
Art.26/4. [1 § 1er. Une décision de niveau telle que visée à l'article 26/2, § 4, reste en vigueur jusqu'à ce que le ministre approuve sa modification.
§ 2. Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur, en concertation avec les autres gestionnaires des eaux concernés, évalue au moins tous les six ans la décision de niveau visée à l'article 26/2, § 4.
L'évaluation porte au moins sur les niveaux réalisés par rapport aux niveaux visés et inclut un état d'avancement du plan d'action visé à l'article 26/3 § 4.
§ 3. Les documents faisant partie de l'évaluation visée au paragraphe 2, sont soumis à l'avis des instances consultatives visées à l'article 26/3, § 3, alinéa 1er.
Les instances consultatives précitées rendent leur avis dans un délai de soixante jours à compter de la réception de la demande d'avis visée à l'alinéa 1er. Si aucun avis n'est rendu dans le délai précité, l'obligation en matière d'avis peut être ignorée.
Après que le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, a traité les avis reçus, l'évaluation finale et l'état d'avancement du plan d'action visés à l'article 26/3, § 4, sont transmis au ministre.
§ 4. S'il ressort de l'évaluation de la décision de niveau visée au paragraphe 2, qu'une modification de la décision de niveau est nécessaire, la procédure visée à l'article 26/3, paragraphes 4 à 9, est appliquée.]1
§ 2. Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur, en concertation avec les autres gestionnaires des eaux concernés, évalue au moins tous les six ans la décision de niveau visée à l'article 26/2, § 4.
L'évaluation porte au moins sur les niveaux réalisés par rapport aux niveaux visés et inclut un état d'avancement du plan d'action visé à l'article 26/3 § 4.
§ 3. Les documents faisant partie de l'évaluation visée au paragraphe 2, sont soumis à l'avis des instances consultatives visées à l'article 26/3, § 3, alinéa 1er.
Les instances consultatives précitées rendent leur avis dans un délai de soixante jours à compter de la réception de la demande d'avis visée à l'alinéa 1er. Si aucun avis n'est rendu dans le délai précité, l'obligation en matière d'avis peut être ignorée.
Après que le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire des eaux coordinateur visé à l'article 26/2, § 1er et § 2, a traité les avis reçus, l'évaluation finale et l'état d'avancement du plan d'action visés à l'article 26/3, § 4, sont transmis au ministre.
§ 4. S'il ressort de l'évaluation de la décision de niveau visée au paragraphe 2, qu'une modification de la décision de niveau est nécessaire, la procédure visée à l'article 26/3, paragraphes 4 à 9, est appliquée.]1
Modifications
Afdeling 7. - Onttrekken van water uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten
Section 7. - Captage d'eau de cours d'eau non navigables et de fossés publics
Onderafdeling 1. - Algemeen
Sous-section 1ère. - Généralités
Art. 27. Deze afdeling is een gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid.
Art. 27. La présente section transpose partiellement la directive 2000/60/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2000 établissant un cadre pour une politique communautaire dans le domaine de l'eau.
Art. 28. Onder onttrekken van water uit een onbevaarbare waterloop of publieke gracht wordt begrepen het met alle mogelijke middelen opvangen van water uit de waterloop of gracht.
De onttrekker wordt beschouwd als een titularis van een private waterwinning als vermeld in artikel 2.1.2, 26° van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018, en als een gebruiker van een private waterwinning als vermeld in artikel 4.1.1, 6° van hetzelfde decreet.
Het onttrokken water wordt beschouwd als water bestemd voor menselijke aanwending, als vermeld in artikel 2.1.2., 32° van hetzelfde decreet, andere dan water bestemd voor menselijke consumptie.
De onttrekker die verbruikers of anderen die water bestemd voor menselijke aanwending gebruiken, bevoorraadt zonder een openbaar waterdistributienetwerk te gebruiken, wordt beschouwd als een waterleverancier als vermeld in artikel 2.1.2., 34° van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018. Met verbruiker wordt bedoeld de persoon die over het water bestemd voor menselijke aanwending beschikt in een onroerend goed of in een publiek gebouw, als vermeld in artikel 2.1.2., 31° van hetzelfde decreet.
Een aangelande, dit wil zeggen een gebruiker van een onroerend goed dat rechtstreeks aan de onbevaarbare waterloop of publieke gracht paalt, kan water onttrekken uit deze onbevaarbare waterloop of publieke gracht. Niet-aangelanden kunnen enkel onttrekken vanaf de openbare weg, of vanaf een door derden gebruikt onroerend goed palend aan de onbevaarbare waterloop of publieke gracht op basis van een overeenkomst met een aangelande die de gebruiksrechten voor dit onroerend goed heeft.
De onttrekker wordt beschouwd als een titularis van een private waterwinning als vermeld in artikel 2.1.2, 26° van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018, en als een gebruiker van een private waterwinning als vermeld in artikel 4.1.1, 6° van hetzelfde decreet.
Het onttrokken water wordt beschouwd als water bestemd voor menselijke aanwending, als vermeld in artikel 2.1.2., 32° van hetzelfde decreet, andere dan water bestemd voor menselijke consumptie.
De onttrekker die verbruikers of anderen die water bestemd voor menselijke aanwending gebruiken, bevoorraadt zonder een openbaar waterdistributienetwerk te gebruiken, wordt beschouwd als een waterleverancier als vermeld in artikel 2.1.2., 34° van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018. Met verbruiker wordt bedoeld de persoon die over het water bestemd voor menselijke aanwending beschikt in een onroerend goed of in een publiek gebouw, als vermeld in artikel 2.1.2., 31° van hetzelfde decreet.
Een aangelande, dit wil zeggen een gebruiker van een onroerend goed dat rechtstreeks aan de onbevaarbare waterloop of publieke gracht paalt, kan water onttrekken uit deze onbevaarbare waterloop of publieke gracht. Niet-aangelanden kunnen enkel onttrekken vanaf de openbare weg, of vanaf een door derden gebruikt onroerend goed palend aan de onbevaarbare waterloop of publieke gracht op basis van een overeenkomst met een aangelande die de gebruiksrechten voor dit onroerend goed heeft.
Art. 28. Par captage d'eau d'un cours d'eau non navigable ou d'un fossé public, on entend le captage d'eau, par tous moyens possibles, du cours d'eau ou du fossé.
Le capteur est considéré comme un titulaire d'un captage d'eau privé, tel que visé à l'article 2.1.2, 26°, du décret coordonné du 15 juin 2018, et comme un utilisateur d'un captage d'eau privé, tel que visé à l'article 4.1.1, 6°, du même décret.
L'eau prélevée est considérée comme eau destinée à l'utilisation humaine, telle que visée à l'article 2.1.2., 32°, du même décret, autre que l'eau destinée à la consommation humaine.
Le capteur qui alimente des consommateurs ou d'autres utilisant des eaux destinées à l'utilisation humaine sans passer par un réseau public de distribution d'eau est considéré comme un fournisseur d'eau tel que visé à l'article 2.1.2., 34°, du décret coordonné du 15 juin 2018. Par consommateur, on entend la personne qui dispose de l'eau destinée à l'utilisation humaine dans un immeuble ou un bâtiment public, telle que visée à l'article 2.1.2., 31°, du même décret.
Un riverain, c'est-à-dire un utilisateur d'un bien immeuble qui jouxte directement le cours d'eau non navigable ou le fossé public peut prélever l'eau de ce cours d'eau non navigable ou fossé public. Les non-riverains ne peuvent prélever à partir de la voie publique ou d'un bien immeuble utilisé par des tiers jouxtant le cours d'eau non navigable ou le fossé public qu'en vertu d'un accord avec le riverain qui détient les droits d'utilisation de ce bien immeuble.
Le capteur est considéré comme un titulaire d'un captage d'eau privé, tel que visé à l'article 2.1.2, 26°, du décret coordonné du 15 juin 2018, et comme un utilisateur d'un captage d'eau privé, tel que visé à l'article 4.1.1, 6°, du même décret.
L'eau prélevée est considérée comme eau destinée à l'utilisation humaine, telle que visée à l'article 2.1.2., 32°, du même décret, autre que l'eau destinée à la consommation humaine.
Le capteur qui alimente des consommateurs ou d'autres utilisant des eaux destinées à l'utilisation humaine sans passer par un réseau public de distribution d'eau est considéré comme un fournisseur d'eau tel que visé à l'article 2.1.2., 34°, du décret coordonné du 15 juin 2018. Par consommateur, on entend la personne qui dispose de l'eau destinée à l'utilisation humaine dans un immeuble ou un bâtiment public, telle que visée à l'article 2.1.2., 31°, du même décret.
Un riverain, c'est-à-dire un utilisateur d'un bien immeuble qui jouxte directement le cours d'eau non navigable ou le fossé public peut prélever l'eau de ce cours d'eau non navigable ou fossé public. Les non-riverains ne peuvent prélever à partir de la voie publique ou d'un bien immeuble utilisé par des tiers jouxtant le cours d'eau non navigable ou le fossé public qu'en vertu d'un accord avec le riverain qui détient les droits d'utilisation de ce bien immeuble.
Art. 29. § 1. Water uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten onttrekken kan enkel conform de regels, vermeld in deze afdeling.
Na advies van de CIW kan de gouverneur het onttrekken van water verbieden of beperken om de doelstellingen van het integraal waterbeleid te halen, als vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018.
Het onttrekkingsverbod of de onttrekkingsbeperking vermeld in het tweede lid kan gelden voor één of meerdere waterlopen, kan permanent zijn of beperkt tot bepaalde periodes van het jaar.
§ 2. Als iemand water onttrekt uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten, gaat hij altijd op duurzame wijze om met het onttrokken water en opteert hij voor een rationeel gebruik van het water.
Om water te onttrekken als vermeld in het eerste lid, en om dat water te gebruiken, worden de best beschikbare technieken gebruikt, zoals vermeld in artikel 1.1.2. van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. De minister kan daarvoor codes van goede praktijk goedkeuren, waarbij rekening gehouden wordt met de kosten-baten verhouding.
§ 3. De onttrekker zorgt er voor dat de onttrekking geen schade aan derden veroorzaakt.
Het bekomen van een onttrekkingsticket biedt de onttrekker geen garanties over de kwaliteit van het te onttrekken water. De onttrekker zorgt ervoor dat het onttrokken water alleen wordt aangewend voor toepassingen waarvoor dat toegestaan is.
§ 4. Elke onttrekking is vanaf 1 januari 2022 voorzien van een debietmetingssysteem dat een voortdurende registratie mogelijk maakt van het totale volume gecapteerde water. De debietmeter wordt geplaatst voor het eerste aftappunt van het onttrokken water. Als de onttrekking gebeurt via een vaste inrichting, wordt de debietmeter voor de eerste ingebruikneming op kosten van de onttrekker verzegeld door de toezichthoudend ambtenaar of zijn aangestelde.
De debietmeter moet voldoen aan de bepalingen uit het Koninklijk besluit van 15 april 2016 betreffende meetinstrumenten.
De minister kan de technische voorschriften voor het aanbrengen van de debietmeter en de werking ervan regelen.
In afwijking van het eerst lid, zijn de volgende onttrekkingen vrijgesteld van de verplichting over een debietmetingssysteem te beschikken, voor zover de onttrekking op jaarbasis minder dan 500 m3 bedraagt:
1° een onttrekking bestaande uit een weidepomp om dieren te drenken;
2° een onttrekking om een spuittoestel te vullen om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken;
3° een onttrekking om een water- of aalton van maximaal 10 m3 te vullen;
4° een onttrekking met behulp van een pomp om een of meerdere haspels te voeden met een effectief debiet kleiner dan 10 m3 per uur. Indien de pomp meerdere haspels voedt, telt het effectief debiet van de gezamenlijke haspels;
5° zonnepompen voor weidevogels en pompen voor veedrinkpoelen.
Voor onttrekkingen met water- of aaltonnen groter dan 10 m3 wordt geen debietmeting verplicht, maar wordt het aantal tonnen dat onttrokken wordt en hun volume doorgegeven via een elektronisch loket.
Na advies van de CIW kan de gouverneur het onttrekken van water verbieden of beperken om de doelstellingen van het integraal waterbeleid te halen, als vermeld in artikel 1.2.2. van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018.
Het onttrekkingsverbod of de onttrekkingsbeperking vermeld in het tweede lid kan gelden voor één of meerdere waterlopen, kan permanent zijn of beperkt tot bepaalde periodes van het jaar.
§ 2. Als iemand water onttrekt uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten, gaat hij altijd op duurzame wijze om met het onttrokken water en opteert hij voor een rationeel gebruik van het water.
Om water te onttrekken als vermeld in het eerste lid, en om dat water te gebruiken, worden de best beschikbare technieken gebruikt, zoals vermeld in artikel 1.1.2. van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. De minister kan daarvoor codes van goede praktijk goedkeuren, waarbij rekening gehouden wordt met de kosten-baten verhouding.
§ 3. De onttrekker zorgt er voor dat de onttrekking geen schade aan derden veroorzaakt.
Het bekomen van een onttrekkingsticket biedt de onttrekker geen garanties over de kwaliteit van het te onttrekken water. De onttrekker zorgt ervoor dat het onttrokken water alleen wordt aangewend voor toepassingen waarvoor dat toegestaan is.
§ 4. Elke onttrekking is vanaf 1 januari 2022 voorzien van een debietmetingssysteem dat een voortdurende registratie mogelijk maakt van het totale volume gecapteerde water. De debietmeter wordt geplaatst voor het eerste aftappunt van het onttrokken water. Als de onttrekking gebeurt via een vaste inrichting, wordt de debietmeter voor de eerste ingebruikneming op kosten van de onttrekker verzegeld door de toezichthoudend ambtenaar of zijn aangestelde.
De debietmeter moet voldoen aan de bepalingen uit het Koninklijk besluit van 15 april 2016 betreffende meetinstrumenten.
De minister kan de technische voorschriften voor het aanbrengen van de debietmeter en de werking ervan regelen.
In afwijking van het eerst lid, zijn de volgende onttrekkingen vrijgesteld van de verplichting over een debietmetingssysteem te beschikken, voor zover de onttrekking op jaarbasis minder dan 500 m3 bedraagt:
1° een onttrekking bestaande uit een weidepomp om dieren te drenken;
2° een onttrekking om een spuittoestel te vullen om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken;
3° een onttrekking om een water- of aalton van maximaal 10 m3 te vullen;
4° een onttrekking met behulp van een pomp om een of meerdere haspels te voeden met een effectief debiet kleiner dan 10 m3 per uur. Indien de pomp meerdere haspels voedt, telt het effectief debiet van de gezamenlijke haspels;
5° zonnepompen voor weidevogels en pompen voor veedrinkpoelen.
Voor onttrekkingen met water- of aaltonnen groter dan 10 m3 wordt geen debietmeting verplicht, maar wordt het aantal tonnen dat onttrokken wordt en hun volume doorgegeven via een elektronisch loket.
Art. 29. § 1er. Le captage d'eau de cours d'eau non navigables et de fossés publics n'est possible que conformément aux règles énoncées dans la présente section.
Sur avis de la CPIE, le gouverneur peut interdire ou limiter le captage d'eau pour atteindre les objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2. du décret coordonné du 15 juin 2018.
L'interdiction ou la limitation de captage visée à l'alinéa 2 peut s'appliquer à un ou plusieurs cours d'eau, peut être permanente ou limitée à certaines périodes de l'année.
§ 2. Toute personne qui capte l'eau de cours d'eau non navigables et de fossés publics gère toujours l'eau prélevée de manière durable et opte pour une utilisation rationnelle de l'eau.
Le captage d'eau tel que visé à l'alinéa 1er et l'utilisation de cette eau s'appuient sur les meilleures techniques disponibles visées à l'article 1.1.2. de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement. Le ministre peut approuver à cet effet des codes de bonne pratique, compte tenu du rapport coûts-bénéfices.
§ 3. Le capteur veille à ce que le captage ne cause pas de dommages à des tiers.
L'obtention d'un ticket de captage n'offre au capteur aucune garantie quant à la qualité de l'eau à prélever. Le capteur veille à ce que l'eau prélevée ne soit utilisée que pour les applications pour lesquelles elle est autorisée.
§ 4. A partir du 1er janvier 2022, tout captage sera muni d'un système de mesure du débit permettant un enregistrement continu du volume total d'eau captée. Le débitmètre est placé en amont de la première prise d'eau prélevée. Si le captage a lieu par le biais d'une installation fixe, le débitmètre est scellé par le fonctionnaire de surveillance ou son préposé aux frais du capteur avant la première mise en service.
Le débitmètre doit satisfaire aux dispositions de l'arrêté royal du 15 avril 2016 relatif aux instruments de mesure.
Le ministre peut réglementer les prescriptions techniques relatives à l'installation et au fonctionnement du débitmètre.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les captages suivants sont dispensés de l'obligation de disposer d'un système de mesure du débit pour autant que le captage soit inférieur à 500 m3 sur une base annuelle :
1° un captage composé d'une pompe de prairie pour l'abreuvement des animaux ;
2° un captage destiné à remplir un pulvérisateur pour l'utilisation de produits phytopharmaceutiques ;
3° un captage destiné à remplir une tonne à eau ou à lisier de 10 m3 maximum ;
4° un captage utilisant une pompe pour alimenter un ou plusieurs dévidoirs avec un débit effectif inférieur à 10 m3 par heure. Si la pompe alimente plusieurs dévidoirs, le débit effectif de tous les dévidoirs est pris en compte ;
5° pompes solaires pour oiseaux de prairie et pompes pour mares d'abreuvement du bétail.
En ce qui concerne les captages destinés au remplissage de tonnes à eau ou à lisier de plus de 10 m3, aucune mesure du débit n'est nécessaire, mais le nombre de tonnes prélevées et leur volume sont communiqués via le guichet électronique.
Sur avis de la CPIE, le gouverneur peut interdire ou limiter le captage d'eau pour atteindre les objectifs de la politique intégrée de l'eau visés à l'article 1.2.2. du décret coordonné du 15 juin 2018.
L'interdiction ou la limitation de captage visée à l'alinéa 2 peut s'appliquer à un ou plusieurs cours d'eau, peut être permanente ou limitée à certaines périodes de l'année.
§ 2. Toute personne qui capte l'eau de cours d'eau non navigables et de fossés publics gère toujours l'eau prélevée de manière durable et opte pour une utilisation rationnelle de l'eau.
Le captage d'eau tel que visé à l'alinéa 1er et l'utilisation de cette eau s'appuient sur les meilleures techniques disponibles visées à l'article 1.1.2. de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement. Le ministre peut approuver à cet effet des codes de bonne pratique, compte tenu du rapport coûts-bénéfices.
§ 3. Le capteur veille à ce que le captage ne cause pas de dommages à des tiers.
L'obtention d'un ticket de captage n'offre au capteur aucune garantie quant à la qualité de l'eau à prélever. Le capteur veille à ce que l'eau prélevée ne soit utilisée que pour les applications pour lesquelles elle est autorisée.
§ 4. A partir du 1er janvier 2022, tout captage sera muni d'un système de mesure du débit permettant un enregistrement continu du volume total d'eau captée. Le débitmètre est placé en amont de la première prise d'eau prélevée. Si le captage a lieu par le biais d'une installation fixe, le débitmètre est scellé par le fonctionnaire de surveillance ou son préposé aux frais du capteur avant la première mise en service.
Le débitmètre doit satisfaire aux dispositions de l'arrêté royal du 15 avril 2016 relatif aux instruments de mesure.
Le ministre peut réglementer les prescriptions techniques relatives à l'installation et au fonctionnement du débitmètre.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les captages suivants sont dispensés de l'obligation de disposer d'un système de mesure du débit pour autant que le captage soit inférieur à 500 m3 sur une base annuelle :
1° un captage composé d'une pompe de prairie pour l'abreuvement des animaux ;
2° un captage destiné à remplir un pulvérisateur pour l'utilisation de produits phytopharmaceutiques ;
3° un captage destiné à remplir une tonne à eau ou à lisier de 10 m3 maximum ;
4° un captage utilisant une pompe pour alimenter un ou plusieurs dévidoirs avec un débit effectif inférieur à 10 m3 par heure. Si la pompe alimente plusieurs dévidoirs, le débit effectif de tous les dévidoirs est pris en compte ;
5° pompes solaires pour oiseaux de prairie et pompes pour mares d'abreuvement du bétail.
En ce qui concerne les captages destinés au remplissage de tonnes à eau ou à lisier de plus de 10 m3, aucune mesure du débit n'est nécessaire, mais le nombre de tonnes prélevées et leur volume sont communiqués via le guichet électronique.
Onderafdeling 2. - Melding tot onttrekken
Sous-section 2. - Déclaration de captage
Art. 30. § 1. Een onttrekking uit een onbevaarbare waterloop of een publieke gracht dient steeds vooraf gemeld te worden aan de betrokken waterbeheerder of de beheerder van de publieke gracht.
In afwijking van het eerste lid zijn de volgende handelingen niet onderworpen aan een melding, voor zover de onttrekking minder dan 500 m3 per jaar bedraagt:
1° weidepompen gebruiken om dieren te drenken;
2° spuittoestellen vullen om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken, op voorwaarde dat de gebruiker van de toestellen dusdanig te werk gaat dat er geen risico op puntverontreiniging is;
3° een water- of aalton van maximaal 10 m3 vullen;
4° zonnepompen voor weidevogels en de pompen voor veedrinkpoelen.
§ 2. Als er voor een onttrekking met een vaste inrichting een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is waarvoor toepassing is gemaakt van artikel 12, § 1, derde lid, van de wet van 28 december 1967, of als hiervoor een machtiging van de waterbeheerder is, dan geldt deze omgevingsvergunning of deze machtiging als melding vermeld in paragraaf 3. Dit op voorwaarde dat de houder van de omgevingsvergunning of de machtiging de nodige gegevens over de onttrokken hoeveelheden en het voldoen aan de voorwaarden uit artikel 29, § 2 en artikel 29, § 4, bezorgt aan de waterbeheerder of de beheerder van de publieke gracht.
Indien vaste inrichtingen opgericht werden voor de inwerkingtreding van dit artikel, verzoekt de waterbeheerder of de beheerder van de publieke gracht de houder van de omgevingsvergunning of machtiging om de informatie vermeld in het eerste lid waarover de overheid nog niet zou beschikken, aan hem te bezorgen. De houder bezorgt deze informatie binnen de 30 dagen volgend op de ontvangst van het verzoek.
Voor vaste inrichtingen waarbij voor de omgevingsvergunning geen gebruik is gemaakt van artikel 12, derde lid, van de wet van 28 december 1967, en waarvoor geen machtiging van de waterbeheerder werd gekregen, moet de onttrekker de procedure uit paragraaf 3 volgen.
§ 3. De onttrekker doet de melding voor de voorgenomen onttrekking aan de bevoegde waterbeheerder of de beheerder van de publieke gracht, vermeld in artikel 7 of 23ter van de wet van 28 december 1967, via een elektronisch loket.
De melding bevat de volgende gegevens:
1° identificatie van de aanvrager:
a) naam van de natuurlijke persoon of van de rechtspersoon, die de melding indient of namens wie ze wordt ingediend;
b) woonplaats en volledig adres van de aanvrager en in het voorkomend geval de maatschappelijke, administratieve en exploitatiezetel(s);
2° de technische gegevens van de onttrekkingswijze
a) een technische beschrijving van onttrekkingsinstallatie;
b) een technische beschrijving van het debietmetingssysteem waarmee de onttrekking wordt uitgerust;
3° de locatie waar onttrokken zal worden;
4° de duur van de onttrekking die ten hoogste dertig dagen mag zijn;
5° het debiet en de hoeveelheid water die onttrokken zal worden;
6° de toepassing van het water.
De minister kan technische gegevens over de onttrekkingswijze die deel uitmaken van de melding nader regelen.
In het kader van de informatieoverdracht, vermeld in het eerste lid, worden de gegevens die kunnen leiden tot de identificatie van natuurlijke personen of gegevens die daarmee gekoppeld kunnen worden, verwerkt met toepassing van de regelgeving inzake de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens. De waterbeheerder of de beheerder van de publieke gracht wordt naargelang het geval hierbij aangewezen als verwerkingsverantwoordelijke. De minister kan de concrete taakverdeling tussen de aangewezen verwerkingsverantwoordelijken onderling regelen. De gegevens worden verwerkt om de onttrekking te kunnen organiseren, opvolgen en handhaven. De bewaartermijn van die niet- geanonimiseerde gegevens is vijf jaar na de stopzetting van de onttrekking.
§ 4. De bevoegde waterbeheerder of beheerder van de publieke gracht gaat na of de melding alle informatie bevat vermeld in paragraaf 3, tweede lid. Desgevallend wordt de ontbrekende informatie opgevraagd bij de aanvrager. Pas na ontvangst van alle ontbrekende informatie wordt de melding als volledig beschouwd.
In afwijking van het eerste lid zijn de volgende handelingen niet onderworpen aan een melding, voor zover de onttrekking minder dan 500 m3 per jaar bedraagt:
1° weidepompen gebruiken om dieren te drenken;
2° spuittoestellen vullen om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken, op voorwaarde dat de gebruiker van de toestellen dusdanig te werk gaat dat er geen risico op puntverontreiniging is;
3° een water- of aalton van maximaal 10 m3 vullen;
4° zonnepompen voor weidevogels en de pompen voor veedrinkpoelen.
§ 2. Als er voor een onttrekking met een vaste inrichting een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is waarvoor toepassing is gemaakt van artikel 12, § 1, derde lid, van de wet van 28 december 1967, of als hiervoor een machtiging van de waterbeheerder is, dan geldt deze omgevingsvergunning of deze machtiging als melding vermeld in paragraaf 3. Dit op voorwaarde dat de houder van de omgevingsvergunning of de machtiging de nodige gegevens over de onttrokken hoeveelheden en het voldoen aan de voorwaarden uit artikel 29, § 2 en artikel 29, § 4, bezorgt aan de waterbeheerder of de beheerder van de publieke gracht.
Indien vaste inrichtingen opgericht werden voor de inwerkingtreding van dit artikel, verzoekt de waterbeheerder of de beheerder van de publieke gracht de houder van de omgevingsvergunning of machtiging om de informatie vermeld in het eerste lid waarover de overheid nog niet zou beschikken, aan hem te bezorgen. De houder bezorgt deze informatie binnen de 30 dagen volgend op de ontvangst van het verzoek.
Voor vaste inrichtingen waarbij voor de omgevingsvergunning geen gebruik is gemaakt van artikel 12, derde lid, van de wet van 28 december 1967, en waarvoor geen machtiging van de waterbeheerder werd gekregen, moet de onttrekker de procedure uit paragraaf 3 volgen.
§ 3. De onttrekker doet de melding voor de voorgenomen onttrekking aan de bevoegde waterbeheerder of de beheerder van de publieke gracht, vermeld in artikel 7 of 23ter van de wet van 28 december 1967, via een elektronisch loket.
De melding bevat de volgende gegevens:
1° identificatie van de aanvrager:
a) naam van de natuurlijke persoon of van de rechtspersoon, die de melding indient of namens wie ze wordt ingediend;
b) woonplaats en volledig adres van de aanvrager en in het voorkomend geval de maatschappelijke, administratieve en exploitatiezetel(s);
2° de technische gegevens van de onttrekkingswijze
a) een technische beschrijving van onttrekkingsinstallatie;
b) een technische beschrijving van het debietmetingssysteem waarmee de onttrekking wordt uitgerust;
3° de locatie waar onttrokken zal worden;
4° de duur van de onttrekking die ten hoogste dertig dagen mag zijn;
5° het debiet en de hoeveelheid water die onttrokken zal worden;
6° de toepassing van het water.
De minister kan technische gegevens over de onttrekkingswijze die deel uitmaken van de melding nader regelen.
In het kader van de informatieoverdracht, vermeld in het eerste lid, worden de gegevens die kunnen leiden tot de identificatie van natuurlijke personen of gegevens die daarmee gekoppeld kunnen worden, verwerkt met toepassing van de regelgeving inzake de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens. De waterbeheerder of de beheerder van de publieke gracht wordt naargelang het geval hierbij aangewezen als verwerkingsverantwoordelijke. De minister kan de concrete taakverdeling tussen de aangewezen verwerkingsverantwoordelijken onderling regelen. De gegevens worden verwerkt om de onttrekking te kunnen organiseren, opvolgen en handhaven. De bewaartermijn van die niet- geanonimiseerde gegevens is vijf jaar na de stopzetting van de onttrekking.
§ 4. De bevoegde waterbeheerder of beheerder van de publieke gracht gaat na of de melding alle informatie bevat vermeld in paragraaf 3, tweede lid. Desgevallend wordt de ontbrekende informatie opgevraagd bij de aanvrager. Pas na ontvangst van alle ontbrekende informatie wordt de melding als volledig beschouwd.
Art. 30. § 1er. Un captage d'un cours d'eau non navigable ou d'un fossé public doit toujours être préalablement déclaré au gestionnaire des eaux concerné ou au gestionnaire du fossé public.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les actes suivants ne sont pas soumis à déclaration pour autant que le captage soit inférieur à 500 m3 par an :
1° l'utilisation de pompes de prairie pour l'abreuvement des animaux ;
2° le remplissage de pulvérisateurs pour l'utilisation de produits phytopharmaceutiques à condition que l'utilisateur des appareils procède de manière telle qu'il n'y a aucun risque de pollution ponctuelle ;
3° le remplissage d'une tonne à eau ou à lisier de 10 m3 maximum ;
4° pompes solaires pour oiseaux de prairie et pompes pour mares d'abreuvement du bétail.
§ 2. Si un captage avec une installation fixe dispose d'un permis d'environnement pour des actes urbanistiques pour lequel il a été fait application de l'article 12, alinéa 3, de la loi du 28 décembre 1967, ou s'il dispose d'une autorisation du gestionnaire des eaux, ce permis d'environnement ou cette autorisation vaut déclaration telle que visée au paragraphe 3. Ceci, à condition que le titulaire du permis d'environnement ou de l'autorisation transmette au gestionnaire des eaux ou au gestionnaire du fossé public les informations nécessaires concernant les quantités prélevées et le respect des conditions de l'article 29, § 2, et de l'article 29, § 4.
Si des installations fixes ont été créées avant l'entrée en vigueur du présent article, le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire du fossé public demande au titulaire du permis d'environnement ou de l'autorisation de lui transmettre les informations visées à l'alinéa 1er dont l'autorité ne disposerait pas encore. Le titulaire transmet ces informations dans les 30 jours de la réception de la demande.
En ce qui concerne les installations fixes pour lesquelles il n'a pas été fait application de l'article 12, § 1er, alinéa 3, de la loi du 28 décembre 1967 pour le permis d'environnement et pour lesquelles l'autorisation du gestionnaire des eaux n'a pas été obtenue, le capteur doit suivre la procédure exposée au paragraphe 3.
§ 3. Le capteur fait la déclaration pour le captage envisagé au gestionnaire des eaux ou au gestionnaire du fossé public compétent, visé à l'article 7 ou à l'article 23ter de la loi du 28 décembre 1967, via un guichet électronique.
La déclaration contient les informations suivantes :
1° identification du demandeur :
a) nom de la personne physique ou de la personne morale qui introduit la déclaration ou au nom de laquelle elle est introduite ;
b) domicile et adresse du demandeur et, le cas échéant, le (les) siège(s) social(sociaux), administratif(s) et d'exploitation ;
2° données techniques du mode de captage ;
a) une description technique de l'installation de captage ;
b) une description technique du système de mesure du débit dont le captage est équipé ;
3° l'endroit où le captage aura lieu ;
4° la durée du captage, laquelle ne peut pas excéder trente jours ;
5° le débit et la quantité d'eau qui sera prélevée ;
6° l'application de l'eau.
Le ministre peut préciser les données techniques relatives au mode de captage qui font partie de la déclaration.
Dans le cadre du transfert d'informations visé à l'alinéa 1er, les données susceptibles de conduire à l'identification de personnes physiques ou les données qui peuvent y être liées sont traitées en application de la réglementation relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel. Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire du fossé public, selon le cas, est désigné comme responsable du traitement. Le ministre peut réglementer la répartition concrète des tâches entre les responsables du traitement désignés. Les données sont traitées afin de pouvoir organiser, suivre et maintenir le captage. Le délai de conservation des données non anonymisées est de cinq ans après l'arrêt du captage.
§ 4. Le gestionnaire des eaux ou gestionnaire du fossé public compétent vérifie si la déclaration contient toutes les informations visées au paragraphe 3, alinéa 2. Le cas échéant, les informations manquantes sont réclamées au demandeur. La déclaration n'est considérée comme complète qu'après la réception de toutes les informations manquantes.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les actes suivants ne sont pas soumis à déclaration pour autant que le captage soit inférieur à 500 m3 par an :
1° l'utilisation de pompes de prairie pour l'abreuvement des animaux ;
2° le remplissage de pulvérisateurs pour l'utilisation de produits phytopharmaceutiques à condition que l'utilisateur des appareils procède de manière telle qu'il n'y a aucun risque de pollution ponctuelle ;
3° le remplissage d'une tonne à eau ou à lisier de 10 m3 maximum ;
4° pompes solaires pour oiseaux de prairie et pompes pour mares d'abreuvement du bétail.
§ 2. Si un captage avec une installation fixe dispose d'un permis d'environnement pour des actes urbanistiques pour lequel il a été fait application de l'article 12, alinéa 3, de la loi du 28 décembre 1967, ou s'il dispose d'une autorisation du gestionnaire des eaux, ce permis d'environnement ou cette autorisation vaut déclaration telle que visée au paragraphe 3. Ceci, à condition que le titulaire du permis d'environnement ou de l'autorisation transmette au gestionnaire des eaux ou au gestionnaire du fossé public les informations nécessaires concernant les quantités prélevées et le respect des conditions de l'article 29, § 2, et de l'article 29, § 4.
Si des installations fixes ont été créées avant l'entrée en vigueur du présent article, le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire du fossé public demande au titulaire du permis d'environnement ou de l'autorisation de lui transmettre les informations visées à l'alinéa 1er dont l'autorité ne disposerait pas encore. Le titulaire transmet ces informations dans les 30 jours de la réception de la demande.
En ce qui concerne les installations fixes pour lesquelles il n'a pas été fait application de l'article 12, § 1er, alinéa 3, de la loi du 28 décembre 1967 pour le permis d'environnement et pour lesquelles l'autorisation du gestionnaire des eaux n'a pas été obtenue, le capteur doit suivre la procédure exposée au paragraphe 3.
§ 3. Le capteur fait la déclaration pour le captage envisagé au gestionnaire des eaux ou au gestionnaire du fossé public compétent, visé à l'article 7 ou à l'article 23ter de la loi du 28 décembre 1967, via un guichet électronique.
La déclaration contient les informations suivantes :
1° identification du demandeur :
a) nom de la personne physique ou de la personne morale qui introduit la déclaration ou au nom de laquelle elle est introduite ;
b) domicile et adresse du demandeur et, le cas échéant, le (les) siège(s) social(sociaux), administratif(s) et d'exploitation ;
2° données techniques du mode de captage ;
a) une description technique de l'installation de captage ;
b) une description technique du système de mesure du débit dont le captage est équipé ;
3° l'endroit où le captage aura lieu ;
4° la durée du captage, laquelle ne peut pas excéder trente jours ;
5° le débit et la quantité d'eau qui sera prélevée ;
6° l'application de l'eau.
Le ministre peut préciser les données techniques relatives au mode de captage qui font partie de la déclaration.
Dans le cadre du transfert d'informations visé à l'alinéa 1er, les données susceptibles de conduire à l'identification de personnes physiques ou les données qui peuvent y être liées sont traitées en application de la réglementation relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel. Le gestionnaire des eaux ou le gestionnaire du fossé public, selon le cas, est désigné comme responsable du traitement. Le ministre peut réglementer la répartition concrète des tâches entre les responsables du traitement désignés. Les données sont traitées afin de pouvoir organiser, suivre et maintenir le captage. Le délai de conservation des données non anonymisées est de cinq ans après l'arrêt du captage.
§ 4. Le gestionnaire des eaux ou gestionnaire du fossé public compétent vérifie si la déclaration contient toutes les informations visées au paragraphe 3, alinéa 2. Le cas échéant, les informations manquantes sont réclamées au demandeur. La déclaration n'est considérée comme complète qu'après la réception de toutes les informations manquantes.
Art. 31. § 1. Binnen achtenveertig uur na de melding, tot onttrekking bij de bevoegde waterbeheerder of de beheerder van de publieke gracht, beoordeelt deze de melding overeenkomstig artikel 30, § 3 op volledigheid en bezorgt de aanvrager desgevallend een bewijs van volledige melding, het onttrekkingsticket genaamd. Indien de waterbeheerder geen uitspraak doet binnen achtenveertig uur, wordt de melding geacht volledig te zijn. De minister kan het model bepalen voor het onttrekkingsticket.
Wordt de aanvraag gedaan op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan begint de termijn van achtenveertig uur vermeld in het eerste lid de maandag of de eerste dag na de wettelijke feestdag om negen uur.
Het onttrekkingsticket voor een niet vaste inrichting blijft maximaal geldig voor een periode van één maand.
§ 2. De onttrekking mag beginnen zodra een onttrekkingsticket elektronisch bezorgd is aan de aanvrager, of bij gebrek aan kennisgeving van het onttrekkingsticket onmiddellijk nadat de termijn, vermeld in paragraaf 1 verstreken is.
Het onttrekkingsticket, vermeld in artikel 31, § 1, moet altijd voorgelegd kunnen worden tijdens het onttrekken De onttrekker houdt een bewijs van verzending van zijn melding ter beschikking tijdens het onttrekken als hij niet tijdig het onttrekkingsticket ontving.
§ 3. Bij waterschaarste of droogte, kan de gouverneur op voorstel van de CIW of op voorstel van een waterbeheerder, tijdelijke beperkingen opleggen of een tijdelijk verbod afkondigen om water te onttrekken uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten voor de hele provincie of delen ervan. De gouverneur houdt bij het nemen van dergelijke maatregelen minstens rekening met de beginselen van het integraal waterbeleid, vermeld in artikel 1.2.2 van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018.
De tijdelijke beperkingen of tijdelijke verboden, vermeld in deze paragraaf, hebben ook betrekking op de onttrekkingen die al vergund, gemachtigd of toegelaten zijn of vergund zijn conform artikel 30, § 2, of artikel 31, § 2.
Wordt de aanvraag gedaan op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan begint de termijn van achtenveertig uur vermeld in het eerste lid de maandag of de eerste dag na de wettelijke feestdag om negen uur.
Het onttrekkingsticket voor een niet vaste inrichting blijft maximaal geldig voor een periode van één maand.
§ 2. De onttrekking mag beginnen zodra een onttrekkingsticket elektronisch bezorgd is aan de aanvrager, of bij gebrek aan kennisgeving van het onttrekkingsticket onmiddellijk nadat de termijn, vermeld in paragraaf 1 verstreken is.
Het onttrekkingsticket, vermeld in artikel 31, § 1, moet altijd voorgelegd kunnen worden tijdens het onttrekken De onttrekker houdt een bewijs van verzending van zijn melding ter beschikking tijdens het onttrekken als hij niet tijdig het onttrekkingsticket ontving.
§ 3. Bij waterschaarste of droogte, kan de gouverneur op voorstel van de CIW of op voorstel van een waterbeheerder, tijdelijke beperkingen opleggen of een tijdelijk verbod afkondigen om water te onttrekken uit onbevaarbare waterlopen en publieke grachten voor de hele provincie of delen ervan. De gouverneur houdt bij het nemen van dergelijke maatregelen minstens rekening met de beginselen van het integraal waterbeleid, vermeld in artikel 1.2.2 van het gecoördineerd decreet van 15 juni 2018.
De tijdelijke beperkingen of tijdelijke verboden, vermeld in deze paragraaf, hebben ook betrekking op de onttrekkingen die al vergund, gemachtigd of toegelaten zijn of vergund zijn conform artikel 30, § 2, of artikel 31, § 2.
Art. 31. § 1er. Dans les quarante-huit heures suivant la déclaration de captage auprès du gestionnaire des eaux ou du gestionnaire du fossé public compétent, celui-ci évalue l'exhaustivité de la déclaration conformément à l'article 30, § 3, et transmet, le cas échéant, au demandeur une preuve de déclaration complète, dénommée ticket de captage. Si le gestionnaire des eaux ne statue pas dans les quarante-huit heures, la déclaration est réputée complète. Le ministre peut arrêter le modèle du ticket de captage.
Si la demande est introduite un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le délai de quarante-huit heures visé à l'alinéa 1er prend cours le lundi ou le premier jour suivant le jour férié légal à neuf heures.
Le ticket de captage pour une installation non fixe reste valable pour une période maximale d'un mois.
§ 2. Le captage peut commencer dès qu'un ticket de captage a été transmis au demandeur par voie électronique ou, à défaut de notification du ticket de captage, immédiatement après l'expiration du délai visé au paragraphe 1er.
Le ticket de captage visé à l'article 31, § 1er, doit pouvoir toujours être présenté durant le captage. S'il n'a pas reçu le ticket de captage à temps, le capteur tient une preuve d'envoi de sa déclaration à disposition durant le captage.
§ 3. En cas de pénurie d'eau ou de sécheresse, le gouverneur peut décréter, sur la proposition de la CPIE ou d'un gestionnaire des eaux, des restrictions temporaires ou une interdiction temporaire de capter l'eau de cours d'eau non navigables et de fossés publics pour l'ensemble de la province ou des parties de celle-ci. Lorsqu'il prend de telles mesures, le gouverneur tient au moins compte des principes de la politique intégrée visés à l'article 1.2.2 du décret coordonné du 15 juin 2018.
Les restrictions ou interdictions temporaires visées au présent paragraphe concernent également les captages qui ont déjà obtenu les permis ou autorisations ou ont été autorisés conformément à l'article 30, § 2, ou à l'article 31, § 2.
Si la demande est introduite un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le délai de quarante-huit heures visé à l'alinéa 1er prend cours le lundi ou le premier jour suivant le jour férié légal à neuf heures.
Le ticket de captage pour une installation non fixe reste valable pour une période maximale d'un mois.
§ 2. Le captage peut commencer dès qu'un ticket de captage a été transmis au demandeur par voie électronique ou, à défaut de notification du ticket de captage, immédiatement après l'expiration du délai visé au paragraphe 1er.
Le ticket de captage visé à l'article 31, § 1er, doit pouvoir toujours être présenté durant le captage. S'il n'a pas reçu le ticket de captage à temps, le capteur tient une preuve d'envoi de sa déclaration à disposition durant le captage.
§ 3. En cas de pénurie d'eau ou de sécheresse, le gouverneur peut décréter, sur la proposition de la CPIE ou d'un gestionnaire des eaux, des restrictions temporaires ou une interdiction temporaire de capter l'eau de cours d'eau non navigables et de fossés publics pour l'ensemble de la province ou des parties de celle-ci. Lorsqu'il prend de telles mesures, le gouverneur tient au moins compte des principes de la politique intégrée visés à l'article 1.2.2 du décret coordonné du 15 juin 2018.
Les restrictions ou interdictions temporaires visées au présent paragraphe concernent également les captages qui ont déjà obtenu les permis ou autorisations ou ont été autorisés conformément à l'article 30, § 2, ou à l'article 31, § 2.
Art. 32. Als conform artikel 31, paragraaf 3 tijdelijke beperkingen of verboden worden ingesteld, brengt de waterbeheerder de personen die al een onttrekkingsticket ontvingen daarvan op de hoogte.
Voor nieuwe meldingen worden beperkingen als vermeld in artikel 31, paragraaf 3 meegegeven bij de beslissing over de aanvraag.
Als conform artikel 31, paragraaf 3 een tijdelijk verbod wordt ingesteld, moet de bevoegde waterbeheerder voor de duur van het tijdelijke verbod het onttrekkingsticket weigeren.
Voor nieuwe meldingen worden beperkingen als vermeld in artikel 31, paragraaf 3 meegegeven bij de beslissing over de aanvraag.
Als conform artikel 31, paragraaf 3 een tijdelijk verbod wordt ingesteld, moet de bevoegde waterbeheerder voor de duur van het tijdelijke verbod het onttrekkingsticket weigeren.
Art. 32. Si des restrictions ou interdictions temporaires sont instaurées conformément à l'article 31, paragraphe 3, le gestionnaire des eaux en informe les personnes qui ont déjà reçu un ticket de captage.
Pour les nouvelles déclarations, les restrictions visées à l'article 31, paragraphe 3, sont communiquées lors de la décision au sujet de la demande.
Si une interdiction temporaire est instaurée conformément à l'article 31, paragraphe 3, le gestionnaire des eaux compétent doit refuser le ticket de captage pour la durée de l'interdiction temporaire.
Pour les nouvelles déclarations, les restrictions visées à l'article 31, paragraphe 3, sont communiquées lors de la décision au sujet de la demande.
Si une interdiction temporaire est instaurée conformément à l'article 31, paragraphe 3, le gestionnaire des eaux compétent doit refuser le ticket de captage pour la durée de l'interdiction temporaire.
Art. 33. Voor onttrekkingen met een vaste inrichting waarbij voor de omgevingsvergunning gebruik is gemaakt van artikel 12, derde lid, van de wet van 28 december 1967 of waarvoor een machtiging van de waterbeheerder werd verkregen, wordt de meterstand van het vorige jaar uiterlijk 15 maart van het volgende jaar doorgegeven via een elektronisch loket.
Ten laatste 15 dagen na de beëindiging van de termijn van het onttrekkingsticket geeft de onttrekker het aantal tonnen dat onttrokken werd en hun volume of de volgens de meterstand onttrokken debieten door via een elektronisch loket.
Ten laatste 15 dagen na de beëindiging van de termijn van het onttrekkingsticket geeft de onttrekker het aantal tonnen dat onttrokken werd en hun volume of de volgens de meterstand onttrokken debieten door via een elektronisch loket.
Art. 33. En ce qui concerne les captages avec une installation fixe pour lesquels il a été fait application de l'article 12, alinéa 3, de la loi du 28 décembre 1967 pour le permis d'environnement ou pour lesquels l'autorisation du gestionnaire des eaux a été obtenue, le relevé de compteur de l'année précédente est transmis le 15 mars au plus tard de l'année suivante via un guichet électronique.
Au plus tard 15 jours après la fin du délai de validité du ticket de captage, le capteur transmet le nombre de tonnes prélevées et leur volume ou les débits prélevés selon le relevé de compteur via un guichet électronique.
Au plus tard 15 jours après la fin du délai de validité du ticket de captage, le capteur transmet le nombre de tonnes prélevées et leur volume ou les débits prélevés selon le relevé de compteur via un guichet électronique.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art. 34. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2019, wordt een punt 4° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"4° /1 wet onbevaarbare waterlopen: de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;".
"4° /1 wet onbevaarbare waterlopen: de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;".
Art. 34. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, remplacé par l'arrêté du 30 avril 2009 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 avril 2019, il est inséré un point 4° /1, libellé comme suit :
" 4° /1 loi sur les cours d'eau non navigables : la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables ; ".
" 4° /1 loi sur les cours d'eau non navigables : la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables ; ".
Art. 35. In artikel 28 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, 17 februari 2012, 7 september 2018 en 26 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 1° wordt tussen de zinsnede "categorie 1" en het woord "en" de zinsnede ", 2 en 3" ingevoegd;
2° er wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"5° de wet onbevaarbare waterlopen, voor wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 1, 2 en 3, en hun aanhorigheden, en voor de publieke grachten en hun aanhorigheden.".
1° in punt 1° wordt tussen de zinsnede "categorie 1" en het woord "en" de zinsnede ", 2 en 3" ingevoegd;
2° er wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"5° de wet onbevaarbare waterlopen, voor wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 1, 2 en 3, en hun aanhorigheden, en voor de publieke grachten en hun aanhorigheden.".
Art. 35. A l'article 28 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 novembre 2010, 17 février 2012, 7 septembre 2018 et 26 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 1°, il est inséré entre le membre de phrase " catégorie 1 " et le mot " et " le membre de phrase " 2 et 3 " ;
2° il est ajouté un point 5° libellé comme suit :
" 5° la loi sur les cours d'eau non navigables, en ce qui concerne les cours d'eau non navigables des catégories 1, 2 et 3 et leurs dépendances et en ce qui concerne les fossés publics et leurs dépendances. ".
1° au point 1°, il est inséré entre le membre de phrase " catégorie 1 " et le mot " et " le membre de phrase " 2 et 3 " ;
2° il est ajouté un point 5° libellé comme suit :
" 5° la loi sur les cours d'eau non navigables, en ce qui concerne les cours d'eau non navigables des catégories 1, 2 et 3 et leurs dépendances et en ce qui concerne les fossés publics et leurs dépendances. ".
Art. 36. Aan artikel 33, § 1, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2018, wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"6° de wet onbevaarbare waterlopen, voor de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3, en hun aanhorigheden, en voor de publieke grachten en hun aanhorigheden.".
"6° de wet onbevaarbare waterlopen, voor de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3, en hun aanhorigheden, en voor de publieke grachten en hun aanhorigheden.".
Art. 36. A l'article 33, § 1er, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 septembre 2018, il est ajouté un point 6° libellé comme suit :
" 6° la loi sur les cours d'eau non navigables, en ce qui concerne les cours d'eau non navigables des catégories 2 et 3 et leurs dépendances et en ce qui concerne les fossés publics et leurs dépendances. ".
" 6° la loi sur les cours d'eau non navigables, en ce qui concerne les cours d'eau non navigables des catégories 2 et 3 et leurs dépendances et en ce qui concerne les fossés publics et leurs dépendances. ".
Art. 37. Aan artikel 34, § 1, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2018, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De lokale toezichthouders oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de wet onbevaarbare waterlopen voor de onbevaarbare waterlopen van categorie 3 en hun aanhorigheden, en de publieke grachten, vermeld in artikel 23ter van de voormelde wet.".
"De lokale toezichthouders oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de wet onbevaarbare waterlopen voor de onbevaarbare waterlopen van categorie 3 en hun aanhorigheden, en de publieke grachten, vermeld in artikel 23ter van de voormelde wet.".
Art. 37. A l'article 34, § 1er, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 septembre 2018, il est ajouté un alinéa 3 libellé comme suit :
" Les fonctionnaires de surveillance locaux surveillent l'application des prescriptions environnementales mentionnées dans la loi sur les cours d'eau non navigables ou établies en vertu de celle-ci en ce qui concerne les cours d'eau non navigables de catégorie 3 et leurs dépendances et en ce qui concerne les fossés publics visés à l'article 23ter de la loi précitée. ".
" Les fonctionnaires de surveillance locaux surveillent l'application des prescriptions environnementales mentionnées dans la loi sur les cours d'eau non navigables ou établies en vertu de celle-ci en ce qui concerne les cours d'eau non navigables de catégorie 3 et leurs dépendances et en ce qui concerne les fossés publics visés à l'article 23ter de la loi précitée. ".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 portant détermination des actes urbanistiques qui ne requièrent pas de permis d'environnement
Art. 38. Aan artikel 2.1, 9°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 17 januari 2014, 27 november 2015 en 15 juli 2016, wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt:
"Deze vrijstelling van vergunningsplicht geldt niet voor het overwelven of inbuizen van grachten;".
"Deze vrijstelling van vergunningsplicht geldt niet voor het overwelven of inbuizen van grachten;".
Art. 38. A l'article 2.1, 9°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 juillet 2010 portant détermination des actes urbanistiques qui ne requièrent pas de permis d'environnement, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 17 janvier 2014, 27 novembre 2015 et 15 juillet 2016, il est ajouté une phrase libellée comme suit :
" Cette dispense de l'obligation de permis ne s'applique pas au voûtement ou à la canalisation de fossés ; ".
" Cette dispense de l'obligation de permis ne s'applique pas au voûtement ou à la canalisation de fossés ; ".
Art. 39. Aan artikel 3.1., 8°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 en 15 juli 2016, wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt:
"Deze vrijstelling van vergunningsplicht geldt niet voor het overwelven of inbuizen van grachten;".
"Deze vrijstelling van vergunningsplicht geldt niet voor het overwelven of inbuizen van grachten;".
Art. 39. A l'article 3.1, 8°, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 27 novembre 2015 et 15 juillet 2016, il est ajouté une phrase libellée comme suit :
" Cette dispense de l'obligation de permis ne s'applique pas au voûtement ou à la canalisation de fossés ; ".
" Cette dispense de l'obligation de permis ne s'applique pas au voûtement ou à la canalisation de fossés ; ".
Art. 40. Aan artikel 5.2., 3°, van hetzelfde besluit ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 2014 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 en 15 juli 2016, wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt:
"Deze vrijstelling van vergunningsplicht geldt niet voor het overwelven of inbuizen van grachten;".
"Deze vrijstelling van vergunningsplicht geldt niet voor het overwelven of inbuizen van grachten;".
Art. 40. A l'article 5.2, 3°, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 janvier 2014 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 27 novembre 2015 et 15 juillet 2016, il est ajouté une phrase libellée comme suit :
" Cette dispense de l'obligation de permis ne s'applique pas au voûtement ou à la canalisation de fossés ; ".
" Cette dispense de l'obligation de permis ne s'applique pas au voûtement ou à la canalisation de fossés ; ".
Art. 41. In artikel 6.2 van hetzelfde besluit, vervangen door het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 14 juli 2017 en 28 september 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 1° wordt de zinsnede ", inclusief de eventueel hiervoor strikt noodzakelijke inbuizing van grachten;" vervangen door de zinsnede: ". Deze vrijstelling van vergunningsplicht geldt niet voor het overwelven of inbuizen van grachten;".;
2° punt 2° wordt opgeheven.
1° in punt 1° wordt de zinsnede ", inclusief de eventueel hiervoor strikt noodzakelijke inbuizing van grachten;" vervangen door de zinsnede: ". Deze vrijstelling van vergunningsplicht geldt niet voor het overwelven of inbuizen van grachten;".;
2° punt 2° wordt opgeheven.
Art. 41. A l'article 6.2 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 juillet 2016 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 14 juillet 2017 et 28 septembre 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 1°, le membre de phrase " , y compris la canalisation de fossés, éventuellement strictement indispensable à ce sujet ; " est remplacé par le membre de phrase : " . Cette dispense de l'obligation de permis ne s'applique pas au voûtement ou à la canalisation de fossés ; " ;
2° le point 2° est abrogé.
1° au point 1°, le membre de phrase " , y compris la canalisation de fossés, éventuellement strictement indispensable à ce sujet ; " est remplacé par le membre de phrase : " . Cette dispense de l'obligation de permis ne s'applique pas au voûtement ou à la canalisation de fossés ; " ;
2° le point 2° est abrogé.
Art. 42. Aan artikel 11.7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt:
"Deze vrijstelling van vergunningsplicht geldt niet voor het overwelven of inbuizen van grachten.".
"Deze vrijstelling van vergunningsplicht geldt niet voor het overwelven of inbuizen van grachten.".
Art. 42. A l'article 11.7 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015, il est ajouté une phrase libellée comme suit :
" Cette dispense de l'obligation de permis ne s'applique pas au voûtement ou à la canalisation de fossés. ".
" Cette dispense de l'obligation de permis ne s'applique pas au voûtement ou à la canalisation de fossés. ".
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Art. 43. De volgende regelingen worden opgeheven:
1° het koninklijk besluit van 19 februari 1954 houdende uitvoering van de wet van 15 maart 1950 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
2° het koninklijk besluit van 10 juni 1955 betreffende het opmaken van nieuwe beschrijvende tabellen der onbevaarbare waterlopen en van plans waaruit hun toestand blijkt;
3° het koninklijk besluit van 30 januari 1958 houdende algemeen politiereglement van de polders en van de wateringen;
4° het koninklijk besluit van 29 november 1968 houdende vaststelling van de procedure bij de onderzoeken de commodo et incommodo, voorgeschreven door de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
5° het koninklijk besluit van 5 augustus 1970 houdende algemeen politiereglement van de onbevaarbare waterlopen;
6° het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2014 tot uitvoering van titel III, hoofdstuk 4, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018.
1° het koninklijk besluit van 19 februari 1954 houdende uitvoering van de wet van 15 maart 1950 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
2° het koninklijk besluit van 10 juni 1955 betreffende het opmaken van nieuwe beschrijvende tabellen der onbevaarbare waterlopen en van plans waaruit hun toestand blijkt;
3° het koninklijk besluit van 30 januari 1958 houdende algemeen politiereglement van de polders en van de wateringen;
4° het koninklijk besluit van 29 november 1968 houdende vaststelling van de procedure bij de onderzoeken de commodo et incommodo, voorgeschreven door de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
5° het koninklijk besluit van 5 augustus 1970 houdende algemeen politiereglement van de onbevaarbare waterlopen;
6° het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2014 tot uitvoering van titel III, hoofdstuk 4, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018.
Art. 43. Les réglementations suivantes sont abrogées :
1° l'arrêté royal du 19 février 1954 portant exécution de la loi du 15 mars 1950 relative aux cours d'eau non navigables ;
2° l'arrêté royal du 10 juin 1955 relatif à la confection de nouveaux tableaux descriptifs des cours d'eau non navigables et de plans destinés à relever leur état ;
3° l'arrêté royal du 30 janvier 1958 portant règlement général de police des polders et des wateringues ;
4° l'arrêté royal du 29 novembre 1968 fixant la procédure des enquêtes de commodo et incommodo et des recours prévus par la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables ;
5° l'arrêté royal du 5 août 1970 portant règlement général de police des cours d'eau non navigables ;
6° l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2014 portant exécution du titre III, chapitre 4, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018.
1° l'arrêté royal du 19 février 1954 portant exécution de la loi du 15 mars 1950 relative aux cours d'eau non navigables ;
2° l'arrêté royal du 10 juin 1955 relatif à la confection de nouveaux tableaux descriptifs des cours d'eau non navigables et de plans destinés à relever leur état ;
3° l'arrêté royal du 30 janvier 1958 portant règlement général de police des polders et des wateringues ;
4° l'arrêté royal du 29 novembre 1968 fixant la procédure des enquêtes de commodo et incommodo et des recours prévus par la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables ;
5° l'arrêté royal du 5 août 1970 portant règlement général de police des cours d'eau non navigables ;
6° l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2014 portant exécution du titre III, chapitre 4, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018.
Art. 44. De artikelen 30 en 31, § 1 en § 2 treden in werking op de datum bepaald door de minister.
Artikel 6 en 24, 2°, van het decreet van 26 april 2019 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw treden in werking samen met dit besluit.
Artikel 6 en 24, 2°, van het decreet van 26 april 2019 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw treden in werking samen met dit besluit.
Art. 44. L'article 30 et l'article 31, §§ 1er et 2, entrent en vigueur à la date fixée par le ministre.
L'article 6 et l'article 24, 2°, du décret du 26 avril 2019 portant diverses dispositions en matière d'environnement, de nature et d'agriculture entrent en vigueur conjointement avec le présent arrêté.
L'article 6 et l'article 24, 2°, du décret du 26 avril 2019 portant diverses dispositions en matière d'environnement, de nature et d'agriculture entrent en vigueur conjointement avec le présent arrêté.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 30 et 31, §§ 1er et 2 fixée au 20-12-2021 par AM 2021-11-30/02, art. 1)
Art. 45. De Vlaamse minister, bevoegd voor omgeving en natuur, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 45. Le ministre flamand qui a l'Environnement et la Nature dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.