Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder:
1° "wet van 6 augustus 1990": de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
2° "wet van 14 juli 1994": de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
3° "koninklijk besluit van 7 maart 1991" : het koninklijk besluit van 7 maart 1991 tot uitvoering van artikel 2, §§ 2 en 3, artikel 14, § 3, en artikel 19, derde en vierde lid, van de wet van 6 augustus 1990;
4° "Controledienst": de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, bedoeld in artikel 49, § 1, van de wet van 6 augustus 1990;
5° "gerechtigde": de gerechtigde van de geneeskundige verstrekkingen bedoeld in artikel 2, k), van de wet van 14 juli 1994;
6° "persoon ten laste": de persoon bedoeld in artikel 2, § 3, tweede streepje, van de wet van 6 augustus 1990;
7° ° "maatschappij van onderlinge bijstand": een maatschappij van onderlinge bijstand bedoeld in artikel 43bis, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1990.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
29 AUGUSTUS 2021. - Koninklijk besluit tot uitvoering van artikelen 2, §§ 2 en 3, tweede lid, 14, § 3, en artikel 19, derde en vierde lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, wat de maatschappijen van onderlinge bijstand bedoeld in artikel 43bis, § 1, eerste lid, van dezelfde wet betreft(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 12-10-2021 en tekstbijwerking tot 10-11-2022)
Titre
29 AOUT 2021. - Arrêté royal portant exécution des articles 2, §§ 2 et 3, alinéa 2, 14, § 3, et 19, alinéas 3 et 4, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, en ce qui concerne les sociétés mutualistes visées à l'article 43bis, § 1er, alinéa 1er, de cette même loi(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 12-10-2021 et mise à jour au 10-11-2022)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Definities
HOOFDSTUK II. - De types van leden van de maats...
HOOFDSTUK III. - De bestuursorganen van een maa...
Afdeling 1. - Algemene vergadering van een maat...
Onderafdeling 1. - Het aantal afgevaardigden va...
Onderafdeling 2. - De verkiesbaarheidsvoorwaarden
Onderafdeling 3. - De indiening van de kandidat...
Onderafdeling 4. - Voordracht en verkiezing van...
Onderafdeling 5. - De stemming
Onderafdeling 6. - De verkiezing van plaatsverv...
Onderafdeling 7. - De andere personen die de al...
Afdeling 2. - De raad van bestuur van een maats...
Onderafdeling 1. - Het aantal bestuurders
Onderafdeling 2. - Onafhankelijk bestuurder
Onderafdeling 3. - De kandidaturen
Onderafdeling 4. - De verkiezing
Onderafdeling 5. - De verkiezing van plaatsverv...
Onderafdeling 6. - De coöptatie van bestuurders
Onderafdeling 7. - De andere personen die de ve...
Onderafdeling 8. - Het maximumaantal mandaten d...
HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen
Afdeling 1. - Het overmaken van documenten aan ...
Afdeling 2. - De klachten met betrekking tot aa...
Afdeling 3. - - Inwerkingtreding
Table des matières
CHAPITRE I. - Définitions
CHAPITRE II. - Les types de membres de la socié...
CHAPITRE III. - Les organes de gestion d'une so...
Section 1re. - L'assemblée générale d'une socié...
Sous-section 1. - Le nombre de délégués des mut...
Sous-section 2. - Conditions d'éligibilité
Sous-section 3. - L'introduction des candidatures
Sous-section 4. - Proposition et élection des d...
Sous-section 5. - Le vote
Sous-section 6. - L'élection de suppléants
Sous-section 7. - Les autres personnes qui peuv...
Section 2. - Le conseil d'administration d'une ...
Sous-section 1. - Le nombre d'administrateurs
Sous-section 2. - Administrateur indépendant
Sous-section 3. - Les candidatures
Sous-section 4. - L'élection
Sous-section 5. - L'élection d'administrateurs ...
Sous-section 6. - La cooptation d'administrateurs
Sous-section 7. - Les autres personnes qui peuv...
Sous-section 8. - Le nombre maximal de mandats ...
CHAPITRE IV. - Dispositions finales
Section 1. - La transmission de documents à l'O...
Section 2. - Les plaintes relatives aux aspects...
Section 3. - Entrée en vigueur
Tekst (55)
Texte (55)
HOOFDSTUK I. - Definities
CHAPITRE I. - Définitions
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, il convient d'entendre par :
1° " loi du 6 août 1990 " : la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités ;
2° " loi du 14 juillet 1994 " : la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ;
3° " arrêté royal du 7 mars 1991 " : l'arrêté royal du 7 mars 1991 portant exécution de l'article 2, §§ 2 et 3, article 14, § 3, et article 19, alinéas 3 et 4, de la loi du 6 août 1990 ;
4° " Office de contrôle " : l'Office de contrôle des mutualités et des unions nationales de mutualités, visé à l'article 49, § 1er, de la loi du 6 août 1990 ;
5° " titulaire " : le titulaire des prestations de santé visé à l'article 2, k), de la loi du 14 juillet 1994;
6° " personne à charge " : la personne visée à l'article 2, § 3, deuxième tiret, de la loi du 6 août 1990;
7° " société mutualiste " : une société mutualiste visée à l'article 70, § 6, de la loi du 6 août 1990.
1° " loi du 6 août 1990 " : la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités ;
2° " loi du 14 juillet 1994 " : la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ;
3° " arrêté royal du 7 mars 1991 " : l'arrêté royal du 7 mars 1991 portant exécution de l'article 2, §§ 2 et 3, article 14, § 3, et article 19, alinéas 3 et 4, de la loi du 6 août 1990 ;
4° " Office de contrôle " : l'Office de contrôle des mutualités et des unions nationales de mutualités, visé à l'article 49, § 1er, de la loi du 6 août 1990 ;
5° " titulaire " : le titulaire des prestations de santé visé à l'article 2, k), de la loi du 14 juillet 1994;
6° " personne à charge " : la personne visée à l'article 2, § 3, deuxième tiret, de la loi du 6 août 1990;
7° " société mutualiste " : une société mutualiste visée à l'article 70, § 6, de la loi du 6 août 1990.
HOOFDSTUK II. - De types van leden van de maatschappij van onderlinge bijstand
CHAPITRE II. - Les types de membres de la société mutualiste
Art. 2. Er bestaan drie types van leden van een maatschappij van onderlinge bijstand, wat betreft de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990, namelijk:
1° het lid dat een voordeel van deze diensten kan genieten;
2° het lid van wie de mogelijkheid om een voordeel van deze diensten te genieten, is geschorst;
3° het lid van wie de mogelijkheid om een voordeel van deze diensten te genieten, is opgeheven.
De persoon die als persoon ten laste bij een lid is ingeschreven en die de mogelijkheid verkrijgt om uit hoofde van dit lid de voordelen van die diensten te genieten in functie van de beschikbare middelen, wordt ingedeeld volgens hetzelfde type als de gerechtigde ten laste van dewelke de persoon is ingeschreven.
1° het lid dat een voordeel van deze diensten kan genieten;
2° het lid van wie de mogelijkheid om een voordeel van deze diensten te genieten, is geschorst;
3° het lid van wie de mogelijkheid om een voordeel van deze diensten te genieten, is opgeheven.
De persoon die als persoon ten laste bij een lid is ingeschreven en die de mogelijkheid verkrijgt om uit hoofde van dit lid de voordelen van die diensten te genieten in functie van de beschikbare middelen, wordt ingedeeld volgens hetzelfde type als de gerechtigde ten laste van dewelke de persoon is ingeschreven.
Art. 2. Il y a trois types de membres d'une société mutualiste en ce qui concerne les services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990, à savoir:
1° le membre qui peut bénéficier d'un avantage de ces services;
2° le membre dont la possibilité de bénéficier d'un avantage de ces services est suspendue;
3° le membre dont la possibilité de bénéficier d'un avantage de ces services est supprimée.
La personne qui est inscrite à charge d'un membre et qui obtient la possibilité de bénéficier des avantages de ces services, dans la mesure des moyens disponibles, du chef de ce membre, est classée selon le même type que le titulaire à charge duquel elle est inscrite.
1° le membre qui peut bénéficier d'un avantage de ces services;
2° le membre dont la possibilité de bénéficier d'un avantage de ces services est suspendue;
3° le membre dont la possibilité de bénéficier d'un avantage de ces services est supprimée.
La personne qui est inscrite à charge d'un membre et qui obtient la possibilité de bénéficier des avantages de ces services, dans la mesure des moyens disponibles, du chef de ce membre, est classée selon le même type que le titulaire à charge duquel elle est inscrite.
Art. 3. § 1. Onder "lid van een maatschappij van onderlinge bijstand dat een voordeel van de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990 kan genieten", moet verstaan worden de persoon die:
1° lid is van een aangesloten ziekenfonds in de zin van artikel 2bis, §§ 1 of 2, van het koninklijk besluit van 7 maart 1991 en die, met inachtneming van de van toepassing zijnde wettelijke, reglementaire en statutaire bepalingen, aangesloten is bij deze maatschappij van onderlinge bijstand voor alle diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990, die deze maatschappij van onderlinge bijstand organiseert voor de personen aangesloten bij dit ziekenfonds;
2° in functie van de beschikbare middelen, een voordeel kan genieten van deze diensten en van dergelijke diensten georganiseerd door het ziekenfonds bedoeld in 1° of door de landsbond waarbij dit ziekenfonds is aangesloten, en dit, gelet op het feit dat hij in regel is met de bijdragen voor de periode van 23 maanden die voorafgaat aan de maand waarin de gebeurtenis die krachtens de statuten aanleiding kan geven tot uitkering van het voordeel heeft plaatsgevonden en voor de maand waarin deze gebeurtenis plaatsvindt.
§ 2. In de berekening van de periode van 23 maanden bedoeld in § 1, 2°, worden de bijdragen die de gerechtigde, omdat hij zich in een toestand van collectieve schuldregeling of van faillissement bevindt, door de wet verhinderd is te betalen, als betaald beschouwd.
[1 Worden eveneens als betaald beschouwd, de bijdragen die het lid, omdat hij zich in een toestand van collectieve schuldenregeling of van faillissement bevindt, door de wet verhinderd is te betalen gedurende de periode die loopt van de eerste dag van de maand waarin de opeenvolgende periode bedoeld, naargelang het geval, in artikel 5, § 2, eerste lid, of in artikel 5, § 2, tweede lid, een einde neemt tot het einde van de maand voorafgaand aan de maand waarin de gebeurtenis, die krachtens de statuten aanleiding kan geven tot uitkering van een voordeel van een dienst bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de voornoemde wet van 6 augustus 1990, zich voordoet.]1
§ 3. De persoon die ten laste was van een gerechtigde die niet in regel was met de bijdragen voor de periode van 23 maanden die voorafgaat aan de maand waarin de gebeurtenis die krachtens de statuten aanleiding kan geven tot uitkering van het voordeel heeft plaatsgevonden en die in regel is met de bijdragen sedert hij zelf gedurende voormelde periode voor de eerste maal gerechtigde geworden is, wordt, voor de toepassing van dit besluit, tot bewijs van het tegendeel, verondersteld in regel te zijn met de bijdragen voor de betrokken diensten voor de voornoemde periode van 23 maanden en voor de 3 maanden die onmiddellijk op deze periode volgen. Dit geldt a fortiori eveneens wanneer de persoon ten laste was van een gerechtigde die in regel was met de bijdragen voor de voornoemde periode.
§ 4. De persoon, bedoeld door dit artikel, die in regel is met zijn bijdragen sedert meer dan 24 maanden [1 of, voor de personen bedoeld in artikel 5, § 2, tweede lid, sinds meer maanden dan het aantal maanden die de opeenvolgende periode bedraagt,]1 wordt, voor de toepassing van dit koninklijk besluit, tot bewijs van het tegendeel, verondersteld in regel te zijn met zijn bijdragen voor de betrokken diensten voor de 3 maanden die onmiddellijk op deze periode volgen.
§ 5. De regels voorzien in § 1, 2° en in §§ 2, 3 en 4, zijn ook van toepassing wanneer de persoon in de loop van de periode van 23 of 24 maanden die erin bedoeld wordt, in de hoedanigheid van gerechtigde aangesloten was bij verschillende Belgische ziekenfondsen of bij verschillende voornoemde maatschappijen van onderlinge bijstand wat betreft de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990.
In dat geval:
1° moet voor de berekening van de periode van 23 maanden waarmee rekening moet worden gehouden voor de toepassing van §§ 2 en 3, rekening gehouden worden met de maanden van aansluiting in de hoedanigheid van gerechtigde, in elk van de ziekenfondsen in deze periode, bij alle diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990 die voor de leden van deze ziekenfondsen worden georganiseerd;
2° moet deze persoon, [1 indien hij zich niet in een situatie bedoeld in artikel 5, § 2, tweede lid, bevindt]1 om het voordeel van een dienst in kwestie te kunnen genieten, in regel zijn met de bijdragen voor alle diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990 die ingericht waren voor de leden van die verschillende ziekenfondsen en dit, voor alle maanden tijdens dewelke hij er, in de hoedanigheid van gerechtigde, aangesloten geweest is;
3° wordt hij, als hij voldoet aan de voorwaarde voorzien onder 2°, voor de toepassing van dit besluit, tot het tegendeel bewezen is, verondersteld in regel te zijn met de bijdragen voor de diensten in kwestie gedurende de drie maanden die onmiddellijk volgen op die periode.
§ 6. De regels voorzien in § 1, 2° en in §§ 2, 3 en 4, zijn ook van toepassing wanneer de persoon [1 die zich niet in een situatie bedoeld in artikel 5, § 2, tweede lid, bevindt]1 in de loop van de periode van 23 of 24 maanden die erin bedoeld wordt, gedurende een of meerdere maanden niet aangesloten was bij een Belgisch ziekenfonds of bij een Belgische maatschappij van onderlinge bijstand wat betreft de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990.
In dat geval:
* wordt die onderbrekingsperiode van de aansluiting, voor de toepassing van dit besluit, gelijkgesteld met een periode waarvoor de persoon in regel was met de bijdragen wanneer hij in regel was met de bijdragen voor alle diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990 die voor de leden van zijn ziekenfonds worden ingericht, voor alle maanden waarin hij als gerechtigde was aangesloten bij een Belgisch ziekenfonds gedurende die 23 maanden;
* wordt deze persoon, voor de toepassing van dit besluit, tot het tegendeel bewezen is, verondersteld in regel te zijn met de bijdragen voor de diensten in kwestie gedurende de drie maanden die onmiddellijk volgen op die periode.
1° lid is van een aangesloten ziekenfonds in de zin van artikel 2bis, §§ 1 of 2, van het koninklijk besluit van 7 maart 1991 en die, met inachtneming van de van toepassing zijnde wettelijke, reglementaire en statutaire bepalingen, aangesloten is bij deze maatschappij van onderlinge bijstand voor alle diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990, die deze maatschappij van onderlinge bijstand organiseert voor de personen aangesloten bij dit ziekenfonds;
2° in functie van de beschikbare middelen, een voordeel kan genieten van deze diensten en van dergelijke diensten georganiseerd door het ziekenfonds bedoeld in 1° of door de landsbond waarbij dit ziekenfonds is aangesloten, en dit, gelet op het feit dat hij in regel is met de bijdragen voor de periode van 23 maanden die voorafgaat aan de maand waarin de gebeurtenis die krachtens de statuten aanleiding kan geven tot uitkering van het voordeel heeft plaatsgevonden en voor de maand waarin deze gebeurtenis plaatsvindt.
§ 2. In de berekening van de periode van 23 maanden bedoeld in § 1, 2°, worden de bijdragen die de gerechtigde, omdat hij zich in een toestand van collectieve schuldregeling of van faillissement bevindt, door de wet verhinderd is te betalen, als betaald beschouwd.
[1 Worden eveneens als betaald beschouwd, de bijdragen die het lid, omdat hij zich in een toestand van collectieve schuldenregeling of van faillissement bevindt, door de wet verhinderd is te betalen gedurende de periode die loopt van de eerste dag van de maand waarin de opeenvolgende periode bedoeld, naargelang het geval, in artikel 5, § 2, eerste lid, of in artikel 5, § 2, tweede lid, een einde neemt tot het einde van de maand voorafgaand aan de maand waarin de gebeurtenis, die krachtens de statuten aanleiding kan geven tot uitkering van een voordeel van een dienst bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de voornoemde wet van 6 augustus 1990, zich voordoet.]1
§ 3. De persoon die ten laste was van een gerechtigde die niet in regel was met de bijdragen voor de periode van 23 maanden die voorafgaat aan de maand waarin de gebeurtenis die krachtens de statuten aanleiding kan geven tot uitkering van het voordeel heeft plaatsgevonden en die in regel is met de bijdragen sedert hij zelf gedurende voormelde periode voor de eerste maal gerechtigde geworden is, wordt, voor de toepassing van dit besluit, tot bewijs van het tegendeel, verondersteld in regel te zijn met de bijdragen voor de betrokken diensten voor de voornoemde periode van 23 maanden en voor de 3 maanden die onmiddellijk op deze periode volgen. Dit geldt a fortiori eveneens wanneer de persoon ten laste was van een gerechtigde die in regel was met de bijdragen voor de voornoemde periode.
§ 4. De persoon, bedoeld door dit artikel, die in regel is met zijn bijdragen sedert meer dan 24 maanden [1 of, voor de personen bedoeld in artikel 5, § 2, tweede lid, sinds meer maanden dan het aantal maanden die de opeenvolgende periode bedraagt,]1 wordt, voor de toepassing van dit koninklijk besluit, tot bewijs van het tegendeel, verondersteld in regel te zijn met zijn bijdragen voor de betrokken diensten voor de 3 maanden die onmiddellijk op deze periode volgen.
§ 5. De regels voorzien in § 1, 2° en in §§ 2, 3 en 4, zijn ook van toepassing wanneer de persoon in de loop van de periode van 23 of 24 maanden die erin bedoeld wordt, in de hoedanigheid van gerechtigde aangesloten was bij verschillende Belgische ziekenfondsen of bij verschillende voornoemde maatschappijen van onderlinge bijstand wat betreft de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990.
In dat geval:
1° moet voor de berekening van de periode van 23 maanden waarmee rekening moet worden gehouden voor de toepassing van §§ 2 en 3, rekening gehouden worden met de maanden van aansluiting in de hoedanigheid van gerechtigde, in elk van de ziekenfondsen in deze periode, bij alle diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990 die voor de leden van deze ziekenfondsen worden georganiseerd;
2° moet deze persoon, [1 indien hij zich niet in een situatie bedoeld in artikel 5, § 2, tweede lid, bevindt]1 om het voordeel van een dienst in kwestie te kunnen genieten, in regel zijn met de bijdragen voor alle diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990 die ingericht waren voor de leden van die verschillende ziekenfondsen en dit, voor alle maanden tijdens dewelke hij er, in de hoedanigheid van gerechtigde, aangesloten geweest is;
3° wordt hij, als hij voldoet aan de voorwaarde voorzien onder 2°, voor de toepassing van dit besluit, tot het tegendeel bewezen is, verondersteld in regel te zijn met de bijdragen voor de diensten in kwestie gedurende de drie maanden die onmiddellijk volgen op die periode.
§ 6. De regels voorzien in § 1, 2° en in §§ 2, 3 en 4, zijn ook van toepassing wanneer de persoon [1 die zich niet in een situatie bedoeld in artikel 5, § 2, tweede lid, bevindt]1 in de loop van de periode van 23 of 24 maanden die erin bedoeld wordt, gedurende een of meerdere maanden niet aangesloten was bij een Belgisch ziekenfonds of bij een Belgische maatschappij van onderlinge bijstand wat betreft de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990.
In dat geval:
* wordt die onderbrekingsperiode van de aansluiting, voor de toepassing van dit besluit, gelijkgesteld met een periode waarvoor de persoon in regel was met de bijdragen wanneer hij in regel was met de bijdragen voor alle diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990 die voor de leden van zijn ziekenfonds worden ingericht, voor alle maanden waarin hij als gerechtigde was aangesloten bij een Belgisch ziekenfonds gedurende die 23 maanden;
* wordt deze persoon, voor de toepassing van dit besluit, tot het tegendeel bewezen is, verondersteld in regel te zijn met de bijdragen voor de diensten in kwestie gedurende de drie maanden die onmiddellijk volgen op die periode.
Modifications
Art. 3. § 1er. Par " membre d'une société mutualiste qui peut bénéficier d'un avantage des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 ", il faut entendre la personne qui :
1° est membre d'une mutualité affiliée au sens de l'article 2bis, §§ 1er ou 2, de l'arrêté royal du 7 mars 1991 et qui, dans le respect des dispositions légales, réglementaires et statutaires applicables, est affiliée auprès de cette société mutualiste pour l'ensemble des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990, que cette société mutualiste organise au bénéfice des personnes affiliées auprès de cette mutualité ;
2° peut, dans la mesure des moyens disponibles, bénéficier d'un avantage de ces services et de tels services organisés par la mutualité visée au 1° ou par l'union nationale auprès de laquelle ladite mutualité est affiliée et ce, étant donné qu'elle est en ordre de cotisations pour la période de 23 mois qui précède le mois au cours duquel l'événement qui, en vertu des statuts, peut donner lieu à l'octroi de l'avantage s'est produit et pour le mois de la survenance de cet événement.
§ 2. Dans le calcul de la période de 23 mois visée au § 1er, 2°, les cotisations que le titulaire est légalement empêché de payer en raison d'un règlement collectif de dettes ou d'une faillite sont considérées comme payées.
[1 Sont également considérées comme payées, les cotisations que le titulaire est légalement empêché de payer, en raison d'un règlement collectif de dettes ou d'une faillite, durant la période qui s'étend du 1er jour du mois qui suit celui au cours duquel la période subséquente visée, selon le cas, à l'article 5, § 2, alinéa 1er, ou à l'article 5, § 2, alinéa 2, prend fin jusqu'à la fin du mois qui précède celui au cours duquel se produit l'événement qui, en vertu des statuts, peut donner lieu à l'octroi d'un avantage d'un service visé à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi précitée du 6 août 1990.]1
§ 3. La personne qui était à charge d'un titulaire qui n'était pas en ordre de cotisations pour la période de 23 mois qui précède le mois au cours duquel l'événement qui, en vertu des statuts, peut donner lieu à l'octroi de l'avantage s'est produit et qui, depuis qu'elle est, durant la période précitée, devenue elle-même pour la première fois titulaire, est en ordre de cotisations pour lesdits services est présumée, pour l'application du présent arrêté, jusqu'à la preuve du contraire, être en ordre de cotisations pour les services concernés, pour la période précitée de 23 mois et pour les trois mois qui suivent immédiatement ladite période. Il en va a fortiori de même lorsque la personne était à charge d'un titulaire qui était en ordre de cotisations pour la période précitée.
§ 4. La personne, visée par le présent article, qui est en ordre de cotisations depuis plus de 24 mois [1 ou, pour les personnes visées à l'article 5, § 2, alinéa 2, depuis plus de mois que le nombre de mois que comprend la période subséquente,]1 est présumée, pour l'application du présent arrêté, jusqu'à la preuve du contraire, être en ordre de cotisations pour les services concernés, pour les trois mois qui suivent immédiatement ladite période.
§ 5. Les règles visées au § 1er, 2°, et aux §§ 2, 3 et 4, sont également applicables lorsqu'au cours de la période de 23 ou 24 mois qui y est visée, la personne a été affiliée en qualité de titulaire auprès de différentes mutualités belges ou différentes sociétés mutualistes susvisées en ce qui concerne des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990.
Dans ce cas:
1° pour le calcul de la période de 23 mois dont il faut tenir compte pour l'application des §§ 2 et 3, il y a lieu de prendre en considération les mois d'affiliation en qualité de titulaire, dans chacune des mutualités dans cette période, à tous les services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990, organisés pour les membres de ces mutualités;
2° cette personne doit, [1 si elle ne se trouve pas dans une situation visée à l'article 5, § 2, alinéa 2,]1 pour pouvoir bénéficier de l'avantage d'un service en question, avoir été en ordre de cotisations, pour tous les services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 qui étaient organisés pour les membres de ces différentes mutualités et ce, pour tous les mois durant lesquels elle était affiliée auprès de ces services en qualité de titulaire;
3° si elle satisfait à la condition visée sous 2°, elle est présumée, jusqu'à la preuve du contraire, pour l'application du présent arrêté, être en ordre de cotisations pour les services concernés, pour les trois mois qui suivent immédiatement ladite période.
§ 6. Les règles visées au § 1er, 2°, et aux §§ 2, 3 et 4, sont également applicables lorsqu'au cours de la période de 23 ou 24 mois qui y est visée, la personne [1 qui ne se trouve pas dans une situation visée à l'article 5, § 2, alinéa 2,]1 n'a, pendant un ou plusieurs mois, pas été affiliée auprès d'une mutualité belge ou auprès d'une société mutualiste belge en ce qui concerne des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990.
Dans ce cas:
* la période d'interruption de l'affiliation est, pour l'application du présent arrêté, assimilée à une période pour laquelle la personne était en ordre de cotisations lorsque celle-ci était en ordre de cotisations pour tous les services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 organisés pour les membres de sa mutualité, pour tous les mois au cours desquels elle était affiliée en tant que titulaire auprès d'une mutualité belge durant les 23 mois susvisés;
* cette personne est présumée, jusqu'à la preuve du contraire, pour l'application du présent arrêté, être en ordre de cotisations pour les services concernés, pour les trois mois qui suivent immédiatement ladite période.
1° est membre d'une mutualité affiliée au sens de l'article 2bis, §§ 1er ou 2, de l'arrêté royal du 7 mars 1991 et qui, dans le respect des dispositions légales, réglementaires et statutaires applicables, est affiliée auprès de cette société mutualiste pour l'ensemble des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990, que cette société mutualiste organise au bénéfice des personnes affiliées auprès de cette mutualité ;
2° peut, dans la mesure des moyens disponibles, bénéficier d'un avantage de ces services et de tels services organisés par la mutualité visée au 1° ou par l'union nationale auprès de laquelle ladite mutualité est affiliée et ce, étant donné qu'elle est en ordre de cotisations pour la période de 23 mois qui précède le mois au cours duquel l'événement qui, en vertu des statuts, peut donner lieu à l'octroi de l'avantage s'est produit et pour le mois de la survenance de cet événement.
§ 2. Dans le calcul de la période de 23 mois visée au § 1er, 2°, les cotisations que le titulaire est légalement empêché de payer en raison d'un règlement collectif de dettes ou d'une faillite sont considérées comme payées.
[1 Sont également considérées comme payées, les cotisations que le titulaire est légalement empêché de payer, en raison d'un règlement collectif de dettes ou d'une faillite, durant la période qui s'étend du 1er jour du mois qui suit celui au cours duquel la période subséquente visée, selon le cas, à l'article 5, § 2, alinéa 1er, ou à l'article 5, § 2, alinéa 2, prend fin jusqu'à la fin du mois qui précède celui au cours duquel se produit l'événement qui, en vertu des statuts, peut donner lieu à l'octroi d'un avantage d'un service visé à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi précitée du 6 août 1990.]1
§ 3. La personne qui était à charge d'un titulaire qui n'était pas en ordre de cotisations pour la période de 23 mois qui précède le mois au cours duquel l'événement qui, en vertu des statuts, peut donner lieu à l'octroi de l'avantage s'est produit et qui, depuis qu'elle est, durant la période précitée, devenue elle-même pour la première fois titulaire, est en ordre de cotisations pour lesdits services est présumée, pour l'application du présent arrêté, jusqu'à la preuve du contraire, être en ordre de cotisations pour les services concernés, pour la période précitée de 23 mois et pour les trois mois qui suivent immédiatement ladite période. Il en va a fortiori de même lorsque la personne était à charge d'un titulaire qui était en ordre de cotisations pour la période précitée.
§ 4. La personne, visée par le présent article, qui est en ordre de cotisations depuis plus de 24 mois [1 ou, pour les personnes visées à l'article 5, § 2, alinéa 2, depuis plus de mois que le nombre de mois que comprend la période subséquente,]1 est présumée, pour l'application du présent arrêté, jusqu'à la preuve du contraire, être en ordre de cotisations pour les services concernés, pour les trois mois qui suivent immédiatement ladite période.
§ 5. Les règles visées au § 1er, 2°, et aux §§ 2, 3 et 4, sont également applicables lorsqu'au cours de la période de 23 ou 24 mois qui y est visée, la personne a été affiliée en qualité de titulaire auprès de différentes mutualités belges ou différentes sociétés mutualistes susvisées en ce qui concerne des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990.
Dans ce cas:
1° pour le calcul de la période de 23 mois dont il faut tenir compte pour l'application des §§ 2 et 3, il y a lieu de prendre en considération les mois d'affiliation en qualité de titulaire, dans chacune des mutualités dans cette période, à tous les services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990, organisés pour les membres de ces mutualités;
2° cette personne doit, [1 si elle ne se trouve pas dans une situation visée à l'article 5, § 2, alinéa 2,]1 pour pouvoir bénéficier de l'avantage d'un service en question, avoir été en ordre de cotisations, pour tous les services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 qui étaient organisés pour les membres de ces différentes mutualités et ce, pour tous les mois durant lesquels elle était affiliée auprès de ces services en qualité de titulaire;
3° si elle satisfait à la condition visée sous 2°, elle est présumée, jusqu'à la preuve du contraire, pour l'application du présent arrêté, être en ordre de cotisations pour les services concernés, pour les trois mois qui suivent immédiatement ladite période.
§ 6. Les règles visées au § 1er, 2°, et aux §§ 2, 3 et 4, sont également applicables lorsqu'au cours de la période de 23 ou 24 mois qui y est visée, la personne [1 qui ne se trouve pas dans une situation visée à l'article 5, § 2, alinéa 2,]1 n'a, pendant un ou plusieurs mois, pas été affiliée auprès d'une mutualité belge ou auprès d'une société mutualiste belge en ce qui concerne des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990.
Dans ce cas:
* la période d'interruption de l'affiliation est, pour l'application du présent arrêté, assimilée à une période pour laquelle la personne était en ordre de cotisations lorsque celle-ci était en ordre de cotisations pour tous les services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 organisés pour les membres de sa mutualité, pour tous les mois au cours desquels elle était affiliée en tant que titulaire auprès d'une mutualité belge durant les 23 mois susvisés;
* cette personne est présumée, jusqu'à la preuve du contraire, pour l'application du présent arrêté, être en ordre de cotisations pour les services concernés, pour les trois mois qui suivent immédiatement ladite période.
Modifications
Art. 4. § 1. Onder "lid van een maatschappij van onderlinge bijstand van wie de mogelijkheid om een voordeel van de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990 te genieten, is geschorst", moet verstaan worden de persoon die lid is van een aangesloten ziekenfonds in de zin van artikel 2ter, van het koninklijk besluit van 7 maart 1991 en die niet in regel is met de bijdragen voor dergelijke diensten voor een periode die niet verder teruggaat dan de 23e maand die voorafgaat aan de maand waarin de gebeurtenis die krachtens de statuten aanleiding kan geven tot uitkering van het voordeel plaatsgevonden heeft.
§ 2. Deze persoon zal, onverminderd de toepassing van artikel 48bis van de wet van 6 augustus 1990, slechts kunnen beschouwd worden als "lid van een maatschappij van onderlinge bijstand" in de zin van artikel 2, eerste lid, 1°, na betaling van alle verschuldigde bijdragen voor de betreffende periode en voor de maand waarin de gebeurtenis die krachtens de statuten aanleiding kan geven tot uitkering van het voordeel plaatsgevonden heeft. Wanneer de persoon ten laste van een gerechtigde van wie de mogelijkheid om een voordeel te genieten van de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990, is geschorst, zelf gerechtigde wordt voor de eerste keer, wordt deze persoon op het ogenblik van de inwerkingtreding van zijn aansluiting als gerechtigde, beschouwd als een lid bedoeld door artikel 2, eerste lid, 1°.
In afwijking van het vorige lid, worden de maanden van de voornoemde periode tijdens dewelke een gerechtigde van wie de mogelijkheid om een voordeel te genieten van de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990, is geschorst de hoedanigheid van gerechtigde verliest en persoon ten laste van een gerechtigde wordt, gelijkgeschakeld met maanden voor dewelke de bijdragen betaald werden.
§ 3. De regels bedoeld in § 2 zijn ook van toepassing wanneer de persoon in de loop van de erin bedoelde periode, in de hoedanigheid van gerechtigde aangesloten was bij verschillende Belgische ziekenfondsen of bij verschillende voornoemde maatschappijen van onderlinge bijstand wat betreft de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990.
In dat geval moet voor de berekening van de periode van 23 maanden waarmee rekening moet worden gehouden voor de toepassing van § 2, eerste lid, rekening gehouden worden met de maanden van aansluiting in de hoedanigheid van gerechtigde, in elk van de ziekenfondsen in deze periode, bij alle diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990 die voor de leden van deze ziekenfondsen worden georganiseerd.
§ 4. De regels bedoeld in § 2 zijn ook van toepassing wanneer de persoon in de loop van de erin bedoelde periode gedurende een of meerdere maanden niet aangesloten was bij een Belgisch ziekenfonds wat betreft de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990.
In dat geval wordt die onderbrekingsperiode van de aansluiting, voor de toepassing van dit besluit, gelijkgesteld met een periode waarvoor de persoon in regel was met de bijdragen wanneer deze persoon, die niet in regel was met de bijdragen voor die diensten voor maanden waarin hij gedurende die 23 maanden als gerechtigde was aangesloten bij een Belgisch ziekenfonds en een voornoemde maatschappij van onderlinge bijstand, de achterstallige bijdragen betaalt aan de entiteit of de entiteiten in kwestie ten laatste in de maand waarin de nieuwe aansluiting na de onderbrekingsperiode aanvangt.
§ 2. Deze persoon zal, onverminderd de toepassing van artikel 48bis van de wet van 6 augustus 1990, slechts kunnen beschouwd worden als "lid van een maatschappij van onderlinge bijstand" in de zin van artikel 2, eerste lid, 1°, na betaling van alle verschuldigde bijdragen voor de betreffende periode en voor de maand waarin de gebeurtenis die krachtens de statuten aanleiding kan geven tot uitkering van het voordeel plaatsgevonden heeft. Wanneer de persoon ten laste van een gerechtigde van wie de mogelijkheid om een voordeel te genieten van de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990, is geschorst, zelf gerechtigde wordt voor de eerste keer, wordt deze persoon op het ogenblik van de inwerkingtreding van zijn aansluiting als gerechtigde, beschouwd als een lid bedoeld door artikel 2, eerste lid, 1°.
In afwijking van het vorige lid, worden de maanden van de voornoemde periode tijdens dewelke een gerechtigde van wie de mogelijkheid om een voordeel te genieten van de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990, is geschorst de hoedanigheid van gerechtigde verliest en persoon ten laste van een gerechtigde wordt, gelijkgeschakeld met maanden voor dewelke de bijdragen betaald werden.
§ 3. De regels bedoeld in § 2 zijn ook van toepassing wanneer de persoon in de loop van de erin bedoelde periode, in de hoedanigheid van gerechtigde aangesloten was bij verschillende Belgische ziekenfondsen of bij verschillende voornoemde maatschappijen van onderlinge bijstand wat betreft de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990.
In dat geval moet voor de berekening van de periode van 23 maanden waarmee rekening moet worden gehouden voor de toepassing van § 2, eerste lid, rekening gehouden worden met de maanden van aansluiting in de hoedanigheid van gerechtigde, in elk van de ziekenfondsen in deze periode, bij alle diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990 die voor de leden van deze ziekenfondsen worden georganiseerd.
§ 4. De regels bedoeld in § 2 zijn ook van toepassing wanneer de persoon in de loop van de erin bedoelde periode gedurende een of meerdere maanden niet aangesloten was bij een Belgisch ziekenfonds wat betreft de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990.
In dat geval wordt die onderbrekingsperiode van de aansluiting, voor de toepassing van dit besluit, gelijkgesteld met een periode waarvoor de persoon in regel was met de bijdragen wanneer deze persoon, die niet in regel was met de bijdragen voor die diensten voor maanden waarin hij gedurende die 23 maanden als gerechtigde was aangesloten bij een Belgisch ziekenfonds en een voornoemde maatschappij van onderlinge bijstand, de achterstallige bijdragen betaalt aan de entiteit of de entiteiten in kwestie ten laatste in de maand waarin de nieuwe aansluiting na de onderbrekingsperiode aanvangt.
Art. 4. § 1er. Par " membre d'une société mutualiste dont la possibilité de bénéficier d'un avantage des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 est suspendue ", il faut entendre la personne qui est membre d'une mutualité affiliée au sens de l'article 2ter, de l'arrêté royal du 7 mars 1991 et qui n'est pas en ordre de cotisations, pour de tels services, pour une période qui ne remonte pas au-delà du 23ème mois qui précède le mois au cours duquel l'événement qui, en vertu des statuts, peut donner lieu à l'octroi de l'avantage s'est produit.
§ 2. Cette personne ne pourra, sans préjudice de l'application de l'article 48bis de la loi du 6 août 1990, être considérée comme un " membre d'une société mutualiste " au sens de l'article 2, alinéa 1er, 1°, qu'après paiement de l'entièreté des cotisations dues pour la période concernée et pour le mois au cours duquel l'événement qui, en vertu des statuts, peut donner lieu à l'octroi de l'avantage s'est produit. Lorsque la personne à charge d'un titulaire dont la possibilité de bénéficier d'un avantage des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 est suspendue devient elle-même titulaire pour la première fois, cette personne est, au moment de la prise de cours de son affiliation en tant que titulaire, considérée comme un membre visé à l'article 2, alinéa 1er, 1°.
Par dérogation à l'alinéa précédent, les mois de la période susvisée durant lesquels le titulaire dont la possibilité de bénéficier d'un avantage des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 est suspendue perd sa qualité de titulaire et devient personne à charge d'un titulaire, sont assimilés à des mois pour lesquels les cotisations ont été payées.
§ 3. Les règles visées au § 2 sont également applicables lorsqu'au cours de la période qui y est visée, la personne a été affiliée en qualité de titulaire auprès de différentes mutualités belges ou différentes sociétés mutualistes susvisées en ce qui concerne des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990.
Dans ce cas, pour le calcul de la période de 23 mois dont il faut tenir compte pour l'application du § 2, alinéa 1er, il y a lieu de prendre en considération les mois d'affiliation en qualité de titulaire, dans chacune des mutualités dans cette période, à tous les services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990, organisés pour les membres de ces mutualités.
§ 4. Les règles visées au § 2 sont également applicables lorsqu'au cours de la période qui y est visée, la personne n'a, pendant un ou plusieurs mois, pas été affiliée auprès d'une mutualité belge en ce qui concerne des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990.
Dans ce cas, cette période d'interruption de l'affiliation est, pour l'application du présent arrêté, assimilée à une période pour laquelle la personne était en ordre de cotisations si cette personne, qui n'était pas en ordre de cotisations pour lesdits services pour des mois au cours desquels elle était affiliée en tant que titulaire auprès d'une mutualité belge et d'une société mutualiste susvisée durant les 23 mois susvisés, effectue, au plus tard le mois durant lequel la nouvelle affiliation après la période d'interruption prend cours, le paiement de ces arrérages auprès de l'entité ou des entités concernées.
§ 2. Cette personne ne pourra, sans préjudice de l'application de l'article 48bis de la loi du 6 août 1990, être considérée comme un " membre d'une société mutualiste " au sens de l'article 2, alinéa 1er, 1°, qu'après paiement de l'entièreté des cotisations dues pour la période concernée et pour le mois au cours duquel l'événement qui, en vertu des statuts, peut donner lieu à l'octroi de l'avantage s'est produit. Lorsque la personne à charge d'un titulaire dont la possibilité de bénéficier d'un avantage des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 est suspendue devient elle-même titulaire pour la première fois, cette personne est, au moment de la prise de cours de son affiliation en tant que titulaire, considérée comme un membre visé à l'article 2, alinéa 1er, 1°.
Par dérogation à l'alinéa précédent, les mois de la période susvisée durant lesquels le titulaire dont la possibilité de bénéficier d'un avantage des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 est suspendue perd sa qualité de titulaire et devient personne à charge d'un titulaire, sont assimilés à des mois pour lesquels les cotisations ont été payées.
§ 3. Les règles visées au § 2 sont également applicables lorsqu'au cours de la période qui y est visée, la personne a été affiliée en qualité de titulaire auprès de différentes mutualités belges ou différentes sociétés mutualistes susvisées en ce qui concerne des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990.
Dans ce cas, pour le calcul de la période de 23 mois dont il faut tenir compte pour l'application du § 2, alinéa 1er, il y a lieu de prendre en considération les mois d'affiliation en qualité de titulaire, dans chacune des mutualités dans cette période, à tous les services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990, organisés pour les membres de ces mutualités.
§ 4. Les règles visées au § 2 sont également applicables lorsqu'au cours de la période qui y est visée, la personne n'a, pendant un ou plusieurs mois, pas été affiliée auprès d'une mutualité belge en ce qui concerne des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990.
Dans ce cas, cette période d'interruption de l'affiliation est, pour l'application du présent arrêté, assimilée à une période pour laquelle la personne était en ordre de cotisations si cette personne, qui n'était pas en ordre de cotisations pour lesdits services pour des mois au cours desquels elle était affiliée en tant que titulaire auprès d'une mutualité belge et d'une société mutualiste susvisée durant les 23 mois susvisés, effectue, au plus tard le mois durant lequel la nouvelle affiliation après la période d'interruption prend cours, le paiement de ces arrérages auprès de l'entité ou des entités concernées.
Art. 5. § 1. Onder "lid van een maatschappij van onderlinge bijstand waarvan de mogelijkheid om een voordeel van deze diensten te genieten, is opgeheven", moet verstaan worden de persoon die lid is van een aangesloten ziekenfonds in de zin van artikel 2quater, van het koninklijk besluit van 7 maart 1991 en die niet in regel is met de bijdragen voor de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990 voor een periode die 24 maanden overstijgt.
Voor de toepassing van het vorige lid, worden de maanden van de voornoemde periode tijdens dewelke deze persoon de hoedanigheid van gerechtigde verliest en persoon ten laste van een gerechtigde wordt, gelijkgeschakeld met maanden voor dewelke de bijdragen betaald werden.
§ 2. Deze persoon kan, onverminderd de toepassing van artikel 48bis van de wet van 6 augustus 1990, slechts beschouwd worden als "lid van een maatschappij van onderlinge bijstand dat een voordeel van de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990 kan genieten" in de zin van artikel 2, eerste lid, 1°, na een opeenvolgende periode van 24 maanden waarvoor de bijdragen moeten betaald worden zonder enig voordeel van deze diensten te kunnen genieten.
[1 In afwijking van het vorige lid, kan een persoon die zich in een behartenswaardige situatie bevindt, onverminderd de toepassing van artikel 48bis van de wet van 6 augustus 1990, beschouwd worden als lid van een maatschappij van onderlinge bijstand dat een voordeel van de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990 kan genieten in de zin van artikel 2, 1° :
1° na een opeenvolgende periode van 6 maanden waarvoor de bijdragen moeten betaald worden zonder enig voordeel van deze diensten te kunnen genieten, indien deze persoon zich in een behartenswaardige situatie bevindt:
- hetzij in de 6 maanden die deze opeenvolgende periode voorafgaan;
- hetzij in deze opeenvolgende periode;
2° na een opeenvolgende periode van 6 tot 23 maanden waarvoor de bijdragen werden betaald zonder enig voordeel van deze diensten te kunnen genieten, indien de behartenswaardige situatie zich na de 6de maand van deze opeenvolgende periode en voor het einde van de periode van 24 maanden bedoeld in het eerste lid voordoet. In dit geval loopt de opeenvolgende periode tot en met de maand die voorafgaat aan deze waarin de behartenswaardige situatie een aanvang genomen heeft zonder evenwel 24 maand te kunnen overschrijden.]1
[1 De opeenvolgende periode bedoeld, naargelang het geval, in het 1ste lid of in het 2de lid, wordt opgeschort:]1
1° gedurende de periode tijdens dewelke de gerechtigde, van wie de mogelijkheid om een voordeel van deze diensten te genieten, is opgeheven en dat begonnen is met de betaling van de bijdragen voor een daaropvolgende periode, door de wet verhinderd is te betalen omdat hij zich in een toestand van collectieve schuldregeling of van faillissement bevindt;
2° gedurende de periode tijdens dewelke gerechtigde, van wie de mogelijkheid om een voordeel van deze diensten te genieten, is opgeheven en die begonnen is met de betaling van de bijdragen voor een daaropvolgende periode, de hoedanigheid van gerechtigde heeft verloren en persoon ten laste is van een gerechtigde die niet in regel is met de betaling van de bijdragen voor de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990.
[1 Wanneer de gebeurtenis die krachtens de statuten aanleiding kan geven tot uitkering van een voordeel zich voordoet na de opeenvolgende periode bedoeld in het tweede lid, doch voor het einde van de 23ste maand die deze volgt waarin de opeenvolgende periode een aanvang heeft genomen, kan deze persoon, in afwijking van artikel 3, § 1, 2°, genieten van het voordeel wanneer hij in regel is met de bijdragen voor de periode die loopt vanaf de maand voor dewelke hij (opnieuw) begonnen is met de betaling van de bijdragen tot en met de maand tijdens dewelke deze gebeurtenis zich heeft voorgedaan.";
Door "persoon die zich in een behartenswaardige situatie bevindt", bedoeld in het tweede lid, moet worden verstaan, voor de toepassing van dit besluit, de persoon die zich in een situatie bevindt bedoeld in artikel 2quater, negende lid, van het koninklijk besluit van 7 maart 1991.]1
§ 3. De regels bedoeld in §§ 1, tweede lid, en 2, zijn ook van toepassing wanneer de persoon in de loop van de periode bedoeld in § 1, eerste lid, aangesloten was bij verschillende Belgische ziekenfondsen of bij verschillende voornoemde maatschappijen van onderlinge bijstand wat betreft de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990.
[1 Wanneer een persoon ononderbroken aangesloten is geweest in de hoedanigheid van gerechtigde bij verschillende Belgische ziekenfondsen in de opeenvolgende periode bedoeld, naargelang het geval, in artikel 5, § 2, eerste lid, of in artikel 5, § 2, tweede lid, waarin de bijdragen moeten worden betaald zonder enig voordeel te kunnen genieten van de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de voornoemde wet van 6 augustus 1990:
1° worden de maanden van de opeenvolgende periode geteld vanaf de eerste dag van de maand waarvoor de bijdragen voor die diensten van het ziekenfonds waarbij hij tijdens die periode eerst was aangesloten, betaald werden;
2° moet deze persoon, om een voordeel te kunnen genieten in het kader van een dienst bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de voornoemde wet van 6 augustus 1990, voor een gebeurtenis doe zich na deze opeenvolgende periode voordoet, in regel zijn met de bijdragen in elk ziekenfonds voor de maanden waarin hij erbij was aangesloten in de hoedanigheid van gerechtigde gedurende deze opeenvolgende periode.]1
§ 4. De regels bedoeld in §§ 1, tweede lid, en 2, zijn ook van toepassing wanneer de persoon in de loop van de periode bedoeld in § 1, eerste lid, gedurende een of meerdere maanden niet aangesloten was bij een Belgisch ziekenfonds wat betreft de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990.
Wanneer een persoon [1 die zich niet in een situatie bedoeld in § 2, tweede lid, bevindt]1 gedurende de 23 maanden die voorafgaan aan de maand waarin zich een gebeurtenis heeft voorgedaan die krachtens de statuten aanleiding kan geven tot de uitkering van het voordeel van een dienst bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990, gedurende een of meerdere maanden niet was aangesloten bij een Belgisch ziekenfonds en niet in regel was met de bijdragen voor de andere maanden van de periode van 23 maanden, wordt die onderbrekingsperiode van de aansluiting, voor de toepassing van dit besluit, gelijkgesteld met een periode waarvoor de persoon niet in regel was met de bijdragen.
[1 In geval van onderbreking van de aansluiting als gerechtigde bij een Belgisch ziekenfonds na het begin van de opeenvolgende periode, bedoeld, naargelang het geval, in § 2, eerste lid, of in § 2, tweede lid, schort de onderbrekingsperiode deze opeenvolgende periode op waarvoor de bijdragen betaald moeten worden zonder enig voordeel te kunnen genieten van de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de voornoemde wet van 6 augustus 1990. Die schorsing mag evenwel niet langer dan vijf jaar duren.]1
§ 5. Wanneer de persoon ten laste van een gerechtigde van wie de mogelijkheid om een voordeel te genieten van de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990, is opgeheven, zelf voor de eerste keer gerechtigde wordt, wordt deze persoon op het ogenblik van de inwerkingtreding van zijn aansluiting als gerechtigde, beschouwd als een lid bedoeld door artikel 2, eerste lid, 1°.
Voor de toepassing van het vorige lid, worden de maanden van de voornoemde periode tijdens dewelke deze persoon de hoedanigheid van gerechtigde verliest en persoon ten laste van een gerechtigde wordt, gelijkgeschakeld met maanden voor dewelke de bijdragen betaald werden.
§ 2. Deze persoon kan, onverminderd de toepassing van artikel 48bis van de wet van 6 augustus 1990, slechts beschouwd worden als "lid van een maatschappij van onderlinge bijstand dat een voordeel van de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990 kan genieten" in de zin van artikel 2, eerste lid, 1°, na een opeenvolgende periode van 24 maanden waarvoor de bijdragen moeten betaald worden zonder enig voordeel van deze diensten te kunnen genieten.
[1 In afwijking van het vorige lid, kan een persoon die zich in een behartenswaardige situatie bevindt, onverminderd de toepassing van artikel 48bis van de wet van 6 augustus 1990, beschouwd worden als lid van een maatschappij van onderlinge bijstand dat een voordeel van de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990 kan genieten in de zin van artikel 2, 1° :
1° na een opeenvolgende periode van 6 maanden waarvoor de bijdragen moeten betaald worden zonder enig voordeel van deze diensten te kunnen genieten, indien deze persoon zich in een behartenswaardige situatie bevindt:
- hetzij in de 6 maanden die deze opeenvolgende periode voorafgaan;
- hetzij in deze opeenvolgende periode;
2° na een opeenvolgende periode van 6 tot 23 maanden waarvoor de bijdragen werden betaald zonder enig voordeel van deze diensten te kunnen genieten, indien de behartenswaardige situatie zich na de 6de maand van deze opeenvolgende periode en voor het einde van de periode van 24 maanden bedoeld in het eerste lid voordoet. In dit geval loopt de opeenvolgende periode tot en met de maand die voorafgaat aan deze waarin de behartenswaardige situatie een aanvang genomen heeft zonder evenwel 24 maand te kunnen overschrijden.]1
[1 De opeenvolgende periode bedoeld, naargelang het geval, in het 1ste lid of in het 2de lid, wordt opgeschort:]1
1° gedurende de periode tijdens dewelke de gerechtigde, van wie de mogelijkheid om een voordeel van deze diensten te genieten, is opgeheven en dat begonnen is met de betaling van de bijdragen voor een daaropvolgende periode, door de wet verhinderd is te betalen omdat hij zich in een toestand van collectieve schuldregeling of van faillissement bevindt;
2° gedurende de periode tijdens dewelke gerechtigde, van wie de mogelijkheid om een voordeel van deze diensten te genieten, is opgeheven en die begonnen is met de betaling van de bijdragen voor een daaropvolgende periode, de hoedanigheid van gerechtigde heeft verloren en persoon ten laste is van een gerechtigde die niet in regel is met de betaling van de bijdragen voor de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990.
[1 Wanneer de gebeurtenis die krachtens de statuten aanleiding kan geven tot uitkering van een voordeel zich voordoet na de opeenvolgende periode bedoeld in het tweede lid, doch voor het einde van de 23ste maand die deze volgt waarin de opeenvolgende periode een aanvang heeft genomen, kan deze persoon, in afwijking van artikel 3, § 1, 2°, genieten van het voordeel wanneer hij in regel is met de bijdragen voor de periode die loopt vanaf de maand voor dewelke hij (opnieuw) begonnen is met de betaling van de bijdragen tot en met de maand tijdens dewelke deze gebeurtenis zich heeft voorgedaan.";
Door "persoon die zich in een behartenswaardige situatie bevindt", bedoeld in het tweede lid, moet worden verstaan, voor de toepassing van dit besluit, de persoon die zich in een situatie bevindt bedoeld in artikel 2quater, negende lid, van het koninklijk besluit van 7 maart 1991.]1
§ 3. De regels bedoeld in §§ 1, tweede lid, en 2, zijn ook van toepassing wanneer de persoon in de loop van de periode bedoeld in § 1, eerste lid, aangesloten was bij verschillende Belgische ziekenfondsen of bij verschillende voornoemde maatschappijen van onderlinge bijstand wat betreft de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990.
[1 Wanneer een persoon ononderbroken aangesloten is geweest in de hoedanigheid van gerechtigde bij verschillende Belgische ziekenfondsen in de opeenvolgende periode bedoeld, naargelang het geval, in artikel 5, § 2, eerste lid, of in artikel 5, § 2, tweede lid, waarin de bijdragen moeten worden betaald zonder enig voordeel te kunnen genieten van de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de voornoemde wet van 6 augustus 1990:
1° worden de maanden van de opeenvolgende periode geteld vanaf de eerste dag van de maand waarvoor de bijdragen voor die diensten van het ziekenfonds waarbij hij tijdens die periode eerst was aangesloten, betaald werden;
2° moet deze persoon, om een voordeel te kunnen genieten in het kader van een dienst bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de voornoemde wet van 6 augustus 1990, voor een gebeurtenis doe zich na deze opeenvolgende periode voordoet, in regel zijn met de bijdragen in elk ziekenfonds voor de maanden waarin hij erbij was aangesloten in de hoedanigheid van gerechtigde gedurende deze opeenvolgende periode.]1
§ 4. De regels bedoeld in §§ 1, tweede lid, en 2, zijn ook van toepassing wanneer de persoon in de loop van de periode bedoeld in § 1, eerste lid, gedurende een of meerdere maanden niet aangesloten was bij een Belgisch ziekenfonds wat betreft de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990.
Wanneer een persoon [1 die zich niet in een situatie bedoeld in § 2, tweede lid, bevindt]1 gedurende de 23 maanden die voorafgaan aan de maand waarin zich een gebeurtenis heeft voorgedaan die krachtens de statuten aanleiding kan geven tot de uitkering van het voordeel van een dienst bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990, gedurende een of meerdere maanden niet was aangesloten bij een Belgisch ziekenfonds en niet in regel was met de bijdragen voor de andere maanden van de periode van 23 maanden, wordt die onderbrekingsperiode van de aansluiting, voor de toepassing van dit besluit, gelijkgesteld met een periode waarvoor de persoon niet in regel was met de bijdragen.
[1 In geval van onderbreking van de aansluiting als gerechtigde bij een Belgisch ziekenfonds na het begin van de opeenvolgende periode, bedoeld, naargelang het geval, in § 2, eerste lid, of in § 2, tweede lid, schort de onderbrekingsperiode deze opeenvolgende periode op waarvoor de bijdragen betaald moeten worden zonder enig voordeel te kunnen genieten van de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de voornoemde wet van 6 augustus 1990. Die schorsing mag evenwel niet langer dan vijf jaar duren.]1
§ 5. Wanneer de persoon ten laste van een gerechtigde van wie de mogelijkheid om een voordeel te genieten van de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990, is opgeheven, zelf voor de eerste keer gerechtigde wordt, wordt deze persoon op het ogenblik van de inwerkingtreding van zijn aansluiting als gerechtigde, beschouwd als een lid bedoeld door artikel 2, eerste lid, 1°.
Modifications
Art. 5. § 1er. Par " membre d'une société mutualiste dont la possibilité de bénéficier des avantages des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 est supprimée ", il faut entendre la personne qui est membre d'une mutualité affiliée au sens de l'article 2quater, de l'arrêté royal du 7 mars 1991 et qui n'est pas en ordre de cotisations, pour les services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990, pour une période qui dépasse 24 mois.
Pour l'application de l'alinéa précédent, les mois de la période susvisée durant lesquels ladite personne perd sa qualité de titulaire et devient personne à charge d'un titulaire sont assimilés à des mois pour lesquels les cotisations ont été payées.
§ 2. Cette personne ne pourra, sans préjudice de l'application de l'article 48bis de la loi du 6 août 1990, être considérée comme " membre d'une société mutualiste qui peut bénéficier d'un avantage des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 " au sens de l'article 2, alinéa 1er, 1°, qu'après une période subséquente de 24 mois pour laquelle les cotisations doivent être payées sans pouvoir bénéficier d'un quelconque avantage de ces services.
[1 Par dérogation à l'alinéa précédent, une personne qui se trouve dans une situation digne d'intérêt peut, sans préjudice de l'application de l'article 48bis de la loi du 6 août 1990, être considérée comme un membre d'une société mutualiste qui peut bénéficier d'un avantage des services visées à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 au sens de l'article 2, 1° :
1° après une période subséquente de 6 mois pour laquelle les cotisations doivent être payées sans pouvoir bénéficier d'un quelconque avantage de ces services, si cette personne se trouve dans cette situation digne d'intérêt:
- soit dans les 6 mois qui précèdent cette période subséquente ;
- soit pendant cette période subséquente;
2° après une période subséquente de 6 à 23 mois, pour laquelle les cotisations ont été payées sans pouvoir bénéficier d'un quelconque avantage de ces services, lorsque la situation digne d'intérêt survient après le 6e mois de cette période subséquente et avant la fin de la période de 24 mois visée à l'alinéa 1er. Dans ce cas, la durée de la période subséquente s'étend jusqu'au mois inclus qui précède celui au cours duquel la situation digne d'intérêt a débuté sans que cela puisse dépasser 24 mois.]1
[1 La période subséquente visée, selon le cas, à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2, est suspendue :]1
1° pendant la période durant laquelle le titulaire, dont la possibilité de bénéficier d'un avantage de ces services est supprimée et qui a entamé le paiement des cotisations pour une période subséquente, est légalement empêché de payer en raison d'un règlement collectif de dettes ou d'une faillite ;
2° pendant la période durant laquelle le titulaire, dont la possibilité de bénéficier d'un avantage de ces services est supprimée et qui a entamé le paiement des cotisations pour une période subséquente, a perdu la qualité de titulaire et a la qualité de personne à charge d'un titulaire qui n'est pas en ordre de paiement des cotisations pour les services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990.
[1 Lorsque l'événement qui, en vertu des statuts, peut donner lieu à l'octroi d'un avantage se produit après la période subséquente visée à l'alinéa 2, mais avant la fin du 23e mois qui suit celui au cours duquel cette période subséquente a débuté, cette personne peut, par dérogation à l'article 3, § 1er, 2°, bénéficier de l'avantage lorsqu'elle est en ordre de cotisations pour la période qui s'étend du mois pour lequel elle a (re)commencé à payer les cotisations jusqu'au mois inclus durant lequel cet événement s'est produit.";
Par "personne qui se trouve dans une situation digne d'intérêt", visée à l'alinéa 2, il faut entendre, pour l'application du présent arrêté, une personne qui se trouve dans une situation visée à l'article 2quater, alinéa 9, de l'arrêté royal du 7 mars 1991.]1
§ 3. Les règles visées aux §§ 1er, alinéa 2, et 2, sont également applicables lorsqu'au cours de la période visée au § 1er, alinéa 1er, la personne a été affiliée auprès de différentes mutualités belges ou différentes sociétés mutualistes susvisées en ce qui concerne des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990.
[1 Lorsqu'une personne a été, durant la période subséquente visée, selon le cas, à l'article 5, § 2, alinéa 1er, ou à l'article 5, § 2, alinéa 2, durant lesquels des cotisations doivent être payées sans pouvoir bénéficier d'un quelconque avantage des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi précitée du 6 août 1990, affiliée sans interruption auprès de différentes mutualités belges en qualité de titulaire:
1° les mois de la période subséquente se comptent à partir du 1er jour du mois pour lequel les cotisations pour lesdits services de la mutualité auprès de laquelle elle était affiliée en premier lieu durant cette période ont été payées;
2° cette personne doit, pour pouvoir bénéficier d'un avantage dans le cadre d'un service visé à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi précitée du 6 août 1990 pour un événement qui se produit après la fin de cette période subséquente, avoir été en ordre de cotisations, dans chacune des mutualités, pour les mois durant lesquels elle y était affiliée en qualité de titulaire durant cette période subséquente.]1
§ 4. Les règles visées aux §§ 1er, alinéa 2, et 2, sont également applicables lorsqu'au cours de la période visée au § 1er, alinéa 1er, la personne n'a, pendant un ou plusieurs mois, pas été affiliée auprès d'une mutualité belge en ce qui concerne des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990.
Lorsqu'une personne [1 qui ne se trouve pas dans une situation visée au § 2, alinéa 2,]1 n'a, durant les 23 mois qui précèdent le mois au cours duquel l'événement qui, en vertu des statuts, peut donner lieu à l'octroi de l'avantage dans le cadre d'un service visé à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 s'est produit, pas été affiliée auprès d'une mutualité belge pendant une période d'un ou de plusieurs mois et qu'elle n'était pas en ordre de cotisations pour les autres mois de la période de 23 mois, la période d'interruption de l'affiliation est, pour l'application du présent arrêté, assimilée à une période pour laquelle la personne n'était pas en ordre de cotisations.
[1 En cas d'interruption de l'affiliation auprès d'une mutualité belge en tant que titulaire après le début de la période subséquente, visée, selon le cas, au § 2, alinéa 1er, ou au § 2, alinéa 2, la période d'interruption suspend ladite période subséquente pour laquelle les cotisations doivent être payées sans pouvoir bénéficier d'un quelconque avantage des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi précitée du 6 août 1990. Cette suspension ne peut toutefois pas dépasser cinq ans.]1
§ 5. Lorsque la personne à charge d'un titulaire dont la possibilité de bénéficier d'un avantage des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 est supprimée devient elle-même titulaire pour la première fois, cette personne est, au moment de la prise de cours de son affiliation en tant que titulaire, considérée comme un membre visé à l'article 2, alinéa 1er,1°.
Pour l'application de l'alinéa précédent, les mois de la période susvisée durant lesquels ladite personne perd sa qualité de titulaire et devient personne à charge d'un titulaire sont assimilés à des mois pour lesquels les cotisations ont été payées.
§ 2. Cette personne ne pourra, sans préjudice de l'application de l'article 48bis de la loi du 6 août 1990, être considérée comme " membre d'une société mutualiste qui peut bénéficier d'un avantage des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 " au sens de l'article 2, alinéa 1er, 1°, qu'après une période subséquente de 24 mois pour laquelle les cotisations doivent être payées sans pouvoir bénéficier d'un quelconque avantage de ces services.
[1 Par dérogation à l'alinéa précédent, une personne qui se trouve dans une situation digne d'intérêt peut, sans préjudice de l'application de l'article 48bis de la loi du 6 août 1990, être considérée comme un membre d'une société mutualiste qui peut bénéficier d'un avantage des services visées à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 au sens de l'article 2, 1° :
1° après une période subséquente de 6 mois pour laquelle les cotisations doivent être payées sans pouvoir bénéficier d'un quelconque avantage de ces services, si cette personne se trouve dans cette situation digne d'intérêt:
- soit dans les 6 mois qui précèdent cette période subséquente ;
- soit pendant cette période subséquente;
2° après une période subséquente de 6 à 23 mois, pour laquelle les cotisations ont été payées sans pouvoir bénéficier d'un quelconque avantage de ces services, lorsque la situation digne d'intérêt survient après le 6e mois de cette période subséquente et avant la fin de la période de 24 mois visée à l'alinéa 1er. Dans ce cas, la durée de la période subséquente s'étend jusqu'au mois inclus qui précède celui au cours duquel la situation digne d'intérêt a débuté sans que cela puisse dépasser 24 mois.]1
[1 La période subséquente visée, selon le cas, à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2, est suspendue :]1
1° pendant la période durant laquelle le titulaire, dont la possibilité de bénéficier d'un avantage de ces services est supprimée et qui a entamé le paiement des cotisations pour une période subséquente, est légalement empêché de payer en raison d'un règlement collectif de dettes ou d'une faillite ;
2° pendant la période durant laquelle le titulaire, dont la possibilité de bénéficier d'un avantage de ces services est supprimée et qui a entamé le paiement des cotisations pour une période subséquente, a perdu la qualité de titulaire et a la qualité de personne à charge d'un titulaire qui n'est pas en ordre de paiement des cotisations pour les services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990.
[1 Lorsque l'événement qui, en vertu des statuts, peut donner lieu à l'octroi d'un avantage se produit après la période subséquente visée à l'alinéa 2, mais avant la fin du 23e mois qui suit celui au cours duquel cette période subséquente a débuté, cette personne peut, par dérogation à l'article 3, § 1er, 2°, bénéficier de l'avantage lorsqu'elle est en ordre de cotisations pour la période qui s'étend du mois pour lequel elle a (re)commencé à payer les cotisations jusqu'au mois inclus durant lequel cet événement s'est produit.";
Par "personne qui se trouve dans une situation digne d'intérêt", visée à l'alinéa 2, il faut entendre, pour l'application du présent arrêté, une personne qui se trouve dans une situation visée à l'article 2quater, alinéa 9, de l'arrêté royal du 7 mars 1991.]1
§ 3. Les règles visées aux §§ 1er, alinéa 2, et 2, sont également applicables lorsqu'au cours de la période visée au § 1er, alinéa 1er, la personne a été affiliée auprès de différentes mutualités belges ou différentes sociétés mutualistes susvisées en ce qui concerne des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990.
[1 Lorsqu'une personne a été, durant la période subséquente visée, selon le cas, à l'article 5, § 2, alinéa 1er, ou à l'article 5, § 2, alinéa 2, durant lesquels des cotisations doivent être payées sans pouvoir bénéficier d'un quelconque avantage des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi précitée du 6 août 1990, affiliée sans interruption auprès de différentes mutualités belges en qualité de titulaire:
1° les mois de la période subséquente se comptent à partir du 1er jour du mois pour lequel les cotisations pour lesdits services de la mutualité auprès de laquelle elle était affiliée en premier lieu durant cette période ont été payées;
2° cette personne doit, pour pouvoir bénéficier d'un avantage dans le cadre d'un service visé à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi précitée du 6 août 1990 pour un événement qui se produit après la fin de cette période subséquente, avoir été en ordre de cotisations, dans chacune des mutualités, pour les mois durant lesquels elle y était affiliée en qualité de titulaire durant cette période subséquente.]1
§ 4. Les règles visées aux §§ 1er, alinéa 2, et 2, sont également applicables lorsqu'au cours de la période visée au § 1er, alinéa 1er, la personne n'a, pendant un ou plusieurs mois, pas été affiliée auprès d'une mutualité belge en ce qui concerne des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990.
Lorsqu'une personne [1 qui ne se trouve pas dans une situation visée au § 2, alinéa 2,]1 n'a, durant les 23 mois qui précèdent le mois au cours duquel l'événement qui, en vertu des statuts, peut donner lieu à l'octroi de l'avantage dans le cadre d'un service visé à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 s'est produit, pas été affiliée auprès d'une mutualité belge pendant une période d'un ou de plusieurs mois et qu'elle n'était pas en ordre de cotisations pour les autres mois de la période de 23 mois, la période d'interruption de l'affiliation est, pour l'application du présent arrêté, assimilée à une période pour laquelle la personne n'était pas en ordre de cotisations.
[1 En cas d'interruption de l'affiliation auprès d'une mutualité belge en tant que titulaire après le début de la période subséquente, visée, selon le cas, au § 2, alinéa 1er, ou au § 2, alinéa 2, la période d'interruption suspend ladite période subséquente pour laquelle les cotisations doivent être payées sans pouvoir bénéficier d'un quelconque avantage des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi précitée du 6 août 1990. Cette suspension ne peut toutefois pas dépasser cinq ans.]1
§ 5. Lorsque la personne à charge d'un titulaire dont la possibilité de bénéficier d'un avantage des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 est supprimée devient elle-même titulaire pour la première fois, cette personne est, au moment de la prise de cours de son affiliation en tant que titulaire, considérée comme un membre visé à l'article 2, alinéa 1er,1°.
Modifications
Art. 6. § 1. In afwijking van artikel 5 kan geen enkele persoon de hoedanigheid van lid van een maatschappij van onderlinge bijstand waarvan de mogelijkheid om te genieten van de voordelen van deze diensten opgeheven is zoals voorzien in artikel 5, vóór 1 januari 2022 verwerven.
In voorkomend geval behoudt de persoon tijdens de periode die loopt van de 25e maand van niet-betaling van de bijdragen tot 31 december 2021, de hoedanigheid van lid van een maatschappij van onderlinge bijstand waarvan de mogelijkheid om te genieten van een voordeel van de diensten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990 is geschorst, zoals bepaald in artikel 4.
De bijdragen die betrekking hebben op de periode bedoeld in het tweede lid, worden toegevoegd aan de bijdragen bedoeld in artikel 3, § 1°, 2°, en in artikel 4, § 2, eerste lid, onverminderd de uitzonderingen bedoeld in §§ 2, tweede lid, 3 en 4, van dit laatste artikel. Voor de toepassing van deze uitzonderingen ten aanzien van de personen bedoeld in dit artikel, moet in voorkomend geval ook de periode bedoeld in het tweede lid, in aanmerking genomen worden.
In afwijking van artikel 3, § 1, 2°, moet men derhalve, om te kunnen genieten van een voordeel van de betrokken diensten voor een gebeurtenis die zich voordoet in 2021, in regel zijn met de bijdragen voor de periode van 1 januari 2019 tot en met de maand tijdens dewelke deze gebeurtenis zich heeft voorgedaan.
§ 2. De eerste paragraaf is van toepassing onverminderd artikel 48bis van de wet van 6 augustus 1990.
In voorkomend geval behoudt de persoon tijdens de periode die loopt van de 25e maand van niet-betaling van de bijdragen tot 31 december 2021, de hoedanigheid van lid van een maatschappij van onderlinge bijstand waarvan de mogelijkheid om te genieten van een voordeel van de diensten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), van de wet van 6 augustus 1990 is geschorst, zoals bepaald in artikel 4.
De bijdragen die betrekking hebben op de periode bedoeld in het tweede lid, worden toegevoegd aan de bijdragen bedoeld in artikel 3, § 1°, 2°, en in artikel 4, § 2, eerste lid, onverminderd de uitzonderingen bedoeld in §§ 2, tweede lid, 3 en 4, van dit laatste artikel. Voor de toepassing van deze uitzonderingen ten aanzien van de personen bedoeld in dit artikel, moet in voorkomend geval ook de periode bedoeld in het tweede lid, in aanmerking genomen worden.
In afwijking van artikel 3, § 1, 2°, moet men derhalve, om te kunnen genieten van een voordeel van de betrokken diensten voor een gebeurtenis die zich voordoet in 2021, in regel zijn met de bijdragen voor de periode van 1 januari 2019 tot en met de maand tijdens dewelke deze gebeurtenis zich heeft voorgedaan.
§ 2. De eerste paragraaf is van toepassing onverminderd artikel 48bis van de wet van 6 augustus 1990.
Art. 6. § 1er. Par dérogation à l'article 5, aucune personne ne peut obtenir la qualité de membre d'une société mutualiste dont la possibilité de bénéficier des avantages de ces services est supprimée, tel que prévue à l'article 5, avant le 1er janvier 2022.
Le cas échéant, pendant la période qui va du 25e mois de non-paiement des cotisations jusqu'au 31 décembre 2021, la personne conserve la qualité de membre d'une société mutualiste dont la possibilité de bénéficier d'un avantage des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 est suspendue, tel que définie à l'article 4.
Les cotisations afférentes à la période visée à l'alinéa 2 s'ajoutent aux cotisations visées à l'article 3, § 1er, 2°, et à l'article 4, § 2, alinéa 1er, sans préjudice des exceptions visés aux §§ 2, alinéas 2, 3 et 4, de ce dernier article. Pour l'application de ces exceptions aux personnes visées par le présent article, il faut, le cas échéant, également prendre en considération la période visée à l'alinéa 2.
Par dérogation à l'article 3, § 1er, 2°, il faut par conséquent, pour pouvoir bénéficier d'un avantage des services concernés pour un événement qui se produit en 2021, être en ordre de cotisations pour la période du 1er janvier 2019 au mois y compris durant lequel cet événement s'est produit.
§ 2. Le paragraphe 1er s'applique sans préjudice de l'article 48bis de la loi du 6 août 1990.
Le cas échéant, pendant la période qui va du 25e mois de non-paiement des cotisations jusqu'au 31 décembre 2021, la personne conserve la qualité de membre d'une société mutualiste dont la possibilité de bénéficier d'un avantage des services visés à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), de la loi du 6 août 1990 est suspendue, tel que définie à l'article 4.
Les cotisations afférentes à la période visée à l'alinéa 2 s'ajoutent aux cotisations visées à l'article 3, § 1er, 2°, et à l'article 4, § 2, alinéa 1er, sans préjudice des exceptions visés aux §§ 2, alinéas 2, 3 et 4, de ce dernier article. Pour l'application de ces exceptions aux personnes visées par le présent article, il faut, le cas échéant, également prendre en considération la période visée à l'alinéa 2.
Par dérogation à l'article 3, § 1er, 2°, il faut par conséquent, pour pouvoir bénéficier d'un avantage des services concernés pour un événement qui se produit en 2021, être en ordre de cotisations pour la période du 1er janvier 2019 au mois y compris durant lequel cet événement s'est produit.
§ 2. Le paragraphe 1er s'applique sans préjudice de l'article 48bis de la loi du 6 août 1990.
HOOFDSTUK III. - De bestuursorganen van een maatschappij van onderlinge bijstand
CHAPITRE III. - Les organes de gestion d'une société mutualiste
Afdeling 1. - Algemene vergadering van een maatschappij van onderlinge bijstand
Section 1re. - L'assemblée générale d'une société mutualiste
Onderafdeling 1. - Het aantal afgevaardigden van de aangesloten ziekenfondsen
Sous-section 1. - Le nombre de délégués des mutualités affiliées
Art. 7. De algemene vergadering van een maatschappij van onderlinge bijstand is samengesteld uit afgevaardigden van alle aangesloten ziekenfondsen, naar rata van één afgevaardigde per volle schijf van 10.000 leden die de hoedanigheid van `gerechtigde' hebben.
Elk aangesloten ziekenfonds is er vertegenwoordigd in verhouding tot het aantal aangesloten gerechtigden, die eveneens lid zijn van de maatschappij van onderlinge bijstand, op 30 juni van het jaar voorafgaand aan de verkiezing van de leden van de algemene vergadering van de maatschappij van onderlinge bijstand.
Wanneer een aangesloten ziekenfonds overgenomen zal worden door een ander aangesloten ziekenfonds in het kader van een fusie die in werking treedt op 1 januari van het jaar waarin de verkiezing van de algemene vergadering van het overnemende ziekenfonds zal plaatsvinden, worden de gerechtigden in het ziekenfonds dat overgenomen zal worden beschouwd als gerechtigden in het overnemende ziekenfonds op 30 juni van het voorafgaande jaar voor de bepaling van het aantal vertegenwoordigers binnen de algemene vergadering van de maatschappij van onderlinge bijstand waarbij het overnemende ziekenfonds is aangesloten.
De algemene vergadering van een maatschappij van onderlinge bijstand kan evenwel niet meer dan 140 afgevaardigden tellen.
Elk aangesloten ziekenfonds is er vertegenwoordigd in verhouding tot het aantal aangesloten gerechtigden, die eveneens lid zijn van de maatschappij van onderlinge bijstand, op 30 juni van het jaar voorafgaand aan de verkiezing van de leden van de algemene vergadering van de maatschappij van onderlinge bijstand.
Wanneer een aangesloten ziekenfonds overgenomen zal worden door een ander aangesloten ziekenfonds in het kader van een fusie die in werking treedt op 1 januari van het jaar waarin de verkiezing van de algemene vergadering van het overnemende ziekenfonds zal plaatsvinden, worden de gerechtigden in het ziekenfonds dat overgenomen zal worden beschouwd als gerechtigden in het overnemende ziekenfonds op 30 juni van het voorafgaande jaar voor de bepaling van het aantal vertegenwoordigers binnen de algemene vergadering van de maatschappij van onderlinge bijstand waarbij het overnemende ziekenfonds is aangesloten.
De algemene vergadering van een maatschappij van onderlinge bijstand kan evenwel niet meer dan 140 afgevaardigden tellen.
Art. 7. L'assemblée générale de la société mutualiste est composée de délégués de toutes les mutualités affiliées, à raison d'un délégué par tranche complète de 10.000 membres qui ont la qualité de "titulaire".
Chaque mutualité affiliée y est représentée proportionnellement au nombre de titulaires affiliés auprès d'elle, qui sont également membres de la société mutualiste, au 30 juin de l'année qui précède l'élection de l'assemblée générale de la société mutualiste.
Lorsqu'une mutualité affiliée va être absorbée par une autre mutualité affiliée dans le cadre d'une fusion qui entre en vigueur le 1er janvier de l'année durant laquelle l'élection de l'assemblée générale de la mutualité absorbante va avoir lieu, les titulaires dans la mutualité qui va être absorbée sont considérés comme étant titulaires dans la mutualité absorbante au 30 juin de l'année qui précède cette année, pour la détermination du nombre de représentants au sein de l'assemblée générale de la société mutualiste auprès de laquelle la mutualité absorbante est affiliée.
L'assemblée générale d'une société mutualiste ne peut toutefois pas compter plus de 140 délégués.
Chaque mutualité affiliée y est représentée proportionnellement au nombre de titulaires affiliés auprès d'elle, qui sont également membres de la société mutualiste, au 30 juin de l'année qui précède l'élection de l'assemblée générale de la société mutualiste.
Lorsqu'une mutualité affiliée va être absorbée par une autre mutualité affiliée dans le cadre d'une fusion qui entre en vigueur le 1er janvier de l'année durant laquelle l'élection de l'assemblée générale de la mutualité absorbante va avoir lieu, les titulaires dans la mutualité qui va être absorbée sont considérés comme étant titulaires dans la mutualité absorbante au 30 juin de l'année qui précède cette année, pour la détermination du nombre de représentants au sein de l'assemblée générale de la société mutualiste auprès de laquelle la mutualité absorbante est affiliée.
L'assemblée générale d'une société mutualiste ne peut toutefois pas compter plus de 140 délégués.
Onderafdeling 2. - De verkiesbaarheidsvoorwaarden
Sous-section 2. - Conditions d'éligibilité
Art. 8. Om verkozen te kunnen worden als afgevaardigde en om afgevaardigde te kunnen blijven in de algemene vergadering van een maatschappij van onderlinge bijstand:
1° moet men lid zijn van de maatschappij van onderlinge bijstand in de zin van artikel 2, eerste lid, 1°, of persoon ten laste zijn van een dergelijk lid;
2° moet men meerderjarig of ontvoogd zijn;
3° moet men voldoen aan de voorwaarde geen deel uit te maken van het personeel van de maatschappij van onderlinge bijstand of nooit ontslagen te zijn geweest als personeelslid van de maatschappij van onderlinge bijstand wegens ernstige tekortkoming of wegens een andere reden bedoeld door de statuten;
4° moet men voldoen aan de eventuele andere bijkomende voorwaarden die in de statuten opgenomen worden. Deze voorwaarden mogen evenwel niet van aard zijn dat ze qua verkiesbaarheid of onverenigbaarheid op een onwettelijke of buitensporige wijze het recht van een lid beperken om zich kandidaat te stellen of om verkozen te worden of discretionaire macht aan de voorzitter zouden verlenen voor wat betreft de aanvaarding van de kandidaturen.
Wanneer een aangesloten ziekenfonds overgenomen zal worden door een ander aangesloten ziekenfonds in het kader van een fusie die in werking treedt op 1 januari van het jaar waarin de verkiezing van de algemene vergadering van het overnemende ziekenfonds zal plaatsvinden, worden de personen aangesloten bij het ziekenfonds dat overgenomen zal worden beschouwd als personen aangesloten bij het overnemende ziekenfonds voor de toepassing van het eerste lid, 1°.
1° moet men lid zijn van de maatschappij van onderlinge bijstand in de zin van artikel 2, eerste lid, 1°, of persoon ten laste zijn van een dergelijk lid;
2° moet men meerderjarig of ontvoogd zijn;
3° moet men voldoen aan de voorwaarde geen deel uit te maken van het personeel van de maatschappij van onderlinge bijstand of nooit ontslagen te zijn geweest als personeelslid van de maatschappij van onderlinge bijstand wegens ernstige tekortkoming of wegens een andere reden bedoeld door de statuten;
4° moet men voldoen aan de eventuele andere bijkomende voorwaarden die in de statuten opgenomen worden. Deze voorwaarden mogen evenwel niet van aard zijn dat ze qua verkiesbaarheid of onverenigbaarheid op een onwettelijke of buitensporige wijze het recht van een lid beperken om zich kandidaat te stellen of om verkozen te worden of discretionaire macht aan de voorzitter zouden verlenen voor wat betreft de aanvaarding van de kandidaturen.
Wanneer een aangesloten ziekenfonds overgenomen zal worden door een ander aangesloten ziekenfonds in het kader van een fusie die in werking treedt op 1 januari van het jaar waarin de verkiezing van de algemene vergadering van het overnemende ziekenfonds zal plaatsvinden, worden de personen aangesloten bij het ziekenfonds dat overgenomen zal worden beschouwd als personen aangesloten bij het overnemende ziekenfonds voor de toepassing van het eerste lid, 1°.
Art. 8. Pour pouvoir être élu en qualité de délégué et rester délégué à l'assemblée générale d'une société mutualiste:
1° il faut être membre de la société mutualiste au sens de l'article 2, alinéa 1er, 1°, ou être personne à charge d'un tel membre ;
2° il faut être majeur ou émancipé;
3° il faut satisfaire à la condition de ne pas faire partie du personnel de la société mutualiste ou avoir été licencié en tant que membre du personnel de la société mutualiste pour un motif grave ou pour un autre motif visé par les statuts ;
4° il faut satisfaire aux éventuelles autres conditions supplémentaires qui sont reprises dans les statuts. Ces conditions ne peuvent toutefois pas être de nature à limiter de façon illégale ou excessive, en termes d'éligibilité ou d'incompatibilité, le droit d'un membre de se porter candidat ou d'être élu, ou à octroyer un pouvoir discrétionnaire au président pour l'acceptation des candidatures.
Lorsqu'une mutualité affiliée va être absorbée par une autre mutualité affiliée dans le cadre d'une fusion qui entre en vigueur le 1er janvier de l'année durant laquelle l'élection de l'assemblée générale de la mutualité absorbante va avoir lieu, les affiliés de la mutualité qui va être absorbée sont considérés comme étant affiliés de la mutualité absorbante pour l'application de l'alinéa 1er, 1°.
1° il faut être membre de la société mutualiste au sens de l'article 2, alinéa 1er, 1°, ou être personne à charge d'un tel membre ;
2° il faut être majeur ou émancipé;
3° il faut satisfaire à la condition de ne pas faire partie du personnel de la société mutualiste ou avoir été licencié en tant que membre du personnel de la société mutualiste pour un motif grave ou pour un autre motif visé par les statuts ;
4° il faut satisfaire aux éventuelles autres conditions supplémentaires qui sont reprises dans les statuts. Ces conditions ne peuvent toutefois pas être de nature à limiter de façon illégale ou excessive, en termes d'éligibilité ou d'incompatibilité, le droit d'un membre de se porter candidat ou d'être élu, ou à octroyer un pouvoir discrétionnaire au président pour l'acceptation des candidatures.
Lorsqu'une mutualité affiliée va être absorbée par une autre mutualité affiliée dans le cadre d'une fusion qui entre en vigueur le 1er janvier de l'année durant laquelle l'élection de l'assemblée générale de la mutualité absorbante va avoir lieu, les affiliés de la mutualité qui va être absorbée sont considérés comme étant affiliés de la mutualité absorbante pour l'application de l'alinéa 1er, 1°.
Onderafdeling 3. - De indiening van de kandidaturen
Sous-section 3. - L'introduction des candidatures
Art. 9. De algemene vergadering van de maatschappij van onderlinge bijstand is samengesteld uit personen die zetelen in de algemene vergadering van de aangesloten ziekenfondsen.
De vertegenwoordigers van de leden in de algemene vergadering van de aangesloten ziekenfondsen die verkozen willen worden tot afgevaardigde in de algemene vergadering van een maatschappij van onderlinge bijstand, moeten zich kandidaat stellen volgens de wijze voorzien door de statuten, uiterlijk vijftien dagen vóór de datum van de algemene vergadering van het ziekenfonds dat de stemming zal uitvoeren.
De vertegenwoordigers van de leden in de algemene vergadering van de aangesloten ziekenfondsen die verkozen willen worden tot afgevaardigde in de algemene vergadering van een maatschappij van onderlinge bijstand, moeten zich kandidaat stellen volgens de wijze voorzien door de statuten, uiterlijk vijftien dagen vóór de datum van de algemene vergadering van het ziekenfonds dat de stemming zal uitvoeren.
Art. 9. L'assemblée générale de la société mutualiste est composée de personnes qui siègent dans l'assemblée générale des mutualités affiliées.
Les représentants des membres à l'assemblée générale des mutualités affiliées qui souhaitent être élus délégués à l'assemblée générale d'une société mutualiste doivent poser leur candidature selon la procédure prévue dans les statuts au plus tard quinze jours avant la date de l'assemblée générale de la mutualité qui procédera à l'élection.
Les représentants des membres à l'assemblée générale des mutualités affiliées qui souhaitent être élus délégués à l'assemblée générale d'une société mutualiste doivent poser leur candidature selon la procédure prévue dans les statuts au plus tard quinze jours avant la date de l'assemblée générale de la mutualité qui procédera à l'élection.
Onderafdeling 4. - Voordracht en verkiezing van de afgevaardigden van de aangesloten ziekenfondsen
Sous-section 4. - Proposition et élection des délégués des mutualités affiliées
Art. 10. Onverminderd het recht van de leden van de algemene vergadering van een ziekenfonds om zich kandidaat te stellen voor een mandaat van afgevaardigde, hetzij spontaan hetzij ingevolge een eventuele oproep tot de kandidaten door het ziekenfonds, kan de raad van bestuur van een ziekenfonds kandidaten voorstellen aan de algemene vergadering.
Alle kandidaten worden op dezelfde verkiezingslijst opgenomen.
De afgevaardigden van de ziekenfondsen worden verkozen door de algemene vergadering van dat ziekenfonds.
Alle kandidaten worden op dezelfde verkiezingslijst opgenomen.
De afgevaardigden van de ziekenfondsen worden verkozen door de algemene vergadering van dat ziekenfonds.
Art. 10. Sans préjudice du droit des membres de l'assemblée générale d'une mutualité de se porter candidat à un mandat de délégué, soit de façon spontanée soit en réaction à un éventuel appel aux candidats émis par la mutualité, le conseil d'administration d'une mutualité peut présenter des candidats délégués à l'assemblée générale.
Tous les candidats sont repris sur la même liste électorale.
Les délégués sont élus par l'assemblée générale de chacune de ces mutualités.
Tous les candidats sont repris sur la même liste électorale.
Les délégués sont élus par l'assemblée générale de chacune de ces mutualités.
Onderafdeling 5. - De stemming
Sous-section 5. - Le vote
Art. 11. Er wordt overgegaan tot een stemming wanneer het aantal kandidaten binnen een aangesloten ziekenfonds groter is dan het aantal toe te kennen effectieve mandaten waarover dat ziekenfonds beschikt in toepassing van artikel 7.
De stemming is geheim.
De stemming kan elektronisch gebeuren ter plaatse of op afstand voor zover tegemoetgekomen wordt aan de door de Controledienst vastgestelde voorwaarden.
De kandidaten worden verkozen in volgorde van het aantal bekomen stemmen.
Bij gelijkheid van stemmen tussen meerdere kandidaten voor het laatste mandaat, wordt het mandaat toegekend volgens de in de statuten voorziene regeling.
Als het aantal kandidaten die aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldoen binnen een aangesloten ziekenfonds gelijk is aan of kleiner is dan het aantal effectieve mandaten waarover dat ziekenfonds beschikt in toepassing van artikel 7, worden die kandidaten automatisch verkozen.
De stemming is geheim.
De stemming kan elektronisch gebeuren ter plaatse of op afstand voor zover tegemoetgekomen wordt aan de door de Controledienst vastgestelde voorwaarden.
De kandidaten worden verkozen in volgorde van het aantal bekomen stemmen.
Bij gelijkheid van stemmen tussen meerdere kandidaten voor het laatste mandaat, wordt het mandaat toegekend volgens de in de statuten voorziene regeling.
Als het aantal kandidaten die aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldoen binnen een aangesloten ziekenfonds gelijk is aan of kleiner is dan het aantal effectieve mandaten waarover dat ziekenfonds beschikt in toepassing van artikel 7, worden die kandidaten automatisch verkozen.
Art. 11. Il est procédé à un vote si le nombre de candidats au sein d'une mutualité affiliée est supérieur au nombre de mandats effectifs dont dispose cette mutualité en application de l'article 7.
Le vote est secret.
Le vote peut avoir lieu par voie électronique sur place ou à distance, pour autant qu'il soit satisfait aux conditions fixées par l'Office de contrôle.
Les candidats sont élus dans l'ordre du nombre de voix obtenues.
En cas d'égalité de voix entre plusieurs candidats pour le dernier mandat à pourvoir, le mandat est attribué selon les règles prévues dans les statuts.
Si le nombre de candidats qui satisfont aux conditions d'éligibilité au sein d'une mutualité affiliée est égal ou inférieur au nombre de mandats effectifs dont dispose cette mutualité en application de l'article 7, ces candidats sont automatiquement élus.
Le vote est secret.
Le vote peut avoir lieu par voie électronique sur place ou à distance, pour autant qu'il soit satisfait aux conditions fixées par l'Office de contrôle.
Les candidats sont élus dans l'ordre du nombre de voix obtenues.
En cas d'égalité de voix entre plusieurs candidats pour le dernier mandat à pourvoir, le mandat est attribué selon les règles prévues dans les statuts.
Si le nombre de candidats qui satisfont aux conditions d'éligibilité au sein d'une mutualité affiliée est égal ou inférieur au nombre de mandats effectifs dont dispose cette mutualité en application de l'article 7, ces candidats sont automatiquement élus.
Art. 12. Indien het aantal mandaten, zoals vereist door artikel 7 niet of niet meer bereikt wordt en er geen plaatsvervangers zijn of geen plaatsvervangers meer zijn, wordt de algemene vergadering toch geacht rechtsgeldig te zijn samengesteld tot de volgende mutualistische verkiezingen.
De statuten van de maatschappij van onderlinge bijstand kunnen evenwel voorzien dat de ziekenfondsen in een dergelijk geval nieuwe afgevaardigden kunnen voordragen.
De statuten van de maatschappij van onderlinge bijstand kunnen evenwel voorzien dat de ziekenfondsen in een dergelijk geval nieuwe afgevaardigden kunnen voordragen.
Art. 12. Si le nombre de mandats tel que requis par l'article 7 n'est pas ou plus atteint et s'il n'y a pas ou plus de suppléants, l'assemblée générale est malgré tout considérée comme étant composée valablement jusqu'aux prochaines élections mutualistes.
Les statuts de la société mutualiste peuvent toutefois prévoir que les mutualités peuvent, dans un tel cas, présenter de nouveaux délégués.
Les statuts de la société mutualiste peuvent toutefois prévoir que les mutualités peuvent, dans un tel cas, présenter de nouveaux délégués.
Onderafdeling 6. - De verkiezing van plaatsvervangers
Sous-section 6. - L'élection de suppléants
Art. 13. Er kunnen plaatsvervangende afgevaardigden verkozen worden onder dezelfde voorwaarden als voor de effectieve afgevaardigden.
De statuten van de maatschappij van onderlinge bijstand bepalen, in voorkomend geval, de verkiezingsmodaliteiten voor de plaatsvervangende afgevaardigden, alsook onder welke voorwaarden zij effectieve afgevaardigden kunnen vervangen.
De statuten van de maatschappij van onderlinge bijstand bepalen, in voorkomend geval, de verkiezingsmodaliteiten voor de plaatsvervangende afgevaardigden, alsook onder welke voorwaarden zij effectieve afgevaardigden kunnen vervangen.
Art. 13. Des délégués suppléants peuvent être élus dans les mêmes conditions que les délégués effectifs.
Les statuts de la société mutualiste déterminent, le cas échéant, les modalités d'élection des délégués suppléants, ainsi que les conditions dans lesquelles ils peuvent remplacer des délégués effectifs.
Les statuts de la société mutualiste déterminent, le cas échéant, les modalités d'élection des délégués suppléants, ainsi que les conditions dans lesquelles ils peuvent remplacer des délégués effectifs.
Onderafdeling 7. - De andere personen die de algemene vergadering kunnen bijwonen
Sous-section 7. - Les autres personnes qui peuvent assister aux réunions de l'assemblée générale
Art. 14. De algemene vergadering van een maatschappij van onderlinge bijstand kan maximaal tien raadgevers aanduiden. Zij hebben raadgevende stem.
De personen die in een maatschappij van onderlinge bijstand hetzij belast zijn met de globale verantwoordelijkheid voor het dagelijks bestuur hetzij een andere leidinggevende functie of een directiefunctie uitoefenen, kunnen de algemene vergadering met raadgevende stem bijwonen.
De personen die in een maatschappij van onderlinge bijstand hetzij belast zijn met de globale verantwoordelijkheid voor het dagelijks bestuur hetzij een andere leidinggevende functie of een directiefunctie uitoefenen, kunnen de algemene vergadering met raadgevende stem bijwonen.
Art. 14. L'assemblée générale d'une société mutualiste peut désigner au maximum dix conseillers à l'assemblée générale. Ceux-ci ont voix consultative.
Les personnes qui, au sein de la société mutualiste, soit sont chargées de la responsabilité globale de la gestion journalière soit exercent une autre fonction dirigeante ou une fonction de direction, peuvent assister aux réunions de l'assemblée générale avec voix consultative.
Les personnes qui, au sein de la société mutualiste, soit sont chargées de la responsabilité globale de la gestion journalière soit exercent une autre fonction dirigeante ou une fonction de direction, peuvent assister aux réunions de l'assemblée générale avec voix consultative.
Art. 15. Bovendien kan de landsbond waarbij de maatschappij van onderlinge bijstand is aangesloten ook een persoon aanduiden om hem te vertegenwoordigen in de algemene vergadering van die maatschappij van onderlinge bijstand met raadgevende stem.
Art. 15. Par ailleurs, l'union nationale à laquelle la société mutualiste est affiliée peut également désigner une personne pour la représenter à l'assemblée générale de cette société mutualiste avec voix consultative.
Afdeling 2. - De raad van bestuur van een maatschappij van onderlinge bijstand
Section 2. - Le conseil d'administration d'une société mutualiste
Onderafdeling 1. - Het aantal bestuurders
Sous-section 1. - Le nombre d'administrateurs
Art. 16. De raad van bestuur van een maatschappij van onderlinge bijstand is samengesteld uit minimum tien bestuurders en maximum een aantal bestuurders dat de helft van het aantal leden van de algemene vergadering van deze maatschappij van onderlinge bijstand niet mag overtreffen.
De bestuurders bedoeld in het artikel 17 worden in het vorige lid niet meegeteld.
Ieder aangesloten ziekenfonds moet in de raad van bestuur vertegenwoordigd zijn door minstens een bestuurder en steeds in verhouding tot het aantal aangesloten gerechtigden, die ook lid zijn van die maatschappij van onderlinge bijstand, op 30 juni van het jaar voorafgaand aan de verkiezing van de leden van de algemene vergadering van de maatschappij van onderlinge bijstand. Wanneer een aangesloten ziekenfonds overgenomen zal worden door een ander aangesloten ziekenfonds in het kader van een fusie die in werking treedt op 1 januari van het jaar waarin de verkiezing van de algemene vergadering van de maatschappij van onderlinge bijstand zal plaatsvinden, worden de gerechtigden in het ziekenfonds dat overgenomen wordt beschouwd als gerechtigden in het overnemende ziekenfonds op 30 juni van het voorafgaande jaar voor de bepaling van het aantal vertegenwoordigers van dit ziekenfonds binnen de raad van bestuur van de maatschappij van onderlinge bijstand waarbij het overnemende ziekenfonds is aangesloten.
De raad van bestuur van een maatschappij van onderlinge bijstand kan eveneens bestuurders tellen die de aangesloten ziekenfondsen niet vertegenwoordigen [1 en die geen bestuurders zijn bedoeld in het artikel 17]1. Dit aantal bestuurders mag niet groter zijn dan 25 % van het totaal aantal bestuurders.
De bestuurders bedoeld in het artikel 17 worden in het vorige lid niet meegeteld.
Ieder aangesloten ziekenfonds moet in de raad van bestuur vertegenwoordigd zijn door minstens een bestuurder en steeds in verhouding tot het aantal aangesloten gerechtigden, die ook lid zijn van die maatschappij van onderlinge bijstand, op 30 juni van het jaar voorafgaand aan de verkiezing van de leden van de algemene vergadering van de maatschappij van onderlinge bijstand. Wanneer een aangesloten ziekenfonds overgenomen zal worden door een ander aangesloten ziekenfonds in het kader van een fusie die in werking treedt op 1 januari van het jaar waarin de verkiezing van de algemene vergadering van de maatschappij van onderlinge bijstand zal plaatsvinden, worden de gerechtigden in het ziekenfonds dat overgenomen wordt beschouwd als gerechtigden in het overnemende ziekenfonds op 30 juni van het voorafgaande jaar voor de bepaling van het aantal vertegenwoordigers van dit ziekenfonds binnen de raad van bestuur van de maatschappij van onderlinge bijstand waarbij het overnemende ziekenfonds is aangesloten.
De raad van bestuur van een maatschappij van onderlinge bijstand kan eveneens bestuurders tellen die de aangesloten ziekenfondsen niet vertegenwoordigen [1 en die geen bestuurders zijn bedoeld in het artikel 17]1. Dit aantal bestuurders mag niet groter zijn dan 25 % van het totaal aantal bestuurders.
Modifications
Art. 16. Le conseil d'administration d'une société mutualiste est composé d'au moins dix administrateurs et au plus d'un nombre d'administrateurs qui ne peut être supérieur à la moitié du nombre de représentants à l'assemblée générale de la société mutualiste.
Les administrateurs visés à l'article 17 ne sont pas comptabilisés à l'alinéa précédent.
Chaque mutualité affiliée doit être représentée au conseil d'administration par au moins un administrateur et toujours proportionnellement au nombre de titulaires y affiliés qui sont également membres de ladite société mutualiste, au 30 juin de l'année qui précède l'élection des membres de l'assemblée générale de la société mutualiste. Lorsqu'une mutualité affiliée va être absorbée par une autre mutualité affiliée dans le cadre d'une fusion qui entre en vigueur le 1er janvier de l'année durant laquelle l'élection de l'assemblée générale de la société mutualiste va avoir lieu, les titulaires dans la mutualité qui va être absorbée sont considérés comme étant titulaires dans la mutualité absorbante au 30 juin de l'année qui précède cette année, pour la détermination du nombre de représentants de cette mutualité au sein du conseil d'administration de la société mutualiste auprès de laquelle la mutualité absorbante est affiliée.
Le conseil d'administration d'une société mutualiste peut également compter des administrateurs qui ne représentent pas les mutualités affiliées [1 et qui ne sont pas des administrateurs visés à l'article 17]1. Le nombre de ces administrateurs ne peut pas être supérieur à 25 % du nombre total d'administrateurs.
Les administrateurs visés à l'article 17 ne sont pas comptabilisés à l'alinéa précédent.
Chaque mutualité affiliée doit être représentée au conseil d'administration par au moins un administrateur et toujours proportionnellement au nombre de titulaires y affiliés qui sont également membres de ladite société mutualiste, au 30 juin de l'année qui précède l'élection des membres de l'assemblée générale de la société mutualiste. Lorsqu'une mutualité affiliée va être absorbée par une autre mutualité affiliée dans le cadre d'une fusion qui entre en vigueur le 1er janvier de l'année durant laquelle l'élection de l'assemblée générale de la société mutualiste va avoir lieu, les titulaires dans la mutualité qui va être absorbée sont considérés comme étant titulaires dans la mutualité absorbante au 30 juin de l'année qui précède cette année, pour la détermination du nombre de représentants de cette mutualité au sein du conseil d'administration de la société mutualiste auprès de laquelle la mutualité absorbante est affiliée.
Le conseil d'administration d'une société mutualiste peut également compter des administrateurs qui ne représentent pas les mutualités affiliées [1 et qui ne sont pas des administrateurs visés à l'article 17]1. Le nombre de ces administrateurs ne peut pas être supérieur à 25 % du nombre total d'administrateurs.
Modifications
Onderafdeling 2. - Onafhankelijk bestuurder
Sous-section 2. - Administrateur indépendant
Art. 17. § 1. . De raad van bestuur van een maatschappij van onderlinge bijstand kan een of meerdere onafhankelijke bestuurders tellen.
§ 2. Onder "onafhankelijk bestuurder" in de zin van § 1, moet worden verstaan, een bestuurder die bevoegd is in het domein van de gezondheid en/of op financieel en/of actuarieel vlak en die aan de volgende voorwaarden voldoet:
1. geen personeelslid zijn van de maatschappij van onderlinge bijstand of van een ziekenfonds dat bij de maatschappij van onderlinge bijstand is aangesloten, of van de landsbond waarbij de maatschappij van onderlinge bijstand aangesloten is of van een maatschappij van onderlinge bijstand bedoeld in artikel 70, § 1, eerste lid, b), van de wet van 6 augustus 1990 die aangesloten is bij een aangesloten ziekenfonds, of van een verzekeringsmaatschappij van onderlinge bedoeld in artikel 43bis, § 5, of in artikel 70, § 6, van deze wet, waarbij een aangesloten ziekenfonds is aangesloten of waar een aangesloten ziekenfonds een afdeling van uitmaakt;
2. geen mandaat uitoefenen als lid van de algemene vergadering van de maatschappij van onderlinge bijstand of van een ziekenfonds dat bij de maatschappij van onderlinge bijstand is aangesloten, of van de landsbond waarbij de maatschappij van onderlinge bijstand aangesloten is of van een mutualistische entiteit bedoeld in artikel 70, § 1, eerste lid, b), van de wet van 6 augustus 1990 die aangesloten is bij een aangesloten ziekenfonds, of van een verzekeringsmaatschappij van onderlinge bedoeld in artikel 43bis, § 5, of in artikel 70, § 7, van deze wet, waarbij een aangesloten ziekenfonds is aangesloten of waar een aangesloten ziekenfonds een afdeling van uitmaakt;
3. geen mandaat uitoefenen als bestuurder van de landsbond waarbij de maatschappij van onderlinge bijstand aangesloten is, van een medisch-sociale instelling bedoeld in artikel 20, § 3, van de wet van 6 augustus 1990 of van een rechtspersoon of natuurlijke persoon waarmee een entiteit bedoeld onder 1° samenwerkt in toepassing van artikel 43 van deze wet;
4. geen mandaat uitoefenen als onafhankelijk bestuurder van de landsbond waarbij de maatschappij van onderlinge bijstand aangesloten is en geen mandaat uitoefenen van onafhankelijk bestuurder in de zin van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen uitoefenen in een verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand bedoeld in artikel 43bis, § 5, of in artikel 70, § 7, van de wet van 6 augustus 1990 waarbij een aangesloten ziekenfonds is aangesloten of waar een aangesloten ziekenfonds een afdeling van uitmaakt;
5. niet in een hieronder vermelde situatie van belangenconflict zijn:
a) een belangrijk voordeel van vermogensrechtelijke aard ontvangen hebben van een entiteit, een rechtspersoon of een natuurlijke persoon bedoeld onder 1° tot en met 4° ;
b) een significante zakelijke relatie, in de zin van artikel 15, 94°, van de wet van 13 maart 2016, hebben of hebben gehad met een entiteit, een rechtspersoon of een natuurlijke persoon bedoeld onder 1° tot en met 4° ;
c) echtgenoot, wettelijk samenwonende partner of bloed- of aanverwant tot de tweede graad zijn van een persoon die zich in een toestand bedoeld onder a) of b) bevindt.
§ 3. Om onafhankelijk bestuurder te blijven in een maatschappij van onderlinge bijstand moet men aan de voorwaarden bedoeld in § 2 blijven voldoen.
§ 4. Het mandaat van een onafhankelijk bestuurder kan hernieuwd worden naar aanleiding van de volgende mutualistische verkiezingen.
§ 2. Onder "onafhankelijk bestuurder" in de zin van § 1, moet worden verstaan, een bestuurder die bevoegd is in het domein van de gezondheid en/of op financieel en/of actuarieel vlak en die aan de volgende voorwaarden voldoet:
1. geen personeelslid zijn van de maatschappij van onderlinge bijstand of van een ziekenfonds dat bij de maatschappij van onderlinge bijstand is aangesloten, of van de landsbond waarbij de maatschappij van onderlinge bijstand aangesloten is of van een maatschappij van onderlinge bijstand bedoeld in artikel 70, § 1, eerste lid, b), van de wet van 6 augustus 1990 die aangesloten is bij een aangesloten ziekenfonds, of van een verzekeringsmaatschappij van onderlinge bedoeld in artikel 43bis, § 5, of in artikel 70, § 6, van deze wet, waarbij een aangesloten ziekenfonds is aangesloten of waar een aangesloten ziekenfonds een afdeling van uitmaakt;
2. geen mandaat uitoefenen als lid van de algemene vergadering van de maatschappij van onderlinge bijstand of van een ziekenfonds dat bij de maatschappij van onderlinge bijstand is aangesloten, of van de landsbond waarbij de maatschappij van onderlinge bijstand aangesloten is of van een mutualistische entiteit bedoeld in artikel 70, § 1, eerste lid, b), van de wet van 6 augustus 1990 die aangesloten is bij een aangesloten ziekenfonds, of van een verzekeringsmaatschappij van onderlinge bedoeld in artikel 43bis, § 5, of in artikel 70, § 7, van deze wet, waarbij een aangesloten ziekenfonds is aangesloten of waar een aangesloten ziekenfonds een afdeling van uitmaakt;
3. geen mandaat uitoefenen als bestuurder van de landsbond waarbij de maatschappij van onderlinge bijstand aangesloten is, van een medisch-sociale instelling bedoeld in artikel 20, § 3, van de wet van 6 augustus 1990 of van een rechtspersoon of natuurlijke persoon waarmee een entiteit bedoeld onder 1° samenwerkt in toepassing van artikel 43 van deze wet;
4. geen mandaat uitoefenen als onafhankelijk bestuurder van de landsbond waarbij de maatschappij van onderlinge bijstand aangesloten is en geen mandaat uitoefenen van onafhankelijk bestuurder in de zin van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen uitoefenen in een verzekeringsmaatschappij van onderlinge bijstand bedoeld in artikel 43bis, § 5, of in artikel 70, § 7, van de wet van 6 augustus 1990 waarbij een aangesloten ziekenfonds is aangesloten of waar een aangesloten ziekenfonds een afdeling van uitmaakt;
5. niet in een hieronder vermelde situatie van belangenconflict zijn:
a) een belangrijk voordeel van vermogensrechtelijke aard ontvangen hebben van een entiteit, een rechtspersoon of een natuurlijke persoon bedoeld onder 1° tot en met 4° ;
b) een significante zakelijke relatie, in de zin van artikel 15, 94°, van de wet van 13 maart 2016, hebben of hebben gehad met een entiteit, een rechtspersoon of een natuurlijke persoon bedoeld onder 1° tot en met 4° ;
c) echtgenoot, wettelijk samenwonende partner of bloed- of aanverwant tot de tweede graad zijn van een persoon die zich in een toestand bedoeld onder a) of b) bevindt.
§ 3. Om onafhankelijk bestuurder te blijven in een maatschappij van onderlinge bijstand moet men aan de voorwaarden bedoeld in § 2 blijven voldoen.
§ 4. Het mandaat van een onafhankelijk bestuurder kan hernieuwd worden naar aanleiding van de volgende mutualistische verkiezingen.
Art. 17. § 1er. Le conseil d'administration d'une société mutualiste peut compter un ou plusieurs administrateurs indépendants.
§ 2. Par " administrateur indépendant " au sens du § 1er, il convient d'entendre un administrateur compétent dans le domaine de la santé et/ou financier et/ou actuariel qui satisfait aux conditions suivantes :
1. ne pas être un membre du personnel de la société mutualiste, d'une mutualité affiliée à la société mutualiste, de l'union nationale à laquelle la société mutualiste est affiliée, d'une société mutualiste visée à l'article 70, § 1er, alinéa 1er, b), de la loi du 6 août 1990 qui est affiliée à une mutualité affiliée ou d'une société mutualiste d'assurance visée à l'article 43bis, § 5 ou à l'article 70, § 6, de cette loi, à laquelle une mutualité affiliée est affiliée ou dont une mutualité affiliée constitue une section ;
2. ne pas exercer de mandat de membre de l'assemblée générale de la société mutualiste, d'une mutualité affiliée à la société mutualiste, de l'union nationale à laquelle la société mutualiste est affiliée, d'une entité mutualiste visée à l'article 70, § 1er, alinéa 1er, b), de la loi du 6 août 1990 qui est affiliée à une mutualité affiliée ou d'une société mutualiste d'assurance visée à l'article 43bis, § 5 ou à l'article 70, § 7, de cette loi, à laquelle une mutualité affiliée est affiliée ou dont une mutualité affiliée constitue une section ;
3. ne pas exercer de mandat d'administrateur de l'union nationale à laquelle la société mutualiste est affiliée, d'une institution médico-sociale visée à l'article 20, § 3, de la loi du 6 août 1990 ou d'une personne morale ou physique avec laquelle une entité visée sous 1° collabore en application de l'article 43 de cette loi;
4. ne pas exercer de mandat d'administrateur indépendant de l'union nationale à laquelle la société mutualiste est affiliée et ne pas exercer de mandat d'administrateur indépendant au sens de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance dans une société mutualiste d'assurance visée à l'article 43bis, § 5, ou à l'article 70, § 7, de la loi du 6 août 1990, à laquelle la mutualité est affiliée ou dont elle constitue une section;
5. ne pas être dans une des situations de conflit d'intérêts suivantes :
a) avoir obtenu un avantage important de nature patrimoniale d'une entité, d'une personne morale ou d'une personne physique visée sous 1° à 4° inclus ;
b) avoir ou avoir eu une relation commerciale significative, au sens de l'article 15, 94°, de la loi du 13 mars 2016, avec une entité, une personne morale ou une personne physique visée sous 1° à 4° inclus ;
c) être un conjoint, un partenaire cohabitant légal ou un parent ou allié jusqu'au 2e degré d'une personne qui se trouve dans une situation visée sous a) ou b).
§ 3. Pour pouvoir rester administrateur indépendant dans une société mutualiste, il faut continuer à satisfaire aux conditions visées au § 2.
§ 4. Le mandat d'un administrateur indépendant peut être renouvelé à l'occasion des élections mutualistes suivantes.
§ 2. Par " administrateur indépendant " au sens du § 1er, il convient d'entendre un administrateur compétent dans le domaine de la santé et/ou financier et/ou actuariel qui satisfait aux conditions suivantes :
1. ne pas être un membre du personnel de la société mutualiste, d'une mutualité affiliée à la société mutualiste, de l'union nationale à laquelle la société mutualiste est affiliée, d'une société mutualiste visée à l'article 70, § 1er, alinéa 1er, b), de la loi du 6 août 1990 qui est affiliée à une mutualité affiliée ou d'une société mutualiste d'assurance visée à l'article 43bis, § 5 ou à l'article 70, § 6, de cette loi, à laquelle une mutualité affiliée est affiliée ou dont une mutualité affiliée constitue une section ;
2. ne pas exercer de mandat de membre de l'assemblée générale de la société mutualiste, d'une mutualité affiliée à la société mutualiste, de l'union nationale à laquelle la société mutualiste est affiliée, d'une entité mutualiste visée à l'article 70, § 1er, alinéa 1er, b), de la loi du 6 août 1990 qui est affiliée à une mutualité affiliée ou d'une société mutualiste d'assurance visée à l'article 43bis, § 5 ou à l'article 70, § 7, de cette loi, à laquelle une mutualité affiliée est affiliée ou dont une mutualité affiliée constitue une section ;
3. ne pas exercer de mandat d'administrateur de l'union nationale à laquelle la société mutualiste est affiliée, d'une institution médico-sociale visée à l'article 20, § 3, de la loi du 6 août 1990 ou d'une personne morale ou physique avec laquelle une entité visée sous 1° collabore en application de l'article 43 de cette loi;
4. ne pas exercer de mandat d'administrateur indépendant de l'union nationale à laquelle la société mutualiste est affiliée et ne pas exercer de mandat d'administrateur indépendant au sens de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance dans une société mutualiste d'assurance visée à l'article 43bis, § 5, ou à l'article 70, § 7, de la loi du 6 août 1990, à laquelle la mutualité est affiliée ou dont elle constitue une section;
5. ne pas être dans une des situations de conflit d'intérêts suivantes :
a) avoir obtenu un avantage important de nature patrimoniale d'une entité, d'une personne morale ou d'une personne physique visée sous 1° à 4° inclus ;
b) avoir ou avoir eu une relation commerciale significative, au sens de l'article 15, 94°, de la loi du 13 mars 2016, avec une entité, une personne morale ou une personne physique visée sous 1° à 4° inclus ;
c) être un conjoint, un partenaire cohabitant légal ou un parent ou allié jusqu'au 2e degré d'une personne qui se trouve dans une situation visée sous a) ou b).
§ 3. Pour pouvoir rester administrateur indépendant dans une société mutualiste, il faut continuer à satisfaire aux conditions visées au § 2.
§ 4. Le mandat d'un administrateur indépendant peut être renouvelé à l'occasion des élections mutualistes suivantes.
Onderafdeling 3. - De kandidaturen
Sous-section 3. - Les candidatures
Art. 18. Onverminderd het recht van de leden van de algemene vergadering van een maatschappij van onderlinge bijstand om zich kandidaat te stellen voor een ander mandaat dan een mandaat van onafhankelijk bestuurder, hetzij spontaan hetzij ingevolge een eventuele oproep tot de kandidaten door de maatschappij van onderlinge bijstand zelf, kan de raad van bestuur van een maatschappij van onderlinge bijstand kandidaten voorstellen aan de algemene vergadering.
Alle kandidaten worden op dezelfde verkiezingslijst opgenomen.
Bovendien kunnen er ook, wat het mandaat van onafhankelijk bestuurder betreft, spontane kandidaturen worden aanvaard, alsook kandidaturen ingediend ingevolge een advertentie door de maatschappij van onderlinge bijstand.
Alle kandidaten worden op dezelfde verkiezingslijst opgenomen.
Bovendien kunnen er ook, wat het mandaat van onafhankelijk bestuurder betreft, spontane kandidaturen worden aanvaard, alsook kandidaturen ingediend ingevolge een advertentie door de maatschappij van onderlinge bijstand.
Art. 18. Sans préjudice du droit des membres de l'assemblée générale d'une société mutualiste de se porter candidat à un autre mandat que celui d'administrateur indépendant, soit de façon spontanée soit en réaction à un éventuel appel aux candidats émis par la société mutualiste, le conseil d'administration d'une société mutualiste peut présenter des candidats à l'assemblée générale.
Tous les candidats sont repris sur la même liste électorale.
En outre, en ce qui concerne le mandat d'administrateur indépendant, les candidatures spontanées peuvent également être acceptées, ainsi que les candidatures introduites à la suite d'une annonce de la société mutualiste.
Tous les candidats sont repris sur la même liste électorale.
En outre, en ce qui concerne le mandat d'administrateur indépendant, les candidatures spontanées peuvent également être acceptées, ainsi que les candidatures introduites à la suite d'une annonce de la société mutualiste.
Onderafdeling 4. - De verkiezing
Sous-section 4. - L'élection
Art. 19. De raad van bestuur van een maatschappij van onderlinge bijstand wordt verkozen door de algemene vergadering van de maatschappij van onderlinge bijstand onder de bij artikel 18 van de wet van 6 augustus 1990 voorziene voorwaarden, na kennisname van de motivatie die deze kandidatuur desgevallend vergezelt.
De statuten van de maatschappij van onderlinge bijstand verduidelijken de praktische modaliteiten met betrekking tot het neerleggen van de kandidaturen, de controle van hun ontvankelijkheid en tot de volgorde van de kandidaten op de stemlijsten.
Er wordt in voorkomend geval overgegaan tot verkiezing van de onafhankelijke bestuurders op grond van een lijst van al de kandidaten die aan de voorwaarden voldoen om in deze hoedanigheid verkozen te worden, vooraleer over te gaan tot de verkiezing van de andere bestuurders.
De statuten van de maatschappij van onderlinge bijstand verduidelijken de praktische modaliteiten met betrekking tot het neerleggen van de kandidaturen, de controle van hun ontvankelijkheid en tot de volgorde van de kandidaten op de stemlijsten.
Er wordt in voorkomend geval overgegaan tot verkiezing van de onafhankelijke bestuurders op grond van een lijst van al de kandidaten die aan de voorwaarden voldoen om in deze hoedanigheid verkozen te worden, vooraleer over te gaan tot de verkiezing van de andere bestuurders.
Art. 19. Le conseil d'administration d'une société mutualiste est élu par l'assemblée générale de la société mutualiste aux conditions prévues à l'article 18 de la loi du 6 août 1990, après avoir pris connaissance de la motivation qui accompagne le cas échéant les candidatures.
Les statuts de la société mutualiste précisent les modalités pratiques relatives au dépôt des candidatures, au contrôle de leur recevabilité et à l'ordre des candidats sur les listes électorales.
Il est procédé le cas échéant, à l'élection des administrateurs indépendants sur la base d'une liste de tous les candidats qui satisfont aux conditions prévues pour être élu en cette qualité, avant de procéder à l'élection des autres administrateurs.
Les statuts de la société mutualiste précisent les modalités pratiques relatives au dépôt des candidatures, au contrôle de leur recevabilité et à l'ordre des candidats sur les listes électorales.
Il est procédé le cas échéant, à l'élection des administrateurs indépendants sur la base d'une liste de tous les candidats qui satisfont aux conditions prévues pour être élu en cette qualité, avant de procéder à l'élection des autres administrateurs.
Art. 20. De stemming is geheim.
De stemming kan elektronisch gebeuren ter plaatse of op afstand voor zover tegemoetgekomen wordt aan de door de Controledienst vastgestelde voorwaarden.
De bestuurders worden verkozen in volgorde van het aantal bekomen stemmen en rekening houdend met artikel 20, §§ 1, 2 en 3, van de wet van 6 augustus 1990 en met artikel 25 van dit besluit.
Bij gelijkheid van stemmen voor meerdere kandidaten voor het laatste toe te kennen mandaat, wordt het mandaat toegekend volgens de in de statuten voorziene regeling.
De stemming kan elektronisch gebeuren ter plaatse of op afstand voor zover tegemoetgekomen wordt aan de door de Controledienst vastgestelde voorwaarden.
De bestuurders worden verkozen in volgorde van het aantal bekomen stemmen en rekening houdend met artikel 20, §§ 1, 2 en 3, van de wet van 6 augustus 1990 en met artikel 25 van dit besluit.
Bij gelijkheid van stemmen voor meerdere kandidaten voor het laatste toe te kennen mandaat, wordt het mandaat toegekend volgens de in de statuten voorziene regeling.
Art. 20. Le vote est secret.
Le vote peut avoir lieu par voie électronique sur place ou à distance, pour autant qu'il soit satisfait aux conditions fixées par l'Office de contrôle.
Les administrateurs sont élus dans l'ordre du nombre de voix obtenues et en tenant compte de l'article 20, §§ 1er, 2 et 3, de la loi précitée du 6 août 1990 et de l'article 25 du présent arrêté.
En cas d'égalité de voix entre plusieurs candidats pour le dernier mandat à pourvoir, le mandat est attribué selon les règles prévues dans les statuts.
Le vote peut avoir lieu par voie électronique sur place ou à distance, pour autant qu'il soit satisfait aux conditions fixées par l'Office de contrôle.
Les administrateurs sont élus dans l'ordre du nombre de voix obtenues et en tenant compte de l'article 20, §§ 1er, 2 et 3, de la loi précitée du 6 août 1990 et de l'article 25 du présent arrêté.
En cas d'égalité de voix entre plusieurs candidats pour le dernier mandat à pourvoir, le mandat est attribué selon les règles prévues dans les statuts.
Onderafdeling 5. - De verkiezing van plaatsvervangende bestuurders
Sous-section 5. - L'élection d'administrateurs suppléants
Art. 21. Er kunnen plaatsvervangende bestuurders verkozen worden onder dezelfde voorwaarden.
De statuten van de maatschappij van onderlinge bijstand bepalen de verkiezingsmodaliteiten voor de plaatsvervangende bestuurders, alsook onder welke voorwaarden zij effectieve bestuurders kunnen vervangen.
De statuten van de maatschappij van onderlinge bijstand bepalen de verkiezingsmodaliteiten voor de plaatsvervangende bestuurders, alsook onder welke voorwaarden zij effectieve bestuurders kunnen vervangen.
Art. 21. Des administrateurs suppléants peuvent être élus sous les mêmes conditions.
Les statuts de la société mutualiste déterminent les modalités d'élection des administrateurs suppléants, ainsi que les conditions dans lesquelles ils peuvent remplacer les administrateurs effectifs.
Les statuts de la société mutualiste déterminent les modalités d'élection des administrateurs suppléants, ainsi que les conditions dans lesquelles ils peuvent remplacer les administrateurs effectifs.
Onderafdeling 6. - De coöptatie van bestuurders
Sous-section 6. - La cooptation d'administrateurs
Art. 22. Wanneer de plaats van een bestuurder openvalt vóór het einde van zijn mandaat, kan de raad van bestuur, indien de statuten in deze mogelijkheid voorzien, een nieuwe bestuurder coöpteren, die aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden en hetzelfde profiel voldoet en rekening houdend met artikel 20, §§ 1, 2 en 3, van de wet van 6 augustus 1990 en met artikel 25 van dit besluit. De statuten bepalen de modaliteiten van een dergelijke coöptatie.
Onder 'profiel' moet worden verstaan:
1° het feit, naargelang het geval, onder artikel 16, derde lid, of artikel 16, vierde lid, of artikel 17 te vallen;
2° voor de bestuurders bedoeld in artikel 16, derde lid, het feit hetzelfde ziekenfonds te vertegenwoordigen als de vervangen bestuurder;
3° als de statuten die vereiste voorzien, het feit over gelijkaardige competenties te beschikken als die waarover de te vervangen bestuurder beschikte.
In een geval bedoeld in het eerste lid, moet de eerstvolgende algemene vergadering overgaan tot de verkiezing van de bestuurder die het mandaat van de vorige bestuurder zal volbrengen.
Indien een andere bestuurder dan de gecoöpteerde bestuurder verkozen wordt, eindigt het mandaat van de gecoöpteerde bestuurder na afloop van de algemene vergadering.
Onder 'profiel' moet worden verstaan:
1° het feit, naargelang het geval, onder artikel 16, derde lid, of artikel 16, vierde lid, of artikel 17 te vallen;
2° voor de bestuurders bedoeld in artikel 16, derde lid, het feit hetzelfde ziekenfonds te vertegenwoordigen als de vervangen bestuurder;
3° als de statuten die vereiste voorzien, het feit over gelijkaardige competenties te beschikken als die waarover de te vervangen bestuurder beschikte.
In een geval bedoeld in het eerste lid, moet de eerstvolgende algemene vergadering overgaan tot de verkiezing van de bestuurder die het mandaat van de vorige bestuurder zal volbrengen.
Indien een andere bestuurder dan de gecoöpteerde bestuurder verkozen wordt, eindigt het mandaat van de gecoöpteerde bestuurder na afloop van de algemene vergadering.
Art. 22. Quand la place d'un administrateur se libère avant la fin de son mandat, le conseil d'administration peut, si les statuts prévoient cette possibilité, coopter un nouvel administrateur qui satisfait aux conditions d'éligibilité et au même profil et en tenant compte de l'article 20, §§ 1er, 2 et 3, de la loi du 6 août 1990 et de l'article 25 du présent arrêté. Les statuts fixent les modalités d'une telle cooptation.
Par "profil", il y a lieu d'entendre :
1° le fait d'être visé, selon le cas, à l'article 16, alinéa 3 ou à l'article 16, alinéa 4, ou à l'article 17;
2° pour les administrateurs visés à l'article 16, alinéa 3, le fait de représenter la même mutualité que l'administrateur remplacé;
3° le fait de disposer, si les statuts prévoient cette exigence, de compétences similaires à celles dont disposait l'administrateur à remplacer.
Dans un cas visé à l'alinéa 1er, l'assemblée générale suivante doit procéder à l'élection de l'administrateur qui achèvera le mandat de l'ancien administrateur.
Si un autre administrateur que l'administrateur coopté est élu, le mandat de l'administrateur coopté prend fin à l'issue de l'assemblée générale.
Par "profil", il y a lieu d'entendre :
1° le fait d'être visé, selon le cas, à l'article 16, alinéa 3 ou à l'article 16, alinéa 4, ou à l'article 17;
2° pour les administrateurs visés à l'article 16, alinéa 3, le fait de représenter la même mutualité que l'administrateur remplacé;
3° le fait de disposer, si les statuts prévoient cette exigence, de compétences similaires à celles dont disposait l'administrateur à remplacer.
Dans un cas visé à l'alinéa 1er, l'assemblée générale suivante doit procéder à l'élection de l'administrateur qui achèvera le mandat de l'ancien administrateur.
Si un autre administrateur que l'administrateur coopté est élu, le mandat de l'administrateur coopté prend fin à l'issue de l'assemblée générale.
Onderafdeling 7. - De andere personen die de vergaderingen van de raad van bestuur kunnen bijwonen
Sous-section 7. - Les autres personnes qui peuvent assister aux réunions du conseil d'administration
Art. 23. De raad van bestuur kan maximaal vijftien raadgevers bij de raad van bestuur aanduiden. Deze hebben raadgevende stem.
De personen die in de maatschappij van onderlinge bijstand hetzij belast zijn met de globale verantwoordelijkheid voor het dagelijks bestuur hetzij een andere leidinggevende functie of een directiefunctie uitoefenen, van de maatschappij van onderlinge bijstand kunnen de vergaderingen van de raad van bestuur met raadgevende stem bijwonen.
De personen die in de maatschappij van onderlinge bijstand hetzij belast zijn met de globale verantwoordelijkheid voor het dagelijks bestuur hetzij een andere leidinggevende functie of een directiefunctie uitoefenen, van de maatschappij van onderlinge bijstand kunnen de vergaderingen van de raad van bestuur met raadgevende stem bijwonen.
Art. 23. Le conseil d'administration peut désigner au maximum quinze conseillers au conseil d'administration. Ceux-ci ont voix consultative.
Les personnes qui, au sein de la société mutualiste, soit sont chargées de la responsabilité globale de la gestion journalière soit exercent une autre fonction dirigeante ou une fonction de direction, peuvent assister aux réunions du conseil d'administration avec voix consultative.
Les personnes qui, au sein de la société mutualiste, soit sont chargées de la responsabilité globale de la gestion journalière soit exercent une autre fonction dirigeante ou une fonction de direction, peuvent assister aux réunions du conseil d'administration avec voix consultative.
Art. 24. Bovendien kan de landsbond waarbij de maatschappij van onderlinge bijstand is aangesloten ook een persoon aanduiden om hem te vertegenwoordigen in de raad van bestuur van die maatschappij van onderlinge bijstand met raadgevende stem.
Art. 24. Par ailleurs, l'union nationale à laquelle la société mutualiste est affiliée peut également désigner une personne pour la représenter au conseil d'administration de cette société mutualiste avec voix consultative.
Onderafdeling 8. - Het maximumaantal mandaten dat toegekend kan worden aan personen van hetzelfde geslacht
Sous-section 8. - Le nombre maximal de mandats qui peuvent être attribués aux personnes du même sexe
Art. 25. De statuten van de maatschappijen van onderlinge bijstand bepalen het maximumaantal mandaten dat toegekend kan worden aan personen van hetzelfde geslacht. De statuten mogen evenwel niet voorzien dat meer dan 75 % van de mandaten mogen toegekend worden aan personen van eenzelfde geslacht.
[1 De bestuurders bedoeld in het artikel 17 worden niet meegeteld voor de toepassing van het vorige lid.]1
[1 De bestuurders bedoeld in het artikel 17 worden niet meegeteld voor de toepassing van het vorige lid.]1
Modifications
Art. 25. Les statuts des sociétés mutualistes fixent le nombre maximal de mandats qui peuvent être attribués aux personnes du même sexe. Les statuts ne peuvent toutefois pas prévoir que plus de 75 % des mandats peuvent être attribués aux personnes d'un même sexe.
[1 Les administrateurs visés à l'article 17 ne sont pas comptabilisés pour l'application de l'alinéa précédent.]1
[1 Les administrateurs visés à l'article 17 ne sont pas comptabilisés pour l'application de l'alinéa précédent.]1
Modifications
HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen
CHAPITRE IV. - Dispositions finales
Afdeling 1. - Het overmaken van documenten aan de Controledienst
Section 1. - La transmission de documents à l'Office de contrôle
Art. 26. Om de Controledienst de mogelijkheid te bieden de hem bij artikel 52, eerste lid, 2°, van de wet van 6 augustus 1990 toegewezen opdracht te vervullen, zenden de maatschappijen van onderlinge bijstand en, in voorkomend geval, de aangesloten ziekenfondsen, hem tegelijk:
1° de publicaties, adviezen, brieven en omzendbrieven toe die zij aan hun leden toesturen;
2° de eventuele advertenties met betrekking tot toe te kennen mandaten;
3° de eventuele brochures die zij ter beschikking stellen voor hun leden die vermeldingen bevatten met betrekking tot de betrokken verkiezingen, tot de indiening van de kandidaturen, tot de ontvankelijke kandidaturen, tot de datum van de stemming en tot het resultaat van de stemming.
Bovendien verwittigen ze onmiddellijk de Controledienst van elke publicatie op hun website met betrekking tot aangelegenheden bedoeld door dit besluit.
1° de publicaties, adviezen, brieven en omzendbrieven toe die zij aan hun leden toesturen;
2° de eventuele advertenties met betrekking tot toe te kennen mandaten;
3° de eventuele brochures die zij ter beschikking stellen voor hun leden die vermeldingen bevatten met betrekking tot de betrokken verkiezingen, tot de indiening van de kandidaturen, tot de ontvankelijke kandidaturen, tot de datum van de stemming en tot het resultaat van de stemming.
Bovendien verwittigen ze onmiddellijk de Controledienst van elke publicatie op hun website met betrekking tot aangelegenheden bedoeld door dit besluit.
Art. 26. Pour permettre à l'Office de contrôle d'accomplir la mission qui lui est confiée par l'article 52, alinéa 1er, 2°, de la loi du 6 août 1990, les sociétés mutualistes et, le cas échéant, les mutualités affiliées lui envoient simultanément :
1° les publications, avis, courriers et circulaires qu'elles envoient à leurs membres ;
2° les éventuelles annonces concernant les mandats à pourvoir ;
3° les éventuelles brochures qu'elles mettent à la disposition de leurs membres, comportant des mentions à propos des élections concernées, de l'introduction des candidatures, des candidatures recevables, de la date du vote et du résultat du vote.
Elles avertissent en outre l'Office de contrôle sans délai de toute publication sur leur site web concernant les aspects visés par le présent arrêté.
1° les publications, avis, courriers et circulaires qu'elles envoient à leurs membres ;
2° les éventuelles annonces concernant les mandats à pourvoir ;
3° les éventuelles brochures qu'elles mettent à la disposition de leurs membres, comportant des mentions à propos des élections concernées, de l'introduction des candidatures, des candidatures recevables, de la date du vote et du résultat du vote.
Elles avertissent en outre l'Office de contrôle sans délai de toute publication sur leur site web concernant les aspects visés par le présent arrêté.
Afdeling 2. - De klachten met betrekking tot aangelegenheden bedoeld door dit besluit
Section 2. - Les plaintes relatives aux aspects visés par le présent arrêté
Art. 27. In toepassing van artikel 52, eerste lid, 10°, van de wet van 6 augustus 1990 kunnen alle geschillen voortkomend uit de betwisting van de ontvankelijkheid van de ingediende kandidaturen voorgelegd worden aan de Controledienst. Dergelijke klachten moeten binnen tien werkdagen volgend op de datum waarop deze weigering aan de betrokken kandidaat is meegedeeld, bij aangetekend schrijven ingediend worden.
Art. 27. En application de l'article 52, alinéa 1er, 10°, de la loi du 6 août 1990, tous les litiges découlant de la contestation de la recevabilité des candidatures introduites peuvent être soumis à l'Office de contrôle. De telles plaintes doivent être introduites par lettre recommandée endéans les dix jours ouvrables suivant la date à laquelle le refus a été communiqué au candidat concerné.
Art. 28. Overeenkomstig artikel 52, eerste lid, 10°, van de wet van 6 augustus 1990, kan iedere klacht in verband met de toepassing van dit besluit worden voorgelegd aan de Controledienst.
De klachten moeten, bij aangetekend schrijven, gericht worden aan de Controledienst binnen de tien werkdagen volgend op de datum van, naargelang het geval, de betwiste beslissing, het betwiste verloop van de verkiezingen of de bekendmaking van het betwiste resultaat van de verkiezingen.
De Controledienst beschikt over dertig kalenderdagen om kennisgeving te doen van zijn beslissing aan de betrokken partijen.
Hij behoudt zich het recht voor deze partijen op te roepen om ze te horen in hun verdedigingsmiddelen.
De betrokken partijen kunnen eveneens vragen om door de Controledienst te worden gehoord.
De klachten moeten, bij aangetekend schrijven, gericht worden aan de Controledienst binnen de tien werkdagen volgend op de datum van, naargelang het geval, de betwiste beslissing, het betwiste verloop van de verkiezingen of de bekendmaking van het betwiste resultaat van de verkiezingen.
De Controledienst beschikt over dertig kalenderdagen om kennisgeving te doen van zijn beslissing aan de betrokken partijen.
Hij behoudt zich het recht voor deze partijen op te roepen om ze te horen in hun verdedigingsmiddelen.
De betrokken partijen kunnen eveneens vragen om door de Controledienst te worden gehoord.
Art. 28. Conformément à l'article 52, alinéa 1er, 10°, de la loi du 6 août 1990, toute plainte relative à l'application du présent arrêté peut être soumise à l'Office de contrôle.
Les plaintes doivent être adressées, par lettre recommandée, à l'Office de contrôle dans les dix jours ouvrables suivant, selon le cas, la décision litigieuse, le déroulement contesté des élections ou la proclamation du résultat contesté des élections.
L'Office de contrôle dispose de trente jours civils pour notifier sa décision aux parties concernées.
Il se réserve le droit de convoquer ces parties pour les entendre dans leurs moyens de défense.
Les parties concernées peuvent également demander à être entendues par l'Office de contrôle.
Les plaintes doivent être adressées, par lettre recommandée, à l'Office de contrôle dans les dix jours ouvrables suivant, selon le cas, la décision litigieuse, le déroulement contesté des élections ou la proclamation du résultat contesté des élections.
L'Office de contrôle dispose de trente jours civils pour notifier sa décision aux parties concernées.
Il se réserve le droit de convoquer ces parties pour les entendre dans leurs moyens de défense.
Les parties concernées peuvent également demander à être entendues par l'Office de contrôle.
Afdeling 3. - - Inwerkingtreding
Section 3. - Entrée en vigueur
Art. 29. Het koninklijk besluit van 5 oktober 2000 tot uitvoering van artikel 2, §§ 2 en 3, tweede lid, 14, § 3 en 19, derde en vierde lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, wat de maatschappijen van onderlinge bijstand, bedoeld in artikel 43bis van dezelfde wet, betreft, gewijzigd door de besluiten van 8 maart 2004, 26 augustus 2010, 8 mei 2018 en 14 januari 2021, wordt opgeheven.
Art. 29. L'arrêté royal du 5 octobre 2000 portant exécution des articles 2, §§ 2 et 3, alinéa 2, 14, § 3, et 19, alinéas 3 et 4, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, en ce qui concerne les sociétés mutualistes visées à l'article 43bis de cette même loi, modifié par les arrêtés du 8 mars 2004, 26 août 2010, 8 mai 2018 et 14 janvier 2021, est abrogé.
Art. 30. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2021.
In afwijking van het eerste lid:
1° treedt Hoofdstuk III slechts in werking voor de verkiezing met betrekking tot de betrokken mandaten met het oog op de hernieuwing, in 2022 en in volgende jaren, van de samenstelling van de algemene vergadering van de maatschappijen van onderlinge bijstand en van de raad van bestuur van deze entiteiten;
2° treedt artikel 28 slechts in werking, wat de artikelen 4 tot en met 13bis, van het koninklijk besluit van 5 oktober 2000 betreft, voor de verkiezing met betrekking tot de betrokken mandaten met het oog op de hernieuwing, in 2022 en in volgende jaren, van de samenstelling van de algemene vergadering van de maatschappijen van onderlinge bijstand en van de raad van bestuur van deze entiteiten.
In afwijking van het eerste lid:
1° treedt Hoofdstuk III slechts in werking voor de verkiezing met betrekking tot de betrokken mandaten met het oog op de hernieuwing, in 2022 en in volgende jaren, van de samenstelling van de algemene vergadering van de maatschappijen van onderlinge bijstand en van de raad van bestuur van deze entiteiten;
2° treedt artikel 28 slechts in werking, wat de artikelen 4 tot en met 13bis, van het koninklijk besluit van 5 oktober 2000 betreft, voor de verkiezing met betrekking tot de betrokken mandaten met het oog op de hernieuwing, in 2022 en in volgende jaren, van de samenstelling van de algemene vergadering van de maatschappijen van onderlinge bijstand en van de raad van bestuur van deze entiteiten.
Art. 30. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 2021.
Par dérogation à l'alinéa 1er:
1° le Chapitre III n'entre en vigueur que pour l'élection relative aux mandats concernés en vue du renouvellement, en 2022 et lors d'années postérieures, de la composition de l'assemblée générale des sociétés mutualistes, ainsi que du conseil d'administration de ces entités;
2° l'article 28 n'entre en vigueur, en ce qui concerne les articles 4 à 13bis inclus, de l'arrêté royal du 5 octobre 2000, que pour l'élection relative aux mandats concernés en vue du renouvellement, en 2022 et lors d'années postérieures, de la composition de l'assemblée générale des sociétés mutualistes, ainsi que du conseil d'administration de ces entités.
Par dérogation à l'alinéa 1er:
1° le Chapitre III n'entre en vigueur que pour l'élection relative aux mandats concernés en vue du renouvellement, en 2022 et lors d'années postérieures, de la composition de l'assemblée générale des sociétés mutualistes, ainsi que du conseil d'administration de ces entités;
2° l'article 28 n'entre en vigueur, en ce qui concerne les articles 4 à 13bis inclus, de l'arrêté royal du 5 octobre 2000, que pour l'élection relative aux mandats concernés en vue du renouvellement, en 2022 et lors d'années postérieures, de la composition de l'assemblée générale des sociétés mutualistes, ainsi que du conseil d'administration de ces entités.
Art. 31. De Minister bevoegd voor Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 31. Le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.