Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
11 JULI 2021. - Wet tot omzetting van richtlijn 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019, van richtlijn 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019, van richtlijn 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019, van richtlijn 2019/2177 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 2019, van richtlijn 2021/338 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2021 en houdende diverse bepalingen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-07-2021 en tekstbijwerking tot 19-07-2022)
Titre
11 JUILLET 2021. - Loi visant à assurer la transposition de la directive 2019/878 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2019, de la directive 2019/879 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2019, de la directive 2019/2034 du Parlement européen et du Conseil du 27 novembre 2019, de la directive 2019/2177 du Parlement européen et du Conseil du 19 décembre 2019, de la directive 2021/338 du Parlement européen et du Conseil du 16 février 2021 et portant dispositions diverses(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 23-07-2021 et mise à jour au 19-07-2022)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen in de wet van 22 feb...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 28 ap...
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet van 2 aug...
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 28 de...
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen in de wet van 25 apr...
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen in de wet van 11 jul...
HOOFDSTUK 8. - Omzetting van Richtlijn 2019/217...
HOOFDSTUK 9. - Overgangsbepalingen
HOOFDSTUK 10. - Inwerkingtreding
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 22 fév...
CHAPITRE 3. - Modifications de la loi du 28 avr...
CHAPITRE 4. - Modifications de la loi du 2 août...
CHAPITRE 5. - Modifications de la loi du 28 déc...
CHAPITRE 6. - Modifications de la loi du 25 avr...
CHAPITRE 7. - Modifications de la loi du 11 jui...
CHAPITRE 8. - Transposition en droit belge de l...
CHAPITRE 9. - Dispositions transitoires
CHAPITRE 10. - Entrée en vigueur
Tekst (325)
Texte (325)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. De bepalingen van deze wet regelen een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art. 2. § 1. Deze wet voorziet in de omzetting van richtlijn (EU) 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen en in de omzetting, wat betreft de omzettingstermijn van die richtlijn 2019/878, van artikel 2 van richtlijn (EU) 2021/338 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2021 tot wijziging van richtlijn 2014/65/EU wat betreft informatievereisten, productgovernance en positielimieten, en richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/878 wat betreft de toepassing daarvan op beleggingsondernemingen, om bij te dragen aan het herstel van de COVID-19-crisis.
§ 2. Deze wet voorziet in de omzetting van richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en richtlijn 98/26/EG.
§ 3. De artikelen 303 tot 309 van deze wet zorgen voor de omzetting in Belgisch recht, wat de wijzigingen van richtlijn (EU) 2015/849 betreft, van de bepalingen van richtlijn 2019/2177 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2019 tot wijziging van richtlijn 2009/138/EG betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten, en van richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering.
§ 4. Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU.
§ 2. Deze wet voorziet in de omzetting van richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en richtlijn 98/26/EG.
§ 3. De artikelen 303 tot 309 van deze wet zorgen voor de omzetting in Belgisch recht, wat de wijzigingen van richtlijn (EU) 2015/849 betreft, van de bepalingen van richtlijn 2019/2177 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2019 tot wijziging van richtlijn 2009/138/EG betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), richtlijn 2014/65/EU betreffende markten voor financiële instrumenten, en van richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering.
§ 4. Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU.
Art. 2. § 1er. La présente loi transpose la directive (UE) 2019/878 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2019 modifiant la directive 2013/36/UE en ce qui concerne les entités exemptées, les compagnies financières holding, les compagnies financières holding mixtes, la rémunération, les mesures et pouvoirs de surveillance et les mesures de conservation des fonds propres et elle transpose, en ce qui concerne le délai de transposition de ladite directive 2019/878, l'article 2 de la directive (UE) 2021/338 du Parlement européen et du Conseil du 16 février 2021 modifiant la directive 2014/65/UE en ce qui concerne les obligations d'information, la gouvernance des produits et les limites de position, et les directives 2013/36/UE et (UE) 2019/878 en ce qui concerne leur application aux entreprises d'investissement, afin de soutenir la reprise à la suite de la crise liée à la COVID-19.
§ 2. La présente loi transpose la directive (UE) 2019/879 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2019 modifiant la directive 2014/59/UE en ce qui concerne la capacité d'absorption des pertes et de recapitalisation des établissements de crédit et des entreprises d'investissement et la directive 98/26/CE.
§ 3. Les articles 303 à 309 de la présente loi assurent la transposition en droit belge en ce qui concerne les modifications de la directive (UE) 2015/849, des dispositions de la directive 2019/2177 du Parlement européen et du Conseil du 18 décembre 2019 modifiant la directive 2009/138/CE sur l'accès aux activités de l'assurance et de la réassurance et leur exercice (Solvabilité II), la directive 2014/65/UE concernant les marchés d'instruments financiers et la directive (UE) 2015/849 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux ou du financement du terrorisme.
§ 4. La présente loi transpose partiellement la directive (UE) 2019/2034 du Parlement européen et du Conseil du 27 novembre 2019 concernant la surveillance prudentielle des entreprises d'investissement et modifiant les directives 2002/87/CE, 2009/65/CE, 2011/61/UE, 2013/36/UE, 2014/59/UE et 2014/65/UE.
§ 2. La présente loi transpose la directive (UE) 2019/879 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2019 modifiant la directive 2014/59/UE en ce qui concerne la capacité d'absorption des pertes et de recapitalisation des établissements de crédit et des entreprises d'investissement et la directive 98/26/CE.
§ 3. Les articles 303 à 309 de la présente loi assurent la transposition en droit belge en ce qui concerne les modifications de la directive (UE) 2015/849, des dispositions de la directive 2019/2177 du Parlement européen et du Conseil du 18 décembre 2019 modifiant la directive 2009/138/CE sur l'accès aux activités de l'assurance et de la réassurance et leur exercice (Solvabilité II), la directive 2014/65/UE concernant les marchés d'instruments financiers et la directive (UE) 2015/849 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux ou du financement du terrorisme.
§ 4. La présente loi transpose partiellement la directive (UE) 2019/2034 du Parlement européen et du Conseil du 27 novembre 2019 concernant la surveillance prudentielle des entreprises d'investissement et modifiant les directives 2002/87/CE, 2009/65/CE, 2011/61/UE, 2013/36/UE, 2014/59/UE et 2014/65/UE.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique
Art. 3. In artikel 35, § 3 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, ingevoegd bij de wet van 13 maart 2016, worden de woorden "de artikelen 12, § 1" vervangen door de woorden "de artikelen 8, 12, § 1".
Art. 3. Dans l'article 35, § 3 de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique, inséré par la loi du 13 mars 2016, les mots "aux articles 12, § 1er" sont remplacés par les mots "aux articles 8, 12, § 1er".
Art. 4. In artikel 36/6, § 2, 2° van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden de woorden ", met inbegrip van de criteria voor de toepassing van het evenredigheidsbeginsel bedoeld in het vierde lid van het genoemde artikel 142," ingevoegd tussen de woorden "en beursvennootschappen" en de woorden "en in de artikelen 318 tot 321 van de wet van 13 maart 2016".
Art. 4. Dans l'article 36/6, § 2, 2° de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique, modifié en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, les mots ", y compris les critères pour l'application du principe de proportionnalité visé à alinéa 4 dudit article 142," sont insérés entre les mots "et des sociétés de bourse" et les mots "et aux articles 318 à 321 de la loi du 13 mars 2016".
Art. 5. In artikel 36/11, § 6 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"De Sanctiecommissie maakt haar beslissingen nominatief bekend op de website van de Bank voor een duur van minstens vijf jaar, tenzij deze bekendmaking de financiële stabiliteit of een lopend strafrechtelijk onderzoek of een lopende strafrechtelijke procedure in het gedrang dreigt te brengen of onevenredig nadeel dreigt te berokkenen aan de betrokken personen of instellingen. In dat geval wordt de beslissing niet-nominatief bekendgemaakt op de website van de Bank. Indien er een beroep is ingesteld tegen de sanctiebeslissing, wordt zij niet-nominatief bekendgemaakt in afwachting van de uitslag van de beroepsprocedures, met de vermelding dat dit beroep is ingesteld. Latere informatie over de uitkomst van het beroep, met inbegrip van een beslissing tot vernietiging van de sanctiebeslissing, wordt eveneens bekendgemaakt.".
"De Sanctiecommissie maakt haar beslissingen nominatief bekend op de website van de Bank voor een duur van minstens vijf jaar, tenzij deze bekendmaking de financiële stabiliteit of een lopend strafrechtelijk onderzoek of een lopende strafrechtelijke procedure in het gedrang dreigt te brengen of onevenredig nadeel dreigt te berokkenen aan de betrokken personen of instellingen. In dat geval wordt de beslissing niet-nominatief bekendgemaakt op de website van de Bank. Indien er een beroep is ingesteld tegen de sanctiebeslissing, wordt zij niet-nominatief bekendgemaakt in afwachting van de uitslag van de beroepsprocedures, met de vermelding dat dit beroep is ingesteld. Latere informatie over de uitkomst van het beroep, met inbegrip van een beslissing tot vernietiging van de sanctiebeslissing, wordt eveneens bekendgemaakt.".
Art. 5. Dans l'article 36/11, § 6 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"La Commission des sanctions rend ses décisions publiques de manière nominative sur le site internet de la Banque pour une durée d'au moins cinq ans, à moins que cette publication ne risque de compromettre la stabilité du système financier ou une enquête ou procédure pénale en cours ou de causer un préjudice disproportionné aux personnes ou aux établissements concernés, auquel cas la décision est publiée sur le site internet de la Banque de manière non nominative. En cas de recours contre la décision de sanction, celle-ci est publiée de manière non nominative dans l'attente de l'issue des procédures de recours, avec mention de l'introduction dudit recours. Toute information ultérieure sur le résultat dudit recours, en ce compris toute décision qui annule la décision de sanction, estégalement publiée.".
"La Commission des sanctions rend ses décisions publiques de manière nominative sur le site internet de la Banque pour une durée d'au moins cinq ans, à moins que cette publication ne risque de compromettre la stabilité du système financier ou une enquête ou procédure pénale en cours ou de causer un préjudice disproportionné aux personnes ou aux établissements concernés, auquel cas la décision est publiée sur le site internet de la Banque de manière non nominative. En cas de recours contre la décision de sanction, celle-ci est publiée de manière non nominative dans l'attente de l'issue des procédures de recours, avec mention de l'introduction dudit recours. Toute information ultérieure sur le résultat dudit recours, en ce compris toute décision qui annule la décision de sanction, estégalement publiée.".
Art. 6. Artikel 36/14, § 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2020, wordt aangevuld met de bepaling onder 26°, luidende:
"26° binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, aan de financiële inlichtingeneenheden bedoeld in artikel 4, 15° van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten.".
"26° binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, aan de financiële inlichtingeneenheden bedoeld in artikel 4, 15° van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten.".
Art. 6. L'article 36/14, § 1er de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2020, est complété par un 26° rédigé comme suit :
"26° dans les limites du droit de l'Union européenne, aux cellules de renseignement financier visées à l'article 4, 15° de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces.".
"26° dans les limites du droit de l'Union européenne, aux cellules de renseignement financier visées à l'article 4, 15° de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces.".
Art. 7. In dezelfde wet wordt artikel 36/15, opgeheven bij de wet van 20 juli 2020, hersteld als volgt:
"Art. 36/15. § 1. In afwijking van artikel 35 en binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie mag de Bank ook vertrouwelijke informatie meedelen:
1° aan het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank, met het oog op beoordelingen voor het Financial Sector Assessment Programme;
2° aan de Bank voor Internationale Betalingen, met het oog op kwantitatieve effectenstudies;
3° aan de Raad voor financiële stabiliteit, met het oog op zijn controlefunctie.
§ 2. De Bank mag enkel vertrouwelijke informatie krachtens paragraaf 1 meedelen op uitdrukkelijk verzoek van de betrokken instelling en indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° het verzoek is naar behoren gemotiveerd in het licht van de specifieke taken die door de verzoekende instelling in overeenstemming met haar opdrachten worden verricht en de meegedeelde informatie is bijgevolg beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van deze taken;
2° het verzoek is nauwkeurig genoeg wat de aard, reikwijdte en vorm van de gevraagde informatie, alsook de wijze van mededeling ervan betreft;
3° de informatie wordt uitsluitend meegedeeld aan de personen die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van de specifieke taak;
4° de verzoekende instelling is wat de informatie betreft aan een beroepsgeheim gebonden dat te vergelijken is met dat als bedoeld in artikel 35.
§ 3. De mededeling van vertrouwelijke informatie krachtens paragraaf 1 mag enkel in geaggregeerde of geanonimiseerde vorm gebeuren, of, bij ontstentenis, door tot deze informatie toegang te geven in de lokalen van de Bank.
§ 4. Voor zover de mededeling van informatie de verwerking van persoonsgegevens met zich meebrengt, voldoet de verwerking van persoonsgegevens door de verzoekende instelling aan de voorschriften van Verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).".
"Art. 36/15. § 1. In afwijking van artikel 35 en binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie mag de Bank ook vertrouwelijke informatie meedelen:
1° aan het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank, met het oog op beoordelingen voor het Financial Sector Assessment Programme;
2° aan de Bank voor Internationale Betalingen, met het oog op kwantitatieve effectenstudies;
3° aan de Raad voor financiële stabiliteit, met het oog op zijn controlefunctie.
§ 2. De Bank mag enkel vertrouwelijke informatie krachtens paragraaf 1 meedelen op uitdrukkelijk verzoek van de betrokken instelling en indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° het verzoek is naar behoren gemotiveerd in het licht van de specifieke taken die door de verzoekende instelling in overeenstemming met haar opdrachten worden verricht en de meegedeelde informatie is bijgevolg beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van deze taken;
2° het verzoek is nauwkeurig genoeg wat de aard, reikwijdte en vorm van de gevraagde informatie, alsook de wijze van mededeling ervan betreft;
3° de informatie wordt uitsluitend meegedeeld aan de personen die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van de specifieke taak;
4° de verzoekende instelling is wat de informatie betreft aan een beroepsgeheim gebonden dat te vergelijken is met dat als bedoeld in artikel 35.
§ 3. De mededeling van vertrouwelijke informatie krachtens paragraaf 1 mag enkel in geaggregeerde of geanonimiseerde vorm gebeuren, of, bij ontstentenis, door tot deze informatie toegang te geven in de lokalen van de Bank.
§ 4. Voor zover de mededeling van informatie de verwerking van persoonsgegevens met zich meebrengt, voldoet de verwerking van persoonsgegevens door de verzoekende instelling aan de voorschriften van Verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).".
Art. 7. Dans la même loi, l'article 36/15, abrogé par la loi du 20 juillet 2020, est rétabli dans la rédaction suivante :
"Art. 36/15. § 1er. Par dérogation à l'article 35 et dans les limites du droit de l'Union européenne, la Banque peut également communiquer des informations confidentielles :
1° au Fonds monétaire international et à la Banque mondiale, aux fins d'évaluations pour le Programme d'évaluation du secteur financier ;
2° à la Banque des règlements internationaux, aux fins d'analyses d'impact quantitatives ;
3° au Conseil de stabilité financière, aux fins de ses fonctions de surveillance.
§ 2. La Banque ne peut communiquer des informations confidentielles en vertu du paragraphe 1er qu'à la demande explicite de l'institution concernée et que s'il est satisfait aux conditions suivantes :
1° la demande est dûment justifiée au regard des tâches spécifiques effectuées par l'institution demanderesse, conformément à ses missions et les informations communiquées sont dès lors limitées à ce qui est strictement nécessaire pour la réalisation de ces tâches ;
2° la demande est suffisamment précise quant à la nature, à l'étendue et au format des informations demandées, ainsi qu'aux modalités de leur communication ;
3° les informations sont communiquées exclusivement aux personnes participant directement à la réalisation de la tâche spécifique ;
4° les informations sont dans le chef de l'institution demanderesse couvertes par une obligation de secret professionnel équivalent à celui prévu à l'article 35.
§ 3. La communication des informations confidentielles en vertu du paragraphe 1er ne peut être effectuée que sous une forme agrégée ou anonymisée, ou à défaut, que par un accès à l'information dans les locaux de la Banque.
§ 4. Dans la mesure où la communication d'informations implique le traitement de données à caractère personnel, tout traitement de telles données par l'institution demanderesse respecte les exigences du Règlement 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).".
"Art. 36/15. § 1er. Par dérogation à l'article 35 et dans les limites du droit de l'Union européenne, la Banque peut également communiquer des informations confidentielles :
1° au Fonds monétaire international et à la Banque mondiale, aux fins d'évaluations pour le Programme d'évaluation du secteur financier ;
2° à la Banque des règlements internationaux, aux fins d'analyses d'impact quantitatives ;
3° au Conseil de stabilité financière, aux fins de ses fonctions de surveillance.
§ 2. La Banque ne peut communiquer des informations confidentielles en vertu du paragraphe 1er qu'à la demande explicite de l'institution concernée et que s'il est satisfait aux conditions suivantes :
1° la demande est dûment justifiée au regard des tâches spécifiques effectuées par l'institution demanderesse, conformément à ses missions et les informations communiquées sont dès lors limitées à ce qui est strictement nécessaire pour la réalisation de ces tâches ;
2° la demande est suffisamment précise quant à la nature, à l'étendue et au format des informations demandées, ainsi qu'aux modalités de leur communication ;
3° les informations sont communiquées exclusivement aux personnes participant directement à la réalisation de la tâche spécifique ;
4° les informations sont dans le chef de l'institution demanderesse couvertes par une obligation de secret professionnel équivalent à celui prévu à l'article 35.
§ 3. La communication des informations confidentielles en vertu du paragraphe 1er ne peut être effectuée que sous une forme agrégée ou anonymisée, ou à défaut, que par un accès à l'information dans les locaux de la Banque.
§ 4. Dans la mesure où la communication d'informations implique le traitement de données à caractère personnel, tout traitement de telles données par l'institution demanderesse respecte les exigences du Règlement 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).".
Art. 8. In dezelfde wet wordt het opschrift van Hoofdstuk IV/4 als volgt vervangen:
"Hoofdstuk IV/4. Specifieke opdrachten van de Bank in verband met het voorkomen en het beheer van crisissen en risico's in de financiële sector.".
"Hoofdstuk IV/4. Specifieke opdrachten van de Bank in verband met het voorkomen en het beheer van crisissen en risico's in de financiële sector.".
Art. 8. Dans la même loi, l'intitulé du Chapitre IV/4 est remplacé par ce qui suit :
"Chapitre IV/4. Missions spécifiques de la Banque concernant la prévention et la gestion de crises et de risques dans le secteur financier.".
"Chapitre IV/4. Missions spécifiques de la Banque concernant la prévention et la gestion de crises et de risques dans le secteur financier.".
Art. 9. In Hoofdstuk IV/4 van dezelfde wet wordt een artikel 36/48 ingevoegd, luidende:
"Art. 36/48. De Bank oefent de opdrachten uit waarmee zij als sectorale overheid voor de sector financiën is belast krachtens de wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren.".
"Art. 36/48. De Bank oefent de opdrachten uit waarmee zij als sectorale overheid voor de sector financiën is belast krachtens de wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren.".
Art. 9. Dans le Chapitre IV/4 de la même loi il est inséré un article 36/48 rédigé comme suit :
"Art. 36/48. La Banque exerce les missions qui lui sont dévolues en tant qu'autorité sectorielle pour le secteur des finances en vertu de la loi du 1er juillet 2011 relative à la sécurité et la protection des infrastructures critiques.".
"Art. 36/48. La Banque exerce les missions qui lui sont dévolues en tant qu'autorité sectorielle pour le secteur des finances en vertu de la loi du 1er juillet 2011 relative à la sécurité et la protection des infrastructures critiques.".
Art. 10. In hetzelfde Hoofdstuk IV/4 wordt een artikel 36/49 ingevoegd, luidende:
"Art. 36/49. De Bank wordt aangeduid als administratieve overheid in de zin van artikel 22quinquies van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. De Bank is bevoegd voor de entiteiten van de sector financiën die zij als kritieke infrastructuur identificeert krachtens de wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren."
"Art. 36/49. De Bank wordt aangeduid als administratieve overheid in de zin van artikel 22quinquies van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. De Bank is bevoegd voor de entiteiten van de sector financiën die zij als kritieke infrastructuur identificeert krachtens de wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren."
Art. 10. Dans le même Chapitre IV/4, il est inséré un article 36/49 rédigé comme suit :
"Art. 36/49. La Banque est désignée comme autorité administrative dans le sens de l'article 22quinquies de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité. La Banque est compétente pour les entités du secteur des finances qu'elle identifie comme infrastructures critiques en vertu de la loi du 1er juillet 2011 relative à la sécurité et la protection des infrastructures critiques.".
"Art. 36/49. La Banque est désignée comme autorité administrative dans le sens de l'article 22quinquies de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité. La Banque est compétente pour les entités du secteur des finances qu'elle identifie comme infrastructures critiques en vertu de la loi du 1er juillet 2011 relative à la sécurité et la protection des infrastructures critiques.".
Art. 11. In hetzelfde Hoofdstuk IV/4 wordt een artikel 36/50 ingevoegd, luidende:
"Art. 36/50. § 1. De Bank oefent de opdrachten bedoeld in dit hoofdstuk uitsluitend in het algemeen belang uit. De Bank, de leden van haar organen en haar personeelsleden zijn niet burgerlijk aansprakelijk voor hun beslissingen, niet-optreden, handelingen of gedragingen in het kader van de uitoefening van deze opdrachten, behalve in geval van bedrog of zware fout.
§ 2. De Bank kan de werkingskosten die betrekking hebben op haar opdrachten bedoeld in de eerste paragraaf verhalen op de entiteiten ten aanzien waarvan zij die opdrachten uitoefent, volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning. De Bank kan de Algemene Administratie van de inning en invordering van de Federale Overheidsdienst Financiën belasten met de inning van de onbetaalde vergoedingen.".
"Art. 36/50. § 1. De Bank oefent de opdrachten bedoeld in dit hoofdstuk uitsluitend in het algemeen belang uit. De Bank, de leden van haar organen en haar personeelsleden zijn niet burgerlijk aansprakelijk voor hun beslissingen, niet-optreden, handelingen of gedragingen in het kader van de uitoefening van deze opdrachten, behalve in geval van bedrog of zware fout.
§ 2. De Bank kan de werkingskosten die betrekking hebben op haar opdrachten bedoeld in de eerste paragraaf verhalen op de entiteiten ten aanzien waarvan zij die opdrachten uitoefent, volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning. De Bank kan de Algemene Administratie van de inning en invordering van de Federale Overheidsdienst Financiën belasten met de inning van de onbetaalde vergoedingen.".
Art. 11. Dans le même Chapitre IV/4, il est inséré un article 36/50 rédigé comme suit :
"Art. 36/50. § 1er. La Banque exerce les compétences qui lui sont dévolues par le présent chapitre exclusivement dans l'intérêt général. Hormis en cas de fraude ou de faute grave, la Banque, les membres de ses organes et son personnel ne sont pas civilement responsables de leurs décisions, inactions, actes ou comportements dans l'exercice de cette mission.
§ 2. La Banque peut récupérer les frais de fonctionnement qui ont trait à ses compétences visées au paragraphe 1er, des entités pour lesquelles elle exerce ces compétences, selon les modalités fixées par le Roi. La Banque peut charger l'Administration générale de la perception et du recouvrement du Service public fédéral Finances du recouvrement des contributions impayées.".
"Art. 36/50. § 1er. La Banque exerce les compétences qui lui sont dévolues par le présent chapitre exclusivement dans l'intérêt général. Hormis en cas de fraude ou de faute grave, la Banque, les membres de ses organes et son personnel ne sont pas civilement responsables de leurs décisions, inactions, actes ou comportements dans l'exercice de cette mission.
§ 2. La Banque peut récupérer les frais de fonctionnement qui ont trait à ses compétences visées au paragraphe 1er, des entités pour lesquelles elle exerce ces compétences, selon les modalités fixées par le Roi. La Banque peut charger l'Administration générale de la perception et du recouvrement du Service public fédéral Finances du recouvrement des contributions impayées.".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen
CHAPITRE 3. - Modifications de la loi du 28 avril 1999 visant à transposer la directive 98/26/CE du 19 mai 1998 concernant le caractère définitif du règlement dans les systèmes de paiement et de règlement des opérations sur titres
Art. 12. In artikel 1/1 van de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen, laatst gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° "centrale tegenpartij": een centrale tegenpartij als bedoeld in artikel 2, punt 1) van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters;";
2° in het bepaalde onder 6° worden de woorden "of een systeemexploitant" vervangen door de woorden ", een systeemexploitant of een clearinglid van een centrale tegenpartij waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) nr. 648/2012".
1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° "centrale tegenpartij": een centrale tegenpartij als bedoeld in artikel 2, punt 1) van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters;";
2° in het bepaalde onder 6° worden de woorden "of een systeemexploitant" vervangen door de woorden ", een systeemexploitant of een clearinglid van een centrale tegenpartij waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) nr. 648/2012".
Art. 12. A l'article 1er/1 de la loi du 28 avril 1999 visant à transposer la directive 98/26/CE du 19 mai 1998 concernant le caractère définitif du règlement dans les systèmes de paiement et de règlement des opérations sur titres, modifiée en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° le 3° est remplacé comme suit :
"3° "contrepartie centrale" : une contrepartie centrale telle que visée à l'article 2, point 1), du Règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 sur les produits dérivés de gré à gré, les contreparties centrales et les référentiels centraux;";
2° dans le 6°, les mots "ou un opérateur de système" sont remplacés par les mots", un opérateur de système ou un membre compensateur d'une contrepartie centrale agréée conformément à l'article 17 du règlement (UE) n° 648/2012".
1° le 3° est remplacé comme suit :
"3° "contrepartie centrale" : une contrepartie centrale telle que visée à l'article 2, point 1), du Règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 sur les produits dérivés de gré à gré, les contreparties centrales et les référentiels centraux;";
2° dans le 6°, les mots "ou un opérateur de système" sont remplacés par les mots", un opérateur de système ou un membre compensateur d'une contrepartie centrale agréée conformément à l'article 17 du règlement (UE) n° 648/2012".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
CHAPITRE 4. - Modifications de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers
Art. 13. In artikel 2 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, laatst gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° er wordt een bepaling onder 10° /1 ingevoegd, luidende:
"10° /1 "lidstaat": een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER)";
2° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 73° tot 76°, luidende:
"73° "Verordening 575/2013": Verordening (EU) Nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;
74° "achtergesteld in aanmerking komend passief": een in aanmerking komend passief dat voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 72bis van Verordening 575/2013, met uitzondering van artikel 72bis, lid 1, punt b), en artikel 72ter, leden 3 tot 5, van die Verordening;
75° "aanvullend-tier 1-instrumenten": de instrumenten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 52, lid 1, van Verordening 575/2013;
76° "tier 2-instrumenten": de instrumenten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 63 van Verordening 575/2013".
1° er wordt een bepaling onder 10° /1 ingevoegd, luidende:
"10° /1 "lidstaat": een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER)";
2° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 73° tot 76°, luidende:
"73° "Verordening 575/2013": Verordening (EU) Nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;
74° "achtergesteld in aanmerking komend passief": een in aanmerking komend passief dat voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 72bis van Verordening 575/2013, met uitzondering van artikel 72bis, lid 1, punt b), en artikel 72ter, leden 3 tot 5, van die Verordening;
75° "aanvullend-tier 1-instrumenten": de instrumenten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 52, lid 1, van Verordening 575/2013;
76° "tier 2-instrumenten": de instrumenten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 63 van Verordening 575/2013".
Art. 13. Dans l'article 2 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° un 10° /1 est inséré, rédigé comme suit :
"10° /1 "Etat membre" : un Etat partie à l'Accord sur l'Espace économique européen (EEE)";
2° l'article est complété par les 73° à 76°, rédigés comme suit :
"73° "le Règlement 575/2013" : le Règlement (UE) N° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant les exigences prudentielles applicables aux établissements de crédit et aux entreprises d'investissement et modifiant le règlement (UE) no 648/2012 ;
74° "engagement éligible subordonné": un engagement éligible qui satisfait à toutes les conditions énoncées à l'article 72bis du Règlement 575/2013, à l'exception de l'article 72bis, paragraphe 1er, point b), et de l'article 72ter, paragraphes 3 à 5, de ce règlement ;
75° "instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1": les instruments qui remplissent les conditions de l'article 52, paragraphe 1er, du Règlement 575/2013 ;
76° "instruments de fonds propres de catégorie 2" : les instruments qui remplissent les conditions de l'article 63 du Règlement 575/2013".
1° un 10° /1 est inséré, rédigé comme suit :
"10° /1 "Etat membre" : un Etat partie à l'Accord sur l'Espace économique européen (EEE)";
2° l'article est complété par les 73° à 76°, rédigés comme suit :
"73° "le Règlement 575/2013" : le Règlement (UE) N° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant les exigences prudentielles applicables aux établissements de crédit et aux entreprises d'investissement et modifiant le règlement (UE) no 648/2012 ;
74° "engagement éligible subordonné": un engagement éligible qui satisfait à toutes les conditions énoncées à l'article 72bis du Règlement 575/2013, à l'exception de l'article 72bis, paragraphe 1er, point b), et de l'article 72ter, paragraphes 3 à 5, de ce règlement ;
75° "instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1": les instruments qui remplissent les conditions de l'article 52, paragraphe 1er, du Règlement 575/2013 ;
76° "instruments de fonds propres de catégorie 2" : les instruments qui remplissent les conditions de l'article 63 du Règlement 575/2013".
Art. 14. In dezelfde wet wordt een artikel 30quater ingevoegd, luidende:
"Art. 30quater. Onverminderd de regels die van toepassing zijn op het grondgebied van een andere lidstaat, zijn alle verkopen en andere overdrachten onder levenden, om niet of onder bezwarende titel, aan niet-professionele cliënten, van achtergestelde in aanmerking komende passiva, van aanvullend-tier 1-instrumenten of van tier 2-instrumenten met een minimumdenominatiebedrag van minder dan 100 000 euro, op het Belgisch grondgebied of vanuit België verboden.".
"Art. 30quater. Onverminderd de regels die van toepassing zijn op het grondgebied van een andere lidstaat, zijn alle verkopen en andere overdrachten onder levenden, om niet of onder bezwarende titel, aan niet-professionele cliënten, van achtergestelde in aanmerking komende passiva, van aanvullend-tier 1-instrumenten of van tier 2-instrumenten met een minimumdenominatiebedrag van minder dan 100 000 euro, op het Belgisch grondgebied of vanuit België verboden.".
Art. 14. Dans la même loi, il est inséré un article 30quater rédigé comme suit :
"Art. 30quater. Sans préjudice des règles applicables sur le territoire d'un autre Etat membre, sont interdits, sur le territoire belge ou au départ de la Belgique, toutes ventes et autres transferts entre vifs, à titre gratuit ou onéreux, à des clients de détail, d'engagements éligibles subordonnés, d'instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1 ou d'instruments de fonds propres de catégorie 2 dont le montant nominal minimal est inférieur à 100 000 euros.".
"Art. 30quater. Sans préjudice des règles applicables sur le territoire d'un autre Etat membre, sont interdits, sur le territoire belge ou au départ de la Belgique, toutes ventes et autres transferts entre vifs, à titre gratuit ou onéreux, à des clients de détail, d'engagements éligibles subordonnés, d'instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1 ou d'instruments de fonds propres de catégorie 2 dont le montant nominal minimal est inférieur à 100 000 euros.".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds
CHAPITRE 5. - Modifications de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution
Art. 15. In artikel 6/1, § 4 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds, ingevoegd bij de wet van 27 juni 2016, worden de woorden "in aanmerking komende verplichtingen" vervangen door de woorden "bail-inbare schulden".
Art. 15. Dans l'article 6/1, § 4, de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution, inséré par la loi du 27 juin 2016, les mots "engagements éligibles" sont remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne".
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen in de wet van 25 april 2014 op op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen
CHAPITRE 6. - Modifications de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse
Art. 16. In het opschrift van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt.
Art. 16. Dans l'intitulé de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse, les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés.
Art. 17. In artikel 1 van dezelfde wet worden de paragrafen 2 en 3 vervangen als volgt:
" § 2. Om het spaarderspubliek, de beleggers en de soliditeit en de goede werking van het financiële stelsel te beschermen, regelt deze wet de vestiging en de werkzaamheden van, alsook het toezicht op in België werkzame kredietinstellingen, en hun eventuele afwikkeling.
Hiertoe bepaalt zij de toezichtsopdracht van de Nationale Bank van België, in haar hoedanigheid van nationale bevoegde autoriteit, met name in het kader van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme.
De Boeken I tot XI en de Bijlagen I tot VI bij deze wet zorgen voor de gedeeltelijke, tot de kredietinstellingen beperkte omzetting
- van Richtlijn 2013/36/EU;
- van richtlijn 2011/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging van de richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/EG betreffende het aanvullende toezicht op financiële entiteiten in een financieel conglomeraat ("FICOD I"-Richtlijn), hierna "de FICOD I-Richtlijn" genoemd;
- van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad, hierna "Richtlijn 2014/59/EU" genoemd;
- van Richtlijn 2014/65/EU;
- van richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels, hierna "Richtlijn 2014/49/EU" genoemd; evenals
- van richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels, hierna "Richtlijn 97/9/EG" genoemd.
§ 3. Onder "kredietinstelling" wordt verstaan:
1° een Belgische of buitenlandse onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van gelddeposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening; en
2° een Belgische of buitenlandse onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het verrichten van beleggingsdiensten die bestaan in het handelen voor eigen rekening of het overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, indien:
a) de onderneming is geen grondstoffen- en emissierechtenhandelaar, instelling voor collectieve belegging, alternatieve instelling voor collectieve belegging of verzekeringsonderneming;
b) aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
(i) de totale waarde van de geconsolideerde activa van de onderneming is gelijk aan of bedraagt meer dan 30 miljard euro;
(ii) de totale waarde van de activa van de onderneming bedraagt minder dan 30 miljard euro, maar de onderneming maakt deel uit van een groep waarin de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen binnen die groep, die elk afzonderlijk minder dan 30 miljard euro aan totale activa bezitten, en die beleggingsdiensten verrichten die bestaan in het handelen voor eigen rekening of het overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, gelijk is aan of meer dan 30 miljard euro bedraagt; of
(iii) de totale waarde van de activa van de onderneming bedraagt minder dan 30 miljard euro, maar de onderneming maakt deel uit van een groep waarin de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen binnen de groep die beleggingsdiensten verrichten die bestaan in het handelen voor eigen rekening of het overnemen van instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, gelijk is aan of meer dan 30 miljard euro bedraagt, wanneer de consoliderende toezichthouder in overleg met het college van bevoegde autoriteiten daartoe beslist om potentiële risico's van omzeiling van de regelgeving en potentiële risico's voor de financiële stabiliteit van de Europese Unie aan te pakken; en
c) de onderneming valt niet onder de vrijstellingen bedoeld in artikel 4, § 1 van de wet van 25 oktober 2016.
Voor de toepassing van punt 2°, b), onder (ii) en (iii), worden, wanneer de onderneming deel uitmaakt van een groep uit een derde land, de totale activa van ieder bijkantoor van de groep uit een derde land waaraan een vergunning is verleend in de Europese Unie in de zin van artikel 218/1, § 2, 2° meegerekend in de gecombineerde totale waarde van de activa van alle ondernemingen van de groep.
Voor de toepassing van deze wet worden diensten die bestaan in het in ontvangst nemen van terugbetaalbare geldmiddelen en het verlenen van kredieten en die uitsluitend worden aangeboden of verstrekt aan Amerikaanse onderdanen die tewerkgesteld zijn in de militaire bases, of bij de ondersteunende diensten ervan, van het Algemeen Hoofdkwartier van de Geallieerde Mogendheden in Europa (SHAPE) die aanwezig zijn op het Belgische grondgebied in het kader van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), of bij de vertegenwoordiging van de regering van de Verenigde Staten op het Belgische grondgebied, evenals aan dergelijke personen die gepensioneerd zijn, en aan personen die deel uitmaken van het gezin van de voornoemde Amerikaanse onderdanen, beschouwd als diensten die niet aan het publiek in België worden aangeboden of verstrekt.".
" § 2. Om het spaarderspubliek, de beleggers en de soliditeit en de goede werking van het financiële stelsel te beschermen, regelt deze wet de vestiging en de werkzaamheden van, alsook het toezicht op in België werkzame kredietinstellingen, en hun eventuele afwikkeling.
Hiertoe bepaalt zij de toezichtsopdracht van de Nationale Bank van België, in haar hoedanigheid van nationale bevoegde autoriteit, met name in het kader van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme.
De Boeken I tot XI en de Bijlagen I tot VI bij deze wet zorgen voor de gedeeltelijke, tot de kredietinstellingen beperkte omzetting
- van Richtlijn 2013/36/EU;
- van richtlijn 2011/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging van de richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/EG betreffende het aanvullende toezicht op financiële entiteiten in een financieel conglomeraat ("FICOD I"-Richtlijn), hierna "de FICOD I-Richtlijn" genoemd;
- van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad, hierna "Richtlijn 2014/59/EU" genoemd;
- van Richtlijn 2014/65/EU;
- van richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels, hierna "Richtlijn 2014/49/EU" genoemd; evenals
- van richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels, hierna "Richtlijn 97/9/EG" genoemd.
§ 3. Onder "kredietinstelling" wordt verstaan:
1° een Belgische of buitenlandse onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van gelddeposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening; en
2° een Belgische of buitenlandse onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het verrichten van beleggingsdiensten die bestaan in het handelen voor eigen rekening of het overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, indien:
a) de onderneming is geen grondstoffen- en emissierechtenhandelaar, instelling voor collectieve belegging, alternatieve instelling voor collectieve belegging of verzekeringsonderneming;
b) aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
(i) de totale waarde van de geconsolideerde activa van de onderneming is gelijk aan of bedraagt meer dan 30 miljard euro;
(ii) de totale waarde van de activa van de onderneming bedraagt minder dan 30 miljard euro, maar de onderneming maakt deel uit van een groep waarin de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen binnen die groep, die elk afzonderlijk minder dan 30 miljard euro aan totale activa bezitten, en die beleggingsdiensten verrichten die bestaan in het handelen voor eigen rekening of het overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, gelijk is aan of meer dan 30 miljard euro bedraagt; of
(iii) de totale waarde van de activa van de onderneming bedraagt minder dan 30 miljard euro, maar de onderneming maakt deel uit van een groep waarin de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen binnen de groep die beleggingsdiensten verrichten die bestaan in het handelen voor eigen rekening of het overnemen van instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, gelijk is aan of meer dan 30 miljard euro bedraagt, wanneer de consoliderende toezichthouder in overleg met het college van bevoegde autoriteiten daartoe beslist om potentiële risico's van omzeiling van de regelgeving en potentiële risico's voor de financiële stabiliteit van de Europese Unie aan te pakken; en
c) de onderneming valt niet onder de vrijstellingen bedoeld in artikel 4, § 1 van de wet van 25 oktober 2016.
Voor de toepassing van punt 2°, b), onder (ii) en (iii), worden, wanneer de onderneming deel uitmaakt van een groep uit een derde land, de totale activa van ieder bijkantoor van de groep uit een derde land waaraan een vergunning is verleend in de Europese Unie in de zin van artikel 218/1, § 2, 2° meegerekend in de gecombineerde totale waarde van de activa van alle ondernemingen van de groep.
Voor de toepassing van deze wet worden diensten die bestaan in het in ontvangst nemen van terugbetaalbare geldmiddelen en het verlenen van kredieten en die uitsluitend worden aangeboden of verstrekt aan Amerikaanse onderdanen die tewerkgesteld zijn in de militaire bases, of bij de ondersteunende diensten ervan, van het Algemeen Hoofdkwartier van de Geallieerde Mogendheden in Europa (SHAPE) die aanwezig zijn op het Belgische grondgebied in het kader van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), of bij de vertegenwoordiging van de regering van de Verenigde Staten op het Belgische grondgebied, evenals aan dergelijke personen die gepensioneerd zijn, en aan personen die deel uitmaken van het gezin van de voornoemde Amerikaanse onderdanen, beschouwd als diensten die niet aan het publiek in België worden aangeboden of verstrekt.".
Art. 17. Dans l'article 1er de la même loi, les paragraphes 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit :
" § 2. La présente loi a pour objet de régler, dans un but de protection de l'épargne publique, des investisseurs et de la solidité et du bon fonctionnement du système financier, l'établissement, l'activité et le contrôle des établissements de crédit opérant en Belgique, ainsi que leur résolution éventuelle.
A cet égard, elle précise la mission de contrôle de la Banque nationale de Belgique, en sa qualité d'autorité compétente nationale, notamment dans le cadre du Mécanisme de surveillance unique.
Les Livres Ier à XI ainsi que les Annexes I à VI de la présente loi assurent la transposition partielle, limitée aux établissements de crédit,
- de la Directive 2013/36/UE ;
- de la directive 2011/89/UE du Parlement européen et du Conseil du 16 novembre 2011 modifiant les directives 98/78/CE, 2002/87/CE, 2006/48/CE et 2009/138/CE en ce qui concerne la surveillance complémentaire des entités financières des conglomérats financiers (Directive "FICOD I"), ci-après "la Directive FICOD I" ;
- de la directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et la résolution des établissements de crédit et des entreprises d'investissement et modifiant la directive 82/891/CEE du Conseil ainsi que les directives du Parlement européen et du Conseil 2001/24/CE, 2002/47/CE, 2004/25/CE, 2005/56/CE, 2007/36/CE, 2011/35/UE, 2012/30/UE et 2013/36/UE et les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) N° 1093/2010 et (UE) N° 648/2012, ci-après "la Directive 2014/59/UE" ;
- de la Directive 2014/65/UE ;
- de la directive 2014/49/UE du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relative aux systèmes de garantie des dépôts, ci-après "la Directive 2014/49/UE" ; ainsi que
- de la directive 97/9/CE du Parlement européen et du Conseil du 3 mars 1997 relative aux systèmes d'indemnisation des investisseurs, ci-après "la Directive 97/9/CE".
§ 3. Sont définies comme établissement de crédit :
1° les entreprises belges ou étrangères dont l'activité consiste à recevoir du public des dépôts d'argent ou d'autres fonds remboursables et à octroyer des crédits pour leur propre compte ; et
2° les entreprises belges ou étrangères dont l'activité consiste à exercer des services d'investissement consistant dans la négociation pour compte propre ou la prise ferme d'instruments financiers et/ou le placement d'instruments financiers avec engagement ferme, lorsque :
a) l'entreprise ne qualifie pas comme un négociant en matières premières et quotas d'émission, un organisme de placement collectif, un organisme de placement collectif alternatif ou une entreprise d'assurance ;
b) l'une des conditions suivantes est remplie :
(i) la valeur totale des actifs consolidés de l'entreprise atteint ou dépasse 30 milliards d'euros ;
(ii) la valeur totale des actifs de l'entreprise est inférieure à 30 milliards d'euros mais l'entreprise fait partie d'un groupe dans lequel la valeur totale des actifs consolidés de toutes les entreprises de ce groupe, qui chacunes prises individuellement ont un actif total inférieur à 30 milliards d'euros, et qui exercent des services d'investissement consistant dans la négociation pour compte propre ou la prise ferme d'instruments financiers et/ou le placement d'instruments financiers avec engagement ferme, atteint ou dépasse 30 milliards d'euros ; ou
(iii) la valeur totale des actifs de l'entreprise est inférieure à 30 milliards d'euros mais l'entreprise fait partie d'un groupe dans lequel la valeur totale des actifs consolidés de toutes les entreprises du groupe qui exercent des services d'investissement consistant dans la négociation pour compte propre ou la prise ferme d'instruments financiers et/ou le placement d'instruments financiers avec engagement ferme, atteint ou dépasse 30 milliards d'euros, lorsque l'autorité de surveillance sur base consolidée, en concertation avec le collège d'autorités compétentes, prend une décision en ce sens afin de remédier à des risques possibles de contournement de la réglementation et à d'éventuels risques pour la stabilité financière de l'Union européenne ; et
c) l'entreprise n'est pas visée par les cas d'exemption prévus à l'article 4, § 1er de la loi du 25 octobre 2016.
Aux fins des points 2°, b), (ii) et (iii), lorsque l'entreprise fait partie d'un groupe de pays tiers, le total des actifs de chaque succursale du groupe de pays tiers agréée dans l'Union européenne au sens de l'article 218/1, § 2, 2° doit être compris dans la valeur totale combinée des actifs de toutes les entreprises du groupe.
Pour les besoins de la présente loi, les services de réception de fonds remboursables et d'octroi de crédits offerts ou fournis exclusivement aux ressortissants américains affectés aux bases militaires, ou leurs services de support, du Grand Quartier général des puissances alliées en Europe (Shape) présentes sur le territoire belge dans le cadre de l'Organisation du Traité de l'Atlantique Nord (OTAN) ou à la représentation du gouvernement des Etats-Unis sur le territoire belge ainsi qu'à de telles personnes retraitées et aux personnes faisant partie du ménage des ressortissants précités, sont considérés comme n'étant pas offerts ou fournis au public en Belgique.".
" § 2. La présente loi a pour objet de régler, dans un but de protection de l'épargne publique, des investisseurs et de la solidité et du bon fonctionnement du système financier, l'établissement, l'activité et le contrôle des établissements de crédit opérant en Belgique, ainsi que leur résolution éventuelle.
A cet égard, elle précise la mission de contrôle de la Banque nationale de Belgique, en sa qualité d'autorité compétente nationale, notamment dans le cadre du Mécanisme de surveillance unique.
Les Livres Ier à XI ainsi que les Annexes I à VI de la présente loi assurent la transposition partielle, limitée aux établissements de crédit,
- de la Directive 2013/36/UE ;
- de la directive 2011/89/UE du Parlement européen et du Conseil du 16 novembre 2011 modifiant les directives 98/78/CE, 2002/87/CE, 2006/48/CE et 2009/138/CE en ce qui concerne la surveillance complémentaire des entités financières des conglomérats financiers (Directive "FICOD I"), ci-après "la Directive FICOD I" ;
- de la directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et la résolution des établissements de crédit et des entreprises d'investissement et modifiant la directive 82/891/CEE du Conseil ainsi que les directives du Parlement européen et du Conseil 2001/24/CE, 2002/47/CE, 2004/25/CE, 2005/56/CE, 2007/36/CE, 2011/35/UE, 2012/30/UE et 2013/36/UE et les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) N° 1093/2010 et (UE) N° 648/2012, ci-après "la Directive 2014/59/UE" ;
- de la Directive 2014/65/UE ;
- de la directive 2014/49/UE du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relative aux systèmes de garantie des dépôts, ci-après "la Directive 2014/49/UE" ; ainsi que
- de la directive 97/9/CE du Parlement européen et du Conseil du 3 mars 1997 relative aux systèmes d'indemnisation des investisseurs, ci-après "la Directive 97/9/CE".
§ 3. Sont définies comme établissement de crédit :
1° les entreprises belges ou étrangères dont l'activité consiste à recevoir du public des dépôts d'argent ou d'autres fonds remboursables et à octroyer des crédits pour leur propre compte ; et
2° les entreprises belges ou étrangères dont l'activité consiste à exercer des services d'investissement consistant dans la négociation pour compte propre ou la prise ferme d'instruments financiers et/ou le placement d'instruments financiers avec engagement ferme, lorsque :
a) l'entreprise ne qualifie pas comme un négociant en matières premières et quotas d'émission, un organisme de placement collectif, un organisme de placement collectif alternatif ou une entreprise d'assurance ;
b) l'une des conditions suivantes est remplie :
(i) la valeur totale des actifs consolidés de l'entreprise atteint ou dépasse 30 milliards d'euros ;
(ii) la valeur totale des actifs de l'entreprise est inférieure à 30 milliards d'euros mais l'entreprise fait partie d'un groupe dans lequel la valeur totale des actifs consolidés de toutes les entreprises de ce groupe, qui chacunes prises individuellement ont un actif total inférieur à 30 milliards d'euros, et qui exercent des services d'investissement consistant dans la négociation pour compte propre ou la prise ferme d'instruments financiers et/ou le placement d'instruments financiers avec engagement ferme, atteint ou dépasse 30 milliards d'euros ; ou
(iii) la valeur totale des actifs de l'entreprise est inférieure à 30 milliards d'euros mais l'entreprise fait partie d'un groupe dans lequel la valeur totale des actifs consolidés de toutes les entreprises du groupe qui exercent des services d'investissement consistant dans la négociation pour compte propre ou la prise ferme d'instruments financiers et/ou le placement d'instruments financiers avec engagement ferme, atteint ou dépasse 30 milliards d'euros, lorsque l'autorité de surveillance sur base consolidée, en concertation avec le collège d'autorités compétentes, prend une décision en ce sens afin de remédier à des risques possibles de contournement de la réglementation et à d'éventuels risques pour la stabilité financière de l'Union européenne ; et
c) l'entreprise n'est pas visée par les cas d'exemption prévus à l'article 4, § 1er de la loi du 25 octobre 2016.
Aux fins des points 2°, b), (ii) et (iii), lorsque l'entreprise fait partie d'un groupe de pays tiers, le total des actifs de chaque succursale du groupe de pays tiers agréée dans l'Union européenne au sens de l'article 218/1, § 2, 2° doit être compris dans la valeur totale combinée des actifs de toutes les entreprises du groupe.
Pour les besoins de la présente loi, les services de réception de fonds remboursables et d'octroi de crédits offerts ou fournis exclusivement aux ressortissants américains affectés aux bases militaires, ou leurs services de support, du Grand Quartier général des puissances alliées en Europe (Shape) présentes sur le territoire belge dans le cadre de l'Organisation du Traité de l'Atlantique Nord (OTAN) ou à la représentation du gouvernement des Etats-Unis sur le territoire belge ainsi qu'à de telles personnes retraitées et aux personnes faisant partie du ménage des ressortissants précités, sont considérés comme n'étant pas offerts ou fournis au public en Belgique.".
Art. 18. In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt:
"4° de toezichthouder: de Bank of de Europese Centrale Bank, volgens de bevoegdheidsverdeling vastgelegd door of krachtens de GTM-verordening, voor wat betreft het toezicht op de kredietinstellingen;";
2° er wordt een bepaling onder 8° /8 ingevoegd, luidende:
"8° /8 Richtlijn 2015/849/EU: de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie;";
3° de bepaling onder 10° wordt vervangen als volgt:
"10° bevoegde autoriteit: een overheidsinstantie of een instelling die met toepassing van Richtlijn 2013/36/EU officieel erkend is door het nationaal recht van een lidstaat en die op grond van dat nationaal recht gemachtigd is toezicht uit te oefenen op kredietinstellingen in het kader van het toezichtstelsel van die staat, evenals, in voorkomend geval, de Europese Centrale Bank, uit hoofde van haar bevoegdheden in het kader van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme;";
4° de bepaling onder 12° wordt vervangen als volgt:
"12° autoriteit van een derde land: een autoriteit die belast is met het toezicht op de kredietinstellingen in een derde land;";
5° er wordt een bepaling onder 24° /2 ingevoegd, luidende:
"24° /2 wet van 18 september 2017: de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;";
6° de bepaling onder 30° wordt vervangen als volgt:
"30° significante kredietinstelling: een kredietinstelling die voldoet aan minstens een van de volgende voorwaarden:
a) een systeemrelevante kredietinstelling;
b) een kredietinstelling die krachtens artikel 6, leden 4 en 5, onder b), van de GTM-verordening onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staat;
c) een kredietinstelling waarvan de waarde van de activa bepaald op grond van artikel 24 van Verordening nr. 575/2013 gemiddeld en op individuele basis, of, indien niet beschikbaar, op geconsolideerde basis, meer dan 5 miljard euro bedraagt over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan het lopende boekjaar.
De toezichthouder kan beslissen dat een kredietinstelling die voldoet aan de voorwaarde onder b) en die de onder c) bepaalde drempel niet overschrijdt als niet significante kredietinstelling wordt aangemerkt wegens haar omvang, haar interne organisatie en de aard, de omvang, de complexiteit en het grensoverschrijdende karakter van haar werkzaamheden;";
7° er wordt een bepaling onder 33° /1 ingevoegd, luidende:
"33° /1 beursvennootschap: een beleggingsonderneming naar Belgisch of buitenlands recht waarvan de werkzaamheden met name bestaan in het verrichten:
a) van beleggingsdiensten die bestaan in:
- het handelen voor eigen rekening;
- het overnemen van financiële instrumenten en/of plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie;
- het plaatsen van financiële instrumenten zonder plaatsingsgarantie;
- het uitbaten van multilaterale handelsfaciliteiten; of
- het uitbaten van georganiseerde handelsfaciliteiten; en/of;
b) van nevendiensten die bestaan in:
- bewaring en beheer van financiële instrumenten voor rekening van cliënten, met inbegrip van bewaarnemingsdiensten en daarmee samenhangende diensten zoals contanten- en/of zekerhedenbeheer en met uitzondering van het centraal aanhouden van effectenrekeningen op het hoogste niveau;
- het verstrekken van kredieten of leningen aan een belegger om deze in staat te stellen een transactie in één of meer financiële instrumenten te verrichten, bij welke transactie de onderneming die het krediet of de lening verstrekt, betrokken is;
- valutawisseldiensten voor zover deze samenhangen met het verrichten van beleggingsdiensten; of
- diensten in verband met het overnemen van financiële instrumenten;
voor zover aan geen enkele van de voorwaarden van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, b) is voldaan.";
8° de bepaling onder 38° wordt vervangen als volgt:
"38° financiële holding: een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk één of meer kredietinstellingen of financiële instellingen zijn, en die geen gemengde financiële holding is. De dochterondernemingen van een financiële instelling zijn hoofdzakelijk kredietinstellingen of financiële instellingen indien ten minste één van de dochterondernemingen een kredietinstelling is en indien meer dan 50 % van het eigen vermogen, de geconsolideerde activa, de inkomsten, het personeel van de financiële instelling of een andere indicator die als relevant wordt beschouwd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de financiële holding is gevestigd, en, indien dit een andere autoriteit is, in overleg met de consoliderende toezichthouder, verbonden is met dochterondernemingen die kredietinstellingen of financiële instellingen zijn;";
9° de bepaling onder 41° wordt vervangen als volgt:
"41° financiële instelling: een onderneming die geen kredietinstelling en evenmin een zuiver industriële holding is en waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de werkzaamheden bedoeld in de punten 2 tot 12 en punt 15 van de in artikel 4 opgenomen lijst;";
10° de bepaling onder 46° wordt vervangen als volgt:
"46° kritieke functies: de werkzaamheden, diensten of verrichtingen van een kredietinstelling waarvan het waarschijnlijk is dat de onderbreking tot een verstoring leidt, in België of in een of meer andere lidstaten, van diensten die essentieel zijn voor de reële economie, of de financiële stabiliteit verstoort, wegens de omvang, het marktaandeel, de verwevenheid met entiteiten binnen en buiten de groep, de complexiteit of de grensoverschrijdende werkzaamheden van de kredietinstelling of de groep waarvan zij deel uitmaakt, met bijzondere aandacht voor de vervangbaarheid van die werkzaamheden, diensten of verrichtingen;";
11° de bepaling onder 50° wordt vervangen als volgt:
"50° herstelplan: een plan dat overeenkomstig artikel 108 wordt opgesteld door een kredietinstelling;";
12° de bepaling onder 51° wordt vervangen als volgt:
"51° afwikkelingsplan: een plan dat overeenkomstig artikel 226 voor een kredietinstelling wordt opgesteld door de afwikkelingsautoriteit;";
13° de bepaling onder 53° wordt vervangen als volgt:
"53° afwikkelbaarheid: de mogelijkheid voor een afwikkelingsautoriteit om een kredietinstelling, een groep als bedoeld in artikel 423, 12° of een entiteit als bedoeld in artikel 424 af te wikkelen;";
14° de bepaling onder 56° wordt vervangen als volgt:
"56° saneringsmaatregelen: de maatregelen die bestemd zijn om de financiële positie van een kredietinstelling in stand te houden of te herstellen en van dien aard zijn dat zij de bestaande rechten van derden kunnen aantasten. Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen bestaan deze maatregelen in:
a) de afwikkelingsinstrumenten en de desbetreffende afwikkelingsbevoegdheden als bedoeld in Boek II, Titel VIII;
b) de in artikel 236, § 1, 1° bedoelde aanstelling van een speciaal commissaris;
c) de schorsing of het verbod tot uitoefening van alle of een deel van de werkzaamheden, als bedoeld in artikel 236, § 1, 4° ;";
15° de bepaling onder 57° wordt vervangen als volgt:
"57° saneringsautoriteiten: de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van saneringsmaatregelen. Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen zijn dit de afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder wat hun respectieve bevoegdheid inzake saneringsmaatregelen betreft;";
16° de bepaling onder 59° wordt vervangen als volgt:
"59° liquidatieprocedure: een collectieve procedure die door administratieve of rechterlijke autoriteiten wordt ingeleid en gecontroleerd teneinde de activa van een kredietinstelling onder toezicht van deze autoriteiten te gelde te maken. Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen stemt een dergelijke procedure overeen met een faillissement als geregeld bij Boek XX van het wetboek van economisch recht;";
17° de bepaling onder 60° wordt vervangen als volgt:
"60° vereffening: de tegeldemaking van de activa van een kredietinstelling volgens een liquidatieprocedure;";
18° de bepaling onder 61° wordt vervangen als volgt:
"61° liquidatieautoriteiten: de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van liquidatieprocedures. Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen is dit de insolventierechtbank wat haar bevoegdheid op het gebied van faillissementen betreft;";
19° de bepaling onder 63° wordt vervangen als volgt:
"63° strategische beslissing:
1) een beslissing genomen door een kredietinstelling of door een entiteit waarover zij controle heeft, wanneer deze beslissing een zeker belang heeft en daardoor een globalere impact kan hebben op de instelling, in de mate dat zij gevolgen heeft voor verschillende functies van de instelling, en die betrekking heeft op elke investering, desinvestering, deelneming of strategische samenwerkingsrelatie van de instelling, met name een beslissing tot aankoop of oprichting van een andere instelling, tot oprichting van een joint venture, tot vestiging in een andere staat, tot het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst, tot het inbrengen of het kopen van een bedrijfstak, tot het aangaan van een fusie of een splitsing, of in de mate dat zij leidt tot de initiële toelating van de kapitaalvertegenwoordigende effecten tot de handel op een handelsplatform. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank nader bepalen welke beslissingen als strategisch moeten worden beschouwd in de zin van deze bepaling, met name rekening houdend met het risicoprofiel en de aard van de werkzaamheden van de instellingen, of, in voorkomend geval, de groep waartoe ze behoren. Zij maakt deze nadere bepalingen openbaar;
2) elke beslissing die gelijkaardige gevolgen heeft voor de kredietinstelling en die genomen wordt door een aandeelhouder die controle uitoefent over de instelling;";
20° de bepaling onder 64° wordt vervangen als volgt:
"64° bijkantoor: een bedrijfszetel die een deel zonder rechtspersoonlijkheid vormt en rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, handelingen verricht die specifiek zijn voor de werkzaamheden van een kredietinstelling; verschillende bedrijfszetels in eenzelfde staat van een kredietinstelling met maatschappelijke zetel in een andere staat worden beschouwd als één enkel bijkantoor;";
21° de bepaling onder 67° wordt vervangen als volgt:
"67° uitzonderlijke overheidssteun: elke staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die aan een kredietinstelling wordt verstrekt om de levensvatbaarheid, liquiditeit of solvabiliteit van deze kredietinstelling te vrijwaren of te herstellen;";
22° de bepaling onder 75° wordt vervangen als volgt:
"75° derde bemiddelaar: een bemiddelaar als bedoeld in artikel 65/1 waarbij een kredietinstelling tegoeden van cliënten deponeert;";
23° de bepaling onder 83° wordt vervangen als volgt:
"83° onafhankelijk bestuurder of onafhankelijk lid van het wettelijk bestuursorgaan: personen die voldoen aan de criteria die zijn vastgesteld door de Europese Bankautoriteit, in voorkomend geval samen met de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten, en aan de volgende criteria:
a) gedurende een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan hun benoeming, noch in de kredietinstelling, noch in een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, een mandaat van uitvoerend lid van het bestuursorgaan, een functie van lid van de directieraad of van het directiecomité of van persoon belast met het dagelijks bestuur hebben uitgeoefend;
b) niet meer dan drie opeenvolgende mandaten als niet uitvoerend lid in het bestuursorgaan hebben uitgeoefend, zonder dat dit tijdvak langer mag zijn dan twaalf jaar;
c) gedurende een tijdvak van drie jaar voorafgaand aan hun benoeming, geen deel hebben uitgemaakt van het leidinggevend personeel in de zin van artikel 19, 2°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, van de kredietinstelling of van een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen;
d) geen vergoeding of ander belangrijk voordeel van vermogensrechtelijke aard ontvangen of hebben ontvangen van de kredietinstelling of van een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, buiten de tantièmes en de vergoeding die zij eventueel ontvangen of hebben ontvangen als niet-uitvoerend lid van het bestuursorgaan of als lid van het toezichthoudend orgaan;
e) i) geen maatschappelijke rechten bezitten die een tiende of meer vertegenwoordigen van het kapitaal, van het eigen vermogen of van een soort aandelen of van de stemrechten van de kredietinstelling;
ii) indien zij maatschappelijke rechten bezitten die een quotum van minder dan 10 % vertegenwoordigen:
- mogen die maatschappelijke rechten samen met de maatschappelijke rechten die in dezelfde kredietinstelling worden aangehouden door vennootschappen waarover de onafhankelijke bestuurder controle heeft, geen tiende bereiken van het kapitaal, van het eigen vermogen, van de stemrechten of van een soort aandelen van de kredietinstelling; of
- mogen de daden van beschikking over die aandelen of de uitoefening van de daaraan verbonden rechten niet onderworpen zijn aan overeenkomsten of aan eenzijdige verbintenissen die het onafhankelijk lid van het wettelijk bestuursorgaan heeft aangegaan;
- in geen geval een aandeelhouder vertegenwoordigen die onder de voorwaarden valt van dit punt;
f) geen significante zakelijke relatie hebben of in het voorbije boekjaar hebben gehad met de kredietinstelling of met een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen of Verenigingen, noch rechtstreeks noch als vennoot, aandeelhouder, lid van het bestuursorgaan of lid van het leidinggevend personeel in de zin van artikel 19, 2°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, van een vennootschap of persoon die een dergelijke relatie onderhoudt;
g) in de voorbije drie jaar geen vennoot of werknemer zijn geweest van de huidige of vorige commissaris van de kredietinstelling of van een daarmee verbonden vennootschap of persoon in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen;
h) geen uitvoerend lid zijn van het bestuursorgaan van een andere vennootschap waarin een uitvoerend lid van het bestuursorgaan van de kredietinstelling zitting heeft in de hoedanigheid van niet-uitvoerend lid van het bestuursorgaan of lid van het toezichthoudend orgaan, en geen andere belangrijke banden hebben met de uitvoerende leden van het bestuursorgaan van de kredietinstelling uit hoofde van functies bij andere vennootschappen of organen;
i) geen echtgenoot, wettelijk samenwonende partner of bloed- of aanverwanten tot de tweede graad hebben die in de kredietinstelling of in een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, een mandaat van lid van het bestuursorgaan, lid van de directieraad, lid van het directiecomité, persoon belast met het dagelijks bestuur of lid van het leidinggevend personeel, in de zin van artikel 19, 2°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, uitoefenen, of die zich in een van de andere in de punten a) tot h) beschreven gevallen bevinden.
Het benoemingsbesluit maakt melding van de motieven op grond waarvan de hoedanigheid van onafhankelijk bestuurder wordt toegekend. De Koning, alsook de statuten, kunnen in bijkomende of strengere criteria voorzien.
Mits hiervoor een terdege onderbouwde rechtvaardiging wordt verstrekt en onder voorbehoud van een andersluidende beoordeling door de toezichthouder, die de gegrondheid van deze rechtvaardiging verifieert, kan een kredietinstelling van de voornoemde criteria afwijken.;";
24° het wordt aangevuld met een bepaling onder 84°, luidende:
"84° grondstoffen- en emissierechtenhandelaar: een onderneming waarvan de hoofdactiviteit uitsluitend bestaat in het verrichten van beleggingsdiensten of -activiteiten met betrekking tot grondstoffenderivaten of grondstofgerelateerde derivatencontracten als bedoeld in de punten e), f), g), i en j) van artikel 2, eerste lid, 1° van de wet van 2 augustus 2002 of emissierechtengerelateerde derivatencontracten als bedoeld in punt d) van dat artikel, of emissierechten als bedoeld in punt k) van dat artikel;";
25° het wordt aangevuld met de bepalingen onder 85°, 86°, 87°, 88°, 89°, 90°, 91°, 92° en 93°, luidende:
"85° groep: een geheel van ondernemingen waarvan er minstens één een kredietinstelling is en dat gevormd wordt door een moederonderneming en haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd;
86° groep uit een derde land: een groep waarvan de moederonderneming onder een derde land ressorteert;
87° genderneutraal beloningsbeleid: een beloningsbeleid dat gebaseerd is op gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid;
88° MSI: een mondiaal systeemrelevante kredietinstelling als bedoeld in artikel 12, tweede lid van Bijlage IV;
89° BSI: een binnenlandse systeemrelevante instelling als bedoeld in artikel 12, derde lid van Bijlage IV;
90° risico van buitensporige hefboomwerking: het risico dat voortvloeit uit de kwetsbaarheid van een instelling als gevolg van een hefboomwerking of mogelijke hefboomwerking die onbedoelde corrigerende maatregelen in haar bedrijfsplan kan vereisen, met inbegrip van noodverkopen van activa die in verliezen of waarderingsaanpassingen in haar resterende activa kunnen resulteren;
91° hefboomratio: het eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 92, lid 1, d) van Verordening nr. 575/2013;
92° hefboomratiobuffer: het eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013;
93° niet-EU mondiaal systeemrelevante instelling of niet-EU MSI: een mondiaal systeemrelevante kredietinstelling of bankgroep (MSB) die geen MSI is en is opgenomen in de lijst met MSB's die wordt bekendgemaakt door de Raad voor financiële stabiliteit;".
1° de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt:
"4° de toezichthouder: de Bank of de Europese Centrale Bank, volgens de bevoegdheidsverdeling vastgelegd door of krachtens de GTM-verordening, voor wat betreft het toezicht op de kredietinstellingen;";
2° er wordt een bepaling onder 8° /8 ingevoegd, luidende:
"8° /8 Richtlijn 2015/849/EU: de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie;";
3° de bepaling onder 10° wordt vervangen als volgt:
"10° bevoegde autoriteit: een overheidsinstantie of een instelling die met toepassing van Richtlijn 2013/36/EU officieel erkend is door het nationaal recht van een lidstaat en die op grond van dat nationaal recht gemachtigd is toezicht uit te oefenen op kredietinstellingen in het kader van het toezichtstelsel van die staat, evenals, in voorkomend geval, de Europese Centrale Bank, uit hoofde van haar bevoegdheden in het kader van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme;";
4° de bepaling onder 12° wordt vervangen als volgt:
"12° autoriteit van een derde land: een autoriteit die belast is met het toezicht op de kredietinstellingen in een derde land;";
5° er wordt een bepaling onder 24° /2 ingevoegd, luidende:
"24° /2 wet van 18 september 2017: de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;";
6° de bepaling onder 30° wordt vervangen als volgt:
"30° significante kredietinstelling: een kredietinstelling die voldoet aan minstens een van de volgende voorwaarden:
a) een systeemrelevante kredietinstelling;
b) een kredietinstelling die krachtens artikel 6, leden 4 en 5, onder b), van de GTM-verordening onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staat;
c) een kredietinstelling waarvan de waarde van de activa bepaald op grond van artikel 24 van Verordening nr. 575/2013 gemiddeld en op individuele basis, of, indien niet beschikbaar, op geconsolideerde basis, meer dan 5 miljard euro bedraagt over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan het lopende boekjaar.
De toezichthouder kan beslissen dat een kredietinstelling die voldoet aan de voorwaarde onder b) en die de onder c) bepaalde drempel niet overschrijdt als niet significante kredietinstelling wordt aangemerkt wegens haar omvang, haar interne organisatie en de aard, de omvang, de complexiteit en het grensoverschrijdende karakter van haar werkzaamheden;";
7° er wordt een bepaling onder 33° /1 ingevoegd, luidende:
"33° /1 beursvennootschap: een beleggingsonderneming naar Belgisch of buitenlands recht waarvan de werkzaamheden met name bestaan in het verrichten:
a) van beleggingsdiensten die bestaan in:
- het handelen voor eigen rekening;
- het overnemen van financiële instrumenten en/of plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie;
- het plaatsen van financiële instrumenten zonder plaatsingsgarantie;
- het uitbaten van multilaterale handelsfaciliteiten; of
- het uitbaten van georganiseerde handelsfaciliteiten; en/of;
b) van nevendiensten die bestaan in:
- bewaring en beheer van financiële instrumenten voor rekening van cliënten, met inbegrip van bewaarnemingsdiensten en daarmee samenhangende diensten zoals contanten- en/of zekerhedenbeheer en met uitzondering van het centraal aanhouden van effectenrekeningen op het hoogste niveau;
- het verstrekken van kredieten of leningen aan een belegger om deze in staat te stellen een transactie in één of meer financiële instrumenten te verrichten, bij welke transactie de onderneming die het krediet of de lening verstrekt, betrokken is;
- valutawisseldiensten voor zover deze samenhangen met het verrichten van beleggingsdiensten; of
- diensten in verband met het overnemen van financiële instrumenten;
voor zover aan geen enkele van de voorwaarden van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, b) is voldaan.";
8° de bepaling onder 38° wordt vervangen als volgt:
"38° financiële holding: een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk één of meer kredietinstellingen of financiële instellingen zijn, en die geen gemengde financiële holding is. De dochterondernemingen van een financiële instelling zijn hoofdzakelijk kredietinstellingen of financiële instellingen indien ten minste één van de dochterondernemingen een kredietinstelling is en indien meer dan 50 % van het eigen vermogen, de geconsolideerde activa, de inkomsten, het personeel van de financiële instelling of een andere indicator die als relevant wordt beschouwd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de financiële holding is gevestigd, en, indien dit een andere autoriteit is, in overleg met de consoliderende toezichthouder, verbonden is met dochterondernemingen die kredietinstellingen of financiële instellingen zijn;";
9° de bepaling onder 41° wordt vervangen als volgt:
"41° financiële instelling: een onderneming die geen kredietinstelling en evenmin een zuiver industriële holding is en waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de werkzaamheden bedoeld in de punten 2 tot 12 en punt 15 van de in artikel 4 opgenomen lijst;";
10° de bepaling onder 46° wordt vervangen als volgt:
"46° kritieke functies: de werkzaamheden, diensten of verrichtingen van een kredietinstelling waarvan het waarschijnlijk is dat de onderbreking tot een verstoring leidt, in België of in een of meer andere lidstaten, van diensten die essentieel zijn voor de reële economie, of de financiële stabiliteit verstoort, wegens de omvang, het marktaandeel, de verwevenheid met entiteiten binnen en buiten de groep, de complexiteit of de grensoverschrijdende werkzaamheden van de kredietinstelling of de groep waarvan zij deel uitmaakt, met bijzondere aandacht voor de vervangbaarheid van die werkzaamheden, diensten of verrichtingen;";
11° de bepaling onder 50° wordt vervangen als volgt:
"50° herstelplan: een plan dat overeenkomstig artikel 108 wordt opgesteld door een kredietinstelling;";
12° de bepaling onder 51° wordt vervangen als volgt:
"51° afwikkelingsplan: een plan dat overeenkomstig artikel 226 voor een kredietinstelling wordt opgesteld door de afwikkelingsautoriteit;";
13° de bepaling onder 53° wordt vervangen als volgt:
"53° afwikkelbaarheid: de mogelijkheid voor een afwikkelingsautoriteit om een kredietinstelling, een groep als bedoeld in artikel 423, 12° of een entiteit als bedoeld in artikel 424 af te wikkelen;";
14° de bepaling onder 56° wordt vervangen als volgt:
"56° saneringsmaatregelen: de maatregelen die bestemd zijn om de financiële positie van een kredietinstelling in stand te houden of te herstellen en van dien aard zijn dat zij de bestaande rechten van derden kunnen aantasten. Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen bestaan deze maatregelen in:
a) de afwikkelingsinstrumenten en de desbetreffende afwikkelingsbevoegdheden als bedoeld in Boek II, Titel VIII;
b) de in artikel 236, § 1, 1° bedoelde aanstelling van een speciaal commissaris;
c) de schorsing of het verbod tot uitoefening van alle of een deel van de werkzaamheden, als bedoeld in artikel 236, § 1, 4° ;";
15° de bepaling onder 57° wordt vervangen als volgt:
"57° saneringsautoriteiten: de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van saneringsmaatregelen. Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen zijn dit de afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder wat hun respectieve bevoegdheid inzake saneringsmaatregelen betreft;";
16° de bepaling onder 59° wordt vervangen als volgt:
"59° liquidatieprocedure: een collectieve procedure die door administratieve of rechterlijke autoriteiten wordt ingeleid en gecontroleerd teneinde de activa van een kredietinstelling onder toezicht van deze autoriteiten te gelde te maken. Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen stemt een dergelijke procedure overeen met een faillissement als geregeld bij Boek XX van het wetboek van economisch recht;";
17° de bepaling onder 60° wordt vervangen als volgt:
"60° vereffening: de tegeldemaking van de activa van een kredietinstelling volgens een liquidatieprocedure;";
18° de bepaling onder 61° wordt vervangen als volgt:
"61° liquidatieautoriteiten: de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van liquidatieprocedures. Voor de in Boek II bedoelde kredietinstellingen is dit de insolventierechtbank wat haar bevoegdheid op het gebied van faillissementen betreft;";
19° de bepaling onder 63° wordt vervangen als volgt:
"63° strategische beslissing:
1) een beslissing genomen door een kredietinstelling of door een entiteit waarover zij controle heeft, wanneer deze beslissing een zeker belang heeft en daardoor een globalere impact kan hebben op de instelling, in de mate dat zij gevolgen heeft voor verschillende functies van de instelling, en die betrekking heeft op elke investering, desinvestering, deelneming of strategische samenwerkingsrelatie van de instelling, met name een beslissing tot aankoop of oprichting van een andere instelling, tot oprichting van een joint venture, tot vestiging in een andere staat, tot het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst, tot het inbrengen of het kopen van een bedrijfstak, tot het aangaan van een fusie of een splitsing, of in de mate dat zij leidt tot de initiële toelating van de kapitaalvertegenwoordigende effecten tot de handel op een handelsplatform. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank nader bepalen welke beslissingen als strategisch moeten worden beschouwd in de zin van deze bepaling, met name rekening houdend met het risicoprofiel en de aard van de werkzaamheden van de instellingen, of, in voorkomend geval, de groep waartoe ze behoren. Zij maakt deze nadere bepalingen openbaar;
2) elke beslissing die gelijkaardige gevolgen heeft voor de kredietinstelling en die genomen wordt door een aandeelhouder die controle uitoefent over de instelling;";
20° de bepaling onder 64° wordt vervangen als volgt:
"64° bijkantoor: een bedrijfszetel die een deel zonder rechtspersoonlijkheid vormt en rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, handelingen verricht die specifiek zijn voor de werkzaamheden van een kredietinstelling; verschillende bedrijfszetels in eenzelfde staat van een kredietinstelling met maatschappelijke zetel in een andere staat worden beschouwd als één enkel bijkantoor;";
21° de bepaling onder 67° wordt vervangen als volgt:
"67° uitzonderlijke overheidssteun: elke staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die aan een kredietinstelling wordt verstrekt om de levensvatbaarheid, liquiditeit of solvabiliteit van deze kredietinstelling te vrijwaren of te herstellen;";
22° de bepaling onder 75° wordt vervangen als volgt:
"75° derde bemiddelaar: een bemiddelaar als bedoeld in artikel 65/1 waarbij een kredietinstelling tegoeden van cliënten deponeert;";
23° de bepaling onder 83° wordt vervangen als volgt:
"83° onafhankelijk bestuurder of onafhankelijk lid van het wettelijk bestuursorgaan: personen die voldoen aan de criteria die zijn vastgesteld door de Europese Bankautoriteit, in voorkomend geval samen met de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten, en aan de volgende criteria:
a) gedurende een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan hun benoeming, noch in de kredietinstelling, noch in een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, een mandaat van uitvoerend lid van het bestuursorgaan, een functie van lid van de directieraad of van het directiecomité of van persoon belast met het dagelijks bestuur hebben uitgeoefend;
b) niet meer dan drie opeenvolgende mandaten als niet uitvoerend lid in het bestuursorgaan hebben uitgeoefend, zonder dat dit tijdvak langer mag zijn dan twaalf jaar;
c) gedurende een tijdvak van drie jaar voorafgaand aan hun benoeming, geen deel hebben uitgemaakt van het leidinggevend personeel in de zin van artikel 19, 2°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, van de kredietinstelling of van een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen;
d) geen vergoeding of ander belangrijk voordeel van vermogensrechtelijke aard ontvangen of hebben ontvangen van de kredietinstelling of van een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, buiten de tantièmes en de vergoeding die zij eventueel ontvangen of hebben ontvangen als niet-uitvoerend lid van het bestuursorgaan of als lid van het toezichthoudend orgaan;
e) i) geen maatschappelijke rechten bezitten die een tiende of meer vertegenwoordigen van het kapitaal, van het eigen vermogen of van een soort aandelen of van de stemrechten van de kredietinstelling;
ii) indien zij maatschappelijke rechten bezitten die een quotum van minder dan 10 % vertegenwoordigen:
- mogen die maatschappelijke rechten samen met de maatschappelijke rechten die in dezelfde kredietinstelling worden aangehouden door vennootschappen waarover de onafhankelijke bestuurder controle heeft, geen tiende bereiken van het kapitaal, van het eigen vermogen, van de stemrechten of van een soort aandelen van de kredietinstelling; of
- mogen de daden van beschikking over die aandelen of de uitoefening van de daaraan verbonden rechten niet onderworpen zijn aan overeenkomsten of aan eenzijdige verbintenissen die het onafhankelijk lid van het wettelijk bestuursorgaan heeft aangegaan;
- in geen geval een aandeelhouder vertegenwoordigen die onder de voorwaarden valt van dit punt;
f) geen significante zakelijke relatie hebben of in het voorbije boekjaar hebben gehad met de kredietinstelling of met een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen of Verenigingen, noch rechtstreeks noch als vennoot, aandeelhouder, lid van het bestuursorgaan of lid van het leidinggevend personeel in de zin van artikel 19, 2°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, van een vennootschap of persoon die een dergelijke relatie onderhoudt;
g) in de voorbije drie jaar geen vennoot of werknemer zijn geweest van de huidige of vorige commissaris van de kredietinstelling of van een daarmee verbonden vennootschap of persoon in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen;
h) geen uitvoerend lid zijn van het bestuursorgaan van een andere vennootschap waarin een uitvoerend lid van het bestuursorgaan van de kredietinstelling zitting heeft in de hoedanigheid van niet-uitvoerend lid van het bestuursorgaan of lid van het toezichthoudend orgaan, en geen andere belangrijke banden hebben met de uitvoerende leden van het bestuursorgaan van de kredietinstelling uit hoofde van functies bij andere vennootschappen of organen;
i) geen echtgenoot, wettelijk samenwonende partner of bloed- of aanverwanten tot de tweede graad hebben die in de kredietinstelling of in een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, een mandaat van lid van het bestuursorgaan, lid van de directieraad, lid van het directiecomité, persoon belast met het dagelijks bestuur of lid van het leidinggevend personeel, in de zin van artikel 19, 2°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, uitoefenen, of die zich in een van de andere in de punten a) tot h) beschreven gevallen bevinden.
Het benoemingsbesluit maakt melding van de motieven op grond waarvan de hoedanigheid van onafhankelijk bestuurder wordt toegekend. De Koning, alsook de statuten, kunnen in bijkomende of strengere criteria voorzien.
Mits hiervoor een terdege onderbouwde rechtvaardiging wordt verstrekt en onder voorbehoud van een andersluidende beoordeling door de toezichthouder, die de gegrondheid van deze rechtvaardiging verifieert, kan een kredietinstelling van de voornoemde criteria afwijken.;";
24° het wordt aangevuld met een bepaling onder 84°, luidende:
"84° grondstoffen- en emissierechtenhandelaar: een onderneming waarvan de hoofdactiviteit uitsluitend bestaat in het verrichten van beleggingsdiensten of -activiteiten met betrekking tot grondstoffenderivaten of grondstofgerelateerde derivatencontracten als bedoeld in de punten e), f), g), i en j) van artikel 2, eerste lid, 1° van de wet van 2 augustus 2002 of emissierechtengerelateerde derivatencontracten als bedoeld in punt d) van dat artikel, of emissierechten als bedoeld in punt k) van dat artikel;";
25° het wordt aangevuld met de bepalingen onder 85°, 86°, 87°, 88°, 89°, 90°, 91°, 92° en 93°, luidende:
"85° groep: een geheel van ondernemingen waarvan er minstens één een kredietinstelling is en dat gevormd wordt door een moederonderneming en haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd;
86° groep uit een derde land: een groep waarvan de moederonderneming onder een derde land ressorteert;
87° genderneutraal beloningsbeleid: een beloningsbeleid dat gebaseerd is op gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid;
88° MSI: een mondiaal systeemrelevante kredietinstelling als bedoeld in artikel 12, tweede lid van Bijlage IV;
89° BSI: een binnenlandse systeemrelevante instelling als bedoeld in artikel 12, derde lid van Bijlage IV;
90° risico van buitensporige hefboomwerking: het risico dat voortvloeit uit de kwetsbaarheid van een instelling als gevolg van een hefboomwerking of mogelijke hefboomwerking die onbedoelde corrigerende maatregelen in haar bedrijfsplan kan vereisen, met inbegrip van noodverkopen van activa die in verliezen of waarderingsaanpassingen in haar resterende activa kunnen resulteren;
91° hefboomratio: het eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 92, lid 1, d) van Verordening nr. 575/2013;
92° hefboomratiobuffer: het eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013;
93° niet-EU mondiaal systeemrelevante instelling of niet-EU MSI: een mondiaal systeemrelevante kredietinstelling of bankgroep (MSB) die geen MSI is en is opgenomen in de lijst met MSB's die wordt bekendgemaakt door de Raad voor financiële stabiliteit;".
Art. 18. Dans l'article 3 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° le 4° est remplacé par ce qui suit :
"4° l'autorité de contrôle, la Banque ou la Banque centrale européenne selon les répartitions de compétences prévues par ou en vertu du Règlement MSU en matière de contrôle des établissements de crédit ;" ;
2° il est inséré un 8° /8 rédigé comme suit :
"8° /8 Directive 2015/849/UE, la directive du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2015 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux ou du financement du terrorisme, modifiant le règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant la directive 2005/60/CE du Parlement européen et du Conseil et la directive 2006/70/CE de la Commission ;" ;
3° le 10° est remplacé par ce qui suit :
"10° autorité compétente, une autorité publique ou un organisme officiellement reconnu par le droit national d'un Etat membre en application de la Directive 2013/36/UE, qui est habilité en vertu de ce droit national à surveiller les établissements de crédit dans le cadre du système de surveillance de cet Etat ainsi que, le cas échéant, la Banque centrale européenne au titre de ses compétences dans le cadre du Mécanisme de surveillance unique ;" ;
4° le 12° est remplacé par ce qui suit :
"12° autorité de pays tiers, une autorité en charge du contrôle des établissements de crédit au sein d'un pays tiers ;" ;
5° il est inséré un 24° /2 rédigé comme suit :
"24° /2 loi du 18 septembre 2017, la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces ;" ;
6° le 30° est remplacé par ce qui suit :
"30° établissement de crédit d'importance significative, un établissement de crédit qui répond au moins à l'une des conditions suivantes :
a) un établissement de crédit d'importance systémique ;
b) un établissement de crédit soumis à la surveillance directe de la Banque centrale européenne en vertu de l'article 6, paragraphes 4 et 5, point b), du règlement MSU ;
c) un établissement de crédit dont la valeur des actifs déterminée conformément à l'article 24 du Règlement n° 575/2013 dépasse en moyenne et sur base individuelle ou, si cette donnée n'est pas disponible, sur base consolidée, 5 milliards d'euros au cours de la période de quatre ans précédant immédiatement l'exercice en cours.
L'autorité de contrôle peut décider qu'un établissement de crédit répondant à la condition visée sous le b) et qui ne dépasse pas le seuil fixé au point c) ne revêt pas la qualité d'établissement de crédit d'importance significative, en raison de sa taille, de son organisation interne ainsi que de la nature, de l'ampleur, de la complexité et du caractère transfrontalier de ses activités ;" ;
7° il est inséré un 33° /1 rédigé comme suit :
"33° /1 société de bourse, une entreprise d'investissement de droit belge ou de droit étranger dont l'activité consiste notamment à fournir :
a) des services d'investissement consistant dans :
- la négociation pour compte propre ;
- la prise ferme d'instruments financiers et/ou le placement d'instruments financiers avec engagement ferme ;
- le placement d'instruments financiers sans engagement ferme ;
- l'exploitation d'un système multilatéral de négociation ; ou
- l'exploitation d'un système organisé de négociation ; et/ou ;
b) des services auxiliaires consistant dans :
- la conservation et l'administration d'instruments financiers pour le compte de clients, y compris les services de garde et les services connexes, comme la gestion de trésorerie/de garanties, et à l'exclusion de la tenue centralisée de comptes de titres au plus haut niveau ;
- l'octroi d'un crédit ou d'un prêt à un investisseur pour lui permettre d'effectuer une transaction sur un ou plusieurs instruments financiers, dans laquelle intervient l'entreprise qui octroie le crédit ou le prêt ;
- les services de change lorsque ces services sont liés à la fourniture de services d'investissement ; ou
- les services liés à la prise ferme,
pour autant qu'aucune des conditions de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, b), ne soit remplie." ;
8° le 38° est remplacé par ce qui suit :
"38° compagnie financière, un établissement financier dont les filiales sont exclusivement ou principalement un ou plusieurs établissements de crédit ou établissements financiers, et qui n'est pas une compagnie financière mixte. Les filiales d'un établissement financier sont principalement des établissements de crédit ou des établissements financiers lorsqu'au moins l'une d'elles est un établissement de crédit et lorsque plus de 50 % des fonds propres, ou des actifs consolidés, ou des recettes ou du personnel de l'établissement financier, ou de tout autre indicateur jugé pertinent par l'autorité compétente de l'Etat membre où la compagnie financière est établie, et, lorsqu'il s'agit d'une autorité différente, en concertation avec l'autorité de surveillance sur base consolidée, sont liés à des filiales qui sont des établissements de crédit ou des établissements financiers ;" ;
9° le 41° est remplacé par ce qui suit :
"41° établissement financier, une entreprise autre qu'un établissement de crédit et autre qu'une compagnie holding purement industrielle, dont l'activité principale consiste à prendre des participations ou à exercer une ou plusieurs des activités visées aux points 2 à 12 et 15 de la liste reprise à l'article 4 ;" ;
10° le 46° est remplacé par ce qui suit :
"46° fonctions critiques, les activités, services ou opérations d'un établissement de crédit dont l'interruption est susceptible, en Belgique ou dans un ou plusieurs autres Etats membres, d'entraîner des perturbations de services essentiels à l'économie réelle ou de perturber la stabilité financière, en raison de la taille, de la part de marché, de l'interdépendance interne et externe, de la complexité ou des activités transfrontalières de l'établissement de crédit ou du groupe dont il fait partie, une attention particulière étant accordée à la substituabilité de ces activités, services ou opérations ;" ;
11° le 50° est remplacé par ce qui suit :
"50° plan de redressement, un plan élaboré par un établissement de crédit conformément à l'article 108 ;" ;
12° le 51° est remplacé par ce qui suit :
"51° plan de résolution, un plan élaboré par l'autorité de résolution pour un établissement de crédit, conformément à l'article 226 ; " ;
13° le 53° est remplacé par ce qui suit :
"53° résolvabilité, la possibilité pour une autorité de résolution de résoudre la défaillance d'un établissement de crédit, d'un groupe visé à l'article 423, 12°, ou d'une entité visée à l'article 424 ;" ;
14° le 56° est remplacé par ce qui suit :
"56° mesures d'assainissement, les mesures destinées à préserver ou à rétablir la situation financière d'un établissement de crédit et susceptibles d'affecter les droits préexistants des tiers. Pour les établissements de crédit visés au Livre II, ces mesures correspondent :
a) aux instruments de résolution et aux pouvoirs de résolution y afférents visés au Livre II, Titre VIII ;
b) à la désignation d'un commissaire spécial visée à l'article 236, § 1er, 1° ;
c) à la suspension ou l'interdiction de tout ou partie des activités, visée à l'article 236, § 1er, 4° ;" ;
15° le 57° est remplacé par ce qui suit :
"57° autorités d'assainissement, les autorités administratives ou judiciaires compétentes en matière de mesures d'assainissement. Pour les établissements de crédit visés au Livre II, ces autorités sont l'autorité de résolution et l'autorité de contrôle en ce qui concerne leur compétence respective en matière de mesures d'assainissement ;" ;
16° le 59° est remplacé par ce qui suit :
"59° procédure de liquidation, une procédure collective ouverte et contrôlée par des autorités administratives ou judiciaires dans le but de la réalisation des biens d'un établissement de crédit sous la surveillance de ces autorités. Pour les établissements de crédit visés au Livre II, une telle procédure correspond à la faillite régie par le Livre XX du Code de droit économique ;" ;
17° le 60° est remplacé par ce qui suit :
"60° liquidation, la réalisation des actifs d'un établissement de crédit selon une procédure de liquidation ;" ;
18° le 61° est remplacé par ce qui suit :
"61° autorités de liquidation, les autorités administratives ou judiciaires compétentes en matière de procédure de liquidation. Pour les établissements de crédit visés au Livre II, une telle autorité correspond au tribunal de l'insolvabilité en ce qui concerne sa compétence en matière de faillite ;" ;
19° le 63° est remplacé par ce qui suit :
"63° décision stratégique :
1) une décision prise par un établissement de crédit ou par une entité sous son contrôle, dès lors qu'une telle décision est d'une certaine importance et dès lors susceptible d'avoir un impact plus global sur l'établissement, dans la mesure où différentes fonctions de l'établissement seraient touchées ou remises en question à la suite de pareille décision, qui concerne tout investissement, désinvestissement, participation ou relation de coopération stratégique de l'établissement, notamment, une décision d'acquisition ou de constitution d'un autre établissement, de constitution d'une joint-venture, d'établissement dans un autre Etat, de conclusion d'accords de coopération, d'apport ou d'acquisition d'une branche d'activité, de fusion ou de scission, ou encore dans la mesure où elle conduit à l'admission initiale à la négociation des titres représentatifs de capital sur une plateforme de négociation. La Banque, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, peut préciser les décisions qui sont à considérer comme stratégiques au sens de la présente disposition en tenant notamment compte du profil de risque et de la nature des activités des établissements, ou, le cas échéant, le groupe auxquels ils appartiennent. Elle publie ces précisions ;
2) tout type de décision produisant des effets similaires dans le chef de l'établissement de crédit, prise par un actionnaire qui exerce le contrôle sur l'établissement ;" ;
20° le 64° est remplacé par ce qui suit :
"64° succursale, un siège d'exploitation qui constitue une partie dépourvue de personnalité juridique et qui effectue directement, en tout ou en partie, les opérations inhérentes à l'activité d'établissement de crédit; plusieurs sièges d'exploitation créés dans le même Etat par un établissement de crédit ayant son siège social dans un autre Etat sont considérés comme une seule succursale ;" ;
21° le 67° est remplacé par ce qui suit :
"67° soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics, toute aide d'Etat, au sens de l'article 107, paragraphe 1er, du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, qui est accordée à un établissement de crédit dans le but de préserver ou de rétablir la viabilité, la liquidité ou la solvabilité de cet établissement de crédit ;" ;
22° le 75° est remplacé par ce qui suit :
"75° intermédiaire tiers, un intermédiaire, visé à l'article 65/1 auprès duquel un établissement de crédit dépose des avoirs de clients ;" ;
23° le 83° est remplacé par ce qui suit :
"83° administrateur indépendant ou membre indépendant de l'organe légal d'administration, les personnes qui répondent aux critères définis par l'Autorité bancaire européenne, le cas échéant conjointement avec l'Autorité européenne des marchés financiers, et aux critères suivants :
a) durant une période de cinq années précédant leur nomination, ne pas avoir exercé un mandat de membre exécutif de l'organe d'administration, ou une fonction de membre du conseil de direction ou du comité de direction ou de délégué à la gestion journalière, ni auprès de l'établissement de crédit, ni auprès d'une société ou personne liée à celui-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations ;
b) ne pas avoir siégé au sein de l'organe d'administration en tant que membre non exécutif pendant plus de trois mandats successifs, sans que cette période ne puisse excéder douze ans;
c) durant une période de trois années précédant leur nomination, ne pas avoir fait partie du personnel de direction, au sens de l'article 19, 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, de l'établissement de crédit ou d'une société ou personne liée à celui-ci ou celle-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations;
d) ne pas recevoir, ni avoir reçu, de rémunération ou un autre avantage significatif de nature patrimoniale de l'établissement de crédit ou d'une société ou personne liée à celui-ci ou celle-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, en dehors des tantièmes et honoraires éventuellement perçus comme membre non exécutif de l'organe d'administration ou membre de l'organe de surveillance ;
e) i) ne détenir aucun droit social représentant un dixième ou plus du capital, des capitaux propres ou d'une classe d'actions ou des droits de vote de l'établissement de crédit ;
ii) s'ils détiennent des droits sociaux qui représentent une quotité inférieure à 10 % :
- par l'addition des droits sociaux avec ceux détenus dans le même établissement de crédit par des sociétés dont l'administrateur indépendant a le contrôle, ces droits sociaux ne peuvent pas atteindre un dixième du capital, des capitaux propres, des droits de vote ou d'une classe d'actions de l'établissement de crédit ; ou
- les actes de disposition relatifs à ces actions ou l'exercice des droits y afférents ne peuvent pas être soumis à des stipulations conventionnelles ou à des engagements unilatéraux auxquels le membre indépendant de l'organe légal d'administration a souscrit ;
- ne pas représenter en aucune manière un actionnaire rentrant dans les conditions du présent point ;
f) ne pas entretenir, ni avoir entretenu au cours du dernier exercice social, une relation d'affaires significative avec l'établissement de crédit ou une société ou personne liée à celui-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, ni directement ni en qualité d'associé, d'actionnaire, de membre de l'organe d'administration ou de membre du personnel de direction, au sens de l'article 19, 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, d'une société ou personne entretenant une telle relation ;
g) ne pas avoir été au cours des trois dernières années, associé ou salarié du commissaire, actuel ou précédent, de l'établissement de crédit ou d'une société ou personne liée à celui-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations ;
h) ne pas être membre exécutif de l'organe d'administration d'une autre société dans laquelle un membre exécutif de l'organe d'administration de l'établissement de crédit siège en tant que membre non exécutif de l'organe de d'administration ou membre de l'organe de surveillance, ni entretenir d'autres liens importants avec les membres exécutifs de l'organe d'administration de l'établissement de crédit du fait de fonctions occupées dans d'autres sociétés ou organes ;
i) n'avoir, ni au sein de l'établissement de crédit, ni au sein d'une société ou d'une personne liée à celui-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, ni conjoint ni cohabitant légal, ni parents ni alliés jusqu'au deuxième degré exerçant un mandat de membre de l'organe d'administration, de membre conseil de direction, de membre du comité de direction, de délégué à la gestion journalière ou de membre du personnel de direction, au sens de l'article 19, 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, ou se trouvant dans un des autres cas définis aux points a) à h).
La décision de nomination fait mention des motifs sur la base desquels est octroyée la qualité d'administrateur indépendant. Le Roi, de même que les statuts, peuvent prévoir des critères additionnels ou plus sévères.
Moyennant justification dûment motivée et sous réserve d'une appréciation contraire de l'autorité de contrôle, qui vérifie le bien-fondé de cette justification, un établissement de crédit peut déroger aux critères précités ;" ;
24° il est complété par le 84°, rédigé comme suit :
"84° négociant en matières premières et quotas d'émission, une entreprise dont l'activité principale consiste exclusivement à fournir des services d'investissement ou à exercer des activités d'investissement portant sur les instruments dérivés sur matières premières ou les contrats dérivés sur matières premières visés aux points e), f), g), i et j) de l'article 2, alinéa 1er, 1° de la loi du 2 août 2002 ou les contrats dérivés de quotas d'émission visés au point d) dudit article ou les quotas d'émission visés au point k) dudit article ;" ;
25° il est complété par les 85°, 86°, 87°, 88°, 89°, 90°, 91°, 92° et 93° rédigés comme suit :
"85° groupe : un ensemble d'entreprises dont l'une au moins est un établissement de crédit et qui est constitué d'une entreprise mère et de ses filiales, ainsi que des entreprises qui constituent un consortium et des entreprises contrôlées par ces dernières ;
86° groupe de pays tiers, un groupe dont l'entreprise mère relève du droit d'un pays tiers ;
87° politique de rémunération neutre du point de vue du genre, une politique de rémunération fondée sur le principe de l'égalité des rémunérations entre travailleurs de sexe masculin et travailleurs de sexe féminin pour un travail identique ou équivalent ;
88° EISm, un établissement d'importance systémique mondiale visé à l'article 12, alinéa 2 de l'Annexe IV ;
89° EIS domestique, un établissement d'importance systémique domestique visé à l'article 12, alinéa 3 de l'Annexe IV ;
90° risque de levier excessif, le risque de vulnérabilité d'un établissement, résultant d'un levier ou d'un levier éventuel pouvant nécessiter la prise de mesures correctives non prévues au plan d'entreprise, y compris une vente en urgence d'actifs pouvant se solder par des pertes ou une réévaluation des actifs restants ;
91° ratio de levier, l'exigence de fonds propres prévue à l'article 92, paragraphe 1er, d) du Règlement n° 575/2013 ;
92° coussin lié au ratio de levier, l'exigence de fonds propres prévue à l'article 92, paragraphe 1bis, du Règlement n° 575/2013 ;
93° établissement d'importance systémique mondiale de pays tiers ou un EISm de pays tiers, un établissement de crédit ou un groupe bancaire d'importance systémique mondiale (BISm) qui n'est pas un EISm et qui figure sur la liste de BISm publiée par le Conseil de stabilité financière ;".
1° le 4° est remplacé par ce qui suit :
"4° l'autorité de contrôle, la Banque ou la Banque centrale européenne selon les répartitions de compétences prévues par ou en vertu du Règlement MSU en matière de contrôle des établissements de crédit ;" ;
2° il est inséré un 8° /8 rédigé comme suit :
"8° /8 Directive 2015/849/UE, la directive du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2015 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux ou du financement du terrorisme, modifiant le règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant la directive 2005/60/CE du Parlement européen et du Conseil et la directive 2006/70/CE de la Commission ;" ;
3° le 10° est remplacé par ce qui suit :
"10° autorité compétente, une autorité publique ou un organisme officiellement reconnu par le droit national d'un Etat membre en application de la Directive 2013/36/UE, qui est habilité en vertu de ce droit national à surveiller les établissements de crédit dans le cadre du système de surveillance de cet Etat ainsi que, le cas échéant, la Banque centrale européenne au titre de ses compétences dans le cadre du Mécanisme de surveillance unique ;" ;
4° le 12° est remplacé par ce qui suit :
"12° autorité de pays tiers, une autorité en charge du contrôle des établissements de crédit au sein d'un pays tiers ;" ;
5° il est inséré un 24° /2 rédigé comme suit :
"24° /2 loi du 18 septembre 2017, la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces ;" ;
6° le 30° est remplacé par ce qui suit :
"30° établissement de crédit d'importance significative, un établissement de crédit qui répond au moins à l'une des conditions suivantes :
a) un établissement de crédit d'importance systémique ;
b) un établissement de crédit soumis à la surveillance directe de la Banque centrale européenne en vertu de l'article 6, paragraphes 4 et 5, point b), du règlement MSU ;
c) un établissement de crédit dont la valeur des actifs déterminée conformément à l'article 24 du Règlement n° 575/2013 dépasse en moyenne et sur base individuelle ou, si cette donnée n'est pas disponible, sur base consolidée, 5 milliards d'euros au cours de la période de quatre ans précédant immédiatement l'exercice en cours.
L'autorité de contrôle peut décider qu'un établissement de crédit répondant à la condition visée sous le b) et qui ne dépasse pas le seuil fixé au point c) ne revêt pas la qualité d'établissement de crédit d'importance significative, en raison de sa taille, de son organisation interne ainsi que de la nature, de l'ampleur, de la complexité et du caractère transfrontalier de ses activités ;" ;
7° il est inséré un 33° /1 rédigé comme suit :
"33° /1 société de bourse, une entreprise d'investissement de droit belge ou de droit étranger dont l'activité consiste notamment à fournir :
a) des services d'investissement consistant dans :
- la négociation pour compte propre ;
- la prise ferme d'instruments financiers et/ou le placement d'instruments financiers avec engagement ferme ;
- le placement d'instruments financiers sans engagement ferme ;
- l'exploitation d'un système multilatéral de négociation ; ou
- l'exploitation d'un système organisé de négociation ; et/ou ;
b) des services auxiliaires consistant dans :
- la conservation et l'administration d'instruments financiers pour le compte de clients, y compris les services de garde et les services connexes, comme la gestion de trésorerie/de garanties, et à l'exclusion de la tenue centralisée de comptes de titres au plus haut niveau ;
- l'octroi d'un crédit ou d'un prêt à un investisseur pour lui permettre d'effectuer une transaction sur un ou plusieurs instruments financiers, dans laquelle intervient l'entreprise qui octroie le crédit ou le prêt ;
- les services de change lorsque ces services sont liés à la fourniture de services d'investissement ; ou
- les services liés à la prise ferme,
pour autant qu'aucune des conditions de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, b), ne soit remplie." ;
8° le 38° est remplacé par ce qui suit :
"38° compagnie financière, un établissement financier dont les filiales sont exclusivement ou principalement un ou plusieurs établissements de crédit ou établissements financiers, et qui n'est pas une compagnie financière mixte. Les filiales d'un établissement financier sont principalement des établissements de crédit ou des établissements financiers lorsqu'au moins l'une d'elles est un établissement de crédit et lorsque plus de 50 % des fonds propres, ou des actifs consolidés, ou des recettes ou du personnel de l'établissement financier, ou de tout autre indicateur jugé pertinent par l'autorité compétente de l'Etat membre où la compagnie financière est établie, et, lorsqu'il s'agit d'une autorité différente, en concertation avec l'autorité de surveillance sur base consolidée, sont liés à des filiales qui sont des établissements de crédit ou des établissements financiers ;" ;
9° le 41° est remplacé par ce qui suit :
"41° établissement financier, une entreprise autre qu'un établissement de crédit et autre qu'une compagnie holding purement industrielle, dont l'activité principale consiste à prendre des participations ou à exercer une ou plusieurs des activités visées aux points 2 à 12 et 15 de la liste reprise à l'article 4 ;" ;
10° le 46° est remplacé par ce qui suit :
"46° fonctions critiques, les activités, services ou opérations d'un établissement de crédit dont l'interruption est susceptible, en Belgique ou dans un ou plusieurs autres Etats membres, d'entraîner des perturbations de services essentiels à l'économie réelle ou de perturber la stabilité financière, en raison de la taille, de la part de marché, de l'interdépendance interne et externe, de la complexité ou des activités transfrontalières de l'établissement de crédit ou du groupe dont il fait partie, une attention particulière étant accordée à la substituabilité de ces activités, services ou opérations ;" ;
11° le 50° est remplacé par ce qui suit :
"50° plan de redressement, un plan élaboré par un établissement de crédit conformément à l'article 108 ;" ;
12° le 51° est remplacé par ce qui suit :
"51° plan de résolution, un plan élaboré par l'autorité de résolution pour un établissement de crédit, conformément à l'article 226 ; " ;
13° le 53° est remplacé par ce qui suit :
"53° résolvabilité, la possibilité pour une autorité de résolution de résoudre la défaillance d'un établissement de crédit, d'un groupe visé à l'article 423, 12°, ou d'une entité visée à l'article 424 ;" ;
14° le 56° est remplacé par ce qui suit :
"56° mesures d'assainissement, les mesures destinées à préserver ou à rétablir la situation financière d'un établissement de crédit et susceptibles d'affecter les droits préexistants des tiers. Pour les établissements de crédit visés au Livre II, ces mesures correspondent :
a) aux instruments de résolution et aux pouvoirs de résolution y afférents visés au Livre II, Titre VIII ;
b) à la désignation d'un commissaire spécial visée à l'article 236, § 1er, 1° ;
c) à la suspension ou l'interdiction de tout ou partie des activités, visée à l'article 236, § 1er, 4° ;" ;
15° le 57° est remplacé par ce qui suit :
"57° autorités d'assainissement, les autorités administratives ou judiciaires compétentes en matière de mesures d'assainissement. Pour les établissements de crédit visés au Livre II, ces autorités sont l'autorité de résolution et l'autorité de contrôle en ce qui concerne leur compétence respective en matière de mesures d'assainissement ;" ;
16° le 59° est remplacé par ce qui suit :
"59° procédure de liquidation, une procédure collective ouverte et contrôlée par des autorités administratives ou judiciaires dans le but de la réalisation des biens d'un établissement de crédit sous la surveillance de ces autorités. Pour les établissements de crédit visés au Livre II, une telle procédure correspond à la faillite régie par le Livre XX du Code de droit économique ;" ;
17° le 60° est remplacé par ce qui suit :
"60° liquidation, la réalisation des actifs d'un établissement de crédit selon une procédure de liquidation ;" ;
18° le 61° est remplacé par ce qui suit :
"61° autorités de liquidation, les autorités administratives ou judiciaires compétentes en matière de procédure de liquidation. Pour les établissements de crédit visés au Livre II, une telle autorité correspond au tribunal de l'insolvabilité en ce qui concerne sa compétence en matière de faillite ;" ;
19° le 63° est remplacé par ce qui suit :
"63° décision stratégique :
1) une décision prise par un établissement de crédit ou par une entité sous son contrôle, dès lors qu'une telle décision est d'une certaine importance et dès lors susceptible d'avoir un impact plus global sur l'établissement, dans la mesure où différentes fonctions de l'établissement seraient touchées ou remises en question à la suite de pareille décision, qui concerne tout investissement, désinvestissement, participation ou relation de coopération stratégique de l'établissement, notamment, une décision d'acquisition ou de constitution d'un autre établissement, de constitution d'une joint-venture, d'établissement dans un autre Etat, de conclusion d'accords de coopération, d'apport ou d'acquisition d'une branche d'activité, de fusion ou de scission, ou encore dans la mesure où elle conduit à l'admission initiale à la négociation des titres représentatifs de capital sur une plateforme de négociation. La Banque, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, peut préciser les décisions qui sont à considérer comme stratégiques au sens de la présente disposition en tenant notamment compte du profil de risque et de la nature des activités des établissements, ou, le cas échéant, le groupe auxquels ils appartiennent. Elle publie ces précisions ;
2) tout type de décision produisant des effets similaires dans le chef de l'établissement de crédit, prise par un actionnaire qui exerce le contrôle sur l'établissement ;" ;
20° le 64° est remplacé par ce qui suit :
"64° succursale, un siège d'exploitation qui constitue une partie dépourvue de personnalité juridique et qui effectue directement, en tout ou en partie, les opérations inhérentes à l'activité d'établissement de crédit; plusieurs sièges d'exploitation créés dans le même Etat par un établissement de crédit ayant son siège social dans un autre Etat sont considérés comme une seule succursale ;" ;
21° le 67° est remplacé par ce qui suit :
"67° soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics, toute aide d'Etat, au sens de l'article 107, paragraphe 1er, du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, qui est accordée à un établissement de crédit dans le but de préserver ou de rétablir la viabilité, la liquidité ou la solvabilité de cet établissement de crédit ;" ;
22° le 75° est remplacé par ce qui suit :
"75° intermédiaire tiers, un intermédiaire, visé à l'article 65/1 auprès duquel un établissement de crédit dépose des avoirs de clients ;" ;
23° le 83° est remplacé par ce qui suit :
"83° administrateur indépendant ou membre indépendant de l'organe légal d'administration, les personnes qui répondent aux critères définis par l'Autorité bancaire européenne, le cas échéant conjointement avec l'Autorité européenne des marchés financiers, et aux critères suivants :
a) durant une période de cinq années précédant leur nomination, ne pas avoir exercé un mandat de membre exécutif de l'organe d'administration, ou une fonction de membre du conseil de direction ou du comité de direction ou de délégué à la gestion journalière, ni auprès de l'établissement de crédit, ni auprès d'une société ou personne liée à celui-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations ;
b) ne pas avoir siégé au sein de l'organe d'administration en tant que membre non exécutif pendant plus de trois mandats successifs, sans que cette période ne puisse excéder douze ans;
c) durant une période de trois années précédant leur nomination, ne pas avoir fait partie du personnel de direction, au sens de l'article 19, 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, de l'établissement de crédit ou d'une société ou personne liée à celui-ci ou celle-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations;
d) ne pas recevoir, ni avoir reçu, de rémunération ou un autre avantage significatif de nature patrimoniale de l'établissement de crédit ou d'une société ou personne liée à celui-ci ou celle-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, en dehors des tantièmes et honoraires éventuellement perçus comme membre non exécutif de l'organe d'administration ou membre de l'organe de surveillance ;
e) i) ne détenir aucun droit social représentant un dixième ou plus du capital, des capitaux propres ou d'une classe d'actions ou des droits de vote de l'établissement de crédit ;
ii) s'ils détiennent des droits sociaux qui représentent une quotité inférieure à 10 % :
- par l'addition des droits sociaux avec ceux détenus dans le même établissement de crédit par des sociétés dont l'administrateur indépendant a le contrôle, ces droits sociaux ne peuvent pas atteindre un dixième du capital, des capitaux propres, des droits de vote ou d'une classe d'actions de l'établissement de crédit ; ou
- les actes de disposition relatifs à ces actions ou l'exercice des droits y afférents ne peuvent pas être soumis à des stipulations conventionnelles ou à des engagements unilatéraux auxquels le membre indépendant de l'organe légal d'administration a souscrit ;
- ne pas représenter en aucune manière un actionnaire rentrant dans les conditions du présent point ;
f) ne pas entretenir, ni avoir entretenu au cours du dernier exercice social, une relation d'affaires significative avec l'établissement de crédit ou une société ou personne liée à celui-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, ni directement ni en qualité d'associé, d'actionnaire, de membre de l'organe d'administration ou de membre du personnel de direction, au sens de l'article 19, 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, d'une société ou personne entretenant une telle relation ;
g) ne pas avoir été au cours des trois dernières années, associé ou salarié du commissaire, actuel ou précédent, de l'établissement de crédit ou d'une société ou personne liée à celui-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations ;
h) ne pas être membre exécutif de l'organe d'administration d'une autre société dans laquelle un membre exécutif de l'organe d'administration de l'établissement de crédit siège en tant que membre non exécutif de l'organe de d'administration ou membre de l'organe de surveillance, ni entretenir d'autres liens importants avec les membres exécutifs de l'organe d'administration de l'établissement de crédit du fait de fonctions occupées dans d'autres sociétés ou organes ;
i) n'avoir, ni au sein de l'établissement de crédit, ni au sein d'une société ou d'une personne liée à celui-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, ni conjoint ni cohabitant légal, ni parents ni alliés jusqu'au deuxième degré exerçant un mandat de membre de l'organe d'administration, de membre conseil de direction, de membre du comité de direction, de délégué à la gestion journalière ou de membre du personnel de direction, au sens de l'article 19, 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, ou se trouvant dans un des autres cas définis aux points a) à h).
La décision de nomination fait mention des motifs sur la base desquels est octroyée la qualité d'administrateur indépendant. Le Roi, de même que les statuts, peuvent prévoir des critères additionnels ou plus sévères.
Moyennant justification dûment motivée et sous réserve d'une appréciation contraire de l'autorité de contrôle, qui vérifie le bien-fondé de cette justification, un établissement de crédit peut déroger aux critères précités ;" ;
24° il est complété par le 84°, rédigé comme suit :
"84° négociant en matières premières et quotas d'émission, une entreprise dont l'activité principale consiste exclusivement à fournir des services d'investissement ou à exercer des activités d'investissement portant sur les instruments dérivés sur matières premières ou les contrats dérivés sur matières premières visés aux points e), f), g), i et j) de l'article 2, alinéa 1er, 1° de la loi du 2 août 2002 ou les contrats dérivés de quotas d'émission visés au point d) dudit article ou les quotas d'émission visés au point k) dudit article ;" ;
25° il est complété par les 85°, 86°, 87°, 88°, 89°, 90°, 91°, 92° et 93° rédigés comme suit :
"85° groupe : un ensemble d'entreprises dont l'une au moins est un établissement de crédit et qui est constitué d'une entreprise mère et de ses filiales, ainsi que des entreprises qui constituent un consortium et des entreprises contrôlées par ces dernières ;
86° groupe de pays tiers, un groupe dont l'entreprise mère relève du droit d'un pays tiers ;
87° politique de rémunération neutre du point de vue du genre, une politique de rémunération fondée sur le principe de l'égalité des rémunérations entre travailleurs de sexe masculin et travailleurs de sexe féminin pour un travail identique ou équivalent ;
88° EISm, un établissement d'importance systémique mondiale visé à l'article 12, alinéa 2 de l'Annexe IV ;
89° EIS domestique, un établissement d'importance systémique domestique visé à l'article 12, alinéa 3 de l'Annexe IV ;
90° risque de levier excessif, le risque de vulnérabilité d'un établissement, résultant d'un levier ou d'un levier éventuel pouvant nécessiter la prise de mesures correctives non prévues au plan d'entreprise, y compris une vente en urgence d'actifs pouvant se solder par des pertes ou une réévaluation des actifs restants ;
91° ratio de levier, l'exigence de fonds propres prévue à l'article 92, paragraphe 1er, d) du Règlement n° 575/2013 ;
92° coussin lié au ratio de levier, l'exigence de fonds propres prévue à l'article 92, paragraphe 1bis, du Règlement n° 575/2013 ;
93° établissement d'importance systémique mondiale de pays tiers ou un EISm de pays tiers, un établissement de crédit ou un groupe bancaire d'importance systémique mondiale (BISm) qui n'est pas un EISm et qui figure sur la liste de BISm publiée par le Conseil de stabilité financière ;".
Art. 19. In artikel 8 van dezelfde wet wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Bij de vergunningsaanvraag die aan de Bank wordt voorgelegd, wordt een administratief dossier gevoegd dat beantwoordt aan de door de toezichthouder gestelde voorwaarden en waarin met name het programma van werkzaamheden is opgenomen, in het bijzonder de aard en de omvang van de voorgenomen verrichtingen alsook de organisatiestructuur van de instelling, inzonderheid een beschrijving van de in artikel 21, § 1 bedoelde regelingen, processen en mechanismen, en de nauwe banden die zij heeft met andere personen, waarbij met name de moederondernemingen, de financiële holdings en de gemengde financiële holdings binnen de groep worden vermeld. In de aanvraag wordt ook vermeld of de voorgenomen werkzaamheden de in de punten 1° of 2° van artikel 1, § 3, eerste lid bedoelde werkzaamheden zijn. De aanvragers moeten bovendien alle inlichtingen verstrekken die nodig zijn om hun aanvraag te kunnen beoordelen.".
"Bij de vergunningsaanvraag die aan de Bank wordt voorgelegd, wordt een administratief dossier gevoegd dat beantwoordt aan de door de toezichthouder gestelde voorwaarden en waarin met name het programma van werkzaamheden is opgenomen, in het bijzonder de aard en de omvang van de voorgenomen verrichtingen alsook de organisatiestructuur van de instelling, inzonderheid een beschrijving van de in artikel 21, § 1 bedoelde regelingen, processen en mechanismen, en de nauwe banden die zij heeft met andere personen, waarbij met name de moederondernemingen, de financiële holdings en de gemengde financiële holdings binnen de groep worden vermeld. In de aanvraag wordt ook vermeld of de voorgenomen werkzaamheden de in de punten 1° of 2° van artikel 1, § 3, eerste lid bedoelde werkzaamheden zijn. De aanvragers moeten bovendien alle inlichtingen verstrekken die nodig zijn om hun aanvraag te kunnen beoordelen.".
Art. 19. Dans l'article 8 de la même loi, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"La demande d'agrément est soumise à la Banque, accompagnée d'un dossier administratif répondant aux conditions fixées par l'autorité de contrôle et dans lequel sont notamment indiqués le programme d'activités, en particulier la nature et le volume des opérations envisagées ainsi que la structure de l'organisation de l'établissement, en particulier une description des dispositifs, processus et mécanismes visés à l'article 21, § 1er, et ses liens étroits avec d'autres personnes, indiquant notamment les entreprises mères, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes au sein du groupe. La demande précise également si les activités envisagées concernent celles visées au 1° ou au 2° de l'article 1er, § 3, alinéa 1er. Les demandeurs doivent en outre fournir tous renseignements nécessaires à l'appréciation de leur demande.".
"La demande d'agrément est soumise à la Banque, accompagnée d'un dossier administratif répondant aux conditions fixées par l'autorité de contrôle et dans lequel sont notamment indiqués le programme d'activités, en particulier la nature et le volume des opérations envisagées ainsi que la structure de l'organisation de l'établissement, en particulier une description des dispositifs, processus et mécanismes visés à l'article 21, § 1er, et ses liens étroits avec d'autres personnes, indiquant notamment les entreprises mères, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes au sein du groupe. La demande précise également si les activités envisagées concernent celles visées au 1° ou au 2° de l'article 1er, § 3, alinéa 1er. Les demandeurs doivent en outre fournir tous renseignements nécessaires à l'appréciation de leur demande.".
Art. 20. Artikel 12 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Indien de vergunning wordt verleend, wordt in de beslissing over de vergunning vermeld of de kredietinstelling een vergunning verkrijgt als kredietinstelling in de zin van punt 1° of punt 2° van artikel 1, § 3, eerste lid.".
"Indien de vergunning wordt verleend, wordt in de beslissing over de vergunning vermeld of de kredietinstelling een vergunning verkrijgt als kredietinstelling in de zin van punt 1° of punt 2° van artikel 1, § 3, eerste lid.".
Art. 20. L'article 12 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 21 novembre 2017, est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
"Lorsque l'agrément est octroyé, la décision d'agrément mentionne si l'établissement de crédit est agréé en tant qu'établissement de crédit au sens du 1° ou du 2° de l'article 1er, § 3, alinéa 1er.".
"Lorsque l'agrément est octroyé, la décision d'agrément mentionne si l'établissement de crédit est agréé en tant qu'établissement de crédit au sens du 1° ou du 2° de l'article 1er, § 3, alinéa 1er.".
Art. 21. In artikel 14 van dezelfde wet wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"De toezichthouders stellen een lijst op van de kredietinstellingen waaraan krachtens dit Boek een vergunning is verleend, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de categorieën bedoeld in punt 1° en in punt 2° van artikel 1, § 3, eerste lid. Die lijst alsook de bijlage bedoeld in het tweede lid en alle daarin aangebrachte wijzigingen, worden op hun website bekendgemaakt en ter kennis gebracht van de Europese Bankautoriteit.".
"De toezichthouders stellen een lijst op van de kredietinstellingen waaraan krachtens dit Boek een vergunning is verleend, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de categorieën bedoeld in punt 1° en in punt 2° van artikel 1, § 3, eerste lid. Die lijst alsook de bijlage bedoeld in het tweede lid en alle daarin aangebrachte wijzigingen, worden op hun website bekendgemaakt en ter kennis gebracht van de Europese Bankautoriteit.".
Art. 21. Dans l'article 14 de la même loi, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Les autorités de contrôle établissent une liste des établissements de crédit agréés en vertu du présent Livre, en distinguant les catégories visées au 1° et au 2° de l'article 1er, § 3, alinéa 1er. Cette liste ainsi que l'annexe visée à l'alinéa 2 et toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur leur site internet et notifiées à l'Autorité bancaire européenne.".
"Les autorités de contrôle établissent une liste des établissements de crédit agréés en vertu du présent Livre, en distinguant les catégories visées au 1° et au 2° de l'article 1er, § 3, alinéa 1er. Cette liste ainsi que l'annexe visée à l'alinéa 2 et toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur leur site internet et notifiées à l'Autorité bancaire européenne.".
Art. 22. In Boek II, Titel I, Hoofdstuk I, Afdeling II van dezelfde wet wordt een artikel 14/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 14/1. Wanneer een onderneming die een vergunning als beursvennootschap heeft verkregen, voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, moet zij overeenkomstig artikel 8 een vergunningsaanvraag indienen uiterlijk op de dag waarop:
1° het gemiddelde van haar maandelijkse totale activa, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, gelijk is aan of meer bedraagt dan 30 miljard euro; of
2° hoewel het gemiddelde van haar maandelijkse totale activa, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, minder bedraagt dan 30 miljard euro, de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen in de groep waartoe de beursvennootschap behoort, die elk afzonderlijk minder dan 30 miljard euro aan totale activa bezitten en die beleggingsdiensten verrichten die bestaan in het handelen voor eigen rekening of het overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, gelijk is aan of groter is dan 30 miljard euro, beide berekend als gemiddelde over een periode van twaalf opeenvolgende maanden.
De artikelen 9 tot 14 zijn van toepassing op deze aanvraag, met dien verstande dat de toezichthouder garandeert dat de vergunningsprocedure zo gestroomlijnd mogelijk is en dat rekening wordt gehouden met de informatie die in het kader van het vorige toezichtsstatuut is verkregen.
De in het eerste lid bedoelde ondernemingen mogen de in artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, bedoelde activiteiten blijven uitoefenen totdat de overeenkomstig het eerste lid gevraagde vergunning wordt verkregen of geweigerd, met dien verstande dat zij tot op die datum onderworpen blijven aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van Boek XII en aan de diverse normen genomen ter uitvoering ervan.".
"Art. 14/1. Wanneer een onderneming die een vergunning als beursvennootschap heeft verkregen, voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, moet zij overeenkomstig artikel 8 een vergunningsaanvraag indienen uiterlijk op de dag waarop:
1° het gemiddelde van haar maandelijkse totale activa, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, gelijk is aan of meer bedraagt dan 30 miljard euro; of
2° hoewel het gemiddelde van haar maandelijkse totale activa, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, minder bedraagt dan 30 miljard euro, de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen in de groep waartoe de beursvennootschap behoort, die elk afzonderlijk minder dan 30 miljard euro aan totale activa bezitten en die beleggingsdiensten verrichten die bestaan in het handelen voor eigen rekening of het overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, gelijk is aan of groter is dan 30 miljard euro, beide berekend als gemiddelde over een periode van twaalf opeenvolgende maanden.
De artikelen 9 tot 14 zijn van toepassing op deze aanvraag, met dien verstande dat de toezichthouder garandeert dat de vergunningsprocedure zo gestroomlijnd mogelijk is en dat rekening wordt gehouden met de informatie die in het kader van het vorige toezichtsstatuut is verkregen.
De in het eerste lid bedoelde ondernemingen mogen de in artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, bedoelde activiteiten blijven uitoefenen totdat de overeenkomstig het eerste lid gevraagde vergunning wordt verkregen of geweigerd, met dien verstande dat zij tot op die datum onderworpen blijven aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van Boek XII en aan de diverse normen genomen ter uitvoering ervan.".
Art. 22. Dans le Livre II, Titre Ier, Chapitre Ier, Section II de la même loi, il est inséré un article 14/1, rédigé comme suit :
"Art. 14/1. Lorsqu'une entreprise agréée en tant que société de bourse satisfait aux conditions visées à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, elle doit introduire une demande d'agrément conformément à l'article 8, au plus tard le jour où :
1° la moyenne de son actif total mensuel, calculée sur une période de douze mois consécutifs, atteint ou dépasse 30 milliards d'euros ; ou
2° alors même que la moyenne de son actif total mensuel, calculée sur une période de douze mois consécutifs, est inférieure à 30 milliards d'euros, la valeur totale des actifs consolidés de toutes les entreprises du groupe dont la société de bourse fait partie, qui chacunes prises individuellement ont un actif total inférieur à 30 milliards d'euros et qui exercent des services d'investissement consistant dans la négociation pour compte propre ou la prise ferme d'instruments financiers et/ou le placement d'instruments financiers avec engagement ferme, atteint ou dépasse 30 milliards d'euros, les deux étant calculés en moyenne sur une période de douze mois consécutifs.
Les articles 9 à 14 sont applicables à cette demande, étant entendu que l'autorité de contrôle veille à ce que la procédure d'agrément soit aussi rationalisée que possible et à ce que les informations obtenues sous le statut de contrôle antérieur soient prises en compte.
Les entreprises visées à l'alinéa 1er peuvent continuer d'exercer les activités visées à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, jusqu'à ce que l'agrément demandé conformément à l'alinéa 1er soit octroyé ou refusé, étant entendu que, jusqu'à cette date, elles restent soumises aux dispositions du droit de l'Union qui leur sont directement applicables, aux dispositions du Livre XII et aux différentes normes prises en exécution de celles-ci.".
"Art. 14/1. Lorsqu'une entreprise agréée en tant que société de bourse satisfait aux conditions visées à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, elle doit introduire une demande d'agrément conformément à l'article 8, au plus tard le jour où :
1° la moyenne de son actif total mensuel, calculée sur une période de douze mois consécutifs, atteint ou dépasse 30 milliards d'euros ; ou
2° alors même que la moyenne de son actif total mensuel, calculée sur une période de douze mois consécutifs, est inférieure à 30 milliards d'euros, la valeur totale des actifs consolidés de toutes les entreprises du groupe dont la société de bourse fait partie, qui chacunes prises individuellement ont un actif total inférieur à 30 milliards d'euros et qui exercent des services d'investissement consistant dans la négociation pour compte propre ou la prise ferme d'instruments financiers et/ou le placement d'instruments financiers avec engagement ferme, atteint ou dépasse 30 milliards d'euros, les deux étant calculés en moyenne sur une période de douze mois consécutifs.
Les articles 9 à 14 sont applicables à cette demande, étant entendu que l'autorité de contrôle veille à ce que la procédure d'agrément soit aussi rationalisée que possible et à ce que les informations obtenues sous le statut de contrôle antérieur soient prises en compte.
Les entreprises visées à l'alinéa 1er peuvent continuer d'exercer les activités visées à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, jusqu'à ce que l'agrément demandé conformément à l'alinéa 1er soit octroyé ou refusé, étant entendu que, jusqu'à cette date, elles restent soumises aux dispositions du droit de l'Union qui leur sont directement applicables, aux dispositions du Livre XII et aux différentes normes prises en exécution de celles-ci.".
Art. 23. Artikel 19, § 1 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De toezichthouder gaat met name na of aan de vereisten van het tweede lid wordt voldaan als hij goede redenen heeft om te vermoeden dat er in verband met die kredietinstelling sprake is van witwassen van geld of terrorismefinanciering, van een poging daartoe of van een verhoogd risico daarop.".
"De toezichthouder gaat met name na of aan de vereisten van het tweede lid wordt voldaan als hij goede redenen heeft om te vermoeden dat er in verband met die kredietinstelling sprake is van witwassen van geld of terrorismefinanciering, van een poging daartoe of van een verhoogd risico daarop.".
Art. 23. L'article 19, § 1er de la même loi, est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
"L'autorité de contrôle vérifie en particulier s'il est satisfait aux exigences énoncées à l'alinéa 2 lorsqu'elle a des motifs raisonnables de soupçonner qu'une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme est en cours ou a eu lieu ou que le risque d'une telle opération ou tentative pourrait être renforcé en lien avec l'établissement de crédit concerné.".
"L'autorité de contrôle vérifie en particulier s'il est satisfait aux exigences énoncées à l'alinéa 2 lorsqu'elle a des motifs raisonnables de soupçonner qu'une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme est en cours ou a eu lieu ou que le risque d'une telle opération ou tentative pourrait être renforcé en lien avec l'établissement de crédit concerné.".
Art. 24. Artikel 21 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende:
" § 5. Wanneer aan een kredietinstelling ontheffing is verleend met toepassing van artikel 7 van Verordening nr. 575/2013, bepaalt de toezichthouder in welke mate en op welke wijze de kredietinstelling ook kan worden vrijgesteld van de verplichtingen van dit artikel.".
" § 5. Wanneer aan een kredietinstelling ontheffing is verleend met toepassing van artikel 7 van Verordening nr. 575/2013, bepaalt de toezichthouder in welke mate en op welke wijze de kredietinstelling ook kan worden vrijgesteld van de verplichtingen van dit artikel.".
Art. 24. L'article 21 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 21 novembre 2017, est complété par un paragraphe 5, rédigé comme suit :
" § 5. Lorsqu'un établissement de crédit bénéficie d'une exemption en application de l'article 7 du Règlement n° 575/2013, l'autorité de contrôle détermine dans quelle mesure et selon quelles modalités l'établissement de crédit peut de même être exempté des obligations prévues au présent article.".
" § 5. Lorsqu'un établissement de crédit bénéficie d'une exemption en application de l'article 7 du Règlement n° 575/2013, l'autorité de contrôle détermine dans quelle mesure et selon quelles modalités l'établissement de crédit peut de même être exempté des obligations prévues au présent article.".
Art. 25. In artikel 31, § 2, eerste lid, 1°, van dezelfde wet wordt het tweede lid aangevuld met de woorden "en worden meegedeeld aan de toezichthouder, zodat hij de nodige vergelijkende analyses kan uitvoeren van de praktijken op het gebied van diversiteit. De toezichthouder geeft deze informatie door aan de Europese Bankautoriteit.".
Art. 25. Dans l'article 31, § 2, alinéa 1er, 1°, de la même loi, l'alinéa 2 est complété par les mots "et sont communiqués à l'autorité de contrôle afin qu'elle procède à des analyses comparatives des pratiques en matière de diversité. L'autorité de contrôle transmet ces informations à l'Autorité bancaire européenne.".
Art. 26. In artikel 33 van dezelfde wet, wordt paragraaf 1 vervangen als volgt:
" § 1. Kredietinstellingen die niet significant zijn, zijn vrijgesteld van de verplichting om binnen hun wettelijk bestuursorgaan de twee comités als bedoeld in de artikelen 30 en 31 op te richten en kunnen bovendien bepalen dat één enkel comité instaat voor de taken van de comités bedoeld in de artikelen 28 en 29.".
" § 1. Kredietinstellingen die niet significant zijn, zijn vrijgesteld van de verplichting om binnen hun wettelijk bestuursorgaan de twee comités als bedoeld in de artikelen 30 en 31 op te richten en kunnen bovendien bepalen dat één enkel comité instaat voor de taken van de comités bedoeld in de artikelen 28 en 29.".
Art. 26. Dans l'article 33 de la même loi, le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Les établissements de crédit qui ne sont pas d'importance significative sont dispensés de constituer, au sein de leur organe légal d'administration, les deux comités visés aux articles 30 et 31 et peuvent, en outre, prévoir qu'un seul comité assure les missions dévolues aux comités visés aux articles 28 et 29.".
" § 1er. Les établissements de crédit qui ne sont pas d'importance significative sont dispensés de constituer, au sein de leur organe légal d'administration, les deux comités visés aux articles 30 et 31 et peuvent, en outre, prévoir qu'un seul comité assure les missions dévolues aux comités visés aux articles 28 et 29.".
Art. 27. Artikel 44 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, wordt vervangen als volgt:
"Art. 44. Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, moeten aansluiten bij een collectieve depositobeschermingsregeling overeenkomstig artikel 380 van deze wet. Wanneer deze kredietinstellingen beleggingsdiensten en/of -activiteiten verrichten moeten zij bovendien aansluiten bij een collectieve beleggersbeschermingsregeling overeenkomstig artikel 384/2 van deze wet.
Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, moeten aansluiten bij een collectieve beleggersbeschermingsregeling overeenkomstig artikel 384/2 van deze wet.".
"Art. 44. Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, moeten aansluiten bij een collectieve depositobeschermingsregeling overeenkomstig artikel 380 van deze wet. Wanneer deze kredietinstellingen beleggingsdiensten en/of -activiteiten verrichten moeten zij bovendien aansluiten bij een collectieve beleggersbeschermingsregeling overeenkomstig artikel 384/2 van deze wet.
Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, moeten aansluiten bij een collectieve beleggersbeschermingsregeling overeenkomstig artikel 384/2 van deze wet.".
Art. 27. L'article 44 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, est remplacé par suit :
"Art. 44. Les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, doivent adhérer à un système collectif de protection des dépôts conformément à l'article 380 de la présente loi. Ces mêmes établissements de crédit, lorsqu'ils fournissent des services et/ou des activités d'investissement, doivent en outre adhérer à un système collectif de protection des investisseurs conformément à l'article 384/2 de la présente loi.
Les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, doivent adhérer à un système collectif de protection des investisseurs conformément à l'article 384/2 de la présente loi.".
"Art. 44. Les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, doivent adhérer à un système collectif de protection des dépôts conformément à l'article 380 de la présente loi. Ces mêmes établissements de crédit, lorsqu'ils fournissent des services et/ou des activités d'investissement, doivent en outre adhérer à un système collectif de protection des investisseurs conformément à l'article 384/2 de la présente loi.
Les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, doivent adhérer à un système collectif de protection des investisseurs conformément à l'article 384/2 de la présente loi.".
Art. 28. Artikel 47 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Onverminderd het vierde en vijfde lid wordt, wanneer de voorgenomen wijzigingen in de kapitaalstructuur leiden tot de gelijktijdige indiening van een aanvraag tot goedkeuring van een financiële holding of een gemengde financiële holding overeenkomstig artikel 212/1 of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 1 van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert, de in het tweede lid bedoelde beoordelingsperiode opgeschort tot het einde van de in die artikelen bedoelde goedkeuringsprocedure.".
"Onverminderd het vierde en vijfde lid wordt, wanneer de voorgenomen wijzigingen in de kapitaalstructuur leiden tot de gelijktijdige indiening van een aanvraag tot goedkeuring van een financiële holding of een gemengde financiële holding overeenkomstig artikel 212/1 of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 1 van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert, de in het tweede lid bedoelde beoordelingsperiode opgeschort tot het einde van de in die artikelen bedoelde goedkeuringsprocedure.".
Art. 28. L'article 47 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
"Sans préjudice des alinéas 4 et 5, lorsque les modifications dans la structure du capital envisagées conduisent à l'introduction en même temps d'une demande d'approbation d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte conformément à l'article 212/1 ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 1er de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte, la période d'évaluation visée à l'alinéa 2 est suspendue jusqu'au terme de la procédure d'approbation visée auxdits articles.".
"Sans préjudice des alinéas 4 et 5, lorsque les modifications dans la structure du capital envisagées conduisent à l'introduction en même temps d'une demande d'approbation d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte conformément à l'article 212/1 ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 1er de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte, la période d'évaluation visée à l'alinéa 2 est suspendue jusqu'au terme de la procédure d'approbation visée auxdits articles.".
Art. 29. Artikel 49 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende:
"In het geval bedoeld in artikel 47, zesde lid zorgt de Bank, voor zover nodig en voor zover het een andere bevoegde autoriteit is, voor passende coördinatie met de consoliderende toezichthouder die met toepassing van artikel 171 is aangewezen en/of met de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd.".
"In het geval bedoeld in artikel 47, zesde lid zorgt de Bank, voor zover nodig en voor zover het een andere bevoegde autoriteit is, voor passende coördinatie met de consoliderende toezichthouder die met toepassing van artikel 171 is aangewezen en/of met de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd.".
Art. 29. L'article 49 de la même loi, est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
"Dans le cas visé à l'article 47, alinéa 6, la Banque se coordonne, pour autant que de besoin et dans la mesure où il s'agit d'une autorité compétente différente, avec l'autorité de surveillance sur base consolidée désignée en application de l'article 171 et/ou avec l'autorité compétente de l'Etat membre où est établie la compagnie financière ou compagnie financière mixte.".
"Dans le cas visé à l'article 47, alinéa 6, la Banque se coordonne, pour autant que de besoin et dans la mesure où il s'agit d'une autorité compétente différente, avec l'autorité de surveillance sur base consolidée désignée en application de l'article 171 et/ou avec l'autorité compétente de l'Etat membre où est établie la compagnie financière ou compagnie financière mixte.".
Art. 30. In artikel 59 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan neemt het directiecomité onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving en de tenuitvoerlegging van de bepalingen van artikel 21, met inbegrip van de specifieke organisatieregeling bedoeld in Onderafdeling V van Afdeling VI van Hoofdstuk II van Titel I, en in de artikelen 64 tot 66, evenals, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, de specifieke organisatieregeling bedoeld in de artikelen 65, § 3, tweede lid, 65/1 en 74/1.";
2° in paragraaf 2, worden de woorden "minstens eenmaal per jaar" opgeheven;
3° in paragraaf 2 worden de woorden ", evenals, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, de specifieke organisatieregeling bedoeld in de artikelen 65, § 3, tweede lid, 65/1 en 74/1" ingevoegd tussen de woorden "en in de artikelen 64 tot 66" en de woorden ", en over de maatregelen die in voorkomend geval worden genomen";
4° paragraaf 2 wordt aangevuld met twee leden, luidende:
"Voor de kredietinstellingen die krachtens artikel 6, leden 4 en 5, onder b), van de GTM-verordening onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staan, vindt de rapportering ten minste eenmaal per jaar plaats.
Voor de overige kredietinstellingen vindt de rapportering ten minste om de twee jaar plaats. In het jaar waarin geen volledige rapportering plaatsvindt als bedoeld in het eerste lid van deze paragraaf, dient alsnog een beknopte samenvatting te worden gerapporteerd, waarvan de minimale inhoud wordt bepaald in de door de toezichthouder vastgelegde richtsnoeren.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan neemt het directiecomité onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving en de tenuitvoerlegging van de bepalingen van artikel 21, met inbegrip van de specifieke organisatieregeling bedoeld in Onderafdeling V van Afdeling VI van Hoofdstuk II van Titel I, en in de artikelen 64 tot 66, evenals, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, de specifieke organisatieregeling bedoeld in de artikelen 65, § 3, tweede lid, 65/1 en 74/1.";
2° in paragraaf 2, worden de woorden "minstens eenmaal per jaar" opgeheven;
3° in paragraaf 2 worden de woorden ", evenals, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, de specifieke organisatieregeling bedoeld in de artikelen 65, § 3, tweede lid, 65/1 en 74/1" ingevoegd tussen de woorden "en in de artikelen 64 tot 66" en de woorden ", en over de maatregelen die in voorkomend geval worden genomen";
4° paragraaf 2 wordt aangevuld met twee leden, luidende:
"Voor de kredietinstellingen die krachtens artikel 6, leden 4 en 5, onder b), van de GTM-verordening onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staan, vindt de rapportering ten minste eenmaal per jaar plaats.
Voor de overige kredietinstellingen vindt de rapportering ten minste om de twee jaar plaats. In het jaar waarin geen volledige rapportering plaatsvindt als bedoeld in het eerste lid van deze paragraaf, dient alsnog een beknopte samenvatting te worden gerapporteerd, waarvan de minimale inhoud wordt bepaald in de door de toezichthouder vastgelegde richtsnoeren.".
Art. 30. Dans l'article 59 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l'organe légal d'administration et sous sa surveillance, le comité de direction prend les mesures nécessaires pour assurer le respect et la mise en oeuvre des dispositions de l'article 21, en ce compris les dispositions d'organisation spécifique visées à la Sous-section V de la Section VI du Chapitre II du Titre Ier, et les articles 64 à 66, ainsi que, pour les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, les dispositions d'organisation spécifique visées aux articles 65, § 3, alinéa 2, 65/1 et 74/1." ;
2° dans le paragraphe 2, les mots "au moins une fois par an" sont abrogés ;
3° dans le paragraphe 2, les mots ", ainsi que, pour les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, les dispositions d'organisation spécifique visées aux articles 65, § 3, alinéa 2, 65/1 et 74/1" sont insérés entre les mots "et aux articles 64 à 66" et les mots ", et les mesures prises le cas échéant" ;
4° le paragraphe 2 est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
"Pour les établissements de crédit soumis à la surveillance directe de la Banque centrale européenne en vertu de l'article 6, paragraphes 4 et 5, point b), du Règlement MSU, le reporting s'opère au moins une fois par an.
Pour les autres établissements de crédit, le reporting doit s'opérer au moins tous les deux ans. L'année au cours de laquelle il n'y a pas de reporting complet tel que visé à l'alinéa 1er du présent paragraphe, il y a lieu de transmettre un résumé concis, dont le contenu minimum est déterminé dans les lignes directrices établies par l'autorité de contrôle.".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l'organe légal d'administration et sous sa surveillance, le comité de direction prend les mesures nécessaires pour assurer le respect et la mise en oeuvre des dispositions de l'article 21, en ce compris les dispositions d'organisation spécifique visées à la Sous-section V de la Section VI du Chapitre II du Titre Ier, et les articles 64 à 66, ainsi que, pour les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, les dispositions d'organisation spécifique visées aux articles 65, § 3, alinéa 2, 65/1 et 74/1." ;
2° dans le paragraphe 2, les mots "au moins une fois par an" sont abrogés ;
3° dans le paragraphe 2, les mots ", ainsi que, pour les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, les dispositions d'organisation spécifique visées aux articles 65, § 3, alinéa 2, 65/1 et 74/1" sont insérés entre les mots "et aux articles 64 à 66" et les mots ", et les mesures prises le cas échéant" ;
4° le paragraphe 2 est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
"Pour les établissements de crédit soumis à la surveillance directe de la Banque centrale européenne en vertu de l'article 6, paragraphes 4 et 5, point b), du Règlement MSU, le reporting s'opère au moins une fois par an.
Pour les autres établissements de crédit, le reporting doit s'opérer au moins tous les deux ans. L'année au cours de laquelle il n'y a pas de reporting complet tel que visé à l'alinéa 1er du présent paragraphe, il y a lieu de transmettre un résumé concis, dont le contenu minimum est déterminé dans les lignes directrices établies par l'autorité de contrôle.".
Art. 31. In artikel 65 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, wordt paragraaf 3 aangevuld met een lid, luidende:
"Wanneer een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, geldmiddelen aanhoudt die aan een cliënt toebehoren, treft zij passende maatregelen om de rechten van haar cliënteel te vrijwaren en om te voorkomen dat de geldmiddelen die aan de cliënt toebehoren voor haar eigen rekening gebruikt worden.".
"Wanneer een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, geldmiddelen aanhoudt die aan een cliënt toebehoren, treft zij passende maatregelen om de rechten van haar cliënteel te vrijwaren en om te voorkomen dat de geldmiddelen die aan de cliënt toebehoren voor haar eigen rekening gebruikt worden.".
Art. 31. Dans l'article 65 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, le paragraphe 3 est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
"Lorsqu'un établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, détient des fonds appartenant à des clients, il prend des mesures adéquates pour sauvegarder les droits de ses clients et pour empêcher l'utilisation pour son propre compte des fonds appartenant à des clients.".
"Lorsqu'un établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, détient des fonds appartenant à des clients, il prend des mesures adéquates pour sauvegarder les droits de ses clients et pour empêcher l'utilisation pour son propre compte des fonds appartenant à des clients.".
Art. 32. In artikel 65/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 oktober 2016, wordt paragraaf 2 vervangen als volgt:
" § 2. De Koning kan, na advies van de Bank, nadere voorwaarden en regels vaststellen voor de in paragraaf 1 bedoelde vereisten, alsook, meer algemeen, vereisten aangaande de boekhoudkundige organisatie en de boekhoudregels voor het deponeren van financiële instrumenten bij kredietinstellingen en voor het deponeren van gelden bij kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, overeenkomstig artikel 74/1.".
" § 2. De Koning kan, na advies van de Bank, nadere voorwaarden en regels vaststellen voor de in paragraaf 1 bedoelde vereisten, alsook, meer algemeen, vereisten aangaande de boekhoudkundige organisatie en de boekhoudregels voor het deponeren van financiële instrumenten bij kredietinstellingen en voor het deponeren van gelden bij kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, overeenkomstig artikel 74/1.".
Art. 32. Dans l'article 65/1 de la même loi, inséré par la loi du 25 octobre 2016, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le Roi peut définir, sur avis de la Banque, les conditions et modalités des exigences prévues au paragraphe 1er ainsi que, plus généralement, les exigences en matière d'organisation comptable et de règles comptables afférentes aux dépôts d'instruments financiers effectués auprès d'établissements de crédit et aux dépôts de fonds effectués auprès d'établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, conformément à l'article 74/1.".
" § 2. Le Roi peut définir, sur avis de la Banque, les conditions et modalités des exigences prévues au paragraphe 1er ainsi que, plus généralement, les exigences en matière d'organisation comptable et de règles comptables afférentes aux dépôts d'instruments financiers effectués auprès d'établissements de crédit et aux dépôts de fonds effectués auprès d'établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, conformément à l'article 74/1.".
Art. 33. Artikel 67 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, vervangen als volgt:
"Art. 67. Het beloningsbeleid dat conform artikel 56, § 5 en artikel 41, § 1, 1°, wordt vastgelegd, strookt met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de instelling, en omvat maatregelen om belangenconflicten te vermijden. Het beloningsbeleid dient genderneutraal te zijn. Bij de opstelling en de toepassing van hun beloningsbeleid nemen de instellingen de vereisten van Bijlage II in acht op een wijze die aansluit bij de omvang en de interne organisatie van de instelling en bij de aard, reikwijdte en complexiteit van haar werkzaamheden.
Het beloningsbeleid heeft betrekking op de categorieën van personeelsleden wier beroepsactiviteiten een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van de instelling.
Voor de toepassing van het tweede lid, omvatten categorieën van personeelsleden wier beroepsactiviteiten een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van de instelling, ten minste:
1° alle leden van het wettelijk bestuursorgaan en de hoge leiding;
2° personeelsleden met leidinggevende verantwoordelijkheid over de controlefuncties of de essentiële bedrijfseenheden van de instelling;
3° personeelsleden die in het voorgaande boekjaar recht hadden op een significante beloning, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) de beloning van het personeelslid is gelijk aan of hoger dan 500 000 euro en gelijk aan of hoger dan de gemiddelde beloning die wordt toegekend aan de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de hoge leiding van de instelling, als bedoeld in 1° ;
b) het personeelslid verricht de beroepswerkzaamheid in een essentiële bedrijfseenheid en de werkzaamheden zijn van dien aard dat zij een aanzienlijke impact hebben op het risicoprofiel van de betrokken bedrijfseenheid.".
"Art. 67. Het beloningsbeleid dat conform artikel 56, § 5 en artikel 41, § 1, 1°, wordt vastgelegd, strookt met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de instelling, en omvat maatregelen om belangenconflicten te vermijden. Het beloningsbeleid dient genderneutraal te zijn. Bij de opstelling en de toepassing van hun beloningsbeleid nemen de instellingen de vereisten van Bijlage II in acht op een wijze die aansluit bij de omvang en de interne organisatie van de instelling en bij de aard, reikwijdte en complexiteit van haar werkzaamheden.
Het beloningsbeleid heeft betrekking op de categorieën van personeelsleden wier beroepsactiviteiten een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van de instelling.
Voor de toepassing van het tweede lid, omvatten categorieën van personeelsleden wier beroepsactiviteiten een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van de instelling, ten minste:
1° alle leden van het wettelijk bestuursorgaan en de hoge leiding;
2° personeelsleden met leidinggevende verantwoordelijkheid over de controlefuncties of de essentiële bedrijfseenheden van de instelling;
3° personeelsleden die in het voorgaande boekjaar recht hadden op een significante beloning, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) de beloning van het personeelslid is gelijk aan of hoger dan 500 000 euro en gelijk aan of hoger dan de gemiddelde beloning die wordt toegekend aan de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de hoge leiding van de instelling, als bedoeld in 1° ;
b) het personeelslid verricht de beroepswerkzaamheid in een essentiële bedrijfseenheid en de werkzaamheden zijn van dien aard dat zij een aanzienlijke impact hebben op het risicoprofiel van de betrokken bedrijfseenheid.".
Art. 33. L'article 67 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 21 novembre 2017, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 67. La politique de rémunération adoptée conformément à l'article 56, § 5 et à l'article 41, § 1er, 1°, est conforme à la stratégie économique, aux objectifs, aux valeurs et aux intérêts à long terme de l'établissement et comprend des mesures visant à éviter les conflits d'intérêts. La politique de rémunération doit être neutre du point de vue du genre. Lors de l'établissement et de l'application de leur politique de rémunération, les établissements observent les exigences énoncées à l'Annexe II, d'une manière qui correspond à la taille et l'organisation interne de l'établissement et à la nature, la portée et la complexité de ses activités.
La politique de rémunération couvre les catégories de membres du personnel dont les activités professionnelles ont une incidence significative sur le profil de risque de l'établissement.
Aux fins de l'alinéa 2, les catégories de personnel dont les activités professionnelles ont une incidence substantielle sur le profil de risque de l'établissement comprennent au moins :
1° tous les membres de l'organe légal d'administration et de la haute direction ;
2° les membres du personnel exerçant une responsabilité hiérarchique sur les fonctions de contrôle ou les unités opérationnelles essentielles de l'établissement ;
3° les membres du personnel qui ont eu droit à une rémunération significative au cours de l'exercice précédent, pour autant que les conditions suivantes soient remplies :
a) la rémunération du membre du personnel est égale ou supérieure à 500 000 euros et égale ou supérieure à la rémunération moyenne accordée aux membres de l'organe légal d'administration et de la haute direction de l'établissement, telle que visée au 1° ;
b) le membre du personnel exerce l'activité professionnelle dans une unité opérationnelle essentielle et la nature de l'activité est telle qu'elle a une incidence considérable sur le profil de risque de l'unité opérationnelle concernée.".
"Art. 67. La politique de rémunération adoptée conformément à l'article 56, § 5 et à l'article 41, § 1er, 1°, est conforme à la stratégie économique, aux objectifs, aux valeurs et aux intérêts à long terme de l'établissement et comprend des mesures visant à éviter les conflits d'intérêts. La politique de rémunération doit être neutre du point de vue du genre. Lors de l'établissement et de l'application de leur politique de rémunération, les établissements observent les exigences énoncées à l'Annexe II, d'une manière qui correspond à la taille et l'organisation interne de l'établissement et à la nature, la portée et la complexité de ses activités.
La politique de rémunération couvre les catégories de membres du personnel dont les activités professionnelles ont une incidence significative sur le profil de risque de l'établissement.
Aux fins de l'alinéa 2, les catégories de personnel dont les activités professionnelles ont une incidence substantielle sur le profil de risque de l'établissement comprennent au moins :
1° tous les membres de l'organe légal d'administration et de la haute direction ;
2° les membres du personnel exerçant une responsabilité hiérarchique sur les fonctions de contrôle ou les unités opérationnelles essentielles de l'établissement ;
3° les membres du personnel qui ont eu droit à une rémunération significative au cours de l'exercice précédent, pour autant que les conditions suivantes soient remplies :
a) la rémunération du membre du personnel est égale ou supérieure à 500 000 euros et égale ou supérieure à la rémunération moyenne accordée aux membres de l'organe légal d'administration et de la haute direction de l'établissement, telle que visée au 1° ;
b) le membre du personnel exerce l'activité professionnelle dans une unité opérationnelle essentielle et la nature de l'activité est telle qu'elle a une incidence considérable sur le profil de risque de l'unité opérationnelle concernée.".
Art. 34. In Boek II, Titel II, Hoofdstuk III van dezelfde wet wordt het opschrift van Afdeling VI vervangen als volgt:
"Afdeling VI. Verrichtingen van kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° ,die beperkt of verboden zijn en betalingen die nietig kunnen worden verklaard".
"Afdeling VI. Verrichtingen van kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° ,die beperkt of verboden zijn en betalingen die nietig kunnen worden verklaard".
Art. 34. Dans le Livre II, Titre II, Chapitre III de la même loi, l'intitulé de la Section VI est remplacé par ce qui suit :
"Section VI. Des opérations des établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, sujettes à limitations ou à interdiction et des paiements sujets à nullité".
"Section VI. Des opérations des établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, sujettes à limitations ou à interdiction et des paiements sujets à nullité".
Art. 35. In artikel 72, § 1, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt:
"4° de ondernemingen of instellingen waarin de in 1° en 5° bedoelde personen een gekwalificeerde deelneming bezitten, een invloed van betekenis kunnen uitoefenen of een functie uitoefenen als bedoeld in 1° ;";
2° in het tweede lid worden de woorden "worden ook ter kennis gebracht" vervangen door de woorden "worden behoorlijk gedocumenteerd en ter kennis gebracht";
3° in het vierde lid worden de woorden "100 000 euro" vervangen door de woorden "500 000 euro".
1° in het eerste lid wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt:
"4° de ondernemingen of instellingen waarin de in 1° en 5° bedoelde personen een gekwalificeerde deelneming bezitten, een invloed van betekenis kunnen uitoefenen of een functie uitoefenen als bedoeld in 1° ;";
2° in het tweede lid worden de woorden "worden ook ter kennis gebracht" vervangen door de woorden "worden behoorlijk gedocumenteerd en ter kennis gebracht";
3° in het vierde lid worden de woorden "100 000 euro" vervangen door de woorden "500 000 euro".
Art. 35. Dans l'article 72, § 1er, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées.
1 ° dans l'alinéa 1er, le 4° est remplacé par ce qui suit :
"4° les entreprises ou établissements dans lesquels les personnes visées au 1° et au 5° détiennent une participation qualifiée, peuvent exercer une influence notable ou exercent une fonction visée au 1° ;" ;
2° dans l'alinéa 2, les mots "sont en outre notifiés" sont remplacés par les mots "sont dûment documentés et notifiés" ;
3° dans l'alinéa 4, les mots "100 000 euros" sont remplacés par les mots "500 000 euros".
1 ° dans l'alinéa 1er, le 4° est remplacé par ce qui suit :
"4° les entreprises ou établissements dans lesquels les personnes visées au 1° et au 5° détiennent une participation qualifiée, peuvent exercer une influence notable ou exercent une fonction visée au 1° ;" ;
2° dans l'alinéa 2, les mots "sont en outre notifiés" sont remplacés par les mots "sont dûment documentés et notifiés" ;
3° dans l'alinéa 4, les mots "100 000 euros" sont remplacés par les mots "500 000 euros".
Art. 36. In de artikelen 72, 72/1, 73, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, en 74 van dezelfde wet wordt het woord "kredietinstelling" telkens vervangen door de woorden "kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, " en wordt het woord "kredietinstellingen" telkens vervangen door de woorden "kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° ".
Art. 36. Dans les articles 72, 72/1, 73, modifiés en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, et 74 de la même loi, les mots "établissement de crédit" sont à chaque fois remplacés par les mots "établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° " et les mots "établissements de crédit" sont à chaque fois remplacés par les mots "établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° ".
Art. 37. In Boek II, Titel II, Hoofdstuk III van dezelfde wet wordt een Afdeling VI/1 ingevoegd met als opschrift "Verrichtingen van kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, die beperkt of verboden zijn en betalingen die nietig kunnen worden verklaard en aanhouden van tegoeden van cliënten".
Art. 37. Dans le Livre II, Titre II, Chapitre III de la même loi, il est inséré une Section VI/1 intitulée "Des opérations des établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, sujettes à limitations ou à interdiction et des paiements sujets à nullité et de la détention des avoirs des clients".
Art. 38. In Boek II, Titel II, Hoofdstuk III, Afdeling VI/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 37, wordt een artikel 74/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 74/1. § 1. Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, mogen van hun cliënten geen gelddeposito's ontvangen, met uitzondering van zichtdeposito's en vernieuwbare termijndeposito's op ten hoogste drie maanden, die bestemd zijn voor de verwerving van financiële instrumenten, voor belegging in gestructureerde deposito's of voor terugbetalingen. De duur van vernieuwde termijndeposito's mag niet langer zijn dan één jaar, tenzij voor de betrokken deposito's een langere duur noodzakelijk is in het kader van een met de cliënt gesloten overeenkomst voor vermogensbeheer.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde deposito's dienen te worden geplaatst bij een of meer entiteiten die de hoedanigheid hebben van:
1° centrale bank;
2° kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° die onder een andere lidstaat ressorteert;
3° kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, die onder een derde land ressorteert;
4° erkend geldmarktfonds.
De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor onmiddellijk opeisbare geldmiddelen, noch voor binnen een maximumtermijn van drie werkdagen opeisbare geldmiddelen of voor geldmiddelen die ter dekking van verplichtingen van cliënten zijn verstrekt.
De in het eerste lid bedoelde entiteiten mogen op de geldmiddelen die op een gezamenlijke of geïndividualiseerde cliëntenrekening zijn geplaatst, geen recht doen gelden ingevolge eigen vorderingen op de kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, die deze rekening heeft geopend. Beslag onder derden door de schuldeisers van de kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, op deze rekeningen en hun saldo is evenmin toegestaan.
§ 3. Indien een insolventieprocedure wordt geopend tegen de kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, worden de geldmiddelen die met toepassing van paragraaf 2 zijn geplaatst op een gezamenlijke cliëntenrekening of op een geïndividualiseerde rekening die de identificatie van individuele cliënten toelaat, met uitzondering van de deposito's die door hun titularis konden worden teruggevorderd, bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling van de deposito's als bedoeld in paragraaf 1, met uitsluiting van de in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde deposito's.
§ 4. De Koning kan, na advies van de Bank en de FSMA, de voorwaarden en modaliteiten vaststellen waaraan de door cliënten bij kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, geplaatste deposito's moeten voldoen, evenals de voorwaarden en modaliteiten voor de beleggingen die kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, met deze geldmiddelen mogen verrichten, met name de risicoconcentratielimieten met betrekking tot de belegging van deze geldmiddelen. Deze voorwaarden en modaliteiten hebben tevens betrekking op de regels inzake de organisatie, de bescherming van en de informatieverstrekking aan de cliënten wat de inontvangstneming van deze geldmiddelen door de kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, en hun belegging bij derden betreft.
Om de tegoeden van de cliënten te vrijwaren, kan de Koning, na advies van de Bank en de FSMA, in uitzonderlijke omstandigheden organisatorische vereisten opleggen in aanvulling op de vereisten van de artikelen 65 en 65/1 en van dit artikel. Deze vereisten moeten objectief gerechtvaardigd en evenredig zijn teneinde specifieke risico's voor de bescherming van de belegger of voor de integriteit van de markt die van bijzonder belang zijn in de omstandigheden die eigen zijn aan de Belgische marktstructuur, te ondervangen. Indien van deze machtiging gebruik wordt gemaakt, wordt de Europese Commissie daarvan in kennis gesteld overeenkomstig artikel 16, lid 11, van Richtlijn 2014/65/EU.".
"Art. 74/1. § 1. Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, mogen van hun cliënten geen gelddeposito's ontvangen, met uitzondering van zichtdeposito's en vernieuwbare termijndeposito's op ten hoogste drie maanden, die bestemd zijn voor de verwerving van financiële instrumenten, voor belegging in gestructureerde deposito's of voor terugbetalingen. De duur van vernieuwde termijndeposito's mag niet langer zijn dan één jaar, tenzij voor de betrokken deposito's een langere duur noodzakelijk is in het kader van een met de cliënt gesloten overeenkomst voor vermogensbeheer.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde deposito's dienen te worden geplaatst bij een of meer entiteiten die de hoedanigheid hebben van:
1° centrale bank;
2° kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° die onder een andere lidstaat ressorteert;
3° kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, die onder een derde land ressorteert;
4° erkend geldmarktfonds.
De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor onmiddellijk opeisbare geldmiddelen, noch voor binnen een maximumtermijn van drie werkdagen opeisbare geldmiddelen of voor geldmiddelen die ter dekking van verplichtingen van cliënten zijn verstrekt.
De in het eerste lid bedoelde entiteiten mogen op de geldmiddelen die op een gezamenlijke of geïndividualiseerde cliëntenrekening zijn geplaatst, geen recht doen gelden ingevolge eigen vorderingen op de kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, die deze rekening heeft geopend. Beslag onder derden door de schuldeisers van de kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, op deze rekeningen en hun saldo is evenmin toegestaan.
§ 3. Indien een insolventieprocedure wordt geopend tegen de kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, worden de geldmiddelen die met toepassing van paragraaf 2 zijn geplaatst op een gezamenlijke cliëntenrekening of op een geïndividualiseerde rekening die de identificatie van individuele cliënten toelaat, met uitzondering van de deposito's die door hun titularis konden worden teruggevorderd, bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling van de deposito's als bedoeld in paragraaf 1, met uitsluiting van de in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde deposito's.
§ 4. De Koning kan, na advies van de Bank en de FSMA, de voorwaarden en modaliteiten vaststellen waaraan de door cliënten bij kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, geplaatste deposito's moeten voldoen, evenals de voorwaarden en modaliteiten voor de beleggingen die kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, met deze geldmiddelen mogen verrichten, met name de risicoconcentratielimieten met betrekking tot de belegging van deze geldmiddelen. Deze voorwaarden en modaliteiten hebben tevens betrekking op de regels inzake de organisatie, de bescherming van en de informatieverstrekking aan de cliënten wat de inontvangstneming van deze geldmiddelen door de kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, en hun belegging bij derden betreft.
Om de tegoeden van de cliënten te vrijwaren, kan de Koning, na advies van de Bank en de FSMA, in uitzonderlijke omstandigheden organisatorische vereisten opleggen in aanvulling op de vereisten van de artikelen 65 en 65/1 en van dit artikel. Deze vereisten moeten objectief gerechtvaardigd en evenredig zijn teneinde specifieke risico's voor de bescherming van de belegger of voor de integriteit van de markt die van bijzonder belang zijn in de omstandigheden die eigen zijn aan de Belgische marktstructuur, te ondervangen. Indien van deze machtiging gebruik wordt gemaakt, wordt de Europese Commissie daarvan in kennis gesteld overeenkomstig artikel 16, lid 11, van Richtlijn 2014/65/EU.".
Art. 38. Dans le Livre II, Titre II, Chapitre III, Section VI/1 de la même loi, inséré par l'article 37, il est inséré un article 74/1 rédigé comme suit :
"Art. 74/1. § 1er. Les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, ne peuvent recevoir de dépôts de fonds, à l'exception des dépôts à vue et des dépôts à terme renouvelables à trois mois maximum de leurs clients, en attente d'affectation à l'acquisition d'instruments financiers, en attente d'investissement en dépôts structurés ou en attente de restitution. La durée des dépôts à terme renouvelés ne peut excéder un an, sauf si une durée plus longue s'avère nécessaire pour ces dépôts dans le cadre d'un contrat de gestion de fortune conclu avec le client.
§ 2. Les dépôts visés au paragraphe 1er, doivent être déposés auprès d'une ou plusieurs entités ayant la qualité :
1° de banque centrale ;
2° d'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° relevant du droit d'un Etat membre ;
3° d'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, relevant du droit d'un pays tiers ;
4° de fonds du marché monétaire qualifié.
L'obligation de placement visée à l'alinéa 1er ne s'applique pas aux espèces immédiatement exigibles ou exigibles dans un délai maximum de trois jours ouvrables ainsi qu'aux espèces données en couverture d'engagements de clients.
Les entités visées à l'alinéa 1er ne peuvent, sur les fonds déposés sur un compte clients global ou individualisé, faire valoir de droit résultant de créances propres sur l'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, qui a ouvert ce compte. De même, ces comptes et leur solde ne peuvent faire l'objet d'aucune saisie-arrêt par les créanciers de l'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°.
§ 3. Les fonds déposés, en application du paragraphe 2, sur un compte clients global ou sur un compte individualisé permettant l'identification de clients individuels, sont, à l'exception des dépôts ayant pu être recouvrés par leurs titulaires, affectés par privilège spécial au remboursement des dépôts visés au paragraphe 1er autres que ceux visés au paragraphe 2, alinéa 2, en cas de procédure d'insolvabilité ouverte à l'encontre de l'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°.
§ 4. Le Roi peut définir, sur avis de la Banque et de la FSMA, les conditions et modalités auxquelles doivent répondre les dépôts de fonds effectués par des clients auprès des établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, et les conditions et modalités des placements que peuvent effectuer les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, concernant ces fonds, notamment les limites en matière de concentration des risques relatives au placement de ces fonds. Ces conditions et modalités couvrent également les règles d'organisation et les règles de protection et d'information des clients afférentes à la réception de ces fonds par les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, et à leur placement auprès de tiers.
Dans des circonstances exceptionnelles, le Roi peut, sur avis de la Banque et de la FSMA, imposer des exigences organisationnelles supplémentaires à celles prévues aux articles 65 et 65/1 et au présent article, en vue d'assurer la sauvegarde des avoirs des clients. Ces exigences doivent être objectivement justifiées et proportionnées afin de répondre à des risques spécifiques pesant sur la protection des investisseurs ou l'intégrité du marché qui revêtent une importance particulière étant donné la structure de marché belge. L'usage de cette habilitation fait l'objet des notifications à la Commission européenne prévues par l'article 16, paragraphe 11, de la Directive 2014/65/UE.".
"Art. 74/1. § 1er. Les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, ne peuvent recevoir de dépôts de fonds, à l'exception des dépôts à vue et des dépôts à terme renouvelables à trois mois maximum de leurs clients, en attente d'affectation à l'acquisition d'instruments financiers, en attente d'investissement en dépôts structurés ou en attente de restitution. La durée des dépôts à terme renouvelés ne peut excéder un an, sauf si une durée plus longue s'avère nécessaire pour ces dépôts dans le cadre d'un contrat de gestion de fortune conclu avec le client.
§ 2. Les dépôts visés au paragraphe 1er, doivent être déposés auprès d'une ou plusieurs entités ayant la qualité :
1° de banque centrale ;
2° d'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° relevant du droit d'un Etat membre ;
3° d'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, relevant du droit d'un pays tiers ;
4° de fonds du marché monétaire qualifié.
L'obligation de placement visée à l'alinéa 1er ne s'applique pas aux espèces immédiatement exigibles ou exigibles dans un délai maximum de trois jours ouvrables ainsi qu'aux espèces données en couverture d'engagements de clients.
Les entités visées à l'alinéa 1er ne peuvent, sur les fonds déposés sur un compte clients global ou individualisé, faire valoir de droit résultant de créances propres sur l'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, qui a ouvert ce compte. De même, ces comptes et leur solde ne peuvent faire l'objet d'aucune saisie-arrêt par les créanciers de l'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°.
§ 3. Les fonds déposés, en application du paragraphe 2, sur un compte clients global ou sur un compte individualisé permettant l'identification de clients individuels, sont, à l'exception des dépôts ayant pu être recouvrés par leurs titulaires, affectés par privilège spécial au remboursement des dépôts visés au paragraphe 1er autres que ceux visés au paragraphe 2, alinéa 2, en cas de procédure d'insolvabilité ouverte à l'encontre de l'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°.
§ 4. Le Roi peut définir, sur avis de la Banque et de la FSMA, les conditions et modalités auxquelles doivent répondre les dépôts de fonds effectués par des clients auprès des établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, et les conditions et modalités des placements que peuvent effectuer les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, concernant ces fonds, notamment les limites en matière de concentration des risques relatives au placement de ces fonds. Ces conditions et modalités couvrent également les règles d'organisation et les règles de protection et d'information des clients afférentes à la réception de ces fonds par les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, et à leur placement auprès de tiers.
Dans des circonstances exceptionnelles, le Roi peut, sur avis de la Banque et de la FSMA, imposer des exigences organisationnelles supplémentaires à celles prévues aux articles 65 et 65/1 et au présent article, en vue d'assurer la sauvegarde des avoirs des clients. Ces exigences doivent être objectivement justifiées et proportionnées afin de répondre à des risques spécifiques pesant sur la protection des investisseurs ou l'intégrité du marché qui revêtent une importance particulière étant donné la structure de marché belge. L'usage de cette habilitation fait l'objet des notifications à la Commission européenne prévues par l'article 16, paragraphe 11, de la Directive 2014/65/UE.".
Art. 39. In Boek II, Titel II, Hoofdstuk III, Afdeling VI/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 37, wordt een artikel 74/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 74/2. Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° mogen rechtstreeks noch onrechtstreeks leningen of kredieten verstrekken, met uitzondering van:
1° leningen en kredieten in de zin van artikel 2, 2°, 2 van de wet van 25 oktober 2016;
2° voorschotten aan ondernemingen waarin de kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, een deelneming bezit, als wederbelegging van haar eigen vermogen;
3° het lenen van financiële instrumenten;
4° leningen aan de effectenbeursvennootschappen en de vennootschappen die de gereglementeerde markten besturen, op voorwaarde dat ze er vennoot of lid van zijn.".
"Art. 74/2. Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° mogen rechtstreeks noch onrechtstreeks leningen of kredieten verstrekken, met uitzondering van:
1° leningen en kredieten in de zin van artikel 2, 2°, 2 van de wet van 25 oktober 2016;
2° voorschotten aan ondernemingen waarin de kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, een deelneming bezit, als wederbelegging van haar eigen vermogen;
3° het lenen van financiële instrumenten;
4° leningen aan de effectenbeursvennootschappen en de vennootschappen die de gereglementeerde markten besturen, op voorwaarde dat ze er vennoot of lid van zijn.".
Art. 39. Dans le Livre II, Titre II, Chapitre III, Section VI/1 de la même loi, inséré par l'article 37, il est inséré un article 74/2 rédigé comme suit :
"Art. 74/2. Les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, ne peuvent consentir, directement ou indirectement, des prêts ou des crédits, à l'exception des seuls prêts et crédits suivants :
1° les prêts et crédits au sens de l'article 2, 2°, 2, de la loi du 25 octobre 2016 ;
2° les avances consenties, en remploi de ses fonds propres, aux entreprises dans lesquelles l'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, détient une participation ;
3° les prêts d'instruments financiers ;
4° les prêts consentis aux sociétés des bourses de valeurs mobilières et aux sociétés chargées de l'administration des marchés réglementés, à condition qu'elles en soient associées ou membres.".
"Art. 74/2. Les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, ne peuvent consentir, directement ou indirectement, des prêts ou des crédits, à l'exception des seuls prêts et crédits suivants :
1° les prêts et crédits au sens de l'article 2, 2°, 2, de la loi du 25 octobre 2016 ;
2° les avances consenties, en remploi de ses fonds propres, aux entreprises dans lesquelles l'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, détient une participation ;
3° les prêts d'instruments financiers ;
4° les prêts consentis aux sociétés des bourses de valeurs mobilières et aux sociétés chargées de l'administration des marchés réglementés, à condition qu'elles en soient associées ou membres.".
Art. 40. In Boek II, Titel II, Hoofdstuk III, Afdeling VI/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 37, wordt een artikel 74/3 ingevoegd, luidende:
"Art. 74/3. De artikelen 72, 72/1 en 73 zijn van toepassing op kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°. ".
"Art. 74/3. De artikelen 72, 72/1 en 73 zijn van toepassing op kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°. ".
Art. 40. Dans le Livre II, Titre II, Chapitre III, Section VI/1 de la même loi, inséré par l'article 37, il est inséré un article 74/3 rédigé comme suit :
"Art. 74/3. Les articles 72, 72/1 et 73 sont applicables aux établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°. ".
"Art. 74/3. Les articles 72, 72/1 et 73 sont applicables aux établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°. ".
Art. 41. Artikel 76 van dezelfde wet wordt aangevuld met twee leden, luidende:
"Onverminderd het eerste lid dient een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, wanneer de wijzigingen in de werkzaamheden tot doel hebben haar werkzaamheden te beperken tot de werkzaamheden bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, een aanvraag tot wijziging van haar vergunning in overeenkomstig artikel 8. De artikelen 10 tot 14 zijn van toepassing.
Onverminderd het eerste lid dient een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2 °, wanneer de wijzigingen in de werkzaamheden tot doel hebben haar werkzaamheden uit te breiden om de werkzaamheden bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, te kunnen uitoefenen, een aanvraag tot wijziging van haar vergunning in overeenkomstig artikel 8. De artikelen 10 tot 14 zijn van toepassing.".
"Onverminderd het eerste lid dient een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, wanneer de wijzigingen in de werkzaamheden tot doel hebben haar werkzaamheden te beperken tot de werkzaamheden bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, een aanvraag tot wijziging van haar vergunning in overeenkomstig artikel 8. De artikelen 10 tot 14 zijn van toepassing.
Onverminderd het eerste lid dient een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2 °, wanneer de wijzigingen in de werkzaamheden tot doel hebben haar werkzaamheden uit te breiden om de werkzaamheden bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, te kunnen uitoefenen, een aanvraag tot wijziging van haar vergunning in overeenkomstig artikel 8. De artikelen 10 tot 14 zijn van toepassing.".
Art. 41. L'article 76 de la même loi est complété par deux alinéas, rédigés comme suit :
"Sans préjudice de l'alinéa 1er, lorsque les modifications des activités visent à réduire les activités d'un établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, à celles visées à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, l'établissement de crédit introduit une demande de modification de son agrément conformément à l'article 8. Les articles 10 à 14 sont applicables.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, lorsque les modifications des activités visent à étendre les activités d'un établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, en vue d'exercer les activités visées à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, l'établissement de crédit introduit une demande de modification de son agrément conformément à l'article 8. Les articles 10 à 14 sont applicables.".
"Sans préjudice de l'alinéa 1er, lorsque les modifications des activités visent à réduire les activités d'un établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, à celles visées à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, l'établissement de crédit introduit une demande de modification de son agrément conformément à l'article 8. Les articles 10 à 14 sont applicables.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, lorsque les modifications des activités visent à étendre les activités d'un établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, en vue d'exercer les activités visées à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, l'établissement de crédit introduit une demande de modification de son agrément conformément à l'article 8. Les articles 10 à 14 sont applicables.".
Art. 42. In artikel 77, eerste lid, 1°, van dezelfde wet worden de woorden "van een kredietinstelling" opgeheven
Art. 42. Dans l'article 77, alinéa 1er, 1°, de la même loi, les mots "d'un établissement de crédit" sont abrogés.
Art. 43. In artikel 79 van dezelfde wet wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Belgische covered bonds mogen enkel worden uitgegeven door kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, en mits de toezichthouder hiervoor voorafgaandelijk zijn toestemming heeft gegeven.".
"Belgische covered bonds mogen enkel worden uitgegeven door kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, en mits de toezichthouder hiervoor voorafgaandelijk zijn toestemming heeft gegeven.".
Art. 43. Dans l'article 79 de la même loi l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Une émission de covered bonds belges ne peut être effectuée que par un établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, et requiert l'autorisation préalable de l'autorité de contrôle.".
"Une émission de covered bonds belges ne peut être effectuée que par un établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, et requiert l'autorisation préalable de l'autorité de contrôle.".
Art. 44. In artikel 87, eerste lid van dezelfde wet worden de woorden "de som van de eigenvermogensvereisten die haar zijn opgelegd krachtens artikel 92 van Verordening nr. 575/2013" vervangen door de woorden "het totaal van de risicoposten berekend in overeenstemming met artikel 92, leden 3 en 4, van Verordening nr. 575/2013".
Art. 44. Dans l'article 87, alinéa 1er de la même loi, les mots "et la somme des exigences de fonds propres qui lui sont imposées en vertu de l'article 92 du Règlement n° 575/2013" sont remplacés par les mots "et les montants totaux d'exposition au risque calculés conformément à l'article 92, paragraphes 3 et 4, du Règlement n° 575/2013".
Art. 45. In artikel 95 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Onverminderd de naleving van het reglementair eigenvermogensvereiste bepaald in artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013, van het vereiste bepaald door of krachtens de artikelen 98, 149, en 150 en 150/5 voor andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking, van de norm inzake totale verliesabsorptiecapaciteit bepaald in de artikelen 92bis en 92ter van Verordening nr. 575/2013 en van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva bepaald in artikel 267/3, moet een kredietinstelling door middel van tier 1-kernkapitaalbestanddelen voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, zoals dit vereiste bepaald is in artikel 96. Een moederkredietinstelling voldoet bovendien aan dit vereiste op basis van haar geconsolideerde positie, volgens de modaliteiten bepaald in Deel 1, Titel 2, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 575/2013.".
"Onverminderd de naleving van het reglementair eigenvermogensvereiste bepaald in artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013, van het vereiste bepaald door of krachtens de artikelen 98, 149, en 150 en 150/5 voor andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking, van de norm inzake totale verliesabsorptiecapaciteit bepaald in de artikelen 92bis en 92ter van Verordening nr. 575/2013 en van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva bepaald in artikel 267/3, moet een kredietinstelling door middel van tier 1-kernkapitaalbestanddelen voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, zoals dit vereiste bepaald is in artikel 96. Een moederkredietinstelling voldoet bovendien aan dit vereiste op basis van haar geconsolideerde positie, volgens de modaliteiten bepaald in Deel 1, Titel 2, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 575/2013.".
Art. 45. Dans l'article 95 de la même loi, modifié par la loi du 18 décembre 2015, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Sans préjudice du respect de l'exigence en fonds propres réglementaires prévue à l'article 92, paragraphe 1er, points a) à c) du Règlement n° 575/2013, de l'exigence prévue par ou en vertu des articles 98, 149, 150 et 150/5 pour des risques autres que le risque de levier excessif, de la norme de capacité totale d'absorption des pertes prévue aux articles 92bis et 92ter du Règlement n° 575/2013 et de l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles prévue à l'article 267/3, un établissement de crédit est tenu de satisfaire au moyen d'éléments de fonds propres de base de catégorie 1 à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, telle que cette exigence est déterminée à l'article 96. Un établissement de crédit mère respecte, en outre, cette exigence sur base de sa situation consolidée, selon les modalités prévues à la première Partie, Titre 2, Chapitre 2 du Règlement n° 575/2013.".
"Sans préjudice du respect de l'exigence en fonds propres réglementaires prévue à l'article 92, paragraphe 1er, points a) à c) du Règlement n° 575/2013, de l'exigence prévue par ou en vertu des articles 98, 149, 150 et 150/5 pour des risques autres que le risque de levier excessif, de la norme de capacité totale d'absorption des pertes prévue aux articles 92bis et 92ter du Règlement n° 575/2013 et de l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles prévue à l'article 267/3, un établissement de crédit est tenu de satisfaire au moyen d'éléments de fonds propres de base de catégorie 1 à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, telle que cette exigence est déterminée à l'article 96. Un établissement de crédit mère respecte, en outre, cette exigence sur base de sa situation consolidée, selon les modalités prévues à la première Partie, Titre 2, Chapitre 2 du Règlement n° 575/2013.".
Art. 46. In artikel 96, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De tier 1-kernkapitaal die worden gebruikt om te voldoen aan een van de in de punten 1°, tot en met 4° van deze paragraaf bedoelde vereisten, worden niet in aanmerking genomen om te voldoen aan een van de andere van deze vereisten.";
2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt:
" § 4. Een kredietinstelling, een moederkredietinstelling, een financiële moederholding naar Belgisch recht of een gemengde financiële moederholding naar Belgisch recht, die tegelijkertijd onderworpen is aan het met toepassing van paragraaf 3 geldende vereiste en aan een vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's aan te houden overeenkomstig de artikelen 16 tot 22 van Bijlage IV, moet voldoen aan de som van deze vereisten.";
3° de paragrafen 5 en 6 worden opgeheven
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De tier 1-kernkapitaal die worden gebruikt om te voldoen aan een van de in de punten 1°, tot en met 4° van deze paragraaf bedoelde vereisten, worden niet in aanmerking genomen om te voldoen aan een van de andere van deze vereisten.";
2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt:
" § 4. Een kredietinstelling, een moederkredietinstelling, een financiële moederholding naar Belgisch recht of een gemengde financiële moederholding naar Belgisch recht, die tegelijkertijd onderworpen is aan het met toepassing van paragraaf 3 geldende vereiste en aan een vereiste om een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's aan te houden overeenkomstig de artikelen 16 tot 22 van Bijlage IV, moet voldoen aan de som van deze vereisten.";
3° de paragrafen 5 en 6 worden opgeheven
Art. 46. Dans l'article 96, de la même loi, modifié par la loi du 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1°, le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé come suit :
"Les fonds propres de base de catégorie 1 utilisés pour couvrir l'une des exigences visées aux points 1° à 4° du présent paragraphe ne sont pas pris en compte pour la couverture d'une autre de ces exigences." ;
2° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Un établissement de crédit, un établissement de crédit-mère, une compagnie financière mère de droit belge ou une compagnie financière mixte mère de droit belge, qui est à la fois soumis à l'exigence applicable en application du paragraphe 3 et à une exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macro-prudentiel conformément aux articles 16 à 22 de l'Annexe IV, est tenu de respecter la somme de ces exigences." ;
3° les paragraphes 5 et 6 sont abrogés.
1°, le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé come suit :
"Les fonds propres de base de catégorie 1 utilisés pour couvrir l'une des exigences visées aux points 1° à 4° du présent paragraphe ne sont pas pris en compte pour la couverture d'une autre de ces exigences." ;
2° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Un établissement de crédit, un établissement de crédit-mère, une compagnie financière mère de droit belge ou une compagnie financière mixte mère de droit belge, qui est à la fois soumis à l'exigence applicable en application du paragraphe 3 et à une exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macro-prudentiel conformément aux articles 16 à 22 de l'Annexe IV, est tenu de respecter la somme de ces exigences." ;
3° les paragraphes 5 et 6 sont abrogés.
Art. 47. In Boek II, Titel II, Hoofdstuk V van dezelfde wet, wordt een Afdeling II/1 ingevoegd, getiteld "Hefboomratiobuffervereiste".
Art. 47. Dans Livre II, Titre II, Chapitre V de la même loi, il est insérée une Section II/1 intitulée "Exigence de coussin lié au ratio de levier".
Art. 48. In Afdeling II/1, ingevoegd bij artikel 47, wordt een artikel 96/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 96/1. Onverminderd de naleving van het hefboomratiovereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 moet een MSI voldoen aan het hefboomratiobuffervereiste volgens de modaliteiten bepaald in artikel 92, lid; 1bis van die Verordening.".
"Art. 96/1. Onverminderd de naleving van het hefboomratiovereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 moet een MSI voldoen aan het hefboomratiobuffervereiste volgens de modaliteiten bepaald in artikel 92, lid; 1bis van die Verordening.".
Art. 48. Dans la même Section II/1, insérée par l'article 47, il est inséré un article 96/1 rédigé comme suit :
"Art. 96/1. Sans préjudice du respect de l'exigence de ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1er, point d) du Règlement n° 575/2013, un EISm est tenu de satisfaire à l'exigence de coussin liée au ratio de levier conformément aux modalités prévues par l'article 92, paragraphe 1bis, de ce Règlement.".
"Art. 96/1. Sans préjudice du respect de l'exigence de ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1er, point d) du Règlement n° 575/2013, un EISm est tenu de satisfaire à l'exigence de coussin liée au ratio de levier conformément aux modalités prévues par l'article 92, paragraphe 1bis, de ce Règlement.".
Art. 49. In artikel 97 van dezelfde wet wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"De Bank is de nationale autoriteit die belast is met de toepassing van artikelen 124, lid 2, 164, lid 6 en 458 van Verordening nr. 575/2013."
"De Bank is de nationale autoriteit die belast is met de toepassing van artikelen 124, lid 2, 164, lid 6 en 458 van Verordening nr. 575/2013."
Art. 49. Dans l'article 97 de la même loi, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"La Banque est l'autorité nationale chargée de l'application des articles 124, paragraphe 2, 164, paragraphe 6 et 458 du Règlement n° 575/2013.".
"La Banque est l'autorité nationale chargée de l'application des articles 124, paragraphe 2, 164, paragraphe 6 et 458 du Règlement n° 575/2013.".
Art. 50. In Boek II, Titel II, Hoofdstuk V van dezelfde wet wordt het opschrift van Afdeling V vervangen als volgt:
"Afdeling V - Maatregelen strekkende tot wedersamenstelling van het eigen vermogen".
"Afdeling V - Maatregelen strekkende tot wedersamenstelling van het eigen vermogen".
Art. 50. Dans le Livre II, Titre II, Chapitre V de la même loi, l'intitulé de la Section V est remplacé par ce qui suit :
"Section V - Des mesures visant à reconstituer les fonds propres".
"Section V - Des mesures visant à reconstituer les fonds propres".
Art. 51. In Boek II, Titel II, Hoofdstuk V, Afdeling V van dezelfde wet, wordt het opschrift van Onderafdeling I vervangen als volgt: "Onderafdeling I - Beperkingen op uitkeringen die betrekking hebben op een van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen in geval van niet-naleving van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer".
Art. 51. Dans le Livre II, Titre II, Chapitre V, Section V de la même loi, l'intitulé de la Sous-section Ire est remplacé par ce qui suit : "Sous-section Ire - Des restrictions applicables aux distributions portant sur un des éléments constitutifs des fonds propres de base de catégorie 1 en cas de non-respect de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1.".
Art. 52. In Boek II, Titel II, Hoofdstuk V, Afdeling V Onderafdeling I van dezelfde wet, wordt een artikel 98/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 98/1. Voor de toepassing van deze Onderafdeling wordt een kredietinstelling geacht niet te voldoen aan het globaal vereiste van een tier1-kernkapitaalbuffer als zij over onvoldoende eigen vermogen van voldoende hoge kwaliteit beschikt om tegelijkertijd te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer als bedoeld in artikel 96 en aan elk van de vereisten van artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013, alsook aan het specifieke eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd op grond van de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen.".
"Art. 98/1. Voor de toepassing van deze Onderafdeling wordt een kredietinstelling geacht niet te voldoen aan het globaal vereiste van een tier1-kernkapitaalbuffer als zij over onvoldoende eigen vermogen van voldoende hoge kwaliteit beschikt om tegelijkertijd te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer als bedoeld in artikel 96 en aan elk van de vereisten van artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013, alsook aan het specifieke eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd op grond van de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen.".
Art. 52. Dans le Livre II, Titre II, Chapitre V, Section V, Sous-section Ire de la même loi, il est est inséré un article 98/1 rédigé comme suit :
"Art. 98/1. Pour les besoins de la présente Sous-section, il est considéré qu'un établissement de crédit ne satisfait pas à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 s'il ne dispose pas de fonds propres en quantité suffisante et de la qualité requise pour satisfaire, en même temps, à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 visée à l'article 96 et à chacune des exigences énoncées à l'article 92, paragraphe 1er, points a) à c) du Règlement n° 575/2013, ainsi qu'à l'exigence spécifique de fonds propres imposée en vertu des articles 149 et 150 pour faire face à des risques autres que le risque de levier excessif.".
"Art. 98/1. Pour les besoins de la présente Sous-section, il est considéré qu'un établissement de crédit ne satisfait pas à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 s'il ne dispose pas de fonds propres en quantité suffisante et de la qualité requise pour satisfaire, en même temps, à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 visée à l'article 96 et à chacune des exigences énoncées à l'article 92, paragraphe 1er, points a) à c) du Règlement n° 575/2013, ainsi qu'à l'exigence spécifique de fonds propres imposée en vertu des articles 149 et 150 pour faire face à des risques autres que le risque de levier excessif.".
Art. 53. In artikel 100 van dezelfde wet worden de woorden "artikelen 101 tot 103" vervangen door de woorden "artikelen 101, 102 en 103".
Art. 53. Dans l'article 100 de la même loi, les mots "articles 101 à 103" sont remplacés par les mots "articles 101, 102 et 103".
Art. 54. In Boek II, Titel II, Hoofdstuk V, Afdeling V van dezelfde wet, wordt een Onderafdeling I/1 ingevoegd luidende "Beperkingen op uitkeringen die betrekking hebben op een van de kernkapitaalbestanddelen in geval van niet-naleving van het hefboomratiobuffervereiste".
Art. 54. Dans le Livre II, Titre II, Chapitre V, Section V de la même loi, il est inséré une Sous-section Ire/1 intitulée "Des restrictions applicables aux distributions portant sur un des éléments constitutifs des fonds propres de base en cas de non-respect de l'exigence de coussin lié au ratio de levier".
Art. 55. In Onderafdeling I/1, ingevoegd bij artikel 54, wordt een artikel 102/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 102/1. Voor de toepassing van deze Onderafdeling wordt een MSI geacht niet te voldoen aan het hefboomratiobuffervereiste als zij over onvoldoende kernkapitaal beschikt om tegelijkertijd te voldoen aan het hefboomratiobuffervereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013 en aan het vereiste van artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013, alsook aan het specifieke eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd op grond van de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen.".
"Art. 102/1. Voor de toepassing van deze Onderafdeling wordt een MSI geacht niet te voldoen aan het hefboomratiobuffervereiste als zij over onvoldoende kernkapitaal beschikt om tegelijkertijd te voldoen aan het hefboomratiobuffervereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013 en aan het vereiste van artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013, alsook aan het specifieke eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd op grond van de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen.".
Art. 55. Dans la même Sous-section Ire/1, insérée par l'article 54, il est inséré un article 102/1 rédigé comme suit :
"Art. 102/1. Pour les besoins de la présente Sous-section, il est considéré qu'un ElLm ne satisfait pas à l'exigence de coussin lié au ratio de levier s'il ne dispose pas de fonds propres de base en quantité suffisante pour satisfaire, en même temps, à l'exigence de coussin lié au ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1bis du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence énoncée à l'article 92, paragraphe 1er, point d) du Règlement n° 575/2013, ainsi qu'à l'exigence spécifique de fonds propres imposée en vertu des articles 149 et 150 pour faire face au risque de levier excessif.".
"Art. 102/1. Pour les besoins de la présente Sous-section, il est considéré qu'un ElLm ne satisfait pas à l'exigence de coussin lié au ratio de levier s'il ne dispose pas de fonds propres de base en quantité suffisante pour satisfaire, en même temps, à l'exigence de coussin lié au ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1bis du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence énoncée à l'article 92, paragraphe 1er, point d) du Règlement n° 575/2013, ainsi qu'à l'exigence spécifique de fonds propres imposée en vertu des articles 149 et 150 pour faire face au risque de levier excessif.".
Art. 56. In Onderafdeling I/1, ingevoegd bij artikel 54, wordt een artikel 102/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 102/2. Een MSI mag slechts uitkeringen doen die betrekking hebben op een van de kernkapitaalbestanddelen indien zij voldoet aan het hefboomratiobuffervereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013.
Bovendien mogen deze uitkeringen niet tot gevolg hebben dat het kernkapitaal daalt tot een niveau dat niet langer voldoet aan het voormeld hefboomratiobuffervereiste.".
"Art. 102/2. Een MSI mag slechts uitkeringen doen die betrekking hebben op een van de kernkapitaalbestanddelen indien zij voldoet aan het hefboomratiobuffervereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013.
Bovendien mogen deze uitkeringen niet tot gevolg hebben dat het kernkapitaal daalt tot een niveau dat niet langer voldoet aan het voormeld hefboomratiobuffervereiste.".
Art. 56. Dans la même Sous-section Ire/1, insérée par l'article 54, il est inséré un article 102/2 rédigé comme suit :
"Art. 102/2. Un EISm ne peut procéder à une distribution portant sur un des éléments constitutifs des fonds propres de base que s'il satisfait à l'exigence de coussin lié au ratio de levier, visée à l'article 92, paragraphe 1bis du Règlement n° 575/2013.
En outre, cette distribution ne peut avoir pour effet de réduire les fonds propres de base à un niveau ne respectant plus l'exigence de coussin lié au ratio de levier précitée.".
"Art. 102/2. Un EISm ne peut procéder à une distribution portant sur un des éléments constitutifs des fonds propres de base que s'il satisfait à l'exigence de coussin lié au ratio de levier, visée à l'article 92, paragraphe 1bis du Règlement n° 575/2013.
En outre, cette distribution ne peut avoir pour effet de réduire les fonds propres de base à un niveau ne respectant plus l'exigence de coussin lié au ratio de levier précitée.".
Art. 57. In Onderafdeling I/1, ingevoegd bij artikel 54, wordt een artikel 102/3 ingevoegd, luidende:
"Art. 102/3. In afwijking van artikel 102/2, eerste lid, kan een MSI die niet voldoet aan het hefboomratiobuffervereiste niettemin een uitkering met betrekking tot kernkapitaalbestanddelen verrichten indien zij voldoet aan de in de artikelen 102/4, 102/5 en tot 103 bepaalde voorwaarden. Te dien einde berekent de MSI vooraf het met de hefboomratio verband houdende maximaal uitkeerbare bedrag of "H-MUB" en deelt zij dit bedrag mee aan de toezichthouder.
De berekeningsmodaliteiten van het H-MUB die in acht moeten worden genomen door de instelling worden bepaald in artikel 1/1 van Bijlage V bij deze wet.".
"Art. 102/3. In afwijking van artikel 102/2, eerste lid, kan een MSI die niet voldoet aan het hefboomratiobuffervereiste niettemin een uitkering met betrekking tot kernkapitaalbestanddelen verrichten indien zij voldoet aan de in de artikelen 102/4, 102/5 en tot 103 bepaalde voorwaarden. Te dien einde berekent de MSI vooraf het met de hefboomratio verband houdende maximaal uitkeerbare bedrag of "H-MUB" en deelt zij dit bedrag mee aan de toezichthouder.
De berekeningsmodaliteiten van het H-MUB die in acht moeten worden genomen door de instelling worden bepaald in artikel 1/1 van Bijlage V bij deze wet.".
Art. 57. Dans la même Sous-section Ire/1, insérée par l'article 54, il est inséré un article 102/3 rédigé comme suit :
"Art. 102/3. Par dérogation à l'article 102/2, alinéa 1er, un EISm qui ne satisfait pas à l'exigence de coussin lié au ratio de levier peut néanmoins procéder à une distribution portant sur des éléments constitutifs de fonds propres de base s'il satisfait aux conditions prévues aux articles 102/4, 102/5 et 103. A cette fin, l'EISm calcule préalablement le montant maximal distribuable lié au ratio de levier, ou "L-MMD", et communique ce montant à l'autorité de contrôle.
Les modalités de calcul du L-MMD à respecter par l'établissement sont précisées à l'article 1er/1 de l'Annexe V de la présente loi.".
"Art. 102/3. Par dérogation à l'article 102/2, alinéa 1er, un EISm qui ne satisfait pas à l'exigence de coussin lié au ratio de levier peut néanmoins procéder à une distribution portant sur des éléments constitutifs de fonds propres de base s'il satisfait aux conditions prévues aux articles 102/4, 102/5 et 103. A cette fin, l'EISm calcule préalablement le montant maximal distribuable lié au ratio de levier, ou "L-MMD", et communique ce montant à l'autorité de contrôle.
Les modalités de calcul du L-MMD à respecter par l'établissement sont précisées à l'article 1er/1 de l'Annexe V de la présente loi.".
Art. 58. In Onderafdeling I/1, ingevoegd bij artikel 54, wordt een artikel 102/4 ingevoegd, luidende:
"Art. 102/4. § 1. Een MSI als bedoeld in artikel 102/3 mag de volgende handelingen slechts verrichten ten belope van het H-MUB:
a) een uitkering verrichten als bezoldiging of een betaling verrichten als terugbetaling of wederinkoop van tier 1-kernkapitaalbestanddelen;
b) betalingen verrichten die verband houden met aanvullend-tier 1-kapitaalbestanddelen;
c) zich verbinden tot de betaling van variabele beloningen of uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen.
§ 2. Bovendien mag een MSI als bedoeld in artikel 102/3 slechts een variabele beloning of uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen betalen ten belope van het H-MUB, zelfs indien de betalingsverplichting werd aangegaan op een moment dat de instelling voldeed aan het hefboomratiobuffervereiste.
§ 3. Wanneer zij voornemens is een van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde handelingen te verrichten, brengt de MSI haar voornemen ter kennis van de toezichthouder en verstrekt zij de in artikel 2/1 van Bijlage V vermelde informatie, met een rechtvaardiging voor de inachtneming van de niet-overschrijding van het H-MUB.".
"Art. 102/4. § 1. Een MSI als bedoeld in artikel 102/3 mag de volgende handelingen slechts verrichten ten belope van het H-MUB:
a) een uitkering verrichten als bezoldiging of een betaling verrichten als terugbetaling of wederinkoop van tier 1-kernkapitaalbestanddelen;
b) betalingen verrichten die verband houden met aanvullend-tier 1-kapitaalbestanddelen;
c) zich verbinden tot de betaling van variabele beloningen of uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen.
§ 2. Bovendien mag een MSI als bedoeld in artikel 102/3 slechts een variabele beloning of uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen betalen ten belope van het H-MUB, zelfs indien de betalingsverplichting werd aangegaan op een moment dat de instelling voldeed aan het hefboomratiobuffervereiste.
§ 3. Wanneer zij voornemens is een van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde handelingen te verrichten, brengt de MSI haar voornemen ter kennis van de toezichthouder en verstrekt zij de in artikel 2/1 van Bijlage V vermelde informatie, met een rechtvaardiging voor de inachtneming van de niet-overschrijding van het H-MUB.".
Art. 58. Dans la même Sous-section Ire/1, insérée par l'article 54, il est inséré un article 102/4 rédigé comme suit :
"Art. 102/4. § 1er. Un EISm visé à l'article 102/3 ne peut effectuer les opérations suivantes qu'à concurrence du L-MMD :
a) procéder à une distribution en rémunération ou un paiement en remboursement ou rachat d'éléments constitutifs de fonds propres de base de catégorie 1 ;
b) effectuer des paiements liés à des éléments constitutifs de fonds propres additionnels de catégorie 1 ;
c) s'engager à verser des rémunérations variables ou des prestations de pension discrétionnaires.
§ 2. Un EISm visé à l'article 102/3 ne peut, en outre, verser de rémunération variable ou des prestations de pension discrétionnaires qu'à concurrence du L-MMD, même si l'obligation de versement est née à un moment où l'établissement satisfaisait à l'exigence de coussin liée au ratio de levier.
§ 3. Lorsqu'il prévoit de réaliser l'une des opérations visées aux paragraphes 1er et 2, l'EISm notifie son intention à l'autorité de contrôle et fournit les informations mentionnées à l'article 2/1 de l'Annexe V en justifiant le respect du non-dépassement du L-MMD.".
"Art. 102/4. § 1er. Un EISm visé à l'article 102/3 ne peut effectuer les opérations suivantes qu'à concurrence du L-MMD :
a) procéder à une distribution en rémunération ou un paiement en remboursement ou rachat d'éléments constitutifs de fonds propres de base de catégorie 1 ;
b) effectuer des paiements liés à des éléments constitutifs de fonds propres additionnels de catégorie 1 ;
c) s'engager à verser des rémunérations variables ou des prestations de pension discrétionnaires.
§ 2. Un EISm visé à l'article 102/3 ne peut, en outre, verser de rémunération variable ou des prestations de pension discrétionnaires qu'à concurrence du L-MMD, même si l'obligation de versement est née à un moment où l'établissement satisfaisait à l'exigence de coussin liée au ratio de levier.
§ 3. Lorsqu'il prévoit de réaliser l'une des opérations visées aux paragraphes 1er et 2, l'EISm notifie son intention à l'autorité de contrôle et fournit les informations mentionnées à l'article 2/1 de l'Annexe V en justifiant le respect du non-dépassement du L-MMD.".
Art. 59. In Onderafdeling I/1, ingevoegd bij artikel 54, wordt een artikel 102/5 ingevoegd, luidende:
"Art. 102/5. De MSI's passen regelingen toe die ervoor zorgen dat het bedrag van de uitkeerbare winst en, in voorkomend geval, het H-MUB, nauwkeurig worden berekend, en verstrekken de bewijsstukken hiervoor. Zij zijn in staat de nauwkeurigheid van deze berekening aan te tonen aan de toezichthouder indien hij hierom verzoekt.".
"Art. 102/5. De MSI's passen regelingen toe die ervoor zorgen dat het bedrag van de uitkeerbare winst en, in voorkomend geval, het H-MUB, nauwkeurig worden berekend, en verstrekken de bewijsstukken hiervoor. Zij zijn in staat de nauwkeurigheid van deze berekening aan te tonen aan de toezichthouder indien hij hierom verzoekt.".
Art. 59. Dans la même Sous-section Ire/1, insérée par l'article 54, il est inséré un article 102/5 rédigé comme suit :
"Art. 102/5. Les EISm se dotent de dispositifs garantissant que les montants des bénéfices distribuables et, le cas échéant, le L-MMD, sont calculés avec exactitude et fournissent les éléments justificatifs. Ils sont en mesure de démontrer cette exactitude à l'autorité de contrôle si elle en fait la demande.".
"Art. 102/5. Les EISm se dotent de dispositifs garantissant que les montants des bénéfices distribuables et, le cas échéant, le L-MMD, sont calculés avec exactitude et fournissent les éléments justificatifs. Ils sont en mesure de démontrer cette exactitude à l'autorité de contrôle si elle en fait la demande.".
Art. 60. In Boek II, Titel II, Hoofdstuk V, Afdeling V van dezelfde wet, wordt een Onderafdeling I/2 ingevoegd die artikel 103 bevat luidende "Gemeenschappelijke bepaling".
Art. 60. Dans le Livre II, Titre II, Chapitre V, Section V de la même loi, il est inséré une Sous-section Ire/2 comportant l'article 103, intitulée "Disposition commune".
Art. 61. In Artikel 103 van dezelfde wet gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019 worden de woorden "deze Onderafdeling" vervangen door de woorden "de Onderafdelingen I en I/1".
Art. 61. Dans l'article 103 de la même loi, modifié par la loi du 2 mai 2019, les mots "imposées par la présente Sous-section" sont remplacés par les mots "imposées par les Sous-sections Ire et Ire/1".
Art. 62. In artikel 104 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"Wanneer een kredietinstelling niet voldoet aan het in artikel 96 bedoeld globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en/of, in het geval van een MSI, aan het hefboomratiobuffervereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013, informeert zij de toezichthouder hiervan en stelt zij een kapitaalconserveringsplan op dat strekt tot verhoging van het eigen vermogen of, in voorkomend geval, dat maatregelen bevat die de verlaging van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en/of van het hefboomratiobuffervereiste van de instelling tot gevolg hebben, door de verlaging van haar risicoprofiel.";
2° Artikel 104 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De in het kapitaalconserveringsplan te verstrekken informatie is opgenomen in artikel 4 van Bijlage V bij deze wet.".
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"Wanneer een kredietinstelling niet voldoet aan het in artikel 96 bedoeld globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en/of, in het geval van een MSI, aan het hefboomratiobuffervereiste als bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013, informeert zij de toezichthouder hiervan en stelt zij een kapitaalconserveringsplan op dat strekt tot verhoging van het eigen vermogen of, in voorkomend geval, dat maatregelen bevat die de verlaging van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en/of van het hefboomratiobuffervereiste van de instelling tot gevolg hebben, door de verlaging van haar risicoprofiel.";
2° Artikel 104 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De in het kapitaalconserveringsplan te verstrekken informatie is opgenomen in artikel 4 van Bijlage V bij deze wet.".
Art. 62. Dans l'article 104 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Lorsqu'un établissement de crédit ne satisfait pas à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 visée à l'article 96 et/ou, s'il s'agit d'un EISm, à l'exigence de coussin lié au ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1bis du Règlement n° 575/2013, il en informe l'autorité de contrôle et établit un plan de conservation des fonds propres visant à augmenter ceux-ci ou, le cas échéant, prévoyant des mesures ayant pour effet de diminuer l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 et/ou l'exigence de coussin lié au ratio de levier de l'établissement, par la réduction de son profil de risque." ;
2° l'article 104 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Les informations à fournir dans le plan de conservation des fonds propres sont précisées à l'article 4 de l'Annexe V de la présente loi.".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Lorsqu'un établissement de crédit ne satisfait pas à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 visée à l'article 96 et/ou, s'il s'agit d'un EISm, à l'exigence de coussin lié au ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1bis du Règlement n° 575/2013, il en informe l'autorité de contrôle et établit un plan de conservation des fonds propres visant à augmenter ceux-ci ou, le cas échéant, prévoyant des mesures ayant pour effet de diminuer l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 et/ou l'exigence de coussin lié au ratio de levier de l'établissement, par la réduction de son profil de risque." ;
2° l'article 104 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Les informations à fournir dans le plan de conservation des fonds propres sont précisées à l'article 4 de l'Annexe V de la présente loi.".
Art. 63. In artikel 105 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met de woorden "en/of aan het hefboomratiobuffervereiste";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "en/of aan het hefboomratiobuffervereiste" ingevoegd tussen de woorden "het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer" en de woorden "binnen voormelde termijn, kan de toezichthouder";
3° paragraaf 2 wordt aangevuld met de woorden "en/of artikel 102/4".
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met de woorden "en/of aan het hefboomratiobuffervereiste";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "en/of aan het hefboomratiobuffervereiste" ingevoegd tussen de woorden "het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer" en de woorden "binnen voormelde termijn, kan de toezichthouder";
3° paragraaf 2 wordt aangevuld met de woorden "en/of artikel 102/4".
Art. 63. Dans l'article 105 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est complété par les mots "et/ou à l'exigence de coussin lié au ratio de levier" ;
2° dans le paragraphe 2, les mots "et/ou à l'exigence de coussin lié au ratio de levier" sont insérés entre les mots "l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1" et les mots "dans le délai précité, l'autorité de contrôle peut" ;
3° le paragraphe 2 est complété par les mots "et/ou de l'article 102/4".
1° le paragraphe 1er est complété par les mots "et/ou à l'exigence de coussin lié au ratio de levier" ;
2° dans le paragraphe 2, les mots "et/ou à l'exigence de coussin lié au ratio de levier" sont insérés entre les mots "l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1" et les mots "dans le délai précité, l'autorité de contrôle peut" ;
3° le paragraphe 2 est complété par les mots "et/ou de l'article 102/4".
Art. 64. In artikel 111 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
"In afwijking op het eerste lid, dienen de kredietinstellingen het herstelplan ten minste om de twee jaar te actualiseren indien hen vereenvoudigde verplichtingen werden toegestaan ingevolge de door de toezichthouder gemaakte analyse met toepassing van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2019/348 van de Commissie van 25 oktober 2018 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot vaststelling van de criteria voor het beoordelen van het effect van het falen van een instelling op de financiële markten, op andere instellingen en op de financieringsvoorwaarden.";
2° het vroegere tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt vervangen als volgt:
"De toezichthouder kan, wanneer de omstandigheden dit vereisen, van de kredietinstelling eisen dat zij haar herstelplan vaker actualiseert dan bepaald in de vorige leden. In elk geval eist de toezichthouder een actualisering van het herstelplan indien de hypotheses die in het herstelplan zijn beschreven anders zijn dan de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het nemen van maatregelen bedoeld in artikel 234, § 2.".
1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
"In afwijking op het eerste lid, dienen de kredietinstellingen het herstelplan ten minste om de twee jaar te actualiseren indien hen vereenvoudigde verplichtingen werden toegestaan ingevolge de door de toezichthouder gemaakte analyse met toepassing van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2019/348 van de Commissie van 25 oktober 2018 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot vaststelling van de criteria voor het beoordelen van het effect van het falen van een instelling op de financiële markten, op andere instellingen en op de financieringsvoorwaarden.";
2° het vroegere tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt vervangen als volgt:
"De toezichthouder kan, wanneer de omstandigheden dit vereisen, van de kredietinstelling eisen dat zij haar herstelplan vaker actualiseert dan bepaald in de vorige leden. In elk geval eist de toezichthouder een actualisering van het herstelplan indien de hypotheses die in het herstelplan zijn beschreven anders zijn dan de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het nemen van maatregelen bedoeld in artikel 234, § 2.".
Art. 64. Dans l'article 111 de la même loi, modifié par la loi du 27 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2 :
"Par dérogation à l'alinéa 1er, les établissements de crédit sont tenus d'actualiser le plan de redressement au moins tous les deux ans s'ils ont été autorisés à bénéficier d'obligations simplifiées à la suite de l'analyse opérée par l'autorité de contrôle en application du règlement délégué (UE) n° 2019/348 de la Commission du 25 octobre 2018 complétant la Directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil par des normes techniques de réglementation précisant les critères à appliquer pour évaluer l'impact de la défaillance d'un établissement sur les marchés financiers, sur d'autres établissements et sur les conditions de financement." ;
2° l'alinéa 2 ancien, devenant l'alinéa 3, est remplacé par ce qui suit :
"L'autorité de contrôle peut, lorsque les circonstances le requièrent, exiger que l'établissement de crédit actualise le plan de redressement plus fréquemment que ce qui est prévu aux alinéas précédents. L'autorité de contrôle exige en tout état de cause de l'établissement de crédit qu'il actualise le plan de redressement lorsque les hypothèses établies dans ledit plan de redressement diffèrent des circonstances ayant conduit à prendre les mesures visées à l'article 234, § 2.".
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2 :
"Par dérogation à l'alinéa 1er, les établissements de crédit sont tenus d'actualiser le plan de redressement au moins tous les deux ans s'ils ont été autorisés à bénéficier d'obligations simplifiées à la suite de l'analyse opérée par l'autorité de contrôle en application du règlement délégué (UE) n° 2019/348 de la Commission du 25 octobre 2018 complétant la Directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil par des normes techniques de réglementation précisant les critères à appliquer pour évaluer l'impact de la défaillance d'un établissement sur les marchés financiers, sur d'autres établissements et sur les conditions de financement." ;
2° l'alinéa 2 ancien, devenant l'alinéa 3, est remplacé par ce qui suit :
"L'autorité de contrôle peut, lorsque les circonstances le requièrent, exiger que l'établissement de crédit actualise le plan de redressement plus fréquemment que ce qui est prévu aux alinéas précédents. L'autorité de contrôle exige en tout état de cause de l'établissement de crédit qu'il actualise le plan de redressement lorsque les hypothèses établies dans ledit plan de redressement diffèrent des circonstances ayant conduit à prendre les mesures visées à l'article 234, § 2.".
Art. 65. Artikel 113, § 4, eerste lid van dezelfde wet wordt aangevuld met de woorden "De toezichthouder verricht deze beoordeling na raadpleging, indien passend, van de Bank in haar hoedanigheid van macroprudentiële autoriteit.".
Art. 65. L'article 113, § 4, alinéa 1er de la même loi, est complété par les mots "L'autorité de contrôle réalise cette évaluation après consultation, le cas échéant, de la Banque en sa qualité d'autorité macroprudentielle.".
Art. 66. Artikel 117 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 117. Dit Hoofdstuk is van toepassing op kredietinstellingen naar Belgisch recht in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, die deposito's aantrekken of schuldinstrumenten uitgeven die gedekt zijn door de Belgische depositobeschermingsregeling bedoeld in artikel 380.".
"Art. 117. Dit Hoofdstuk is van toepassing op kredietinstellingen naar Belgisch recht in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, die deposito's aantrekken of schuldinstrumenten uitgeven die gedekt zijn door de Belgische depositobeschermingsregeling bedoeld in artikel 380.".
Art. 66. L'article 117 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 117. Le présent Chapitre s'applique aux établissements de crédit de droit belge au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, qui récoltent des dépôts ou émettent des titres de créance qui sont couverts par le système belge de protection des dépôts visé à l'article 380.".
"Art. 117. Le présent Chapitre s'applique aux établissements de crédit de droit belge au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, qui récoltent des dépôts ou émettent des titres de créance qui sont couverts par le système belge de protection des dépôts visé à l'article 380.".
Art. 67. In artikel 126, § 2 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"Wanneer aldus handelsactiviteiten voor eigen rekening aan een verbonden onderneming naar Belgisch recht worden overgedragen, dient deze een vergunning als kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° of als beursvennootschap te hebben verkregen overeenkomstig de wet van 25 oktober 2016.".
"Wanneer aldus handelsactiviteiten voor eigen rekening aan een verbonden onderneming naar Belgisch recht worden overgedragen, dient deze een vergunning als kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° of als beursvennootschap te hebben verkregen overeenkomstig de wet van 25 oktober 2016.".
Art. 67. Dans l'article 126, § 2 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Lorsque des activités de négociation pour compte propre sont ainsi transférées à une entreprise liée de droit belge, celle-ci doit être agréée en qualité d'établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, ou de société de bourse conformément à la loi du 25 octobre 2016.".
"Lorsque des activités de négociation pour compte propre sont ainsi transférées à une entreprise liée de droit belge, celle-ci doit être agréée en qualité d'établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, ou de société de bourse conformément à la loi du 25 octobre 2016.".
Art. 68. Artikel 138 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende:
" § 2. De toezichthouder werkt nauw samen met de afwikkelingsautoriteiten en raadpleegt deze autoriteiten wanneer deze wet of Verordening nr. 575/2013 dit vereist, en onder meer bij de opmaak van afwikkelingsplannen als bedoeld in artikel 226.".
" § 2. De toezichthouder werkt nauw samen met de afwikkelingsautoriteiten en raadpleegt deze autoriteiten wanneer deze wet of Verordening nr. 575/2013 dit vereist, en onder meer bij de opmaak van afwikkelingsplannen als bedoeld in artikel 226.".
Art. 68. Dans l'article 138, de la même loi, modifié par la loi du 21 novembre 2017, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, il est inséré un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. L'autorité de contrôle coopère étroitement avec les autorités de résolution et consulte celles-ci lorsque la présente loi ou le règlement n° 575/2013 le requiert et, notamment, lors de l'établissement des plans de résolution visé à l'article 226.".
" § 2. L'autorité de contrôle coopère étroitement avec les autorités de résolution et consulte celles-ci lorsque la présente loi ou le règlement n° 575/2013 le requiert et, notamment, lors de l'établissement des plans de résolution visé à l'article 226.".
Art. 69. In artikel 142 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"Aan de hand van de criteria van artikel 143 gaat de toezichthouder na of de bepalingen van deze wet, van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en van Verordening nr. 575/2013 zijn nageleefd. Hij evalueert de risico's waaraan de kredietinstelling blootgesteld is of zou kunnen zijn, de risico's die in voorkomend geval aan het licht zijn gekomen tijdens stresstests die met toepassing van artikel 148 zijn uitgevoerd, en het passende karakter, in het licht van de genoemde risico's, van het prospectieve beheer van het eigen vermogen en van de liquiditeit, als bedoeld in artikel 94.";
2° Artikel 142 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Bij die evaluatie houdt de toezichthouder rekening met het evenredigheidsbeginsel volgens de criteria die overeenkomstig artikel 36/6, § 2, 2°, van de wet van 22 februari 1998 zijn bekendgemaakt.".
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"Aan de hand van de criteria van artikel 143 gaat de toezichthouder na of de bepalingen van deze wet, van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en van Verordening nr. 575/2013 zijn nageleefd. Hij evalueert de risico's waaraan de kredietinstelling blootgesteld is of zou kunnen zijn, de risico's die in voorkomend geval aan het licht zijn gekomen tijdens stresstests die met toepassing van artikel 148 zijn uitgevoerd, en het passende karakter, in het licht van de genoemde risico's, van het prospectieve beheer van het eigen vermogen en van de liquiditeit, als bedoeld in artikel 94.";
2° Artikel 142 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Bij die evaluatie houdt de toezichthouder rekening met het evenredigheidsbeginsel volgens de criteria die overeenkomstig artikel 36/6, § 2, 2°, van de wet van 22 februari 1998 zijn bekendgemaakt.".
Art. 69. Dans l'article 142 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Sur base des critères de l'article 143, l'autorité de contrôle vérifie le respect des dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci et du Règlement n° 575/2013. Elle évalue les risques auxquels l'établissement de crédit est ou pourrait être exposé, les risques mis en évidence, le cas échéant, par les tests de résistance effectués en application de l'article 148 et le caractère adéquat, par rapport auxdits risques, de la gestion prospective des fonds propres et de la liquidité telle que visée à l'article 94." ;
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Lorsqu'elle procède à l'évaluation précitée, l'autorité de contrôle tient compte du principe de proportionnalité conformément aux critères publiés conformément à l'article 36/6, § 2, 2°, de la loi du 22 février 1998.".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Sur base des critères de l'article 143, l'autorité de contrôle vérifie le respect des dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci et du Règlement n° 575/2013. Elle évalue les risques auxquels l'établissement de crédit est ou pourrait être exposé, les risques mis en évidence, le cas échéant, par les tests de résistance effectués en application de l'article 148 et le caractère adéquat, par rapport auxdits risques, de la gestion prospective des fonds propres et de la liquidité telle que visée à l'article 94." ;
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Lorsqu'elle procède à l'évaluation précitée, l'autorité de contrôle tient compte du principe de proportionnalité conformément aux critères publiés conformément à l'article 36/6, § 2, 2°, de la loi du 22 février 1998.".
Art. 70. In dezelfde wet wordt een artikel 142/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 142/1. De toezichthouder kan de in artikel 142 bedoelde evaluatieprocedure aanpassen voor kredietinstellingen die een vergelijkbaar risicoprofiel hebben doordat hun bedrijfsmodellen of de geografische locatie van hun risicoblootstellingen vergelijkbaar zijn. Bij deze aanpassing, die kan inhouden dat gebruik wordt gemaakt van risicogeoriënteerde referentie-indicatoren en kwantitatieve indicatoren, dient niettemin rekening te worden gehouden met de specifieke risico's waaraan elke kredietinstelling blootgesteld is of zou kunnen zijn en wordt geen afbreuk gedaan aan het bijzondere karakter van de betrokken instelling wat de krachtens artikel 149 opgelegde maatregelen betreft.
Wanneer de toezichthouder gebruik maakt van de in het eerste lid bepaalde mogelijkheid, stelt hij de EBA daarvan in kennis.".
"Art. 142/1. De toezichthouder kan de in artikel 142 bedoelde evaluatieprocedure aanpassen voor kredietinstellingen die een vergelijkbaar risicoprofiel hebben doordat hun bedrijfsmodellen of de geografische locatie van hun risicoblootstellingen vergelijkbaar zijn. Bij deze aanpassing, die kan inhouden dat gebruik wordt gemaakt van risicogeoriënteerde referentie-indicatoren en kwantitatieve indicatoren, dient niettemin rekening te worden gehouden met de specifieke risico's waaraan elke kredietinstelling blootgesteld is of zou kunnen zijn en wordt geen afbreuk gedaan aan het bijzondere karakter van de betrokken instelling wat de krachtens artikel 149 opgelegde maatregelen betreft.
Wanneer de toezichthouder gebruik maakt van de in het eerste lid bepaalde mogelijkheid, stelt hij de EBA daarvan in kennis.".
Art. 70. Dans la même loi, il est inséré un article 142/1 rédigé comme suit :
"Art. 142/1. L'autorité de contrôle peut adapter la procédure de l'évaluation visée à l'article 142 pour des établissements de crédit présentant un profil de risque analogue en raison de la similitude de leurs modèles d'entreprise ou de la localisation géographique de leurs expositions au risque. Cette adaptation, qui peut consister à utiliser des indicateurs de référence orientés sur les risques et des indicateurs quantitatifs, doit néanmoins tenir compte des risques spécifiques auxquels chaque établissement de crédit est ou pourrait être exposé et préserve la particularité de l'établissement concerné s'agissant des mesures imposées en application de l'article 149.
L'autorité de contrôle informe l'ABE lorsqu'elle fait usage de la faculté visée à l'alinéa 1er.".
"Art. 142/1. L'autorité de contrôle peut adapter la procédure de l'évaluation visée à l'article 142 pour des établissements de crédit présentant un profil de risque analogue en raison de la similitude de leurs modèles d'entreprise ou de la localisation géographique de leurs expositions au risque. Cette adaptation, qui peut consister à utiliser des indicateurs de référence orientés sur les risques et des indicateurs quantitatifs, doit néanmoins tenir compte des risques spécifiques auxquels chaque établissement de crédit est ou pourrait être exposé et préserve la particularité de l'établissement concerné s'agissant des mesures imposées en application de l'article 149.
L'autorité de contrôle informe l'ABE lorsqu'elle fait usage de la faculté visée à l'alinéa 1er.".
Art. 71. In dezelfde wet wordt een artikel 142/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 142/2. Wanneer de toezichthouder op grond van de in artikel 142 bedoelde toetsing en evaluatie, in het bijzonder van de governanceregeling, het bedrijfsmodel en de werkzaamheden, goede redenen heeft om te vermoeden dat er in verband met de kredietinstelling sprake is van witwassen van geld of terrorismefinanciering, van een poging daartoe of van een verhoogd risico daarop, stelt hij de EBA en, wanneer de toezichthouder niet de Bank is, de Bank in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit voor het toezicht op de naleving door de kredietinstelling van de wet van 18 september 2017, onverwijld in kennis daarvan.
In geval van een mogelijk verhoogd risico op witwassen van geld of financiering van terrorisme, stellen de toezichthouder en, in voorkomend geval, de Bank, zich met elkaar in verbinding en stellen zij de EBA onverwijld in kennis van hun gemeenschappelijke beoordeling, onverminderd de toepassing van om het even welke maatregel waarin deze wet of de wet van 18 september 2017 voorziet.".
"Art. 142/2. Wanneer de toezichthouder op grond van de in artikel 142 bedoelde toetsing en evaluatie, in het bijzonder van de governanceregeling, het bedrijfsmodel en de werkzaamheden, goede redenen heeft om te vermoeden dat er in verband met de kredietinstelling sprake is van witwassen van geld of terrorismefinanciering, van een poging daartoe of van een verhoogd risico daarop, stelt hij de EBA en, wanneer de toezichthouder niet de Bank is, de Bank in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit voor het toezicht op de naleving door de kredietinstelling van de wet van 18 september 2017, onverwijld in kennis daarvan.
In geval van een mogelijk verhoogd risico op witwassen van geld of financiering van terrorisme, stellen de toezichthouder en, in voorkomend geval, de Bank, zich met elkaar in verbinding en stellen zij de EBA onverwijld in kennis van hun gemeenschappelijke beoordeling, onverminderd de toepassing van om het even welke maatregel waarin deze wet of de wet van 18 september 2017 voorziet.".
Art. 71. Dans la même loi, il est inséré un article 142/2 rédigé comme suit :
"Art. 142/2. Lorsque l'autorité de contrôle, sur base de la procédure de contrôle et d'évaluation visée à l'article 142, en particulier du dispositif de gouvernance, du modèle d'entreprise et des activités, a des motifs raisonnables de soupçonner qu'une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme impliquant l'établissement de crédit est en cours, ou a eu lieu, ou qu'il y a un risque accru d'une telle opération ou tentative, elle en informe sans délai l'ABE et lorsque l'autorité de contrôle n'est pas la Banque, la Banque en sa capacité d'autorité chargée d'assurer le respect par l'établissement de crédit de la loi du 18 septembre 2017.
En cas de risque potentiel aggravé de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme, l'autorité de contrôle et, le cas échéant, la Banque, se concertent et communiquent sans délai leur évaluation commune à l'ABE, sans préjudice de l'application de toute mesure prévue par la présente loi ou par la loi du 18 septembre 2017.".
"Art. 142/2. Lorsque l'autorité de contrôle, sur base de la procédure de contrôle et d'évaluation visée à l'article 142, en particulier du dispositif de gouvernance, du modèle d'entreprise et des activités, a des motifs raisonnables de soupçonner qu'une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme impliquant l'établissement de crédit est en cours, ou a eu lieu, ou qu'il y a un risque accru d'une telle opération ou tentative, elle en informe sans délai l'ABE et lorsque l'autorité de contrôle n'est pas la Banque, la Banque en sa capacité d'autorité chargée d'assurer le respect par l'établissement de crédit de la loi du 18 septembre 2017.
En cas de risque potentiel aggravé de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme, l'autorité de contrôle et, le cas échéant, la Banque, se concertent et communiquent sans délai leur évaluation commune à l'ABE, sans préjudice de l'application de toute mesure prévue par la présente loi ou par la loi du 18 septembre 2017.".
Art. 72. In artikel 143, § 1 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 10° wordt opgeheven;
2° de bepaling onder 12° wordt vervangen als volgt:
"12° de blootstelling van de instelling aan het renterisico dat voortvloeit uit activiteiten buiten de handelsportefeuille.
Onverminderd artikel 149 legt de toezichthouder ten minste in de volgende gevallen maatregelen op om de vastgestelde situatie te verhelpen:
- indien de in artikel 6, § 1 van Bijlage I bedoelde economische waarde van het eigen vermogen met meer dan 15 % van het tier 1-kapitaal van de instelling afneemt ten gevolge van een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven als omschreven in een van de zes op de rentetarieven toegepaste crisisscenario's die overeenkomstig de technische normen van de EBA zijn vastgesteld;
- indien een instelling te maken heeft met een grote daling van haar in artikel 6, § 1 van Bijlage I bedoelde nettorentebaten als gevolg van een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven als omschreven in een van de twee op de rentetarieven toegepaste crisisscenario's die overeenkomstig de technische normen van de EBA zijn vastgesteld.
Niettegenstaande het tweede lid is de toezichthouder niet verplicht prudentiële of herstelmaatregelen te nemen als hij op basis van de in deze paragraaf bedoelde toetsing en evaluatie van oordeel is dat de instelling het renterisico voortvloeiend uit activiteiten buiten de handelsportefeuille op adequate wijze beheert en dat de instelling niet overmatig is blootgesteld aan dit risico.
Voor de toepassing van dit punt 12° beschikt de toezichthouder ook over de mogelijkheid tot het nader bepalen van hypothesen voor modellering en parameters, behalve die welke zijn vastgelegd door de EBA op grond van artikel 98, lid 5bis, onder b), van Richtlijn 2013/36/EU, die de instellingen in aanmerking moeten nemen bij hun berekening van de economische waarde van het eigen vermogen krachtens artikel 6, paragraaf 1 van Bijlage I.".
1° de bepaling onder 10° wordt opgeheven;
2° de bepaling onder 12° wordt vervangen als volgt:
"12° de blootstelling van de instelling aan het renterisico dat voortvloeit uit activiteiten buiten de handelsportefeuille.
Onverminderd artikel 149 legt de toezichthouder ten minste in de volgende gevallen maatregelen op om de vastgestelde situatie te verhelpen:
- indien de in artikel 6, § 1 van Bijlage I bedoelde economische waarde van het eigen vermogen met meer dan 15 % van het tier 1-kapitaal van de instelling afneemt ten gevolge van een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven als omschreven in een van de zes op de rentetarieven toegepaste crisisscenario's die overeenkomstig de technische normen van de EBA zijn vastgesteld;
- indien een instelling te maken heeft met een grote daling van haar in artikel 6, § 1 van Bijlage I bedoelde nettorentebaten als gevolg van een plotselinge en onverwachte verandering in de rentetarieven als omschreven in een van de twee op de rentetarieven toegepaste crisisscenario's die overeenkomstig de technische normen van de EBA zijn vastgesteld.
Niettegenstaande het tweede lid is de toezichthouder niet verplicht prudentiële of herstelmaatregelen te nemen als hij op basis van de in deze paragraaf bedoelde toetsing en evaluatie van oordeel is dat de instelling het renterisico voortvloeiend uit activiteiten buiten de handelsportefeuille op adequate wijze beheert en dat de instelling niet overmatig is blootgesteld aan dit risico.
Voor de toepassing van dit punt 12° beschikt de toezichthouder ook over de mogelijkheid tot het nader bepalen van hypothesen voor modellering en parameters, behalve die welke zijn vastgelegd door de EBA op grond van artikel 98, lid 5bis, onder b), van Richtlijn 2013/36/EU, die de instellingen in aanmerking moeten nemen bij hun berekening van de economische waarde van het eigen vermogen krachtens artikel 6, paragraaf 1 van Bijlage I.".
Art. 72. Dans l'article 143, § 1er de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° le 10° est abrogé ;
2° le 12° est remplacé par ce qui suit :
"12° l'exposition de l'établissement au risque de taux d'intérêt inhérent à ses activités hors portefeuille de négociation.
Sans préjudice de l'article 149, des mesures visant à remédier à la situation constatée sont à tout le moins requises par l'autorité de contrôle dans les cas suivants :
- lorsque la valeur économique des fonds propres visée à l'article 6, § 1er de l'Annexe I diminue de plus de 15 % des fonds propres de catégorie 1 de l'établissement en raison d'une variation soudaine et inattendue des taux d'intérêt ainsi qu'il est prévu dans l'un des six scénarios de crise appliqués aux taux d'intérêt définis conformément aux normes techniques de l'ABE ;
- lorsque les produits d'intérêts nets d'un établissement visés à l'article 6, § 1er de l'Annexe I, subissent une baisse importante en raison d'une variation soudaine et inattendue des taux d'intérêt ainsi qu'il est prévu dans l'un des deux scénarios de crise appliqués aux taux d'intérêt définis conformément aux normes techniques de l'ABE.
Nonobstant l'alinéa 2, l'autorité de contrôle n'est pas tenue d'adopter des mesures prudentielles ou de redressement lorsqu'elle estime, sur la base du contrôle et de l'évaluation visés au présent paragraphe, que la gestion par l'établissement du risque de taux d'intérêt inhérent à ses activités hors portefeuille de négociation est adéquate et que l'établissement n'est pas excessivement exposé audit risque.
Aux fins du présent 12°, l'autorité de contrôle dispose également de la possibilité de définir des hypothèses de modélisation et des hypothèses paramétriques, autres que celles déterminées par l'ABE en vertu de l'article 98, paragraphe 5bis, point b) de la Directive 2013/36/UE, que les établissements sont tenus de prendre en compte pour le calcul de la valeur économique de leurs fonds propres en application de l'article 6, paragraphe 1er de l'Annexe I.".
1° le 10° est abrogé ;
2° le 12° est remplacé par ce qui suit :
"12° l'exposition de l'établissement au risque de taux d'intérêt inhérent à ses activités hors portefeuille de négociation.
Sans préjudice de l'article 149, des mesures visant à remédier à la situation constatée sont à tout le moins requises par l'autorité de contrôle dans les cas suivants :
- lorsque la valeur économique des fonds propres visée à l'article 6, § 1er de l'Annexe I diminue de plus de 15 % des fonds propres de catégorie 1 de l'établissement en raison d'une variation soudaine et inattendue des taux d'intérêt ainsi qu'il est prévu dans l'un des six scénarios de crise appliqués aux taux d'intérêt définis conformément aux normes techniques de l'ABE ;
- lorsque les produits d'intérêts nets d'un établissement visés à l'article 6, § 1er de l'Annexe I, subissent une baisse importante en raison d'une variation soudaine et inattendue des taux d'intérêt ainsi qu'il est prévu dans l'un des deux scénarios de crise appliqués aux taux d'intérêt définis conformément aux normes techniques de l'ABE.
Nonobstant l'alinéa 2, l'autorité de contrôle n'est pas tenue d'adopter des mesures prudentielles ou de redressement lorsqu'elle estime, sur la base du contrôle et de l'évaluation visés au présent paragraphe, que la gestion par l'établissement du risque de taux d'intérêt inhérent à ses activités hors portefeuille de négociation est adéquate et que l'établissement n'est pas excessivement exposé audit risque.
Aux fins du présent 12°, l'autorité de contrôle dispose également de la possibilité de définir des hypothèses de modélisation et des hypothèses paramétriques, autres que celles déterminées par l'ABE en vertu de l'article 98, paragraphe 5bis, point b) de la Directive 2013/36/UE, que les établissements sont tenus de prendre en compte pour le calcul de la valeur économique de leurs fonds propres en application de l'article 6, paragraphe 1er de l'Annexe I.".
Art. 73. In artikel 146 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 73. L'article 146 de la même loi est abrogé.
Art. 74. In artikel 147 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° een paragraaf 2/1 wordt ingevoegd, luidende:
- 2/1. De toezichthouder controleert, op basis van de informatie die de kredietinstellingen overeenkomstig paragraaf 1 hebben ingediend, het bereik van de risicogewogen posten of, in voorkomend geval, van de eigenvermogensvereisten, behalve voor operationeel risico, voor de blootstellingen of transacties die het resultaat zijn van de interne benaderingen van de betrokken kredietinstellingen.
Aan de hand van het verslag dat op grond van artikel 78, lid 3 van Richtlijn 2013/36/EU door de EBA wordt opgesteld, wordt ten minste eenmaal per jaar een vergelijkende analyse van de kwaliteit van deze benaderingen uitgevoerd, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan:
1° benaderingen die significante verschillen in de eigenvermogensvereisten voor dezelfde blootstelling vertonen;
2° benaderingen met een bijzonder hoge of bijzonder lage diversificatie, alsook benaderingen met een significante en systematische onderwaardering van de eigenvermogensvereisten.";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
" § 3. De toezichthouder eist corrigerende maatregelen indien hij vaststelt dat de interne benadering die door een kredietinstelling wordt gebruikt, significant afwijkt van de andere benaderingen waarvan gebruik wordt gemaakt in de sector en indien hij aantoont dat deze benadering tot onderwaardering leidt van de eigenvermogensvereisten voor de betrokken instelling, die niet toegeschreven kan worden aan verschillen in de onderliggende risico's waaraan deze instelling is blootgesteld.";
3° artikel 147 wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4. De toezichthouder ziet erop toe dat de in paragraaf 3 bedoelde corrigerende maatregelen niet leiden tot standaardisering of een neiging om bepaalde methoden te gebruiken, geen ongerechtvaardigde prikkels creëren en geen imitatiegedrag uitlokken.".
1° een paragraaf 2/1 wordt ingevoegd, luidende:
- 2/1. De toezichthouder controleert, op basis van de informatie die de kredietinstellingen overeenkomstig paragraaf 1 hebben ingediend, het bereik van de risicogewogen posten of, in voorkomend geval, van de eigenvermogensvereisten, behalve voor operationeel risico, voor de blootstellingen of transacties die het resultaat zijn van de interne benaderingen van de betrokken kredietinstellingen.
Aan de hand van het verslag dat op grond van artikel 78, lid 3 van Richtlijn 2013/36/EU door de EBA wordt opgesteld, wordt ten minste eenmaal per jaar een vergelijkende analyse van de kwaliteit van deze benaderingen uitgevoerd, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan:
1° benaderingen die significante verschillen in de eigenvermogensvereisten voor dezelfde blootstelling vertonen;
2° benaderingen met een bijzonder hoge of bijzonder lage diversificatie, alsook benaderingen met een significante en systematische onderwaardering van de eigenvermogensvereisten.";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
" § 3. De toezichthouder eist corrigerende maatregelen indien hij vaststelt dat de interne benadering die door een kredietinstelling wordt gebruikt, significant afwijkt van de andere benaderingen waarvan gebruik wordt gemaakt in de sector en indien hij aantoont dat deze benadering tot onderwaardering leidt van de eigenvermogensvereisten voor de betrokken instelling, die niet toegeschreven kan worden aan verschillen in de onderliggende risico's waaraan deze instelling is blootgesteld.";
3° artikel 147 wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4. De toezichthouder ziet erop toe dat de in paragraaf 3 bedoelde corrigerende maatregelen niet leiden tot standaardisering of een neiging om bepaalde methoden te gebruiken, geen ongerechtvaardigde prikkels creëren en geen imitatiegedrag uitlokken.".
Art. 74. Dans l'article 147 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° il est inséré un paragraphe 2/1 rédigé comme suit :
- 2/1. Sur la base des informations communiquées par les établissements de crédit conformément au paragraphe 1er, l'autorité de contrôle surveille l'éventail des montants pondérés d'exposition ou, le cas échéant, des exigences en fonds propres, en dehors du risque opérationnel, pour les expositions ou les opérations incluses dans le portefeuille de référence résultant des approches internes des établissements de crédit concernés.
A l'aide du rapport établi par l'ABE en application de l'article 78, paragraphe 3 de la Directive 2013/36/UE, une analyse comparative de la qualité de ces approches est effectuée au moins une fois par an, en veillant particulièrement :
1° aux approches qui affichent des différences significatives quant aux exigences de fonds propres pour une même exposition ;
2° aux approches qui affichent une diversification particulièrement faible ou particulièrement élevée, de même qu'une sous-évaluation significative et systématique des exigences de fonds propres." ;
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. L'autorité de contrôle requiert des mesures correctrices si elle constate que l'approche utilisée par un établissement de crédit s'écarte de manière significative des autres approches utilisées par le secteur et si elle établit que cette approche a pour conséquence une sous-estimation des exigences en fonds propres pour l'établissement concerné, qui n'est pas imputable à des différences de risques sous-jacents auxquels cet établissement est exposé." ;
3° l'article 147 est complété par un paragraphe 4 rédigé comme suit :
" § 4. L'autorité de contrôle veille à ce que les mesures correctrices visées au paragraphe 3 ne débouchent pas sur une standardisation ou une propension pour l'utilisation de certaines méthodes, ne créent pas d'incitations injustifiées et ne provoquent pas un comportement d'imitation.".
1° il est inséré un paragraphe 2/1 rédigé comme suit :
- 2/1. Sur la base des informations communiquées par les établissements de crédit conformément au paragraphe 1er, l'autorité de contrôle surveille l'éventail des montants pondérés d'exposition ou, le cas échéant, des exigences en fonds propres, en dehors du risque opérationnel, pour les expositions ou les opérations incluses dans le portefeuille de référence résultant des approches internes des établissements de crédit concernés.
A l'aide du rapport établi par l'ABE en application de l'article 78, paragraphe 3 de la Directive 2013/36/UE, une analyse comparative de la qualité de ces approches est effectuée au moins une fois par an, en veillant particulièrement :
1° aux approches qui affichent des différences significatives quant aux exigences de fonds propres pour une même exposition ;
2° aux approches qui affichent une diversification particulièrement faible ou particulièrement élevée, de même qu'une sous-évaluation significative et systématique des exigences de fonds propres." ;
2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. L'autorité de contrôle requiert des mesures correctrices si elle constate que l'approche utilisée par un établissement de crédit s'écarte de manière significative des autres approches utilisées par le secteur et si elle établit que cette approche a pour conséquence une sous-estimation des exigences en fonds propres pour l'établissement concerné, qui n'est pas imputable à des différences de risques sous-jacents auxquels cet établissement est exposé." ;
3° l'article 147 est complété par un paragraphe 4 rédigé comme suit :
" § 4. L'autorité de contrôle veille à ce que les mesures correctrices visées au paragraphe 3 ne débouchent pas sur une standardisation ou une propension pour l'utilisation de certaines méthodes, ne créent pas d'incitations injustifiées et ne provoquent pas un comportement d'imitation.".
Art. 75. Artikel 149 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 149. Op grond van de resultaten van de procedure van toetsing en evaluatie die overeenkomstig artikel 142 wordt verricht, alsook in geval van toepassing van artikel 143, § 1, 11° of 12° of artikel 145, § 3 kan de toezichthouder volgens de in artikel 150 bepaalde modaliteiten aan de betrokken kredietinstelling een specifiek eigenvermogensvereiste opleggen bovenop de eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens Verordening nr. 575/2013, de met toepassing van artikel 98 vastgestelde reglementen en artikel 95, om rekening te houden met de risico's waaraan die kredietinstelling blootgesteld is of kan zijn. De toezichthouder bepaalt hoe de betrokken kredietinstelling aan dit specifiek eigenvermogensvereiste moet voldoen.
Daartoe kan de toezichthouder ook alle andere in artikel 234, § 2 bedoelde maatregelen opleggen.
Onverminderd artikel 18 van Verordening nr. 575/2013 kan de toezichthouder bovendien eisen dat een gereglementeerde of niet-gereglementeerde onderneming in de consolidatieperimeter wordt opgenomen wanneer het risicoprofiel van de kredietinstelling op geconsolideerde of, in voorkomend geval, gesubconsolideerde basis, zoals dat uit de consolidatieperimeter blijkt, niet adequaat is.".
"Art. 149. Op grond van de resultaten van de procedure van toetsing en evaluatie die overeenkomstig artikel 142 wordt verricht, alsook in geval van toepassing van artikel 143, § 1, 11° of 12° of artikel 145, § 3 kan de toezichthouder volgens de in artikel 150 bepaalde modaliteiten aan de betrokken kredietinstelling een specifiek eigenvermogensvereiste opleggen bovenop de eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens Verordening nr. 575/2013, de met toepassing van artikel 98 vastgestelde reglementen en artikel 95, om rekening te houden met de risico's waaraan die kredietinstelling blootgesteld is of kan zijn. De toezichthouder bepaalt hoe de betrokken kredietinstelling aan dit specifiek eigenvermogensvereiste moet voldoen.
Daartoe kan de toezichthouder ook alle andere in artikel 234, § 2 bedoelde maatregelen opleggen.
Onverminderd artikel 18 van Verordening nr. 575/2013 kan de toezichthouder bovendien eisen dat een gereglementeerde of niet-gereglementeerde onderneming in de consolidatieperimeter wordt opgenomen wanneer het risicoprofiel van de kredietinstelling op geconsolideerde of, in voorkomend geval, gesubconsolideerde basis, zoals dat uit de consolidatieperimeter blijkt, niet adequaat is.".
Art. 75. L'article 149 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 149. Sur la base des résultats de la procédure de contrôle et d'évaluation effectuée conformément à l'article 142, de même qu'en cas d'application de l'article 143, § 1er, 11° ou 12° ou de l'article 145, § 3, et afin de tenir compte des risques auxquels l'établissement de crédit concerné est ou pourrait être exposé, l'autorité de contrôle peut, selon les modalités déterminées à l'article 150, imposer à cet établissement de crédit une exigence spécifique de fonds propres, qui s'ajoute aux exigences de fonds propres requises par ou en vertu du Règlement n° 575/2013, des règlements pris en application de l'article 98 et de l'article 95. L'autorité de contrôle précise selon quelles modalités l'établissement de crédit concerné doit couvrir cette exigence spécifique de fonds propres.
Aux fins précitées, l'autorité de contrôle peut également imposer toutes autres mesures prévues à l'article 234, § 2.
En outre, sans préjudice de l'article 18 du Règlement n° 575/2013, l'autorité de contrôle peut requérir l'inclusion dans le périmètre de consolidation de toute entreprise réglementée ou non réglementée lorsque le profil de risque de l'établissement de crédit sur une base consolidée ou, le cas échéant, sous-consolidée, tel qu'il résulte du périmètre de consolidation, n'est pas adéquat.".
"Art. 149. Sur la base des résultats de la procédure de contrôle et d'évaluation effectuée conformément à l'article 142, de même qu'en cas d'application de l'article 143, § 1er, 11° ou 12° ou de l'article 145, § 3, et afin de tenir compte des risques auxquels l'établissement de crédit concerné est ou pourrait être exposé, l'autorité de contrôle peut, selon les modalités déterminées à l'article 150, imposer à cet établissement de crédit une exigence spécifique de fonds propres, qui s'ajoute aux exigences de fonds propres requises par ou en vertu du Règlement n° 575/2013, des règlements pris en application de l'article 98 et de l'article 95. L'autorité de contrôle précise selon quelles modalités l'établissement de crédit concerné doit couvrir cette exigence spécifique de fonds propres.
Aux fins précitées, l'autorité de contrôle peut également imposer toutes autres mesures prévues à l'article 234, § 2.
En outre, sans préjudice de l'article 18 du Règlement n° 575/2013, l'autorité de contrôle peut requérir l'inclusion dans le périmètre de consolidation de toute entreprise réglementée ou non réglementée lorsque le profil de risque de l'établissement de crédit sur une base consolidée ou, le cas échéant, sous-consolidée, tel qu'il résulte du périmètre de consolidation, n'est pas adéquat.".
Art. 76. Artikel 150 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 150. § 1. Op grond van de resultaten van de procedure van toetsing en evaluatie die overeenkomstig artikel 142 wordt verricht en van het in de artikelen 144 en 145 bedoelde onderzoek van de interne benaderingen legt de toezichthouder in de volgende gevallen het in artikel 149, eerste lid bedoeld specifiek eigenvermogensvereiste op:
1° de kredietinstelling houdt risico's in die niet of onvoldoende gedekt zijn door de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402, zoals gespecificeerd in artikel 150/1, in de met toepassing van artikel 98 vastgestelde reglementen en in artikel 95;
2° de in artikel 143, § 1, 11° bedoelde waardeverminderingen zijn onvoldoende om de kredietinstelling in staat te stellen haar posities onder normale marktomstandigheden op korte tijd te verkopen of af te dekken zonder dat wezenlijke verliezen worden geleden;
3° uit het overeenkomstig artikel 145, § 3 verrichte onderzoek blijkt dat de niet-naleving van de voorwaarden voor de toepassing van een toegestane interne benadering als gevolg kan hebben dat de betrokken instelling niet langer voldoet aan de toepasselijke reglementaire eigenvermogensvereisten;
4° de kredietinstelling heeft herhaaldelijk nagelaten een toereikend niveau van aanvullend eigen vermogen vast te stellen of te handhaven om te voldoen aan de overeenkomstig artikel 150/5, § 3 meegedeelde aanbevelingen voor aanvullend eigen vermogen;
5° elke andere kredietinstellingsspecifieke situatie die volgens de beoordeling van de toezichthouder aanleiding geeft tot materiële risico's.
§ 2. De in artikel 149, eerste lid bedoelde maatregel wordt alleen opgelegd ter dekking van de risico's die de betrokken kredietinstelling door haar activiteiten loopt, met inbegrip van het effect van veranderingen in de economische situatie en ontwikkelingen op de financiële markten op haar risicoprofiel.".
"Art. 150. § 1. Op grond van de resultaten van de procedure van toetsing en evaluatie die overeenkomstig artikel 142 wordt verricht en van het in de artikelen 144 en 145 bedoelde onderzoek van de interne benaderingen legt de toezichthouder in de volgende gevallen het in artikel 149, eerste lid bedoeld specifiek eigenvermogensvereiste op:
1° de kredietinstelling houdt risico's in die niet of onvoldoende gedekt zijn door de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402, zoals gespecificeerd in artikel 150/1, in de met toepassing van artikel 98 vastgestelde reglementen en in artikel 95;
2° de in artikel 143, § 1, 11° bedoelde waardeverminderingen zijn onvoldoende om de kredietinstelling in staat te stellen haar posities onder normale marktomstandigheden op korte tijd te verkopen of af te dekken zonder dat wezenlijke verliezen worden geleden;
3° uit het overeenkomstig artikel 145, § 3 verrichte onderzoek blijkt dat de niet-naleving van de voorwaarden voor de toepassing van een toegestane interne benadering als gevolg kan hebben dat de betrokken instelling niet langer voldoet aan de toepasselijke reglementaire eigenvermogensvereisten;
4° de kredietinstelling heeft herhaaldelijk nagelaten een toereikend niveau van aanvullend eigen vermogen vast te stellen of te handhaven om te voldoen aan de overeenkomstig artikel 150/5, § 3 meegedeelde aanbevelingen voor aanvullend eigen vermogen;
5° elke andere kredietinstellingsspecifieke situatie die volgens de beoordeling van de toezichthouder aanleiding geeft tot materiële risico's.
§ 2. De in artikel 149, eerste lid bedoelde maatregel wordt alleen opgelegd ter dekking van de risico's die de betrokken kredietinstelling door haar activiteiten loopt, met inbegrip van het effect van veranderingen in de economische situatie en ontwikkelingen op de financiële markten op haar risicoprofiel.".
Art. 76. L'article 150 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 150. § 1er. Sur la base des résultats de la procédure de contrôle et d'évaluation effectuée conformément à l'article 142 et de l'examen des approches internes visé aux articles 144 et 145, l'autorité de contrôle impose l'exigence spécifique de fonds propres visée à l'article 149, alinéa 1er dans les cas suivants :
1° l'établissement de crédit présente des risques non couverts ou insuffisamment couverts, par les exigences en fonds propres énoncées à la troisième, la quatrième et la septième Partie du Règlement n° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402 ainsi qu'il est précisé à l'article 150/1, aux règlements pris en application de l'article 98, et à l'article 95 ;
2° les corrections de valeur visées à l'article 143, § 1er, 11° sont insuffisantes pour permettre à l'établissement de crédit, dans des conditions de marché normales, de vendre ou de couvrir ses positions à bref délai sans s'exposer à des pertes significatives ;
3° l'examen effectué en application de l'article 145, § 3 fait apparaître que le non-respect des conditions posées pour l'utilisation d'une approche interne autorisée risque d'avoir pour conséquence que l'établissement concerné ne respecte plus les exigences applicables en matière de fonds propres réglementaires ;
4° à plusieurs reprises, l'établissement de crédit n'a pas établi ou conservé un niveau suffisant de fonds propres supplémentaires pour couvrir les recommandations de fonds propres supplémentaires communiquées conformément à l'article 150/5, § 3 ;
5° tout autre situation spécifique à l'établissement de crédit donnant lieu selon l'estimation de l'autorité de contrôle à des risques matériels.
§ 2. La mesure visée à l'article 149, alinéa 1er n'est imposée que pour couvrir les risques encourus par l'établissement de crédit concerné en raison de ses activités, y compris l'impact de l'évolution de la situation économique et des marchés financiers sur son profil de risque.".
"Art. 150. § 1er. Sur la base des résultats de la procédure de contrôle et d'évaluation effectuée conformément à l'article 142 et de l'examen des approches internes visé aux articles 144 et 145, l'autorité de contrôle impose l'exigence spécifique de fonds propres visée à l'article 149, alinéa 1er dans les cas suivants :
1° l'établissement de crédit présente des risques non couverts ou insuffisamment couverts, par les exigences en fonds propres énoncées à la troisième, la quatrième et la septième Partie du Règlement n° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402 ainsi qu'il est précisé à l'article 150/1, aux règlements pris en application de l'article 98, et à l'article 95 ;
2° les corrections de valeur visées à l'article 143, § 1er, 11° sont insuffisantes pour permettre à l'établissement de crédit, dans des conditions de marché normales, de vendre ou de couvrir ses positions à bref délai sans s'exposer à des pertes significatives ;
3° l'examen effectué en application de l'article 145, § 3 fait apparaître que le non-respect des conditions posées pour l'utilisation d'une approche interne autorisée risque d'avoir pour conséquence que l'établissement concerné ne respecte plus les exigences applicables en matière de fonds propres réglementaires ;
4° à plusieurs reprises, l'établissement de crédit n'a pas établi ou conservé un niveau suffisant de fonds propres supplémentaires pour couvrir les recommandations de fonds propres supplémentaires communiquées conformément à l'article 150/5, § 3 ;
5° tout autre situation spécifique à l'établissement de crédit donnant lieu selon l'estimation de l'autorité de contrôle à des risques matériels.
§ 2. La mesure visée à l'article 149, alinéa 1er n'est imposée que pour couvrir les risques encourus par l'établissement de crédit concerné en raison de ses activités, y compris l'impact de l'évolution de la situation économique et des marchés financiers sur son profil de risque.".
Art. 77. In dezelfde wet wordt een artikel 150/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 150/1. § 1. Voor de toepassing van artikel 150, § 1, 1°, worden risico's of aspecten van risico's alleen geacht niet of niet voldoende door de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 te zijn gedekt, wanneer de bedragen, de categorieën, de verdeling en/of de kwaliteit van het eigen vermogen dat nodig is om aan deze eigenvermogensvereisten te voldoen, van een lager niveau zijn dan deze die de toezichthouder toereikend acht, rekening houdend met het in artikel 94 bedoelde prospectieve beheer van de eigenvermogensvereisten.
Het eigen vermogen dat door de toezichthouder toereikend wordt geacht dekt alle risico's of aspecten van risico's die op grond van de in paragraaf 2 bedoelde beoordeling als wezenlijk zijn aangemerkt en die niet of niet voldoende door de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 zijn gedekt.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 beoordeelt de toezichthouder, rekening houdend met het risicoprofiel van elke individuele instelling, de risico's waaraan de kredietinstelling is blootgesteld, met inbegrip van:
1° de kredietinstellingsspecifieke risico's of aspecten van zulke risico's die uitdrukkelijk niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 of die niet uitdrukkelijk aan bod komen in deze vereisten;
2° de kredietinstellingsspecifieke risico's of aspecten van zulke risico's die wellicht worden onderschat niettegenstaande het feit dat de toepasselijke vereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 worden nageleefd, en dit onverminderd het genot van door of krachtens deze wet en door de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen vastgestelde overgangsbepalingen waarbij vroegere bepalingen van toepassing worden verklaard of nieuwe bepalingen van deze wet of van de voornoemde verordeningen geleidelijk van toepassing worden verklaard.
§ 3. Uit activiteiten buiten de handelsportefeuille voortvloeiende renterisico's kunnen wezenlijk worden geacht, ten minste in de gevallen bedoeld in artikel 143, § 1, 11°, tenzij de toezichthouder na de overeenkomstig artikel 142 verrichte procedure van toetsing en evaluatie tot de conclusie komt dat de kredietinstelling het renterisico voortvloeiend uit haar activiteiten buiten de handelsportefeuille op adequate wijze beheert en dat de kredietinstelling niet overmatig is blootgesteld aan het renterisico dat zij loopt bij activiteiten buiten de handelsportefeuille.".
"Art. 150/1. § 1. Voor de toepassing van artikel 150, § 1, 1°, worden risico's of aspecten van risico's alleen geacht niet of niet voldoende door de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 te zijn gedekt, wanneer de bedragen, de categorieën, de verdeling en/of de kwaliteit van het eigen vermogen dat nodig is om aan deze eigenvermogensvereisten te voldoen, van een lager niveau zijn dan deze die de toezichthouder toereikend acht, rekening houdend met het in artikel 94 bedoelde prospectieve beheer van de eigenvermogensvereisten.
Het eigen vermogen dat door de toezichthouder toereikend wordt geacht dekt alle risico's of aspecten van risico's die op grond van de in paragraaf 2 bedoelde beoordeling als wezenlijk zijn aangemerkt en die niet of niet voldoende door de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 zijn gedekt.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 beoordeelt de toezichthouder, rekening houdend met het risicoprofiel van elke individuele instelling, de risico's waaraan de kredietinstelling is blootgesteld, met inbegrip van:
1° de kredietinstellingsspecifieke risico's of aspecten van zulke risico's die uitdrukkelijk niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 of die niet uitdrukkelijk aan bod komen in deze vereisten;
2° de kredietinstellingsspecifieke risico's of aspecten van zulke risico's die wellicht worden onderschat niettegenstaande het feit dat de toepasselijke vereisten bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402 worden nageleefd, en dit onverminderd het genot van door of krachtens deze wet en door de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen vastgestelde overgangsbepalingen waarbij vroegere bepalingen van toepassing worden verklaard of nieuwe bepalingen van deze wet of van de voornoemde verordeningen geleidelijk van toepassing worden verklaard.
§ 3. Uit activiteiten buiten de handelsportefeuille voortvloeiende renterisico's kunnen wezenlijk worden geacht, ten minste in de gevallen bedoeld in artikel 143, § 1, 11°, tenzij de toezichthouder na de overeenkomstig artikel 142 verrichte procedure van toetsing en evaluatie tot de conclusie komt dat de kredietinstelling het renterisico voortvloeiend uit haar activiteiten buiten de handelsportefeuille op adequate wijze beheert en dat de kredietinstelling niet overmatig is blootgesteld aan het renterisico dat zij loopt bij activiteiten buiten de handelsportefeuille.".
Art. 77. Dans la même loi, il est inséré un article 150/1 rédigé comme suit :
"Art. 150/1. § 1er. Pour l'application de l'article 150, § 1er, 1°, des risques ou des éléments de risque ne sont considérés comme non couverts ou insuffisamment couverts par les exigences de fonds propres énoncées à la troisième, la quatrième et la septième Partie du Règlement n° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402, que si le montant, les catégories, la répartition et/ou la qualité des fonds propres nécessaires pour respecter lesdites exigences de fonds propres sont de niveau moins élevé que ceux que l'autorité de contrôle estime adéquats, compte tenu de la gestion prospective des fonds propres visée à l'article 94.
Les fonds propres que l'autorité de contrôle estime adéquats couvrent tous les risques ou éléments de risque qui sont considérés comme significatifs en vue de l'évaluation visée au paragraphe 2 et qui ne sont pas couverts ou sont insuffisamment couverts par les exigences de fonds propres énoncées à la troisième, la quatrième et la septième Partie du Règlementn° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402.
§ 2. Aux fins du paragraphe 1er, l'autorité de contrôle évalue, compte tenu du profil de risque de chaque établissement, les risques auxquels l'établissement de crédit est exposé, y compris :
1° les risques ou éléments de risques spécifiques à l'établissement de crédit qui sont explicitement non pris en compte pour le calcul des exigences de fonds propres énoncées à la troisième, la quatrième et la septième Partie du Règlementn° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402, ou que lesdites exigences ne visent pas explicitement ;
2° les risques ou éléments de risques spécifiques à l'établissement de crédit susceptibles d'être sous-estimés malgré le respect des exigences applicables énoncées à la troisième, la quatrième et la septième Partie du Règlementn° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402 et ce, sans préjudice du bénéfice de dispositions transitoires prévues par ou en vertu de la présente loi et par les règlements européens directement applicables, conférant le bénéfice de dispositions antérieures ou une application graduelle de dispositions nouvelles de la présente loi ou desdits règlements.
§ 3. Le risque de taux d'intérêt inhérent aux activités hors portefeuille de négociation peut être considéré comme significatif au moins dans les cas visés à l'article 143, § 1er, 11°, sauf si l'autorité de contrôle, à l'issue de la procédure de contrôle et d'évaluation effectués conformément à l'article 142, conclut que la gestion par l'établissement de crédit du risque de taux d'intérêt inhérent à ses activités hors portefeuille de négociation est adéquate et que l'établissement de crédit n'est pas excessivement exposé au risque de taux d'intérêt inhérent à ses activités hors portefeuille de négociation.".
"Art. 150/1. § 1er. Pour l'application de l'article 150, § 1er, 1°, des risques ou des éléments de risque ne sont considérés comme non couverts ou insuffisamment couverts par les exigences de fonds propres énoncées à la troisième, la quatrième et la septième Partie du Règlement n° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402, que si le montant, les catégories, la répartition et/ou la qualité des fonds propres nécessaires pour respecter lesdites exigences de fonds propres sont de niveau moins élevé que ceux que l'autorité de contrôle estime adéquats, compte tenu de la gestion prospective des fonds propres visée à l'article 94.
Les fonds propres que l'autorité de contrôle estime adéquats couvrent tous les risques ou éléments de risque qui sont considérés comme significatifs en vue de l'évaluation visée au paragraphe 2 et qui ne sont pas couverts ou sont insuffisamment couverts par les exigences de fonds propres énoncées à la troisième, la quatrième et la septième Partie du Règlementn° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402.
§ 2. Aux fins du paragraphe 1er, l'autorité de contrôle évalue, compte tenu du profil de risque de chaque établissement, les risques auxquels l'établissement de crédit est exposé, y compris :
1° les risques ou éléments de risques spécifiques à l'établissement de crédit qui sont explicitement non pris en compte pour le calcul des exigences de fonds propres énoncées à la troisième, la quatrième et la septième Partie du Règlementn° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402, ou que lesdites exigences ne visent pas explicitement ;
2° les risques ou éléments de risques spécifiques à l'établissement de crédit susceptibles d'être sous-estimés malgré le respect des exigences applicables énoncées à la troisième, la quatrième et la septième Partie du Règlementn° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402 et ce, sans préjudice du bénéfice de dispositions transitoires prévues par ou en vertu de la présente loi et par les règlements européens directement applicables, conférant le bénéfice de dispositions antérieures ou une application graduelle de dispositions nouvelles de la présente loi ou desdits règlements.
§ 3. Le risque de taux d'intérêt inhérent aux activités hors portefeuille de négociation peut être considéré comme significatif au moins dans les cas visés à l'article 143, § 1er, 11°, sauf si l'autorité de contrôle, à l'issue de la procédure de contrôle et d'évaluation effectués conformément à l'article 142, conclut que la gestion par l'établissement de crédit du risque de taux d'intérêt inhérent à ses activités hors portefeuille de négociation est adéquate et que l'établissement de crédit n'est pas excessivement exposé au risque de taux d'intérêt inhérent à ses activités hors portefeuille de négociation.".
Art. 78. In dezelfde wet wordt een artikel 150/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 150/2. Wanneer aanvullend eigen vermogen is vereist om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, bepaalt de toezichthouder het niveau van het aanvullend eigen vermogen dat vereist is om aan het uit hoofde van artikel 149, eerste lid opgelegde specifiek eigenvermogensvereiste te voldoen in de in artikel 150, § 1, 1°, bedoelde situaties, als het verschil tussen het eigen vermogen dat de toezichthouder toereikend acht overeenkomstig artikel 150/1, § 1 en het eigen vermogen dat voortvloeit uit de vereisten die van toepassing zijn op grond van de delen drie en vier van Verordening nr. 575/2013 en Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402.
Wanneer aanvullend eigen vermogen is vereist om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen dat niet voldoende wordt gedekt door het in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste, bepaalt de toezichthouder het niveau van het aanvullend eigen vermogen zoals dat vereist is om te voldoen aan het uit hoofde van artikel 149, eerste lid opgelegde specifiek eigenvermogensvereiste in de in artikel 150, § 1, 1°, bedoelde situaties, als het verschil tussen het eigen vermogen dat de toezichthouder toereikend acht op grond van artikel 150/1, § 1 en het eigen vermogen dat voortvloeit uit de eigenvermogensvereisten die van toepassing zijn op grond van de delen drie en zeven van Verordening nr. 575/2013.".
"Art. 150/2. Wanneer aanvullend eigen vermogen is vereist om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, bepaalt de toezichthouder het niveau van het aanvullend eigen vermogen dat vereist is om aan het uit hoofde van artikel 149, eerste lid opgelegde specifiek eigenvermogensvereiste te voldoen in de in artikel 150, § 1, 1°, bedoelde situaties, als het verschil tussen het eigen vermogen dat de toezichthouder toereikend acht overeenkomstig artikel 150/1, § 1 en het eigen vermogen dat voortvloeit uit de vereisten die van toepassing zijn op grond van de delen drie en vier van Verordening nr. 575/2013 en Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402.
Wanneer aanvullend eigen vermogen is vereist om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen dat niet voldoende wordt gedekt door het in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste, bepaalt de toezichthouder het niveau van het aanvullend eigen vermogen zoals dat vereist is om te voldoen aan het uit hoofde van artikel 149, eerste lid opgelegde specifiek eigenvermogensvereiste in de in artikel 150, § 1, 1°, bedoelde situaties, als het verschil tussen het eigen vermogen dat de toezichthouder toereikend acht op grond van artikel 150/1, § 1 en het eigen vermogen dat voortvloeit uit de eigenvermogensvereisten die van toepassing zijn op grond van de delen drie en zeven van Verordening nr. 575/2013.".
Art. 78. Dans la même loi, il est inséré un article 150/2 rédigé comme suit :
"Art. 150/2. Lorsque des fonds propres supplémentaires sont requis pour faire face aux risques autres que le risque de levier excessif, l'autorité de contrôle fixe le niveau des fonds propres supplémentaires requis pour satisfaire à l'exigence spécifique prévue à l'article 149, alinéa 1er dans des situations visées à l'article 150, § 1er, 1°, comme étant la différence entre les fonds propres que l'autorité de contrôle estime adéquats conformément à l'article 150/1, § 1er, et les fonds propres résultant des exigences applicables conformément à la troisième et la quatrième Partie du Règlementn° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402.
Lorsque des fonds propres supplémentaires sont requis pour faire face au risque de levier excessif insuffisamment couvert par l'exigence du ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlementn° 575/2013, l'autorité de contrôle fixe le niveau des fonds propres supplémentaires requis pour satisfaire à l'exigence spécifique prévue à l'article 149, alinéa 1er dans des situations prévues à l'article 150, § 1er, 1°, comme étant la différence entre les fonds propres que l'autorité de contrôle estime adéquats conformément à l'article 150/1, § 1er et les fonds propres résultant des exigences de fonds propres applicables conformément à la troisième et la septième Partie du Règlementn° 575/2013.".
"Art. 150/2. Lorsque des fonds propres supplémentaires sont requis pour faire face aux risques autres que le risque de levier excessif, l'autorité de contrôle fixe le niveau des fonds propres supplémentaires requis pour satisfaire à l'exigence spécifique prévue à l'article 149, alinéa 1er dans des situations visées à l'article 150, § 1er, 1°, comme étant la différence entre les fonds propres que l'autorité de contrôle estime adéquats conformément à l'article 150/1, § 1er, et les fonds propres résultant des exigences applicables conformément à la troisième et la quatrième Partie du Règlementn° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402.
Lorsque des fonds propres supplémentaires sont requis pour faire face au risque de levier excessif insuffisamment couvert par l'exigence du ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlementn° 575/2013, l'autorité de contrôle fixe le niveau des fonds propres supplémentaires requis pour satisfaire à l'exigence spécifique prévue à l'article 149, alinéa 1er dans des situations prévues à l'article 150, § 1er, 1°, comme étant la différence entre les fonds propres que l'autorité de contrôle estime adéquats conformément à l'article 150/1, § 1er et les fonds propres résultant des exigences de fonds propres applicables conformément à la troisième et la septième Partie du Règlementn° 575/2013.".
Art. 79. In dezelfde wet wordt een artikel 150/3 ingevoegd, luidende:
"Art. 150/3. § 1. Een kredietinstelling moet voldoen aan het uit hoofde van artikel 149, eerste lid opgelegde specifiek- eigenvermogensvereiste om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen met een eigen vermogen dat voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° ten minste drie vierde van het specifiek eigenvermogensvereiste wordt voldaan met tier 1-kapitaal;
2° ten minste drie vierde van het in punt 1°, bedoelde tier 1-kapitaal bestaat uit tier 1-kernkapitaal.
Een kredietinstelling moet voldoen aan het uit hoofde van artikel 149, eerste lid opgelegde specifiek- eigenvermogensvereiste met het oog op het ondervangen van het risico van buitensporige hefboomwerking met tier 1-kapitaal.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de toezichthouder eisen dat met een hoger percentage tier 1-kapitaal of tier 1-kernkapitaal aan het specifiek eigenvermogensvereiste wordt voldaan, indien hij dit nodig acht gelet op de specifieke omstandigheden van een kredietinstelling.
§ 3. Eigen vermogen dat reeds wordt gebruikt om te voldoen aan het specifiek eigenvermogensvereiste dat op grond van artikel 149, eerste lid wordt opgelegd om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, mag door de kredietinstelling niet in aanmerking worden genomen om te voldoen aan:
1° de eigenvermogensvereisten bedoeld in artikel 92, lid 1, onder a), b) en c), van Verordening nr. 575/2013;
2° het globaal kapitaalbuffervereiste bedoeld in artikel 96;
3° de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen als bedoeld in artikel 150/5 wanneer die richtsnoeren andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking ondervangen.
§ 4. Eigen vermogen dat reeds wordt gebruikt om te voldoen aan het specifiek eigenvermogensvereiste dat op grond van artikel 149, eerste lid wordt opgelegd met het oog op het ondervangen van het risico van buitensporige hefboomwerking dat niet voldoende door het in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste wordt gedekt, mag door de kredietinstelling niet in aanmerking worden genomen om te voldoen aan:
1° het eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening nr. 575/2013;
2° het hefboomratiobuffervereiste bedoeld in artikel 92, lid 1bis, van Verordening nr. 575/2013;
3° de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen als bedoeld in artikel 150/5 wanneer die richtsnoeren het risico van buitensporige hefboomwerking ondervangen.".
"Art. 150/3. § 1. Een kredietinstelling moet voldoen aan het uit hoofde van artikel 149, eerste lid opgelegde specifiek- eigenvermogensvereiste om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen met een eigen vermogen dat voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° ten minste drie vierde van het specifiek eigenvermogensvereiste wordt voldaan met tier 1-kapitaal;
2° ten minste drie vierde van het in punt 1°, bedoelde tier 1-kapitaal bestaat uit tier 1-kernkapitaal.
Een kredietinstelling moet voldoen aan het uit hoofde van artikel 149, eerste lid opgelegde specifiek- eigenvermogensvereiste met het oog op het ondervangen van het risico van buitensporige hefboomwerking met tier 1-kapitaal.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan de toezichthouder eisen dat met een hoger percentage tier 1-kapitaal of tier 1-kernkapitaal aan het specifiek eigenvermogensvereiste wordt voldaan, indien hij dit nodig acht gelet op de specifieke omstandigheden van een kredietinstelling.
§ 3. Eigen vermogen dat reeds wordt gebruikt om te voldoen aan het specifiek eigenvermogensvereiste dat op grond van artikel 149, eerste lid wordt opgelegd om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, mag door de kredietinstelling niet in aanmerking worden genomen om te voldoen aan:
1° de eigenvermogensvereisten bedoeld in artikel 92, lid 1, onder a), b) en c), van Verordening nr. 575/2013;
2° het globaal kapitaalbuffervereiste bedoeld in artikel 96;
3° de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen als bedoeld in artikel 150/5 wanneer die richtsnoeren andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking ondervangen.
§ 4. Eigen vermogen dat reeds wordt gebruikt om te voldoen aan het specifiek eigenvermogensvereiste dat op grond van artikel 149, eerste lid wordt opgelegd met het oog op het ondervangen van het risico van buitensporige hefboomwerking dat niet voldoende door het in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste wordt gedekt, mag door de kredietinstelling niet in aanmerking worden genomen om te voldoen aan:
1° het eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening nr. 575/2013;
2° het hefboomratiobuffervereiste bedoeld in artikel 92, lid 1bis, van Verordening nr. 575/2013;
3° de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen als bedoeld in artikel 150/5 wanneer die richtsnoeren het risico van buitensporige hefboomwerking ondervangen.".
Art. 79. Dans la même loi, il est inséré un article 150/3 rédigé comme suit :
"Art. 150/3. § 1er. Un établissement de crédit est tenu de satisfaire à l'exigence spécifique de fonds propres prévue par l'article 149, alinéa 1er pour couvrir des risques autres que le risque de levier excessif au moyen de fonds propres répondant aux conditions suivantes :
1° l'exigence spécifique de fonds propres est satisfaite pour les trois quarts au moins au moyen de fonds propres de catégorie 1 ;
2° les fonds propres de catégorie 1 visés au 1°, sont constitués pour les trois quarts au moins de fonds propres de base de catégorie 1.
Un établissement de crédit est tenu de satisfaire à l'exigence spécifique de fonds propres prévue par l'article 149, alinéa 1er pour faire face au risque de levier excessif au moyen de fonds propres de catégorie 1.
§ 2. Lorsqu'elle l'estime nécessaire compte tenu de circonstances spécifiques propres à un établissement de crédit, l'autorité de contrôle peut, par dérogation au paragraphe 1er, imposer qu'il soit satisfait à l'exigence spécifique de fonds propres par une proportion plus élevée de fonds propres de catégorie 1 ou de fonds propres de base de catégorie 1.
§ 3. Un établissement de crédit ne peut pas prendre en compte les fonds propres utilisés par ailleurs pour satisfaire à l'exigence spécifique de fonds propres visée à l'article 149, alinéa 1er destinée à faire face aux risques autres que le risque de levier excessif, afin de répondre :
1° aux exigences de fonds propres énoncées à l'article 92, paragraphe 1er, points a), b) et c), du Règlement n° 575/2013 ;
2° à l'exigence globale de coussin de fonds propres visée à l'article 96 ;
3° aux recommandations de fonds propres supplémentaires visées à l'article 150/5 lorsque celles-ci concernent des risques autres que le risque de levier excessif.
§ 4. Un établissement de crédit ne peut pas prendre en compte les fonds propres utilisés par ailleurs pour satisfaire à l'exigence spécifique de fonds propres visée à l'article 149, alinéa 1er destinée à faire face au risque de levier excessif insuffisamment couvert par l'exigence du ratio de levier prévue à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlement no 575/2013, afin de répondre :
1° à l'exigence de fonds propres énoncée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlementn° 575/2013 ;
2° à l'exigence de coussin lié au ratio de levier visé à l'article 92, paragraphe 1bis, du Règlementn° 575/2013 ;
3° aux recommandations de fonds propres supplémentaires visées à l'article 150/5 lorsque celles-ci concernent le risque de levier excessif.".
"Art. 150/3. § 1er. Un établissement de crédit est tenu de satisfaire à l'exigence spécifique de fonds propres prévue par l'article 149, alinéa 1er pour couvrir des risques autres que le risque de levier excessif au moyen de fonds propres répondant aux conditions suivantes :
1° l'exigence spécifique de fonds propres est satisfaite pour les trois quarts au moins au moyen de fonds propres de catégorie 1 ;
2° les fonds propres de catégorie 1 visés au 1°, sont constitués pour les trois quarts au moins de fonds propres de base de catégorie 1.
Un établissement de crédit est tenu de satisfaire à l'exigence spécifique de fonds propres prévue par l'article 149, alinéa 1er pour faire face au risque de levier excessif au moyen de fonds propres de catégorie 1.
§ 2. Lorsqu'elle l'estime nécessaire compte tenu de circonstances spécifiques propres à un établissement de crédit, l'autorité de contrôle peut, par dérogation au paragraphe 1er, imposer qu'il soit satisfait à l'exigence spécifique de fonds propres par une proportion plus élevée de fonds propres de catégorie 1 ou de fonds propres de base de catégorie 1.
§ 3. Un établissement de crédit ne peut pas prendre en compte les fonds propres utilisés par ailleurs pour satisfaire à l'exigence spécifique de fonds propres visée à l'article 149, alinéa 1er destinée à faire face aux risques autres que le risque de levier excessif, afin de répondre :
1° aux exigences de fonds propres énoncées à l'article 92, paragraphe 1er, points a), b) et c), du Règlement n° 575/2013 ;
2° à l'exigence globale de coussin de fonds propres visée à l'article 96 ;
3° aux recommandations de fonds propres supplémentaires visées à l'article 150/5 lorsque celles-ci concernent des risques autres que le risque de levier excessif.
§ 4. Un établissement de crédit ne peut pas prendre en compte les fonds propres utilisés par ailleurs pour satisfaire à l'exigence spécifique de fonds propres visée à l'article 149, alinéa 1er destinée à faire face au risque de levier excessif insuffisamment couvert par l'exigence du ratio de levier prévue à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlement no 575/2013, afin de répondre :
1° à l'exigence de fonds propres énoncée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlementn° 575/2013 ;
2° à l'exigence de coussin lié au ratio de levier visé à l'article 92, paragraphe 1bis, du Règlementn° 575/2013 ;
3° aux recommandations de fonds propres supplémentaires visées à l'article 150/5 lorsque celles-ci concernent le risque de levier excessif.".
Art. 80. In dezelfde wet wordt een artikel 150/4 ingevoegd, luidende:
"Art. 150/4. In het kader van zijn motiveringsplicht motiveert de toezichthouder het besluit om overeenkomstig artikel 149, eerste lid een specifiek eigenvermogensvereiste op te leggen schriftelijk, ten minste door duidelijk de volledige beoordeling van de in de artikelen 150 tot 150/3 bedoelde gegevens uiteen te zetten. In de situatie bedoeld in artikel 150, § 1, 4° omvat dit document een specifieke opgave van de redenen waarom de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen niet langer toereikend worden geacht.".
"Art. 150/4. In het kader van zijn motiveringsplicht motiveert de toezichthouder het besluit om overeenkomstig artikel 149, eerste lid een specifiek eigenvermogensvereiste op te leggen schriftelijk, ten minste door duidelijk de volledige beoordeling van de in de artikelen 150 tot 150/3 bedoelde gegevens uiteen te zetten. In de situatie bedoeld in artikel 150, § 1, 4° omvat dit document een specifieke opgave van de redenen waarom de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen niet langer toereikend worden geacht.".
Art. 80. Dans la même loi, il est inséré un article 150/4 rédigé comme suit :
"Art. 150/4. Dans l'accomplissement de son obligation de motivation, l'autorité de contrôle justifie par écrit la décision d'imposer une exigence spécifique de fonds propres conformément à l'article 149, alinéa 1er en communiquant au minimum un compte rendu clair de l'évaluation complète des éléments visés aux articles 150 à 150/3. Ce document comprend, dans la situation visée à l'article 150, § 1er, 4°, un exposé particulier des raisons pour lesquelles des recommandations sur les fonds propres supplémentaires ne sont plus considérées comme suffisantes.".
"Art. 150/4. Dans l'accomplissement de son obligation de motivation, l'autorité de contrôle justifie par écrit la décision d'imposer une exigence spécifique de fonds propres conformément à l'article 149, alinéa 1er en communiquant au minimum un compte rendu clair de l'évaluation complète des éléments visés aux articles 150 à 150/3. Ce document comprend, dans la situation visée à l'article 150, § 1er, 4°, un exposé particulier des raisons pour lesquelles des recommandations sur les fonds propres supplémentaires ne sont plus considérées comme suffisantes.".
Art. 81. In dezelfde wet wordt een artikel 150/5 ingevoegd, luidende:
"Art. 150/5. § 1. Op grond van het in artikel 94 bedoelde prospectieve beheer van de eigenvermogensvereisten stelt een kredietinstelling haar intern eigen vermogen vast op een passend niveau dat voldoende hoog ligt om alle risico's waaraan zij blootstaat te dekken en om de potentiële verliezen ten gevolge van crisisscenario's te absorberen, met inbegrip van die welke in het kader van de in artikel 148 bedoelde prudentiële stresstests zijn aangewezen.
§ 2. De toezichthouder toetst regelmatig het niveau van het in paragraaf 1 bedoeld intern eigen vermogen als onderdeel van de procedure van prudentiële toetsing en evaluatie en van de onderzoeken die overeenkomstig de artikelen 142, 144 en 145 worden uitgevoerd, met inbegrip van de resultaten van de in artikel 148 bedoelde stresstests.
§ 3. Op grond van dat onderzoek bepaalt de toezichthouder voor elke kredietinstelling het algemene niveau van eigen vermogen dat hij passend vindt.
Hij deelt aan de betrokken instelling de daaruit voortvloeiende richtsnoeren inzake het bedrag aan aanvullend eigen vermogen dat vereist is om dit algemene niveau te bereiken mee.
§ 4. Het bedrag aan aanvullend eigen vermogen als bedoeld in paragraaf 3, tweede lid is het bedrag aan eigen vermogen boven het bedrag aan eigen vermogen dat is vereist op grond van de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402, de artikelen 96 en 149, eerste lid, en, naargelang het geval, op grond van artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013, dat nodig is om het algemene niveau van eigen vermogen te bereiken dat de toezichthouder passend vindt op grond van paragraaf 3, eerste lid.
§ 5. De richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen bedoeld in paragraaf 3, tweede lid zijn kredietinstellingsspecifiek. Deze richtsnoeren kunnen betrekking hebben op risico's die worden ondervangen door het specifiek eigenvermogensvereiste dat op grond van artikel 149, eerste lid is opgelegd voor zover zij betrekking hebben op aspecten van die risico's die nog niet ondervangen worden door dat specifiek eigenvermogensvereiste.
§ 6. Eigen vermogen dat reeds wordt gebruikt om te voldoen aan de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen voor het ondervangen van andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking, mag door de kredietinstelling niet in aanmerking worden genomen om te voldoen aan:
1° de eigenvermogensvereisten bedoeld in artikel 92, lid 1, onder a), b) en c), van Verordening nr. 575/2013;
2° het specifiek vereiste dat op grond van artikel 149 wordt opgelegd om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen;
3° het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer als bedoeld in artikel 96.
§ 7. Eigen vermogen dat reeds wordt gebruikt om te voldoen aan de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen die bedoeld zijn om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, mag door de kredietinstelling niet in aanmerking worden genomen om te voldoen aan:
1° het eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening nr. 575/2013;
2° het specifiek vereiste dat op grond van artikel 149 wordt opgelegd om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen;
3° in voorkomend geval, het hefboomratiobuffervereiste bedoeld in artikel 92, lid 1bis, van Verordening nr. 575/2013.
§ 8. Indien de kredietinstelling voldoet aan de toepasselijke eigenvermogensvereisten als bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402, in artikel 149, eerste lid, in artikel 96 en, in voorkomend geval, aan het vereiste bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013, geeft de niet-naleving van de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen geen aanleiding tot de in artikel 99 of 102/2 bedoelde beperkingen.".
"Art. 150/5. § 1. Op grond van het in artikel 94 bedoelde prospectieve beheer van de eigenvermogensvereisten stelt een kredietinstelling haar intern eigen vermogen vast op een passend niveau dat voldoende hoog ligt om alle risico's waaraan zij blootstaat te dekken en om de potentiële verliezen ten gevolge van crisisscenario's te absorberen, met inbegrip van die welke in het kader van de in artikel 148 bedoelde prudentiële stresstests zijn aangewezen.
§ 2. De toezichthouder toetst regelmatig het niveau van het in paragraaf 1 bedoeld intern eigen vermogen als onderdeel van de procedure van prudentiële toetsing en evaluatie en van de onderzoeken die overeenkomstig de artikelen 142, 144 en 145 worden uitgevoerd, met inbegrip van de resultaten van de in artikel 148 bedoelde stresstests.
§ 3. Op grond van dat onderzoek bepaalt de toezichthouder voor elke kredietinstelling het algemene niveau van eigen vermogen dat hij passend vindt.
Hij deelt aan de betrokken instelling de daaruit voortvloeiende richtsnoeren inzake het bedrag aan aanvullend eigen vermogen dat vereist is om dit algemene niveau te bereiken mee.
§ 4. Het bedrag aan aanvullend eigen vermogen als bedoeld in paragraaf 3, tweede lid is het bedrag aan eigen vermogen boven het bedrag aan eigen vermogen dat is vereist op grond van de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013, Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402, de artikelen 96 en 149, eerste lid, en, naargelang het geval, op grond van artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013, dat nodig is om het algemene niveau van eigen vermogen te bereiken dat de toezichthouder passend vindt op grond van paragraaf 3, eerste lid.
§ 5. De richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen bedoeld in paragraaf 3, tweede lid zijn kredietinstellingsspecifiek. Deze richtsnoeren kunnen betrekking hebben op risico's die worden ondervangen door het specifiek eigenvermogensvereiste dat op grond van artikel 149, eerste lid is opgelegd voor zover zij betrekking hebben op aspecten van die risico's die nog niet ondervangen worden door dat specifiek eigenvermogensvereiste.
§ 6. Eigen vermogen dat reeds wordt gebruikt om te voldoen aan de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen voor het ondervangen van andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking, mag door de kredietinstelling niet in aanmerking worden genomen om te voldoen aan:
1° de eigenvermogensvereisten bedoeld in artikel 92, lid 1, onder a), b) en c), van Verordening nr. 575/2013;
2° het specifiek vereiste dat op grond van artikel 149 wordt opgelegd om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen;
3° het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer als bedoeld in artikel 96.
§ 7. Eigen vermogen dat reeds wordt gebruikt om te voldoen aan de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen die bedoeld zijn om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, mag door de kredietinstelling niet in aanmerking worden genomen om te voldoen aan:
1° het eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 92, lid 1, onder d), van Verordening nr. 575/2013;
2° het specifiek vereiste dat op grond van artikel 149 wordt opgelegd om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen;
3° in voorkomend geval, het hefboomratiobuffervereiste bedoeld in artikel 92, lid 1bis, van Verordening nr. 575/2013.
§ 8. Indien de kredietinstelling voldoet aan de toepasselijke eigenvermogensvereisten als bedoeld in de delen drie, vier en zeven van Verordening nr. 575/2013 en in Hoofdstuk 2 van Verordening nr. 2017/2402, in artikel 149, eerste lid, in artikel 96 en, in voorkomend geval, aan het vereiste bedoeld in artikel 92, lid 1bis van Verordening nr. 575/2013, geeft de niet-naleving van de richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen geen aanleiding tot de in artikel 99 of 102/2 bedoelde beperkingen.".
Art. 81. Dans la même loi, il est inséré un article 150/5 rédigé comme suit :
"Art. 150/5. § 1er. Conformément à la gestion prospective des besoins en fonds propres visée à l'article 94, un établissement de crédit fixe ses fonds propres internes à un niveau adéquat qui soit suffisant pour couvrir tous les risques auxquels il est exposé et pour pouvoir absorber les pertes potentielles résultant de scénarios de crise, y compris celles identifiées dans le cadre des tests de résistance prudentiels visés à l'article 148.
§ 2. L'autorité de contrôle revoit régulièrement le niveau des fonds propres internes visé au paragraphe 1er dans le cadre de la procédure de contrôle et d'évaluation prudentiels et des examens effectués conformément aux articles 142, 144 et 145, en ce compris les résultats des tests de résistance visés à l'article 148.
§ 3. Sur la base de cet examen, l'autorité de contrôle détermine pour chaque établissement de crédit le niveau global de fonds propres qu'elle juge approprié.
Elle communique à l'établissement concerné les recommandations qui en découlent quant au montant de fonds propres supplémentaires qui permettrait d'atteindre ce niveau global.
§ 4. Le montant de fonds propres supplémentaires visé au paragraphe 3, alinéa 2 est le montant des fonds propres excédant celui des fonds propres requis conformément à la troisième, quatrième et septième Partie du Règlementn° 575/2013, au Chapitre 2 du Règlement n 2017/2402, aux articles 96 et 149, alinéa 1er, ainsi que, selon le cas, à l'article 92, paragraphe 1bis du Règlementn° 575/2013, qui est nécessaire pour atteindre le niveau global de fonds propres que l'autorité de contrôle estime approprié en application du paragraphe 3, alinéa 1er.
§ 5. Les recommandations de fonds propres supplémentaires visées au paragraphe 3, alinéa 2 sont spécifiques à un établissement de crédit. Ces recommandations ne peuvent couvrir les risques visés par l'exigence spécifique de fonds propres imposée en vertu de l'article 149, alinéa 1er que dans la mesure où elles couvrent des aspects de ces risques qui ne sont pas déjà couverts par ladite exigence spécifique de fonds propres.
§ 6. Un établissement de crédit ne peut pas prendre en compte les fonds propres utilisés par ailleurs pour satisfaire aux recommandations de fonds propres supplémentaires destinées à faire face aux risques autres que le risque de levier excessif, afin de répondre :
1° aux exigences de fonds propres énoncées à l'article 92, paragraphe 1er, points a), b) et c), du Règlementn° 575/2013 ;
2° à l'exigence spécifique énoncée à l'article 149 pour faire face aux risques autres que le risque de levier excessif ;
3° à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 visée à l'article 96.
§ 7. En outre, un établissement de crédit ne peut pas prendre en compte les fonds propres utilisés par ailleurs pour satisfaire aux recommandations de fonds propres supplémentaires destinées à faire face au risque de levier excessif, afin de répondre :
1° à l'exigence de fonds propres énoncée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlementn° 575/2013 ;
2° à l'exigence spécifique énoncée à l'article 149, pour faire face au risque de levier excessif ;
3° le cas échéant, à l'exigence de coussin lié au ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1bis, du Règlementn° 575/2013.
§ 8. Le non-respect des recommandations de fonds propres supplémentaires ne donne pas lieu aux restrictions visées aux articles 99 ou 102/2 lorsque l'établissement de crédit satisfait aux exigences de fonds propres applicables énoncées à la troisième, la quatrième et la septième Partie du Règlementn° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402, à l'article 149, alinéa 1er, à l'article 96 et, le cas échéant, à l'exigence visée à l'article 92, paragraphe 1bis, du Règlement no 575/2013.".
"Art. 150/5. § 1er. Conformément à la gestion prospective des besoins en fonds propres visée à l'article 94, un établissement de crédit fixe ses fonds propres internes à un niveau adéquat qui soit suffisant pour couvrir tous les risques auxquels il est exposé et pour pouvoir absorber les pertes potentielles résultant de scénarios de crise, y compris celles identifiées dans le cadre des tests de résistance prudentiels visés à l'article 148.
§ 2. L'autorité de contrôle revoit régulièrement le niveau des fonds propres internes visé au paragraphe 1er dans le cadre de la procédure de contrôle et d'évaluation prudentiels et des examens effectués conformément aux articles 142, 144 et 145, en ce compris les résultats des tests de résistance visés à l'article 148.
§ 3. Sur la base de cet examen, l'autorité de contrôle détermine pour chaque établissement de crédit le niveau global de fonds propres qu'elle juge approprié.
Elle communique à l'établissement concerné les recommandations qui en découlent quant au montant de fonds propres supplémentaires qui permettrait d'atteindre ce niveau global.
§ 4. Le montant de fonds propres supplémentaires visé au paragraphe 3, alinéa 2 est le montant des fonds propres excédant celui des fonds propres requis conformément à la troisième, quatrième et septième Partie du Règlementn° 575/2013, au Chapitre 2 du Règlement n 2017/2402, aux articles 96 et 149, alinéa 1er, ainsi que, selon le cas, à l'article 92, paragraphe 1bis du Règlementn° 575/2013, qui est nécessaire pour atteindre le niveau global de fonds propres que l'autorité de contrôle estime approprié en application du paragraphe 3, alinéa 1er.
§ 5. Les recommandations de fonds propres supplémentaires visées au paragraphe 3, alinéa 2 sont spécifiques à un établissement de crédit. Ces recommandations ne peuvent couvrir les risques visés par l'exigence spécifique de fonds propres imposée en vertu de l'article 149, alinéa 1er que dans la mesure où elles couvrent des aspects de ces risques qui ne sont pas déjà couverts par ladite exigence spécifique de fonds propres.
§ 6. Un établissement de crédit ne peut pas prendre en compte les fonds propres utilisés par ailleurs pour satisfaire aux recommandations de fonds propres supplémentaires destinées à faire face aux risques autres que le risque de levier excessif, afin de répondre :
1° aux exigences de fonds propres énoncées à l'article 92, paragraphe 1er, points a), b) et c), du Règlementn° 575/2013 ;
2° à l'exigence spécifique énoncée à l'article 149 pour faire face aux risques autres que le risque de levier excessif ;
3° à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 visée à l'article 96.
§ 7. En outre, un établissement de crédit ne peut pas prendre en compte les fonds propres utilisés par ailleurs pour satisfaire aux recommandations de fonds propres supplémentaires destinées à faire face au risque de levier excessif, afin de répondre :
1° à l'exigence de fonds propres énoncée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlementn° 575/2013 ;
2° à l'exigence spécifique énoncée à l'article 149, pour faire face au risque de levier excessif ;
3° le cas échéant, à l'exigence de coussin lié au ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1bis, du Règlementn° 575/2013.
§ 8. Le non-respect des recommandations de fonds propres supplémentaires ne donne pas lieu aux restrictions visées aux articles 99 ou 102/2 lorsque l'établissement de crédit satisfait aux exigences de fonds propres applicables énoncées à la troisième, la quatrième et la septième Partie du Règlementn° 575/2013 et au Chapitre 2 du Règlement n° 2017/2402, à l'article 149, alinéa 1er, à l'article 96 et, le cas échéant, à l'exigence visée à l'article 92, paragraphe 1bis, du Règlement no 575/2013.".
Art. 82. In dezelfde wet wordt een artikel 150/6 ingevoegd, luidende:
"Art. 150/6. De toezichthouder stelt de betrokken afwikkelingsautoriteiten in kennis van het op grond van artikel 149, eerste lid aan een kredietinstelling opgelegde specifiek eigenvermogensvereiste en van de overeenkomstig artikel 150/5, § 3, tweede lid aan een instelling meegedeelde richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen.".
"Art. 150/6. De toezichthouder stelt de betrokken afwikkelingsautoriteiten in kennis van het op grond van artikel 149, eerste lid aan een kredietinstelling opgelegde specifiek eigenvermogensvereiste en van de overeenkomstig artikel 150/5, § 3, tweede lid aan een instelling meegedeelde richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen.".
Art. 82. Dans la même loi, il est inséré un article 150/6 rédigé comme suit :
"Art. 150/6. L'autorité de contrôle notifie aux autorités de résolution concernées l'exigence spécifique de fonds propres imposée à un établissement de crédit en vertu de l'article 149, alinéa 1er et les recommandations de fonds propres supplémentaires communiquées à un établissement conformément à l'article 150/5, § 3, alinéa 2.".
"Art. 150/6. L'autorité de contrôle notifie aux autorités de résolution concernées l'exigence spécifique de fonds propres imposée à un établissement de crédit en vertu de l'article 149, alinéa 1er et les recommandations de fonds propres supplémentaires communiquées à un établissement conformément à l'article 150/5, § 3, alinéa 2.".
Art. 83. In artikel 151 van dezelfde wet wordt de bepalingen onder 4° opgeheven.
Art. 83. Dans l'article 151 de la même loi, le 4° est abrogé.
Art. 84. In artikel 152 van dezelfde wet wordt het eerste lid aangevuld met de woorden ", noch aan de toepassing van maatregelen die in andere wetten, besluiten of reglementen zijn vastgelegd".
Art. 84. Dans l'article 152 de la même loi, l'alinéa 1er est complété par les mots "et à l'application de mesures prévues par d'autres lois, arrêtés ou règlements".
Art. 85. In Boek II, Titel III, Hoofdstu II, van dezelfde wet wordt Afdeling VI, die artikel 154 bevat, opgeheven.
Art. 85. Dans le Livre II, Titre III, Chapitre II de la même loi, la Section VI comportant l'article 154 est abrogée.
Art. 86. In artikel 164 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1:
a) wordt de inleidende zin "Onverminderd de definities die opgenomen zijn in artikel 3 van deze wet, worden voor de toepassing van dit Hoofdstuk en van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder:" vervangen als volgt: vervangen als volgt:
"Onverminderd de definities die opgenomen zijn in artikel 3 van deze wet, wordt voor de toepassing van dit Hoofdstuk, van de artikelen 95 en 96 en van Bijlage IV bij deze wet, evenals van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder:";
b) wordt het bepaalde onder 1°, opgeheven;
c) onder 2°, worden de woorden "een groep of subgroep" vervangen door de woorden "een groep in de zin van paragraaf 4, of een subgroep";
d) worden in het bepaalde onder 3°, c) de woorden "in de zin van artikel 2, 30° van de wet van 25 oktober 2016" opgeheven;
e) worden de bepalingen onder 5° tot en met 8° ingevoegd, luidende:
"5° goedgekeurde financiële holding of gemengde financiële holding een financiële holding of gemengde financiële holding waaraan goedkeuring is verleend overeenkomstig artikel 212/1 of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 1 van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert;
6° aangewezen kredietinstelling: een kredietinstelling die is aangewezen overeenkomstig artikel 212/2, § 1, 3° of artikel 212/7, § 1, tweede lid, 4° of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 4, punt c) of lid 6, punt d) van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de vrijgestelde of aan toezichtsmaatregelen onderworpen financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert;
7° aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding: een financiële holding of gemengde financiële holding die is aangewezen overeenkomstig artikel 212/2, § 1, 3° of artikel 212/7, § 1, tweede lid, 4° of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 4, punt c) of lid 6, punt d) van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de vrijgestelde of aan toezichtsmaatregelen onderworpen financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert;
8° vrijgestelde financiële holding of gemengde financiële holding: een financiële holding of gemengde financiële holding die is vrijgesteld overeenkomstig artikel 212/2 of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 4 van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de betrokken financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert.";
2° in paragraaf 2:
a) worden in de Nederlandse tekst van de inleidende zin, de woorden "het geconsolideerde toezicht" vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis";
b) wordt het bepaalde onder 1° tot en met 11° vervangen als volgt:
"1° moederkredietinstelling in een lidstaat: een kredietinstelling die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een kredietinstelling die een kredietinstelling, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht als dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in een kredietinstelling, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht, en die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van dezelfde lidstaat ressorteert;
2° Belgische moederkredietinstelling: een kredietinstelling die de overkoepelende moederonderneming in België is, d.w.z. een kredietinstelling naar Belgisch recht die een kredietinstelling, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht als dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in een kredietinstelling, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht, en die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling naar Belgisch recht of van een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht;
3° EER-moederkredietinstelling: een kredietinstelling die de overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een moederkredietinstelling in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;
4° Belgische EER-moederkredietinstelling: een Belgische kredietinstelling die de overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een Belgische moederkredietinstelling die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;
5° financiële moederholding in een lidstaat: een financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van dezelfde lidstaat ressorteert;
6° Belgische financiële moederholding: een financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in België is, d.w.z. een financiële holding naar Belgisch recht die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling naar Belgisch recht of van een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht;
7° financiële EER-moederholding: een financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een financiële moederholding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;
8° Belgische financiële EER-moederholding: een Belgische financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een Belgische financiële moederholding die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, of van een andere financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;
9° gemengde financiële moederholding in een lidstaat: een gemengde financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een gemengde financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van dezelfde lidstaat ressorteert;
10° Belgische gemengde financiële moederholding: een gemengde financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in België is, d.w.z. een gemengde financiële holding naar Belgisch recht die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling naar Belgisch recht of van een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht;
11° gemengde financiële EER-moederholding: een gemengde financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een gemengde financiële moederholding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;";
c) worden de bepalingen onder 12° tot en met 14° ingevoegd, luidende:
"12° Belgische gemengde financiële EER-moederholding: een Belgische gemengde financiële holding die overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een Belgische gemengde financiële moederholding die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;
13° moederbeleggingsonderneming in een lidstaat: een beleggingsonderneming die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een beleggingsonderneming die een kredietinstelling als dochteronderneming heeft en die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van dezelfde lidstaat ressorteert;
14° EER-moederbeleggingsonderneming: een beleggingsonderneming die de overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert.";
3° in paragraaf 3:
a) worden in de Nederlandse tekst van het bepaalde onder 2°, a) de woorden "het sectorale geconsolideerde toezicht" vervangen door de woorden "het sectorale toezicht op geconsolideerde basis";
b) wordt het bepaalde onder 6° opgeheven;
c) worden in het bepaalde onder 7° de woorden "betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles" vervangen door de woorden "betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen";
4° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4. In afwijking van artikel 3 van deze wet wordt voor de toepassing van het aanvullende conglomeraatstoezicht zoals opgenomen in de Afdelingen III en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan onder "groep" verstaan het geheel van ondernemingen dat gevormd wordt door een moederonderneming, haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarin de moederonderneming of haar dochterondernemingen rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming aanhouden, alsook de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd of waarin deze laatste ondernemingen een deelneming aanhouden."
1° in paragraaf 1:
a) wordt de inleidende zin "Onverminderd de definities die opgenomen zijn in artikel 3 van deze wet, worden voor de toepassing van dit Hoofdstuk en van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder:" vervangen als volgt: vervangen als volgt:
"Onverminderd de definities die opgenomen zijn in artikel 3 van deze wet, wordt voor de toepassing van dit Hoofdstuk, van de artikelen 95 en 96 en van Bijlage IV bij deze wet, evenals van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder:";
b) wordt het bepaalde onder 1°, opgeheven;
c) onder 2°, worden de woorden "een groep of subgroep" vervangen door de woorden "een groep in de zin van paragraaf 4, of een subgroep";
d) worden in het bepaalde onder 3°, c) de woorden "in de zin van artikel 2, 30° van de wet van 25 oktober 2016" opgeheven;
e) worden de bepalingen onder 5° tot en met 8° ingevoegd, luidende:
"5° goedgekeurde financiële holding of gemengde financiële holding een financiële holding of gemengde financiële holding waaraan goedkeuring is verleend overeenkomstig artikel 212/1 of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 1 van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert;
6° aangewezen kredietinstelling: een kredietinstelling die is aangewezen overeenkomstig artikel 212/2, § 1, 3° of artikel 212/7, § 1, tweede lid, 4° of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 4, punt c) of lid 6, punt d) van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de vrijgestelde of aan toezichtsmaatregelen onderworpen financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert;
7° aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding: een financiële holding of gemengde financiële holding die is aangewezen overeenkomstig artikel 212/2, § 1, 3° of artikel 212/7, § 1, tweede lid, 4° of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 4, punt c) of lid 6, punt d) van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de vrijgestelde of aan toezichtsmaatregelen onderworpen financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert;
8° vrijgestelde financiële holding of gemengde financiële holding: een financiële holding of gemengde financiële holding die is vrijgesteld overeenkomstig artikel 212/2 of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 4 van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de betrokken financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert.";
2° in paragraaf 2:
a) worden in de Nederlandse tekst van de inleidende zin, de woorden "het geconsolideerde toezicht" vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis";
b) wordt het bepaalde onder 1° tot en met 11° vervangen als volgt:
"1° moederkredietinstelling in een lidstaat: een kredietinstelling die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een kredietinstelling die een kredietinstelling, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht als dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in een kredietinstelling, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht, en die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van dezelfde lidstaat ressorteert;
2° Belgische moederkredietinstelling: een kredietinstelling die de overkoepelende moederonderneming in België is, d.w.z. een kredietinstelling naar Belgisch recht die een kredietinstelling, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht als dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in een kredietinstelling, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht, en die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling naar Belgisch recht of van een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht;
3° EER-moederkredietinstelling: een kredietinstelling die de overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een moederkredietinstelling in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;
4° Belgische EER-moederkredietinstelling: een Belgische kredietinstelling die de overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een Belgische moederkredietinstelling die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;
5° financiële moederholding in een lidstaat: een financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van dezelfde lidstaat ressorteert;
6° Belgische financiële moederholding: een financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in België is, d.w.z. een financiële holding naar Belgisch recht die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling naar Belgisch recht of van een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht;
7° financiële EER-moederholding: een financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een financiële moederholding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;
8° Belgische financiële EER-moederholding: een Belgische financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een Belgische financiële moederholding die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, of van een andere financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;
9° gemengde financiële moederholding in een lidstaat: een gemengde financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een gemengde financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van dezelfde lidstaat ressorteert;
10° Belgische gemengde financiële moederholding: een gemengde financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in België is, d.w.z. een gemengde financiële holding naar Belgisch recht die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling naar Belgisch recht of van een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht;
11° gemengde financiële EER-moederholding: een gemengde financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een gemengde financiële moederholding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;";
c) worden de bepalingen onder 12° tot en met 14° ingevoegd, luidende:
"12° Belgische gemengde financiële EER-moederholding: een Belgische gemengde financiële holding die overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een Belgische gemengde financiële moederholding die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;
13° moederbeleggingsonderneming in een lidstaat: een beleggingsonderneming die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een beleggingsonderneming die een kredietinstelling als dochteronderneming heeft en die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van dezelfde lidstaat ressorteert;
14° EER-moederbeleggingsonderneming: een beleggingsonderneming die de overkoepelende moederonderneming in de EER is, d.w.z. een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert.";
3° in paragraaf 3:
a) worden in de Nederlandse tekst van het bepaalde onder 2°, a) de woorden "het sectorale geconsolideerde toezicht" vervangen door de woorden "het sectorale toezicht op geconsolideerde basis";
b) wordt het bepaalde onder 6° opgeheven;
c) worden in het bepaalde onder 7° de woorden "betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles" vervangen door de woorden "betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen";
4° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4. In afwijking van artikel 3 van deze wet wordt voor de toepassing van het aanvullende conglomeraatstoezicht zoals opgenomen in de Afdelingen III en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan onder "groep" verstaan het geheel van ondernemingen dat gevormd wordt door een moederonderneming, haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarin de moederonderneming of haar dochterondernemingen rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming aanhouden, alsook de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd of waarin deze laatste ondernemingen een deelneming aanhouden."
Art. 86. Dans l'article 164, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er :
a) la phrase introductive "Sans préjudice des définitions visées à l'article 3 de la présente loi, pour l'application du présent Chapitre et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d'entendre par :" est remplacée est par la phrase suivante :
"Sans préjudice des définitions visées à l'article 3 de la présente loi, pour l'application du présent Chapitre, des articles 95 et 96 et de l'Annexe IV de la présente loi, et des arrêtés et règlements pris pour leur son exécution, il y a lieu d'entendre par :" ;
b) le 1°, est abrogé ;
c) au 2°, les mots "un groupe ou un sous-groupe" sont remplacés par les mots "un groupe au sens du paragraphe 4, ou un sous-groupe" ;
d) au 3°, c) les mots "au sens de l'article 2, 30°, de la loi du 25 octobre 2016" sont abrogés ;
e) sont insérés les 5°, 6°, 7° et 8°, rédigés comme suit :
"5° compagnie financière ou compagnie financière mixte approuvée, une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée conformément à l'article 212/1 ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 1er de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte ;
6° établissement de crédit désigné, un établissement de crédit désigné conformément à l'article 212/2, § 1er, 3° ou l'article 212/7, § 1er, alinéa 2, 4° ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 4, c) ou paragraphe 6, d) de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte exemptée ou qui fait l'objet de mesures de surveillance ;
7° compagnie financière ou compagnie financière mixte désignée, une compagnie financière ou une compagnie financière mixte désignée conformément à l'article 212/2, § 1er, 3° ou l'article 212/7, § 1er, alinéa 2, 4° ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 4, c) ou paragraphe 6, d) de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte exemptée ou qui fait l'objet de mesures de surveillance ;
8° compagnie financière ou compagnie financière mixte exemptée, une compagnie financière ou une compagnie financière mixte exemptée conformément à l'article 212/2 ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 4 de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte concernée." ;
2° au paragraphe 2 :
a) dans le texte néerlandais de la phrase introductive, les mots "het geconsolideerde toezicht" sont remplacés par les mots "het toezicht op geconsolideerde basis" ;
b) les 1° à 11° sont remplacés par ce qui suit :
"1° établissement de crédit mère dans un Etat membre, un établissement de crédit faîtier dans un Etat membre, c.-à-d. un établissement de crédit qui a comme filiale un établissement de crédit, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, ou qui détient une participation dans un établissement de crédit, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, et qui n'est pas lui-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
2° établissement de crédit mère belge, un établissement de crédit faîtier en Belgique, c.-à-d. un établissement de crédit de droit belge qui a comme filiale un établissement de crédit, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, ou qui détient une participation dans un établissement de crédit, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, et qui n'est pas lui-même une filiale d'un établissement de crédit de droit belge ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte de droit belge ;
3° établissement de crédit mère dans l'EEE, un établissement de crédit faîtier dans l'EEE, c.-à-d. un établissement de crédit mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
4° établissement de crédit mère belge dans l'EEE, un établissement de crédit belge faîtier dans l'EEE, c.-à-d. un établissement de crédit mère belge qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
5° compagnie financière mère dans un Etat membre, une compagnie financière faîtière dans un Etat membre, c.-à-d. une compagnie financière qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
6° compagnie financière mère belge, une compagnie financière faîtière en Belgique, c.-à-d. une compagnie financière de droit belge qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit de droit belge ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte de droit belge ;
7° compagnie financière mère dans l'EEE, une compagnie financière faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
8° compagnie financière mère belge dans l'EEE, une compagnie financière belge faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mère belge qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une autre compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
9° compagnie financière mixte mère dans un Etat membre, une compagnie financière mixte faîtière dans un Etat membre, c.-à-d. une compagnie financière mixte qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
10° compagnie financière mixte mère belge, une compagnie financière mixte faîtière en Belgique, c.-à-d. une compagnie financière mixte de droit belge qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit de droit belge ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte de droit belge ;
11° compagnie financière mixte mère dans l'EEE, une compagnie financière mixte faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;" ;
c) sont insérés les 12°, 13° et 14°, rédigés comme suit :
"12° compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE, une compagnie financière mixte belge faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mixte mère belge qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
13° entreprise d'investissement mère dans un Etat membre, une entreprise d'investissement faîtière dans un Etat membre, c.-à-d. une entreprise d'investissement qui a comme filiale un établissement de crédit, et qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
14° entreprise d'investissement mère dans l'EEE, une entreprise d'investissement faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une entreprise d'investissement mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre." ;
3° au paragraphe 3 :
a) au 2°, a), dans le texte néerlandais, les mots "het sectorale geconsolideerde toezicht" sont remplacés par les mots "het sectorale toezicht op geconsolideerde basis" ;
b) le 6° est abrogé ;
c) dans le 7°, les mots "la loi du 3 juillet 2012 relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d'investissement" sont remplacés par les mots "la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances" ;
4° l'article est complété par le paragraphe 4 rédigé comme suit :
" § 4. Par dérogation à l'article 3 de la présente loi, pour l'application de la surveillance complémentaire du conglomérat telle que prévue aux Sections III et IV du présent Chapitre et par les arrêtés et règlements pris pour leur exécution, il y a lieu d'entendre par groupe, l'ensemble des entreprises constitué par l'entreprise mère, ses filiales, les entreprises dans lesquelles l'entreprise mère ou ses filiales détiennent une participation directe ou indirecte, ainsi que les entreprises qui constituent un consortium et les entreprises contrôlées par ces dernières ou dans lesquelles elles détiennent une participation.".
1° dans le paragraphe 1er :
a) la phrase introductive "Sans préjudice des définitions visées à l'article 3 de la présente loi, pour l'application du présent Chapitre et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d'entendre par :" est remplacée est par la phrase suivante :
"Sans préjudice des définitions visées à l'article 3 de la présente loi, pour l'application du présent Chapitre, des articles 95 et 96 et de l'Annexe IV de la présente loi, et des arrêtés et règlements pris pour leur son exécution, il y a lieu d'entendre par :" ;
b) le 1°, est abrogé ;
c) au 2°, les mots "un groupe ou un sous-groupe" sont remplacés par les mots "un groupe au sens du paragraphe 4, ou un sous-groupe" ;
d) au 3°, c) les mots "au sens de l'article 2, 30°, de la loi du 25 octobre 2016" sont abrogés ;
e) sont insérés les 5°, 6°, 7° et 8°, rédigés comme suit :
"5° compagnie financière ou compagnie financière mixte approuvée, une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée conformément à l'article 212/1 ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 1er de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte ;
6° établissement de crédit désigné, un établissement de crédit désigné conformément à l'article 212/2, § 1er, 3° ou l'article 212/7, § 1er, alinéa 2, 4° ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 4, c) ou paragraphe 6, d) de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte exemptée ou qui fait l'objet de mesures de surveillance ;
7° compagnie financière ou compagnie financière mixte désignée, une compagnie financière ou une compagnie financière mixte désignée conformément à l'article 212/2, § 1er, 3° ou l'article 212/7, § 1er, alinéa 2, 4° ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 4, c) ou paragraphe 6, d) de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte exemptée ou qui fait l'objet de mesures de surveillance ;
8° compagnie financière ou compagnie financière mixte exemptée, une compagnie financière ou une compagnie financière mixte exemptée conformément à l'article 212/2 ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 4 de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte concernée." ;
2° au paragraphe 2 :
a) dans le texte néerlandais de la phrase introductive, les mots "het geconsolideerde toezicht" sont remplacés par les mots "het toezicht op geconsolideerde basis" ;
b) les 1° à 11° sont remplacés par ce qui suit :
"1° établissement de crédit mère dans un Etat membre, un établissement de crédit faîtier dans un Etat membre, c.-à-d. un établissement de crédit qui a comme filiale un établissement de crédit, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, ou qui détient une participation dans un établissement de crédit, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, et qui n'est pas lui-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
2° établissement de crédit mère belge, un établissement de crédit faîtier en Belgique, c.-à-d. un établissement de crédit de droit belge qui a comme filiale un établissement de crédit, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, ou qui détient une participation dans un établissement de crédit, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, et qui n'est pas lui-même une filiale d'un établissement de crédit de droit belge ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte de droit belge ;
3° établissement de crédit mère dans l'EEE, un établissement de crédit faîtier dans l'EEE, c.-à-d. un établissement de crédit mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
4° établissement de crédit mère belge dans l'EEE, un établissement de crédit belge faîtier dans l'EEE, c.-à-d. un établissement de crédit mère belge qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
5° compagnie financière mère dans un Etat membre, une compagnie financière faîtière dans un Etat membre, c.-à-d. une compagnie financière qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
6° compagnie financière mère belge, une compagnie financière faîtière en Belgique, c.-à-d. une compagnie financière de droit belge qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit de droit belge ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte de droit belge ;
7° compagnie financière mère dans l'EEE, une compagnie financière faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
8° compagnie financière mère belge dans l'EEE, une compagnie financière belge faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mère belge qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une autre compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
9° compagnie financière mixte mère dans un Etat membre, une compagnie financière mixte faîtière dans un Etat membre, c.-à-d. une compagnie financière mixte qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
10° compagnie financière mixte mère belge, une compagnie financière mixte faîtière en Belgique, c.-à-d. une compagnie financière mixte de droit belge qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit de droit belge ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte de droit belge ;
11° compagnie financière mixte mère dans l'EEE, une compagnie financière mixte faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;" ;
c) sont insérés les 12°, 13° et 14°, rédigés comme suit :
"12° compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE, une compagnie financière mixte belge faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mixte mère belge qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
13° entreprise d'investissement mère dans un Etat membre, une entreprise d'investissement faîtière dans un Etat membre, c.-à-d. une entreprise d'investissement qui a comme filiale un établissement de crédit, et qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
14° entreprise d'investissement mère dans l'EEE, une entreprise d'investissement faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une entreprise d'investissement mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre." ;
3° au paragraphe 3 :
a) au 2°, a), dans le texte néerlandais, les mots "het sectorale geconsolideerde toezicht" sont remplacés par les mots "het sectorale toezicht op geconsolideerde basis" ;
b) le 6° est abrogé ;
c) dans le 7°, les mots "la loi du 3 juillet 2012 relative à certaines formes de gestion collective de portefeuilles d'investissement" sont remplacés par les mots "la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances" ;
4° l'article est complété par le paragraphe 4 rédigé comme suit :
" § 4. Par dérogation à l'article 3 de la présente loi, pour l'application de la surveillance complémentaire du conglomérat telle que prévue aux Sections III et IV du présent Chapitre et par les arrêtés et règlements pris pour leur exécution, il y a lieu d'entendre par groupe, l'ensemble des entreprises constitué par l'entreprise mère, ses filiales, les entreprises dans lesquelles l'entreprise mère ou ses filiales détiennent une participation directe ou indirecte, ainsi que les entreprises qui constituent un consortium et les entreprises contrôlées par ces dernières ou dans lesquelles elles détiennent une participation.".
Art. 87. In Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV, van dezelfde wet, wordt het opschrift in de Nederlandse tekst van Afdeling II vervangen als volgt: "Afdeling II. Toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen".
Art. 87. Dans le Livre II, Titre III, Chapitre IV, de la même loi, l'intitulé de la Section II, dans le texte néerlandais, est remplacé par ce qui suit : "Afdeling II. Toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen".
Art. 88. Artikel 165 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 165. § 1. In de mate en op de wijze bepaald door Afdelingen II en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan, zijn kredietinstellingen naar Belgisch recht:
1° die een Belgische moederkredietinstelling zijn, onderworpen aan een toezicht op basis van hun geconsolideerde positie;
2° met als moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat, een financiële moederholding in een lidstaat of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, onderworpen aan een toezicht op basis van de geconsolideerde positie van de moederkredietinstelling, de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding.
De punten 1° en 2°, zijn cumulatief van toepassing wanneer voldaan is aan de respectieve voorwaarden voor de toepassing ervan.
§ 2. In de mate en op de wijze bepaald door Afdelingen II en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan, zijn financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht:
1° die een Belgische financiële moederholding of gemengde financiële moederholding zijn, onderworpen aan een toezicht op basis van hun geconsolideerde positie;
2° met als moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat, een financiële moederholding in een lidstaat of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, onderworpen aan een toezicht op basis van de geconsolideerde positie van de moederkredietinstelling, de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding.
De punten 1° en 2°, zijn cumulatief van toepassing wanneer voldaan is aan de respectieve voorwaarden voor de toepassing ervan.".
"Art. 165. § 1. In de mate en op de wijze bepaald door Afdelingen II en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan, zijn kredietinstellingen naar Belgisch recht:
1° die een Belgische moederkredietinstelling zijn, onderworpen aan een toezicht op basis van hun geconsolideerde positie;
2° met als moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat, een financiële moederholding in een lidstaat of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, onderworpen aan een toezicht op basis van de geconsolideerde positie van de moederkredietinstelling, de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding.
De punten 1° en 2°, zijn cumulatief van toepassing wanneer voldaan is aan de respectieve voorwaarden voor de toepassing ervan.
§ 2. In de mate en op de wijze bepaald door Afdelingen II en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan, zijn financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht:
1° die een Belgische financiële moederholding of gemengde financiële moederholding zijn, onderworpen aan een toezicht op basis van hun geconsolideerde positie;
2° met als moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat, een financiële moederholding in een lidstaat of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, onderworpen aan een toezicht op basis van de geconsolideerde positie van de moederkredietinstelling, de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding.
De punten 1° en 2°, zijn cumulatief van toepassing wanneer voldaan is aan de respectieve voorwaarden voor de toepassing ervan.".
Art. 88. L'article 165 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 165. § 1er. Dans la mesure et selon les modalités requises par les Sections II et IV du présent Chapitre et leurs arrêtés et règlements d'exécution, les établissements de crédit de droit belge :
1° qui sont un établissement de crédit mère belge, sont soumis à un contrôle sur la base de leur situation consolidée ;
2° ayant comme entreprise mère un établissement de crédit mère dans un Etat membre, une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre, sont soumis à un contrôle sur la base de la situation consolidée de l'établissement de crédit mère, de la compagnie financière mère ou de la compagnie financière mixte mère.
Les points 1° et 2°, sont d'application cumulative lorsque leurs conditions d'application respectives sont rencontrées.
§ 2. Dans la mesure et selon les modalités requises par les Sections II et IV du présent Chapitre et leurs arrêtés et règlements d'exécution, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes de droit belge :
1° qui sont une compagnie financière ou une compagnie financière mixte mère belge, sont soumises à un contrôle sur la base de leur situation consolidée ;
2° ayant comme entreprise mère un établissement de crédit mère dans un Etat membre, une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre, sont soumises à un contrôle sur la base de la situation consolidée de l'établissement de crédit mère, de la compagnie financière mère ou de la compagnie financière mixte mère.
Les points 1° et 2°, sont d'application cumulative lorsque leurs conditions d'application respectives sont rencontrées.".
"Art. 165. § 1er. Dans la mesure et selon les modalités requises par les Sections II et IV du présent Chapitre et leurs arrêtés et règlements d'exécution, les établissements de crédit de droit belge :
1° qui sont un établissement de crédit mère belge, sont soumis à un contrôle sur la base de leur situation consolidée ;
2° ayant comme entreprise mère un établissement de crédit mère dans un Etat membre, une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre, sont soumis à un contrôle sur la base de la situation consolidée de l'établissement de crédit mère, de la compagnie financière mère ou de la compagnie financière mixte mère.
Les points 1° et 2°, sont d'application cumulative lorsque leurs conditions d'application respectives sont rencontrées.
§ 2. Dans la mesure et selon les modalités requises par les Sections II et IV du présent Chapitre et leurs arrêtés et règlements d'exécution, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes de droit belge :
1° qui sont une compagnie financière ou une compagnie financière mixte mère belge, sont soumises à un contrôle sur la base de leur situation consolidée ;
2° ayant comme entreprise mère un établissement de crédit mère dans un Etat membre, une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre, sont soumises à un contrôle sur la base de la situation consolidée de l'établissement de crédit mère, de la compagnie financière mère ou de la compagnie financière mixte mère.
Les points 1° et 2°, sont d'application cumulative lorsque leurs conditions d'application respectives sont rencontrées.".
Art. 89. In artikel 166 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden in de Nederlandse tekst de woorden "het geconsolideerde toezicht" telkens vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 89. Dans l'article 166 de la même loi, modifié par la loi du 25 octobre 2016, dans le texte néerlandais, les mots "het geconsolideerde toezicht" sont chaque fois remplacés par les mots "het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 90. In artikel 167 van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden ", aangewezen kredietinstellingen, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht," ingevoegd tussen de woorden "Belgische moederkredietinstellingen" en de woorden "voldoen op geconsolideerde basis";
2° paragraaf 2 wordt opgeheven;
3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
" § 3. Kredietinstellingen naar Belgisch recht, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht, die een dochteronderneming zijn, passen de vereisten van artikel 94 toe op gesubconsolideerde basis als deze kredietinstellingen zelf, of hun moederonderneming, als deze een financiële holding of gemengde financiële moederholding naar Belgisch recht is, een kredietinstelling of een financiële instelling als dochteronderneming in een derde land hebben of een deelneming in een dergelijke onderneming hebben.".
1° in paragraaf 1 worden de woorden ", aangewezen kredietinstellingen, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht," ingevoegd tussen de woorden "Belgische moederkredietinstellingen" en de woorden "voldoen op geconsolideerde basis";
2° paragraaf 2 wordt opgeheven;
3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
" § 3. Kredietinstellingen naar Belgisch recht, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht, die een dochteronderneming zijn, passen de vereisten van artikel 94 toe op gesubconsolideerde basis als deze kredietinstellingen zelf, of hun moederonderneming, als deze een financiële holding of gemengde financiële moederholding naar Belgisch recht is, een kredietinstelling of een financiële instelling als dochteronderneming in een derde land hebben of een deelneming in een dergelijke onderneming hebben.".
Art. 90. Dans l'article 167 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, les mots ", les établissements de crédit désignés, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge" sont insérés entre les mots "Les établissements de crédit mères belges" et les mots "satisfont sur base consolidée" ;
2° le paragraphe 2 est abrogé ;
3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Les établissements de crédit de droit belge, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge qui sont une filiale appliquent les exigences énoncées à l'article 94 sur une base sous-consolidée lorsqu'eux-mêmes, ou leur entreprise mère s'il s'agit d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte de droit belge, comptent un établissement de crédit, ou un établissement financier comme filiale dans un pays tiers ou y détiennent une participation.".
1° dans le paragraphe 1er, les mots ", les établissements de crédit désignés, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge" sont insérés entre les mots "Les établissements de crédit mères belges" et les mots "satisfont sur base consolidée" ;
2° le paragraphe 2 est abrogé ;
3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Les établissements de crédit de droit belge, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge qui sont une filiale appliquent les exigences énoncées à l'article 94 sur une base sous-consolidée lorsqu'eux-mêmes, ou leur entreprise mère s'il s'agit d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte de droit belge, comptent un établissement de crédit, ou un établissement financier comme filiale dans un pays tiers ou y détiennent une participation.".
Art. 91. Artikel 168 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 168. § 1. Belgische moederkredietinstellingen, aangewezen kredietinstellingen naar Belgisch recht, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht dienen op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis aan de artikelen 21, 27 tot 42, 56 tot 59 en 63 tot 71 te voldoen, zodat hun bij deze bepalingen vereiste regelingen, procedures en mechanismen samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn, de invloed van de in de geconsolideerde positie opgenomen ondernemingen op andere ondernemingen kan beoordeeld worden en alle gegevens en informatie die voor het toezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen. Zij passen die regelingen, procedures en mechanismen eveneens toe in hun niet onder deze wet vallende dochterondernemingen, met inbegrip van vestigingen in offshore financiële centra. Ook deze regelingen, processen en mechanismen zijn samenhangend en goed geïntegreerd, en ook deze dochterondernemingen moeten de voor het toezicht relevante gegevens en informatie kunnen verstrekken. Dochterondernemingen van de groep of subgroep die zelf niet onder deze wet vallen of onder de wetgeving tot omzetting van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder ze ressorteren, voldoen aan de sectorspecifieke vereisten die op individuele basis op hen van toepassing zijn.
De verplichtingen van paragraaf 1 zijn bovendien van toepassing op gesubconsolideerde basis in de situaties bedoeld in artikel 11, lid 6 van Verordening nr. 575/2013 of in artikel 167, § 2.
§ 2. De verplichtingen die voor dochterondernemingen uit derde landen voortvloeien uit de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde artikelen, zijn niet van toepassing indien de Belgische EER-moederkredietinstelling, de aangewezen kredietinstelling naar Belgisch recht, de goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht aan de toezichthouder kan aantonen dat de toepassing ervan onrechtmatig is volgens de wetten van dat land.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde Belgische moederkredietinstellingen, aangewezen kredietinstellingen naar Belgisch recht, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht, publiceren jaarlijks een beschrijving van hun juridische structuur en van hun regeling voor de bedrijfsorganisatie die van toepassing is op geconsolideerd of, in voorkomend geval, gesubconsolideerd niveau, met inbegrip van de inlichtingen bedoeld in artikel 18 en in paragraaf 1 van dit artikel, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar reeds gepubliceerde gelijkwaardige informatie.".
"Art. 168. § 1. Belgische moederkredietinstellingen, aangewezen kredietinstellingen naar Belgisch recht, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht dienen op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis aan de artikelen 21, 27 tot 42, 56 tot 59 en 63 tot 71 te voldoen, zodat hun bij deze bepalingen vereiste regelingen, procedures en mechanismen samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn, de invloed van de in de geconsolideerde positie opgenomen ondernemingen op andere ondernemingen kan beoordeeld worden en alle gegevens en informatie die voor het toezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen. Zij passen die regelingen, procedures en mechanismen eveneens toe in hun niet onder deze wet vallende dochterondernemingen, met inbegrip van vestigingen in offshore financiële centra. Ook deze regelingen, processen en mechanismen zijn samenhangend en goed geïntegreerd, en ook deze dochterondernemingen moeten de voor het toezicht relevante gegevens en informatie kunnen verstrekken. Dochterondernemingen van de groep of subgroep die zelf niet onder deze wet vallen of onder de wetgeving tot omzetting van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder ze ressorteren, voldoen aan de sectorspecifieke vereisten die op individuele basis op hen van toepassing zijn.
De verplichtingen van paragraaf 1 zijn bovendien van toepassing op gesubconsolideerde basis in de situaties bedoeld in artikel 11, lid 6 van Verordening nr. 575/2013 of in artikel 167, § 2.
§ 2. De verplichtingen die voor dochterondernemingen uit derde landen voortvloeien uit de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde artikelen, zijn niet van toepassing indien de Belgische EER-moederkredietinstelling, de aangewezen kredietinstelling naar Belgisch recht, de goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht aan de toezichthouder kan aantonen dat de toepassing ervan onrechtmatig is volgens de wetten van dat land.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde Belgische moederkredietinstellingen, aangewezen kredietinstellingen naar Belgisch recht, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht, publiceren jaarlijks een beschrijving van hun juridische structuur en van hun regeling voor de bedrijfsorganisatie die van toepassing is op geconsolideerd of, in voorkomend geval, gesubconsolideerd niveau, met inbegrip van de inlichtingen bedoeld in artikel 18 en in paragraaf 1 van dit artikel, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar reeds gepubliceerde gelijkwaardige informatie.".
Art. 91. L'Article 168 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 168. § 1er. Les établissements de crédit mères belges, les établissements de crédit désignés de droit belge, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge doivent satisfaire sur base consolidée ou sous-consolidée aux articles 21, 27 à 42, 56 à 59 et 63 à 71, de manière à assurer la cohérence et la bonne intégration des dispositifs, processus et mécanismes requis par ces dispositions, à évaluer l'influence des entreprises incluses dans la situation consolidée sur d'autres entreprises et à obtenir toutes les données et informations utiles à la surveillance. Ils mettent en oeuvre ces dispositifs, processus et mécanismes également dans leurs filiales qui ne relèvent pas de la présente loi, y compris celles établies dans des centres financiers extraterritoriaux (offshore financial centres). Lesdits dispositifs, processus et mécanismes sont cohérents et bien intégrés et lesdites filiales doivent être en mesure de fournir toute donnée et toutes informations utiles à la surveillance. Les filiales du groupe ou du sous-groupe qui ne relèvent pas elles-mêmes de la présente loi ou de la législation prise en vue de la transposition de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont elles relèvent, respectent les exigences sectorielles qui leurs sont applicables sur base individuelle.
Les obligations prévues au paragraphe 1er sont en outre applicables sur base sous-consolidée dans les situations visées à l'article 11, paragraphe 6 du Règlement n° 575/2013 ou à l'article 167, § 2.
§ 2. Les obligations découlant des articles visés au paragraphe 1er, alinéa 1er pour les filiales de pays tiers ne s'appliquent pas si l'établissement de crédit mère belge dans l'EEE, l'établissement de crédit désigné de droit belge, la compagnie financière ou la compagnie financière mixte approuvée ou désignée de droit belge peut démontrer à l'autorité de contrôle que leur application est illégale en vertu du droit de ce pays.
§ 3. Les établissements de crédit mères belges, les établissements de crédit désignés de droit belge, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge visés au paragraphe 1er publient annuellement soit intégralement, soit en renvoyant à des informations équivalentes publiées par ailleurs, une description de leur structure juridique et du dispositif d'organisation d'entreprise applicable au niveau consolidé ou sous-consolidé le cas échéant, en ce compris les informations visées à l'article 18 et au paragraphe 1er du présent article.".
"Art. 168. § 1er. Les établissements de crédit mères belges, les établissements de crédit désignés de droit belge, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge doivent satisfaire sur base consolidée ou sous-consolidée aux articles 21, 27 à 42, 56 à 59 et 63 à 71, de manière à assurer la cohérence et la bonne intégration des dispositifs, processus et mécanismes requis par ces dispositions, à évaluer l'influence des entreprises incluses dans la situation consolidée sur d'autres entreprises et à obtenir toutes les données et informations utiles à la surveillance. Ils mettent en oeuvre ces dispositifs, processus et mécanismes également dans leurs filiales qui ne relèvent pas de la présente loi, y compris celles établies dans des centres financiers extraterritoriaux (offshore financial centres). Lesdits dispositifs, processus et mécanismes sont cohérents et bien intégrés et lesdites filiales doivent être en mesure de fournir toute donnée et toutes informations utiles à la surveillance. Les filiales du groupe ou du sous-groupe qui ne relèvent pas elles-mêmes de la présente loi ou de la législation prise en vue de la transposition de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont elles relèvent, respectent les exigences sectorielles qui leurs sont applicables sur base individuelle.
Les obligations prévues au paragraphe 1er sont en outre applicables sur base sous-consolidée dans les situations visées à l'article 11, paragraphe 6 du Règlement n° 575/2013 ou à l'article 167, § 2.
§ 2. Les obligations découlant des articles visés au paragraphe 1er, alinéa 1er pour les filiales de pays tiers ne s'appliquent pas si l'établissement de crédit mère belge dans l'EEE, l'établissement de crédit désigné de droit belge, la compagnie financière ou la compagnie financière mixte approuvée ou désignée de droit belge peut démontrer à l'autorité de contrôle que leur application est illégale en vertu du droit de ce pays.
§ 3. Les établissements de crédit mères belges, les établissements de crédit désignés de droit belge, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge visés au paragraphe 1er publient annuellement soit intégralement, soit en renvoyant à des informations équivalentes publiées par ailleurs, une description de leur structure juridique et du dispositif d'organisation d'entreprise applicable au niveau consolidé ou sous-consolidé le cas échéant, en ce compris les informations visées à l'article 18 et au paragraphe 1er du présent article.".
Art. 92. In dezelfde wet wordt een artikel 168/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 168/1. § 1. In afwijking van artikel 168, § 1, zijn de artikelen 27, eerste lid, 3° en 67 tot 70, met inbegrip van Bijlage II, niet van toepassing op geconsolideerde basis op de dochterondernemingen binnen de groep die:
1° onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die onderworpen zijn aan specifieke beloningsvereisten overeenkomstig andere Europese wetgeving dan Richtlijn 2013/36/EU;
2° onder het recht van een derde land ressorteren en die, indien ze onder het recht van een lidstaat zouden ressorteren, onderworpen zouden zijn aan specifieke beloningsvereisten overeenkomstig andere Europese wetgeving dan Richtlijn 2013/36/EU.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, en om te voorkomen dat de wettelijke voorschriften inzake beloningsbeleid worden omzeild, zijn de artikelen 27, eerste lid, 3° en 67 tot 70, met inbegrip van Bijlage II, van toepassing op personeelsleden van dochterondernemingen die niet op individuele basis onder Richtlijn 2013/36/EU vallen indien:
1° de dochteronderneming een vermogensbeheerder is in de zin van artikel 4, lid 1, punt 19 van Verordening nr. 575/2013 of een onderneming die beleggingsdiensten en activiteiten aanbiedt als bedoeld in artikel 2, 1°, punten 2, 3, 4, 6 en 7 van de wet van 25 oktober 2016; en
2° de personeelsleden gemachtigd zijn om beroepsactiviteiten uit te oefenen die het risicoprofiel of de bedrijfsactiviteiten van de kredietinstellingen binnen de groep, op individuele of geconsolideerde basis, rechtstreeks wezenlijk beïnvloeden.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1, zijn de hierin vermelde dochterondernemingen overeenkomstig artikel 168, § 1 op geconsolideerde basis onderworpen aan de bepalingen van Afdeling VI van Bijlage II wanneer de in artikel 71 bedoelde uitzonderlijke overheidssteun werd verkregen.".
"Art. 168/1. § 1. In afwijking van artikel 168, § 1, zijn de artikelen 27, eerste lid, 3° en 67 tot 70, met inbegrip van Bijlage II, niet van toepassing op geconsolideerde basis op de dochterondernemingen binnen de groep die:
1° onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die onderworpen zijn aan specifieke beloningsvereisten overeenkomstig andere Europese wetgeving dan Richtlijn 2013/36/EU;
2° onder het recht van een derde land ressorteren en die, indien ze onder het recht van een lidstaat zouden ressorteren, onderworpen zouden zijn aan specifieke beloningsvereisten overeenkomstig andere Europese wetgeving dan Richtlijn 2013/36/EU.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, en om te voorkomen dat de wettelijke voorschriften inzake beloningsbeleid worden omzeild, zijn de artikelen 27, eerste lid, 3° en 67 tot 70, met inbegrip van Bijlage II, van toepassing op personeelsleden van dochterondernemingen die niet op individuele basis onder Richtlijn 2013/36/EU vallen indien:
1° de dochteronderneming een vermogensbeheerder is in de zin van artikel 4, lid 1, punt 19 van Verordening nr. 575/2013 of een onderneming die beleggingsdiensten en activiteiten aanbiedt als bedoeld in artikel 2, 1°, punten 2, 3, 4, 6 en 7 van de wet van 25 oktober 2016; en
2° de personeelsleden gemachtigd zijn om beroepsactiviteiten uit te oefenen die het risicoprofiel of de bedrijfsactiviteiten van de kredietinstellingen binnen de groep, op individuele of geconsolideerde basis, rechtstreeks wezenlijk beïnvloeden.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1, zijn de hierin vermelde dochterondernemingen overeenkomstig artikel 168, § 1 op geconsolideerde basis onderworpen aan de bepalingen van Afdeling VI van Bijlage II wanneer de in artikel 71 bedoelde uitzonderlijke overheidssteun werd verkregen.".
Art. 92. Dans la même loi il est inséré un article 168/1 rédigé comme suit :
"Art. 168/1. § 1er. Par dérogation à l'article 168, § 1er, les articles 27, alinéa 1er, 3°, et 67 à 70, y compris l'Annexe II, ne sont pas applicables sur base consolidée aux filiales du groupe qui :
1° relèvent du droit d'un autre Etat membre et sont soumises à des obligations spécifiques en matière de rémunération conformément à une législation européenne autre que la Directive 2013/36/UE ;
2° relèvent du droit d'un pays tiers et qui, si elles relevaient du droit d'un Etat membre, seraient soumises à des obligations spécifiques en matière de rémunération conformément à une législation européenne autre que la Directive 2013/36/UE.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, afin d'éviter que les exigences légales en matière de politique de rémunération soient contournées, les articles 27, alinéa 1er, 3°, et 67 à 70, y compris l'Annexe II, sont applicables aux membres du personnel des filiales qui ne relèvent pas sur base individuelle de la Directive 2013/36/UE lorsque :
1° la filiale est une société de gestion de portefeuille au sens de l'article 4, paragraphe 1er, 19), du Règlement n° 575/2013 ou une entreprise qui fournit des services et activités d'investissement répertoriés à l'article 2, 1°, points 2, 3, 4, 6 et 7, de la loi du 25 octobre 2016 ; et
2° les membres du personnel ont été chargés d'exercer des activités professionnelles qui ont une incidence matérielle directe sur le profil de risque ou les activités des établissements de crédit au sein du groupe, sur base individuelle ou consolidée.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er, les filiales qui y sont mentionnées sont, conformément à l'article 168, paragraphe 1er, soumises sur une base consolidée aux dispositions de la section VI de l'Annexe II lorsque l'aide d'Etat exceptionnelle visée à l'article 71 a été obtenue.".
"Art. 168/1. § 1er. Par dérogation à l'article 168, § 1er, les articles 27, alinéa 1er, 3°, et 67 à 70, y compris l'Annexe II, ne sont pas applicables sur base consolidée aux filiales du groupe qui :
1° relèvent du droit d'un autre Etat membre et sont soumises à des obligations spécifiques en matière de rémunération conformément à une législation européenne autre que la Directive 2013/36/UE ;
2° relèvent du droit d'un pays tiers et qui, si elles relevaient du droit d'un Etat membre, seraient soumises à des obligations spécifiques en matière de rémunération conformément à une législation européenne autre que la Directive 2013/36/UE.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, afin d'éviter que les exigences légales en matière de politique de rémunération soient contournées, les articles 27, alinéa 1er, 3°, et 67 à 70, y compris l'Annexe II, sont applicables aux membres du personnel des filiales qui ne relèvent pas sur base individuelle de la Directive 2013/36/UE lorsque :
1° la filiale est une société de gestion de portefeuille au sens de l'article 4, paragraphe 1er, 19), du Règlement n° 575/2013 ou une entreprise qui fournit des services et activités d'investissement répertoriés à l'article 2, 1°, points 2, 3, 4, 6 et 7, de la loi du 25 octobre 2016 ; et
2° les membres du personnel ont été chargés d'exercer des activités professionnelles qui ont une incidence matérielle directe sur le profil de risque ou les activités des établissements de crédit au sein du groupe, sur base individuelle ou consolidée.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er, les filiales qui y sont mentionnées sont, conformément à l'article 168, paragraphe 1er, soumises sur une base consolidée aux dispositions de la section VI de l'Annexe II lorsque l'aide d'Etat exceptionnelle visée à l'article 71 a été obtenue.".
Art. 93. Artikel 169 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 169. Wanneer de toezichthouder belast is met het toezicht op geconsolideerde basis, past hij op de kredietinstellingen naar Belgisch recht en op de goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht, de in het artikel 106, §§ 1 en 2, eerste lid bedoelde vereisten betreffende periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels, de in de artikelen 142 tot 148 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure en de in de artikelen 149 tot 152 en 234 tot 236 bedoelde toezichtsmaatregelen toe, in overeenstemming met de in Deel 1, Titel II, Hoofdstuk II van Verordening nr. 575/2013 vastgestelde mate van toepassing van de vereisten van genoemde Verordening en de in de artikelen 167 en 168 vastgestelde mate en wijze van toepassing van de vereisten inzake het proces voor de interne beoordeling van de kapitaaltoereikendheid en de regelingen, processen en mechanismen van kredietinstellingen.".
"Art. 169. Wanneer de toezichthouder belast is met het toezicht op geconsolideerde basis, past hij op de kredietinstellingen naar Belgisch recht en op de goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht, de in het artikel 106, §§ 1 en 2, eerste lid bedoelde vereisten betreffende periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels, de in de artikelen 142 tot 148 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure en de in de artikelen 149 tot 152 en 234 tot 236 bedoelde toezichtsmaatregelen toe, in overeenstemming met de in Deel 1, Titel II, Hoofdstuk II van Verordening nr. 575/2013 vastgestelde mate van toepassing van de vereisten van genoemde Verordening en de in de artikelen 167 en 168 vastgestelde mate en wijze van toepassing van de vereisten inzake het proces voor de interne beoordeling van de kapitaaltoereikendheid en de regelingen, processen en mechanismen van kredietinstellingen.".
Art. 93. L'article 169 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 169. L'autorité de contrôle, lorsqu'elle est chargée du contrôle sur base consolidée, applique aux établissements de crédit de droit belge, ainsi qu'aux compagnies financières et aux compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge, les exigences en matière d'informations périodiques et de règles comptables visées à l'article 106, §§ 1er et 2, alinéa 1er, le processus de contrôle et d'évaluation visé aux articles 142 à 148 et les mesures prudentielles visées aux articles 149 à 152 et 234 à 236 conformément au niveau d'application des exigences du Règlement n° 575/2003 spécifié à la première Partie, Titre II, Chapitre II dudit Règlement, ainsi que dans la mesure et selon les modalités d'application des exigences en matière de processus d'évaluation de l'adéquation du capital interne et des dispositifs, processus et mécanismes des établissements de crédit telles que fixées aux articles 167 et 168.".
"Art. 169. L'autorité de contrôle, lorsqu'elle est chargée du contrôle sur base consolidée, applique aux établissements de crédit de droit belge, ainsi qu'aux compagnies financières et aux compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge, les exigences en matière d'informations périodiques et de règles comptables visées à l'article 106, §§ 1er et 2, alinéa 1er, le processus de contrôle et d'évaluation visé aux articles 142 à 148 et les mesures prudentielles visées aux articles 149 à 152 et 234 à 236 conformément au niveau d'application des exigences du Règlement n° 575/2003 spécifié à la première Partie, Titre II, Chapitre II dudit Règlement, ainsi que dans la mesure et selon les modalités d'application des exigences en matière de processus d'évaluation de l'adéquation du capital interne et des dispositifs, processus et mécanismes des établissements de crédit telles que fixées aux articles 167 et 168.".
Art. 94. Artikel 170 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 13 maart 2016, wordt vervangen als volgt:
"Art. 170. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 49 van Verordening nr. 575/2013, is elke bepaling van deze Afdeling die van toepassing is op basis van de geconsolideerde positie van de financiële holding naar Belgisch recht ook van toepassing op het niveau van een gemengde financiële holding naar Belgisch recht voor zover:
1° de banksector de belangrijkste sector is binnen het financieel conglomeraat;
2° minstens één van de dochterondernemingen een kredietinstelling is;
3° de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis zowel het toezicht op geconsolideerde basis als het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de omvang van de banksector gemeten overeenkomstig artikel 186, § 3.
Voor de toepassing van deze paragraaf verkrijgt de betrokken bevoegde autoriteit in haar hoedanigheid van consoliderende toezichthouder het akkoord van de betrokken bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen en van de groepstoezichthouder in de verzekeringssector.
§ 1/1. Onverminderd de toepassing van paragraaf 2, indien een kredietinstelling naar Belgisch recht die aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat of een gemengde financiële holding naar Belgisch recht onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van dit Hoofdstuk die enerzijds betrekking hebben op het toezicht op geconsolideerde basis, anderzijds op het aanvullende conglomeraatstoezicht, en met name als deze bepalingen betrekking hebben op risicogebaseerd toezicht, kan de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis besluiten op deze kredietinstelling of gemengde financiële holding alleen de relevante bepalingen die betrekking hebben op het aanvullende conglomeraatstoezicht toe te passen.
§ 2. Wanneer een kredietinstelling deel uitmaakt van een financieel conglomeraat waarin de banksector de belangrijkste sector is en de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis ook het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent, kan zij beslissen, na overleg met de betrokken bevoegde autoriteiten, dat de volgende maatregelen van toepassing zijn:
1° wat betreft de verplichtingen en bevoegdheden inzake risicogebaseerd toezicht, zoals neergelegd in de artikelen 167 tot 169, of onderdelen daarvan, zal bij wijze van afwijking de groep zoals gedefinieerd in artikel 164, § 4 en die het financieel conglomeraat vormt, in aanmerking worden genomen als relevante reikwijdte voor het toezicht op geconsolideerde basis;
2° voor de naleving van de artikelen 191 tot 194 worden de groepsrisico's die voortvloeien uit intragroepsverrichtingen en risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat, als een bijkomende risicocategorie behandeld voor de toepassing van Bijlage I. Deze risico's worden voldoende specifiek behandeld, met inachtneming van de richtlijnen of standaarden die de Europese toezichthoudende autoriteiten uitvaardigen en van de kwantitatieve of kwalitatieve maatregelen waarnaar verwezen wordt in de voornoemde artikelen;
3° voor de naleving van artikel 195 kunnen de bedoelde stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat worden geïntegreerd in de stresstests die vereist zijn op basis van artikel 148.
§ 3. De praktische modaliteiten voor de toepassing van paragraaf 2 worden schriftelijk vastgelegd in een coördinatieregeling met de relevante bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 164, § 3 binnen het college in de samenstelling die vereist is op basis van artikel 199.
§ 4. De bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis stelt de EBA en de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen in kennis van het krachtens paragraaf 1, derde lid verkregen akkoord, het krachtens paragraaf 1/1 genomen besluit en de krachtens § 3 getroffen coördinatieregeling.".
"Art. 170. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 49 van Verordening nr. 575/2013, is elke bepaling van deze Afdeling die van toepassing is op basis van de geconsolideerde positie van de financiële holding naar Belgisch recht ook van toepassing op het niveau van een gemengde financiële holding naar Belgisch recht voor zover:
1° de banksector de belangrijkste sector is binnen het financieel conglomeraat;
2° minstens één van de dochterondernemingen een kredietinstelling is;
3° de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis zowel het toezicht op geconsolideerde basis als het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de omvang van de banksector gemeten overeenkomstig artikel 186, § 3.
Voor de toepassing van deze paragraaf verkrijgt de betrokken bevoegde autoriteit in haar hoedanigheid van consoliderende toezichthouder het akkoord van de betrokken bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen en van de groepstoezichthouder in de verzekeringssector.
§ 1/1. Onverminderd de toepassing van paragraaf 2, indien een kredietinstelling naar Belgisch recht die aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat of een gemengde financiële holding naar Belgisch recht onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van dit Hoofdstuk die enerzijds betrekking hebben op het toezicht op geconsolideerde basis, anderzijds op het aanvullende conglomeraatstoezicht, en met name als deze bepalingen betrekking hebben op risicogebaseerd toezicht, kan de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis besluiten op deze kredietinstelling of gemengde financiële holding alleen de relevante bepalingen die betrekking hebben op het aanvullende conglomeraatstoezicht toe te passen.
§ 2. Wanneer een kredietinstelling deel uitmaakt van een financieel conglomeraat waarin de banksector de belangrijkste sector is en de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis ook het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent, kan zij beslissen, na overleg met de betrokken bevoegde autoriteiten, dat de volgende maatregelen van toepassing zijn:
1° wat betreft de verplichtingen en bevoegdheden inzake risicogebaseerd toezicht, zoals neergelegd in de artikelen 167 tot 169, of onderdelen daarvan, zal bij wijze van afwijking de groep zoals gedefinieerd in artikel 164, § 4 en die het financieel conglomeraat vormt, in aanmerking worden genomen als relevante reikwijdte voor het toezicht op geconsolideerde basis;
2° voor de naleving van de artikelen 191 tot 194 worden de groepsrisico's die voortvloeien uit intragroepsverrichtingen en risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat, als een bijkomende risicocategorie behandeld voor de toepassing van Bijlage I. Deze risico's worden voldoende specifiek behandeld, met inachtneming van de richtlijnen of standaarden die de Europese toezichthoudende autoriteiten uitvaardigen en van de kwantitatieve of kwalitatieve maatregelen waarnaar verwezen wordt in de voornoemde artikelen;
3° voor de naleving van artikel 195 kunnen de bedoelde stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat worden geïntegreerd in de stresstests die vereist zijn op basis van artikel 148.
§ 3. De praktische modaliteiten voor de toepassing van paragraaf 2 worden schriftelijk vastgelegd in een coördinatieregeling met de relevante bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 164, § 3 binnen het college in de samenstelling die vereist is op basis van artikel 199.
§ 4. De bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis stelt de EBA en de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen in kennis van het krachtens paragraaf 1, derde lid verkregen akkoord, het krachtens paragraaf 1/1 genomen besluit en de krachtens § 3 getroffen coördinatieregeling.".
Art. 94. L'article 170 de la même loi, modifié par la loi du 13 mars 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 170. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 49 du Règlement n° 575/2013, toute disposition de la présente Section qui s'applique sur la base de la situation consolidée de la compagnie financière de droit belge s'applique également au niveau d'une compagnie financière mixte de droit belge pour autant que :
1° le secteur bancaire soit le principal secteur au sein du conglomérat financier ;
2° l'une des filiales au moins soit un établissement de crédit ;
3° l'autorité compétente en charge du contrôle sur base consolidée exerce aussi bien le contrôle sur base consolidée que la surveillance complémentaire du conglomérat.
Pour l'application de l'alinéa 1er, l'importance du secteur bancaire est mesurée conformément à l'article 186, § 3.
Pour l'application du présent paragraphe, l'autorité compétente concernée, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, obtient l'accord des autorités compétentes concernées chargées du contrôle des filiales et du contrôleur du groupe dans le secteur de l'assurance.
§ 1er/1. Sans préjudice de l'application du paragraphe 2, lorsqu'un établissement de crédit à la tête d'un conglomérat financier ou une compagnie financière mixte de droit belge sont soumis à des dispositions équivalentes du présent Chapitre qui portent d'une part sur le contrôle sur base consolidée et d'autre part sur la surveillance complémentaire des conglomérats, et plus particulièrement lorsque ces dispositions portent sur le contrôle fondé sur les risques, l'autorité compétente en charge du contrôle sur base consolidée peut décider de n'appliquer à cet établissement de crédit ou cette compagnie financière mixte que les dispositions pertinentes qui portent sur la surveillance complémentaire des conglomérats.
§ 2. Lorsqu'un établissement de crédit fait partie d'un conglomérat financier dans lequel le secteur bancaire est le principal secteur et que l'autorité compétente en charge du contrôle sur base consolidée exerce également la surveillance complémentaire du conglomérat, elle peut décider, après concertation avec les autorités compétentes concernées, que les mesures suivantes sont d'application :
1° en ce qui concerne les obligations et compétences relatives au contrôle fondé sur les risques, telles que décrites aux articles 167 à 169, ou des parties de ceux-ci, le groupe, tel que défini à l'article 164, § 4, et qui constitue le conglomérat financier, sera, par dérogation, pris en considération au titre de la portée pertinente pour le contrôle sur base consolidée ;
2° pour le respect des articles 191 à 194, les risques de groupe qui découlent des opérations intragroupes et de la concentration des risques au sein du conglomérat financier sont traités comme une catégorie de risques supplémentaires aux fins de l'Annexe I. Ces risques sont traités de façon suffisamment spécifique, tout en respectant les directives ou normes édictées par les Autorités européennes de surveillance, ainsi que les mesures quantitatives et qualitatives auxquelles il est fait référence dans les articles précités ;
3° pour le respect de l'article 195, les simulations de crise visées peuvent être intégrées au niveau du conglomérat financier dans les simulations de crise requises sur la base de l'article 148.
§ 3. Les modalités pratiques relatives à l'application du paragraphe 2 sont consignées par écrit dans un règlement de coordination avec les autorités compétentes relevantes au sens de l'article 164, § 3, au sein du collège constitué de la manière requise sur la base de l'article 199.
§ 4. L'autorité compétente en charge du contrôle sur base consolidé informe l'ABE et l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles de l'accord obtenu en vertu du paragraphe 1er, alinéa 3, de la décision arrêtée en vertu du paragraphe 1er/1, et du règlement de coordination pris en vertu du § 3.".
"Art. 170. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 49 du Règlement n° 575/2013, toute disposition de la présente Section qui s'applique sur la base de la situation consolidée de la compagnie financière de droit belge s'applique également au niveau d'une compagnie financière mixte de droit belge pour autant que :
1° le secteur bancaire soit le principal secteur au sein du conglomérat financier ;
2° l'une des filiales au moins soit un établissement de crédit ;
3° l'autorité compétente en charge du contrôle sur base consolidée exerce aussi bien le contrôle sur base consolidée que la surveillance complémentaire du conglomérat.
Pour l'application de l'alinéa 1er, l'importance du secteur bancaire est mesurée conformément à l'article 186, § 3.
Pour l'application du présent paragraphe, l'autorité compétente concernée, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, obtient l'accord des autorités compétentes concernées chargées du contrôle des filiales et du contrôleur du groupe dans le secteur de l'assurance.
§ 1er/1. Sans préjudice de l'application du paragraphe 2, lorsqu'un établissement de crédit à la tête d'un conglomérat financier ou une compagnie financière mixte de droit belge sont soumis à des dispositions équivalentes du présent Chapitre qui portent d'une part sur le contrôle sur base consolidée et d'autre part sur la surveillance complémentaire des conglomérats, et plus particulièrement lorsque ces dispositions portent sur le contrôle fondé sur les risques, l'autorité compétente en charge du contrôle sur base consolidée peut décider de n'appliquer à cet établissement de crédit ou cette compagnie financière mixte que les dispositions pertinentes qui portent sur la surveillance complémentaire des conglomérats.
§ 2. Lorsqu'un établissement de crédit fait partie d'un conglomérat financier dans lequel le secteur bancaire est le principal secteur et que l'autorité compétente en charge du contrôle sur base consolidée exerce également la surveillance complémentaire du conglomérat, elle peut décider, après concertation avec les autorités compétentes concernées, que les mesures suivantes sont d'application :
1° en ce qui concerne les obligations et compétences relatives au contrôle fondé sur les risques, telles que décrites aux articles 167 à 169, ou des parties de ceux-ci, le groupe, tel que défini à l'article 164, § 4, et qui constitue le conglomérat financier, sera, par dérogation, pris en considération au titre de la portée pertinente pour le contrôle sur base consolidée ;
2° pour le respect des articles 191 à 194, les risques de groupe qui découlent des opérations intragroupes et de la concentration des risques au sein du conglomérat financier sont traités comme une catégorie de risques supplémentaires aux fins de l'Annexe I. Ces risques sont traités de façon suffisamment spécifique, tout en respectant les directives ou normes édictées par les Autorités européennes de surveillance, ainsi que les mesures quantitatives et qualitatives auxquelles il est fait référence dans les articles précités ;
3° pour le respect de l'article 195, les simulations de crise visées peuvent être intégrées au niveau du conglomérat financier dans les simulations de crise requises sur la base de l'article 148.
§ 3. Les modalités pratiques relatives à l'application du paragraphe 2 sont consignées par écrit dans un règlement de coordination avec les autorités compétentes relevantes au sens de l'article 164, § 3, au sein du collège constitué de la manière requise sur la base de l'article 199.
§ 4. L'autorité compétente en charge du contrôle sur base consolidé informe l'ABE et l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles de l'accord obtenu en vertu du paragraphe 1er, alinéa 3, de la décision arrêtée en vertu du paragraphe 1er/1, et du règlement de coordination pris en vertu du § 3.".
Art. 95. In Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling II van dezelfde wet, wordt in de Nederlandse tekst het opschrift van Onderafdeling II vervangen als volgt: "Onderafdeling II - Maatregelen om het toezicht op geconsolideerde basis te vergemakkelijken".
Art. 95. Dans le Livre II, Titre III, Chapitre IV, Section II de la même loi, dans le texte néerlandais, l'intitulé de la Sous-section II est remplacé par ce qui suit : "Onderafdeling II - Maatregelen om het toezicht op geconsolideerde basis te vergemakkelijken".
Art. 96. Artikel 171 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, wordt vervangen als volgt:
"Art. 171. § 1. Het toezicht op geconsolideerde basis op een kredietinstelling naar Belgisch recht, als bedoeld in artikel 165, § 1 wordt uitgeoefend als volgt:
1° indien zij een Belgische moederkredietinstelling of een Belgische EER-moederkredietinstelling is, door de toezichthouder;
2° indien haar moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat en/of een EER-moederkredietinstelling is, door de bevoegde autoriteit van de moederkredietinstelling in die lidstaat en, in voorkomend geval, door de bevoegde autoriteit van de EER-moederkredietinstelling;
3° indien haar moederonderneming een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat of een EER-moederbeleggingsonderneming is, die geen andere dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de toezichthouder;
4° indien haar moederonderneming een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat of een EER-moederbeleggingsonderneming is, die verschillende dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal;
5° indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die geen andere dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de toezichthouder;
6° indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die verschillende dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal;
De punten 1° en 2°, zijn cumulatief van toepassing wanneer voldaan is aan de respectieve voorwaarden voor de toepassing ervan.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1, 3°, 4°, 5° en 6°, wanneer de Belgische kredietinstelling op grond van artikel 18, leden 3 en 6 van Verordening nr. 575/2013 onder een toezicht op geconsolideerde basis valt, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend:
1° door de toezichthouder indien de groep geen andere kredietinstellingen in de EER omvat;
2° door de bevoegde toezichthouder van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal indien de groep verschillende kredietinstellingen in de EER omvat.
§ 3. Indien een bevoegde autoriteit op individuele basis toezicht houdt op meer dan één kredietinstelling binnen een groep, is, in afwijking van paragraaf 1, 4° en 6°, en paragraaf 2, de consoliderende toezichthouder de bevoegde autoriteit die op individuele basis toezicht houdt op een of meer kredietinstellingen binnen de groep, indien de som van de balanstotalen van die kredietinstellingen hoger is dan die van de kredietinstellingen waarop op individuele basis door een andere bevoegde autoriteit toezicht wordt uitgeoefend.
§ 4. In bijzondere gevallen kunnen de toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten onderling overeenkomen, met het oog op een efficiënte organisatie van het toezicht op geconsolideerde basis, af te zien van de criteria in de paragrafen 1 en 2 en een andere bevoegde autoriteit aanstellen om het toezicht op geconsolideerde basis uit te oefenen indien de toepassing van die criteria niet passend zou zijn, rekening houdend met de betrokken kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en de relatieve belangrijkheid van hun activiteiten in de betrokken lidstaten.
In dergelijke gevallen heeft de EER-moederkredietinstelling, de betrokken financiële EER-holding of gemengde financiële EER-holding, of de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal, naargelang het geval, het recht te worden gehoord voordat de bevoegde autoriteiten de beslissing nemen.
Voor de toepassing van het eerste lid sluit de toezichthouder met de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomsten, in voorkomend geval overeenkomstig het bepaalde bij artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
Indien de toezichthouder met toepassing van deze paragraaf overeenkomsten heeft gesloten, brengt hij de Europese Commissie en de EBA daar onverwijld van op de hoogte.
Wanneer de toezichthouder belast wordt met het toezicht op geconsolideerde basis brengt hij de betrokken financiële holdings of gemengde financiële holdings of de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal van de groep hiervan op de hoogte.
Deze paragraaf is niet van toepassing in de in paragraaf 1, 5° bedoelde gevallen wanneer de groep waartoe de betrokken kredietinstelling behoort, geen enkele dochterbeleggingsonderneming in de EER heeft.".
"Art. 171. § 1. Het toezicht op geconsolideerde basis op een kredietinstelling naar Belgisch recht, als bedoeld in artikel 165, § 1 wordt uitgeoefend als volgt:
1° indien zij een Belgische moederkredietinstelling of een Belgische EER-moederkredietinstelling is, door de toezichthouder;
2° indien haar moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat en/of een EER-moederkredietinstelling is, door de bevoegde autoriteit van de moederkredietinstelling in die lidstaat en, in voorkomend geval, door de bevoegde autoriteit van de EER-moederkredietinstelling;
3° indien haar moederonderneming een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat of een EER-moederbeleggingsonderneming is, die geen andere dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de toezichthouder;
4° indien haar moederonderneming een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat of een EER-moederbeleggingsonderneming is, die verschillende dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal;
5° indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die geen andere dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de toezichthouder;
6° indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die verschillende dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal;
De punten 1° en 2°, zijn cumulatief van toepassing wanneer voldaan is aan de respectieve voorwaarden voor de toepassing ervan.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1, 3°, 4°, 5° en 6°, wanneer de Belgische kredietinstelling op grond van artikel 18, leden 3 en 6 van Verordening nr. 575/2013 onder een toezicht op geconsolideerde basis valt, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend:
1° door de toezichthouder indien de groep geen andere kredietinstellingen in de EER omvat;
2° door de bevoegde toezichthouder van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal indien de groep verschillende kredietinstellingen in de EER omvat.
§ 3. Indien een bevoegde autoriteit op individuele basis toezicht houdt op meer dan één kredietinstelling binnen een groep, is, in afwijking van paragraaf 1, 4° en 6°, en paragraaf 2, de consoliderende toezichthouder de bevoegde autoriteit die op individuele basis toezicht houdt op een of meer kredietinstellingen binnen de groep, indien de som van de balanstotalen van die kredietinstellingen hoger is dan die van de kredietinstellingen waarop op individuele basis door een andere bevoegde autoriteit toezicht wordt uitgeoefend.
§ 4. In bijzondere gevallen kunnen de toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten onderling overeenkomen, met het oog op een efficiënte organisatie van het toezicht op geconsolideerde basis, af te zien van de criteria in de paragrafen 1 en 2 en een andere bevoegde autoriteit aanstellen om het toezicht op geconsolideerde basis uit te oefenen indien de toepassing van die criteria niet passend zou zijn, rekening houdend met de betrokken kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en de relatieve belangrijkheid van hun activiteiten in de betrokken lidstaten.
In dergelijke gevallen heeft de EER-moederkredietinstelling, de betrokken financiële EER-holding of gemengde financiële EER-holding, of de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal, naargelang het geval, het recht te worden gehoord voordat de bevoegde autoriteiten de beslissing nemen.
Voor de toepassing van het eerste lid sluit de toezichthouder met de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomsten, in voorkomend geval overeenkomstig het bepaalde bij artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
Indien de toezichthouder met toepassing van deze paragraaf overeenkomsten heeft gesloten, brengt hij de Europese Commissie en de EBA daar onverwijld van op de hoogte.
Wanneer de toezichthouder belast wordt met het toezicht op geconsolideerde basis brengt hij de betrokken financiële holdings of gemengde financiële holdings of de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal van de groep hiervan op de hoogte.
Deze paragraaf is niet van toepassing in de in paragraaf 1, 5° bedoelde gevallen wanneer de groep waartoe de betrokken kredietinstelling behoort, geen enkele dochterbeleggingsonderneming in de EER heeft.".
Art. 96. L'article 171 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 171. § 1er. Le contrôle sur base consolidée d'un établissement de crédit de droit belge, tel que visé à l'article 165, § 1er, est exercé comme suit :
1° s'il s'agit d'un établissement de crédit mère belge ou d'un établissement de crédit mère belge dans l'EEE, par l'autorité de contrôle ;
2° si son entreprise mère est un établissement de crédit mère dans un Etat membre et/ou un établissement de crédit mère dans l'EEE, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit mère dans l'Etat membre et, le cas échéant, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit mère dans l'EEE ;
3° si son entreprise mère est une entreprise d'investissement mère dans un Etat membre ou une entreprise d'investissement mère dans l'EEE, ne détenant pas d'autre établissement de crédit filiale dans l'EEE, par l'autorité de contrôle ;
4° si son entreprise mère est une entreprise d'investissement mère dans un Etat membre ou une entreprise d'investissement mère dans l'EEE, détenant plusieurs établissements de crédit filiales dans l'EEE, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé ;
5° si son entreprise mère est une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mère dans l'EEE ou encore une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, ne détenant pas d'autre établissement de crédit filiale dans l'EEE, par l'autorité de contrôle ;
6° si son entreprise mère est une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mère dans l'EEE ou une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, détenant plusieurs établissements de crédit filiales dans l'EEE, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé ;
Les points 1° et 2°, sont d'application cumulative lorsque leurs conditions d'application respectives sont rencontrées.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, 3°, 4°, 5° et 6°, lorsque l'établissement de crédit belge relève d'un contrôle sur base consolidée en vertu de l'article 18, paragraphes 3 et 6 du Règlement n° 575/2013, le contrôle sur base consolidée est exercé :
1° par l'autorité de contrôle si le groupe ne comprend pas d'autre établissement de crédit dans l'EEE ;
2° par l'autorité compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé si le groupe comprend plusieurs établissements de crédit dans l'EEE.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er, 4° et 6° et au paragraphe 2, lorsqu'une autorité compétente assure le contrôle sur base individuelle de plus d'un établissement de crédit au sein d'un groupe, l'autorité de surveillance sur base consolidée est l'autorité compétente assurant le contrôle sur base individuelle d'un ou de plusieurs établissements de crédit au sein du groupe lorsque la somme du total des bilans des établissements de crédit est supérieure à celle des établissements de crédit contrôlés sur base individuelle par toute autre autorité compétente.
§ 4. Dans des cas particuliers, l'autorité de contrôle et les autorités compétentes concernées peuvent, d'un commun accord, en vue d'une organisation efficace de la surveillance sur base consolidée, déroger aux critères définis aux paragraphes 1er et 2 et charger une autre autorité compétente d'exercer la surveillance sur base consolidée lorsque l'application de ces critères serait inappropriée eu égard aux établissements de crédit et entreprises d'investissement concernées et à l'importance relative de leurs activités dans les différents Etats membres.
Dans ces cas, l'établissement de crédit mère dans l'EEE, la compagnie financière dans l'EEE ou la compagnie financière mixte dans l'EEE concernée ou l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé, le cas échéant, dispose d'un droit d'être entendu avant que les autorités compétentes concernées ne prennent cette décision.
Pour l'application de l'alinéa 1er, l'autorité de contrôle conclut des accords avec les autorités compétentes concernées, le cas échéant conformément aux dispositions de l'article 36/16, § 2, de la loi du 22 février 1998.
L'autorité de contrôle notifie sans délai à la Commission européenne et à l'ABE tout accord conclu en application du présent paragraphe.
Lorsque l'autorité de contrôle est chargée du contrôle sur base consolidée, elle en informe les compagnies financières ou compagnies financières mixtes concernées ou l'établissement de crédit du groupe dont le total bilantaire est le plus élevé.
Le présent paragraphe n'est pas applicable dans les situations visées au paragraphe 1er, 5° lorsque le groupe dont fait partie l'établissement de crédit concerné ne détient aucune entreprise d'investissement filiale dans l'EEE.".
"Art. 171. § 1er. Le contrôle sur base consolidée d'un établissement de crédit de droit belge, tel que visé à l'article 165, § 1er, est exercé comme suit :
1° s'il s'agit d'un établissement de crédit mère belge ou d'un établissement de crédit mère belge dans l'EEE, par l'autorité de contrôle ;
2° si son entreprise mère est un établissement de crédit mère dans un Etat membre et/ou un établissement de crédit mère dans l'EEE, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit mère dans l'Etat membre et, le cas échéant, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit mère dans l'EEE ;
3° si son entreprise mère est une entreprise d'investissement mère dans un Etat membre ou une entreprise d'investissement mère dans l'EEE, ne détenant pas d'autre établissement de crédit filiale dans l'EEE, par l'autorité de contrôle ;
4° si son entreprise mère est une entreprise d'investissement mère dans un Etat membre ou une entreprise d'investissement mère dans l'EEE, détenant plusieurs établissements de crédit filiales dans l'EEE, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé ;
5° si son entreprise mère est une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mère dans l'EEE ou encore une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, ne détenant pas d'autre établissement de crédit filiale dans l'EEE, par l'autorité de contrôle ;
6° si son entreprise mère est une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mère dans l'EEE ou une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, détenant plusieurs établissements de crédit filiales dans l'EEE, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé ;
Les points 1° et 2°, sont d'application cumulative lorsque leurs conditions d'application respectives sont rencontrées.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, 3°, 4°, 5° et 6°, lorsque l'établissement de crédit belge relève d'un contrôle sur base consolidée en vertu de l'article 18, paragraphes 3 et 6 du Règlement n° 575/2013, le contrôle sur base consolidée est exercé :
1° par l'autorité de contrôle si le groupe ne comprend pas d'autre établissement de crédit dans l'EEE ;
2° par l'autorité compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé si le groupe comprend plusieurs établissements de crédit dans l'EEE.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er, 4° et 6° et au paragraphe 2, lorsqu'une autorité compétente assure le contrôle sur base individuelle de plus d'un établissement de crédit au sein d'un groupe, l'autorité de surveillance sur base consolidée est l'autorité compétente assurant le contrôle sur base individuelle d'un ou de plusieurs établissements de crédit au sein du groupe lorsque la somme du total des bilans des établissements de crédit est supérieure à celle des établissements de crédit contrôlés sur base individuelle par toute autre autorité compétente.
§ 4. Dans des cas particuliers, l'autorité de contrôle et les autorités compétentes concernées peuvent, d'un commun accord, en vue d'une organisation efficace de la surveillance sur base consolidée, déroger aux critères définis aux paragraphes 1er et 2 et charger une autre autorité compétente d'exercer la surveillance sur base consolidée lorsque l'application de ces critères serait inappropriée eu égard aux établissements de crédit et entreprises d'investissement concernées et à l'importance relative de leurs activités dans les différents Etats membres.
Dans ces cas, l'établissement de crédit mère dans l'EEE, la compagnie financière dans l'EEE ou la compagnie financière mixte dans l'EEE concernée ou l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé, le cas échéant, dispose d'un droit d'être entendu avant que les autorités compétentes concernées ne prennent cette décision.
Pour l'application de l'alinéa 1er, l'autorité de contrôle conclut des accords avec les autorités compétentes concernées, le cas échéant conformément aux dispositions de l'article 36/16, § 2, de la loi du 22 février 1998.
L'autorité de contrôle notifie sans délai à la Commission européenne et à l'ABE tout accord conclu en application du présent paragraphe.
Lorsque l'autorité de contrôle est chargée du contrôle sur base consolidée, elle en informe les compagnies financières ou compagnies financières mixtes concernées ou l'établissement de crédit du groupe dont le total bilantaire est le plus élevé.
Le présent paragraphe n'est pas applicable dans les situations visées au paragraphe 1er, 5° lorsque le groupe dont fait partie l'établissement de crédit concerné ne détient aucune entreprise d'investissement filiale dans l'EEE.".
Art. 97. In dezelfde wet wordt een artikel 171/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 171/1. Wanneer een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU belast is met het toezicht op geconsolideerde basis op een kredietinstelling, een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht, kan deze autoriteit ten aanzien van deze entiteiten naar eigen goeddunken gebruikmaken van alle rechtsinstrumenten en prerogatieven waarin deze wet voorziet, met name de artikelen 212/7, 234, en 236, onder de daarin vastgestelde toepassingsvoorwaarden.".
"Art. 171/1. Wanneer een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU belast is met het toezicht op geconsolideerde basis op een kredietinstelling, een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht, kan deze autoriteit ten aanzien van deze entiteiten naar eigen goeddunken gebruikmaken van alle rechtsinstrumenten en prerogatieven waarin deze wet voorziet, met name de artikelen 212/7, 234, en 236, onder de daarin vastgestelde toepassingsvoorwaarden.".
Art. 97. Dans la même loi il est inséré un article 171/1 rédigé comme suit :
"Art. 171/1. Lorsqu'une autorité compétente d'un autre Etat membre est chargée du contrôle sur base consolidée d'un établissement de crédit, d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte de droit belge conformément à l'article 111 de la Directive 2013/36/UE, cette autorité peut, à son entière discrétion, faire usage à l'égard desdites entités de l'ensemble des instruments juridiques et prérogatives prévus par la présente loi, notamment ses articles 212/7, 234 et 236 et ce, dans les conditions d'application y prévues.".
"Art. 171/1. Lorsqu'une autorité compétente d'un autre Etat membre est chargée du contrôle sur base consolidée d'un établissement de crédit, d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte de droit belge conformément à l'article 111 de la Directive 2013/36/UE, cette autorité peut, à son entière discrétion, faire usage à l'égard desdites entités de l'ensemble des instruments juridiques et prérogatives prévus par la présente loi, notamment ses articles 212/7, 234 et 236 et ce, dans les conditions d'application y prévues.".
Art. 98. In artikel 172, § 1, 2°, van dezelfde wet worden in de Nederlandse tekst de woorden "het geconsolideerde toezicht" vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 98. Dans l'article 172, § 1er, 2°, de la même loi, dans le texte néerlandais, les mots "het geconsolideerde toezicht" sont remplacés par les mots "het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 99. Artikel 174 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, wordt vervangen als volgt:
"Art. 174. § 1. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder stelt de toezichthouder alles in het werk om samen met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de dochterondernemingen zijn gevestigd van een Belgische moederkredietinstelling of een Belgische EER-moederkredietinstelling, van een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding die betrokken zijn bij het door hem uitgeoefende toezicht op geconsolideerde basis, en, in voorkomend geval, met de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd en die geen dochteronderneming in die lidstaat heeft, tot een gezamenlijk besluit te komen over:
1° de toepassing van de artikelen 94 en 142, om uit te maken of het geconsolideerde eigen vermogen op geconsolideerd niveau toereikend is voor haar financiële situatie en risicoprofiel en hoeveel eigen vermogen noodzakelijk is voor de toepassing van de artikelen 149, eerste lid en 150/3, voor elke entiteit binnen het geconsolideerd geheel en op geconsolideerde basis;
2° de maatregelen voor het aanpakken van belangrijke aangelegenheden en materiële bevindingen in verband met het liquiditeitstoezicht, met inbegrip van die welke verband houden met de passendheid van de organisatie en de behandeling van risico's, als vereist overeenkomstig artikel 8 van Bijlage I en met de behoefte aan instellingsspecifieke liquiditeitsvereisten overeenkomstig artikel 151 van deze wet;
3° de aanbevelingen inzake bijkomend eigen vermogen als bedoeld in artikel 150/5, § 3, tweede lid.
De bepalingen van paragraaf 1 zijn van overeenkomstige toepassing wanneer de toezichthouder aangewezen is als consoliderende toezichthouder met toepassing van artikel 171, §§ 2 en 4.
§ 2. De gezamenlijke besluiten als bedoeld in paragraaf 1 worden genomen:
1° voor de toepassing van paragraaf 1, 1°, binnen vier maanden nadat de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder bij de betrokken bevoegde autoriteiten een verslag heeft ingediend met de risicobeoordeling op geconsolideerde basis, overeenkomstig de artikelen 94, 142, 149 en 150;
2° voor de toepassing van paragraaf 1, 2°, , binnen vier maanden nadat de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder overeenkomstig artikel 151 en artikel 8 van Bijlage I bij de betrokken bevoegde autoriteiten een verslag heeft ingediend met de beoordeling van het liquiditeitsrisicoprofiel op geconsolideerde basis;
3° voor de toepassing van paragraaf 1, 3°, binnen vier maanden nadat de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder overeenkomstig artikel 150/5 bij de betrokken bevoegde autoriteiten een verslag heeft ingediend met de beoordeling van het risicoprofiel van de groep.
In de gezamenlijke besluiten worden naar behoren de risicobeoordelingen in aanmerking genomen die de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig de artikelen 73, 97, 104bis en 104ter van Richtlijn 2013/36/EU hebben verricht met betrekking tot dochterondernemingen.
Bij verschil van mening raadpleegt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, op verzoek van een betrokken bevoegde autoriteit of op eigen initiatief de EBA. In dat geval houdt hij rekening met het advies van de EBA en wanneer duidelijk wordt afgeweken van dit advies, legt hij uit waarom.
De in paragraaf 1, 1° en 2°, bedoelde gezamenlijke besluiten worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder doet de toezichthouder dit document aan de EER-moederkredietinstelling, de financiële EER-moederholding of de gemengde financiële EER-moederholding toekomen
§ 3. Als de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de betrokken bevoegde autoriteiten niet binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijnen tot een gezamenlijk besluit komen, is het volgende van toepassing:
1° wat betreft het geconsolideerde niveau, wordt het besluit over de toepassing van de artikelen bedoeld in de punten 1° tot 3° van paragraaf 1 door de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder genomen nadat hij de door de betrokken bevoegde autoriteiten verrichte risicobeoordeling van de dochterondernemingen naar behoren in overweging heeft genomen. Indien een van deze betrokken bevoegde autoriteiten binnen één van de in paragraaf 2 bedoelde termijnen de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, zijn besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. Hij neemt zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA;
2° wat betreft het individueel of gesubconsolideerd niveau, formuleert de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder zijn standpunten en voorbehouden alvorens de betrokken bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen van de EER-moederkredietinstelling, de financiële EER-moederholding of de gemengde financiële EER-moederholding hun besluit nemen over de toepassing van de artikelen bedoeld in de punten 1° tot 3° van paragraaf 1 voor die niveaus. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder kan de toezichthouder tot aan het einde van de in paragraaf 2 bedoelde termijnen en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen.
In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder voegt de toezichthouder besluiten genomen op individueel of gesubconsolideerd niveau toe aan het besluit op geconsolideerd niveau en doet het volledige document toekomen aan alle betrokken bevoegde autoriteiten en aan de EER-moederkredietinstelling, de financiële EER-moederholding of de gemengde financiële EER-moederholding.
§ 4. Onverminderd artikel 176, 2°, kunnen de besluiten betreffende de toepassing van de artikelen 149, eerste lid, 150/3, 150/5 en 151 in uitzonderlijke gevallen worden geactualiseerd indien een betrokken bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op een dochteronderneming van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding, daartoe een schriftelijk verzoek, met volledige opgaaf van redenen, richt aan de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder.
De actualisering kan op bilaterale basis verricht worden tussen de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de betrokken bevoegde autoriteit.".
"Art. 174. § 1. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder stelt de toezichthouder alles in het werk om samen met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de dochterondernemingen zijn gevestigd van een Belgische moederkredietinstelling of een Belgische EER-moederkredietinstelling, van een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding die betrokken zijn bij het door hem uitgeoefende toezicht op geconsolideerde basis, en, in voorkomend geval, met de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd en die geen dochteronderneming in die lidstaat heeft, tot een gezamenlijk besluit te komen over:
1° de toepassing van de artikelen 94 en 142, om uit te maken of het geconsolideerde eigen vermogen op geconsolideerd niveau toereikend is voor haar financiële situatie en risicoprofiel en hoeveel eigen vermogen noodzakelijk is voor de toepassing van de artikelen 149, eerste lid en 150/3, voor elke entiteit binnen het geconsolideerd geheel en op geconsolideerde basis;
2° de maatregelen voor het aanpakken van belangrijke aangelegenheden en materiële bevindingen in verband met het liquiditeitstoezicht, met inbegrip van die welke verband houden met de passendheid van de organisatie en de behandeling van risico's, als vereist overeenkomstig artikel 8 van Bijlage I en met de behoefte aan instellingsspecifieke liquiditeitsvereisten overeenkomstig artikel 151 van deze wet;
3° de aanbevelingen inzake bijkomend eigen vermogen als bedoeld in artikel 150/5, § 3, tweede lid.
De bepalingen van paragraaf 1 zijn van overeenkomstige toepassing wanneer de toezichthouder aangewezen is als consoliderende toezichthouder met toepassing van artikel 171, §§ 2 en 4.
§ 2. De gezamenlijke besluiten als bedoeld in paragraaf 1 worden genomen:
1° voor de toepassing van paragraaf 1, 1°, binnen vier maanden nadat de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder bij de betrokken bevoegde autoriteiten een verslag heeft ingediend met de risicobeoordeling op geconsolideerde basis, overeenkomstig de artikelen 94, 142, 149 en 150;
2° voor de toepassing van paragraaf 1, 2°, , binnen vier maanden nadat de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder overeenkomstig artikel 151 en artikel 8 van Bijlage I bij de betrokken bevoegde autoriteiten een verslag heeft ingediend met de beoordeling van het liquiditeitsrisicoprofiel op geconsolideerde basis;
3° voor de toepassing van paragraaf 1, 3°, binnen vier maanden nadat de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder overeenkomstig artikel 150/5 bij de betrokken bevoegde autoriteiten een verslag heeft ingediend met de beoordeling van het risicoprofiel van de groep.
In de gezamenlijke besluiten worden naar behoren de risicobeoordelingen in aanmerking genomen die de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig de artikelen 73, 97, 104bis en 104ter van Richtlijn 2013/36/EU hebben verricht met betrekking tot dochterondernemingen.
Bij verschil van mening raadpleegt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, op verzoek van een betrokken bevoegde autoriteit of op eigen initiatief de EBA. In dat geval houdt hij rekening met het advies van de EBA en wanneer duidelijk wordt afgeweken van dit advies, legt hij uit waarom.
De in paragraaf 1, 1° en 2°, bedoelde gezamenlijke besluiten worden op schrift gesteld met volledige opgaaf van redenen. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder doet de toezichthouder dit document aan de EER-moederkredietinstelling, de financiële EER-moederholding of de gemengde financiële EER-moederholding toekomen
§ 3. Als de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de betrokken bevoegde autoriteiten niet binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijnen tot een gezamenlijk besluit komen, is het volgende van toepassing:
1° wat betreft het geconsolideerde niveau, wordt het besluit over de toepassing van de artikelen bedoeld in de punten 1° tot 3° van paragraaf 1 door de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder genomen nadat hij de door de betrokken bevoegde autoriteiten verrichte risicobeoordeling van de dochterondernemingen naar behoren in overweging heeft genomen. Indien een van deze betrokken bevoegde autoriteiten binnen één van de in paragraaf 2 bedoelde termijnen de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, zijn besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. Hij neemt zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA;
2° wat betreft het individueel of gesubconsolideerd niveau, formuleert de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder zijn standpunten en voorbehouden alvorens de betrokken bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen van de EER-moederkredietinstelling, de financiële EER-moederholding of de gemengde financiële EER-moederholding hun besluit nemen over de toepassing van de artikelen bedoeld in de punten 1° tot 3° van paragraaf 1 voor die niveaus. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder kan de toezichthouder tot aan het einde van de in paragraaf 2 bedoelde termijnen en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen.
In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder voegt de toezichthouder besluiten genomen op individueel of gesubconsolideerd niveau toe aan het besluit op geconsolideerd niveau en doet het volledige document toekomen aan alle betrokken bevoegde autoriteiten en aan de EER-moederkredietinstelling, de financiële EER-moederholding of de gemengde financiële EER-moederholding.
§ 4. Onverminderd artikel 176, 2°, kunnen de besluiten betreffende de toepassing van de artikelen 149, eerste lid, 150/3, 150/5 en 151 in uitzonderlijke gevallen worden geactualiseerd indien een betrokken bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op een dochteronderneming van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding, daartoe een schriftelijk verzoek, met volledige opgaaf van redenen, richt aan de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder.
De actualisering kan op bilaterale basis verricht worden tussen de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de betrokken bevoegde autoriteit.".
Art. 99. L'article 174 de la même loi, modifié par la loi du 25 octobre 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 174. § 1er. L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, avec les autorités compétentes des Etats membres où sont établies les filiales d'un établissement de crédit mère belge ou mère belge dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, concernées par le contrôle sur base consolidée qu'elle exerce, et, le cas échéant, avec l'autorité compétente de l'Etat membre où est établie une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée sans filiale dans ledit Etat membre, à une décision commune :
1° sur l'application des articles 94 et 142 afin de déterminer l'adéquation du niveau consolidé de l'ensemble consolidé au regard de sa situation financière et de son profil de risque et le niveau de fonds propres exigés aux fins de l'application des articles 149, alinéa 1er et 150/3 à chaque entité de l'ensemble consolidé et sur base consolidée ;
2° sur les mesures à prendre face à toute question significative et constatation matérielle ayant une incidence sur le contrôle de la liquidité, y compris sur l'adéquation de l'organisation et du traitement des risques exigée conformément à l'article 8 de l'Annexe I, et sur la nécessité de disposer d'exigences de liquidité spécifiques à l'établissement conformément à l'article 151 de la présente loi ;
3° sur les recommandations de fonds propres supplémentaires visées à l'article 150/5, § 3, alinéa 2.
Les dispositions du paragraphe 1er sont applicables par analogie lorsque l'autorité de contrôle est désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée par application de l'article 171, §§ 2 et 4.
§ 2. Les décisions communes visées au paragraphe 1er sont prises :
1° aux fins du paragraphe 1er, 1°, dans un délai de quatre mois à compter de la date à laquelle l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, remet aux autorités compétentes concernées un rapport contenant l'évaluation des risques sur base consolidée conformément aux articles 94, 142, 149 et 150 ;
2° aux fins du paragraphe 1er, 2°, dans un délai de quatre mois à compter de la date à laquelle l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, remet aux autorités compétentes concernées un rapport contenant l'évaluation du profil de risque de liquidité sur base consolidée conformément à l'article 151 et à l'article 8 de l'Annexe I ;
3° aux fins du paragraphe 1er, 3°, dans un délai de quatre mois à compter de la date à laquelle l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, remet aux autorités compétentes concernées un rapport contenant l'évaluation du profil de risque du groupe conformément à l'article 150/5.
Les décisions communes prennent dûment en considération les évaluations de risques relatives aux filiales réalisées par les autorités compétentes concernées conformément aux articles 73, 97, 104bis et 104ter de la Directive 2013/36/UE.
En cas de désaccord, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, consulte l'ABE à la demande d'une autorité compétente concernée ou de sa propre initiative. Dans ce cas, elle tient compte de l'avis de l'ABE et, en cas de dérogation manifeste à cet avis, elle en explique les raisons.
Les décisions communes visées au paragraphe 1er, 1° et 2°, sont fixées dans un document contenant la décision dûment motivée. Ce document est communiqué par l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, à l'établissement de crédit mère dans l'EEE, à la compagnie financière mère dans l'EEE ou à la compagnie financière mixte mère dans l'EEE.
§ 3. Si l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, et les autorités compétentes concernées ne parviennent pas à une décision commune dans les délais visés au paragraphe 2, les modalités suivantes s'appliquent :
1° en ce qui concerne le niveau consolidé, la décision relative à l'application des articles visés aux points 1° à 3° du paragraphe 1er est prise par l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée après un examen approprié de l'évaluation du risque des filiales réalisée par les autorités compétentes concernées. Si, dans un des délais visés au paragraphe 2, l'une de ces autorités compétentes concernées a saisi l'ABE conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, diffère sa décision et attend toute décision que l'ABE peut arrêter. Elle se prononce conformément à la décision de l'ABE ;
2° en ce qui concerne le niveau individuel ou sous-consolidé, l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée formule ses points de vue et réserves avant que les autorités compétentes concernées chargées du contrôle des filiales de l'établissement de crédit mère dans l'EEE, de la compagnie financière mère dans l'EEE ou de la compagnie financière mixte mère dans l'EEE prennent leur décision quant à l'application des articles visés aux points 1° à 3° du paragraphe 1er pour ces niveaux. L'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée peut saisir l'ABE jusqu'au terme des délais visés au paragraphe 2 et aussi longtemps qu'aucune décision commune n'a été prise, conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, intègre les décisions prises au niveau individuel ou sous-consolidé à la décision prise au niveau consolidé et fait parvenir l'intégralité du document à toutes les autorités compétentes concernées, ainsi qu'à l'établissement de crédit mère dans l'EEE, à la compagnie financière mère dans l'EEE ou à la compagnie financière mixte mère dans l'EEE.
§ 4. Sans préjudice de l'article 176, 2°, les décisions relatives à l'application des articles 149, alinéa 1er, 150/3, 150/5 et 151 peuvent être mises à jour dans des cas exceptionnels, si une autorité compétente concernée chargée du contrôle d'une filiale d'un établissement de crédit mère dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, adresse à cet effet une demande écrite dûment motivée à l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée.
La mise à jour peut s'effectuer sur une base bilatérale entre l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, et l'autorité compétente concernée.".
"Art. 174. § 1er. L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, avec les autorités compétentes des Etats membres où sont établies les filiales d'un établissement de crédit mère belge ou mère belge dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, concernées par le contrôle sur base consolidée qu'elle exerce, et, le cas échéant, avec l'autorité compétente de l'Etat membre où est établie une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée sans filiale dans ledit Etat membre, à une décision commune :
1° sur l'application des articles 94 et 142 afin de déterminer l'adéquation du niveau consolidé de l'ensemble consolidé au regard de sa situation financière et de son profil de risque et le niveau de fonds propres exigés aux fins de l'application des articles 149, alinéa 1er et 150/3 à chaque entité de l'ensemble consolidé et sur base consolidée ;
2° sur les mesures à prendre face à toute question significative et constatation matérielle ayant une incidence sur le contrôle de la liquidité, y compris sur l'adéquation de l'organisation et du traitement des risques exigée conformément à l'article 8 de l'Annexe I, et sur la nécessité de disposer d'exigences de liquidité spécifiques à l'établissement conformément à l'article 151 de la présente loi ;
3° sur les recommandations de fonds propres supplémentaires visées à l'article 150/5, § 3, alinéa 2.
Les dispositions du paragraphe 1er sont applicables par analogie lorsque l'autorité de contrôle est désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée par application de l'article 171, §§ 2 et 4.
§ 2. Les décisions communes visées au paragraphe 1er sont prises :
1° aux fins du paragraphe 1er, 1°, dans un délai de quatre mois à compter de la date à laquelle l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, remet aux autorités compétentes concernées un rapport contenant l'évaluation des risques sur base consolidée conformément aux articles 94, 142, 149 et 150 ;
2° aux fins du paragraphe 1er, 2°, dans un délai de quatre mois à compter de la date à laquelle l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, remet aux autorités compétentes concernées un rapport contenant l'évaluation du profil de risque de liquidité sur base consolidée conformément à l'article 151 et à l'article 8 de l'Annexe I ;
3° aux fins du paragraphe 1er, 3°, dans un délai de quatre mois à compter de la date à laquelle l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, remet aux autorités compétentes concernées un rapport contenant l'évaluation du profil de risque du groupe conformément à l'article 150/5.
Les décisions communes prennent dûment en considération les évaluations de risques relatives aux filiales réalisées par les autorités compétentes concernées conformément aux articles 73, 97, 104bis et 104ter de la Directive 2013/36/UE.
En cas de désaccord, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, consulte l'ABE à la demande d'une autorité compétente concernée ou de sa propre initiative. Dans ce cas, elle tient compte de l'avis de l'ABE et, en cas de dérogation manifeste à cet avis, elle en explique les raisons.
Les décisions communes visées au paragraphe 1er, 1° et 2°, sont fixées dans un document contenant la décision dûment motivée. Ce document est communiqué par l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, à l'établissement de crédit mère dans l'EEE, à la compagnie financière mère dans l'EEE ou à la compagnie financière mixte mère dans l'EEE.
§ 3. Si l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, et les autorités compétentes concernées ne parviennent pas à une décision commune dans les délais visés au paragraphe 2, les modalités suivantes s'appliquent :
1° en ce qui concerne le niveau consolidé, la décision relative à l'application des articles visés aux points 1° à 3° du paragraphe 1er est prise par l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée après un examen approprié de l'évaluation du risque des filiales réalisée par les autorités compétentes concernées. Si, dans un des délais visés au paragraphe 2, l'une de ces autorités compétentes concernées a saisi l'ABE conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, diffère sa décision et attend toute décision que l'ABE peut arrêter. Elle se prononce conformément à la décision de l'ABE ;
2° en ce qui concerne le niveau individuel ou sous-consolidé, l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée formule ses points de vue et réserves avant que les autorités compétentes concernées chargées du contrôle des filiales de l'établissement de crédit mère dans l'EEE, de la compagnie financière mère dans l'EEE ou de la compagnie financière mixte mère dans l'EEE prennent leur décision quant à l'application des articles visés aux points 1° à 3° du paragraphe 1er pour ces niveaux. L'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée peut saisir l'ABE jusqu'au terme des délais visés au paragraphe 2 et aussi longtemps qu'aucune décision commune n'a été prise, conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, intègre les décisions prises au niveau individuel ou sous-consolidé à la décision prise au niveau consolidé et fait parvenir l'intégralité du document à toutes les autorités compétentes concernées, ainsi qu'à l'établissement de crédit mère dans l'EEE, à la compagnie financière mère dans l'EEE ou à la compagnie financière mixte mère dans l'EEE.
§ 4. Sans préjudice de l'article 176, 2°, les décisions relatives à l'application des articles 149, alinéa 1er, 150/3, 150/5 et 151 peuvent être mises à jour dans des cas exceptionnels, si une autorité compétente concernée chargée du contrôle d'une filiale d'un établissement de crédit mère dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, adresse à cet effet une demande écrite dûment motivée à l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée.
La mise à jour peut s'effectuer sur une base bilatérale entre l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, et l'autorité compétente concernée.".
Art. 100. In artikel 175 van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Wanneer hij niet als consoliderende toezichthouder is aangewezen met toepassing van artikel 171, stelt de toezichthouder alles in het werk om samen met de consoliderende toezichthouder tot een gezamenlijk besluit te komen over de toepassingen en maatregelen bedoeld in artikel 174, § 1.";
2° in paragraaf 1, wordt het derde lid aangevuld met volgende zin:
"De toezichthouders houden rekening met het advies van de EBA en wanneer duidelijk wordt afgeweken van dit advies, leggen ze uit waarom.";
3° in paragraaf 3, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Onverminderd artikel 176, 2°, kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, in uitzonderlijke gevallen vragen dat de besluiten over de toepassing van de artikelen 149, eerste lid, 150/3, 150/5 en 151 worden geactualiseerd. Hij richt daartoe een schriftelijk verzoek, met volledige opgaaf van redenen, aan de consoliderende toezichthouder.".
1° in paragraaf 1, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Wanneer hij niet als consoliderende toezichthouder is aangewezen met toepassing van artikel 171, stelt de toezichthouder alles in het werk om samen met de consoliderende toezichthouder tot een gezamenlijk besluit te komen over de toepassingen en maatregelen bedoeld in artikel 174, § 1.";
2° in paragraaf 1, wordt het derde lid aangevuld met volgende zin:
"De toezichthouders houden rekening met het advies van de EBA en wanneer duidelijk wordt afgeweken van dit advies, leggen ze uit waarom.";
3° in paragraaf 3, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Onverminderd artikel 176, 2°, kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, in uitzonderlijke gevallen vragen dat de besluiten over de toepassing van de artikelen 149, eerste lid, 150/3, 150/5 en 151 worden geactualiseerd. Hij richt daartoe een schriftelijk verzoek, met volledige opgaaf van redenen, aan de consoliderende toezichthouder.".
Art. 100. Dans l'article 175 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"L'autorité de contrôle, lorsqu'elle n'est pas désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée en application de l'article 171, fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, avec l'autorité de surveillance sur base consolidée, à une décision commune sur les applications et mesures visées à l'article 174, § 1er." ;
2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante :
"Les autorités de contrôle tiennent compte de l'avis de l'ABE et, en cas de dérogation manifeste à cet avis, elles en expliquent les raisons." ;
3° dans le paragraphe 3, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Sans préjudice de l'article 176, 2°, l'autorité de contrôle en sa qualité visée au paragraphe 1er peut demander, dans des cas exceptionnels, de mettre à jour les décisions concernant l'application des articles 149, alinéa 1er, 150/3, 150/5 et 151. Elle adresse à cet effet une demande écrite dûment motivée à l'autorité de surveillance sur base consolidée.".
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"L'autorité de contrôle, lorsqu'elle n'est pas désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée en application de l'article 171, fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, avec l'autorité de surveillance sur base consolidée, à une décision commune sur les applications et mesures visées à l'article 174, § 1er." ;
2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante :
"Les autorités de contrôle tiennent compte de l'avis de l'ABE et, en cas de dérogation manifeste à cet avis, elles en expliquent les raisons." ;
3° dans le paragraphe 3, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Sans préjudice de l'article 176, 2°, l'autorité de contrôle en sa qualité visée au paragraphe 1er peut demander, dans des cas exceptionnels, de mettre à jour les décisions concernant l'application des articles 149, alinéa 1er, 150/3, 150/5 et 151. Elle adresse à cet effet une demande écrite dûment motivée à l'autorité de surveillance sur base consolidée.".
Art. 101. Artikel 177 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Met name wanneer de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, niet de bevoegde autoriteit is van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd, worden de in het eerste lid bedoelde coördinatie- en samenwerkingsovereenkomsten gesloten met de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd.".
"Met name wanneer de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, niet de bevoegde autoriteit is van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd, worden de in het eerste lid bedoelde coördinatie- en samenwerkingsovereenkomsten gesloten met de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd.".
Art. 101. L'article 177 de la même loi, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"En particulier, lorsque l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, n'est pas l'autorité compétente de l'Etat membre où est établie une compagnie financière holding ou une compagnie financière holding mixte approuvée ou désignée, les accords de coordination et de coopération visés à l'alinéa 1er sont conclus avec l'autorité compétente de l'Etat membre où la compagnie financière ou la compagnie financière mixte approuvée ou désignée mère est établie.".
"En particulier, lorsque l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, n'est pas l'autorité compétente de l'Etat membre où est établie une compagnie financière holding ou une compagnie financière holding mixte approuvée ou désignée, les accords de coordination et de coopération visés à l'alinéa 1er sont conclus avec l'autorité compétente de l'Etat membre où la compagnie financière ou la compagnie financière mixte approuvée ou désignée mère est établie.".
Art. 102. In artikel 178 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid worden de woorden "het toezicht op de dochterondernemingen" vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis";
2° paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende:
" § 1/1. Teneinde de taken bedoeld in de artikelen 172, § 1 en 177, § 1, en in artikel 36/14, § 1 van de wet van 22 februari 1998 te vergemakkelijken stelt de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder colleges van bevoegde autoriteiten in wanneer de hoofdbesturen van alle dochterondernemingen van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding in derde landen zijn gevestigd, op voorwaarde dat de toezichthoudende autoriteiten van de betrokken derde landen gebonden zijn aan geheimhoudingsvereisten die gelijkwaardig zijn aan de vereisten van Hoofdstuk 1, Afdeling II, van Richtlijn 2013/36/EU en, in voorkomend geval, de artikelen 76 en 81 van Richtlijn 2014/65/EU.";
3° in paragraaf 2 worden de woorden "Richtlijn 2014/65/EU" vervangen door de woorden "Richtlijn 2019/2034/EU";
4° in paragraaf 4:
a) wordt de bepaling onder 1°, vervangen als volgt:
"1° de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op dochterondernemingen van een Belgische moederkredietinstelling of een Belgische EER-moederkredietinstelling of een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding die betrokken zijn bij het door hem uitgeoefende geconsolideerde toezicht;";
b) wordt de bepaling onder 4° aangevuld met de woorden "en in Richtlijn 2019/2034/EU";
c) paragraaf 4 wordt aangevuld met de bepalingen onder 5° en 6°, luidende:
"5° de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd die betrokken is bij het door hem uitgeoefende toezicht op geconsolideerde basis.
6° de andere betrokken bevoegde autoriteiten wanneer de toezichthouder aangewezen is als consoliderende toezichthouder met toepassing van artikel 171, §§ 2 en 4.".
1° in paragraaf 1, eerste lid worden de woorden "het toezicht op de dochterondernemingen" vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis";
2° paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende:
" § 1/1. Teneinde de taken bedoeld in de artikelen 172, § 1 en 177, § 1, en in artikel 36/14, § 1 van de wet van 22 februari 1998 te vergemakkelijken stelt de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder colleges van bevoegde autoriteiten in wanneer de hoofdbesturen van alle dochterondernemingen van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding in derde landen zijn gevestigd, op voorwaarde dat de toezichthoudende autoriteiten van de betrokken derde landen gebonden zijn aan geheimhoudingsvereisten die gelijkwaardig zijn aan de vereisten van Hoofdstuk 1, Afdeling II, van Richtlijn 2013/36/EU en, in voorkomend geval, de artikelen 76 en 81 van Richtlijn 2014/65/EU.";
3° in paragraaf 2 worden de woorden "Richtlijn 2014/65/EU" vervangen door de woorden "Richtlijn 2019/2034/EU";
4° in paragraaf 4:
a) wordt de bepaling onder 1°, vervangen als volgt:
"1° de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op dochterondernemingen van een Belgische moederkredietinstelling of een Belgische EER-moederkredietinstelling of een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding die betrokken zijn bij het door hem uitgeoefende geconsolideerde toezicht;";
b) wordt de bepaling onder 4° aangevuld met de woorden "en in Richtlijn 2019/2034/EU";
c) paragraaf 4 wordt aangevuld met de bepalingen onder 5° en 6°, luidende:
"5° de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd die betrokken is bij het door hem uitgeoefende toezicht op geconsolideerde basis.
6° de andere betrokken bevoegde autoriteiten wanneer de toezichthouder aangewezen is als consoliderende toezichthouder met toepassing van artikel 171, §§ 2 en 4.".
Art. 102. Dans l'article 178 de la même loi, modifié par la loi du 25 octobre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "le contrôle des filiales" sont remplacés par les mots "le contrôle sur base consolidée" ;
2° un paragraphe 1er/1 est inséré, rédige comme suit :
" § 1er/1. En vue de faciliter l'exécution des tâches visées aux articles 172, § 1er et 177, § 1er, et à l'article 36/14, § 1er de la loi du 22 février 1998, l'autorité de contrôle en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée établit des collèges d'autorités compétentes lorsque les administrations centrales de toutes les filiales d'un établissement de crédit mère dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE sont situées dans des pays tiers, à condition que les autorités de surveillance des pays tiers concernés soient soumises à des exigences de secret professionnel équivalentes à celles énoncées au Chapitre 1er, Section II, de la Directive 2013/36/UE et, le cas échéant, aux articles 76 et 81 de la Directive 2014/65/UE." ;
3° dans le paragraphe 2, les mots "Directive 2014/65/UE" sont remplacés par les mots "Directive 2019/2034/UE" ;
4° dans le paragraphe 4 :
a) le 1°, est remplacé par ce qui suit :
"1° les autorités compétentes chargées du contrôle de filiales d'un établissement de crédit mère belge ou mère belge dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, concernées par le contrôle sur base consolidée qu'elle exerce ;" ;
b) le 4° est complété par les mots "et par la Directive 2019/2034/EU" ;
c) le paragraphe 4 est complété par les 5° et 6° rédigés comme suit :
"5° les autorités compétentes de l'Etat membre où est établie une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée concernée par le contrôle sur base consolidée qu'elle exerce.
6° les autres autorités compétentes concernées lorsque l'autorité de contrôle est désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée par application de l'article 171, §§ 2 et 4.".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "le contrôle des filiales" sont remplacés par les mots "le contrôle sur base consolidée" ;
2° un paragraphe 1er/1 est inséré, rédige comme suit :
" § 1er/1. En vue de faciliter l'exécution des tâches visées aux articles 172, § 1er et 177, § 1er, et à l'article 36/14, § 1er de la loi du 22 février 1998, l'autorité de contrôle en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée établit des collèges d'autorités compétentes lorsque les administrations centrales de toutes les filiales d'un établissement de crédit mère dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE sont situées dans des pays tiers, à condition que les autorités de surveillance des pays tiers concernés soient soumises à des exigences de secret professionnel équivalentes à celles énoncées au Chapitre 1er, Section II, de la Directive 2013/36/UE et, le cas échéant, aux articles 76 et 81 de la Directive 2014/65/UE." ;
3° dans le paragraphe 2, les mots "Directive 2014/65/UE" sont remplacés par les mots "Directive 2019/2034/UE" ;
4° dans le paragraphe 4 :
a) le 1°, est remplacé par ce qui suit :
"1° les autorités compétentes chargées du contrôle de filiales d'un établissement de crédit mère belge ou mère belge dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, concernées par le contrôle sur base consolidée qu'elle exerce ;" ;
b) le 4° est complété par les mots "et par la Directive 2019/2034/EU" ;
c) le paragraphe 4 est complété par les 5° et 6° rédigés comme suit :
"5° les autorités compétentes de l'Etat membre où est établie une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée concernée par le contrôle sur base consolidée qu'elle exerce.
6° les autres autorités compétentes concernées lorsque l'autorité de contrôle est désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée par application de l'article 171, §§ 2 et 4.".
Art. 103. In artikel 179 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"In zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op dochterondernemingen naar Belgisch recht van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding of in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een Belgische financiële EER-moederholding of gemengde financiële EER-moederholding is gevestigd, neemt de toezichthouder deel aan de colleges van bevoegde autoriteiten die opgericht zijn door de consoliderende toezichthouder.".
"In zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op dochterondernemingen naar Belgisch recht van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding of in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een Belgische financiële EER-moederholding of gemengde financiële EER-moederholding is gevestigd, neemt de toezichthouder deel aan de colleges van bevoegde autoriteiten die opgericht zijn door de consoliderende toezichthouder.".
Art. 103. Dans l'article 179 de la même loi, modifié par la loi du 25 octobre 2016, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité compétente chargée du contrôle de filiales de droit belge d'un établissement de crédit mère dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE ou en sa qualité d'autorité compétente de l'Etat membre où une compagnie financière mère belge dans l'EEE ou une compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE est établie, participe aux collèges d'autorités compétentes établis par l'autorité de surveillance sur base consolidée.".
"L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité compétente chargée du contrôle de filiales de droit belge d'un établissement de crédit mère dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE ou en sa qualité d'autorité compétente de l'Etat membre où une compagnie financière mère belge dans l'EEE ou une compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE est établie, participe aux collèges d'autorités compétentes établis par l'autorité de surveillance sur base consolidée.".
Art. 104. In artikel 180 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. De toezichthouder werkt voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis nauw samen met de bevoegde autoriteiten die een vergunning hebben verleend aan de entiteiten die in het toezicht op geconsolideerde basis zijn opgenomen. Hij kan aan deze bevoegde autoriteiten vertrouwelijke informatie meedelen of vragen, wanneer ze van essentieel belang of relevant is voor de uitoefening van de toezichtstaken waarmee hij of deze bevoegde autoriteiten krachtens Richtlijn 2013/36/EU, Verordening nr. 575/2013 en Richtlijn 2014/65/EU zijn belast. Daartoe verstrekken zij elkaar op verzoek alle relevante informatie en delen elkaar uit eigen beweging alle essentiële informatie mee.
In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder verstrekt de toezichthouder aan de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op dochterondernemingen van een Belgische moederkredietinstelling of Belgische EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding die betrokken zijn bij het door hem uitgeoefende geconsolideerde toezicht, en, in voorkomend geval, aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd, die geen dochteronderneming in die lidstaat heeft. Bij het bepalen van de hoeveelheid toe te zenden informatie wordt rekening gehouden met het belang van deze dochterondernemingen in het financiële stelsel in die lidstaten.
De bepalingen van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing wanneer de toezichthouder aangewezen is als consoliderende toezichthouder met toepassing van artikel 171, §§ 2 en 4.";
2° in paragraaf 2:
a) worden in het eerste lid de woorden ", een beursvennootschap" geschrapt;
b) worden in het tweede lid, 3° de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt;
3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
" § 3. Voor de toepassing van dit artikel treedt de toezichthouder in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op dochterondernemingen naar Belgisch recht van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding, of in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht is gevestigd, waar mogelijk in contact met de consoliderende toezichthouder als hij informatie nodig heeft over de toepassing van benaderingen en methodieken als beschreven in Richtlijn 2013/36/EU en in Verordening nr. 575/2013, en deze informatie eventueel al beschikbaar is voor de consoliderende toezichthouder.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. De toezichthouder werkt voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis nauw samen met de bevoegde autoriteiten die een vergunning hebben verleend aan de entiteiten die in het toezicht op geconsolideerde basis zijn opgenomen. Hij kan aan deze bevoegde autoriteiten vertrouwelijke informatie meedelen of vragen, wanneer ze van essentieel belang of relevant is voor de uitoefening van de toezichtstaken waarmee hij of deze bevoegde autoriteiten krachtens Richtlijn 2013/36/EU, Verordening nr. 575/2013 en Richtlijn 2014/65/EU zijn belast. Daartoe verstrekken zij elkaar op verzoek alle relevante informatie en delen elkaar uit eigen beweging alle essentiële informatie mee.
In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder verstrekt de toezichthouder aan de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op dochterondernemingen van een Belgische moederkredietinstelling of Belgische EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding die betrokken zijn bij het door hem uitgeoefende geconsolideerde toezicht, en, in voorkomend geval, aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd, die geen dochteronderneming in die lidstaat heeft. Bij het bepalen van de hoeveelheid toe te zenden informatie wordt rekening gehouden met het belang van deze dochterondernemingen in het financiële stelsel in die lidstaten.
De bepalingen van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing wanneer de toezichthouder aangewezen is als consoliderende toezichthouder met toepassing van artikel 171, §§ 2 en 4.";
2° in paragraaf 2:
a) worden in het eerste lid de woorden ", een beursvennootschap" geschrapt;
b) worden in het tweede lid, 3° de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt;
3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
" § 3. Voor de toepassing van dit artikel treedt de toezichthouder in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op dochterondernemingen naar Belgisch recht van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding, of in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht is gevestigd, waar mogelijk in contact met de consoliderende toezichthouder als hij informatie nodig heeft over de toepassing van benaderingen en methodieken als beschreven in Richtlijn 2013/36/EU en in Verordening nr. 575/2013, en deze informatie eventueel al beschikbaar is voor de consoliderende toezichthouder.".
Art. 104. Dans l'article 180 de la même loi, modifié par la loi du 25 octobre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. L'autorité de contrôle coopère étroitement, pour l'exercice du contrôle sur base consolidée, avec les autorités compétentes qui ont octroyé un agrément aux entités relevant du contrôle sur base consolidée. Elle peut communiquer ou demander à ces autorités compétentes des informations confidentielles, lorsque celles-ci sont d'une importance essentielle ou pertinentes pour l'exercice des tâches de surveillance qui lui sont confiées ou à ces autorités compétentes en vertu de la Directive 2013/36/UE, du Règlement n° 575/2013 et de la Directive 2014/65/UE. A cet effet, elles se communiquent mutuellement, sur demande, toute information pertinente et, de leur propre initiative, toute information essentielle.
En sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, l'autorité de contrôle transmet toutes les informations pertinentes aux autorités compétentes chargées du contrôle de filiales d'un établissement de crédit mère belge ou mère belge dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, concernées par le contrôle sur base consolidée qu'elle exerce, et, le cas échéant, à l'autorité compétente de l'Etat membre où est établie une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée sans filiale dans ledit Etat membre. La portée des informations pertinentes est déterminée compte tenu de l'importance de ces filiales dans le système financier de ces Etats membres.
Les dispositions de l'alinéa 1er sont applicables par analogie lorsque l'autorité de contrôle est désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée par application de l'article 171, §§ 2 et 4." ;
2° dans le paragraphe 2 :
a) dans l'alinéa 1er, les mots ", d'une société de bourse" sont abrogés ;
b) dans l'alinéa 2, 3°, les mots "et aux sociétés de bourse" sont abrogés ;
3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Pour l'application du présent article, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité compétente chargée du contrôle de filiales de droit belge d'un établissement de crédit mère dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE ou en sa qualité d'autorité compétente de l'Etat membre où une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée de droit belge est établie, contacte si possible l'autorité de surveillance sur base consolidée lorsqu'elle a besoin d'informations, dont l'autorité de surveillance sur base consolidée pourrait déjà disposer, concernant la mise en oeuvre d'approches et de méthodologies telles que décrites dans la Directive 2013/36/UE et dans le Règlement n° 575/2013.".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. L'autorité de contrôle coopère étroitement, pour l'exercice du contrôle sur base consolidée, avec les autorités compétentes qui ont octroyé un agrément aux entités relevant du contrôle sur base consolidée. Elle peut communiquer ou demander à ces autorités compétentes des informations confidentielles, lorsque celles-ci sont d'une importance essentielle ou pertinentes pour l'exercice des tâches de surveillance qui lui sont confiées ou à ces autorités compétentes en vertu de la Directive 2013/36/UE, du Règlement n° 575/2013 et de la Directive 2014/65/UE. A cet effet, elles se communiquent mutuellement, sur demande, toute information pertinente et, de leur propre initiative, toute information essentielle.
En sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée, l'autorité de contrôle transmet toutes les informations pertinentes aux autorités compétentes chargées du contrôle de filiales d'un établissement de crédit mère belge ou mère belge dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, concernées par le contrôle sur base consolidée qu'elle exerce, et, le cas échéant, à l'autorité compétente de l'Etat membre où est établie une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée sans filiale dans ledit Etat membre. La portée des informations pertinentes est déterminée compte tenu de l'importance de ces filiales dans le système financier de ces Etats membres.
Les dispositions de l'alinéa 1er sont applicables par analogie lorsque l'autorité de contrôle est désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée par application de l'article 171, §§ 2 et 4." ;
2° dans le paragraphe 2 :
a) dans l'alinéa 1er, les mots ", d'une société de bourse" sont abrogés ;
b) dans l'alinéa 2, 3°, les mots "et aux sociétés de bourse" sont abrogés ;
3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Pour l'application du présent article, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité compétente chargée du contrôle de filiales de droit belge d'un établissement de crédit mère dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE ou en sa qualité d'autorité compétente de l'Etat membre où une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée de droit belge est établie, contacte si possible l'autorité de surveillance sur base consolidée lorsqu'elle a besoin d'informations, dont l'autorité de surveillance sur base consolidée pourrait déjà disposer, concernant la mise en oeuvre d'approches et de méthodologies telles que décrites dans la Directive 2013/36/UE et dans le Règlement n° 575/2013.".
Art. 105. In artikel 181 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de Nederlandse tekst van het eerste lid worden de woorden "het geconsolideerde toezicht" vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis";
2° het derde lid wordt vervangen als volgt:
"In afwijking van het tweede lid moet de toezichthouder in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op dochterondernemingen naar Belgisch recht van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding, of in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht is gevestigd, steeds de consoliderende toezichthouder raadplegen als hij een beslissing als bedoeld in het eerste lid, 2°, overweegt te nemen.".
1° in de Nederlandse tekst van het eerste lid worden de woorden "het geconsolideerde toezicht" vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis";
2° het derde lid wordt vervangen als volgt:
"In afwijking van het tweede lid moet de toezichthouder in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op dochterondernemingen naar Belgisch recht van een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding, of in zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht is gevestigd, steeds de consoliderende toezichthouder raadplegen als hij een beslissing als bedoeld in het eerste lid, 2°, overweegt te nemen.".
Art. 105. Dans l'article 181 de la même loi, modifié par la loi du 25 octobre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le texte néerlandais de l'alinéa 1er, les mots "het geconsolideerde toezicht" sont remplacés par les mots "het toezicht op geconsolideerde basis" ;
2° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
"Par dérogation à l'alinéa 2, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité compétente chargée du contrôle de filiales de droit belge d'un établissement de crédit mère dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, ou en sa qualité d'autorité compétente de l'Etat membre où une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée de droit belge est établie doit toujours consulter l'autorité de surveillance sur base consolidée lorsqu'elle envisage de prendre une décision telle que visée à l'alinéa 1er, 2°. ".
1° dans le texte néerlandais de l'alinéa 1er, les mots "het geconsolideerde toezicht" sont remplacés par les mots "het toezicht op geconsolideerde basis" ;
2° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
"Par dérogation à l'alinéa 2, l'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité compétente chargée du contrôle de filiales de droit belge d'un établissement de crédit mère dans l'EEE, d'une compagnie financière mère dans l'EEE ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, ou en sa qualité d'autorité compétente de l'Etat membre où une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée de droit belge est établie doit toujours consulter l'autorité de surveillance sur base consolidée lorsqu'elle envisage de prendre une décision telle que visée à l'alinéa 1er, 2°. ".
Art. 106. In dezelfde wet wordt een artikel 181/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 181/1. De bevoegde autoriteiten, de financiële-inlichtingeneenheden en de autoriteiten waaraan het toezicht op de meldingsplichtige entiteiten als vermeld in de punten 1) en 2) van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2015/849/EU is opgedragen met het oog op de naleving van die richtlijn, werken nauw met elkaar samen binnen hun respectieve bevoegdheden en verstrekken elkaar de informatie die relevant is voor hun respectieve taken krachtens Richtlijn 2013/36/EU, Verordening nr. 575/2013 en Richtlijn 2015/849/EU, op voorwaarde dat die samenwerking en informatie-uitwisseling geen inbreuk maken op een lopend onderzoek of een lopende procedure in overeenstemming met het strafrecht of bestuursrecht van de lidstaat waar de bevoegde autoriteit, de financiële-inlichtingeneenheid of de autoriteit waaraan het toezicht op de meldingsplichtige entiteiten als vermeld in de punten 1) en 2) van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2015/849/EU is opgedragen, is gevestigd."
"Art. 181/1. De bevoegde autoriteiten, de financiële-inlichtingeneenheden en de autoriteiten waaraan het toezicht op de meldingsplichtige entiteiten als vermeld in de punten 1) en 2) van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2015/849/EU is opgedragen met het oog op de naleving van die richtlijn, werken nauw met elkaar samen binnen hun respectieve bevoegdheden en verstrekken elkaar de informatie die relevant is voor hun respectieve taken krachtens Richtlijn 2013/36/EU, Verordening nr. 575/2013 en Richtlijn 2015/849/EU, op voorwaarde dat die samenwerking en informatie-uitwisseling geen inbreuk maken op een lopend onderzoek of een lopende procedure in overeenstemming met het strafrecht of bestuursrecht van de lidstaat waar de bevoegde autoriteit, de financiële-inlichtingeneenheid of de autoriteit waaraan het toezicht op de meldingsplichtige entiteiten als vermeld in de punten 1) en 2) van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2015/849/EU is opgedragen, is gevestigd."
Art. 106. Dans la même loi, il est inséré un article 181/1 rédigé comme suit :
"Art. 181/1. Les autorités compétentes, les cellules de renseignement financier et les autorités investies de la mission de surveillance des entités assujetties énumérées à l'article 2, paragraphe 1er, points 1) et 2), de la Directive 2015/849/UE aux fins du respect de ladite directive coopèrent étroitement dans le cadre de leurs compétences respectives et se communiquent les informations pertinentes pour leurs tâches respectives au titre de la Directive 2013/36/UE, du Règlement no 575/2013 et de la Directive 2015/849/UE, pour autant que cette coopération et cet échange d'informations n'empiètent pas sur une enquête ou une procédure en cours conformément au droit pénal ou administratif de l'Etat membre dans lequel est située l'autorité compétente, la cellule de renseignement financier ou l'autorité investie de la mission de surveillance des entités assujetties énumérées à l'article 2, paragraphe 1er, points 1) et 2), de la Directive 2015/849/UE.".
"Art. 181/1. Les autorités compétentes, les cellules de renseignement financier et les autorités investies de la mission de surveillance des entités assujetties énumérées à l'article 2, paragraphe 1er, points 1) et 2), de la Directive 2015/849/UE aux fins du respect de ladite directive coopèrent étroitement dans le cadre de leurs compétences respectives et se communiquent les informations pertinentes pour leurs tâches respectives au titre de la Directive 2013/36/UE, du Règlement no 575/2013 et de la Directive 2015/849/UE, pour autant que cette coopération et cet échange d'informations n'empiètent pas sur une enquête ou une procédure en cours conformément au droit pénal ou administratif de l'Etat membre dans lequel est située l'autorité compétente, la cellule de renseignement financier ou l'autorité investie de la mission de surveillance des entités assujetties énumérées à l'article 2, paragraphe 1er, points 1) et 2), de la Directive 2015/849/UE.".
Art. 107. In artikel 182 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° artikel 182 waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende:
" § 2. Wanneer de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder van een groep met een gemengde financiële moederholding op grond van artikel 171 verschillend is van de overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG aangewezen coördinator, werken de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder en de coördinator samen voor de toepassing van deze wet en Verordening nr. 575/2013 op geconsolideerde basis. Om een doeltreffende samenwerking mogelijk te maken, sluit de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, met de coördinator schriftelijke coördinatie- en samenwerkingsovereenkomsten.";
2° in de bestaande tekst die paragraaf 1 zal vormen worden de woorden "een beursvennootschap," geschrapt.
1° artikel 182 waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende:
" § 2. Wanneer de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder van een groep met een gemengde financiële moederholding op grond van artikel 171 verschillend is van de overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG aangewezen coördinator, werken de toezichthouder in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder en de coördinator samen voor de toepassing van deze wet en Verordening nr. 575/2013 op geconsolideerde basis. Om een doeltreffende samenwerking mogelijk te maken, sluit de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, met de coördinator schriftelijke coördinatie- en samenwerkingsovereenkomsten.";
2° in de bestaande tekst die paragraaf 1 zal vormen worden de woorden "een beursvennootschap," geschrapt.
Art. 107. Dans l'article 182 de la même loi, modifié par la loi du 25 octobre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'article 182, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit :
" § 2. Lorsque, conformément à l'article 171, l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée d'un groupe comprenant une compagnie financière mixte mère est différente du coordinateur désigné conformément à l'article 10 de la Directive 2002/87/CE, l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée et le coordinateur coopèrent aux fins de l'application de la présente loi et du Règlementn° 575/2013 sur base consolidée. En vue de permettre une coopération efficace, l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée et le coordinateur mettent en place des accords écrits de coordination et de coopération." ;
2° dans le texte actuel qui formera le paragraphe 1er, les mots "une société de bourse," sont abrogés.
1° l'article 182, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit :
" § 2. Lorsque, conformément à l'article 171, l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée d'un groupe comprenant une compagnie financière mixte mère est différente du coordinateur désigné conformément à l'article 10 de la Directive 2002/87/CE, l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée et le coordinateur coopèrent aux fins de l'application de la présente loi et du Règlementn° 575/2013 sur base consolidée. En vue de permettre une coopération efficace, l'autorité de contrôle en sa qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée et le coordinateur mettent en place des accords écrits de coordination et de coopération." ;
2° dans le texte actuel qui formera le paragraphe 1er, les mots "une société de bourse," sont abrogés.
Art. 108. In artikel 183/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 13 maart 2016, worden in de Nederlandse tekst de woorden "een geconsolideerd toezicht" vervangen door de woorden "een toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 108. Dans l'article 183/1 de la même loi, inséré par la loi du 13 mars 2016, dans le texte néerlandais, les mots "een geconsolideerd toezicht" sont remplacés par les mots "een toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 109. In artikel 184 van dezelfde wet worden in de Nederlandse tekst de woorden "van het geconsolideerde toezicht" vervangen door de woorden "van het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 109. Dans l'article 184 de la même loi, dans le texte néerlandais, les mots "van het geconsolideerde toezicht" sont remplacés par les mots "van het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 110. In artikel 196 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 13 maart 2016, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2:
a) worden in de Nederlandse tekst van het bepaalde onder 3° de woorden "de bevoegde autoriteit belast met" vervangen door de woorden "de bevoegde autoriteit die belast is met";
b) worden in het bepaalde onder 4° de woorden "van dat land" vervangen door de woorden "van die lidstaat".
1° in paragraaf 2:
a) worden in de Nederlandse tekst van het bepaalde onder 3° de woorden "de bevoegde autoriteit belast met" vervangen door de woorden "de bevoegde autoriteit die belast is met";
b) worden in het bepaalde onder 4° de woorden "van dat land" vervangen door de woorden "van die lidstaat".
Art. 110. Dans l'article 196 de la même loi, modifié par la loi du 13 mars 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 2 :
a) dans le texte néerlandais du 3° les mots "de bevoegde autoriteit belast met" sont remplacés par les mots "de bevoegde autoriteit die belast is met" ;
b) dans le 4° les mots "de ce pays" sont remplacés par les mots "de cet Etat membre".
1° dans le paragraphe 2 :
a) dans le texte néerlandais du 3° les mots "de bevoegde autoriteit belast met" sont remplacés par les mots "de bevoegde autoriteit die belast is met" ;
b) dans le 4° les mots "de ce pays" sont remplacés par les mots "de cet Etat membre".
Art. 111. In artikel 202, tweede lid van dezelfde wet worden in de Nederlandse tekst de woorden "De bevoegde autoriteit belast met" vervangen door de woorden "De bevoegde autoriteit die belast is met".
Art. 111. Dans l'article 202, alinéa 2 de la même loi, dans le texte néerlandais, les mots "De bevoegde autoriteit belast met" sont remplacés par les mots "De bevoegde autoriteit die belast is met".
Art. 112. In artikel 203 van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de Nederlandse tekst van paragraaf 1 worden de woorden "van het geconsolideerde toezicht" vervangen door de woorden "van het toezicht op geconsolideerde basis";
2° in de Nederlandse tekst van paragraaf 2 worden de woorden "mogelijk geconsolideerd toezicht" vervangen door de woorden "mogelijk toezicht op geconsolideerde basis" en de woorden "betreft het geconsolideerde toezicht" vervangen door de woorden "betreft het toezicht op geconsolideerde basis".
1° in de Nederlandse tekst van paragraaf 1 worden de woorden "van het geconsolideerde toezicht" vervangen door de woorden "van het toezicht op geconsolideerde basis";
2° in de Nederlandse tekst van paragraaf 2 worden de woorden "mogelijk geconsolideerd toezicht" vervangen door de woorden "mogelijk toezicht op geconsolideerde basis" en de woorden "betreft het geconsolideerde toezicht" vervangen door de woorden "betreft het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 112. Dans l'article 203 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le texte néerlandais du paragraphe 1er les mots "van het geconsolideerde toezicht" sont remplacés par les mots "van het toezicht op geconsolideerde basis" ;
2° dans le texte néerlandais du paragraphe 2, les mots "mogelijk geconsolideerd toezicht" sont remplacés par les mots "mogelijk toezicht op geconsolideerde basis" et les mots "betreft het geconsolideerde toezicht" remplacés par les mots "betreft het toezicht op geconsolideerde basis".
1° dans le texte néerlandais du paragraphe 1er les mots "van het geconsolideerde toezicht" sont remplacés par les mots "van het toezicht op geconsolideerde basis" ;
2° dans le texte néerlandais du paragraphe 2, les mots "mogelijk geconsolideerd toezicht" sont remplacés par les mots "mogelijk toezicht op geconsolideerde basis" et les mots "betreft het geconsolideerde toezicht" remplacés par les mots "betreft het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 113. Artikel 204 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 204. Onverminderd de in de artikelen 212/1 tot 212/11 bepaalde goedkeuringsregeling hebben het toezicht op geconsolideerde basis en het aanvullende conglomeraatstoezicht niet tot gevolg dat op een financiële holding of gemengde financiële holding en op elke andere in de reikwijdte van deze toezichten opgenomen ondernemingen individueel toezicht wordt uitgeoefend.
Het toezicht op geconsolideerde basis en het aanvullende conglomeraatstoezicht doen niettemin geen afbreuk aan het individuele toezicht van elke gereglementeerde onderneming die binnen de reikwijdte van het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht valt. Er kan evenwel rekening worden gehouden met de implicaties van het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht bij de bepaling van de inhoud en de modaliteiten van het individueel toezicht op kredietinstellingen.".
"Art. 204. Onverminderd de in de artikelen 212/1 tot 212/11 bepaalde goedkeuringsregeling hebben het toezicht op geconsolideerde basis en het aanvullende conglomeraatstoezicht niet tot gevolg dat op een financiële holding of gemengde financiële holding en op elke andere in de reikwijdte van deze toezichten opgenomen ondernemingen individueel toezicht wordt uitgeoefend.
Het toezicht op geconsolideerde basis en het aanvullende conglomeraatstoezicht doen niettemin geen afbreuk aan het individuele toezicht van elke gereglementeerde onderneming die binnen de reikwijdte van het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht valt. Er kan evenwel rekening worden gehouden met de implicaties van het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht bij de bepaling van de inhoud en de modaliteiten van het individueel toezicht op kredietinstellingen.".
Art. 113. L'article 204 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 204. Sans préjudice du régime d'approbation prévu par les articles 212/1 à 212/11, le contrôle sur base consolidée et la surveillance complémentaire des conglomérats n'entraînent pas l'exercice d'un contrôle individuel sur une compagnie financière ou une compagnie financière mixte, ni sur toute autre entreprise reprise dans la portée de ces contrôles.
Le contrôle sur base consolidée et la surveillance complémentaire des conglomérats ne portent pas davantage préjudice au contrôle individuel de toute entreprise réglementée qui relève de la portée du contrôle bancaire sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire des conglomérats. Il peut toutefois être tenu compte des implications du contrôle sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire des conglomérats dans la détermination du contenu et des modalités du contrôle individuel des établissements de crédit.".
"Art. 204. Sans préjudice du régime d'approbation prévu par les articles 212/1 à 212/11, le contrôle sur base consolidée et la surveillance complémentaire des conglomérats n'entraînent pas l'exercice d'un contrôle individuel sur une compagnie financière ou une compagnie financière mixte, ni sur toute autre entreprise reprise dans la portée de ces contrôles.
Le contrôle sur base consolidée et la surveillance complémentaire des conglomérats ne portent pas davantage préjudice au contrôle individuel de toute entreprise réglementée qui relève de la portée du contrôle bancaire sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire des conglomérats. Il peut toutefois être tenu compte des implications du contrôle sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire des conglomérats dans la détermination du contenu et des modalités du contrôle individuel des établissements de crédit.".
Art. 114. In Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling IV van dezelfde wet, wordt het opschrift van Onderafdeling II vervangen als volgt: "Onderafdeling II. Moederondernemingen".
Art. 114. Dans le Livre II, Titre III, Chapitre IV, Section IV de la même loi, l'intitulé de la Sous-section II est remplacé par ce qui suit : "Sous-section II. Les entreprises mères".
Art. 115. Artikel 205 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 205. § 1. Belgische moederkrediet-instellingen, aangewezen kredietinstellingen naar Belgisch recht, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht, zijn verantwoordelijk voor het waarborgen van de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het toezicht op geconsolideerde basis.
Kredietinstellingen naar Belgisch recht en goedgekeurde gemengde financiële holdings naar Belgisch recht die aan het hoofd staan van een financieel conglomeraat, zijn verantwoordelijk voor het waarborgen van de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het aanvullende conglomeraatstoezicht.
Wanneer de banksector de grootste sector binnen het financieel conglomeraat is, met toepassing van de criteria van artikel 186, zijn de aangewezen kredietinstellingen en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht in een financieel conglomeraat ook verantwoordelijk voor het waarborgen van de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het aanvullende conglomeraatstoezicht.
§ 2. Bij de uitoefening van de coördinatie en het toezicht waarmee zij belast zijn vaardigen de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen richtlijnen uit aan de ondernemingen die deel uitmaken van het geconsolideerde geheel dan wel het financieel conglomeraat met het oog op het naleven van de verplichtingen die voortvloeien uit het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht en op het verzekeren van de stabiliteit van het geconsolideerde geheel of het financieel conglomeraat. Deze richtlijnen mogen niet in strijd zijn met het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en zijn uitvoeringsbesluiten en mogen geen afbreuk doen aan het toezicht op individuele basis op kredietinstellingen die deel uitmaken van het geconsolideerde geheel of het financieel conglomeraat.
§ 3. In het krachtens artikel 21, § 3 vereiste internal governancememorandum wordt neergelegd, wat betreft het geconsolideerde niveau dan wel het niveau van het financieel conglomeraat, hoe voldaan wordt aan de beginselen vervat in paragraaf 2.
§ 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1 verstrekken de betrokken verantwoordelijke ondernemingen de krachtens artikel 106, § 1 en § 2 eerste lid en artikel 193 van deze wet vereiste rapportering, evenals, op verzoek van de toezichthouder, alle bijkomende inlichtingen die nuttig zijn voor het uitoefenen van het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht. Artikel 106, § 3 is van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Wanneer de toezichthouder krachtens artikel 171 of artikel 196 het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent in andere gevallen dan deze bedoeld in de paragrafen 1 en 2, kan hij per geval nader bepalen hoe de beginselen van de paragrafen 1 tot 4 van overeenkomstige toepassing zijn.
§ 6. Onverminderd Onderafdeling II/1 van deze Afdeling raadpleegt de toezichthouder waar nodig, voor de toepassing van de paragrafen 1, 2 en 5, de andere bevoegde autoriteiten.".
"Art. 205. § 1. Belgische moederkrediet-instellingen, aangewezen kredietinstellingen naar Belgisch recht, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht, zijn verantwoordelijk voor het waarborgen van de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het toezicht op geconsolideerde basis.
Kredietinstellingen naar Belgisch recht en goedgekeurde gemengde financiële holdings naar Belgisch recht die aan het hoofd staan van een financieel conglomeraat, zijn verantwoordelijk voor het waarborgen van de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het aanvullende conglomeraatstoezicht.
Wanneer de banksector de grootste sector binnen het financieel conglomeraat is, met toepassing van de criteria van artikel 186, zijn de aangewezen kredietinstellingen en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht in een financieel conglomeraat ook verantwoordelijk voor het waarborgen van de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het aanvullende conglomeraatstoezicht.
§ 2. Bij de uitoefening van de coördinatie en het toezicht waarmee zij belast zijn vaardigen de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen richtlijnen uit aan de ondernemingen die deel uitmaken van het geconsolideerde geheel dan wel het financieel conglomeraat met het oog op het naleven van de verplichtingen die voortvloeien uit het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht en op het verzekeren van de stabiliteit van het geconsolideerde geheel of het financieel conglomeraat. Deze richtlijnen mogen niet in strijd zijn met het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en zijn uitvoeringsbesluiten en mogen geen afbreuk doen aan het toezicht op individuele basis op kredietinstellingen die deel uitmaken van het geconsolideerde geheel of het financieel conglomeraat.
§ 3. In het krachtens artikel 21, § 3 vereiste internal governancememorandum wordt neergelegd, wat betreft het geconsolideerde niveau dan wel het niveau van het financieel conglomeraat, hoe voldaan wordt aan de beginselen vervat in paragraaf 2.
§ 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1 verstrekken de betrokken verantwoordelijke ondernemingen de krachtens artikel 106, § 1 en § 2 eerste lid en artikel 193 van deze wet vereiste rapportering, evenals, op verzoek van de toezichthouder, alle bijkomende inlichtingen die nuttig zijn voor het uitoefenen van het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht. Artikel 106, § 3 is van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Wanneer de toezichthouder krachtens artikel 171 of artikel 196 het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent in andere gevallen dan deze bedoeld in de paragrafen 1 en 2, kan hij per geval nader bepalen hoe de beginselen van de paragrafen 1 tot 4 van overeenkomstige toepassing zijn.
§ 6. Onverminderd Onderafdeling II/1 van deze Afdeling raadpleegt de toezichthouder waar nodig, voor de toepassing van de paragrafen 1, 2 en 5, de andere bevoegde autoriteiten.".
Art. 115. L'article 205 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 205. § 1er. Les établissements de crédit mères belges, les établissements de crédit désignés de droit belge, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge sont responsables du respect des obligations relatives au contrôle sur base consolidée.
Les établissements de crédit de droit belge et les compagnies financières mixtes approuvées de droit belge à la tête d'un conglomérat financier sont responsables du respect des obligations relatives à la surveillance complémentaire du conglomérat.
Lorsque le secteur bancaire est le secteur plus important au sein du conglomérat financier en application des critères prévus à l'article 186, les établissements de crédit et les compagnies financières mixtes désignés de droit belge faisant partie d'un conglomérat financier sont également responsables du respect des obligations relatives à la surveillance complémentaire du conglomérat.
§ 2. Dans l'exercice de la coordination et du contrôle qui leur incombent, les entreprises visées au paragraphe 1er édictent des directives pour les entreprises qui font partie de l'ensemble consolidé ou du conglomérat financier en vue du respect des obligations qui découlent du contrôle sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire des conglomérats et de l'obligation d'assurer la stabilité de l'ensemble consolidé ou du conglomérat financier. Ces directives ne peuvent pas être contraires au Code des sociétés et des associations et ses arrêtes d'exécution et ne peuvent porter préjudice au contrôle exercé sur base individuelle sur les établissements de crédit qui font partie de l'ensemble consolidé ou du conglomérat financier.
§ 3. Dans le mémorandum de gouvernance interne requis en vertu de l'article 21, § 3, il est établi, en ce qui concerne le niveau consolidé ou le niveau du conglomérat financier, comment il est satisfait aux principes figurant au paragraphe 2.
§ 4. Dans les cas visés au paragraphe 1er, les entreprises responsables concernées fournissent, conformément à l'article 106, § 1er, et § 2, alinéa 1er et à l'article 193 de la présente loi, le reporting requis ainsi que, à la demande de l'autorité de contrôle, toutes les informations complémentaires utiles pour l'exercice du contrôle sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire des conglomérats. L'article 106, § 3 est applicable par analogie.
§ 5. Lorsque l'autorité de contrôle exerce, en vertu de l'article 171 ou de l'article 196 respectivement, le contrôle sur base consolidée ou la surveillance complémentaire des conglomérats dans des cas autres que ceux visés aux paragraphes 1er et 2, elle peut préciser au cas par cas comment les principes visés aux paragraphes 1er à 4 s'appliquent par analogie.
§ 6. Sans préjudice de la Sous-section II/1 de la présente Section, pour l'application des paragraphes 1er, 2 et 5, l'autorité de contrôle consulte, là où cela s'avère nécessaire, les autres autorités compétentes.".
"Art. 205. § 1er. Les établissements de crédit mères belges, les établissements de crédit désignés de droit belge, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge sont responsables du respect des obligations relatives au contrôle sur base consolidée.
Les établissements de crédit de droit belge et les compagnies financières mixtes approuvées de droit belge à la tête d'un conglomérat financier sont responsables du respect des obligations relatives à la surveillance complémentaire du conglomérat.
Lorsque le secteur bancaire est le secteur plus important au sein du conglomérat financier en application des critères prévus à l'article 186, les établissements de crédit et les compagnies financières mixtes désignés de droit belge faisant partie d'un conglomérat financier sont également responsables du respect des obligations relatives à la surveillance complémentaire du conglomérat.
§ 2. Dans l'exercice de la coordination et du contrôle qui leur incombent, les entreprises visées au paragraphe 1er édictent des directives pour les entreprises qui font partie de l'ensemble consolidé ou du conglomérat financier en vue du respect des obligations qui découlent du contrôle sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire des conglomérats et de l'obligation d'assurer la stabilité de l'ensemble consolidé ou du conglomérat financier. Ces directives ne peuvent pas être contraires au Code des sociétés et des associations et ses arrêtes d'exécution et ne peuvent porter préjudice au contrôle exercé sur base individuelle sur les établissements de crédit qui font partie de l'ensemble consolidé ou du conglomérat financier.
§ 3. Dans le mémorandum de gouvernance interne requis en vertu de l'article 21, § 3, il est établi, en ce qui concerne le niveau consolidé ou le niveau du conglomérat financier, comment il est satisfait aux principes figurant au paragraphe 2.
§ 4. Dans les cas visés au paragraphe 1er, les entreprises responsables concernées fournissent, conformément à l'article 106, § 1er, et § 2, alinéa 1er et à l'article 193 de la présente loi, le reporting requis ainsi que, à la demande de l'autorité de contrôle, toutes les informations complémentaires utiles pour l'exercice du contrôle sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire des conglomérats. L'article 106, § 3 est applicable par analogie.
§ 5. Lorsque l'autorité de contrôle exerce, en vertu de l'article 171 ou de l'article 196 respectivement, le contrôle sur base consolidée ou la surveillance complémentaire des conglomérats dans des cas autres que ceux visés aux paragraphes 1er et 2, elle peut préciser au cas par cas comment les principes visés aux paragraphes 1er à 4 s'appliquent par analogie.
§ 6. Sans préjudice de la Sous-section II/1 de la présente Section, pour l'application des paragraphes 1er, 2 et 5, l'autorité de contrôle consulte, là où cela s'avère nécessaire, les autres autorités compétentes.".
Art. 116. Artikel 206 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 206. Wanneer een andere bevoegde autoriteit dan de toezichthouder het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent over een kredietinstelling naar Belgisch recht, dient deze kredietinstelling na te gaan of de invloed van haar moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en zijn uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis waaraan deze kredietinstelling is onderworpen.".
"Art. 206. Wanneer een andere bevoegde autoriteit dan de toezichthouder het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent over een kredietinstelling naar Belgisch recht, dient deze kredietinstelling na te gaan of de invloed van haar moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en zijn uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis waaraan deze kredietinstelling is onderworpen.".
Art. 116. Article 206 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 206. Lorsqu'une autre autorité compétente que l'autorité de contrôle exerce le contrôle sur base consolidée ou la surveillance complémentaire des conglomérats sur un établissement de crédit de droit belge, il incombe à cet établissement de crédit de vérifier si l'influence de son entreprise mère n'est pas contraire au Code des sociétés et des associations et ses arrêtés d'exécution et ne porte pas préjudice au contrôle sur base individuelle auquel cet établissement de crédit est soumis.".
"Art. 206. Lorsqu'une autre autorité compétente que l'autorité de contrôle exerce le contrôle sur base consolidée ou la surveillance complémentaire des conglomérats sur un établissement de crédit de droit belge, il incombe à cet établissement de crédit de vérifier si l'influence de son entreprise mère n'est pas contraire au Code des sociétés et des associations et ses arrêtés d'exécution et ne porte pas préjudice au contrôle sur base individuelle auquel cet établissement de crédit est soumis.".
Art. 117. In artikel 207 van dezelfde wet worden in de Nederlandse tekst de woorden "het geconsolideerde toezicht" telkens vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 117. Dans l'article 207 de la même loi, dans le texte néerlandais, les mots "het geconsolideerde toezicht" sont chaque fois remplacés par les mots "het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 118. In artikel 208 van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden "Het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, van de moederondernemingen bedoeld in artikel 165 en artikel 185 naar Belgisch recht, die betrokken zijn in het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitgeoefend door de toezichthouder," vervangen door de woorden "Het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, van de ondernemingen bedoeld in artikel 205, § 1,";
2° in de inleidende zin van paragraaf 2 wordt het woord "moederondernemingen" vervangen door het woord "ondernemingen".
1° in paragraaf 1 worden de woorden "Het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, van de moederondernemingen bedoeld in artikel 165 en artikel 185 naar Belgisch recht, die betrokken zijn in het geconsolideerde toezicht of het aanvullende conglomeraatstoezicht uitgeoefend door de toezichthouder," vervangen door de woorden "Het directiecomité, in voorkomend geval de effectieve leiding, van de ondernemingen bedoeld in artikel 205, § 1,";
2° in de inleidende zin van paragraaf 2 wordt het woord "moederondernemingen" vervangen door het woord "ondernemingen".
Art. 118. Dans l'article 208 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, les mots "Le comité de direction, le cas échéant, la direction effective des entreprises mères visées à l'article 165 et à l'article 185 de droit belge, incluses dans le contrôle sur base consolidée ou la surveillance complémentaire des conglomérats exercée par l'autorité de contrôle," sont remplacés par les mots "Le comité de direction, le cas échéant, la direction effective des entreprises visées à l'article 205, § 1er," ;
2° dans la phrase introductive du paragraphe 2, les mots "entreprises mères" sont remplacés par le mot "entreprises".
1° dans le paragraphe 1er, les mots "Le comité de direction, le cas échéant, la direction effective des entreprises mères visées à l'article 165 et à l'article 185 de droit belge, incluses dans le contrôle sur base consolidée ou la surveillance complémentaire des conglomérats exercée par l'autorité de contrôle," sont remplacés par les mots "Le comité de direction, le cas échéant, la direction effective des entreprises visées à l'article 205, § 1er," ;
2° dans la phrase introductive du paragraphe 2, les mots "entreprises mères" sont remplacés par le mot "entreprises".
Art. 119. Artikel 209 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 209. Het bepaalde bij artikel 225 van deze wet betreffende de opdracht van erkend commissaris bij een kredietinstelling is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot ondernemingen bedoeld in artikel 205, § 1 voor respectievelijk het toezicht op geconsolideerde basis en het aanvullende conglomeraatstoezicht waaraan deze kredietinstellingen zijn onderworpen.".
"Art. 209. Het bepaalde bij artikel 225 van deze wet betreffende de opdracht van erkend commissaris bij een kredietinstelling is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot ondernemingen bedoeld in artikel 205, § 1 voor respectievelijk het toezicht op geconsolideerde basis en het aanvullende conglomeraatstoezicht waaraan deze kredietinstellingen zijn onderworpen.".
Art. 119. L'article 209 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 209. Les dispositions de l'article 225 de la présente loi concernant les fonctions de commissaire agréé d'un établissement de crédit sont applicables par analogie en ce qui concerne les entreprises visées à l'article 205, § 1er pour, respectivement, le contrôle consolidé et la surveillance complémentaire des conglomérats dont font l'objet les établissements de crédit.".
"Art. 209. Les dispositions de l'article 225 de la présente loi concernant les fonctions de commissaire agréé d'un établissement de crédit sont applicables par analogie en ce qui concerne les entreprises visées à l'article 205, § 1er pour, respectivement, le contrôle consolidé et la surveillance complémentaire des conglomérats dont font l'objet les établissements de crédit.".
Art. 120. In artikel 210 van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1:
a) worden in het bepaalde onder 1°, de woorden "in een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 165, 2°, die betrokken is in het geconsolideerde toezicht uitgeoefend door de toezichthouder," vervangen door de woorden "in een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht, met het oog op het toezicht op geconsolideerde basis";
b) worden in het bepaalde onder 2°, de woorden "in een gemengde financiële holding naar Belgisch recht bedoeld in artikel 185, eerste lid, 2°, die betrokken is in het aanvullende conglomeraatstoezicht uitgeoefend door de toezichthouder," vervangen door de woorden "in een gemengde financiële holding naar Belgisch recht bedoeld in artikel 205, § 1, tweede of derde lid, met het oog op het aanvullende conglomeraatstoezicht dat wordt uitgeoefend door de toezichthouder,";
2° in de Nederlandse tekst van paragraaf 2 worden de woorden "het geconsolideerde toezicht" telkens vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis";
3° in paragraaf 3:
a) wordt de inleidende zin van paragraaf 3 vervangen als volgt:
"Wanneer de toezichthouder op grond van artikel 171 of artikel 196, respectievelijk het toezicht op geconsolideerde basis of het conglomeraatstoezicht uitoefent op een kredietinstelling naar Belgisch recht waarvan de moederonderneming een financiële holding of gemengde financiële holding is die in een andere lidstaat is gevestigd, wordt de opdracht bepaald bij paragraaf 2 op overeenkomstige wijze uitgeoefend door de commissaris die met een vergelijkbare taak bij deze holding is aangesteld. Bij afwezigheid van een dergelijke commissaris wordt bedoelde opdracht uitgeoefend door de commissaris die is aangesteld bij:";
b) in de Nederlandse tekst van paragraaf 3, a) worden de woorden "het geconsolideerde toezicht" vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis".
1° in paragraaf 1:
a) worden in het bepaalde onder 1°, de woorden "in een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 165, 2°, die betrokken is in het geconsolideerde toezicht uitgeoefend door de toezichthouder," vervangen door de woorden "in een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht, met het oog op het toezicht op geconsolideerde basis";
b) worden in het bepaalde onder 2°, de woorden "in een gemengde financiële holding naar Belgisch recht bedoeld in artikel 185, eerste lid, 2°, die betrokken is in het aanvullende conglomeraatstoezicht uitgeoefend door de toezichthouder," vervangen door de woorden "in een gemengde financiële holding naar Belgisch recht bedoeld in artikel 205, § 1, tweede of derde lid, met het oog op het aanvullende conglomeraatstoezicht dat wordt uitgeoefend door de toezichthouder,";
2° in de Nederlandse tekst van paragraaf 2 worden de woorden "het geconsolideerde toezicht" telkens vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis";
3° in paragraaf 3:
a) wordt de inleidende zin van paragraaf 3 vervangen als volgt:
"Wanneer de toezichthouder op grond van artikel 171 of artikel 196, respectievelijk het toezicht op geconsolideerde basis of het conglomeraatstoezicht uitoefent op een kredietinstelling naar Belgisch recht waarvan de moederonderneming een financiële holding of gemengde financiële holding is die in een andere lidstaat is gevestigd, wordt de opdracht bepaald bij paragraaf 2 op overeenkomstige wijze uitgeoefend door de commissaris die met een vergelijkbare taak bij deze holding is aangesteld. Bij afwezigheid van een dergelijke commissaris wordt bedoelde opdracht uitgeoefend door de commissaris die is aangesteld bij:";
b) in de Nederlandse tekst van paragraaf 3, a) worden de woorden "het geconsolideerde toezicht" vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 120. Dans l'article 210 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er :
a) dans le 1°, les mots "dans une compagnie financière ou une compagnie financière mixte de droit belge visée à l'article 165, 2°, et incluse dans le contrôle sur base consolidée exercé par l'autorité de contrôle," sont remplacés par les mots "dans une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée de droit belge aux fins du contrôle sur base consolidée," ;
b) dans le 2°, les mots "dans une compagnie financière mixte de droit belge visée à l'article 185, alinéa 1er, 2°, et incluse dans la surveillance complémentaire" sont remplacés par les mots "dans une compagnie financière mixte de droit belge visée à l'article 205, § 1er alinéa 2 ou 3, aux fins de la surveillance complémentaire" ;
2° dans le texte néerlandais du paragraphe 2, les mots "het geconsolideerde toezicht" sont chaque fois remplacés par les mots "het toezicht op geconsolideerde basis" ;
3° dans le paragraphe 3 :
a) la phrase introductive du paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
"Lorsque l'autorité de contrôle exerce, en vertu de l'article 171 ou de l'article 196, respectivement le contrôle sur base consolidée ou la surveillance des conglomérats, sur un établissement de crédit de droit belge dont l'entreprise mère est une compagnie financière ou une compagnie financière mixte établie dans un autre Etat membre, la mission définie au paragraphe 2 est exercée par analogie par le commissaire désigné avec une tâche comparable auprès de cette compagnie financière. A défaut d'un tel commissaire, la mission visée est exercée par le commissaire désigné auprès :" ;
b) dans le texte néerlandais du paragraphe 3, a) les mots "het geconsolideerde toezicht" sont remplacés par les mots "het toezicht op geconsolideerde basis".
1° dans le paragraphe 1er :
a) dans le 1°, les mots "dans une compagnie financière ou une compagnie financière mixte de droit belge visée à l'article 165, 2°, et incluse dans le contrôle sur base consolidée exercé par l'autorité de contrôle," sont remplacés par les mots "dans une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée de droit belge aux fins du contrôle sur base consolidée," ;
b) dans le 2°, les mots "dans une compagnie financière mixte de droit belge visée à l'article 185, alinéa 1er, 2°, et incluse dans la surveillance complémentaire" sont remplacés par les mots "dans une compagnie financière mixte de droit belge visée à l'article 205, § 1er alinéa 2 ou 3, aux fins de la surveillance complémentaire" ;
2° dans le texte néerlandais du paragraphe 2, les mots "het geconsolideerde toezicht" sont chaque fois remplacés par les mots "het toezicht op geconsolideerde basis" ;
3° dans le paragraphe 3 :
a) la phrase introductive du paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
"Lorsque l'autorité de contrôle exerce, en vertu de l'article 171 ou de l'article 196, respectivement le contrôle sur base consolidée ou la surveillance des conglomérats, sur un établissement de crédit de droit belge dont l'entreprise mère est une compagnie financière ou une compagnie financière mixte établie dans un autre Etat membre, la mission définie au paragraphe 2 est exercée par analogie par le commissaire désigné avec une tâche comparable auprès de cette compagnie financière. A défaut d'un tel commissaire, la mission visée est exercée par le commissaire désigné auprès :" ;
b) dans le texte néerlandais du paragraphe 3, a) les mots "het geconsolideerde toezicht" sont remplacés par les mots "het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 121. Artikel 212 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 212. Onverminderd het beginsel vervat in artikel 204, eerste lid zijn de volgende artikelen van deze wet op overeenkomstige wijze van toepassing op alle financiële holdings of gemengde financiële holdings naar Belgisch recht: de artikelen 18, 19, 20, 24, § 1, met dien verstande dat minstens drie leden van het directiecomité lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, en §§ 3 en 4, 25 en 26, 46 tot 54, 59/1, 60 en 62, §§ 1 tot 4, § 5, eerste zin, en §§ 6 tot 9, en 71, 77, 234 en 236, § 1, 1° tot 5°.
Bovendien is artikel 61 van overeenkomstige toepassing op alle financiële holdings of gemengde financiële holdings wanneer de in artikel 35 bedoelde onafhankelijke controlefuncties binnen de financiële holding of gemengde financiële holding zijn opgezet om aan artikel 168, § 1 te voldoen.".
"Art. 212. Onverminderd het beginsel vervat in artikel 204, eerste lid zijn de volgende artikelen van deze wet op overeenkomstige wijze van toepassing op alle financiële holdings of gemengde financiële holdings naar Belgisch recht: de artikelen 18, 19, 20, 24, § 1, met dien verstande dat minstens drie leden van het directiecomité lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, en §§ 3 en 4, 25 en 26, 46 tot 54, 59/1, 60 en 62, §§ 1 tot 4, § 5, eerste zin, en §§ 6 tot 9, en 71, 77, 234 en 236, § 1, 1° tot 5°.
Bovendien is artikel 61 van overeenkomstige toepassing op alle financiële holdings of gemengde financiële holdings wanneer de in artikel 35 bedoelde onafhankelijke controlefuncties binnen de financiële holding of gemengde financiële holding zijn opgezet om aan artikel 168, § 1 te voldoen.".
Art. 121. L'article 212 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 212. Sans préjudice du principe figurant à l'article 204, alinéa 1er, les articles suivants de la présente loi sont applicables par analogie à toute compagnie financière ou compagnie financière mixte de droit belge : les articles 18, 19, 20, 24 § 1er, étant entendu qu'au moins trois membres du comité de direction sont membres de l'organe légal d'administration, et §§ 3 et 4, 25 et 26, 46 à 54, 59/1, 60 et 62, §§ 1er à 4, § 5, première phrase, et §§ 6 à 9, et 71, 77, 234 et 236, § 1er, 1° à 5°.
En outre, l'article 61 est applicable par analogie à toute compagnie financière ou à toute compagnie financière mixte lorsque les fonctions de contrôle indépendantes visées à l'article 35 ont été établies au sein de la compagnie financière ou la compagnie financière mixte aux fins de satisfaire à l'article 168, § 1er.".
"Art. 212. Sans préjudice du principe figurant à l'article 204, alinéa 1er, les articles suivants de la présente loi sont applicables par analogie à toute compagnie financière ou compagnie financière mixte de droit belge : les articles 18, 19, 20, 24 § 1er, étant entendu qu'au moins trois membres du comité de direction sont membres de l'organe légal d'administration, et §§ 3 et 4, 25 et 26, 46 à 54, 59/1, 60 et 62, §§ 1er à 4, § 5, première phrase, et §§ 6 à 9, et 71, 77, 234 et 236, § 1er, 1° à 5°.
En outre, l'article 61 est applicable par analogie à toute compagnie financière ou à toute compagnie financière mixte lorsque les fonctions de contrôle indépendantes visées à l'article 35 ont été établies au sein de la compagnie financière ou la compagnie financière mixte aux fins de satisfaire à l'article 168, § 1er.".
Art. 122. In Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling IV, van dezelfde wet, wordt een Onderafdeling II/1 ingevoegd, getiteld "Goedkeuring van en toezicht op financiële moederholdings en gemengde financiële moederholdings naar Belgisch recht wanneer de toezichthouder overeenkomstig artikel 171 als consoliderende toezichthouder is aangewezen".
Art. 122. Dans Livre II, Titre III, Chapitre IV, Section IV, de la même loi, il est insérée une Sous-section II/1 intitulée "Approbation et supervision des compagnies financières mères et des compagnies financières mixtes mères de droit belge lorsque l'autorité de contrôle est désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée conformément à l'article 171".
Art. 123. In Onderafdeling II/1, ingevoegd bij artikel 122, wordt een A. ingevoegd, getiteld "Verplichting tot goedkeuring".
Art. 123. Dans la Sous-section II/1, insérée par l'article 122, il est inséré un A. intitulé "Obligation d'approbation".
Art. 124. In A., ingevoegd bij artikel 123, wordt een artikel 212/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 212/1. Onverminderd de andere bepalingen van deze wet moeten Belgische financiële moederholdings, Belgische gemengde financiële moederholdings, Belgische financiële EER-moederholdings en Belgische gemengde financiële EER-moederholdings goedgekeurd worden.
Financiële holdings naar Belgisch recht en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht die niet onder het eerste lid vallen, moeten goedgekeurd worden wanneer de bepalingen van deze wet of van Verordening nr. 575/2013 van toepassing zijn op gesubconsolideerde basis.".
"Art. 212/1. Onverminderd de andere bepalingen van deze wet moeten Belgische financiële moederholdings, Belgische gemengde financiële moederholdings, Belgische financiële EER-moederholdings en Belgische gemengde financiële EER-moederholdings goedgekeurd worden.
Financiële holdings naar Belgisch recht en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht die niet onder het eerste lid vallen, moeten goedgekeurd worden wanneer de bepalingen van deze wet of van Verordening nr. 575/2013 van toepassing zijn op gesubconsolideerde basis.".
Art. 124. Dans le A., inséré par l'article 123, il est inséré un article 212/1 rédigé comme suit :
"Art. 212/1. Sans préjudice des autres dispositions de la présente loi, les compagnies financières mères belges, les compagnies financières mixtes mères belges, les compagnies financières mères belges dans l'EEE et les compagnies financières mixtes mères belges dans l'EEE sont tenues de se faire approuver.
Les compagnies financières de droit belge et les compagnies financières mixtes de droit belge, qui ne sont pas visées par l'alinéa 1er, sont tenues de se faire approuver lorsque les dispositions de la présente loi ou du Règlement n° 575/2013 sont applicables sur base sous-consolidée.".
"Art. 212/1. Sans préjudice des autres dispositions de la présente loi, les compagnies financières mères belges, les compagnies financières mixtes mères belges, les compagnies financières mères belges dans l'EEE et les compagnies financières mixtes mères belges dans l'EEE sont tenues de se faire approuver.
Les compagnies financières de droit belge et les compagnies financières mixtes de droit belge, qui ne sont pas visées par l'alinéa 1er, sont tenues de se faire approuver lorsque les dispositions de la présente loi ou du Règlement n° 575/2013 sont applicables sur base sous-consolidée.".
Art. 125. In dezelfde A. wordt een artikel 212/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 212/2. § 1. Financiële holdings en gemengde financiële holdings als bedoeld in artikel 212/1 kunnen om een vrijstelling van de toepassing van deze onderafdeling verzoeken wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de hoofdactiviteit van de financiële holding of gemengde financiële holding beperkt zich tot het houden van deelnemingen in dochterondernemingen. In het geval van een gemengde financiële holding heeft dit criterium enkel betrekking op de dochterondernemingen die kredietinstellingen of financiële instellingen zijn;
2° de financiële holding of gemengde financiële holding is niet aangewezen als een af te wikkelen entiteit, noch voor de groep als geheel, noch voor een of meer delen van de groep;
3° een dochterkredietinstelling of een financiële holding of gemengde financiële holding waaraan met toepassing van artikel 212/1 of overeenkomstig artikel 21bis van Richtlijn 2013/36/EU goedkeuring is verleend, is aangewezen als verantwoordelijke voor het waarborgen van de naleving door de groep van de prudentiële vereisten op geconsolideerde basis en krijgt de beschikking over alle benodigde prerogatieven om deze verplichtingen op effectieve wijze te vervullen;
4° de financiële holding of gemengde financiële holding houdt zich niet bezig met het nemen van bestuurs-, operationele of financiële beslissingen die een invloed hebben op de groep of op de dochterondernemingen ervan die kredietinstellingen of financiële instellingen zijn;
5° er is geen belemmering voor het doeltreffende toezicht op de groep op geconsolideerde basis.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling doet geen afbreuk aan de naleving van de andere bepalingen van deze wet.
Financiële holdings of gemengde financiële holdings die in overeenstemming met dit artikel zijn vrijgesteld van goedkeuring, worden niet buiten de werkingssfeer van de consolidatie, of in voorkomend geval van de subconsolidatie gehouden die in Verordening nr. 575/2013 en in deze wet is bepaald.".
"Art. 212/2. § 1. Financiële holdings en gemengde financiële holdings als bedoeld in artikel 212/1 kunnen om een vrijstelling van de toepassing van deze onderafdeling verzoeken wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de hoofdactiviteit van de financiële holding of gemengde financiële holding beperkt zich tot het houden van deelnemingen in dochterondernemingen. In het geval van een gemengde financiële holding heeft dit criterium enkel betrekking op de dochterondernemingen die kredietinstellingen of financiële instellingen zijn;
2° de financiële holding of gemengde financiële holding is niet aangewezen als een af te wikkelen entiteit, noch voor de groep als geheel, noch voor een of meer delen van de groep;
3° een dochterkredietinstelling of een financiële holding of gemengde financiële holding waaraan met toepassing van artikel 212/1 of overeenkomstig artikel 21bis van Richtlijn 2013/36/EU goedkeuring is verleend, is aangewezen als verantwoordelijke voor het waarborgen van de naleving door de groep van de prudentiële vereisten op geconsolideerde basis en krijgt de beschikking over alle benodigde prerogatieven om deze verplichtingen op effectieve wijze te vervullen;
4° de financiële holding of gemengde financiële holding houdt zich niet bezig met het nemen van bestuurs-, operationele of financiële beslissingen die een invloed hebben op de groep of op de dochterondernemingen ervan die kredietinstellingen of financiële instellingen zijn;
5° er is geen belemmering voor het doeltreffende toezicht op de groep op geconsolideerde basis.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling doet geen afbreuk aan de naleving van de andere bepalingen van deze wet.
Financiële holdings of gemengde financiële holdings die in overeenstemming met dit artikel zijn vrijgesteld van goedkeuring, worden niet buiten de werkingssfeer van de consolidatie, of in voorkomend geval van de subconsolidatie gehouden die in Verordening nr. 575/2013 en in deze wet is bepaald.".
Art. 125. Dans le même A., il est inséré un article 212/2 rédigé comme suit :
"Art. 212/2. § 1er. Les compagnies financières et les compagnies financières mixtes visées à l'article 212/1 peuvent solliciter une exemption de l'application de la présente sous-section lorsque les conditions suivantes sont remplies :
1° l'activité principale de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte se limite à détenir des participations dans des filiales. Dans le cas d'une compagnie financière mixte, ce critère porte seulement sur les filiales qui sont des établissements de crédit ou des établissements financiers ;
2° la compagnie financière ou la compagnie financière mixte n'est pas désignée comme entité de résolution, que ce soit pour le groupe dans son ensemble ou pour une ou plusieurs parties du groupe ;
3° soit un établissement de crédit filiale soit une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée en application de l'article 212/1 ou conformément à l'article 21bis de la Directive 2013/36/UE, a été désigné comme étant responsable du respect par le groupe des exigences prudentielles sur base consolidée et est doté de toutes les prérogatives nécessaires pour s'acquitter efficacement de ces obligations ;
4° la compagnie financière ou la compagnie financière mixte ne prend pas part à la prise de décisions de gestion, opérationnelles ou financières qui concernent le groupe ou ses filiales qui sont des établissements de crédit ou des établissements financiers ;
5° il n'y a pas d'entrave à l'exercice effectif du contrôle du groupe sur base consolidée.
§ 2. L'exemption visée au paragraphe 1er ne porte pas préjudice au respect des autres dispositions prévues par la présente loi.
Les compagnies financières ou les compagnies financières mixtes exemptées de l'approbation conformément au présent article ne sont pas exclues du périmètre de consolidation, ou de sous-consolidation le cas échéant, défini dans le Règlement n° 575/2013 et dans la présente loi.".
"Art. 212/2. § 1er. Les compagnies financières et les compagnies financières mixtes visées à l'article 212/1 peuvent solliciter une exemption de l'application de la présente sous-section lorsque les conditions suivantes sont remplies :
1° l'activité principale de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte se limite à détenir des participations dans des filiales. Dans le cas d'une compagnie financière mixte, ce critère porte seulement sur les filiales qui sont des établissements de crédit ou des établissements financiers ;
2° la compagnie financière ou la compagnie financière mixte n'est pas désignée comme entité de résolution, que ce soit pour le groupe dans son ensemble ou pour une ou plusieurs parties du groupe ;
3° soit un établissement de crédit filiale soit une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée en application de l'article 212/1 ou conformément à l'article 21bis de la Directive 2013/36/UE, a été désigné comme étant responsable du respect par le groupe des exigences prudentielles sur base consolidée et est doté de toutes les prérogatives nécessaires pour s'acquitter efficacement de ces obligations ;
4° la compagnie financière ou la compagnie financière mixte ne prend pas part à la prise de décisions de gestion, opérationnelles ou financières qui concernent le groupe ou ses filiales qui sont des établissements de crédit ou des établissements financiers ;
5° il n'y a pas d'entrave à l'exercice effectif du contrôle du groupe sur base consolidée.
§ 2. L'exemption visée au paragraphe 1er ne porte pas préjudice au respect des autres dispositions prévues par la présente loi.
Les compagnies financières ou les compagnies financières mixtes exemptées de l'approbation conformément au présent article ne sont pas exclues du périmètre de consolidation, ou de sous-consolidation le cas échéant, défini dans le Règlement n° 575/2013 et dans la présente loi.".
Art. 126. In Onderafdeling II/1, ingevoegd bij artikel 122, wordt een B. ingevoegd, getiteld "Goedkeuringsprocedure".
Art. 126. Dans la Sous-section II/1, insérée par l'article 122, il est inséré un B. intitulé "Procédure d'approbation".
Art. 127. In B., ingevoegd bij artikel 126, wordt een artikel 212/3 ingevoegd, luidende:
"Art. 212/3. Financiële holdings en gemengde financiële holdings als bedoeld in de artikelen 212/1 en 212/2 verstrekken aan de toezichthouder alle voor de beoordeling van de aanvraag benodigde informatie en met name:
1° de organisatiestructuur van de groep waarvan de financiële holding of de gemengde financiële holding deel uitmaakt, met duidelijke vermelding van de dochterondernemingen en, in voorkomend geval, de moederondernemingen ervan, en de locatie en het type van de activiteit van elk van de entiteiten in de groep;
2° informatie over de personen die belast zijn met de effectieve leiding van de financiële holding of de gemengde financiële holding en over de naleving van de vereisten die op hen van toepassing zijn;
3° informatie over de naleving van de vereisten die gelden voor de aandeelhouders en vennoten van de dochterkredietinstellingen van de financiële holding of gemengde financiële holding;
4° de interne organisatie en de verdeling van de taken binnen de groep;
5° informatie over de naleving door de financiële holding of gemengde financiële holding van de bepalingen van artikel 212.".
"Art. 212/3. Financiële holdings en gemengde financiële holdings als bedoeld in de artikelen 212/1 en 212/2 verstrekken aan de toezichthouder alle voor de beoordeling van de aanvraag benodigde informatie en met name:
1° de organisatiestructuur van de groep waarvan de financiële holding of de gemengde financiële holding deel uitmaakt, met duidelijke vermelding van de dochterondernemingen en, in voorkomend geval, de moederondernemingen ervan, en de locatie en het type van de activiteit van elk van de entiteiten in de groep;
2° informatie over de personen die belast zijn met de effectieve leiding van de financiële holding of de gemengde financiële holding en over de naleving van de vereisten die op hen van toepassing zijn;
3° informatie over de naleving van de vereisten die gelden voor de aandeelhouders en vennoten van de dochterkredietinstellingen van de financiële holding of gemengde financiële holding;
4° de interne organisatie en de verdeling van de taken binnen de groep;
5° informatie over de naleving door de financiële holding of gemengde financiële holding van de bepalingen van artikel 212.".
Art. 127. Dans le B., inséré par l'article 126, il est inséré un article 212/3 rédigé comme suit :
"Art. 212/3. Les compagnies financières et les compagnies financières mixtes visées aux articles 212/1 et 212/2 communiquent à l'autorité de contrôle toutes informations nécessaires à l'appréciation de leur demande, et notamment :
1° la structure d'organisation du groupe dont la compagnie financière ou la compagnie financière mixte fait partie, avec une indication précise de ses filiales et, le cas échéant, des entreprises mères, ainsi que de la localisation et du type d'activités de chaque entité au sein du groupe ;
2° des informations concernant les personnes appelées à exercer la direction effective de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte et le respect des exigences qui leur sont applicables ;
3° des informations relatives au respect des exigences applicables aux actionnaires et associés des établissements de crédit filiales de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte ;
4° l'organisation interne et la répartition des tâches sein du groupe ;
5° des informations relatives au respect par la compagnie financière ou la compagnie financière mixte des dispositions prévues à l'article 212.".
"Art. 212/3. Les compagnies financières et les compagnies financières mixtes visées aux articles 212/1 et 212/2 communiquent à l'autorité de contrôle toutes informations nécessaires à l'appréciation de leur demande, et notamment :
1° la structure d'organisation du groupe dont la compagnie financière ou la compagnie financière mixte fait partie, avec une indication précise de ses filiales et, le cas échéant, des entreprises mères, ainsi que de la localisation et du type d'activités de chaque entité au sein du groupe ;
2° des informations concernant les personnes appelées à exercer la direction effective de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte et le respect des exigences qui leur sont applicables ;
3° des informations relatives au respect des exigences applicables aux actionnaires et associés des établissements de crédit filiales de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte ;
4° l'organisation interne et la répartition des tâches sein du groupe ;
5° des informations relatives au respect par la compagnie financière ou la compagnie financière mixte des dispositions prévues à l'article 212.".
Art. 128. In dezelfde B. wordt een artikel 212/4 ingevoegd, luidende:
"Art. 212/4. De toezichthouder beslist over de in artikel 212/1 bedoelde goedkeuringsaanvragen en over de in artikel 212/2 bedoelde vrijstellingsaanvragen.
De toezichthouder stelt de financiële holding of de gemengde financiële holding in kennis van zijn beslissing.
De toezichthouder stelt de aanvrager in kennis van zijn beslissing binnen vier maanden na indiening van de aanvraag, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen vier maanden na ontvangst van een volledig dossier, doch uiterlijk zes maanden na indiening van de aanvraag.".
"Art. 212/4. De toezichthouder beslist over de in artikel 212/1 bedoelde goedkeuringsaanvragen en over de in artikel 212/2 bedoelde vrijstellingsaanvragen.
De toezichthouder stelt de financiële holding of de gemengde financiële holding in kennis van zijn beslissing.
De toezichthouder stelt de aanvrager in kennis van zijn beslissing binnen vier maanden na indiening van de aanvraag, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen vier maanden na ontvangst van een volledig dossier, doch uiterlijk zes maanden na indiening van de aanvraag.".
Art. 128. Dans le même B., il est inséré un article 212/4 rédigé comme suit :
"Art. 212/4. L'autorité de contrôle décide sur les demandes d'approbation visées à l'article 212/1 et sur les demandes d'exemption visées à l'article 212/2.
L'autorité de contrôle notifie sa décision à la compagnie financière ou la compagnie financière mixte.
L'autorité de contrôle notifie sa décision au demandeur dans un délai de quatre mois à compter de l'introduction de la demande ou, lorsque la demande est incomplète, dans un délai de quatre mois à compter de la réception d'un dossier complet, sans que ce délai ne puisse dépasser un délai de six mois à compter de l'introduction de la demande.".
"Art. 212/4. L'autorité de contrôle décide sur les demandes d'approbation visées à l'article 212/1 et sur les demandes d'exemption visées à l'article 212/2.
L'autorité de contrôle notifie sa décision à la compagnie financière ou la compagnie financière mixte.
L'autorité de contrôle notifie sa décision au demandeur dans un délai de quatre mois à compter de l'introduction de la demande ou, lorsque la demande est incomplète, dans un délai de quatre mois à compter de la réception d'un dossier complet, sans que ce délai ne puisse dépasser un délai de six mois à compter de l'introduction de la demande.".
Art. 129. In Onderafdeling II/1, ingevoegd bij artikel 122, wordt een C. ingevoegd, getiteld "Voorwaarden voor goedkeuring".
Art. 129. Dans la Sous-section II/1, insérée par l'article 122, il est inséré un C. intitulé "Conditions d'approbation".
Art. 130. In C., ingevoegd bij artikel 129, wordt een artikel 212/5 ingevoegd, luidende:
"Art. 212/5. De goedkeuring kan alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de interne regelingen en de verdeling van de taken binnen de groep zijn adequaat met het oog op de naleving van de vereisten van deze wet en van Verordening nr. 575/2013 op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis en zijn, in het bijzonder, doeltreffend om:
a) alle dochterondernemingen van de financiële holding of de gemengde financiële holding te coördineren en er toezicht op te houden, waaronder, waar nodig, middels een adequate verdeling van taken tussen de dochterkredietinstellingen;
b) conflicten binnen de groep te voorkomen of te beheren; en
c) de door de financiële moederholding of gemengde financiële moederholding vastgestelde groepsbrede beleidsmaatregelen in de gehele groep te handhaven;
2° de organisatiestructuur van de groep waarvan de financiële holding of de gemengde financiële holding deel uitmaakt, vormt geen belemmering voor de uitoefening van een doeltreffend toezicht op individuele of geconsolideerde basis en, in voorkomend geval, op gesubconsolideerde basis, op de dochterkredietinstellingen of moederkredietinstellingen.
Bij de beoordeling van dat criterium wordt met name rekening gehouden met:
a) de positie van de financiële holding of de gemengde financiële holding in een meerlagige groep;
b) de aandeelhoudersstructuur; en
c) de rol van de financiële holding of gemengde financiële holding binnen de groep;
3° de naleving van de vereisten die gelden voor de aandeelhouders en vennoten van de dochterkredietinstellingen van de financiële holding of gemengde financiële holding;
4° de naleving van de bepalingen van artikel 212.".
"Art. 212/5. De goedkeuring kan alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de interne regelingen en de verdeling van de taken binnen de groep zijn adequaat met het oog op de naleving van de vereisten van deze wet en van Verordening nr. 575/2013 op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis en zijn, in het bijzonder, doeltreffend om:
a) alle dochterondernemingen van de financiële holding of de gemengde financiële holding te coördineren en er toezicht op te houden, waaronder, waar nodig, middels een adequate verdeling van taken tussen de dochterkredietinstellingen;
b) conflicten binnen de groep te voorkomen of te beheren; en
c) de door de financiële moederholding of gemengde financiële moederholding vastgestelde groepsbrede beleidsmaatregelen in de gehele groep te handhaven;
2° de organisatiestructuur van de groep waarvan de financiële holding of de gemengde financiële holding deel uitmaakt, vormt geen belemmering voor de uitoefening van een doeltreffend toezicht op individuele of geconsolideerde basis en, in voorkomend geval, op gesubconsolideerde basis, op de dochterkredietinstellingen of moederkredietinstellingen.
Bij de beoordeling van dat criterium wordt met name rekening gehouden met:
a) de positie van de financiële holding of de gemengde financiële holding in een meerlagige groep;
b) de aandeelhoudersstructuur; en
c) de rol van de financiële holding of gemengde financiële holding binnen de groep;
3° de naleving van de vereisten die gelden voor de aandeelhouders en vennoten van de dochterkredietinstellingen van de financiële holding of gemengde financiële holding;
4° de naleving van de bepalingen van artikel 212.".
Art. 130. Dans le C., inséré par l'article 129, il est inséré un article 212/5 rédigé comme suit :
"Art. 212/5. L'approbation ne peut être accordée que s'il est satisfait aux conditions suivantes :
1° les dispositifs internes et la répartition des tâches au sein du groupe sont adaptés à l'objectif de respect des exigences de la présente loi et du Règlement n° 575/2013 sur base consolidée ou sous-consolidée et sont notamment efficaces pour :
a) coordonner et contrôler toutes les filiales de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte y compris, lorsque c'est nécessaire, par une répartition des tâches adéquate entre les établissements de crédit filiales ;
b) prévenir et gérer les conflits internes au sein du groupe et
c) appliquer dans l'ensemble du groupe les politiques définies à l'échelle du groupe par la compagnie financière mère ou la compagnie financière mixte mère ;
2° la structure d'organisation du groupe dont la compagnie financière ou la compagnie financière mixte fait partie n'entrave pas l'exercice effectif du contrôle individuel ou sur base consolidée, et, le cas échéant, sous-consolidée, des établissements de crédit filiales ou des établissements de crédit mères.
L'examen de ce critère tient compte, notamment :
a) du positionnement de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte dans un groupe à plusieurs niveaux ;
b) de la structure de l'actionnariat; et
c) du rôle de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte au sein du groupe ;
3° le respect des exigences applicables aux actionnaires et associés des établissements de crédit filiales de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte ;
4° le respect des dispositions prévues à l'article 212.".
"Art. 212/5. L'approbation ne peut être accordée que s'il est satisfait aux conditions suivantes :
1° les dispositifs internes et la répartition des tâches au sein du groupe sont adaptés à l'objectif de respect des exigences de la présente loi et du Règlement n° 575/2013 sur base consolidée ou sous-consolidée et sont notamment efficaces pour :
a) coordonner et contrôler toutes les filiales de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte y compris, lorsque c'est nécessaire, par une répartition des tâches adéquate entre les établissements de crédit filiales ;
b) prévenir et gérer les conflits internes au sein du groupe et
c) appliquer dans l'ensemble du groupe les politiques définies à l'échelle du groupe par la compagnie financière mère ou la compagnie financière mixte mère ;
2° la structure d'organisation du groupe dont la compagnie financière ou la compagnie financière mixte fait partie n'entrave pas l'exercice effectif du contrôle individuel ou sur base consolidée, et, le cas échéant, sous-consolidée, des établissements de crédit filiales ou des établissements de crédit mères.
L'examen de ce critère tient compte, notamment :
a) du positionnement de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte dans un groupe à plusieurs niveaux ;
b) de la structure de l'actionnariat; et
c) du rôle de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte au sein du groupe ;
3° le respect des exigences applicables aux actionnaires et associés des établissements de crédit filiales de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte ;
4° le respect des dispositions prévues à l'article 212.".
Art. 131. In Onderafdeling II/1, ingevoegd bij artikel 122, wordt een D. ingevoegd, getiteld "Toezicht en toezichtsmaatregelen".
Art. 131. Dans la Sous-section II/1, insérée par l'article 122, il est inséré un D. intitulé "Supervision et mesures de surveillance".
Art. 132. In D., ingevoegd bij artikel 131, wordt een artikel 212/6 ingevoegd, luidende:
"Art. 212/6. De toezichthouder houdt toezicht op de naleving van de voorwaarden van artikel 212/5 of, in voorkomend geval, van artikel 212/2, § 1 en van de andere vereisten van deze wet of van Verordening nr. 575/2013 op geconsolideerde basis.
Financiële holdings en gemengde financiële holdings verstrekken de toezichthouder de informatie die nodig is om doorlopend toezicht te houden op de organisatiestructuur van de groep en op de naleving van de voorwaarden bedoeld in artikel 212/5 of, in voorkomend geval, artikel 212/2, § 1.".
"Art. 212/6. De toezichthouder houdt toezicht op de naleving van de voorwaarden van artikel 212/5 of, in voorkomend geval, van artikel 212/2, § 1 en van de andere vereisten van deze wet of van Verordening nr. 575/2013 op geconsolideerde basis.
Financiële holdings en gemengde financiële holdings verstrekken de toezichthouder de informatie die nodig is om doorlopend toezicht te houden op de organisatiestructuur van de groep en op de naleving van de voorwaarden bedoeld in artikel 212/5 of, in voorkomend geval, artikel 212/2, § 1.".
Art. 132. Dans le D., inséré par l'article 131, il est inséré un article 212/6 rédigé comme suit :
"Art. 212/6. L'autorité de contrôle assure le contrôle du respect des conditions prévues à l'article 212/5 ou, le cas échéant, à l'article 212/2, § 1er et des autres exigences prévues par la présente loi ou par le Règlement n° 575/2013 sur base consolidée.
Les compagnies financières et les compagnies financières mixtes communiquent à l'autorité de contrôle les informations requises pour assurer en continu le suivi de la structure d'organisation du groupe et le respect des conditions visées à l'article 212/5 ou, le cas échéant, à l'article 212/2, § 1er.".
"Art. 212/6. L'autorité de contrôle assure le contrôle du respect des conditions prévues à l'article 212/5 ou, le cas échéant, à l'article 212/2, § 1er et des autres exigences prévues par la présente loi ou par le Règlement n° 575/2013 sur base consolidée.
Les compagnies financières et les compagnies financières mixtes communiquent à l'autorité de contrôle les informations requises pour assurer en continu le suivi de la structure d'organisation du groupe et le respect des conditions visées à l'article 212/5 ou, le cas échéant, à l'article 212/2, § 1er.".
Art. 133. In dezelfde D. wordt een artikel 212/7 ingevoegd, luidende:
"Art. 212/7. § 1. Indien een financiële holding of een gemengde financiële holding niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 212/5 of aan alle andere vereisten die door of krachtens deze wet of door Verordening nr. 575/2013 op geconsolideerde basis zijn vastgelegd, legt de toezichthouder passende toezichtsmaatregelen op teneinde de naleving van deze vereisten en de continuïteit en de integriteit van het toezicht op geconsolideerde basis te waarborgen of te herstellen. In het geval van een gemengde financiële holding wordt rekening gehouden met de effecten van die maatregelen op het financieel conglomeraat.
Onverminderd de andere in deze wet vastgestelde maatregelen kunnen de toezichtsmaatregelen met name het volgende omvatten:
1° de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen in de dochterinstellingen waarvan de financiële holding of gemengde financiële holding de houder is, opschorten;
2° aanmaningen richten aan en maatregelen nemen tegen de financiële holding, de gemengde financiële holding of de leden van het leidinggevend orgaan en de effectieve leiding, met inbegrip van dwangsommen en sancties, met inachtneming van de artikelen 345 tot 347;
3° de financiële holding of gemengde financiële holding aanmanen om aan haar eigen aandeelhouders de deelnemingen in haar dochterinstellingen over te dragen;
4° op tijdelijke basis een andere financiële holding, gemengde financiële holding of kredietinstelling binnen de groep aanwijzen als verantwoordelijke voor de naleving van de vereisten van deze wet en van Verordening nr. 575/2013 op geconsolideerde basis;
5° dividenduitkeringen of betalingen, met name van rente, aan aandeelhouders beperken of verbieden;
6° van financiële holdings of gemengde financiële holdings vereisen dat zij hun deelnemingen in entiteiten uit de financiële sector in de zin van Verordening nr. 575/2013 geheel of gedeeltelijk afstoten;
7° van financiële holdings of gemengde financiële holdings vereisen dat zij met een plan komen om de naleving van de regels onverwijld te herstellen.
De toezichthouder kan in voorkomend geval beslissen om voor het opleggen van de in deze paragraaf bedoelde maatregelen een termijn vast te leggen.
§ 2. Indien een financiële holding of een gemengde financiële holding niet langer voldoet aan de voorwaarden van artikel 212/2, eist de toezichthouder dat de financiële holding of gemengde financiële holding goedkeuring aanvraagt in overeenstemming met artikel 212/1.".
"Art. 212/7. § 1. Indien een financiële holding of een gemengde financiële holding niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 212/5 of aan alle andere vereisten die door of krachtens deze wet of door Verordening nr. 575/2013 op geconsolideerde basis zijn vastgelegd, legt de toezichthouder passende toezichtsmaatregelen op teneinde de naleving van deze vereisten en de continuïteit en de integriteit van het toezicht op geconsolideerde basis te waarborgen of te herstellen. In het geval van een gemengde financiële holding wordt rekening gehouden met de effecten van die maatregelen op het financieel conglomeraat.
Onverminderd de andere in deze wet vastgestelde maatregelen kunnen de toezichtsmaatregelen met name het volgende omvatten:
1° de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen in de dochterinstellingen waarvan de financiële holding of gemengde financiële holding de houder is, opschorten;
2° aanmaningen richten aan en maatregelen nemen tegen de financiële holding, de gemengde financiële holding of de leden van het leidinggevend orgaan en de effectieve leiding, met inbegrip van dwangsommen en sancties, met inachtneming van de artikelen 345 tot 347;
3° de financiële holding of gemengde financiële holding aanmanen om aan haar eigen aandeelhouders de deelnemingen in haar dochterinstellingen over te dragen;
4° op tijdelijke basis een andere financiële holding, gemengde financiële holding of kredietinstelling binnen de groep aanwijzen als verantwoordelijke voor de naleving van de vereisten van deze wet en van Verordening nr. 575/2013 op geconsolideerde basis;
5° dividenduitkeringen of betalingen, met name van rente, aan aandeelhouders beperken of verbieden;
6° van financiële holdings of gemengde financiële holdings vereisen dat zij hun deelnemingen in entiteiten uit de financiële sector in de zin van Verordening nr. 575/2013 geheel of gedeeltelijk afstoten;
7° van financiële holdings of gemengde financiële holdings vereisen dat zij met een plan komen om de naleving van de regels onverwijld te herstellen.
De toezichthouder kan in voorkomend geval beslissen om voor het opleggen van de in deze paragraaf bedoelde maatregelen een termijn vast te leggen.
§ 2. Indien een financiële holding of een gemengde financiële holding niet langer voldoet aan de voorwaarden van artikel 212/2, eist de toezichthouder dat de financiële holding of gemengde financiële holding goedkeuring aanvraagt in overeenstemming met artikel 212/1.".
Art. 133. Dans le même D., il est inséré un article 212/7 rédigé comme suit :
"Art. 212/7. § 1er. Lorsqu'une compagnie financière ou une compagnie financière mixte ne satisfait pas aux conditions prévues à l'article 212/5 ou à toutes autres exigences prévues par ou en vertu de la présente loi ou par le Règlement n° 575/2013 sur base consolidée, l'autorité de contrôle impose les mesures de surveillance appropriées pour assurer ou restaurer le respect de ces exigences ainsi que la continuité et l'intégrité de la surveillance sur base consolidée. Dans le cas d'une compagnie financière mixte, il est tenu compte des effets de ces mesures sur le conglomérat financier.
Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, les mesures de surveillance peuvent, notamment consister à :
1° suspendre l'exercice des droits de vote attachés aux actions ou parts détenues dans les établissements filiales par la compagnie financière ou la compagnie financière mixte ;
2° adresser des injonctions et prendre toutes mesures à l'encontre de la compagnie financière, de la compagnie financière mixte ou des membres de l'organe de direction et des dirigeants effectifs, y compris des astreintes et sanctions dans le respect des articles 345 à 347 ;
3° donner injonction à la compagnie financière ou la compagnie financière mixte de céder à ses propres actionnaires les participations dans ses établissements filiales ;
4° désigner à titre temporaire une autre compagnie financière ou compagnie financière mixte ou un autre établissement de crédit au sein du groupe comme responsable du respect des exigences prévues par la présente loi et le Règlement n° 575/2013 sur base consolidée ;
5° limiter ou interdire toute distribution de dividendes ou tout paiement, notamment d'intérêts, aux actionnaires ;
6° exiger des compagnies financières ou des compagnies financières mixtes qu'elles cèdent tout ou partie de leurs participations dans des entités du secteur financier au sens du Règlement n° 575/2013 ;
7° exiger des compagnies financières ou des compagnies financières mixtes qu'elles présentent un plan de remise en conformité sans tarder.
L'autorité de contrôle peut, le cas échéant, décider d'assortir d'un délai l'imposition des mesures visées au présent paragraphe.
§ 2. Lorsqu'une compagnie financière ou une compagnie financière mixte ne satisfait plus aux conditions de l'article 212/2, l'autorité de contrôle requiert que la compagnie financière ou la compagnie financière mixte sollicite une approbation conformément à l'article 212/1.".
"Art. 212/7. § 1er. Lorsqu'une compagnie financière ou une compagnie financière mixte ne satisfait pas aux conditions prévues à l'article 212/5 ou à toutes autres exigences prévues par ou en vertu de la présente loi ou par le Règlement n° 575/2013 sur base consolidée, l'autorité de contrôle impose les mesures de surveillance appropriées pour assurer ou restaurer le respect de ces exigences ainsi que la continuité et l'intégrité de la surveillance sur base consolidée. Dans le cas d'une compagnie financière mixte, il est tenu compte des effets de ces mesures sur le conglomérat financier.
Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, les mesures de surveillance peuvent, notamment consister à :
1° suspendre l'exercice des droits de vote attachés aux actions ou parts détenues dans les établissements filiales par la compagnie financière ou la compagnie financière mixte ;
2° adresser des injonctions et prendre toutes mesures à l'encontre de la compagnie financière, de la compagnie financière mixte ou des membres de l'organe de direction et des dirigeants effectifs, y compris des astreintes et sanctions dans le respect des articles 345 à 347 ;
3° donner injonction à la compagnie financière ou la compagnie financière mixte de céder à ses propres actionnaires les participations dans ses établissements filiales ;
4° désigner à titre temporaire une autre compagnie financière ou compagnie financière mixte ou un autre établissement de crédit au sein du groupe comme responsable du respect des exigences prévues par la présente loi et le Règlement n° 575/2013 sur base consolidée ;
5° limiter ou interdire toute distribution de dividendes ou tout paiement, notamment d'intérêts, aux actionnaires ;
6° exiger des compagnies financières ou des compagnies financières mixtes qu'elles cèdent tout ou partie de leurs participations dans des entités du secteur financier au sens du Règlement n° 575/2013 ;
7° exiger des compagnies financières ou des compagnies financières mixtes qu'elles présentent un plan de remise en conformité sans tarder.
L'autorité de contrôle peut, le cas échéant, décider d'assortir d'un délai l'imposition des mesures visées au présent paragraphe.
§ 2. Lorsqu'une compagnie financière ou une compagnie financière mixte ne satisfait plus aux conditions de l'article 212/2, l'autorité de contrôle requiert que la compagnie financière ou la compagnie financière mixte sollicite une approbation conformément à l'article 212/1.".
Art. 134. In Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling IV, van dezelfde wet, wordt een Onderafdeling II/2 ingevoegd, getiteld "Goedkeuring van en toezicht op financiële moederholdings en gemengde financiële moederholdings naar Belgisch recht wanneer een andere bevoegde autoriteit dan de toezichthouder overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU als consoliderende toezichthouder is aangewezen en wanneer een andere bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG als coördinator is aangewezen".
Art. 134. Dans Livre II, Titre III, Chapitre IV, Section IV, de la même loi, il est insérée une Sous-section II/2 intitulée "Approbation et supervision des compagnies financières mères et des compagnies financières mixtes mères de droit belge lorsqu'une autre autorité compétente que l'autorité de contrôle est désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée conformément à l'article 111 de la Directive 2013/36/UE et lorsqu'une autre autorité compétente est désignée coordinateur conformément à l'article 10 de la Directive 2002/87/CE".
Art. 135. In Onderafdeling II/2, ingevoegd bij artikel 134, wordt een artikel 212/8 ingevoegd, luidende:
"Art. 212/8. § 1. Wanneer de toezichthouder niet als consoliderende toezichthouder is aangewezen met toepassing van artikel 171, werken de toezichthouder en de consoliderende toezichthouder die overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU is aangewezen, nauw samen en plegen ze overleg om beslissingen te nemen over de financiële holding of de gemengde financiële holding in de vorm van gezamenlijke beslissingen, waaronder de beslissingen als bedoeld in de artikelen 212/1, 212/2 en 212/7. Hiertoe moeten de verwijzingen naar de toezichthouder in de artikelen 212/3, 212/4, eerste lid en, onverminderd artikel 171/1, 212/7, worden gelezen als verwijzingen naar de toezichthouder en de consoliderende toezichthouder die overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU is aangewezen en de verwijzingen in de artikelen 212/4, tweede en derde lid en 212/6 als verwijzingen naar de consoliderende toezichthouder die overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU is aangewezen.
§ 2. Zodra de beoordeling van de situatie van de financiële holding of de gemengde financiële holding en de voorgenomen beslissing zijn meegedeeld door de consoliderende toezichthouder, in voorkomend geval met toepassing van de bijzondere modaliteiten die eventueel zijn overeengekomen tussen de betrokken autoriteiten om het overleg te vergemakkelijken, stellen de twee autoriteiten alles in het werk om tot een gezamenlijke beslissing als bedoeld in paragraaf 1 te komen binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van de beoordeling die door de consoliderende toezichthouder is opgesteld.
Als er geen overeenstemming wordt bereikt die het mogelijk maakt een gezamenlijk beslissing vast te stellen, nemen de betrokken autoriteiten geen beslissing en leggen zij de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voor.
De betrokken autoriteiten nemen een gezamenlijke beslissing in overeenstemming met de beslissing van de EBA.
De zaak kan niet meer aan de EBA worden voorgelegd na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode van twee maanden.
§ 3. Indien noch de toezichthouder, noch de consoliderende toezichthouder de coördinator is die in overeenstemming met artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG is aangewezen, is bovendien de instemming van de coördinator vereist voor het nemen van de in dit artikel bedoelde beslissingen.
Geschillen worden al naargelang aan de EBA of aan de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen voorgelegd.
Overeenkomstig deze paragraaf genomen beslissingen laten de verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2002/87/EG of Richtlijn 2009/138/EG onverlet.".
"Art. 212/8. § 1. Wanneer de toezichthouder niet als consoliderende toezichthouder is aangewezen met toepassing van artikel 171, werken de toezichthouder en de consoliderende toezichthouder die overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU is aangewezen, nauw samen en plegen ze overleg om beslissingen te nemen over de financiële holding of de gemengde financiële holding in de vorm van gezamenlijke beslissingen, waaronder de beslissingen als bedoeld in de artikelen 212/1, 212/2 en 212/7. Hiertoe moeten de verwijzingen naar de toezichthouder in de artikelen 212/3, 212/4, eerste lid en, onverminderd artikel 171/1, 212/7, worden gelezen als verwijzingen naar de toezichthouder en de consoliderende toezichthouder die overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU is aangewezen en de verwijzingen in de artikelen 212/4, tweede en derde lid en 212/6 als verwijzingen naar de consoliderende toezichthouder die overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU is aangewezen.
§ 2. Zodra de beoordeling van de situatie van de financiële holding of de gemengde financiële holding en de voorgenomen beslissing zijn meegedeeld door de consoliderende toezichthouder, in voorkomend geval met toepassing van de bijzondere modaliteiten die eventueel zijn overeengekomen tussen de betrokken autoriteiten om het overleg te vergemakkelijken, stellen de twee autoriteiten alles in het werk om tot een gezamenlijke beslissing als bedoeld in paragraaf 1 te komen binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van de beoordeling die door de consoliderende toezichthouder is opgesteld.
Als er geen overeenstemming wordt bereikt die het mogelijk maakt een gezamenlijk beslissing vast te stellen, nemen de betrokken autoriteiten geen beslissing en leggen zij de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voor.
De betrokken autoriteiten nemen een gezamenlijke beslissing in overeenstemming met de beslissing van de EBA.
De zaak kan niet meer aan de EBA worden voorgelegd na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode van twee maanden.
§ 3. Indien noch de toezichthouder, noch de consoliderende toezichthouder de coördinator is die in overeenstemming met artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG is aangewezen, is bovendien de instemming van de coördinator vereist voor het nemen van de in dit artikel bedoelde beslissingen.
Geschillen worden al naargelang aan de EBA of aan de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen voorgelegd.
Overeenkomstig deze paragraaf genomen beslissingen laten de verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2002/87/EG of Richtlijn 2009/138/EG onverlet.".
Art. 135. Dans la Sous-section II/2, insérée par l'article 134, il est inséré un article 212/8 rédigé comme suit :
"Art. 212/8. § 1er. Lorsqu'elle n'est pas désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée en application de l'article 171, l'autorité de contrôle et l'autorité de surveillance sur base consolidée désignée conformément à l'article 111 de la Directive 2013/36/UE travaillent en étroite collaboration et se concertent en vue d'adopter les décisions relatives à la compagnie financière ou la compagnie financière mixte sous la forme de décisions communes, notamment les décisions visées aux articles 212/1, 212/2 et 212/7. A ces fins, les références à l'autorité de contrôle dans les articles 212/3, 212/4, alinéa 1er et, sans préjudice de l'article 171/1, 212/7 doivent être lues comme des références à l'autorité de contrôle et l'autorité de surveillance sur base consolidée désignée conformément à l'article 111 de la Directive 2013/36/UE et celles dans les articles 212/4, alinéas 2 et 3 et 212/6 doivent être lues comme des références à l'autorité de surveillance sur base consolidée désignée conformément à l'article 111 de la Directive 2013/36/UE.
§ 2. Pour l'adoption des décisions communes visées au paragraphe 1er, une fois l'évaluation de la situation de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte et la décision envisagée communiquée par l'autorité de surveillance sur base consolidée, moyennant le cas échéant, les modalités particulières éventuellement convenues entre les autorités concernées en vue de rendre la concertation plus effective, les deux autorités mettent tout en oeuvre pour parvenir à une décision commune, dans un délai de deux mois suivant la réception de l'évaluation établie par l'autorité de surveillance sur base consolidée.
En cas d'absence d'accord permettant d'établir une décision commune, les autorités concernées s'abstiennent de prendre une décision et saisissent l'ABE, conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
Les autorités concernées prennent une décision commune en conformité avec la décision de l'ABE.
L'ABE ne peut plus être saisie après l'expiration du délai de deux mois visé à l'alinéa 1er.
§ 3. Lorsque l'autorité de contrôle et l'autorité de surveillance sur base consolidée, sont différentes du coordinateur désigné conformément à l'article 10 de la Directive 2002/87/CE, l'accord du coordinateur est, en outre, requis en vue de prendre les décisions visées au présent article.
Les cas de désaccord sont portés, selon le cas, devant l'ABE ou l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles.
Toute décision prise conformément au présent paragraphe est sans préjudice des obligations au titre de la Directive 2002/87/CE ou de la Directive 2009/138/CE.".
"Art. 212/8. § 1er. Lorsqu'elle n'est pas désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée en application de l'article 171, l'autorité de contrôle et l'autorité de surveillance sur base consolidée désignée conformément à l'article 111 de la Directive 2013/36/UE travaillent en étroite collaboration et se concertent en vue d'adopter les décisions relatives à la compagnie financière ou la compagnie financière mixte sous la forme de décisions communes, notamment les décisions visées aux articles 212/1, 212/2 et 212/7. A ces fins, les références à l'autorité de contrôle dans les articles 212/3, 212/4, alinéa 1er et, sans préjudice de l'article 171/1, 212/7 doivent être lues comme des références à l'autorité de contrôle et l'autorité de surveillance sur base consolidée désignée conformément à l'article 111 de la Directive 2013/36/UE et celles dans les articles 212/4, alinéas 2 et 3 et 212/6 doivent être lues comme des références à l'autorité de surveillance sur base consolidée désignée conformément à l'article 111 de la Directive 2013/36/UE.
§ 2. Pour l'adoption des décisions communes visées au paragraphe 1er, une fois l'évaluation de la situation de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte et la décision envisagée communiquée par l'autorité de surveillance sur base consolidée, moyennant le cas échéant, les modalités particulières éventuellement convenues entre les autorités concernées en vue de rendre la concertation plus effective, les deux autorités mettent tout en oeuvre pour parvenir à une décision commune, dans un délai de deux mois suivant la réception de l'évaluation établie par l'autorité de surveillance sur base consolidée.
En cas d'absence d'accord permettant d'établir une décision commune, les autorités concernées s'abstiennent de prendre une décision et saisissent l'ABE, conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
Les autorités concernées prennent une décision commune en conformité avec la décision de l'ABE.
L'ABE ne peut plus être saisie après l'expiration du délai de deux mois visé à l'alinéa 1er.
§ 3. Lorsque l'autorité de contrôle et l'autorité de surveillance sur base consolidée, sont différentes du coordinateur désigné conformément à l'article 10 de la Directive 2002/87/CE, l'accord du coordinateur est, en outre, requis en vue de prendre les décisions visées au présent article.
Les cas de désaccord sont portés, selon le cas, devant l'ABE ou l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles.
Toute décision prise conformément au présent paragraphe est sans préjudice des obligations au titre de la Directive 2002/87/CE ou de la Directive 2009/138/CE.".
Art. 136. In Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling IV, van dezelfde wet, wordt een Onderafdeling II/3 ingevoegd, getiteld "Goedkeuring van en toezicht op financiële holdings en gemengde financiële holdings die onder een andere lidstaat ressorteren wanneer de toezichthouder overeenkomstig artikel 171 als consoliderende toezichthouder is aangewezen".
Art. 136. Dans Livre II, Titre III, Chapitre IV, Section IV, de la même loi, il est insérée une Sous-section II/3 intitulée "Approbation et supervision des compagnies financières et des compagnies financières mixtes relevant du droit d'un autre Etat membre lorsque l'autorité de contrôle est désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée conformément à l'article 171".
Art. 137. In Onderafdeling II/3, ingevoegd bij artikel 136, wordt een artikel 212/9 ingevoegd, luidende:
"Art. 212/9. § 1. Wanneer de toezichthouder met toepassing van artikel 171 als consoliderende toezichthouder is aangewezen voor het toezicht op een groep waartoe een financiële moederholding of een gemengde financiële moederholding behoort die in een andere lidstaat is gevestigd, werken de toezichthouder en de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd, nauw samen en plegen ze overleg om beslissingen te nemen over de financiële holding of de gemengde financiële holding in de vorm van gezamenlijke beslissingen, waaronder de beslissingen als bedoeld in de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, leden 3, 4, 6 en 7 van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waar de financiële holding of de gemengde financiële holding is gevestigd.
Bij de uitoefening van zijn toezichtsopdracht, met toepassing van de bijzondere modaliteiten die eventueel zijn overeengekomen tussen de betrokken autoriteiten om het overleg te vergemakkelijken, zendt de toezichthouder zijn beoordeling van de situatie van de financiële holding of de gemengde financiële holding en de voorgenomen beslissing naar de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de financiële holding of de gemengde financiële holding is gevestigd.
De twee autoriteiten stellen alles in het werk om tot een gezamenlijke beslissing te komen binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van de beoordeling die door de toezichthouder is opgesteld.
De gezamenlijke beslissing wordt door de toezichthouder ter kennis gebracht van de financiële holding of de gemengde financiële holding.
De beslissing over de goedkeuringsaanvraag wordt door de toezichthouder ter kennis gebracht van de aanvrager binnen vier maanden na indiening van de aanvraag, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen vier maanden na ontvangst van een volledig dossier, doch uiterlijk zes maanden na indiening van de aanvraag.
§ 2. Als er geen overeenstemming wordt bereikt die het mogelijk maakt een gezamenlijke beslissing vast te stellen, nemen de betrokken autoriteiten geen beslissing en leggen zij de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voor.
De betrokken autoriteiten nemen een gezamenlijke beslissing in overeenstemming met de beslissing van de EBA.
De zaak kan niet meer aan de EBA worden voorgelegd na afloop van de in paragraaf 1, derde lid bedoelde periode van twee maanden.
§ 3. Indien noch de toezichthouder, noch de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd, de coördinator is die in overeenstemming met artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG is aangewezen, is bovendien de instemming van de coördinator vereist voor het nemen van beslissingen als bedoeld in dit artikel.
Geschillen worden al naargelang aan de EBA of aan de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen voorgelegd.
Overeenkomstig deze paragraaf genomen beslissingen laten de verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2002/87/EG of Richtlijn 2009/138/EG onverlet.".
"Art. 212/9. § 1. Wanneer de toezichthouder met toepassing van artikel 171 als consoliderende toezichthouder is aangewezen voor het toezicht op een groep waartoe een financiële moederholding of een gemengde financiële moederholding behoort die in een andere lidstaat is gevestigd, werken de toezichthouder en de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd, nauw samen en plegen ze overleg om beslissingen te nemen over de financiële holding of de gemengde financiële holding in de vorm van gezamenlijke beslissingen, waaronder de beslissingen als bedoeld in de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, leden 3, 4, 6 en 7 van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waar de financiële holding of de gemengde financiële holding is gevestigd.
Bij de uitoefening van zijn toezichtsopdracht, met toepassing van de bijzondere modaliteiten die eventueel zijn overeengekomen tussen de betrokken autoriteiten om het overleg te vergemakkelijken, zendt de toezichthouder zijn beoordeling van de situatie van de financiële holding of de gemengde financiële holding en de voorgenomen beslissing naar de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de financiële holding of de gemengde financiële holding is gevestigd.
De twee autoriteiten stellen alles in het werk om tot een gezamenlijke beslissing te komen binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van de beoordeling die door de toezichthouder is opgesteld.
De gezamenlijke beslissing wordt door de toezichthouder ter kennis gebracht van de financiële holding of de gemengde financiële holding.
De beslissing over de goedkeuringsaanvraag wordt door de toezichthouder ter kennis gebracht van de aanvrager binnen vier maanden na indiening van de aanvraag, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen vier maanden na ontvangst van een volledig dossier, doch uiterlijk zes maanden na indiening van de aanvraag.
§ 2. Als er geen overeenstemming wordt bereikt die het mogelijk maakt een gezamenlijke beslissing vast te stellen, nemen de betrokken autoriteiten geen beslissing en leggen zij de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voor.
De betrokken autoriteiten nemen een gezamenlijke beslissing in overeenstemming met de beslissing van de EBA.
De zaak kan niet meer aan de EBA worden voorgelegd na afloop van de in paragraaf 1, derde lid bedoelde periode van twee maanden.
§ 3. Indien noch de toezichthouder, noch de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd, de coördinator is die in overeenstemming met artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG is aangewezen, is bovendien de instemming van de coördinator vereist voor het nemen van beslissingen als bedoeld in dit artikel.
Geschillen worden al naargelang aan de EBA of aan de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen voorgelegd.
Overeenkomstig deze paragraaf genomen beslissingen laten de verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2002/87/EG of Richtlijn 2009/138/EG onverlet.".
Art. 137. Dans la Sous-section II/3, insérée par l'article 136, il est inséré un article 212/9 rédigé comme suit :
"Art. 212/9. § 1er. Lorsque l'autorité de contrôle est désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée en application de l'article 171 pour la surveillance d'un groupe comprenant une compagnie financière mère ou d'une compagnie financière mixte mère établie dans un autre Etat membre, l'autorité de contrôle et l'autorité compétente de l'Etat membre où la compagnie financière ou la compagnie financière mixte est établie travaillent en étroite collaboration et se concertent en vue d'adopter les décisions relatives à ladite compagnie financière ou compagnie financière mixte sous la forme de décisions communes, notamment les décisions visées dans la législation de l'Etat membre où la compagnie financière ou la compagnie financière mixte est établie prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphes 3, 4, 6 et 7 de la Directive 2013/36/UE.
Dans l'exercice de sa mission de surveillance, moyennant les modalités particulières éventuellement convenues entre les autorités concernées en vue de rendre la concertation plus effective, l'autorité de contrôle communique son évaluation de la situation de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte et la décision envisagée à l'autorité compétente de l'Etat membre où la compagnie financière ou la compagnie financière mixte est établie.
Les deux autorités mettent tout en oeuvre pour parvenir à une décision commune, dans un délai de deux mois suivant la réception de l'évaluation établie par l'autorité de contrôle.
La décision commune est notifiée par l'autorité de contrôle à la compagnie financière ou la compagnie financière mixte.
S'agissant de la décision relative à la demande d'approbation, l'autorité de contrôle notifie sa décision au demandeur dans un délai de quatre mois à compter de l'introduction de la demande ou, lorsque la demande est incomplète, dans un délai de quatre mois à compter de la réception d'un dossier complet, sans que ce délai ne puisse dépasser un délai de six mois à compter de l'introduction de la demande.
§ 2. En cas d'absence d'accord permettant d'établir une décision commune, les autorités concernées s'abstiennent de prendre une décision et saisissent l'ABE, conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
Les autorités concernées prennent une décision commune en conformité avec la décision de l'ABE.
L'ABE ne peut plus être saisie après l'expiration du délai de deux mois visé au paragraphe 1er, alinéa 3.
§ 3. Lorsque l'autorité de contrôle et l'autorité compétente de l'Etat membre où la compagnie financière ou la compagnie financière mixte est établie sont différentes du coordinateur désigné conformément à l'article 10 de la Directive 2002/87/CE, l'accord du coordinateur est, en outre, requis aux fins des décisions visées au présent article.
Les cas de désaccord, sont portés, selon le cas, devant l'ABE ou l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles.
Toute décision prise conformément au présent paragraphe est sans préjudice des obligations au titre de la Directive 2002/87/CE ou de la Directive 2009/138/CE.".
"Art. 212/9. § 1er. Lorsque l'autorité de contrôle est désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée en application de l'article 171 pour la surveillance d'un groupe comprenant une compagnie financière mère ou d'une compagnie financière mixte mère établie dans un autre Etat membre, l'autorité de contrôle et l'autorité compétente de l'Etat membre où la compagnie financière ou la compagnie financière mixte est établie travaillent en étroite collaboration et se concertent en vue d'adopter les décisions relatives à ladite compagnie financière ou compagnie financière mixte sous la forme de décisions communes, notamment les décisions visées dans la législation de l'Etat membre où la compagnie financière ou la compagnie financière mixte est établie prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphes 3, 4, 6 et 7 de la Directive 2013/36/UE.
Dans l'exercice de sa mission de surveillance, moyennant les modalités particulières éventuellement convenues entre les autorités concernées en vue de rendre la concertation plus effective, l'autorité de contrôle communique son évaluation de la situation de la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte et la décision envisagée à l'autorité compétente de l'Etat membre où la compagnie financière ou la compagnie financière mixte est établie.
Les deux autorités mettent tout en oeuvre pour parvenir à une décision commune, dans un délai de deux mois suivant la réception de l'évaluation établie par l'autorité de contrôle.
La décision commune est notifiée par l'autorité de contrôle à la compagnie financière ou la compagnie financière mixte.
S'agissant de la décision relative à la demande d'approbation, l'autorité de contrôle notifie sa décision au demandeur dans un délai de quatre mois à compter de l'introduction de la demande ou, lorsque la demande est incomplète, dans un délai de quatre mois à compter de la réception d'un dossier complet, sans que ce délai ne puisse dépasser un délai de six mois à compter de l'introduction de la demande.
§ 2. En cas d'absence d'accord permettant d'établir une décision commune, les autorités concernées s'abstiennent de prendre une décision et saisissent l'ABE, conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
Les autorités concernées prennent une décision commune en conformité avec la décision de l'ABE.
L'ABE ne peut plus être saisie après l'expiration du délai de deux mois visé au paragraphe 1er, alinéa 3.
§ 3. Lorsque l'autorité de contrôle et l'autorité compétente de l'Etat membre où la compagnie financière ou la compagnie financière mixte est établie sont différentes du coordinateur désigné conformément à l'article 10 de la Directive 2002/87/CE, l'accord du coordinateur est, en outre, requis aux fins des décisions visées au présent article.
Les cas de désaccord, sont portés, selon le cas, devant l'ABE ou l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles.
Toute décision prise conformément au présent paragraphe est sans préjudice des obligations au titre de la Directive 2002/87/CE ou de la Directive 2009/138/CE.".
Art. 138. In dezelfde Onderafdeling II/3 wordt een artikel 212/10 ingevoegd, luidende:
"Art. 212/10. De toezichthouder deelt de van een financiële holding of gemengde financiële holding verkregen informatie met de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd.".
"Art. 212/10. De toezichthouder deelt de van een financiële holding of gemengde financiële holding verkregen informatie met de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd.".
Art. 138. Dans la même Sous-section II/3, il est inséré un article 212/10 rédigé comme suit :
"Art. 212/10. L'autorité de contrôle partage les informations obtenues d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte avec l'autorité compétente de l'Etat membre où celle-ci est établie.".
"Art. 212/10. L'autorité de contrôle partage les informations obtenues d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte avec l'autorité compétente de l'Etat membre où celle-ci est établie.".
Art. 139. In dezelfde Onderafdeling II/3 wordt een artikel 212/11 ingevoegd, luidende:
"Art. 212/11. De toezichthouder houdt toezicht op de naleving van de voorwaarden waarin voorzien is in de wetgeving van de lidstaat waar de financiële holding of de gemengde financiële holding is gevestigd voor het verkrijgen van goedkeuring of om vrijgesteld te worden van goedkeuring en van alle andere vereisten die op geconsolideerde basis zijn vastgelegd in deze wetgeving tot omzetting van Richtlijn 2013/36/EU of in Verordening nr. 575/2013.
In geval van niet-naleving van deze vereisten nemen de betrokken autoriteiten, volgens de in artikel 212/9 vervatte procedure en regels, de maatregelen voorgeschreven door de wetgeving van de lidstaat waar de financiële holding of de gemengde financiële holding is gevestigd, teneinde de naleving van deze vereisten en de continuïteit en de integriteit van het toezicht op geconsolideerde basis te waarborgen of te herstellen. In het geval van een gemengde financiële holding wordt rekening gehouden met de effecten van die maatregelen op het financieel conglomeraat.".
"Art. 212/11. De toezichthouder houdt toezicht op de naleving van de voorwaarden waarin voorzien is in de wetgeving van de lidstaat waar de financiële holding of de gemengde financiële holding is gevestigd voor het verkrijgen van goedkeuring of om vrijgesteld te worden van goedkeuring en van alle andere vereisten die op geconsolideerde basis zijn vastgelegd in deze wetgeving tot omzetting van Richtlijn 2013/36/EU of in Verordening nr. 575/2013.
In geval van niet-naleving van deze vereisten nemen de betrokken autoriteiten, volgens de in artikel 212/9 vervatte procedure en regels, de maatregelen voorgeschreven door de wetgeving van de lidstaat waar de financiële holding of de gemengde financiële holding is gevestigd, teneinde de naleving van deze vereisten en de continuïteit en de integriteit van het toezicht op geconsolideerde basis te waarborgen of te herstellen. In het geval van een gemengde financiële holding wordt rekening gehouden met de effecten van die maatregelen op het financieel conglomeraat.".
Art. 139. Dans la même Sous-section II/3, il est inséré un article 212/11 rédigé comme suit :
"Art. 212/11. L'autorité de contrôle effectue le suivi du respect des conditions prévues par la législation de l'Etat où est située la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte concernant l'approbation ou la dispense d'approbation et de toutes autres exigences prévues par cette législation en vue de transposer la Directive 2013/36/UE ou par le Règlement n° 575/2013 sur base consolidée.
En cas de non-respect de ces exigences, les autorités concernées adoptent, selon la procédure et les modalités énoncées à l'article 212/9, les mesures prévues par la législation de l'Etat où est située la compagnie financière ou la compagnie financière mixte, pour assurer ou restaurer le respect de ces exigences ainsi que la continuité et l'intégrité de la surveillance sur base consolidée. Dans le cas d'une compagnie financière mixte, il est tenu compte des effets de ces mesures sur le conglomérat financier.".
"Art. 212/11. L'autorité de contrôle effectue le suivi du respect des conditions prévues par la législation de l'Etat où est située la compagnie financière ou de la compagnie financière mixte concernant l'approbation ou la dispense d'approbation et de toutes autres exigences prévues par cette législation en vue de transposer la Directive 2013/36/UE ou par le Règlement n° 575/2013 sur base consolidée.
En cas de non-respect de ces exigences, les autorités concernées adoptent, selon la procédure et les modalités énoncées à l'article 212/9, les mesures prévues par la législation de l'Etat où est située la compagnie financière ou la compagnie financière mixte, pour assurer ou restaurer le respect de ces exigences ainsi que la continuité et l'intégrité de la surveillance sur base consolidée. Dans le cas d'une compagnie financière mixte, il est tenu compte des effets de ces mesures sur le conglomérat financier.".
Art. 140. In artikel 213, § 1, derde lid van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 13 maart 2016, worden in de Nederlandse tekst de woorden "het geconsolideerde toezicht" vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 140. Dans l'article 213, § 1er, alinéa 3 de la même loi, modifié par la loi du 13 mars 2016, dans le texte néerlandais, les mots "het geconsolideerde toezicht" sont remplacés par les mots "het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 141. In artikel 214, § 1 van dezelfde wet worden in de Nederlandse tekst de woorden "het geconsolideerde toezicht" vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 141. Dans l'article 214, § 1er de la même loi, dans le texte néerlandais, les mots "het geconsolideerde toezicht" sont remplacés par les mots "het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 142. In artikel 215, 1°, van dezelfde wet worden in de Nederlandse tekst de woorden "het geconsolideerde toezicht" telkens vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 142. Dans l'article 215, 1°, de la même loi, dans le texte néerlandais, les mots "het geconsolideerde toezicht" sont chaque fois remplacés par les mots "het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 143. In artikel 216 van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de Nederlandse tekst worden de woorden "het geconsolideerde toezicht" telkens vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis";
2° artikel 216 wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende:
" § 6. Dit artikel doet geen afbreuk aan de artikelen 212/9 tot 212/11.".
1° in de Nederlandse tekst worden de woorden "het geconsolideerde toezicht" telkens vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis";
2° artikel 216 wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende:
" § 6. Dit artikel doet geen afbreuk aan de artikelen 212/9 tot 212/11.".
Art. 143. Dans l'article 216 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le texte néerlandais, les mots "het geconsolideerde toezicht" sont chaque fois remplacés par les mots "het toezicht op geconsolideerde basis" ;
2° l'article 216 est complété par un paragraphe 6 rédigé comme suit :
" § 6. Le présent article ne porte pas préjudice aux articles 212/9 à 212/11.".
1° dans le texte néerlandais, les mots "het geconsolideerde toezicht" sont chaque fois remplacés par les mots "het toezicht op geconsolideerde basis" ;
2° l'article 216 est complété par un paragraphe 6 rédigé comme suit :
" § 6. Le présent article ne porte pas préjudice aux articles 212/9 à 212/11.".
Art. 144. In artikel 217, § 1, eerste lid van dezelfde wet, laatstlijk gewijzigd bij de wet van 13 maart 2016, van worden in de Nederlandse tekst de woorden "het geconsolideerde toezicht" vervangen door de woorden "het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 144. Dans l'article 217, § 1er, alinéa 1er de la même loi, modifié par la loi du 13 mars 2016, dans le texte néerlandais, les mots "het geconsolideerde toezicht" sont remplacés par les mots "het toezicht op geconsolideerde basis".
Art. 145. Artikel 218 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 218. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder of coördinator stelt de toezichthouder lijsten op van respectievelijk de goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings die betrokken zijn in het door hem uitgeoefende geconsolideerde toezicht, en van de gemengde financiële holdings die betrokken zijn bij het door hem uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht.
De toezichthouder stelt eveneens lijsten op van de goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en de gemengde financiële holdings naar Belgisch recht voor dewelke een andere bevoegde autoriteit dan de toezichthouder is aangewezen respectievelijk als de consoliderende toezichthouder overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU en als de coördinator overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG.
Hij maakt deze lijsten over aan de betrokken bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten, aan de EBA voor het toezicht op geconsolideerde basis en aan de EBA en de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen voor het aanvullende conglomeraatstoezicht, en aan de Europese Commissie.".
"Art. 218. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder of coördinator stelt de toezichthouder lijsten op van respectievelijk de goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings die betrokken zijn in het door hem uitgeoefende geconsolideerde toezicht, en van de gemengde financiële holdings die betrokken zijn bij het door hem uitgeoefende aanvullende conglomeraatstoezicht.
De toezichthouder stelt eveneens lijsten op van de goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en de gemengde financiële holdings naar Belgisch recht voor dewelke een andere bevoegde autoriteit dan de toezichthouder is aangewezen respectievelijk als de consoliderende toezichthouder overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU en als de coördinator overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG.
Hij maakt deze lijsten over aan de betrokken bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten, aan de EBA voor het toezicht op geconsolideerde basis en aan de EBA en de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen voor het aanvullende conglomeraatstoezicht, en aan de Europese Commissie.".
Art. 145. L'Article 218 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 218. L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de contrôle sur base consolidée ou de coordinateur, établit des listes respectivement des compagnies financières et des compagnies financières mixtes approuvées et désignées incluses dans le contrôle sur base consolidée exercé par elle, et des compagnies financières mixtes concernées par la surveillance complémentaire du conglomérat exercée par elle.
L'autorité de contrôle établit également des listes des compagnies financières et des compagnies financières mixtes approuvées et désignées de droit belge pour lesquelles une autre autorité compétente que l'autorité de contrôle est respectivement désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée conformément à l'article 111 de la Directive 2013/36/UE et coordinateur conformément à l'article 10 de la Directive 2002/87/CE.
Elle communique ces listes aux autorités compétentes concernées des autres Etats membres, à l'ABE pour le contrôle sur base consolidée ou à l'ABE et à l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles pour la surveillance complémentaire du conglomérat, et à la Commission européenne.".
"Art. 218. L'autorité de contrôle, en sa qualité d'autorité de contrôle sur base consolidée ou de coordinateur, établit des listes respectivement des compagnies financières et des compagnies financières mixtes approuvées et désignées incluses dans le contrôle sur base consolidée exercé par elle, et des compagnies financières mixtes concernées par la surveillance complémentaire du conglomérat exercée par elle.
L'autorité de contrôle établit également des listes des compagnies financières et des compagnies financières mixtes approuvées et désignées de droit belge pour lesquelles une autre autorité compétente que l'autorité de contrôle est respectivement désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée conformément à l'article 111 de la Directive 2013/36/UE et coordinateur conformément à l'article 10 de la Directive 2002/87/CE.
Elle communique ces listes aux autorités compétentes concernées des autres Etats membres, à l'ABE pour le contrôle sur base consolidée ou à l'ABE et à l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles pour la surveillance complémentaire du conglomérat, et à la Commission européenne.".
Art. 146. In Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling IV van dezelfde wet, wordt het opschrift van Onderafdeling IV vervangen als volgt: "Onderafdeling IV. Moederondernemingen die onder het recht van een derde land ressorteren".
Art. 146. Dans le Livre II, Titre III, Chapitre IV, Section IV de la même loi, l'intitulé de la Sous-section IV est remplacé par ce qui suit : "Sous-section IV. Les entreprises mères qui relèvent du droit d'un pays tiers".
Art. 147. In Onderafdeling 4, waarvan het opschrift wordt vervangen bij artikel 146, wordt een artikel 218/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 218/1. § 1. Kredietinstellingen naar Belgisch recht waarvan de moederonderneming onder het recht van een derde land ressorteert, moeten aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° de kredietinstelling is in handen van een intermediaire EER-moederonderneming;
2° de kredietinstelling is zelf een intermediaire EER-moederonderneming;
3° de kredietinstelling behoort tot een groep uit een derde land die geen andere EER-dochterondernemingen heeft die een kredietinstelling, een beleggingsonderneming, een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding of gemengde financiële holding zijn;
4° de kredietinstelling behoort tot een groep uit een derde land waarvan de totale waarde van de activa in de EER minder bedraagt dan 40 miljard euro.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel is de totale waarde van de activa in de EER van een groep uit een derde land de som van het volgende:
1° de totale waarde van de activa van elke kredietinstelling en -beleggingsonderneming in de EER die deel uitmaakt van de groep uit een derde land, zoals die blijkt uit haar geconsolideerde balans of, bij ontstentenis daarvan, zoals die blijkt uit haar afzonderlijke balansen; en
2° de totale waarde van de activa van elk bijkantoor van de groep uit een derde land waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend in overeenstemming met Richtlijn 2013/36/EU, Verordening nr. 600/2014 of Richtlijn 2014/65/EU.".
"Art. 218/1. § 1. Kredietinstellingen naar Belgisch recht waarvan de moederonderneming onder het recht van een derde land ressorteert, moeten aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
1° de kredietinstelling is in handen van een intermediaire EER-moederonderneming;
2° de kredietinstelling is zelf een intermediaire EER-moederonderneming;
3° de kredietinstelling behoort tot een groep uit een derde land die geen andere EER-dochterondernemingen heeft die een kredietinstelling, een beleggingsonderneming, een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding of gemengde financiële holding zijn;
4° de kredietinstelling behoort tot een groep uit een derde land waarvan de totale waarde van de activa in de EER minder bedraagt dan 40 miljard euro.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel is de totale waarde van de activa in de EER van een groep uit een derde land de som van het volgende:
1° de totale waarde van de activa van elke kredietinstelling en -beleggingsonderneming in de EER die deel uitmaakt van de groep uit een derde land, zoals die blijkt uit haar geconsolideerde balans of, bij ontstentenis daarvan, zoals die blijkt uit haar afzonderlijke balansen; en
2° de totale waarde van de activa van elk bijkantoor van de groep uit een derde land waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend in overeenstemming met Richtlijn 2013/36/EU, Verordening nr. 600/2014 of Richtlijn 2014/65/EU.".
Art. 147. Dans la Sous-section 4, dont l'intitulé est modifié par l'article 146, il est inséré un article 218/1 rédigé comme suit :
"Art. 218/1. § 1er. Tout établissement de crédit de droit belge, dont l'entreprise mère relève du droit d'un pays tiers, doit répondre à l'une des conditions suivantes :
1° l'établissement de crédit est détenu par une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE ;
2° l'établissement de crédit est lui-même une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE ;
3° l'établissement de crédit appartient à un groupe de pays tiers ne détenant pas d'autres filiales dans l'EEE qui sont un établissement de crédit, une entreprise d'investissement, une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée ;
4° l'établissement de crédit appartient à un groupe de pays tiers dont la valeur totale des actifs dans l'EEE est inférieure à 40 milliards d'euros.
§ 2. Pour l'application du présent article, la valeur totale des actifs dans l'EEE d'un groupe de pays tiers est la somme des éléments suivants :
1° la valeur totale des actifs de chaque établissement de crédit et entreprise d'investissement dans l'EEE faisant partie du groupe de pays tiers, telle qu'elle ressort du bilan consolidé ou, en son absence, des bilans individuels ; et
2° la valeur totale des actifs de chaque succursale du groupe de pays tiers ayant reçu un agrément dans un Etat membre conformément à la Directive 2013/36/UE, au Règlement n° 600/2014 ou à la Directive 2014/65/UE.".
"Art. 218/1. § 1er. Tout établissement de crédit de droit belge, dont l'entreprise mère relève du droit d'un pays tiers, doit répondre à l'une des conditions suivantes :
1° l'établissement de crédit est détenu par une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE ;
2° l'établissement de crédit est lui-même une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE ;
3° l'établissement de crédit appartient à un groupe de pays tiers ne détenant pas d'autres filiales dans l'EEE qui sont un établissement de crédit, une entreprise d'investissement, une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée ;
4° l'établissement de crédit appartient à un groupe de pays tiers dont la valeur totale des actifs dans l'EEE est inférieure à 40 milliards d'euros.
§ 2. Pour l'application du présent article, la valeur totale des actifs dans l'EEE d'un groupe de pays tiers est la somme des éléments suivants :
1° la valeur totale des actifs de chaque établissement de crédit et entreprise d'investissement dans l'EEE faisant partie du groupe de pays tiers, telle qu'elle ressort du bilan consolidé ou, en son absence, des bilans individuels ; et
2° la valeur totale des actifs de chaque succursale du groupe de pays tiers ayant reçu un agrément dans un Etat membre conformément à la Directive 2013/36/UE, au Règlement n° 600/2014 ou à la Directive 2014/65/UE.".
Art. 148. In dezelfde Onderafdeling IV wordt een artikel 218/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 218/2. § 1. Kredietinstellingen als bedoeld in artikel 218/1, § 1, 1° moeten in handen zijn van een intermediaire EER-moederonderneming die alle dochterondernemingen in de EER van de groep uit een derde land bezit die kredietinstellingen, beleggingsondernemingen, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings zijn.
Kredietinstellingen als bedoeld in artikel 218/1, § 1, 2°, bezitten alle dochterondernemingen in de EER van de groep uit een derde land die kredietinstellingen, beleggingsondernemingen, goedgekeurde en aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings zijn.
§ 2. De toezichthouder, in voorkomend geval bij onderlinge overeenkomst met de andere betrokken bevoegde autoriteiten, kan toestaan dat een groep uit een derde land twee intermediaire EER-moederondernemingen opricht, wanneer de oprichting van slechts een enkele intermediaire EER-moederonderneming:
1° niet in overeenstemming zou zijn met een verplicht voorschrift inzake scheiding van activiteiten dat wordt opgelegd bij reglementaire bepalingen of door de toezichthouder van het derde land waar de uiteindelijke moederonderneming van de groep uit een derde land haar hoofdbestuur heeft; of
2° volgens de afwikkelingsautoriteit die bevoegd is voor de intermediaire EER-moederonderneming, de afwikkelbaarheid minder doeltreffend zou maken dan wanneer er twee intermediaire EER-moederondernemingen zouden zijn.
Bij verschil van mening kan de toezichthouder de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen en om haar bijstand verzoeken.
§ 3. De intermediaire EER-moederonderneming als bedoeld in artikel 218/1, § 1, 1°, dient overeenkomstig artikel 7 of overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat een vergunning als kredietinstelling te hebben verkregen of moet een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding zijn.
Wanneer er overeenkomstig paragraaf 2, 1°, een tweede intermediaire EER-moederonderneming mag worden opgericht, mag, in afwijking van het eerste lid, een van de intermediaire moederondernemingen een beleggingsonderneming zijn die overeenkomstig artikel 6 van de wet van 25 oktober 2016 of overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat een vergunning heeft verkregen en die onderworpen is aan Richtlijn 2014/59/EU.
§ 4. De toezichthouder stelt de EBA in kennis van de volgende informatie betreffende elke groep uit een derde land die in België actief is:
1° de naam en de totale waarde van de activa van de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen naar Belgisch recht en de naam van de Belgische goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings, die behoren tot een groep uit een derde land;
2° de naam van de kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die een bijkantoor hebben waaraan in België een vergunning is verleend overeenkomstig deze wet, de wet van 25 oktober 2016 of Verordening nr. 600/2014, en de totale waarde van hun activa in België evenals de activiteiten die zij op grond van hun vergunning mogen uitoefenen;
3° de naam en het wettelijk toezichtsstatuut van de intermediaire EER-moederondernemingen naar Belgisch recht in het licht van de criteria van paragraaf 3 en de naam van de groep uit een derde land waar zij deel van uitmaken."
"Art. 218/2. § 1. Kredietinstellingen als bedoeld in artikel 218/1, § 1, 1° moeten in handen zijn van een intermediaire EER-moederonderneming die alle dochterondernemingen in de EER van de groep uit een derde land bezit die kredietinstellingen, beleggingsondernemingen, goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings zijn.
Kredietinstellingen als bedoeld in artikel 218/1, § 1, 2°, bezitten alle dochterondernemingen in de EER van de groep uit een derde land die kredietinstellingen, beleggingsondernemingen, goedgekeurde en aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings zijn.
§ 2. De toezichthouder, in voorkomend geval bij onderlinge overeenkomst met de andere betrokken bevoegde autoriteiten, kan toestaan dat een groep uit een derde land twee intermediaire EER-moederondernemingen opricht, wanneer de oprichting van slechts een enkele intermediaire EER-moederonderneming:
1° niet in overeenstemming zou zijn met een verplicht voorschrift inzake scheiding van activiteiten dat wordt opgelegd bij reglementaire bepalingen of door de toezichthouder van het derde land waar de uiteindelijke moederonderneming van de groep uit een derde land haar hoofdbestuur heeft; of
2° volgens de afwikkelingsautoriteit die bevoegd is voor de intermediaire EER-moederonderneming, de afwikkelbaarheid minder doeltreffend zou maken dan wanneer er twee intermediaire EER-moederondernemingen zouden zijn.
Bij verschil van mening kan de toezichthouder de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorleggen en om haar bijstand verzoeken.
§ 3. De intermediaire EER-moederonderneming als bedoeld in artikel 218/1, § 1, 1°, dient overeenkomstig artikel 7 of overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat een vergunning als kredietinstelling te hebben verkregen of moet een goedgekeurde of aangewezen financiële holding of gemengde financiële holding zijn.
Wanneer er overeenkomstig paragraaf 2, 1°, een tweede intermediaire EER-moederonderneming mag worden opgericht, mag, in afwijking van het eerste lid, een van de intermediaire moederondernemingen een beleggingsonderneming zijn die overeenkomstig artikel 6 van de wet van 25 oktober 2016 of overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat een vergunning heeft verkregen en die onderworpen is aan Richtlijn 2014/59/EU.
§ 4. De toezichthouder stelt de EBA in kennis van de volgende informatie betreffende elke groep uit een derde land die in België actief is:
1° de naam en de totale waarde van de activa van de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen naar Belgisch recht en de naam van de Belgische goedgekeurde of aangewezen financiële holdings en gemengde financiële holdings, die behoren tot een groep uit een derde land;
2° de naam van de kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die een bijkantoor hebben waaraan in België een vergunning is verleend overeenkomstig deze wet, de wet van 25 oktober 2016 of Verordening nr. 600/2014, en de totale waarde van hun activa in België evenals de activiteiten die zij op grond van hun vergunning mogen uitoefenen;
3° de naam en het wettelijk toezichtsstatuut van de intermediaire EER-moederondernemingen naar Belgisch recht in het licht van de criteria van paragraaf 3 en de naam van de groep uit een derde land waar zij deel van uitmaken."
Art. 148. Dans la même Sous-section IV, il est inséré un article 218/2 rédigé comme suit :
"Art. 218/2. § 1er. Chaque établissement de crédit visé à l'article 218/1, § 1er, 1°, doit être détenu par une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE, détenant l'ensemble des filiales dans l'EEE du groupe de pays tiers qui sont des établissements de crédit, des entreprises d'investissement, des compagnies financières et des compagnies financières mixtes approuvées et désignées.
Chaque établissement de crédit visé à l'article 218/1, § 1er, 2°, détient l'ensemble des filiales dans l'EEE du groupe de pays tiers qui sont des établissements de crédit, des entreprises d'investissement, des compagnies financières et des compagnies financières mixtes approuvées et désignées.
§ 2. L'autorité de contrôle, le cas échéant en commun accord avec les autres autorités compétentes concernées, peut autoriser un groupe de pays tiers à constituer deux entreprises mère intermédiaires établies dans l'EEE, si l'établissement d'une entreprise mère intermédiaire unique dans l'EEE :
1° serait incompatible avec une obligation de séparation des activités imposée par les dispositions réglementaires ou par l'autorité de surveillance du pays tiers où l'entreprise mère ultime du groupe de pays tiers a son administration centrale ; ou
2° rendrait, à l'estime de l'autorité de résolution compétente pour l'entreprise mère intermédiaire dans l'EEE, la résolvabilité moins efficace que s'il y avait deux entreprises mères intermédiaires dans l'EEE.
En cas de désaccord, autorité de contrôle peut saisir l'ABE et demander son assistance en vertu de l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
§ 3. L'entreprise mère intermédiaire dans l'EEE visée à l'article 218/1, § 1er, 1°, doit être agréée en qualité d'établissement de crédit conformément à l'article 7 ou à la législation d'un autre Etat membre, ou être une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsqu'une deuxième entreprise mère intermédiaire dans l'EEE peut être établie conformément au paragraphe 2, 1°, l'une des entreprises mère intermédiaires peut être une entreprise d'investissement qui est agréée conformément à l'article 6 de la loi du 25 octobre 2016 ou à la législation d'un autre Etat membre, et qui est soumise à la Directive 2014/59/UE.
§ 4. L'autorité de contrôle notifie à l'ABE les informations suivantes concernant tout groupe de pays tiers qui opère en Belgique :
1° la dénomination et la valeur totale des actifs des établissements de crédit et des entreprises d'investissement de droit belge ainsi que la dénomination des compagnies financières et des compagnies financières mixtes belges approuvées ou désignées, appartenant à un groupe de pays tiers ;
2° la dénomination des établissements de crédit et entreprise d'investissement ayant une succursale agréée en Belgique conformément à la présente loi, à la loi du 25 octobre 2016 ou au Règlement no 600/2014, et la valeur totale de leurs actifs en Belgique ainsi que les activités autorisées en vertu de leur agrément ;
3° la dénomination et le statut légal de contrôle des entreprises mères intermédiaires dans l'EEE de droit belge au regard des critères du paragraphe 3, ainsi que la dénomination sous laquelle se présente le groupe de pays tiers auquel elles appartiennent.".
"Art. 218/2. § 1er. Chaque établissement de crédit visé à l'article 218/1, § 1er, 1°, doit être détenu par une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE, détenant l'ensemble des filiales dans l'EEE du groupe de pays tiers qui sont des établissements de crédit, des entreprises d'investissement, des compagnies financières et des compagnies financières mixtes approuvées et désignées.
Chaque établissement de crédit visé à l'article 218/1, § 1er, 2°, détient l'ensemble des filiales dans l'EEE du groupe de pays tiers qui sont des établissements de crédit, des entreprises d'investissement, des compagnies financières et des compagnies financières mixtes approuvées et désignées.
§ 2. L'autorité de contrôle, le cas échéant en commun accord avec les autres autorités compétentes concernées, peut autoriser un groupe de pays tiers à constituer deux entreprises mère intermédiaires établies dans l'EEE, si l'établissement d'une entreprise mère intermédiaire unique dans l'EEE :
1° serait incompatible avec une obligation de séparation des activités imposée par les dispositions réglementaires ou par l'autorité de surveillance du pays tiers où l'entreprise mère ultime du groupe de pays tiers a son administration centrale ; ou
2° rendrait, à l'estime de l'autorité de résolution compétente pour l'entreprise mère intermédiaire dans l'EEE, la résolvabilité moins efficace que s'il y avait deux entreprises mères intermédiaires dans l'EEE.
En cas de désaccord, autorité de contrôle peut saisir l'ABE et demander son assistance en vertu de l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
§ 3. L'entreprise mère intermédiaire dans l'EEE visée à l'article 218/1, § 1er, 1°, doit être agréée en qualité d'établissement de crédit conformément à l'article 7 ou à la législation d'un autre Etat membre, ou être une compagnie financière ou une compagnie financière mixte approuvée ou désignée.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsqu'une deuxième entreprise mère intermédiaire dans l'EEE peut être établie conformément au paragraphe 2, 1°, l'une des entreprises mère intermédiaires peut être une entreprise d'investissement qui est agréée conformément à l'article 6 de la loi du 25 octobre 2016 ou à la législation d'un autre Etat membre, et qui est soumise à la Directive 2014/59/UE.
§ 4. L'autorité de contrôle notifie à l'ABE les informations suivantes concernant tout groupe de pays tiers qui opère en Belgique :
1° la dénomination et la valeur totale des actifs des établissements de crédit et des entreprises d'investissement de droit belge ainsi que la dénomination des compagnies financières et des compagnies financières mixtes belges approuvées ou désignées, appartenant à un groupe de pays tiers ;
2° la dénomination des établissements de crédit et entreprise d'investissement ayant une succursale agréée en Belgique conformément à la présente loi, à la loi du 25 octobre 2016 ou au Règlement no 600/2014, et la valeur totale de leurs actifs en Belgique ainsi que les activités autorisées en vertu de leur agrément ;
3° la dénomination et le statut légal de contrôle des entreprises mères intermédiaires dans l'EEE de droit belge au regard des critères du paragraphe 3, ainsi que la dénomination sous laquelle se présente le groupe de pays tiers auquel elles appartiennent.".
Art. 149. Artikel 219 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 219. § 1. Kredietinstellingen naar Belgisch recht met als moederonderneming
- een moederkredietinstelling, financiële holding of gemengde financiële holding, of
- een gereglementeerde onderneming aan het hoofd van een financieel conglomeraat,
die onder een derde land ressorteert, die niet reeds onderworpen zijn aan of opgenomen zijn in de reikwijdte van het toezicht op geconsolideerde basis, overeenkomstig Afdeling II van dit Hoofdstuk en deze Afdeling of het aanvullende conglomeraatstoezicht, overeenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk en deze Afdeling, uitgeoefend door de toezichthouder of een andere bevoegde autoriteit, worden, naargelang het geval, onverminderd de artikelen 218/1 en 218/2, aan een geconsolideerd toezicht of een aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen volgens de bepalingen van dit artikel.
§ 2. De toezichthouder verifieert of de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstellingen onder een door een autoriteit van een derde land uitgeoefend toezicht vallen dat gelijkwaardig is met:
1° het toezicht op geconsolideerde basis uit hoofde van de bepalingen van Afdeling II van dit Hoofdstuk en deze Afdeling, of
2° het aanvullende conglomeraatstoezicht uit hoofde van de bepalingen van Afdeling III van dit Hoofdstuk en deze Afdeling.
Hij doet dit op eigen initiatief dan wel op verzoek van de in paragraaf 1 bedoelde moederondernemingen of van de kredietinstelling naar Belgisch recht.
Alvorens een beslissing te nemen raadpleegt de toezichthouder de andere eventueel betrokken bevoegde autoriteiten over de al dan niet gelijkwaardigheid van het bedoelde toezicht en, voor wat betreft het toezicht op geconsolideerde basis, ook de EBA.
Aangaande deze gelijkwaardigheid houdt de toezichthouder rekening met:
1° de richtsnoeren die het Europees Comité voor het Bankwezen uitbrengt voor het toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU en Verordening nr. 575/2013;
2° de richtsnoeren opgesteld door het Gemengd Comité overeenkomstig de artikelen 16 en 56 van Verordening nr. 1093/2010, Verordening nr. 1094/2010 of Verordening nr. 1095/2010, over het aanvullende conglomeraatstoezicht, overeenkomstig Richtlijn 2002/87/EG.
§ 3. Indien een andere bevoegde autoriteit dan de toezichthouder op grond van de overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU of artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG als consoliderende toezichthouder of coördinator zou aangewezen zijn, geschieden de in paragraaf 2 bedoelde verificatie en raadpleging door deze andere bevoegde autoriteit en kan de toezichthouder zijn bevindingen en zienswijze over de in paragraaf 1 bedoelde gelijkwaardigheid aan deze andere bevoegde autoriteit meedelen.
Wanneer, wat betreft het aanvullende conglomeraatstoezicht, de toezichthouder van mening verschilt over een door een andere bevoegde autoriteit uit hoofde van het eerste lid genomen besluit, is artikel 19, naargelang het geval, van Verordening nr. 1093/2010, van Verordening nr. 1094/2010 of van Verordening nr. 1095/2010 van toepassing.
§ 4. Indien de procedure in paragrafen 2 en 3 leidt tot de vaststelling dat er geen gelijkwaardigheid is, worden de betrokken kredietinstellingen naar Belgisch recht onderworpen aan een geconsolideerd toezicht of aanvullend conglomeraatstoezicht dat gelijkwaardig is aan dat van de Afdelingen II en III van dit Hoofdstuk en van deze Afdeling, en dat door de toezichthouder wordt uitgeoefend indien hij de bevoegde autoriteit is die zou belast zijn met het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van, respectievelijk, artikel 171 of artikel 196.
Bovendien kan de toezichthouder, na overleg met de andere betrokken bevoegde autoriteiten, ook beslissen een andere passende toezichtsmethode toe te passen die de doelstellingen achter de bepalingen bedoeld in paragraaf 2, eerste lid dient te verwezenlijken.
De toezichthouder kan meer bepaald eisen dat de kredietinstellingen naar Belgisch recht en de eventuele andere gereglementeerde ondernemingen opgericht naar het recht van een lidstaat, worden ondergebracht in een groep met aan het hoofd een financiële holding of gemengde financiële holding opgericht naar het recht van een lidstaat, en dat de volgende wetgeving van toepassing is:
1° de wetgeving tot omzetting van Titel VII, Hoofdstuk III van Richtlijn 2013/36/EU op geconsolideerde basis, in het recht van de lidstaat waar de financiële holding is gevestigd, of
2° de wetgeving tot omzetting van Hoofdstuk II van Richtlijn 2002/87 in het recht van de lidstaat waar de gemengde financiële holding is gevestigd op het niveau van het financiële conglomeraat met aan het hoofd die gemengde financiële holding.
In dat geval stelt de toezichthouder, wanneer hij belast is met het toezicht op geconsolideerde basis of met het aanvullende conglomeraatstoezicht, de andere betrokken bevoegde autoriteiten, de Europese Commissie en, wat betreft het toezicht op geconsolideerde basis, ook de EBA, in kennis van elke beslissing genomen met toepassing van het tweede en het derde lid.
Voor de toepassing van het eerste tot het vierde lid sluit de toezichthouder de nodige overeenkomsten met de betrokken bevoegde autoriteiten.".
"Art. 219. § 1. Kredietinstellingen naar Belgisch recht met als moederonderneming
- een moederkredietinstelling, financiële holding of gemengde financiële holding, of
- een gereglementeerde onderneming aan het hoofd van een financieel conglomeraat,
die onder een derde land ressorteert, die niet reeds onderworpen zijn aan of opgenomen zijn in de reikwijdte van het toezicht op geconsolideerde basis, overeenkomstig Afdeling II van dit Hoofdstuk en deze Afdeling of het aanvullende conglomeraatstoezicht, overeenkomstig Afdeling III van dit Hoofdstuk en deze Afdeling, uitgeoefend door de toezichthouder of een andere bevoegde autoriteit, worden, naargelang het geval, onverminderd de artikelen 218/1 en 218/2, aan een geconsolideerd toezicht of een aanvullend conglomeraatstoezicht onderworpen volgens de bepalingen van dit artikel.
§ 2. De toezichthouder verifieert of de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstellingen onder een door een autoriteit van een derde land uitgeoefend toezicht vallen dat gelijkwaardig is met:
1° het toezicht op geconsolideerde basis uit hoofde van de bepalingen van Afdeling II van dit Hoofdstuk en deze Afdeling, of
2° het aanvullende conglomeraatstoezicht uit hoofde van de bepalingen van Afdeling III van dit Hoofdstuk en deze Afdeling.
Hij doet dit op eigen initiatief dan wel op verzoek van de in paragraaf 1 bedoelde moederondernemingen of van de kredietinstelling naar Belgisch recht.
Alvorens een beslissing te nemen raadpleegt de toezichthouder de andere eventueel betrokken bevoegde autoriteiten over de al dan niet gelijkwaardigheid van het bedoelde toezicht en, voor wat betreft het toezicht op geconsolideerde basis, ook de EBA.
Aangaande deze gelijkwaardigheid houdt de toezichthouder rekening met:
1° de richtsnoeren die het Europees Comité voor het Bankwezen uitbrengt voor het toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU en Verordening nr. 575/2013;
2° de richtsnoeren opgesteld door het Gemengd Comité overeenkomstig de artikelen 16 en 56 van Verordening nr. 1093/2010, Verordening nr. 1094/2010 of Verordening nr. 1095/2010, over het aanvullende conglomeraatstoezicht, overeenkomstig Richtlijn 2002/87/EG.
§ 3. Indien een andere bevoegde autoriteit dan de toezichthouder op grond van de overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU of artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG als consoliderende toezichthouder of coördinator zou aangewezen zijn, geschieden de in paragraaf 2 bedoelde verificatie en raadpleging door deze andere bevoegde autoriteit en kan de toezichthouder zijn bevindingen en zienswijze over de in paragraaf 1 bedoelde gelijkwaardigheid aan deze andere bevoegde autoriteit meedelen.
Wanneer, wat betreft het aanvullende conglomeraatstoezicht, de toezichthouder van mening verschilt over een door een andere bevoegde autoriteit uit hoofde van het eerste lid genomen besluit, is artikel 19, naargelang het geval, van Verordening nr. 1093/2010, van Verordening nr. 1094/2010 of van Verordening nr. 1095/2010 van toepassing.
§ 4. Indien de procedure in paragrafen 2 en 3 leidt tot de vaststelling dat er geen gelijkwaardigheid is, worden de betrokken kredietinstellingen naar Belgisch recht onderworpen aan een geconsolideerd toezicht of aanvullend conglomeraatstoezicht dat gelijkwaardig is aan dat van de Afdelingen II en III van dit Hoofdstuk en van deze Afdeling, en dat door de toezichthouder wordt uitgeoefend indien hij de bevoegde autoriteit is die zou belast zijn met het toezicht op geconsolideerde basis of het aanvullende conglomeraatstoezicht met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van, respectievelijk, artikel 171 of artikel 196.
Bovendien kan de toezichthouder, na overleg met de andere betrokken bevoegde autoriteiten, ook beslissen een andere passende toezichtsmethode toe te passen die de doelstellingen achter de bepalingen bedoeld in paragraaf 2, eerste lid dient te verwezenlijken.
De toezichthouder kan meer bepaald eisen dat de kredietinstellingen naar Belgisch recht en de eventuele andere gereglementeerde ondernemingen opgericht naar het recht van een lidstaat, worden ondergebracht in een groep met aan het hoofd een financiële holding of gemengde financiële holding opgericht naar het recht van een lidstaat, en dat de volgende wetgeving van toepassing is:
1° de wetgeving tot omzetting van Titel VII, Hoofdstuk III van Richtlijn 2013/36/EU op geconsolideerde basis, in het recht van de lidstaat waar de financiële holding is gevestigd, of
2° de wetgeving tot omzetting van Hoofdstuk II van Richtlijn 2002/87 in het recht van de lidstaat waar de gemengde financiële holding is gevestigd op het niveau van het financiële conglomeraat met aan het hoofd die gemengde financiële holding.
In dat geval stelt de toezichthouder, wanneer hij belast is met het toezicht op geconsolideerde basis of met het aanvullende conglomeraatstoezicht, de andere betrokken bevoegde autoriteiten, de Europese Commissie en, wat betreft het toezicht op geconsolideerde basis, ook de EBA, in kennis van elke beslissing genomen met toepassing van het tweede en het derde lid.
Voor de toepassing van het eerste tot het vierde lid sluit de toezichthouder de nodige overeenkomsten met de betrokken bevoegde autoriteiten.".
Art. 149. L'article 219 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 219. § 1er. Sans préjudice des articles 218/1 et 218/2, les établissements de crédit de droit belge dont l'entreprise mère est
- un établissement de crédit mère, une compagnie financière ou une compagnie financière mixte, ou
- une entreprise réglementée à la tête d'un conglomérat financier,
qui relève du droit d'un pays tiers, et qui ne font pas déjà l'objet ou ne relèvent pas encore de la portée du contrôle sur base consolidée conformément à la Section II du présent Chapitre et à la présente Section ou de la surveillance complémentaire des conglomérats conformément à la Section III du présent Chapitre et à la présente Section, exercé par l'autorité de contrôle ou par une autre autorité compétente, sont soumis, selon le cas, à un contrôle sur base consolidée ou à une surveillance complémentaire des conglomérats conformément aux dispositions du présent article.
§ 2. L'autorité de contrôle vérifie si les établissements de crédit visés au paragraphe 1er sont inclus dans le périmètre du contrôle exercé par une autorité d'un pays tiers, équivalent :
1° au contrôle sur base consolidée conformément aux dispositions de la Section II du présent Chapitre et de la présente Section, ou
2° à la surveillance complémentaire des conglomérats conformément aux dispositions de la Section III du présent Chapitre et de la présente Section.
Elle le fait de sa propre initiative ou à la demande des entreprises mères visées au paragraphe 1er ou de l'établissement de crédit de droit belge.
Avant de prendre sa décision, l'autorité de contrôle consulte les autres autorités compétentes le cas échéant concernées sur l'équivalence ou non du contrôle visé et, en ce qui concerne le contrôle sur base consolidée, aussi l'ABE.
En ce qui concerne cette équivalence, l'autorité de contrôle tient compte :
1° des directives émises par le Comité bancaire européen concernant le contrôle sur base consolidée conformément à la Directive 2013/36/UE et au Règlement n° 575/2013 ;
2° des directives établies par le comité mixte conformément aux articles 16 et 56 du Règlement 1093/2010, du Règlement 1094/2010 ou du Règlement 1095/2010, relatives à la surveillance complémentaire des conglomérats conformément à la Directive 2002/87/CE.
§ 3. Si, sur base d'une application par analogie des dispositions de l'article 111 de la Directive 2013/36/UE ou de l'article 10 de la Directive 2002/87/CE, une autre autorité compétente que l'autorité de contrôle était désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée ou de coordinateur, la vérification et la consultation visées au paragraphe 2 doivent être effectuées par cette autre autorité compétente, l'autorité de contrôle pouvant lui communiquer ses constatations et son point de vue sur l'équivalence visée au paragraphe 1er.
Lorsque, en ce qui concerne la surveillance complémentaire du conglomérat, l'autorité de contrôle a un avis différent quant à une décision prise par une autre autorité compétente conformément à l'alinéa 1er, l'article 19, selon le cas, du Règlement n° 1093/2010, du Règlement n° 1094/2010 ou du Règlement n° 1095/2010 s'applique.
§ 4. Si la procédure prévue aux paragraphes 2 et 3 permet de conclure à l'absence d'équivalence, les établissements de crédit de droit belge concernés sont soumis à un contrôle sur base consolidée ou à une surveillance complémentaire des conglomérats analogue à celui des Sections II et III du présent Chapitre et de la présente Section, qui est effectué par l'autorité de contrôle si elle est l'autorité compétente qui serait chargée du contrôle sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire du conglomérat par application par analogie des dispositions respectivement, de l'article 171 ou de l'article 196.
En outre, l'autorité de contrôle peut, après concertation avec les autres autorités compétentes concernées, également décider d'appliquer une autre méthode de contrôle adéquate, laquelle doit réaliser les objectifs des dispositions visées au paragraphe 2, alinéa 1er.
L'autorité de contrôle peut en particulier exiger que les établissements de crédit de droit belge et les éventuelles autres entreprises réglementées constituées selon le droit d'un Etat membre, soient inclus dans un groupe ayant à sa tête une compagnie financière ou une compagnie financière mixte constituée selon le droit d'un Etat membre, et que soient applicables :
1° la législation de l'Etat membre où la compagnie financière est établie, prise en vue de la transposition du Titre VII, Chapitre III de la Directive 2013/36/UE sur la base de la situation consolidée, ou
2° la législation de l'Etat membre où la compagnie financière mixte est établie prise en vue de la transposition du Chapitre II de la Directive 2002/87 au niveau du conglomérat financier ayant à sa tête cette compagnie financière mixte.
Dans ce cas, lorsque l'autorité de contrôle est chargée du contrôle sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire du conglomérat, elle avise les autres autorités compétentes concernées, la Commission européenne et, en ce qui concerne le contrôle sur base consolidée, aussi l'ABE, de toute décision prise en application des alinéas 2 et 3.
Pour l'application des alinéas 1er à 4, l'autorité de contrôle conclut les accords nécessaires avec les autorités compétentes concernées.".
"Art. 219. § 1er. Sans préjudice des articles 218/1 et 218/2, les établissements de crédit de droit belge dont l'entreprise mère est
- un établissement de crédit mère, une compagnie financière ou une compagnie financière mixte, ou
- une entreprise réglementée à la tête d'un conglomérat financier,
qui relève du droit d'un pays tiers, et qui ne font pas déjà l'objet ou ne relèvent pas encore de la portée du contrôle sur base consolidée conformément à la Section II du présent Chapitre et à la présente Section ou de la surveillance complémentaire des conglomérats conformément à la Section III du présent Chapitre et à la présente Section, exercé par l'autorité de contrôle ou par une autre autorité compétente, sont soumis, selon le cas, à un contrôle sur base consolidée ou à une surveillance complémentaire des conglomérats conformément aux dispositions du présent article.
§ 2. L'autorité de contrôle vérifie si les établissements de crédit visés au paragraphe 1er sont inclus dans le périmètre du contrôle exercé par une autorité d'un pays tiers, équivalent :
1° au contrôle sur base consolidée conformément aux dispositions de la Section II du présent Chapitre et de la présente Section, ou
2° à la surveillance complémentaire des conglomérats conformément aux dispositions de la Section III du présent Chapitre et de la présente Section.
Elle le fait de sa propre initiative ou à la demande des entreprises mères visées au paragraphe 1er ou de l'établissement de crédit de droit belge.
Avant de prendre sa décision, l'autorité de contrôle consulte les autres autorités compétentes le cas échéant concernées sur l'équivalence ou non du contrôle visé et, en ce qui concerne le contrôle sur base consolidée, aussi l'ABE.
En ce qui concerne cette équivalence, l'autorité de contrôle tient compte :
1° des directives émises par le Comité bancaire européen concernant le contrôle sur base consolidée conformément à la Directive 2013/36/UE et au Règlement n° 575/2013 ;
2° des directives établies par le comité mixte conformément aux articles 16 et 56 du Règlement 1093/2010, du Règlement 1094/2010 ou du Règlement 1095/2010, relatives à la surveillance complémentaire des conglomérats conformément à la Directive 2002/87/CE.
§ 3. Si, sur base d'une application par analogie des dispositions de l'article 111 de la Directive 2013/36/UE ou de l'article 10 de la Directive 2002/87/CE, une autre autorité compétente que l'autorité de contrôle était désignée en qualité d'autorité de surveillance sur base consolidée ou de coordinateur, la vérification et la consultation visées au paragraphe 2 doivent être effectuées par cette autre autorité compétente, l'autorité de contrôle pouvant lui communiquer ses constatations et son point de vue sur l'équivalence visée au paragraphe 1er.
Lorsque, en ce qui concerne la surveillance complémentaire du conglomérat, l'autorité de contrôle a un avis différent quant à une décision prise par une autre autorité compétente conformément à l'alinéa 1er, l'article 19, selon le cas, du Règlement n° 1093/2010, du Règlement n° 1094/2010 ou du Règlement n° 1095/2010 s'applique.
§ 4. Si la procédure prévue aux paragraphes 2 et 3 permet de conclure à l'absence d'équivalence, les établissements de crédit de droit belge concernés sont soumis à un contrôle sur base consolidée ou à une surveillance complémentaire des conglomérats analogue à celui des Sections II et III du présent Chapitre et de la présente Section, qui est effectué par l'autorité de contrôle si elle est l'autorité compétente qui serait chargée du contrôle sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire du conglomérat par application par analogie des dispositions respectivement, de l'article 171 ou de l'article 196.
En outre, l'autorité de contrôle peut, après concertation avec les autres autorités compétentes concernées, également décider d'appliquer une autre méthode de contrôle adéquate, laquelle doit réaliser les objectifs des dispositions visées au paragraphe 2, alinéa 1er.
L'autorité de contrôle peut en particulier exiger que les établissements de crédit de droit belge et les éventuelles autres entreprises réglementées constituées selon le droit d'un Etat membre, soient inclus dans un groupe ayant à sa tête une compagnie financière ou une compagnie financière mixte constituée selon le droit d'un Etat membre, et que soient applicables :
1° la législation de l'Etat membre où la compagnie financière est établie, prise en vue de la transposition du Titre VII, Chapitre III de la Directive 2013/36/UE sur la base de la situation consolidée, ou
2° la législation de l'Etat membre où la compagnie financière mixte est établie prise en vue de la transposition du Chapitre II de la Directive 2002/87 au niveau du conglomérat financier ayant à sa tête cette compagnie financière mixte.
Dans ce cas, lorsque l'autorité de contrôle est chargée du contrôle sur base consolidée ou de la surveillance complémentaire du conglomérat, elle avise les autres autorités compétentes concernées, la Commission européenne et, en ce qui concerne le contrôle sur base consolidée, aussi l'ABE, de toute décision prise en application des alinéas 2 et 3.
Pour l'application des alinéas 1er à 4, l'autorité de contrôle conclut les accords nécessaires avec les autorités compétentes concernées.".
Art. 150. In artikel 225, eerste lid van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, wordt de bepaling onder 5° vervangen als volgt:
"5° brengen zij de toezichthouder minstens eens per jaar verslag uit over de deugdelijkheid van de maatregelen die de kredietinstelling heeft getroffen ter vrijwaring van de tegoeden van de cliënten met toepassing van de artikelen 65 en 65/1 en, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, van artikel 74/1, en van de op grond van deze bepalingen door de Koning genomen uitvoeringsmaatregelen.".
"5° brengen zij de toezichthouder minstens eens per jaar verslag uit over de deugdelijkheid van de maatregelen die de kredietinstelling heeft getroffen ter vrijwaring van de tegoeden van de cliënten met toepassing van de artikelen 65 en 65/1 en, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, van artikel 74/1, en van de op grond van deze bepalingen door de Koning genomen uitvoeringsmaatregelen.".
Art. 150. Dans l'article 225, alinéa 1er, de la même loi, modifié par la loi du 25 octobre 2016, le 5° est remplacé par ce qui suit :
"5° ils font rapport au moins tous les ans à l'autorité de contrôle sur l'adéquation des dispositions prises par les établissements de crédit pour préserver les avoirs des clients en application des articles 65 et 65/1 et, pour les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, de l'article 74/1, et des mesures d'exécution prises par le Roi en vertu desdites dispositions.".
"5° ils font rapport au moins tous les ans à l'autorité de contrôle sur l'adéquation des dispositions prises par les établissements de crédit pour préserver les avoirs des clients en application des articles 65 et 65/1 et, pour les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, de l'article 74/1, et des mesures d'exécution prises par le Roi en vertu desdites dispositions.".
Art. 151. In artikel 226, § 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 juni 2016, worden de woorden ", 231/1" ingevoegd tussen de woorden "artikel 231" en de woorden "en 232".
Art. 151. Dans l'article 226, § 4 de la même loi, inséré par la loi du 27 juin 2016, les mots ", 231/1" sont insérés entre les mots "articles 231" et "et 232".
Art. 152. Artikel 228 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 5 december 2017, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De in het eerste lid bedoelde actualisering wordt tevens verricht na het uitvoeren van een afwikkelingsmaatregel of het uitoefenen van de in de artikel 250 bedoelde bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden.".
"De in het eerste lid bedoelde actualisering wordt tevens verricht na het uitvoeren van een afwikkelingsmaatregel of het uitoefenen van de in de artikel 250 bedoelde bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden.".
Art. 152. L'article 228 de la même loi, modifié par la loi du 5 décembre 2017, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"L'actualisation visée à l'alinéa 1er est également effectuée après la mise en oeuvre d'une mesure de résolution ou l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents et de dettes éligibles visé à l'article 250.".
"L'actualisation visée à l'alinéa 1er est également effectuée après la mise en oeuvre d'une mesure de résolution ou l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents et de dettes éligibles visé à l'article 250.".
Art. 153. Artikel 229, § 4 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 5 december 2017, wordt aangevuld met de woorden "De afwikke-lingsautoriteit verricht deze beoordeling na raadpleging, indien passend, van de Bank in haar hoedanigheid van macroprudentiële autoriteit.".
Art. 153. L'article 229, § 4 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 5 décembre 2017, est complété par les mots "L'autorité de résolution réalise cette évaluation après consultation, le cas échéant, de la Banque en sa qualité d'autorité macroprudentielle.".
Art. 154. In Boek II, Titel IV, Hoofdstuk II van dezelfde wet wordt een Afdeling I/1 ingevoegd, luidende "Bevoegdheid tot het verbieden van bepaalde uitkeringen".
Art. 154. Dans le Livre II, Titre IV, Chapitre II de la même loi, il est inséré une Section I/1, intitulée "Pouvoir d'interdire certaines distributions".
Art. 155. In Afdeling I/1, ingevoegd bij artikel 154, wordt een artikel 230/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 230/1. § 1. Indien een kredietinstelling zich in een situatie bevindt waarin zij volgens de modaliteiten van artikel 98/1 voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bedoeld in artikel 95, maar niet voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer wanneer het in beschouwing wordt genomen naast de in de artikelen 267/5/1 en 267/5/2 bedoelde vereisten als berekend overeenkomstig artikel 267/3, § 2, 1°, is de afwikkelingsautoriteit bevoegd die kredietinstelling te verbieden uitkeringen, voor een bedrag dat hoger is dan het maximaal uitkeerbare bedrag, berekend overeenkomstig artikel 230/4, te verrichten door:
1° uitkeringen te verrichten in verband met tier 1- kernkapitaal;
2° een verplichting aan te gaan tot het betalen van variabele beloning of van uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen, of tot het betalen van variabele beloning als de verplichting tot betalen werd aangegaan of dient te worden uitgevoerd op het ogenblik dat de kredietinstelling niet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voldeed; of
3° betalingen te verrichten op aanvullend tier 1- instrumenten.
§ 2. Een kredietinstelling meldt onverwijld aan de afwikkelingsautoriteit dat zij zich in de in dit artikel bedoelde situatie bevindt.".
"Art. 230/1. § 1. Indien een kredietinstelling zich in een situatie bevindt waarin zij volgens de modaliteiten van artikel 98/1 voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bedoeld in artikel 95, maar niet voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer wanneer het in beschouwing wordt genomen naast de in de artikelen 267/5/1 en 267/5/2 bedoelde vereisten als berekend overeenkomstig artikel 267/3, § 2, 1°, is de afwikkelingsautoriteit bevoegd die kredietinstelling te verbieden uitkeringen, voor een bedrag dat hoger is dan het maximaal uitkeerbare bedrag, berekend overeenkomstig artikel 230/4, te verrichten door:
1° uitkeringen te verrichten in verband met tier 1- kernkapitaal;
2° een verplichting aan te gaan tot het betalen van variabele beloning of van uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen, of tot het betalen van variabele beloning als de verplichting tot betalen werd aangegaan of dient te worden uitgevoerd op het ogenblik dat de kredietinstelling niet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voldeed; of
3° betalingen te verrichten op aanvullend tier 1- instrumenten.
§ 2. Een kredietinstelling meldt onverwijld aan de afwikkelingsautoriteit dat zij zich in de in dit artikel bedoelde situatie bevindt.".
Art. 155. Dans la Section I/1 insérée par l'article 154, il est inséré un article 230/1 rédigé comme suit :
"Art. 230/1. § 1er. Lorsqu'un établissement de crédit se trouve dans une situation où il satisfait, selon les modalités de l'article 98/1, à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 visée à l'article 95 mais ne satisfait pas à cette exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 lorsque celle-ci est considérée en sus des exigences visées aux articles 267/5/1 et 267/5/2, calculées conformément à l'article 267/3, § 2, 1°, l'autorité de résolution a le pouvoir d'interdire à cet établissement de crédit de distribuer un montant supérieur au montant maximal distribuable calculé conformément à l'article 230/4, au moyen de l'une des opérations suivantes :
1° procéder à une distribution en relation avec les fonds propres de base de catégorie 1 ;
2° créer une obligation de verser une rémunération variable ou des prestations de retraite discrétionnaires, ou de verser une rémunération variable si l'obligation de versement a été créée ou doit être exécutée à un moment où l'établissement de crédit ne satisfait pas à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 ; ou
3° effectuer des paiements liés à des instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1.
§ 2. Un établissement de crédit informe immédiatement l'autorité de résolution lorsqu'il se trouve dans la situation visée par cet article.".
"Art. 230/1. § 1er. Lorsqu'un établissement de crédit se trouve dans une situation où il satisfait, selon les modalités de l'article 98/1, à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 visée à l'article 95 mais ne satisfait pas à cette exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 lorsque celle-ci est considérée en sus des exigences visées aux articles 267/5/1 et 267/5/2, calculées conformément à l'article 267/3, § 2, 1°, l'autorité de résolution a le pouvoir d'interdire à cet établissement de crédit de distribuer un montant supérieur au montant maximal distribuable calculé conformément à l'article 230/4, au moyen de l'une des opérations suivantes :
1° procéder à une distribution en relation avec les fonds propres de base de catégorie 1 ;
2° créer une obligation de verser une rémunération variable ou des prestations de retraite discrétionnaires, ou de verser une rémunération variable si l'obligation de versement a été créée ou doit être exécutée à un moment où l'établissement de crédit ne satisfait pas à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 ; ou
3° effectuer des paiements liés à des instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1.
§ 2. Un établissement de crédit informe immédiatement l'autorité de résolution lorsqu'il se trouve dans la situation visée par cet article.".
Art. 156. In dezelfde afdeling I/1 wordt een artikel 230/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 230/2. § 1. De afwikkelingsautoriteit beoordeelt zonder vertraging en na raadpleging van de toezichthouder, of zij de in artikel 230/1 bedoelde bevoegdheid zal uitoefenen, rekening houdend met elk van de volgende elementen:
1° de reden, de duur en de omvang van de niet-naleving en de gevolgen ervan voor de afwikkelbaarheid;
2° de wijze waarop de financiële situatie van de kredietinstelling evolueert en de waarschijnlijkheid dat zij aan de in artikel 244, § 1, 1°, bedoelde voorwaarde voldoet;
3° het vooruitzicht dat de kredietinstelling in staat zal zijn binnen een redelijke termijn de in artikel 230/1 bedoelde vereisten na te leven;
4° indien de kredietinstelling niet in staat is te zorgen voor vervanging van schulden die niet langer voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen of de criteria inzake looptijd die zijn vastgesteld in de artikelen 72ter en 72quater van Verordening nr. 575/2013, of in artikel 267/5 of artikel 267/5/4, § 2, indien dat onvermogen eigen aan de kredietinstelling is dan wel te wijten is aan marktbrede verstoring;
5° of de uitoefening van die bevoegdheid het meest geschikte en evenredige middel is om de situatie van de kredietinstelling aan te pakken, gelet op de mogelijke gevolgen ervan voor zowel de financieringsvoorwaarden als de afwikkelbaarheid van de betrokken kredietinstelling.
§ 2. Zolang de kredietinstelling zich in de in artikel 230/1 bedoelde situatie bevindt, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit op zijn minst iedere maand opnieuw of zij de in dat artikel bedoelde bevoegdheid uitoefent.".
"Art. 230/2. § 1. De afwikkelingsautoriteit beoordeelt zonder vertraging en na raadpleging van de toezichthouder, of zij de in artikel 230/1 bedoelde bevoegdheid zal uitoefenen, rekening houdend met elk van de volgende elementen:
1° de reden, de duur en de omvang van de niet-naleving en de gevolgen ervan voor de afwikkelbaarheid;
2° de wijze waarop de financiële situatie van de kredietinstelling evolueert en de waarschijnlijkheid dat zij aan de in artikel 244, § 1, 1°, bedoelde voorwaarde voldoet;
3° het vooruitzicht dat de kredietinstelling in staat zal zijn binnen een redelijke termijn de in artikel 230/1 bedoelde vereisten na te leven;
4° indien de kredietinstelling niet in staat is te zorgen voor vervanging van schulden die niet langer voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen of de criteria inzake looptijd die zijn vastgesteld in de artikelen 72ter en 72quater van Verordening nr. 575/2013, of in artikel 267/5 of artikel 267/5/4, § 2, indien dat onvermogen eigen aan de kredietinstelling is dan wel te wijten is aan marktbrede verstoring;
5° of de uitoefening van die bevoegdheid het meest geschikte en evenredige middel is om de situatie van de kredietinstelling aan te pakken, gelet op de mogelijke gevolgen ervan voor zowel de financieringsvoorwaarden als de afwikkelbaarheid van de betrokken kredietinstelling.
§ 2. Zolang de kredietinstelling zich in de in artikel 230/1 bedoelde situatie bevindt, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit op zijn minst iedere maand opnieuw of zij de in dat artikel bedoelde bevoegdheid uitoefent.".
Art. 156. Dans la même section I/1 il est inséré un article 230/2 rédigé comme suit :
"Art. 230/2. § 1er. L'autorité de résolution examine sans retard et après consultation de l'autorité de contrôle, s'il convient d'exercer le pouvoir visé à l'article 230/1 en prenant en considération chacun des éléments suivants :
1° le motif, la durée et l'ampleur de l'absence de conformité, ainsi que son incidence sur la résolvabilité ;
2° l'évolution de la situation financière de l'établissement de crédit et la probabilité qu'il remplisse la condition visée à l'article 244, § 1er, 1° ;
3° la perspective que l'établissement de crédit soit en mesure d'assurer le respect des exigences visées à l'article 230/1 dans un délai raisonnable ;
4° lorsque l'établissement de crédit n'est pas en mesure de remplacer les dettes qui ne respectent plus les critères d'éligibilité ou d'échéance visés aux articles 72ter et 72quater du Règlement n° 575/2013, ou à l'article 267/5 ou 267/5/4, § 2, la question de savoir si cette impossibilité est circonscrite et individuelle ou si elle est due à une perturbation à l'échelle du marché ;
5° la question de savoir si l'exercice de ce pouvoir constitue le moyen le plus adéquat et proportionné pour remédier à la situation de l'établissement de crédit, en tenant compte de son incidence potentielle tant sur les conditions de financement de l'établissement de crédit concerné que sur sa résolvabilité.
§ 2. Tant que l'établissement de crédit demeure dans la situation visée à l'article 230/1, l'autorité de résolution réévalue, au moins chaque mois, s'il y a lieu d'exercer le pouvoir visé à cet article.".
"Art. 230/2. § 1er. L'autorité de résolution examine sans retard et après consultation de l'autorité de contrôle, s'il convient d'exercer le pouvoir visé à l'article 230/1 en prenant en considération chacun des éléments suivants :
1° le motif, la durée et l'ampleur de l'absence de conformité, ainsi que son incidence sur la résolvabilité ;
2° l'évolution de la situation financière de l'établissement de crédit et la probabilité qu'il remplisse la condition visée à l'article 244, § 1er, 1° ;
3° la perspective que l'établissement de crédit soit en mesure d'assurer le respect des exigences visées à l'article 230/1 dans un délai raisonnable ;
4° lorsque l'établissement de crédit n'est pas en mesure de remplacer les dettes qui ne respectent plus les critères d'éligibilité ou d'échéance visés aux articles 72ter et 72quater du Règlement n° 575/2013, ou à l'article 267/5 ou 267/5/4, § 2, la question de savoir si cette impossibilité est circonscrite et individuelle ou si elle est due à une perturbation à l'échelle du marché ;
5° la question de savoir si l'exercice de ce pouvoir constitue le moyen le plus adéquat et proportionné pour remédier à la situation de l'établissement de crédit, en tenant compte de son incidence potentielle tant sur les conditions de financement de l'établissement de crédit concerné que sur sa résolvabilité.
§ 2. Tant que l'établissement de crédit demeure dans la situation visée à l'article 230/1, l'autorité de résolution réévalue, au moins chaque mois, s'il y a lieu d'exercer le pouvoir visé à cet article.".
Art. 157. In dezelfde afdeling I/1 wordt een artikel 230/3 ingevoegd, luidende:
"Art. 230/3. § 1. Indien de afwikkelingsautoriteit vaststelt dat de kredietinstelling zich negen maanden nadat zij de in artikel 230/1 bedoelde situatie heeft gemeld, nog steeds in die situatie bevindt, oefent de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de toezichthouder, de in artikel 230/1 bedoelde bevoegdheid uit, behalve indien de afwikkelingsautoriteit na een beoordeling vaststelt dat ten minste twee van de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de niet-naleving is toe te schrijven aan een ernstige verstoring van de werking van de financiële markten, die aanleiding geeft tot algemene spanning in verschillende segmenten van de financiële markten;
2° de in punt 1°, bedoelde verstoring leidt niet alleen tot de grotere prijsvolatiliteit van de eigenvermogensinstrumenten en in aan-merking komende schulden van de kredietinstelling of hogere kosten, maar ook tot een gehele of gedeeltelijke sluiting van de markten, die de kredietinstelling belet eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende schulden uit te geven op die markten;
3° de in punt 2°, bedoelde sluiting van de markt valt niet alleen voor de betrokken kredietinstelling, maar ook voor diverse andere kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in artikel 424 waar te nemen;
4° de in punt 1°, bedoelde verstoring belet de betrokken kredietinstelling eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende schulden uit te geven die toereikend zijn om de niet-naleving te verhelpen; of
5° de uitoefening van de in artikel 230/1 bedoelde bevoegdheid kan tot negatieve spillover-effecten leiden voor de gehele of een deel van de bankensector, die de financiële stabiliteit dreigen te ondermijnen.
§ 2. Indien de in paragraaf 1 bedoelde uitzondering van toepassing is, brengt de afwikkelingsautoriteit haar besluit ter kennis van de toezichthouder en licht zij haar oordeel schriftelijk toe. De afwikkelingsautoriteit beoordeelt elke maand opnieuw of de in para-graaf 1 genoemde uitzondering van toepassing is.".
"Art. 230/3. § 1. Indien de afwikkelingsautoriteit vaststelt dat de kredietinstelling zich negen maanden nadat zij de in artikel 230/1 bedoelde situatie heeft gemeld, nog steeds in die situatie bevindt, oefent de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de toezichthouder, de in artikel 230/1 bedoelde bevoegdheid uit, behalve indien de afwikkelingsautoriteit na een beoordeling vaststelt dat ten minste twee van de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de niet-naleving is toe te schrijven aan een ernstige verstoring van de werking van de financiële markten, die aanleiding geeft tot algemene spanning in verschillende segmenten van de financiële markten;
2° de in punt 1°, bedoelde verstoring leidt niet alleen tot de grotere prijsvolatiliteit van de eigenvermogensinstrumenten en in aan-merking komende schulden van de kredietinstelling of hogere kosten, maar ook tot een gehele of gedeeltelijke sluiting van de markten, die de kredietinstelling belet eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende schulden uit te geven op die markten;
3° de in punt 2°, bedoelde sluiting van de markt valt niet alleen voor de betrokken kredietinstelling, maar ook voor diverse andere kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in artikel 424 waar te nemen;
4° de in punt 1°, bedoelde verstoring belet de betrokken kredietinstelling eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende schulden uit te geven die toereikend zijn om de niet-naleving te verhelpen; of
5° de uitoefening van de in artikel 230/1 bedoelde bevoegdheid kan tot negatieve spillover-effecten leiden voor de gehele of een deel van de bankensector, die de financiële stabiliteit dreigen te ondermijnen.
§ 2. Indien de in paragraaf 1 bedoelde uitzondering van toepassing is, brengt de afwikkelingsautoriteit haar besluit ter kennis van de toezichthouder en licht zij haar oordeel schriftelijk toe. De afwikkelingsautoriteit beoordeelt elke maand opnieuw of de in para-graaf 1 genoemde uitzondering van toepassing is.".
Art. 157. Dans la même section I/1 il est inséré un article 230/3 rédigé comme suit :
"Art. 230/3. § 1er. Si l'autorité de résolution constate que l'établissement de crédit se trouve toujours dans la situation visée à l'article 230/1 neuf mois après que celui-ci a notifié cette situation, l'autorité de résolution, après consultation de l'autorité de contrôle, exerce le pouvoir visé à l'article 230/1, sauf si elle constate qu'au moins deux des conditions suivantes sont remplies :
1° l'absence de conformité est due à de graves perturbations du fonctionnement des marchés financiers qui entraînent d'importantes tensions sur plusieurs segments des marchés financiers ;
2° les perturbations visées au point 1°, ont pour conséquence une plus grande volatilité des prix des instruments de fonds propres et de dettes éligibles de l'établissement de crédit ou un accroissement de ses coûts, ainsi qu'une fermeture totale ou partielle des marchés qui empêche l'établissement de crédit d'émettre des instruments de fonds propres et de dettes éligibles sur ces marchés ;
3° la fermeture des marchés visée au point 2°, est observée non seulement pour l'établissement de crédit concerné, mais aussi pour plusieurs autres établissements de crédit ou entités visées à l'article 424 ;
4° les perturbations visées au point 1°, empêchent l'établissement de crédit concerné d'émettre des instruments de fonds propres et de dettes éligibles suffisants pour remédier à l'absence de conformité ; ou
5° l'exercice du pouvoir visé à l'article 230/1 peut entraîner des effets de contagion négatifs pour tout ou partie du secteur bancaire, qui sont dès lors susceptibles de nuire à la stabilité financière.
§ 2. Lorsque l'exception visée au paragraphe 1er s'applique, l'autorité de résolution notifie sa décision à l'autorité de contrôle et explique son appréciation par écrit. Chaque mois, l'autorité de résolution procède à une réévaluation afin de déterminer si l'exception visée au paragraphe 1er s'applique.".
"Art. 230/3. § 1er. Si l'autorité de résolution constate que l'établissement de crédit se trouve toujours dans la situation visée à l'article 230/1 neuf mois après que celui-ci a notifié cette situation, l'autorité de résolution, après consultation de l'autorité de contrôle, exerce le pouvoir visé à l'article 230/1, sauf si elle constate qu'au moins deux des conditions suivantes sont remplies :
1° l'absence de conformité est due à de graves perturbations du fonctionnement des marchés financiers qui entraînent d'importantes tensions sur plusieurs segments des marchés financiers ;
2° les perturbations visées au point 1°, ont pour conséquence une plus grande volatilité des prix des instruments de fonds propres et de dettes éligibles de l'établissement de crédit ou un accroissement de ses coûts, ainsi qu'une fermeture totale ou partielle des marchés qui empêche l'établissement de crédit d'émettre des instruments de fonds propres et de dettes éligibles sur ces marchés ;
3° la fermeture des marchés visée au point 2°, est observée non seulement pour l'établissement de crédit concerné, mais aussi pour plusieurs autres établissements de crédit ou entités visées à l'article 424 ;
4° les perturbations visées au point 1°, empêchent l'établissement de crédit concerné d'émettre des instruments de fonds propres et de dettes éligibles suffisants pour remédier à l'absence de conformité ; ou
5° l'exercice du pouvoir visé à l'article 230/1 peut entraîner des effets de contagion négatifs pour tout ou partie du secteur bancaire, qui sont dès lors susceptibles de nuire à la stabilité financière.
§ 2. Lorsque l'exception visée au paragraphe 1er s'applique, l'autorité de résolution notifie sa décision à l'autorité de contrôle et explique son appréciation par écrit. Chaque mois, l'autorité de résolution procède à une réévaluation afin de déterminer si l'exception visée au paragraphe 1er s'applique.".
Art. 158. In dezelfde afdeling I/1 wordt een artikel 230/4 ingevoegd, luidende:
"Art. 230/4. § 1. Het maximaal uitkeerbare bedrag met betrekking tot het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden wordt berekend door het overeenkomstig paragraaf 2 berekende bedrag te vermenigvuldigen met de overeenkomstig paragraaf 3 bepaalde factor. Het maximaal uitkeerbare bedrag met betrekking tot het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden wordt verminderd met ieder bedrag dat voortvloeit uit elk van de in artikel 230/1 bedoelde handelingen.
§ 2. Het in paragraaf 1 bedoelde te vermenigvuldigen bedrag bestaat uit:
1° alle tussentijdse winsten die niet in het tier 1- kernkapitaal overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening nr. 575/2013 zijn opgenomen, exclusief alle winstuitkeringen of betalingen die voortvloeien uit de in artikel 230/1 bedoelde handelingen;
vermeerderd met
2° alle eindejaarswinsten die niet in het tier 1- kernkapitaal overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening nr. 575/2013 zijn op-genomen, exclusief alle winstuitkeringen of betalingen die voortvloeien uit de in artikel 230/1 bedoelde handelingen;
en verminderd met
3° bedragen die als belasting verschuldigd zouden zijn als de in de punten 1° en 2°, genoemde elementen werden ingehouden.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde factor wordt als volgt bepaald:
1° indien het door de kredietinstelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan een van de in ar-tikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 en in artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, binnen het eerste (dat wil zeggen het laagste) kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer ligt, is de factor 0;
2° indien het door de kredietinstelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan een van de in ar-tikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 en in artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, binnen het tweede kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer ligt, is de factor 0,2;
3° indien het door de kredietinstelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan de in artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 en in artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, binnen het derde kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1 -kernkapitaalbuffer ligt, is de factor 0,4;
4° indien het door de kredietinstelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan het in artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 en in artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, binnen het vierde (dit wil zeggen het hoogste) kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer ligt, is de factor 0,6.
De ondergrens en de bovengrens van elk kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer worden als volgt berekend:
ondergrens van kwartiel = (globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer / 4) x (Qn - 1);
bovengrens van kwartiel = (globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer / 4) x Qn;
waarbij "Qn" = het volgnummer van het desbetreffende kwartiel.".
"Art. 230/4. § 1. Het maximaal uitkeerbare bedrag met betrekking tot het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden wordt berekend door het overeenkomstig paragraaf 2 berekende bedrag te vermenigvuldigen met de overeenkomstig paragraaf 3 bepaalde factor. Het maximaal uitkeerbare bedrag met betrekking tot het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden wordt verminderd met ieder bedrag dat voortvloeit uit elk van de in artikel 230/1 bedoelde handelingen.
§ 2. Het in paragraaf 1 bedoelde te vermenigvuldigen bedrag bestaat uit:
1° alle tussentijdse winsten die niet in het tier 1- kernkapitaal overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening nr. 575/2013 zijn opgenomen, exclusief alle winstuitkeringen of betalingen die voortvloeien uit de in artikel 230/1 bedoelde handelingen;
vermeerderd met
2° alle eindejaarswinsten die niet in het tier 1- kernkapitaal overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening nr. 575/2013 zijn op-genomen, exclusief alle winstuitkeringen of betalingen die voortvloeien uit de in artikel 230/1 bedoelde handelingen;
en verminderd met
3° bedragen die als belasting verschuldigd zouden zijn als de in de punten 1° en 2°, genoemde elementen werden ingehouden.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde factor wordt als volgt bepaald:
1° indien het door de kredietinstelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan een van de in ar-tikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 en in artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, binnen het eerste (dat wil zeggen het laagste) kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer ligt, is de factor 0;
2° indien het door de kredietinstelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan een van de in ar-tikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 en in artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, binnen het tweede kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer ligt, is de factor 0,2;
3° indien het door de kredietinstelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan de in artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 en in artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, binnen het derde kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1 -kernkapitaalbuffer ligt, is de factor 0,4;
4° indien het door de kredietinstelling aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan het in artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 en in artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, binnen het vierde (dit wil zeggen het hoogste) kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer ligt, is de factor 0,6.
De ondergrens en de bovengrens van elk kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer worden als volgt berekend:
ondergrens van kwartiel = (globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer / 4) x (Qn - 1);
bovengrens van kwartiel = (globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer / 4) x Qn;
waarbij "Qn" = het volgnummer van het desbetreffende kwartiel.".
Art. 158. Dans la même section I/1 il est inséré un article 230/4 rédigé comme suit :
"Art. 230/4. § 1er. Le montant maximal distribuable relatif à l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles est calculé en multipliant le montant obtenu conformément au paragraphe 2 par le facteur déterminé conformément au paragraphe 3. Le montant maximal distribuable relatif à l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles est réduit de tout montant résultant de l'une quelconque des mesures visées à l'article 230/1.
§ 2. Le montant à multiplier conformément au paragraphe 1er est constitué :
1° de tous bénéfices intermédiaires non inclus dans les fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 26, paragraphe 2, du Règlement n° 575/2013, nets de toute distribution de bénéfices ou de tout paiement résultant des mesures visées à l'article 230/1 ;
plus
2° tous les bénéfices de fin d'exercice non inclus dans les fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 26, paragraphe 2, du Règlement n° 575/2013, nets de toute distribution de bénéfices ou de tout paiement résultant des mesures visées à l'article 230/1 ;
moins
3° les montants qui seraient à acquitter au titre de l'impôt si les éléments visés aux points 1° et 2°, du présent paragraphe n'étaient pas distribués.
§ 3. Le facteur visé au paragraphe 1er est déterminé comme suit :
1° lorsque les fonds propres de base de catégorie 1 détenus par l'établissement de crédit qui ne sont pas utilisés pour satisfaire aux exigences visées à l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et aux articles 267/5/1 et 267/5/2, exprimés en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013, se trouvent dans le premier quartile de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 (autrement dit son quartile le plus bas), le facteur est de 0 (zéro) ;
2° lorsque les fonds propres de base de catégorie 1 détenus par l'établissement de crédit qui ne sont pas utilisés pour satisfaire aux exigences fixées à l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et aux articles 267/5/1 et 267/5/2, exprimés en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013, se trouvent dans le deuxième quartile de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, le facteur est de 0,2 ;
3° lorsque les fonds propres de base de catégorie 1 détenus par l'établissement de crédit qui ne sont pas utilisés pour satisfaire aux exigences fixées à l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et aux articles 267/5/1 et 267/5/2, exprimés en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013, se trouvent dans le troisième quartile de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, le facteur est de 0,4 ;
4° lorsque les fonds propres de base de catégorie 1 détenus par l'établissement de crédit qui ne sont pas utilisés pour satisfaire aux exigences fixées à l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et aux articles 267/5/1 et 267/5/2, exprimés en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013, se trouvent dans le quatrième quartile de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 (autrement dit son quartile le plus élevé), le facteur est de 0,6.
Les limites haute et basse de chacun des quartiles de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 sont calculées comme suit :
limite inférieure du quartile = (exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 / 4) x (Qn - 1) ;
limite supérieure du quartile = (exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 / 4) x Qn ;
où "Qn" est le numéro d'ordre du quartile concerné.".
"Art. 230/4. § 1er. Le montant maximal distribuable relatif à l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles est calculé en multipliant le montant obtenu conformément au paragraphe 2 par le facteur déterminé conformément au paragraphe 3. Le montant maximal distribuable relatif à l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles est réduit de tout montant résultant de l'une quelconque des mesures visées à l'article 230/1.
§ 2. Le montant à multiplier conformément au paragraphe 1er est constitué :
1° de tous bénéfices intermédiaires non inclus dans les fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 26, paragraphe 2, du Règlement n° 575/2013, nets de toute distribution de bénéfices ou de tout paiement résultant des mesures visées à l'article 230/1 ;
plus
2° tous les bénéfices de fin d'exercice non inclus dans les fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 26, paragraphe 2, du Règlement n° 575/2013, nets de toute distribution de bénéfices ou de tout paiement résultant des mesures visées à l'article 230/1 ;
moins
3° les montants qui seraient à acquitter au titre de l'impôt si les éléments visés aux points 1° et 2°, du présent paragraphe n'étaient pas distribués.
§ 3. Le facteur visé au paragraphe 1er est déterminé comme suit :
1° lorsque les fonds propres de base de catégorie 1 détenus par l'établissement de crédit qui ne sont pas utilisés pour satisfaire aux exigences visées à l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et aux articles 267/5/1 et 267/5/2, exprimés en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013, se trouvent dans le premier quartile de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 (autrement dit son quartile le plus bas), le facteur est de 0 (zéro) ;
2° lorsque les fonds propres de base de catégorie 1 détenus par l'établissement de crédit qui ne sont pas utilisés pour satisfaire aux exigences fixées à l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et aux articles 267/5/1 et 267/5/2, exprimés en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013, se trouvent dans le deuxième quartile de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, le facteur est de 0,2 ;
3° lorsque les fonds propres de base de catégorie 1 détenus par l'établissement de crédit qui ne sont pas utilisés pour satisfaire aux exigences fixées à l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et aux articles 267/5/1 et 267/5/2, exprimés en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013, se trouvent dans le troisième quartile de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, le facteur est de 0,4 ;
4° lorsque les fonds propres de base de catégorie 1 détenus par l'établissement de crédit qui ne sont pas utilisés pour satisfaire aux exigences fixées à l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et aux articles 267/5/1 et 267/5/2, exprimés en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013, se trouvent dans le quatrième quartile de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 (autrement dit son quartile le plus élevé), le facteur est de 0,6.
Les limites haute et basse de chacun des quartiles de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 sont calculées comme suit :
limite inférieure du quartile = (exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 / 4) x (Qn - 1) ;
limite supérieure du quartile = (exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 / 4) x Qn ;
où "Qn" est le numéro d'ordre du quartile concerné.".
Art. 159. In dezelfde wet wordt een artikel 231/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 231/1. Binnen twee weken na de datum van ontvangst van een overeenkomstig artikel 231 gedane kennisgeving, deelt de kredietinstelling aan de afwikkelingsautoriteit mogelijke maatregelen en het tijdpad ter uitvoering ervan mee om te verzekeren dat de kredietinstelling voldoet aan artikel 267/5/3 of 267/5/4 en aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, indien een wezenlijke belemmering voor de afwikkelbaarheid te wijten is aan een van de volgende situaties:
1° de kredietinstelling bevindt zich in de situatie bedoeld in artikel 230/1; of
2° de kredietinstelling voldoet niet aan de in de artikel 92bis en artikel 494 van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereisten, noch aan de in de artikelen 267/5/1 en artikel 267/5/2 bedoelde vereisten.
In het tijdpad voor de uitvoering van de in het eerste lid voorgestelde maatregelen wordt rekening gehouden met de redenen voor de wezenlijke belemmering.
De afwikkelingsautoriteit beoordeelt, na raadpleging van de toezichthouder, of de krachtens dit artikel voorgestelde maatregelen de betrokken wezenlijke belemmering daadwerkelijk aanpakken of wegnemen.".
"Art. 231/1. Binnen twee weken na de datum van ontvangst van een overeenkomstig artikel 231 gedane kennisgeving, deelt de kredietinstelling aan de afwikkelingsautoriteit mogelijke maatregelen en het tijdpad ter uitvoering ervan mee om te verzekeren dat de kredietinstelling voldoet aan artikel 267/5/3 of 267/5/4 en aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, indien een wezenlijke belemmering voor de afwikkelbaarheid te wijten is aan een van de volgende situaties:
1° de kredietinstelling bevindt zich in de situatie bedoeld in artikel 230/1; of
2° de kredietinstelling voldoet niet aan de in de artikel 92bis en artikel 494 van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereisten, noch aan de in de artikelen 267/5/1 en artikel 267/5/2 bedoelde vereisten.
In het tijdpad voor de uitvoering van de in het eerste lid voorgestelde maatregelen wordt rekening gehouden met de redenen voor de wezenlijke belemmering.
De afwikkelingsautoriteit beoordeelt, na raadpleging van de toezichthouder, of de krachtens dit artikel voorgestelde maatregelen de betrokken wezenlijke belemmering daadwerkelijk aanpakken of wegnemen.".
Art. 159. Dans la même loi il est inséré un article 231/1 rédigé comme suit :
"Art. 231/1. Dans un délai de deux semaines à compter de la date de réception d'une notification effectuée conformément à l'article 231, l'établissement de crédit communique à l'autorité de résolution les mesures susceptibles d'être prises afin de garantir que l'établissement de crédit respecte l'article 267/5/3 ou 267/5/4 et l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, ainsi que le calendrier de mise en oeuvre, lorsqu'un obstacle important à la résolvabilité est imputable à l'une ou l'autre des situations suivantes :
1° l'établissement de crédit se trouve dans la situation visée à l'article 230/1 ; ou
2° l'établissement de crédit ne satisfait pas aux exigences visées aux articles 92bis et 494 du Règlement n° 575/2013 ou aux exigences visées aux articles 267/5/1 et 267/5/2.
Le calendrier de mise en oeuvre des mesures proposées en vertu de l'alinéa 1er tient compte des raisons qui expliquent l'existence de l'obstacle important.
L'autorité de résolution, après consultation de l'autorité de contrôle, évalue si les mesures proposées dans le cadre de cet article offrent une réponse effective à ou suppriment l'obstacle important en question.".
"Art. 231/1. Dans un délai de deux semaines à compter de la date de réception d'une notification effectuée conformément à l'article 231, l'établissement de crédit communique à l'autorité de résolution les mesures susceptibles d'être prises afin de garantir que l'établissement de crédit respecte l'article 267/5/3 ou 267/5/4 et l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, ainsi que le calendrier de mise en oeuvre, lorsqu'un obstacle important à la résolvabilité est imputable à l'une ou l'autre des situations suivantes :
1° l'établissement de crédit se trouve dans la situation visée à l'article 230/1 ; ou
2° l'établissement de crédit ne satisfait pas aux exigences visées aux articles 92bis et 494 du Règlement n° 575/2013 ou aux exigences visées aux articles 267/5/1 et 267/5/2.
Le calendrier de mise en oeuvre des mesures proposées en vertu de l'alinéa 1er tient compte des raisons qui expliquent l'existence de l'obstacle important.
L'autorité de résolution, après consultation de l'autorité de contrôle, évalue si les mesures proposées dans le cadre de cet article offrent une réponse effective à ou suppriment l'obstacle important en question.".
Art. 160. In artikel 232 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "of artikel 231/1" ingevoegd tussen de woorden "artikel 231, tweede lid," en de woorden "de voor de afwikkelbaarheid";
2° in het tweede lid wordt het bepaalde onder 10° vervangen door de bepalingen onder 10° tot en met 13°, luidende:
"10° een plan indient om de naleving te herstellen van de vereisten van de artikelen 267/5/3 of 267/5/4, uitgedrukt als een percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, en, waar van toepassing, aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en aan de vereisten bedoeld in de artikelen 267/5/3 of 267/5/4, uitgedrukt als een percentage van de totale blootstellingsmaatstaf als bedoeld in artikel 429 en artikel 429bis van Verordening nr. 575/2013;
11° in aanmerking komende schulden in de zin van artikel 242, 10/1°, uitgeeft om aan de vereisten van de artikelen 267/5/3 of artikel 267/5/4 te voldoen;
12° andere maatregelen neemt om aan de minimumvereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden te voldoen overeenkomstig de artikelen 267/5/3 of 267/5/4, en er met name naar streeft opnieuw te onderhandelen over elk daarvoor in aanmerking komend passief, aanvullend-tier 1-kapitaalinstrument of tier 2-kapitaalinstrument dat zij heeft uitgegeven, om ervoor te zorgen dat een eventueel besluit van de afwikkelingsautoriteit om dat passief of kapitaalinstrument af te schrijven of om te zetten, wordt uitgevoerd krachtens het recht van het rechtsgebied dat op dat passi[00d0][00b5]f of kapitaalinstrument van toepassing is;
13° om de voortdurende naleving van de artikelen 267/5/3 of 267/5/4 te waarborgen, het looptijdprofiel wijzigt van:
- de aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten of tier 2-kapitaalinstrumenten, na de instemming van de toezichthouder te hebben verkregen, en
- de in aanmerking komende schulden, bedoeld in de artikelen 267/5 en 267/5/4, § 2, 1°. ".
1° in het eerste lid worden de woorden "of artikel 231/1" ingevoegd tussen de woorden "artikel 231, tweede lid," en de woorden "de voor de afwikkelbaarheid";
2° in het tweede lid wordt het bepaalde onder 10° vervangen door de bepalingen onder 10° tot en met 13°, luidende:
"10° een plan indient om de naleving te herstellen van de vereisten van de artikelen 267/5/3 of 267/5/4, uitgedrukt als een percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013, en, waar van toepassing, aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en aan de vereisten bedoeld in de artikelen 267/5/3 of 267/5/4, uitgedrukt als een percentage van de totale blootstellingsmaatstaf als bedoeld in artikel 429 en artikel 429bis van Verordening nr. 575/2013;
11° in aanmerking komende schulden in de zin van artikel 242, 10/1°, uitgeeft om aan de vereisten van de artikelen 267/5/3 of artikel 267/5/4 te voldoen;
12° andere maatregelen neemt om aan de minimumvereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden te voldoen overeenkomstig de artikelen 267/5/3 of 267/5/4, en er met name naar streeft opnieuw te onderhandelen over elk daarvoor in aanmerking komend passief, aanvullend-tier 1-kapitaalinstrument of tier 2-kapitaalinstrument dat zij heeft uitgegeven, om ervoor te zorgen dat een eventueel besluit van de afwikkelingsautoriteit om dat passief of kapitaalinstrument af te schrijven of om te zetten, wordt uitgevoerd krachtens het recht van het rechtsgebied dat op dat passi[00d0][00b5]f of kapitaalinstrument van toepassing is;
13° om de voortdurende naleving van de artikelen 267/5/3 of 267/5/4 te waarborgen, het looptijdprofiel wijzigt van:
- de aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten of tier 2-kapitaalinstrumenten, na de instemming van de toezichthouder te hebben verkregen, en
- de in aanmerking komende schulden, bedoeld in de artikelen 267/5 en 267/5/4, § 2, 1°. ".
Art. 160. A l'article 232 de la même loi, modifiée par la loi du 27 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er les mots "ou à l'article 231/1" sont insérés entre les mots "l'article 231, alinéa 2," et les mots "ne permettent pas" ;
2° dans l'alinéa 2 le 10° est remplacé par les 10° à 13° rédigés comme suit :
"10° présente un plan de mise en conformité avec les exigences des articles 267/5/3 ou 267/5/4, exprimées en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 et, le cas échéant, avec l'exigence globale du coussin de fonds propres de base de catégorie1 et avec les exigences visées aux articles 267/5/3 ou 267/5/4, exprimées en pourcentage de la mesure de l'exposition totale visée aux articles 429 et 429bis du Règlement n° 575/2013 ;
11° émette des dettes éligibles, au sens de l'article 242, 10/1°, afin de satisfaire aux exigences visées aux articles 267/5/3 ou 267/5/4 ;
12° prenne d'autres mesures afin de satisfaire aux exigences minimales pour les fonds propres et les dettes éligibles au titre des articles 267/5/3 ou 267/5/4, y compris en particulier pour s'efforcer de renégocier tout engagement éligible, instrument de fonds propres additionnels de catégorie 1 ou instrument de fonds propres de catégorie 2 qu'il a émis, de telle sorte que toute décision de l'autorité de résolution de déprécier ou convertir cet engagement ou instrument soit arrêtée en vertu du droit applicable régissant cet engagement ou instrument ;
13° afin de garantir à tout moment le respect des articles 267/5/3 ou 267/5/4, modifie la structure des échéances :
- des instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1 ou de catégorie 2, après avoir obtenu l'accord de l'autorité de contrôle, et
- des engagements éligibles visés aux articles 267/5 et 267/5/4, § 2, 1°. ".
1° dans l'alinéa 1er les mots "ou à l'article 231/1" sont insérés entre les mots "l'article 231, alinéa 2," et les mots "ne permettent pas" ;
2° dans l'alinéa 2 le 10° est remplacé par les 10° à 13° rédigés comme suit :
"10° présente un plan de mise en conformité avec les exigences des articles 267/5/3 ou 267/5/4, exprimées en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 et, le cas échéant, avec l'exigence globale du coussin de fonds propres de base de catégorie1 et avec les exigences visées aux articles 267/5/3 ou 267/5/4, exprimées en pourcentage de la mesure de l'exposition totale visée aux articles 429 et 429bis du Règlement n° 575/2013 ;
11° émette des dettes éligibles, au sens de l'article 242, 10/1°, afin de satisfaire aux exigences visées aux articles 267/5/3 ou 267/5/4 ;
12° prenne d'autres mesures afin de satisfaire aux exigences minimales pour les fonds propres et les dettes éligibles au titre des articles 267/5/3 ou 267/5/4, y compris en particulier pour s'efforcer de renégocier tout engagement éligible, instrument de fonds propres additionnels de catégorie 1 ou instrument de fonds propres de catégorie 2 qu'il a émis, de telle sorte que toute décision de l'autorité de résolution de déprécier ou convertir cet engagement ou instrument soit arrêtée en vertu du droit applicable régissant cet engagement ou instrument ;
13° afin de garantir à tout moment le respect des articles 267/5/3 ou 267/5/4, modifie la structure des échéances :
- des instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1 ou de catégorie 2, après avoir obtenu l'accord de l'autorité de contrôle, et
- des engagements éligibles visés aux articles 267/5 et 267/5/4, § 2, 1°. ".
Art. 161. In dezelfde wet wordt een artikel 232/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 232/1. Indien de afwikkelingsautoriteit, wanneer zij de afwikkelbaarheid van een kredietinstelling of entiteit als bedoeld in artikel 424, 2°, tot en met 4°, beoordeelt, of op ongeacht welk ander tijdstip vaststelt dat binnen een categorie verplichtingen die in aanmerking komende schulden omvat, het bedrag aan schulden zonder het contractueel beding bedoeld in artikel 267/15, § 1, samen met de schulden die zijn uitgesloten van de toepassing van het instrument van interne versterking overeenkomstig artikel 242, 10°, of die waarschijnlijk zullen worden uitgesloten overeenkomstig artikel 267/2, § 2, meer bedraagt dan 10 % van die categorie, beoordeelt zij onmiddellijk welke gevolgen dit bijzondere feit heeft voor de afwikkelbaarheid van die kredietinstelling of entiteit, waaronder de gevolgen voor de afwikkelbaarheid die voortvloeien uit het risico op inbreuken op de in artikel 282, § 2 geregelde waarborgen voor schuldeisers bij de uitoefening van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden op in aanmerking komende schulden.
Indien de afwikkelingsautoriteit op basis van de in het voorgaande lid bedoelde beoordeling concludeert dat de schulden die overeenkomstig artikel 267/15, § 2, eerste lid niet de contractuele bepaling bedoeld in artikel 267/15, § 1 bevatten, een substantiële belemmering voor de afwikkelbaarheid vormen, past zij in voorkomend geval de in de artikelen 231 tot 232 en 449 tot 451 bedoelde bevoegdheden zodanig toe dat de belemmering voor de afwikkelbaarheid wordt weggenomen.".
"Art. 232/1. Indien de afwikkelingsautoriteit, wanneer zij de afwikkelbaarheid van een kredietinstelling of entiteit als bedoeld in artikel 424, 2°, tot en met 4°, beoordeelt, of op ongeacht welk ander tijdstip vaststelt dat binnen een categorie verplichtingen die in aanmerking komende schulden omvat, het bedrag aan schulden zonder het contractueel beding bedoeld in artikel 267/15, § 1, samen met de schulden die zijn uitgesloten van de toepassing van het instrument van interne versterking overeenkomstig artikel 242, 10°, of die waarschijnlijk zullen worden uitgesloten overeenkomstig artikel 267/2, § 2, meer bedraagt dan 10 % van die categorie, beoordeelt zij onmiddellijk welke gevolgen dit bijzondere feit heeft voor de afwikkelbaarheid van die kredietinstelling of entiteit, waaronder de gevolgen voor de afwikkelbaarheid die voortvloeien uit het risico op inbreuken op de in artikel 282, § 2 geregelde waarborgen voor schuldeisers bij de uitoefening van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden op in aanmerking komende schulden.
Indien de afwikkelingsautoriteit op basis van de in het voorgaande lid bedoelde beoordeling concludeert dat de schulden die overeenkomstig artikel 267/15, § 2, eerste lid niet de contractuele bepaling bedoeld in artikel 267/15, § 1 bevatten, een substantiële belemmering voor de afwikkelbaarheid vormen, past zij in voorkomend geval de in de artikelen 231 tot 232 en 449 tot 451 bedoelde bevoegdheden zodanig toe dat de belemmering voor de afwikkelbaarheid wordt weggenomen.".
Art. 161. Dans la même loi il est inséré un article 232/1 rédigé comme suit :
"Art. 232/1. Lorsque l'autorité de résolution, dans le cadre de l'évaluation de la résolvabilité d'un établissement de crédit ou d'une entité visée à l'article 424, 2°, à 4°, ou à tout autre moment, constate que, au sein d'une catégorie de dettes comprenant des dettes éligibles, le montant des dettes qui n'intègrent pas la clause contractuelle visée à l'article 267/15, § 1er, ainsi que des dettes qui sont exclues de l'application des pouvoirs de renflouement interne conformément à l'article 242, 10°, ou qui sont susceptibles d'en être exclues conformément à l'article 267/2, § 2, correspond à plus de 10 % de cette catégorie, elle évalue immédiatement l'incidence de cette circonstance sur la résolvabilité de cet établissement de crédit ou de cette entité, y compris l'impact sur la résolvabilité découlant du risque qu'il soit porté atteinte aux mesures de sauvegarde des créanciers prévues à l'article 282, § 2 lorsqu'elle applique les pouvoirs de dépréciation et de conversion aux dettes éligibles.
Lorsque l'autorité de résolution conclut, sur la base de l'évaluation visée à l'alinéa précédent, que les dettes qui, conformément à l'article 267/15, § 2, alinéa 1er, n'intègrent pas la clause contractuelle visée à l'article 267/15, § 1er, créent un obstacle important à la résolvabilité, elle applique les pouvoirs prévus aux articles 231 à 232 et 449 à 451, le cas échéant, afin de supprimer cet obstacle à la résolvabilité.".
"Art. 232/1. Lorsque l'autorité de résolution, dans le cadre de l'évaluation de la résolvabilité d'un établissement de crédit ou d'une entité visée à l'article 424, 2°, à 4°, ou à tout autre moment, constate que, au sein d'une catégorie de dettes comprenant des dettes éligibles, le montant des dettes qui n'intègrent pas la clause contractuelle visée à l'article 267/15, § 1er, ainsi que des dettes qui sont exclues de l'application des pouvoirs de renflouement interne conformément à l'article 242, 10°, ou qui sont susceptibles d'en être exclues conformément à l'article 267/2, § 2, correspond à plus de 10 % de cette catégorie, elle évalue immédiatement l'incidence de cette circonstance sur la résolvabilité de cet établissement de crédit ou de cette entité, y compris l'impact sur la résolvabilité découlant du risque qu'il soit porté atteinte aux mesures de sauvegarde des créanciers prévues à l'article 282, § 2 lorsqu'elle applique les pouvoirs de dépréciation et de conversion aux dettes éligibles.
Lorsque l'autorité de résolution conclut, sur la base de l'évaluation visée à l'alinéa précédent, que les dettes qui, conformément à l'article 267/15, § 2, alinéa 1er, n'intègrent pas la clause contractuelle visée à l'article 267/15, § 1er, créent un obstacle important à la résolvabilité, elle applique les pouvoirs prévus aux articles 231 à 232 et 449 à 451, le cas échéant, afin de supprimer cet obstacle à la résolvabilité.".
Art. 162. In artikel 233 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:
"Evenzo trekt de Europese Centrale Bank de vergunning in van kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° wanneer hun gemiddelde totale activa gedurende vijf opeenvolgende jaren onder de in dat artikel bedoelde drempels ligt.".
"Evenzo trekt de Europese Centrale Bank de vergunning in van kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° wanneer hun gemiddelde totale activa gedurende vijf opeenvolgende jaren onder de in dat artikel bedoelde drempels ligt.".
Art. 162. Dans l'article 233 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2014, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
"De la même manière, la Banque centrale européenne radie également l'agrément des établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2° lorsque leur actif total moyen sur une période de cinq années consécutives est inférieur aux seuils prévus dans ledit article.".
"De la même manière, la Banque centrale européenne radie également l'agrément des établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2° lorsque leur actif total moyen sur une période de cinq années consécutives est inférieur aux seuils prévus dans ledit article.".
Art. 163. In artikel 234 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mai 2019, worden de paragrafen 2/1 en 2/2 ingevoegd, luidende:
" § 2/1. Niettegenstaande de voorwaarden voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2 en onverminderd artikel 150, § 1, legt de toezichthouder de in paragraaf 2, 1°, bedoelde maatregel op indien de kredietinstelling niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 21 en 94 van deze wet of van artikel 393 van Verordening nr. 575/2013 en het onwaarschijnlijk is dat andere toezichtsmaatregelen voldoende zouden zijn om te waarborgen dat binnen een passende termijn aan deze vereisten kan worden voldaan.
In dat geval zijn de artikelen 150, § 2, 150/3 en 150/4 van toepassing.
§ 2/2. De in paragraaf 2, 9° bedoelde maatregel kan alleen worden opgelegd indien deze verplichting passend en evenredig is wat betreft het doel waarvoor de informatie nodig is, en de gevraagde informatie niet leidt tot duplicering.
Voor de toepassing van paragraaf 2, 9° en van de Afdelingen II tot IV van Hoofdstuk II van Titel III van Boek II wordt alle informatie die in wezen identiek is aan informatie die reeds met toepassing van een andere wettelijke of reglementaire bepaling aan de toezichthouder is meegedeeld of die door de toezichthouder kan worden geproduceerd, geacht tot duplicering te leiden.
De toezichthouder vereist niet dat reeds ontvangen informatie in een ander formaat of ander niveau van granulariteit wordt meegedeeld voor zover dit verschil de toezichthouder niet belet informatie te produceren die van dezelfde kwaliteit en betrouwbaarheid is als de informatie die zou worden vereist.".
" § 2/1. Niettegenstaande de voorwaarden voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2 en onverminderd artikel 150, § 1, legt de toezichthouder de in paragraaf 2, 1°, bedoelde maatregel op indien de kredietinstelling niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 21 en 94 van deze wet of van artikel 393 van Verordening nr. 575/2013 en het onwaarschijnlijk is dat andere toezichtsmaatregelen voldoende zouden zijn om te waarborgen dat binnen een passende termijn aan deze vereisten kan worden voldaan.
In dat geval zijn de artikelen 150, § 2, 150/3 en 150/4 van toepassing.
§ 2/2. De in paragraaf 2, 9° bedoelde maatregel kan alleen worden opgelegd indien deze verplichting passend en evenredig is wat betreft het doel waarvoor de informatie nodig is, en de gevraagde informatie niet leidt tot duplicering.
Voor de toepassing van paragraaf 2, 9° en van de Afdelingen II tot IV van Hoofdstuk II van Titel III van Boek II wordt alle informatie die in wezen identiek is aan informatie die reeds met toepassing van een andere wettelijke of reglementaire bepaling aan de toezichthouder is meegedeeld of die door de toezichthouder kan worden geproduceerd, geacht tot duplicering te leiden.
De toezichthouder vereist niet dat reeds ontvangen informatie in een ander formaat of ander niveau van granulariteit wordt meegedeeld voor zover dit verschil de toezichthouder niet belet informatie te produceren die van dezelfde kwaliteit en betrouwbaarheid is als de informatie die zou worden vereist.".
Art. 163. Dans l'article 234 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, sont insérés les paragraphes 2/1 et 2/2 rédigés comme suit :
"2/1. Nonobstant les conditions d'application des paragraphes 1er et 2, et sans préjudice de l'article 150, § 1er, l'autorité de contrôle impose la mesure visée au paragraphe 2, 1°, si l'établissement de crédit ne satisfait pas aux exigences prévues aux articles 21 et 94 de la présente loi ou à l'article 393 du Règlement n° 575/2013 et s'il est peu probable que d'autres mesures de surveillance sont de nature à garantir le respect de ces exigences dans un délai approprié.
Dans ce cas, les articles 150, § 2, 150/3 et 150/4 sont applicables.
§ 2/2. La mesure visée au paragraphe 2, 9°, ne peut être imposée que lorsque cette obligation est appropriée et proportionnée au regard de la finalité à laquelle les informations sont requises et lorsque les informations demandées ne font pas double emploi.
Pour l'application du paragraphe 2, 9° et des Sections II à IV du Chapitre II du Titre III du Livre II, est considérée comme faisant double emploi, toute information qui est en substance identique à une information déjà communiquée à l'autorité de contrôle en application d'une autre disposition légale ou réglementaire ou susceptible d'être produite par l'autorité de contrôle.
L'autorité de contrôle n'impose pas la communication d'informations déjà reçues dans un format ou à un niveau de granularité différents dans la mesure où cette différence n'empêche pas l'autorité de contrôle de produire des informations de même qualité et fiabilité que celles dont la communication serait requise.".
"2/1. Nonobstant les conditions d'application des paragraphes 1er et 2, et sans préjudice de l'article 150, § 1er, l'autorité de contrôle impose la mesure visée au paragraphe 2, 1°, si l'établissement de crédit ne satisfait pas aux exigences prévues aux articles 21 et 94 de la présente loi ou à l'article 393 du Règlement n° 575/2013 et s'il est peu probable que d'autres mesures de surveillance sont de nature à garantir le respect de ces exigences dans un délai approprié.
Dans ce cas, les articles 150, § 2, 150/3 et 150/4 sont applicables.
§ 2/2. La mesure visée au paragraphe 2, 9°, ne peut être imposée que lorsque cette obligation est appropriée et proportionnée au regard de la finalité à laquelle les informations sont requises et lorsque les informations demandées ne font pas double emploi.
Pour l'application du paragraphe 2, 9° et des Sections II à IV du Chapitre II du Titre III du Livre II, est considérée comme faisant double emploi, toute information qui est en substance identique à une information déjà communiquée à l'autorité de contrôle en application d'une autre disposition légale ou réglementaire ou susceptible d'être produite par l'autorité de contrôle.
L'autorité de contrôle n'impose pas la communication d'informations déjà reçues dans un format ou à un niveau de granularité différents dans la mesure où cette différence n'empêche pas l'autorité de contrôle de produire des informations de même qualité et fiabilité que celles dont la communication serait requise.".
Art. 164. In artikel 236, § 1 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 6° vervangen als volgt:
"6° de vergunning herroepen. De Europese Centrale Bank kan de vergunning echter niet herroepen wanneer de tekortkoming van de kredietinstelling uitsluitend bestaat in het niet voldoen aan de vereisten van de artikelen 92bis of 92ter van Verordening nr. 575/2013. De beslissing tot herroeping en de redenen daarvoor worden door de Europese Centrale Bank ter kennis gebracht van de Europese Bankautoriteit.".
"6° de vergunning herroepen. De Europese Centrale Bank kan de vergunning echter niet herroepen wanneer de tekortkoming van de kredietinstelling uitsluitend bestaat in het niet voldoen aan de vereisten van de artikelen 92bis of 92ter van Verordening nr. 575/2013. De beslissing tot herroeping en de redenen daarvoor worden door de Europese Centrale Bank ter kennis gebracht van de Europese Bankautoriteit.".
Art. 164. Dans l'article 236, § 1er de la même loi, le 6° est remplacé par ce qui suit :
"6° révoquer l'agrément. Toutefois, la Banque centrale européenne ne peut pas révoquer l'agrément lorsque le manquement de l'établissement de crédit ne consiste que dans le seul défaut de se conformer aux exigences prévues aux articles 92bis ou 92ter du Règlement n° 575/2013. La décision de révocation et ses motifs sont notifiés par la Banque centrale européenne à l'Autorité bancaire européenne.".
"6° révoquer l'agrément. Toutefois, la Banque centrale européenne ne peut pas révoquer l'agrément lorsque le manquement de l'établissement de crédit ne consiste que dans le seul défaut de se conformer aux exigences prévues aux articles 92bis ou 92ter du Règlement n° 575/2013. La décision de révocation et ses motifs sont notifiés par la Banque centrale européenne à l'Autorité bancaire européenne.".
Art. 165. In artikel 238 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Kredietinstellingen waarvan de vergunning is ingetrokken of herroepen met toepassing van de artikelen 233, eerste lid en 236 blijven onderworpen aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van deze wet en aan de diverse normen genomen ter uitvoering ervan
1° tot de van het publiek ontvangen gelden en de aan de cliënten verschuldigde financiële instrumenten zijn terugbetaald, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° ; of
2° tot de verbintenissen die voortvloeien uit aan cliënten verschuldigde geldmiddelen en financiële instrumenten vereffend of terugbetaald zijn, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°,
tenzij de toezichthouder hen vrijstelt van bepaalde voorschriften.";
2° er wordt een paragraaf 2 toegevoegd, luidende:
" § 2. Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, waarvan de vergunning is ingetrokken met toepassing van artikel 233, tweede lid, blijven onderworpen aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van deze wet en aan de diverse normen genomen ter uitvoering ervan, tot op de datum waarop zij op grond van artikel 491 een vergunning verkrijgen.
Indien de in artikel 491 bedoelde vergunning wordt geweigerd, blijven zij onderworpen aan die bepalingen en normen tot de verbintenissen die voortvloeien uit aan cliënten verschuldigde geldmiddelen en financiële instrumenten vereffend of terugbetaald zijn.".
1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Kredietinstellingen waarvan de vergunning is ingetrokken of herroepen met toepassing van de artikelen 233, eerste lid en 236 blijven onderworpen aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van deze wet en aan de diverse normen genomen ter uitvoering ervan
1° tot de van het publiek ontvangen gelden en de aan de cliënten verschuldigde financiële instrumenten zijn terugbetaald, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° ; of
2° tot de verbintenissen die voortvloeien uit aan cliënten verschuldigde geldmiddelen en financiële instrumenten vereffend of terugbetaald zijn, voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°,
tenzij de toezichthouder hen vrijstelt van bepaalde voorschriften.";
2° er wordt een paragraaf 2 toegevoegd, luidende:
" § 2. Kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, waarvan de vergunning is ingetrokken met toepassing van artikel 233, tweede lid, blijven onderworpen aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van deze wet en aan de diverse normen genomen ter uitvoering ervan, tot op de datum waarop zij op grond van artikel 491 een vergunning verkrijgen.
Indien de in artikel 491 bedoelde vergunning wordt geweigerd, blijven zij onderworpen aan die bepalingen en normen tot de verbintenissen die voortvloeien uit aan cliënten verschuldigde geldmiddelen en financiële instrumenten vereffend of terugbetaald zijn.".
Art. 165. Dans l'article 238 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Les établissements de crédit dont l'agrément a été radié ou révoqué en application des articles 233, alinéa 1er et 236 restent soumis aux dispositions du droit de l'Union qui leur sont directement applicables, aux dispositions de la présente loi et aux différentes normes prises en exécution de celles-ci
1° jusqu'au remboursement des fonds reçus du public et à la restitution des instruments financiers dus aux clients, pour ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° ; ou
2° jusqu'à la liquidation des engagements résultant de fonds et d'instruments financiers dus aux clients ou la restitution de ceux-ci, pour ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°,
à moins que l'autorité de contrôle ne les en dispense pour certaines dispositions." ;
2° il est ajouté un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, dont l'agrément est radié en application de l'article 233, alinéa 2 restent soumis aux dispositions du droit de l'Union qui leur sont directement applicables, aux dispositions de la présente loi et aux différentes normes prises en exécution de celles-ci, jusqu'à la date à laquelle un agrément leur est octroyé en vertu de l'article 491.
Si l'agrément visé à l'article 491 leur est refusé, ils restent soumis auxdites dispositions et normes, jusqu'à la liquidation des engagements résultant de fonds et d'instruments financiers dus aux clients ou la restitution de ceux-ci.".
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Les établissements de crédit dont l'agrément a été radié ou révoqué en application des articles 233, alinéa 1er et 236 restent soumis aux dispositions du droit de l'Union qui leur sont directement applicables, aux dispositions de la présente loi et aux différentes normes prises en exécution de celles-ci
1° jusqu'au remboursement des fonds reçus du public et à la restitution des instruments financiers dus aux clients, pour ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° ; ou
2° jusqu'à la liquidation des engagements résultant de fonds et d'instruments financiers dus aux clients ou la restitution de ceux-ci, pour ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°,
à moins que l'autorité de contrôle ne les en dispense pour certaines dispositions." ;
2° il est ajouté un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, dont l'agrément est radié en application de l'article 233, alinéa 2 restent soumis aux dispositions du droit de l'Union qui leur sont directement applicables, aux dispositions de la présente loi et aux différentes normes prises en exécution de celles-ci, jusqu'à la date à laquelle un agrément leur est octroyé en vertu de l'article 491.
Si l'agrément visé à l'article 491 leur est refusé, ils restent soumis auxdites dispositions et normes, jusqu'à la liquidation des engagements résultant de fonds et d'instruments financiers dus aux clients ou la restitution de ceux-ci.".
Art. 166. In de inleidende zin van artikel 239, § 1 van dezelfde wet worden de woorden "in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, " ingevoegd tussen de woorden "de kredietinstellingen bedoeld" en de woorden "die hun bedrijf uitoefenen".
Art. 166. Dans la phrase introductive de l'article 239, § 1er de la même loi, les mots "au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, " sont insérés entre les mots "les établissements de crédit" et les mots "qui exercent leurs activités".
Art. 167. In artikel 242 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de eerste zin van het artikel wordt als volgt vervangen:
"Voor de toepassing van Boek II, Titel IV en Titel VIII en van Boek XI, evenals van de besluiten en reglementen vastgesteld ter uitvoering ervan, dient te worden verstaan onder:";
2° in het bepaalde onder 1°, worden de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de woorden "de kapitaalinstrumenten" en de woorden "van een kredietinstelling";
3° het bepaalde onder 10°, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt als volgt vervangen:
"10° bail-inbare schulden: verbintenissen of schulden en kapitaalinstrumenten van een kredietinstelling, die geen tier 1-kernkapitaalinstrumenten, aanvullend-tier 1-instrumenten of aanvullend-tier 2-instrumenten zijn en die tot geen van de volgende categorieën behoren:
a) gewaarborgde deposito's;
b) door zekerheid gedekte verplichtingen, met inbegrip van covered bonds;
c) verplichtingen die ontstaan door het aanhouden van activa of gelden van cliënten, voor zover de aanspraken van deze cliënten worden erkend onder het faillissementsrecht;
d) verplichtingen die ontstaan ingevolge een fiduciaire relatie tussen de kredietinstelling als fiduciaris en een andere persoon als begunstigde, voor zover de aanspraken van deze begunstigde worden erkend onder het faillissementsrecht of het burgerlijk recht;
e) verplichtingen jegens niet-verbonden kredietinstellingen of beleggingsondernemingen met een looptijd van minder dan zeven dagen;
f) verplichtingen met een resterende looptijd van minder dan zeven dagen ten aanzien van systemen of exploitanten van systemen die zijn aangewezen voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, of ten aanzien van de deelnemers daarin, en die voortvloeien uit de deelneming aan een dergelijk systeem, of ten aanzien van vergunde of erkende centrale tegenpartijen overeenkomstig de artikelen 14 of 25 van Verordening nr. 648/2012;
g) verplichtingen ten aanzien van werknemers met betrekking tot hun loon, pensioenuitkeringen of andere vaste vergoedingen, met uitzondering van de niet bij collectieve arbeidsovereenkomst geregelde variabele component van de bezoldiging en van de variabele component van de bezoldiging van personen die risiconemende functies uitoefenen;
h) verplichtingen ten aanzien van schuldeisers die voortvloeien uit de levering aan de kredietinstelling van informaticadiensten en nutsvoorzieningen, de huur, het onderhoud en het herstel van kantoorruimte of andere goederen of diensten die onontbeerlijk zijn voor de dagelijkse werkzaamheden van de instelling;
i) schulden ten aanzien van belastingautoriteiten en socialezekerheidsinstanties, voor zover de corresponderende schuldvorderingen voorrang genieten volgens het toepasselijke recht;
j) schulden ten aanzien van depositogarantiestelsels voor de betaling van de bijdragen verschuldigd overeenkomstig Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake depositogarantiestelsels; en
k) schulden ten aanzien van kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in artikel 424, 1° /1 tot en met 4°, die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, ongeacht de looptijd ervan, behalve indien die verplichtingen in de crediteurenrangorde volgens het nationaal recht inzake liquidatieprocedures, lager gerangschikt zijn dan gewone ongedekte verplichtingen.";
4° de bepalingen onder 10/1° en 10/2° worden ingevoegd, luidende:
"10/1° in aanmerking komende schulden: bail-inbare schulden die, voor zover van toepassing, aan de voorwaarden van artikel 267/5 of artikel 267/5/4, § 2, 1°, voldoen, evenals tier 2-instrumenten die aan de voorwaarden van artikel 72bis, lid 1, punt b) van Verordening nr. 575/2013 voldoen;
10/2° achtergestelde in aanmerking komende instrumenten: instrumenten die voldoen aan alle in artikel 72bis van Verordening nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden met uitzondering van artikel 72ter, leden 3 tot en met 5 van die verordening;";
5° de bepalingen onder 12/1° en 12/2°, worden ingevoegd, luidende:
"12/1° dochteronderneming:
a) een dochteronderneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt 16) van Verordening nr. 575/2013, en
b) voor de toepassing van de artikelen 250 tot 254, 267/3 tot 267/5/9, 418, 425 tot 429, 439 tot 447, 449 tot 451, 458, 465 tot 467 en 472 tot 477, op af te wikkelen groepen als bedoeld in punt 13° /2, b) van dit artikel, kredietinstellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centrale instelling, de centrale instelling zelf en hun respectieve dochterondernemingen, zoals aangeduid door de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig artikel 267/5/3, § 3;
12/2° dochteronderneming van wezenlijk belang: een dochteronderneming van wezenlijk belang als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 135 van Verordening nr. 575/2013;";
6° de bepalingen onder 13/1° en 13/2° worden ingevoegd, luidende:
"13/1° af te wikkelen entiteit: een in de EER gevestigde rechtspersoon die door de afwikkelingsautoriteit wordt aangemerkt als een entiteit ten aanzien waarvan het groepsafwikkelingsplan in een afwikkelingsmaatregel voorziet, of een kredietinstelling die geen deel uitmaakt van een groep die aan geconsolideerd toezicht is onderworpen en ten aanzien waarvan het overeenkomstig artikel 226 opgestelde afwikkelingsplan voorziet in afwikkelingsmaatregelen;
13/2° af te wikkelen groep:
a) een af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen voor zover die dochterondernemingen zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, geen dochterondernemingen zijn van andere af te wikkelen entiteiten of geen in een derde land gevestigde entiteiten zijn als bedoeld in artikel 424 die volgens het afwikkelingsplan geen deel uitmaken van de af te wikkelen groep en de dochterondernemingen daarvan; of
b) kredietinstellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centrale instelling en de centrale instelling zelf, indien ten minste een van deze kredietinstellingen of het centrale orgaan een af te wikkelen entiteit is, en hun respectieve dochterondernemingen;".
1° de eerste zin van het artikel wordt als volgt vervangen:
"Voor de toepassing van Boek II, Titel IV en Titel VIII en van Boek XI, evenals van de besluiten en reglementen vastgesteld ter uitvoering ervan, dient te worden verstaan onder:";
2° in het bepaalde onder 1°, worden de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de woorden "de kapitaalinstrumenten" en de woorden "van een kredietinstelling";
3° het bepaalde onder 10°, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt als volgt vervangen:
"10° bail-inbare schulden: verbintenissen of schulden en kapitaalinstrumenten van een kredietinstelling, die geen tier 1-kernkapitaalinstrumenten, aanvullend-tier 1-instrumenten of aanvullend-tier 2-instrumenten zijn en die tot geen van de volgende categorieën behoren:
a) gewaarborgde deposito's;
b) door zekerheid gedekte verplichtingen, met inbegrip van covered bonds;
c) verplichtingen die ontstaan door het aanhouden van activa of gelden van cliënten, voor zover de aanspraken van deze cliënten worden erkend onder het faillissementsrecht;
d) verplichtingen die ontstaan ingevolge een fiduciaire relatie tussen de kredietinstelling als fiduciaris en een andere persoon als begunstigde, voor zover de aanspraken van deze begunstigde worden erkend onder het faillissementsrecht of het burgerlijk recht;
e) verplichtingen jegens niet-verbonden kredietinstellingen of beleggingsondernemingen met een looptijd van minder dan zeven dagen;
f) verplichtingen met een resterende looptijd van minder dan zeven dagen ten aanzien van systemen of exploitanten van systemen die zijn aangewezen voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, of ten aanzien van de deelnemers daarin, en die voortvloeien uit de deelneming aan een dergelijk systeem, of ten aanzien van vergunde of erkende centrale tegenpartijen overeenkomstig de artikelen 14 of 25 van Verordening nr. 648/2012;
g) verplichtingen ten aanzien van werknemers met betrekking tot hun loon, pensioenuitkeringen of andere vaste vergoedingen, met uitzondering van de niet bij collectieve arbeidsovereenkomst geregelde variabele component van de bezoldiging en van de variabele component van de bezoldiging van personen die risiconemende functies uitoefenen;
h) verplichtingen ten aanzien van schuldeisers die voortvloeien uit de levering aan de kredietinstelling van informaticadiensten en nutsvoorzieningen, de huur, het onderhoud en het herstel van kantoorruimte of andere goederen of diensten die onontbeerlijk zijn voor de dagelijkse werkzaamheden van de instelling;
i) schulden ten aanzien van belastingautoriteiten en socialezekerheidsinstanties, voor zover de corresponderende schuldvorderingen voorrang genieten volgens het toepasselijke recht;
j) schulden ten aanzien van depositogarantiestelsels voor de betaling van de bijdragen verschuldigd overeenkomstig Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake depositogarantiestelsels; en
k) schulden ten aanzien van kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in artikel 424, 1° /1 tot en met 4°, die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, ongeacht de looptijd ervan, behalve indien die verplichtingen in de crediteurenrangorde volgens het nationaal recht inzake liquidatieprocedures, lager gerangschikt zijn dan gewone ongedekte verplichtingen.";
4° de bepalingen onder 10/1° en 10/2° worden ingevoegd, luidende:
"10/1° in aanmerking komende schulden: bail-inbare schulden die, voor zover van toepassing, aan de voorwaarden van artikel 267/5 of artikel 267/5/4, § 2, 1°, voldoen, evenals tier 2-instrumenten die aan de voorwaarden van artikel 72bis, lid 1, punt b) van Verordening nr. 575/2013 voldoen;
10/2° achtergestelde in aanmerking komende instrumenten: instrumenten die voldoen aan alle in artikel 72bis van Verordening nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden met uitzondering van artikel 72ter, leden 3 tot en met 5 van die verordening;";
5° de bepalingen onder 12/1° en 12/2°, worden ingevoegd, luidende:
"12/1° dochteronderneming:
a) een dochteronderneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt 16) van Verordening nr. 575/2013, en
b) voor de toepassing van de artikelen 250 tot 254, 267/3 tot 267/5/9, 418, 425 tot 429, 439 tot 447, 449 tot 451, 458, 465 tot 467 en 472 tot 477, op af te wikkelen groepen als bedoeld in punt 13° /2, b) van dit artikel, kredietinstellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centrale instelling, de centrale instelling zelf en hun respectieve dochterondernemingen, zoals aangeduid door de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig artikel 267/5/3, § 3;
12/2° dochteronderneming van wezenlijk belang: een dochteronderneming van wezenlijk belang als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 135 van Verordening nr. 575/2013;";
6° de bepalingen onder 13/1° en 13/2° worden ingevoegd, luidende:
"13/1° af te wikkelen entiteit: een in de EER gevestigde rechtspersoon die door de afwikkelingsautoriteit wordt aangemerkt als een entiteit ten aanzien waarvan het groepsafwikkelingsplan in een afwikkelingsmaatregel voorziet, of een kredietinstelling die geen deel uitmaakt van een groep die aan geconsolideerd toezicht is onderworpen en ten aanzien waarvan het overeenkomstig artikel 226 opgestelde afwikkelingsplan voorziet in afwikkelingsmaatregelen;
13/2° af te wikkelen groep:
a) een af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen voor zover die dochterondernemingen zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, geen dochterondernemingen zijn van andere af te wikkelen entiteiten of geen in een derde land gevestigde entiteiten zijn als bedoeld in artikel 424 die volgens het afwikkelingsplan geen deel uitmaken van de af te wikkelen groep en de dochterondernemingen daarvan; of
b) kredietinstellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centrale instelling en de centrale instelling zelf, indien ten minste een van deze kredietinstellingen of het centrale orgaan een af te wikkelen entiteit is, en hun respectieve dochterondernemingen;".
Art. 167. A l'article 242 de la même loi les modifications suivantes sont apportées :
1° la première phrase de l'article est remplacée comme suit :
"Pour l'application du Livre II, Titre IV et Titre VIII et du Livre XI, ainsi que des arrêtés et règlements pris pour leur exécution, il y a lieu d'entendre par :" ;
2° dans le 1°, les mots "et les dettes éligibles" sont insérés entre les mots "de fonds propres" et les mots "d'un établissement de crédit" ;
3° le 10°, modifié par l'arrêté royal du 18 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, est remplacé par ce qui suit :
"10° dettes utilisables pour un renflouement interne, les engagements ou éléments de passif et les instruments de capital d'un établissement de crédit qui ne sont pas des instruments de fonds propres de base de catégorie 1 ou des fonds propres additionnels de catégorie 1 ou de catégorie 2 et ne relèvent d'aucune des catégories suivantes :
a) les dépôts assurés ;
b) les engagements garantis, en ce compris les covered bonds ;
c) les engagements résultant de la détention d'actifs ou de liquidités de clients, pour autant que les droits de ces clients soient reconnus en droit des faillites ;
d) les engagements résultant d'une relation de fiducie entre l'établissement de crédit en tant que fiduciaire et une autre personne en tant que bénéficiaire, pour autant que les droits de ce bénéficiaire soient reconnus en droit des faillites ou en droit civil ;
e) les engagements envers des établissements de crédit ou entreprises d'investissement non liés qui ont une échéance de moins de sept jours;
f) les engagements d'une échéance résiduelle de moins de sept jours envers les systèmes ou opérateurs de systèmes désignés aux fins de la Directive 98/26/CE ou leurs participants et résultant de la participation à un tel système, ou envers des contreparties centrales agréées ou reconnues conformément à l'article 14 ou à l'article 25 du Règlement n° 648/2012 ;
g) les engagements envers des travailleurs en liaison avec les salaires, allocations de retraite ou toute autre rémunération fixe, à l'exception de la composante variable de la rémunération qui n'est pas réglementée par une convention collective de travail et de la composante variable de la rémunération des personnes qui occupent une fonction impliquant une prise de risques ;
h) les engagements envers des créanciers commerciaux en liaison avec la fourniture à l'établissement de crédit de services informatiques et de services d'utilité publique, la location, l'entretien et la maintenance des locaux ou d'autres biens ou services qui sont indispensables pour les activités quotidiennes de l'établissement ;
i) les dettes envers les autorités fiscales et de sécurité sociale, pour autant que les créances correspondantes aient priorité selon droit applicable ;
j) les dettes envers des systèmes de garantie des dépôts pour les contributions dues conformément à la Directive 2014/49/UE du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relative aux systèmes de garantie des dépôts ; et
k) les dettes envers des établissements de crédit ou des entités visées à l'article 424, 1° /1 à 4°, qui font partie du même groupe de résolution sans être eux-mêmes des entités de résolution, indépendamment de leur échéance, sauf lorsque ces engagements ont un rang inférieur aux engagements ordinaires non garantis conformément au droit national régissant la procédure de liquidation." ;
4° les 10/1° et 10/2° sont insérés, rédigés comme suit :
"10/1° dettes éligibles, les dettes utilisables pour un renflouement interne qui remplissent, selon le cas, les conditions de l'article 267/5 ou de l'article 267/5/4, § 2, 1° et les instruments de fonds propres de catégorie 2 qui remplissent les conditions de l'article 72bis, paragraphe 1er, point b), du Règlement n° 575/2013 ;
10/2° instruments éligibles subordonnés, les instruments qui remplissent toutes les conditions énoncées à l'article 72bis du Règlement n° 575/2013 autres que les paragraphes 3 à 5 de l'article 72ter dudit règlement ;" ;
5° les 12/1° et 12/2° sont insérés, rédigés comme suit :
"12/1° filiale,
a) une filiale au sens de l'article 4, paragraphe 1er, point 16), du Règlement n° 575/2013 ; et
b) aux fins de l'application des articles 250 à 254, 267/3 à 267/5/9, 418, 425 à 429, 439 à 447, 449 à 451, 458, 465 à 467 et 472 à 477, aux groupes de résolution visés au point 13° /2, b) du présent article, les établissements de crédit affiliés de manière permanente à un organisme central, l'organisme central lui-même et leurs filiales respectives qui sont désignés par l'autorité de résolution conformément à l'article 267/5/3, § 3 ;
12/2° filiale importante, une filiale importante au sens de l'article 4, paragraphe 1er, point 135 du Règlement n° 575/2013 ;" ;
6° les 13/1° et 13/2° sont insérés, rédigés comme suit :
"13/1° entité de résolution, une personne morale établie dans l'EEE, que l'autorité de résolution désigne comme une entité pour laquelle le plan de résolution de groupe prévoit une mesure de résolution; ou un établissement de crédit qui ne fait pas partie d'un groupe soumis à la surveillance sur base consolidée et pour lequel le plan de résolution établi conformément à l'article 226 prévoit une mesure de résolution ;
13/2° groupe de résolution,
a) une entité de résolution et ses filiales pour autant que ces filiales ne sont pas des entités de résolution elles-mêmes, des filiales d'autres entités de résolution ou des entités visées à l'article 424 établies dans un pays tiers qui ne sont pas comprises dans le groupe de résolution au sens du plan de résolution et leurs filiales ; ou
b) des établissements de crédit qui sont affiliés de manière permanente à un organisme central et l'organisme central lui-même, lorsqu'au moins un de ces établissements de crédit ou l'organisme central est une entité de résolution, et leurs filiales respectives ;".
1° la première phrase de l'article est remplacée comme suit :
"Pour l'application du Livre II, Titre IV et Titre VIII et du Livre XI, ainsi que des arrêtés et règlements pris pour leur exécution, il y a lieu d'entendre par :" ;
2° dans le 1°, les mots "et les dettes éligibles" sont insérés entre les mots "de fonds propres" et les mots "d'un établissement de crédit" ;
3° le 10°, modifié par l'arrêté royal du 18 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, est remplacé par ce qui suit :
"10° dettes utilisables pour un renflouement interne, les engagements ou éléments de passif et les instruments de capital d'un établissement de crédit qui ne sont pas des instruments de fonds propres de base de catégorie 1 ou des fonds propres additionnels de catégorie 1 ou de catégorie 2 et ne relèvent d'aucune des catégories suivantes :
a) les dépôts assurés ;
b) les engagements garantis, en ce compris les covered bonds ;
c) les engagements résultant de la détention d'actifs ou de liquidités de clients, pour autant que les droits de ces clients soient reconnus en droit des faillites ;
d) les engagements résultant d'une relation de fiducie entre l'établissement de crédit en tant que fiduciaire et une autre personne en tant que bénéficiaire, pour autant que les droits de ce bénéficiaire soient reconnus en droit des faillites ou en droit civil ;
e) les engagements envers des établissements de crédit ou entreprises d'investissement non liés qui ont une échéance de moins de sept jours;
f) les engagements d'une échéance résiduelle de moins de sept jours envers les systèmes ou opérateurs de systèmes désignés aux fins de la Directive 98/26/CE ou leurs participants et résultant de la participation à un tel système, ou envers des contreparties centrales agréées ou reconnues conformément à l'article 14 ou à l'article 25 du Règlement n° 648/2012 ;
g) les engagements envers des travailleurs en liaison avec les salaires, allocations de retraite ou toute autre rémunération fixe, à l'exception de la composante variable de la rémunération qui n'est pas réglementée par une convention collective de travail et de la composante variable de la rémunération des personnes qui occupent une fonction impliquant une prise de risques ;
h) les engagements envers des créanciers commerciaux en liaison avec la fourniture à l'établissement de crédit de services informatiques et de services d'utilité publique, la location, l'entretien et la maintenance des locaux ou d'autres biens ou services qui sont indispensables pour les activités quotidiennes de l'établissement ;
i) les dettes envers les autorités fiscales et de sécurité sociale, pour autant que les créances correspondantes aient priorité selon droit applicable ;
j) les dettes envers des systèmes de garantie des dépôts pour les contributions dues conformément à la Directive 2014/49/UE du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relative aux systèmes de garantie des dépôts ; et
k) les dettes envers des établissements de crédit ou des entités visées à l'article 424, 1° /1 à 4°, qui font partie du même groupe de résolution sans être eux-mêmes des entités de résolution, indépendamment de leur échéance, sauf lorsque ces engagements ont un rang inférieur aux engagements ordinaires non garantis conformément au droit national régissant la procédure de liquidation." ;
4° les 10/1° et 10/2° sont insérés, rédigés comme suit :
"10/1° dettes éligibles, les dettes utilisables pour un renflouement interne qui remplissent, selon le cas, les conditions de l'article 267/5 ou de l'article 267/5/4, § 2, 1° et les instruments de fonds propres de catégorie 2 qui remplissent les conditions de l'article 72bis, paragraphe 1er, point b), du Règlement n° 575/2013 ;
10/2° instruments éligibles subordonnés, les instruments qui remplissent toutes les conditions énoncées à l'article 72bis du Règlement n° 575/2013 autres que les paragraphes 3 à 5 de l'article 72ter dudit règlement ;" ;
5° les 12/1° et 12/2° sont insérés, rédigés comme suit :
"12/1° filiale,
a) une filiale au sens de l'article 4, paragraphe 1er, point 16), du Règlement n° 575/2013 ; et
b) aux fins de l'application des articles 250 à 254, 267/3 à 267/5/9, 418, 425 à 429, 439 à 447, 449 à 451, 458, 465 à 467 et 472 à 477, aux groupes de résolution visés au point 13° /2, b) du présent article, les établissements de crédit affiliés de manière permanente à un organisme central, l'organisme central lui-même et leurs filiales respectives qui sont désignés par l'autorité de résolution conformément à l'article 267/5/3, § 3 ;
12/2° filiale importante, une filiale importante au sens de l'article 4, paragraphe 1er, point 135 du Règlement n° 575/2013 ;" ;
6° les 13/1° et 13/2° sont insérés, rédigés comme suit :
"13/1° entité de résolution, une personne morale établie dans l'EEE, que l'autorité de résolution désigne comme une entité pour laquelle le plan de résolution de groupe prévoit une mesure de résolution; ou un établissement de crédit qui ne fait pas partie d'un groupe soumis à la surveillance sur base consolidée et pour lequel le plan de résolution établi conformément à l'article 226 prévoit une mesure de résolution ;
13/2° groupe de résolution,
a) une entité de résolution et ses filiales pour autant que ces filiales ne sont pas des entités de résolution elles-mêmes, des filiales d'autres entités de résolution ou des entités visées à l'article 424 établies dans un pays tiers qui ne sont pas comprises dans le groupe de résolution au sens du plan de résolution et leurs filiales ; ou
b) des établissements de crédit qui sont affiliés de manière permanente à un organisme central et l'organisme central lui-même, lorsqu'au moins un de ces établissements de crédit ou l'organisme central est une entité de résolution, et leurs filiales respectives ;".
Art. 168. In artikel 244, § 1, 2°, van dezelfde wet worden de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de woorden "omzetting van kapitaalinstrumenten" en de woorden "overeenkomstig Hoofdstuk IV".
Art. 168. Dans l'article 244, § 1er, 2°, de la même loi, les mots "et de dettes éligibles" sont insérés entre les mots "d'instruments de fonds propres" et les mots "conformément au Chapitre IV".
Art. 169. In Boek II, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling II van dezelfde wet wordt een artikel 244/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 244/1. De afwikkelingsautoriteit kan een afwikkelingsmaatregel nemen ten aanzien van een in artikel 239, § 1 bedoelde centrale instelling en één of meer van de daarbij blijvend aangesloten kredietinstellingen die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep, indien die af te wikkelen groep als geheel voldoet aan de in artikel 244, § 1 gestelde voorwaarden.".
"Art. 244/1. De afwikkelingsautoriteit kan een afwikkelingsmaatregel nemen ten aanzien van een in artikel 239, § 1 bedoelde centrale instelling en één of meer van de daarbij blijvend aangesloten kredietinstellingen die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep, indien die af te wikkelen groep als geheel voldoet aan de in artikel 244, § 1 gestelde voorwaarden.".
Art. 169. Dans le Livre II, Titre VIII, Chapitre II, Section II de la même loi, l'article 244/1 est inséré, rédigé comme suit :
"Art. 244/1. L'autorité de résolution peut prendre une mesure de résolution à l'égard d'un organisme central et d'un ou plusieurs établissements de crédit affiliés de manière permanente visés à l'article 239, § 1er qui font partie du même groupe de résolution, si le groupe de résolution dans son ensemble satisfait aux conditions prévues à l'article 244, § 1er.".
"Art. 244/1. L'autorité de résolution peut prendre une mesure de résolution à l'égard d'un organisme central et d'un ou plusieurs établissements de crédit affiliés de manière permanente visés à l'article 239, § 1er qui font partie du même groupe de résolution, si le groupe de résolution dans son ensemble satisfait aux conditions prévues à l'article 244, § 1er.".
Art. 170. In Boek II, Titel VIII, Hoofdstuk II van dezelfde wet wordt een Afdeling II/1 ingevoegd, luidende "Bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen voorafgaand aan afwikkeling of vereffening".
Art. 170. Dans le Livre II, Titre VIII, Chapitre II de la même loi, il est inséré une Section II/1, intitulée "Pouvoir de suspendre les obligations de paiement ou de livraison avant la résolution ou la liquidation".
Art. 171. In Afdeling II/1, ingevoegd bij artikel 170, wordt een artikel 244/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 244/2. § 1. De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, die tijdig antwoorden, betalings- of leveringsverplichtingen uit hoofde van elke overeenkomst waarbij een kredietinstelling partij is, op te schorten indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° er is overeenkomstig artikel 244, § 1, 1°, vastgesteld dat de kredietinstelling in gebreke blijft of dat dit nakend is;
2° er is geen onmiddellijk beschikbare private maatregel voorhanden als bedoeld in artikel 244, § 1, 2°, die het in gebreke blijven van de kredietinstelling zou voorkomen;
3° de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid wordt noodzakelijk geacht om te voorkomen dat de financiële toestand van de kredietinstelling verder verslechtert; en
4° de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid is:
- noodzakelijk om tot de in artikel 244, § 1, 3°, bedoelde vaststelling te komen; of
- noodzakelijk om de passende afwikkelingsmaatregelen te bepalen of om de doeltreffende toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten te waarborgen.
§ 2. De opschortingsbevoegdheid is niet van toepassing op betalings- of leveringsverplichtingen ten aanzien van (i) systemen en exploitanten van systemen die zijn aangewezen voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, (ii) overeenkomstig de artikelen 14 en 25 van Verordening nr. 648/2012 vergunde of erkende centrale tegenpartijen en (iii) centrale banken.
De afwikkelingsautoriteit bepaalt de reikwijdte van de opschortingsbevoegdheid, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval. De afwikkelingsautoriteit gaat met name zorgvuldig na of de toepassing van de opschorting naar in aanmerking komende, en in het bijzonder gewaarborgde, deposito's gepast is.
§ 3. Indien de bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen wordt uitgeoefend ten aanzien van in aanmerking komende, en in het bijzonder gewaarborgde, deposito's, zorgt de afwikkelingsautoriteit ervoor dat deposanten toegang hebben tot een passend bedrag per dag van deze deposito's.
§ 4. De periode van opschorting is zo kort mogelijk en niet langer dan de minimumperiode die de afwikkelingsautoriteit noodzakelijk acht voor de in paragraaf 1, onder 3° en 4° genoemde doeleinden, en duurt in ieder geval niet langer dan de tijdspanne vanaf de bekendmaking van een bericht tot opschorting uit hoofde van paragraaf 8 tot middernacht aan het eind van de werkdag die volgt op de dag van de bekendmaking.
§ 5. Bij de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de gevolgen die de uitoefening van die bevoegdheid kan hebben voor het ordelijke functioneren van de financiële markten. Wanneer de opschorting noodzakelijk is om tot de vaststelling te komen bedoeld in artikel 244, § 1, 3° houdt zij eveneens rekening met de toepasselijke regels ter vrijwaring van de rechten van de schuldeisers en de gelijke behandeling van schuldeisers in liquidatieprocedures. De afwikkelingsautoriteit houdt met name rekening met de mogelijke toepassing van liquidatieprocedures op de kredietinstelling of entiteit als gevolg van de vaststelling in artikel 244, § 1, 3°, en treft de regelingen die zij passend acht voor een adequate coördinatie met de rechterlijke instanties, in voorkomend geval overeenkomstig de artikelen 273, 273/1 en 291/1.
§ 6. Indien betalings- of leveringsverplichtingen uit hoofde van een contract worden opgeschort, worden de uit hoofde van dat contract voor de tegenpartijen geldende betalings- of leveringsverplichtingen voor dezelfde periode opgeschort.
§ 7. Een betalings- of leveringsverplichting die tijdens de periode van opschorting had moeten worden nagekomen, moet onmiddellijk na het verstrijken van die periode worden nagekomen.
§ 8. De afwikkelingsautoriteit brengt de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstelling en de in artikel 292, 1° tot en met 6° bedoelde autoriteiten onverwijld op de hoogte wanneer zij de opschortingsbevoegdheid uitoefent nadat op grond van artikel 244, § 1, 1°, is vastgesteld dat de kredietinstelling gebreke blijft of dat dit nakend is, en voordat een afwikkelingsmaatregel wordt genomen.
De afwikkelingsautoriteit maakt de maatregel of het instrument door middel waarvan de verplichtingen uit hoofde van dit artikel worden opgeschort en de voorwaarden voor en de periode van opschorting bekend of laat deze bekendmaken op de wijze bedoeld in artikel 295.
§ 9. Dit artikel geldt onverminderd artikel 236, § 1, 4° en de andere bepalingen waarbij bevoegdheden tot het opschorten van betalings- of leveringsverplichtingen van de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstellingen worden verleend voordat uit hoofde van artikel 244, § 1, 1°, is vastgesteld dat die kredietinstellingen in gebreke blijven of dit nakend is, of tot het opschorten van betalings- of leveringsverplichtingen van kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in paragraaf 1 die volgens een liquidatieprocedure moeten worden vereffend, en de in dit artikel bepaalde omvang en duur overschrijden. Dergelijke bevoegdheden worden uitgeoefend overeenkomstig de in die bepalingen vastgelegde omvang, duur en voorwaarden. De in dit artikel bepaalde voorwaarden laten de voorwaarden in verband met die bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen onverlet.
§ 10. Wanneer de afwikkelingsautoriteit de bevoegdheid tot het opschorten van betalings- of leveringsverplichtingen ten aanzien van een kredietinstelling bedoeld in paragraaf 1 uitoefent, kan de afwikkelingsautoriteit gedurende die opschorting ook de bevoegdheid uitoefenen om:
1° schuldeisers met een zekerheid van die kredietinstelling of entiteit te beperken in de tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten met betrekking tot ongeacht welke activa van die kredietinstelling voor dezelfde duur, onder voorbehoud van de beperkingen bedoeld in artikel 280, § 2, 2° ; en
2° beëindigingsrechten van ongeacht welke partij bij een contract met die kredietinstelling op te schorten voor dezelfde duur, in welk geval artikel 280 van toepassing is.
§ 11. Indien de afwikkelingsautoriteit de bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen heeft uitgeoefend overeenkomstig dit artikel, en indien vervolgens ten aanzien van die kredietinstelling afwikkelingsmaatregelen worden genomen, ziet de afwikkelingsautoriteit af van uitoefening van haar bevoegdheden uit hoofde van artikel 280, § 1 ten aanzien van die kredietinstelling.".
"Art. 244/2. § 1. De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, die tijdig antwoorden, betalings- of leveringsverplichtingen uit hoofde van elke overeenkomst waarbij een kredietinstelling partij is, op te schorten indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° er is overeenkomstig artikel 244, § 1, 1°, vastgesteld dat de kredietinstelling in gebreke blijft of dat dit nakend is;
2° er is geen onmiddellijk beschikbare private maatregel voorhanden als bedoeld in artikel 244, § 1, 2°, die het in gebreke blijven van de kredietinstelling zou voorkomen;
3° de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid wordt noodzakelijk geacht om te voorkomen dat de financiële toestand van de kredietinstelling verder verslechtert; en
4° de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid is:
- noodzakelijk om tot de in artikel 244, § 1, 3°, bedoelde vaststelling te komen; of
- noodzakelijk om de passende afwikkelingsmaatregelen te bepalen of om de doeltreffende toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten te waarborgen.
§ 2. De opschortingsbevoegdheid is niet van toepassing op betalings- of leveringsverplichtingen ten aanzien van (i) systemen en exploitanten van systemen die zijn aangewezen voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, (ii) overeenkomstig de artikelen 14 en 25 van Verordening nr. 648/2012 vergunde of erkende centrale tegenpartijen en (iii) centrale banken.
De afwikkelingsautoriteit bepaalt de reikwijdte van de opschortingsbevoegdheid, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval. De afwikkelingsautoriteit gaat met name zorgvuldig na of de toepassing van de opschorting naar in aanmerking komende, en in het bijzonder gewaarborgde, deposito's gepast is.
§ 3. Indien de bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen wordt uitgeoefend ten aanzien van in aanmerking komende, en in het bijzonder gewaarborgde, deposito's, zorgt de afwikkelingsautoriteit ervoor dat deposanten toegang hebben tot een passend bedrag per dag van deze deposito's.
§ 4. De periode van opschorting is zo kort mogelijk en niet langer dan de minimumperiode die de afwikkelingsautoriteit noodzakelijk acht voor de in paragraaf 1, onder 3° en 4° genoemde doeleinden, en duurt in ieder geval niet langer dan de tijdspanne vanaf de bekendmaking van een bericht tot opschorting uit hoofde van paragraaf 8 tot middernacht aan het eind van de werkdag die volgt op de dag van de bekendmaking.
§ 5. Bij de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de gevolgen die de uitoefening van die bevoegdheid kan hebben voor het ordelijke functioneren van de financiële markten. Wanneer de opschorting noodzakelijk is om tot de vaststelling te komen bedoeld in artikel 244, § 1, 3° houdt zij eveneens rekening met de toepasselijke regels ter vrijwaring van de rechten van de schuldeisers en de gelijke behandeling van schuldeisers in liquidatieprocedures. De afwikkelingsautoriteit houdt met name rekening met de mogelijke toepassing van liquidatieprocedures op de kredietinstelling of entiteit als gevolg van de vaststelling in artikel 244, § 1, 3°, en treft de regelingen die zij passend acht voor een adequate coördinatie met de rechterlijke instanties, in voorkomend geval overeenkomstig de artikelen 273, 273/1 en 291/1.
§ 6. Indien betalings- of leveringsverplichtingen uit hoofde van een contract worden opgeschort, worden de uit hoofde van dat contract voor de tegenpartijen geldende betalings- of leveringsverplichtingen voor dezelfde periode opgeschort.
§ 7. Een betalings- of leveringsverplichting die tijdens de periode van opschorting had moeten worden nagekomen, moet onmiddellijk na het verstrijken van die periode worden nagekomen.
§ 8. De afwikkelingsautoriteit brengt de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstelling en de in artikel 292, 1° tot en met 6° bedoelde autoriteiten onverwijld op de hoogte wanneer zij de opschortingsbevoegdheid uitoefent nadat op grond van artikel 244, § 1, 1°, is vastgesteld dat de kredietinstelling gebreke blijft of dat dit nakend is, en voordat een afwikkelingsmaatregel wordt genomen.
De afwikkelingsautoriteit maakt de maatregel of het instrument door middel waarvan de verplichtingen uit hoofde van dit artikel worden opgeschort en de voorwaarden voor en de periode van opschorting bekend of laat deze bekendmaken op de wijze bedoeld in artikel 295.
§ 9. Dit artikel geldt onverminderd artikel 236, § 1, 4° en de andere bepalingen waarbij bevoegdheden tot het opschorten van betalings- of leveringsverplichtingen van de in paragraaf 1 bedoelde kredietinstellingen worden verleend voordat uit hoofde van artikel 244, § 1, 1°, is vastgesteld dat die kredietinstellingen in gebreke blijven of dit nakend is, of tot het opschorten van betalings- of leveringsverplichtingen van kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in paragraaf 1 die volgens een liquidatieprocedure moeten worden vereffend, en de in dit artikel bepaalde omvang en duur overschrijden. Dergelijke bevoegdheden worden uitgeoefend overeenkomstig de in die bepalingen vastgelegde omvang, duur en voorwaarden. De in dit artikel bepaalde voorwaarden laten de voorwaarden in verband met die bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen onverlet.
§ 10. Wanneer de afwikkelingsautoriteit de bevoegdheid tot het opschorten van betalings- of leveringsverplichtingen ten aanzien van een kredietinstelling bedoeld in paragraaf 1 uitoefent, kan de afwikkelingsautoriteit gedurende die opschorting ook de bevoegdheid uitoefenen om:
1° schuldeisers met een zekerheid van die kredietinstelling of entiteit te beperken in de tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten met betrekking tot ongeacht welke activa van die kredietinstelling voor dezelfde duur, onder voorbehoud van de beperkingen bedoeld in artikel 280, § 2, 2° ; en
2° beëindigingsrechten van ongeacht welke partij bij een contract met die kredietinstelling op te schorten voor dezelfde duur, in welk geval artikel 280 van toepassing is.
§ 11. Indien de afwikkelingsautoriteit de bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen heeft uitgeoefend overeenkomstig dit artikel, en indien vervolgens ten aanzien van die kredietinstelling afwikkelingsmaatregelen worden genomen, ziet de afwikkelingsautoriteit af van uitoefening van haar bevoegdheden uit hoofde van artikel 280, § 1 ten aanzien van die kredietinstelling.".
Art. 171. Dans la Section II/1 insérée par l'article 170, il est inséré un article 244/2 rédigé comme suit :
"Art. 244/2. § 1er. L'autorité de résolution, après avoir consulté les autorités compétentes, qui répondent en temps utile, a le pouvoir de suspendre toute obligation de paiement ou de livraison découlant d'un contrat auquel un établissement de crédit est partie, lorsque les conditions suivantes sont remplies :
1° il a été constaté, conformément à l'article 244, § 1er, 1°, que la défaillance de l'établissement de crédit est avérée ou prévisible ;
2° il n'existe aucune mesure de nature privée immédiatement disponible visée à l'article 244, § 1er, 2°, susceptible d'empêcher la défaillance de l'établissement ;
3° l'exercice du pouvoir de suspension est jugé nécessaire pour éviter une nouvelle détérioration de la situation financière de l'établissement de crédit ; et
4° l'exercice du pouvoir de suspension est :
- soit nécessaire pour procéder au constat prévu à l'article 244, § 1er, 3° ; ou
- soit nécessaire pour définir les mesures de résolution appropriées ou pour garantir l'application effective d'un ou de plusieurs instruments de résolution.
§ 2. Le pouvoir de suspension ne s'applique pas aux obligations de paiement et de livraison envers (i) les systèmes ou les opérateurs de systèmes désignés aux fins de la Directive 98/26/CE, (ii) les contreparties centrales agréées ou reconnues conformément à l'article 14 et à l'article 25 du Règlement n° 648/2012 et (iii) les banques centrales.
L'autorité de résolution détermine le champ d'application du pouvoir de suspension eu égard aux circonstances propres à chaque cas. En particulier, l'autorité de résolution apprécie soigneusement l'opportunité d'appliquer la suspension aux dépôts éligibles et en particulier aux dépôts assurés.
§ 3. Lorsque le pouvoir de suspendre les obligations de paiement ou de livraison est exercé à l'égard de dépôts éligibles, et en particulier de dépôts assurés, l'autorité de résolution veille à ce que les déposants aient accès à un montant quotidien approprié au titre de ces dépôts.
§ 4. La période de suspension est aussi courte que possible et n'excède pas la durée minimale que l'autorité de résolution estime nécessaire aux fins indiquées au paragraphe 1er, sous 3° et 4° ; en tout état de cause, elle n'excède pas la période allant de la publication d'un avis de suspension en application du paragraphe 8 jusqu'à minuit à la fin du jour ouvrable suivant le jour de ladite publication.
§ 5. Lorsqu'elle exerce le pouvoir de suspension, l'autorité de résolution prend en considération l'incidence que l'exercice de ce pouvoir est susceptible d'avoir sur le bon fonctionnement des marchés financiers. Lorsque la suspension est nécessaire pour procéder au constat prévu à l'article 244, § 1er, 3°, elle tient aussi compte des règles en vigueur afin de garantir les droits des créanciers et l'égalité de traitement des créanciers dans une procédure de liquidation. L'autorité de résolution tient compte en particulier de l'application éventuelle d'une procédure de liquidation à l'établissement de crédit à la suite du constat prévu à l'article 244, § 1er, 3°, et prend les dispositions qu'elle juge nécessaires pour assurer une coordination adéquate avec les autorités judiciaires, le cas échéant conformément aux articles 273, 273/1 et 291/1.
§ 6. Lorsque les obligations de paiement ou de livraison en vertu d'un contrat sont suspendues, les obligations de paiement ou de livraison de toute contrepartie à ce contrat sont suspendues pour la même durée.
§ 7. Une obligation de paiement ou de livraison qui aurait été exigible au cours de la période de suspension est immédiatement exigible à l'expiration de ladite période.
§ 8. L'autorité de résolution informe sans retard l'établissement de crédit ou l'entité visé au paragraphe 1er et les autorités visées à l'article 292, 1° à 6° lorsqu'elle exerce le pouvoir de suspension après qu'il a été constaté que la défaillance de l'établissement de crédit est avérée ou prévisible conformément à l'article 244, § 1er, 1°, et avant qu'une mesure de résolution ne soit adoptée.
L'autorité de résolution publie ou veille à ce que soit publié(e) l'instruction ou l'acte par lequel des obligations sont suspendues en application du présent article, ainsi que les conditions et la durée de la suspension, par les moyens visés à l'article 295.
§ 9. Le présent article est sans préjudice de l'article 236, § 1er, 4° et d'autres dispositions accordant des pouvoirs permettant de suspendre des obligations de paiement ou de livraison des établissements de crédit et des entités visés au paragraphe 1er avant qu'il ait été constaté que la défaillance de ces établissements de crédit est avérée ou prévisible conformément à l'article 244, § 1er, 1°, ou de suspendre les obligations de paiement ou de livraison des établissements de crédit visées au paragraphe 1er qui doivent être liquidés dans le cadre d'une procédure de liquidation, et qui excèdent le champ d'application et la durée prévus au présent article. Ces pouvoirs sont exercés en conformité avec le champ, la durée et les conditions prévues par ces dispositions. Les conditions prévues au présent article s'entendent sans préjudice des conditions relatives à un tel pouvoir de suspension des obligations de paiement ou de livraison.
§ 10. Lorsque l'autorité de résolution exerce le pouvoir de suspendre des obligations de paiement ou de livraison à l'égard d'un établissement de crédit visé au paragraphe 1er, l'autorité de résolution peut aussi, pendant la durée de la suspension, exercer le pouvoir de :
1° restreindre le droit des créanciers garantis de cet établissement de crédit ou de cette entité de faire valoir les sûretés liées aux actifs dudit établissement de crédit pour la même durée, sous réserve des restrictions prévues à l'article 280, § 2, 2° ; et
2° suspendre les droits de résiliation de toute partie à un contrat conclu avec ledit établissement de crédit pour la même durée, auquel cas l'article 280 s'applique.
§ 11. Dans le cas où l'autorité de résolution a exercé le pouvoir de suspendre les obligations de paiement ou de livraison conformément à cet article, et si une mesure de résolution est prise par la suite à l'égard de cet établissement de crédit, l'autorité de résolution ne peut exercer les pouvoirs prévus à l'article 280, § 1er à l'égard dudit établissement de crédit ou de ladite entité.".
"Art. 244/2. § 1er. L'autorité de résolution, après avoir consulté les autorités compétentes, qui répondent en temps utile, a le pouvoir de suspendre toute obligation de paiement ou de livraison découlant d'un contrat auquel un établissement de crédit est partie, lorsque les conditions suivantes sont remplies :
1° il a été constaté, conformément à l'article 244, § 1er, 1°, que la défaillance de l'établissement de crédit est avérée ou prévisible ;
2° il n'existe aucune mesure de nature privée immédiatement disponible visée à l'article 244, § 1er, 2°, susceptible d'empêcher la défaillance de l'établissement ;
3° l'exercice du pouvoir de suspension est jugé nécessaire pour éviter une nouvelle détérioration de la situation financière de l'établissement de crédit ; et
4° l'exercice du pouvoir de suspension est :
- soit nécessaire pour procéder au constat prévu à l'article 244, § 1er, 3° ; ou
- soit nécessaire pour définir les mesures de résolution appropriées ou pour garantir l'application effective d'un ou de plusieurs instruments de résolution.
§ 2. Le pouvoir de suspension ne s'applique pas aux obligations de paiement et de livraison envers (i) les systèmes ou les opérateurs de systèmes désignés aux fins de la Directive 98/26/CE, (ii) les contreparties centrales agréées ou reconnues conformément à l'article 14 et à l'article 25 du Règlement n° 648/2012 et (iii) les banques centrales.
L'autorité de résolution détermine le champ d'application du pouvoir de suspension eu égard aux circonstances propres à chaque cas. En particulier, l'autorité de résolution apprécie soigneusement l'opportunité d'appliquer la suspension aux dépôts éligibles et en particulier aux dépôts assurés.
§ 3. Lorsque le pouvoir de suspendre les obligations de paiement ou de livraison est exercé à l'égard de dépôts éligibles, et en particulier de dépôts assurés, l'autorité de résolution veille à ce que les déposants aient accès à un montant quotidien approprié au titre de ces dépôts.
§ 4. La période de suspension est aussi courte que possible et n'excède pas la durée minimale que l'autorité de résolution estime nécessaire aux fins indiquées au paragraphe 1er, sous 3° et 4° ; en tout état de cause, elle n'excède pas la période allant de la publication d'un avis de suspension en application du paragraphe 8 jusqu'à minuit à la fin du jour ouvrable suivant le jour de ladite publication.
§ 5. Lorsqu'elle exerce le pouvoir de suspension, l'autorité de résolution prend en considération l'incidence que l'exercice de ce pouvoir est susceptible d'avoir sur le bon fonctionnement des marchés financiers. Lorsque la suspension est nécessaire pour procéder au constat prévu à l'article 244, § 1er, 3°, elle tient aussi compte des règles en vigueur afin de garantir les droits des créanciers et l'égalité de traitement des créanciers dans une procédure de liquidation. L'autorité de résolution tient compte en particulier de l'application éventuelle d'une procédure de liquidation à l'établissement de crédit à la suite du constat prévu à l'article 244, § 1er, 3°, et prend les dispositions qu'elle juge nécessaires pour assurer une coordination adéquate avec les autorités judiciaires, le cas échéant conformément aux articles 273, 273/1 et 291/1.
§ 6. Lorsque les obligations de paiement ou de livraison en vertu d'un contrat sont suspendues, les obligations de paiement ou de livraison de toute contrepartie à ce contrat sont suspendues pour la même durée.
§ 7. Une obligation de paiement ou de livraison qui aurait été exigible au cours de la période de suspension est immédiatement exigible à l'expiration de ladite période.
§ 8. L'autorité de résolution informe sans retard l'établissement de crédit ou l'entité visé au paragraphe 1er et les autorités visées à l'article 292, 1° à 6° lorsqu'elle exerce le pouvoir de suspension après qu'il a été constaté que la défaillance de l'établissement de crédit est avérée ou prévisible conformément à l'article 244, § 1er, 1°, et avant qu'une mesure de résolution ne soit adoptée.
L'autorité de résolution publie ou veille à ce que soit publié(e) l'instruction ou l'acte par lequel des obligations sont suspendues en application du présent article, ainsi que les conditions et la durée de la suspension, par les moyens visés à l'article 295.
§ 9. Le présent article est sans préjudice de l'article 236, § 1er, 4° et d'autres dispositions accordant des pouvoirs permettant de suspendre des obligations de paiement ou de livraison des établissements de crédit et des entités visés au paragraphe 1er avant qu'il ait été constaté que la défaillance de ces établissements de crédit est avérée ou prévisible conformément à l'article 244, § 1er, 1°, ou de suspendre les obligations de paiement ou de livraison des établissements de crédit visées au paragraphe 1er qui doivent être liquidés dans le cadre d'une procédure de liquidation, et qui excèdent le champ d'application et la durée prévus au présent article. Ces pouvoirs sont exercés en conformité avec le champ, la durée et les conditions prévues par ces dispositions. Les conditions prévues au présent article s'entendent sans préjudice des conditions relatives à un tel pouvoir de suspension des obligations de paiement ou de livraison.
§ 10. Lorsque l'autorité de résolution exerce le pouvoir de suspendre des obligations de paiement ou de livraison à l'égard d'un établissement de crédit visé au paragraphe 1er, l'autorité de résolution peut aussi, pendant la durée de la suspension, exercer le pouvoir de :
1° restreindre le droit des créanciers garantis de cet établissement de crédit ou de cette entité de faire valoir les sûretés liées aux actifs dudit établissement de crédit pour la même durée, sous réserve des restrictions prévues à l'article 280, § 2, 2° ; et
2° suspendre les droits de résiliation de toute partie à un contrat conclu avec ledit établissement de crédit pour la même durée, auquel cas l'article 280 s'applique.
§ 11. Dans le cas où l'autorité de résolution a exercé le pouvoir de suspendre les obligations de paiement ou de livraison conformément à cet article, et si une mesure de résolution est prise par la suite à l'égard de cet établissement de crédit, l'autorité de résolution ne peut exercer les pouvoirs prévus à l'article 280, § 1er à l'égard dudit établissement de crédit ou de ladite entité.".
Art. 172. In artikel 245 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: wordt als volgt vervangen:
1° paragraaf 3 wordt als volgt vervangen:
" § 3. Bij de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden waakt de afwikkelingsautoriteit erover dat de werknemersvertegenwoordigers ingelicht en geraadpleegd worden.";
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4. In de besluiten die zij overeenkomstig deze titel nemen, houden de afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder rekening met de mogelijke gevolgen van het besluit in alle lidstaten waar de kredietinstelling of de groep waarvan zij deel uitmaakt actief is en beperken zij zoveel mogelijk de negatieve gevolgen voor de financiële stabiliteit en negatieve economische en sociale gevolgen in die lidstaten.".
1° paragraaf 3 wordt als volgt vervangen:
" § 3. Bij de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden waakt de afwikkelingsautoriteit erover dat de werknemersvertegenwoordigers ingelicht en geraadpleegd worden.";
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4. In de besluiten die zij overeenkomstig deze titel nemen, houden de afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder rekening met de mogelijke gevolgen van het besluit in alle lidstaten waar de kredietinstelling of de groep waarvan zij deel uitmaakt actief is en beperken zij zoveel mogelijk de negatieve gevolgen voor de financiële stabiliteit en negatieve economische en sociale gevolgen in die lidstaten.".
Art. 172. Dans l'article 245 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 3 est remplacé comme suit :
" § 3. Lorsque l'autorité de résolution applique les instruments de résolution et exerce les pouvoirs de résolution, elle veille à ce que les représentants des travailleurs soient informés et consultés." ;
2° l'article est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit :
" § 4. Les décisions prises par l'autorité de résolution et l'autorité de contrôle conformément au présent titre tiennent compte de l'incidence potentielle de la décision dans tous les Etats membres où l'établissement de crédit ou le groupe dont il fait partie est présent et réduisent au minimum les effets négatifs sur la stabilité financière ainsi que les retombées dommageables sur le plan économique et social dans ces Etats membres.".
1° le paragraphe 3 est remplacé comme suit :
" § 3. Lorsque l'autorité de résolution applique les instruments de résolution et exerce les pouvoirs de résolution, elle veille à ce que les représentants des travailleurs soient informés et consultés." ;
2° l'article est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit :
" § 4. Les décisions prises par l'autorité de résolution et l'autorité de contrôle conformément au présent titre tiennent compte de l'incidence potentielle de la décision dans tous les Etats membres où l'établissement de crédit ou le groupe dont il fait partie est présent et réduisent au minimum les effets négatifs sur la stabilité financière ainsi que les retombées dommageables sur le plan économique et social dans ces Etats membres.".
Art. 173. In artikel 246 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de woorden "relevante kapitaalinstrumenten" en de woorden "af te schrijven";
2° in paragraaf 2, worden in het bepaalde onder 1°, de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de woorden "kapitaalinstrumenten" en de woorden "is voldaan";
3° in paragraaf 2, worden in het bepaalde onder 3° de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de woorden "kapitaalinstrumenten" en de woorden "uit te oefenen";
4° in paragraaf 2, worden in het bepaalde onder 3/1° de woorden "in aanmerking komende schulden" vervangen door de woorden "bail-inbare schulden";
5° in paragraaf 2, worden in het bepaalde onder 6° de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de woorden "kapitaalinstrumenten" en de woorden "wordt uitgeoefend".
1° in paragraaf 1 worden de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de woorden "relevante kapitaalinstrumenten" en de woorden "af te schrijven";
2° in paragraaf 2, worden in het bepaalde onder 1°, de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de woorden "kapitaalinstrumenten" en de woorden "is voldaan";
3° in paragraaf 2, worden in het bepaalde onder 3° de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de woorden "kapitaalinstrumenten" en de woorden "uit te oefenen";
4° in paragraaf 2, worden in het bepaalde onder 3/1° de woorden "in aanmerking komende schulden" vervangen door de woorden "bail-inbare schulden";
5° in paragraaf 2, worden in het bepaalde onder 6° de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de woorden "kapitaalinstrumenten" en de woorden "wordt uitgeoefend".
Art. 173. A l'article 246 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, les mots "et des dettes éligibles" sont insérés entre les mots "de fonds propres pertinents" et les mots "en application du chapitre IV" ;
2° dans le 1° du paragraphe 2, les mots "et de dettes éligibles" sont insérés entre les mots "de fonds propres" et les mots "sont réunies" ;
3° dans le 3° du paragraphe 2, les mots "et des dettes éligibles" sont insérés entre les mots "de fonds propres pertinents" et les mots ", constituer la base" ;
4° au paragraphe 2, dans le 3/1°, les mots "dettes éligibles" sont remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne" ;
5° au paragraphe 2, dans le 6°, les mots "et des dettes éligibles" sont insérés entre les mots "instruments de fonds propres" et "est exercé".
1° dans le paragraphe 1er, les mots "et des dettes éligibles" sont insérés entre les mots "de fonds propres pertinents" et les mots "en application du chapitre IV" ;
2° dans le 1° du paragraphe 2, les mots "et de dettes éligibles" sont insérés entre les mots "de fonds propres" et les mots "sont réunies" ;
3° dans le 3° du paragraphe 2, les mots "et des dettes éligibles" sont insérés entre les mots "de fonds propres pertinents" et les mots ", constituer la base" ;
4° au paragraphe 2, dans le 3/1°, les mots "dettes éligibles" sont remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne" ;
5° au paragraphe 2, dans le 6°, les mots "et des dettes éligibles" sont insérés entre les mots "instruments de fonds propres" et "est exercé".
Art. 174. In artikel 248 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 27 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden "Onder voorbehoud van artikel 296," opgeheven;
2° in paragraaf 2, laatste lid worden de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de woorden "kapitaalinstrumenten" en de woorden "uit te oefenen";
3° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "in aanmerking komende schulden" vervangen door de woorden "bail-inbare schulden";
4° in paragraaf 4 worden de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de woorden "kapitaalinstrumenten" en de woorden "af te schrijven".
1° in paragraaf 1 worden de woorden "Onder voorbehoud van artikel 296," opgeheven;
2° in paragraaf 2, laatste lid worden de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de woorden "kapitaalinstrumenten" en de woorden "uit te oefenen";
3° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "in aanmerking komende schulden" vervangen door de woorden "bail-inbare schulden";
4° in paragraaf 4 worden de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de woorden "kapitaalinstrumenten" en de woorden "af te schrijven".
Art. 174. A l'article 248 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er les mots "Sous réserve de l'article 296," sont abrogés ;
2° dans le paragraphe 2, dernier alinéa, les mots "instruments de fonds propres pertinents" sont remplacés par les mots "instruments de fonds propres pertinents et dettes éligibles" ;
3° au paragraphe 3, alinéa 2, les mots "dettes éligibles" sont remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne" ;
4° dans le paragraphe 4, les mots instruments de fonds propres pertinents" sont remplacés par les mots "instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles".
1° dans le paragraphe 1er les mots "Sous réserve de l'article 296," sont abrogés ;
2° dans le paragraphe 2, dernier alinéa, les mots "instruments de fonds propres pertinents" sont remplacés par les mots "instruments de fonds propres pertinents et dettes éligibles" ;
3° au paragraphe 3, alinéa 2, les mots "dettes éligibles" sont remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne" ;
4° dans le paragraphe 4, les mots instruments de fonds propres pertinents" sont remplacés par les mots "instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles".
Art. 175. In Boek II, Titel VIII van dezelfde wet wordt het opschrift van Hoofdstuk IV als volgt vervangen:
"Hoofdstuk IV - Afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden".
"Hoofdstuk IV - Afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden".
Art. 175. Dans le Livre II, Titre VIII de la même loi, l'intitulé du Chapitre IV est remplacé par ce qui suit :
"Chapitre IV. - Dépréciation ou conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles".
"Chapitre IV. - Dépréciation ou conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles".
Art. 176. Artikel 250 van dezelfde wet wordt als volgt vervangen:
"Art. 250. § 1. De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden bedoeld in paragraaf 2 af te schrijven of ze om te zetten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten van de kredietinstelling overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
Deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend hetzij afzonderlijk van enige afwikkelingsmaatregel, hetzij, indien de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure bedoeld in de artikelen 244, § 1, 244/1 of 454 zijn vervuld, in combinatie met een afwikkelingsmaatregel.
Indien relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden indirect door de af te wikkelen entiteit zijn aangekocht via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, wordt de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid uitgeoefend ten aanzien van die relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden samen met dezelfde bevoegdheid op het niveau van de moederonderneming van de betrokken entiteit of op het niveau van andere moederondernemingen die geen af te wikkelen entiteiten zijn, zodat de verliezen daadwerkelijk worden doorgeschoven naar, en de betrokken entiteit wordt geherkapitaliseerd door, de af te wikkelen entiteit.
Nadat de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden onafhankelijk van afwikkelingsmaatregelen is uitgeoefend, wordt de in artikel 283 bedoelde waardering uitgevoerd, en is artikel 284 van toepassing.
§ 2. De bevoegdheid om in aanmerking komende schulden, onafhankelijk van het nemen van afwikkelingsmaatregelen, af te schrijven of om te zetten kan alleen worden uitgeoefend met betrekking tot in aanmerking komende schulden die voldoen aan de in artikel 267/5/4, § 2, 1°, genoemde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde betreffende de resterende looptijd van schulden als bepaald in artikel 72quater, lid 1, van Verordening nr. 575/2013.
Indien die bevoegdheid wordt uitgeoefend, wordt de afschrijving of omzetting verricht overeenkomstig het in artikel 245, § 1, 8°, bedoelde beginsel.
§ 3. Indien een afwikkelingsmaatregel wordt genomen ten aanzien van een af te wikkelen entiteit of, in uitzonderlijke omstandigheden, in afwijking van het afwikkelingsplan, ten aanzien van een entiteit die geen af te wikkelen entiteit is, wordt het bedrag dat overeenkomstig artikel 252 op het niveau van een dergelijke entiteit is verminderd, afgeschreven of omgezet, meegeteld voor de drempels die op de betrokken entiteit van toepassing zijn overeenkomstig artikel 255, § 6, 3° en van artikel 6/1, § 2, eerste lid, 1°, en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds.
§ 4. De afwikkelingsautoriteit oefent de bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1 onverwijld uit van zodra een of meer van de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de afwikkelingsautoriteit heeft vastgesteld dat de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure bedoeld in artikel 244, § 1, verenigd zijn, vooraleer enige afwikkelingsmaatregel is genomen;
2° de afwikkelingsautoriteit stelt vast dat de kredietinstelling niet langer levensvatbaar zal zijn tenzij zij die bevoegdheid uitoefent; of
3° de kredietinstelling vraagt uitzonderlijke overheidssteun aan.
§ 5. Voor de toepassing van paragraaf 4, 3° wordt onder de voorwaarden bepaald door de Koning geen rekening gehouden met steunmaatregelen ten gunste van solvabele kredietinstellingen teneinde een ernstige verstoring van de economie te verhelpen en de financiële stabiliteit te vrijwaren.".
"Art. 250. § 1. De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden bedoeld in paragraaf 2 af te schrijven of ze om te zetten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten van de kredietinstelling overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
Deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend hetzij afzonderlijk van enige afwikkelingsmaatregel, hetzij, indien de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure bedoeld in de artikelen 244, § 1, 244/1 of 454 zijn vervuld, in combinatie met een afwikkelingsmaatregel.
Indien relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden indirect door de af te wikkelen entiteit zijn aangekocht via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, wordt de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid uitgeoefend ten aanzien van die relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden samen met dezelfde bevoegdheid op het niveau van de moederonderneming van de betrokken entiteit of op het niveau van andere moederondernemingen die geen af te wikkelen entiteiten zijn, zodat de verliezen daadwerkelijk worden doorgeschoven naar, en de betrokken entiteit wordt geherkapitaliseerd door, de af te wikkelen entiteit.
Nadat de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden onafhankelijk van afwikkelingsmaatregelen is uitgeoefend, wordt de in artikel 283 bedoelde waardering uitgevoerd, en is artikel 284 van toepassing.
§ 2. De bevoegdheid om in aanmerking komende schulden, onafhankelijk van het nemen van afwikkelingsmaatregelen, af te schrijven of om te zetten kan alleen worden uitgeoefend met betrekking tot in aanmerking komende schulden die voldoen aan de in artikel 267/5/4, § 2, 1°, genoemde voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde betreffende de resterende looptijd van schulden als bepaald in artikel 72quater, lid 1, van Verordening nr. 575/2013.
Indien die bevoegdheid wordt uitgeoefend, wordt de afschrijving of omzetting verricht overeenkomstig het in artikel 245, § 1, 8°, bedoelde beginsel.
§ 3. Indien een afwikkelingsmaatregel wordt genomen ten aanzien van een af te wikkelen entiteit of, in uitzonderlijke omstandigheden, in afwijking van het afwikkelingsplan, ten aanzien van een entiteit die geen af te wikkelen entiteit is, wordt het bedrag dat overeenkomstig artikel 252 op het niveau van een dergelijke entiteit is verminderd, afgeschreven of omgezet, meegeteld voor de drempels die op de betrokken entiteit van toepassing zijn overeenkomstig artikel 255, § 6, 3° en van artikel 6/1, § 2, eerste lid, 1°, en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds.
§ 4. De afwikkelingsautoriteit oefent de bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1 onverwijld uit van zodra een of meer van de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de afwikkelingsautoriteit heeft vastgesteld dat de voorwaarden voor het initiëren van een afwikkelingsprocedure bedoeld in artikel 244, § 1, verenigd zijn, vooraleer enige afwikkelingsmaatregel is genomen;
2° de afwikkelingsautoriteit stelt vast dat de kredietinstelling niet langer levensvatbaar zal zijn tenzij zij die bevoegdheid uitoefent; of
3° de kredietinstelling vraagt uitzonderlijke overheidssteun aan.
§ 5. Voor de toepassing van paragraaf 4, 3° wordt onder de voorwaarden bepaald door de Koning geen rekening gehouden met steunmaatregelen ten gunste van solvabele kredietinstellingen teneinde een ernstige verstoring van de economie te verhelpen en de financiële stabiliteit te vrijwaren.".
Art. 176. L'article 250 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 250. § 1er. L'autorité de résolution a le pouvoir de déprécier les instruments de fonds propres pertinents et les dettes éligibles visées au paragraphe 2 ou de les convertir en actions ou autres titres de propriété de l'établissement de crédit conformément aux dispositions du présent chapitre.
Ce pouvoir peut être exercé soit indépendamment de toute mesure de résolution, soit, lorsque les conditions de déclenchement d'une procédure de résolution visées aux articles 244, § 1er, 244/1 ou 454 sont remplies, en combinaison avec une mesure de résolution.
Lorsque des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles ont été achetés par l'entité de résolution indirectement par l'intermédiaire d'autres entités au sein du même groupe de résolution, le pouvoir de déprécier ou de convertir ces instruments de fonds propres pertinents et ces dettes éligibles est exercé conjointement avec l'exercice du même pouvoir au niveau de l'entreprise-mère de l'entité concernée ou au niveau d'autres entreprises-mères qui ne sont pas des entités de résolution, de manière à ce que les pertes soient effectivement répercutées sur l'entité de résolution et que l'entité concernée soit recapitalisée par celle-ci.
Après que le pouvoir de déprécier ou de convertir des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles a été exercé indépendamment d'une mesure de résolution, il est procédé à la valorisation prévue à l'article 283 et l'article 284 s'applique.
§ 2. Le pouvoir de déprécier ou de convertir des dettes éligibles indépendamment d'une mesure de résolution peut être exercé uniquement en ce qui concerne les dettes éligibles qui remplissent les conditions visées à l'article 267/5/4, § 2, 1°, excepté la condition liée à l'échéance résiduelle des engagements, conformément à l'article 72quater, paragraphe 1er du Règlement n° 575/2013.
Lorsque ce pouvoir est exercé, la dépréciation ou la conversion est effectuée conformément au principe énoncé à l'article 245, § 1er, 8°.
§ 3. Lorsqu'une mesure de résolution est prise à l'égard d'une entité de résolution ou, dans des circonstances exceptionnelles, par dérogation au plan de résolution, à l'égard d'une entité qui n'est pas une entité de résolution, le montant qui est réduit, déprécié ou converti conformément à l'article 252 au niveau d'une telle entité est comptabilisé dans les seuils applicables à l'entité concernée et établis conformément à l'article 255, § 6, 3° et à l'article 6/1, § 2, alinéa 1er, 1°, et § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution.
§ 4. L'autorité de résolution exerce le pouvoir visé au paragraphe 1er sans délai dès qu'une ou plusieurs des conditions suivantes sont remplies :
1° l'autorité de résolution a établi que les conditions de déclenchement d'une procédure de résolution visées à l'article 244, § 1er, sont réunies, avant qu'une mesure de résolution n'ait été prise ;
2° l'autorité de résolution constate que l'établissement de crédit ne sera plus viable à moins qu'elle n'exerce ce pouvoir ; ou
3° l'établissement de crédit demande un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics.
§ 5. Aux fins du paragraphe 4, 3°, il n'est pas tenu compte, dans les conditions définies par le Roi, des mesures de soutien en faveur d'établissements de crédit solvables en vue de remédier à une perturbation grave de l'économie et de préserver la stabilité financière.".
"Art. 250. § 1er. L'autorité de résolution a le pouvoir de déprécier les instruments de fonds propres pertinents et les dettes éligibles visées au paragraphe 2 ou de les convertir en actions ou autres titres de propriété de l'établissement de crédit conformément aux dispositions du présent chapitre.
Ce pouvoir peut être exercé soit indépendamment de toute mesure de résolution, soit, lorsque les conditions de déclenchement d'une procédure de résolution visées aux articles 244, § 1er, 244/1 ou 454 sont remplies, en combinaison avec une mesure de résolution.
Lorsque des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles ont été achetés par l'entité de résolution indirectement par l'intermédiaire d'autres entités au sein du même groupe de résolution, le pouvoir de déprécier ou de convertir ces instruments de fonds propres pertinents et ces dettes éligibles est exercé conjointement avec l'exercice du même pouvoir au niveau de l'entreprise-mère de l'entité concernée ou au niveau d'autres entreprises-mères qui ne sont pas des entités de résolution, de manière à ce que les pertes soient effectivement répercutées sur l'entité de résolution et que l'entité concernée soit recapitalisée par celle-ci.
Après que le pouvoir de déprécier ou de convertir des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles a été exercé indépendamment d'une mesure de résolution, il est procédé à la valorisation prévue à l'article 283 et l'article 284 s'applique.
§ 2. Le pouvoir de déprécier ou de convertir des dettes éligibles indépendamment d'une mesure de résolution peut être exercé uniquement en ce qui concerne les dettes éligibles qui remplissent les conditions visées à l'article 267/5/4, § 2, 1°, excepté la condition liée à l'échéance résiduelle des engagements, conformément à l'article 72quater, paragraphe 1er du Règlement n° 575/2013.
Lorsque ce pouvoir est exercé, la dépréciation ou la conversion est effectuée conformément au principe énoncé à l'article 245, § 1er, 8°.
§ 3. Lorsqu'une mesure de résolution est prise à l'égard d'une entité de résolution ou, dans des circonstances exceptionnelles, par dérogation au plan de résolution, à l'égard d'une entité qui n'est pas une entité de résolution, le montant qui est réduit, déprécié ou converti conformément à l'article 252 au niveau d'une telle entité est comptabilisé dans les seuils applicables à l'entité concernée et établis conformément à l'article 255, § 6, 3° et à l'article 6/1, § 2, alinéa 1er, 1°, et § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution.
§ 4. L'autorité de résolution exerce le pouvoir visé au paragraphe 1er sans délai dès qu'une ou plusieurs des conditions suivantes sont remplies :
1° l'autorité de résolution a établi que les conditions de déclenchement d'une procédure de résolution visées à l'article 244, § 1er, sont réunies, avant qu'une mesure de résolution n'ait été prise ;
2° l'autorité de résolution constate que l'établissement de crédit ne sera plus viable à moins qu'elle n'exerce ce pouvoir ; ou
3° l'établissement de crédit demande un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics.
§ 5. Aux fins du paragraphe 4, 3°, il n'est pas tenu compte, dans les conditions définies par le Roi, des mesures de soutien en faveur d'établissements de crédit solvables en vue de remédier à une perturbation grave de l'économie et de préserver la stabilité financière.".
Art. 177. In artikel 251, eerste lid van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "artikel 250, § 2, 2°, " worden vervangen door de woorden "artikel 250, § 4, 2° ";
2° in het bepaalde onder 2°, worden de woorden "en in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2" ingevoegd tussen de woorden "relevante kapitaalinstrumenten" en de woorden ", hetzij afzonderlijk".
1° de woorden "artikel 250, § 2, 2°, " worden vervangen door de woorden "artikel 250, § 4, 2° ";
2° in het bepaalde onder 2°, worden de woorden "en in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2" ingevoegd tussen de woorden "relevante kapitaalinstrumenten" en de woorden ", hetzij afzonderlijk".
Art. 177. A l'article 251, alinéa 1er de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots "l'article 250, § 2, 2°, " sont remplacés par les mots "l'article 250, § 4, 2° " ;
2° dans le 2°, les mots "et des dettes éligibles visées à l'article 250, § 2" sont insérés entre les mots "instruments de fonds propres pertinents" et les mots ", mise en oeuvre".
1° les mots "l'article 250, § 2, 2°, " sont remplacés par les mots "l'article 250, § 4, 2° " ;
2° dans le 2°, les mots "et des dettes éligibles visées à l'article 250, § 2" sont insérés entre les mots "instruments de fonds propres pertinents" et les mots ", mise en oeuvre".
Art. 178. In artikel 252 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin worden de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de woorden "kapitaalinstrumenten" en de woorden "met inachtneming van";
2° het artikel wordt aangevuld met een bepaling onder 3°, luidende:
"3° de hoofdsom van de in artikel 250, § 2, bedoelde in aanmerking komende schulden afgeschreven of omgezet wordt in tier 1-kernkapitaalinstrumenten, of beide, voor zover dat nodig is om de in artikel 243 bedoelde afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken of tot de volledige omvang van de relevante in aanmerking komende schulden, indien die lager is.".
1° in de inleidende zin worden de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de woorden "kapitaalinstrumenten" en de woorden "met inachtneming van";
2° het artikel wordt aangevuld met een bepaling onder 3°, luidende:
"3° de hoofdsom van de in artikel 250, § 2, bedoelde in aanmerking komende schulden afgeschreven of omgezet wordt in tier 1-kernkapitaalinstrumenten, of beide, voor zover dat nodig is om de in artikel 243 bedoelde afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken of tot de volledige omvang van de relevante in aanmerking komende schulden, indien die lager is.".
Art. 178. A l'article 252 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans la phrase liminaire, les mots "et des dettes éligibles" sont insérés entre les mots "fonds propres pertinents" et "en fonction de" ;
2° l'article est complété par un 3° rédigé comme suit :
"3° le montant principal des engagements éligibles visés à l'article 250, § 2 est déprécié ou converti en instruments de fonds propres de base de catégorie 1, ou les deux, dans la mesure requise pour atteindre les objectifs de la résolution énoncés à l'article 243 ou dans la mesure de la capacité des dettes éligibles pertinentes, le montant à retenir étant le plus faible des deux.".
1° dans la phrase liminaire, les mots "et des dettes éligibles" sont insérés entre les mots "fonds propres pertinents" et "en fonction de" ;
2° l'article est complété par un 3° rédigé comme suit :
"3° le montant principal des engagements éligibles visés à l'article 250, § 2 est déprécié ou converti en instruments de fonds propres de base de catégorie 1, ou les deux, dans la mesure requise pour atteindre les objectifs de la résolution énoncés à l'article 243 ou dans la mesure de la capacité des dettes éligibles pertinentes, le montant à retenir étant le plus faible des deux.".
Art. 179. Artikel 253 van dezelfde wet wordt als volgt vervangen:
"Art. 253. Bij afschrijving van de hoofdsom van de relevante kapitaalinstrumenten of in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2:
1° is de uitwerking van de verlaging permanent, behoudens een opwaardering overeenkomstig artikel 267/6, § 3;
2° blijft tegenover de houder van het relevante kapitaalinstrument of de in aanmerking komende schuld geen enkele verplichting bestaan uit hoofde van of in verband met het afgeschreven bedrag, met uitzondering van de reeds opeisbare verplichtingen en de aansprakelijkheid die kan voortvloeien uit een rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van de uitoefening van de afschrijvingsbevoegdheid;
3° wordt aan de houders van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden geen compensatie betaald buiten hetgeen is bepaald in artikel 254.".
"Art. 253. Bij afschrijving van de hoofdsom van de relevante kapitaalinstrumenten of in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2:
1° is de uitwerking van de verlaging permanent, behoudens een opwaardering overeenkomstig artikel 267/6, § 3;
2° blijft tegenover de houder van het relevante kapitaalinstrument of de in aanmerking komende schuld geen enkele verplichting bestaan uit hoofde van of in verband met het afgeschreven bedrag, met uitzondering van de reeds opeisbare verplichtingen en de aansprakelijkheid die kan voortvloeien uit een rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van de uitoefening van de afschrijvingsbevoegdheid;
3° wordt aan de houders van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden geen compensatie betaald buiten hetgeen is bepaald in artikel 254.".
Art. 179. L'article 253 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 253. Lorsque le montant principal des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles visées à l'article 250, § 2, est déprécié :
1° les effets de la réduction sont permanents, sous réserve d'une réévaluation conformément à l'article 267/6, § 3 ;
2° aucune obligation vis-à-vis du détenteur de l'instrument de fonds propres pertinents ou de la dette éligible ne subsiste dans le cadre dudit instrument ou en lien avec le montant déprécié, à l'exception des obligations déjà échues et des responsabilités pouvant découler d'un contrôle juridictionnel de la légalité de l'exercice du pouvoir de dépréciation ;
3° aucune compensation n'est payée aux détenteurs des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles à l'exception de celle prévue à l'article 254.".
"Art. 253. Lorsque le montant principal des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles visées à l'article 250, § 2, est déprécié :
1° les effets de la réduction sont permanents, sous réserve d'une réévaluation conformément à l'article 267/6, § 3 ;
2° aucune obligation vis-à-vis du détenteur de l'instrument de fonds propres pertinents ou de la dette éligible ne subsiste dans le cadre dudit instrument ou en lien avec le montant déprécié, à l'exception des obligations déjà échues et des responsabilités pouvant découler d'un contrôle juridictionnel de la légalité de l'exercice du pouvoir de dépréciation ;
3° aucune compensation n'est payée aux détenteurs des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles à l'exception de celle prévue à l'article 254.".
Art. 180. In artikel 254 van dezelfde wet worden de paragrafen 1 en 2 als volgt vervangen:
" § 1. Met het oog op de omzetting van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2, overeenkomstig artikel 252, 2° en 3°, kan de afwikkelingsautoriteit van de kredietinstelling eisen dat zij tier 1-kernkapitaalinstrumenten uitgeeft ten behoeve van de houders van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden.
§ 2. De relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden kunnen enkel worden omgezet in tier 1-kernkapitaal-instrumenten indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° deze tier 1-kernkapitaalinstrumenten zijn door de kredietinstelling of door haar moederonderneming uitgegeven met de instemming van de afwikkelingsautoriteit;
2° deze instrumenten zijn uitgegeven voordat de kredietinstelling enige aandelen of andere eigendomsinstrumenten heeft uitgegeven met het oog op een kapitaalinbreng door de Staat of een overheidsentiteit;
3° zij worden onverwijld na de uitoefening van de omzettingsbevoegdheid aan de betrokken houders van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden toegekend en overgedragen;
4° de omzettingskoers wordt bepaald met inachtneming van de volgende beginselen:
a) de koers vertegenwoordigt een gepaste schadeloosstelling voor de betrokken houders van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden; en
b) de koers toepasselijk op de niet-achtergestelde schulden is hoger dan deze op de achtergestelde schulden.".
" § 1. Met het oog op de omzetting van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2, overeenkomstig artikel 252, 2° en 3°, kan de afwikkelingsautoriteit van de kredietinstelling eisen dat zij tier 1-kernkapitaalinstrumenten uitgeeft ten behoeve van de houders van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden.
§ 2. De relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden kunnen enkel worden omgezet in tier 1-kernkapitaal-instrumenten indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° deze tier 1-kernkapitaalinstrumenten zijn door de kredietinstelling of door haar moederonderneming uitgegeven met de instemming van de afwikkelingsautoriteit;
2° deze instrumenten zijn uitgegeven voordat de kredietinstelling enige aandelen of andere eigendomsinstrumenten heeft uitgegeven met het oog op een kapitaalinbreng door de Staat of een overheidsentiteit;
3° zij worden onverwijld na de uitoefening van de omzettingsbevoegdheid aan de betrokken houders van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden toegekend en overgedragen;
4° de omzettingskoers wordt bepaald met inachtneming van de volgende beginselen:
a) de koers vertegenwoordigt een gepaste schadeloosstelling voor de betrokken houders van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden; en
b) de koers toepasselijk op de niet-achtergestelde schulden is hoger dan deze op de achtergestelde schulden.".
Art. 180. Dans l'article 254 de la même loi, les paragraphes 1er et 2 sont remplacés par ce qui suit :
" § 1er. En vue de procéder à une conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles visées à l'article 250, § 2, conformément à l'article 252, 2° et 3°, l'autorité de résolution peut exiger de l'établissement de crédit qu'il émette des instruments de fonds propres de base de catégorie 1 en faveur des détenteurs des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles.
§ 2. Les instruments de fonds propres pertinents et les dettes éligibles ne peuvent être convertis en instruments de fonds propres de base de catégorie 1 que si les conditions suivantes sont remplies :
1° ces instruments de fonds propres de base de catégorie 1 sont émis par l'établissement de crédit ou par son entreprise-mère avec l'accord de l'autorité de résolution ;
2° ces instruments sont émis avant toute émission d'actions ou d'autres titres de propriété par l'établissement de crédit en vue d'un apport de capitaux par l'Etat ou une entité publique ;
3° ils sont attribués et transférés aux détenteurs concernés des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles sans délai après l'exercice du pouvoir de conversion ;
4° le taux de conversion est établi dans le respect des principes suivants :
a) le taux représente une indemnisation appropriée pour les détenteurs concernés des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles ; et
b) le taux applicable aux dettes non subordonnées est supérieur à celui applicable aux dettes subordonnées.".
" § 1er. En vue de procéder à une conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles visées à l'article 250, § 2, conformément à l'article 252, 2° et 3°, l'autorité de résolution peut exiger de l'établissement de crédit qu'il émette des instruments de fonds propres de base de catégorie 1 en faveur des détenteurs des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles.
§ 2. Les instruments de fonds propres pertinents et les dettes éligibles ne peuvent être convertis en instruments de fonds propres de base de catégorie 1 que si les conditions suivantes sont remplies :
1° ces instruments de fonds propres de base de catégorie 1 sont émis par l'établissement de crédit ou par son entreprise-mère avec l'accord de l'autorité de résolution ;
2° ces instruments sont émis avant toute émission d'actions ou d'autres titres de propriété par l'établissement de crédit en vue d'un apport de capitaux par l'Etat ou une entité publique ;
3° ils sont attribués et transférés aux détenteurs concernés des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles sans délai après l'exercice du pouvoir de conversion ;
4° le taux de conversion est établi dans le respect des principes suivants :
a) le taux représente une indemnisation appropriée pour les détenteurs concernés des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles ; et
b) le taux applicable aux dettes non subordonnées est supérieur à celui applicable aux dettes subordonnées.".
Art. 181. In artikel 255 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 27 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid worden de woorden "in aanmerking komende schulden" vervangen door de woorden "bail-inbare schulden";
2° in paragraaf 6, 3° worden de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de worden "kapitaalinstrumenten" en "worden omgezet of afgeschreven".
1° in paragraaf 2, eerste lid worden de woorden "in aanmerking komende schulden" vervangen door de woorden "bail-inbare schulden";
2° in paragraaf 6, 3° worden de woorden "en in aanmerking komende schulden" ingevoegd tussen de worden "kapitaalinstrumenten" en "worden omgezet of afgeschreven".
Art. 181. Dans l'article 255 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "dettes éligibles" sont remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne" ;
2° au paragraphe 6, 3°, les mots "et des dettes éligibles" sont insérés entre les mots "instruments de fonds propres" et les mots ", est supérieure à".
1° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "dettes éligibles" sont remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne" ;
2° au paragraphe 6, 3°, les mots "et des dettes éligibles" sont insérés entre les mots "instruments de fonds propres" et les mots ", est supérieure à".
Art. 182. In artikel 259 van dezelfde wet wordt paragraaf 1 als volgt vervangen:
" § 1. Indien de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming leidt tot de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling of tot een verhoging van een dergelijke deelneming waardoor een van de in artikel 46 bepaalde drempels wordt bereikt of overschreden, is artikel 269/1 van toepassing.".
" § 1. Indien de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming leidt tot de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling of tot een verhoging van een dergelijke deelneming waardoor een van de in artikel 46 bepaalde drempels wordt bereikt of overschreden, is artikel 269/1 van toepassing.".
Art. 182. A l'article 259 de la même loi, le paragraphe 1er est remplacé comme suit :
" § 1er. Si l'application de l'instrument de cession d'activités aboutit à l'acquisition d'une participation qualifiée dans l'établissement de crédit ou à l'augmentation d'une telle participation faisant atteindre ou dépasser l'un des seuils prévus à l'article 46, l'article 269/1 est d'application.".
" § 1er. Si l'application de l'instrument de cession d'activités aboutit à l'acquisition d'une participation qualifiée dans l'établissement de crédit ou à l'augmentation d'une telle participation faisant atteindre ou dépasser l'un des seuils prévus à l'article 46, l'article 269/1 est d'application.".
Art. 183. In artikel 267/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, inleidende zin worden de woorden "in aanmerking komende schulden" vervangen door de woorden "bail-inbare schulden";
2° in paragraaf 3 worden de woorden "in aanmerking komende schulden" vervangen door de woorden "bail-inbare schulden".
1° in paragraaf 1, inleidende zin worden de woorden "in aanmerking komende schulden" vervangen door de woorden "bail-inbare schulden";
2° in paragraaf 3 worden de woorden "in aanmerking komende schulden" vervangen door de woorden "bail-inbare schulden".
Art. 183. Dans l'article 267/1 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, phrase introductive, les mots "dettes éligibles" sont remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne" ;
2° au paragraphe 3, les mots "dettes éligibles" sont remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne".
1° au paragraphe 1er, phrase introductive, les mots "dettes éligibles" sont remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne" ;
2° au paragraphe 3, les mots "dettes éligibles" sont remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne".
Art. 184. In artikel 267/2, § 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "in aanmerking komende schulden" telkens vervangen door de woorden "bail-inbare schulden";
2° het tweede lid wordt vervangen door twee nieuwe leden, luidende:
"De afwikkelingsautoriteit gaat zorgvuldig na of verplichtingen ten aanzien van kredietinstellingen, die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn en die niet zijn uitgesloten van de toepassing van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid op grond van artikel 242, 10°, k), moeten worden uitgesloten of deels worden uitgesloten uit hoofde van de punten 1° tot en met 4° om een doeltreffende uitvoering van de afwikkelingsstrategie te garanderen.
Indien de afwikkelingsautoriteit besluit een bail-inbare schuld of een categorie van bail-inbare schulden op grond van het voorgaande lid geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van de interne versterking, mag het niveau van afschrijving of omzetting dat op de andere bail-inbare schulden wordt toegepast, worden verhoogd om met die uitsluitingen rekening te houden, met inachtneming van het in artikel 245, § 1, 8° vervatte beginsel.".
1° in het eerste lid worden de woorden "in aanmerking komende schulden" telkens vervangen door de woorden "bail-inbare schulden";
2° het tweede lid wordt vervangen door twee nieuwe leden, luidende:
"De afwikkelingsautoriteit gaat zorgvuldig na of verplichtingen ten aanzien van kredietinstellingen, die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn en die niet zijn uitgesloten van de toepassing van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid op grond van artikel 242, 10°, k), moeten worden uitgesloten of deels worden uitgesloten uit hoofde van de punten 1° tot en met 4° om een doeltreffende uitvoering van de afwikkelingsstrategie te garanderen.
Indien de afwikkelingsautoriteit besluit een bail-inbare schuld of een categorie van bail-inbare schulden op grond van het voorgaande lid geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van de interne versterking, mag het niveau van afschrijving of omzetting dat op de andere bail-inbare schulden wordt toegepast, worden verhoogd om met die uitsluitingen rekening te houden, met inachtneming van het in artikel 245, § 1, 8° vervatte beginsel.".
Art. 184. Dans l'article 267/2, § 2 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 18 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots "dettes éligibles" sont à chaque fois remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne" ;
2° l'alinéa 2 est remplacé par deux alinéas, rédigés comme suit :
"L'autorité de résolution évalue soigneusement si les engagements envers des établissements de crédit qui font partie du même groupe de résolution sans être eux- mêmes des entités de résolution et qui ne sont pas exclus de l'application des pouvoirs de dépréciation ou de conversion en vertu du de l'article 242, 10°, k), devraient être exclus en tout ou en partie en vertu des points 1° à 4° pour assurer la mise en oeuvre effective de la stratégie de résolution.
Si l'autorité de résolution décide, sur base de l'alinéa précédent, de totalement ou partiellement exclure du renflouement interne une dette utilisable pour un renflouement interne ou une catégorie de dettes utilisables pour un renflouement interne, le taux de réduction de valeur ou de conversion appliqué aux autres dettes utilisables pour un renflouement interne peut être accru pour tenir compte de ces exclusions, dans le respect du principe posé à l'article 245, § 1er, 8°. ".
1° dans l'alinéa 1er, les mots "dettes éligibles" sont à chaque fois remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne" ;
2° l'alinéa 2 est remplacé par deux alinéas, rédigés comme suit :
"L'autorité de résolution évalue soigneusement si les engagements envers des établissements de crédit qui font partie du même groupe de résolution sans être eux- mêmes des entités de résolution et qui ne sont pas exclus de l'application des pouvoirs de dépréciation ou de conversion en vertu du de l'article 242, 10°, k), devraient être exclus en tout ou en partie en vertu des points 1° à 4° pour assurer la mise en oeuvre effective de la stratégie de résolution.
Si l'autorité de résolution décide, sur base de l'alinéa précédent, de totalement ou partiellement exclure du renflouement interne une dette utilisable pour un renflouement interne ou une catégorie de dettes utilisables pour un renflouement interne, le taux de réduction de valeur ou de conversion appliqué aux autres dettes utilisables pour un renflouement interne peut être accru pour tenir compte de ces exclusions, dans le respect du principe posé à l'article 245, § 1er, 8°. ".
Art. 185. Artikel 267/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt als volgt vervangen:
"Art. 267/3. De kredietinstellingen voldoen te allen tijde aan de vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de bepalingen van deze onderafdeling.
Deze vereiste wordt overeenkomstig artikel 267/5/1, § 3, § 4 of § 6, voor zover van toepassing, berekend als het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden en uitgedrukt als percentage van:
1° het totaal van de risicoposten van de betrokken kredietinstelling of entiteit, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013; en
2° de totale risicoblootstellingsmaatstaf van de kredietinstelling of entiteit, berekend overeenkomstig artikel 429 en artikel 429bis van Verordening nr. 575/2013.".
"Art. 267/3. De kredietinstellingen voldoen te allen tijde aan de vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de bepalingen van deze onderafdeling.
Deze vereiste wordt overeenkomstig artikel 267/5/1, § 3, § 4 of § 6, voor zover van toepassing, berekend als het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden en uitgedrukt als percentage van:
1° het totaal van de risicoposten van de betrokken kredietinstelling of entiteit, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013; en
2° de totale risicoblootstellingsmaatstaf van de kredietinstelling of entiteit, berekend overeenkomstig artikel 429 en artikel 429bis van Verordening nr. 575/2013.".
Art. 185. L'article 267/3 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 18 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 267/3. Les établissements de crédit, satisfont, à tout moment, aux exigences de fonds propres et de dettes éligibles conformément aux dispositions de cette sous-section.
Cette exigence est calculée conformément à l'article 267/5/1, § 3, § 4 ou § 6, selon le cas, comme étant le montant de fonds propres et de dettes éligibles et est exprimée en pourcentage :
1° du montant total d'exposition au risque de l'établissement de crédit ou de l'entité, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 ; et
2° de la mesure de l'exposition totale de l'établissement de crédit ou de l'entité, calculée conformément aux articles 429 et 429bis du Règlement n° 575/2013.".
"Art. 267/3. Les établissements de crédit, satisfont, à tout moment, aux exigences de fonds propres et de dettes éligibles conformément aux dispositions de cette sous-section.
Cette exigence est calculée conformément à l'article 267/5/1, § 3, § 4 ou § 6, selon le cas, comme étant le montant de fonds propres et de dettes éligibles et est exprimée en pourcentage :
1° du montant total d'exposition au risque de l'établissement de crédit ou de l'entité, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 ; et
2° de la mesure de l'exposition totale de l'établissement de crédit ou de l'entité, calculée conformément aux articles 429 et 429bis du Règlement n° 575/2013.".
Art. 186. Artikel 267/4 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt als volgt vervangen:
"Art. 267/4. De afwikkelingsautoriteit stelt door gedekte obligaties gefinancierde instellingen voor hypothecair krediet die geen deposito's mogen ontvangen, vrij van het vereiste in artikel 267/3, mits het afwikkelingsplan voorziet in de vereffening van dergelijke instelling.
Instellingen die van het in artikel 267/3 bedoelde vereiste zijn vrijgesteld, mogen geen deel uitmaken van de in artikel 267/5/3, § 1, bedoelde consolidatie.".
"Art. 267/4. De afwikkelingsautoriteit stelt door gedekte obligaties gefinancierde instellingen voor hypothecair krediet die geen deposito's mogen ontvangen, vrij van het vereiste in artikel 267/3, mits het afwikkelingsplan voorziet in de vereffening van dergelijke instelling.
Instellingen die van het in artikel 267/3 bedoelde vereiste zijn vrijgesteld, mogen geen deel uitmaken van de in artikel 267/5/3, § 1, bedoelde consolidatie.".
Art. 186. L'article 267/4 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 18 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 267/4. L'autorité de résolution dispense de l'exigence définie à l'article 267/3 les établissements de crédit hypothécaire financés par l'émission d'obligations garanties qui ne sont pas autorisés à recevoir des dépôts, pour autant que le plan de résolution prévoit une liquidation de l'établissement.
Les établissements dispensés de l'exigence définie à l'article 267/3, ne sont pas inclus dans le périmètre de consolidation visé à l'article 267/5/3, § 1er.".
"Art. 267/4. L'autorité de résolution dispense de l'exigence définie à l'article 267/3 les établissements de crédit hypothécaire financés par l'émission d'obligations garanties qui ne sont pas autorisés à recevoir des dépôts, pour autant que le plan de résolution prévoit une liquidation de l'établissement.
Les établissements dispensés de l'exigence définie à l'article 267/3, ne sont pas inclus dans le périmètre de consolidation visé à l'article 267/5/3, § 1er.".
Art. 187. Artikel 267/5 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt als volgt vervangen:
"Art. 267/5. § 1. Schulden worden alleen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden van af te wikkelen entiteiten opgenomen als ze aan de voorwaarden voldoen van de artikelen 72bis, 72ter, met uitzondering van lid 2, punt d) en 72quater van Verordening nr. 575/2013:
In afwijking van het eerste lid worden, wanneer in deze wet wordt verwezen naar de vereisten in artikel 92bis of artikel 92ter van Verordening nr. 575/2013 voor het bepalen van het bedrag van het eigen vermogen en in aanmerking komende schulden, voor de toepassing van die artikelen als in aanmerking komende schulden beschouwd, degene die voldoen aan de omschrijving in artikel 72duodecies van die verordening en zijn vastgesteld overeenkomstig titel I, deel twee, hoofdstuk 5bis, van die verordening.
§ 2. Schulden die voortvloeien uit schuldinstrumenten met verankerde derivaten, zoals gestructureerde obligaties ("structured notes"), die voldoen aan de voorwaarden van paragraaf 1, eerste lid, met uitzondering van artikel 72bis, lid 2, punt l), van Verordening nr. 575/2013, worden alleen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden opgenomen indien aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de hoofdsom van de schulden die voortvloeien uit het schuldinstrument is op het moment van uitgifte bekend, ligt vast of is stijgend, en wordt niet door een verankerd derivaatelement beïnvloed, en het totaalbedrag van de schulden die voortvloeien uit het schuldinstrument, met inbegrip van het verankerde derivaat, kan op dagbasis worden gewaardeerd onder verwijzing naar een actieve en liquide vraag- en aanbodmarkt voor een gelijkwaardig instrument zonder kredietrisico, overeenkomstig de artikelen 104 en 105 van Verordening nr. 575/2013; of
2° het schuldinstrument bevat een beding dat bepaalt dat de waarde van de vordering in het geval van de insolventie of de afwikkeling van de uitgever vast ligt of stijgt en het initieel gestorte bedrag van de schulden niet overschrijdt.
Schuldinstrumenten bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van hun verankerde derivaten, zijn niet onderworpen aan een verrekeningsovereenkomst en de waardering van dergelijke instrumenten is niet onderworpen aan artikel 267/9, § 1, derde lid.
Van de in de eerste lid van deze paragraaf bedoelde schulden wordt alleen het deel van de schuld dat overeenkomt met de in punt 1°, van dat lid bedoelde hoofdsom of het in punt 2°, van dat lid bedoelde vaste of stijgende bedrag opgenomen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden.
§ 3. Indien schulden door een in de EER gevestigde en van dezelfde af te wikkelen groep als de af te wikkelen entiteit deel uitmakende dochteronderneming zijn uitgegeven aan een bestaande aandeelhouder die niet van dezelfde af te wikkelen groep deel uitmaakt, worden die schulden opgenomen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden van die af te wikkelen entiteit, mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de schulden worden uitgegeven overeenkomstig artikel 267/5/4, § 2, 1° ;
2° de uitoefening van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden met betrekking tot die schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 458 doet geen afbreuk aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming;
3° die schulden overschrijden niet het bedrag dat verkregen wordt door de som van de schulden die zijn uitgegeven aan en gekocht door de af te wikkelen entiteit, direct dan wel indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, en het bedrag van het overeenkomstig artikel 267/5/4, § 2, 2°, uitgegeven eigen vermogen, af te trekken van het bedrag dat vereist is overeenkomstig artikel 267/5/4, § 1.
§ 4. Onverminderd het minimumvereiste in artikel 267/5/1, § 4, of artikel 267/5/2, § 1, 1°, zorgt de afwikkelingsautoriteit ervoor dat af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen, aan een deel van het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste, gelijk aan 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, voldoen met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden. De afwikkelingsautoriteit kan toestaan dat af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen, aan een niveau dat lager ligt dan 8 % van de totale passiva, eigen vermogen inbegrepen, maar hoger dan het bedrag dat resulteert uit de toepassing van de formule (1-(X1/X2)) x 8 % van de totale passiva, eigen vermogen inbegrepen, voldoen met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden, mits aan alle in artikel 72ter, lid 3 van Verordening nr. 575/2013 vastgelegde voorwaarden wordt voldaan, gelet op de krachtens artikel 72ter, lid 3, van die verordening toegestane vermindering:
X1 = 3,5 % van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten; en
X2 = de som van 18 % van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten en het bedrag van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer.
Indien de toepassing van het eerste lid van deze paragraaf voor af te wikkelen entiteiten die onder artikel 267/5/1, § 4, vallen, leidt tot een vereiste van meer dan 27 % van het totaal van de risicoposten, beperkt de afwikkelingsautoriteit, voor de betrokken af te wikkelen entiteit, het deel van het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste waaraan wordt voldaan met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden, tot een bedrag dat gelijk is aan 27 % van het totaal van de risicoposten, indien de afwikkelingsautoriteit tot het oordeel is gekomen dat:
1° toegang tot de financieringsregeling voor de afwikkeling niet wordt beschouwd als een optie om die af te wikkelen entiteit af te wikkelen in het afwikkelingsplan; of
2° indien punt 1°, niet van toepassing is, het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste die af te wikkelen entiteit in staat stelt te voldoen aan, naar gelang het geval, de vereisten bedoeld in artikel 6/1, § 2, eerste lid of § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds en in artikel 27, lid 7, a) van Verordening nr. 806/2014.
Bij de in het voorgaande lid bedoelde beoordeling houdt de afwikkelingsautoriteit ook rekening met het risico dat een vereiste in toepassing van het eerste lid op onevenredige wijze gevolgen heeft voor het bedrijfsmodel van de betrokken af te wikkelen entiteit.
Op af te wikkelen entiteiten die onder artikel 267/5/1, § 5, vallen, is het tweede lid van deze paragraaf niet van toepassing.
§ 5. Ten aanzien van af te wikkelen entiteiten die geen MSI's zijn en niet onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen, kan de afwikkelingsautoriteit besluiten dat aan een deel van het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste dat ofwel 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, van de entiteit niet overstijgt, ofwel, wanneer dit hoger is, het bedrag van de in paragraaf 7 bedoelde formule niet overstijgt, moet worden voldaan met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde niet-achtergestelde schulden hebben dezelfde prioriteit in geval van samenloop van schuldeisers als bepaalde schulden die zijn uitgesloten van de toepassing van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2;
2° het risico bestaat dat als gevolg van een voorgenomen toepassing van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheid op niet-achtergestelde schulden die niet van de toepassing van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheid overeenkomstig de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2, zijn uitgesloten, schuldeisers van die vorderingen, grotere verliezen lijden dan de verliezen die zij in een liquidatieprocedure zouden lijden;
3° het vereiste bedrag van het eigen vermogen en andere achtergestelde schulden is niet hoger dan het bedrag dat nodig is om ervoor te zorgen dat de door de in punt 2°, bedoelde schuldeisers geleden verliezen kleiner zijn dan de verliezen die ze in een liquidatieprocedure zouden hebben geleden.
Indien de afwikkelingsautoriteit vaststelt dat, binnen een categorie van schulden die in aanmerking komende schulden omvat, het bedrag van de schulden die worden uitgesloten of redelijk waarschijnlijk worden uitgesloten van de toepassing van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2, hoger is dan 10 % van die categorie, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit het in het eerste lid, punt 2°, bedoelde risico.
§ 6. Voor de toepassing van de paragrafen 4, 5 en 7 vormen uit derivaten voortvloeiende schulden een onderdeel van de totale schulden op de basis dat de salderingsrechten ("netting rights") van tegenpartijen volledig worden erkend.
Het eigen vermogen van een af te wikkelen entiteit dat wordt gebruikt om te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer komt in aanmerking om te voldoen aan de in de paragrafen 4, 5 en 7 bedoelde vereisten.
§ 7. In afwijking van paragraaf 4 kan de afwikkelingsautoriteit besluiten dat af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen, aan het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste moeten voldoen met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden, voor zover, uit hoofde van de verplichting van de af te wikkelen entiteit om te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en de in artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013, artikel 267/5/1, § 4, en artikel 267/5/3, bedoelde vereisten, de som van dat eigen vermogen, die instrumenten en schulden niet hoger is dan het hoogste bedrag van ofwel:
1° 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, van de entiteit; ofwel
2° het bedrag dat het resultaat is van de toepassing van de formule A x 2 + B x 2 + C, waarbij A, B en C de volgende bedragen zijn:
A = het bedrag dat voortvloeit uit het vereiste, bedoeld in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013;
B = het bedrag dat voortvloeit uit het vereiste, bedoeld in artikel 149, eerste lid;
C = het bedrag dat voortvloeit uit het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer.
§ 8. De afwikkelingsautoriteit kan de in paragraaf 7 bedoelde bevoegdheid uitoefenen ten aanzien van af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen en die aan één van de in het tweede lid bepaalde voorwaarden voldoen, tot een limiet van 30 % van de totale hoeveelheid van alle af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste bepaalt.
De afwikkelingsautoriteit neemt de voorwaarden als volgt in overweging:
1° in de voorgaande afwikkelbaarheidsbeoordeling zijn wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid vastgesteld en:
- geen van de door de afwikkelingsautoriteit in toepassing van artikel 232 vereiste maatregelen zijn toegepast binnen het door de afwikkelingsautoriteit opgelegde tijdpad, of
- de vastgestelde wezenlijke belemmeringen kunnen niet door gebruik van de in artikel 232 bedoelde maatregelen worden aangepakt, en het uitoefenen van de in paragraaf 7 van dit artikel bedoelde bevoegdheid zou de negatieve gevolgen van de wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de af te wikkelen entiteit ten dele of geheel ongedaan maken;
2° de afwikkelingsautoriteit is van oordeel dat de haalbaarheid en geloofwaardigheid van de voorkeursafwikkelingsstrategie van de af te wikkelen entiteit beperkt is, rekening houdend met de omvang, de verwevenheid, de aard, de reikwijdte, het risico en de complexiteit van de activiteiten, de juridische status en de aandelenstructuur van de entiteit; of
3° het in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste weerspiegelt het feit dat de af te wikkelen entiteit, in termen van risico, bij de top 20 % instellingen hoort waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/3 bedoelde vereiste bepaalt.
Voor het bepalen van de in het eerste en het tweede lid bedoelde percentages rondt de afwikkelingsautoriteit het uit de berekening resulterende cijfer naar boven af tot het dichtstbijzijnde gehele getal.
§ 9. De afwikkelingsautoriteit neemt de in de paragrafen 5 of 7 bedoelde besluiten na raadpleging van de toezichthouder. Bij het nemen van die besluiten houdt de afwikkelingsautoriteit tevens rekening met:
1° de diepte van de markt voor eigenvermogensinstrumenten en achtergestelde in aanmerking komende instrumenten van de af te wikkelen entiteit, de prijsstelling van die instrumenten indien voorhanden, en de tijd die nodig is om eventuele transacties te verrichten die nodig zijn om te voldoen aan het besluit;
2° de hoeveelheid in aanmerking komende schuldinstrumenten die voldoen aan alle in artikel 72bis van Verordening nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden met een resterende looptijd van minder dan één jaar vanaf de datum van het besluit, zodat kwantitatieve aanpassingen kunnen worden aangebracht in de in de paragrafen 5 en 7 bedoelde vereisten;
3° de beschikbaarheid en de hoeveelheid van instrumenten die voldoen aan alle voorwaarden van artikel 72bis van Verordening nr. 575/2013, anders dan artikel 72ter, lid 2, punt d), van die verordening;
4° wanneer het bedrag van de schulden die zijn uitgesloten van de toepassing van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2, en die in een liquidatieprocedure een gelijke of lagere rang hebben dan de hoogst gerangschikte in aanmerking komende schulden, meer bedraagt dan 5 % van de hoeveelheid eigen vermogen en in aanmerking komende schulden van de af te wikkelen entiteit, het relatief belang van die schulden ten opzichte van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden van de af te wikkelen entiteit, zoals beoordeeld door de afwikkelingsautoriteit;
5° het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de af te wikkelen entiteit, alsmede haar stabiliteit en haar vermogen om bij te dragen aan de economie; en
6° de gevolgen van eventuele herstructureringskosten voor de herkapitalisatie van de af te wikkelen entiteit.".
"Art. 267/5. § 1. Schulden worden alleen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden van af te wikkelen entiteiten opgenomen als ze aan de voorwaarden voldoen van de artikelen 72bis, 72ter, met uitzondering van lid 2, punt d) en 72quater van Verordening nr. 575/2013:
In afwijking van het eerste lid worden, wanneer in deze wet wordt verwezen naar de vereisten in artikel 92bis of artikel 92ter van Verordening nr. 575/2013 voor het bepalen van het bedrag van het eigen vermogen en in aanmerking komende schulden, voor de toepassing van die artikelen als in aanmerking komende schulden beschouwd, degene die voldoen aan de omschrijving in artikel 72duodecies van die verordening en zijn vastgesteld overeenkomstig titel I, deel twee, hoofdstuk 5bis, van die verordening.
§ 2. Schulden die voortvloeien uit schuldinstrumenten met verankerde derivaten, zoals gestructureerde obligaties ("structured notes"), die voldoen aan de voorwaarden van paragraaf 1, eerste lid, met uitzondering van artikel 72bis, lid 2, punt l), van Verordening nr. 575/2013, worden alleen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden opgenomen indien aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de hoofdsom van de schulden die voortvloeien uit het schuldinstrument is op het moment van uitgifte bekend, ligt vast of is stijgend, en wordt niet door een verankerd derivaatelement beïnvloed, en het totaalbedrag van de schulden die voortvloeien uit het schuldinstrument, met inbegrip van het verankerde derivaat, kan op dagbasis worden gewaardeerd onder verwijzing naar een actieve en liquide vraag- en aanbodmarkt voor een gelijkwaardig instrument zonder kredietrisico, overeenkomstig de artikelen 104 en 105 van Verordening nr. 575/2013; of
2° het schuldinstrument bevat een beding dat bepaalt dat de waarde van de vordering in het geval van de insolventie of de afwikkeling van de uitgever vast ligt of stijgt en het initieel gestorte bedrag van de schulden niet overschrijdt.
Schuldinstrumenten bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van hun verankerde derivaten, zijn niet onderworpen aan een verrekeningsovereenkomst en de waardering van dergelijke instrumenten is niet onderworpen aan artikel 267/9, § 1, derde lid.
Van de in de eerste lid van deze paragraaf bedoelde schulden wordt alleen het deel van de schuld dat overeenkomt met de in punt 1°, van dat lid bedoelde hoofdsom of het in punt 2°, van dat lid bedoelde vaste of stijgende bedrag opgenomen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden.
§ 3. Indien schulden door een in de EER gevestigde en van dezelfde af te wikkelen groep als de af te wikkelen entiteit deel uitmakende dochteronderneming zijn uitgegeven aan een bestaande aandeelhouder die niet van dezelfde af te wikkelen groep deel uitmaakt, worden die schulden opgenomen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden van die af te wikkelen entiteit, mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de schulden worden uitgegeven overeenkomstig artikel 267/5/4, § 2, 1° ;
2° de uitoefening van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden met betrekking tot die schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 458 doet geen afbreuk aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming;
3° die schulden overschrijden niet het bedrag dat verkregen wordt door de som van de schulden die zijn uitgegeven aan en gekocht door de af te wikkelen entiteit, direct dan wel indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, en het bedrag van het overeenkomstig artikel 267/5/4, § 2, 2°, uitgegeven eigen vermogen, af te trekken van het bedrag dat vereist is overeenkomstig artikel 267/5/4, § 1.
§ 4. Onverminderd het minimumvereiste in artikel 267/5/1, § 4, of artikel 267/5/2, § 1, 1°, zorgt de afwikkelingsautoriteit ervoor dat af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen, aan een deel van het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste, gelijk aan 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, voldoen met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden. De afwikkelingsautoriteit kan toestaan dat af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen, aan een niveau dat lager ligt dan 8 % van de totale passiva, eigen vermogen inbegrepen, maar hoger dan het bedrag dat resulteert uit de toepassing van de formule (1-(X1/X2)) x 8 % van de totale passiva, eigen vermogen inbegrepen, voldoen met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden, mits aan alle in artikel 72ter, lid 3 van Verordening nr. 575/2013 vastgelegde voorwaarden wordt voldaan, gelet op de krachtens artikel 72ter, lid 3, van die verordening toegestane vermindering:
X1 = 3,5 % van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten; en
X2 = de som van 18 % van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten en het bedrag van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer.
Indien de toepassing van het eerste lid van deze paragraaf voor af te wikkelen entiteiten die onder artikel 267/5/1, § 4, vallen, leidt tot een vereiste van meer dan 27 % van het totaal van de risicoposten, beperkt de afwikkelingsautoriteit, voor de betrokken af te wikkelen entiteit, het deel van het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste waaraan wordt voldaan met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden, tot een bedrag dat gelijk is aan 27 % van het totaal van de risicoposten, indien de afwikkelingsautoriteit tot het oordeel is gekomen dat:
1° toegang tot de financieringsregeling voor de afwikkeling niet wordt beschouwd als een optie om die af te wikkelen entiteit af te wikkelen in het afwikkelingsplan; of
2° indien punt 1°, niet van toepassing is, het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste die af te wikkelen entiteit in staat stelt te voldoen aan, naar gelang het geval, de vereisten bedoeld in artikel 6/1, § 2, eerste lid of § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds en in artikel 27, lid 7, a) van Verordening nr. 806/2014.
Bij de in het voorgaande lid bedoelde beoordeling houdt de afwikkelingsautoriteit ook rekening met het risico dat een vereiste in toepassing van het eerste lid op onevenredige wijze gevolgen heeft voor het bedrijfsmodel van de betrokken af te wikkelen entiteit.
Op af te wikkelen entiteiten die onder artikel 267/5/1, § 5, vallen, is het tweede lid van deze paragraaf niet van toepassing.
§ 5. Ten aanzien van af te wikkelen entiteiten die geen MSI's zijn en niet onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen, kan de afwikkelingsautoriteit besluiten dat aan een deel van het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste dat ofwel 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, van de entiteit niet overstijgt, ofwel, wanneer dit hoger is, het bedrag van de in paragraaf 7 bedoelde formule niet overstijgt, moet worden voldaan met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde niet-achtergestelde schulden hebben dezelfde prioriteit in geval van samenloop van schuldeisers als bepaalde schulden die zijn uitgesloten van de toepassing van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2;
2° het risico bestaat dat als gevolg van een voorgenomen toepassing van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheid op niet-achtergestelde schulden die niet van de toepassing van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheid overeenkomstig de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2, zijn uitgesloten, schuldeisers van die vorderingen, grotere verliezen lijden dan de verliezen die zij in een liquidatieprocedure zouden lijden;
3° het vereiste bedrag van het eigen vermogen en andere achtergestelde schulden is niet hoger dan het bedrag dat nodig is om ervoor te zorgen dat de door de in punt 2°, bedoelde schuldeisers geleden verliezen kleiner zijn dan de verliezen die ze in een liquidatieprocedure zouden hebben geleden.
Indien de afwikkelingsautoriteit vaststelt dat, binnen een categorie van schulden die in aanmerking komende schulden omvat, het bedrag van de schulden die worden uitgesloten of redelijk waarschijnlijk worden uitgesloten van de toepassing van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2, hoger is dan 10 % van die categorie, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit het in het eerste lid, punt 2°, bedoelde risico.
§ 6. Voor de toepassing van de paragrafen 4, 5 en 7 vormen uit derivaten voortvloeiende schulden een onderdeel van de totale schulden op de basis dat de salderingsrechten ("netting rights") van tegenpartijen volledig worden erkend.
Het eigen vermogen van een af te wikkelen entiteit dat wordt gebruikt om te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer komt in aanmerking om te voldoen aan de in de paragrafen 4, 5 en 7 bedoelde vereisten.
§ 7. In afwijking van paragraaf 4 kan de afwikkelingsautoriteit besluiten dat af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen, aan het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste moeten voldoen met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met in paragraaf 3 van dit artikel bedoelde schulden, voor zover, uit hoofde van de verplichting van de af te wikkelen entiteit om te voldoen aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer en de in artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013, artikel 267/5/1, § 4, en artikel 267/5/3, bedoelde vereisten, de som van dat eigen vermogen, die instrumenten en schulden niet hoger is dan het hoogste bedrag van ofwel:
1° 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, van de entiteit; ofwel
2° het bedrag dat het resultaat is van de toepassing van de formule A x 2 + B x 2 + C, waarbij A, B en C de volgende bedragen zijn:
A = het bedrag dat voortvloeit uit het vereiste, bedoeld in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013;
B = het bedrag dat voortvloeit uit het vereiste, bedoeld in artikel 149, eerste lid;
C = het bedrag dat voortvloeit uit het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer.
§ 8. De afwikkelingsautoriteit kan de in paragraaf 7 bedoelde bevoegdheid uitoefenen ten aanzien van af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen en die aan één van de in het tweede lid bepaalde voorwaarden voldoen, tot een limiet van 30 % van de totale hoeveelheid van alle af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 267/5/1, § 4 of § 5, vallen waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste bepaalt.
De afwikkelingsautoriteit neemt de voorwaarden als volgt in overweging:
1° in de voorgaande afwikkelbaarheidsbeoordeling zijn wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid vastgesteld en:
- geen van de door de afwikkelingsautoriteit in toepassing van artikel 232 vereiste maatregelen zijn toegepast binnen het door de afwikkelingsautoriteit opgelegde tijdpad, of
- de vastgestelde wezenlijke belemmeringen kunnen niet door gebruik van de in artikel 232 bedoelde maatregelen worden aangepakt, en het uitoefenen van de in paragraaf 7 van dit artikel bedoelde bevoegdheid zou de negatieve gevolgen van de wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de af te wikkelen entiteit ten dele of geheel ongedaan maken;
2° de afwikkelingsautoriteit is van oordeel dat de haalbaarheid en geloofwaardigheid van de voorkeursafwikkelingsstrategie van de af te wikkelen entiteit beperkt is, rekening houdend met de omvang, de verwevenheid, de aard, de reikwijdte, het risico en de complexiteit van de activiteiten, de juridische status en de aandelenstructuur van de entiteit; of
3° het in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste weerspiegelt het feit dat de af te wikkelen entiteit, in termen van risico, bij de top 20 % instellingen hoort waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 267/3 bedoelde vereiste bepaalt.
Voor het bepalen van de in het eerste en het tweede lid bedoelde percentages rondt de afwikkelingsautoriteit het uit de berekening resulterende cijfer naar boven af tot het dichtstbijzijnde gehele getal.
§ 9. De afwikkelingsautoriteit neemt de in de paragrafen 5 of 7 bedoelde besluiten na raadpleging van de toezichthouder. Bij het nemen van die besluiten houdt de afwikkelingsautoriteit tevens rekening met:
1° de diepte van de markt voor eigenvermogensinstrumenten en achtergestelde in aanmerking komende instrumenten van de af te wikkelen entiteit, de prijsstelling van die instrumenten indien voorhanden, en de tijd die nodig is om eventuele transacties te verrichten die nodig zijn om te voldoen aan het besluit;
2° de hoeveelheid in aanmerking komende schuldinstrumenten die voldoen aan alle in artikel 72bis van Verordening nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden met een resterende looptijd van minder dan één jaar vanaf de datum van het besluit, zodat kwantitatieve aanpassingen kunnen worden aangebracht in de in de paragrafen 5 en 7 bedoelde vereisten;
3° de beschikbaarheid en de hoeveelheid van instrumenten die voldoen aan alle voorwaarden van artikel 72bis van Verordening nr. 575/2013, anders dan artikel 72ter, lid 2, punt d), van die verordening;
4° wanneer het bedrag van de schulden die zijn uitgesloten van de toepassing van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2, en die in een liquidatieprocedure een gelijke of lagere rang hebben dan de hoogst gerangschikte in aanmerking komende schulden, meer bedraagt dan 5 % van de hoeveelheid eigen vermogen en in aanmerking komende schulden van de af te wikkelen entiteit, het relatief belang van die schulden ten opzichte van het eigen vermogen en de in aanmerking komende schulden van de af te wikkelen entiteit, zoals beoordeeld door de afwikkelingsautoriteit;
5° het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de af te wikkelen entiteit, alsmede haar stabiliteit en haar vermogen om bij te dragen aan de economie; en
6° de gevolgen van eventuele herstructureringskosten voor de herkapitalisatie van de af te wikkelen entiteit.".
Art. 187. L'article 267/5 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 18 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 267/5. § 1er. Les dettes sont inclues dans le montant de fonds propres et de dettes éligibles des entités de résolution si elles satisfont aux conditions énoncées aux articles 72bis, 72ter, à l'exception du paragraphe 2, point d), et 72quater du Règlement n° 575/2013.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque la présente loi renvoie aux exigences de l'article 92bis ou de l'article 92ter du Règlement n° 575/2013 pour la détermination du montant de fonds propres et de dettes éligibles, les dettes éligibles sont constituées, aux fins desdits articles, des dettes éligibles définies à l'article 72duodecies dudit règlement et déterminées conformément à la deuxième partie, titre I, chapitre 5bis, dudit règlement.
§ 2. Les dettes résultant d'instruments de dette comportant des dérivés incorporés, comme les obligations structurées, qui satisfont aux conditions énoncées au paragraphe 1er, alinéa 1er, à l'exception de l'article 72bis, paragraphe 2, point l), du Règlement n° 575/2013, ne sont inclues dans le montant de fonds propres et de dettes éligibles que si l'une des conditions suivantes est remplie :
1° le montant principal de la dette résultant de l'instrument de dette est connu au moment de l'émission, est fixe ou augmente et n'est pas affecté par une composante dérivée incorporée, et le montant total de la dette résultante de l'instrument de dette, y compris le dérivé incorporé, peut être évalué quotidiennement par référence à un marché liquide et actif, à double sens pour un instrument équivalent sans risque de crédit conformément aux articles 104 et 105 du Règlement n° 575/2013 ; ou
2° l'instrument de dette comporte une clause contractuelle précisant que la valeur de la créance, en cas d'insolvabilité ou de résolution de l'émetteur, est fixe ou augmente et n'excède pas le montant de l'engagement initialement payé.
Les instruments de dette visés à l'alinéa 1er, y compris leurs dérivés incorporés, ne font l'objet d'aucun accord de compensation (netting) et la valorisation de tels instruments ne relève pas de l'article 267/9, § 1er, alinéa 3.
Les engagements visés à l'alinéa 1er de ce paragraphe ne sont inclus dans le montant de fonds propres et de dettes éligibles qu'au regard de la part de la dette correspondant au montant principal visé au point 1° dudit alinéa, ou au montant fixe ou croissant visé au point 2°, dudit alinéa.
§ 3. Lorsque des dettes sont émises par une filiale établie dans l'EEE en faveur d'un actionnaire existant qui ne fait pas partie du même groupe de résolution, et que cette filiale fait partie du même groupe de résolution que l'entité de résolution, ces dettes sont inclues dans le montant de fonds propres et de dettes éligibles de cette entité de résolution si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° les dettes sont émises conformément à l'article 267/5/4, § 2, 1° ;
2° l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion à l'égard de ces dettes conformément aux articles 250 ou 458 n'affecte pas le contrôle de la filiale par l'entité de résolution ;
3° ces dettes ne dépassent pas le montant obtenu en soustrayant la somme des dettes émises en faveur de l'entité de résolution et achetées par celle-ci directement ou indirectement par l'intermédiaire d'autres entités du même groupe de résolution et du montant des fonds propres émis conformément à l'article 267/5/4, § 2, 2°, du montant exigé conformément à l'article 267/5/4, § 1er.
§ 4. Sans préjudice de l'exigence minimale prévue à l'article 267/5/1, § 4, et à l'article 267/5/2, § 1er, 1°, l'autorité de résolution veille à ce qu'une partie de l'exigence visée à l'article 267/5/3, égale à 8 % du total des passifs, fonds propres compris, soit remplie par les entités de résolution qui sont des EISm ou des entités de résolution relevant de l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, au moyen de fonds propres, d'instruments éligibles subordonnés ou de dettes visées au paragraphe 3 du présent article. L'autorité de résolution peut autoriser qu'un niveau inférieur à 8 % du total des passifs, fonds propres compris, mais supérieur au montant résultant de l'application de la formule (1-(X1/X2)) x 8 % du total des passifs, fonds propres compris, soit atteint par les entités de résolution qui sont des EISm ou des entités de résolution qui relèvent de l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, au moyen de fonds propres, d'instruments éligibles subordonnés ou de dettes visées au paragraphe 3 du présent article, pour autant que l'ensemble des conditions énoncées à l'article 72ter, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 soient remplies, compte tenu de la réduction autorisée en vertu de l'article 72ter, paragraphe 3, dudit règlement :
X1 = 3,5 % du montant total d'exposition au risque, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du règlement (UE) n° 575/2013 ; et
X2 = la somme des 18 % du montant total d'exposition au risque, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013, et du montant correspondant à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1.
Pour les entités de résolution qui relèvent de l'article 267/5/1, § 4, lorsque l'application de l'alinéa 1er de ce paragraphe entraîne une exigence supérieure à 27 % du montant total d'exposition au risque, l'autorité de résolution limite, pour l'entité de résolution concernée, la partie de l'exigence visée à l'article 267/5/3 qui doit être remplie au moyen de fonds propres, d'instruments éligibles subordonnés, ou de dettes visées au paragraphe 3 du présent article à un montant égal à 27 % du montant total d'exposition au risque si l'autorité de résolution a évalué que :
1° l'accès au dispositif de financement pour la résolution n'est pas considéré comme une option pour procéder à la résolution de cette entité de résolution dans le plan de résolution ; ou
2° lorsque le point 1°, ne s'applique pas, l'exigence visée à l'article 267/5/3 permet à cette entité de résolution de satisfaire aux exigences visées à l'article 6/1, § 2, alinéa 1er ou § 3 de la loi du 28 décembre 2011 sur le Fonds de résolution et à l'article 27, paragraphe 7, a) du Règlement n° 806/2014, selon le cas.
Lorsqu'elle procède à l'appréciation visée à l'alinéa précédent, l'autorité de résolution prend également en compte le risque qu'une exigence résultant de l'application de l'alinéa 1er affecte de manière disproportionnée le modèle d'entreprise de l'entité de résolution concernée.
L'alinéa 2 de ce paragraphe ne s'applique pas aux entités de résolution qui relèvent de l'article 267/5/1, § 5.
§ 5. Pour les entités de résolution qui ne sont ni des EISm ni des entités de résolution relevant de l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, l'autorité de résolution peut décider qu'une partie de l'exigence visée à l'article 267/5/3 n'excédant pas 8 % du total des passifs, fonds propres compris, de l'entité ou le montant résultant de l'application de la formule visée au paragraphe 7 lorsque celui-ci est plus élevé, est remplie au moyen de fonds propres, d'instruments éligibles subordonnés, ou de dettes visées au paragraphe 3 du présent article, pour autant que les conditions suivantes soient remplies :
1° les dettes non subordonnées visées aux paragraphes 1er et 2 ont le même niveau de priorité en cas de concours de créancier que certaines dettes exclues de l'application des pouvoirs de dépréciation et de conversion en vertu des articles 242, 10° et 267/2, § 2 ;
2° à la suite de l'application prévue des pouvoirs de dépréciation et de conversion aux dettes non subordonnées qui ne sont pas exclues de l'application des pouvoirs de dépréciation et de conversion en vertu des articles 242, 10° et 267/2, § 2, les créanciers de ces dettes risquent de subir des pertes plus importantes que celles qu'ils auraient subies dans le cadre d'une procédure de liquidation ;
3° le montant des fonds propres et d'autres dettes subordonnées requis n'excède pas le montant permettant de garantir que les pertes subies par les créanciers visés au point 2°, restent inférieures aux pertes qu'ils auraient dû supporter dans le cadre d'une procédure de liquidation.
Lorsque l'autorité de résolution constate que, à l'intérieur d'une catégorie de dettes comprenant des dettes éligibles, le montant des dettes qui sont exclues ou raisonnablement susceptibles d'être exclues du champ d'application des pouvoirs de dépréciation et de conversion en vertu des articles 242, 10° et 267/2, § 2, est supérieur à 10 % de cette catégorie, l'autorité de résolution évalue le risque visé à l'alinéa 1er, point 2°.
§ 6. Aux fins des paragraphes 4, 5 et 7, les dettes résultant de produits dérivés sont inclues dans le total des dettes, sur la base d'une pleine reconnaissance des droits de compensation ("netting rights") des contreparties.
Les fonds propres d'une entité de résolution utilisés pour satisfaire à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 sont éligibles aux fins du respect des exigences visées aux paragraphes 4, 5 et 7.
§ 7. Par dérogation au paragraphe 4, l'autorité de résolution peut décider que l'exigence visée à l'article 267/5/3 est remplie par les entités de résolution qui sont des EISm ou des entités de résolution relevant de l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, au moyen de fonds propres, d'instruments éligibles subordonnés, ou de dettes visées au paragraphe 3, dans la mesure où, en raison de l'obligation pour l'entité de résolution de se conformer à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 et aux exigences visées à l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et à l'article 267/5/1, § 4, et à l'article 267/5/3, la somme de ces fonds propres, instruments et dettes n'excède pas la plus élevée des valeurs suivantes :
1° 8 % du total des passifs, fonds propres compris, de l'entité ; ou
2° le montant résultant de l'application de la formule A x 2 + B x 2 + C, où A, B et C représentent les montants suivants :
A = le montant résultant de l'exigence visée à l'article 92, paragraphe 1er, point c), du Règlement n° 575/2013 ;
B = le montant résultant de l'exigence visée à l'article 149, alinéa 1er ;
C = le montant résultant de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1.
§ 8. L'autorité de résolution peut exercer le pouvoir visé au paragraphe 7 à l'égard des entités de résolution qui sont des EISm ou qui relèvent de l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, et qui remplissent l'une des conditions énoncées à l'alinéa 2 jusqu'à une limite de 30 % du nombre total des entités de résolution qui sont des EISm ou qui relèvent de l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, pour lesquelles l'autorité de résolution détermine l'exigence visée à l'article 267/5/3.
L`autorité de résolution prend en considération les conditions comme suit :
1° des obstacles importants à la résolvabilité ont été identifiés lors de la précédente évaluation de la résolvabilité et :
- aucune des mesures requises par l'autorité de résolution conformément à l'article 232 n'a été mise en oeuvre dans le délai imposé par l'autorité de résolution, ou
- il ne peut être remédié aux obstacles importants identifiés au moyen de l'une des mesures visées à l'article 232, et l'exercice du pouvoir visé au paragraphe 7 du présent article compenserait en tout ou partie l'impact négatif des obstacles importants sur la résolvabilité de l'entité de résolution ;
2° l'autorité de résolution considère que la faisabilité et la crédibilité de la stratégie de résolution privilégiée de l'entité de résolution sont limitées, compte tenu de la taille et de l'interconnexion de l'entité, de la nature, de la portée, du risque et de la complexité de ses activités, de son statut juridique et de la structure de son actionnariat ; ou
3° l'exigence visée à l'article 149, alinéa 1er fait apparaître que l'entité de résolution, figure, en termes de profil de risque, parmi les premiers 20 % des établissements pour lesquels l'autorité de résolution détermine l'exigence visée à l'article 267/3.
Aux fins de la détermination des pourcentages visés à l'alinéa 1er et à l'alinéa 2, l'autorité de résolution arrondit le résultat du calcul effectué au nombre entier le plus proche.
§ 9. L'autorité de résolution prend les décisions visées au paragraphe 5 ou 7 après consultation de l'autorité de contrôle. Lorsqu'elle prend ces décisions, l'autorité de résolution prend également en considération :
1° la profondeur du marché pour les instruments de fonds propres de l'entité de résolution et ses instruments éligibles subordonnés, la détermination du prix de tels instruments lorsqu'ils existent, et le temps requis pour exécuter toute transaction nécessaire pour se conformer à la décision ;
2° le montant des instruments d'engagements éligibles remplissant toutes les conditions énoncées à l'article 72bis du Règlement n° 575/2013 qui ont une échéance résiduelle inférieure à un an à la date de la décision en vue d'apporter des ajustements quantitatifs aux exigences visées aux paragraphes 5 et 7 ;
3° la disponibilité et le montant des instruments remplissant toutes les conditions énoncées à l'article 72bis du Règlement n° 575/2013, autre que l'article 72ter, paragraphe 2, point d), dudit règlement ;
4° lorsque le montant des dettes exclues de l'application des pouvoirs de dépréciation et de conversion en vertu des articles 242, 10° et 267/2, § 2, et qui, en cas de procédure de liquidation, ont le même rang ou un rang inférieur aux dettes éligibles ayant le rang le plus élevé, excède 5 % du montant des fonds propres et des dettes éligibles de l'entité de résolution, l'importance relative de ces dettes par rapport aux fonds propres et aux dettes éligibles de l'entité de résolution, tel qu'appréciée par l'autorité de résolution ;
5° le modèle d'entreprise, le modèle de financement et le profil de risque de l'entité de résolution, ainsi que sa stabilité et sa capacité à contribuer à l'économie ; et
6° l'incidence des éventuels coûts de restructuration sur la recapitalisation de l'entité de résolution.".
"Art. 267/5. § 1er. Les dettes sont inclues dans le montant de fonds propres et de dettes éligibles des entités de résolution si elles satisfont aux conditions énoncées aux articles 72bis, 72ter, à l'exception du paragraphe 2, point d), et 72quater du Règlement n° 575/2013.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque la présente loi renvoie aux exigences de l'article 92bis ou de l'article 92ter du Règlement n° 575/2013 pour la détermination du montant de fonds propres et de dettes éligibles, les dettes éligibles sont constituées, aux fins desdits articles, des dettes éligibles définies à l'article 72duodecies dudit règlement et déterminées conformément à la deuxième partie, titre I, chapitre 5bis, dudit règlement.
§ 2. Les dettes résultant d'instruments de dette comportant des dérivés incorporés, comme les obligations structurées, qui satisfont aux conditions énoncées au paragraphe 1er, alinéa 1er, à l'exception de l'article 72bis, paragraphe 2, point l), du Règlement n° 575/2013, ne sont inclues dans le montant de fonds propres et de dettes éligibles que si l'une des conditions suivantes est remplie :
1° le montant principal de la dette résultant de l'instrument de dette est connu au moment de l'émission, est fixe ou augmente et n'est pas affecté par une composante dérivée incorporée, et le montant total de la dette résultante de l'instrument de dette, y compris le dérivé incorporé, peut être évalué quotidiennement par référence à un marché liquide et actif, à double sens pour un instrument équivalent sans risque de crédit conformément aux articles 104 et 105 du Règlement n° 575/2013 ; ou
2° l'instrument de dette comporte une clause contractuelle précisant que la valeur de la créance, en cas d'insolvabilité ou de résolution de l'émetteur, est fixe ou augmente et n'excède pas le montant de l'engagement initialement payé.
Les instruments de dette visés à l'alinéa 1er, y compris leurs dérivés incorporés, ne font l'objet d'aucun accord de compensation (netting) et la valorisation de tels instruments ne relève pas de l'article 267/9, § 1er, alinéa 3.
Les engagements visés à l'alinéa 1er de ce paragraphe ne sont inclus dans le montant de fonds propres et de dettes éligibles qu'au regard de la part de la dette correspondant au montant principal visé au point 1° dudit alinéa, ou au montant fixe ou croissant visé au point 2°, dudit alinéa.
§ 3. Lorsque des dettes sont émises par une filiale établie dans l'EEE en faveur d'un actionnaire existant qui ne fait pas partie du même groupe de résolution, et que cette filiale fait partie du même groupe de résolution que l'entité de résolution, ces dettes sont inclues dans le montant de fonds propres et de dettes éligibles de cette entité de résolution si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° les dettes sont émises conformément à l'article 267/5/4, § 2, 1° ;
2° l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion à l'égard de ces dettes conformément aux articles 250 ou 458 n'affecte pas le contrôle de la filiale par l'entité de résolution ;
3° ces dettes ne dépassent pas le montant obtenu en soustrayant la somme des dettes émises en faveur de l'entité de résolution et achetées par celle-ci directement ou indirectement par l'intermédiaire d'autres entités du même groupe de résolution et du montant des fonds propres émis conformément à l'article 267/5/4, § 2, 2°, du montant exigé conformément à l'article 267/5/4, § 1er.
§ 4. Sans préjudice de l'exigence minimale prévue à l'article 267/5/1, § 4, et à l'article 267/5/2, § 1er, 1°, l'autorité de résolution veille à ce qu'une partie de l'exigence visée à l'article 267/5/3, égale à 8 % du total des passifs, fonds propres compris, soit remplie par les entités de résolution qui sont des EISm ou des entités de résolution relevant de l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, au moyen de fonds propres, d'instruments éligibles subordonnés ou de dettes visées au paragraphe 3 du présent article. L'autorité de résolution peut autoriser qu'un niveau inférieur à 8 % du total des passifs, fonds propres compris, mais supérieur au montant résultant de l'application de la formule (1-(X1/X2)) x 8 % du total des passifs, fonds propres compris, soit atteint par les entités de résolution qui sont des EISm ou des entités de résolution qui relèvent de l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, au moyen de fonds propres, d'instruments éligibles subordonnés ou de dettes visées au paragraphe 3 du présent article, pour autant que l'ensemble des conditions énoncées à l'article 72ter, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 soient remplies, compte tenu de la réduction autorisée en vertu de l'article 72ter, paragraphe 3, dudit règlement :
X1 = 3,5 % du montant total d'exposition au risque, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du règlement (UE) n° 575/2013 ; et
X2 = la somme des 18 % du montant total d'exposition au risque, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013, et du montant correspondant à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1.
Pour les entités de résolution qui relèvent de l'article 267/5/1, § 4, lorsque l'application de l'alinéa 1er de ce paragraphe entraîne une exigence supérieure à 27 % du montant total d'exposition au risque, l'autorité de résolution limite, pour l'entité de résolution concernée, la partie de l'exigence visée à l'article 267/5/3 qui doit être remplie au moyen de fonds propres, d'instruments éligibles subordonnés, ou de dettes visées au paragraphe 3 du présent article à un montant égal à 27 % du montant total d'exposition au risque si l'autorité de résolution a évalué que :
1° l'accès au dispositif de financement pour la résolution n'est pas considéré comme une option pour procéder à la résolution de cette entité de résolution dans le plan de résolution ; ou
2° lorsque le point 1°, ne s'applique pas, l'exigence visée à l'article 267/5/3 permet à cette entité de résolution de satisfaire aux exigences visées à l'article 6/1, § 2, alinéa 1er ou § 3 de la loi du 28 décembre 2011 sur le Fonds de résolution et à l'article 27, paragraphe 7, a) du Règlement n° 806/2014, selon le cas.
Lorsqu'elle procède à l'appréciation visée à l'alinéa précédent, l'autorité de résolution prend également en compte le risque qu'une exigence résultant de l'application de l'alinéa 1er affecte de manière disproportionnée le modèle d'entreprise de l'entité de résolution concernée.
L'alinéa 2 de ce paragraphe ne s'applique pas aux entités de résolution qui relèvent de l'article 267/5/1, § 5.
§ 5. Pour les entités de résolution qui ne sont ni des EISm ni des entités de résolution relevant de l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, l'autorité de résolution peut décider qu'une partie de l'exigence visée à l'article 267/5/3 n'excédant pas 8 % du total des passifs, fonds propres compris, de l'entité ou le montant résultant de l'application de la formule visée au paragraphe 7 lorsque celui-ci est plus élevé, est remplie au moyen de fonds propres, d'instruments éligibles subordonnés, ou de dettes visées au paragraphe 3 du présent article, pour autant que les conditions suivantes soient remplies :
1° les dettes non subordonnées visées aux paragraphes 1er et 2 ont le même niveau de priorité en cas de concours de créancier que certaines dettes exclues de l'application des pouvoirs de dépréciation et de conversion en vertu des articles 242, 10° et 267/2, § 2 ;
2° à la suite de l'application prévue des pouvoirs de dépréciation et de conversion aux dettes non subordonnées qui ne sont pas exclues de l'application des pouvoirs de dépréciation et de conversion en vertu des articles 242, 10° et 267/2, § 2, les créanciers de ces dettes risquent de subir des pertes plus importantes que celles qu'ils auraient subies dans le cadre d'une procédure de liquidation ;
3° le montant des fonds propres et d'autres dettes subordonnées requis n'excède pas le montant permettant de garantir que les pertes subies par les créanciers visés au point 2°, restent inférieures aux pertes qu'ils auraient dû supporter dans le cadre d'une procédure de liquidation.
Lorsque l'autorité de résolution constate que, à l'intérieur d'une catégorie de dettes comprenant des dettes éligibles, le montant des dettes qui sont exclues ou raisonnablement susceptibles d'être exclues du champ d'application des pouvoirs de dépréciation et de conversion en vertu des articles 242, 10° et 267/2, § 2, est supérieur à 10 % de cette catégorie, l'autorité de résolution évalue le risque visé à l'alinéa 1er, point 2°.
§ 6. Aux fins des paragraphes 4, 5 et 7, les dettes résultant de produits dérivés sont inclues dans le total des dettes, sur la base d'une pleine reconnaissance des droits de compensation ("netting rights") des contreparties.
Les fonds propres d'une entité de résolution utilisés pour satisfaire à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 sont éligibles aux fins du respect des exigences visées aux paragraphes 4, 5 et 7.
§ 7. Par dérogation au paragraphe 4, l'autorité de résolution peut décider que l'exigence visée à l'article 267/5/3 est remplie par les entités de résolution qui sont des EISm ou des entités de résolution relevant de l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, au moyen de fonds propres, d'instruments éligibles subordonnés, ou de dettes visées au paragraphe 3, dans la mesure où, en raison de l'obligation pour l'entité de résolution de se conformer à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 et aux exigences visées à l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et à l'article 267/5/1, § 4, et à l'article 267/5/3, la somme de ces fonds propres, instruments et dettes n'excède pas la plus élevée des valeurs suivantes :
1° 8 % du total des passifs, fonds propres compris, de l'entité ; ou
2° le montant résultant de l'application de la formule A x 2 + B x 2 + C, où A, B et C représentent les montants suivants :
A = le montant résultant de l'exigence visée à l'article 92, paragraphe 1er, point c), du Règlement n° 575/2013 ;
B = le montant résultant de l'exigence visée à l'article 149, alinéa 1er ;
C = le montant résultant de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1.
§ 8. L'autorité de résolution peut exercer le pouvoir visé au paragraphe 7 à l'égard des entités de résolution qui sont des EISm ou qui relèvent de l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, et qui remplissent l'une des conditions énoncées à l'alinéa 2 jusqu'à une limite de 30 % du nombre total des entités de résolution qui sont des EISm ou qui relèvent de l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, pour lesquelles l'autorité de résolution détermine l'exigence visée à l'article 267/5/3.
L`autorité de résolution prend en considération les conditions comme suit :
1° des obstacles importants à la résolvabilité ont été identifiés lors de la précédente évaluation de la résolvabilité et :
- aucune des mesures requises par l'autorité de résolution conformément à l'article 232 n'a été mise en oeuvre dans le délai imposé par l'autorité de résolution, ou
- il ne peut être remédié aux obstacles importants identifiés au moyen de l'une des mesures visées à l'article 232, et l'exercice du pouvoir visé au paragraphe 7 du présent article compenserait en tout ou partie l'impact négatif des obstacles importants sur la résolvabilité de l'entité de résolution ;
2° l'autorité de résolution considère que la faisabilité et la crédibilité de la stratégie de résolution privilégiée de l'entité de résolution sont limitées, compte tenu de la taille et de l'interconnexion de l'entité, de la nature, de la portée, du risque et de la complexité de ses activités, de son statut juridique et de la structure de son actionnariat ; ou
3° l'exigence visée à l'article 149, alinéa 1er fait apparaître que l'entité de résolution, figure, en termes de profil de risque, parmi les premiers 20 % des établissements pour lesquels l'autorité de résolution détermine l'exigence visée à l'article 267/3.
Aux fins de la détermination des pourcentages visés à l'alinéa 1er et à l'alinéa 2, l'autorité de résolution arrondit le résultat du calcul effectué au nombre entier le plus proche.
§ 9. L'autorité de résolution prend les décisions visées au paragraphe 5 ou 7 après consultation de l'autorité de contrôle. Lorsqu'elle prend ces décisions, l'autorité de résolution prend également en considération :
1° la profondeur du marché pour les instruments de fonds propres de l'entité de résolution et ses instruments éligibles subordonnés, la détermination du prix de tels instruments lorsqu'ils existent, et le temps requis pour exécuter toute transaction nécessaire pour se conformer à la décision ;
2° le montant des instruments d'engagements éligibles remplissant toutes les conditions énoncées à l'article 72bis du Règlement n° 575/2013 qui ont une échéance résiduelle inférieure à un an à la date de la décision en vue d'apporter des ajustements quantitatifs aux exigences visées aux paragraphes 5 et 7 ;
3° la disponibilité et le montant des instruments remplissant toutes les conditions énoncées à l'article 72bis du Règlement n° 575/2013, autre que l'article 72ter, paragraphe 2, point d), dudit règlement ;
4° lorsque le montant des dettes exclues de l'application des pouvoirs de dépréciation et de conversion en vertu des articles 242, 10° et 267/2, § 2, et qui, en cas de procédure de liquidation, ont le même rang ou un rang inférieur aux dettes éligibles ayant le rang le plus élevé, excède 5 % du montant des fonds propres et des dettes éligibles de l'entité de résolution, l'importance relative de ces dettes par rapport aux fonds propres et aux dettes éligibles de l'entité de résolution, tel qu'appréciée par l'autorité de résolution ;
5° le modèle d'entreprise, le modèle de financement et le profil de risque de l'entité de résolution, ainsi que sa stabilité et sa capacité à contribuer à l'économie ; et
6° l'incidence des éventuels coûts de restructuration sur la recapitalisation de l'entité de résolution.".
Art. 188. In dezelfde wet wordt een artikel 267/5/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 267/5/1. § 1. De afwikkelingsautoriteit stelt het in artikel 267/3 bedoelde vereiste vast, na raadpleging van de toezichthouder, op basis van de volgende criteria:
1° de noodzaak om ervoor te zorgen dat de af te wikkelen groep door toepassing van de afwikkelingsinstrumenten op de af te wikkelen entiteit, indien passend met inbegrip van het instrument van interne versterking, kan worden afgewikkeld op een wijze die in overeenstemming is met de afwikkelingsdoelstellingen;
2° de noodzaak om er, waar passend, voor te zorgen dat de af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen die kredietinstellingen of entiteiten als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, maar geen af te wikkelen entiteiten zijn, over voldoende eigen vermogen en in aanmerking komende schulden beschikken om te waarborgen dat, indien het instrument van interne versterking of de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden op hen zou worden toegepast, de verliezen zouden kunnen worden geabsorbeerd en dat het mogelijk is de totale kapitaalratio en, in voorkomend geval, de hefboomratio van de betrokken entiteiten weer op het niveau te brengen dat nodig is om hen in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor hen overeenkomstig deze wet of de wet van 2 augustus 2002 een vergunning is verleend, verder uit te oefenen;
3° de noodzaak om ervoor te zorgen dat, indien er in het afwikkelingsplan rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat bepaalde categorieën in aanmerking komende schulden van het instrument van interne versterking worden uitgesloten op grond van de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2, of volledig aan een ontvanger worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht, de af te wikkelen entiteit voldoende eigen vermogen en andere in aanmerking komende schulden heeft om de verliezen te absorberen en de totale kapitaalratio en, in voorkomend geval, de hefboomratio weer op het niveau te brengen dat nodig is om aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor haar overeenkomstig deze wet of de wet van 2 augustus 2002 een vergunning is verleend, verder uit te oefenen;
4° de grootte, het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de af te wikkelen entiteit;
5° de mate waarin het falen van de af te wikkelen entiteit nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit zou hebben, onder meer via besmetting van andere kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4° wegens de verwevenheid van de af te wikkelen entiteit met die andere kredietinstellingen of entiteiten of met de rest van het financiële stelsel.
§ 2. Indien het afwikkelingsplan in één van de scenario's bedoeld in artikel 227, § 1, tweede lid of 440, § 2 bepaalt dat een afwikkelingsmaatregel moet worden genomen of dat de in artikel 250 of 457 bedoelde bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden af te schrijven of om te zetten moet worden uitgeoefend, is het in artikel 267/3 bedoelde vereiste gelijk aan een bedrag dat volstaat om te verzekeren dat:
1° de verliezen die de af te wikkelen entiteit naar verwachting zal lijden, volledig worden geabsorbeerd ("verliesabsorptie");
2° de af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen die kredietinstellingen of entiteiten, als bedoeld in artikel 424, 2°, tot en met 4°, maar geen af te wikkelen entiteiten zijn, worden geherkapitaliseerd tot een niveau dat nodig is om hen in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor hen overeenkomstig deze wet, de wet van 2 augustus 2002 of een gelijkwaardige wetgevingshandeling een vergunning is verleend verder uit te oefenen voor een toereikende periode van maximaal één jaar ("herkapitalisatie").
Indien het afwikkelingsplan bepaalt dat de af te wikkelen entiteit moet worden vereffend volgens een liquidatieprocedure, onderzoekt de afwikkelingsautoriteit of het gerechtvaardigd is het in 267/3 bedoelde vereiste voor die entiteit te beperken tot het bedrag dat nodig is om verliezen te absorberen overeenkomstig punt 1°, van het eerste lid.
Bij dit onderzoek, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit de eventuele gevolgen voor de financiële stabiliteit en het risico op besmetting van het financiële stelsel.
§ 3. Voor af te wikkelen entiteiten is het in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde bedrag het volgende:
1° voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten bedoeld in artikel 267/3, tweede lid, 1°, de som van:
- een verliesabsorptiebedrag dat overeenkomt met de in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013 en artikel 149, eerste lid bedoelde vereisten van de af te wikkelen entiteit op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep; en
- een herkapitalisatiebedrag dat de uit de afwikkeling voortvloeiende af te wikkelen groep in staat stelt na de toepassing van de voorkeursafwikkelingsstrategie de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde totale kapitaalratio-vereiste en haar in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep;
gedeeld door het totaal van de risicoposten; en
2° voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf bedoeld in artikel 267/3, tweede lid, 2°, de som van:
- een verliesabsorptiebedrag dat overeenstemt met het in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste van de af te wikkelen entiteit op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep; en
- een herkapitalisatiebedrag dat de uit de afwikkeling voortvloeiende af te wikkelen groep in staat stelt na de toepassing van de voorkeursafwikkelingsstrategie de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep;
gedeeld door de totale blootstellingsmaatstaf.
Bij het vaststellen van het in het voorgaande lid, punt 2°, bedoelde vereiste op individuele basis uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de vereisten bedoeld in artikel 255, § 6, 3° en 4°, in artikel 6/1, § 2, eerste lid of § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds en in artikel 27, lid 7, a) van Verordening nr. 806/2014.
Bij het vaststellen van de in de voorgaande leden bedoelde herkapitalisatiebedragen:
1° maakt de afwikkelingsautoriteit gebruik van de meest recentelijk gerapporteerde waarden voor het betrokken totaal van de risicoposten of de totale blootstellingsmaatstaf, aangepast om rekening te houden met eventuele wijzigingen die voortvloeien uit in het afwikkelingsplan vastgestelde afwikkelingsmaatregelen; en
2° stelt de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de toezichthouder, het bedrag dat overeenkomt met het geldende in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste naar beneden of naar boven bij om het vereiste te bepalen dat na de uitvoering van de voorkeursafwikkelingsstrategie van toepassing is op de af te wikkelen entiteit.
De afwikkelingsautoriteit kan het in het eerste lid, punt 1°, tweede streepje, bedoelde vereiste verhogen met een passend bedrag dat nodig is om te waarborgen dat, na afwikkeling, de entiteit voldoende marktvertrouwen kan behouden voor een toereikende periode van ten hoogste één jaar.
Indien het voorgaande lid van deze paragraaf van toepassing is, is het in dat lid bedoelde bedrag gelijk aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer dat van toepassing moet zijn na de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten, verminderd met het bedrag van de kredietinstellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer bedoeld in artikel 16 van Bijlage IV.
Na raadpleging van de toezichthouder past de afwikkelingsautoriteit het in het vierde lid bedoelde bedrag als volgt aan:
- zij stelt het bedrag naar beneden bij wanneer zij vaststelt dat een lager bedrag volstaat om, na uitvoering van de afwikkelingsstrategie, op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot en met 10 van Verordening nr. 806/2014; of
- zij stelt het bedrag naar boven bij wanneer zij vaststelt dat een hoger bedrag noodzakelijk is om op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke economische functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot en met 10 van Verordening nr. 806/2014.
§ 4. Voor af te wikkelen entiteiten die niet onder artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 vallen en die deel uitmaken van een af te wikkelen groep waarvan de totale activa meer dan 100 miljard euro bedragen, is het niveau van het in paragraaf 3 bedoelde vereiste ten minste gelijk aan:
1° 13,5 % indien berekend volgens artikel 267/3, tweede lid, 1° ; en
2° 5 % indien berekend volgens artikel 267/3, tweede lid, 2°.
In afwijking van artikel 267/5 voldoen de in het eerste lid bedoelde af te wikkelen entiteiten aan het in dat lid bedoelde vereiste, met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of van in artikel 267/5, § 3, bedoelde schulden.
§ 5. De afwikkelingsautoriteit kan, na raadpleging van de toezichthouder, besluiten het in paragraaf 4 vastgestelde vereiste toe te passen op een af te wikkelen entiteit die niet onder artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 valt en die deel uitmaakt van een af te wikkelen groep waarvan de totale activa minder dan 100 miljard euro bedragen wanneer zij oordeelt dat diens in gebreke blijven redelijk waarschijnlijk een systeemrisico oplevert.
Bij het nemen van een in het voorgaande lid bedoeld besluit houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met:
1° het overwicht van deposito's, en het ontbreken van schuldinstrumenten, in het financieringsmodel;
2° de mate waarin de toegang tot de kapitaalmarkten voor in aanmerking komende schulden beperkt is;
3° de mate waarin de af te wikkelen entiteit een beroep moet doen op tier 1-kernkapitaal voor het voldoen aan het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste.
Het ontbreken van een besluit op grond van het eerste lid laat een besluit uit hoofde van artikel 267/5, § 5, onverlet.
§ 6. Voor entiteiten die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, is het in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde bedrag het volgende:
1° voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten bedoeld inartikel 267/3, tweede lid, 1°, de som van:
- een verliesabsorptiebedrag dat overeenstemt met de in artikel 92, lid 1, punt c) van Verordening nr. 575/2013 en artikel 149, eerste lid bedoelde vereisten van de entiteit; en
- een herkapitalisatiebedrag dat de entiteit in staat stelt na de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 457 of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereiste inzake totale kapitaalratio en haar in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste;
gedeeld door het totaal van de risicoposten; en
2° voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf bedoeld in artikel 267/3, tweede lid, 2°, de som van:
- een verliesabsorptiebedrag dat overeenstemt met het in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste van de entiteit; en
- een herkapitalisatiebedrag dat de entiteit in staat stelt na de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 457 of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste;
gedeeld door de totale blootstellingsmaatstaf.
Bij het vaststellen van het in het voorgaande lid, punt 2°, bedoelde vereiste op individuele basis uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de vereisten bedoeld in artikel 255, § 6, 3° en 4°, in artikel 6/1, § 2, eerste lid of § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds en in artikel 27, lid 7, a) van Verordening nr. 806/2014.
Bij het vaststellen van de in de voorgaande leden bedoelde herkapitalisatiebedragen:
1° maakt de afwikkelingsautoriteit gebruik van de meest recentelijk gerapporteerde waarden voor het betrokken totaal van de risicoposten of de totale blootstellingsmaatstaf, aangepast om rekening te houden met eventuele veranderingen die voortvloeien uit in het afwikkelingsplan vastgestelde maatregelen; en
2° stelt de afwikkelingsautoriteit na raadpleging van de toezichthouder, het bedrag dat overeenkomt met het huidige in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste naar beneden of naar boven bij om het vereiste te bepalen dat van toepassing is op de betrokken entiteit na uitoefening van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden af te schrijven of om te zetten overeenkomstig de artikelen 250 of 457 of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep.
De afwikkelingsautoriteit kan het in het eerste lid, punt 1°, tweede streepje van deze paragraaf bedoelde vereiste verhogen met een passend bedrag dat nodig is om te waarborgen dat de entiteit, na de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 457, voldoende marktvertrouwen kan behouden voor een toereikende periode van ten hoogste één jaar.
Wanneer de afwikkelingsautoriteit het in het eerste lid, punt 1°, tweede streepje van deze paragraaf bedoelde vereiste verhoogt in overeenstemming met het voorgaande lid van deze paragraaf, is het in dat lid bedoelde bedrag gelijk aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer dat van toepassing moet zijn na de uitoefening van de in de artikelen 250 of 457 bedoelde bevoegdheid of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, verminderd met het bedrag van de kredietinstellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer bedoeld in artikel 16 van Bijlage IV.
Na raadpleging van de toezichthouder past de afwikkelingsautoriteit het in het vierde lid bedoelde bedrag als volgt aan:
- zij stelt het bedrag naar beneden bij wanneer zij vaststelt dat een lager bedrag volstaat om, na het uitoefenen van de in de artikelen 250 of 457 bedoelde bevoegdheid of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot en met 10 van Verordening nr. 806/2014; of
- zij stelt het bedrag naar boven bij wanneer zij vaststelt dat een hoger bedrag noodzakelijk is om op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke economische functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot 10 van Verordening nr. 806/2014.
§ 7. Indien de afwikkelingsautoriteit verwacht dat bepaalde categorieën van in aanmerking komende schulden met een redelijke waarschijnlijkheid geheel of gedeeltelijk van het instrument van interne versterking zullen worden uitgesloten op grond van artikel 267/2, § 2, of mogelijk volledig aan een ontvanger worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht, wordt aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voldaan met gebruik van eigen vermogen of andere in aanmerking komende schulden die volstaan om:
1° het bedrag van die in aanmerking komende schulden te dekken;
2° te verzekeren dat aan de in paragraaf 2 bedoelde voorwaarden is voldaan.
§ 8. Een besluit van de afwikkelingsautoriteit om op grond van dit artikel een minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden op te leggen, wordt zonder onnodige vertraging geëvalueerd door de afwikkelingsautoriteit om rekening te houden met eventuele veranderingen in het niveau van het vereiste als bedoeld in artikel 149, eerste lid.
§ 9. Voor de toepassing van de paragrafen 3 en 6 van dit artikel worden de kapitaalvereisten geïnterpreteerd in overeenstemming met de toepassing door de toezichthouder van de overgangsbepalingen die zijn neergelegd in deel tien, titel I, hoofdstukken 1, 2 en 4 van Verordening nr. 575/2013 en in de reglementen van de toezichthouder waarbij de door die verordening verleende opties worden uitgeoefend.".
"Art. 267/5/1. § 1. De afwikkelingsautoriteit stelt het in artikel 267/3 bedoelde vereiste vast, na raadpleging van de toezichthouder, op basis van de volgende criteria:
1° de noodzaak om ervoor te zorgen dat de af te wikkelen groep door toepassing van de afwikkelingsinstrumenten op de af te wikkelen entiteit, indien passend met inbegrip van het instrument van interne versterking, kan worden afgewikkeld op een wijze die in overeenstemming is met de afwikkelingsdoelstellingen;
2° de noodzaak om er, waar passend, voor te zorgen dat de af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen die kredietinstellingen of entiteiten als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, maar geen af te wikkelen entiteiten zijn, over voldoende eigen vermogen en in aanmerking komende schulden beschikken om te waarborgen dat, indien het instrument van interne versterking of de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden op hen zou worden toegepast, de verliezen zouden kunnen worden geabsorbeerd en dat het mogelijk is de totale kapitaalratio en, in voorkomend geval, de hefboomratio van de betrokken entiteiten weer op het niveau te brengen dat nodig is om hen in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor hen overeenkomstig deze wet of de wet van 2 augustus 2002 een vergunning is verleend, verder uit te oefenen;
3° de noodzaak om ervoor te zorgen dat, indien er in het afwikkelingsplan rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat bepaalde categorieën in aanmerking komende schulden van het instrument van interne versterking worden uitgesloten op grond van de artikelen 242, 10° en 267/2, § 2, of volledig aan een ontvanger worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht, de af te wikkelen entiteit voldoende eigen vermogen en andere in aanmerking komende schulden heeft om de verliezen te absorberen en de totale kapitaalratio en, in voorkomend geval, de hefboomratio weer op het niveau te brengen dat nodig is om aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor haar overeenkomstig deze wet of de wet van 2 augustus 2002 een vergunning is verleend, verder uit te oefenen;
4° de grootte, het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de af te wikkelen entiteit;
5° de mate waarin het falen van de af te wikkelen entiteit nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit zou hebben, onder meer via besmetting van andere kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4° wegens de verwevenheid van de af te wikkelen entiteit met die andere kredietinstellingen of entiteiten of met de rest van het financiële stelsel.
§ 2. Indien het afwikkelingsplan in één van de scenario's bedoeld in artikel 227, § 1, tweede lid of 440, § 2 bepaalt dat een afwikkelingsmaatregel moet worden genomen of dat de in artikel 250 of 457 bedoelde bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden af te schrijven of om te zetten moet worden uitgeoefend, is het in artikel 267/3 bedoelde vereiste gelijk aan een bedrag dat volstaat om te verzekeren dat:
1° de verliezen die de af te wikkelen entiteit naar verwachting zal lijden, volledig worden geabsorbeerd ("verliesabsorptie");
2° de af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen die kredietinstellingen of entiteiten, als bedoeld in artikel 424, 2°, tot en met 4°, maar geen af te wikkelen entiteiten zijn, worden geherkapitaliseerd tot een niveau dat nodig is om hen in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten waarvoor hen overeenkomstig deze wet, de wet van 2 augustus 2002 of een gelijkwaardige wetgevingshandeling een vergunning is verleend verder uit te oefenen voor een toereikende periode van maximaal één jaar ("herkapitalisatie").
Indien het afwikkelingsplan bepaalt dat de af te wikkelen entiteit moet worden vereffend volgens een liquidatieprocedure, onderzoekt de afwikkelingsautoriteit of het gerechtvaardigd is het in 267/3 bedoelde vereiste voor die entiteit te beperken tot het bedrag dat nodig is om verliezen te absorberen overeenkomstig punt 1°, van het eerste lid.
Bij dit onderzoek, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit de eventuele gevolgen voor de financiële stabiliteit en het risico op besmetting van het financiële stelsel.
§ 3. Voor af te wikkelen entiteiten is het in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde bedrag het volgende:
1° voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten bedoeld in artikel 267/3, tweede lid, 1°, de som van:
- een verliesabsorptiebedrag dat overeenkomt met de in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013 en artikel 149, eerste lid bedoelde vereisten van de af te wikkelen entiteit op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep; en
- een herkapitalisatiebedrag dat de uit de afwikkeling voortvloeiende af te wikkelen groep in staat stelt na de toepassing van de voorkeursafwikkelingsstrategie de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde totale kapitaalratio-vereiste en haar in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep;
gedeeld door het totaal van de risicoposten; en
2° voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf bedoeld in artikel 267/3, tweede lid, 2°, de som van:
- een verliesabsorptiebedrag dat overeenstemt met het in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste van de af te wikkelen entiteit op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep; en
- een herkapitalisatiebedrag dat de uit de afwikkeling voortvloeiende af te wikkelen groep in staat stelt na de toepassing van de voorkeursafwikkelingsstrategie de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep;
gedeeld door de totale blootstellingsmaatstaf.
Bij het vaststellen van het in het voorgaande lid, punt 2°, bedoelde vereiste op individuele basis uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de vereisten bedoeld in artikel 255, § 6, 3° en 4°, in artikel 6/1, § 2, eerste lid of § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds en in artikel 27, lid 7, a) van Verordening nr. 806/2014.
Bij het vaststellen van de in de voorgaande leden bedoelde herkapitalisatiebedragen:
1° maakt de afwikkelingsautoriteit gebruik van de meest recentelijk gerapporteerde waarden voor het betrokken totaal van de risicoposten of de totale blootstellingsmaatstaf, aangepast om rekening te houden met eventuele wijzigingen die voortvloeien uit in het afwikkelingsplan vastgestelde afwikkelingsmaatregelen; en
2° stelt de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de toezichthouder, het bedrag dat overeenkomt met het geldende in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste naar beneden of naar boven bij om het vereiste te bepalen dat na de uitvoering van de voorkeursafwikkelingsstrategie van toepassing is op de af te wikkelen entiteit.
De afwikkelingsautoriteit kan het in het eerste lid, punt 1°, tweede streepje, bedoelde vereiste verhogen met een passend bedrag dat nodig is om te waarborgen dat, na afwikkeling, de entiteit voldoende marktvertrouwen kan behouden voor een toereikende periode van ten hoogste één jaar.
Indien het voorgaande lid van deze paragraaf van toepassing is, is het in dat lid bedoelde bedrag gelijk aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer dat van toepassing moet zijn na de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten, verminderd met het bedrag van de kredietinstellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer bedoeld in artikel 16 van Bijlage IV.
Na raadpleging van de toezichthouder past de afwikkelingsautoriteit het in het vierde lid bedoelde bedrag als volgt aan:
- zij stelt het bedrag naar beneden bij wanneer zij vaststelt dat een lager bedrag volstaat om, na uitvoering van de afwikkelingsstrategie, op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot en met 10 van Verordening nr. 806/2014; of
- zij stelt het bedrag naar boven bij wanneer zij vaststelt dat een hoger bedrag noodzakelijk is om op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke economische functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot en met 10 van Verordening nr. 806/2014.
§ 4. Voor af te wikkelen entiteiten die niet onder artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 vallen en die deel uitmaken van een af te wikkelen groep waarvan de totale activa meer dan 100 miljard euro bedragen, is het niveau van het in paragraaf 3 bedoelde vereiste ten minste gelijk aan:
1° 13,5 % indien berekend volgens artikel 267/3, tweede lid, 1° ; en
2° 5 % indien berekend volgens artikel 267/3, tweede lid, 2°.
In afwijking van artikel 267/5 voldoen de in het eerste lid bedoelde af te wikkelen entiteiten aan het in dat lid bedoelde vereiste, met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of van in artikel 267/5, § 3, bedoelde schulden.
§ 5. De afwikkelingsautoriteit kan, na raadpleging van de toezichthouder, besluiten het in paragraaf 4 vastgestelde vereiste toe te passen op een af te wikkelen entiteit die niet onder artikel 92bis van Verordening nr. 575/2013 valt en die deel uitmaakt van een af te wikkelen groep waarvan de totale activa minder dan 100 miljard euro bedragen wanneer zij oordeelt dat diens in gebreke blijven redelijk waarschijnlijk een systeemrisico oplevert.
Bij het nemen van een in het voorgaande lid bedoeld besluit houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met:
1° het overwicht van deposito's, en het ontbreken van schuldinstrumenten, in het financieringsmodel;
2° de mate waarin de toegang tot de kapitaalmarkten voor in aanmerking komende schulden beperkt is;
3° de mate waarin de af te wikkelen entiteit een beroep moet doen op tier 1-kernkapitaal voor het voldoen aan het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste.
Het ontbreken van een besluit op grond van het eerste lid laat een besluit uit hoofde van artikel 267/5, § 5, onverlet.
§ 6. Voor entiteiten die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, is het in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde bedrag het volgende:
1° voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten bedoeld inartikel 267/3, tweede lid, 1°, de som van:
- een verliesabsorptiebedrag dat overeenstemt met de in artikel 92, lid 1, punt c) van Verordening nr. 575/2013 en artikel 149, eerste lid bedoelde vereisten van de entiteit; en
- een herkapitalisatiebedrag dat de entiteit in staat stelt na de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 457 of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereiste inzake totale kapitaalratio en haar in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste;
gedeeld door het totaal van de risicoposten; en
2° voor de berekening van het vereiste uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf bedoeld in artikel 267/3, tweede lid, 2°, de som van:
- een verliesabsorptiebedrag dat overeenstemt met het in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste van de entiteit; en
- een herkapitalisatiebedrag dat de entiteit in staat stelt na de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 457 of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste;
gedeeld door de totale blootstellingsmaatstaf.
Bij het vaststellen van het in het voorgaande lid, punt 2°, bedoelde vereiste op individuele basis uitgedrukt als percentage van de totale risicoblootstellingsmaatstaf, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de vereisten bedoeld in artikel 255, § 6, 3° en 4°, in artikel 6/1, § 2, eerste lid of § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds en in artikel 27, lid 7, a) van Verordening nr. 806/2014.
Bij het vaststellen van de in de voorgaande leden bedoelde herkapitalisatiebedragen:
1° maakt de afwikkelingsautoriteit gebruik van de meest recentelijk gerapporteerde waarden voor het betrokken totaal van de risicoposten of de totale blootstellingsmaatstaf, aangepast om rekening te houden met eventuele veranderingen die voortvloeien uit in het afwikkelingsplan vastgestelde maatregelen; en
2° stelt de afwikkelingsautoriteit na raadpleging van de toezichthouder, het bedrag dat overeenkomt met het huidige in artikel 149, eerste lid bedoelde vereiste naar beneden of naar boven bij om het vereiste te bepalen dat van toepassing is op de betrokken entiteit na uitoefening van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden af te schrijven of om te zetten overeenkomstig de artikelen 250 of 457 of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep.
De afwikkelingsautoriteit kan het in het eerste lid, punt 1°, tweede streepje van deze paragraaf bedoelde vereiste verhogen met een passend bedrag dat nodig is om te waarborgen dat de entiteit, na de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden overeenkomstig de artikelen 250 of 457, voldoende marktvertrouwen kan behouden voor een toereikende periode van ten hoogste één jaar.
Wanneer de afwikkelingsautoriteit het in het eerste lid, punt 1°, tweede streepje van deze paragraaf bedoelde vereiste verhoogt in overeenstemming met het voorgaande lid van deze paragraaf, is het in dat lid bedoelde bedrag gelijk aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer dat van toepassing moet zijn na de uitoefening van de in de artikelen 250 of 457 bedoelde bevoegdheid of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, verminderd met het bedrag van de kredietinstellingsspecifieke contracyclische tier 1-kernkapitaalbuffer bedoeld in artikel 16 van Bijlage IV.
Na raadpleging van de toezichthouder past de afwikkelingsautoriteit het in het vierde lid bedoelde bedrag als volgt aan:
- zij stelt het bedrag naar beneden bij wanneer zij vaststelt dat een lager bedrag volstaat om, na het uitoefenen van de in de artikelen 250 of 457 bedoelde bevoegdheid of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot en met 10 van Verordening nr. 806/2014; of
- zij stelt het bedrag naar boven bij wanneer zij vaststelt dat een hoger bedrag noodzakelijk is om op geloofwaardige wijze voor een periode van ten hoogste één jaar het marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, zowel kritieke economische functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere uitzonderlijke overheidssteun dan bijdragen uit hoofde van afwikkelingsfinancieringsregelingen, overeenkomstig artikel 6/1, § 1, derde en vierde lid, § 2, eerste lid en § 3 van de wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds of artikel 27, leden 6 tot 10 van Verordening nr. 806/2014.
§ 7. Indien de afwikkelingsautoriteit verwacht dat bepaalde categorieën van in aanmerking komende schulden met een redelijke waarschijnlijkheid geheel of gedeeltelijk van het instrument van interne versterking zullen worden uitgesloten op grond van artikel 267/2, § 2, of mogelijk volledig aan een ontvanger worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht, wordt aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voldaan met gebruik van eigen vermogen of andere in aanmerking komende schulden die volstaan om:
1° het bedrag van die in aanmerking komende schulden te dekken;
2° te verzekeren dat aan de in paragraaf 2 bedoelde voorwaarden is voldaan.
§ 8. Een besluit van de afwikkelingsautoriteit om op grond van dit artikel een minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden op te leggen, wordt zonder onnodige vertraging geëvalueerd door de afwikkelingsautoriteit om rekening te houden met eventuele veranderingen in het niveau van het vereiste als bedoeld in artikel 149, eerste lid.
§ 9. Voor de toepassing van de paragrafen 3 en 6 van dit artikel worden de kapitaalvereisten geïnterpreteerd in overeenstemming met de toepassing door de toezichthouder van de overgangsbepalingen die zijn neergelegd in deel tien, titel I, hoofdstukken 1, 2 en 4 van Verordening nr. 575/2013 en in de reglementen van de toezichthouder waarbij de door die verordening verleende opties worden uitgeoefend.".
Art. 188. Dans la même loi, il est inséré un article 267/5/1 rédigé comme suit :
"Art. 267/5/1. § 1er. L'autorité de résolution détermine l'exigence visée à l'article 267/3, après consultation de l'autorité de contrôle, sur la base des critères suivants :
1° la nécessité de faire en sorte que l'application des instruments de résolution à l'entité de résolution, dont, le cas échéant, l'instrument de renflouement interne, permette la résolution du groupe de résolution d'une manière qui réponde aux objectifs de la résolution ;
2° la nécessité de faire en sorte, le cas échéant, que l'entité de résolution et ses filiales qui sont des établissements ou des entités visées à l'article 424, 2° à 4°, mais ne sont pas des entités de résolution, disposent de fonds propres et de dettes éligibles suffisantes pour garantir que, si l'instrument de renflouement interne ou les pouvoirs de dépréciation et de conversion devaient leur être appliqués, les pertes puissent être absorbées et que le ratio de fonds propres total et, le cas échéant, le ratio de levier des entités concernées peuvent être ramenés au niveau nécessaire pour leur permettre de continuer à remplir les conditions d'agrément et à exercer les activités pour lesquelles elles ont été agréées en vertu de la présente loi ou de la loi du 2 août 2002 ;
3° la nécessité de faire en sorte que, si le plan de résolution prévoit la possibilité pour certaines catégories de dettes éligibles d'être exclues du renflouement interne en vertu des articles 242, 10° et 267/2, § 2, ou d'être intégralement transférées à une entité réceptrice dans le cadre d'un transfert partiel, l'entité de résolution dispose d'un montant suffisant de fonds propres et d'autres dettes éligibles pour absorber les pertes et ramener son ratio de fonds propres total et, le cas échéant, son ratio de levier au niveau nécessaire pour lui permettre de continuer à remplir les conditions d'agrément et à exercer les activités pour lesquelles elle a été agréée en vertu de la présente loi ou de la loi du 2 août 2002 ;
4° la taille, le modèle d'entreprise, le modèle de financement et le profil de risque de l'entité de résolution ;
5° la mesure dans laquelle la défaillance de l'entité de résolution aurait un effet négatif sur la stabilité financière, notamment par un effet de contagion à d'autres établissements de crédit ou entités visées à l'article 424, 2° à 4°, en raison de l'interconnexion de l'entité de résolution avec ces autres établissements de crédit ou entités ou avec le reste du système financier.
§ 2. Lorsque, dans l'un des scénarios visés à l'article 227, § 1er, alinéa 2 ou à l'article 440, § 2, le plan de résolution prévoit qu'une mesure de résolution doit être prise ou que le pouvoir de dépréciation et de conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles visé aux articles 250 ou 457 doit être exercé, l'exigence visée à l'article 267/3 correspond à un montant suffisant pour garantir que :
1° les pertes que l'entité de résolution devrait subir sont entièrement absorbées ("absorption des pertes") ;
2° l'entité de résolution et ses filiales qui sont des établissements de crédit ou des entités visées à l'article 424, 2° à 4°, mais ne sont pas des entités de résolution sont recapitalisées jusqu'au niveau nécessaire pour leur permettre de continuer à remplir les conditions d'agrément et à exercer les activités pour lesquelles elles ont été agréées en vertu de la présente loi, de la loi du 2 août 2002 ou d'un acte législatif équivalent pour une durée appropriée qui n'excède pas un an ("recapitalisation").
Lorsque le plan de résolution prévoit que l'entité de résolution doit être liquidée selon une procédure de liquidation, l'autorité de résolution examine s'il est justifié de limiter l'exigence visée à l'article 267/3 pour cette entité au montant nécessaire pour absorber les pertes conformément à l'alinéa 1er, point 1°.
Lors de cet examen, l'autorité de résolution apprécie l'incidence éventuelle de sur la stabilité financière et sur le risque de contagion au sein du système financier.
§ 3. Pour les entités de résolution, le montant visé au paragraphe 2, alinéa 1er, correspond aux montants suivants :
1° aux fins du calcul de l'exigence exprimée en pourcentage du montant total d'exposition au risque visé à l'article 267/3, alinéa 2, 1°, la somme :
- d'un montant d'absorption des pertes correspondant aux exigences visées à l'article 92, paragraphe 1er, point c), du Règlement n° 575/2013 et à l'article 149, alinéa 1er concernant l'entité de résolution au niveau consolidé du groupe de résolution ; et
- d'un montant de recapitalisation permettant au groupe de résolution résultant de la résolution de rétablir la conformité avec son exigence de ratio de fonds propres total visée à l'article 92, paragraphe 1er, point c), du Règlement n° 575/2013 et son exigence visée à l'article 149, alinéa 1er au niveau consolidé du groupe de résolution après la mise en oeuvre de la stratégie de résolution privilégiée ; et
divisé par le montant total d'exposition au risque ; et
2° aux fins du calcul de l'exigence exprimée en pourcentage de la mesure de l'exposition totale visé à l'article 267/3, alinéa 2, 2°, la somme :
- d'un montant d'absorption des pertes correspondant à l'exigence de ratio de levier de l'entité de résolution visée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlement n° 575/2013 au niveau consolidé du groupe de résolution ; et
- d'un montant de recapitalisation permettant au groupe de résolution résultant de la résolution de rétablir la conformité avec l'exigence de ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlement n° 575/2013 au niveau consolidé du groupe de résolution après la mise en oeuvre de la stratégie de résolution privilégiée ;
divisé par la mesure de l'exposition totale.
Lorsqu'elle fixe l'exigence individuelle exprimée en pourcentage de la mesure de l'exposition totale prévue à l'alinéa précédent point 2°, l'autorité de résolution tient compte des exigences visées à l'article 255, § 6, 3° et 4°, à l'article 6/1, § 2, alinéa 1er ou § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution et à l'article 27, paragraphe 7, a) du Règlement n° 806/2014.
Lorsqu'elle fixe les montants de recapitalisation visés aux alinéas précédents, l'autorité de résolution :
1° utilise les valeurs les plus récentes déclarées pour le montant total d'exposition au risque ou la mesure de l'exposition totale, ajustés en fonction de toute modification résultant des mesures de résolution fixées dans le plan de résolution ; et
2° après consultation de l'autorité de contrôle, ajuste le montant correspondant à l'exigence en vigueur visée à l'article 149, alinéa 1er à la baisse ou à la hausse afin de déterminer l'exigence qui doit s'appliquer à l'entité de résolution après la mise en oeuvre de la stratégie de résolution privilégiée.
L'autorité de résolution peut renforcer l'exigence prévue à l'alinéa 1er, point 1°, deuxième tiret, au moyen d'un montant approprié nécessaire pour garantir, à la suite d'une résolution, un niveau de confiance suffisant de la part des marchés à l'égard de l'entité pendant une durée appropriée qui n'excède pas un an.
Lorsque l'alinéa précédent du présent paragraphe s'applique, le montant visé à cet alinéa est fixé à un niveau égal au montant de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 qui doit s'appliquer après l'application des instruments de résolution, diminué du montant du coussin de fonds propres de base de catégorie 1 contracyclique spécifique à l'établissement de crédit visé à l'article 16 de l'Annexe IV.
L'autorité de résolution, après consultation de l'autorité de contrôle, ajuste le montant visé à l'alinéa 4 :
- à la baisse lorsqu'elle constate qu'un montant inférieur est suffisant pour maintenir de manière crédible la confiance des marchés pendant une période qui n'excède pas un an après la mise en oeuvre de la stratégie de résolution, pour assurer la continuité des fonctions critiques exercées par l'établissement ou l'entité visée à l'article 424, 2° à 4°, et pour garantir son accès au financement en l'absence d'un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics autre que les contributions des dispositifs de financement pour la résolution conformément à l'article 6/1, § 1er, alinéas 3 et 4, § 2, alinéa 1er et § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution ou à l'article 27, paragraphes 6 à 10 du Règlement n° 806/2014 ; ou
- à la hausse lorsqu'elle constate qu'un montant supérieur est nécessaire pour maintenir de manière crédible une confiance suffisante des marchés pendant une période qui n'excède pas un an, pour assurer la continuité des fonctions critiques de l'établissement de crédit ou de l'entité visée à l'article 424, 2° à 4°, et pour garantir son accès au financement sans recours à un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics autre que les contributions des dispositifs de financement pour la résolution conformément à l'article 6/1, § 1er, alinéas 3 et 4, § 2, alinéa 1er et § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution ou à l'article 27, paragraphes 6 à 10 du Règlement n° 806/2014.
§ 4. Pour les entités de résolution qui ne relèvent pas de l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et qui font partie d'un groupe de résolution dont la valeur totale des actifs dépasse 100 milliards d'euros, le niveau de l'exigence visée au paragraphe 3 est au moins égal à :
1° 13,5 % lorsqu'il est calculé conformément à l'article 267/3, alinéa 2, 1° ; et
2° 5 % lorsqu'il est calculé conformément à l'article 267/3, alinéa 2, 2°.
Par dérogation à l'article 267/5, les entités de résolution visées à l'alinéa 1er respectent le niveau de l'exigence visée à l'alinéa 1er, au moyen de fonds propres, de dettes éligibles subordonnées, ou de dettes visées à l'article 267/5, § 3.
§ 5. L'autorité de résolution peut, après consultation de l'autorité de contrôle, décider d'appliquer les exigences prévues au paragraphe 4 à une entité de résolution qui ne relève pas de l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et qui fait partie d'un groupe de résolution dont la valeur totale des actifs est inférieure à 100 milliards d'euros lorsqu'elle estime que sa défaillance peut raisonnablement présenter un risque systémique.
Lorsqu'elle prend une décision en application de l'alinéa précédent, l'autorité de résolution tient compte :
1° de la prévalence des dépôts et de l'absence d'instruments de dette dans le modèle de financement ;
2° de la mesure dans laquelle l'accès aux marchés des capitaux pour les dettes éligibles est limité ;
3° de la mesure dans laquelle l'entité de résolution s'appuie sur les fonds propres de base de catégorie 1 pour respecter l'exigence visée à l'article 267/5/3.
L'absence de décision en application de l'alinéa 1er est sans préjudice de toute décision prise en vertu de l'article 267/5, § 5.
§ 6. Pour les entités qui ne sont pas elles-mêmes des entités de résolution, le montant visé au paragraphe 2, alinéa 1er, correspond aux montants suivants :
1° aux fins du calcul de l'exigence exprimée en pourcentage du montant total d'exposition au risque visée à l'article 267/3, alinéa 2, 1°, la somme :
- d'un montant d'absorption des pertes correspondant aux exigences visées à l'article 92, paragraphe 1er, point c), du Règlement n° 575/2013 et à l'article 149, alinéa 1er concernant l'entité ; et
- d'un montant de recapitalisation permettant à l'entité de rétablir la conformité avec l'exigence de ratio de fonds propres total visée à l'article 92, paragraphe 1er, point c), du Règlement n° 575/2013 et l'exigence visée à l'article 149, alinéa 1er après l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles conformément aux articles 250 ou 457 ou après la résolution du groupe de résolution ;
divisé par le montant total d'exposition au risque ; et
2° aux fins du calcul de l'exigence exprimée en pourcentage de la mesure de l'exposition totale visée à l'article 267/3, alinéa 2, 2°, la somme :
- d'un montant d'absorption des pertes correspondant à l'exigence de ratio de levier de l'entité visée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlement n° 575/2013 ; et
- d'un montant de recapitalisation permettant à l'entité de rétablir la conformité avec l'exigence de ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlement n° 575/2013 après l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles conformément aux articles 250 ou 457 ou après la résolution du groupe de résolution ;
divisé par la mesure de l'exposition totale.
Lorsqu'elle fixe l'exigence individuelle exprimée en pourcentage de la mesure de l'exposition totale prévue à l'alinéa précédent point 2°, l'autorité de résolution tient compte des exigences visées à l'article 255, § 6, 3° et 4°, à l'article 6/1, § 2, alinéa 1er ou § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution et à l'article 27, paragraphe 7, a) du Règlement n° 806/2014.
Lorsqu'elle fixe les montants de recapitalisation visés aux alinéas précédents, l'autorité de résolution :
1° utilise les valeurs les plus récentes déclarées pour le montant total d'exposition au risque pertinent ou la mesure de l'exposition totale pertinente, ajustés en fonction de toute modification résultant des mesures visées dans le plan de résolution ; et
2° après consultation de l'autorité de contrôle, ajuste le montant correspondant à l'exigence en vigueur visée à l'article 149, alinéa 1er à la baisse ou à la hausse afin de déterminer l'exigence qui doit s'appliquer à l'entité concernée après l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents et de dettes éligibles conformément aux articles 250 ou 457 ou après la résolution du groupe de résolution.
L'autorité de résolution a la possibilité de renforcer l'exigence prévue à l'alinéa 1er, point 1°, deuxième tiret du présent paragraphe, au moyen d'un montant approprié nécessaire pour garantir que, après l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles conformément aux articles 250 ou 457, l'entité est apte à maintenir une confiance suffisante des marchés à son égard pendant une durée appropriée qui n'excède pas un an.
Lorsque l'autorité de résolution renforce l'exigence prévue à l'alinéa 1er, point 1°, deuxième tiret du présent paragraphe conformément à l'alinéa précédent du présent paragraphe, le montant visé à cet alinéa est fixé à un niveau égal au montant de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 qui doit s'appliquer après l'exercice du pouvoir visé aux articles 250 ou 457 ou après la résolution du groupe de résolution, diminué du montant du coussin de fonds propres de base de catégorie 1 contracyclique spécifique à un établissement de crédit visé à l'article 16 de l'Annexe IV.
L'autorité de résolution, après consultation de l'autorité de contrôle, ajuste le montant visé à l'alinéa 4 :
- à la baisse lorsqu'elle constate qu'un montant inférieur est suffisant, après l'exercice du pouvoir visé aux articles 250 ou 457 ou après la résolution du groupe de résolution, pour maintenir de manière crédible la confiance des marchés pendant une période qui n'excède pas un an après la mise en oeuvre de la stratégie de résolution, pour assurer la continuité des fonctions critiques exercées par l'établissement de crédit ou l'entité visée à l'article 424, 2° à 4°, et pour garantir son accès au financement en l'absence d'un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics autre que les contributions des dispositifs de financement pour la résolution conformément à l'article 6/1, § 1er, alinéas 3 et 4, § 2, alinéa 1er et § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution ou à l'article 27, paragraphes 6 à 10 du Règlement n° 806/2014 ; ou
- à la hausse lorsqu'elle constate qu'un montant supérieur est nécessaire pour maintenir de manière crédible une confiance suffisante des marchés pendant une période qui n'excède pas un an, pour assurer la continuité des fonctions critiques de l'établissement de crédit ou de l'entité visée à l'article 424, 2° à 4°, et pour garantir son accès au financement sans recours à un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics autre que les contributions des dispositifs de financement pour la résolution conformément à l'article 6/1, § 1er, alinéas 3 et 4, § 2, alinéa 1er et § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution ou à l'article 27, paragraphes 6 à 10 du Règlement n° 806/2014.
§ 7. Lorsque l'autorité de résolution prévoit que certaines catégories de dettes éligibles sont raisonnablement susceptibles d'être exclues totalement ou partiellement du renflouement interne en vertu de l'article 267/2, § 2, ou qu'elles pourraient être intégralement transférées à une entité réceptrice dans le cadre d'un transfert partiel, l'exigence visée à l'article 267/3, est respectée au moyen de fonds propres ou d'autres dettes éligibles qui sont suffisants pour :
1° couvrir le montant de telles dettes éligibles ;
2° garantir le respect des conditions énoncées au paragraphe 2.
§ 8. Toute décision de l'autorité de résolution visant à imposer une exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles en vertu du présent article est réexaminée par l'autorité de résolution sans retard injustifié afin de tenir compte de toute modification du niveau de l'exigence visée à l'article 149, alinéa 1er.
§ 9. Aux fins des paragraphes 3 et 6 du présent article, les exigences de fonds propres sont interprétées conformément à l'application par l'autorité de contrôle des dispositions transitoires prévues à la dixième partie, titre I, chapitres 1, 2 et 4, du Règlement n° 575/2013 et dans les règlements de l'autorité de contrôle adoptés en vertu dudit Règlement.".
"Art. 267/5/1. § 1er. L'autorité de résolution détermine l'exigence visée à l'article 267/3, après consultation de l'autorité de contrôle, sur la base des critères suivants :
1° la nécessité de faire en sorte que l'application des instruments de résolution à l'entité de résolution, dont, le cas échéant, l'instrument de renflouement interne, permette la résolution du groupe de résolution d'une manière qui réponde aux objectifs de la résolution ;
2° la nécessité de faire en sorte, le cas échéant, que l'entité de résolution et ses filiales qui sont des établissements ou des entités visées à l'article 424, 2° à 4°, mais ne sont pas des entités de résolution, disposent de fonds propres et de dettes éligibles suffisantes pour garantir que, si l'instrument de renflouement interne ou les pouvoirs de dépréciation et de conversion devaient leur être appliqués, les pertes puissent être absorbées et que le ratio de fonds propres total et, le cas échéant, le ratio de levier des entités concernées peuvent être ramenés au niveau nécessaire pour leur permettre de continuer à remplir les conditions d'agrément et à exercer les activités pour lesquelles elles ont été agréées en vertu de la présente loi ou de la loi du 2 août 2002 ;
3° la nécessité de faire en sorte que, si le plan de résolution prévoit la possibilité pour certaines catégories de dettes éligibles d'être exclues du renflouement interne en vertu des articles 242, 10° et 267/2, § 2, ou d'être intégralement transférées à une entité réceptrice dans le cadre d'un transfert partiel, l'entité de résolution dispose d'un montant suffisant de fonds propres et d'autres dettes éligibles pour absorber les pertes et ramener son ratio de fonds propres total et, le cas échéant, son ratio de levier au niveau nécessaire pour lui permettre de continuer à remplir les conditions d'agrément et à exercer les activités pour lesquelles elle a été agréée en vertu de la présente loi ou de la loi du 2 août 2002 ;
4° la taille, le modèle d'entreprise, le modèle de financement et le profil de risque de l'entité de résolution ;
5° la mesure dans laquelle la défaillance de l'entité de résolution aurait un effet négatif sur la stabilité financière, notamment par un effet de contagion à d'autres établissements de crédit ou entités visées à l'article 424, 2° à 4°, en raison de l'interconnexion de l'entité de résolution avec ces autres établissements de crédit ou entités ou avec le reste du système financier.
§ 2. Lorsque, dans l'un des scénarios visés à l'article 227, § 1er, alinéa 2 ou à l'article 440, § 2, le plan de résolution prévoit qu'une mesure de résolution doit être prise ou que le pouvoir de dépréciation et de conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles visé aux articles 250 ou 457 doit être exercé, l'exigence visée à l'article 267/3 correspond à un montant suffisant pour garantir que :
1° les pertes que l'entité de résolution devrait subir sont entièrement absorbées ("absorption des pertes") ;
2° l'entité de résolution et ses filiales qui sont des établissements de crédit ou des entités visées à l'article 424, 2° à 4°, mais ne sont pas des entités de résolution sont recapitalisées jusqu'au niveau nécessaire pour leur permettre de continuer à remplir les conditions d'agrément et à exercer les activités pour lesquelles elles ont été agréées en vertu de la présente loi, de la loi du 2 août 2002 ou d'un acte législatif équivalent pour une durée appropriée qui n'excède pas un an ("recapitalisation").
Lorsque le plan de résolution prévoit que l'entité de résolution doit être liquidée selon une procédure de liquidation, l'autorité de résolution examine s'il est justifié de limiter l'exigence visée à l'article 267/3 pour cette entité au montant nécessaire pour absorber les pertes conformément à l'alinéa 1er, point 1°.
Lors de cet examen, l'autorité de résolution apprécie l'incidence éventuelle de sur la stabilité financière et sur le risque de contagion au sein du système financier.
§ 3. Pour les entités de résolution, le montant visé au paragraphe 2, alinéa 1er, correspond aux montants suivants :
1° aux fins du calcul de l'exigence exprimée en pourcentage du montant total d'exposition au risque visé à l'article 267/3, alinéa 2, 1°, la somme :
- d'un montant d'absorption des pertes correspondant aux exigences visées à l'article 92, paragraphe 1er, point c), du Règlement n° 575/2013 et à l'article 149, alinéa 1er concernant l'entité de résolution au niveau consolidé du groupe de résolution ; et
- d'un montant de recapitalisation permettant au groupe de résolution résultant de la résolution de rétablir la conformité avec son exigence de ratio de fonds propres total visée à l'article 92, paragraphe 1er, point c), du Règlement n° 575/2013 et son exigence visée à l'article 149, alinéa 1er au niveau consolidé du groupe de résolution après la mise en oeuvre de la stratégie de résolution privilégiée ; et
divisé par le montant total d'exposition au risque ; et
2° aux fins du calcul de l'exigence exprimée en pourcentage de la mesure de l'exposition totale visé à l'article 267/3, alinéa 2, 2°, la somme :
- d'un montant d'absorption des pertes correspondant à l'exigence de ratio de levier de l'entité de résolution visée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlement n° 575/2013 au niveau consolidé du groupe de résolution ; et
- d'un montant de recapitalisation permettant au groupe de résolution résultant de la résolution de rétablir la conformité avec l'exigence de ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlement n° 575/2013 au niveau consolidé du groupe de résolution après la mise en oeuvre de la stratégie de résolution privilégiée ;
divisé par la mesure de l'exposition totale.
Lorsqu'elle fixe l'exigence individuelle exprimée en pourcentage de la mesure de l'exposition totale prévue à l'alinéa précédent point 2°, l'autorité de résolution tient compte des exigences visées à l'article 255, § 6, 3° et 4°, à l'article 6/1, § 2, alinéa 1er ou § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution et à l'article 27, paragraphe 7, a) du Règlement n° 806/2014.
Lorsqu'elle fixe les montants de recapitalisation visés aux alinéas précédents, l'autorité de résolution :
1° utilise les valeurs les plus récentes déclarées pour le montant total d'exposition au risque ou la mesure de l'exposition totale, ajustés en fonction de toute modification résultant des mesures de résolution fixées dans le plan de résolution ; et
2° après consultation de l'autorité de contrôle, ajuste le montant correspondant à l'exigence en vigueur visée à l'article 149, alinéa 1er à la baisse ou à la hausse afin de déterminer l'exigence qui doit s'appliquer à l'entité de résolution après la mise en oeuvre de la stratégie de résolution privilégiée.
L'autorité de résolution peut renforcer l'exigence prévue à l'alinéa 1er, point 1°, deuxième tiret, au moyen d'un montant approprié nécessaire pour garantir, à la suite d'une résolution, un niveau de confiance suffisant de la part des marchés à l'égard de l'entité pendant une durée appropriée qui n'excède pas un an.
Lorsque l'alinéa précédent du présent paragraphe s'applique, le montant visé à cet alinéa est fixé à un niveau égal au montant de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 qui doit s'appliquer après l'application des instruments de résolution, diminué du montant du coussin de fonds propres de base de catégorie 1 contracyclique spécifique à l'établissement de crédit visé à l'article 16 de l'Annexe IV.
L'autorité de résolution, après consultation de l'autorité de contrôle, ajuste le montant visé à l'alinéa 4 :
- à la baisse lorsqu'elle constate qu'un montant inférieur est suffisant pour maintenir de manière crédible la confiance des marchés pendant une période qui n'excède pas un an après la mise en oeuvre de la stratégie de résolution, pour assurer la continuité des fonctions critiques exercées par l'établissement ou l'entité visée à l'article 424, 2° à 4°, et pour garantir son accès au financement en l'absence d'un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics autre que les contributions des dispositifs de financement pour la résolution conformément à l'article 6/1, § 1er, alinéas 3 et 4, § 2, alinéa 1er et § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution ou à l'article 27, paragraphes 6 à 10 du Règlement n° 806/2014 ; ou
- à la hausse lorsqu'elle constate qu'un montant supérieur est nécessaire pour maintenir de manière crédible une confiance suffisante des marchés pendant une période qui n'excède pas un an, pour assurer la continuité des fonctions critiques de l'établissement de crédit ou de l'entité visée à l'article 424, 2° à 4°, et pour garantir son accès au financement sans recours à un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics autre que les contributions des dispositifs de financement pour la résolution conformément à l'article 6/1, § 1er, alinéas 3 et 4, § 2, alinéa 1er et § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution ou à l'article 27, paragraphes 6 à 10 du Règlement n° 806/2014.
§ 4. Pour les entités de résolution qui ne relèvent pas de l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et qui font partie d'un groupe de résolution dont la valeur totale des actifs dépasse 100 milliards d'euros, le niveau de l'exigence visée au paragraphe 3 est au moins égal à :
1° 13,5 % lorsqu'il est calculé conformément à l'article 267/3, alinéa 2, 1° ; et
2° 5 % lorsqu'il est calculé conformément à l'article 267/3, alinéa 2, 2°.
Par dérogation à l'article 267/5, les entités de résolution visées à l'alinéa 1er respectent le niveau de l'exigence visée à l'alinéa 1er, au moyen de fonds propres, de dettes éligibles subordonnées, ou de dettes visées à l'article 267/5, § 3.
§ 5. L'autorité de résolution peut, après consultation de l'autorité de contrôle, décider d'appliquer les exigences prévues au paragraphe 4 à une entité de résolution qui ne relève pas de l'article 92bis du Règlement n° 575/2013 et qui fait partie d'un groupe de résolution dont la valeur totale des actifs est inférieure à 100 milliards d'euros lorsqu'elle estime que sa défaillance peut raisonnablement présenter un risque systémique.
Lorsqu'elle prend une décision en application de l'alinéa précédent, l'autorité de résolution tient compte :
1° de la prévalence des dépôts et de l'absence d'instruments de dette dans le modèle de financement ;
2° de la mesure dans laquelle l'accès aux marchés des capitaux pour les dettes éligibles est limité ;
3° de la mesure dans laquelle l'entité de résolution s'appuie sur les fonds propres de base de catégorie 1 pour respecter l'exigence visée à l'article 267/5/3.
L'absence de décision en application de l'alinéa 1er est sans préjudice de toute décision prise en vertu de l'article 267/5, § 5.
§ 6. Pour les entités qui ne sont pas elles-mêmes des entités de résolution, le montant visé au paragraphe 2, alinéa 1er, correspond aux montants suivants :
1° aux fins du calcul de l'exigence exprimée en pourcentage du montant total d'exposition au risque visée à l'article 267/3, alinéa 2, 1°, la somme :
- d'un montant d'absorption des pertes correspondant aux exigences visées à l'article 92, paragraphe 1er, point c), du Règlement n° 575/2013 et à l'article 149, alinéa 1er concernant l'entité ; et
- d'un montant de recapitalisation permettant à l'entité de rétablir la conformité avec l'exigence de ratio de fonds propres total visée à l'article 92, paragraphe 1er, point c), du Règlement n° 575/2013 et l'exigence visée à l'article 149, alinéa 1er après l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles conformément aux articles 250 ou 457 ou après la résolution du groupe de résolution ;
divisé par le montant total d'exposition au risque ; et
2° aux fins du calcul de l'exigence exprimée en pourcentage de la mesure de l'exposition totale visée à l'article 267/3, alinéa 2, 2°, la somme :
- d'un montant d'absorption des pertes correspondant à l'exigence de ratio de levier de l'entité visée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlement n° 575/2013 ; et
- d'un montant de recapitalisation permettant à l'entité de rétablir la conformité avec l'exigence de ratio de levier visée à l'article 92, paragraphe 1er, point d), du Règlement n° 575/2013 après l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles conformément aux articles 250 ou 457 ou après la résolution du groupe de résolution ;
divisé par la mesure de l'exposition totale.
Lorsqu'elle fixe l'exigence individuelle exprimée en pourcentage de la mesure de l'exposition totale prévue à l'alinéa précédent point 2°, l'autorité de résolution tient compte des exigences visées à l'article 255, § 6, 3° et 4°, à l'article 6/1, § 2, alinéa 1er ou § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution et à l'article 27, paragraphe 7, a) du Règlement n° 806/2014.
Lorsqu'elle fixe les montants de recapitalisation visés aux alinéas précédents, l'autorité de résolution :
1° utilise les valeurs les plus récentes déclarées pour le montant total d'exposition au risque pertinent ou la mesure de l'exposition totale pertinente, ajustés en fonction de toute modification résultant des mesures visées dans le plan de résolution ; et
2° après consultation de l'autorité de contrôle, ajuste le montant correspondant à l'exigence en vigueur visée à l'article 149, alinéa 1er à la baisse ou à la hausse afin de déterminer l'exigence qui doit s'appliquer à l'entité concernée après l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents et de dettes éligibles conformément aux articles 250 ou 457 ou après la résolution du groupe de résolution.
L'autorité de résolution a la possibilité de renforcer l'exigence prévue à l'alinéa 1er, point 1°, deuxième tiret du présent paragraphe, au moyen d'un montant approprié nécessaire pour garantir que, après l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles conformément aux articles 250 ou 457, l'entité est apte à maintenir une confiance suffisante des marchés à son égard pendant une durée appropriée qui n'excède pas un an.
Lorsque l'autorité de résolution renforce l'exigence prévue à l'alinéa 1er, point 1°, deuxième tiret du présent paragraphe conformément à l'alinéa précédent du présent paragraphe, le montant visé à cet alinéa est fixé à un niveau égal au montant de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 qui doit s'appliquer après l'exercice du pouvoir visé aux articles 250 ou 457 ou après la résolution du groupe de résolution, diminué du montant du coussin de fonds propres de base de catégorie 1 contracyclique spécifique à un établissement de crédit visé à l'article 16 de l'Annexe IV.
L'autorité de résolution, après consultation de l'autorité de contrôle, ajuste le montant visé à l'alinéa 4 :
- à la baisse lorsqu'elle constate qu'un montant inférieur est suffisant, après l'exercice du pouvoir visé aux articles 250 ou 457 ou après la résolution du groupe de résolution, pour maintenir de manière crédible la confiance des marchés pendant une période qui n'excède pas un an après la mise en oeuvre de la stratégie de résolution, pour assurer la continuité des fonctions critiques exercées par l'établissement de crédit ou l'entité visée à l'article 424, 2° à 4°, et pour garantir son accès au financement en l'absence d'un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics autre que les contributions des dispositifs de financement pour la résolution conformément à l'article 6/1, § 1er, alinéas 3 et 4, § 2, alinéa 1er et § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution ou à l'article 27, paragraphes 6 à 10 du Règlement n° 806/2014 ; ou
- à la hausse lorsqu'elle constate qu'un montant supérieur est nécessaire pour maintenir de manière crédible une confiance suffisante des marchés pendant une période qui n'excède pas un an, pour assurer la continuité des fonctions critiques de l'établissement de crédit ou de l'entité visée à l'article 424, 2° à 4°, et pour garantir son accès au financement sans recours à un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics autre que les contributions des dispositifs de financement pour la résolution conformément à l'article 6/1, § 1er, alinéas 3 et 4, § 2, alinéa 1er et § 3 de la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution ou à l'article 27, paragraphes 6 à 10 du Règlement n° 806/2014.
§ 7. Lorsque l'autorité de résolution prévoit que certaines catégories de dettes éligibles sont raisonnablement susceptibles d'être exclues totalement ou partiellement du renflouement interne en vertu de l'article 267/2, § 2, ou qu'elles pourraient être intégralement transférées à une entité réceptrice dans le cadre d'un transfert partiel, l'exigence visée à l'article 267/3, est respectée au moyen de fonds propres ou d'autres dettes éligibles qui sont suffisants pour :
1° couvrir le montant de telles dettes éligibles ;
2° garantir le respect des conditions énoncées au paragraphe 2.
§ 8. Toute décision de l'autorité de résolution visant à imposer une exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles en vertu du présent article est réexaminée par l'autorité de résolution sans retard injustifié afin de tenir compte de toute modification du niveau de l'exigence visée à l'article 149, alinéa 1er.
§ 9. Aux fins des paragraphes 3 et 6 du présent article, les exigences de fonds propres sont interprétées conformément à l'application par l'autorité de contrôle des dispositions transitoires prévues à la dixième partie, titre I, chapitres 1, 2 et 4, du Règlement n° 575/2013 et dans les règlements de l'autorité de contrôle adoptés en vertu dudit Règlement.".
Art. 189. In dezelfde wet wordt een artikel 267/5/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 267/5/2. § 1. Het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een af te wikkelen entiteit die een MSI of een deel van een MSI is, bestaat uit het volgende:
1° de in artikel 92bis en artikel 494 van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereisten; en
2° eventuele aanvullende vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden die door de afwikkelingsautoriteit specifiek met betrekking tot die entiteit zijn vastgesteld overeenkomstig paragraaf 3.
§ 2. Het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een dochteronderneming van wezenlijk belang van een niet-EU MSI in de EER, bestaat uit:
1° de in de artikelen 92ter en 494 van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereisten; en
2° een eventueel aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden dat door de afwikkelingsautoriteit specifiek met betrekking tot die dochteronderneming van wezenlijk belang is vastgesteld overeenkomstig paragraaf 3 en waaraan wordt voldaan met gebruik van eigen vermogen en schulden die de voorwaarden van artikel 267/5/4 en artikel 470, § 2, vervullen.
§ 3. De afwikkelingsautoriteit legt een in paragraaf 1, 2°, en paragraaf 2, 2° bedoeld aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden op:
1° indien het vereiste als bedoeld in paragraaf 1, 1°, of paragraaf 2, 1°, niet volstaat om aan de in artikel 267/5/1 gestelde voorwaarden te voldoen; en
2° voor zover dit ervoor zorgt dat de voorwaarden van artikel 267/5/1 zijn vervuld.
§ 4. Voor de toepassing van artikel 460, § 2, berekenen de betrokken afwikkelingsautoriteiten, indien twee of meer af te wikkelen entiteiten tot dezelfde MSI behoren, het in paragraaf 3 bedoelde bedrag:
1° voor elke af te wikkelen entiteit; en
2° voor de EER-moederonderneming alsof ze de enige af te wikkelen entiteit van de MSI was.
§ 5. Een besluit van de afwikkelingsautoriteit om op grond van paragraaf 1, 2°, of paragraaf 2, 2° een aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden op te leggen, wordt zonder onnodige vertraging geëvalueerd door de afwikkelingsautoriteit om rekening te houden met eventuele veranderingen in het niveau van het vereiste als bedoeld in artikel 149, eerste lid dat op de af te wikkelen groep of de dochteronderneming van wezenlijk belang van een niet-EER MSI in de EER van toepassing is.".
"Art. 267/5/2. § 1. Het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een af te wikkelen entiteit die een MSI of een deel van een MSI is, bestaat uit het volgende:
1° de in artikel 92bis en artikel 494 van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereisten; en
2° eventuele aanvullende vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden die door de afwikkelingsautoriteit specifiek met betrekking tot die entiteit zijn vastgesteld overeenkomstig paragraaf 3.
§ 2. Het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een dochteronderneming van wezenlijk belang van een niet-EU MSI in de EER, bestaat uit:
1° de in de artikelen 92ter en 494 van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereisten; en
2° een eventueel aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden dat door de afwikkelingsautoriteit specifiek met betrekking tot die dochteronderneming van wezenlijk belang is vastgesteld overeenkomstig paragraaf 3 en waaraan wordt voldaan met gebruik van eigen vermogen en schulden die de voorwaarden van artikel 267/5/4 en artikel 470, § 2, vervullen.
§ 3. De afwikkelingsautoriteit legt een in paragraaf 1, 2°, en paragraaf 2, 2° bedoeld aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden op:
1° indien het vereiste als bedoeld in paragraaf 1, 1°, of paragraaf 2, 1°, niet volstaat om aan de in artikel 267/5/1 gestelde voorwaarden te voldoen; en
2° voor zover dit ervoor zorgt dat de voorwaarden van artikel 267/5/1 zijn vervuld.
§ 4. Voor de toepassing van artikel 460, § 2, berekenen de betrokken afwikkelingsautoriteiten, indien twee of meer af te wikkelen entiteiten tot dezelfde MSI behoren, het in paragraaf 3 bedoelde bedrag:
1° voor elke af te wikkelen entiteit; en
2° voor de EER-moederonderneming alsof ze de enige af te wikkelen entiteit van de MSI was.
§ 5. Een besluit van de afwikkelingsautoriteit om op grond van paragraaf 1, 2°, of paragraaf 2, 2° een aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden op te leggen, wordt zonder onnodige vertraging geëvalueerd door de afwikkelingsautoriteit om rekening te houden met eventuele veranderingen in het niveau van het vereiste als bedoeld in artikel 149, eerste lid dat op de af te wikkelen groep of de dochteronderneming van wezenlijk belang van een niet-EER MSI in de EER van toepassing is.".
Art. 189. Dans la même loi, il est inséré un article 267/5/2 rédigé comme suit :
"Art. 267/5/2. § 1er. L'exigence visée à l'article 267/3 pour une entité de résolution qui est un EISm ou qui fait partie d'un EISm est constituée :
1° des exigences visées aux articles 92bis et 494 du Règlement n° 575/2013 ; et
2° de toute exigence de fonds propres et de dettes éligibles supplémentaire qui a été déterminée par l'autorité de résolution spécifiquement en rapport avec cette entité conformément au paragraphe 3.
§ 2. L'exigence visée à l'article 267/3 à l'égard d'une filiale importante dans l'EEE d'un EISm de pays tiers est constituée :
1° des exigences visées aux articles 92ter et 494 du Règlement n° 575/2013 ; et
2° de toute exigence de fonds propres et de dettes éligibles supplémentaire qui a été déterminée par l'autorité de résolution spécifiquement en rapport avec cette filiale importante conformément au paragraphe 3, qui doit être remplie au moyen de fonds propres et de dettes respectant les conditions énoncées à l'article 267/5/4 et à l'article 470, § 2.
§ 3. L'autorité de résolution impose une exigence de fonds propres et de dettes éligibles supplémentaire, telle qu'elle est visée au paragraphe 1er, 2°, et au paragraphe 2, 2° :
1° si l'exigence visée au paragraphe 1er, 1°, ou au paragraphe 2, 1°, n'est pas suffisante pour satisfaire aux conditions énoncées à l'article 267/5/1 ; et
2° dans une mesure qui garantit que les conditions énoncées à l'article 267/5/1 sont remplies.
§ 4. Aux fins de l'article 460, § 2, lorsque plusieurs entités de résolution appartiennent au même EISm, les autorités de résolution concernées calculent le montant visé au paragraphe 3 :
1° pour chaque entité de résolution ; et
2° pour l'entité mère dans l'EEE comme si celle-ci était la seule entité de résolution de l'EISm.
§ 5. Toute décision de l'autorité de résolution visant à imposer une exigence de fonds propres et de dettes éligibles supplémentaire en vertu du paragraphe 1er, 2°, ou du paragraphe 2, 2° est réexaminée par l'autorité de résolution sans retard injustifié afin de tenir compte de toute modification du niveau de l'exigence visée à l'article 149, alinéa 1er qui s'applique au groupe de résolution ou à la filiale importante dans l'EEE d'un EISm de pays tiers.".
"Art. 267/5/2. § 1er. L'exigence visée à l'article 267/3 pour une entité de résolution qui est un EISm ou qui fait partie d'un EISm est constituée :
1° des exigences visées aux articles 92bis et 494 du Règlement n° 575/2013 ; et
2° de toute exigence de fonds propres et de dettes éligibles supplémentaire qui a été déterminée par l'autorité de résolution spécifiquement en rapport avec cette entité conformément au paragraphe 3.
§ 2. L'exigence visée à l'article 267/3 à l'égard d'une filiale importante dans l'EEE d'un EISm de pays tiers est constituée :
1° des exigences visées aux articles 92ter et 494 du Règlement n° 575/2013 ; et
2° de toute exigence de fonds propres et de dettes éligibles supplémentaire qui a été déterminée par l'autorité de résolution spécifiquement en rapport avec cette filiale importante conformément au paragraphe 3, qui doit être remplie au moyen de fonds propres et de dettes respectant les conditions énoncées à l'article 267/5/4 et à l'article 470, § 2.
§ 3. L'autorité de résolution impose une exigence de fonds propres et de dettes éligibles supplémentaire, telle qu'elle est visée au paragraphe 1er, 2°, et au paragraphe 2, 2° :
1° si l'exigence visée au paragraphe 1er, 1°, ou au paragraphe 2, 1°, n'est pas suffisante pour satisfaire aux conditions énoncées à l'article 267/5/1 ; et
2° dans une mesure qui garantit que les conditions énoncées à l'article 267/5/1 sont remplies.
§ 4. Aux fins de l'article 460, § 2, lorsque plusieurs entités de résolution appartiennent au même EISm, les autorités de résolution concernées calculent le montant visé au paragraphe 3 :
1° pour chaque entité de résolution ; et
2° pour l'entité mère dans l'EEE comme si celle-ci était la seule entité de résolution de l'EISm.
§ 5. Toute décision de l'autorité de résolution visant à imposer une exigence de fonds propres et de dettes éligibles supplémentaire en vertu du paragraphe 1er, 2°, ou du paragraphe 2, 2° est réexaminée par l'autorité de résolution sans retard injustifié afin de tenir compte de toute modification du niveau de l'exigence visée à l'article 149, alinéa 1er qui s'applique au groupe de résolution ou à la filiale importante dans l'EEE d'un EISm de pays tiers.".
Art. 190. In dezelfde wet wordt een artikel 267/5/3 ingevoegd, luidende:
"Art. 267/5/3. § 1. Af te wikkelen entiteiten voldoen op geconsolideerde basis op het niveau van de af te wikkelen groep aan de in de artikelen 267/5 tot en met 267/5/2 neergelegde vereisten.
§ 2. De afwikkelingsautoriteit bepaalt het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een af te wikkelen entiteit op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep overeenkomstig artikel 460 op basis van de in de artikelen 267/5 tot en met 267/5/2 neergelegde vereisten en op basis van de vraag of de in derde landen gevestigde dochterondernemingen van de groep volgens het afwikkelingsplan afzonderlijk moeten worden afgewikkeld.
§ 3. Voor overeenkomstig artikel 242, 13° /2, b) aangewezen af te wikkelen groepen, besluit de afwikkelingsautoriteit, afhankelijk van de kenmerken van het solidariteitsmechanisme en de voorkeursafwikkelingsstrategie, welke entiteiten van de af te wikkelen groep aan artikel 267/5/1, § 3 en § 4, en artikel 267/5/2, § 1, moeten voldoen om ervoor te zorgen dat de af te wikkelen groep in haar geheel voldoet aan de paragrafen 1 en 2, en hoe dergelijke entiteiten dat dienen te doen overeenkomstig het afwikkelingsplan.".
"Art. 267/5/3. § 1. Af te wikkelen entiteiten voldoen op geconsolideerde basis op het niveau van de af te wikkelen groep aan de in de artikelen 267/5 tot en met 267/5/2 neergelegde vereisten.
§ 2. De afwikkelingsautoriteit bepaalt het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een af te wikkelen entiteit op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep overeenkomstig artikel 460 op basis van de in de artikelen 267/5 tot en met 267/5/2 neergelegde vereisten en op basis van de vraag of de in derde landen gevestigde dochterondernemingen van de groep volgens het afwikkelingsplan afzonderlijk moeten worden afgewikkeld.
§ 3. Voor overeenkomstig artikel 242, 13° /2, b) aangewezen af te wikkelen groepen, besluit de afwikkelingsautoriteit, afhankelijk van de kenmerken van het solidariteitsmechanisme en de voorkeursafwikkelingsstrategie, welke entiteiten van de af te wikkelen groep aan artikel 267/5/1, § 3 en § 4, en artikel 267/5/2, § 1, moeten voldoen om ervoor te zorgen dat de af te wikkelen groep in haar geheel voldoet aan de paragrafen 1 en 2, en hoe dergelijke entiteiten dat dienen te doen overeenkomstig het afwikkelingsplan.".
Art. 190. Dans la même loi, il est inséré un article 267/5/3 rédigé comme suit :
"Art. 267/5/3. § 1er. Les entités de résolution respectent les exigences définies aux articles 267/5 à 267/5/2 sur une base consolidée au niveau du groupe de résolution.
§ 2. L'autorité de résolution détermine l'exigence visée à l'article 267/3 pour une entité de résolution au niveau consolidé du groupe de résolution conformément à l'article 460 en se fondant sur les exigences définies aux articles 267/5 à 267/5/2 et sur la question de savoir si les filiales de pays tiers du groupe font ou non l'objet d'une résolution distincte dans le cadre du plan de résolution.
§ ° 3. Pour les groupes de résolution identifiés conformément à l'article 242, 13° /2, b), l'autorité de résolution décide, en fonction des caractéristiques du mécanisme de solidarité et de la stratégie de résolution privilégiée, quelles entités au sein du groupe de résolution sont tenues de respecter l'article 267/5/1, § 3 et § 4, et l'article 267/5/2, § 1er, afin de garantir que le groupe de résolution dans son ensemble respecte les dispositions des paragraphes 1er et 2, et comment ces entités sont tenues de le faire en conformité avec le plan de résolution.".
"Art. 267/5/3. § 1er. Les entités de résolution respectent les exigences définies aux articles 267/5 à 267/5/2 sur une base consolidée au niveau du groupe de résolution.
§ 2. L'autorité de résolution détermine l'exigence visée à l'article 267/3 pour une entité de résolution au niveau consolidé du groupe de résolution conformément à l'article 460 en se fondant sur les exigences définies aux articles 267/5 à 267/5/2 et sur la question de savoir si les filiales de pays tiers du groupe font ou non l'objet d'une résolution distincte dans le cadre du plan de résolution.
§ ° 3. Pour les groupes de résolution identifiés conformément à l'article 242, 13° /2, b), l'autorité de résolution décide, en fonction des caractéristiques du mécanisme de solidarité et de la stratégie de résolution privilégiée, quelles entités au sein du groupe de résolution sont tenues de respecter l'article 267/5/1, § 3 et § 4, et l'article 267/5/2, § 1er, afin de garantir que le groupe de résolution dans son ensemble respecte les dispositions des paragraphes 1er et 2, et comment ces entités sont tenues de le faire en conformité avec le plan de résolution.".
Art. 191. In dezelfde wet wordt een artikel 267/5/4 ingevoegd, luidende:
"Art. 267/5/4. § 1. Kredietinstellingen die dochterondernemingen van een af te wikkelen entiteit of een entiteit van een derde land zijn maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, voldoen op individuele basis aan de in artikel 267/5/1 neergelegde vereisten.
De afwikkelingsautoriteit kan, na raadpleging van de toezichthouder, besluiten om het in het voorgaande lid neergelegde vereiste toe te passen op een in artikel 424, 2°, tot en met 4° bedoelde entiteit die een dochteronderneming van een af te wikkelen entiteit is maar zelf geen af te wikkelen entiteit is.
De voorgaande alinea is niet van toepassing op EER-moederondernemingen die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, maar die dochterondernemingen van entiteiten van derde landen zijn. Deze moederondernemingen voldoen op geconsolideerde basis aan de in de artikelen 267/5/1 en 267/5/2 neergelegde vereisten.
Voor overeenkomstig artikel 242, 13° /2, b), aangewezen af te wikkelen groepen, voldoen blijvend bij een centrale instelling aangesloten kredietinstellingen maar die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, een centrale instelling die zelf geen af te wikkelen entiteit is, en af te wikkelen entiteiten die niet onder een vereiste uit hoofde van artikel 267/5/3, § 3, vallen, op individuele basis aan artikel 267/5/1, § 6.
Het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een in deze paragraaf bedoelde entiteit wordt bepaald overeenkomstig de artikelen 459, 460 en, waar toepasselijk, 470, § 2, en op basis van de in artikel 267/5/1 neergelegde vereisten.
§ 2. Aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor in paragraaf 1 bedoelde entiteiten wordt voldaan met een of meer van de volgende elementen:
1° schulden:
a) die zijn uitgegeven aan en gekocht door de af te wikkelen entiteit, direct dan wel indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, of zijn uitgegeven aan en gekocht door een bestaande aandeelhouder die geen deel uitmaakt van dezelfde af te wikkelen groep, zolang de uitoefening van afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 250 tot en met 254 en 458 geen afbreuk doet aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming;
b) die voldoen aan de in artikel 72bis van Verordening nr. 575/2013 genoemde criteria om in aanmerking te komen, met uitzondering van artikel 72ter, lid 2, punten b), c), k), l) en m), en artikel 72ter, leden 3, 4 en 5, van die verordening;
c) die in liquidatieprocedures van lagere rang zijn dan schulden die niet voldoen aan de in onder a) bedoelde voorwaarde en niet in aanmerking komen voor eigenvermogensvereisten;
d) die onderworpen zijn aan afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 250 tot en met 254 en 458 op een wijze die in overeenstemming is met de afwikkelingsstrategie van de af te wikkelen groep, met name door de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming niet nadelig te beïnvloeden;
e) waarvan de verwerving direct noch indirect gefinancierd wordt door de entiteit waarop dit artikel van toepassing is;
f) waarvan in de geldende bepalingen expliciet noch impliciet vermeld wordt dat de schulden door de onder dit artikel vallende entiteit zouden worden opgevraagd, afgelost, vervroegd terugbetaald of opnieuw ingekocht, naargelang het geval, behalve bij insolventie of liquidatie van die entiteit, en die entiteit dit niet anderszins vermeldt;
g) waarvan de geldende bepalingen de houder ervan niet het recht geven de voor de toekomst geplande betaling van de rente of van de hoofdsom te versnellen, behalve in het geval van de insolventie of liquidatie van de onder dit artikel vallende entiteit;
h) waarvoor het niveau van de daarover verschuldigde rentebetalingen of dividenduitkeringen, naargelang het geval, niet wijzigt op basis van de kredietwaardigheid van de entiteit waarop dit artikel van toepassing is of van de moederonderneming daarvan;
2° eigen vermogen, als volgt:
a) tier 1-kernkapitaal, en
b) ander eigen vermogen dat (i) is uitgegeven aan en gekocht door entiteiten die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren, of (ii) is uitgegeven aan en gekocht door entiteiten die niet tot dezelfde af te wikkelen groep behoren, zolang de uitoefening van afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 250 tot en met 254 en 458 geen afbreuk doet aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming.
§ 3. Indien een dochteronderneming geen af te wikkelen entiteit is, kan de afwikkelingsautoriteit afzien van de toepassing van dit artikel op die dochteronderneming indien:
1° zowel de dochteronderneming als de af te wikkelen entiteit in België zijn gevestigd en deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep;
2° de af te wikkelen entiteit voldoet aan het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste;
3° er geen bestaande of te voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering is voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of onmiddellijke terugbetaling van schulden door de af te wikkelen entiteit aan de dochteronderneming waarvoor een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 250, § 1 in combinatie met artikel 457, in het bijzonder indien ten aanzien van de af te wikkelen entiteit afwikkelingsmaatregelen worden genomen;
4° de af te wikkelen entiteit de toezichthouder ervan overtuigt dat de dochteronderneming zorgvuldig wordt beheerd en, met instemming van de toezichthouder, heeft verklaard dat zij garant staat voor de door de dochteronderneming aangegane verplichtingen, ofwel de risico's in de dochteronderneming van geen belang zijn;
5° de dochteronderneming in de risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures van de af te wikkelen entiteit wordt betrokken;
6° de af te wikkelen entiteit meer dan 50 % van de stemrechten bezit die verbonden zijn aan de aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming of het recht heeft om een meerderheid van de leden van het wettelijk bestuursorgaan van de dochteronderneming te benoemen of te ontslaan.
§ 4. Indien een dochteronderneming geen af te wikkelen entiteit is, kan de afwikkelingsautoriteit eveneens afzien van de toepassing van dit artikel op die dochteronderneming indien:
1° zowel de dochteronderneming als haar moederonderneming in België zijn gevestigd en deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep;
2° de moederonderneming voldoet op geconsolideerde basis aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste;
3° er geen bestaande of te voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering is voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of onmiddellijke terugbetaling van schulden door de moederonderneming aan de dochteronderneming waarvoor een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 250, § 1 in combinatie met artikel 457, met name indien ten aanzien van de moederonderneming afwikkelingsmaatregelen worden genomen of de bevoegdheid als bedoeld in artikel 250, § 1, wordt uitgeoefend;
4° de moederonderneming de toezichthouder ervan overtuigt dat de dochteronderneming zorgvuldig wordt beheerd en, met instemming van de toezichthouder, heeft verklaard dat zij garant staat voor de door de dochteronderneming aangegane verplichtingen, ofwel de risico's in de dochteronderneming van geen betekenis zijn;
5° de dochteronderneming in de risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures van de moederonderneming wordt betrokken;
6° de moederonderneming meer dan 50 % van de stemrechten bezit die verbonden zijn aan aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming, of het recht heeft om een meerderheid van de leden van het wettelijk bestuursorgaan van de dochteronderneming te benoemen of te ontslaan.
§ 5. Indien de in paragraaf 3, punten 1° en 2°, neergelegde voorwaarden zijn vervuld, kan de afwikkelingsautoriteit van een dochteronderneming toestaan dat aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste geheel of gedeeltelijk wordt voldaan met een door de af te wikkelen entiteit verstrekte garantie, die aan de volgende voorwaarden voldoet:
1° de garantie wordt verstrekt voor een bedrag dat op zijn minst gelijk is aan het bedrag van het vereiste dat ze vervangt;
2° de garantie wordt geactiveerd ingeval de dochteronderneming niet in staat is haar schulden of andere verplichtingen te betalen op het moment dat deze opeisbaar worden of ingeval ten aanzien van de dochteronderneming een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 250, § 1 in combinatie met artikel 457, indien dat eerder is;
3° de garantie voor ten minste 50 % van haar bedrag wordt gedekt door middel van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst als gedefinieerd in artikel 3, 3° van de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten en gevestigd overeenkomstig die wet;
4° de zekerheid bedoeld in 3° voldoet aan de vereisten van artikel 197 van Verordening nr. 575/2013 en volstaat, na gepaste conservatieve "haircuts", om het met zekerheden gedekte bedrag als bedoeld in punt 3° te dekken;
5° de zekerheid bedoeld in 3°, evenals de activa die er het voorwerp van maken, is onbezwaard en wordt met name niet gebruikt als zekerheid om een andere garantie te dekken;
6° de zekerheid bedoeld in 3° heeft een effectieve looptijd die aan de looptijdvoorwaarde in artikel 72quater, lid 1, van Verordening nr. 575/2013 voldoet; en
7° er zijn geen wettelijke, regelgevende of operationele belemmeringen voor de overdracht van de activa die het voorwerp zijn de zekerheid bedoeld in 3° van de af te wikkelen entiteit aan de desbetreffende dochteronderneming, ook niet indien ten aanzien van de af te wikkelen entiteit afwikkelingsmaatregelen worden genomen.
Voor de toepassing van het eerste lid, punt 7°, verstrekt de af te wikkelen entiteit op verzoek van de afwikkelingsautoriteit een onafhankelijk schriftelijk en met redenen omkleed juridisch advies of toont ze anderszins op een bevredigende wijze aan dat er geen dergelijke wettelijke, regelgevende of operationele belemmeringen zijn.".
"Art. 267/5/4. § 1. Kredietinstellingen die dochterondernemingen van een af te wikkelen entiteit of een entiteit van een derde land zijn maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, voldoen op individuele basis aan de in artikel 267/5/1 neergelegde vereisten.
De afwikkelingsautoriteit kan, na raadpleging van de toezichthouder, besluiten om het in het voorgaande lid neergelegde vereiste toe te passen op een in artikel 424, 2°, tot en met 4° bedoelde entiteit die een dochteronderneming van een af te wikkelen entiteit is maar zelf geen af te wikkelen entiteit is.
De voorgaande alinea is niet van toepassing op EER-moederondernemingen die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, maar die dochterondernemingen van entiteiten van derde landen zijn. Deze moederondernemingen voldoen op geconsolideerde basis aan de in de artikelen 267/5/1 en 267/5/2 neergelegde vereisten.
Voor overeenkomstig artikel 242, 13° /2, b), aangewezen af te wikkelen groepen, voldoen blijvend bij een centrale instelling aangesloten kredietinstellingen maar die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, een centrale instelling die zelf geen af te wikkelen entiteit is, en af te wikkelen entiteiten die niet onder een vereiste uit hoofde van artikel 267/5/3, § 3, vallen, op individuele basis aan artikel 267/5/1, § 6.
Het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor een in deze paragraaf bedoelde entiteit wordt bepaald overeenkomstig de artikelen 459, 460 en, waar toepasselijk, 470, § 2, en op basis van de in artikel 267/5/1 neergelegde vereisten.
§ 2. Aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste voor in paragraaf 1 bedoelde entiteiten wordt voldaan met een of meer van de volgende elementen:
1° schulden:
a) die zijn uitgegeven aan en gekocht door de af te wikkelen entiteit, direct dan wel indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, of zijn uitgegeven aan en gekocht door een bestaande aandeelhouder die geen deel uitmaakt van dezelfde af te wikkelen groep, zolang de uitoefening van afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 250 tot en met 254 en 458 geen afbreuk doet aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming;
b) die voldoen aan de in artikel 72bis van Verordening nr. 575/2013 genoemde criteria om in aanmerking te komen, met uitzondering van artikel 72ter, lid 2, punten b), c), k), l) en m), en artikel 72ter, leden 3, 4 en 5, van die verordening;
c) die in liquidatieprocedures van lagere rang zijn dan schulden die niet voldoen aan de in onder a) bedoelde voorwaarde en niet in aanmerking komen voor eigenvermogensvereisten;
d) die onderworpen zijn aan afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 250 tot en met 254 en 458 op een wijze die in overeenstemming is met de afwikkelingsstrategie van de af te wikkelen groep, met name door de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming niet nadelig te beïnvloeden;
e) waarvan de verwerving direct noch indirect gefinancierd wordt door de entiteit waarop dit artikel van toepassing is;
f) waarvan in de geldende bepalingen expliciet noch impliciet vermeld wordt dat de schulden door de onder dit artikel vallende entiteit zouden worden opgevraagd, afgelost, vervroegd terugbetaald of opnieuw ingekocht, naargelang het geval, behalve bij insolventie of liquidatie van die entiteit, en die entiteit dit niet anderszins vermeldt;
g) waarvan de geldende bepalingen de houder ervan niet het recht geven de voor de toekomst geplande betaling van de rente of van de hoofdsom te versnellen, behalve in het geval van de insolventie of liquidatie van de onder dit artikel vallende entiteit;
h) waarvoor het niveau van de daarover verschuldigde rentebetalingen of dividenduitkeringen, naargelang het geval, niet wijzigt op basis van de kredietwaardigheid van de entiteit waarop dit artikel van toepassing is of van de moederonderneming daarvan;
2° eigen vermogen, als volgt:
a) tier 1-kernkapitaal, en
b) ander eigen vermogen dat (i) is uitgegeven aan en gekocht door entiteiten die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren, of (ii) is uitgegeven aan en gekocht door entiteiten die niet tot dezelfde af te wikkelen groep behoren, zolang de uitoefening van afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 250 tot en met 254 en 458 geen afbreuk doet aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming.
§ 3. Indien een dochteronderneming geen af te wikkelen entiteit is, kan de afwikkelingsautoriteit afzien van de toepassing van dit artikel op die dochteronderneming indien:
1° zowel de dochteronderneming als de af te wikkelen entiteit in België zijn gevestigd en deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep;
2° de af te wikkelen entiteit voldoet aan het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste;
3° er geen bestaande of te voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering is voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of onmiddellijke terugbetaling van schulden door de af te wikkelen entiteit aan de dochteronderneming waarvoor een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 250, § 1 in combinatie met artikel 457, in het bijzonder indien ten aanzien van de af te wikkelen entiteit afwikkelingsmaatregelen worden genomen;
4° de af te wikkelen entiteit de toezichthouder ervan overtuigt dat de dochteronderneming zorgvuldig wordt beheerd en, met instemming van de toezichthouder, heeft verklaard dat zij garant staat voor de door de dochteronderneming aangegane verplichtingen, ofwel de risico's in de dochteronderneming van geen belang zijn;
5° de dochteronderneming in de risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures van de af te wikkelen entiteit wordt betrokken;
6° de af te wikkelen entiteit meer dan 50 % van de stemrechten bezit die verbonden zijn aan de aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming of het recht heeft om een meerderheid van de leden van het wettelijk bestuursorgaan van de dochteronderneming te benoemen of te ontslaan.
§ 4. Indien een dochteronderneming geen af te wikkelen entiteit is, kan de afwikkelingsautoriteit eveneens afzien van de toepassing van dit artikel op die dochteronderneming indien:
1° zowel de dochteronderneming als haar moederonderneming in België zijn gevestigd en deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep;
2° de moederonderneming voldoet op geconsolideerde basis aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste;
3° er geen bestaande of te voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering is voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of onmiddellijke terugbetaling van schulden door de moederonderneming aan de dochteronderneming waarvoor een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 250, § 1 in combinatie met artikel 457, met name indien ten aanzien van de moederonderneming afwikkelingsmaatregelen worden genomen of de bevoegdheid als bedoeld in artikel 250, § 1, wordt uitgeoefend;
4° de moederonderneming de toezichthouder ervan overtuigt dat de dochteronderneming zorgvuldig wordt beheerd en, met instemming van de toezichthouder, heeft verklaard dat zij garant staat voor de door de dochteronderneming aangegane verplichtingen, ofwel de risico's in de dochteronderneming van geen betekenis zijn;
5° de dochteronderneming in de risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures van de moederonderneming wordt betrokken;
6° de moederonderneming meer dan 50 % van de stemrechten bezit die verbonden zijn aan aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming, of het recht heeft om een meerderheid van de leden van het wettelijk bestuursorgaan van de dochteronderneming te benoemen of te ontslaan.
§ 5. Indien de in paragraaf 3, punten 1° en 2°, neergelegde voorwaarden zijn vervuld, kan de afwikkelingsautoriteit van een dochteronderneming toestaan dat aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste geheel of gedeeltelijk wordt voldaan met een door de af te wikkelen entiteit verstrekte garantie, die aan de volgende voorwaarden voldoet:
1° de garantie wordt verstrekt voor een bedrag dat op zijn minst gelijk is aan het bedrag van het vereiste dat ze vervangt;
2° de garantie wordt geactiveerd ingeval de dochteronderneming niet in staat is haar schulden of andere verplichtingen te betalen op het moment dat deze opeisbaar worden of ingeval ten aanzien van de dochteronderneming een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 250, § 1 in combinatie met artikel 457, indien dat eerder is;
3° de garantie voor ten minste 50 % van haar bedrag wordt gedekt door middel van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst als gedefinieerd in artikel 3, 3° van de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten en gevestigd overeenkomstig die wet;
4° de zekerheid bedoeld in 3° voldoet aan de vereisten van artikel 197 van Verordening nr. 575/2013 en volstaat, na gepaste conservatieve "haircuts", om het met zekerheden gedekte bedrag als bedoeld in punt 3° te dekken;
5° de zekerheid bedoeld in 3°, evenals de activa die er het voorwerp van maken, is onbezwaard en wordt met name niet gebruikt als zekerheid om een andere garantie te dekken;
6° de zekerheid bedoeld in 3° heeft een effectieve looptijd die aan de looptijdvoorwaarde in artikel 72quater, lid 1, van Verordening nr. 575/2013 voldoet; en
7° er zijn geen wettelijke, regelgevende of operationele belemmeringen voor de overdracht van de activa die het voorwerp zijn de zekerheid bedoeld in 3° van de af te wikkelen entiteit aan de desbetreffende dochteronderneming, ook niet indien ten aanzien van de af te wikkelen entiteit afwikkelingsmaatregelen worden genomen.
Voor de toepassing van het eerste lid, punt 7°, verstrekt de af te wikkelen entiteit op verzoek van de afwikkelingsautoriteit een onafhankelijk schriftelijk en met redenen omkleed juridisch advies of toont ze anderszins op een bevredigende wijze aan dat er geen dergelijke wettelijke, regelgevende of operationele belemmeringen zijn.".
Art. 191. Dans la même loi, il est inséré un article 267/5/4 rédigé comme suit :
"Art. 267/5/4. § 1er. Les établissements de crédit qui sont des filiales d'une entité de résolution ou d'une entité d'un pays tiers mais qui ne sont pas eux-mêmes des entités de résolution respectent les exigences énoncées à l'article 267/5/1 sur base individuelle.
Après consultation de l'autorité de contrôle, l'autorité de résolution peut décider d'appliquer l'exigence énoncée à l'alinéa précédent à une entité visée à l'article 424, 2°, à 4°, qui est une filiale d'une entité de résolution et qui n'est pas elle-même une entité de résolution.
L'alinéa précédent ne s'applique pas aux entreprises mères dans l'EEE qui ne sont pas elles- mêmes des entités de résolution mais qui sont des filiales d'entités de pays tiers. Ces entreprises mères respectent les exigences énoncées aux articles 267/5/1 et 267/5/2 sur base consolidée.
Pour les groupes de résolution identifiés conformément à l'article 242, 13° /2, b), les établissements de crédit qui sont affiliés de manière permanente à un organisme central et qui ne sont pas eux-mêmes des entités de résolution, un organisme central qui n'est pas lui-même une entité de résolution, ainsi que toute entité de résolution qui n'est pas soumise à une exigence au titre de 267/5/3, § 3, respectent les dispositions de l'article 267/5/1, § 6 sur base individuelle.
L'exigence visée à l'article 267/3, pour une entité visée au présent paragraphe, est déterminée conformément aux articles 459, 460 et, le cas échéant, 470, § 2, ainsi que sur la base des exigences prévues à l'article 267/5/1.
§ 2. L'exigence visée à l'article 267/3, pour les entités visées au paragraphe 1er, est remplie au moyen d'un ou plusieurs des éléments suivants :
1° des dettes :
a) qui sont émises en faveur de l'entité de résolution et achetées par celle-ci directement ou indirectement par l'intermédiaire d'autres entités au sein du même groupe de résolution, ou sont émises en faveur d'un actionnaire existant ne faisant pas partie du même groupe de résolution et achetées par celui-ci pour autant que l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion conformément aux articles 250 à 254 et 458 n'affecte pas le contrôle de la filiale par l'entité de résolution ;
b) qui remplissent les critères d'éligibilité énoncés à l'article 72bis du Règlement n° 575/2013, à l'exception de l'article 72ter, paragraphe 2, points b), c), k), l) et m), et paragraphes 3 à 5, dudit règlement ;
c) dont le rang, dans une procédure de liquidation, est inférieur aux dettes qui ne remplissent pas la condition visée au point a) et qui ne sont pas éligibles pour les exigences de fonds propres ;
d) qui sont soumises à un pouvoir de dépréciation ou de conversion en vertu des articles 250 à 254 et 458 d'une manière qui est conforme à la stratégie de résolution du groupe de résolution, en particulier en n'affectant pas le contrôle de la filiale par l'entité de résolution ;
e) dont l'acquisition n'est pas financée, directement ou indirectement, par l'entité relevant du présent article ;
f) dont les dispositions qui les régissent ne prévoient ni explicitement ni implicitement que les dettes seraient rachetées, remboursées ou remboursées anticipativement, selon le cas, par l'entité relevant du présent article dans des circonstances autres que l'insolvabilité ou la liquidation de cette entité, et cette entité ne donne aucune indication en ce sens ;
g) dont les dispositions qui les régissent ne donnent pas au détenteur le droit de percevoir des intérêts ou le principal de manière anticipée par rapport au calendrier initial, dans des circonstances autres que l'insolvabilité ou la liquidation de l'entité qui relève du présent article ;
h) dont le niveau des intérêts ou des dividendes, selon le cas, à payer n'est pas modifié sur la base de la qualité de crédit de l'entité relevant du présent article ou de son entreprise mère ;
2° des fonds propres, comme suit :
a) des fonds propres de base de catégorie 1, et
b) d'autres fonds propres qui (i) sont émis en faveur d'entités faisant partie du même groupe de résolution et achetés par celles-ci, ou (ii) sont émis en faveur d'entités ne faisant pas partie du même groupe de résolution et achetés par celles-ci tant que l'exercice des pouvoirs de dépréciation ou de conversion conformément aux articles 250 à 254 et 458 n'affecte pas le contrôle de la filiale par l'entité de résolution.
§ 3. Lorsqu'une filiale n'est pas une entité de résolution, l'autorité de résolution peut exempter cette filiale de l'application du présent article lorsque :
1° tant la filiale que l'entité de résolution sont établies en Belgique et font partie du même groupe de résolution ;
2° l'entité de résolution respecte l'exigence prévue à l'article 267/5/3 ;
3° il n'existe, en droit ou en fait, aucun obstacle significatif, actuel ou prévu, au transfert rapide de fonds propres ou au remboursement rapide de dettes par l'entité de résolution à la filiale au sujet de laquelle une constatation a été effectuée conformément à l'article 250, § 1er en combinaison avec l'article 457, notamment lorsque l'entité de résolution fait l'objet d'une mesure de résolution ;
4° soit l'entité de résolution donne toute garantie à l'autorité compétente en ce qui concerne la gestion prudente de la filiale et a déclaré, avec le consentement de l'autorité de contrôle, se porter garante des engagements contractés par la filiale, soit les risques de la filiale sont négligeables ;
5° les procédures d'évaluation, de mesure et de contrôle des risques de l'entité de résolution couvrent la filiale ;
6° l'entité de résolution détient plus de 50 % des droits de vote attachés à la détention d'actions ou de parts dans le capital de la filiale ou a le droit de nommer ou de révoquer la majorité des membres de l'organe légal d'administration de la filiale.
§ 4. Lorsqu'une filiale n'est pas une entité de résolution, l'autorité de résolution peut également exempter cette filiale de l'application du présent article lorsque :
1° tant la filiale que son entreprise mère sont établies en Belgique et font partie du même groupe de résolution ;
2° l'entreprise mère respecte, sur une base consolidée, l'exigence visée à l'article 267/3 ;
3° il n'existe, en droit ou en fait, aucun obstacle significatif, actuel ou prévu, au transfert rapide de fonds propres ou au remboursement rapide de dettes par l'entreprise mère à la filiale au sujet de laquelle une constatation a été faite conformément à l'article 250, § 1er en combinaison avec l'article 457, notamment lorsque l'entreprise mère fait l'objet d'une mesure de résolution ou de l'exercice du pouvoir visé à l'article 250, § 1er ;
4° soit l'entreprise mère donne toute garantie à l'autorité de contrôle en ce qui concerne la gestion prudente de la filiale et a déclaré, avec le consentement de l'autorité de contrôle, se porter garante des dettes contractées par la filiale, soit les risques de la filiale sont négligeables ;
5° les procédures d'évaluation, de mesure et de contrôle des risques de l'entreprise mère couvrent la filiale ;
6° l'entreprise mère détient plus de 50 % des droits de vote attachés à la détention d'actions ou de parts dans le capital de la filiale ou a le droit de nommer ou de révoquer la majorité des membres de l'organe légal d'administration de la filiale.
§ 5. Lorsque les conditions énoncées au paragraphe 3, points 1° et 2°, sont remplies, l'autorité de résolution d'une filiale peut autoriser que l'exigence visée à l'article 267/3 soit remplie complètement ou en partie au moyen d'une garantie accordée par l'entité de résolution, qui satisfait aux conditions suivantes :
1° la garantie est accordée pour un montant équivalent au montant de l'exigence qu'elle remplace ;
2° la garantie est déclenchée soit lorsque la filiale n'est pas en mesure de s'acquitter de ses dettes ou d'autres engagements à l'échéance, soit lorsqu'une constatation a été faite conformément à l'article 250, § 1er en combinaison avec l'article 457, en ce qui concerne la filiale, selon ce qui intervient en premier ;
3° la garantie est couverte par des sûretés à hauteur d'au moins 50 % de son montant dans le cadre d'une convention constitutive d'une sûreté réelle telle qu'elle est définie à l'article 3, 3° de la loi du 15 décembre 2004 relative aux sûretés financières et portant des dispositions fiscales diverses en matière de conventions constitutives de sûreté réelle et de prêts portant sur des instruments financiers et constituée conformément à cette loi ;
4° les sûretés visées au 3° remplissent les exigences prévues à l'article 197 du Règlement n° 575/2013, ce qui, après l'application de décotes suffisamment prudentes, est suffisant pour couvrir le montant garanti visé au point 3° ;
5° les sûretés visées au 3°, ainsi que les actifs qui en font l'objet, ne sont pas grevés et, en particulier, ne sont pas utilisés comme sûretés pour couvrir une autre garantie ;
6° les sûretés visées au 3° ont une échéance effective qui respecte la même condition relative à l'échéance que celle visée à l'article 72quater, paragraphe 1er, du Règlement n° 575/2013 ; et
7° il n'existe pas d'obstacles juridiques, réglementaires ou opérationnels s'opposant au transfert des actifs faisant l'objet des sûretés visées au 3° de l'entité de résolution vers la filiale concernée, y compris lorsque l'entité de résolution fait l'objet d'une mesure de résolution.
Aux fins de l'alinéa 1er, point 7°, à la demande de l'autorité de résolution, l'entité de résolution fournit par écrit un avis juridique indépendant et motivé ou démontre autrement, de manière satisfaisante, qu'il n'existe pas de tels obstacles juridiques, réglementaires ou opérationnels.".
"Art. 267/5/4. § 1er. Les établissements de crédit qui sont des filiales d'une entité de résolution ou d'une entité d'un pays tiers mais qui ne sont pas eux-mêmes des entités de résolution respectent les exigences énoncées à l'article 267/5/1 sur base individuelle.
Après consultation de l'autorité de contrôle, l'autorité de résolution peut décider d'appliquer l'exigence énoncée à l'alinéa précédent à une entité visée à l'article 424, 2°, à 4°, qui est une filiale d'une entité de résolution et qui n'est pas elle-même une entité de résolution.
L'alinéa précédent ne s'applique pas aux entreprises mères dans l'EEE qui ne sont pas elles- mêmes des entités de résolution mais qui sont des filiales d'entités de pays tiers. Ces entreprises mères respectent les exigences énoncées aux articles 267/5/1 et 267/5/2 sur base consolidée.
Pour les groupes de résolution identifiés conformément à l'article 242, 13° /2, b), les établissements de crédit qui sont affiliés de manière permanente à un organisme central et qui ne sont pas eux-mêmes des entités de résolution, un organisme central qui n'est pas lui-même une entité de résolution, ainsi que toute entité de résolution qui n'est pas soumise à une exigence au titre de 267/5/3, § 3, respectent les dispositions de l'article 267/5/1, § 6 sur base individuelle.
L'exigence visée à l'article 267/3, pour une entité visée au présent paragraphe, est déterminée conformément aux articles 459, 460 et, le cas échéant, 470, § 2, ainsi que sur la base des exigences prévues à l'article 267/5/1.
§ 2. L'exigence visée à l'article 267/3, pour les entités visées au paragraphe 1er, est remplie au moyen d'un ou plusieurs des éléments suivants :
1° des dettes :
a) qui sont émises en faveur de l'entité de résolution et achetées par celle-ci directement ou indirectement par l'intermédiaire d'autres entités au sein du même groupe de résolution, ou sont émises en faveur d'un actionnaire existant ne faisant pas partie du même groupe de résolution et achetées par celui-ci pour autant que l'exercice du pouvoir de dépréciation ou de conversion conformément aux articles 250 à 254 et 458 n'affecte pas le contrôle de la filiale par l'entité de résolution ;
b) qui remplissent les critères d'éligibilité énoncés à l'article 72bis du Règlement n° 575/2013, à l'exception de l'article 72ter, paragraphe 2, points b), c), k), l) et m), et paragraphes 3 à 5, dudit règlement ;
c) dont le rang, dans une procédure de liquidation, est inférieur aux dettes qui ne remplissent pas la condition visée au point a) et qui ne sont pas éligibles pour les exigences de fonds propres ;
d) qui sont soumises à un pouvoir de dépréciation ou de conversion en vertu des articles 250 à 254 et 458 d'une manière qui est conforme à la stratégie de résolution du groupe de résolution, en particulier en n'affectant pas le contrôle de la filiale par l'entité de résolution ;
e) dont l'acquisition n'est pas financée, directement ou indirectement, par l'entité relevant du présent article ;
f) dont les dispositions qui les régissent ne prévoient ni explicitement ni implicitement que les dettes seraient rachetées, remboursées ou remboursées anticipativement, selon le cas, par l'entité relevant du présent article dans des circonstances autres que l'insolvabilité ou la liquidation de cette entité, et cette entité ne donne aucune indication en ce sens ;
g) dont les dispositions qui les régissent ne donnent pas au détenteur le droit de percevoir des intérêts ou le principal de manière anticipée par rapport au calendrier initial, dans des circonstances autres que l'insolvabilité ou la liquidation de l'entité qui relève du présent article ;
h) dont le niveau des intérêts ou des dividendes, selon le cas, à payer n'est pas modifié sur la base de la qualité de crédit de l'entité relevant du présent article ou de son entreprise mère ;
2° des fonds propres, comme suit :
a) des fonds propres de base de catégorie 1, et
b) d'autres fonds propres qui (i) sont émis en faveur d'entités faisant partie du même groupe de résolution et achetés par celles-ci, ou (ii) sont émis en faveur d'entités ne faisant pas partie du même groupe de résolution et achetés par celles-ci tant que l'exercice des pouvoirs de dépréciation ou de conversion conformément aux articles 250 à 254 et 458 n'affecte pas le contrôle de la filiale par l'entité de résolution.
§ 3. Lorsqu'une filiale n'est pas une entité de résolution, l'autorité de résolution peut exempter cette filiale de l'application du présent article lorsque :
1° tant la filiale que l'entité de résolution sont établies en Belgique et font partie du même groupe de résolution ;
2° l'entité de résolution respecte l'exigence prévue à l'article 267/5/3 ;
3° il n'existe, en droit ou en fait, aucun obstacle significatif, actuel ou prévu, au transfert rapide de fonds propres ou au remboursement rapide de dettes par l'entité de résolution à la filiale au sujet de laquelle une constatation a été effectuée conformément à l'article 250, § 1er en combinaison avec l'article 457, notamment lorsque l'entité de résolution fait l'objet d'une mesure de résolution ;
4° soit l'entité de résolution donne toute garantie à l'autorité compétente en ce qui concerne la gestion prudente de la filiale et a déclaré, avec le consentement de l'autorité de contrôle, se porter garante des engagements contractés par la filiale, soit les risques de la filiale sont négligeables ;
5° les procédures d'évaluation, de mesure et de contrôle des risques de l'entité de résolution couvrent la filiale ;
6° l'entité de résolution détient plus de 50 % des droits de vote attachés à la détention d'actions ou de parts dans le capital de la filiale ou a le droit de nommer ou de révoquer la majorité des membres de l'organe légal d'administration de la filiale.
§ 4. Lorsqu'une filiale n'est pas une entité de résolution, l'autorité de résolution peut également exempter cette filiale de l'application du présent article lorsque :
1° tant la filiale que son entreprise mère sont établies en Belgique et font partie du même groupe de résolution ;
2° l'entreprise mère respecte, sur une base consolidée, l'exigence visée à l'article 267/3 ;
3° il n'existe, en droit ou en fait, aucun obstacle significatif, actuel ou prévu, au transfert rapide de fonds propres ou au remboursement rapide de dettes par l'entreprise mère à la filiale au sujet de laquelle une constatation a été faite conformément à l'article 250, § 1er en combinaison avec l'article 457, notamment lorsque l'entreprise mère fait l'objet d'une mesure de résolution ou de l'exercice du pouvoir visé à l'article 250, § 1er ;
4° soit l'entreprise mère donne toute garantie à l'autorité de contrôle en ce qui concerne la gestion prudente de la filiale et a déclaré, avec le consentement de l'autorité de contrôle, se porter garante des dettes contractées par la filiale, soit les risques de la filiale sont négligeables ;
5° les procédures d'évaluation, de mesure et de contrôle des risques de l'entreprise mère couvrent la filiale ;
6° l'entreprise mère détient plus de 50 % des droits de vote attachés à la détention d'actions ou de parts dans le capital de la filiale ou a le droit de nommer ou de révoquer la majorité des membres de l'organe légal d'administration de la filiale.
§ 5. Lorsque les conditions énoncées au paragraphe 3, points 1° et 2°, sont remplies, l'autorité de résolution d'une filiale peut autoriser que l'exigence visée à l'article 267/3 soit remplie complètement ou en partie au moyen d'une garantie accordée par l'entité de résolution, qui satisfait aux conditions suivantes :
1° la garantie est accordée pour un montant équivalent au montant de l'exigence qu'elle remplace ;
2° la garantie est déclenchée soit lorsque la filiale n'est pas en mesure de s'acquitter de ses dettes ou d'autres engagements à l'échéance, soit lorsqu'une constatation a été faite conformément à l'article 250, § 1er en combinaison avec l'article 457, en ce qui concerne la filiale, selon ce qui intervient en premier ;
3° la garantie est couverte par des sûretés à hauteur d'au moins 50 % de son montant dans le cadre d'une convention constitutive d'une sûreté réelle telle qu'elle est définie à l'article 3, 3° de la loi du 15 décembre 2004 relative aux sûretés financières et portant des dispositions fiscales diverses en matière de conventions constitutives de sûreté réelle et de prêts portant sur des instruments financiers et constituée conformément à cette loi ;
4° les sûretés visées au 3° remplissent les exigences prévues à l'article 197 du Règlement n° 575/2013, ce qui, après l'application de décotes suffisamment prudentes, est suffisant pour couvrir le montant garanti visé au point 3° ;
5° les sûretés visées au 3°, ainsi que les actifs qui en font l'objet, ne sont pas grevés et, en particulier, ne sont pas utilisés comme sûretés pour couvrir une autre garantie ;
6° les sûretés visées au 3° ont une échéance effective qui respecte la même condition relative à l'échéance que celle visée à l'article 72quater, paragraphe 1er, du Règlement n° 575/2013 ; et
7° il n'existe pas d'obstacles juridiques, réglementaires ou opérationnels s'opposant au transfert des actifs faisant l'objet des sûretés visées au 3° de l'entité de résolution vers la filiale concernée, y compris lorsque l'entité de résolution fait l'objet d'une mesure de résolution.
Aux fins de l'alinéa 1er, point 7°, à la demande de l'autorité de résolution, l'entité de résolution fournit par écrit un avis juridique indépendant et motivé ou démontre autrement, de manière satisfaisante, qu'il n'existe pas de tels obstacles juridiques, réglementaires ou opérationnels.".
Art. 192. In dezelfde wet wordt een artikel 267/5/5 ingevoegd, luidende:
"Art. 267/5/5. De afwikkelingsautoriteit kan een centrale instelling of een kredietinstelling die blijvend bij een centrale instelling is aangesloten, geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de toepassing van artikel 267/5/4 indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
1° de kredietinstelling en de centrale instelling vallen onder het toezicht van de toezichthouder, zijn gevestigd in België en maken deel uit van dezelfde af te wikkelen groep;
2° de verplichtingen van de centrale instelling en zijn blijvend aangesloten kredietinstellingen zijn hoofdelijke verplichtingen, of de verplichtingen van de blijvend aangesloten kredietinstellingen worden volledig door de centrale instelling gegarandeerd;
3° het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden, en de solvabiliteit en liquiditeit van de centrale instelling en van alle blijvend aangesloten kredietinstellingen worden in hun totaliteit gemonitord op basis van de geconsolideerde jaarrekening van die instellingen;
4° in het geval van een ontheffing voor een blijvend bij een centrale instelling aangesloten kredietinstelling, is de leiding van de centrale instelling bevoegd om instructies te geven aan de leiding van de blijvend aangesloten instelling;
5° de betrokken af te wikkelen groep voldoet aan het in artikel 267/5/3, § 3, bedoelde vereiste; en
6° er is geen bestaande of voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van schulden tussen de centrale instelling en de blijvend aangesloten kredietinstellingen in geval van afwikkeling.".
"Art. 267/5/5. De afwikkelingsautoriteit kan een centrale instelling of een kredietinstelling die blijvend bij een centrale instelling is aangesloten, geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de toepassing van artikel 267/5/4 indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
1° de kredietinstelling en de centrale instelling vallen onder het toezicht van de toezichthouder, zijn gevestigd in België en maken deel uit van dezelfde af te wikkelen groep;
2° de verplichtingen van de centrale instelling en zijn blijvend aangesloten kredietinstellingen zijn hoofdelijke verplichtingen, of de verplichtingen van de blijvend aangesloten kredietinstellingen worden volledig door de centrale instelling gegarandeerd;
3° het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden, en de solvabiliteit en liquiditeit van de centrale instelling en van alle blijvend aangesloten kredietinstellingen worden in hun totaliteit gemonitord op basis van de geconsolideerde jaarrekening van die instellingen;
4° in het geval van een ontheffing voor een blijvend bij een centrale instelling aangesloten kredietinstelling, is de leiding van de centrale instelling bevoegd om instructies te geven aan de leiding van de blijvend aangesloten instelling;
5° de betrokken af te wikkelen groep voldoet aan het in artikel 267/5/3, § 3, bedoelde vereiste; en
6° er is geen bestaande of voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van schulden tussen de centrale instelling en de blijvend aangesloten kredietinstellingen in geval van afwikkeling.".
Art. 192. Dans la même loi, il est inséré un article 267/5/5 rédigé comme suit :
"Art. 267/5/5. L'autorité de résolution peut exempter, en tout ou partie, de l'application de l'article 267/5/4 un organisme central ou un établissement de crédit qui est affilié de manière permanente à un organisme central, si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° l'établissement de crédit et l'organisme central relèvent de la supervision de l'autorité de contrôle, sont établis en Belgique et font partie du même groupe de résolution ;
2° les engagements de l'organisme central et des établissements de crédit affiliés de manière permanente constituent des engagements solidaires, ou les engagements des établissements affiliés de manière permanente sont entièrement garantis par l'organisme central ;
3° l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles, et la solvabilité et la liquidité de l'organisme central et de tous les établissements de crédit affiliés de manière permanente sont contrôlées dans leur globalité sur la base des comptes consolidés de ces établissements ;
4° dans le cas d'une exemption accordée à un établissement de crédit affilié de manière permanente à un organisme central, la direction de l'organisme central est habilitée à donner des instructions à la direction des établissements affiliés de manière permanente ;
5° le groupe de résolution concerné respecte l'exigence visée à l'article 267/5/3, § 3 ; et
6° il n'existe, en droit ou en fait, aucun obstacle significatif, actuel ou prévu, au transfert rapide de fonds propres ou au remboursement rapide de dettes entre l'organisme central et les établissements de crédit affiliés de manière permanente en cas de résolution.".
"Art. 267/5/5. L'autorité de résolution peut exempter, en tout ou partie, de l'application de l'article 267/5/4 un organisme central ou un établissement de crédit qui est affilié de manière permanente à un organisme central, si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° l'établissement de crédit et l'organisme central relèvent de la supervision de l'autorité de contrôle, sont établis en Belgique et font partie du même groupe de résolution ;
2° les engagements de l'organisme central et des établissements de crédit affiliés de manière permanente constituent des engagements solidaires, ou les engagements des établissements affiliés de manière permanente sont entièrement garantis par l'organisme central ;
3° l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles, et la solvabilité et la liquidité de l'organisme central et de tous les établissements de crédit affiliés de manière permanente sont contrôlées dans leur globalité sur la base des comptes consolidés de ces établissements ;
4° dans le cas d'une exemption accordée à un établissement de crédit affilié de manière permanente à un organisme central, la direction de l'organisme central est habilitée à donner des instructions à la direction des établissements affiliés de manière permanente ;
5° le groupe de résolution concerné respecte l'exigence visée à l'article 267/5/3, § 3 ; et
6° il n'existe, en droit ou en fait, aucun obstacle significatif, actuel ou prévu, au transfert rapide de fonds propres ou au remboursement rapide de dettes entre l'organisme central et les établissements de crédit affiliés de manière permanente en cas de résolution.".
Art. 193. In dezelfde wet wordt een artikel 267/5/6 ingevoegd, luidende:
"Art. 267/5/6. § 1. De kredietinstellingen en in artikel 424, 2° tot en met 4° bedoelde entiteiten waarop het in artikel 267/3 bedoelde vereiste van toepassing is, rapporteren aan hun bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten over het volgende:
1° de bedragen aan eigen vermogen dat waar toepasselijk voldoet aan de voorwaarden van artikel 267/5/4, § 2, 2° en de bedragen aan in aanmerking komende schulden en diezelfde bedragen in percentage, uitgedrukt overeenkomstig artikel 267/3, lid 2, na enige toepasselijke inhoudingen overeenkomstig de artikelen 72sexies tot en met 72undecies van Verordening nr. 575/2013;
2° de bedragen van andere bail-inbare schulden;
3° voor de in de punten 1° en 2°, bedoelde bestanddelen:
- hun samenstelling, waaronder hun looptijdprofiel,
- de rang ervan in liquidatieprocedures, en
- of de in aanmerking komende schulden onder de wetgeving van een derde land vallen, en of zij de in artikel 267/15, § 1 van deze wet en in artikel 52, lid 1, punten p) en q) en artikel 63, punten n) en o), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde contractuele voorwaarden bevatten.
De verplichting om verslag uit te brengen over de in punt 2°, van het eerste lid bedoelde bedragen aan andere bail-inbare schulden is niet van toepassing op entiteiten die op de datum van de rapportage van die informatie bedragen aan eigen vermogen en in aanmerking komende schulden aanhouden die minstens 150 % bedragen van het in artikel 267/3 bedoelde vereiste, als berekend overeenkomstig punt 1°, van het eerste lid.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde entiteiten rapporteren ten minste halfjaarlijks de informatie, bedoeld in paragraaf 1, punt 1°, en ten minste jaarlijks de informatie, bedoeld in paragraaf 1, punten 2° en 3°. De in paragraaf 1 bedoelde entiteiten rapporteren echter de in die paragraaf bedoelde informatie frequenter indien de toezichthouder of de afwikkelingsautoriteit daarom verzoekt.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde entiteiten maken de volgende informatie ten minste jaarlijks publiek beschikbaar:
1° de bedragen aan eigen vermogen dat, waar toepasselijk, voldoet aan de voorwaarden van artikel 267/5/4, § 2, 2°, en in aanmerking komende schulden;
2° de samenstelling van de in punt 1°, bedoelde bestanddelen, met inbegrip van hun looptijdprofiel en rang in een liquidatieprocedure;
3° het toepasselijke vereiste als bedoeld in artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4, uitgedrukt in percentage overeenkomstig artikel 267/3, § 2.
§ 4. De paragrafen 1 en 3 gelden niet voor entiteiten waarvan het afwikkelingsplan bepaalt dat de entiteit moet worden vereffend volgens de liquidatieprocedure.
§ 5. Indien afwikkelingsmaatregelen zijn uitgevoerd of de in de artikelen 250 of 457 bedoelde afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden zijn uitgeoefend, gelden de in paragraaf 3 bedoelde openbaarmakingsvereisten vanaf de in artikel 418 bedoelde datum waarop aan de vereisten van artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4 moet zijn voldaan.".
"Art. 267/5/6. § 1. De kredietinstellingen en in artikel 424, 2° tot en met 4° bedoelde entiteiten waarop het in artikel 267/3 bedoelde vereiste van toepassing is, rapporteren aan hun bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten over het volgende:
1° de bedragen aan eigen vermogen dat waar toepasselijk voldoet aan de voorwaarden van artikel 267/5/4, § 2, 2° en de bedragen aan in aanmerking komende schulden en diezelfde bedragen in percentage, uitgedrukt overeenkomstig artikel 267/3, lid 2, na enige toepasselijke inhoudingen overeenkomstig de artikelen 72sexies tot en met 72undecies van Verordening nr. 575/2013;
2° de bedragen van andere bail-inbare schulden;
3° voor de in de punten 1° en 2°, bedoelde bestanddelen:
- hun samenstelling, waaronder hun looptijdprofiel,
- de rang ervan in liquidatieprocedures, en
- of de in aanmerking komende schulden onder de wetgeving van een derde land vallen, en of zij de in artikel 267/15, § 1 van deze wet en in artikel 52, lid 1, punten p) en q) en artikel 63, punten n) en o), van Verordening nr. 575/2013 bedoelde contractuele voorwaarden bevatten.
De verplichting om verslag uit te brengen over de in punt 2°, van het eerste lid bedoelde bedragen aan andere bail-inbare schulden is niet van toepassing op entiteiten die op de datum van de rapportage van die informatie bedragen aan eigen vermogen en in aanmerking komende schulden aanhouden die minstens 150 % bedragen van het in artikel 267/3 bedoelde vereiste, als berekend overeenkomstig punt 1°, van het eerste lid.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde entiteiten rapporteren ten minste halfjaarlijks de informatie, bedoeld in paragraaf 1, punt 1°, en ten minste jaarlijks de informatie, bedoeld in paragraaf 1, punten 2° en 3°. De in paragraaf 1 bedoelde entiteiten rapporteren echter de in die paragraaf bedoelde informatie frequenter indien de toezichthouder of de afwikkelingsautoriteit daarom verzoekt.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde entiteiten maken de volgende informatie ten minste jaarlijks publiek beschikbaar:
1° de bedragen aan eigen vermogen dat, waar toepasselijk, voldoet aan de voorwaarden van artikel 267/5/4, § 2, 2°, en in aanmerking komende schulden;
2° de samenstelling van de in punt 1°, bedoelde bestanddelen, met inbegrip van hun looptijdprofiel en rang in een liquidatieprocedure;
3° het toepasselijke vereiste als bedoeld in artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4, uitgedrukt in percentage overeenkomstig artikel 267/3, § 2.
§ 4. De paragrafen 1 en 3 gelden niet voor entiteiten waarvan het afwikkelingsplan bepaalt dat de entiteit moet worden vereffend volgens de liquidatieprocedure.
§ 5. Indien afwikkelingsmaatregelen zijn uitgevoerd of de in de artikelen 250 of 457 bedoelde afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden zijn uitgeoefend, gelden de in paragraaf 3 bedoelde openbaarmakingsvereisten vanaf de in artikel 418 bedoelde datum waarop aan de vereisten van artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4 moet zijn voldaan.".
Art. 193. Dans la même loi, il est inséré un article 267/5/6 rédigé comme suit :
"Art. 267/5/6. § 1er. Les établissements de crédit et les entités visées à l'article 424, 2° à 4°, qui sont soumis à l'exigence visée à l'article 267/3, transmettent des déclarations à leurs autorités compétentes et à leurs autorités de résolution sur les points suivants :
1° les montants des fonds propres qui, le cas échéant, satisfont aux conditions énoncées à l'article 267/5/4, § 2, 2°, et les montants des dettes éligibles, ainsi que l'expression de ces montants en pourcentage conformément à l'article 267/3, alinéa 2, après, le cas échéant, les déductions prévues conformément aux articles 72sexies à 72undecies du Règlement n° 575/2013 ;
2° les montants des autres dettes utilisables pour un renflouement interne ;
3° pour les éléments visés aux points 1° et 2° :
- leur composition, y compris la structure de leurs échéances,
- leur rang dans le cadre d'une procédure de liquidation, et
- si les dettes éligibles sont régies par le droit d'un pays tiers et si elles contiennent les clauses contractuelles visées à l'article 267/15, § 1er de cette loi et, à l'article 52, paragraphe 1er, points p) et q), et à l'article 63, points n) et o), du Règlement n° 575/2013.
L'obligation de notifier les montants d'autres dettes utilisables pour un renflouement interne visés au point 2° de l'alinéa 1er ne s'applique pas aux entités qui, à la date de la notification de ladite information, détiennent des montants de fonds propres et de dettes éligibles d'au moins 150 % de l'exigence visée à l'article 267/3, calculés conformément au point 1°, de l'alinéa 1er.
§ 2. Les entités visées au paragraphe 1er communiquent au moins une fois par semestre les informations visées au paragraphe 1er, point 1° et au moins une fois par an les informations visées au paragraphe 1er, points 2° et 3°. Toutefois, à la demande de l'autorité de contrôle ou de l'autorité de résolution, les entités visées au paragraphe 1er communiquent les informations visées audit paragraphe à une plus grande fréquence.
§ 3. Les entités visées au paragraphe 1er rendent publiques les informations suivantes au moins une fois par an :
1° les montants des fonds propres qui, le cas échéant, satisfont aux conditions énoncées à l'article 267/5/4, § 2, 2°, et des dettes éligibles ;
2° la composition des éléments visés au point 1°, y compris la structure de leurs échéances et leur rang dans le cadre d'une procédure de liquidation ;
3° l'exigence applicable visée à l'article 267/5/3 ou à l'article 267/5/4, exprimée en pourcentage conformément à l'article 267/3, § 2.
§ 4. Les paragraphes 1er et 3 ne s'appliquent pas aux entités dont le plan de résolution prévoit qu'elles doivent être mises en liquidation dans le cadre d'une procédure normale de liquidation.
§ 5. Lorsque des mesures de résolution ont été mises en oeuvre ou que les pouvoirs de dépréciation ou de conversion visés aux articles 250 ou 457 ont été exercés, les obligations en matière de publication visées au paragraphe 3 s'appliquent à partir de la date limite fixée pour le respect des exigences énoncées à l'article 267/5/3 ou à l'article 267/5/4, visée à l'article 418.".
"Art. 267/5/6. § 1er. Les établissements de crédit et les entités visées à l'article 424, 2° à 4°, qui sont soumis à l'exigence visée à l'article 267/3, transmettent des déclarations à leurs autorités compétentes et à leurs autorités de résolution sur les points suivants :
1° les montants des fonds propres qui, le cas échéant, satisfont aux conditions énoncées à l'article 267/5/4, § 2, 2°, et les montants des dettes éligibles, ainsi que l'expression de ces montants en pourcentage conformément à l'article 267/3, alinéa 2, après, le cas échéant, les déductions prévues conformément aux articles 72sexies à 72undecies du Règlement n° 575/2013 ;
2° les montants des autres dettes utilisables pour un renflouement interne ;
3° pour les éléments visés aux points 1° et 2° :
- leur composition, y compris la structure de leurs échéances,
- leur rang dans le cadre d'une procédure de liquidation, et
- si les dettes éligibles sont régies par le droit d'un pays tiers et si elles contiennent les clauses contractuelles visées à l'article 267/15, § 1er de cette loi et, à l'article 52, paragraphe 1er, points p) et q), et à l'article 63, points n) et o), du Règlement n° 575/2013.
L'obligation de notifier les montants d'autres dettes utilisables pour un renflouement interne visés au point 2° de l'alinéa 1er ne s'applique pas aux entités qui, à la date de la notification de ladite information, détiennent des montants de fonds propres et de dettes éligibles d'au moins 150 % de l'exigence visée à l'article 267/3, calculés conformément au point 1°, de l'alinéa 1er.
§ 2. Les entités visées au paragraphe 1er communiquent au moins une fois par semestre les informations visées au paragraphe 1er, point 1° et au moins une fois par an les informations visées au paragraphe 1er, points 2° et 3°. Toutefois, à la demande de l'autorité de contrôle ou de l'autorité de résolution, les entités visées au paragraphe 1er communiquent les informations visées audit paragraphe à une plus grande fréquence.
§ 3. Les entités visées au paragraphe 1er rendent publiques les informations suivantes au moins une fois par an :
1° les montants des fonds propres qui, le cas échéant, satisfont aux conditions énoncées à l'article 267/5/4, § 2, 2°, et des dettes éligibles ;
2° la composition des éléments visés au point 1°, y compris la structure de leurs échéances et leur rang dans le cadre d'une procédure de liquidation ;
3° l'exigence applicable visée à l'article 267/5/3 ou à l'article 267/5/4, exprimée en pourcentage conformément à l'article 267/3, § 2.
§ 4. Les paragraphes 1er et 3 ne s'appliquent pas aux entités dont le plan de résolution prévoit qu'elles doivent être mises en liquidation dans le cadre d'une procédure normale de liquidation.
§ 5. Lorsque des mesures de résolution ont été mises en oeuvre ou que les pouvoirs de dépréciation ou de conversion visés aux articles 250 ou 457 ont été exercés, les obligations en matière de publication visées au paragraphe 3 s'appliquent à partir de la date limite fixée pour le respect des exigences énoncées à l'article 267/5/3 ou à l'article 267/5/4, visée à l'article 418.".
Art. 194. In dezelfde wet wordt een artikel 267/5/7 ingevoegd, luidende:
"Art. 267/5/7. De afwikkelingsautoriteit stelt de EBA in kennis van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden dat voor elke entiteit overeenkomstig artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4 is vastgesteld.".
"Art. 267/5/7. De afwikkelingsautoriteit stelt de EBA in kennis van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden dat voor elke entiteit overeenkomstig artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4 is vastgesteld.".
Art. 194. Dans la même loi, il est inséré un article 267/5/7 rédigé comme suit :
"Art. 267/5/7. L'autorité de résolution informe l'ABE de l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles qui a été fixée pour chaque entité conformément à l'article 267/5/3 ou à l'article 267/5/4.".
"Art. 267/5/7. L'autorité de résolution informe l'ABE de l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles qui a été fixée pour chaque entité conformément à l'article 267/5/3 ou à l'article 267/5/4.".
Art. 195. In dezelfde wet wordt een artikel 267/5/8 ingevoegd, luidende:
"Art. 267/5/8. § 1. Elke schending van het in artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4 bedoelde minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden wordt door de afwikkelingsautoriteit of de toezichthouder aangepakt met behulp van ten minste één van het volgende:
1° de bevoegdheid om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid aan te pakken of weg te nemen overeenkomstig de artikelen 231 tot en met 232, en 449 tot en met 451;
2° de bevoegdheden tot het verbieden van bepaalde uitkeringen bedoeld in de artikelen 230/1 tot en met 230/4;
3° herstelmaatregelen overeenkomstig de artikelen 234 en 236;
4° de maatregelen en sancties bedoeld in de artikelen 345 tot en met 347.
De afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder kunnen ook beoordelen of de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, in gebreke blijft of dit nakend is, overeenkomstig artikel 244, 244/1, of 454, naar gelang het geval.
§ 2. De afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder raadplegen elkaar wanneer ze hun respectieve in paragraaf 1 bedoelde bevoegdheden uitoefenen.
"Art. 267/5/8. § 1. Elke schending van het in artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4 bedoelde minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden wordt door de afwikkelingsautoriteit of de toezichthouder aangepakt met behulp van ten minste één van het volgende:
1° de bevoegdheid om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid aan te pakken of weg te nemen overeenkomstig de artikelen 231 tot en met 232, en 449 tot en met 451;
2° de bevoegdheden tot het verbieden van bepaalde uitkeringen bedoeld in de artikelen 230/1 tot en met 230/4;
3° herstelmaatregelen overeenkomstig de artikelen 234 en 236;
4° de maatregelen en sancties bedoeld in de artikelen 345 tot en met 347.
De afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder kunnen ook beoordelen of de kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, in gebreke blijft of dit nakend is, overeenkomstig artikel 244, 244/1, of 454, naar gelang het geval.
§ 2. De afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder raadplegen elkaar wanneer ze hun respectieve in paragraaf 1 bedoelde bevoegdheden uitoefenen.
Art. 195. Dans la même loi, il est inséré un article 267/5/8 rédigé comme suit :
"Art. 267/5/8. § 1er. L'autorité de contrôle ou l'autorité de résolution remédient à tout non-respect de l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles visée à l'article 267/5/3 ou à l'article 267/5/4 en s'appuyant sur l'un des moyens suivants au moins :
1° le pouvoir de réduire ou de supprimer les obstacles à la résolvabilité conformément aux articles 231 à 232, et 449 à 451 ;
2° les pouvoirs d'interdire certaines distributions visées aux article 230/1 à 230/4 ;
3° les mesures de redressement conformément aux articles 234 et 236 ;
4° les mesures et les sanctions visées aux articles 345 à 347.
Les autorités concernées peuvent aussi évaluer si la défaillance de l'établissement de crédit ou de l'entité visée à l'article 424, 2° à 4°, est avérée ou prévisible, conformément à l'article 244, 244/1 ou 454, selon le cas.
§ 2. L'autorité de résolution et l'autorité de contrôle se consultent lorsqu'elles exercent leurs pouvoirs respectifs visés au paragraphe 1er.
"Art. 267/5/8. § 1er. L'autorité de contrôle ou l'autorité de résolution remédient à tout non-respect de l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles visée à l'article 267/5/3 ou à l'article 267/5/4 en s'appuyant sur l'un des moyens suivants au moins :
1° le pouvoir de réduire ou de supprimer les obstacles à la résolvabilité conformément aux articles 231 à 232, et 449 à 451 ;
2° les pouvoirs d'interdire certaines distributions visées aux article 230/1 à 230/4 ;
3° les mesures de redressement conformément aux articles 234 et 236 ;
4° les mesures et les sanctions visées aux articles 345 à 347.
Les autorités concernées peuvent aussi évaluer si la défaillance de l'établissement de crédit ou de l'entité visée à l'article 424, 2° à 4°, est avérée ou prévisible, conformément à l'article 244, 244/1 ou 454, selon le cas.
§ 2. L'autorité de résolution et l'autorité de contrôle se consultent lorsqu'elles exercent leurs pouvoirs respectifs visés au paragraphe 1er.
Art. 196. In dezelfde wet wordt een artikel 267/5/9 ingevoegd, luidende:
"Art. 267/5/9. De afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder verlenen de EBA bijstand bij het voorbereiden en indienen van het jaarlijks verslag bedoeld in artikel 45terdecies, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU.".
"Art. 267/5/9. De afwikkelingsautoriteit en de toezichthouder verlenen de EBA bijstand bij het voorbereiden en indienen van het jaarlijks verslag bedoeld in artikel 45terdecies, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU.".
Art. 196. Dans la même loi, il est inséré un article 267/5/9 rédigé comme suit :
"Art. 267/5/9. L'autorité de contrôle et l'autorité de résolution assistent l'ABE dans la préparation et la présentation du rapport annuel visé à l'article 45terdecies, paragraphe 1er, de la Directive 2014/59/UE.".
"Art. 267/5/9. L'autorité de contrôle et l'autorité de résolution assistent l'ABE dans la préparation et la présentation du rapport annuel visé à l'article 45terdecies, paragraphe 1er, de la Directive 2014/59/UE.".
Art. 197. In artikel 267/6 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 december 2015 en gewijzigd bij de wet van 27 juni 2016, worden de woorden "in aanmerking komende schulden" telkens vervangen door de woorden "bail-inbare schulden".
Art. 197. Dans l'article 267/6 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 18 décembre 2015 et modifié par la loi du 27 juin 2016, les mots "dettes éligibles" sont chaque fois remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne".
Art. 198. In artikel 267/7, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 1, 2°, b) worden de woorden "in aanmerking komende schulden" vervangen door de woorden "bail-inbare schulden";
2° paragraaf wordt 4 als volgt vervangen:
" § 4. Indien de toepassing van het instrument van interne versterking leidt tot de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling of tot een verhoging van een dergelijke deelneming waardoor een van de in artikel 46 bepaalde drempels wordt bereikt of overschreden, is artikel 269/1 van toepassing."
1° in § 1, 2°, b) worden de woorden "in aanmerking komende schulden" vervangen door de woorden "bail-inbare schulden";
2° paragraaf wordt 4 als volgt vervangen:
" § 4. Indien de toepassing van het instrument van interne versterking leidt tot de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling of tot een verhoging van een dergelijke deelneming waardoor een van de in artikel 46 bepaalde drempels wordt bereikt of overschreden, is artikel 269/1 van toepassing."
Art. 198. Dans l'article 267/7, de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 18 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, 2°, b) les mots "dettes éligibles" sont remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne" ;
2° le paragrahe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Si l'application de l'instrument de renflouement interne aboutit à l'acquisition d'une participation qualifiée dans l'établissement de crédit ou à l'augmentation d'une telle participation faisant atteindre ou dépasser l'un des seuils prévus à l'article 46, l'article 269/1 est d'application.".
1° dans le paragraphe 1er, 2°, b) les mots "dettes éligibles" sont remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne" ;
2° le paragrahe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Si l'application de l'instrument de renflouement interne aboutit à l'acquisition d'une participation qualifiée dans l'établissement de crédit ou à l'augmentation d'une telle participation faisant atteindre ou dépasser l'un des seuils prévus à l'article 46, l'article 269/1 est d'application.".
Art. 199. In artikel 267/8 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het bepaalde onder 5° als volgt vervangen:
"5° indien de vermindering overeenkomstig de punten 1° tot en met 4° hierboven minder dan de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° vermelde bedragen is, verlaagt de afwikkelingsautoriteit de hoofdsom van, of het verschuldigde bedrag met betrekking tot, de rest van de bail-inbare schulden, met inbegrip van de schuldinstrumenten bedoeld in artikel 389/1, 2°, met inachtneming van de rangorde van vorderingen die in een liquidatieprocedure wordt toegepast, in de mate die noodzakelijk is om de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° bedoelde bedragen te verkrijgen.";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "in aanmerking komende schulden" telkens vervangen door de woorden "bail-inbare schulden".
1° in paragraaf 1 wordt het bepaalde onder 5° als volgt vervangen:
"5° indien de vermindering overeenkomstig de punten 1° tot en met 4° hierboven minder dan de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° vermelde bedragen is, verlaagt de afwikkelingsautoriteit de hoofdsom van, of het verschuldigde bedrag met betrekking tot, de rest van de bail-inbare schulden, met inbegrip van de schuldinstrumenten bedoeld in artikel 389/1, 2°, met inachtneming van de rangorde van vorderingen die in een liquidatieprocedure wordt toegepast, in de mate die noodzakelijk is om de som van de in artikel 267/7, § 3, 2° en 3° bedoelde bedragen te verkrijgen.";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "in aanmerking komende schulden" telkens vervangen door de woorden "bail-inbare schulden".
Art. 199. A l'article 267/8 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 18 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, le 5° est remplacé par ce qui suit :
"5° si la réduction opérée en application des 1° à 4° ci-dessus est inférieure à la somme des montants mentionnés à l'article 267/7, § 3, 2° et 3°, l'autorité de résolution réduit le montant en principal des dettes utilisables pour un renflouement interne, ou les sommes dues à leur titre, y inclus les instruments de dette visés à l'article 389/1, 2°, dans le respect de la hiérarchie des créances appliquée dans le cadre d'une procédure de liquidation dans la mesure nécessaire pour obtenir la somme des montants visés à l'article 267/7, § 3, 2° et 3." ;
2° dans le paragraphe 2, les mots "dettes éligibles" sont chaque fois remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne".
1° dans le paragraphe 1er, le 5° est remplacé par ce qui suit :
"5° si la réduction opérée en application des 1° à 4° ci-dessus est inférieure à la somme des montants mentionnés à l'article 267/7, § 3, 2° et 3°, l'autorité de résolution réduit le montant en principal des dettes utilisables pour un renflouement interne, ou les sommes dues à leur titre, y inclus les instruments de dette visés à l'article 389/1, 2°, dans le respect de la hiérarchie des créances appliquée dans le cadre d'une procédure de liquidation dans la mesure nécessaire pour obtenir la somme des montants visés à l'article 267/7, § 3, 2° et 3." ;
2° dans le paragraphe 2, les mots "dettes éligibles" sont chaque fois remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne".
Art. 200. In artikel 267/14 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, worden de woorden "in aanmerking komende schulden" vervangen door de woorden "bail-inbare schulden" en wordt het getal "275" vervangen door het getal "295/1".
Art. 200. Dans l'article 267/14 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 18 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, les mots "dettes éligibles" sont remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne" et le nombre "275" est remplacé par le nombre "295/1".
Art. 201. Artikel 267/15 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt als volgt vervangen:
"Art. 267/15. § 1. Kredietinstellingen en entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4° nemen in de overeenkomsten waarbij bail-inbare schulden worden aangegaan, een bepaling op waarbij de schuldeiser erkent dat de schuld onderworpen is aan de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden en er in toestemt gebonden te zijn door elke door de afwikkelingsautoriteit krachtens haar bevoegdheden uitgeoefende maatregel tot omzetting of tot verlaging van de hoofdsom of van het uitstaande verschuldigde bedrag, mits die schulden:
- niet uitgesloten zijn op grond van artikel 242, 10° ;
- onderworpen zijn aan de wetgeving van een derde land;
- geen deposito vormen als vermeld in artikel 389, § 2; en
- zijn aangegaan vanaf 1 januari 2016.
De afwikkelingsautoriteit kan verlangen dat de betrokken kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4° haar een juridisch advies verstrekt over de afdwingbaarheid en de doeltreffendheid van een dergelijke clausule.
De afwikkelingsautoriteit kan besluiten dat de verplichting bedoeld in het eerste lid niet van toepassing is op kredietinstellingen of entiteiten waarvoor het vereiste op grond van artikel 267/3 gelijk is aan het verliesabsorptiebedrag als gedefinieerd in artikel 267/5/1, § 2, 1°, mits schulden die voldoen aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden, en ten aanzien waarvan het in dat lid bedoelde contractuele beding niet is opgenomen, niet nodig zijn om aan dit vereiste te voldoen.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat de verplichtingen of instrumenten onderworpen kunnen zijn aan haar afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden krachtens de wetgeving van een derde land of een met dat derde land gesloten bindende overeenkomst.
Het ontbreken van de in het eerste lid bedoelde bepaling in de overeenkomst belet niet dat de afwikkelingsautoriteit haar prerogatieven uitoefent.
§ 2. Indien een kredietinstelling of entiteit als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, tot de vaststelling komt dat het onuitvoerbaar is om een overeenkomstig paragraaf 1 vereist beding op te nemen in de contractuele bepalingen, stelt die kredietinstelling of entiteit de afwikkelingsautoriteit daarvan in kennis, samen met de vermelding van de categorie schulden en de rechtvaardiging van die vaststelling. De kredietinstelling of entiteit verstrekt de afwikkelingsautoriteit alle informatie waarom de afwikkelingsautoriteit binnen een redelijke termijn na ontvangst van de kennisgeving verzoekt, zodat de afwikkelingsautoriteit kan beoordelen welke gevolgen die vastgestelde onuitvoerbaarheid heeft op de afwikkelbaarheid van die kredietinstelling of entiteit.
In geval van een kennisgeving op grond van het voorgaande lid, wordt de verplichting om een overeenkomstig paragraaf 1 vereist beding in de contractuele bepalingen op te nemen, automatisch opgeschort zodra de afwikkelingsautoriteit de kennisgeving heeft ontvangen.
Indien de afwikkelingsautoriteit besluit dat het niet onuitvoerbaar is om een overeenkomstig paragraaf 1 vereist beding op te nemen in de voor een betrokken verplichting geldende contractuele bepalingen, mag zij eisen, rekening houdend met de plicht om de afwikkelbaarheid van de kredietinstelling of entiteit te waarborgen, dat een dergelijk contractueel beding binnen een redelijke termijn na de in het eerste lid bedoelde kennisgeving wordt opgenomen. De afwikkelingsautoriteit mag eisen dat de kredietinstelling of entiteit haar praktijken inzake de toepassing van de vrijstelling van de contractuele erkenning van het instrument van interne versterking wijzigt.
De schulden bedoeld in het eerste lid omvatten geen aanvullend-tier 1-instrumenten, tier 2- instrumenten en schuldinstrumenten als bedoeld in artikel 242, 21°, indien die instrumenten ongedekte schulden zijn. Bovendien zijn de in het eerste lid bedoelde schulden van een hogere rang dan de schulden bedoeld in artikel 389/1, 2°.
De schulden waarvoor de kredietinstelling of entiteit nalaat het overeenkomstig paragraaf 1 vereiste beding in de contractuele bepalingen op te nemen of waarvoor dat vereiste overeenkomstig de huidige paragraaf niet geldt, worden niet meegerekend voor het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden.
§ 3. De afwikkelingsautoriteit vermeldt, indien zij dat noodzakelijk acht, de categorieën schulden ten aanzien waarvan een kredietinstelling of entiteit tot de vaststelling kan komen dat het onuitvoerbaar is om het in paragraaf 1 bedoelde contractueel beding op te nemen op basis van de krachtens artikel 55, lid 6 van Richtlijn 2014/59/EU nader bepaalde voorwaarden.".
"Art. 267/15. § 1. Kredietinstellingen en entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4° nemen in de overeenkomsten waarbij bail-inbare schulden worden aangegaan, een bepaling op waarbij de schuldeiser erkent dat de schuld onderworpen is aan de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden en er in toestemt gebonden te zijn door elke door de afwikkelingsautoriteit krachtens haar bevoegdheden uitgeoefende maatregel tot omzetting of tot verlaging van de hoofdsom of van het uitstaande verschuldigde bedrag, mits die schulden:
- niet uitgesloten zijn op grond van artikel 242, 10° ;
- onderworpen zijn aan de wetgeving van een derde land;
- geen deposito vormen als vermeld in artikel 389, § 2; en
- zijn aangegaan vanaf 1 januari 2016.
De afwikkelingsautoriteit kan verlangen dat de betrokken kredietinstelling of entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4° haar een juridisch advies verstrekt over de afdwingbaarheid en de doeltreffendheid van een dergelijke clausule.
De afwikkelingsautoriteit kan besluiten dat de verplichting bedoeld in het eerste lid niet van toepassing is op kredietinstellingen of entiteiten waarvoor het vereiste op grond van artikel 267/3 gelijk is aan het verliesabsorptiebedrag als gedefinieerd in artikel 267/5/1, § 2, 1°, mits schulden die voldoen aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden, en ten aanzien waarvan het in dat lid bedoelde contractuele beding niet is opgenomen, niet nodig zijn om aan dit vereiste te voldoen.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat de verplichtingen of instrumenten onderworpen kunnen zijn aan haar afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden krachtens de wetgeving van een derde land of een met dat derde land gesloten bindende overeenkomst.
Het ontbreken van de in het eerste lid bedoelde bepaling in de overeenkomst belet niet dat de afwikkelingsautoriteit haar prerogatieven uitoefent.
§ 2. Indien een kredietinstelling of entiteit als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, tot de vaststelling komt dat het onuitvoerbaar is om een overeenkomstig paragraaf 1 vereist beding op te nemen in de contractuele bepalingen, stelt die kredietinstelling of entiteit de afwikkelingsautoriteit daarvan in kennis, samen met de vermelding van de categorie schulden en de rechtvaardiging van die vaststelling. De kredietinstelling of entiteit verstrekt de afwikkelingsautoriteit alle informatie waarom de afwikkelingsautoriteit binnen een redelijke termijn na ontvangst van de kennisgeving verzoekt, zodat de afwikkelingsautoriteit kan beoordelen welke gevolgen die vastgestelde onuitvoerbaarheid heeft op de afwikkelbaarheid van die kredietinstelling of entiteit.
In geval van een kennisgeving op grond van het voorgaande lid, wordt de verplichting om een overeenkomstig paragraaf 1 vereist beding in de contractuele bepalingen op te nemen, automatisch opgeschort zodra de afwikkelingsautoriteit de kennisgeving heeft ontvangen.
Indien de afwikkelingsautoriteit besluit dat het niet onuitvoerbaar is om een overeenkomstig paragraaf 1 vereist beding op te nemen in de voor een betrokken verplichting geldende contractuele bepalingen, mag zij eisen, rekening houdend met de plicht om de afwikkelbaarheid van de kredietinstelling of entiteit te waarborgen, dat een dergelijk contractueel beding binnen een redelijke termijn na de in het eerste lid bedoelde kennisgeving wordt opgenomen. De afwikkelingsautoriteit mag eisen dat de kredietinstelling of entiteit haar praktijken inzake de toepassing van de vrijstelling van de contractuele erkenning van het instrument van interne versterking wijzigt.
De schulden bedoeld in het eerste lid omvatten geen aanvullend-tier 1-instrumenten, tier 2- instrumenten en schuldinstrumenten als bedoeld in artikel 242, 21°, indien die instrumenten ongedekte schulden zijn. Bovendien zijn de in het eerste lid bedoelde schulden van een hogere rang dan de schulden bedoeld in artikel 389/1, 2°.
De schulden waarvoor de kredietinstelling of entiteit nalaat het overeenkomstig paragraaf 1 vereiste beding in de contractuele bepalingen op te nemen of waarvoor dat vereiste overeenkomstig de huidige paragraaf niet geldt, worden niet meegerekend voor het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden.
§ 3. De afwikkelingsautoriteit vermeldt, indien zij dat noodzakelijk acht, de categorieën schulden ten aanzien waarvan een kredietinstelling of entiteit tot de vaststelling kan komen dat het onuitvoerbaar is om het in paragraaf 1 bedoelde contractueel beding op te nemen op basis van de krachtens artikel 55, lid 6 van Richtlijn 2014/59/EU nader bepaalde voorwaarden.".
Art. 201. L'article 267/15 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 18 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 267/15. § 1er. Les établissements de crédit, ainsi que les entités visées à l'article 424, 2° à 4°, introduisent dans les contrats par lesquels des dettes utilisables pour un renflouement interne sont contractées, une clause stipulant que le créancier reconnaît que la dette est soumise aux pouvoirs de réduction ou de conversion et accepte d'être lié par toute mesure de conversion ou de réduction du principal ou de l'encours restant dû effectuée par l'autorité de résolution dans l'exercice de ses prérogatives, à condition que ces dettes
- ne sont pas exclues au titre de l'article 242, 10° ;
- sont régies par la législation d'un pays tiers ;
- ne constituent pas un dépôt mentionné à l'article 389, § 2 ; et
- sont contractées à partir du 1er janvier 2016.
L'autorité de résolution peut exiger de l'établissement de crédit ou de l'entité visée à l'article 424, 2° à 4° concerné de lui fournir un avis juridique concernant le caractère exécutoire et l'efficacité d'une telle clause.
L'autorité de résolution peut décider que l'obligation figurant à l'alinéa 1er ne s'applique pas aux établissements de crédit ou entités pour lesquels l'exigence au titre de l'article 267/3 correspond au montant d'absorption des pertes, tel qu'il est défini à l'article 267/5/1, § 2, 1°, à condition que ces dettes qui sont conformes aux conditions visées à l'alinéa 1er et qui n'incluent pas la clause contractuelle visée à cet alinéa ne soient pas nécessaires pour satisfaire cette exigence.
L'alinéa 1er ne s'applique pas dans le cas où l'autorité de résolution estime que les engagements ou instruments peuvent être soumis à ses pouvoirs de dépréciation et de conversion en application de la législation d'un pays tiers ou d'un accord contraignant conclu avec lui.
L'absence de la clause requise à l'alinéa 1er ne fait pas obstacle à l'exercice par l'autorité de résolution de ses prérogatives.
§ 2. Lorsqu'un établissement de crédit ou une entité visée à l'article 424, 2° à 4°, constate qu'il est impossible d'intégrer dans les dispositions contractuelles une clause requise en vertu du paragraphe 1er, cet établissement de crédit ou cette entité notifie à l'autorité de résolution son constat, en précisant la catégorie à laquelle appartient la dette et en justifiant ce constat. L'établissement de crédit ou l'entité fournit à l'autorité de résolution toutes les informations que celle-ci demande dans un délai raisonnable suivant la réception de la notification, afin que l'autorité de résolution évalue l'effet que peut avoir une telle impossibilité constatée sur la résolvabilité de cet établissement de crédit ou de cette entité.
Lorsqu'une notification a été effectuée en application de l'alinéa précédent, l'obligation d'intégrer dans les dispositions contractuelles une clause requise en vertu du paragraphe 1er est suspendue de plein droit dès la réception de la notification par l'autorité de résolution.
Dans le cas où l'autorité de résolution conclut qu'il n'est pas impossible d'intégrer dans les dispositions contractuelles une clause requise en vertu du paragraphe 1er, compte tenu de la nécessité d'assurer la résolvabilité de l'établissement de crédit ou de l'entité, elle peut exiger, dans un délai raisonnable après la notification effectuée en application de l'alinéa 1er, qu'une telle clause contractuelle soit intégrée. L'autorité de résolution peut en outre imposer à l'établissement de crédit ou à l'entité de modifier ses pratiques concernant le recours à l'exemption à la reconnaissance contractuelle du renflouement interne.
Les dettes visées à l'alinéa 1er n'incluent pas les instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1, les instruments de fonds propres de catégorie 2 et les instruments de dette visés à l'article 242, 21°, lorsque ces instruments sont des dettes non garanties. De plus, les dettes visées à l'alinéa 1er ont un rang supérieur aux dettes visées à l'article 389/1, 2°.
Les dettes pour lesquelles l'établissement de crédit ou l'entité omet d'intégrer dans les dispositions contractuelles la clause requise en vertu du paragraphe 1er, ou pour lesquelles, conformément au présent paragraphe, cette exigence ne s'applique pas, ne sont pas comptabilisées aux fins de l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles.
§ 3. L'autorité de résolution précise, si elle le juge nécessaire, les catégories de dettes pour lesquelles un établissement de crédit ou une entité peut constater qu'il est impossible d'intégrer la clause contractuelle visée au paragraphe 1er, sur la base des conditions précisées en application de l'article 55, paragraphe 6 de la Directive 2014/59/UE.".
"Art. 267/15. § 1er. Les établissements de crédit, ainsi que les entités visées à l'article 424, 2° à 4°, introduisent dans les contrats par lesquels des dettes utilisables pour un renflouement interne sont contractées, une clause stipulant que le créancier reconnaît que la dette est soumise aux pouvoirs de réduction ou de conversion et accepte d'être lié par toute mesure de conversion ou de réduction du principal ou de l'encours restant dû effectuée par l'autorité de résolution dans l'exercice de ses prérogatives, à condition que ces dettes
- ne sont pas exclues au titre de l'article 242, 10° ;
- sont régies par la législation d'un pays tiers ;
- ne constituent pas un dépôt mentionné à l'article 389, § 2 ; et
- sont contractées à partir du 1er janvier 2016.
L'autorité de résolution peut exiger de l'établissement de crédit ou de l'entité visée à l'article 424, 2° à 4° concerné de lui fournir un avis juridique concernant le caractère exécutoire et l'efficacité d'une telle clause.
L'autorité de résolution peut décider que l'obligation figurant à l'alinéa 1er ne s'applique pas aux établissements de crédit ou entités pour lesquels l'exigence au titre de l'article 267/3 correspond au montant d'absorption des pertes, tel qu'il est défini à l'article 267/5/1, § 2, 1°, à condition que ces dettes qui sont conformes aux conditions visées à l'alinéa 1er et qui n'incluent pas la clause contractuelle visée à cet alinéa ne soient pas nécessaires pour satisfaire cette exigence.
L'alinéa 1er ne s'applique pas dans le cas où l'autorité de résolution estime que les engagements ou instruments peuvent être soumis à ses pouvoirs de dépréciation et de conversion en application de la législation d'un pays tiers ou d'un accord contraignant conclu avec lui.
L'absence de la clause requise à l'alinéa 1er ne fait pas obstacle à l'exercice par l'autorité de résolution de ses prérogatives.
§ 2. Lorsqu'un établissement de crédit ou une entité visée à l'article 424, 2° à 4°, constate qu'il est impossible d'intégrer dans les dispositions contractuelles une clause requise en vertu du paragraphe 1er, cet établissement de crédit ou cette entité notifie à l'autorité de résolution son constat, en précisant la catégorie à laquelle appartient la dette et en justifiant ce constat. L'établissement de crédit ou l'entité fournit à l'autorité de résolution toutes les informations que celle-ci demande dans un délai raisonnable suivant la réception de la notification, afin que l'autorité de résolution évalue l'effet que peut avoir une telle impossibilité constatée sur la résolvabilité de cet établissement de crédit ou de cette entité.
Lorsqu'une notification a été effectuée en application de l'alinéa précédent, l'obligation d'intégrer dans les dispositions contractuelles une clause requise en vertu du paragraphe 1er est suspendue de plein droit dès la réception de la notification par l'autorité de résolution.
Dans le cas où l'autorité de résolution conclut qu'il n'est pas impossible d'intégrer dans les dispositions contractuelles une clause requise en vertu du paragraphe 1er, compte tenu de la nécessité d'assurer la résolvabilité de l'établissement de crédit ou de l'entité, elle peut exiger, dans un délai raisonnable après la notification effectuée en application de l'alinéa 1er, qu'une telle clause contractuelle soit intégrée. L'autorité de résolution peut en outre imposer à l'établissement de crédit ou à l'entité de modifier ses pratiques concernant le recours à l'exemption à la reconnaissance contractuelle du renflouement interne.
Les dettes visées à l'alinéa 1er n'incluent pas les instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1, les instruments de fonds propres de catégorie 2 et les instruments de dette visés à l'article 242, 21°, lorsque ces instruments sont des dettes non garanties. De plus, les dettes visées à l'alinéa 1er ont un rang supérieur aux dettes visées à l'article 389/1, 2°.
Les dettes pour lesquelles l'établissement de crédit ou l'entité omet d'intégrer dans les dispositions contractuelles la clause requise en vertu du paragraphe 1er, ou pour lesquelles, conformément au présent paragraphe, cette exigence ne s'applique pas, ne sont pas comptabilisées aux fins de l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles.
§ 3. L'autorité de résolution précise, si elle le juge nécessaire, les catégories de dettes pour lesquelles un établissement de crédit ou une entité peut constater qu'il est impossible d'intégrer la clause contractuelle visée au paragraphe 1er, sur la base des conditions précisées en application de l'article 55, paragraphe 6 de la Directive 2014/59/UE.".
Art. 202. In artikel 268 van dezelfde wet wordt paragraaf 1 als volgt vervangen:
" § 1. Onverminderd enige andersluidende bepaling van deze wet, is de toepassing van afwikkelingsmaatregelen of het uitoefenen van afwikkelingsbevoegdheden niet onderworpen aan:
1° de goedkeuring van enige publieke of private persoon, met inbegrip van het wettelijk bestuursorgaan of de algemene vergadering van de aandeelhouders van de kredietinstelling of van een derde die geen ontvanger is, niettegenstaande elke strijdige wettelijke, statutaire of contractuele bepaling;
2° de inachtneming van enige procedurele vereisten van economisch, vennootschaps- of effectenrecht andere dan deze die voorvloeien uit dwingende bepalingen van internationale verdragen of internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen.".
" § 1. Onverminderd enige andersluidende bepaling van deze wet, is de toepassing van afwikkelingsmaatregelen of het uitoefenen van afwikkelingsbevoegdheden niet onderworpen aan:
1° de goedkeuring van enige publieke of private persoon, met inbegrip van het wettelijk bestuursorgaan of de algemene vergadering van de aandeelhouders van de kredietinstelling of van een derde die geen ontvanger is, niettegenstaande elke strijdige wettelijke, statutaire of contractuele bepaling;
2° de inachtneming van enige procedurele vereisten van economisch, vennootschaps- of effectenrecht andere dan deze die voorvloeien uit dwingende bepalingen van internationale verdragen of internationale akten genomen krachtens dergelijke verdragen.".
Art. 202. Dans l'article 268, de la même loi, le paragraphe1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sans préjudice de toute disposition contraire de cette loi, l'application de mesures de résolution ou l'exercice de pouvoirs de résolution n'est pas subordonné :
1° à l'approbation de toute personne publique ou privée, y inclus l'organe légal d'administration ou l'assemblée générale des actionnaires de l'établissement de crédit ou d'une quelconque tierce partie autre que l'entité réceptrice, nonobstant toute disposition légale, statutaire ou contractuelle contraire ;
2° au respect de quelconques exigences de procédure en vertu de la législation économique, sur les sociétés ou sur les valeurs mobilières autres que celles résultant de dispositions obligatoires de traités internationaux ou d'actes internationaux pris en vertu de ceux-ci.".
" § 1er. Sans préjudice de toute disposition contraire de cette loi, l'application de mesures de résolution ou l'exercice de pouvoirs de résolution n'est pas subordonné :
1° à l'approbation de toute personne publique ou privée, y inclus l'organe légal d'administration ou l'assemblée générale des actionnaires de l'établissement de crédit ou d'une quelconque tierce partie autre que l'entité réceptrice, nonobstant toute disposition légale, statutaire ou contractuelle contraire ;
2° au respect de quelconques exigences de procédure en vertu de la législation économique, sur les sociétés ou sur les valeurs mobilières autres que celles résultant de dispositions obligatoires de traités internationaux ou d'actes internationaux pris en vertu de ceux-ci.".
Art. 203. In artikel 269 van dezelfde wet wordt paragraaf 1 als volgt vervangen:
" § 1. Bij de toepassing van afwikkelingsmaatregelen of het uitoefenen van afwikkelingsbevoegdheden, mag de afwikkelingsautoriteit de overdrachtsbevoegdheid meerdere malen uitoefenen om aanvullende overdrachten van aandelen of andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen aan de ontvanger te verrichten.".
" § 1. Bij de toepassing van afwikkelingsmaatregelen of het uitoefenen van afwikkelingsbevoegdheden, mag de afwikkelingsautoriteit de overdrachtsbevoegdheid meerdere malen uitoefenen om aanvullende overdrachten van aandelen of andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten of verbintenissen aan de ontvanger te verrichten.".
Art. 203. Dans l'article 269 de la même loi, le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Lorsqu'elle applique les mesures de résolution ou exerce les pouvoirs de résolution, l'autorité de résolution peut exercer plus d'une fois le pouvoir de transfert afin d'effectuer des transferts supplémentaires d'actions, d'autres titres de propriété, d'actifs, de droits ou d'engagements à l'entité réceptrice.".
" § 1er. Lorsqu'elle applique les mesures de résolution ou exerce les pouvoirs de résolution, l'autorité de résolution peut exercer plus d'une fois le pouvoir de transfert afin d'effectuer des transferts supplémentaires d'actions, d'autres titres de propriété, d'actifs, de droits ou d'engagements à l'entité réceptrice.".
Art. 204. In dezelfde wet wordt een artikel 269/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 269/1. § 1. Indien de toepassing van een afwikkelingsmaatregel leidt tot de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling of tot een verhoging van een dergelijke deelneming waardoor een van de in artikel 46 bepaalde drempels wordt bereikt of overschreden, stellen de kandidaat-overnemers of aandeelhouders de toezichthouder daarvan in kennis zoals bepaald in artikel 46, meteen nadat zij zich van dit feit bewust zijn geworden, zelfs wanneer zij voornemens zijn het niveau van hun deelneming te verlagen zodat deze weer onder de drempelwaarde valt.
Op basis van de kennisgeving bedoeld in artikel 46, gaat de toezichthouder zo snel mogelijk over tot de beoordeling bedoeld in artikel 48, eerste lid, om de uitvoering van de afwikkelingsmaatregel niet te vertragen en om niet te verhinderen dat met deze maatregel de doelstellingen van de afwikkeling worden verwezenlijkt. De afwikkelingsautoriteit past de afwikkelingsmaatregel toe in afwachting van de beoordeling door de toezichthouder.
§ 2. De toezichthouder zendt de in paragraaf 1 bedoelde kandidaat-verwerver of aandeelhouder een geschreven ontvangstbevestiging, zo snel mogelijk na ontvangst van de kennisgeving en de informatie bedoeld in artikel 46, alsook na de eventuele ontvangst, op een later tijdstip, van de in paragraaf 3 bedoelde informatie.
§ 3. De toezichthouder kan bij de kandidaat-verwerver of de aandeelhouder in geval van onvrijwillige verwerving aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om de beoordeling af te ronden. Dit verzoek wordt schriftelijk gedaan en vermeldt welke aanvullende informatie nodig is.
§ 4. Voor het verrichten van de in artikel 48, lid 1 bedoelde beoordeling, is de samenwerking en informatie-uitwisseling als bedoeld in artikel 49 van toepassing.
§ 5. De toezichthouder neemt zo snel mogelijk een gemotiveerd besluit en brengt dit ter kennis van (i) de in paragraaf 1 bedoelde kandidaat-verwerver of aandeelhouder en (ii) de afwikkelingsautoriteit. Het verzet van de toezichthouder mag enkel berusten op gegronde redenen om aan te nemen, op grond van de criteria van artikel 18, tweede lid, dat de kandidaat-verwerver of aandeelhouder niet geschikt is om een gezond en voorzichtig beleid van de kredietinstelling te waarborgen.".
"Art. 269/1. § 1. Indien de toepassing van een afwikkelingsmaatregel leidt tot de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling of tot een verhoging van een dergelijke deelneming waardoor een van de in artikel 46 bepaalde drempels wordt bereikt of overschreden, stellen de kandidaat-overnemers of aandeelhouders de toezichthouder daarvan in kennis zoals bepaald in artikel 46, meteen nadat zij zich van dit feit bewust zijn geworden, zelfs wanneer zij voornemens zijn het niveau van hun deelneming te verlagen zodat deze weer onder de drempelwaarde valt.
Op basis van de kennisgeving bedoeld in artikel 46, gaat de toezichthouder zo snel mogelijk over tot de beoordeling bedoeld in artikel 48, eerste lid, om de uitvoering van de afwikkelingsmaatregel niet te vertragen en om niet te verhinderen dat met deze maatregel de doelstellingen van de afwikkeling worden verwezenlijkt. De afwikkelingsautoriteit past de afwikkelingsmaatregel toe in afwachting van de beoordeling door de toezichthouder.
§ 2. De toezichthouder zendt de in paragraaf 1 bedoelde kandidaat-verwerver of aandeelhouder een geschreven ontvangstbevestiging, zo snel mogelijk na ontvangst van de kennisgeving en de informatie bedoeld in artikel 46, alsook na de eventuele ontvangst, op een later tijdstip, van de in paragraaf 3 bedoelde informatie.
§ 3. De toezichthouder kan bij de kandidaat-verwerver of de aandeelhouder in geval van onvrijwillige verwerving aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om de beoordeling af te ronden. Dit verzoek wordt schriftelijk gedaan en vermeldt welke aanvullende informatie nodig is.
§ 4. Voor het verrichten van de in artikel 48, lid 1 bedoelde beoordeling, is de samenwerking en informatie-uitwisseling als bedoeld in artikel 49 van toepassing.
§ 5. De toezichthouder neemt zo snel mogelijk een gemotiveerd besluit en brengt dit ter kennis van (i) de in paragraaf 1 bedoelde kandidaat-verwerver of aandeelhouder en (ii) de afwikkelingsautoriteit. Het verzet van de toezichthouder mag enkel berusten op gegronde redenen om aan te nemen, op grond van de criteria van artikel 18, tweede lid, dat de kandidaat-verwerver of aandeelhouder niet geschikt is om een gezond en voorzichtig beleid van de kredietinstelling te waarborgen.".
Art. 204. Dans la même loi il est inséré un article 269/1, rédigé comme suit :
"Art. 269/1. § 1er. Si l'application d'une mesure de résolution aboutit à l'acquisition d'une participation qualifiée dans l'établissement de crédit ou à l'augmentation d'une telle participation faisant atteindre ou dépasser l'un des seuils prévus à l'article 46, les candidats acquéreurs ou les actionnaires concernés en informent l'autorité de contrôle conformément à l'article 46 immédiatement après en avoir eu connaissance, même s'ils ont l'intention de diminuer le niveau de leur participation afin qu'il retombe en dessous du seuil de référence.
L'autorité de contrôle procède à l'évaluation visée à l'article 48, alinéa 1er sur la base de la notification visée à l'article 46 et dans les plus brefs délais de manière à ne pas retarder la mise en oeuvre de la mesure de résolution et à ne pas empêcher ladite mesure d'atteindre les objectifs de la résolution. L'autorité de résolution applique la mesure de résolution en attendant l'évaluation par l'autorité de contrôle.
§ 2. L'autorité de contrôle envoie dans les meilleurs délais après réception de la notification et des informations visées à l'article 46, ainsi que de toute réception ultérieure des informations visées au paragraphe 3, un accusé de réception écrite au candidat acquéreur ou à l'actionnaire visés au paragraphe 1er.
§ 3. L'autorité de contrôle peut demander au candidat acquéreur ou à l'actionnaire en cas d'acquisition involontaire un complément d'information nécessaire pour mener à bien l'évaluation. Cette demande est faite par écrit et précise les informations complémentaires nécessaires.
§ 4. Aux fins de l'évaluation visée à l'article 48, alinéa 1er, la coopération et l'échange d'informations visés à l'article 49 s'appliquent.
§ 5. L'autorité de contrôle prend une décision motivée dans les meilleurs délais et la notifie (i) au candidat acquéreur ou à l'actionnaire visés au paragraphe 1er et (ii) à l'autorité de résolution. L'objection de l'autorité de contrôle ne peut être fondée que sur des raisons fondées de supposer, sur la base des critères de l'article 18, alinéa 2, que le candidat acquéreur ou l'actionnaire n'est pas apte à garantir une gestion saine et prudente de l'établissement de crédit.".
"Art. 269/1. § 1er. Si l'application d'une mesure de résolution aboutit à l'acquisition d'une participation qualifiée dans l'établissement de crédit ou à l'augmentation d'une telle participation faisant atteindre ou dépasser l'un des seuils prévus à l'article 46, les candidats acquéreurs ou les actionnaires concernés en informent l'autorité de contrôle conformément à l'article 46 immédiatement après en avoir eu connaissance, même s'ils ont l'intention de diminuer le niveau de leur participation afin qu'il retombe en dessous du seuil de référence.
L'autorité de contrôle procède à l'évaluation visée à l'article 48, alinéa 1er sur la base de la notification visée à l'article 46 et dans les plus brefs délais de manière à ne pas retarder la mise en oeuvre de la mesure de résolution et à ne pas empêcher ladite mesure d'atteindre les objectifs de la résolution. L'autorité de résolution applique la mesure de résolution en attendant l'évaluation par l'autorité de contrôle.
§ 2. L'autorité de contrôle envoie dans les meilleurs délais après réception de la notification et des informations visées à l'article 46, ainsi que de toute réception ultérieure des informations visées au paragraphe 3, un accusé de réception écrite au candidat acquéreur ou à l'actionnaire visés au paragraphe 1er.
§ 3. L'autorité de contrôle peut demander au candidat acquéreur ou à l'actionnaire en cas d'acquisition involontaire un complément d'information nécessaire pour mener à bien l'évaluation. Cette demande est faite par écrit et précise les informations complémentaires nécessaires.
§ 4. Aux fins de l'évaluation visée à l'article 48, alinéa 1er, la coopération et l'échange d'informations visés à l'article 49 s'appliquent.
§ 5. L'autorité de contrôle prend une décision motivée dans les meilleurs délais et la notifie (i) au candidat acquéreur ou à l'actionnaire visés au paragraphe 1er et (ii) à l'autorité de résolution. L'objection de l'autorité de contrôle ne peut être fondée que sur des raisons fondées de supposer, sur la base des critères de l'article 18, alinéa 2, que le candidat acquéreur ou l'actionnaire n'est pas apte à garantir une gestion saine et prudente de l'établissement de crédit.".
Art. 205. In artikel 270 van dezelfde wet worden de woorden "en bekrachtigd door de rechtbank overeenkomstig artikel 302" geschrapt.
Art. 205. A l'article 270 de la même loi, les mots "et validés par le tribunal conformément à l'article 302" sont supprimés.
Art. 206. In artikel 276, § 2, 4° /1, 4° /2 en 4° /4 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, worden de woorden "in aanmerking komende schulden" telkens vervangen door de woorden "bail-inbare schulden".
Art. 206. Dans l'article 276, § 2, 4° /1, 4° /2 et 4° /4 de la même loi, insérés par l'arrêté royal du 18 décembre 2015 et confirmés par la loi du 27 juin 2016, les mots "dettes éligibles" sont chaque fois remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne".
Art. 207. In artikel 277 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° de betrokken autoriteit op te dragen om de toelating tot de verhandeling op een gereglementeerde markt of de officiële notering van financiële instrumenten uitgegeven door een kredietinstelling in te trekken of op te schorten;";
2° de bepalingen onder 3° /1 en 3° /2 worden ingevoegd luidende:
"3° /1 de betrokken autoriteit op te dragen om nieuw uitgegeven financiële instrumenten toe te laten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt of een officiële notering;
3° /2 de betrokken autoriteit op te dragen om afgeschreven financiële instrumenten van een kredietinstelling opnieuw toe te laten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt of een officiële notering, zonder dat een prospectus moet worden uitgegeven;".
1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° de betrokken autoriteit op te dragen om de toelating tot de verhandeling op een gereglementeerde markt of de officiële notering van financiële instrumenten uitgegeven door een kredietinstelling in te trekken of op te schorten;";
2° de bepalingen onder 3° /1 en 3° /2 worden ingevoegd luidende:
"3° /1 de betrokken autoriteit op te dragen om nieuw uitgegeven financiële instrumenten toe te laten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt of een officiële notering;
3° /2 de betrokken autoriteit op te dragen om afgeschreven financiële instrumenten van een kredietinstelling opnieuw toe te laten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt of een officiële notering, zonder dat een prospectus moet worden uitgegeven;".
Art. 207. A l'article 277 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° le 3° est remplacé par ce qui suit :
"3° d'exiger de l'autorité concernée qu'elle retire ou suspende l'admission à la négociation sur un marché réglementé ou à la cote officielle des instruments financiers émis par l'établissement de crédit ;" ;
2° les 3° /1 et 3° /2 sont insérés comme suit :
"3° /1 d'exiger de l'autorité concernée qu'elle admette des instruments financiers nouvellement émis à la négociation sur un marché réglementé ou à la cote officielle ;
3° /2 d'exiger de l'autorité concernée qu'elle réadmette à la négociation sur un marché réglementé ou à la cote officielle des instruments financiers d'un établissement de crédit dépréciés, sans obligation de publier un prospectus ;".
1° le 3° est remplacé par ce qui suit :
"3° d'exiger de l'autorité concernée qu'elle retire ou suspende l'admission à la négociation sur un marché réglementé ou à la cote officielle des instruments financiers émis par l'établissement de crédit ;" ;
2° les 3° /1 et 3° /2 sont insérés comme suit :
"3° /1 d'exiger de l'autorité concernée qu'elle admette des instruments financiers nouvellement émis à la négociation sur un marché réglementé ou à la cote officielle ;
3° /2 d'exiger de l'autorité concernée qu'elle réadmette à la négociation sur un marché réglementé ou à la cote officielle des instruments financiers d'un établissement de crédit dépréciés, sans obligation de publier un prospectus ;".
Art. 208. In het opschrift van Afdeling IV van Boek II, Titel VIII, Hoofdstuk VI van dezelfde wet worden de woorden "bepaalde verplichtingen" vervangen door de woorden "betalings- en leveringsverplichtingen".
Art. 208. Dans l'intitulé de la Section IV du Livre II, Titre VIII, Chapitre VI de la même loi, les mots "certaines obligations" sont remplacés par les mots "des obligations de paiement et de livraison".
Art. 209. In artikel 280 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 18 december 2015 en de wet van 27 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de paragrafen 2, 3 en 4 worden als volgt vervangen:
" § 2. Opschortingen uit hoofde van paragraaf 1, 1°, zijn niet van toepassing op betalings- en leveringsverplichtingen ten aanzien van betalings- of leveringsverplichtingen aan systemen of exploitanten van systemen die zijn aangewezen voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, aan overeenkomstig de artikelen 14 en 25 van Verordening nr. 648/2012 vergunde of erkende centrale tegenpartijen en aan centrale banken.
§ 3. De bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1, 2°, kan niet worden uitgeoefend met betrekking tot een zekerheidsrecht van systemen of exploitanten van systemen die zijn aangewezen voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, jegens overeenkomstig de artikelen 14 en 25 van Verordening nr. 648/2012 vergunde of erkende centrale tegenpartijen en jegens centrale banken wat betreft activa die bij wijze van margestorting of zekerheid verstrekt zijn.
§ 4. Opschortingen uit hoofde van paragraaf 1, 3°, zijn niet van toepassing ten aanzien van de systemen en de entiteiten bedoeld in paragraaf 2.";
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 7, luidende:
" § 7. De afwikkelingsautoriteit bepaalt de reikwijdte van de bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1, 1°, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval. De afwikkelingsautoriteit gaat met name zorgvuldig na of de uitbreiding van de opschorting tot in aanmerking komende deposito's, en in het bijzonder gewaarborgde deposito's, passend is.
Indien de bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen wordt uitgeoefend ten aanzien van in aanmerking komende deposito's, en in het bijzonder gewaarborgde deposito's, zorgt de afwikkelingsautoriteit ervoor dat deposanten toegang hebben tot een passend bedrag per dag van deze deposito's.".
1° de paragrafen 2, 3 en 4 worden als volgt vervangen:
" § 2. Opschortingen uit hoofde van paragraaf 1, 1°, zijn niet van toepassing op betalings- en leveringsverplichtingen ten aanzien van betalings- of leveringsverplichtingen aan systemen of exploitanten van systemen die zijn aangewezen voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, aan overeenkomstig de artikelen 14 en 25 van Verordening nr. 648/2012 vergunde of erkende centrale tegenpartijen en aan centrale banken.
§ 3. De bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1, 2°, kan niet worden uitgeoefend met betrekking tot een zekerheidsrecht van systemen of exploitanten van systemen die zijn aangewezen voor de toepassing van Richtlijn 98/26/EG, jegens overeenkomstig de artikelen 14 en 25 van Verordening nr. 648/2012 vergunde of erkende centrale tegenpartijen en jegens centrale banken wat betreft activa die bij wijze van margestorting of zekerheid verstrekt zijn.
§ 4. Opschortingen uit hoofde van paragraaf 1, 3°, zijn niet van toepassing ten aanzien van de systemen en de entiteiten bedoeld in paragraaf 2.";
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 7, luidende:
" § 7. De afwikkelingsautoriteit bepaalt de reikwijdte van de bevoegdheid bedoeld in paragraaf 1, 1°, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval. De afwikkelingsautoriteit gaat met name zorgvuldig na of de uitbreiding van de opschorting tot in aanmerking komende deposito's, en in het bijzonder gewaarborgde deposito's, passend is.
Indien de bevoegdheid tot opschorting van betalings- of leveringsverplichtingen wordt uitgeoefend ten aanzien van in aanmerking komende deposito's, en in het bijzonder gewaarborgde deposito's, zorgt de afwikkelingsautoriteit ervoor dat deposanten toegang hebben tot een passend bedrag per dag van deze deposito's.".
Art. 209. A l'article 280 de la même loi, modifié par la loi du 18 décembre 2015 et par la loi du 27 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° les paragraphes 2, 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
" § 2. Aucune suspension décidée en vertu du paragraphe 1er, 1°, , ne s'applique aux obligations de paiement et de livraison dans les systèmes ou dues aux opérateurs de systèmes désignés aux fins de la Directive 98/26/CE, aux contreparties centrales agréées ou reconnues conformément à l'article 14 et à l'article 25 du Règlement n° 648/2012 et aux banques centrales.
§ 3. Le pouvoir visé au paragraphe 1er, 2°, ne peut être exercé à l'égard d'une sûreté de systèmes ou opérateurs de systèmes désignés aux fins de la Directive 98/26/CE, à l'égard de contreparties centrales agréées ou reconnues conformément à l'article 14 et à l'article 25 du Règlement n° 648/2012 et à l'égard de banques centrales en ce qui concerne des actifs fournis à titre de marge ou de garantie.
§ 4. Aucune suspension décidée en vertu du paragraphe 1er, 3°, ne s'applique aux systèmes et entités visés au paragraphe 2." ;
2° L'article est complété par un paragraphe 7, rédigé comme suit :
" § 7. L'autorité de résolution détermine le champ d'application du pouvoir visé au paragraphe 1er, 1°, eu égard aux circonstances propres à chaque cas. En particulier, l'autorité de résolution apprécie soigneusement l'opportunité d'étendre la suspension aux dépôts éligibles et en particulier aux dépôts assurés.
Lorsque le pouvoir de suspendre les obligations de paiement ou de livraison est exercé à l'égard de dépôts éligibles, et en particulier à l'égard des dépôts assurés, les autorités de résolution veillent à ce que les déposants aient accès à un montant quotidien approprié au titre de ces dépôts.".
1° les paragraphes 2, 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
" § 2. Aucune suspension décidée en vertu du paragraphe 1er, 1°, , ne s'applique aux obligations de paiement et de livraison dans les systèmes ou dues aux opérateurs de systèmes désignés aux fins de la Directive 98/26/CE, aux contreparties centrales agréées ou reconnues conformément à l'article 14 et à l'article 25 du Règlement n° 648/2012 et aux banques centrales.
§ 3. Le pouvoir visé au paragraphe 1er, 2°, ne peut être exercé à l'égard d'une sûreté de systèmes ou opérateurs de systèmes désignés aux fins de la Directive 98/26/CE, à l'égard de contreparties centrales agréées ou reconnues conformément à l'article 14 et à l'article 25 du Règlement n° 648/2012 et à l'égard de banques centrales en ce qui concerne des actifs fournis à titre de marge ou de garantie.
§ 4. Aucune suspension décidée en vertu du paragraphe 1er, 3°, ne s'applique aux systèmes et entités visés au paragraphe 2." ;
2° L'article est complété par un paragraphe 7, rédigé comme suit :
" § 7. L'autorité de résolution détermine le champ d'application du pouvoir visé au paragraphe 1er, 1°, eu égard aux circonstances propres à chaque cas. En particulier, l'autorité de résolution apprécie soigneusement l'opportunité d'étendre la suspension aux dépôts éligibles et en particulier aux dépôts assurés.
Lorsque le pouvoir de suspendre les obligations de paiement ou de livraison est exercé à l'égard de dépôts éligibles, et en particulier à l'égard des dépôts assurés, les autorités de résolution veillent à ce que les déposants aient accès à un montant quotidien approprié au titre de ces dépôts.".
Art. 210. In Boek II, Titel VIII, Hoofdstuk VI, Afdeling IV van dezelfde wet wordt een artikel 280/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 280/1. § 1. De kredietinstellingen en de entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, nemen in ieder financieel contract dat onder het recht van een derde land valt, een contractuele bepaling op dat het financieel contract onderworpen kan zijn aan de uitoefening van bevoegdheden door de afwikkelingsautoriteit met het oog op het opschorten of beperken van rechten en verplichtingen uit hoofde van de artikelen 244/2 en 280, en erkennen dat zij gebonden zijn aan de vereisten van artikel 287.
§ 2. Bij een besluit genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit kan de Koning eisen dat EER-moederondernemingen ervoor zorgen dat hun dochterondernemingen in derde landen in de in paragraaf 1 bedoelde financiële contracten bepalingen opnemen die uitsluiten dat de uitoefening door de afwikkelingsautoriteit van de bevoegdheid tot opschorting of tot beperking van rechten en verplichtingen van de EER-moederonderneming overeenkomstig paragraaf 1, een geldige reden vormt voor vroegtijdige beëindiging, opschorting, wijziging, verrekening, uitoefening van rechten op saldering of tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten met betrekking tot die contracten. Dit besluit bepaalt tevens ten aanzien van welke dochterondernemingen in derde landen dit vereiste geldt.
§ 3. Paragraaf 1 geldt voor elk financieel contract dat:
1° een nieuwe verplichting creëert, of een bestaande verplichting wezenlijk verandert na inwerkingtreding van de Belgische wet tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG, en
2° voorziet in de uitoefening van een of meer beëindigingsrechten of rechten tot tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten waarop artikel 244/2, 280 of 287 van toepassing zou zijn indien het financiële contract onder Belgisch recht zou vallen.
§ 4. Indien een kredietinstelling of entiteit de krachtens paragraaf 1 vereiste contractuele bepaling niet opneemt, belet dat de afwikkelingsautoriteit niet de in de artikelen 244/2, 280 of 287 bedoelde bevoegdheden toe te passen met betrekking tot dat financiële contract.".
"Art. 280/1. § 1. De kredietinstellingen en de entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, nemen in ieder financieel contract dat onder het recht van een derde land valt, een contractuele bepaling op dat het financieel contract onderworpen kan zijn aan de uitoefening van bevoegdheden door de afwikkelingsautoriteit met het oog op het opschorten of beperken van rechten en verplichtingen uit hoofde van de artikelen 244/2 en 280, en erkennen dat zij gebonden zijn aan de vereisten van artikel 287.
§ 2. Bij een besluit genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit kan de Koning eisen dat EER-moederondernemingen ervoor zorgen dat hun dochterondernemingen in derde landen in de in paragraaf 1 bedoelde financiële contracten bepalingen opnemen die uitsluiten dat de uitoefening door de afwikkelingsautoriteit van de bevoegdheid tot opschorting of tot beperking van rechten en verplichtingen van de EER-moederonderneming overeenkomstig paragraaf 1, een geldige reden vormt voor vroegtijdige beëindiging, opschorting, wijziging, verrekening, uitoefening van rechten op saldering of tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten met betrekking tot die contracten. Dit besluit bepaalt tevens ten aanzien van welke dochterondernemingen in derde landen dit vereiste geldt.
§ 3. Paragraaf 1 geldt voor elk financieel contract dat:
1° een nieuwe verplichting creëert, of een bestaande verplichting wezenlijk verandert na inwerkingtreding van de Belgische wet tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG, en
2° voorziet in de uitoefening van een of meer beëindigingsrechten of rechten tot tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten waarop artikel 244/2, 280 of 287 van toepassing zou zijn indien het financiële contract onder Belgisch recht zou vallen.
§ 4. Indien een kredietinstelling of entiteit de krachtens paragraaf 1 vereiste contractuele bepaling niet opneemt, belet dat de afwikkelingsautoriteit niet de in de artikelen 244/2, 280 of 287 bedoelde bevoegdheden toe te passen met betrekking tot dat financiële contract.".
Art. 210. Dans le Livre II, Titre VIII, Chapitre VI, Section IV de la même loi, il est inséré un article 280/1, rédigé comme suit :
"Art. 280/1. § 1er. Les établissements de crédit et les entités visées à l'article 424, 2° à 4°, insèrent dans tout contrat financier qu'ils concluent et qui relève du droit d'un pays tiers des clauses en vertu desquelles les parties reconnaissent que le contrat financier peut être soumis à l'exercice des pouvoirs dont dispose l'autorité de résolution de suspendre ou restreindre des droits et obligations en vertu des articles 244/2 et 280, et acceptent d'être liées par les exigences prévues à l'article 287.
§ 2. Par arrêté pris sur avis de l'autorité de résolution, le Roi peut exiger que les entreprises mères dans l'EEE veillent à ce que leurs filiales établies dans un pays tiers insèrent, dans les contrats financiers visés au paragraphe 1er, des clauses excluant que l'exercice du pouvoir de l'autorité de résolution de suspendre ou restreindre des droits et obligations de l'entreprise mère dans l'EEE, conformément au paragraphe 1er, constitue un motif valide d'exercer tout droit de résiliation anticipée, de suspension, de modification, de compensation ou de compensation réciproque ou d'exécution de sûretés sur ces contrats. Cet arrêté détermine également à l'égard de quelles filiales de pays tiers cette exigence s'applique.
§ 3. Le paragraphe 1er s'applique à tout contrat financier qui :
1° crée une nouvelle obligation, ou modifie substantiellement une obligation existante après l'entrée en vigueur de la loi belge assurant la transposition la Directive (UE) 2019/879 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2019 modifiant la Directive 2014/59/UE en ce qui concerne la capacité d'absorption des pertes et de recapitalisation des établissements de crédit et des entreprises d'investissement et la Directive 98/26/CE, et
2° prévoit l'exercice d'un ou de plusieurs droits de résiliation ou droits d'exécution de sûretés auxquels l'article 244/2, 280 ou 287 s'appliquerait si le contrat financier était régi par le droit belge.
§ 4. Lorsqu'un établissement de crédit ou une entité n'inclut pas la clause contractuelle requise en vertu du paragraphe 1er, cela n'empêche pas l'autorité de résolution d'appliquer les pouvoirs visés aux articles 244/2, 280 ou 287 à l'égard du contrat financier concerné.".
"Art. 280/1. § 1er. Les établissements de crédit et les entités visées à l'article 424, 2° à 4°, insèrent dans tout contrat financier qu'ils concluent et qui relève du droit d'un pays tiers des clauses en vertu desquelles les parties reconnaissent que le contrat financier peut être soumis à l'exercice des pouvoirs dont dispose l'autorité de résolution de suspendre ou restreindre des droits et obligations en vertu des articles 244/2 et 280, et acceptent d'être liées par les exigences prévues à l'article 287.
§ 2. Par arrêté pris sur avis de l'autorité de résolution, le Roi peut exiger que les entreprises mères dans l'EEE veillent à ce que leurs filiales établies dans un pays tiers insèrent, dans les contrats financiers visés au paragraphe 1er, des clauses excluant que l'exercice du pouvoir de l'autorité de résolution de suspendre ou restreindre des droits et obligations de l'entreprise mère dans l'EEE, conformément au paragraphe 1er, constitue un motif valide d'exercer tout droit de résiliation anticipée, de suspension, de modification, de compensation ou de compensation réciproque ou d'exécution de sûretés sur ces contrats. Cet arrêté détermine également à l'égard de quelles filiales de pays tiers cette exigence s'applique.
§ 3. Le paragraphe 1er s'applique à tout contrat financier qui :
1° crée une nouvelle obligation, ou modifie substantiellement une obligation existante après l'entrée en vigueur de la loi belge assurant la transposition la Directive (UE) 2019/879 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2019 modifiant la Directive 2014/59/UE en ce qui concerne la capacité d'absorption des pertes et de recapitalisation des établissements de crédit et des entreprises d'investissement et la Directive 98/26/CE, et
2° prévoit l'exercice d'un ou de plusieurs droits de résiliation ou droits d'exécution de sûretés auxquels l'article 244/2, 280 ou 287 s'appliquerait si le contrat financier était régi par le droit belge.
§ 4. Lorsqu'un établissement de crédit ou une entité n'inclut pas la clause contractuelle requise en vertu du paragraphe 1er, cela n'empêche pas l'autorité de résolution d'appliquer les pouvoirs visés aux articles 244/2, 280 ou 287 à l'égard du contrat financier concerné.".
Art. 211. In artikel 281/2, § 4 en § 6 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 oktober 2016, worden de woorden "in aanmerking komende schulden" telkens vervangen door de woorden "bail-inbare schulden.
Art. 211. Dans l'article 281/2, § 4 et § 6 de la même loi, inséré par la loi du 25 octobre 2016, les mots "dettes éligibles" sont chaque fois remplacés par les mots "dettes utilisables pour un renflouement interne".
Art. 212. In artikel 287 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid van paragraaf 1 worden de woorden ", de opschorting van een verplichting op grond van artikel 244/2" ingevoegd tussen de woorden "uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden" en de woorden "of het nemen van maatregelen";
2° paragraaf 2 wordt als volgt vervangen:
" § 2. Een opschorting of een beperking uit hoofde van artikel 244/2 of artikel 280, § 1, 1° of 2° maakt voor de toepassing van paragraaf 1 van dit artikel en artikel 280, § 1, 3° geen wanprestatie uit, in het bijzonder in de zin van de voornoemde wet van 15 december 2004.".
1° in het eerste lid van paragraaf 1 worden de woorden ", de opschorting van een verplichting op grond van artikel 244/2" ingevoegd tussen de woorden "uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden" en de woorden "of het nemen van maatregelen";
2° paragraaf 2 wordt als volgt vervangen:
" § 2. Een opschorting of een beperking uit hoofde van artikel 244/2 of artikel 280, § 1, 1° of 2° maakt voor de toepassing van paragraaf 1 van dit artikel en artikel 280, § 1, 3° geen wanprestatie uit, in het bijzonder in de zin van de voornoemde wet van 15 december 2004.".
Art. 212. A l'article 287 de la même loi, modifié par la loi du 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er du paragraphe 1er, les mots ", la suspension d'une obligation au titre de l'article 244/2" sont insérés entre les mots "l'exercice des pouvoirs de résolution" et les mots "ou la prise de toute mesure" ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Une suspension ou une restriction au titre de l'article 244/2 ou de l'article 280, § 1er ne constitue pas un défaut d'exécution d'une obligation contractuelle, en particulier au sens de la loi précitée du 15 décembre 2004, aux fins du paragraphe 1er du présent article et de l'article 280, § 1er, 3°. ".
1° dans l'alinéa 1er du paragraphe 1er, les mots ", la suspension d'une obligation au titre de l'article 244/2" sont insérés entre les mots "l'exercice des pouvoirs de résolution" et les mots "ou la prise de toute mesure" ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Une suspension ou une restriction au titre de l'article 244/2 ou de l'article 280, § 1er ne constitue pas un défaut d'exécution d'une obligation contractuelle, en particulier au sens de la loi précitée du 15 décembre 2004, aux fins du paragraphe 1er du présent article et de l'article 280, § 1er, 3°. ".
Art. 213. Artikel 291/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 mei 2019, wordt als volgt vervangen:
"Art. 291/1. Wanneer wordt vastgesteld dat de voorwaarden van artikel 244, § 1, 1° en 2°, vervuld zijn, maar de voorwaarde van artikel 244, § 1, 3° niet, maakt de afwikkelingsautoriteit, in afwijking van artikel XX.100 van het Wetboek van economisch recht, de zaak uit eigen beweging bij dagvaarding aanhangig bij de insolventierechtbank.".
"Art. 291/1. Wanneer wordt vastgesteld dat de voorwaarden van artikel 244, § 1, 1° en 2°, vervuld zijn, maar de voorwaarde van artikel 244, § 1, 3° niet, maakt de afwikkelingsautoriteit, in afwijking van artikel XX.100 van het Wetboek van economisch recht, de zaak uit eigen beweging bij dagvaarding aanhangig bij de insolventierechtbank.".
Art. 213. L'article 291/1 de la même loi, inséré par la loi du 2 mai 2019, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 291/1. Lorsqu'il est constaté que les conditions prévues à l'article 244, § 1er, 1° et 2°, sont remplies mais pas la condition prévue à l'article 244, § 1er, 3°, l'autorité de résolution saisit d'initiative, par dérogation à l'article XX.100 du Code de droit économique, le tribunal de l'insolvabilité par voie de citation.".
"Art. 291/1. Lorsqu'il est constaté que les conditions prévues à l'article 244, § 1er, 1° et 2°, sont remplies mais pas la condition prévue à l'article 244, § 1er, 3°, l'autorité de résolution saisit d'initiative, par dérogation à l'article XX.100 du Code de droit économique, le tribunal de l'insolvabilité par voie de citation.".
Art. 214. In artikel 295, eerste lid van dezelfde wet, gewijzigd bij wet van 18 december 2015, worden de woorden ", in voorkomend geval na het verkrijgen van het vonnis bedoeld in artikel 301, § 5" geschrapt.
Art. 214. A l'article 295, alinéa 1er de la même loi, modifié par la loi du 18 décembre 2015, les mots ", le cas échéant après obtention du jugement visé à l'article 301, § 5" sont supprimés.
Art. 215. In Boek I, Titel VIII, Hoofdstuk IX van dezelfde wet wordt Afdeling I, bestaande uit de artikelen 296 tot 304, opgeheven.
Art. 215. Dans le Livre Ier, Titre VIII, Chapitre IX de la même loi, la Section Ire, comportant les articles 296 à 304, est abrogée.
Art. 216. In artikel 306 van dezelfde wet wordt paragraaf 1 als volgt vervangen:
" § 1. Het verzoek wordt, op straffe van verval, ingediend binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de bekendmaking van het uittreksel bedoeld in artikel 295, 4°, in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad.".
" § 1. Het verzoek wordt, op straffe van verval, ingediend binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de bekendmaking van het uittreksel bedoeld in artikel 295, 4°, in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad.".
Art. 216. A l'article 306 de la même loi, le paragraphe 1er est remplacé comme suit :
" § 1er. La demande est introduite, à peine de déchéance, dans un délai de deux mois à compter de la publication de l'extrait visé à l'article 295, 4°, dans les Annexes du Moniteur belge.".
" § 1er. La demande est introduite, à peine de déchéance, dans un délai de deux mois à compter de la publication de l'extrait visé à l'article 295, 4°, dans les Annexes du Moniteur belge.".
Art. 217. In artikel 307, tweede lid van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden ", en past het artikel 301, § 4, toe" worden geschrapt;
2° het lid wordt aangevuld met de volgende woorden:
"Het Hof van beroep houdt rekening met de daadwerkelijke situatie van de kredietinstelling op het ogenblik dat de beschikkingsbeslissing of afwikkelingsmaatregel is genomen, inzonderheid met de financiële positie zoals die was of zou zijn geweest indien de uitzonderlijke overheidssteun of de dringende liquiditeitsvoorschotten door de centrale banken die zij rechtstreeks of onrechtstreeks heeft genoten, niet zouden zijn verleend.".
1° de woorden ", en past het artikel 301, § 4, toe" worden geschrapt;
2° het lid wordt aangevuld met de volgende woorden:
"Het Hof van beroep houdt rekening met de daadwerkelijke situatie van de kredietinstelling op het ogenblik dat de beschikkingsbeslissing of afwikkelingsmaatregel is genomen, inzonderheid met de financiële positie zoals die was of zou zijn geweest indien de uitzonderlijke overheidssteun of de dringende liquiditeitsvoorschotten door de centrale banken die zij rechtstreeks of onrechtstreeks heeft genoten, niet zouden zijn verleend.".
Art. 217. A l'article 307, alinéa 2 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots "et applique l'article 301, § 4" sont supprimés ;
2° l'alinéa est complété par les mots suivants :
"La Cour d'appel tient compte de la situation concrète de l'établissement de crédit au moment de l'adoption de la décision de disposition ou de la mesure de résolution, et notamment de sa situation financière telle qu'elle était ou aurait été si les soutiens financiers exceptionnels des pouvoirs publics ou les avances de liquidités d'urgence des banques centrales dont il a bénéficié directement ou indirectement n'avaient pas été consentis.".
1° les mots "et applique l'article 301, § 4" sont supprimés ;
2° l'alinéa est complété par les mots suivants :
"La Cour d'appel tient compte de la situation concrète de l'établissement de crédit au moment de l'adoption de la décision de disposition ou de la mesure de résolution, et notamment de sa situation financière telle qu'elle était ou aurait été si les soutiens financiers exceptionnels des pouvoirs publics ou les avances de liquidités d'urgence des banques centrales dont il a bénéficié directement ou indirectement n'avaient pas été consentis.".
Art. 218. In artikel 312 van dezelfde wet wordt paragraaf 2 vervangen als volgt:
" § 2. De Bank stelt de lijst op van de overeenkomstig paragraaf 1 geregistreerde bijkantoren, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de categorieën bedoeld in punt 1° en in punt 2°, van artikel 1, § 3, eerste lid. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt.".
" § 2. De Bank stelt de lijst op van de overeenkomstig paragraaf 1 geregistreerde bijkantoren, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de categorieën bedoeld in punt 1° en in punt 2°, van artikel 1, § 3, eerste lid. Die lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden op haar website bekendgemaakt.".
Art. 218. Dans l'article 312 de la même loi, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La Banque établit la liste des succursales enregistrées conformément au paragraphe 1er, en distinguant les catégories visées au 1° et au 2°, de l'article 1er, § 3, alinéa 1er. Cette liste ainsi que toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur son site internet.".
" § 2. La Banque établit la liste des succursales enregistrées conformément au paragraphe 1er, en distinguant les catégories visées au 1° et au 2°, de l'article 1er, § 3, alinéa 1er. Cette liste ainsi que toutes les modifications qui y sont apportées sont publiées sur son site internet.".
Art. 219. In artikel 313 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, wordt paragraaf 2 vervangen als volgt:
" § 2. De Bank maakt op haar website de lijst bekend van de in dit artikel bedoelde instellingen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de categorieën bedoeld in punt 1° en in punt 2°, van artikel 1, § 3, eerste lid, evenals de daarin aangebrachte wijzigingen."
" § 2. De Bank maakt op haar website de lijst bekend van de in dit artikel bedoelde instellingen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de categorieën bedoeld in punt 1° en in punt 2°, van artikel 1, § 3, eerste lid, evenals de daarin aangebrachte wijzigingen."
Art. 219. Dans l'article 313 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La Banque publie sur son site internet la liste des établissements visés au présent article, en distinguant les catégories visées au 1° et au 2° de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, ainsi que les modifications qui y sont apportées."
" § 2. La Banque publie sur son site internet la liste des établissements visés au présent article, en distinguant les catégories visées au 1° et au 2° de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, ainsi que les modifications qui y sont apportées."
Art. 220. Artikel 326 van dezelfde wet wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4. Dit artikel is niet van toepassing op de bijkantoren van kredietinstellingen als bedoeld in artikel 312 die behoren tot de categorie bedoeld in 2°, van artikel 1, § 3, eerste lid wanneer zij geen geldmiddelen en/of financiële instrumenten van cliënten in ontvangst mogen nemen.".
" § 4. Dit artikel is niet van toepassing op de bijkantoren van kredietinstellingen als bedoeld in artikel 312 die behoren tot de categorie bedoeld in 2°, van artikel 1, § 3, eerste lid wanneer zij geen geldmiddelen en/of financiële instrumenten van cliënten in ontvangst mogen nemen.".
Art. 220. L'article 326 de la même loi, est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit :
" § 4. Le présent article n'est pas applicable aux succursales d'établissements de crédit visés à l'article 312 relevant de la catégorie visée au 2°, de l'article 1er, § 3, alinéa 1er lorsqu'elles ne sont pas autorisées à recevoir des fonds et/ou des instruments financiers de clients.".
" § 4. Le présent article n'est pas applicable aux succursales d'établissements de crédit visés à l'article 312 relevant de la catégorie visée au 2°, de l'article 1er, § 3, alinéa 1er lorsqu'elles ne sont pas autorisées à recevoir des fonds et/ou des instruments financiers de clients.".
Art. 221. In artikel 333, § 1, tweede lid van dezelfde wet wordt de bepaling onder 6° vervangen als volgt:
"6° artikel 44, voor zover de kredietinstelling niet kan aantonen dat de verbintenissen van haar Belgisch bijkantoor minstens in dezelfde mate gedekt zijn door een depositobeschermingsregeling en/of een beleggersbeschermingsregeling van haar land van herkomst als door de Belgische depositobeschermingsregeling en/of door de Belgische beleggersbeschermingsregeling, voor wat betreft de gedekte activa en het vastgestelde dekkingsniveau;".
"6° artikel 44, voor zover de kredietinstelling niet kan aantonen dat de verbintenissen van haar Belgisch bijkantoor minstens in dezelfde mate gedekt zijn door een depositobeschermingsregeling en/of een beleggersbeschermingsregeling van haar land van herkomst als door de Belgische depositobeschermingsregeling en/of door de Belgische beleggersbeschermingsregeling, voor wat betreft de gedekte activa en het vastgestelde dekkingsniveau;".
Art. 221. Dans l'article 333, § 1er, alinéa 2 de la même loi, le 6° est remplacé par ce qui suit :
"6° l'article 44, dans la mesure où l'établissement de crédit ne peut établir que les engagements de sa succursale belge sont couverts par un système de protection des dépôts et/ou un système de protection des investisseurs de son pays d'origine dans une mesure au moins équivalente à celle résultant du système belge de protection des dépôts et/ou du système belge de protection des investisseurs quant aux actifs couverts et au niveau de couverture prévu ;".
"6° l'article 44, dans la mesure où l'établissement de crédit ne peut établir que les engagements de sa succursale belge sont couverts par un système de protection des dépôts et/ou un système de protection des investisseurs de son pays d'origine dans une mesure au moins équivalente à celle résultant du système belge de protection des dépôts et/ou du système belge de protection des investisseurs quant aux actifs couverts et au niveau de couverture prévu ;".
Art. 222. Artikel 334 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 334. De Bank stelt de EBA in kennis van de volgende informatie betreffende de bijkantoren waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend:
1° de toekenning van de vergunning aan het bijkantoor en alle latere wijzigingen daarvan;
2° de totale activa en passiva van het bijkantoor, zoals gerapporteerd aan de Bank krachtens artikel 335, § 2, tweede lid;
3° de naam van de groep uit een derde land waar het bijkantoor deel van uitmaakt.".
"Art. 334. De Bank stelt de EBA in kennis van de volgende informatie betreffende de bijkantoren waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend:
1° de toekenning van de vergunning aan het bijkantoor en alle latere wijzigingen daarvan;
2° de totale activa en passiva van het bijkantoor, zoals gerapporteerd aan de Bank krachtens artikel 335, § 2, tweede lid;
3° de naam van de groep uit een derde land waar het bijkantoor deel van uitmaakt.".
Art. 222. L'article 334 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 334. La Banque notifie à l'ABE les informations suivantes concernant les succursales agréées en application du présent Titre :
1° l'octroi de l'agrément à la succursale et toute modification ultérieure audit agrément ;
2° le total de l'actif et du passif de la succursale, tel qu'il est communiqué à la Banque en vertu de l'article 335, § 2, alinéa 2 ;
3° la dénomination sous laquelle se présente le groupe de pays tiers auquel appartient la succursale.".
"Art. 334. La Banque notifie à l'ABE les informations suivantes concernant les succursales agréées en application du présent Titre :
1° l'octroi de l'agrément à la succursale et toute modification ultérieure audit agrément ;
2° le total de l'actif et du passif de la succursale, tel qu'il est communiqué à la Banque en vertu de l'article 335, § 2, alinéa 2 ;
3° la dénomination sous laquelle se présente le groupe de pays tiers auquel appartient la succursale.".
Art. 223. Artikel 335, § 2 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De volgende informatie moet ten minste eenmaal per jaar aan de Bank worden gerapporteerd, voor zover ze haar niet reeds jaarlijks wordt verstrekt in het kader van de naleving van de verplichtingen van paragraaf 1:
1° de totale activa die overeenstemmen met de activiteiten van het bijkantoor;
2° informatie over de liquide activa waarover het bijkantoor beschikt, met name de beschikbaarheid van liquide activa in valuta's van de lidstaten;
3° de dotatie van eigen vermogen waarover het bijkantoor beschikt;
4° informatie over de depositobescherming die de depositohouders bij het bijkantoor genieten;
5° informatie over het risicobeheer;
6° de governanceregeling, met inbegrip van de identiteit van de leiding, van de compliancefunctie, en, in voorkomend geval, van de personen die de andere onafhankelijke controlefuncties uitoefenen voor de activiteiten van het bijkantoor;
7° de herstelplannen die betrekking hebben op het bijkantoor;
8° alle andere informatie die de Bank noodzakelijk acht voor een alomvattende monitoring van de activiteiten van het bijkantoor.".
"De volgende informatie moet ten minste eenmaal per jaar aan de Bank worden gerapporteerd, voor zover ze haar niet reeds jaarlijks wordt verstrekt in het kader van de naleving van de verplichtingen van paragraaf 1:
1° de totale activa die overeenstemmen met de activiteiten van het bijkantoor;
2° informatie over de liquide activa waarover het bijkantoor beschikt, met name de beschikbaarheid van liquide activa in valuta's van de lidstaten;
3° de dotatie van eigen vermogen waarover het bijkantoor beschikt;
4° informatie over de depositobescherming die de depositohouders bij het bijkantoor genieten;
5° informatie over het risicobeheer;
6° de governanceregeling, met inbegrip van de identiteit van de leiding, van de compliancefunctie, en, in voorkomend geval, van de personen die de andere onafhankelijke controlefuncties uitoefenen voor de activiteiten van het bijkantoor;
7° de herstelplannen die betrekking hebben op het bijkantoor;
8° alle andere informatie die de Bank noodzakelijk acht voor een alomvattende monitoring van de activiteiten van het bijkantoor.".
Art. 223. L'article 335, § 2 de la même loi est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
"Les informations suivantes doivent être communiquées au moins une fois par an à la Banque, dans la mesure où elles ne sont pas déjà transmises annuellement dans le cadre du respect des obligations énoncées au paragraphe 1er :
1° le total de l'actif correspondant aux activités de la succursale ;
2° des informations sur les actifs liquides dont la succursale dispose, notamment la disponibilité d'actifs liquides en monnaies des Etats membres ;
3° le montant de la dotation en fonds propres dont la succursale dispose ;
4° des informations sur la protection des dépôts dont les déposants dans ladite succursale bénéficient ;
5° des informations sur la gestion des risques ;
6° le dispositif de gouvernance, y compris l'identité des dirigeants, de la fonction de conformité (compliance), et, le cas échéant, des personnes assurant les autres fonctions de contrôle indépendantes pour les activités de la succursale ;
7° les plans de redressement concernant la succursale ;
8° toute autre information que la Banque estime nécessaire pour permettre un suivi complet des activités de la succursale.".
"Les informations suivantes doivent être communiquées au moins une fois par an à la Banque, dans la mesure où elles ne sont pas déjà transmises annuellement dans le cadre du respect des obligations énoncées au paragraphe 1er :
1° le total de l'actif correspondant aux activités de la succursale ;
2° des informations sur les actifs liquides dont la succursale dispose, notamment la disponibilité d'actifs liquides en monnaies des Etats membres ;
3° le montant de la dotation en fonds propres dont la succursale dispose ;
4° des informations sur la protection des dépôts dont les déposants dans ladite succursale bénéficient ;
5° des informations sur la gestion des risques ;
6° le dispositif de gouvernance, y compris l'identité des dirigeants, de la fonction de conformité (compliance), et, le cas échéant, des personnes assurant les autres fonctions de contrôle indépendantes pour les activités de la succursale ;
7° les plans de redressement concernant la succursale ;
8° toute autre information que la Banque estime nécessaire pour permettre un suivi complet des activités de la succursale.".
Art. 224. In artikel 336 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de inleidende zin van paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. De kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, moet in België over voor beslag vatbare activa beschikken voor een bedrag dat overeenstemt met het bedrag van de deposito's, als bedoeld in artikel 382, die het bijkantoor heeft ontvangen, tenzij zij aantoont dat zij aan de volgende voorwaarden voldoet:";
2° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende:
" § 1/1. De kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, moet in België over voor beslag vatbare activa beschikken voor een bedrag dat overeenstemt met het bedrag van de tegoeden, als bedoeld in artikel 384/4, tweede lid, die het bijkantoor heeft ontvangen, tenzij zij aantoont dat zij aan de volgende voorwaarden voldoet:
1° de wetgeving inzake insolventieprocedures van het derde land garandeert dat de schuldeisers die hun tegoeden bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd, dezelfde behandeling krijgen als de schuldeisers die hun tegoeden bij de kredietinstelling in het derde land hebben gedeponeerd; en
2° indien een insolventieprocedure wordt geopend tegen de kredietinstelling in het derde land, kent de wetgeving inzake dergelijke procedures aan de beleggers die geldmiddelen bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd een rangorde toe die een gelijkaardige bescherming biedt als deze waarin artikel 74/1, § 3 voorziet.".
1° de inleidende zin van paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. De kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, moet in België over voor beslag vatbare activa beschikken voor een bedrag dat overeenstemt met het bedrag van de deposito's, als bedoeld in artikel 382, die het bijkantoor heeft ontvangen, tenzij zij aantoont dat zij aan de volgende voorwaarden voldoet:";
2° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende:
" § 1/1. De kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, moet in België over voor beslag vatbare activa beschikken voor een bedrag dat overeenstemt met het bedrag van de tegoeden, als bedoeld in artikel 384/4, tweede lid, die het bijkantoor heeft ontvangen, tenzij zij aantoont dat zij aan de volgende voorwaarden voldoet:
1° de wetgeving inzake insolventieprocedures van het derde land garandeert dat de schuldeisers die hun tegoeden bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd, dezelfde behandeling krijgen als de schuldeisers die hun tegoeden bij de kredietinstelling in het derde land hebben gedeponeerd; en
2° indien een insolventieprocedure wordt geopend tegen de kredietinstelling in het derde land, kent de wetgeving inzake dergelijke procedures aan de beleggers die geldmiddelen bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd een rangorde toe die een gelijkaardige bescherming biedt als deze waarin artikel 74/1, § 3 voorziet.".
Art. 224. Dans l'article 336 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° la phrase introductive du paragraphe 1er est remplacée par ce qui suit :
" § 1er. L'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, doit disposer d'actifs saisissables en Belgique pour un montant correspondant au montant des dépôts, tels que visés à l'article 382, reçus par la succursale, sauf à démontrer qu'il satisfait aux conditions suivantes :" ;
2° il est inséré un paragraphe 1er/1, rédigé comme suit :
" § 1er/1. L'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2° doit disposer d'actifs saisissables en Belgique pour un montant correspondant au montant des avoirs, tels que visés à l'article 384/4, alinéa 2, reçus par la succursale, sauf à démontrer qu'il satisfait aux conditions suivantes :
1° le droit des procédures d'insolvabilité du pays tiers assure aux créanciers ayant déposé leurs avoirs auprès de la succursale belge un traitement qui est équivalent à celui des créanciers ayant déposé leurs avoirs auprès de l'établissement de crédit dans le pays tiers ; et
2° en cas de procédure d'insolvabilité ouverte à l'encontre de l'établissement de crédit dans le pays tiers, le droit régissant cette procédure octroie aux investisseurs ayant déposé des fonds auprès de la succursale belge un rang offrant une protection similaire à celle prévue à l'article 74/1, § 3.".
1° la phrase introductive du paragraphe 1er est remplacée par ce qui suit :
" § 1er. L'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, doit disposer d'actifs saisissables en Belgique pour un montant correspondant au montant des dépôts, tels que visés à l'article 382, reçus par la succursale, sauf à démontrer qu'il satisfait aux conditions suivantes :" ;
2° il est inséré un paragraphe 1er/1, rédigé comme suit :
" § 1er/1. L'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2° doit disposer d'actifs saisissables en Belgique pour un montant correspondant au montant des avoirs, tels que visés à l'article 384/4, alinéa 2, reçus par la succursale, sauf à démontrer qu'il satisfait aux conditions suivantes :
1° le droit des procédures d'insolvabilité du pays tiers assure aux créanciers ayant déposé leurs avoirs auprès de la succursale belge un traitement qui est équivalent à celui des créanciers ayant déposé leurs avoirs auprès de l'établissement de crédit dans le pays tiers ; et
2° en cas de procédure d'insolvabilité ouverte à l'encontre de l'établissement de crédit dans le pays tiers, le droit régissant cette procédure octroie aux investisseurs ayant déposé des fonds auprès de la succursale belge un rang offrant une protection similaire à celle prévue à l'article 74/1, § 3.".
Art. 225. In dezelfde wet wordt een artikel 338/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 338/1. De Bank werkt nauw samen de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen die deel uitmaken van de groep uit een derde land waartoe het Belgische bijkantoor behoort, om ervoor te zorgen dat alle activiteiten in de Europese Unie van die groep uit een derde land worden onderworpen aan een alomvattend toezicht om te voorkomen dat de voorschriften die op groepen uit derde landen van toepassing zijn op grond van deze wet, de ter uitvoering ervan genomen reglementen en Verordening nr. 575/2013 worden omzeild, en om te voorkomen dat de financiële stabiliteit van de Europese Unie wordt aangetast.".
"Art. 338/1. De Bank werkt nauw samen de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen die deel uitmaken van de groep uit een derde land waartoe het Belgische bijkantoor behoort, om ervoor te zorgen dat alle activiteiten in de Europese Unie van die groep uit een derde land worden onderworpen aan een alomvattend toezicht om te voorkomen dat de voorschriften die op groepen uit derde landen van toepassing zijn op grond van deze wet, de ter uitvoering ervan genomen reglementen en Verordening nr. 575/2013 worden omzeild, en om te voorkomen dat de financiële stabiliteit van de Europese Unie wordt aangetast.".
Art. 225. Dans la même loi, il est inséré un article 338/1, rédigé comme suit :
"Art. 338/1. La Banque coopère étroitement avec les autorités compétentes en charge du contrôle des établissements de crédit et des entreprises d'investissement faisant partie du groupe de pays tiers auquel appartient la succursale belge, de manière à s'assurer que toutes les activités dudit groupe de pays tiers dans l'Union européenne font l'objet d'une surveillance complète et d'éviter un contournement des exigences applicables aux groupes de pays tiers en vertu de la présente loi et des règlements pris en exécution de celle-ci ainsi que du Règlement n° 575/2013 et de prévenir toute incidence préjudiciable à la stabilité financière de l'Union européenne.".
"Art. 338/1. La Banque coopère étroitement avec les autorités compétentes en charge du contrôle des établissements de crédit et des entreprises d'investissement faisant partie du groupe de pays tiers auquel appartient la succursale belge, de manière à s'assurer que toutes les activités dudit groupe de pays tiers dans l'Union européenne font l'objet d'une surveillance complète et d'éviter un contournement des exigences applicables aux groupes de pays tiers en vertu de la présente loi et des règlements pris en exécution de celle-ci ainsi que du Règlement n° 575/2013 et de prévenir toute incidence préjudiciable à la stabilité financière de l'Union européenne.".
Art. 226. In artikel 340, § 3 van dezelfde wet worden de woorden "of de beleggers," ingevoegd tussen de woorden "van de spaarders" en de woorden "of voor een gezond en voorzichtig beleid".
Art. 226. Dans l'article 340, § 3 de la même loi, les mots "ou des investisseurs," sont insérés entre les mots "des épargnants" et des mots "ou la gestion saine et prudente".
Art. 227. In artikel 347 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2020, wordt paragraaf 2 aangevuld met twee leden, luidende:
"Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd het eerste en tweede lid van deze paragraaf.
Indien de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde instelling of onderneming een moederonderneming is of een dochteronderneming van een moederonderneming die een geconsolideerde jaarrekening moet opstellen, is de toepasselijke totale nettojaaromzet de totale nettojaaromzet volgens de recentste door het wettelijk bestuursorgaan van de uiteindelijke moederonderneming opgestelde geconsolideerde jaarrekening.".
"Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd het eerste en tweede lid van deze paragraaf.
Indien de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde instelling of onderneming een moederonderneming is of een dochteronderneming van een moederonderneming die een geconsolideerde jaarrekening moet opstellen, is de toepasselijke totale nettojaaromzet de totale nettojaaromzet volgens de recentste door het wettelijk bestuursorgaan van de uiteindelijke moederonderneming opgestelde geconsolideerde jaarrekening.".
Art. 227. Dans l'article 347 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2020, le paragraphe 2 est complété de deux alinéas, rédigés comme suit :
"Sans préjudice des alinéas 1er et 2 du présent paragraphe, lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, le montant maximum de l'amende administrative peut être porté au double du montant de ce profit ou de cette perte.
Lorsque l'établissement ou la compagnie visé à l'alinéa 1er du présent paragraphe, est une entreprise mère ou une filiale d'une entreprise mère qui est tenue d'établir des comptes consolidés, le chiffre d'affaires total annuel net à prendre en considération est celui qui ressort des derniers comptes consolidés disponibles établis par l'organe légal d'administration de l'entreprise mère ultime.".
"Sans préjudice des alinéas 1er et 2 du présent paragraphe, lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, le montant maximum de l'amende administrative peut être porté au double du montant de ce profit ou de cette perte.
Lorsque l'établissement ou la compagnie visé à l'alinéa 1er du présent paragraphe, est une entreprise mère ou une filiale d'une entreprise mère qui est tenue d'établir des comptes consolidés, le chiffre d'affaires total annuel net à prendre en considération est celui qui ressort des derniers comptes consolidés disponibles établis par l'organe légal d'administration de l'entreprise mère ultime.".
Art. 228. In Boek VIII, Titel I van dezelfde wet wordt een artikel 379/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 379/2. Deze Titel is van toepassing op kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°. ".
"Art. 379/2. Deze Titel is van toepassing op kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°. ".
Art. 228. Dans le Livre VIII, Titre Ier de la même loi, il est inséré un article 379/2 rédigé comme suit :
"Art. 379/2. Le présente Titre s'applique aux établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°. ".
"Art. 379/2. Le présente Titre s'applique aux établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°. ".
Art. 229. In artikel 383, tweede lid van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 april 2016, worden de woorden "De aanwending voor reclamedoeleinden van de informatie" vervangen door de woorden "De aanwending in het kader van reclame van de informatie".
Art. 229. Dans l'article 383, alinéa 2 de la même loi, inséré par la loi du 22 avril 2016, les mots "L'usage publicitaire des informations" sont remplacés par les mots "L'usage dans un cadre publicitaire des informations".
Art. 230. Artikel 384/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 oktober 2016, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende:
" § 2. Voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° hebben het eerste, derde, vierde en vijfde lid van paragraaf 1 ook betrekking op de schadeloosstelling in het kader van het in artikel 384/4, tweede lid bedoelde onderdeel gelddeposito's.
Voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, neemt de Bank, behalve in de gevallen waarin het faillissement is uitgesproken, de beslissing waarmee wordt vastgesteld dat een in artikel 384/2 bedoelde kredietinstelling, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie, niet in staat lijkt te zijn de gelddeposito's terug te betalen of te voldoen aan haar verplichtingen jegens de beleggers tot terugbetaling van de financiële instrumenten die voor hun rekening worden gehouden of die de kredietinstelling verschuldigd is, en dat de kredietinstelling daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat zal zijn. Deze vaststelling geschiedt zo spoedig mogelijk en in elk geval uiterlijk vijf werkdagen nadat voor het eerst is vastgesteld dat de kredietinstelling heeft nagelaten verschuldigde en betaalbare gelddeposito's of een financieel instrument terug te betalen.".
" § 2. Voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° hebben het eerste, derde, vierde en vijfde lid van paragraaf 1 ook betrekking op de schadeloosstelling in het kader van het in artikel 384/4, tweede lid bedoelde onderdeel gelddeposito's.
Voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, neemt de Bank, behalve in de gevallen waarin het faillissement is uitgesproken, de beslissing waarmee wordt vastgesteld dat een in artikel 384/2 bedoelde kredietinstelling, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie, niet in staat lijkt te zijn de gelddeposito's terug te betalen of te voldoen aan haar verplichtingen jegens de beleggers tot terugbetaling van de financiële instrumenten die voor hun rekening worden gehouden of die de kredietinstelling verschuldigd is, en dat de kredietinstelling daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat zal zijn. Deze vaststelling geschiedt zo spoedig mogelijk en in elk geval uiterlijk vijf werkdagen nadat voor het eerst is vastgesteld dat de kredietinstelling heeft nagelaten verschuldigde en betaalbare gelddeposito's of een financieel instrument terug te betalen.".
Art. 230. L'article 384/3 de la même loi, inséré par la loi du 25 octobre 2016, dont les alinéas actuels formeront le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Pour ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, les alinéas 1er, 3, 4 et 5 du paragraphe 1er portent également sur l'indemnisation sous le volet dépôts de fonds visée à l'article 384/4, alinéa 2.
Pour ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, sauf dans les cas où la faillite a été prononcée, la Banque prend la décision constatant que, pour des raisons liées directement à sa situation financière, un établissement de crédit visé à l'article 384/2, n'apparaît pas en mesure de restituer les dépôts de fonds ou de remplir ses obligations à l'égard des investisseurs en matière de restitution des instruments financiers qui sont détenus pour leur compte ou dont l'établissement de crédit est redevable et que l'établissement de crédit ne sera pas en mesure de le faire dans un futur rapproché. Ce constat est fait dès que possible, et en tout état de cause au plus tard cinq jours ouvrables après avoir établi pour la première fois que l'établissement de crédit n'a pas restitué les dépôts de fonds échus et exigibles ou a omis de restituer un instrument financier.".
" § 2. Pour ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, les alinéas 1er, 3, 4 et 5 du paragraphe 1er portent également sur l'indemnisation sous le volet dépôts de fonds visée à l'article 384/4, alinéa 2.
Pour ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, sauf dans les cas où la faillite a été prononcée, la Banque prend la décision constatant que, pour des raisons liées directement à sa situation financière, un établissement de crédit visé à l'article 384/2, n'apparaît pas en mesure de restituer les dépôts de fonds ou de remplir ses obligations à l'égard des investisseurs en matière de restitution des instruments financiers qui sont détenus pour leur compte ou dont l'établissement de crédit est redevable et que l'établissement de crédit ne sera pas en mesure de le faire dans un futur rapproché. Ce constat est fait dès que possible, et en tout état de cause au plus tard cinq jours ouvrables après avoir établi pour la première fois que l'établissement de crédit n'a pas restitué les dépôts de fonds échus et exigibles ou a omis de restituer un instrument financier.".
Art. 231. Artikel 384/4 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 oktober 2016, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° wordt het onderdeel financiële instrumenten van de beleggersbeschermingsregeling die door het in het eerste lid bedoelde Garantiefonds is ingesteld, aangevuld met een onderdeel gelddeposito's van de door het Garantiefonds ingestelde beleggersbeschermingsregeling, dat voorziet, tot een bedrag van maximum 100 000 euro per belegger en per kredietinstelling die aan deze regeling deelneemt, in de terugbetaling van de gelddeposito's die voor rekening van de beleggers worden gehouden en die bestemd zijn voor de verwerving van financiële instrumenten, voor belegging in gestructureerde deposito's of voor terugbetalingen, ongeacht de munteenheid waarin ze zijn uitgedrukt, op voorwaarde dat deze gelddeposito's niet reeds gedekt zijn door de in de artikelen 379/2 tot 384/1 bedoelde depositobeschermingsregeling.".
"Voor kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° wordt het onderdeel financiële instrumenten van de beleggersbeschermingsregeling die door het in het eerste lid bedoelde Garantiefonds is ingesteld, aangevuld met een onderdeel gelddeposito's van de door het Garantiefonds ingestelde beleggersbeschermingsregeling, dat voorziet, tot een bedrag van maximum 100 000 euro per belegger en per kredietinstelling die aan deze regeling deelneemt, in de terugbetaling van de gelddeposito's die voor rekening van de beleggers worden gehouden en die bestemd zijn voor de verwerving van financiële instrumenten, voor belegging in gestructureerde deposito's of voor terugbetalingen, ongeacht de munteenheid waarin ze zijn uitgedrukt, op voorwaarde dat deze gelddeposito's niet reeds gedekt zijn door de in de artikelen 379/2 tot 384/1 bedoelde depositobeschermingsregeling.".
Art. 231. L'article 384/4 de la même loi, inséré par la loi du 25 octobre 2016, est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
"Pour ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, le volet instruments financiers du système de protection des investisseurs institué par le Fonds de garantie visé à l'alinéa 1er, est complété d'un volet dépôts de fonds du système de protection des investisseurs, institué par le Fonds de garantie, qui prévoit, jusqu'à un plafond de 100 000 euros par investisseur et par établissement de crédit adhérant à ce système, le remboursement des dépôts de fonds détenus pour le compte des investisseurs en attente d'affectation à l'acquisition d'instruments financiers, en attente d'investissements en dépôts structurés ou en attente de restitution, quelle que soit la devise dans laquelle ils sont libellés, à condition que ces dépôts de fonds ne soient pas déjà couverts par le système de protection des dépôts visé dans les articles 379/2 à 384/1.".
"Pour ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, le volet instruments financiers du système de protection des investisseurs institué par le Fonds de garantie visé à l'alinéa 1er, est complété d'un volet dépôts de fonds du système de protection des investisseurs, institué par le Fonds de garantie, qui prévoit, jusqu'à un plafond de 100 000 euros par investisseur et par établissement de crédit adhérant à ce système, le remboursement des dépôts de fonds détenus pour le compte des investisseurs en attente d'affectation à l'acquisition d'instruments financiers, en attente d'investissements en dépôts structurés ou en attente de restitution, quelle que soit la devise dans laquelle ils sont libellés, à condition que ces dépôts de fonds ne soient pas déjà couverts par le système de protection des dépôts visé dans les articles 379/2 à 384/1.".
Art. 232. In artikel 384/5 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 oktober 2016, wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"De aanwending in het kader van reclame van de informatie bedoeld in het eerste lid is beperkt tot de loutere vermelding van de beleggersbeschermingsregeling die een garantie biedt voor de financiële instrumenten of, in het geval van een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, voor de gelddeposito's waarop de reclame betrekking heeft.".
"De aanwending in het kader van reclame van de informatie bedoeld in het eerste lid is beperkt tot de loutere vermelding van de beleggersbeschermingsregeling die een garantie biedt voor de financiële instrumenten of, in het geval van een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, voor de gelddeposito's waarop de reclame betrekking heeft.".
Art. 232. Dans l'article 384/5 de la même loi, inséré par la loi du 25 octobre 2016, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"L'usage dans un cadre publicitaire des informations visées à l'alinéa 1er est limité à une simple mention du système de protection des investisseurs qui garantit les instruments financiers ou, dans le cas d'un établissement de credit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, les dépôts de fonds visés dans la publicité.".
"L'usage dans un cadre publicitaire des informations visées à l'alinéa 1er est limité à une simple mention du système de protection des investisseurs qui garantit les instruments financiers ou, dans le cas d'un établissement de credit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, les dépôts de fonds visés dans la publicité.".
Art. 233. In artikel 389/1 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de eerste zin wordt als volgt vervangen:
"Wanneer ten aanzien van een entiteit bedoeld in artikel 424 een liquidatieprocedure wordt geopend, kunnen de volgende schuldeisers bij de verdeling gelijktijdig aanspraken doen gelden naar verhouding van hun toegelaten schuldvorderingen, waarbij zij rang nemen na de schuldeisers die houders zijn van zakelijke zekerheden of voorrechten:";
2° het artikel wordt aangevuld met de punten 3° en 4°, luidende:
"3° in de derde plaats, de achtergestelde schuldeisers;
4° in de vierde plaats, de schuldeisers die houders zijn van eigenvermogensbestanddelen, met inbegrip van instrumenten die slechts gedeeltelijk als een eigenvermogensbestanddeel worden erkend, die in hun geheel behandeld worden als schulden die voortvloeien uit een eigenvermogensbestanddeel. Voor de toepassing van dit punt 4° worden enkel instrumenten die eigenvermogensbestanddelen vormen op het ogenblik van de opening van de liquidatieprocedure behandeld als schulden die voortvloeien uit een eigenvermogensbestanddeel, niettegenstaande enige andersluidende contractuele clausule.";
3° het artikel wordt aangevuld met een tweede lid, luidende:
"Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "schuldinstrumenten" verstaan, obligaties en andere vormen van overdraagbare schuld en instrumenten die een schuld creëren of erkennen.".
1° de eerste zin wordt als volgt vervangen:
"Wanneer ten aanzien van een entiteit bedoeld in artikel 424 een liquidatieprocedure wordt geopend, kunnen de volgende schuldeisers bij de verdeling gelijktijdig aanspraken doen gelden naar verhouding van hun toegelaten schuldvorderingen, waarbij zij rang nemen na de schuldeisers die houders zijn van zakelijke zekerheden of voorrechten:";
2° het artikel wordt aangevuld met de punten 3° en 4°, luidende:
"3° in de derde plaats, de achtergestelde schuldeisers;
4° in de vierde plaats, de schuldeisers die houders zijn van eigenvermogensbestanddelen, met inbegrip van instrumenten die slechts gedeeltelijk als een eigenvermogensbestanddeel worden erkend, die in hun geheel behandeld worden als schulden die voortvloeien uit een eigenvermogensbestanddeel. Voor de toepassing van dit punt 4° worden enkel instrumenten die eigenvermogensbestanddelen vormen op het ogenblik van de opening van de liquidatieprocedure behandeld als schulden die voortvloeien uit een eigenvermogensbestanddeel, niettegenstaande enige andersluidende contractuele clausule.";
3° het artikel wordt aangevuld met een tweede lid, luidende:
"Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "schuldinstrumenten" verstaan, obligaties en andere vormen van overdraagbare schuld en instrumenten die een schuld creëren of erkennen.".
Art. 233. A l'article 389/1 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° la première phrase est remplacée comme suit :
"Lorsqu'une procédure de liquidation est ouverte à l'encontre d'une entité visée à l'article 424, concourent aux répartitions dans la proportion de leurs créances admises après les créanciers titulaires de sûretés réelles ou de privilèges :" ;
2° l'article est complété par les 3° et 4°, rédigés comme suit :
"3° en troisième lieu, les créanciers subordonnés ;
4° en quatrième lieu, les créanciers consistant dans les titulaires d'éléments de fonds propres, y compris les instruments qui ne sont reconnus que partiellement comme éléments de fonds propres, lesquels sont traités dans leur intégralité comme des créances résultant d'éléments de fonds propres. Pour l'application du présent point, seuls les instruments constitutifs d'éléments de fonds propres au moment de l'ouverture de la procédure de liquidation sont traités comme des créances résultant d'éléments de fonds propres, nonobstant toute clause contractuelle contraire.";
3° l'article est complété par un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
"Pour l'application du présent article, on entend par "instruments de dette", les obligations et autres formes de dette négociables et les instruments créant ou reconnaissant une dette.".
1° la première phrase est remplacée comme suit :
"Lorsqu'une procédure de liquidation est ouverte à l'encontre d'une entité visée à l'article 424, concourent aux répartitions dans la proportion de leurs créances admises après les créanciers titulaires de sûretés réelles ou de privilèges :" ;
2° l'article est complété par les 3° et 4°, rédigés comme suit :
"3° en troisième lieu, les créanciers subordonnés ;
4° en quatrième lieu, les créanciers consistant dans les titulaires d'éléments de fonds propres, y compris les instruments qui ne sont reconnus que partiellement comme éléments de fonds propres, lesquels sont traités dans leur intégralité comme des créances résultant d'éléments de fonds propres. Pour l'application du présent point, seuls les instruments constitutifs d'éléments de fonds propres au moment de l'ouverture de la procédure de liquidation sont traités comme des créances résultant d'éléments de fonds propres, nonobstant toute clause contractuelle contraire.";
3° l'article est complété par un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
"Pour l'application du présent article, on entend par "instruments de dette", les obligations et autres formes de dette négociables et les instruments créant ou reconnaissant une dette.".
Art. 234. Artikel 418 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 25 oktober 2016, wordt hersteld als volgt:
"Art. 418. § 1. In afwijking van artikel 267/3, bepaalt de afwikkelingsautoriteit geschikte overgangsperiodes, die ten laatste op 1 januari 2024 eindigen, voor kredietinstellingen en entiteiten als bedoeld in artikel 424, 2°, tot en met 4°, om te voldoen aan de vereisten in artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4, of aan vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 267/5, §§ 4, 5 of 7, naargelang het geval.
De afwikkelingsautoriteit bepaalt tussentijdse streefniveaus voor de vereisten bedoeld in het eerste lid, waaraan de kredietinstellingen en entiteiten als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, op 1 januari 2022 moet voldoen. Die tussentijdse streefniveaus zorgen in de regel voor een lineaire opbouw van eigen vermogen en in aanmerking komende schulden naar die vereisten toe.
De afwikkelingsautoriteit kan, indien naar behoren gerechtvaardigd en passend op basis van de in paragraaf 7 bedoelde criteria, voorzien in een overgangsperiode die na 1 januari 2024 verstrijkt, waarbij rekening wordt gehouden met het volgende:
1° de ontwikkeling van de financiële situatie van de entiteit;
2° het vooruitzicht dat de entiteit in staat zal zijn binnen een redelijke termijn te voldoen aan de vereisten in het eerste lid; en
3° of de entiteit in staat is te zorgen voor vervanging van schulden die niet langer voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen of de criteria inzake looptijd die zijn vastgesteld in de artikelen 72ter en 72quater van Verordening nr. 575/2013 en artikel 267/5 of artikel 267/5/4, § 2, en indien niet, dat onvermogen eigen aan de entiteit is dan wel te wijten is aan marktbrede verstoring.
§ 2. Af te wikkelen entiteiten voldoen uiterlijk op 1 januari 2022 aan het minimumniveau van de in artikel 267/5/1, § 4 of § 5, bedoelde vereisten.
§ 3. De minimumniveaus van de in artikel 267/5/1, § 4 en § 5, bedoelde vereisten zijn niet van toepassing binnen de periode van twee jaar die volgt op de datum waarop:
1° de afwikkelingsautoriteit het instrument van interne versterking heeft toegepast; of
2° de af te wikkelen entiteit een in artikel 244, § 1, 2°, bedoelde private maatregel heeft doorgevoerd waarmee kapitaalinstrumenten en andere verplichtingen zijn afgeschreven of in tier 1-kernkapitaalinstrumenten omgezet, of ten aanzien van die af te wikkelen entiteit overeenkomstig de artikelen 250 of 457 afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden zijn uitgeoefend, teneinde de af te wikkelen entiteit te herkapitaliseren zonder dat afwikkelingsinstrumenten werden toegepast.
§ 4. De vereisten, bedoeld in artikel 267/5, § 4 en § 7, alsmede artikel 267/5/1, § 4 en § 5, naargelang het geval, gelden niet binnen de periode van drie jaar die volgt op de datum waarop de af te wikkelen entiteit of de groep waartoe de af te wikkelen entiteit behoort, als MSI is aangemerkt, of de datum vanaf welke de af te wikkelen entiteit zich in de in artikel 267/5/1, § 4 of § 5, bedoelde situatie bevindt.
§ 5. In afwijking van artikel 267/3, bepaalt de afwikkelingsautoriteit een geschikte overgangsperiode om te voldoen aan de vereisten van artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4 of aan een vereiste die voortvloeit uit de toepassing van artikel 267/5, § 4, § 5 of § 7, naargelang het geval, voor kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, ten aanzien waarvan de afwikkelingsinstrumenten of de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting bedoeld in de artikelen 250 of 457 zijn toegepast.
§ 6. Voor de toepassing van de paragrafen 1 tot en met 5 deelt de afwikkelingsautoriteit de kredietinstelling of entiteit als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, een gepland minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden mee voor elke periode van 12 maanden gedurende de overgangsperiode, teneinde een geleidelijke opbouw van haar verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit te faciliteren. Aan het eind van de overgangsperiode is het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden gelijk aan het bedrag dat is vastgesteld op grond van artikel 267/5, §§ 4, 5 of 7, artikel 267/5/1, §§ 4 of 5, artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4, naargelang het geval.
§ 7. Bij het bepalen van een overgangsperiode overeenkomstig dit artikel, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met:
1° het overwicht van deposito's en het ontbreken van schuldinstrumenten in het financieringsmodel;
2° de toegang tot de kapitaalmarkten voor in aanmerking komende schulden;
3° de mate waarin de af te wikkelen entiteit een beroep moet doen op tier 1-kernkapitaal voor het voldoen aan het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste.
§ 8. Onder voorbehoud van paragraaf 1 kan de afwikkelingsautoriteit de overgangsperiode of een gepland minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden zoals meegedeeld krachtens paragraaf 6 later herzien.".
"Art. 418. § 1. In afwijking van artikel 267/3, bepaalt de afwikkelingsautoriteit geschikte overgangsperiodes, die ten laatste op 1 januari 2024 eindigen, voor kredietinstellingen en entiteiten als bedoeld in artikel 424, 2°, tot en met 4°, om te voldoen aan de vereisten in artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4, of aan vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 267/5, §§ 4, 5 of 7, naargelang het geval.
De afwikkelingsautoriteit bepaalt tussentijdse streefniveaus voor de vereisten bedoeld in het eerste lid, waaraan de kredietinstellingen en entiteiten als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, op 1 januari 2022 moet voldoen. Die tussentijdse streefniveaus zorgen in de regel voor een lineaire opbouw van eigen vermogen en in aanmerking komende schulden naar die vereisten toe.
De afwikkelingsautoriteit kan, indien naar behoren gerechtvaardigd en passend op basis van de in paragraaf 7 bedoelde criteria, voorzien in een overgangsperiode die na 1 januari 2024 verstrijkt, waarbij rekening wordt gehouden met het volgende:
1° de ontwikkeling van de financiële situatie van de entiteit;
2° het vooruitzicht dat de entiteit in staat zal zijn binnen een redelijke termijn te voldoen aan de vereisten in het eerste lid; en
3° of de entiteit in staat is te zorgen voor vervanging van schulden die niet langer voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen of de criteria inzake looptijd die zijn vastgesteld in de artikelen 72ter en 72quater van Verordening nr. 575/2013 en artikel 267/5 of artikel 267/5/4, § 2, en indien niet, dat onvermogen eigen aan de entiteit is dan wel te wijten is aan marktbrede verstoring.
§ 2. Af te wikkelen entiteiten voldoen uiterlijk op 1 januari 2022 aan het minimumniveau van de in artikel 267/5/1, § 4 of § 5, bedoelde vereisten.
§ 3. De minimumniveaus van de in artikel 267/5/1, § 4 en § 5, bedoelde vereisten zijn niet van toepassing binnen de periode van twee jaar die volgt op de datum waarop:
1° de afwikkelingsautoriteit het instrument van interne versterking heeft toegepast; of
2° de af te wikkelen entiteit een in artikel 244, § 1, 2°, bedoelde private maatregel heeft doorgevoerd waarmee kapitaalinstrumenten en andere verplichtingen zijn afgeschreven of in tier 1-kernkapitaalinstrumenten omgezet, of ten aanzien van die af te wikkelen entiteit overeenkomstig de artikelen 250 of 457 afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden zijn uitgeoefend, teneinde de af te wikkelen entiteit te herkapitaliseren zonder dat afwikkelingsinstrumenten werden toegepast.
§ 4. De vereisten, bedoeld in artikel 267/5, § 4 en § 7, alsmede artikel 267/5/1, § 4 en § 5, naargelang het geval, gelden niet binnen de periode van drie jaar die volgt op de datum waarop de af te wikkelen entiteit of de groep waartoe de af te wikkelen entiteit behoort, als MSI is aangemerkt, of de datum vanaf welke de af te wikkelen entiteit zich in de in artikel 267/5/1, § 4 of § 5, bedoelde situatie bevindt.
§ 5. In afwijking van artikel 267/3, bepaalt de afwikkelingsautoriteit een geschikte overgangsperiode om te voldoen aan de vereisten van artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4 of aan een vereiste die voortvloeit uit de toepassing van artikel 267/5, § 4, § 5 of § 7, naargelang het geval, voor kredietinstellingen of entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, ten aanzien waarvan de afwikkelingsinstrumenten of de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting bedoeld in de artikelen 250 of 457 zijn toegepast.
§ 6. Voor de toepassing van de paragrafen 1 tot en met 5 deelt de afwikkelingsautoriteit de kredietinstelling of entiteit als bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, een gepland minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden mee voor elke periode van 12 maanden gedurende de overgangsperiode, teneinde een geleidelijke opbouw van haar verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit te faciliteren. Aan het eind van de overgangsperiode is het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden gelijk aan het bedrag dat is vastgesteld op grond van artikel 267/5, §§ 4, 5 of 7, artikel 267/5/1, §§ 4 of 5, artikel 267/5/3 of artikel 267/5/4, naargelang het geval.
§ 7. Bij het bepalen van een overgangsperiode overeenkomstig dit artikel, houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met:
1° het overwicht van deposito's en het ontbreken van schuldinstrumenten in het financieringsmodel;
2° de toegang tot de kapitaalmarkten voor in aanmerking komende schulden;
3° de mate waarin de af te wikkelen entiteit een beroep moet doen op tier 1-kernkapitaal voor het voldoen aan het in artikel 267/5/3 bedoelde vereiste.
§ 8. Onder voorbehoud van paragraaf 1 kan de afwikkelingsautoriteit de overgangsperiode of een gepland minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden zoals meegedeeld krachtens paragraaf 6 later herzien.".
Art. 234. L'article 418 de la même loi, abrogé par la loi du 25 octobre 2016, est rétabli dans la rédaction suivante :
"Art. 418. § 1er. Par dérogation à l'article 267/3, l'autorité de résolution fixe une période transitoire appropriée se terminant au plus tard le 1er janvier 2024 pour que les établissements de crédit et les entités visées à l'article 424, 2° à 4°, se conforment aux exigences énoncées à l'article 267/5/3 ou 267/5/4 ou à des exigences résultant de l'application de l'article 267/5, §§ 4, 5 ou 7, selon le cas.
L'autorité de résolution détermine des niveaux cibles intermédiaires pour les exigences visées à l'alinéa 1er que les établissements de crédit et les entités visées à l'article 424, 2° à 4°, doivent respecter au 1er janvier 2022. Les niveaux cibles intermédiaires assurent, en principe, un renforcement linéaire des fonds propres et des dettes éligibles en vue de satisfaire à ces exigences.
L'autorité de résolution peut fixer une période transitoire qui se termine après le 1er janvier 2024 lorsque cela est dûment justifié et approprié, sur la base des critères visés au paragraphe 7, en prenant en considération les éléments suivants :
1° l'évolution de la situation financière de l'entité ;
2° la perspective que l'entité soit en mesure d'assurer le respect des exigences, dans un délai raisonnable, visées à l'alinéa 1er ; et
3° la capacité de l'entité à remplacer des dettes qui ne respectent plus les critères d'éligibilité ou d'échéance prévus aux articles 72ter et 72quater du Règlement n° 575/2013, et à l'article 267/5 ou à l'article 267/5/4, § 2, et à défaut, si cette impossibilité a un caractère circonscrit et individuel ou est due à une perturbation à l'échelle du marché.
§ 2. L'échéance fixée pour que les entités de résolution se conforment au niveau minimum des exigences visées à l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, est le 1er janvier 2022.
§ 3. Les niveaux minimaux des exigences visées à l'article 267/5/1, § 4 et § 5, ne s'appliquent pas pendant la période de deux ans qui suit :
1° la date à laquelle l'autorité de résolution a appliqué l'instrument de renflouement interne ; ou
2° la date à laquelle l'entité de résolution a mis en place une autre action de nature privée visée à l'article 244, § 1er, 2°, par laquelle des instruments de fonds propres et d'autres dettes ont été dépréciés ou convertis en fonds propres de base de catégorie 1, ou sur laquelle des pouvoirs de dépréciation ou de conversion, conformément aux articles 250 ou 457, ont été exercés au regard de cette entité de résolution, afin de recapitaliser l'entité de résolution sans appliquer d'instruments de résolution.
§ 4. Les exigences visées à l'article 267/5, § 4 et § 7, ainsi qu'à l'article 267/5/1, § 4 et § 5, selon le cas, ne s'appliquent pas pendant la période de trois ans qui suit la date à laquelle l'entité de résolution ou le groupe dont fait partie l'entité de résolution a été identifié comme un EISm, ou à laquelle l'entité de résolution se trouve pour la première fois dans la situation visée à l'article 267/5/1, § 4 ou § 5.
§ 5. Par dérogation à l'article 267/3, l'autorité de résolution fixe une période transitoire appropriée pour que les établissements de crédit ou les entités visées à l'article 424, 2° à 4°, à l'égard desquels des instruments de résolution ou les pouvoirs de dépréciation ou de conversion visés aux articles 250 ou 457 ont été appliqués, se conforment aux exigences énoncées à l'article 267/5/3 ou 267/5/4 ou à une exigence résultant de l'application de l'article 267/5, § 4, § 5 ou § 7, selon le cas.
§ 6. Aux fins des paragraphes 1er à 5, les autorités de résolution communiquent à l'établissement de crédit ou à l'entité visée à l'article 424, 2° à 4°, une exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles planifiée pour chaque période de douze mois de la période transitoire en vue de faciliter un renforcement progressif de sa capacité d'absorption des pertes et de recapitalisation. A l'issue de la période transitoire, l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles est égale au montant déterminé conformément à l'article 267/5, §§ 4, 5 ou 7, à l'article 267/5/1, §§ 4 ou 5, à l'article 267/5/3, ou à l'article 267/5/4, selon le cas.
§ 7. Lorsqu'elle détermine une période transitoire conformément au présent article, l'autorité de résolution tient compte :
1° de la prévalence des dépôts et de l'absence d'instruments de dette dans le modèle de financement ;
2° de l'accès aux marchés des capitaux pour les dettes éligibles ;
3° de la mesure dans laquelle l'entité de résolution recourt aux fonds propres de base de catégorie 1 pour respecter l'exigence visée à l'article 267/5/3.
§ 8. Sous réserve du paragraphe 1er, l'autorité de résolution peut revoir ultérieurement soit la période transitoire soit une éventuelle exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles planifiée communiquée conformément au paragraphe 6.".
"Art. 418. § 1er. Par dérogation à l'article 267/3, l'autorité de résolution fixe une période transitoire appropriée se terminant au plus tard le 1er janvier 2024 pour que les établissements de crédit et les entités visées à l'article 424, 2° à 4°, se conforment aux exigences énoncées à l'article 267/5/3 ou 267/5/4 ou à des exigences résultant de l'application de l'article 267/5, §§ 4, 5 ou 7, selon le cas.
L'autorité de résolution détermine des niveaux cibles intermédiaires pour les exigences visées à l'alinéa 1er que les établissements de crédit et les entités visées à l'article 424, 2° à 4°, doivent respecter au 1er janvier 2022. Les niveaux cibles intermédiaires assurent, en principe, un renforcement linéaire des fonds propres et des dettes éligibles en vue de satisfaire à ces exigences.
L'autorité de résolution peut fixer une période transitoire qui se termine après le 1er janvier 2024 lorsque cela est dûment justifié et approprié, sur la base des critères visés au paragraphe 7, en prenant en considération les éléments suivants :
1° l'évolution de la situation financière de l'entité ;
2° la perspective que l'entité soit en mesure d'assurer le respect des exigences, dans un délai raisonnable, visées à l'alinéa 1er ; et
3° la capacité de l'entité à remplacer des dettes qui ne respectent plus les critères d'éligibilité ou d'échéance prévus aux articles 72ter et 72quater du Règlement n° 575/2013, et à l'article 267/5 ou à l'article 267/5/4, § 2, et à défaut, si cette impossibilité a un caractère circonscrit et individuel ou est due à une perturbation à l'échelle du marché.
§ 2. L'échéance fixée pour que les entités de résolution se conforment au niveau minimum des exigences visées à l'article 267/5/1, § 4 ou § 5, est le 1er janvier 2022.
§ 3. Les niveaux minimaux des exigences visées à l'article 267/5/1, § 4 et § 5, ne s'appliquent pas pendant la période de deux ans qui suit :
1° la date à laquelle l'autorité de résolution a appliqué l'instrument de renflouement interne ; ou
2° la date à laquelle l'entité de résolution a mis en place une autre action de nature privée visée à l'article 244, § 1er, 2°, par laquelle des instruments de fonds propres et d'autres dettes ont été dépréciés ou convertis en fonds propres de base de catégorie 1, ou sur laquelle des pouvoirs de dépréciation ou de conversion, conformément aux articles 250 ou 457, ont été exercés au regard de cette entité de résolution, afin de recapitaliser l'entité de résolution sans appliquer d'instruments de résolution.
§ 4. Les exigences visées à l'article 267/5, § 4 et § 7, ainsi qu'à l'article 267/5/1, § 4 et § 5, selon le cas, ne s'appliquent pas pendant la période de trois ans qui suit la date à laquelle l'entité de résolution ou le groupe dont fait partie l'entité de résolution a été identifié comme un EISm, ou à laquelle l'entité de résolution se trouve pour la première fois dans la situation visée à l'article 267/5/1, § 4 ou § 5.
§ 5. Par dérogation à l'article 267/3, l'autorité de résolution fixe une période transitoire appropriée pour que les établissements de crédit ou les entités visées à l'article 424, 2° à 4°, à l'égard desquels des instruments de résolution ou les pouvoirs de dépréciation ou de conversion visés aux articles 250 ou 457 ont été appliqués, se conforment aux exigences énoncées à l'article 267/5/3 ou 267/5/4 ou à une exigence résultant de l'application de l'article 267/5, § 4, § 5 ou § 7, selon le cas.
§ 6. Aux fins des paragraphes 1er à 5, les autorités de résolution communiquent à l'établissement de crédit ou à l'entité visée à l'article 424, 2° à 4°, une exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles planifiée pour chaque période de douze mois de la période transitoire en vue de faciliter un renforcement progressif de sa capacité d'absorption des pertes et de recapitalisation. A l'issue de la période transitoire, l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles est égale au montant déterminé conformément à l'article 267/5, §§ 4, 5 ou 7, à l'article 267/5/1, §§ 4 ou 5, à l'article 267/5/3, ou à l'article 267/5/4, selon le cas.
§ 7. Lorsqu'elle détermine une période transitoire conformément au présent article, l'autorité de résolution tient compte :
1° de la prévalence des dépôts et de l'absence d'instruments de dette dans le modèle de financement ;
2° de l'accès aux marchés des capitaux pour les dettes éligibles ;
3° de la mesure dans laquelle l'entité de résolution recourt aux fonds propres de base de catégorie 1 pour respecter l'exigence visée à l'article 267/5/3.
§ 8. Sous réserve du paragraphe 1er, l'autorité de résolution peut revoir ultérieurement soit la période transitoire soit une éventuelle exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles planifiée communiquée conformément au paragraphe 6.".
Art. 235. In artikel 439, § 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt als volgt vervangen:
"In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit samen met de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen en in voorkomend geval na raadpleging van de afwikkelingsautoriteiten van significante bijkantoren, een groepsafwikkelingsplan op voor de afwikkeling van iedere Belgische groep.";
2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Het groepsafwikkelingsplan bepaalt voor elke groep de af te wikkelen entiteiten en de af te wikkelen groepen.".
1° het eerste lid wordt als volgt vervangen:
"In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit samen met de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen en in voorkomend geval na raadpleging van de afwikkelingsautoriteiten van significante bijkantoren, een groepsafwikkelingsplan op voor de afwikkeling van iedere Belgische groep.";
2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Het groepsafwikkelingsplan bepaalt voor elke groep de af te wikkelen entiteiten en de af te wikkelen groepen.".
Art. 235. A l'article 439, § 1er de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé comme suit :
"L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, conjointement avec les autorités de résolution des filiales et le cas échéant après consultation des autorités de résolution des succursales d'importance significative, élabore un plan de résolution de groupe prévoyant la résolution de chaque groupe belge." ;
2° le paragraphe est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
"Le plan de résolution de groupe détermine pour chaque groupe les entités de résolution et les groupes de résolution.".
1° l'alinéa 1er est remplacé comme suit :
"L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, conjointement avec les autorités de résolution des filiales et le cas échéant après consultation des autorités de résolution des succursales d'importance significative, élabore un plan de résolution de groupe prévoyant la résolution de chaque groupe belge." ;
2° le paragraphe est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
"Le plan de résolution de groupe détermine pour chaque groupe les entités de résolution et les groupes de résolution.".
Art. 236. In artikel 440, § 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt het eerste lid als volgt vervangen:
"Het groepsafwikkelingsplan bepaalt de afwikkelingsmaatregelen die verondersteld worden van toepassing te zijn op af te wikkelen entiteiten indien de voorwaarden bepaald in artikel 244 of 454 zijn vervuld, evenals de gevolgen daarvan voor de andere entiteiten van de groep als bedoeld in artikel 424, 2°, tot 4°, voor de moederonderneming en voor dochterkredietinstellingen.".
"Het groepsafwikkelingsplan bepaalt de afwikkelingsmaatregelen die verondersteld worden van toepassing te zijn op af te wikkelen entiteiten indien de voorwaarden bepaald in artikel 244 of 454 zijn vervuld, evenals de gevolgen daarvan voor de andere entiteiten van de groep als bedoeld in artikel 424, 2°, tot 4°, voor de moederonderneming en voor dochterkredietinstellingen.".
Art. 236. Dans l'article 440, § 1er de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Le plan de résolution de groupe définit les mesures de résolution qu'il est prévu d'appliquer aux entités de résolution lorsque les conditions prévues à l'article 244 ou 454 sont remplies et les incidences de celles-ci sur les autres entités du groupe visées à l'article 424, 2° à 4°, pour l'entreprise mère et pour les établissements de crédit filiales.".
"Le plan de résolution de groupe définit les mesures de résolution qu'il est prévu d'appliquer aux entités de résolution lorsque les conditions prévues à l'article 244 ou 454 sont remplies et les incidences de celles-ci sur les autres entités du groupe visées à l'article 424, 2° à 4°, pour l'entreprise mère et pour les établissements de crédit filiales.".
Art. 237. In artikel 441 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt paragraaf 1 als volgt vervangen:
" § 1. Het groepsafwikkelingsplan:
1° beschrijft, indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, de te nemen afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van de af te wikkelen entiteiten van elke af te wikkelen groep en de gevolgen van die maatregelen voor zowel andere entiteiten van de groep die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren, als voor andere af te wikkelen groepen;
2° onderzoekt in welke mate de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden op gecoördineerde wijze op in de EER gevestigde af te wikkelen entiteiten kunnen worden toegepast en uitgeoefend, en bevat maatregelen die de aankoop door een derde van de groep als geheel of van afzonderlijke bedrijfsonderdelen of -activiteiten van een aantal of van bepaalde groepsentiteiten of af te wikkelen groepen faciliteren, en signaleert potentiële belemmeringen voor een gecoördineerde afwikkeling;
3° stelt, ingeval de groep entiteiten omvat die in derde landen zijn gevestigd, passende regelingen vast voor de samenwerking en coördinatie met de betrokken autoriteiten van die derde landen en de gevolgen voor afwikkeling binnen de EER;
4° geeft aan welke maatregelen, waaronder de juridische en economische afsplitsing van bepaalde functies of bedrijfsonderdelen, nodig zijn om de afwikkeling van de groep te vergemakkelijken wanneer aan de voorwaarden voor groepsafwikkeling wordt voldaan;
5° stelt eventuele niet in deze wet beschreven aanvullende maatregelen vast die de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, voornemens is te nemen ten aanzien van de entiteiten binnen elke af te wikkelen groep;
6° geeft aan hoe de groepsafwikkelingsmaatregelen kunnen worden gefinancierd en zet indien de financieringsregeling nodig is, de beginselen uiteen voor de verdeling van de verantwoordelijkheid voor deze financiering over de financieringsbronnen in de verschillende lidstaten. Deze beginselen worden vastgesteld op basis van billijke en evenwichtige criteria en houden met name rekening met het effect op de financiële stabiliteit in alle betrokken lidstaten.".
" § 1. Het groepsafwikkelingsplan:
1° beschrijft, indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, de te nemen afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van de af te wikkelen entiteiten van elke af te wikkelen groep en de gevolgen van die maatregelen voor zowel andere entiteiten van de groep die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren, als voor andere af te wikkelen groepen;
2° onderzoekt in welke mate de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden op gecoördineerde wijze op in de EER gevestigde af te wikkelen entiteiten kunnen worden toegepast en uitgeoefend, en bevat maatregelen die de aankoop door een derde van de groep als geheel of van afzonderlijke bedrijfsonderdelen of -activiteiten van een aantal of van bepaalde groepsentiteiten of af te wikkelen groepen faciliteren, en signaleert potentiële belemmeringen voor een gecoördineerde afwikkeling;
3° stelt, ingeval de groep entiteiten omvat die in derde landen zijn gevestigd, passende regelingen vast voor de samenwerking en coördinatie met de betrokken autoriteiten van die derde landen en de gevolgen voor afwikkeling binnen de EER;
4° geeft aan welke maatregelen, waaronder de juridische en economische afsplitsing van bepaalde functies of bedrijfsonderdelen, nodig zijn om de afwikkeling van de groep te vergemakkelijken wanneer aan de voorwaarden voor groepsafwikkeling wordt voldaan;
5° stelt eventuele niet in deze wet beschreven aanvullende maatregelen vast die de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, voornemens is te nemen ten aanzien van de entiteiten binnen elke af te wikkelen groep;
6° geeft aan hoe de groepsafwikkelingsmaatregelen kunnen worden gefinancierd en zet indien de financieringsregeling nodig is, de beginselen uiteen voor de verdeling van de verantwoordelijkheid voor deze financiering over de financieringsbronnen in de verschillende lidstaten. Deze beginselen worden vastgesteld op basis van billijke en evenwichtige criteria en houden met name rekening met het effect op de financiële stabiliteit in alle betrokken lidstaten.".
Art. 237. Dans l'article 441 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Le plan de résolution de groupe :
1° définit, lorsqu'un groupe comprend plus d'un groupe de résolution, les mesures de résolution prévues à l'égard des entités de résolution de chaque groupe de résolution et les incidences de ces mesures à la fois sur les autres entités du groupe appartenant au même groupe de résolution et sur les autres groupes de résolution ;
2° apprécie dans quelle mesure les instruments et les pouvoirs de résolution pourraient être appliqués et exercés de manière coordonnée à l'égard des entités de résolution établies dans l'EEE, y compris les mesures visant à faciliter l'acquisition par un tiers de l'ensemble du groupe, d'activités séparées exercées par plusieurs entités du groupe, ou de certaines entités du groupe ou certains groupes de résolution, et recenser les obstacles potentiels à une résolution coordonnée ;
3° si un groupe comprend des entités importantes constituées dans des pays tiers, répertorie les dispositifs appropriés de coopération et de coordination avec les autorités compétentes de ces pays tiers et les implications pour la résolution au sein de l'EEE ;
4° indique les mesures, y compris la séparation juridique et économique de fonctions ou d'activités particulières, qui sont nécessaires pour faciliter la résolution de groupe, lorsque les conditions de déclenchement d'une procédure de résolution sont remplies ;
5° définit les mesures supplémentaires, non décrites dans la présente loi, que l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, envisage d'appliquer aux entités de chaque groupe de résolution ;
6° indique comment pourraient être financées les mesures de résolution de groupe et, au cas où le dispositif de financement serait nécessaire, définit des principes de partage de la responsabilité de ce financement entre les sources de financement des différents Etats membres. Ces principes se fondent sur des critères justes et équilibrés et tiennent compte en particulier de l'impact sur la stabilité financière dans tous les Etats membres concernés.".
" § 1er. Le plan de résolution de groupe :
1° définit, lorsqu'un groupe comprend plus d'un groupe de résolution, les mesures de résolution prévues à l'égard des entités de résolution de chaque groupe de résolution et les incidences de ces mesures à la fois sur les autres entités du groupe appartenant au même groupe de résolution et sur les autres groupes de résolution ;
2° apprécie dans quelle mesure les instruments et les pouvoirs de résolution pourraient être appliqués et exercés de manière coordonnée à l'égard des entités de résolution établies dans l'EEE, y compris les mesures visant à faciliter l'acquisition par un tiers de l'ensemble du groupe, d'activités séparées exercées par plusieurs entités du groupe, ou de certaines entités du groupe ou certains groupes de résolution, et recenser les obstacles potentiels à une résolution coordonnée ;
3° si un groupe comprend des entités importantes constituées dans des pays tiers, répertorie les dispositifs appropriés de coopération et de coordination avec les autorités compétentes de ces pays tiers et les implications pour la résolution au sein de l'EEE ;
4° indique les mesures, y compris la séparation juridique et économique de fonctions ou d'activités particulières, qui sont nécessaires pour faciliter la résolution de groupe, lorsque les conditions de déclenchement d'une procédure de résolution sont remplies ;
5° définit les mesures supplémentaires, non décrites dans la présente loi, que l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, envisage d'appliquer aux entités de chaque groupe de résolution ;
6° indique comment pourraient être financées les mesures de résolution de groupe et, au cas où le dispositif de financement serait nécessaire, définit des principes de partage de la responsabilité de ce financement entre les sources de financement des différents Etats membres. Ces principes se fondent sur des critères justes et équilibrés et tiennent compte en particulier de l'impact sur la stabilité financière dans tous les Etats membres concernés.".
Art. 238. In artikel 442 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt tussen het eerste en het laatste lid een lid ingevoegd, luidende:
"De in het vorige lid bedoelde actualisering wordt tevens verricht na het toepassen van een afwikkelingsmaatregel of het uitoefenen van de in de artikelen 250 of 457 bedoelde bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden.".
"De in het vorige lid bedoelde actualisering wordt tevens verricht na het toepassen van een afwikkelingsmaatregel of het uitoefenen van de in de artikelen 250 of 457 bedoelde bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden.".
Art. 238. Dans l'article 442 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, il est inséré un alinéa entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, rédigé comme suit :
"L'actualisation visée à l'alinéa 1er est également effectuée après la mise en oeuvre d'une mesure de résolution ou l'exercice du pouvoir de dépréciation ou conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles visé aux articles 250 ou 457.".
"L'actualisation visée à l'alinéa 1er est également effectuée après la mise en oeuvre d'une mesure de résolution ou l'exercice du pouvoir de dépréciation ou conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles visé aux articles 250 ou 457.".
Art. 239. In artikel 445, § 2 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt tussen het eerste en het laatste lid een lid ingevoegd, luidende:
"Indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, wordt de in artikel 441, § 1, 1° bedoelde planning van de afwikkelingsmaatregelen opgenomen in een gezamenlijk besluit als bedoeld in het vorige lid.".
"Indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, wordt de in artikel 441, § 1, 1° bedoelde planning van de afwikkelingsmaatregelen opgenomen in een gezamenlijk besluit als bedoeld in het vorige lid.".
Art. 239. Dans l'article 445, § 2 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, il est inséré un alinéa entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, rédigé comme suit :
"Lorsqu'un groupe comprend plus d'un groupe de résolution, la planification des mesures de résolution visées à l'article 441, § 1er, 1° est comprise dans la décision commune visée à l'alinéa précédent.".
"Lorsqu'un groupe comprend plus d'un groupe de résolution, la planification des mesures de résolution visées à l'article 441, § 1er, 1° est comprise dans la décision commune visée à l'alinéa précédent.".
Art. 240. In artikel 446 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt tussen het eerste en het laatste lid een lid ingevoegd, luidende:
"Indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, wordt de in artikel 441, § 1, 1°, bedoelde planning van de afwikkelingsmaatregelen opgenomen in een gezamenlijk besluit als bedoeld in het vorige lid.";
2° in paragraaf 2 wordt het eerste lid als volgt vervangen:
"Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 1, neemt de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, zelf een besluit en wijst zij in voorkomend geval de af te wikkelen entiteit aan en stelt zij een afwikkelingsplan op voor de af te wikkelen groep die bestaat uit entiteiten in haar rechtsgebied.".
1° in paragraaf 1 wordt tussen het eerste en het laatste lid een lid ingevoegd, luidende:
"Indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, wordt de in artikel 441, § 1, 1°, bedoelde planning van de afwikkelingsmaatregelen opgenomen in een gezamenlijk besluit als bedoeld in het vorige lid.";
2° in paragraaf 2 wordt het eerste lid als volgt vervangen:
"Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 1, neemt de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, zelf een besluit en wijst zij in voorkomend geval de af te wikkelen entiteit aan en stelt zij een afwikkelingsplan op voor de af te wikkelen groep die bestaat uit entiteiten in haar rechtsgebied.".
Art. 240. A l'article 446 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1°, dans le paragraphe 1er, il est inséré un alinéa entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, rédigé comme suit :
"Lorsqu'un groupe comprend plus d'un groupe de résolution, la planification des mesures de résolution visées à l'article 441, § 1er, 1°, est comprise dans la décision commune visée à l'alinéa précédent." ;
2° dans le paragraphe 2 l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"En l'absence de décision commune telle que visée au paragraphe 1er, l'autorité de résolution, en sa qualité visée au paragraphe 1er, arrête elle-même une décision et, le cas échéant, désigne l'entité de résolution et élabore un plan de résolution pour le groupe de résolution composé des entités qui relèvent de sa juridiction.".
1°, dans le paragraphe 1er, il est inséré un alinéa entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, rédigé comme suit :
"Lorsqu'un groupe comprend plus d'un groupe de résolution, la planification des mesures de résolution visées à l'article 441, § 1er, 1°, est comprise dans la décision commune visée à l'alinéa précédent." ;
2° dans le paragraphe 2 l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"En l'absence de décision commune telle que visée au paragraphe 1er, l'autorité de résolution, en sa qualité visée au paragraphe 1er, arrête elle-même une décision et, le cas échéant, désigne l'entité de résolution et élabore un plan de résolution pour le groupe de résolution composé des entités qui relèvent de sa juridiction.".
Art. 241. In artikel 448 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt paragraaf 4 als volgt vervangen:
" § 4. Voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2, wordt een groep geacht afwikkelbaar te zijn indien de afwikkelingsautoriteiten op geloofwaardige wijze hetzij de groepsentiteiten in vereffening kunnen stellen volgens een liquidatieprocedure, hetzij die groep kunnen afwikkelen door toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden ten aanzien van de af te wikkelen entiteiten van die groep, waarbij in de mate van het mogelijke significante nadelige gevolgen voor de financiële stelsels van België of andere lidstaten worden vermeden, mede in geval van algemene financiële instabiliteit of systeembrede gebeurtenissen, en met als doelstelling om de continuïteit van de kritieke functies van de groepsentiteiten te waarborgen.
Indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit de afwikkelbaarheid van elke af te wikkelen groep overeenkomstig het vorige lid. Deze beoordeling wordt uitgevoerd in aanvulling op de beoordeling van de afwikkelbaarheid van de hele groep en wordt verricht in het kader van de besluitvormingsprocedure bedoeld in artikel 446.".
" § 4. Voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2, wordt een groep geacht afwikkelbaar te zijn indien de afwikkelingsautoriteiten op geloofwaardige wijze hetzij de groepsentiteiten in vereffening kunnen stellen volgens een liquidatieprocedure, hetzij die groep kunnen afwikkelen door toepassing van een of meer afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden ten aanzien van de af te wikkelen entiteiten van die groep, waarbij in de mate van het mogelijke significante nadelige gevolgen voor de financiële stelsels van België of andere lidstaten worden vermeden, mede in geval van algemene financiële instabiliteit of systeembrede gebeurtenissen, en met als doelstelling om de continuïteit van de kritieke functies van de groepsentiteiten te waarborgen.
Indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit de afwikkelbaarheid van elke af te wikkelen groep overeenkomstig het vorige lid. Deze beoordeling wordt uitgevoerd in aanvulling op de beoordeling van de afwikkelbaarheid van de hele groep en wordt verricht in het kader van de besluitvormingsprocedure bedoeld in artikel 446.".
Art. 241. Dans l'article 448 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Pour l'application des paragraphes 1er et 2, la résolution de la défaillance d'un groupe est réputée possible si, de manière crédible, ses entités peuvent être liquidées selon une procédure de liquidation ou si les autorités de résolution peuvent procéder à la résolution de la défaillance de ce groupe, en appliquant un ou plusieurs instrument(s) et pouvoir(s) de résolution aux entités de résolution de ce groupe, tout en évitant dans la mesure du possible tout effet négatif significatif sur le système financier de la Belgique ou d'autres Etats membres, y compris en cas d'instabilité financière générale ou d'événement systémique, et en ayant pour objectif d'assurer la continuité des fonctions critiques des entités du groupe.
Lorsqu'un groupe se compose de plusieurs groupes de résolution, l'autorité de résolution évalue la résolvabilité de chacun de ces groupes de résolution conformément à l'alinéa précédent. Cette évaluation est effectuée en sus de l'évaluation de la résolvabilité de l'ensemble du groupe et dans le cadre de la procédure de décision visée à l'article 446.".
" § 4. Pour l'application des paragraphes 1er et 2, la résolution de la défaillance d'un groupe est réputée possible si, de manière crédible, ses entités peuvent être liquidées selon une procédure de liquidation ou si les autorités de résolution peuvent procéder à la résolution de la défaillance de ce groupe, en appliquant un ou plusieurs instrument(s) et pouvoir(s) de résolution aux entités de résolution de ce groupe, tout en évitant dans la mesure du possible tout effet négatif significatif sur le système financier de la Belgique ou d'autres Etats membres, y compris en cas d'instabilité financière générale ou d'événement systémique, et en ayant pour objectif d'assurer la continuité des fonctions critiques des entités du groupe.
Lorsqu'un groupe se compose de plusieurs groupes de résolution, l'autorité de résolution évalue la résolvabilité de chacun de ces groupes de résolution conformément à l'alinéa précédent. Cette évaluation est effectuée en sus de l'évaluation de la résolvabilité de l'ensemble du groupe et dans le cadre de la procédure de décision visée à l'article 446.".
Art. 242. Artikel 449 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt als volgt vervangen:
"Art. 449. Indien de afwikkelingsautoriteit, na beoordeling van de afwikkelbaarheid overeenkomstig artikel 448, § 1, vaststelt dat er belangrijke belemmeringen bestaan voor de afwikkelbaarheid van een entiteit bedoeld in artikel 424, brengt zij deze vaststelling schriftelijk ter kennis van de betrokken entiteit, de bevoegde autoriteit en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn.
Binnen vier maanden na de datum van ontvangst van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving, stelt de entiteit aan de afwikkelingsautoriteit maatregelen voor om de vastgestelde belemmeringen te verminderen of op te heffen.".
"Art. 449. Indien de afwikkelingsautoriteit, na beoordeling van de afwikkelbaarheid overeenkomstig artikel 448, § 1, vaststelt dat er belangrijke belemmeringen bestaan voor de afwikkelbaarheid van een entiteit bedoeld in artikel 424, brengt zij deze vaststelling schriftelijk ter kennis van de betrokken entiteit, de bevoegde autoriteit en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn.
Binnen vier maanden na de datum van ontvangst van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving, stelt de entiteit aan de afwikkelingsautoriteit maatregelen voor om de vastgestelde belemmeringen te verminderen of op te heffen.".
Art. 242. L'article 449 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 449. Si, à l'issue d'une évaluation de la résolvabilité effectuée conformément à l'article 448, § 1er, l'autorité de résolution constate qu'il existe d'importants obstacles à la résolvabilité d'une entité visée à l'article 424, elle notifie ce constat par écrit à l'entité concernée, à l'autorité compétente et aux autorités de résolution étrangères dont relèvent des succursales d'importance significative.
Dans les quatre mois suivant la date à laquelle elle reçoit la notification visée à l'alinéa 1er, l'entité propose à l'autorité de résolution des mesures possibles visant à réduire ou à supprimer les obstacles constatés.".
"Art. 449. Si, à l'issue d'une évaluation de la résolvabilité effectuée conformément à l'article 448, § 1er, l'autorité de résolution constate qu'il existe d'importants obstacles à la résolvabilité d'une entité visée à l'article 424, elle notifie ce constat par écrit à l'entité concernée, à l'autorité compétente et aux autorités de résolution étrangères dont relèvent des succursales d'importance significative.
Dans les quatre mois suivant la date à laquelle elle reçoit la notification visée à l'alinéa 1er, l'entité propose à l'autorité de résolution des mesures possibles visant à réduire ou à supprimer les obstacles constatés.".
Art. 243. In dezelfde wet wordt een artikel 449/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 449/1. De entiteit stelt, binnen twee weken na de datum van ontvangst van een overeenkomstig artikel 449 gedane kennisgeving, aan de afwikkelingsautoriteit mogelijke maatregelen en het tijdpad ter uitvoering ervan voor om te verzekeren dat de entiteit voldoet aan artikel 267/5/3 of 267/5/4 en aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, indien een wezenlijke belemmering voor de afwikkelbaarheid te wijten is aan een van de volgende situaties:
1° de entiteit voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, wanneer dit vereiste in beschouwing wordt genomen naast elk van de vereisten als bedoeld in artikel 98/1, maar zij voldoet niet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer wanneer het in beschouwing wordt genomen naast de in de artikelen 267/5/1 en 267/5/2 bedoelde vereisten als berekend overeenkomstig artikel 267/3, § 2, 1° ; of
2° de entiteit voldoet niet aan de in de artikel 92bis en artikel 494 van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereisten, noch aan de in de artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 bedoelde vereisten.
In het tijdpad voor de uitvoering van de in het eerste lid voorgestelde maatregelen wordt rekening gehouden met de redenen voor de wezenlijke belemmering.
De afwikkelingsautoriteit beoordeelt, na raadpleging van de toezichthouder, of de krachtens dit artikel voorgestelde maatregelen de desbetreffende wezenlijke belemmering daadwerkelijk aanpakken of wegnemen.".
"Art. 449/1. De entiteit stelt, binnen twee weken na de datum van ontvangst van een overeenkomstig artikel 449 gedane kennisgeving, aan de afwikkelingsautoriteit mogelijke maatregelen en het tijdpad ter uitvoering ervan voor om te verzekeren dat de entiteit voldoet aan artikel 267/5/3 of 267/5/4 en aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, indien een wezenlijke belemmering voor de afwikkelbaarheid te wijten is aan een van de volgende situaties:
1° de entiteit voldoet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, wanneer dit vereiste in beschouwing wordt genomen naast elk van de vereisten als bedoeld in artikel 98/1, maar zij voldoet niet aan het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer wanneer het in beschouwing wordt genomen naast de in de artikelen 267/5/1 en 267/5/2 bedoelde vereisten als berekend overeenkomstig artikel 267/3, § 2, 1° ; of
2° de entiteit voldoet niet aan de in de artikel 92bis en artikel 494 van Verordening nr. 575/2013 bedoelde vereisten, noch aan de in de artikel 267/5/1 en artikel 267/5/2 bedoelde vereisten.
In het tijdpad voor de uitvoering van de in het eerste lid voorgestelde maatregelen wordt rekening gehouden met de redenen voor de wezenlijke belemmering.
De afwikkelingsautoriteit beoordeelt, na raadpleging van de toezichthouder, of de krachtens dit artikel voorgestelde maatregelen de desbetreffende wezenlijke belemmering daadwerkelijk aanpakken of wegnemen.".
Art. 243. Dans la même loi est inséré un article 449/1, rédigé comme suit :
"Art. 449/1. L'entité propose à l'autorité de résolution, dans un délai de deux semaines à compter de la date de réception d'une notification effectuée conformément à l'article 449, les mesures, ainsi que le calendrier pour leur mise en oeuvre, susceptibles d'être prises afin de garantir que l'entité respecte l'article 267/5/3 ou 267/5/4 et l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, lorsqu'un obstacle important à la résolvabilité est imputable à l'une ou l'autre des situations suivantes :
1° l'entité satisfait à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 lorsque cette exigence est considérée en sus de chacune des exigences visées à l'article 98/1, mais ne satisfait pas à cette exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 lorsque celle-ci est considérée en sus des exigences visées aux articles 267/5/1 et 267/5/2, calculées conformément à l'article 267/3, § 2, 1° ; ou
2° l'entité ne satisfait pas aux exigences visées aux articles 92bis et 494 du Règlement n° 575/2013 ou aux exigences visées aux articles 267/5/1 et 267/5/2.
Le calendrier pour la mise en oeuvre des mesures proposées en vertu de l'alinéa 1er tient compte des raisons qui expliquent l'existence de l'obstacle important.
L'autorité de résolution, après consultation de l'autorité de contrôle, évalue si les mesures proposées dans le cadre de cet article offrent une réponse effective à ou suppriment l'obstacle important en question.".
"Art. 449/1. L'entité propose à l'autorité de résolution, dans un délai de deux semaines à compter de la date de réception d'une notification effectuée conformément à l'article 449, les mesures, ainsi que le calendrier pour leur mise en oeuvre, susceptibles d'être prises afin de garantir que l'entité respecte l'article 267/5/3 ou 267/5/4 et l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, lorsqu'un obstacle important à la résolvabilité est imputable à l'une ou l'autre des situations suivantes :
1° l'entité satisfait à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 lorsque cette exigence est considérée en sus de chacune des exigences visées à l'article 98/1, mais ne satisfait pas à cette exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 lorsque celle-ci est considérée en sus des exigences visées aux articles 267/5/1 et 267/5/2, calculées conformément à l'article 267/3, § 2, 1° ; ou
2° l'entité ne satisfait pas aux exigences visées aux articles 92bis et 494 du Règlement n° 575/2013 ou aux exigences visées aux articles 267/5/1 et 267/5/2.
Le calendrier pour la mise en oeuvre des mesures proposées en vertu de l'alinéa 1er tient compte des raisons qui expliquent l'existence de l'obstacle important.
L'autorité de résolution, après consultation de l'autorité de contrôle, évalue si les mesures proposées dans le cadre de cet article offrent une réponse effective à ou suppriment l'obstacle important en question.".
Art. 244. Artikel 450 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt als volgt vervangen:
"Art. 450. § 1. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen over maatregelen die met betrekking tot alle af te wikkelen entiteiten en hun dochterondernemingen die entiteiten zijn als bedoeld in artikel 424 en die deel uitmaken van een Belgische groep, kunnen worden genomen met het oog op het opheffen of verminderen van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de groep.
De in het eerste lid genoemde afwikkelingsautoriteiten kunnen in het bijzonder, ten aanzien van de betrokken entiteiten en via gezamenlijk besluit, de maatregelen eisen zoals bedoeld in artikel 232, tweede lid.
Het gezamenlijk besluit wordt genomen in het afwikkelingscollege, na raadpleging van het college van bevoegde autoriteiten en van de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar bijkantoren gevestigd zijn, voor zover een en ander relevant is voor het significante bijkantoor, en met inachtneming van de krachtens artikel 448 gemaakte beoordeling.
§ 2. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit in samenwerking met de consoliderende toezichthouder en met de EBA, en na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, een verslag op met minstens de volgende inhoud:
1° een analyse van de belangrijke belemmeringen voor de doeltreffende toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden met betrekking tot de groep en tot de af te wikkelen groepen indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat;
2° de impact op het bedrijfsmodel van de groepsentiteiten;
3° de maatregelen bedoeld in artikel 232, tweede lid die volgens de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau nodig of passend zijn om deze belemmeringen weg te nemen.
Indien een belemmering voor de afwikkelbaarheid van de groep te wijten is aan een in artikel 449/1 bedoelde situatie van een entiteit van een groep, brengt de afwikkelingsautoriteit haar beoordeling van die belemmering ter kennis van de Belgische EER-moederonderneming na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit en de afwikkelingsautoriteiten van haar dochterondernemingen.
De afwikkelingsautoriteit dient het verslag in bij de Belgische EER-moederonderneming, bij de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen en bij de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn.
§ 3. Binnen vier maanden na de datum van ontvangst van de in paragraaf 2 bedoelde kennisgeving, kan de Belgische EER-moederonderneming opmerkingen indienen en aan de afwikkelingsautoriteit alternatieve maatregelen voorstellen waarmee de in het verslag genoemde belemmeringen kunnen worden verminderd of opgeheven.
Indien de in het verslag vastgestelde belemmeringen te wijten zijn aan een situatie bedoeld in artikel 449/1 waarin een entiteit van de groep zich bevindt, stelt de Belgische EER-moederonderneming, binnen twee weken na de datum van ontvangst van een overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid gedane kennisgeving, aan de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau mogelijke maatregelen alsmede het tijdpad ter uitvoering ervan voor, teneinde te waarborgen dat de entiteit van de groep voldoet aan de vereisten als bedoeld in 267/5/3 of artikel 267/5/4, uitgedrukt als een percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013 en, waar van toepassing, het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, alsmede aan de vereisten, bedoeld in artikel 267/5/3 en artikel 267/5/4, uitgedrukt als een percentage van de totale blootstellingsmaatstaf als bedoeld in artikel 429 en artikel 429bis van Verordening nr. 575/2013.
In het tijdpad voor de uitvoering van de in het voorgaande lid voorgestelde maatregelen wordt rekening gehouden met de redenen voor de wezenlijke belemmering. Na raadpleging van de toezichthouder oordeelt de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau of de wezenlijke belemmering met deze maatregelen daadwerkelijk wordt aangepakt of weggenomen.
In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau deelt de afwikkelingsautoriteit de aldus voorgestelde maatregelen mee aan de toezichthouder, de EBA, de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn, mits dit relevant is voor het significante bijkantoor.
§ 4. Binnen vier maanden na de indiening van de in paragraaf 3 bedoelde opmerkingen of voorstellen van de Belgische EER-moederonderneming, nemen de afwikkelingsautoriteit en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen en de significante bijkantoren, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, binnen het afwikkelingscollege een gezamenlijk besluit met betrekking tot:
1° de vaststelling van de belangrijke belemmeringen;
2° indien nodig, de beoordeling van de maatregelen die zijn voorgesteld door de Belgische EER-moederonderneming, en
3° de door de autoriteiten geëiste maatregelen om de belemmeringen te verminderen of op te heffen, rekening houdend met de mogelijke gevolgen van de maatregelen in alle lidstaten waar de groep actief is.
Het gezamenlijke besluit met betrekking tot de belemmering voor de afwikkelbaarheid als gevolg van een in artikel 449/1 bedoelde situatie wordt genomen binnen twee weken na de indiening van opmerkingen door de Belgische EER-moederonderneming overeenkomstig paragraaf 3, tweede lid.
De afwikkelingsautoriteit kan de EBA krachtens artikel 31, onder c) van Verordening nr. 1093/2010 verzoeken om bijstand bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.
Het gezamenlijk besluit wordt gemotiveerd en door de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, verstrekt aan de Belgische EER-moederonderneming.".
"Art. 450. § 1. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen over maatregelen die met betrekking tot alle af te wikkelen entiteiten en hun dochterondernemingen die entiteiten zijn als bedoeld in artikel 424 en die deel uitmaken van een Belgische groep, kunnen worden genomen met het oog op het opheffen of verminderen van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de groep.
De in het eerste lid genoemde afwikkelingsautoriteiten kunnen in het bijzonder, ten aanzien van de betrokken entiteiten en via gezamenlijk besluit, de maatregelen eisen zoals bedoeld in artikel 232, tweede lid.
Het gezamenlijk besluit wordt genomen in het afwikkelingscollege, na raadpleging van het college van bevoegde autoriteiten en van de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar bijkantoren gevestigd zijn, voor zover een en ander relevant is voor het significante bijkantoor, en met inachtneming van de krachtens artikel 448 gemaakte beoordeling.
§ 2. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit in samenwerking met de consoliderende toezichthouder en met de EBA, en na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, een verslag op met minstens de volgende inhoud:
1° een analyse van de belangrijke belemmeringen voor de doeltreffende toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden met betrekking tot de groep en tot de af te wikkelen groepen indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat;
2° de impact op het bedrijfsmodel van de groepsentiteiten;
3° de maatregelen bedoeld in artikel 232, tweede lid die volgens de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau nodig of passend zijn om deze belemmeringen weg te nemen.
Indien een belemmering voor de afwikkelbaarheid van de groep te wijten is aan een in artikel 449/1 bedoelde situatie van een entiteit van een groep, brengt de afwikkelingsautoriteit haar beoordeling van die belemmering ter kennis van de Belgische EER-moederonderneming na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit en de afwikkelingsautoriteiten van haar dochterondernemingen.
De afwikkelingsautoriteit dient het verslag in bij de Belgische EER-moederonderneming, bij de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen en bij de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn.
§ 3. Binnen vier maanden na de datum van ontvangst van de in paragraaf 2 bedoelde kennisgeving, kan de Belgische EER-moederonderneming opmerkingen indienen en aan de afwikkelingsautoriteit alternatieve maatregelen voorstellen waarmee de in het verslag genoemde belemmeringen kunnen worden verminderd of opgeheven.
Indien de in het verslag vastgestelde belemmeringen te wijten zijn aan een situatie bedoeld in artikel 449/1 waarin een entiteit van de groep zich bevindt, stelt de Belgische EER-moederonderneming, binnen twee weken na de datum van ontvangst van een overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid gedane kennisgeving, aan de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau mogelijke maatregelen alsmede het tijdpad ter uitvoering ervan voor, teneinde te waarborgen dat de entiteit van de groep voldoet aan de vereisten als bedoeld in 267/5/3 of artikel 267/5/4, uitgedrukt als een percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013 en, waar van toepassing, het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer, alsmede aan de vereisten, bedoeld in artikel 267/5/3 en artikel 267/5/4, uitgedrukt als een percentage van de totale blootstellingsmaatstaf als bedoeld in artikel 429 en artikel 429bis van Verordening nr. 575/2013.
In het tijdpad voor de uitvoering van de in het voorgaande lid voorgestelde maatregelen wordt rekening gehouden met de redenen voor de wezenlijke belemmering. Na raadpleging van de toezichthouder oordeelt de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau of de wezenlijke belemmering met deze maatregelen daadwerkelijk wordt aangepakt of weggenomen.
In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau deelt de afwikkelingsautoriteit de aldus voorgestelde maatregelen mee aan de toezichthouder, de EBA, de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn, mits dit relevant is voor het significante bijkantoor.
§ 4. Binnen vier maanden na de indiening van de in paragraaf 3 bedoelde opmerkingen of voorstellen van de Belgische EER-moederonderneming, nemen de afwikkelingsautoriteit en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen en de significante bijkantoren, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, binnen het afwikkelingscollege een gezamenlijk besluit met betrekking tot:
1° de vaststelling van de belangrijke belemmeringen;
2° indien nodig, de beoordeling van de maatregelen die zijn voorgesteld door de Belgische EER-moederonderneming, en
3° de door de autoriteiten geëiste maatregelen om de belemmeringen te verminderen of op te heffen, rekening houdend met de mogelijke gevolgen van de maatregelen in alle lidstaten waar de groep actief is.
Het gezamenlijke besluit met betrekking tot de belemmering voor de afwikkelbaarheid als gevolg van een in artikel 449/1 bedoelde situatie wordt genomen binnen twee weken na de indiening van opmerkingen door de Belgische EER-moederonderneming overeenkomstig paragraaf 3, tweede lid.
De afwikkelingsautoriteit kan de EBA krachtens artikel 31, onder c) van Verordening nr. 1093/2010 verzoeken om bijstand bij het bereiken van een gezamenlijk besluit.
Het gezamenlijk besluit wordt gemotiveerd en door de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, verstrekt aan de Belgische EER-moederonderneming.".
Art. 244. L'article 450 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 450. § 1er. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, met tout en oeuvre, conjointement avec les autorités de résolution étrangères des filiales, pour parvenir à une décision commune sur les mesures concernant toutes les entités de résolution et leurs filiales qui sont des entités visées à l'article 424 faisant partie d'un groupe belge, qui peuvent être prises en vue de supprimer ou de réduire les obstacles à la résolvabilité du groupe.
Les autorités de résolution visées à l'alinéa 1er peuvent notamment exiger des entités concernées, par décision commune, qu'elles prennent les mesures visées à l'article 232, alinéa 2.
La décision commune est prise au sein du collège d'autorités de résolution, après consultation du collège d'autorités compétentes et des autorités de résolution étrangères dont relèvent des succursales d'importance significative, dans la mesure où celles-ci sont concernées, et en tenant compte de l'évaluation effectuée conformément à l'article 448.
§ 2. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, élabore, en coopération avec l'autorité de surveillance sur base consolidée et l'ABE et après consultation des autorités compétentes, un rapport présentant au minimum :
1° une analyse des obstacles importants à l'application effective des instruments et pouvoirs de résolution à l'égard du groupe, et à l'égard des groupes de résolution lorsqu'un groupe se compose de plusieurs groupes de résolution ;
2° les retombées sur le modèle d'activité des entités du groupe ;
3° les mesures visées à l'article 232, alinéa 2, qui, selon l'autorité de résolution au niveau du groupe, sont nécessaires ou indiquées pour supprimer ces obstacles.
Si un obstacle à la résolvabilité du groupe est imputable à une entité du groupe se trouvant dans l'une des situations visées à l'article 449/1, l'autorité de résolution notifie son évaluation de cet obstacle à l'entreprise mère belge dans l'EEE, après consultation de l'autorité de résolution de l'entité de résolution et des autorités de résolution de ses filiales.
L'autorité de résolution soumet le rapport à l'entreprise mère belge dans l'EEE, aux autorités de résolution étrangères des filiales et aux autorités de résolution étrangères dont relèvent des succursales d'importance significative.
§ 3. Dans les quatre mois suivant la date où elle reçoit la notification visée au paragraphe 2, l'entreprise mère belge dans l'EEE peut soumettre des observations et proposer à l'autorité de résolution d'autres mesures pour réduire ou supprimer les obstacles identifiés dans le rapport.
Si les obstacles identifiés dans le rapport sont imputables une entité du groupe se trouvant dans l'une des situations visées à l'article 449/1, l'entreprise belge mère dans l'EEE propose à l'autorité de résolution au niveau du groupe, dans un délai de deux semaines à compter de la date de réception d'une notification effectuée conformément au paragraphe 2, alinéa 2, les mesures, ainsi que le calendrier pour leur mise en oeuvre, susceptibles d'être prises pour garantir que l'entité du groupe satisfait aux exigences visées à l'article 267/5/3 ou 267/5/4, exprimées en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 et, le cas échéant, à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, et aux exigences visées aux articles 267/5/3 et 267/5/4, exprimées en pourcentage de la mesure de l'exposition totale visée aux articles 429 et 429bis du Règlement n° 575/2013.
Le calendrier pour la mise en oeuvre des mesures proposées en vertu de l'alinéa précédent tient compte des raisons de l'obstacle important. L'autorité de résolution du groupe, après consultation de l'autorité de contrôle, évalue si ces mesures offrent une réponse effective à ou suppriment cet obstacle important.
L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, communique les mesures proposées à l'autorité de contrôle, à l'ABE, aux autorités de résolution étrangères des filiales et aux autorités de résolution étrangères dont relèvent des succursales d'importance significative, dans la mesure où celles-ci sont concernées.
§ 4. Dans un délai de quatre mois à compter de la transmission des observations ou propositions de l'entreprise mère belge dans l'EEE visées au paragraphe 3, l'autorité de résolution et les autorités de résolution étrangères des filiales et des succursales d'importance significative adoptent, après consultation des autorités compétentes, une décision commune au sein du collège d'autorités de résolution concernant :
1° l'identification des obstacles importants;
2° si nécessaire, l'évaluation des mesures proposées par l'entreprise mère belge dans l'EEE; et
3° les mesures requises par les autorités en vue de réduire ou de supprimer les obstacles, compte tenu des incidences potentielles des mesures dans tous les Etats membres dans lesquels le groupe est présent.
La décision commune concernant l'obstacle à la résolvabilité imputable à une situation visée à l'article 449/1, est prise dans un délai de deux semaines à compter de la transmission de toute observation par l'entreprise mère belge dans l'EEE conformément au paragraphe 3, alinéa 2.
L'autorité de résolution peut, en vertu de l'article 31, point c), du Règlement n° 1093/2010, demander à l'ABE de l'aider à parvenir à une décision commune.
La décision commune est motivée et communiquée par l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, à l'entreprise mère belge dans l'EEE.".
"Art. 450. § 1er. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, met tout en oeuvre, conjointement avec les autorités de résolution étrangères des filiales, pour parvenir à une décision commune sur les mesures concernant toutes les entités de résolution et leurs filiales qui sont des entités visées à l'article 424 faisant partie d'un groupe belge, qui peuvent être prises en vue de supprimer ou de réduire les obstacles à la résolvabilité du groupe.
Les autorités de résolution visées à l'alinéa 1er peuvent notamment exiger des entités concernées, par décision commune, qu'elles prennent les mesures visées à l'article 232, alinéa 2.
La décision commune est prise au sein du collège d'autorités de résolution, après consultation du collège d'autorités compétentes et des autorités de résolution étrangères dont relèvent des succursales d'importance significative, dans la mesure où celles-ci sont concernées, et en tenant compte de l'évaluation effectuée conformément à l'article 448.
§ 2. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, élabore, en coopération avec l'autorité de surveillance sur base consolidée et l'ABE et après consultation des autorités compétentes, un rapport présentant au minimum :
1° une analyse des obstacles importants à l'application effective des instruments et pouvoirs de résolution à l'égard du groupe, et à l'égard des groupes de résolution lorsqu'un groupe se compose de plusieurs groupes de résolution ;
2° les retombées sur le modèle d'activité des entités du groupe ;
3° les mesures visées à l'article 232, alinéa 2, qui, selon l'autorité de résolution au niveau du groupe, sont nécessaires ou indiquées pour supprimer ces obstacles.
Si un obstacle à la résolvabilité du groupe est imputable à une entité du groupe se trouvant dans l'une des situations visées à l'article 449/1, l'autorité de résolution notifie son évaluation de cet obstacle à l'entreprise mère belge dans l'EEE, après consultation de l'autorité de résolution de l'entité de résolution et des autorités de résolution de ses filiales.
L'autorité de résolution soumet le rapport à l'entreprise mère belge dans l'EEE, aux autorités de résolution étrangères des filiales et aux autorités de résolution étrangères dont relèvent des succursales d'importance significative.
§ 3. Dans les quatre mois suivant la date où elle reçoit la notification visée au paragraphe 2, l'entreprise mère belge dans l'EEE peut soumettre des observations et proposer à l'autorité de résolution d'autres mesures pour réduire ou supprimer les obstacles identifiés dans le rapport.
Si les obstacles identifiés dans le rapport sont imputables une entité du groupe se trouvant dans l'une des situations visées à l'article 449/1, l'entreprise belge mère dans l'EEE propose à l'autorité de résolution au niveau du groupe, dans un délai de deux semaines à compter de la date de réception d'une notification effectuée conformément au paragraphe 2, alinéa 2, les mesures, ainsi que le calendrier pour leur mise en oeuvre, susceptibles d'être prises pour garantir que l'entité du groupe satisfait aux exigences visées à l'article 267/5/3 ou 267/5/4, exprimées en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 et, le cas échéant, à l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1, et aux exigences visées aux articles 267/5/3 et 267/5/4, exprimées en pourcentage de la mesure de l'exposition totale visée aux articles 429 et 429bis du Règlement n° 575/2013.
Le calendrier pour la mise en oeuvre des mesures proposées en vertu de l'alinéa précédent tient compte des raisons de l'obstacle important. L'autorité de résolution du groupe, après consultation de l'autorité de contrôle, évalue si ces mesures offrent une réponse effective à ou suppriment cet obstacle important.
L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, communique les mesures proposées à l'autorité de contrôle, à l'ABE, aux autorités de résolution étrangères des filiales et aux autorités de résolution étrangères dont relèvent des succursales d'importance significative, dans la mesure où celles-ci sont concernées.
§ 4. Dans un délai de quatre mois à compter de la transmission des observations ou propositions de l'entreprise mère belge dans l'EEE visées au paragraphe 3, l'autorité de résolution et les autorités de résolution étrangères des filiales et des succursales d'importance significative adoptent, après consultation des autorités compétentes, une décision commune au sein du collège d'autorités de résolution concernant :
1° l'identification des obstacles importants;
2° si nécessaire, l'évaluation des mesures proposées par l'entreprise mère belge dans l'EEE; et
3° les mesures requises par les autorités en vue de réduire ou de supprimer les obstacles, compte tenu des incidences potentielles des mesures dans tous les Etats membres dans lesquels le groupe est présent.
La décision commune concernant l'obstacle à la résolvabilité imputable à une situation visée à l'article 449/1, est prise dans un délai de deux semaines à compter de la transmission de toute observation par l'entreprise mère belge dans l'EEE conformément au paragraphe 3, alinéa 2.
L'autorité de résolution peut, en vertu de l'article 31, point c), du Règlement n° 1093/2010, demander à l'ABE de l'aider à parvenir à une décision commune.
La décision commune est motivée et communiquée par l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, à l'entreprise mère belge dans l'EEE.".
Art. 245. In boek XI, titel IV, hoofdstuk II, afdeling II van dezelfde wet wordt een artikel 450/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 450/1. § 1. Indien de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten niet tot een gezamenlijk besluit komen binnen de relevante termijn bedoeld in artikel 450, § 4, zijn de hierna volgende paragrafen van toepassing.
§ 2. De afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, neemt zelf een besluit over de maatregelen die overeenkomstig artikel 450, § 1 op groepsniveau moeten worden genomen.
Het besluit wordt volledig gemotiveerd en houdt rekening met de standpunten en voorbehouden van de andere afwikkelingsautoriteiten.
De afwikkelingsautoriteit deelt het besluit mee aan de Belgische EER-moederonderneming en brengt het ter kennis van de andere leden van het afwikkelingscollege.
§ 3. De afwikkelingsautoriteit van de betrokken af te wikkelen entiteit neemt zelf een besluit over de passende maatregelen die overeenkomstig artikel 450, § 1 op het niveau van de af te wikkelen groep moeten worden genomen.
Het besluit wordt volledig gemotiveerd en houdt rekening met de standpunten en voorbehouden van de afwikkelingsautoriteiten van andere entiteiten van dezelfde af te wikkelen groep en de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau.
De bevoegde afwikkelingsautoriteit deelt dit besluit mee aan de af te wikkelen entiteit en brengt het ter kennis van de andere leden van het afwikkelingscollege.
§ 4. De afwikkelingsautoriteit van de dochteronderneming die niet aangemerkt is als af te wikkelen entiteit krachtens artikel 439, § 1, lid 3, neemt zelf een besluit over de passende maatregelen die overeenkomstig artikel 232 op individueel niveau moeten worden genomen.
Het besluit wordt volledig gemotiveerd en houdt rekening met de standpunten en voorbehouden van de andere afwikkelingsautoriteiten.
De bevoegde afwikkelingsautoriteit deelt het besluit mee aan de betrokken dochteronderneming en aan de af te wikkelen entiteit van dezelfde af te wikkelen groep, aan de afwikkelingsautoriteit van die af te wikkelen entiteit en aan de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau. De bevoegde afwikkelingsautoriteit brengt het besluit ter kennis van de andere leden van het afwikkelingscollege.
§ 5. Indien een afwikkelingsautoriteit binnen de in artikel 450, § 4 bedoelde relevante termijn een zaak als bedoeld in artikel 452 krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stellen de afwikkelingsautoriteiten bedoeld in de paragrafen 2, 3 of 4 hun besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. De afwikkelingsautoriteiten nemen hun besluiten in overeenstemming met het besluit van de EBA.
De in artikel 450, § 4 bedoelde relevante termijn wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening nr. 1093/2010. De EBA neemt binnen één maand een besluit. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na het einde van de in artikel 450, § 4 bedoelde relevante termijn of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA niet tot een besluit komt, zijn de respectievelijke besluiten van de afwikkelingsautoriteiten bedoeld in de paragrafen 2, 3 en 4 van toepassing.".
"Art. 450/1. § 1. Indien de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten niet tot een gezamenlijk besluit komen binnen de relevante termijn bedoeld in artikel 450, § 4, zijn de hierna volgende paragrafen van toepassing.
§ 2. De afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, neemt zelf een besluit over de maatregelen die overeenkomstig artikel 450, § 1 op groepsniveau moeten worden genomen.
Het besluit wordt volledig gemotiveerd en houdt rekening met de standpunten en voorbehouden van de andere afwikkelingsautoriteiten.
De afwikkelingsautoriteit deelt het besluit mee aan de Belgische EER-moederonderneming en brengt het ter kennis van de andere leden van het afwikkelingscollege.
§ 3. De afwikkelingsautoriteit van de betrokken af te wikkelen entiteit neemt zelf een besluit over de passende maatregelen die overeenkomstig artikel 450, § 1 op het niveau van de af te wikkelen groep moeten worden genomen.
Het besluit wordt volledig gemotiveerd en houdt rekening met de standpunten en voorbehouden van de afwikkelingsautoriteiten van andere entiteiten van dezelfde af te wikkelen groep en de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau.
De bevoegde afwikkelingsautoriteit deelt dit besluit mee aan de af te wikkelen entiteit en brengt het ter kennis van de andere leden van het afwikkelingscollege.
§ 4. De afwikkelingsautoriteit van de dochteronderneming die niet aangemerkt is als af te wikkelen entiteit krachtens artikel 439, § 1, lid 3, neemt zelf een besluit over de passende maatregelen die overeenkomstig artikel 232 op individueel niveau moeten worden genomen.
Het besluit wordt volledig gemotiveerd en houdt rekening met de standpunten en voorbehouden van de andere afwikkelingsautoriteiten.
De bevoegde afwikkelingsautoriteit deelt het besluit mee aan de betrokken dochteronderneming en aan de af te wikkelen entiteit van dezelfde af te wikkelen groep, aan de afwikkelingsautoriteit van die af te wikkelen entiteit en aan de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau. De bevoegde afwikkelingsautoriteit brengt het besluit ter kennis van de andere leden van het afwikkelingscollege.
§ 5. Indien een afwikkelingsautoriteit binnen de in artikel 450, § 4 bedoelde relevante termijn een zaak als bedoeld in artikel 452 krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stellen de afwikkelingsautoriteiten bedoeld in de paragrafen 2, 3 of 4 hun besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. De afwikkelingsautoriteiten nemen hun besluiten in overeenstemming met het besluit van de EBA.
De in artikel 450, § 4 bedoelde relevante termijn wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening nr. 1093/2010. De EBA neemt binnen één maand een besluit. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na het einde van de in artikel 450, § 4 bedoelde relevante termijn of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA niet tot een besluit komt, zijn de respectievelijke besluiten van de afwikkelingsautoriteiten bedoeld in de paragrafen 2, 3 en 4 van toepassing.".
Art. 245. Dans le livre XI, titre IV, chapitre II, section II de la même loi, il est inséré un article 450/1 rédigé comme suit :
"Art. 450/1. § 1er. Si l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, et les autorités de résolution étrangères ne parviennent pas à une décision commune dans le délai pertinent visé à l'article 450, § 4, les paragraphes suivants s'appliquent.
§ 2. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, prend elle-même une décision sur les mesures à prendre au niveau du groupe conformément à l'article 450, § 1er.
La décision expose l'ensemble des motifs qui la sous-tendent et tient compte des avis et réserves exprimés par les autres autorités de résolution.
L'autorité de résolution communique la décision à l'entreprise mère belge dans l'EEE et en informe les autres membres du collège d'autorités de résolution.
§ 3. L'autorité de résolution de l'entité de résolution concernée prend elle-même une décision sur les mesures à prendre, conformément à l'article 450, § 1er, au niveau du groupe de résolution.
La décision expose l'ensemble des motifs qui la sous-tendent et tient compte des avis et réserves exprimés par les autorités de résolution des autres entités du même groupe de résolution et par l'autorité de résolution au niveau du groupe.
L'autorité de résolution compétente communique la décision à l'entité de résolution et en informe les autres membres du collège d'autorités de résolution.
§ 4. L'autorité de résolution d'une filiale qui n'est pas identifiée comme une entité de résolution en vertu de l'article 439, § 1er, alinéa 3, prend elle-même une décision sur les mesures à prendre par les filiales au niveau individuel conformément à l'article 232.
La décision expose l'ensemble des motifs qui la sous-tendent et tient compte des avis et réserves exprimés par les autres autorités de résolution étrangères.
L'autorité de résolution compétente communique la décision à la filiale concernée et à l'entité de résolution du même groupe de résolution, à l'autorité de résolution de cette entité de résolution et, lorsqu'elle est différente, à l'autorité de résolution au niveau du groupe. L'autorité de résolution compétente informe les autres membres du collège d'autorités de résolution de la décision.
§ 5. Si, au terme du délai pertinent visé à l'article 450, § 4, une autorité de résolution a saisi l'ABE d'une question visée à l'article 452 conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, les autorités de résolution visées aux paragraphes 2, 3 ou 4 diffèrent leur décision dans l'attente d'une décision de l'ABE. Les autorités de résolution prennent leurs décisions conformément à la décision de l'ABE.
Le délai pertinent visé à l'article 450, § 4 est réputé constituer la période de conciliation au sens du Règlement n° 1093/2010. L'ABE rend sa décision dans un délai d'un mois. L'ABE ne peut pas être saisie après l'expiration du délai pertinent visé à l'article 450, § 4 ou après l'adoption d'une décision commune. En l'absence de décision de l'ABE, les décisions respectives des autorités de résolution visées aux paragraphes 2, 3 et 4 s'appliquent.".
"Art. 450/1. § 1er. Si l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, et les autorités de résolution étrangères ne parviennent pas à une décision commune dans le délai pertinent visé à l'article 450, § 4, les paragraphes suivants s'appliquent.
§ 2. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, prend elle-même une décision sur les mesures à prendre au niveau du groupe conformément à l'article 450, § 1er.
La décision expose l'ensemble des motifs qui la sous-tendent et tient compte des avis et réserves exprimés par les autres autorités de résolution.
L'autorité de résolution communique la décision à l'entreprise mère belge dans l'EEE et en informe les autres membres du collège d'autorités de résolution.
§ 3. L'autorité de résolution de l'entité de résolution concernée prend elle-même une décision sur les mesures à prendre, conformément à l'article 450, § 1er, au niveau du groupe de résolution.
La décision expose l'ensemble des motifs qui la sous-tendent et tient compte des avis et réserves exprimés par les autorités de résolution des autres entités du même groupe de résolution et par l'autorité de résolution au niveau du groupe.
L'autorité de résolution compétente communique la décision à l'entité de résolution et en informe les autres membres du collège d'autorités de résolution.
§ 4. L'autorité de résolution d'une filiale qui n'est pas identifiée comme une entité de résolution en vertu de l'article 439, § 1er, alinéa 3, prend elle-même une décision sur les mesures à prendre par les filiales au niveau individuel conformément à l'article 232.
La décision expose l'ensemble des motifs qui la sous-tendent et tient compte des avis et réserves exprimés par les autres autorités de résolution étrangères.
L'autorité de résolution compétente communique la décision à la filiale concernée et à l'entité de résolution du même groupe de résolution, à l'autorité de résolution de cette entité de résolution et, lorsqu'elle est différente, à l'autorité de résolution au niveau du groupe. L'autorité de résolution compétente informe les autres membres du collège d'autorités de résolution de la décision.
§ 5. Si, au terme du délai pertinent visé à l'article 450, § 4, une autorité de résolution a saisi l'ABE d'une question visée à l'article 452 conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, les autorités de résolution visées aux paragraphes 2, 3 ou 4 diffèrent leur décision dans l'attente d'une décision de l'ABE. Les autorités de résolution prennent leurs décisions conformément à la décision de l'ABE.
Le délai pertinent visé à l'article 450, § 4 est réputé constituer la période de conciliation au sens du Règlement n° 1093/2010. L'ABE rend sa décision dans un délai d'un mois. L'ABE ne peut pas être saisie après l'expiration du délai pertinent visé à l'article 450, § 4 ou après l'adoption d'une décision commune. En l'absence de décision de l'ABE, les décisions respectives des autorités de résolution visées aux paragraphes 2, 3 et 4 s'appliquent.".
Art. 246. In dezelfde afdeling II wordt een artikel 450/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 450/2. De gezamenlijke besluiten en de besluiten genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, als bedoeld in artikel 450 en 450/1, worden door de afwikkelingsautoriteit erkend en in voorkomend geval toegepast in België.".
"Art. 450/2. De gezamenlijke besluiten en de besluiten genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, als bedoeld in artikel 450 en 450/1, worden door de afwikkelingsautoriteit erkend en in voorkomend geval toegepast in België.".
Art. 246. Dans la même section II, il est inséré un article 450/2 rédigé comme suit :
"Art. 450/2. Les décisions communes et les décisions prises à défaut d'une décision commune, telles que visées dans les articles 450 et 450/1, sont reconnues par l'autorité de résolution et, le cas échéant, appliquées en Belgique.".
"Art. 450/2. Les décisions communes et les décisions prises à défaut d'une décision commune, telles que visées dans les articles 450 et 450/1, sont reconnues par l'autorité de résolution et, le cas échéant, appliquées en Belgique.".
Art. 247. Art. 451 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt als volgt vervangen:
"Art. 451. § 1. De afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van autoriteit bevoegd voor de afwikkeling van dochterondernemingen naar Belgisch recht, stelt alles in het werk om samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau tot een gezamenlijk besluit te komen over maatregelen die met betrekking tot alle af te wikkelen entiteiten en hun dochterondernemingen die entiteiten zijn als bedoeld in artikel 424 en die deel uitmaken van de groep, kunnen worden genomen met het oog op het opheffen of verminderen van de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de groep, en dit binnen de relevante termijn bedoeld in artikel 18, lid 5 van Richtlijn 2014/59/EU.
Wanneer de afwikkelingsautoriteit, in de hoedanigheid van autoriteit bevoegd voor de afwikkeling van dochterondernemingen naar Belgisch recht, van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau het verslag ontvangt bedoeld in artikel 18, lid 2, eerste alinea van Richtlijn 2014/59/EU, zendt zij dit door aan de dochterondernemingen waarvoor zij bevoegd is.
Het gezamenlijk besluit wordt genomen in het afwikkelingscollege, na raadpleging van het college van bevoegde autoriteiten en van de afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn, voor zover een en ander relevant is voor die bijkantoren, en met inachtneming van de krachtens artikel 16 van Richtlijn 2014/59/EU gemaakte beoordeling.
Bij verschil van mening kan de afwikkelingsautoriteit de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau verzoeken om de EBA te raadplegen.
§ 2. Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 1, is het bepaalde in artikel 450/1 naar analogie van toepassing.
De afwikkelingsautoriteit maakt aan de andere afwikkelingsautoriteiten haar standpunten en voorbehouden over betreffende de besluiten die deze afwikkelingsautoriteiten zelf zullen nemen.
De afwikkelingsautoriteit kan, tot aan het einde van de in artikel 18, lid 5 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde relevante termijn en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, een zaak als bedoeld in artikel 452 krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 voorleggen aan de EBA.
§ 3. De gezamenlijke besluiten en de besluiten genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, als bedoeld in dit artikel, worden door de afwikkelingsautoriteit erkend en in voorkomend geval toegepast in België.".
"Art. 451. § 1. De afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van autoriteit bevoegd voor de afwikkeling van dochterondernemingen naar Belgisch recht, stelt alles in het werk om samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau tot een gezamenlijk besluit te komen over maatregelen die met betrekking tot alle af te wikkelen entiteiten en hun dochterondernemingen die entiteiten zijn als bedoeld in artikel 424 en die deel uitmaken van de groep, kunnen worden genomen met het oog op het opheffen of verminderen van de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de groep, en dit binnen de relevante termijn bedoeld in artikel 18, lid 5 van Richtlijn 2014/59/EU.
Wanneer de afwikkelingsautoriteit, in de hoedanigheid van autoriteit bevoegd voor de afwikkeling van dochterondernemingen naar Belgisch recht, van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau het verslag ontvangt bedoeld in artikel 18, lid 2, eerste alinea van Richtlijn 2014/59/EU, zendt zij dit door aan de dochterondernemingen waarvoor zij bevoegd is.
Het gezamenlijk besluit wordt genomen in het afwikkelingscollege, na raadpleging van het college van bevoegde autoriteiten en van de afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn, voor zover een en ander relevant is voor die bijkantoren, en met inachtneming van de krachtens artikel 16 van Richtlijn 2014/59/EU gemaakte beoordeling.
Bij verschil van mening kan de afwikkelingsautoriteit de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau verzoeken om de EBA te raadplegen.
§ 2. Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 1, is het bepaalde in artikel 450/1 naar analogie van toepassing.
De afwikkelingsautoriteit maakt aan de andere afwikkelingsautoriteiten haar standpunten en voorbehouden over betreffende de besluiten die deze afwikkelingsautoriteiten zelf zullen nemen.
De afwikkelingsautoriteit kan, tot aan het einde van de in artikel 18, lid 5 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde relevante termijn en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, een zaak als bedoeld in artikel 452 krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 voorleggen aan de EBA.
§ 3. De gezamenlijke besluiten en de besluiten genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, als bedoeld in dit artikel, worden door de afwikkelingsautoriteit erkend en in voorkomend geval toegepast in België.".
Art. 247. L'article 451 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 451. § 1er. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité compétente pour la résolution de filiales de droit belge, fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, en concertation avec l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe, à une décision commune sur les mesures susceptibles d'être prises concernant toutes les entités de résolution et leurs filiales qui sont des entités visées à l'article 424 relevant du groupe en vue de supprimer ou de réduire les obstacles à la résolvabilité du groupe, et ce dans le délai pertinent prévu par l'article 18, paragraphe 5, de la Directive 2014/59/UE.
Quand l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité compétente pour la résolution de filiales de droit belge, reçoit de l'autorité de résolution au niveau du groupe le rapport visé à l'article 18, paragraphe 2, alinéa 1er de la Directive 2014/59/UE, elle le transmet aux filiales relevant de sa compétence.
La décision commune est prise au sein du collège d'autorités de résolution, après consultation du collège d'autorités compétentes et des autorités de résolution dont relèvent des succursales d'importance significative, dans la mesure où celles-ci sont concernées, et en tenant compte de l'évaluation effectuée conformément à l'article 16 de la Directive 2014/59/UE.
En cas de désaccord, l'autorité de résolution peut requérir de l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe qu'elle consulte l'ABE.
§ 2. En l'absence de décision commune visée au paragraphe 1er, les dispositions de l'article 450/1 s'appliquent par analogie.
L'autorité de résolution fait part aux autres autorités de résolution de ses avis et réserves à l'égard des décisions que ces autorités de résolution rendront seules.
L'autorité de résolution dispose du délai pertinent prévu à l'article 18, paragraphe 5, de la Directive 2014/59/UE, en l'absence de décision commune, pour saisir l'ABE d'une question visée à l'article 452 conformément à l'article 19 du règlement n° 1093/2010.
§ 3. Les décisions communes et les décisions prises en l'absence de décision commune, visées au présent article, sont reconnues par l'autorité de résolution et, le cas échéant, appliquées en Belgique.".
"Art. 451. § 1er. L'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité compétente pour la résolution de filiales de droit belge, fait tout ce qui est en son pouvoir pour parvenir, en concertation avec l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe, à une décision commune sur les mesures susceptibles d'être prises concernant toutes les entités de résolution et leurs filiales qui sont des entités visées à l'article 424 relevant du groupe en vue de supprimer ou de réduire les obstacles à la résolvabilité du groupe, et ce dans le délai pertinent prévu par l'article 18, paragraphe 5, de la Directive 2014/59/UE.
Quand l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité compétente pour la résolution de filiales de droit belge, reçoit de l'autorité de résolution au niveau du groupe le rapport visé à l'article 18, paragraphe 2, alinéa 1er de la Directive 2014/59/UE, elle le transmet aux filiales relevant de sa compétence.
La décision commune est prise au sein du collège d'autorités de résolution, après consultation du collège d'autorités compétentes et des autorités de résolution dont relèvent des succursales d'importance significative, dans la mesure où celles-ci sont concernées, et en tenant compte de l'évaluation effectuée conformément à l'article 16 de la Directive 2014/59/UE.
En cas de désaccord, l'autorité de résolution peut requérir de l'autorité de résolution étrangère au niveau du groupe qu'elle consulte l'ABE.
§ 2. En l'absence de décision commune visée au paragraphe 1er, les dispositions de l'article 450/1 s'appliquent par analogie.
L'autorité de résolution fait part aux autres autorités de résolution de ses avis et réserves à l'égard des décisions que ces autorités de résolution rendront seules.
L'autorité de résolution dispose du délai pertinent prévu à l'article 18, paragraphe 5, de la Directive 2014/59/UE, en l'absence de décision commune, pour saisir l'ABE d'une question visée à l'article 452 conformément à l'article 19 du règlement n° 1093/2010.
§ 3. Les décisions communes et les décisions prises en l'absence de décision commune, visées au présent article, sont reconnues par l'autorité de résolution et, le cas échéant, appliquées en Belgique.".
Art. 248. Artikel 454 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt als volgt vervangen:
"Art. 454. § 1. De afwikkelingsautoriteit kan een afwikkelingsinstrument of -bevoegdheid toepassen op een in artikel 424, 4° bedoelde financiële instelling naar Belgisch recht indien aan de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, zowel in hoofde van de financiële instelling als in hoofde van de moederonderneming ervan waarop toezicht op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend.
§ 2. De afwikkelingsautoriteit kan een afwikkelingsinstrument of -bevoegdheid toepassen op een in artikel 424, 2° of 3° bedoelde entiteit naar Belgisch recht indien die entiteit aan de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden voldoet.
Indien de dochterkredietinstellingen van een gemengde holding evenwel direct of indirect in handen zijn van een financiële tussenholding naar Belgisch recht, mag de gemengde holding niet als af te wikkelen entiteit aangemerkt worden. In dat geval oefent de afwikkelingsautoriteit de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden uitsluitend uit op het niveau van de financiële tussenholding of van de dochterkredietinstellingen zelf.
§ 3. Zelfs indien een in artikel 424, 2° of 3° bedoelde entiteit naar Belgisch recht niet voldoet aan de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden, kan de afwikkelingsautoriteit een afwikkelingsinstrument of -bevoegdheid toepassen op deze entiteit indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
1° de entiteit is een af te wikkelen entiteit;
2° één of meer dochterondernemingen die kredietinstellingen zijn maar geen af te wikkelen entiteiten, voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 244, § 1;
3° de onder 2°, bedoelde dochterondernemingen verkeren in een dusdanige vermogenssituatie dat het in gebreke blijven een bedreiging vormt voor de af te wikkelen groep als geheel en het is noodzakelijk om op de entiteit afwikkelingsinstrumenten toe te passen voor hetzij de afwikkeling van de af te wikkelen groep als geheel dan wel voor de afwikkeling van de dochterondernemingen die kredietinstellingen zijn.
§ 4. Voor de toepassing van de paragrafen 2 en 3 kan de afwikkelingsautoriteit beslissen om een eventuele overdracht van kapitaal of verliezen tussen de entiteiten binnen een Belgische groep die niet grensoverschrijdend is, met inbegrip van de uitoefening van afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden, te negeren wanneer zij beoordeelt of aan de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden is voldaan met betrekking tot één of meer dochterondernemingen die kredietinstellingen zijn.".
"Art. 454. § 1. De afwikkelingsautoriteit kan een afwikkelingsinstrument of -bevoegdheid toepassen op een in artikel 424, 4° bedoelde financiële instelling naar Belgisch recht indien aan de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, zowel in hoofde van de financiële instelling als in hoofde van de moederonderneming ervan waarop toezicht op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend.
§ 2. De afwikkelingsautoriteit kan een afwikkelingsinstrument of -bevoegdheid toepassen op een in artikel 424, 2° of 3° bedoelde entiteit naar Belgisch recht indien die entiteit aan de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden voldoet.
Indien de dochterkredietinstellingen van een gemengde holding evenwel direct of indirect in handen zijn van een financiële tussenholding naar Belgisch recht, mag de gemengde holding niet als af te wikkelen entiteit aangemerkt worden. In dat geval oefent de afwikkelingsautoriteit de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden uitsluitend uit op het niveau van de financiële tussenholding of van de dochterkredietinstellingen zelf.
§ 3. Zelfs indien een in artikel 424, 2° of 3° bedoelde entiteit naar Belgisch recht niet voldoet aan de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden, kan de afwikkelingsautoriteit een afwikkelingsinstrument of -bevoegdheid toepassen op deze entiteit indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
1° de entiteit is een af te wikkelen entiteit;
2° één of meer dochterondernemingen die kredietinstellingen zijn maar geen af te wikkelen entiteiten, voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 244, § 1;
3° de onder 2°, bedoelde dochterondernemingen verkeren in een dusdanige vermogenssituatie dat het in gebreke blijven een bedreiging vormt voor de af te wikkelen groep als geheel en het is noodzakelijk om op de entiteit afwikkelingsinstrumenten toe te passen voor hetzij de afwikkeling van de af te wikkelen groep als geheel dan wel voor de afwikkeling van de dochterondernemingen die kredietinstellingen zijn.
§ 4. Voor de toepassing van de paragrafen 2 en 3 kan de afwikkelingsautoriteit beslissen om een eventuele overdracht van kapitaal of verliezen tussen de entiteiten binnen een Belgische groep die niet grensoverschrijdend is, met inbegrip van de uitoefening van afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden, te negeren wanneer zij beoordeelt of aan de in artikel 244, § 1 bedoelde voorwaarden is voldaan met betrekking tot één of meer dochterondernemingen die kredietinstellingen zijn.".
Art. 248. L'article 454 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 454. § 1er. L'autorité de résolution peut appliquer un instrument de résolution ou exercer un pouvoir de résolution sur un établissement financier de droit belge visé à l'article 424, 4°, si les conditions établies à l'article 244, § 1er, sont remplies, tant par l'établissement financier que par son entreprise mère soumise à une surveillance sur base consolidée.
§ 2. L'autorité de résolution peut appliquer un instrument de résolution ou exercer un pouvoir de résolution sur une entité de droit belge visée à l'article 424, 2° ou 3°, si les conditions établies à l'article 244, § 1er, sont remplies à l'égard de cette entité.
Si toutefois les établissements de crédit filiales d'une compagnie mixte sont détenus directement ou indirectement par une compagnie financière intermédiaire de droit belge, la compagnie mixte ne peut pas être désignée comme une entité de résolution. Dans ce cas, l'autorité de résolution applique les instruments de résolution et exerce les pouvoirs de résolution uniquement au niveau de la compagnie financière intermédiaire ou des établissements de crédit filiales mêmes.
§ 3. Même si une entité de droit belge visée à l'article 424, 2° ou 3°, ne répond pas aux conditions établies à l'article 244, § 1er, l'autorité de résolution peut appliquer un instrument de résolution ou exercer un pouvoir de résolution sur cette entité si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° l'entité est une entité de résolution;
2° une ou plusieurs filiales qui sont des établissements de crédit mais pas des entités de résolution répondent aux conditions établies à l'article 244, § 1er;
3° les actifs et passifs des filiales visées sous le 2°, sont tels que leur défaillance menace le groupe de résolution dans son ensemble et les instruments de résolution à l'égard de l'entité sont nécessaires soit à la résolution des filiales qui sont des établissements, soit à la résolution de l'ensemble du groupe de résolution concerné.
§ 4. Aux fins des paragraphes 2 et 3, lorsqu'elle évalue si les conditions établies à l'article 244, § 1er, sont remplies à l'égard d'une ou de plusieurs filiales qui sont des établissements de crédit, l'autorité de résolution peut décider de ne pas tenir compte des transferts de fonds propres ou de pertes entre les entités d'un groupe belge qui n'est pas transfrontalier, y compris l'exercice de compétences liées à la dépréciation ou à la conversion.".
"Art. 454. § 1er. L'autorité de résolution peut appliquer un instrument de résolution ou exercer un pouvoir de résolution sur un établissement financier de droit belge visé à l'article 424, 4°, si les conditions établies à l'article 244, § 1er, sont remplies, tant par l'établissement financier que par son entreprise mère soumise à une surveillance sur base consolidée.
§ 2. L'autorité de résolution peut appliquer un instrument de résolution ou exercer un pouvoir de résolution sur une entité de droit belge visée à l'article 424, 2° ou 3°, si les conditions établies à l'article 244, § 1er, sont remplies à l'égard de cette entité.
Si toutefois les établissements de crédit filiales d'une compagnie mixte sont détenus directement ou indirectement par une compagnie financière intermédiaire de droit belge, la compagnie mixte ne peut pas être désignée comme une entité de résolution. Dans ce cas, l'autorité de résolution applique les instruments de résolution et exerce les pouvoirs de résolution uniquement au niveau de la compagnie financière intermédiaire ou des établissements de crédit filiales mêmes.
§ 3. Même si une entité de droit belge visée à l'article 424, 2° ou 3°, ne répond pas aux conditions établies à l'article 244, § 1er, l'autorité de résolution peut appliquer un instrument de résolution ou exercer un pouvoir de résolution sur cette entité si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° l'entité est une entité de résolution;
2° une ou plusieurs filiales qui sont des établissements de crédit mais pas des entités de résolution répondent aux conditions établies à l'article 244, § 1er;
3° les actifs et passifs des filiales visées sous le 2°, sont tels que leur défaillance menace le groupe de résolution dans son ensemble et les instruments de résolution à l'égard de l'entité sont nécessaires soit à la résolution des filiales qui sont des établissements, soit à la résolution de l'ensemble du groupe de résolution concerné.
§ 4. Aux fins des paragraphes 2 et 3, lorsqu'elle évalue si les conditions établies à l'article 244, § 1er, sont remplies à l'égard d'une ou de plusieurs filiales qui sont des établissements de crédit, l'autorité de résolution peut décider de ne pas tenir compte des transferts de fonds propres ou de pertes entre les entités d'un groupe belge qui n'est pas transfrontalier, y compris l'exercice de compétences liées à la dépréciation ou à la conversion.".
Art. 249. In Boek XI, Titel V van dezelfde wet wordt het opschrift van Hoofdstuk III als volgt vervangen:
"Hoofdstuk III - Afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden".
"Hoofdstuk III - Afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden".
Art. 249. Dans le Livre XI, Titre V de la même loi, l'intitulé du Chapitre III est remplacé par ce qui suit :
"Chapitre III. - Dépréciation ou conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles".
"Chapitre III. - Dépréciation ou conversion des instruments de fonds propres pertinents et des dettes éligibles".
Art. 250. Artikel 457 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt als volgt vervangen:
"Art. 457. § 1. De afwikkelingsautoriteit oefent onverwijld de in artikel 250, § 1 bedoelde bevoegdheid uit wanneer ten minste één van de volgende voorwaarden vervuld is:
1° in het geval van door een dochteronderneming naar Belgisch recht uitgegeven relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2, die voor het vervullen van de reglementaire eigenvermogensvereisten op individuele en geconsolideerde basis zijn erkend, doen de geëigende autoriteit van de lidstaat van de consoliderende toezichthouder en de afwikkelingsautoriteit een gezamenlijke vaststelling in de vorm van een gezamenlijk besluit overeenkomstig artikel 465, § 2, dat luidt dat de groep niet langer levensvatbaar zal zijn, tenzij de afwikkelingsautoriteit die bevoegdheid uitoefent;
2° in het geval van door een moederonderneming naar Belgisch recht uitgegeven relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2, die voor het vervullen van de reglementaire eigenvermogensvereisten op individuele basis op het niveau van de moederonderneming naar Belgisch recht of op geconsolideerde basis zijn erkend, stelt de afwikkelingsautoriteit vast dat de groep niet langer levensvatbaar zal zijn, tenzij zij die bevoegdheid uitoefent.
§ 2. Door een dochteronderneming naar Belgisch recht uitgegeven relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden worden niet in grotere mate afgeschreven of tegen minder gunstige voorwaarden omgezet krachtens § 1, 1°, dan kapitaalinstrumenten of in aanmerking komende schulden van dezelfde rang die op het niveau van de moederonderneming worden afgeschreven of omgezet.
§ 3. In het geval van door een dochteronderneming van een Belgische groep uitgegeven relevante kapitaalinstrumenten of in aanmerking komende schulden die voor het vervullen van de reglementaire eigenvermogensvereisten op individuele en geconsolideerde basis zijn erkend, kan de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, met de geëigende autoriteit van de lidstaat van de dochteronderneming een gezamenlijke vaststelling doen in de vorm van een gezamenlijk besluit overeenkomstig artikel 465, § 2, dat luidt dat de groep niet langer levensvatbaar zal zijn, tenzij de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden wordt uitgeoefend.
§ 4. Indien de relevante kapitaalinstrumenten overeenkomstig artikel 92 van Verordening nr. 575/2013 voor het vervullen van de eigenvermogensvereisten op individuele basis zijn erkend, is de autoriteit die verantwoordelijk is voor het doen van de in artikel 250, § 4 bedoelde vaststelling de geëigende autoriteit van de lidstaat waar overeenkomstig Titel III van Richtlijn 2013/36/EU aan de instelling of de entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4° vergunning is verleend.
Indien de relevante kapitaalinstrumenten of de in artikel 250, § 2 bedoelde in aanmerking komende passiva worden erkend voor het vervullen van het in artikel 267/5/4, § 1 bedoelde vereiste, is de autoriteit die verantwoordelijk is voor het doen van de in artikel 250, § 4 bedoelde vaststelling de geëigende autoriteit van de lidstaat waar overeenkomstig titel III van Richtlijn 2013/36/EU aan de instelling of de entiteit bedoeld in 424, 2° tot en met 4°, een vergunning is verleend.".
"Art. 457. § 1. De afwikkelingsautoriteit oefent onverwijld de in artikel 250, § 1 bedoelde bevoegdheid uit wanneer ten minste één van de volgende voorwaarden vervuld is:
1° in het geval van door een dochteronderneming naar Belgisch recht uitgegeven relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2, die voor het vervullen van de reglementaire eigenvermogensvereisten op individuele en geconsolideerde basis zijn erkend, doen de geëigende autoriteit van de lidstaat van de consoliderende toezichthouder en de afwikkelingsautoriteit een gezamenlijke vaststelling in de vorm van een gezamenlijk besluit overeenkomstig artikel 465, § 2, dat luidt dat de groep niet langer levensvatbaar zal zijn, tenzij de afwikkelingsautoriteit die bevoegdheid uitoefent;
2° in het geval van door een moederonderneming naar Belgisch recht uitgegeven relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2, die voor het vervullen van de reglementaire eigenvermogensvereisten op individuele basis op het niveau van de moederonderneming naar Belgisch recht of op geconsolideerde basis zijn erkend, stelt de afwikkelingsautoriteit vast dat de groep niet langer levensvatbaar zal zijn, tenzij zij die bevoegdheid uitoefent.
§ 2. Door een dochteronderneming naar Belgisch recht uitgegeven relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden worden niet in grotere mate afgeschreven of tegen minder gunstige voorwaarden omgezet krachtens § 1, 1°, dan kapitaalinstrumenten of in aanmerking komende schulden van dezelfde rang die op het niveau van de moederonderneming worden afgeschreven of omgezet.
§ 3. In het geval van door een dochteronderneming van een Belgische groep uitgegeven relevante kapitaalinstrumenten of in aanmerking komende schulden die voor het vervullen van de reglementaire eigenvermogensvereisten op individuele en geconsolideerde basis zijn erkend, kan de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, met de geëigende autoriteit van de lidstaat van de dochteronderneming een gezamenlijke vaststelling doen in de vorm van een gezamenlijk besluit overeenkomstig artikel 465, § 2, dat luidt dat de groep niet langer levensvatbaar zal zijn, tenzij de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende schulden wordt uitgeoefend.
§ 4. Indien de relevante kapitaalinstrumenten overeenkomstig artikel 92 van Verordening nr. 575/2013 voor het vervullen van de eigenvermogensvereisten op individuele basis zijn erkend, is de autoriteit die verantwoordelijk is voor het doen van de in artikel 250, § 4 bedoelde vaststelling de geëigende autoriteit van de lidstaat waar overeenkomstig Titel III van Richtlijn 2013/36/EU aan de instelling of de entiteit bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4° vergunning is verleend.
Indien de relevante kapitaalinstrumenten of de in artikel 250, § 2 bedoelde in aanmerking komende passiva worden erkend voor het vervullen van het in artikel 267/5/4, § 1 bedoelde vereiste, is de autoriteit die verantwoordelijk is voor het doen van de in artikel 250, § 4 bedoelde vaststelling de geëigende autoriteit van de lidstaat waar overeenkomstig titel III van Richtlijn 2013/36/EU aan de instelling of de entiteit bedoeld in 424, 2° tot en met 4°, een vergunning is verleend.".
Art. 250. L'article 457 de la même, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 457. § 1er. L'autorité de résolution exerce sans délai le pouvoir visé à l'article 250, § 1er lorsqu'au moins une des conditions suivantes est remplie :
1° dans le cas d'instruments de fonds propres pertinents et de dettes éligibles visées à l'article 250, § 2, qui sont émis par une filiale de droit belge et sont comptabilisés aux fins du respect des exigences de fonds propres réglementaires sur une base individuelle et sur une base consolidée, l'autorité appropriée de l'Etat membre de l'autorité de surveillance sur base consolidée et l'autorité de résolution constatent conjointement, sous forme de décision commune conformément à l'article 465, § 2, que le groupe ne sera plus viable à moins que l'autorité de résolution n'exerce ce pouvoir;
2° dans le cas d'instruments de fonds propres pertinents et de dettes éligibles visées à l'article 250, § 2, qui sont émis par une entreprise mère de droit belge et qui sont reconnus aux fins du respect des exigences de fonds propres réglementaires sur une base individuelle au niveau de l'entreprise mère de droit belge ou sur une base consolidée, l'autorité de résolution constate que le groupe ne sera plus viable à moins qu'elle n'exerce ce pouvoir.
§ 2. Un instrument de fonds propres pertinent et une dette éligible émis par une filiale de droit belge n'est pas déprécié dans une plus large mesure ou converti suivant des conditions moins favorables en vertu du paragraphe 1er, 1°, que des instruments de fonds propres ou des dettes éligibles de niveau équivalent ne le sont au niveau de l'entreprise mère.
§ 3. Dans le cas d'instruments de fonds propres pertinents ou de dettes éligibles qui sont émis par une filiale d'un groupe belge et sont comptabilisés aux fins du respect des exigences de fonds propres réglementaires sur une base individuelle et sur une base consolidée, l'autorité de résolution, en tant qu'autorité de résolution au niveau du groupe, peut constater conjointement avec l'autorité appropriée de l'Etat membre de la filiale, sous forme de décision commune adoptée conformément à l'article 465, § 2, que le groupe ne sera plus viable à moins que le pouvoir de déprécation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents ou des dettes éligibles ne soit exercé.
§ 4. Lorsque les instruments de fonds propres pertinents sont reconnus conformément à l'article 92 du Règlement n° 575/2013 aux fins du respect des exigences de fonds propres sur une base individuelle, l'autorité chargée du constat visé à l'article 250, § 4 est l'autorité appropriée de l'Etat membre dans lequel l'établissement ou l'entité visé à l'article 424, 2° à 4°, a été agréé conformément au Titre III de la Directive 2013/36/UE.
Lorsque les instruments de fonds propres pertinents ou les engagements éligibles visés à l'article 250, § 2 sont reconnus aux fins du respect de l'exigence visée à l'article 267/5/4, § 1er, l'autorité chargée du constat visé à l'article 250, § 4 est l'autorité appropriée de l'Etat membre dans lequel l'établissement ou l'entité visée à l'article 424, 2° à 4° a été agréé conformément au titre III de la Directive 2013/36/UE.".
"Art. 457. § 1er. L'autorité de résolution exerce sans délai le pouvoir visé à l'article 250, § 1er lorsqu'au moins une des conditions suivantes est remplie :
1° dans le cas d'instruments de fonds propres pertinents et de dettes éligibles visées à l'article 250, § 2, qui sont émis par une filiale de droit belge et sont comptabilisés aux fins du respect des exigences de fonds propres réglementaires sur une base individuelle et sur une base consolidée, l'autorité appropriée de l'Etat membre de l'autorité de surveillance sur base consolidée et l'autorité de résolution constatent conjointement, sous forme de décision commune conformément à l'article 465, § 2, que le groupe ne sera plus viable à moins que l'autorité de résolution n'exerce ce pouvoir;
2° dans le cas d'instruments de fonds propres pertinents et de dettes éligibles visées à l'article 250, § 2, qui sont émis par une entreprise mère de droit belge et qui sont reconnus aux fins du respect des exigences de fonds propres réglementaires sur une base individuelle au niveau de l'entreprise mère de droit belge ou sur une base consolidée, l'autorité de résolution constate que le groupe ne sera plus viable à moins qu'elle n'exerce ce pouvoir.
§ 2. Un instrument de fonds propres pertinent et une dette éligible émis par une filiale de droit belge n'est pas déprécié dans une plus large mesure ou converti suivant des conditions moins favorables en vertu du paragraphe 1er, 1°, que des instruments de fonds propres ou des dettes éligibles de niveau équivalent ne le sont au niveau de l'entreprise mère.
§ 3. Dans le cas d'instruments de fonds propres pertinents ou de dettes éligibles qui sont émis par une filiale d'un groupe belge et sont comptabilisés aux fins du respect des exigences de fonds propres réglementaires sur une base individuelle et sur une base consolidée, l'autorité de résolution, en tant qu'autorité de résolution au niveau du groupe, peut constater conjointement avec l'autorité appropriée de l'Etat membre de la filiale, sous forme de décision commune adoptée conformément à l'article 465, § 2, que le groupe ne sera plus viable à moins que le pouvoir de déprécation ou de conversion des instruments de fonds propres pertinents ou des dettes éligibles ne soit exercé.
§ 4. Lorsque les instruments de fonds propres pertinents sont reconnus conformément à l'article 92 du Règlement n° 575/2013 aux fins du respect des exigences de fonds propres sur une base individuelle, l'autorité chargée du constat visé à l'article 250, § 4 est l'autorité appropriée de l'Etat membre dans lequel l'établissement ou l'entité visé à l'article 424, 2° à 4°, a été agréé conformément au Titre III de la Directive 2013/36/UE.
Lorsque les instruments de fonds propres pertinents ou les engagements éligibles visés à l'article 250, § 2 sont reconnus aux fins du respect de l'exigence visée à l'article 267/5/4, § 1er, l'autorité chargée du constat visé à l'article 250, § 4 est l'autorité appropriée de l'Etat membre dans lequel l'établissement ou l'entité visée à l'article 424, 2° à 4° a été agréé conformément au titre III de la Directive 2013/36/UE.".
Art. 251. In artikel 458 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt als volgt vervangen:
" § 1. Wanneer de afwikkelingsautoriteit overweegt een in artikel 250, § 4, 2° of 3° of artikel 457, § 1 of § 3 bedoelde vaststelling te doen ten aanzien van een dochteronderneming die relevante kapitaalinstrumenten of in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2 uitgeeft met het oog op het voldoen aan het vereiste op individuele basis bedoeld in artikel 267/5/4, die voor het vervullen van de reglementaire eigenvermogensvereisten op individuele en geconsolideerde basis zijn erkend, geeft de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit van de betrokken af te wikkelen entiteit en binnen 24 uur na die raadpleging, kennis aan:
1° de consoliderende toezichthouder alsook, in voorkomend geval, de geëigende autoriteit van de lidstaat waar de consoliderende toezichthouder is gevestigd;
2° de afwikkelingsautoriteiten van andere entiteiten binnen dezelfde af te wikkelen groep die direct of indirect in artikel 267/5/4, § 2, bedoelde schulden hebben gekocht van de onder artikel 267/5/4, § 1, vallende entiteit.";
2° het eerste lid van paragraaf 4 wordt als volgt vervangen:
"Wanneer zij een kennisgeving als bedoeld in § 1 of § 2 heeft verricht, gaat de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de autoriteiten waaraan die kennisgeving is gericht overeenkomstig paragraaf 1, 1° of paragraaf 2, na of er voor de uitoefening van de in artikel 250, § 1 bedoelde bevoegdheid een alternatieve maatregel beschikbaar is.".
1° paragraaf 1 wordt als volgt vervangen:
" § 1. Wanneer de afwikkelingsautoriteit overweegt een in artikel 250, § 4, 2° of 3° of artikel 457, § 1 of § 3 bedoelde vaststelling te doen ten aanzien van een dochteronderneming die relevante kapitaalinstrumenten of in aanmerking komende schulden bedoeld in artikel 250, § 2 uitgeeft met het oog op het voldoen aan het vereiste op individuele basis bedoeld in artikel 267/5/4, die voor het vervullen van de reglementaire eigenvermogensvereisten op individuele en geconsolideerde basis zijn erkend, geeft de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit van de betrokken af te wikkelen entiteit en binnen 24 uur na die raadpleging, kennis aan:
1° de consoliderende toezichthouder alsook, in voorkomend geval, de geëigende autoriteit van de lidstaat waar de consoliderende toezichthouder is gevestigd;
2° de afwikkelingsautoriteiten van andere entiteiten binnen dezelfde af te wikkelen groep die direct of indirect in artikel 267/5/4, § 2, bedoelde schulden hebben gekocht van de onder artikel 267/5/4, § 1, vallende entiteit.";
2° het eerste lid van paragraaf 4 wordt als volgt vervangen:
"Wanneer zij een kennisgeving als bedoeld in § 1 of § 2 heeft verricht, gaat de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de autoriteiten waaraan die kennisgeving is gericht overeenkomstig paragraaf 1, 1° of paragraaf 2, na of er voor de uitoefening van de in artikel 250, § 1 bedoelde bevoegdheid een alternatieve maatregel beschikbaar is.".
Art. 251. A l'article 458 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Lorsque l'autorité de résolution envisage de procéder au constat visé à l'article 250, § 4, 2° ou 3°, ou à l'article 457, § 1er ou § 3, concernant une filiale qui émet des instruments de fonds propres pertinents ou des dettes éligibles visées à l'article 250, § 2 aux fins de respecter l'exigence visée à l'article 267/5/4 sur une base individuelle, reconnus aux fins du respect des exigences de fonds propres réglementaires sur une base individuelle et sur une base consolidée, elle le notifie, après avoir consulté l'autorité de résolution de l'entité de résolution concernée et dans les 24 heures après cette consultation :
1° à l'autorité de surveillance sur base consolidée et, le cas échéant, à l'autorité appropriée de l'Etat membre où l'autorité de surveillance sur base consolidée est établie;
2° aux autorités de résolution des autres entités faisant partie du même groupe de résolution qui ont, directement ou indirectement, acheté des engagements visés à l'article 267/5/4, § 2, auprès de l'entité qui relève de l'article 267/5/4, § 1er.";
2° l'alinéa 1er du paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
"Lorsqu'elle a effectué une notification visée au paragraphe 1er ou au paragraphe 2, l'autorité de résolution, après consultation des autorités destinataires de ladite notification selon les paragraphes 1er, 1° ou 2, examine s'il existe une mesure de substitution à l'exercice du pouvoir visé à l'article 250, § 1er.".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Lorsque l'autorité de résolution envisage de procéder au constat visé à l'article 250, § 4, 2° ou 3°, ou à l'article 457, § 1er ou § 3, concernant une filiale qui émet des instruments de fonds propres pertinents ou des dettes éligibles visées à l'article 250, § 2 aux fins de respecter l'exigence visée à l'article 267/5/4 sur une base individuelle, reconnus aux fins du respect des exigences de fonds propres réglementaires sur une base individuelle et sur une base consolidée, elle le notifie, après avoir consulté l'autorité de résolution de l'entité de résolution concernée et dans les 24 heures après cette consultation :
1° à l'autorité de surveillance sur base consolidée et, le cas échéant, à l'autorité appropriée de l'Etat membre où l'autorité de surveillance sur base consolidée est établie;
2° aux autorités de résolution des autres entités faisant partie du même groupe de résolution qui ont, directement ou indirectement, acheté des engagements visés à l'article 267/5/4, § 2, auprès de l'entité qui relève de l'article 267/5/4, § 1er.";
2° l'alinéa 1er du paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
"Lorsqu'elle a effectué une notification visée au paragraphe 1er ou au paragraphe 2, l'autorité de résolution, après consultation des autorités destinataires de ladite notification selon les paragraphes 1er, 1° ou 2, examine s'il existe une mesure de substitution à l'exercice du pouvoir visé à l'article 250, § 1er.".
Art. 252. In Boek XI, Titel V, Hoofdstuk IV van dezelfde wet wordt het opschrift van Afdeling I als volgt vervangen:
"Afdeling I. Procedure voor het bepalen van het minimumvereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende schulden".
"Afdeling I. Procedure voor het bepalen van het minimumvereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende schulden".
Art. 252. Dans le Livre XI, Titre V, Chapitre IV de la même loi, l'intitulé de la Section Ire est remplacé par ce qui suit :
"Section Ire. Procédure de détermination de l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles".
"Section Ire. Procédure de détermination de l'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles".
Art. 253. Artikel 459 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt als volgt vervangen:
"Art. 459. Het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden voor kredietinstellingen en entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, die deel uitmaken van een groep, wordt vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 267/3 tot en met 267/5/5.".
"Art. 459. Het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende schulden voor kredietinstellingen en entiteiten bedoeld in artikel 424, 2° tot en met 4°, die deel uitmaken van een groep, wordt vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 267/3 tot en met 267/5/5.".
Art. 253. L'article 459 de la même, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 459. L'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles pour les établissements de crédit et les entités visées à l'article 424, 2° à 4° qui font partie d'un groupe, est déterminé en tenant compte des dispositions des articles 267/3 à 267/5/5.".
"Art. 459. L'exigence minimale de fonds propres et de dettes éligibles pour les établissements de crédit et les entités visées à l'article 424, 2° à 4° qui font partie d'un groupe, est déterminé en tenant compte des dispositions des articles 267/3 à 267/5/5.".
Art. 254. Artikel 460 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt als volgt vervangen:
"Art. 460. § 1. De afwikkelingsautoriteit, al naar gelang het geval in haar hoedanigheid van autoriteit van de af te wikkelen entiteit, van autoriteit op groepsniveau dan wel van autoriteit die verantwoordelijk is voor de dochterondernemingen van een af te wikkelen groep waarop het in artikel 267/5/4 bedoelde vereiste op individuele basis van toepassing is, spant zich in om, op basis van de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit, samen met de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten tot een gezamenlijk besluit te komen over:
1° het bedrag van het op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep toegepaste vereiste voor elke af te wikkelen entiteit; en
2° het bedrag van het op individuele basis toe te passen vereiste op elke entiteit van een af te wikkelen groep die geen af te wikkelen entiteit is.
§ 2. Het gezamenlijke besluit bedoeld in paragraaf 1 verzekert de naleving van de artikelen 267/5/3 en 267/5/4 en wordt volledig gemotiveerd en meegedeeld aan:
1° iedere af te wikkelen entiteit door haar afwikkelingsautoriteit;
2° iedere entiteit van een af te wikkelen groep die geen af te wikkelen entiteit zijn, door de afwikkelingsautoriteit van die entiteit;
3° de EER-moederonderneming van de groep door de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit, indien die EER-moederonderneming zelf geen af te wikkelen entiteit van dezelfde af te wikkelen groep is.
In het gezamenlijke besluit kan worden bepaald dat, indien zulks in overeenstemming is met de afwikkelingsstrategie en de af te wikkelen entiteit niet voldoende instrumenten direct of indirect heeft aangekocht die aan artikel 267/5/4, § 2, beantwoorden, de dochteronderneming overeenkomstig artikel 267/5/4, § 2, gedeeltelijk aan de in artikel 267/5/1, § 6, bedoelde vereisten voldoet met instrumenten die zijn uitgegeven aan en gekocht door entiteiten die geen deel uitmaken van de af te wikkelen groep.
§ 3. Indien twee of meer MSI-entiteiten die tot dezelfde MSI behoren af te wikkelen entiteiten zijn, bepalen de in paragraaf 1 bedoelde afwikkelingsautoriteiten of het passend en in overeenstemming met de afwikkelingsstrategie van de MSIs is om artikel 72sexies van Verordening nr. 575/2013 toe te passen evenals om het verschil tussen de som van de in artikel 267/5/2, § 4, 1°, en artikel 12bis van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen voor individuele af te wikkelen entiteiten en de som van de in artikel 267/5/2, § 4, 2°, en artikel 12bis van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen tot een minimum te beperken of te elimineren.
Een dergelijke aanpassing kan onder voorbehoud van het volgende worden toegepast:
1° de aanpassing kan worden toegepast met betrekking tot verschillen in de berekening van het totaal van de risicoposten tussen de betrokken lidstaten door de hoogte van het vereiste aan te passen;
2° de aanpassing wordt niet toegepast om verschillen als gevolg van blootstellingen tussen af te wikkelen groepen te elimineren.
De som van de in artikel 267/5/2, § 4, 1°, en artikel 12bis van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen voor individuele af te wikkelen entiteiten mag niet lager zijn dan de som van de in artikel 267/5/2, § 4, 2°, en artikel 12bis van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen.".
"Art. 460. § 1. De afwikkelingsautoriteit, al naar gelang het geval in haar hoedanigheid van autoriteit van de af te wikkelen entiteit, van autoriteit op groepsniveau dan wel van autoriteit die verantwoordelijk is voor de dochterondernemingen van een af te wikkelen groep waarop het in artikel 267/5/4 bedoelde vereiste op individuele basis van toepassing is, spant zich in om, op basis van de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit, samen met de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten tot een gezamenlijk besluit te komen over:
1° het bedrag van het op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep toegepaste vereiste voor elke af te wikkelen entiteit; en
2° het bedrag van het op individuele basis toe te passen vereiste op elke entiteit van een af te wikkelen groep die geen af te wikkelen entiteit is.
§ 2. Het gezamenlijke besluit bedoeld in paragraaf 1 verzekert de naleving van de artikelen 267/5/3 en 267/5/4 en wordt volledig gemotiveerd en meegedeeld aan:
1° iedere af te wikkelen entiteit door haar afwikkelingsautoriteit;
2° iedere entiteit van een af te wikkelen groep die geen af te wikkelen entiteit zijn, door de afwikkelingsautoriteit van die entiteit;
3° de EER-moederonderneming van de groep door de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit, indien die EER-moederonderneming zelf geen af te wikkelen entiteit van dezelfde af te wikkelen groep is.
In het gezamenlijke besluit kan worden bepaald dat, indien zulks in overeenstemming is met de afwikkelingsstrategie en de af te wikkelen entiteit niet voldoende instrumenten direct of indirect heeft aangekocht die aan artikel 267/5/4, § 2, beantwoorden, de dochteronderneming overeenkomstig artikel 267/5/4, § 2, gedeeltelijk aan de in artikel 267/5/1, § 6, bedoelde vereisten voldoet met instrumenten die zijn uitgegeven aan en gekocht door entiteiten die geen deel uitmaken van de af te wikkelen groep.
§ 3. Indien twee of meer MSI-entiteiten die tot dezelfde MSI behoren af te wikkelen entiteiten zijn, bepalen de in paragraaf 1 bedoelde afwikkelingsautoriteiten of het passend en in overeenstemming met de afwikkelingsstrategie van de MSIs is om artikel 72sexies van Verordening nr. 575/2013 toe te passen evenals om het verschil tussen de som van de in artikel 267/5/2, § 4, 1°, en artikel 12bis van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen voor individuele af te wikkelen entiteiten en de som van de in artikel 267/5/2, § 4, 2°, en artikel 12bis van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen tot een minimum te beperken of te elimineren.
Een dergelijke aanpassing kan onder voorbehoud van het volgende worden toegepast:
1° de aanpassing kan worden toegepast met betrekking tot verschillen in de berekening van het totaal van de risicoposten tussen de betrokken lidstaten door de hoogte van het vereiste aan te passen;
2° de aanpassing wordt niet toegepast om verschillen als gevolg van blootstellingen tussen af te wikkelen groepen te elimineren.
De som van de in artikel 267/5/2, § 4, 1°, en artikel 12bis van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen voor individuele af te wikkelen entiteiten mag niet lager zijn dan de som van de in artikel 267/5/2, § 4, 2°, en artikel 12bis van Verordening nr. 575/2013 bedoelde bedragen.".
Art. 254. L'article 460 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 460. § 1er. L'autorité de résolution, selon le cas en sa qualité d'autorité de l'entité de résolution, d'autorité au niveau du groupe ou d'autorité chargée des filiales d'un groupe de résolution qui sont soumis à l'exigence visée à l'article 267/5/4 sur une base individuelle, s'efforce, sur la base de la communication d'un projet de décision commune, de parvenir à une décision commune avec les autorités de résolution étrangères concernées sur :
1° le montant de l'exigence appliquée au niveau consolidé du groupe de résolution pour chaque entité de résolution ; et
2° le montant de l'exigence appliquée sur une base individuelle à chaque entité d'un groupe de résolution qui n'est pas une entité de résolution.
§ 2. La décision commune visée au paragraphe 1er garantit le respect des articles 267/5/3 et 267/5/4, expose l'ensemble des motifs qui la sous- tendent et est communiquée :
1° à chaque entité de résolution par son autorité de résolution ;
2° à chaque entité d'un groupe de résolution qui n'est pas une entité de résolution par l'autorité de résolution de cette entité ;
3° à l'entreprise mère dans l'EEE du groupe par l'autorité de résolution de l'entité de résolution, lorsque cette entreprise mère dans l'EEE n'est pas elle-même une entité de résolution du même groupe de résolution.
La décision commune peut prévoir que, lorsque cela est conforme à la stratégie de résolution et que l'entité de résolution n'a pas acheté, directement ou indirectement, suffisamment d'instruments respectant les dispositions de l'article 267/5/4, § 2, les exigences prévues à l'article 267/5/1, § 6, sont partiellement remplies par la filiale conformément à l'article 267/5/4, § 2, au moyen d'instruments émis en faveur d'entités ne faisant pas partie du groupe de résolution et achetés par celles-ci.
§ 3. Lorsque plusieurs entités d'EISm appartenant au même EISm sont des entités de résolution, les autorités de résolution visées au paragraphe 1er déterminent s'il est approprié et conforme à la stratégie de résolution de l'EISm, d'appliquer l'article 72sexies du Règlement n° 575/2013 ainsi que tout ajustement pour réduire au minimum ou éliminer la différence entre la somme des montants visés à l'article 267/5/2, § 4, 1°, et à l'article 12bis du Règlement n° 575/2013 pour les entités de résolution individuelles et la somme des montants visés à l'article 267/5/2, § 4, 2°, et à l'article 12bis du Règlement n° 575/2013.
Cet ajustement peut s'appliquer sous réserve des conditions suivantes :
1° l'ajustement peut s'appliquer concernant les différences dans le calcul des montants totaux d'exposition au risque entre les Etats membres concernés en modulant le niveau de l'exigence ;
2° l'ajustement ne s'applique pas pour supprimer les différences découlant des expositions entre groupes de résolution.
La somme des montants visés à l'article 267/5/2, § 4, 1°, et à l'article 12bis du Règlement n° 575/2013 pour les entités de résolution individuelles n'est pas inférieure à la somme des montants visés à l'article 267/5/2, § 4,2°, et à l'article 12bis du Règlement n° 575/2013.".
"Art. 460. § 1er. L'autorité de résolution, selon le cas en sa qualité d'autorité de l'entité de résolution, d'autorité au niveau du groupe ou d'autorité chargée des filiales d'un groupe de résolution qui sont soumis à l'exigence visée à l'article 267/5/4 sur une base individuelle, s'efforce, sur la base de la communication d'un projet de décision commune, de parvenir à une décision commune avec les autorités de résolution étrangères concernées sur :
1° le montant de l'exigence appliquée au niveau consolidé du groupe de résolution pour chaque entité de résolution ; et
2° le montant de l'exigence appliquée sur une base individuelle à chaque entité d'un groupe de résolution qui n'est pas une entité de résolution.
§ 2. La décision commune visée au paragraphe 1er garantit le respect des articles 267/5/3 et 267/5/4, expose l'ensemble des motifs qui la sous- tendent et est communiquée :
1° à chaque entité de résolution par son autorité de résolution ;
2° à chaque entité d'un groupe de résolution qui n'est pas une entité de résolution par l'autorité de résolution de cette entité ;
3° à l'entreprise mère dans l'EEE du groupe par l'autorité de résolution de l'entité de résolution, lorsque cette entreprise mère dans l'EEE n'est pas elle-même une entité de résolution du même groupe de résolution.
La décision commune peut prévoir que, lorsque cela est conforme à la stratégie de résolution et que l'entité de résolution n'a pas acheté, directement ou indirectement, suffisamment d'instruments respectant les dispositions de l'article 267/5/4, § 2, les exigences prévues à l'article 267/5/1, § 6, sont partiellement remplies par la filiale conformément à l'article 267/5/4, § 2, au moyen d'instruments émis en faveur d'entités ne faisant pas partie du groupe de résolution et achetés par celles-ci.
§ 3. Lorsque plusieurs entités d'EISm appartenant au même EISm sont des entités de résolution, les autorités de résolution visées au paragraphe 1er déterminent s'il est approprié et conforme à la stratégie de résolution de l'EISm, d'appliquer l'article 72sexies du Règlement n° 575/2013 ainsi que tout ajustement pour réduire au minimum ou éliminer la différence entre la somme des montants visés à l'article 267/5/2, § 4, 1°, et à l'article 12bis du Règlement n° 575/2013 pour les entités de résolution individuelles et la somme des montants visés à l'article 267/5/2, § 4, 2°, et à l'article 12bis du Règlement n° 575/2013.
Cet ajustement peut s'appliquer sous réserve des conditions suivantes :
1° l'ajustement peut s'appliquer concernant les différences dans le calcul des montants totaux d'exposition au risque entre les Etats membres concernés en modulant le niveau de l'exigence ;
2° l'ajustement ne s'applique pas pour supprimer les différences découlant des expositions entre groupes de résolution.
La somme des montants visés à l'article 267/5/2, § 4, 1°, et à l'article 12bis du Règlement n° 575/2013 pour les entités de résolution individuelles n'est pas inférieure à la somme des montants visés à l'article 267/5/2, § 4,2°, et à l'article 12bis du Règlement n° 575/2013.".
Art. 255. Artikel 461 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt als volgt vervangen:
"Art. 461. § 1. Indien binnen vier maanden te rekenen vanaf de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit door de afwikkelingsautoriteit aan de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, geen gezamenlijk besluit wordt genomen overeenkomstig artikel 460 wegens een meningsverschil met betrekking tot een geconsolideerd vereiste voor de af te wikkelen groep als bedoeld in artikel 267/5/3, neemt de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit een besluit over dat vereiste na terdege rekening te hebben gehouden met:
1° de door de betrokken afwikkelingsautoriteiten uitgevoerde beoordeling van entiteiten van de af te wikkelen groep die geen af te wikkelen entiteit zijn;
2° het advies van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, indien verschillend van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit.
Indien een betrokken afwikkelingsautoriteit aan het eind van de periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit haar besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. De EBA houdt bij het nemen van haar besluit rekening met de punten 1°, en 2°, van het eerste lid. De afwikkelingsautoriteit neemt haar besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA.
De periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening nr. 1093/2010. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na afloop van die periode van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA niet binnen één maand tot een besluit komt nadat de zaak haar is voorgelegd, is het besluit van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit van toepassing.
§ 3. Indien binnen vier maanden te rekenen vanaf de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit door de afwikkelingsautoriteit aan de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, geen gezamenlijk besluit wordt genomen wegens een meningsverschil met betrekking tot het in artikel 267/5/4 bedoelde niveau van het vereiste dat op individuele basis op een entiteit van een af te wikkelen groep moet worden toegepast, neemt de afwikkelingsautoriteit van die entiteit het besluit, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
1° er is terdege rekening gehouden met de schriftelijke standpunten en voorbehouden die de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit kenbaar heeft gemaakt; en
2° indien een afwikkelingsautoriteit op groepsniveau verschilt van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit, is er terdege rekening gehouden met de schriftelijke standpunten en voorbehouden door de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau.
Indien de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit of de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau binnen de periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorlegt, stellen de afwikkelingsautoriteiten die bevoegd zijn voor de dochterondernemingen op individuele basis hun besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. De EBA houdt bij het nemen van haar besluit rekening met de punten 1° en 2°, van het eerste lid. De afwikkelingsautoriteiten nemen hun besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA.
De periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening nr. 1093/2010. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na afloop van de periode van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen.
De afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit of de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau legt de zaak niet voor bindende bemiddeling aan de EBA voor indien het niveau dat is vastgesteld door de afwikkelingsautoriteit van de dochteronderneming:
1° met betrekking tot het vereiste als bedoeld in artikel 267/5/3 binnen een bandbreedte ligt van 2 % van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013; en
2° voldoet aan artikel 267/5/1, § 6.
Indien de EBA niet binnen één maand tot een besluit komt nadat de zaak haar is voorgelegd, zijn de besluiten van de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen van toepassing.
§ 4. Indien er niet binnen vier maanden te rekenen vanaf de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit door de afwikkelingsautoriteit aan de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, een gezamenlijk besluit wordt genomen wegens een meningsverschil met betrekking tot de hoogte van het geconsolideerde vereiste voor de af te wikkelen groep en de hoogte van de op individuele basis op de entiteiten van de af te wikkelen groep toe te passen vereiste, geldt het volgende:
1° er wordt een besluit genomen over het niveau van het op individuele basis op de dochterondernemingen van de af te wikkelen groep toe te passen vereiste overeenkomstig paragraaf 3;
2° er wordt een besluit genomen over het niveau van geconsolideerde vereiste voor de af te wikkelen groep overeenkomstig paragraaf 2.".
"Art. 461. § 1. Indien binnen vier maanden te rekenen vanaf de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit door de afwikkelingsautoriteit aan de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, geen gezamenlijk besluit wordt genomen overeenkomstig artikel 460 wegens een meningsverschil met betrekking tot een geconsolideerd vereiste voor de af te wikkelen groep als bedoeld in artikel 267/5/3, neemt de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit een besluit over dat vereiste na terdege rekening te hebben gehouden met:
1° de door de betrokken afwikkelingsautoriteiten uitgevoerde beoordeling van entiteiten van de af te wikkelen groep die geen af te wikkelen entiteit zijn;
2° het advies van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, indien verschillend van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit.
Indien een betrokken afwikkelingsautoriteit aan het eind van de periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit haar besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. De EBA houdt bij het nemen van haar besluit rekening met de punten 1°, en 2°, van het eerste lid. De afwikkelingsautoriteit neemt haar besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA.
De periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening nr. 1093/2010. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na afloop van die periode van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA niet binnen één maand tot een besluit komt nadat de zaak haar is voorgelegd, is het besluit van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit van toepassing.
§ 3. Indien binnen vier maanden te rekenen vanaf de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit door de afwikkelingsautoriteit aan de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, geen gezamenlijk besluit wordt genomen wegens een meningsverschil met betrekking tot het in artikel 267/5/4 bedoelde niveau van het vereiste dat op individuele basis op een entiteit van een af te wikkelen groep moet worden toegepast, neemt de afwikkelingsautoriteit van die entiteit het besluit, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
1° er is terdege rekening gehouden met de schriftelijke standpunten en voorbehouden die de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit kenbaar heeft gemaakt; en
2° indien een afwikkelingsautoriteit op groepsniveau verschilt van de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit, is er terdege rekening gehouden met de schriftelijke standpunten en voorbehouden door de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau.
Indien de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit of de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau binnen de periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voorlegt, stellen de afwikkelingsautoriteiten die bevoegd zijn voor de dochterondernemingen op individuele basis hun besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. De EBA houdt bij het nemen van haar besluit rekening met de punten 1° en 2°, van het eerste lid. De afwikkelingsautoriteiten nemen hun besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA.
De periode van vier maanden bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als verzoeningsfase in de zin van Verordening nr. 1093/2010. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na afloop van de periode van vier maanden of nadat een gezamenlijk besluit is genomen.
De afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit of de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau legt de zaak niet voor bindende bemiddeling aan de EBA voor indien het niveau dat is vastgesteld door de afwikkelingsautoriteit van de dochteronderneming:
1° met betrekking tot het vereiste als bedoeld in artikel 267/5/3 binnen een bandbreedte ligt van 2 % van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013; en
2° voldoet aan artikel 267/5/1, § 6.
Indien de EBA niet binnen één maand tot een besluit komt nadat de zaak haar is voorgelegd, zijn de besluiten van de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen van toepassing.
§ 4. Indien er niet binnen vier maanden te rekenen vanaf de mededeling van een ontwerp van gezamenlijk besluit door de afwikkelingsautoriteit aan de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten, een gezamenlijk besluit wordt genomen wegens een meningsverschil met betrekking tot de hoogte van het geconsolideerde vereiste voor de af te wikkelen groep en de hoogte van de op individuele basis op de entiteiten van de af te wikkelen groep toe te passen vereiste, geldt het volgende:
1° er wordt een besluit genomen over het niveau van het op individuele basis op de dochterondernemingen van de af te wikkelen groep toe te passen vereiste overeenkomstig paragraaf 3;
2° er wordt een besluit genomen over het niveau van geconsolideerde vereiste voor de af te wikkelen groep overeenkomstig paragraaf 2.".
Art. 255. L'article 461 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 461. § 1er. Lorsqu'il n'est pas pris de décision commune conformément à l'article 460 dans un délai de quatre mois à compter de la communication par l'autorité de résolution aux autorités de résolution étrangères concernées d'un projet de décision commune en raison d'un désaccord concernant une exigence consolidée au niveau du groupe de résolution visée à l'article 267/5/3, l'autorité de résolution de l'entité de résolution prend une décision sur cette exigence après avoir dûment pris en compte :
1° l'évaluation des entités du groupe de résolution qui ne sont pas des entités de résolution, effectuée par les autorités de résolution concernées ;
2° l'avis de l'autorité de résolution au niveau du groupe, lorsque cette autorité est différente de l'autorité de résolution de l'entité de résolution.
Si, au terme du délai de quatre mois visé à l'alinéa 1er, l'une des autorités de résolution concernées a saisi l'ABE conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, l'autorité de résolution de l'entité de résolution diffère sa décision dans l'attente d'une décision de l'ABE. La décision de l'ABE tient compte des points 1° et 2° de l'alinéa 1er. L'autorité de résolution rend sa décision conformément à la décision de l'ABE.
Le délai de quatre mois visé à l'alinéa 1er est réputé constituer la période de conciliation au sens du Règlement n° 1093/2010. L'ABE rend sa décision dans un délai d'un mois. L'ABE ne peut pas être saisie après l'expiration de ce délai de quatre mois ou après l'adoption d'une décision commune. Si l'ABE ne prend pas de décision dans un délai d'un mois suivant la saisine, la décision de l'autorité de résolution de l'entité de résolution s'applique.
§ 3. Lorsqu'il n'est pas pris de décision commune dans un délai de quatre mois à compter de la communication par l'autorité de résolution aux autorités de résolution étrangères concernées d'un projet de décision commune en raison d'un désaccord concernant le niveau de l'exigence visée à l'article 267/5/4 à appliquer à une entité d'un groupe de résolution sur une base individuelle, l'autorité de résolution de cette entité prend la décision lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° les opinions et les réserves exprimées par écrit par l'autorité de résolution de l'entité de résolution ont été dûment prises en compte ; et
2° lorsque l'autorité de résolution au niveau du groupe est différente de l'autorité de résolution de l'entité de résolution, les opinions et les réserves exprimées par écrit par l'autorité de résolution au niveau du groupe ont été dûment prises en compte.
Si, endéans le délai de quatre mois visé à l'alinéa 1er, l'autorité de résolution de l'entité de résolution ou l'autorité de résolution au niveau du groupe saisit l'ABE conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, les autorités de résolution chargées des filiales sur une base individuelle diffèrent leur décision dans l'attente d'une décision de l'ABE. La décision de l'ABE tient compte de l'alinéa 1er, points 1° et 2°. Les autorités de résolution rendent leur décision conformément à la décision de l'ABE.
Le délai de quatre mois visé à l'alinéa 1er est réputé constituer le délai de conciliation au sens du Règlement n° 1093/2010. L'ABE ne peut pas être saisie après l'expiration du délai de quatre mois ou après l'adoption d'une décision commune.
L'autorité de résolution de l'entité de résolution ou l'autorité de résolution au niveau du groupe ne saisit pas l'ABE en vue d'une médiation contraignante lorsque le niveau fixé par l'autorité de résolution de la filiale :
1° se situe dans une fourchette de 2 % du montant total de l'exposition au risque, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 conformément à l'exigence visée à l'article 267/5/3 ; et
2° est conforme à l'article 267/5/1, § 6.
Si l'ABE ne prend pas de décision dans un délai d'un mois à compter de la saisine, les décisions des autorités de résolution des filiales s'appliquent.
§ 4. Lorsqu'il n'est pas pris de décision commune dans un délai de quatre mois à compter de la communication par l'autorité de résolution aux autorités de résolution étrangères concernées d'un projet de décision commune en raison d'un désaccord concernant l'exigence au niveau consolidé du groupe de résolution et le niveau de l'exigence à appliquer aux entités du groupe de résolution sur une base individuelle, les dispositions suivantes s'appliquent :
1° une décision est prise concernant le niveau de l'exigence à appliquer aux filiales du groupe de résolution sur une base individuelle conformément au paragraphe 3 ;
2° une décision est prise sur l'exigence au niveau consolidé du groupe de résolution conformément au paragraphe 2.".
"Art. 461. § 1er. Lorsqu'il n'est pas pris de décision commune conformément à l'article 460 dans un délai de quatre mois à compter de la communication par l'autorité de résolution aux autorités de résolution étrangères concernées d'un projet de décision commune en raison d'un désaccord concernant une exigence consolidée au niveau du groupe de résolution visée à l'article 267/5/3, l'autorité de résolution de l'entité de résolution prend une décision sur cette exigence après avoir dûment pris en compte :
1° l'évaluation des entités du groupe de résolution qui ne sont pas des entités de résolution, effectuée par les autorités de résolution concernées ;
2° l'avis de l'autorité de résolution au niveau du groupe, lorsque cette autorité est différente de l'autorité de résolution de l'entité de résolution.
Si, au terme du délai de quatre mois visé à l'alinéa 1er, l'une des autorités de résolution concernées a saisi l'ABE conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, l'autorité de résolution de l'entité de résolution diffère sa décision dans l'attente d'une décision de l'ABE. La décision de l'ABE tient compte des points 1° et 2° de l'alinéa 1er. L'autorité de résolution rend sa décision conformément à la décision de l'ABE.
Le délai de quatre mois visé à l'alinéa 1er est réputé constituer la période de conciliation au sens du Règlement n° 1093/2010. L'ABE rend sa décision dans un délai d'un mois. L'ABE ne peut pas être saisie après l'expiration de ce délai de quatre mois ou après l'adoption d'une décision commune. Si l'ABE ne prend pas de décision dans un délai d'un mois suivant la saisine, la décision de l'autorité de résolution de l'entité de résolution s'applique.
§ 3. Lorsqu'il n'est pas pris de décision commune dans un délai de quatre mois à compter de la communication par l'autorité de résolution aux autorités de résolution étrangères concernées d'un projet de décision commune en raison d'un désaccord concernant le niveau de l'exigence visée à l'article 267/5/4 à appliquer à une entité d'un groupe de résolution sur une base individuelle, l'autorité de résolution de cette entité prend la décision lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° les opinions et les réserves exprimées par écrit par l'autorité de résolution de l'entité de résolution ont été dûment prises en compte ; et
2° lorsque l'autorité de résolution au niveau du groupe est différente de l'autorité de résolution de l'entité de résolution, les opinions et les réserves exprimées par écrit par l'autorité de résolution au niveau du groupe ont été dûment prises en compte.
Si, endéans le délai de quatre mois visé à l'alinéa 1er, l'autorité de résolution de l'entité de résolution ou l'autorité de résolution au niveau du groupe saisit l'ABE conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, les autorités de résolution chargées des filiales sur une base individuelle diffèrent leur décision dans l'attente d'une décision de l'ABE. La décision de l'ABE tient compte de l'alinéa 1er, points 1° et 2°. Les autorités de résolution rendent leur décision conformément à la décision de l'ABE.
Le délai de quatre mois visé à l'alinéa 1er est réputé constituer le délai de conciliation au sens du Règlement n° 1093/2010. L'ABE ne peut pas être saisie après l'expiration du délai de quatre mois ou après l'adoption d'une décision commune.
L'autorité de résolution de l'entité de résolution ou l'autorité de résolution au niveau du groupe ne saisit pas l'ABE en vue d'une médiation contraignante lorsque le niveau fixé par l'autorité de résolution de la filiale :
1° se situe dans une fourchette de 2 % du montant total de l'exposition au risque, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 conformément à l'exigence visée à l'article 267/5/3 ; et
2° est conforme à l'article 267/5/1, § 6.
Si l'ABE ne prend pas de décision dans un délai d'un mois à compter de la saisine, les décisions des autorités de résolution des filiales s'appliquent.
§ 4. Lorsqu'il n'est pas pris de décision commune dans un délai de quatre mois à compter de la communication par l'autorité de résolution aux autorités de résolution étrangères concernées d'un projet de décision commune en raison d'un désaccord concernant l'exigence au niveau consolidé du groupe de résolution et le niveau de l'exigence à appliquer aux entités du groupe de résolution sur une base individuelle, les dispositions suivantes s'appliquent :
1° une décision est prise concernant le niveau de l'exigence à appliquer aux filiales du groupe de résolution sur une base individuelle conformément au paragraphe 3 ;
2° une décision est prise sur l'exigence au niveau consolidé du groupe de résolution conformément au paragraphe 2.".
Art. 256. Artikel 462 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, wordt als volgt vervangen:
"Art. 462. § 1. Het in artikel 460, § 1 bedoelde gezamenlijke besluit en alle in artikel 461, § 2, § 3 en § 4 bedoelde besluiten die de afwikkelingsautoriteiten bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit hebben genomen, zijn bindend voor de betrokken afwikkelingsautoriteiten.
Het gezamenlijke besluit en alle besluiten die bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit zijn genomen, worden regelmatig geëvalueerd en indien nodig geactualiseerd.
§ 2. In afstemming met de bevoegde autoriteiten verlangen de afwikkelingsautoriteiten dat, en verifiëren ze of, de entiteiten voldoen aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste en nemen ze elk besluit op grond van dit artikel parallel met het opstellen en bijhouden van afwikkelingsplannen.".
"Art. 462. § 1. Het in artikel 460, § 1 bedoelde gezamenlijke besluit en alle in artikel 461, § 2, § 3 en § 4 bedoelde besluiten die de afwikkelingsautoriteiten bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit hebben genomen, zijn bindend voor de betrokken afwikkelingsautoriteiten.
Het gezamenlijke besluit en alle besluiten die bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit zijn genomen, worden regelmatig geëvalueerd en indien nodig geactualiseerd.
§ 2. In afstemming met de bevoegde autoriteiten verlangen de afwikkelingsautoriteiten dat, en verifiëren ze of, de entiteiten voldoen aan het in artikel 267/3 bedoelde vereiste en nemen ze elk besluit op grond van dit artikel parallel met het opstellen en bijhouden van afwikkelingsplannen.".
Art. 256. L'article 462 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 462. § 1er. La décision commune visée à l'article 460, § 1er, et toute décision visée à l'article 461, § 2, § 3 et § 4, prise en l'absence de décision commune par les autorités de résolution, lie les autorités de résolution concernées.
La décision commune et toute décision prise en l'absence de décision commune sont régulièrement réexaminées et, le cas échéant, actualisées.
§ 2. Les autorités de résolution, en coordination avec les autorités compétentes, exigent et vérifient que les entités respectent l'exigence visée à l'article 267/3, et prennent toute décision en application du présent article parallèlement à l'élaboration et à l'actualisation des plans de résolution.".
"Art. 462. § 1er. La décision commune visée à l'article 460, § 1er, et toute décision visée à l'article 461, § 2, § 3 et § 4, prise en l'absence de décision commune par les autorités de résolution, lie les autorités de résolution concernées.
La décision commune et toute décision prise en l'absence de décision commune sont régulièrement réexaminées et, le cas échéant, actualisées.
§ 2. Les autorités de résolution, en coordination avec les autorités compétentes, exigent et vérifient que les entités respectent l'exigence visée à l'article 267/3, et prennent toute décision en application du présent article parallèlement à l'élaboration et à l'actualisation des plans de résolution.".
Art. 257. In artikel 468 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015 en bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid van paragraaf 1 wordt als volgt vervangen:
"Onverminderd artikel 470 richt de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, afwikkelingscolleges op om de taken bedoeld in de artikelen 439, 449, 450, 459 tot en met 462, en in Afdeling IV van dit Hoofdstuk uit te voeren en om, in voorkomend geval, de samenwerking en coördinatie met afwikkelingsautoriteiten van derde landen te verzekeren.";
2° in paragraaf 2 wordt het bepaalde onder 9° als volgt vervangen:
"9° vaststellen van de minimumvereisten voor groepen op geconsolideerd en subsidiair niveau overeenkomstig de artikelen 459 en 460.".
1° het eerste lid van paragraaf 1 wordt als volgt vervangen:
"Onverminderd artikel 470 richt de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, afwikkelingscolleges op om de taken bedoeld in de artikelen 439, 449, 450, 459 tot en met 462, en in Afdeling IV van dit Hoofdstuk uit te voeren en om, in voorkomend geval, de samenwerking en coördinatie met afwikkelingsautoriteiten van derde landen te verzekeren.";
2° in paragraaf 2 wordt het bepaalde onder 9° als volgt vervangen:
"9° vaststellen van de minimumvereisten voor groepen op geconsolideerd en subsidiair niveau overeenkomstig de artikelen 459 en 460.".
Art. 257. A l'article 468 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015 et confirmé par la loi du 27 juin 2016, modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er du paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
"Sans préjudice de l'article 470, l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, instaure des collèges d'autorités de résolution afin d'effectuer les tâches visées aux articles 439, 449, 450, 459 à 462, et à la section IV du présent chapitre et, le cas échéant, d'assurer la coopération et la coordination avec les autorités de résolution de pays tiers." ;
2° dans le paragraphe 2, le 9° est remplacé par ce qui suit :
"9° établir les exigences minimales imposées aux groupes au niveau consolidé et au niveau des filiales, conformément aux articles 459 et 460.".
1° l'alinéa 1er du paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
"Sans préjudice de l'article 470, l'autorité de résolution, en sa qualité d'autorité de résolution au niveau du groupe, instaure des collèges d'autorités de résolution afin d'effectuer les tâches visées aux articles 439, 449, 450, 459 à 462, et à la section IV du présent chapitre et, le cas échéant, d'assurer la coopération et la coordination avec les autorités de résolution de pays tiers." ;
2° dans le paragraphe 2, le 9° est remplacé par ce qui suit :
"9° établir les exigences minimales imposées aux groupes au niveau consolidé et au niveau des filiales, conformément aux articles 459 et 460.".
Art. 258. Artikel 470 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 december 2015, bekrachtigd bij de wet van 27 juni 2016 en gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, wordt als volgt vervangen:
"Art. 470. § 1. Indien een kredietinstelling die onder het recht van een derde land ressorteert of een moederonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, dochterondernemingen of EER-moederondernemingen heeft in België en in een of meer andere lidstaten of twee of meer bijkantoren heeft die in het licht van de beoordelingscriteria van artikel 51, lid 1, tweede alinea van Richtlijn 2013/36//EU als significant worden aangemerkt door België en door een of meer andere lidstaten, richt de afwikkelingsautoriteit samen met de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten één enkel Europees afwikkelingscollege op.
§ 2. Het Europees afwikkelingscollege voert met betrekking tot de entiteiten bedoeld in paragraaf 1 en hun bijkantoren, indien relevant voor hen, de taken uit als bedoeld in artikel 468, § 2. Tenzij hierna anders bepaald, functioneert het Europees afwikkelingscollege zoals beschreven in artikel 468.
Een van de taken bedoeld in het voorgaande lid is het vaststellen van de in de artikelen 459 en 460 bedoelde vereisten.
Bij het vaststellen van het in de artikelen 459 en 460 bedoelde vereisten houden de leden van het Europees afwikkelingscollege, in voorkomend geval, rekening met de mondiale afwikkelingsstrategie die door de autoriteiten van derde landen is goedgekeurd.
Indien in de EER gevestigde dochterondernemingen of een EER-moederonderneming en haar dochterinstellingen volgens de mondiale afwikkelingsstrategie geen af te wikkelen entiteiten zijn en de leden van het Europees afwikkelingscollege het eens zijn met die strategie, voldoen in de EER gevestigde dochterondernemingen of, op geconsolideerde basis, de EER-moederonderneming aan het vereiste van artikel 267/5/4, § 1, door de in artikel 267/5/4, § 2, 1° en 2°, bedoelde instrumenten uit te geven aan hun uiteindelijke in een derde land gevestigde moederonderneming of aan de in datzelfde derde land gevestigde dochterondernemingen van die uiteindelijke moederonderneming of aan andere entiteiten overeenkomstig de voorwaarden van artikel 267/5/4, § 2, 1°, onder a), en 2°, onder b).
§ 3. Indien slechts één EER-moederonderneming alle EER-dochterondernemingen van een kredietinstelling van een derde land of moederonderneming van een derde land bezit, wordt het Europees afwikkelingscollege voorgezeten door de afwikkelingsautoriteit van de lidstaat waar de EER-moederonderneming is gevestigd.
Indien het voorgaande lid niet van toepassing is, wordt het Europees afwikkelingscollege voorgezeten door de afwikkelingsautoriteit van een EER-moederonderneming of een EER-dochteronderneming met het hoogste totaalbedrag aan in haar balans opgenomen activa.
§ 4. Na onderlinge overeenstemming tussen alle betrokken partijen zijn de afwikkelingsautoriteiten niet verplicht een Europees afwikkelingscollege op te richten indien een andere groep of een ander college dezelfde functies vervult en dezelfde taken uitvoert als die welke in dit artikel zijn vermeld en alle in dit artikel en artikel 471 vastgelegde voorwaarden en procedures, met inbegrip van die inzake het lidmaatschap van en de deelname aan Europese afwikkelingscolleges, in acht neemt. In een dergelijk geval worden alle in deze wet voorkomende verwijzingen naar Europese afwikkelingscolleges tevens beschouwd als verwijzingen naar deze andere groepen of colleges.
§ 5. Onder voorbehoud van de paragrafen 3 en 4 functioneert het Europees afwikkelingscollege voor het overige overeenkomstig artikel 468.".
"Art. 470. § 1. Indien een kredietinstelling die onder het recht van een derde land ressorteert of een moederonderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, dochterondernemingen of EER-moederondernemingen heeft in België en in een of meer andere lidstaten of twee of meer bijkantoren heeft die in het licht van de beoordelingscriteria van artikel 51, lid 1, tweede alinea van Richtlijn 2013/36//EU als significant worden aangemerkt door België en door een of meer andere lidstaten, richt de afwikkelingsautoriteit samen met de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten één enkel Europees afwikkelingscollege op.
§ 2. Het Europees afwikkelingscollege voert met betrekking tot de entiteiten bedoeld in paragraaf 1 en hun bijkantoren, indien relevant voor hen, de taken uit als bedoeld in artikel 468, § 2. Tenzij hierna anders bepaald, functioneert het Europees afwikkelingscollege zoals beschreven in artikel 468.
Een van de taken bedoeld in het voorgaande lid is het vaststellen van de in de artikelen 459 en 460 bedoelde vereisten.
Bij het vaststellen van het in de artikelen 459 en 460 bedoelde vereisten houden de leden van het Europees afwikkelingscollege, in voorkomend geval, rekening met de mondiale afwikkelingsstrategie die door de autoriteiten van derde landen is goedgekeurd.
Indien in de EER gevestigde dochterondernemingen of een EER-moederonderneming en haar dochterinstellingen volgens de mondiale afwikkelingsstrategie geen af te wikkelen entiteiten zijn en de leden van het Europees afwikkelingscollege het eens zijn met die strategie, voldoen in de EER gevestigde dochterondernemingen of, op geconsolideerde basis, de EER-moederonderneming aan het vereiste van artikel 267/5/4, § 1, door de in artikel 267/5/4, § 2, 1° en 2°, bedoelde instrumenten uit te geven aan hun uiteindelijke in een derde land gevestigde moederonderneming of aan de in datzelfde derde land gevestigde dochterondernemingen van die uiteindelijke moederonderneming of aan andere entiteiten overeenkomstig de voorwaarden van artikel 267/5/4, § 2, 1°, onder a), en 2°, onder b).
§ 3. Indien slechts één EER-moederonderneming alle EER-dochterondernemingen van een kredietinstelling van een derde land of moederonderneming van een derde land bezit, wordt het Europees afwikkelingscollege voorgezeten door de afwikkelingsautoriteit van de lidstaat waar de EER-moederonderneming is gevestigd.
Indien het voorgaande lid niet van toepassing is, wordt het Europees afwikkelingscollege voorgezeten door de afwikkelingsautoriteit van een EER-moederonderneming of een EER-dochteronderneming met het hoogste totaalbedrag aan in haar balans opgenomen activa.
§ 4. Na onderlinge overeenstemming tussen alle betrokken partijen zijn de afwikkelingsautoriteiten niet verplicht een Europees afwikkelingscollege op te richten indien een andere groep of een ander college dezelfde functies vervult en dezelfde taken uitvoert als die welke in dit artikel zijn vermeld en alle in dit artikel en artikel 471 vastgelegde voorwaarden en procedures, met inbegrip van die inzake het lidmaatschap van en de deelname aan Europese afwikkelingscolleges, in acht neemt. In een dergelijk geval worden alle in deze wet voorkomende verwijzingen naar Europese afwikkelingscolleges tevens beschouwd als verwijzingen naar deze andere groepen of colleges.
§ 5. Onder voorbehoud van de paragrafen 3 en 4 functioneert het Europees afwikkelingscollege voor het overige overeenkomstig artikel 468.".
Art. 258. L'article 470 de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 26 décembre 2015, confirmé par la loi du 27 juin 2016 et modifié par la loi du 25 octobre 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 470. § 1er. Lorsqu'un établissement de crédit relevant du droit d'un pays tiers ou une entreprise mère relevant du droit d'un pays tiers compte des filiales ou des entreprises mères dans l'EEE établies en Belgique et dans un ou plusieurs autres Etats membres ou deux succursales ou plus considérées, au regard des critères d'appréciation prévus à l'article 51, paragraphe 1er, alinéa 2 de la Directive 2013/36/UE, comme d'importance significative par la Belgique et par un ou plusieurs autres Etats membres, l'autorité de résolution instaure un collège d'autorités de résolution européennes unique avec les autorités de résolution étrangères concernées.
§ 2. Le collège d'autorités de résolution européennes accomplit les missions visées à l'article 468, § 2, à l'égard des entités visées au paragraphe 1er et, dans la mesure où ces missions sont pertinentes pour elles, à l'égard des succursales. Sauf stipulations contraires, le collège d'autorités de résolution européennes fonctionne conformément à l'article 468.
Les missions visées à l'alinéa précédent comprennent la détermination du niveau de l'exigence visée aux articles 459 et 460.
Lorsqu'ils déterminent le niveau de l'exigence visée aux articles 459 et 460, les membres du collège d'autorités de résolution européennes tiennent compte de la stratégie de résolution globale éventuellement adoptée par les autorités des pays tiers.
Lorsque, conformément à la stratégie de résolution globale, les filiales établies dans l'EEE ou une entreprise mère dans l'EEE et ses établissements filiales ne sont pas des entités de résolution et que les membres du collège d'autorités de résolution européennes acceptent cette stratégie, les filiales établies dans l'EEE ou, sur une base consolidée, l'entreprise mère dans l'EEE se conforment à l'exigence visée à l'article 267/5/4, § 1er, en émettant des instruments visés à l'article 267/5/4, § 2, 1° et 2°, en faveur de leur entreprise mère ultime établie dans un pays tiers, ou les filiales de l'entreprise mère ultime établies dans le même pays tiers ou d'autres entités conformément aux conditions énoncées à l'article 267/5/4, § 2, 1°, sous a) et 2°, sous b).
§ 3. Lorsqu'une seule entreprise mère dans l'EEE détient toutes les filiales de l'EEE d'un établissement de pays tiers ou d'une entreprise mère d'un pays tiers, le collège d'autorités de résolution européennes est présidé par l'autorité de résolution de l'Etat membre où cette entreprise mère dans l'EEE est établie.
Lorsque l'alinéa précédent ne s'applique pas, l'autorité de résolution de l'entreprise mère dans l'EEE ou de la filiale de l'EEE dont le total des actifs inscrits au bilan a la valeur la plus élevée préside le collège d'autorités de résolution européennes.
§ 4. Par accord mutuel de toutes les autorités concernées, les autorités de résolution ne sont pas tenues d'instaurer un collège d'autorités de résolution européennes si un autres groupe ou collège assume les mêmes fonctions et effectue les mêmes tâches que celles visées au présent article et respecte toutes les conditions et procédures établies au présent article et à l'article 471, y compris celles couvrant la qualité de membre et la participation à des collèges d'autorités de résolution européennes. Dans ce cas, toutes les références aux collèges d'autorités de résolution européennes, figurant dans la présente loi s'entendent également comme des références à ces autres groupes ou collèges.
§ 5. Sous réserve des paragraphes 3 et 4, les collèges d'autorités de résolution européennes fonctionnent par ailleurs conformément à l'article 468.".
"Art. 470. § 1er. Lorsqu'un établissement de crédit relevant du droit d'un pays tiers ou une entreprise mère relevant du droit d'un pays tiers compte des filiales ou des entreprises mères dans l'EEE établies en Belgique et dans un ou plusieurs autres Etats membres ou deux succursales ou plus considérées, au regard des critères d'appréciation prévus à l'article 51, paragraphe 1er, alinéa 2 de la Directive 2013/36/UE, comme d'importance significative par la Belgique et par un ou plusieurs autres Etats membres, l'autorité de résolution instaure un collège d'autorités de résolution européennes unique avec les autorités de résolution étrangères concernées.
§ 2. Le collège d'autorités de résolution européennes accomplit les missions visées à l'article 468, § 2, à l'égard des entités visées au paragraphe 1er et, dans la mesure où ces missions sont pertinentes pour elles, à l'égard des succursales. Sauf stipulations contraires, le collège d'autorités de résolution européennes fonctionne conformément à l'article 468.
Les missions visées à l'alinéa précédent comprennent la détermination du niveau de l'exigence visée aux articles 459 et 460.
Lorsqu'ils déterminent le niveau de l'exigence visée aux articles 459 et 460, les membres du collège d'autorités de résolution européennes tiennent compte de la stratégie de résolution globale éventuellement adoptée par les autorités des pays tiers.
Lorsque, conformément à la stratégie de résolution globale, les filiales établies dans l'EEE ou une entreprise mère dans l'EEE et ses établissements filiales ne sont pas des entités de résolution et que les membres du collège d'autorités de résolution européennes acceptent cette stratégie, les filiales établies dans l'EEE ou, sur une base consolidée, l'entreprise mère dans l'EEE se conforment à l'exigence visée à l'article 267/5/4, § 1er, en émettant des instruments visés à l'article 267/5/4, § 2, 1° et 2°, en faveur de leur entreprise mère ultime établie dans un pays tiers, ou les filiales de l'entreprise mère ultime établies dans le même pays tiers ou d'autres entités conformément aux conditions énoncées à l'article 267/5/4, § 2, 1°, sous a) et 2°, sous b).
§ 3. Lorsqu'une seule entreprise mère dans l'EEE détient toutes les filiales de l'EEE d'un établissement de pays tiers ou d'une entreprise mère d'un pays tiers, le collège d'autorités de résolution européennes est présidé par l'autorité de résolution de l'Etat membre où cette entreprise mère dans l'EEE est établie.
Lorsque l'alinéa précédent ne s'applique pas, l'autorité de résolution de l'entreprise mère dans l'EEE ou de la filiale de l'EEE dont le total des actifs inscrits au bilan a la valeur la plus élevée préside le collège d'autorités de résolution européennes.
§ 4. Par accord mutuel de toutes les autorités concernées, les autorités de résolution ne sont pas tenues d'instaurer un collège d'autorités de résolution européennes si un autres groupe ou collège assume les mêmes fonctions et effectue les mêmes tâches que celles visées au présent article et respecte toutes les conditions et procédures établies au présent article et à l'article 471, y compris celles couvrant la qualité de membre et la participation à des collèges d'autorités de résolution européennes. Dans ce cas, toutes les références aux collèges d'autorités de résolution européennes, figurant dans la présente loi s'entendent également comme des références à ces autres groupes ou collèges.
§ 5. Sous réserve des paragraphes 3 et 4, les collèges d'autorités de résolution européennes fonctionnent par ailleurs conformément à l'article 468.".
Art. 259. In artikel 533, § 2, eerste lid van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, worden de bepalingen onder 2°, en 3° vervangen als volgt:
"2° kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;
3° kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° die onder het recht van een derde land ressorteert;".
"2° kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert;
3° kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° die onder het recht van een derde land ressorteert;".
Art. 259. Dans l'article 533, § 2, alinéa 1er de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 21 novembre 2017, les 2°, et 3° sont remplacés par ce qui suit :
"2° d'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° relevant du droit d'un Etat membre ;
3° d'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° relevant du droit d'un pays tiers ;".
"2° d'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° relevant du droit d'un Etat membre ;
3° d'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° relevant du droit d'un pays tiers ;".
Art. 260. Artikel 576 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 oktober 2016, wordt vervangen als volgt:
"Art. 576. In afwijking van de artikelen 573 tot 575, wordt het toezicht op geconsolideerde basis op een beursvennootschap naar Belgisch recht, als bedoeld in die artikelen, uitgeoefend als volgt:
1° indien haar moederonderneming een Belgische moederkredietinstelling of een Belgische EER-moederkredietinstelling is, door de toezichthouder;
2° indien haar moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat en/of een EER-moederkredietinstelling is, door de bevoegde autoriteit van de moederkredietinstelling in die lidstaat en, in voorkomend geval, door de bevoegde autoriteit van de EER-moederkredietinstelling;
3° indien zij een Belgische moederbeleggingsonderneming is, die geen dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de Bank;
4° indien zij een Belgische moederbeleggingsonderneming is, die één dochterkredietinstelling heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van die kredietinstelling;
5° indien zij een Belgische moederbeleggingsonderneming is, die verschillende dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal;
6° indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die één dochterkredietinstelling heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van die kredietinstelling;
7° indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die verschillende dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal;
8° indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die geen dochterkredietinstellingen heeft in de EER en geen andere dochterbeursvennootschappen heeft in de EER, door de Bank;
9° indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die geen dochterkredietinstellingen heeft in de EER en verschillende dochterbeursvennootschappen heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van de beursvennootschap met het hoogste balanstotaal.
De punten 1° en 2°, zijn cumulatief van toepassing wanneer voldaan is aan de respectieve voorwaarden voor de toepassing ervan.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1, 1°, 2°, 6, 7°, 8° en 9°, wanneer de Belgische beursvennootschap op grond van artikel 18, leden 3 en 6 van Verordening nr. 575/2013 onder een toezicht op geconsolideerde basis valt, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend:
1° door de Bank indien de groep geen andere kredietinstellingen in de EER en geen andere beursvennootschappen in de EER omvat;
2° door de bevoegde autoriteit van de beursvennootschap met het hoogste balanstotaal indien de groep geen kredietinstellingen in de EER omvat en verschillende beursvennootschappen in de EER omvat.
3° door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling indien de groep één kredietinstelling in de EER omvat.
4° door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal indien de groep verschillende kredietinstellingen in de EER omvat.
§ 3. Indien een bevoegde autoriteit op individuele basis toezicht houdt op meer dan één kredietinstelling binnen een groep, is, in afwijking van paragraaf 1, 5° en 7°, en paragraaf 2, de consoliderende toezichthouder de bevoegde autoriteit die op individuele basis toezicht houdt op een of meer kredietinstellingen binnen de groep, indien de som van de balanstotalen van die kredietinstellingen hoger is dan die van de kredietinstellingen waarop op individuele basis door een andere bevoegde autoriteit toezicht wordt uitgeoefend.
§ 4. In bijzondere gevallen kunnen de toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten onderling overeenkomen, met het oog op een efficiënte organisatie van het toezicht op geconsolideerde basis, af te zien van de criteria in de paragrafen 1 en 2 en een andere bevoegde autoriteit aanstellen om het toezicht op geconsolideerde basis uit te oefenen indien de toepassing van die criteria niet passend zou zijn, rekening houdend met de betrokken kredietinstellingen en beursvennootschappen en de relatieve belangrijkheid van hun activiteiten in de verschillende lidstaten.
In dergelijke gevallen heeft de EER-moederkredietinstelling, de betrokken financiële EER-holding of gemengde financiële EER-holding, de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal of de beursvennootschap met het hoogste balanstotaal, naargelang het geval, het recht te worden gehoord voordat de bevoegde autoriteiten de beslissing nemen.
Voor de toepassing van het eerste lid sluit de toezichthouder met de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomsten, in voorkomend geval overeenkomstig het bepaalde bij artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
Indien de toezichthouder met toepassing van deze paragraaf overeenkomsten heeft gesloten, brengt hij de Europese Commissie en de EBA daar onverwijld van op de hoogte.
Wanneer de toezichthouder belast wordt met het toezicht op geconsolideerde basis brengt hij de betrokken financiële holdings of gemengde financiële holdings of de kredietinstelling of de beursvennootschap met het hoogste balanstotaal van de groep hiervan op de hoogte.
Deze paragraaf is niet van toepassing in de in paragraaf 1, 8° bedoelde gevallen.".
"Art. 576. In afwijking van de artikelen 573 tot 575, wordt het toezicht op geconsolideerde basis op een beursvennootschap naar Belgisch recht, als bedoeld in die artikelen, uitgeoefend als volgt:
1° indien haar moederonderneming een Belgische moederkredietinstelling of een Belgische EER-moederkredietinstelling is, door de toezichthouder;
2° indien haar moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat en/of een EER-moederkredietinstelling is, door de bevoegde autoriteit van de moederkredietinstelling in die lidstaat en, in voorkomend geval, door de bevoegde autoriteit van de EER-moederkredietinstelling;
3° indien zij een Belgische moederbeleggingsonderneming is, die geen dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de Bank;
4° indien zij een Belgische moederbeleggingsonderneming is, die één dochterkredietinstelling heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van die kredietinstelling;
5° indien zij een Belgische moederbeleggingsonderneming is, die verschillende dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal;
6° indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die één dochterkredietinstelling heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van die kredietinstelling;
7° indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die verschillende dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal;
8° indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die geen dochterkredietinstellingen heeft in de EER en geen andere dochterbeursvennootschappen heeft in de EER, door de Bank;
9° indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die geen dochterkredietinstellingen heeft in de EER en verschillende dochterbeursvennootschappen heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van de beursvennootschap met het hoogste balanstotaal.
De punten 1° en 2°, zijn cumulatief van toepassing wanneer voldaan is aan de respectieve voorwaarden voor de toepassing ervan.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1, 1°, 2°, 6, 7°, 8° en 9°, wanneer de Belgische beursvennootschap op grond van artikel 18, leden 3 en 6 van Verordening nr. 575/2013 onder een toezicht op geconsolideerde basis valt, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend:
1° door de Bank indien de groep geen andere kredietinstellingen in de EER en geen andere beursvennootschappen in de EER omvat;
2° door de bevoegde autoriteit van de beursvennootschap met het hoogste balanstotaal indien de groep geen kredietinstellingen in de EER omvat en verschillende beursvennootschappen in de EER omvat.
3° door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling indien de groep één kredietinstelling in de EER omvat.
4° door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal indien de groep verschillende kredietinstellingen in de EER omvat.
§ 3. Indien een bevoegde autoriteit op individuele basis toezicht houdt op meer dan één kredietinstelling binnen een groep, is, in afwijking van paragraaf 1, 5° en 7°, en paragraaf 2, de consoliderende toezichthouder de bevoegde autoriteit die op individuele basis toezicht houdt op een of meer kredietinstellingen binnen de groep, indien de som van de balanstotalen van die kredietinstellingen hoger is dan die van de kredietinstellingen waarop op individuele basis door een andere bevoegde autoriteit toezicht wordt uitgeoefend.
§ 4. In bijzondere gevallen kunnen de toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten onderling overeenkomen, met het oog op een efficiënte organisatie van het toezicht op geconsolideerde basis, af te zien van de criteria in de paragrafen 1 en 2 en een andere bevoegde autoriteit aanstellen om het toezicht op geconsolideerde basis uit te oefenen indien de toepassing van die criteria niet passend zou zijn, rekening houdend met de betrokken kredietinstellingen en beursvennootschappen en de relatieve belangrijkheid van hun activiteiten in de verschillende lidstaten.
In dergelijke gevallen heeft de EER-moederkredietinstelling, de betrokken financiële EER-holding of gemengde financiële EER-holding, de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal of de beursvennootschap met het hoogste balanstotaal, naargelang het geval, het recht te worden gehoord voordat de bevoegde autoriteiten de beslissing nemen.
Voor de toepassing van het eerste lid sluit de toezichthouder met de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomsten, in voorkomend geval overeenkomstig het bepaalde bij artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
Indien de toezichthouder met toepassing van deze paragraaf overeenkomsten heeft gesloten, brengt hij de Europese Commissie en de EBA daar onverwijld van op de hoogte.
Wanneer de toezichthouder belast wordt met het toezicht op geconsolideerde basis brengt hij de betrokken financiële holdings of gemengde financiële holdings of de kredietinstelling of de beursvennootschap met het hoogste balanstotaal van de groep hiervan op de hoogte.
Deze paragraaf is niet van toepassing in de in paragraaf 1, 8° bedoelde gevallen.".
Art. 260. L'article 576 de la même loi, inséré par la loi du 25 octobre 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 576. § 1er. Par dérogation aux articles 573 à 575, le contrôle sur base consolidée d'une société de bourse de droit belge, telle que visée dans ces articles, est exercé comme suit :
1° si son entreprise mère est un établissement de crédit mère belge ou un établissement de crédit mère belge dans l'EEE, par l'autorité de contrôle ;
2° si son entreprise mère est un établissement de crédit mère dans un Etat membre et/ou un établissement de crédit mère dans l'EEE, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit mère dans l'Etat membre et, le cas échéant, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit mère dans l'EEE ;
3° s'il s'agit d'une entreprise d'investissement mère belge, ne détenant pas d'établissement de crédit filiale dans l'EEE, par la Banque ;
4° s'il s'agit d'une entreprise d'investissement mère belge, détenant un seul établissement de crédit filiale dans l'EEE, par l'autorité compétente de cet établissement de crédit ;
5° s'il s'agit d'une entreprise d'investissement mère belge, détenant plusieurs établissements de crédit filiales dans l'EEE, par l'autorité de contrôle compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé ;
6° si son entreprise mère est une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mère dans l'EEE ou encore une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, détenant un seul établissement de crédit filiale dans l'EEE, par l'autorité compétente de cet établissement de crédit ;
7° si son entreprise mère est une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mère dans l'EEE ou encore une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, détenant plusieurs établissements de crédit filiales dans l'EEE, par l'autorité de contrôle compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé ;
8° si son entreprise mère est une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mère dans l'EEE ou encore une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, ne détenant pas d'établissement de crédit filiale dans l'EEE et ne détenant pas d'autres sociétés de bourse filiales dans l'EEE, par la Banque ;
9° si son entreprise mère est une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mère dans l'EEE ou encore une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, ne détenant pas d'établissement de crédit filiale dans l'EEE et détenant plusieurs sociétés de bourse filiales dans l'EEE, par l'autorité compétente de la société de bourse dont le total bilantaire est le plus élevée.
Les points 1° et 2° sont d'application cumulative lorsque leurs conditions d'application respectives sont rencontrées.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, 1°, 2°, 6°, 7°, 8° et 9°, lorsque la société de bourse belge relève d'un contrôle sur base consolidée en vertu de l'article 18, paragraphes 3 et 6 du Règlement n° 575/2013, le contrôle sur base consolidée est exercé :
1° par la Banque si le groupe ne comprend pas d'établissement de crédit dans l'EEE et pas d'autres sociétés de bourse dans l'EEE ;
2° par l'autorité compétente de la société de bourse dont le total bilantaire est le plus élevé si le groupe ne comprend pas d'établissement de crédit dans l'EEE et comprend plusieurs sociétés de bourse dans l'EEE ;
3° par l'autorité compétente de l'établissement de crédit si le groupe comprend un établissement de crédit dans l'EEE ;
4° par l'autorité compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé si le groupe comprend plusieurs établissements de crédit dans l'EEE.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er, 5° et 7° et au paragraphe 2, lorsqu'une autorité compétente assure le contrôle sur base individuelle de plus d'un établissement de crédit au sein d'un groupe, l'autorité de surveillance sur base consolidée est l'autorité compétente assurant le contrôle sur base individuelle d'un ou de plusieurs établissements de crédit au sein du groupe lorsque la somme du total des bilans des établissements de crédit est supérieure à celle des établissements de crédit contrôlés sur base individuelle par toute autre autorité compétente.
§ 4. Dans des cas particuliers, l'autorité de contrôle et les autorités compétentes concernées peuvent, d'un commun accord, en vue d'une organisation efficace de la surveillance sur base consolidée, déroger aux critères définis aux paragraphes 1er et 2 et charger une autre autorité compétente d'exercer la surveillance sur base consolidée lorsque l'application de ces critères serait inappropriée eu égard aux établissements de crédit et sociétés de bourse concernées et à l'importance relative de leurs activités dans les différents Etats membres.
Dans ces cas, l'établissement de crédit mère dans l'EEE, la compagnie financière dans l'EEE ou la compagnie financière mixte dans l'EEE concernée ou l'établissement de crédit ou la société de bourse dont le total bilantaire est le plus élevé, le cas échéant, dispose d'un droit d'être entendu avant que les autorités compétentes concernées ne prennent cette décision.
Pour l'application de l'alinéa 1er, l'autorité de contrôle conclut des accords avec les autorités compétentes concernées, le cas échéant conformément aux dispositions de l'article 36/16, § 2, de la loi du 22 février 1998.
L'autorité de contrôle notifie sans délai à la Commission européenne et à l'ABE tout accord conclu en application du présent paragraphe.
Lorsque l'autorité de contrôle est chargée du contrôle sur base consolidée, elle en informe les compagnies financières ou compagnies financières mixtes concernées ou l'établissement de crédit ou la société de bourse dont le total bilantaire est le plus élevé.
Le présent paragraphe n'est pas applicable dans les situations visées au paragraphe 1er, 8°. ".
"Art. 576. § 1er. Par dérogation aux articles 573 à 575, le contrôle sur base consolidée d'une société de bourse de droit belge, telle que visée dans ces articles, est exercé comme suit :
1° si son entreprise mère est un établissement de crédit mère belge ou un établissement de crédit mère belge dans l'EEE, par l'autorité de contrôle ;
2° si son entreprise mère est un établissement de crédit mère dans un Etat membre et/ou un établissement de crédit mère dans l'EEE, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit mère dans l'Etat membre et, le cas échéant, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit mère dans l'EEE ;
3° s'il s'agit d'une entreprise d'investissement mère belge, ne détenant pas d'établissement de crédit filiale dans l'EEE, par la Banque ;
4° s'il s'agit d'une entreprise d'investissement mère belge, détenant un seul établissement de crédit filiale dans l'EEE, par l'autorité compétente de cet établissement de crédit ;
5° s'il s'agit d'une entreprise d'investissement mère belge, détenant plusieurs établissements de crédit filiales dans l'EEE, par l'autorité de contrôle compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé ;
6° si son entreprise mère est une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mère dans l'EEE ou encore une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, détenant un seul établissement de crédit filiale dans l'EEE, par l'autorité compétente de cet établissement de crédit ;
7° si son entreprise mère est une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mère dans l'EEE ou encore une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, détenant plusieurs établissements de crédit filiales dans l'EEE, par l'autorité de contrôle compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé ;
8° si son entreprise mère est une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mère dans l'EEE ou encore une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, ne détenant pas d'établissement de crédit filiale dans l'EEE et ne détenant pas d'autres sociétés de bourse filiales dans l'EEE, par la Banque ;
9° si son entreprise mère est une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mère dans l'EEE ou encore une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, ne détenant pas d'établissement de crédit filiale dans l'EEE et détenant plusieurs sociétés de bourse filiales dans l'EEE, par l'autorité compétente de la société de bourse dont le total bilantaire est le plus élevée.
Les points 1° et 2° sont d'application cumulative lorsque leurs conditions d'application respectives sont rencontrées.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, 1°, 2°, 6°, 7°, 8° et 9°, lorsque la société de bourse belge relève d'un contrôle sur base consolidée en vertu de l'article 18, paragraphes 3 et 6 du Règlement n° 575/2013, le contrôle sur base consolidée est exercé :
1° par la Banque si le groupe ne comprend pas d'établissement de crédit dans l'EEE et pas d'autres sociétés de bourse dans l'EEE ;
2° par l'autorité compétente de la société de bourse dont le total bilantaire est le plus élevé si le groupe ne comprend pas d'établissement de crédit dans l'EEE et comprend plusieurs sociétés de bourse dans l'EEE ;
3° par l'autorité compétente de l'établissement de crédit si le groupe comprend un établissement de crédit dans l'EEE ;
4° par l'autorité compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé si le groupe comprend plusieurs établissements de crédit dans l'EEE.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er, 5° et 7° et au paragraphe 2, lorsqu'une autorité compétente assure le contrôle sur base individuelle de plus d'un établissement de crédit au sein d'un groupe, l'autorité de surveillance sur base consolidée est l'autorité compétente assurant le contrôle sur base individuelle d'un ou de plusieurs établissements de crédit au sein du groupe lorsque la somme du total des bilans des établissements de crédit est supérieure à celle des établissements de crédit contrôlés sur base individuelle par toute autre autorité compétente.
§ 4. Dans des cas particuliers, l'autorité de contrôle et les autorités compétentes concernées peuvent, d'un commun accord, en vue d'une organisation efficace de la surveillance sur base consolidée, déroger aux critères définis aux paragraphes 1er et 2 et charger une autre autorité compétente d'exercer la surveillance sur base consolidée lorsque l'application de ces critères serait inappropriée eu égard aux établissements de crédit et sociétés de bourse concernées et à l'importance relative de leurs activités dans les différents Etats membres.
Dans ces cas, l'établissement de crédit mère dans l'EEE, la compagnie financière dans l'EEE ou la compagnie financière mixte dans l'EEE concernée ou l'établissement de crédit ou la société de bourse dont le total bilantaire est le plus élevé, le cas échéant, dispose d'un droit d'être entendu avant que les autorités compétentes concernées ne prennent cette décision.
Pour l'application de l'alinéa 1er, l'autorité de contrôle conclut des accords avec les autorités compétentes concernées, le cas échéant conformément aux dispositions de l'article 36/16, § 2, de la loi du 22 février 1998.
L'autorité de contrôle notifie sans délai à la Commission européenne et à l'ABE tout accord conclu en application du présent paragraphe.
Lorsque l'autorité de contrôle est chargée du contrôle sur base consolidée, elle en informe les compagnies financières ou compagnies financières mixtes concernées ou l'établissement de crédit ou la société de bourse dont le total bilantaire est le plus élevé.
Le présent paragraphe n'est pas applicable dans les situations visées au paragraphe 1er, 8°. ".
Art. 261. In Boek XII, Titel II, Hoofdstuk III, Afdeling IV, Onderafdeling I van dezelfde wet wordt een artikel 576/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 576/1. In afwijking van de artikelen 573 tot 575, zijn de artikelen 218/1 en 218/2 van overeenkomstige toepassing op de beursvennootschappen naar Belgisch recht, met dien verstande dat een beursvennootschap slechts een intermediaire EER-moederonderneming kan zijn in de in artikel 218/2, § 3, tweede lid bedoelde gevallen.".
"Art. 576/1. In afwijking van de artikelen 573 tot 575, zijn de artikelen 218/1 en 218/2 van overeenkomstige toepassing op de beursvennootschappen naar Belgisch recht, met dien verstande dat een beursvennootschap slechts een intermediaire EER-moederonderneming kan zijn in de in artikel 218/2, § 3, tweede lid bedoelde gevallen.".
Art. 261. Dans le Livre XII, Titre II, Chapitre III, Section IV, Sous-section Ire de la même loi il est inséré un article 576/1, rédigé comme suit :
"Art. 576/1. Par dérogation aux articles 573 à 575, les articles 218/1 et 218/2 sont applicables par analogie aux sociétés de bourse de droit belge, étant entendu qu'une société de bourse ne peut être une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE que dans les cas visés par l'article 218/2, § 3, alinéa 2.".
"Art. 576/1. Par dérogation aux articles 573 à 575, les articles 218/1 et 218/2 sont applicables par analogie aux sociétés de bourse de droit belge, étant entendu qu'une société de bourse ne peut être une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE que dans les cas visés par l'article 218/2, § 3, alinéa 2.".
Art. 262. In artikel 609 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, wordt paragraaf 2 aangevuld met twee leden, luidende:
"Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd het eerste en tweede lid van deze paragraaf.
Indien de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde beursvennootschap of onderneming een moederonderneming is of een dochteronderneming van een moederonderneming die een geconsolideerde jaarrekening moet opstellen, is de toepasselijke totale nettojaaromzet de totale nettojaaromzet volgens de recentste door het wettelijk bestuursorgaan van de uiteindelijke moederonderneming opgestelde geconsolideerde jaarrekening.".
"Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd het eerste en tweede lid van deze paragraaf.
Indien de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde beursvennootschap of onderneming een moederonderneming is of een dochteronderneming van een moederonderneming die een geconsolideerde jaarrekening moet opstellen, is de toepasselijke totale nettojaaromzet de totale nettojaaromzet volgens de recentste door het wettelijk bestuursorgaan van de uiteindelijke moederonderneming opgestelde geconsolideerde jaarrekening.".
Art. 262. Dans l'article 609 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, le paragraphe 2 est complété de deux alinéas, rédigés comme suit :
"Sans préjudice des alinéas 1er et 2 du présent paragraphe, lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, le montant maximum de l'amende administrative peut être porté au double du montant de ce profit ou de cette perte.
Lorsque la société de bourse ou à la compagnie visée au alinéa 1er du présent paragraphe, est une entreprise mère ou une filiale d'une entreprise mère qui est tenue d'établir des comptes consolidés, le chiffre d'affaires total annuel net à prendre en considération est celui qui ressort des derniers comptes consolidés disponibles établis par l'organe légal d'administration de l'entreprise mère ultime.".
"Sans préjudice des alinéas 1er et 2 du présent paragraphe, lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, le montant maximum de l'amende administrative peut être porté au double du montant de ce profit ou de cette perte.
Lorsque la société de bourse ou à la compagnie visée au alinéa 1er du présent paragraphe, est une entreprise mère ou une filiale d'une entreprise mère qui est tenue d'établir des comptes consolidés, le chiffre d'affaires total annuel net à prendre en considération est celui qui ressort des derniers comptes consolidés disponibles établis par l'organe légal d'administration de l'entreprise mère ultime.".
Art. 263. In artikel 4 van Bijlage I bij dezelfde wet wordt paragraaf 2 vervangen als volgt:
" § 2. Een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° die optreedt als initiator van effectiseringsverrichtingen waarbij sprake is van een vervroegde-aflossingsclausule ten gunste van de beleggers, moet over een passend liquiditeitsplan beschikken om de gevolgen van alle geplande en vervroegde aflossingen op te vangen.".
" § 2. Een kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° die optreedt als initiator van effectiseringsverrichtingen waarbij sprake is van een vervroegde-aflossingsclausule ten gunste van de beleggers, moet over een passend liquiditeitsplan beschikken om de gevolgen van alle geplande en vervroegde aflossingen op te vangen.".
Art. 263. Dans l'article 4 de l'Annexe I de la même loi, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Un établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° initiateur d'opérations de titrisation assorties d'une clause de remboursement anticipé au profit des investisseurs, doit disposer d'un programme de liquidité adéquat lui permettant de faire face aux conséquences de l'ensemble des remboursements, à la fois programmés et anticipés.".
" § 2. Un établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° initiateur d'opérations de titrisation assorties d'une clause de remboursement anticipé au profit des investisseurs, doit disposer d'un programme de liquidité adéquat lui permettant de faire face aux conséquences de l'ensemble des remboursements, à la fois programmés et anticipés.".
Art. 264. Artikel 6 van Bijlage I bij dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 6. § 1. De kredietinstellingen implementeren interne systemen of maken gebruik van de gestandaardiseerde of de vereenvoudigde gestandaardiseerde methode voor het identificeren, beoordelen, beheren en limiteren van de risico's die voortvloeien uit potentiële veranderingen in rentetarieven welke van invloed zijn op de economische waarde van eigen vermogen en de nettorentebaten van hun activiteiten buiten de handelsportefeuille.
§ 2. De kredietinstellingen implementeren systemen voor het beoordelen en monitoren van de risico's die voortvloeien uit potentiële veranderingen in kredietspreads welke van invloed zijn op de economische waarde van eigen vermogen en de nettorentebaten van hun activiteiten buiten de handelsportefeuille.
§ 3. De toezichthouder kan een kredietinstelling ertoe verplichten de gestandaardiseerde methode als bedoeld in paragraaf 1 te gebruiken wanneer de interne systemen welke die instelling voor de beoordeling van de in die paragraaf bedoelde risico's toepast, niet bevredigend zijn.
§ 4. De toezichthouder kan verlangen dat een kleine en niet-complexe kredietinstelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 145, van Verordening nr. 575/2013 de gestandaardiseerde methode gebruikt als zij van oordeel is dat de vereenvoudigde gestandaardiseerde methode niet adequaat is voor het ondervangen van renterisico's die voortvloeien uit activiteiten buiten de handelsportefeuille van die instelling.".
"Art. 6. § 1. De kredietinstellingen implementeren interne systemen of maken gebruik van de gestandaardiseerde of de vereenvoudigde gestandaardiseerde methode voor het identificeren, beoordelen, beheren en limiteren van de risico's die voortvloeien uit potentiële veranderingen in rentetarieven welke van invloed zijn op de economische waarde van eigen vermogen en de nettorentebaten van hun activiteiten buiten de handelsportefeuille.
§ 2. De kredietinstellingen implementeren systemen voor het beoordelen en monitoren van de risico's die voortvloeien uit potentiële veranderingen in kredietspreads welke van invloed zijn op de economische waarde van eigen vermogen en de nettorentebaten van hun activiteiten buiten de handelsportefeuille.
§ 3. De toezichthouder kan een kredietinstelling ertoe verplichten de gestandaardiseerde methode als bedoeld in paragraaf 1 te gebruiken wanneer de interne systemen welke die instelling voor de beoordeling van de in die paragraaf bedoelde risico's toepast, niet bevredigend zijn.
§ 4. De toezichthouder kan verlangen dat een kleine en niet-complexe kredietinstelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 145, van Verordening nr. 575/2013 de gestandaardiseerde methode gebruikt als zij van oordeel is dat de vereenvoudigde gestandaardiseerde methode niet adequaat is voor het ondervangen van renterisico's die voortvloeien uit activiteiten buiten de handelsportefeuille van die instelling.".
Art. 264. L'article 6 de l'Annexe I de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 6. § 1er. Les établissements de crédit mettent en oeuvre des systèmes internes ou utilisent la méthode standard ou la méthode standard simplifiée pour détecter, évaluer, gérer et atténuer les risques découlant d'éventuelles variations des taux d'intérêt affectant tant la valeur économique des fonds propres que les produits d'intérêts nets de leurs activités hors portefeuille de négociation.
§ 2. Les établissements de crédit mettent en oeuvre des systèmes pour évaluer et surveiller les risques découlant d'éventuelles variations des écarts de crédit ("credit spread") affectant tant la valeur économique des fonds propres que les produits d'intérêts nets de leurs activités hors portefeuille de négociation.
§ 3. L'autorité de contrôle peut exiger d'un établissement de crédit qu'il utilise la méthode standard visée au paragraphe 1er lorsque les systèmes internes qu'il met en oeuvre aux fins de l'évaluation des risques visés audit paragraphe ne sont pas satisfaisants.
§ 4. L'autorité de contrôle peut exiger d'un établissement de crédit de petite taille et non complexe au sens de l'article 4, paragraphe 1er, point 145) du Règlement n° 575/2013 qu'il utilise la méthode standard lorsqu'elle estime que la méthode standard simplifiée n'est pas adéquate pour appréhender le risque de taux d'intérêt inhérent aux activités hors portefeuille de négociation de cet établissement.".
"Art. 6. § 1er. Les établissements de crédit mettent en oeuvre des systèmes internes ou utilisent la méthode standard ou la méthode standard simplifiée pour détecter, évaluer, gérer et atténuer les risques découlant d'éventuelles variations des taux d'intérêt affectant tant la valeur économique des fonds propres que les produits d'intérêts nets de leurs activités hors portefeuille de négociation.
§ 2. Les établissements de crédit mettent en oeuvre des systèmes pour évaluer et surveiller les risques découlant d'éventuelles variations des écarts de crédit ("credit spread") affectant tant la valeur économique des fonds propres que les produits d'intérêts nets de leurs activités hors portefeuille de négociation.
§ 3. L'autorité de contrôle peut exiger d'un établissement de crédit qu'il utilise la méthode standard visée au paragraphe 1er lorsque les systèmes internes qu'il met en oeuvre aux fins de l'évaluation des risques visés audit paragraphe ne sont pas satisfaisants.
§ 4. L'autorité de contrôle peut exiger d'un établissement de crédit de petite taille et non complexe au sens de l'article 4, paragraphe 1er, point 145) du Règlement n° 575/2013 qu'il utilise la méthode standard lorsqu'elle estime que la méthode standard simplifiée n'est pas adéquate pour appréhender le risque de taux d'intérêt inhérent aux activités hors portefeuille de négociation de cet établissement.".
Art. 265. In artikel 7, § 1 van Bijlage I bij dezelfde wet worden de woorden "en de risico's die voortvloeien uit uitbesteding" ingevoegd tussen de woorden "met inbegrip van het risico dat verbonden is aan het gebruik van interne modellen" en de woorden ", te beoordelen en te beheren".
Art. 265. Dans l'article 7, § 1er de l'Annexe I de la même loi, les mots "et les risques découlant de l'externalisation" sont insérés entre les mots "y compris le risque lié à l'utilisation de modèles internes" et les mots ", et de couvrir les évènements de faible fréquence".
Art. 266. In artikel 8 van Bijlage I bij dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 2 wordt aangevuld met de volgende zin:
"De instellingen delen de risicotolerantie mee ten aanzien van alle relevante bedrijfsonderdelen.";
2° in paragraaf 8 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"De instellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° nemen van tevoren de passende operationele maatregelen om ervoor te zorgen dat de liquiditeitsherstelplannen in voorkomend geval onmiddellijk kunnen worden uitgevoerd. Deze maatregelen behelzen onder meer het aanhouden van activa die onmiddellijk beschikbaar zijn om als waarborg te worden aanvaard door een centrale bank. Het kan gaan om activa in de valuta van een andere lidstaat of in de valuta van een derde land, waar de instelling blootstellingen heeft, en die worden aangehouden, indien zulks voor operationele doeleinden noodzakelijk is, op het grondgebied van een lidstaat van ontvangst of van een derde land in de valuta waaraan zij is blootgesteld.".
1° paragraaf 2 wordt aangevuld met de volgende zin:
"De instellingen delen de risicotolerantie mee ten aanzien van alle relevante bedrijfsonderdelen.";
2° in paragraaf 8 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"De instellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° nemen van tevoren de passende operationele maatregelen om ervoor te zorgen dat de liquiditeitsherstelplannen in voorkomend geval onmiddellijk kunnen worden uitgevoerd. Deze maatregelen behelzen onder meer het aanhouden van activa die onmiddellijk beschikbaar zijn om als waarborg te worden aanvaard door een centrale bank. Het kan gaan om activa in de valuta van een andere lidstaat of in de valuta van een derde land, waar de instelling blootstellingen heeft, en die worden aangehouden, indien zulks voor operationele doeleinden noodzakelijk is, op het grondgebied van een lidstaat van ontvangst of van een derde land in de valuta waaraan zij is blootgesteld.".
Art. 266. Dans l'article 8 de l'Annexe I de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 2 est complété par la phrase suivante :
"Les établissements communiquent le niveau de tolérance au risque pour toutes les lignes d'activité concernées." ;
2° dans le paragraphe 8, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Les établissements au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, prennent à l'avance les mesures opérationnelles adéquates pour garantir que les plans de rétablissement de la liquidité puissent, le cas échéant, immédiatement être mis en oeuvre. Ces mesures peuvent consister dans la détention d'actifs immédiatement disponibles susceptibles d'être acceptés en garantie par une banque centrale. Il peut s'agir d'actifs libellés dans la devise d'un autre Etat membre ou d'un pays tiers, dans lequel l'établissement est exposé, et qui sont détenus, en fonction des nécessités opérationnelles, sur le territoire d'un Etat membre d'accueil ou d'un pays tiers au regard de la devise dans laquelle l'établissement est exposé.".
1° le paragraphe 2 est complété par la phrase suivante :
"Les établissements communiquent le niveau de tolérance au risque pour toutes les lignes d'activité concernées." ;
2° dans le paragraphe 8, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Les établissements au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, prennent à l'avance les mesures opérationnelles adéquates pour garantir que les plans de rétablissement de la liquidité puissent, le cas échéant, immédiatement être mis en oeuvre. Ces mesures peuvent consister dans la détention d'actifs immédiatement disponibles susceptibles d'être acceptés en garantie par une banque centrale. Il peut s'agir d'actifs libellés dans la devise d'un autre Etat membre ou d'un pays tiers, dans lequel l'établissement est exposé, et qui sont détenus, en fonction des nécessités opérationnelles, sur le territoire d'un Etat membre d'accueil ou d'un pays tiers au regard de la devise dans laquelle l'établissement est exposé.".
Art. 267. In artikel 6, eerste lid van Bijlage II bij dezelfde wet, wordt de bepaling onder 1°, vervangen als volgt:
"1° aandelen of, afhankelijk van de juridische structuur van de betrokken instelling, equivalente deelnemingen in het kapitaal, of,, op aandelen gebaseerde financiële instrumenten, of, afhankelijk van de juridische structuur van de betrokken instelling, equivalente niet-liquide instrumenten (non-cash instruments); en,".
"1° aandelen of, afhankelijk van de juridische structuur van de betrokken instelling, equivalente deelnemingen in het kapitaal, of,, op aandelen gebaseerde financiële instrumenten, of, afhankelijk van de juridische structuur van de betrokken instelling, equivalente niet-liquide instrumenten (non-cash instruments); en,".
Art. 267. Dans l'article 6, alinéa 1er de l'Annexe II de la même loi, le 1°, est remplacé par ce qui suit :
"1° des actions ou, en fonction de la structure juridique de l'établissement concerné, des participations équivalentes au capital, ou, des instruments financiers liés aux actions, ou, en fonction de la structure juridique de l'établissement concerné, des instruments équivalents non liquides ("non-cash instruments") ; et,".
"1° des actions ou, en fonction de la structure juridique de l'établissement concerné, des participations équivalentes au capital, ou, des instruments financiers liés aux actions, ou, en fonction de la structure juridique de l'établissement concerné, des instruments équivalents non liquides ("non-cash instruments") ; et,".
Art. 268. In artikel 7 van Bijlage II bij dezelfde wet, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"De betaling van een deel van minstens 40 % van de variabele beloning wordt uitgesteld over een periode van ten minste vier tot vijf jaar. Dit deel is afhankelijk van de aard van de werkzaamheden van de instelling, van haar risico's en van de activiteiten van de betrokken persoon. Voor leden van het wettelijk bestuursorgaan en de hoge leiding van significante kredietinstellingen mag de uitstelperiode niet korter zijn dan vijf jaar.".
"De betaling van een deel van minstens 40 % van de variabele beloning wordt uitgesteld over een periode van ten minste vier tot vijf jaar. Dit deel is afhankelijk van de aard van de werkzaamheden van de instelling, van haar risico's en van de activiteiten van de betrokken persoon. Voor leden van het wettelijk bestuursorgaan en de hoge leiding van significante kredietinstellingen mag de uitstelperiode niet korter zijn dan vijf jaar.".
Art. 268. Dans l'article 7 de l'Annexe II de la même loi, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Le paiement d'une part d'au moins 40 % de la rémunération variable est reportée pendant une durée minimale de quatre à cinq ans. Cette part est fonction de la nature des activités de l'établissement, de ses risques et des activités de la personne concernée. Pour les membres de l'organe légal d'administration et la haute direction des établissement de crédit d'importance significative, la période de report ne peut être inférieure à cinq ans.".
"Le paiement d'une part d'au moins 40 % de la rémunération variable est reportée pendant une durée minimale de quatre à cinq ans. Cette part est fonction de la nature des activités de l'établissement, de ses risques et des activités de la personne concernée. Pour les membres de l'organe légal d'administration et la haute direction des établissement de crédit d'importance significative, la période de report ne peut être inférieure à cinq ans.".
Art. 269. In Bijlage II bij dezelfde wet wordt een Afdeling III/1 ingevoegd, getiteld "Vrijstellingen".
Art. 269. A l'Annexe II de la même loi, il est inséré une Section III/1 intitulée "Exemptions".
Art. 270. In Afdeling III/1 van Bijlage II bij dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 269, wordt een artikel 9/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 9/1. De artikelen 6, 7 en 9, tweede en derde lid, van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
1° kredietinstellingen die geen grote instelling in de zin van artikel 4, lid 1, 146) van Verordening nr. 575/2013 zijn en waarvan de waarde van de activa bepaald op grond van artikel 24 van deze Verordening gemiddeld en op individuele basis, of, indien niet beschikbaar, op geconsolideerde basis, 5 miljard euro of minder bedraagt over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan het lopende boekjaar;
2° een personeelslid van wie de jaarlijkse variabele beloning niet hoger is dan 50 000 euro en niet meer dan een derde van de totale jaarlijkse beloning van het personeelslid vertegenwoordigt.".
"Art. 9/1. De artikelen 6, 7 en 9, tweede en derde lid, van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
1° kredietinstellingen die geen grote instelling in de zin van artikel 4, lid 1, 146) van Verordening nr. 575/2013 zijn en waarvan de waarde van de activa bepaald op grond van artikel 24 van deze Verordening gemiddeld en op individuele basis, of, indien niet beschikbaar, op geconsolideerde basis, 5 miljard euro of minder bedraagt over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan het lopende boekjaar;
2° een personeelslid van wie de jaarlijkse variabele beloning niet hoger is dan 50 000 euro en niet meer dan een derde van de totale jaarlijkse beloning van het personeelslid vertegenwoordigt.".
Art. 270. Dans la Section III/1 de l'Annexe II de la même loi, inséré par l'article 269, il est inséré un article 9/1, rédigé comme suit :
"Art. 9/1. Les articles 6, 7 et 9, alinéas 2 et 3, de la présente annexe ne sont pas applicables :
1° aux établissements de crédit qui ne sont pas des établissements de grande taille au sens de l'article 4, paragraphe 1er, 146), du Règlement n° 575/2013 et dont la valeur des actifs déterminée conformément à l'article 24 dudit règlement est, en moyenne et sur base individuelle ou, si cette donnée n'est pas disponible, sur base consolidée, inférieure ou égale à 5 milliards d'euros au cours de la période de quatre ans précédant immédiatement l'exercice en cours ;
2° à un membre du personnel dont la rémunération variable annuelle n'excède pas 50 000 euros et ne représente pas plus d'un tiers de la rémunération annuelle totale du membre du personnel.".
"Art. 9/1. Les articles 6, 7 et 9, alinéas 2 et 3, de la présente annexe ne sont pas applicables :
1° aux établissements de crédit qui ne sont pas des établissements de grande taille au sens de l'article 4, paragraphe 1er, 146), du Règlement n° 575/2013 et dont la valeur des actifs déterminée conformément à l'article 24 dudit règlement est, en moyenne et sur base individuelle ou, si cette donnée n'est pas disponible, sur base consolidée, inférieure ou égale à 5 milliards d'euros au cours de la période de quatre ans précédant immédiatement l'exercice en cours ;
2° à un membre du personnel dont la rémunération variable annuelle n'excède pas 50 000 euros et ne représente pas plus d'un tiers de la rémunération annuelle totale du membre du personnel.".
Art. 271. In Bijlage II van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen wordt artikel 12 vervangen als volgt:
"Art. 12. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder vertrekvergoeding verstaan elke vorm van beloning of compensatie die aan een in artikel 67, tweede lid, bedoelde persoon wordt toegekend bij zijn of haar vertrek, ongeacht het tijdstip van dat vertrek en ongeacht of dit al dan niet op vrijwillige basis gebeurt. De vertrekvergoeding kan in voorkomend geval een ontslagvergoeding omvatten, namelijk een bedrag of vergoeding die of dat in het kader van de voortijdige beëindiging op niet-vrijwillige basis van een arbeidsovereenkomst of een vennootschapsmandaat wordt betaald aan een persoon als bedoeld in artikel 67, tweede lid.
Vertrekvergoedingen zijn variabele beloning waarop de bepalingen van de artikelen 1 tot en met 8 van deze Bijlage derhalve van toepassing zijn.
Onverminderd het Wetboek van vennootschappen en verenigingen moet elke vertrekvergoeding rekening houden met in de loop der tijd gerealiseerde prestaties en zodanig zijn ontworpen dat falen of onrechtmatig gedrag niet wordt beloond.
Bovendien kan een vertrekvergoeding die hoger is dan een bedrag dat gelijk is aan 12 maanden vaste beloning of, op eensluidend gemotiveerd advies van het remuneratiecomité, die hoger is dan een bedrag dat gelijk is aan 18 maanden vaste beloning, enkel worden toegekend, niettegenstaande eventuele andersluidende statutaire bepalingen of contractuele bedingen, onder voorbehoud van goedkeuring door de eerstvolgende gewone algemene vergadering. De procedure van artikel 7:92, tweede en derde lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen is naar analogie van toepassing.".
"Art. 12. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder vertrekvergoeding verstaan elke vorm van beloning of compensatie die aan een in artikel 67, tweede lid, bedoelde persoon wordt toegekend bij zijn of haar vertrek, ongeacht het tijdstip van dat vertrek en ongeacht of dit al dan niet op vrijwillige basis gebeurt. De vertrekvergoeding kan in voorkomend geval een ontslagvergoeding omvatten, namelijk een bedrag of vergoeding die of dat in het kader van de voortijdige beëindiging op niet-vrijwillige basis van een arbeidsovereenkomst of een vennootschapsmandaat wordt betaald aan een persoon als bedoeld in artikel 67, tweede lid.
Vertrekvergoedingen zijn variabele beloning waarop de bepalingen van de artikelen 1 tot en met 8 van deze Bijlage derhalve van toepassing zijn.
Onverminderd het Wetboek van vennootschappen en verenigingen moet elke vertrekvergoeding rekening houden met in de loop der tijd gerealiseerde prestaties en zodanig zijn ontworpen dat falen of onrechtmatig gedrag niet wordt beloond.
Bovendien kan een vertrekvergoeding die hoger is dan een bedrag dat gelijk is aan 12 maanden vaste beloning of, op eensluidend gemotiveerd advies van het remuneratiecomité, die hoger is dan een bedrag dat gelijk is aan 18 maanden vaste beloning, enkel worden toegekend, niettegenstaande eventuele andersluidende statutaire bepalingen of contractuele bedingen, onder voorbehoud van goedkeuring door de eerstvolgende gewone algemene vergadering. De procedure van artikel 7:92, tweede en derde lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen is naar analogie van toepassing.".
Art. 271. Dans l'Annexe II de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse, l'article 12 est remplacé par ce qui suit :
"Art. 12. Pour les besoins de la présente Annexe on entend par indemnité de départ, toute forme de rémunération ou compensation octroyée à une personne visée à l'article 67, alinéa 2 à l'occasion de son départ, quel que soit le moment de ce départ et que celui-ci soit volontaire ou non. Une indemnité de départ peut, le cas échéant, comprendre une indemnité de cessation de fonction, à savoir une somme/indemnité payée en lien avec la fin anticipée d'un contrat de travail ou d'un mandat social sur une base non-volontaire dans le chef d'une personne visée à l'article 67, alinéa 2.
Toute indemnité de départ constitue de la rémunération variable à laquelle s'applique dès lors les dispositions des articles 1er à 8 de la présente Annexe.
Sans préjudice du Code des sociétés et des associations, toute indemnité de départ doit tenir compte des performances effectives dans le temps et être conçue de manière à ne pas récompenser l'échec ou un comportement fautif.
En outre, une indemnité de départ dont le montant est supérieur à un montant équivalent à 12 mois de rémunération fixe, ou sur avis motivé conforme du comité de rémunération, dont le montant est supérieur à un montant équivalent à 18 mois de rémunération fixe, ne peut être octroyée, nonobstant toute disposition statutaire ou clause contractuelle contraire, que sous réserve de l'approbation de la première assemblée générale ordinaire qui suit. La procédure prévue à l'article 7 :92, alinéas 2 et 3, du Code des sociétés et des associations est applicable par analogie.".
"Art. 12. Pour les besoins de la présente Annexe on entend par indemnité de départ, toute forme de rémunération ou compensation octroyée à une personne visée à l'article 67, alinéa 2 à l'occasion de son départ, quel que soit le moment de ce départ et que celui-ci soit volontaire ou non. Une indemnité de départ peut, le cas échéant, comprendre une indemnité de cessation de fonction, à savoir une somme/indemnité payée en lien avec la fin anticipée d'un contrat de travail ou d'un mandat social sur une base non-volontaire dans le chef d'une personne visée à l'article 67, alinéa 2.
Toute indemnité de départ constitue de la rémunération variable à laquelle s'applique dès lors les dispositions des articles 1er à 8 de la présente Annexe.
Sans préjudice du Code des sociétés et des associations, toute indemnité de départ doit tenir compte des performances effectives dans le temps et être conçue de manière à ne pas récompenser l'échec ou un comportement fautif.
En outre, une indemnité de départ dont le montant est supérieur à un montant équivalent à 12 mois de rémunération fixe, ou sur avis motivé conforme du comité de rémunération, dont le montant est supérieur à un montant équivalent à 18 mois de rémunération fixe, ne peut être octroyée, nonobstant toute disposition statutaire ou clause contractuelle contraire, que sous réserve de l'approbation de la première assemblée générale ordinaire qui suit. La procédure prévue à l'article 7 :92, alinéas 2 et 3, du Code des sociétés et des associations est applicable par analogie.".
Art. 272. In Bijlage II van dezelfde wet wordt een artikel 12/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 12/1. § 1. In afwijking van artikel 12, tweede lid van deze Bijlage zijn de artikelen 1, § 2 en 2 tot en met 8 van deze Bijlage niet van toepassing op:
1° de vertrekvergoeding die bestaat uit een bedrag dat bedoeld is om het inkomensverlies te compenseren op grond van een niet-concurrentiebeding en waarvan de instelling vóór de toekenning ervan ten genoegen van de Toezichthouder kan aantonen dat ze voldoet aan de criteria om als vaste beloning te worden aangemerkt;
2° de vertrekvergoeding die wordt toegekend aan een persoon die zijn of haar taken in het kader van een arbeidsovereenkomst of een vennootschapsmandaat uitoefent, en die bestaat uit een ontslagvergoeding die niet hoger mag zijn dan het bedrag waarop de betrokkene recht heeft of, naar analogie, recht zou hebben gehad op grond van zijn of haar anciënniteit, krachtens de wettelijke bepalingen inzake ontslag in het kader van een arbeidsovereenkomst.
§ 2. Indien de vertrekvergoeding bestaat uit een ontslagvergoeding, kan bij wijze van uitzondering op artikel 12, tweede lid, van deze Bijlage het bedrag van de vergoedingen die niet in aanmerking komen voor de in paragraaf 1 bedoelde uitzonderingen, bovendien geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 1, § 2, 6 en 7 van deze Bijlage, mits deze vrijstelling naar behoren wordt gemotiveerd, de Toezichthouder er vooraf van in kennis wordt gesteld, met dien verstande dat deze vrijstelling uitsluitend gerechtvaardigd is in de specifieke en uitzonderlijke situaties die zijn vastgesteld in de EBA-richtsnoeren inzake beloningsbeleid.".
"Art. 12/1. § 1. In afwijking van artikel 12, tweede lid van deze Bijlage zijn de artikelen 1, § 2 en 2 tot en met 8 van deze Bijlage niet van toepassing op:
1° de vertrekvergoeding die bestaat uit een bedrag dat bedoeld is om het inkomensverlies te compenseren op grond van een niet-concurrentiebeding en waarvan de instelling vóór de toekenning ervan ten genoegen van de Toezichthouder kan aantonen dat ze voldoet aan de criteria om als vaste beloning te worden aangemerkt;
2° de vertrekvergoeding die wordt toegekend aan een persoon die zijn of haar taken in het kader van een arbeidsovereenkomst of een vennootschapsmandaat uitoefent, en die bestaat uit een ontslagvergoeding die niet hoger mag zijn dan het bedrag waarop de betrokkene recht heeft of, naar analogie, recht zou hebben gehad op grond van zijn of haar anciënniteit, krachtens de wettelijke bepalingen inzake ontslag in het kader van een arbeidsovereenkomst.
§ 2. Indien de vertrekvergoeding bestaat uit een ontslagvergoeding, kan bij wijze van uitzondering op artikel 12, tweede lid, van deze Bijlage het bedrag van de vergoedingen die niet in aanmerking komen voor de in paragraaf 1 bedoelde uitzonderingen, bovendien geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 1, § 2, 6 en 7 van deze Bijlage, mits deze vrijstelling naar behoren wordt gemotiveerd, de Toezichthouder er vooraf van in kennis wordt gesteld, met dien verstande dat deze vrijstelling uitsluitend gerechtvaardigd is in de specifieke en uitzonderlijke situaties die zijn vastgesteld in de EBA-richtsnoeren inzake beloningsbeleid.".
Art. 272. Dans l'Annexe II, de la même loi, il est inséré un article 12/1, rédigé comme suit :
"Art. 12/1. § 1er. Par exception à l'article 12, alinéa 2 de la présente Annexe, les articles 1er, § 2, et 2 à 8 de la présente Annexe ne sont pas applicables à :
1° l'indemnité de départ consistant dans un montant visant à compenser la perte de revenu en application d'une clause de non-concurrence et pour laquelle l'établissement peut démontrer à l'Autorité de contrôle, préalablement à son octroi, qu'elle répond aux critères de qualification d'une rémunération fixe ;
2° l'indemnité de départ accordée à une personne dans les liens d'un contrat de travail ou d'un mandat social et consistant dans une indemnité de cessation de fonction, à concurrence du montant auquel la personne concernée a droit ou aurait, par analogie, eu droit sur la base de son ancienneté, en application des dispositions légales relatives à un licenciement dans le cadre d'un contrat de travail.
§ 2. En cas d'indemnité de départ consistant dans une indemnité de cessation de fonction, par exception à l'article 12, alinéa 2 de la présente Annexe, l'ensemble ou une partie du montant des indemnités ne bénéficiant pas des exceptions prévues au paragraphe 1er peut, en outre, être exonéré de l'application des articles 1er, § 2, 6 et 7 de la présente Annexe pour autant que cette exonération soit dûment motivée et préalablement notifiée à l'Autorité de contrôle et que cette exonération puisse exclusivement trouver une justification dans les situations spécifiques et de nature exceptionnelle visées par les Orientations de l'ABE en matière de politiques de rémunération.".
"Art. 12/1. § 1er. Par exception à l'article 12, alinéa 2 de la présente Annexe, les articles 1er, § 2, et 2 à 8 de la présente Annexe ne sont pas applicables à :
1° l'indemnité de départ consistant dans un montant visant à compenser la perte de revenu en application d'une clause de non-concurrence et pour laquelle l'établissement peut démontrer à l'Autorité de contrôle, préalablement à son octroi, qu'elle répond aux critères de qualification d'une rémunération fixe ;
2° l'indemnité de départ accordée à une personne dans les liens d'un contrat de travail ou d'un mandat social et consistant dans une indemnité de cessation de fonction, à concurrence du montant auquel la personne concernée a droit ou aurait, par analogie, eu droit sur la base de son ancienneté, en application des dispositions légales relatives à un licenciement dans le cadre d'un contrat de travail.
§ 2. En cas d'indemnité de départ consistant dans une indemnité de cessation de fonction, par exception à l'article 12, alinéa 2 de la présente Annexe, l'ensemble ou une partie du montant des indemnités ne bénéficiant pas des exceptions prévues au paragraphe 1er peut, en outre, être exonéré de l'application des articles 1er, § 2, 6 et 7 de la présente Annexe pour autant que cette exonération soit dûment motivée et préalablement notifiée à l'Autorité de contrôle et que cette exonération puisse exclusivement trouver une justification dans les situations spécifiques et de nature exceptionnelle visées par les Orientations de l'ABE en matière de politiques de rémunération.".
Art. 273. In artikel 19, tweede lid van Bijlage II van dezelfde wet worden de woorden "alsmede de informatie over het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen," ingevoegd tussen de woorden "openbaar hebben gemaakt," en de woorden "opdat hij".
Art. 273. A l'article 19, alinéa 2, de l'Annexe II de la même loi, les mots "ainsi que les informations sur l'écart de rémunération entre les hommes et les femmes," sont insérés entre les mots "à l'alinéa 1er" et les mots "afin qu'elle procède".
Art. 274. In artikel 5 van Bijlage IV van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° In paragraaf 2 wordt de zin "De Bank stelt dit percentage elk kwartaal vast op basis van een of meer referentie-indicatoren die de weergave zijn van de kredietcyclus en de risico's als gevolg van buitensporige kredietgroei in België en die rekening houden met de specifieke kenmerken van de nationale economie." vervangen als volgt: "De Bank stelt dit percentage vast of past dit indien nodig aan op basis van de kwartaalbeoordeling van een of meer referentie-indicatoren die de weergave zijn van de intensiteit van het cyclisch systeemrisico en de risico's als gevolg van buitensporige kredietgroei in België en die rekening houden met de specifieke kenmerken van de nationale economie.";
2° in paragraaf 4 worden de woorden "ten vroegste" opgeheven;
3° In paragraaf 6, inleidende zin worden de woorden "De Bank maakt het contracyclische tier 1-kernkapitaalbufferpercentage dat zij voor een kwartaal vaststelt, bekend door publicatie op haar website, met vermelding van de volgende informatie:" vervangen door de woorden "De Bank maakt het contracyclische tier 1-kernkapitaalbufferpercentage dat zij voor een kwartaal vaststelt, elk kwartaal bekend door publicatie op haar website, met vermelding van met name de volgende informatie:";
4° In paragraaf 7 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"De Bank deelt elke wijziging van het contracyclische bufferpercentage evenals, in dat geval, de in paragraaf 6 bedoelde informatie, mee aan het ESRB.".
1° In paragraaf 2 wordt de zin "De Bank stelt dit percentage elk kwartaal vast op basis van een of meer referentie-indicatoren die de weergave zijn van de kredietcyclus en de risico's als gevolg van buitensporige kredietgroei in België en die rekening houden met de specifieke kenmerken van de nationale economie." vervangen als volgt: "De Bank stelt dit percentage vast of past dit indien nodig aan op basis van de kwartaalbeoordeling van een of meer referentie-indicatoren die de weergave zijn van de intensiteit van het cyclisch systeemrisico en de risico's als gevolg van buitensporige kredietgroei in België en die rekening houden met de specifieke kenmerken van de nationale economie.";
2° in paragraaf 4 worden de woorden "ten vroegste" opgeheven;
3° In paragraaf 6, inleidende zin worden de woorden "De Bank maakt het contracyclische tier 1-kernkapitaalbufferpercentage dat zij voor een kwartaal vaststelt, bekend door publicatie op haar website, met vermelding van de volgende informatie:" vervangen door de woorden "De Bank maakt het contracyclische tier 1-kernkapitaalbufferpercentage dat zij voor een kwartaal vaststelt, elk kwartaal bekend door publicatie op haar website, met vermelding van met name de volgende informatie:";
4° In paragraaf 7 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"De Bank deelt elke wijziging van het contracyclische bufferpercentage evenals, in dat geval, de in paragraaf 6 bedoelde informatie, mee aan het ESRB.".
Art. 274. A l'article 5 de l'Annexe IV de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° Dans le paragraphe 2, la phrase "La Banque fixe ce taux chaque trimestre sur base d'un ou plusieurs indicateurs de référence traduisant le cycle de crédit et les risques liés à la croissance excessive du crédit en Belgique et qui tiennent compte des spécificités de l'économie nationale." est remplacée par la phrase "La Banque fixe ou, si nécessaire, ajuste ce taux sur base de l'évaluation trimestrielle de plusieurs indicateurs de référence traduisant l'intensité du risque systémique cyclique et les risques liés à la croissance excessive du crédit en Belgique et qui tiennent compte des spécificités de l'économie nationale." ;
2° dans le paragraphe 4, les mots "au plus tôt" sont abrogés ;
3° Dans le paragraphe 6, phrase introductive, les mots "La Banque rend public, par voie de publication sur son site internet, le taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 contracyclique qu'elle fixe pour un trimestre, en indiquant les informations suivantes :" sont remplacés par les mots "La Banque rend public chaque trimestre, par voie de publication sur son site internet, le taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 contracyclique qu'elle fixe pour un trimestre, en indiquant notamment les informations suivantes :" ;
4° dans le paragraphe 7, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"La Banque communique chaque modification du taux de coussin contracyclique, ainsi que, dans ce cas, les informations visées au paragraphe 6, au CERS.".
1° Dans le paragraphe 2, la phrase "La Banque fixe ce taux chaque trimestre sur base d'un ou plusieurs indicateurs de référence traduisant le cycle de crédit et les risques liés à la croissance excessive du crédit en Belgique et qui tiennent compte des spécificités de l'économie nationale." est remplacée par la phrase "La Banque fixe ou, si nécessaire, ajuste ce taux sur base de l'évaluation trimestrielle de plusieurs indicateurs de référence traduisant l'intensité du risque systémique cyclique et les risques liés à la croissance excessive du crédit en Belgique et qui tiennent compte des spécificités de l'économie nationale." ;
2° dans le paragraphe 4, les mots "au plus tôt" sont abrogés ;
3° Dans le paragraphe 6, phrase introductive, les mots "La Banque rend public, par voie de publication sur son site internet, le taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 contracyclique qu'elle fixe pour un trimestre, en indiquant les informations suivantes :" sont remplacés par les mots "La Banque rend public chaque trimestre, par voie de publication sur son site internet, le taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 contracyclique qu'elle fixe pour un trimestre, en indiquant notamment les informations suivantes :" ;
4° dans le paragraphe 7, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"La Banque communique chaque modification du taux de coussin contracyclique, ainsi que, dans ce cas, les informations visées au paragraphe 6, au CERS.".
Art. 275. Artikel 11 van Bijlage IV van dezelfde wet gewijzigd bij de wet van 18 december 2015 wordt opgeheven.
Art. 275. L'article 11 de l'Annexe IV de la même loi, modifié par la loi du 18 décembre 2015, est abrogé.
Art. 276. In artikel 12 van Bijlage IV van dezelfde wet gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
"MSI's kunnen zijn:
a) een groep met aan het hoofd een Belgische EER-moederkredietinstelling, een Belgische financiële EER-moederholding of een Belgische gemengde financiële EER-moederholding; of
a) een MSI is een niet in punt a) bedoelde kredietinstelling naar Belgisch recht, die geen dochteronderneming is van een moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER_moederholding.";
2° artikel 12 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"BSI's kunnen zijn:
a) een groep met aan het hoofd een Belgische EER-moederkredietinstelling, een Belgische financiële EER-moederholding, een Belgische gemengde financiële EER-moederholding, een Belgische moederkredietinstelling, een Belgische financiële moederholding of een Belgische gemengde financiële moederholding;
b) een niet in punt a) bedoelde kredietinstelling naar Belgisch recht, die geen dochteronderneming is van een Belgische moederkredietinstelling, een Belgische financiële moederholding of een Belgische gemengde financiële moederholding.".
1° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
"MSI's kunnen zijn:
a) een groep met aan het hoofd een Belgische EER-moederkredietinstelling, een Belgische financiële EER-moederholding of een Belgische gemengde financiële EER-moederholding; of
a) een MSI is een niet in punt a) bedoelde kredietinstelling naar Belgisch recht, die geen dochteronderneming is van een moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER_moederholding.";
2° artikel 12 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"BSI's kunnen zijn:
a) een groep met aan het hoofd een Belgische EER-moederkredietinstelling, een Belgische financiële EER-moederholding, een Belgische gemengde financiële EER-moederholding, een Belgische moederkredietinstelling, een Belgische financiële moederholding of een Belgische gemengde financiële moederholding;
b) een niet in punt a) bedoelde kredietinstelling naar Belgisch recht, die geen dochteronderneming is van een Belgische moederkredietinstelling, een Belgische financiële moederholding of een Belgische gemengde financiële moederholding.".
Art. 276. A l'article 12 de l'Annexe IV de la même loi, modifié par la loi du 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Un EISm peut être :
a) un groupe ayant à sa tête un établissement de crédit mère belge dans l'EEE, une compagnie financière mère belge dans l'EEE ou une compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE ; ou
b) un établissement de crédit de droit belge non visé sous le a), qui n'est pas une filiale d'un, d'établissement de crédit mère dans l'EEE, d'une compagnie financière mère ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE." ;
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Un EIS domestique peut être :
a) un groupe ayant à sa tête un établissement de crédit mère belge dans l'EEE, une compagnie financière mère belge dans l'EEE, une compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE, un établissement de crédit mère belge, une compagnie financière mère belge ou une compagnie financière mixte mère belge ;
b) un établissement de crédit de droit belge non visé sous le a) qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit mère belge, d'une compagnie financière mère ou d'une compagnie financière mixte mère belge.".
1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Un EISm peut être :
a) un groupe ayant à sa tête un établissement de crédit mère belge dans l'EEE, une compagnie financière mère belge dans l'EEE ou une compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE ; ou
b) un établissement de crédit de droit belge non visé sous le a), qui n'est pas une filiale d'un, d'établissement de crédit mère dans l'EEE, d'une compagnie financière mère ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'EEE." ;
2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Un EIS domestique peut être :
a) un groupe ayant à sa tête un établissement de crédit mère belge dans l'EEE, une compagnie financière mère belge dans l'EEE, une compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE, un établissement de crédit mère belge, une compagnie financière mère belge ou une compagnie financière mixte mère belge ;
b) un établissement de crédit de droit belge non visé sous le a) qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit mère belge, d'une compagnie financière mère ou d'une compagnie financière mixte mère belge.".
Art. 277. Artikel 13 van Bijlage IV van dezelfde wet gewijzigd bij de wet van 18 december 2015 wordt vervangen als volgt:
"Art. 13. § 1. De Bank bepaalt, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de methode die gebruikt wordt om te beoordelen of een in artikel 12 van deze Bijlage bedoelde instelling moet worden aangemerkt als een MSI, op basis van de volgende criteria:
a) de omvang van de betrokken groep;
b) de correlatie tussen het wereldwijde financiële stelsel en de betrokken groep;
c) de mogelijkheid tot vervanging van de diensten of van de financiële infrastructuur die wordt verstrekt door de betrokken groep;
d) de complexiteit van de betrokken groep;
e) het belang van de grensoverschrijdende werkzaamheden van de betrokken groep, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de grensoverschrijdende activiteiten tussen lidstaten en die met een derde land.
Elk criterium krijgt een gelijke weging en wordt beoordeeld op basis van kwantificeerbare indicatoren. De gebruikte methode maakt het mogelijk een globale systeemrelevantiescore op te maken voor elke MSI en om, op deze basis, elke MSI onder te brengen in een subcategorie van MSI's. De subcategorieën van MSI's en de drempels worden bepaald met inachtneming van Richtlijn 2013/36/EU en van de technische normen van de Europese Bankautoriteit.
Daarnaast stelt de Bank een aanvullende globale score vast voor elke MSI op basis van alle in het eerste lid bedoelde criteria, met dien verstande dat voor het in punt e) bedoelde criterium geen rekening wordt gehouden met de activiteiten die worden uitgeoefend in de deelnemende lidstaten. Elk criterium krijgt een gelijke weging en wordt beoordeeld op basis van kwantificeerbare indicatoren. Voor de criteria a) tot en met d) wordt hetzelfde resultaat gebruikt als voor de in het tweede lid bedoelde beoordeling. Op basis van de aanvullende score kan de Bank een van de in paragraaf 3, c) bedoelde maatregelen nemen.
§ 2. Het bedrag van het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor MSI's hangt af van de subcategorie waartoe de betrokken MSI behoort. Er zijn ten minste vijf subcategorieën. Met uitzondering van de vijfde subcategorie en van elke bijkomende hogere subcategorie worden de drempels tussen de subcategorieën van MSI's vastgelegd in overeenstemming met het beginsel dat er een constante lineaire toename van systeemrelevantie is van subcategorie tot subcategorie, hetgeen leidt tot een lineaire toename van het vereiste van aanvullend-tier 1-kernkapitaal. Aan de laagste subcategorie wordt 1 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling van de betrokken instelling toegekend, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013, en het percentage dat aan elke subcategorie wordt toegekend stijgt in gelijke tranches van ten minste 0,5 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling van de betrokken instelling, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013.
§ 3. De Bank kan de in paragraaf 1 bedoelde toewijzing aan een subcategorie van MSI's aanpassen indien zij van oordeel is dat deze de systeemrelevantie van de betrokken entiteit niet weerspiegelt en
a) kan een entiteit waarvan de globale score lager is dan de drempel van de laagste subcategorie onderbrengen in deze subcategorie of in een hogere subcategorie en, bijgevolg, deze entiteit aanmerken als een MSI;
b) kan een MSI overbrengen van een lagere subcategorie naar een hogere subcategorie;
c) kan, op basis van de in paragraaf 1, derde lid bedoelde aanvullende globale score en gelet op de mate van voltooiing van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, een MSI overbrengen van een hogere subcategorie naar een lagere subcategorie.
§ 4. Een MSI moet slechts op geconsolideerde basis voldoen aan het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor MSI's.".
"Art. 13. § 1. De Bank bepaalt, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de methode die gebruikt wordt om te beoordelen of een in artikel 12 van deze Bijlage bedoelde instelling moet worden aangemerkt als een MSI, op basis van de volgende criteria:
a) de omvang van de betrokken groep;
b) de correlatie tussen het wereldwijde financiële stelsel en de betrokken groep;
c) de mogelijkheid tot vervanging van de diensten of van de financiële infrastructuur die wordt verstrekt door de betrokken groep;
d) de complexiteit van de betrokken groep;
e) het belang van de grensoverschrijdende werkzaamheden van de betrokken groep, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de grensoverschrijdende activiteiten tussen lidstaten en die met een derde land.
Elk criterium krijgt een gelijke weging en wordt beoordeeld op basis van kwantificeerbare indicatoren. De gebruikte methode maakt het mogelijk een globale systeemrelevantiescore op te maken voor elke MSI en om, op deze basis, elke MSI onder te brengen in een subcategorie van MSI's. De subcategorieën van MSI's en de drempels worden bepaald met inachtneming van Richtlijn 2013/36/EU en van de technische normen van de Europese Bankautoriteit.
Daarnaast stelt de Bank een aanvullende globale score vast voor elke MSI op basis van alle in het eerste lid bedoelde criteria, met dien verstande dat voor het in punt e) bedoelde criterium geen rekening wordt gehouden met de activiteiten die worden uitgeoefend in de deelnemende lidstaten. Elk criterium krijgt een gelijke weging en wordt beoordeeld op basis van kwantificeerbare indicatoren. Voor de criteria a) tot en met d) wordt hetzelfde resultaat gebruikt als voor de in het tweede lid bedoelde beoordeling. Op basis van de aanvullende score kan de Bank een van de in paragraaf 3, c) bedoelde maatregelen nemen.
§ 2. Het bedrag van het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor MSI's hangt af van de subcategorie waartoe de betrokken MSI behoort. Er zijn ten minste vijf subcategorieën. Met uitzondering van de vijfde subcategorie en van elke bijkomende hogere subcategorie worden de drempels tussen de subcategorieën van MSI's vastgelegd in overeenstemming met het beginsel dat er een constante lineaire toename van systeemrelevantie is van subcategorie tot subcategorie, hetgeen leidt tot een lineaire toename van het vereiste van aanvullend-tier 1-kernkapitaal. Aan de laagste subcategorie wordt 1 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling van de betrokken instelling toegekend, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013, en het percentage dat aan elke subcategorie wordt toegekend stijgt in gelijke tranches van ten minste 0,5 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling van de betrokken instelling, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013.
§ 3. De Bank kan de in paragraaf 1 bedoelde toewijzing aan een subcategorie van MSI's aanpassen indien zij van oordeel is dat deze de systeemrelevantie van de betrokken entiteit niet weerspiegelt en
a) kan een entiteit waarvan de globale score lager is dan de drempel van de laagste subcategorie onderbrengen in deze subcategorie of in een hogere subcategorie en, bijgevolg, deze entiteit aanmerken als een MSI;
b) kan een MSI overbrengen van een lagere subcategorie naar een hogere subcategorie;
c) kan, op basis van de in paragraaf 1, derde lid bedoelde aanvullende globale score en gelet op de mate van voltooiing van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, een MSI overbrengen van een hogere subcategorie naar een lagere subcategorie.
§ 4. Een MSI moet slechts op geconsolideerde basis voldoen aan het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor MSI's.".
Art. 277. L'article 13 de l'Annexe IV de la même loi, modifié par la loi du 18 décembre 2015, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 13. § 1er. La Banque définit, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la méthodologie utilisée pour évaluer si un établissement visé à l'article 12 de la présente Annexe doit être qualifié de EISm, sur base des critères suivants :
a) la taille du groupe concerné ;
b) la corrélation entre le système financier mondial et le groupe concerné ;
c) la faculté de substitution des services ou de l'infrastructure financière fournis par le groupe concerné ;
d) la complexité du groupe concerné ;
e) l'importance des activités transfrontalières du groupe concerné, en distinguant les activités transfrontières entre Etats membres et celles avec un pays tiers.
Chaque critère reçoit une pondération égale et est évalué sur base d'indicateurs quantifiables. La méthodologie utilisée permet de produire un score global d'importance systémique pour chaque EISm et, sur cette base, d'affecter chaque EISm dans une sous-catégorie d'EISm. Les sous-catégories d'EISm et les seuils sont définis en respectant, outre la Directive 2013/36/UE, les normes techniques de l'Autorité bancaire européenne.
La Banque établit en outre un score global supplémentaire pour chaque EISm sur la base de l'ensemble des critères visés à l'alinéa 1er tout en excluant pour le critère visé au e), les activités menées dans les Etats membres participants. Chaque critère reçoit une pondération égale et est évalué sur base d'indicateurs quantifiables. Pour les critères a) à d), le même résultat sera utilisé que dans l'évaluation visé à l'alinéa 2. Sur la base du score supplémentaire, la Banque peut prendre une des mesures visées au paragraphe 3, c).
§ 2. Le montant de l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour EISm dépend de la sous-catégorie à laquelle l'EISm concerné appartient. Celles-ci sont au nombre de cinq minimum. Sauf pour la cinquième sous-catégorie et pour toute sous-catégorie supérieure supplémentaire, les seuils entre les sous-catégories d'EISm sont ordonnancés selon le principe d'une augmentation linéaire de l'importance systémique entre chaque sous-catégorie, qui entraîne une augmentation linéaire de l'exigence de fonds propres de base de catégorie 1 supplémentaires. A la sous-catégorie la plus basse est assigné un pourcentage de 1 % du montant total d'exposition au risque de l'établissement concerné, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 et le pourcentage assigné à chaque sous-catégorie augmente par tranches égales s'élevant au minimum à 0,5 % du montant total d'exposition au risque de l'établissement concerné, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013.
§ 3. La Banque peut ajuster l'affectation dans une sous-catégorie d'EISm visée au paragraphe 1er si elle estime que celui-ci ne reflète pas l'importance systémique de l'entité concernée et
a) affecter une entité dont le score global est inférieur à celui du seuil de la sous-catégorie la plus basse, à cette sous-catégorie ou à une sous-catégorie plus élevée et, par voie de conséquence, qualifier cette entité d'EISm ;
b) réaffecter un EISm d'une sous-catégorie inférieure à une sous-catégorie supérieure ;
c) sur la base du score global supplémentaire visé au paragraphe 1er, alinéa 3 et en tenant compte de l'état d'achèvement du Mécanisme de résolution unique, réaffecter un EISm d'une sous-catégorie supérieure à une sous-catégorie inférieure.
§ 4. Un EISm n'est tenu de satisfaire à l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour EISm que sur une base consolidée.".
"Art. 13. § 1er. La Banque définit, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la méthodologie utilisée pour évaluer si un établissement visé à l'article 12 de la présente Annexe doit être qualifié de EISm, sur base des critères suivants :
a) la taille du groupe concerné ;
b) la corrélation entre le système financier mondial et le groupe concerné ;
c) la faculté de substitution des services ou de l'infrastructure financière fournis par le groupe concerné ;
d) la complexité du groupe concerné ;
e) l'importance des activités transfrontalières du groupe concerné, en distinguant les activités transfrontières entre Etats membres et celles avec un pays tiers.
Chaque critère reçoit une pondération égale et est évalué sur base d'indicateurs quantifiables. La méthodologie utilisée permet de produire un score global d'importance systémique pour chaque EISm et, sur cette base, d'affecter chaque EISm dans une sous-catégorie d'EISm. Les sous-catégories d'EISm et les seuils sont définis en respectant, outre la Directive 2013/36/UE, les normes techniques de l'Autorité bancaire européenne.
La Banque établit en outre un score global supplémentaire pour chaque EISm sur la base de l'ensemble des critères visés à l'alinéa 1er tout en excluant pour le critère visé au e), les activités menées dans les Etats membres participants. Chaque critère reçoit une pondération égale et est évalué sur base d'indicateurs quantifiables. Pour les critères a) à d), le même résultat sera utilisé que dans l'évaluation visé à l'alinéa 2. Sur la base du score supplémentaire, la Banque peut prendre une des mesures visées au paragraphe 3, c).
§ 2. Le montant de l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour EISm dépend de la sous-catégorie à laquelle l'EISm concerné appartient. Celles-ci sont au nombre de cinq minimum. Sauf pour la cinquième sous-catégorie et pour toute sous-catégorie supérieure supplémentaire, les seuils entre les sous-catégories d'EISm sont ordonnancés selon le principe d'une augmentation linéaire de l'importance systémique entre chaque sous-catégorie, qui entraîne une augmentation linéaire de l'exigence de fonds propres de base de catégorie 1 supplémentaires. A la sous-catégorie la plus basse est assigné un pourcentage de 1 % du montant total d'exposition au risque de l'établissement concerné, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 et le pourcentage assigné à chaque sous-catégorie augmente par tranches égales s'élevant au minimum à 0,5 % du montant total d'exposition au risque de l'établissement concerné, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013.
§ 3. La Banque peut ajuster l'affectation dans une sous-catégorie d'EISm visée au paragraphe 1er si elle estime que celui-ci ne reflète pas l'importance systémique de l'entité concernée et
a) affecter une entité dont le score global est inférieur à celui du seuil de la sous-catégorie la plus basse, à cette sous-catégorie ou à une sous-catégorie plus élevée et, par voie de conséquence, qualifier cette entité d'EISm ;
b) réaffecter un EISm d'une sous-catégorie inférieure à une sous-catégorie supérieure ;
c) sur la base du score global supplémentaire visé au paragraphe 1er, alinéa 3 et en tenant compte de l'état d'achèvement du Mécanisme de résolution unique, réaffecter un EISm d'une sous-catégorie supérieure à une sous-catégorie inférieure.
§ 4. Un EISm n'est tenu de satisfaire à l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour EISm que sur une base consolidée.".
Art. 278. Artikel 14 van Bijlage IV van dezelfde wet gewijzigd bij de wet van 18 december 2015 wordt vervangen als volgt:
"Art. 14. § 1. De Bank wijst de BSI's aan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, op basis van de volgende criteria:
a) hun omvang, in voorkomend geval op geconsolideerde basis;
b) hun belang voor de Belgische economie of die van een of meer lidstaten;
c) het belang van hun grensoverschrijdende werkzaamheden;
d) hun correlatie of die van hun groep met het financiële stelsel.
Het reglement houdt rekening met de richtsnoeren die door de Europese Bankautoriteit worden vastgesteld betreffende de in deze paragraaf bedoelde criteria.
§ 2. De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 het bedrag van de tier 1-kernkapitaalbuffer die elke BSI moet aanhouden op geconsolideerde, gesubconsolideerde en individuele basis, in voorkomend geval rekening houdend met de in paragraaf 1 bepaalde criteria. Dit bedrag mag niet groter zijn dan 3 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling dat wordt berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013.
§ 2/1. In afwijking van paragraaf 2 kan het bedrag op een percentage van meer dan 3 % worden gebracht na toestemming van de Europese Commissie.
§ 3. Wanneer zij een buffer voor BSI's eist overeenkomstig de in paragraaf 2 bedoelde methode, neemt de Bank de volgende beginselen in acht:
a) het vereiste van een buffer voor BSI's mag geen onevenredige negatieve gevolgen hebben voor het geheel of voor delen van het financiële stelsel in andere lidstaten of in de Europese Unie als geheel, waardoor het een belemmering vormt of schept voor de werking van de interne markt;
b) het vereiste van een buffer voor BSI's wordt minstens eenmaal per jaar herzien.
§ 4. De Bank deelt aan het ESRB de beslissing mee om het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor BSI's vast te stellen of te wijzigen een maand voor de datum waarop dit vereiste verplicht wordt en drie maanden voor de publicatie van een met toepassing van paragraaf 2/1 genomen beslissing. De mededeling bevat een gedetailleerde beschrijving van de volgende elementen:
a) de redenen waarom de BSI-buffer efficiënt en evenredig kan zijn om het door dit soort onderneming gestelde systeemrisico af te zwakken;
b) het BSI-bufferpercentage dat de Bank voornemens is op te leggen;
c) een beoordeling van de waarschijnlijke positieve of negatieve invloed van de BSI-buffer op de interne markt, op basis van de informatie waarover de Bank beschikt.
§ 5. Een BSI die een dochteronderneming is van:
- een mondiaal systeemrelevante instelling in de zin van artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU, waaraan een vergunning is verleend in een andere lidstaat; of
- een andere systeemrelevante instelling in de zin van artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU, waaraan een vergunning is verleend in een andere lidstaat, die een moederkredietinstelling in een lidstaat of een groep met aan het hoofd een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is en die op geconsolideerde basis is onderworpen aan een tier 1-kernkapitaalbuffer voor andere systeemrelevante instellingen in de zin van artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU,
is op individueel of gesubconsolideerd niveau enkel verplicht te voldoen aan het laagste vereiste tussen:
a) het percentage dat voortvloeit uit de som van het hoogste tier 1-kernkapitaalbufferpercentage voor mondiaal systeemrelevante instellingen of voor andere systeemrelevante instellingen dat op geconsolideerde basis van toepassing is op de groep, en 1 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013; en
b) 3 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013 of, in voorkomend geval, het met toepassing van paragraaf 2/1 van dit artikel vereiste percentage.
§ 6. Indien de som van het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor MSI's of BSI's en het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem- of macroprudentiële risico's zoals berekend met toepassing van artikel 96, § 4 van deze wet hoger is dan 5 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling van de kredietinstelling en/of, in voorkomend geval, van het bedrag van de risicoblootstelling dat voortvloeit uit een of meer van de in artikel 16/1 van deze Bijlage bedoelde segmenten van blootstellingen, zijn de in de paragrafen 2/1 en 4 van dit artikel bepaalde procedures van toepassing.".
"Art. 14. § 1. De Bank wijst de BSI's aan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, op basis van de volgende criteria:
a) hun omvang, in voorkomend geval op geconsolideerde basis;
b) hun belang voor de Belgische economie of die van een of meer lidstaten;
c) het belang van hun grensoverschrijdende werkzaamheden;
d) hun correlatie of die van hun groep met het financiële stelsel.
Het reglement houdt rekening met de richtsnoeren die door de Europese Bankautoriteit worden vastgesteld betreffende de in deze paragraaf bedoelde criteria.
§ 2. De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 het bedrag van de tier 1-kernkapitaalbuffer die elke BSI moet aanhouden op geconsolideerde, gesubconsolideerde en individuele basis, in voorkomend geval rekening houdend met de in paragraaf 1 bepaalde criteria. Dit bedrag mag niet groter zijn dan 3 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling dat wordt berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013.
§ 2/1. In afwijking van paragraaf 2 kan het bedrag op een percentage van meer dan 3 % worden gebracht na toestemming van de Europese Commissie.
§ 3. Wanneer zij een buffer voor BSI's eist overeenkomstig de in paragraaf 2 bedoelde methode, neemt de Bank de volgende beginselen in acht:
a) het vereiste van een buffer voor BSI's mag geen onevenredige negatieve gevolgen hebben voor het geheel of voor delen van het financiële stelsel in andere lidstaten of in de Europese Unie als geheel, waardoor het een belemmering vormt of schept voor de werking van de interne markt;
b) het vereiste van een buffer voor BSI's wordt minstens eenmaal per jaar herzien.
§ 4. De Bank deelt aan het ESRB de beslissing mee om het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor BSI's vast te stellen of te wijzigen een maand voor de datum waarop dit vereiste verplicht wordt en drie maanden voor de publicatie van een met toepassing van paragraaf 2/1 genomen beslissing. De mededeling bevat een gedetailleerde beschrijving van de volgende elementen:
a) de redenen waarom de BSI-buffer efficiënt en evenredig kan zijn om het door dit soort onderneming gestelde systeemrisico af te zwakken;
b) het BSI-bufferpercentage dat de Bank voornemens is op te leggen;
c) een beoordeling van de waarschijnlijke positieve of negatieve invloed van de BSI-buffer op de interne markt, op basis van de informatie waarover de Bank beschikt.
§ 5. Een BSI die een dochteronderneming is van:
- een mondiaal systeemrelevante instelling in de zin van artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU, waaraan een vergunning is verleend in een andere lidstaat; of
- een andere systeemrelevante instelling in de zin van artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU, waaraan een vergunning is verleend in een andere lidstaat, die een moederkredietinstelling in een lidstaat of een groep met aan het hoofd een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is en die op geconsolideerde basis is onderworpen aan een tier 1-kernkapitaalbuffer voor andere systeemrelevante instellingen in de zin van artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU,
is op individueel of gesubconsolideerd niveau enkel verplicht te voldoen aan het laagste vereiste tussen:
a) het percentage dat voortvloeit uit de som van het hoogste tier 1-kernkapitaalbufferpercentage voor mondiaal systeemrelevante instellingen of voor andere systeemrelevante instellingen dat op geconsolideerde basis van toepassing is op de groep, en 1 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013; en
b) 3 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013 of, in voorkomend geval, het met toepassing van paragraaf 2/1 van dit artikel vereiste percentage.
§ 6. Indien de som van het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor MSI's of BSI's en het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem- of macroprudentiële risico's zoals berekend met toepassing van artikel 96, § 4 van deze wet hoger is dan 5 % van het totale bedrag van de risicoblootstelling van de kredietinstelling en/of, in voorkomend geval, van het bedrag van de risicoblootstelling dat voortvloeit uit een of meer van de in artikel 16/1 van deze Bijlage bedoelde segmenten van blootstellingen, zijn de in de paragrafen 2/1 en 4 van dit artikel bepaalde procedures van toepassing.".
Art. 278. L'article 14 de l'Annexe IV de la même loi, modifié par la loi du 18 décembre 2015, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 14, § 1er. § 1er. La Banque désigne, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, les EIS domestiques, sur base des critères suivants :
a) leur taille, le cas échéant sur base consolidée ;
b) leur importance pour l'économie belge ou d'un ou plusieurs Etats membres ;
c) l'importance de leurs activités transfrontalières ;
d) leur corrélation ou celle de leur groupe avec le système financier.
Le règlement tient compte des lignes directrices établies par l'Autorité bancaire européenne concernant les critères visés au présent paragraphe.
§ 2. La Banque définit, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, le montant du coussin de fonds propres de base de catégorie 1 que chaque EIS domestique doit détenir sur base consolidée, sous-consolidée et individuelle, le cas échéant, en tenant compte des critères prévus au paragraphe 1er. Ce montant ne peut excéder 3 % du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3 du Règlement n° 575/2013.
§ 2/1. Par dérogation au paragraphe 2, le taux peut être porté à un taux supérieur à 3 % après autorisation de la Commission européenne.
§ 3. Lorsqu'elle exige un coussin pour EIS domestique conformément à la méthodologie visée au paragraphe 2, la Banque suit les principes suivants :
a) l'exigence de coussin pour EIS domestique ne peut pas entraîner d'effets négatifs disproportionnés pour tout ou partie du système financier dans d'autres Etats membres ou dans l'Union européenne dans son ensemble, formant ou créant une entrave au fonctionnement du marché intérieur ;
b) l'exigence de coussin pour EIS domestique est revue au moins une fois par an.
§ 4. La Banque communique au CERS la décision de fixer ou de modifier l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour EIS domestique un mois avant la date à laquelle de cette exigence est obligatoire et trois mois avant la publication d'une décision prise en application du paragraphe 2/1. La communication comprend une description détaillée des éléments suivants :
a) les raisons pour lesquelles le coussin pour EIS domestique est susceptible d'être efficace et proportionné en vue d'atténuer le risque systémique posé par ce type d'entreprise ;
b) le taux de coussin pour EIS domestique que la Banque compte imposer ;
c) une évaluation de l'incidence positive ou négative probable du coussin pour EIS domestique sur le marché intérieur, sur la base des informations dont dispose la Banque.
§ 5. Un EIS domestique, qui est une filiale :
- d'un établissement d'importance systémique mondiale au sens de l'article 131 de la Directive 2013/36/UE, agréé dans un autre Etat membre ; ou
- d'un autre établissement d'importance systémique au sens de l'article 131 de la Directive 2013/36/UE, agréé dans un autre Etat membre, qui est un établissement de crédit mère dans un Etat membre ou un groupe ayant à sa tête un établissement de crédit mère dans l'EEE, une compagnie financière mère dans l'EEE, une compagnie financière mixte mère dans l'EEE et qui est soumis sur base consolidée à un coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour les autres établissements d'importance systémique au sens de l'article 131 de la Directive 2013/36/UE,
n'est tenu, au niveau individuel ou sous-consolidé, de respecter que l'exigence la moins élevée entre :
a) le pourcentage résultant de la somme du taux le plus élevé entre le taux de coussin de fonds propres de catégorie 1 pour les établissements d'importance systémique mondiale ou pour les autres établissements d'importance systémique applicable au groupe sur base consolidée, et 1 % du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 ; et
b) 3 % du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 ou, le cas échéant, le pourcentage exigé suite à l'application du paragraphe 2/1 du présent article.
§ 6. Lorsque la somme de l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour EISm ou pour EIS domestique et de l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel calculée en application de l'article 96, § 4 de la présente loi est supérieure à 5 % du montant total de l'exposition au risque de l'établissement de crédit et/ou, le cas échéant, du montant de l'exposition au risque résultant d'un ou plusieurs sous-ensembles d'expositions visées à l'article 16/1 de la présente Annexe, les procédures prévues aux paragraphes 2/1 et 4 du présent article sont applicables.".
"Art. 14, § 1er. § 1er. La Banque désigne, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, les EIS domestiques, sur base des critères suivants :
a) leur taille, le cas échéant sur base consolidée ;
b) leur importance pour l'économie belge ou d'un ou plusieurs Etats membres ;
c) l'importance de leurs activités transfrontalières ;
d) leur corrélation ou celle de leur groupe avec le système financier.
Le règlement tient compte des lignes directrices établies par l'Autorité bancaire européenne concernant les critères visés au présent paragraphe.
§ 2. La Banque définit, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, le montant du coussin de fonds propres de base de catégorie 1 que chaque EIS domestique doit détenir sur base consolidée, sous-consolidée et individuelle, le cas échéant, en tenant compte des critères prévus au paragraphe 1er. Ce montant ne peut excéder 3 % du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3 du Règlement n° 575/2013.
§ 2/1. Par dérogation au paragraphe 2, le taux peut être porté à un taux supérieur à 3 % après autorisation de la Commission européenne.
§ 3. Lorsqu'elle exige un coussin pour EIS domestique conformément à la méthodologie visée au paragraphe 2, la Banque suit les principes suivants :
a) l'exigence de coussin pour EIS domestique ne peut pas entraîner d'effets négatifs disproportionnés pour tout ou partie du système financier dans d'autres Etats membres ou dans l'Union européenne dans son ensemble, formant ou créant une entrave au fonctionnement du marché intérieur ;
b) l'exigence de coussin pour EIS domestique est revue au moins une fois par an.
§ 4. La Banque communique au CERS la décision de fixer ou de modifier l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour EIS domestique un mois avant la date à laquelle de cette exigence est obligatoire et trois mois avant la publication d'une décision prise en application du paragraphe 2/1. La communication comprend une description détaillée des éléments suivants :
a) les raisons pour lesquelles le coussin pour EIS domestique est susceptible d'être efficace et proportionné en vue d'atténuer le risque systémique posé par ce type d'entreprise ;
b) le taux de coussin pour EIS domestique que la Banque compte imposer ;
c) une évaluation de l'incidence positive ou négative probable du coussin pour EIS domestique sur le marché intérieur, sur la base des informations dont dispose la Banque.
§ 5. Un EIS domestique, qui est une filiale :
- d'un établissement d'importance systémique mondiale au sens de l'article 131 de la Directive 2013/36/UE, agréé dans un autre Etat membre ; ou
- d'un autre établissement d'importance systémique au sens de l'article 131 de la Directive 2013/36/UE, agréé dans un autre Etat membre, qui est un établissement de crédit mère dans un Etat membre ou un groupe ayant à sa tête un établissement de crédit mère dans l'EEE, une compagnie financière mère dans l'EEE, une compagnie financière mixte mère dans l'EEE et qui est soumis sur base consolidée à un coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour les autres établissements d'importance systémique au sens de l'article 131 de la Directive 2013/36/UE,
n'est tenu, au niveau individuel ou sous-consolidé, de respecter que l'exigence la moins élevée entre :
a) le pourcentage résultant de la somme du taux le plus élevé entre le taux de coussin de fonds propres de catégorie 1 pour les établissements d'importance systémique mondiale ou pour les autres établissements d'importance systémique applicable au groupe sur base consolidée, et 1 % du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 ; et
b) 3 % du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 ou, le cas échéant, le pourcentage exigé suite à l'application du paragraphe 2/1 du présent article.
§ 6. Lorsque la somme de l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour EISm ou pour EIS domestique et de l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel calculée en application de l'article 96, § 4 de la présente loi est supérieure à 5 % du montant total de l'exposition au risque de l'établissement de crédit et/ou, le cas échéant, du montant de l'exposition au risque résultant d'un ou plusieurs sous-ensembles d'expositions visées à l'article 16/1 de la présente Annexe, les procédures prévues aux paragraphes 2/1 et 4 du présent article sont applicables.".
Art. 279. Artikel 16 van Bijlage IV van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 16. § 1. De Bank kan, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, eisen dat de kredietinstellingen over een tier 1-kernkapitaalbuffer beschikken om te anticiperen op en de impact te verzwakken van de systeem- of macroprudentiële risico's die niet vallen onder Verordening nr. 575/2013 en de Afdelingen I en II van dit Hoofdstuk. Deze systeem- of macroprudentiële risico's zijn structurele risico's op verstoring van het financiële stelsel die ernstige gevolgen kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel en de reële economie in België. Het reglement dat door de Bank wordt vastgesteld met toepassing van deze paragraaf voldoet aan de in paragraaf 2 en de in de artikelen 16/1 tot 22 van deze Bijlage bepaalde vereisten.
§ 2. Het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's geldt op individuele, gesubconsolideerde en geconsolideerde basis, overeenkomstig Titel II van Deel 1 van Verordening nr. 575/2013, voor alle kredietinstellingen of voor een of meer deelgroepen van kredietinstellingen, gegroepeerd volgens gelijkaardige werkzaamheden of risicoprofielen.".
"Art. 16. § 1. De Bank kan, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, eisen dat de kredietinstellingen over een tier 1-kernkapitaalbuffer beschikken om te anticiperen op en de impact te verzwakken van de systeem- of macroprudentiële risico's die niet vallen onder Verordening nr. 575/2013 en de Afdelingen I en II van dit Hoofdstuk. Deze systeem- of macroprudentiële risico's zijn structurele risico's op verstoring van het financiële stelsel die ernstige gevolgen kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel en de reële economie in België. Het reglement dat door de Bank wordt vastgesteld met toepassing van deze paragraaf voldoet aan de in paragraaf 2 en de in de artikelen 16/1 tot 22 van deze Bijlage bepaalde vereisten.
§ 2. Het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's geldt op individuele, gesubconsolideerde en geconsolideerde basis, overeenkomstig Titel II van Deel 1 van Verordening nr. 575/2013, voor alle kredietinstellingen of voor een of meer deelgroepen van kredietinstellingen, gegroepeerd volgens gelijkaardige werkzaamheden of risicoprofielen.".
Art. 279. L'article 16 de l'Annexe IV de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 16. § 1er. La Banque peut, par un règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, requérir que les établissements de crédit disposent d'un coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour anticiper ou atténuer l'impact des risques systémiques ou macroprudentiels, qui ne sont pas couverts par le Règlement n° 575/2013 et les Sections Ire et II du présent Chapitre. Ces risques systémiques ou macroprudentiels consistent dans les risques structurels de perturbation du système financier susceptibles d'avoir de graves répercussions sur la stabilité du système financier et l'économie réelle en Belgique. Le règlement adopté par la Banque en application du présent paragraphe respecte les exigences prévues au paragraphe 2 et aux articles 16/1 à 22 de la présente Annexe.
§ 2. L'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel s'applique sur base individuelle, sous consolidée et sur base consolidée conformément au Titre II de la Première Partie du Règlement n° 575/2013, à tous les établissements de crédit ou à un ou plusieurs sous-groupes d'établissements de crédit, regroupés selon des critères d'activités ou de profils de risque similaires.".
"Art. 16. § 1er. La Banque peut, par un règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, requérir que les établissements de crédit disposent d'un coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour anticiper ou atténuer l'impact des risques systémiques ou macroprudentiels, qui ne sont pas couverts par le Règlement n° 575/2013 et les Sections Ire et II du présent Chapitre. Ces risques systémiques ou macroprudentiels consistent dans les risques structurels de perturbation du système financier susceptibles d'avoir de graves répercussions sur la stabilité du système financier et l'économie réelle en Belgique. Le règlement adopté par la Banque en application du présent paragraphe respecte les exigences prévues au paragraphe 2 et aux articles 16/1 à 22 de la présente Annexe.
§ 2. L'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel s'applique sur base individuelle, sous consolidée et sur base consolidée conformément au Titre II de la Première Partie du Règlement n° 575/2013, à tous les établissements de crédit ou à un ou plusieurs sous-groupes d'établissements de crédit, regroupés selon des critères d'activités ou de profils de risque similaires.".
Art. 280. In Bijlage IV van dezelfde wet wordt een artikel 16/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 16/1. Wanneer zij het in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde reglement vaststelt, kan de Bank zich voor de berekening van het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem- of macroprudentiële risico's baseren op alle risicoblootstellingen van de kredietinstelling en/of op een of meer van de volgende segmenten van blootstellingen:
a) alle blootstellingen die gesitueerd zijn in België;
b) de onderstaande sectorale blootstellingen in België:
i) alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen ten aanzien van natuurlijke personen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed;
ii) alle blootstellingen ten aanzien van rechtspersonen die door hypotheken op zakelijk onroerend goed zijn gedekt;
iii) alle blootstellingen ten aanzien van rechtspersonen met uitzondering van de in punt ii) genoemde;
iv) alle blootstellingen ten aanzien van natuurlijke personen met uitzondering van de in punt i) genoemde;
c) alle blootstellingen in andere lidstaten, onverminderd de artikelen 17, § 3 en 20 van deze Bijlage;
d) slechts voor de erkenning van een door een andere lidstaat overeenkomstig artikel 22 van deze Bijlage vastgesteld bufferpercentage, de in punt b) van deze paragraaf bedoelde sectorale blootstellingen die gesitueerd zijn in andere lidstaten;
e) blootstellingen die gesitueerd zijn in derde landen; en
f) segmenten van de in punt b) genoemde blootstellingscategorieën.".
"Art. 16/1. Wanneer zij het in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde reglement vaststelt, kan de Bank zich voor de berekening van het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem- of macroprudentiële risico's baseren op alle risicoblootstellingen van de kredietinstelling en/of op een of meer van de volgende segmenten van blootstellingen:
a) alle blootstellingen die gesitueerd zijn in België;
b) de onderstaande sectorale blootstellingen in België:
i) alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen ten aanzien van natuurlijke personen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed;
ii) alle blootstellingen ten aanzien van rechtspersonen die door hypotheken op zakelijk onroerend goed zijn gedekt;
iii) alle blootstellingen ten aanzien van rechtspersonen met uitzondering van de in punt ii) genoemde;
iv) alle blootstellingen ten aanzien van natuurlijke personen met uitzondering van de in punt i) genoemde;
c) alle blootstellingen in andere lidstaten, onverminderd de artikelen 17, § 3 en 20 van deze Bijlage;
d) slechts voor de erkenning van een door een andere lidstaat overeenkomstig artikel 22 van deze Bijlage vastgesteld bufferpercentage, de in punt b) van deze paragraaf bedoelde sectorale blootstellingen die gesitueerd zijn in andere lidstaten;
e) blootstellingen die gesitueerd zijn in derde landen; en
f) segmenten van de in punt b) genoemde blootstellingscategorieën.".
Art. 280. Dans l'Annexe IV de la même loi, il est inséré un article 16/1 rédigé comme suit :
"Art. 16/1. Lorsqu'elle adopte le règlement visé à l'article 16, § 1er de la présente Annexe, la Banque peut baser l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel sur l'ensemble des expositions au risque de l'établissement de crédit et/ou sur un ou plusieurs sous-ensembles d'expositions suivants :
a) toutes les expositions situées en Belgique ;
b) les expositions sectorielles en Belgique qui consistent en :
i) toutes les expositions sur la clientèle de détail portant sur des personnes physiques, qui sont garanties par un bien immobilier résidentiel ;
ii) toutes les expositions portant sur des personnes morales, qui sont garanties par une hypothèque sur un bien immobilier commercial ;
iii) toutes les expositions portant sur des personnes morales, à l'exclusion des expositions visées au point ii) ;
iv) toutes les expositions portant sur des personnes physiques, à l'exclusion des expositions visées au point i) ;
c) toutes les expositions situées dans d'autres Etats membres, sans préjudice des articles 17, § 3 et 20 de la présente Annexe ;
d) à la seule fin de permettre la reconnaissance d'un taux de coussin fixé par un autre Etat membre conformément à l'article 22 de la présente Annexe, les expositions sectorielles visées au point b) du présent paragraphe qui sont situées dans d'autres Etats membres ;
e) des expositions situées dans des pays tiers ; et
f) des sous-ensembles des catégories d'expositions énumérées au point b).".
"Art. 16/1. Lorsqu'elle adopte le règlement visé à l'article 16, § 1er de la présente Annexe, la Banque peut baser l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel sur l'ensemble des expositions au risque de l'établissement de crédit et/ou sur un ou plusieurs sous-ensembles d'expositions suivants :
a) toutes les expositions situées en Belgique ;
b) les expositions sectorielles en Belgique qui consistent en :
i) toutes les expositions sur la clientèle de détail portant sur des personnes physiques, qui sont garanties par un bien immobilier résidentiel ;
ii) toutes les expositions portant sur des personnes morales, qui sont garanties par une hypothèque sur un bien immobilier commercial ;
iii) toutes les expositions portant sur des personnes morales, à l'exclusion des expositions visées au point ii) ;
iv) toutes les expositions portant sur des personnes physiques, à l'exclusion des expositions visées au point i) ;
c) toutes les expositions situées dans d'autres Etats membres, sans préjudice des articles 17, § 3 et 20 de la présente Annexe ;
d) à la seule fin de permettre la reconnaissance d'un taux de coussin fixé par un autre Etat membre conformément à l'article 22 de la présente Annexe, les expositions sectorielles visées au point b) du présent paragraphe qui sont situées dans d'autres Etats membres ;
e) des expositions situées dans des pays tiers ; et
f) des sous-ensembles des catégories d'expositions énumérées au point b).".
Art. 281. In Bijlage IV van dezelfde wet wordt een artikel 16/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 16/2. De Bank stelt het percentage en/of de percentages van de tier 1-kapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's vast in schijven van 0,5 percentpunt of veelvouden van 0,5 percentpunt, overeenkomstig de artikelen 17 tot en met 20 van deze Bijlage.".
"Art. 16/2. De Bank stelt het percentage en/of de percentages van de tier 1-kapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's vast in schijven van 0,5 percentpunt of veelvouden van 0,5 percentpunt, overeenkomstig de artikelen 17 tot en met 20 van deze Bijlage.".
Art. 281. Dans l'Annexe IV de la même loi, il est inséré un article 16/2 rédigé comme suit :
"Art. 16/2. La Banque fixe le et/ou les taux de coussin de fonds propres de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel par tranches de 0,5 point de pourcentage ou de multiples de 0,5 point de pourcentage, conformément aux articles 17 à 20 de la présente Annexe.".
"Art. 16/2. La Banque fixe le et/ou les taux de coussin de fonds propres de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel par tranches de 0,5 point de pourcentage ou de multiples de 0,5 point de pourcentage, conformément aux articles 17 à 20 de la présente Annexe.".
Art. 282. In Bijlage IV van dezelfde wet wordt een artikel 16/3 ingevoegd, luidende:
"Art. 16/3. De Bank kan gedifferentieerde tier 1-kapitaalbufferpercentages voor systeem- of macroprudentiële risico's toepassen die betrekking hebben op alle blootstellingen en/of op een segment van blootstellingen als bedoeld in artikel 16/1 van deze Bijlage voor alle kredietinstellingen of voor een of meer deelgroepen van kredietinstellingen als bedoeld in artikel 16, § 2 van deze Bijlage.".
"Art. 16/3. De Bank kan gedifferentieerde tier 1-kapitaalbufferpercentages voor systeem- of macroprudentiële risico's toepassen die betrekking hebben op alle blootstellingen en/of op een segment van blootstellingen als bedoeld in artikel 16/1 van deze Bijlage voor alle kredietinstellingen of voor een of meer deelgroepen van kredietinstellingen als bedoeld in artikel 16, § 2 van deze Bijlage.".
Art. 282. Dans l'Annexe IV de la même loi, il est inséré un article 16/3 rédigé comme suit :
"Art. 16/3. La Banque peut appliquer des taux de coussin de fonds propres de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel différenciés portant sur toutes les expositions et/ou sur un sous-ensemble d'expositions visés à l'article 16/1 de la présente Annexe pour tous les établissements de crédit ou pour un ou plusieurs sous-groupes d'établissements de crédit visés à l'article 16, § 2 de la présente Annexe.".
"Art. 16/3. La Banque peut appliquer des taux de coussin de fonds propres de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel différenciés portant sur toutes les expositions et/ou sur un sous-ensemble d'expositions visés à l'article 16/1 de la présente Annexe pour tous les établissements de crédit ou pour un ou plusieurs sous-groupes d'établissements de crédit visés à l'article 16, § 2 de la présente Annexe.".
Art. 283. In Bijlage IV van dezelfde wet wordt een artikel 16/4 ingevoegd, luidende:
"Art. 16/4. Bij het opleggen van de verplichting om een buffer voor systeem- of macroprudentiële risico's aan te houden, neemt de Bank de volgende beginselen in acht:
a) de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's mag geen onevenredige negatieve gevolgen hebben voor het geheel of delen van het financiële stelsel in andere lidstaten of in de Europese Unie als geheel, of een belemmering vormen of scheppen voor de werking van de interne markt;
b) het percentage van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's wordt minstens om de twee jaar herzien.
c) de tier 1-kapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's is niet van toepassing op de risico's die worden gedekt door de tier 1-kernkapitaalbuffervereisten zoals vastgesteld in de Afdelingen I en II van dit Hoofdstuk.".
"Art. 16/4. Bij het opleggen van de verplichting om een buffer voor systeem- of macroprudentiële risico's aan te houden, neemt de Bank de volgende beginselen in acht:
a) de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's mag geen onevenredige negatieve gevolgen hebben voor het geheel of delen van het financiële stelsel in andere lidstaten of in de Europese Unie als geheel, of een belemmering vormen of scheppen voor de werking van de interne markt;
b) het percentage van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's wordt minstens om de twee jaar herzien.
c) de tier 1-kapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's is niet van toepassing op de risico's die worden gedekt door de tier 1-kernkapitaalbuffervereisten zoals vastgesteld in de Afdelingen I en II van dit Hoofdstuk.".
Art. 283. Dans l'Annexe IV de la même loi, il est inséré un article 16/4 rédigé comme suit :
"Art. 16/4. Lorsqu'elle impose un coussin pour le risque systémique ou macroprudentiel, la Banque respecte les principes suivants :
a) le coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ne doit pas entraîner d'effets négatifs disproportionnés pour tout ou partie du système financier d'autres Etats membres ou de l'Union européenne dans son ensemble ou constituer une entrave au bon fonctionnement du marché intérieur ;
b) le taux du coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel est revu tous les deux ans au moins.
c) le coussin de fonds propres de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ne couvre pas les risques qui sont couverts par les exigences de coussins de fonds propres de base de catégorie 1 définis aux Sections I et II du présent Chapitre.".
"Art. 16/4. Lorsqu'elle impose un coussin pour le risque systémique ou macroprudentiel, la Banque respecte les principes suivants :
a) le coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ne doit pas entraîner d'effets négatifs disproportionnés pour tout ou partie du système financier d'autres Etats membres ou de l'Union européenne dans son ensemble ou constituer une entrave au bon fonctionnement du marché intérieur ;
b) le taux du coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel est revu tous les deux ans au moins.
c) le coussin de fonds propres de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ne couvre pas les risques qui sont couverts par les exigences de coussins de fonds propres de base de catégorie 1 définis aux Sections I et II du présent Chapitre.".
Art. 284. In Bijlage IV van dezelfde wet wordt een artikel 16/5 ingevoegd, luidende:
"Art. 16/5. Voor de berekening van het toepasselijke tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem- of macroprudentiële risico's gebruiken de kredietinstellingen de volgende formule:
BSR = Rt x Et + Σi Ri x Ei
Waarbij:
"BSR" het vereiste is van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's;
"Rt" het percentage is van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's dat geldt voor het totale bedrag van de risicoblootstelling van de kredietinstelling;
"Et" het totale bedrag is van de risicoblootstelling van de kredietinstelling zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013;
"i" de index is die het segment van blootstellingen als bedoeld in artikel 16/1 van deze Bijlage aangeeft;
"Ri" het percentage is van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's dat geldt voor het bedrag van de risicoblootstelling als gevolg van het segment van blootstellingen i;
"Ei" het bedrag is van de risicoblootstelling van de kredietinstelling als gevolg van het segment van blootstellingen i, zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013.".
"Art. 16/5. Voor de berekening van het toepasselijke tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem- of macroprudentiële risico's gebruiken de kredietinstellingen de volgende formule:
BSR = Rt x Et + Σi Ri x Ei
Waarbij:
"BSR" het vereiste is van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's;
"Rt" het percentage is van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's dat geldt voor het totale bedrag van de risicoblootstelling van de kredietinstelling;
"Et" het totale bedrag is van de risicoblootstelling van de kredietinstelling zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013;
"i" de index is die het segment van blootstellingen als bedoeld in artikel 16/1 van deze Bijlage aangeeft;
"Ri" het percentage is van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's dat geldt voor het bedrag van de risicoblootstelling als gevolg van het segment van blootstellingen i;
"Ei" het bedrag is van de risicoblootstelling van de kredietinstelling als gevolg van het segment van blootstellingen i, zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van Verordening nr. 575/2013.".
Art. 284. Dans l'Annexe IV de la même loi, il est inséré un article 16/5 rédigé comme suit :
"Art. 16/5. Pour le calcul de l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel applicable, les établissements de crédit utilisent la formule suivante :
CRS = Tt x Et + Σi Ti x Ei
dans laquelle :
"CRS" est l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ;
"Tt" est le taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel applicable au montant total de l'exposition au risque de l'établissement de crédit ;
"Et" est le montant total de l'exposition au risque de l'établissement de crédit calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 ;
"i" est l'indice désignant le sous-ensemble d'expositions visé à l'article 16/1 de la présente Annexe ;
"Ti" est le taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel applicable au montant de l'exposition au risque résultant du sous-ensemble d'expositions i ;
"Ei" est le montant de l'exposition au risque de l'établissement de crédit résultant du sous- ensemble d'expositions i, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013.".
"Art. 16/5. Pour le calcul de l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel applicable, les établissements de crédit utilisent la formule suivante :
CRS = Tt x Et + Σi Ti x Ei
dans laquelle :
"CRS" est l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ;
"Tt" est le taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel applicable au montant total de l'exposition au risque de l'établissement de crédit ;
"Et" est le montant total de l'exposition au risque de l'établissement de crédit calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 ;
"i" est l'indice désignant le sous-ensemble d'expositions visé à l'article 16/1 de la présente Annexe ;
"Ti" est le taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel applicable au montant de l'exposition au risque résultant du sous-ensemble d'expositions i ;
"Ei" est le montant de l'exposition au risque de l'établissement de crédit résultant du sous- ensemble d'expositions i, calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013.".
Art. 285. Artikel 17 van Bijlage IV van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 17. § 1. Alvorens het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's vast te stellen op een percentage dat geldt voor het totale bedrag van de risicoblootstelling en/of, in voorkomend geval, op een of meer percentages die gelden voor een of meer segmenten van blootstellingen, wat voor geen enkele van de blootstellingen resulteert in een totaal percentage van meer dan 3 %, brengt de Bank haar in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde ontwerp van reglement ter kennis van het ESRB, ook wanneer dit vereiste betrekking heeft op blootstellingen die gesitueerd zijn in derde landen. Zij doet hetzelfde ten aanzien van de aangewezen autoriteiten van de lidstaten waaronder de moederondernemingen ressorteren van de kredietinstellingen waarvoor een of meer percentages van tier 1-kernkapitaalbuffers voor systeem- of macroprudentiële risico's gelden.
De erkenning van een door een andere lidstaat overeenkomstig artikel 22 van deze Bijlage vastgesteld tier 1-kernkapitaalbufferpercentage voor systeem- of macroprudentiële risico's wordt niet meegerekend voor de drempel van 3 % als bedoeld in het eerste lid.
De kennisgeving bevat een gedetailleerde beschrijving van:
a) het in paragraaf 1 bedoelde systeem- of macroprudentiële risico in België;
b) de redenen waarom de omvang van dit systeem- en macroprudentieel risico een bedreiging vormt voor de stabiliteit van het nationale financiële stelsel;
c) het geldende percentage of de geldende percentages van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's dat of die de Bank voornemens is vast te stellen, alsook de blootstellingen waarvoor het percentage of de percentages gelden en de kredietinstellingen waarop dit of deze van toepassing zal of zullen zijn;
d) de redenen waarom de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's een efficiënt en evenredig bevonden maatregel uitmaakt om het risico af te zwakken;
e) een beoordeling van de positieve of negatieve invloed van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's op de interne markt, op grond van de informatie die voor de Bank beschikbaar is;
f) wanneer het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- en macroprudentiële risico's van toepassing is op alle risicoblootstellingen van de kredietinstelling, de redenen waarom dit vereiste geen overlapping is van het vereiste dat voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van de in artikel 14 van deze Bijlage bepaalde tier 1-kernkapitaalbuffer voor BSI's.
§ 2. De Bank kan overgaan tot de in artikel 21 van deze Bijlage bedoelde bekendmaking een maand na de in paragraaf 1 bedoelde kennisgevingen.
§ 3. Wanneer het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem- of macroprudentiële risico's door de Bank is vastgesteld op basis van risicoblootstellingen die zich in een andere lidstaat bevinden, heeft dit vereiste betrekking op het geheel van risicoblootstellingen in alle andere lidstaten, tenzij dit vereiste wordt ingesteld om het door een andere lidstaat overeenkomstig artikel 22 van deze Bijlage vastgestelde systeemrisicobufferpercentage te erkennen.".
"Art. 17. § 1. Alvorens het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's vast te stellen op een percentage dat geldt voor het totale bedrag van de risicoblootstelling en/of, in voorkomend geval, op een of meer percentages die gelden voor een of meer segmenten van blootstellingen, wat voor geen enkele van de blootstellingen resulteert in een totaal percentage van meer dan 3 %, brengt de Bank haar in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde ontwerp van reglement ter kennis van het ESRB, ook wanneer dit vereiste betrekking heeft op blootstellingen die gesitueerd zijn in derde landen. Zij doet hetzelfde ten aanzien van de aangewezen autoriteiten van de lidstaten waaronder de moederondernemingen ressorteren van de kredietinstellingen waarvoor een of meer percentages van tier 1-kernkapitaalbuffers voor systeem- of macroprudentiële risico's gelden.
De erkenning van een door een andere lidstaat overeenkomstig artikel 22 van deze Bijlage vastgesteld tier 1-kernkapitaalbufferpercentage voor systeem- of macroprudentiële risico's wordt niet meegerekend voor de drempel van 3 % als bedoeld in het eerste lid.
De kennisgeving bevat een gedetailleerde beschrijving van:
a) het in paragraaf 1 bedoelde systeem- of macroprudentiële risico in België;
b) de redenen waarom de omvang van dit systeem- en macroprudentieel risico een bedreiging vormt voor de stabiliteit van het nationale financiële stelsel;
c) het geldende percentage of de geldende percentages van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's dat of die de Bank voornemens is vast te stellen, alsook de blootstellingen waarvoor het percentage of de percentages gelden en de kredietinstellingen waarop dit of deze van toepassing zal of zullen zijn;
d) de redenen waarom de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's een efficiënt en evenredig bevonden maatregel uitmaakt om het risico af te zwakken;
e) een beoordeling van de positieve of negatieve invloed van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's op de interne markt, op grond van de informatie die voor de Bank beschikbaar is;
f) wanneer het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- en macroprudentiële risico's van toepassing is op alle risicoblootstellingen van de kredietinstelling, de redenen waarom dit vereiste geen overlapping is van het vereiste dat voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van de in artikel 14 van deze Bijlage bepaalde tier 1-kernkapitaalbuffer voor BSI's.
§ 2. De Bank kan overgaan tot de in artikel 21 van deze Bijlage bedoelde bekendmaking een maand na de in paragraaf 1 bedoelde kennisgevingen.
§ 3. Wanneer het tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem- of macroprudentiële risico's door de Bank is vastgesteld op basis van risicoblootstellingen die zich in een andere lidstaat bevinden, heeft dit vereiste betrekking op het geheel van risicoblootstellingen in alle andere lidstaten, tenzij dit vereiste wordt ingesteld om het door een andere lidstaat overeenkomstig artikel 22 van deze Bijlage vastgestelde systeemrisicobufferpercentage te erkennen.".
Art. 285. L'article 17 de l'Annexe IV de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 17. § 1er. Avant de porter l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel à un taux applicable au montant total de l'exposition au risque et/ou, le cas échéant, à un ou plusieurs taux applicables à un ou plusieurs sous-ensembles d'expositions, ne donnant lieu pour aucune des expositions concernées à un taux total dépassant 3 %, la Banque notifie son projet de règlement visé à l'article 16, § 1er de la présente Annexe au CERS, y compris lorsque cette exigence porte sur des expositions situées dans des pays tiers. Elle fait de même à l'égard des autorités désignées des Etats membres dont relèvent les entreprises mères des établissements de crédit auxquels s'appliquent un ou plusieurs taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel.
La reconnaissance d'un taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel fixé par un autre Etat membre conformément à l'article 22 de la présente Annexe n'entre pas dans le calcul du seuil de 3 % visé à l'alinéa 1er.
La notification comprend une description détaillée :
a) du risque systémique ou macroprudentiel en Belgique visé au paragraphe 1er ;
b) des raisons pour lesquelles l'ampleur de ce risque systémique ou macroprudentiel représente une menace pour la stabilité du système financier national ;
c) du taux ou des taux applicables de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel que la Banque entend fixer, ainsi que les expositions auxquelles le ou les taux s'appliquent et les établissements de crédit qui y seront soumis ;
d) des raisons pour lesquelles le coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel constitue une mesure jugée efficace et proportionnée pour atténuer l'intensité du risque ;
e) d'une évaluation de l'incidence positive ou négative du coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel sur le marché intérieur, fondée sur les informations disponibles pour la Banque ;
f) lorsque l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel s'applique à l'ensemble de l'exposition au risque de l'établissement de crédit, des raisons pour lesquelles cette exigence ne fait pas double emploi avec celle résultant de la mise en oeuvre du coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour EIS domestique prévu à l'article 14 de la présente Annexe.
§ 2. La Banque peut procéder à la publication visée à l'article 21 de la présente Annexe un mois après les notifications visées au paragraphe 1er.
§ 3. Lorsque l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel est fixée par la Banque sur base d'expositions au risque situées dans un autre Etat membre, cette exigence porte sur l'ensemble des expositions au risque situées dans tous les autres Etats membres, sauf si cette exigence est fixée de manière à reconnaître le taux de coussin pour le risque systémique fixé par un autre Etat membre conformément à l'article 22 de la présente Annexe.".
"Art. 17. § 1er. Avant de porter l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel à un taux applicable au montant total de l'exposition au risque et/ou, le cas échéant, à un ou plusieurs taux applicables à un ou plusieurs sous-ensembles d'expositions, ne donnant lieu pour aucune des expositions concernées à un taux total dépassant 3 %, la Banque notifie son projet de règlement visé à l'article 16, § 1er de la présente Annexe au CERS, y compris lorsque cette exigence porte sur des expositions situées dans des pays tiers. Elle fait de même à l'égard des autorités désignées des Etats membres dont relèvent les entreprises mères des établissements de crédit auxquels s'appliquent un ou plusieurs taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel.
La reconnaissance d'un taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel fixé par un autre Etat membre conformément à l'article 22 de la présente Annexe n'entre pas dans le calcul du seuil de 3 % visé à l'alinéa 1er.
La notification comprend une description détaillée :
a) du risque systémique ou macroprudentiel en Belgique visé au paragraphe 1er ;
b) des raisons pour lesquelles l'ampleur de ce risque systémique ou macroprudentiel représente une menace pour la stabilité du système financier national ;
c) du taux ou des taux applicables de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel que la Banque entend fixer, ainsi que les expositions auxquelles le ou les taux s'appliquent et les établissements de crédit qui y seront soumis ;
d) des raisons pour lesquelles le coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel constitue une mesure jugée efficace et proportionnée pour atténuer l'intensité du risque ;
e) d'une évaluation de l'incidence positive ou négative du coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel sur le marché intérieur, fondée sur les informations disponibles pour la Banque ;
f) lorsque l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel s'applique à l'ensemble de l'exposition au risque de l'établissement de crédit, des raisons pour lesquelles cette exigence ne fait pas double emploi avec celle résultant de la mise en oeuvre du coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour EIS domestique prévu à l'article 14 de la présente Annexe.
§ 2. La Banque peut procéder à la publication visée à l'article 21 de la présente Annexe un mois après les notifications visées au paragraphe 1er.
§ 3. Lorsque l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel est fixée par la Banque sur base d'expositions au risque situées dans un autre Etat membre, cette exigence porte sur l'ensemble des expositions au risque situées dans tous les autres Etats membres, sauf si cette exigence est fixée de manière à reconnaître le taux de coussin pour le risque systémique fixé par un autre Etat membre conformément à l'article 22 de la présente Annexe.".
Art. 286. In Bijlage IV van dezelfde wet wordt een artikel 17/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 17/1. Artikel 17, § 1 van deze Bijlage is van toepassing bij een verlaging of handhaving van het eerder vastgestelde percentage en/of de eerder vastgestelde percentages van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's.".
"Art. 17/1. Artikel 17, § 1 van deze Bijlage is van toepassing bij een verlaging of handhaving van het eerder vastgestelde percentage en/of de eerder vastgestelde percentages van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's.".
Art. 286. Dans l'Annexe IV de la même loi, il est inséré un article 17/1 rédigé comme suit :
"Art. 17/1. L'article 17, § 1er de la présente Annexe est applicable en cas de diminution ou de maintien du taux et/ou des taux de coussin de fonds propres de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel précédemment fixés.".
"Art. 17/1. L'article 17, § 1er de la présente Annexe est applicable en cas de diminution ou de maintien du taux et/ou des taux de coussin de fonds propres de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel précédemment fixés.".
Art. 287. Artikel 18 van Bijlage IV van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 18. Ingeval het in artikel 17, § 1 van deze Bijlage bedoelde percentage op een totaal percentage tussen 3 % en 5 % wordt gebracht, vraagt de Bank het advies van de Europese Commissie in de overeenkomstig de voornoemde paragraaf 1 gedane kennisgeving en kan zij de vaststelling van het in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde reglement pas afronden na ontvangst van dit advies. Indien zij dit advies niet volgt, legt de Bank de redenen daarvoor uit in haar reglement.".
"Art. 18. Ingeval het in artikel 17, § 1 van deze Bijlage bedoelde percentage op een totaal percentage tussen 3 % en 5 % wordt gebracht, vraagt de Bank het advies van de Europese Commissie in de overeenkomstig de voornoemde paragraaf 1 gedane kennisgeving en kan zij de vaststelling van het in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde reglement pas afronden na ontvangst van dit advies. Indien zij dit advies niet volgt, legt de Bank de redenen daarvoor uit in haar reglement.".
Art. 287. L'article 18 de l'Annexe IV de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 18. Dans le cas où le taux total visé à l'article 17, § 1er de la présente Annexe est porté à un pourcentage se situant entre 3 % et 5 %, la Banque demande, dans la notification adressée conformément au paragraphe 1er précité, l'avis de la Commission européenne et ne peut finaliser l'adoption du règlement visé à l'article 16, § 1er de la présente Annexe qu'après avoir reçu cet avis. Si elle ne se conforme pas audit avis, la Banque en explique les raisons dans son règlement.".
"Art. 18. Dans le cas où le taux total visé à l'article 17, § 1er de la présente Annexe est porté à un pourcentage se situant entre 3 % et 5 %, la Banque demande, dans la notification adressée conformément au paragraphe 1er précité, l'avis de la Commission européenne et ne peut finaliser l'adoption du règlement visé à l'article 16, § 1er de la présente Annexe qu'après avoir reçu cet avis. Si elle ne se conforme pas audit avis, la Banque en explique les raisons dans son règlement.".
Art. 288. Artikel 19 van Bijlage IV van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 19. Wanneer het in artikel 17, § 1 van deze Bijlage bedoelde totale percentage voor systeem- of macroprudentiële risico's tussen 3 % en 5 % ligt en een of meer bufferpercentages voor systeem- of macroprudentiële risico's worden opgelegd aan een kredietinstelling waarvan de moederonderneming onder een andere lidstaat ressorteert, wordt bij de in artikel 17, § 1 van deze Bijlage bedoelde kennisgeving een verzoek om een aanbeveling van het ESRB en de Europese Commissie gevoegd.
In geval van een negatief advies van de Europese Commissie en van het ESRB of indien de in artikel 17, § 1, eerste lid van deze Bijlage bedoelde autoriteiten van mening verschillen, kan de Bank de zaak voorleggen aan de Europese Bankautoriteit en laatstgenoemde om een bemiddeling verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010. De beslissing van de Bank wordt opgeschort totdat de Europese Bankautoriteit een beslissing heeft genomen.".
"Art. 19. Wanneer het in artikel 17, § 1 van deze Bijlage bedoelde totale percentage voor systeem- of macroprudentiële risico's tussen 3 % en 5 % ligt en een of meer bufferpercentages voor systeem- of macroprudentiële risico's worden opgelegd aan een kredietinstelling waarvan de moederonderneming onder een andere lidstaat ressorteert, wordt bij de in artikel 17, § 1 van deze Bijlage bedoelde kennisgeving een verzoek om een aanbeveling van het ESRB en de Europese Commissie gevoegd.
In geval van een negatief advies van de Europese Commissie en van het ESRB of indien de in artikel 17, § 1, eerste lid van deze Bijlage bedoelde autoriteiten van mening verschillen, kan de Bank de zaak voorleggen aan de Europese Bankautoriteit en laatstgenoemde om een bemiddeling verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010. De beslissing van de Bank wordt opgeschort totdat de Europese Bankautoriteit een beslissing heeft genomen.".
Art. 288. L'article 19 de l'Annexe IV de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 19. Lorsque le taux total visé à l'article 17, § 1er de la présente Annexe se situe entre 3 % et 5 % et que un ou plusieurs taux de coussin pour le risque systémique ou macroprudentiel s'imposent à un établissement de crédit dont l'entreprise mère relève du droit d'un autre Etat membre, la notification visée à l'article 17, § 1er de la présente Annexe est accompagnée d'une demande de recommandation du CERS et de la Commission européenne.
En cas de recommandations négatives de la Commission européenne et du CERS ou de désaccord des autorités visées à l'article 17, § 1er, alinéa 1er de la présente Annexe, la Banque peut saisir l'Autorité bancaire européenne et solliciter de sa part une médiation conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010. La décision de la Banque est suspendue jusqu'à la décision de l'Autorité bancaire européenne.".
"Art. 19. Lorsque le taux total visé à l'article 17, § 1er de la présente Annexe se situe entre 3 % et 5 % et que un ou plusieurs taux de coussin pour le risque systémique ou macroprudentiel s'imposent à un établissement de crédit dont l'entreprise mère relève du droit d'un autre Etat membre, la notification visée à l'article 17, § 1er de la présente Annexe est accompagnée d'une demande de recommandation du CERS et de la Commission européenne.
En cas de recommandations négatives de la Commission européenne et du CERS ou de désaccord des autorités visées à l'article 17, § 1er, alinéa 1er de la présente Annexe, la Banque peut saisir l'Autorité bancaire européenne et solliciter de sa part une médiation conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010. La décision de la Banque est suspendue jusqu'à la décision de l'Autorité bancaire européenne.".
Art. 289. Artikel 20 van Bijlage IV van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 20. Ingeval het in artikel 17, § 1 van deze Bijlage bedoelde totale percentage op een percentage van meer dan 5 % wordt gebracht, kan de Bank de vaststelling van het in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde reglement slechts afronden indien de Europese Commissie een uitvoeringshandeling vaststelt die de Bank de toestemming verleent om deze maatregel te nemen.".
"Art. 20. Ingeval het in artikel 17, § 1 van deze Bijlage bedoelde totale percentage op een percentage van meer dan 5 % wordt gebracht, kan de Bank de vaststelling van het in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde reglement slechts afronden indien de Europese Commissie een uitvoeringshandeling vaststelt die de Bank de toestemming verleent om deze maatregel te nemen.".
Art. 289. L'article 20 de l'Annexe IV de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 20. Dans le cas où le taux total visé à l'article 17, § 1er de la présente Annexe est porté à un pourcentage se situant au-delà de 5 %, la Banque ne peut finaliser l'adoption du règlement visé à l'article 16, § 1er de la présente Annexe que si la Commission européenne adopte un acte d'exécution autorisant la Banque à prendre cette mesure.".
"Art. 20. Dans le cas où le taux total visé à l'article 17, § 1er de la présente Annexe est porté à un pourcentage se situant au-delà de 5 %, la Banque ne peut finaliser l'adoption du règlement visé à l'article 16, § 1er de la présente Annexe que si la Commission européenne adopte un acte d'exécution autorisant la Banque à prendre cette mesure.".
Art. 290. Artikel 21 van Bijlage IV van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 21. De Bank maakt het in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde reglement bekend op haar website. Deze bekendmaking bevat met name de volgende informatie:
a) het geldende percentage en/of de geldende percentages van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's;
b) de kredietinstellingen die zijn onderworpen aan het vereiste van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's;
c) de blootstellingen waarvoor het percentage en/of de percentages van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's geldt of gelden;
d) de rechtvaardiging voor dit percentage en/of deze percentages, tenzij de publicatie van deze informatie de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar zou kunnen brengen;
e) de datum vanaf wanneer de kredietinstellingen het vereiste van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's moeten naleven;
f) de derde landen waarvoor de risicoblootstellingen die zich daar bevinden in aanmerking worden genomen in de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's en/of het geheel van de lidstaten wanneer dergelijke blootstellingen zich in een lidstaat bevinden.".
"Art. 21. De Bank maakt het in artikel 16, § 1 van deze Bijlage bedoelde reglement bekend op haar website. Deze bekendmaking bevat met name de volgende informatie:
a) het geldende percentage en/of de geldende percentages van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's;
b) de kredietinstellingen die zijn onderworpen aan het vereiste van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's;
c) de blootstellingen waarvoor het percentage en/of de percentages van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's geldt of gelden;
d) de rechtvaardiging voor dit percentage en/of deze percentages, tenzij de publicatie van deze informatie de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar zou kunnen brengen;
e) de datum vanaf wanneer de kredietinstellingen het vereiste van de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's moeten naleven;
f) de derde landen waarvoor de risicoblootstellingen die zich daar bevinden in aanmerking worden genomen in de tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's en/of het geheel van de lidstaten wanneer dergelijke blootstellingen zich in een lidstaat bevinden.".
Art. 290. L'article 21 de l'Annexe IV de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 21. La Banque publie sur son site internet le règlement visé à l'article 16, § 1er de la présente Annexe. Cette publication contient notamment les informations suivantes :
a) le taux et/ou les taux applicables de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ;
b) les établissements de crédit soumis à l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ;
c) les expositions auxquelles s'appliquent le taux et/ou les taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ;
d) la justification de ce taux et/ou de ces taux, sauf si la publication de cette information est susceptible de perturber la stabilité du système financier ;
e) la date à partir de laquelle les établissements de crédit doivent respecter l'exigence de coussin de fonds propres de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ;
f) les pays tiers pour lesquels les expositions au risque qui y sont situées sont prises en compte dans le coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel et/ou l'ensemble des Etats membres lorsque de telles expositions sont situées dans un Etat membre.".
"Art. 21. La Banque publie sur son site internet le règlement visé à l'article 16, § 1er de la présente Annexe. Cette publication contient notamment les informations suivantes :
a) le taux et/ou les taux applicables de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ;
b) les établissements de crédit soumis à l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ;
c) les expositions auxquelles s'appliquent le taux et/ou les taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ;
d) la justification de ce taux et/ou de ces taux, sauf si la publication de cette information est susceptible de perturber la stabilité du système financier ;
e) la date à partir de laquelle les établissements de crédit doivent respecter l'exigence de coussin de fonds propres de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel ;
f) les pays tiers pour lesquels les expositions au risque qui y sont situées sont prises en compte dans le coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel et/ou l'ensemble des Etats membres lorsque de telles expositions sont situées dans un Etat membre.".
Art. 291. In artikel 22 van Bijlage IV van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° de paragrafen 2 en 3 worden vervangen als volgt:
" § 2. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank een tier 1-kernkapitaalbufferpercentage voor systeem- of macroprudentiële risico's erkennen dat wordt vastgesteld door een aangewezen autoriteit van een andere lidstaat voor blootstellingen die zich op het grondgebied van deze staat bevinden. Deze erkenning verleent een verplicht karakter aan dit percentage, met het oog op het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's dat geldt voor de kredietinstellingen die dergelijke blootstellingen hebben.
De Bank brengt de in het eerste lid bedoelde erkenning ter kennis van het ESRB. De artikelen 18 tot en met 20 van deze Bijlage zijn van toepassing.
§ 3. Wanneer zij beslist om al dan niet een percentage van de buffer voor systeem- of macroprudentiële risico's te erkennen met toepassing van paragraaf 2, neemt de Bank de informatie in overweging die de aangewezen autoriteit van de betrokken lidstaat ter kennis heeft gebracht en heeft gepubliceerd overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU.";
2° het artikel 22 wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4. Wanneer de Bank een tier 1-kernkapitaalbufferpercentage voor systeem-of macroprudentiële risico's erkent met toepassing van paragraaf 2, kan zij beslissen dat het daaruit voortvloeiende tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem-of macroprudentiële risico's wordt gecumuleerd met het overeenkomstig de artikelen 16 tot en met 21 van deze Bijlage vastgestelde vereiste, op voorwaarde dat deze vereisten betrekking hebben op verschillende risico's. Indien de risico's hetzelfde zijn, is alleen het hoogste vereiste van toepassing.".
1° de paragrafen 2 en 3 worden vervangen als volgt:
" § 2. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank een tier 1-kernkapitaalbufferpercentage voor systeem- of macroprudentiële risico's erkennen dat wordt vastgesteld door een aangewezen autoriteit van een andere lidstaat voor blootstellingen die zich op het grondgebied van deze staat bevinden. Deze erkenning verleent een verplicht karakter aan dit percentage, met het oog op het vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer voor systeem- of macroprudentiële risico's dat geldt voor de kredietinstellingen die dergelijke blootstellingen hebben.
De Bank brengt de in het eerste lid bedoelde erkenning ter kennis van het ESRB. De artikelen 18 tot en met 20 van deze Bijlage zijn van toepassing.
§ 3. Wanneer zij beslist om al dan niet een percentage van de buffer voor systeem- of macroprudentiële risico's te erkennen met toepassing van paragraaf 2, neemt de Bank de informatie in overweging die de aangewezen autoriteit van de betrokken lidstaat ter kennis heeft gebracht en heeft gepubliceerd overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU.";
2° het artikel 22 wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4. Wanneer de Bank een tier 1-kernkapitaalbufferpercentage voor systeem-of macroprudentiële risico's erkent met toepassing van paragraaf 2, kan zij beslissen dat het daaruit voortvloeiende tier 1-kernkapitaalbuffervereiste voor systeem-of macroprudentiële risico's wordt gecumuleerd met het overeenkomstig de artikelen 16 tot en met 21 van deze Bijlage vastgestelde vereiste, op voorwaarde dat deze vereisten betrekking hebben op verschillende risico's. Indien de risico's hetzelfde zijn, is alleen het hoogste vereiste van toepassing.".
Art. 291. Dans l'article 22 de l'Annexe IV de la même loi :
1° les paragraphes 2, 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
" § 2. Par un règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la Banque peut reconnaître un taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel fixé par une autorité désignée d'un autre Etat membre pour des expositions situées sur le territoire de cet Etat. Cette reconnaissance confère un caractère obligatoire à ce taux aux fins de l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel applicable aux établissements de crédit ayant de telles expositions.
La Banque notifie la reconnaissance visée à l'alinéa 1er au CERS. Les articles 18 à 20 de la présente Annexe sont applicables.
§ 3. Lorsqu'elle décide de reconnaître ou non un taux de coussin pour le risque systémique ou macroprudentiel en application du paragraphe 2, la Banque prend en considération les informations que l'autorité désignée de l'Etat membre concerné a notifiées et publiées conformément à la Directive 2013/36/UE." ;
2° l'article 22 est complété par un paragraphe 4 rédigé comme suit :
" § 4. Lorsque la Banque reconnait un taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel en application du paragraphe 2, elle peut décider que l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel qui en découle s'ajoute à celle fixée conformément aux articles 16 à 21 de la présente Annexe, pour autant que ces exigences couvrent des risques différents. Lorsqu'il s'agit des mêmes risques, seule l'exigence la plus élevée s'applique.".
1° les paragraphes 2, 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
" § 2. Par un règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la Banque peut reconnaître un taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel fixé par une autorité désignée d'un autre Etat membre pour des expositions situées sur le territoire de cet Etat. Cette reconnaissance confère un caractère obligatoire à ce taux aux fins de l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel applicable aux établissements de crédit ayant de telles expositions.
La Banque notifie la reconnaissance visée à l'alinéa 1er au CERS. Les articles 18 à 20 de la présente Annexe sont applicables.
§ 3. Lorsqu'elle décide de reconnaître ou non un taux de coussin pour le risque systémique ou macroprudentiel en application du paragraphe 2, la Banque prend en considération les informations que l'autorité désignée de l'Etat membre concerné a notifiées et publiées conformément à la Directive 2013/36/UE." ;
2° l'article 22 est complété par un paragraphe 4 rédigé comme suit :
" § 4. Lorsque la Banque reconnait un taux de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel en application du paragraphe 2, elle peut décider que l'exigence de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 pour le risque systémique ou macroprudentiel qui en découle s'ajoute à celle fixée conformément aux articles 16 à 21 de la présente Annexe, pour autant que ces exigences couvrent des risques différents. Lorsqu'il s'agit des mêmes risques, seule l'exigence la plus élevée s'applique.".
Art. 292. In artikel 1 van Bijlage V van dezelfde wet worden de paragrafen 2 en 3 vervangen als volgt:
" § 2. De som die vermenigvuldigd moet worden overeenkomstig paragraaf 1 bestaat uit:
a) de tussentijdse winst die overeenkomstig artikel 26, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 niet is inbegrepen in het tier 1-kernkapitaal, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling of terugbetaling die voortvloeit uit de in artikel 101 bedoelde handelingen;
plus
b) de winst op het einde an het boekjaar die overeenkomstig artikel 26, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 niet is inbegrepen in het tier 1-kernkapitaal, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling die voortvloeit uit de in artikel 101 bedoelde handelingen;
min
c) de bedragen die als belasting verschuldigd zouden zijn voor de in de punten a) en b) van deze paragraaf bedoelde elementen.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde factor wordt als volgt bepaald:
a) de factor is nul wanneer het bedrag van het tier 1-kernkapitaal van de instelling dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoblootstelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van die Verordening, zich in het eerste (dit wil zeggen het laagste) kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bevindt;
b) de factor is 0,2 wanneer het bedrag van het tier 1-kernkapitaal van de instelling dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoblootstelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van die Verordening, zich in het tweede kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bevindt;
c) de factor is 0,4 wanneer het bedrag van het tier 1-kernkapitaal van de instelling dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoblootstelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van die Verordening, zich in het derde kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bevindt;
d) de factor is 0,6 wanneer het bedrag van het tier 1-kernkapitaal van de instelling dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoblootstelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van die Verordening, zich in het vierde (dit wil zeggen het hoogste) kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bevindt.
De boven- en ondergrenzen van elk kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer worden als volgt berekend:
ondergrens van het kwartiel =
Globaalkapitaalbuffervereiste X (Qn - 1)4
bovengrens van het kwartiel =
Globaalkapitaalbuffervereiste X Qn
"Qn" is het rangnummer van het betrokken kwartiel, gaande van 1 tot 4.
" § 2. De som die vermenigvuldigd moet worden overeenkomstig paragraaf 1 bestaat uit:
a) de tussentijdse winst die overeenkomstig artikel 26, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 niet is inbegrepen in het tier 1-kernkapitaal, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling of terugbetaling die voortvloeit uit de in artikel 101 bedoelde handelingen;
plus
b) de winst op het einde an het boekjaar die overeenkomstig artikel 26, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 niet is inbegrepen in het tier 1-kernkapitaal, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling die voortvloeit uit de in artikel 101 bedoelde handelingen;
min
c) de bedragen die als belasting verschuldigd zouden zijn voor de in de punten a) en b) van deze paragraaf bedoelde elementen.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde factor wordt als volgt bepaald:
a) de factor is nul wanneer het bedrag van het tier 1-kernkapitaal van de instelling dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoblootstelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van die Verordening, zich in het eerste (dit wil zeggen het laagste) kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bevindt;
b) de factor is 0,2 wanneer het bedrag van het tier 1-kernkapitaal van de instelling dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoblootstelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van die Verordening, zich in het tweede kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bevindt;
c) de factor is 0,4 wanneer het bedrag van het tier 1-kernkapitaal van de instelling dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoblootstelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van die Verordening, zich in het derde kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bevindt;
d) de factor is 0,6 wanneer het bedrag van het tier 1-kernkapitaal van de instelling dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder a) tot en met c) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van het totale bedrag van de risicoblootstelling berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3 van die Verordening, zich in het vierde (dit wil zeggen het hoogste) kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer bevindt.
De boven- en ondergrenzen van elk kwartiel van het globaal vereiste van een tier 1-kernkapitaalbuffer worden als volgt berekend:
ondergrens van het kwartiel =
Globaalkapitaalbuffervereiste X (Qn - 1)4
bovengrens van het kwartiel =
Globaalkapitaalbuffervereiste X Qn
"Qn" is het rangnummer van het betrokken kwartiel, gaande van 1 tot 4.
Art. 292. Dans l'article 1er de l'Annexe V de la même loi, les paragraphes 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit :
" § 2. La somme à multiplier conformément au paragraphe 1er est constituée :
a) des bénéfices intermédiaires non inclus dans les fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 26, paragraphe 2 du Règlement n° 575/2013, nets de toute distribution de bénéfices ou de tout paiement ou remboursement résultant des opérations visées à l'article 101 ;
plus
b) les bénéfices de fin d'exercice non inclus dans les fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 26, paragraphe 2, du Règlement n° 575/2013, nets de toute distribution de bénéfices ou de tout paiement résultant des opérations visées à l'article 101 ;
moins
c) les montants qui seraient à acquitter au titre de l'impôt concernant les éléments visés aux points a) et b) du présent paragraphe.
§ 3. Le facteur visé au paragraphe 1er est déterminé comme suit :
a) le facteur est de zéro lorsque le montant des fonds propres de base de catégorie 1 de l'établissement qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, points a) à c) du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face à des risques autres que le risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3 dudit Règlement, se situe dans le premier quartile (c'est-à-dire le plus bas) de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 ;
b) le facteur est de 0,2 lorsque le montant des fonds propres de base de catégorie 1 de l'établissement qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, points a) à c), du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face à des risques autres que le risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, dudit Règlement, se situe dans le deuxième quartile de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 ;
c) le facteur est de 0,4 lorsque le montant des fonds propres de base de catégorie 1 de l'établissement qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, points a) à c), du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face à des risques autres que le risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, dudit Règlement, se situe dans le troisième quartile de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 ;
d) le facteur est de 0,6 lorsque le montant des fonds propres de base de catégorie 1 de l'établissement qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, points a) à c), du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face à des risques autres que le risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, dudit Règlement, se situe dans le quatrième quartile (c-est-à-dire le plus haut) de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1.
Les limites haute et basse de chacun des quartiles de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 sont calculées comme suit :
limite basse du quartile =
Exigence globale de coussin de fonds propres X (Qn - 1) 4
limite haute du quartile =
Exigence globale de coussin de fonds propres X Qn
"Qn" étant le numéro d'ordre du quartile concerné, allant de 1 à 4.
" § 2. La somme à multiplier conformément au paragraphe 1er est constituée :
a) des bénéfices intermédiaires non inclus dans les fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 26, paragraphe 2 du Règlement n° 575/2013, nets de toute distribution de bénéfices ou de tout paiement ou remboursement résultant des opérations visées à l'article 101 ;
plus
b) les bénéfices de fin d'exercice non inclus dans les fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 26, paragraphe 2, du Règlement n° 575/2013, nets de toute distribution de bénéfices ou de tout paiement résultant des opérations visées à l'article 101 ;
moins
c) les montants qui seraient à acquitter au titre de l'impôt concernant les éléments visés aux points a) et b) du présent paragraphe.
§ 3. Le facteur visé au paragraphe 1er est déterminé comme suit :
a) le facteur est de zéro lorsque le montant des fonds propres de base de catégorie 1 de l'établissement qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, points a) à c) du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face à des risques autres que le risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3 dudit Règlement, se situe dans le premier quartile (c'est-à-dire le plus bas) de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 ;
b) le facteur est de 0,2 lorsque le montant des fonds propres de base de catégorie 1 de l'établissement qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, points a) à c), du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face à des risques autres que le risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, dudit Règlement, se situe dans le deuxième quartile de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 ;
c) le facteur est de 0,4 lorsque le montant des fonds propres de base de catégorie 1 de l'établissement qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, points a) à c), du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face à des risques autres que le risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, dudit Règlement, se situe dans le troisième quartile de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 ;
d) le facteur est de 0,6 lorsque le montant des fonds propres de base de catégorie 1 de l'établissement qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, points a) à c), du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face à des risques autres que le risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant total d'exposition au risque calculé conformément à l'article 92, paragraphe 3, dudit Règlement, se situe dans le quatrième quartile (c-est-à-dire le plus haut) de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1.
Les limites haute et basse de chacun des quartiles de l'exigence globale de coussin de fonds propres de base de catégorie 1 sont calculées comme suit :
limite basse du quartile =
Exigence globale de coussin de fonds propres X (Qn - 1) 4
limite haute du quartile =
Exigence globale de coussin de fonds propres X Qn
"Qn" étant le numéro d'ordre du quartile concerné, allant de 1 à 4.
Art. 293. In van Bijlage V van dezelfde wet wordt een Afdeling I/1 ingevoegd, getiteld "Berekening van het met de hefboomratio verband houdende maximaal uitkeerbare bedrag (H-MUB)".
Art. 293. Dans l'Annexe V de la même loi, il est insérée une Section I/1 intitulée "Calcul du montant maximal distribuable lié au ratio de levier (L- MMD)".
Art. 294. In Afdeling I/2, ingevoegd bij artikel 293, wordt een artikel 1/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 1/1. De MSI's berekenen hun met de hefboomratio verband houdende maximaal uitkeerbare bedrag (H-MUB) door vermenigvuldiging van de som die overeenkomstig paragraaf 2 wordt verkregen met de factor die wordt bepaald overeenkomstig paragraaf 3. De uitvoering van elke in artikel 102/4 bedoelde handeling, na deze berekening, vermindert het H-MUB met het overeenstemmende bedrag.
§ 2. De som die vermenigvuldigd moet worden overeenkomstig paragraaf 1 bestaat uit:
a) de tussentijdse winst die overeenkomstig artikel 26, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 niet is inbegrepen in het tier 1-kernkapitaal, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling of terugbetaling die voortvloeit uit de in artikel 102/4 bedoelde handelingen;
plus
b) de winst op het einde van het boekjaar die overeenkomstig artikel 26, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 niet is inbegrepen in het tier 1-kernkapitaal, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling die voortvloeit uit de in artikel 102/4 bedoelde handelingen;
min
c) de bedragen die als belasting verschuldigd zouden zijn voor de in de punten a) en b) van deze paragraaf bedoelde elementen.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde factor wordt als volgt bepaald:
a) de factor is nul wanneer het bedrag van het tier 1-kapitaal van de MSI dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van de totale blootstelling berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4 van die Verordening, zich in het eerste (dit wil zeggen het laagste) kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste bevindt;
b) de factor is 0,2 wanneer het bedrag van het tier 1-kapitaal van de MSI dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van de totale blootstelling berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4 van die Verordening, zich in het tweede kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste bevindt;
c) de factor is 0,4 wanneer het bedrag van het tier 1-kapitaal van de MSI dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van de totale blootstelling berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4 van die Verordening, zich in het derde kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste bevindt;
d) de factor is 0,6 wanneer het bedrag van het tier 1-kapitaal van de MSI dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van de totale blootstelling berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4 van die Verordening, zich in het vierde (dit wil zeggen het hoogste) kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste bevindt.
De boven- en ondergrenzen van elk kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste worden als volgt berekend:
ondergrens van het kwartiel =
Hefboomratiobuffervereiste X (Qn - 1) 4
bovengrens van het kwartiel =
Hefboomratiobuffervereiste X Qn
"Qn" is het rangnummer van het betrokken kwartiel, gaande van 1 tot 4.
"Art. 1/1. De MSI's berekenen hun met de hefboomratio verband houdende maximaal uitkeerbare bedrag (H-MUB) door vermenigvuldiging van de som die overeenkomstig paragraaf 2 wordt verkregen met de factor die wordt bepaald overeenkomstig paragraaf 3. De uitvoering van elke in artikel 102/4 bedoelde handeling, na deze berekening, vermindert het H-MUB met het overeenstemmende bedrag.
§ 2. De som die vermenigvuldigd moet worden overeenkomstig paragraaf 1 bestaat uit:
a) de tussentijdse winst die overeenkomstig artikel 26, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 niet is inbegrepen in het tier 1-kernkapitaal, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling of terugbetaling die voortvloeit uit de in artikel 102/4 bedoelde handelingen;
plus
b) de winst op het einde van het boekjaar die overeenkomstig artikel 26, lid 2 van Verordening nr. 575/2013 niet is inbegrepen in het tier 1-kernkapitaal, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling die voortvloeit uit de in artikel 102/4 bedoelde handelingen;
min
c) de bedragen die als belasting verschuldigd zouden zijn voor de in de punten a) en b) van deze paragraaf bedoelde elementen.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde factor wordt als volgt bepaald:
a) de factor is nul wanneer het bedrag van het tier 1-kapitaal van de MSI dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van de totale blootstelling berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4 van die Verordening, zich in het eerste (dit wil zeggen het laagste) kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste bevindt;
b) de factor is 0,2 wanneer het bedrag van het tier 1-kapitaal van de MSI dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van de totale blootstelling berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4 van die Verordening, zich in het tweede kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste bevindt;
c) de factor is 0,4 wanneer het bedrag van het tier 1-kapitaal van de MSI dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van de totale blootstelling berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4 van die Verordening, zich in het derde kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste bevindt;
d) de factor is 0,6 wanneer het bedrag van het tier 1-kapitaal van de MSI dat niet gebruikt wordt om te voldoen aan het eigenvermogensvereiste dat wordt opgelegd door artikel 92, lid 1, onder d) van Verordening nr. 575/2013 en aan het specifieke eigenvermogensvereiste als bedoeld in de artikelen 149 en 150 om het risico van buitensporige hefboomwerking te ondervangen, uitgedrukt als percentage van de totale blootstelling berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4 van die Verordening, zich in het vierde (dit wil zeggen het hoogste) kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste bevindt.
De boven- en ondergrenzen van elk kwartiel van het hefboomratiobuffervereiste worden als volgt berekend:
ondergrens van het kwartiel =
Hefboomratiobuffervereiste X (Qn - 1) 4
bovengrens van het kwartiel =
Hefboomratiobuffervereiste X Qn
"Qn" is het rangnummer van het betrokken kwartiel, gaande van 1 tot 4.
Art. 294. Dans la Section I/1, insérée par l'article 293, il est inséré un article 1er/1 rédigé comme suit :
"Art. 1/1. § 1er. Les EISm calculent le montant maximal distribuable lié au ratio de levier (L- MMD) en multipliant la somme obtenue conformément au paragraphe 2 par le facteur déterminé conformément au paragraphe 3. L'exécution de toute opération visée à l'article 102/4, subséquente à ce calcul, réduit le L-MMD du montant correspondant.
§ 2. La somme à multiplier conformément au paragraphe 1er est constituée :
a) des bénéfices intermédiaires non inclus dans les fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 26, paragraphe 2, du Règlement n° 575/2013, nets de toute distribution de bénéfices ou de tout paiement ou remboursement résultant des opérations visées à l'article 102/4 ;
plus
b) les bénéfices de fin d'exercice non inclus dans les fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 26, paragraphe 2, du Règlement n° 575/2013, nets de toute distribution de bénéfices ou de tout paiement résultant des opérations visées à l'article 102/4 ;
moins
c) les montants qui seraient à acquitter au titre de l'impôt concernant les éléments visés aux points a) et b) du présent paragraphe.
§ 3. Le facteur visé au paragraphe 1er est déterminé comme suit :
a) le facteur est de zéro lorsque le montant des fonds propres de catégorie 1 de l'EISm qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, point d) du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face au risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant de l'exposition totale calculé conformément à l'article 429, paragraphe 4 dudit Règlement, se situe dans le premier quartile (c'est-à-dire le plus bas) de l'exigence de coussin lié au ratio de levier ;
b) le facteur est de 0,2 lorsque le montant des fonds propres de catégorie 1 de l'EISm qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, point d) du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face au risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant de l'exposition totale calculé conformément à l'article 429, paragraphe 4 dudit Règlement, se situe dans le deuxième quartile de l'exigence de coussin lié au ratio de levier ;
c) le facteur est de 0,4 lorsque le montant des fonds propres de catégorie 1 de l'EISm qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, point d) du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face au risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant de l'exposition totale calculé conformément à l'article 429, paragraphe 4 dudit Règlement, se situe dans le troisième quartile de l'exigence de coussin lié au ratio de levier ;
d) le facteur est de 0,6 lorsque le montant des fonds propres de catégorie 1 de l'EISm qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, point d) du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face au risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant de l'exposition totale calculé conformément à l'article 429, paragraphe 4 dudit Règlement, se situe dans le quatrième quartile (c'est-à-dire le plus haut) de l'exigence de coussin lié au ratio de levier.
Les limites haute et basse de chacun des quartiles de l'exigence de coussin lié au ratio de levier sont calculées comme suit :
limite basse du quartile =
Exigence de coussin lié au ratio de levier X (Qn-1) 4
limite haute du quartile =
Exigence de coussin lié au ratio de levier X Qn
"Qn" étant le numéro d'ordre du quartile concerné, allant de 1 à 4.
"Art. 1/1. § 1er. Les EISm calculent le montant maximal distribuable lié au ratio de levier (L- MMD) en multipliant la somme obtenue conformément au paragraphe 2 par le facteur déterminé conformément au paragraphe 3. L'exécution de toute opération visée à l'article 102/4, subséquente à ce calcul, réduit le L-MMD du montant correspondant.
§ 2. La somme à multiplier conformément au paragraphe 1er est constituée :
a) des bénéfices intermédiaires non inclus dans les fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 26, paragraphe 2, du Règlement n° 575/2013, nets de toute distribution de bénéfices ou de tout paiement ou remboursement résultant des opérations visées à l'article 102/4 ;
plus
b) les bénéfices de fin d'exercice non inclus dans les fonds propres de base de catégorie 1 conformément à l'article 26, paragraphe 2, du Règlement n° 575/2013, nets de toute distribution de bénéfices ou de tout paiement résultant des opérations visées à l'article 102/4 ;
moins
c) les montants qui seraient à acquitter au titre de l'impôt concernant les éléments visés aux points a) et b) du présent paragraphe.
§ 3. Le facteur visé au paragraphe 1er est déterminé comme suit :
a) le facteur est de zéro lorsque le montant des fonds propres de catégorie 1 de l'EISm qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, point d) du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face au risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant de l'exposition totale calculé conformément à l'article 429, paragraphe 4 dudit Règlement, se situe dans le premier quartile (c'est-à-dire le plus bas) de l'exigence de coussin lié au ratio de levier ;
b) le facteur est de 0,2 lorsque le montant des fonds propres de catégorie 1 de l'EISm qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, point d) du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face au risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant de l'exposition totale calculé conformément à l'article 429, paragraphe 4 dudit Règlement, se situe dans le deuxième quartile de l'exigence de coussin lié au ratio de levier ;
c) le facteur est de 0,4 lorsque le montant des fonds propres de catégorie 1 de l'EISm qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, point d) du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face au risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant de l'exposition totale calculé conformément à l'article 429, paragraphe 4 dudit Règlement, se situe dans le troisième quartile de l'exigence de coussin lié au ratio de levier ;
d) le facteur est de 0,6 lorsque le montant des fonds propres de catégorie 1 de l'EISm qui ne sont pas utilisés pour satisfaire à l'exigence de fonds propres imposée par l'article 92, paragraphe 1er, point d) du Règlement n° 575/2013 et à l'exigence spécifique de fonds propres visée aux articles 149 et 150 pour faire face au risque de levier excessif, exprimé en pourcentage du montant de l'exposition totale calculé conformément à l'article 429, paragraphe 4 dudit Règlement, se situe dans le quatrième quartile (c'est-à-dire le plus haut) de l'exigence de coussin lié au ratio de levier.
Les limites haute et basse de chacun des quartiles de l'exigence de coussin lié au ratio de levier sont calculées comme suit :
limite basse du quartile =
Exigence de coussin lié au ratio de levier X (Qn-1) 4
limite haute du quartile =
Exigence de coussin lié au ratio de levier X Qn
"Qn" étant le numéro d'ordre du quartile concerné, allant de 1 à 4.
Art. 295. In van Bijlage V van dezelfde wet, wordt het opschrift van Afdeling II vervangen als volgt: "Afdeling II. Informatie die met toepassing van artikel 101, § 3 aan de toezichthouder moet worden verstrekt".
Art. 295. Dans l'Annexe V de la même loi, l'intitulé de la Section II est remplacé par ce qui suit : "Section II. Informations à fournir à l'autorité de contrôle en application de l'article 101, § 3".
Art. 296. In Artikel 2, inleidende zin van Bijlage V van dezelfde wet, worden de woorden "De in artikel 101, tweede lid bedoelde informatie die verstrekt moet worden aan de toezichthouder is de volgende:" vervangen door de woorden "De informatie die met toepassing van artikel 101, § 3 aan de toezichthouder moet worden verstrekt is de volgende:".
Art. 296. Dans l'article 2, phrase introductive de l'Annexe V de la même loi, les mots "Les informations visées à l'article 101, alinéa 2 à fournir à l'autorité de contrôle sont les suivantes :" sont remplacés par les mots "Les informations à fournir à l'autorité de contrôle en application de l'article 101, § 3 sont les suivantes :".
Art. 297. In van Bijlage V van dezelfde wet wordt een Afdeling II/1 ingevoegd, getiteld "Informatie die met toepassing van artikel 102/4, § 3 aan de toezichthouder moet worden verstrekt".
Art. 297. Dans l'Annexe V de la même loi, il est insérée une Section II/1 intitulée "Informations à fournir à l'autorité de contrôle en application à l'article 102/4, § 3".
Art. 298. In Afdeling II/2, ingevoegd bij artikel 297, wordt een artikel 2/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 2/1. De informatie die met toepassing van artikel 102/4, § 3 aan de toezichthouder moet worden verstrekt is de informatie die wordt vermeld in artikel 2 van deze Bijlage, met uitzondering van punt a), iii), alsook het H-MUB, berekend volgens de modaliteiten van artikel 1/1 van deze Bijlage.".
"Art. 2/1. De informatie die met toepassing van artikel 102/4, § 3 aan de toezichthouder moet worden verstrekt is de informatie die wordt vermeld in artikel 2 van deze Bijlage, met uitzondering van punt a), iii), alsook het H-MUB, berekend volgens de modaliteiten van artikel 1/1 van deze Bijlage.".
Art. 298. Dans la Section II/1, insérée par l'article 297, il est inséré un article 2/1 rédigé comme suit :
"Art. 2/1. Les informations à fournir à l'autorité de contrôle en application de l'article 102/4, § 3 sont celles mentionnées à l'article 2 de la présente Annexe, à l'exception du point a) iii), ainsi que le L-MMD calculé selon les modalités de l'article 1er/1 de la présente Annexe.".
"Art. 2/1. Les informations à fournir à l'autorité de contrôle en application de l'article 102/4, § 3 sont celles mentionnées à l'article 2 de la présente Annexe, à l'exception du point a) iii), ainsi que le L-MMD calculé selon les modalités de l'article 1er/1 de la présente Annexe.".
Art. 299. In van Bijlage V van dezelfde wet, wordt het opschrift van Afdeling III vervangen als volgt: "Afdeling III - Elementen die begrepen zijn in de uitkeringen die betrekking hebben op een van de kapitaalbestanddelen".
Art. 299. Dans l'Annexe V de la même loi, l'intitulé de la Section III est remplacé par ce qui suit : "Section III - Eléments inclus dans les distributions portant sur un des éléments constitutifs de fonds propres".
Art. 300. In Artikel 3, inleidende zin van Bijlage V van dezelfde wet, worden de woorden "Voor de toepassing van Afdeling V van Hoofdstuk V omvatten de uitkeringen die betrekking hebben op een van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen:" vervangen door de woorden "Voor de toepassing van Afdeling V van Hoofdstuk V van Titel II van Boek II omvatten de uitkeringen die betrekking hebben op een van de kapitaalbestanddelen:".
Art. 300. Dans l'article 3, phrase introductive de l'Annexe V de la même loi, les mots "Aux fins de la Section V du Chapitre V, les distributions portant sur un des éléments constitutifs de fonds propres de base de catégorie 1 incluent :" sont remplacés par les mots "Aux fins de la Section V du Chapitre V du Titre II du Livre II, les distributions portant sur un des éléments constitutifs de fonds propres incluent :".
Art. 301. In Artikel 4 van Bijlage V van dezelfde wet, wordt de bepaling onder c) aangevuld met de woorden "en/of, in het geval van een MSI, aan het hefboomratiobuffervereiste".
Art. 301. Dans l'article 4 de l'Annexe V de la même loi, le c) est complété par les mots "et/ou, s'il s'agit d'un EISm, à l'exigence de coussin lié au ratio de levier".
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen in de wet van 11 juli 2018 op de aanbieding van beleggingsinstrumenten aan het publiek en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt
CHAPITRE 7. - Modifications de la loi du 11 juillet 2018 relative aux offres au public d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés
Art. 302. In artikel 28, eerste lid van de wet van 11 juli 2018 op de aanbieding van beleggingsinstrumenten aan het publiek en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 1°, wordt vervangen als volgt:
"1° de kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen die opgenomen zijn in de lijst als bedoeld in artikel 14, artikel 312 of artikel 313 van de voornoemde wet;";
2° er wordt een bepaling onder 1° /1 ingevoegd, luidende:
"1° /1 de kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, voor de gelddeposito's ontvangen overeenkomstig artikel 74/1 van de voornoemde wet;".
1° de bepaling onder 1°, wordt vervangen als volgt:
"1° de kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen die opgenomen zijn in de lijst als bedoeld in artikel 14, artikel 312 of artikel 313 van de voornoemde wet;";
2° er wordt een bepaling onder 1° /1 ingevoegd, luidende:
"1° /1 de kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, voor de gelddeposito's ontvangen overeenkomstig artikel 74/1 van de voornoemde wet;".
Art. 302. Dans l'article 28, alinéa 1er de la loi du 11 juillet 2018 relative aux offres au public d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés, les modifications suivantes sont apportées :
1° le 1°, est remplacé par ce qui suit :
"1° les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, portés sur la liste prévue à l'article 14, à l'article 312 ou à l'article 313 de ladite loi ;" ;
2° il est inséré un 1° /1, rédigé comme suit :
"1° /1 les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, pour les dépôts de fonds reçus conformément à l'article 74/1 de ladite loi ;".
1° le 1°, est remplacé par ce qui suit :
"1° les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, portés sur la liste prévue à l'article 14, à l'article 312 ou à l'article 313 de ladite loi ;" ;
2° il est inséré un 1° /1, rédigé comme suit :
"1° /1 les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, pour les dépôts de fonds reçus conformément à l'article 74/1 de ladite loi ;".
HOOFDSTUK 8. - Omzetting van Richtlijn 2019/2177: Wijzigingen in de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten
CHAPITRE 8. - Transposition en droit belge de la Directive 2019/2177 : Modifications de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces
Art. 303. Artikel 4 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten wordt aangevuld met de bepaling onder 45°, luidende:
"45° "EBA": de autoriteit opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie".
"45° "EBA": de autoriteit opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie".
Art. 303. L'article 4 de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces est complété par le point 45° rédigé comme suit :
"45° "ABE" : l'autorité instituée par le Règlement (UE) n° 1093/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité bancaire européenne), modifiant la décision n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/78/CE de la Commission".
"45° "ABE" : l'autorité instituée par le Règlement (UE) n° 1093/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité bancaire européenne), modifiant la décision n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/78/CE de la Commission".
Art. 304. In artikel 70, tweede lid, eerste zin van dezelfde wet wordt het woord "ETA's" vervangen door het woord "EBA".
Art. 304. A l'article 70, alinéa 2, première phrase de la même loi, les mots ", des AES" sont remplacés par les mots ", de l'ABE".
Art. 305. In artikel 97 van dezelfde wet wordt het woord "ETA's" vervangen door het woord "EBA".
Art. 305. A L'article 97 de la même loi, les mots "les AES" sont remplacés par les mots "l'ABE".
Art. 306. In artikel 105 van dezelfde wet wordt het woord "ETA's" vervangen door het woord "EBA".
Art. 306. A L'article 105 de la même loi, les mots "les AES" sont remplacés par les mots "l'ABE".
Art. 307. In boek IV, titel 5, hoofdstuk 3 van dezelfde wet wordt het opschrift van Afdeling 5 vervangen als volgt:
"Internationale samenwerking tussen de toezichtautoriteiten en de EBA".
"Internationale samenwerking tussen de toezichtautoriteiten en de EBA".
Art. 307. Dans le livre IV, titre 5, chapitre 3 de la même loi, l'intitulé de la Section 5 est remplacé par ce qui suit :
"Coopération internationale des autorités de contrôle avec l'ABE".
"Coopération internationale des autorités de contrôle avec l'ABE".
Art. 308. Artikel 131/5 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 131/5. De in artikel 85, § 1, 3° en 4° bedoelde toezichtautoriteiten fungeren als aanspreekpunt voor de EBA.
Deze toezichtautoriteiten stellen de EBA in kennis van gevallen waarin zij er overeenkomstig artikel 13, § 3, derde lid, van in kennis worden gesteld dat het volgens het recht van een derde land niet is toegestaan de krachtens artikel 13, § 1 voorgeschreven gedragslijnen en procedures toe te passen wegens juridische beperkingen, met name op het gebied van geheimhouding, gegevensbescherming en andere beperkingen die de uitwisseling van informatie beperken.
Deze autoriteiten verstrekken de EBA alle informatie die zij nodig heeft om haar taken krachtens Richtlijn 2015/849/EG te kunnen verrichten.".
"Art. 131/5. De in artikel 85, § 1, 3° en 4° bedoelde toezichtautoriteiten fungeren als aanspreekpunt voor de EBA.
Deze toezichtautoriteiten stellen de EBA in kennis van gevallen waarin zij er overeenkomstig artikel 13, § 3, derde lid, van in kennis worden gesteld dat het volgens het recht van een derde land niet is toegestaan de krachtens artikel 13, § 1 voorgeschreven gedragslijnen en procedures toe te passen wegens juridische beperkingen, met name op het gebied van geheimhouding, gegevensbescherming en andere beperkingen die de uitwisseling van informatie beperken.
Deze autoriteiten verstrekken de EBA alle informatie die zij nodig heeft om haar taken krachtens Richtlijn 2015/849/EG te kunnen verrichten.".
Art. 308. L'article 131/5 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
"Art. 131/5. Les autorités de contrôle visées à l'article 85, § 1er, 3° et 4° servent de points de contact pour l'ABE.
Ces autorités de contrôle informent l'ABE des cas dans lesquels elles sont informées en application de l'article 13, § 3, alinéa 3, que le droit d'un pays tiers ne permet pas de mettre en oeuvre les politiques et procédures requises en vertu de l'article 13, § 1er, en raison de contraintes juridiques, notamment en matière de secret, de protection des données et d'autres contraintes limitant l'échange d'informations. Elles coopèrent avec l'ABE à la recherche d'une solution.
Ces autorités fournissent à l'ABE toutes les informations nécessaires pour lui permettre d'accomplir ses missions au titre de la Directive 2015/849/CE.".
"Art. 131/5. Les autorités de contrôle visées à l'article 85, § 1er, 3° et 4° servent de points de contact pour l'ABE.
Ces autorités de contrôle informent l'ABE des cas dans lesquels elles sont informées en application de l'article 13, § 3, alinéa 3, que le droit d'un pays tiers ne permet pas de mettre en oeuvre les politiques et procédures requises en vertu de l'article 13, § 1er, en raison de contraintes juridiques, notamment en matière de secret, de protection des données et d'autres contraintes limitant l'échange d'informations. Elles coopèrent avec l'ABE à la recherche d'une solution.
Ces autorités fournissent à l'ABE toutes les informations nécessaires pour lui permettre d'accomplir ses missions au titre de la Directive 2015/849/CE.".
Art. 309. In artikel 135, § 2 van dezelfde wet wordt het woord "ETA's" vervangen door het woord "EBA".
Art. 309. A l'article 135, § 2 de la même loi, les mots "les AES" sont remplacés par les mots "l'ABE".
HOOFDSTUK 9. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE 9. - Dispositions transitoires
Art. 310. In afwijking van artikel 14/1 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen, ingevoegd bij artikel 22 van deze wet, moet een onderneming die krachtens artikel 419 van dezelfde wet van 25 april 2014 een vergunning als beursvennootschap heeft verkregen, wanneer zij op 24 december 2019 aan de voorwaarden van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° van dezelfde wet voldeed, uiterlijk 45 dagen na de datum van inwerkingtreding bedoeld in artikel 315, eerste lid van deze wet een vergunningsaanvraag indienen overeenkomstig artikel 8 van dezelfde wet.
De artikelen 9 tot 14 van dezelfde wet van 25 april 2014 zijn van toepassing op deze aanvraag, met dien verstande dat de toezichthouder garandeert dat de vergunningsprocedure zo gestroomlijnd mogelijk is en dat rekening wordt gehouden met de informatie die in het kader van het vorige toezichtsstatuut is verkregen.
Voor zover zij een vergunningsaanvraag indienen overeenkomstig het eerste lid binnen de daarin bepaalde termijn, mogen de ondernemingen de in artikel 1, § 3, eerste lid, 2° van dezelfde wet van 25 april 2014 bedoelde activiteiten blijven uitoefenen tot de datum waarop de vergunning wordt verleend of geweigerd, met dien verstande dat zij tot op die datum onderworpen blijven aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van Boek XII van dezelfde wet en aan de diverse normen genomen ter uitvoering ervan.
Bij wijze van uitzondering op het derde lid, zijn de bepalingen van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen die in de omzetting van de voornoemde Richtlijn (EU) 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 voorzien van overeenkomstige toepassing op de in het derde lid bedoelde ondernemingen gedurende de periode vanaf de datum van inwerkingtreding bedoeld in artikel 315, tweede lid tot de datum waarop de in het eerste lid bedoelde vergunning wordt verleend of geweigerd.
De artikelen 9 tot 14 van dezelfde wet van 25 april 2014 zijn van toepassing op deze aanvraag, met dien verstande dat de toezichthouder garandeert dat de vergunningsprocedure zo gestroomlijnd mogelijk is en dat rekening wordt gehouden met de informatie die in het kader van het vorige toezichtsstatuut is verkregen.
Voor zover zij een vergunningsaanvraag indienen overeenkomstig het eerste lid binnen de daarin bepaalde termijn, mogen de ondernemingen de in artikel 1, § 3, eerste lid, 2° van dezelfde wet van 25 april 2014 bedoelde activiteiten blijven uitoefenen tot de datum waarop de vergunning wordt verleend of geweigerd, met dien verstande dat zij tot op die datum onderworpen blijven aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van Boek XII van dezelfde wet en aan de diverse normen genomen ter uitvoering ervan.
Bij wijze van uitzondering op het derde lid, zijn de bepalingen van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen die in de omzetting van de voornoemde Richtlijn (EU) 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 voorzien van overeenkomstige toepassing op de in het derde lid bedoelde ondernemingen gedurende de periode vanaf de datum van inwerkingtreding bedoeld in artikel 315, tweede lid tot de datum waarop de in het eerste lid bedoelde vergunning wordt verleend of geweigerd.
Art. 310. Par dérogation à l'article 14/1 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse, inséré par l'article 22 de la présente loi, lorsqu'une entreprise agréée en tant que société de bourse en vertu de l'article 419 de la même loi du 25 avril 2014 satisfaisait aux conditions visées à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, de la même loi au 24 décembre 2019, elle est tenue d'introduire une demande d'agrément conformément à l'article 8 de la même loi au plus tard 45 jours après la date d'entrée en vigueur prévue à l'article 315, alinéa 1er de la présente loi.
Les articles 9 à 14 de la même loi du 25 avril 2014 sont applicables à cette demande, étant entendu que l'autorité de contrôle veille à ce que la procédure d'agrément soit aussi rationalisée que possible et à ce que les informations obtenues sous le statut de contrôle antérieur soient prises en compte.
Dans la mesure où elles introduisent une demande d'agrément conformément à l'alinéa 1er dans le délai qui y est prévu, les entreprises peuvent continuer d'exercer les activités visées à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, de la même loi du 25 avril 2014 jusqu'à la date à laquelle l'agrément est octroyé ou refusé, étant entendu qu'elles restent soumises jusqu'à cette date aux dispositions du droit de l'Union qui leur sont directement applicables, aux dispositions du Livre XII de la même loi et aux différentes normes prises en exécution de celles-ci.
Par exception à l'alinéa 3, les dispositions de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse qui assurent la transposition de la Directive (UE) 2019/878 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2019 précitée sont applicables par analogie aux entreprises visées à l'alinéa 3 pendant la période allant de la date d'entrée en vigueur visée à l'article 315, alinéa 2 à la date à laquelle l'agrément visé à l'alinéa 1er est octroyé ou refusé.
Les articles 9 à 14 de la même loi du 25 avril 2014 sont applicables à cette demande, étant entendu que l'autorité de contrôle veille à ce que la procédure d'agrément soit aussi rationalisée que possible et à ce que les informations obtenues sous le statut de contrôle antérieur soient prises en compte.
Dans la mesure où elles introduisent une demande d'agrément conformément à l'alinéa 1er dans le délai qui y est prévu, les entreprises peuvent continuer d'exercer les activités visées à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, de la même loi du 25 avril 2014 jusqu'à la date à laquelle l'agrément est octroyé ou refusé, étant entendu qu'elles restent soumises jusqu'à cette date aux dispositions du droit de l'Union qui leur sont directement applicables, aux dispositions du Livre XII de la même loi et aux différentes normes prises en exécution de celles-ci.
Par exception à l'alinéa 3, les dispositions de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse qui assurent la transposition de la Directive (UE) 2019/878 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2019 précitée sont applicables par analogie aux entreprises visées à l'alinéa 3 pendant la période allant de la date d'entrée en vigueur visée à l'article 315, alinéa 2 à la date à laquelle l'agrément visé à l'alinéa 1er est octroyé ou refusé.
Art. 311. Gedurende de periode vanaf de in artikel 315, eerste lid bedoelde datum van inwerkingtreding tot de in het tweede lid van hetzelfde artikel bedoelde datum van inwerkingtreding:
1° in artikel 3 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen moet de bepaling onder 38°, gewijzigd bij artikel 18 van deze wet, als volgt worden gelezen:
"38° financiële holding: een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk één of meer kredietinstellingen, beursvennootschappen of financiële instellingen zijn, en die geen gemengde financiële holding is. De dochterondernemingen van een financiële instelling zijn hoofdzakelijk instellingen of financiële instellingen wanneer tenminste een van deze instellingen een kredietinstelling of een beursvennootschap is en wanneer meer dan 50 % van het eigen vermogen, van de geconsolideerde activa, van de ontvangsten of van het personeel van de financiële instelling, of van elke andere indicator die relevant wordt geacht door de bevoegde autoriteit, en, indien dit een andere autoriteit is, in overleg met de consoliderende toezichthouder, verband houdt met dochterondernemingen die kredietinstellingen, beursvennootschappen of financiële instellingen zijn;";
2° in artikel 3 van dezelfde wet moet de bepaling onder 41°, gewijzigd bij artikel 18 van deze wet, als volgt worden gelezen:
"41° financiële instelling: een onderneming die geen kredietinstelling of beursvennootschap en evenmin een zuiver industriële holding is en waarvan de hoofdbedrijvigheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of het verrichten van een of meer van de werkzaamheden bedoeld in de punten 2 tot 12 en 15 van de lijst in artikel 4;";
3° in artikel 3 van dezelfde wet moet de bepaling onder 63°, gewijzigd bij artikel 18 van deze wet, als volgt worden gelezen:
"63° strategische beslissing:
1) een beslissing genomen door een kredietinstelling of een beursvennootschap, of door een entiteit waarover zij controle heeft, wanneer deze beslissing een zeker belang heeft en daardoor een globalere impact kan hebben op de instelling, in de mate dat zij gevolgen heeft voor verschillende functies van de instelling, en die betrekking heeft op elke investering, desinvestering, deelneming of strategische samenwerkingsrelatie van de instelling, met name een beslissing tot aankoop of oprichting van een andere instelling, tot oprichting van een joint venture, tot vestiging in een andere staat, tot het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst, tot het inbrengen of het kopen van een bedrijfstak, tot het aangaan van een fusie of een splitsing, of in de mate dat zij leidt tot de initiële toelating van de kapitaalvertegenwoordigende effecten tot de handel op een handelsplatform. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank nader bepalen welke beslissingen als strategisch moeten worden beschouwd in de zin van deze bepaling, met name rekening houdend met het risicoprofiel en de aard van de werkzaamheden van de instellingen, of, in voorkomend geval, de groep waartoe ze behoren. Zij maakt deze nadere bepalingen openbaar;
2) elke beslissing die gelijkaardige gevolgen heeft voor de kredietinstelling of de beursvennootschap en die genomen wordt door een aandeelhouder die controle uitoefent over de kredietinstelling of de beursvennootschap;";
4° in artikel 3 van dezelfde wet moet de bepaling onder 85°, ingevoegd bij artikel 18 van deze wet, als volgt worden gelezen:
"85° groep: een geheel van ondernemingen waarvan er minstens één een kredietinstelling of een beursvennootschap is en dat gevormd wordt door een moederonderneming en haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd;";
5° in artikel 8 van dezelfde wet moet het eerste lid, ingevoegd bij artikel 19 van deze wet, als volgt worden gelezen:
"Bij de vergunningsaanvraag die aan de Bank wordt voorgelegd, wordt een administratief dossier gevoegd dat beantwoordt aan de door de toezichthouder gestelde voorwaarden en waarin met name het programma van werkzaamheden is opgenomen, in het bijzonder de aard en de omvang van de voorgenomen verrichtingen alsook de organisatiestructuur van de instelling, inzonderheid een beschrijving van de in artikel 21, § 1 bedoelde regelingen, processen en mechanismen, en de nauwe banden die zij heeft met andere personen, waarbij met name de moederondernemingen, de financiële holdings en de gemengde financiële holdings binnen de groep worden vermeld. De aanvragers moeten bovendien alle inlichtingen verstrekken die nodig zijn om hun aanvraag te kunnen beoordelen.".
6° in artikel 164, § 1 van dezelfde wet moet de bepaling onder 6°, ingevoegd bij artikel 86 van deze wet, als volgt worden gelezen:
"6° een aangewezen kredietinstelling: een kredietinstelling die is aangewezen overeenkomstig artikel 212/2, § 1, 3° of artikel 212/7, § 1, tweede lid, 4° of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 4, punt c) of lid 6, punt d) van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de vrijgestelde of aan toezichtsmaatregelen onderworpen financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert of een beursvennootschap die is aangewezen overeenkomstig artikel 212/7, § 1, tweede lid, 4° of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 6, punt d) van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de vrijgestelde of aan toezichtsmaatregelen onderworpen financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert;";
7° in artikel 164 van dezelfde wet moet paragraaf 2, gewijzigd bij artikel 86 van deze wet als volgt worden gelezen:
" § 2. Onverminderd artikel 3 van deze wet en paragraaf 1 van dit artikel worden voor de toepassing van het geconsolideerde toezicht zoals opgenomen in de Afdelingen II en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder:
1° moederkredietinstelling in een lidstaat: een kredietinstelling die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een kredietinstelling die een kredietinstelling, een beursvennootschap, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht als dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in een kredietinstelling, een beursvennootschap, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht, en die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder dezelfde lidstaat ressorteert;
2° Belgische moederkredietinstelling: een kredietinstelling die de overkoepelende moederonderneming in België is, d.w.z. een kredietinstelling naar Belgisch recht die een kredietinstelling, een beursvennootschap, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht als dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in een kredietinstelling, een beursvennootschap, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht, en die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling naar Belgisch recht, een beursvennootschap naar Belgisch recht of van een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht;
3° EER-moederkredietinstelling: een kredietinstelling de overkoepelende EER-moederonderneming is, d.w.z. een moederkredietinstelling in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder een andere lidstaat ressorteert;
4° Belgische EER-moederkredietinstelling: een Belgische kredietinstelling die de overkoepelende EER-moederonderneming is, d.w.z. een Belgische moederkredietinstelling die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder een andere lidstaat ressorteert;
5° financiële moederholding in een lidstaat: een financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder dezelfde lidstaat ressorteert;
6° Belgische financiële moederholding: een financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in België is, d.w.z. een financiële holding naar Belgisch recht die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling naar Belgisch recht, van een beursvennootschap naar Belgisch recht of van een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht;
7° financiële EER-moederholding: een financiële holding die de overkoepelende EER-moederonderneming is, d.w.z. een financiële moederholding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder een andere lidstaat ressorteert;
8° Belgische financiële EER-moederholding: een Belgische financiële holding die de overkoepelende EER-moederonderneming is, d.w.z. een Belgische financiële moederholding die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een andere financiële holding of gemengde financiële holding die onder een andere lidstaat ressorteert;
9° gemengde financiële moederholding in een lidstaat: een gemengde financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een gemengde financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder dezelfde lidstaat ressorteert;
10° Belgische gemengde financiële moederholding: een gemengde financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in België is, d.w.z. een gemengde financiële holding naar Belgisch recht die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling naar Belgisch recht, van een beursvennootschap naar Belgisch recht of van een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht;
11° gemengde financiële EER-moederholding: een gemengde financiële holding die de overkoepelende EER-moederonderneming is, d.w.z. een gemengde financiële moederholding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder een andere lidstaat ressorteert;
12° Belgische gemengde financiële EER-moederholding: een Belgische gemengde financiële holding die de overkoepelende EER-moederonderneming is, d.w.z. een Belgische gemengde financiële moederholding die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder een andere lidstaat ressorteert;
13° moederbeleggingsonderneming in een lidstaat: een beleggingsonderneming die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een beursvennootschap die een kredietinstelling of een beursvennootschap als dochteronderneming heeft en die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder dezelfde lidstaat ressorteert;
14° EER-moederbeleggingsonderneming: een beleggingsonderneming die de overkoepelende EER-moederonderneming is, d.w.z. een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder een andere lidstaat ressorteert.";
8° in artikel 167 van dezelfde wet moet paragraaf 3, gewijzigd bij artikel 90 van deze wet, als volgt worden gelezen:
" § 3. Kredietinstellingen naar Belgisch recht, financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht waaraan goedkeuring is verleend of die zijn aangewezen, die een dochteronderneming zijn, passen de vereisten van artikel 94 op gesubconsolideerde basis toe als deze kredietinstellingen zelf, of hun moederonderneming, als deze een financiële holding of gemengde financiële moederholding in een lidstaat is, een kredietinstelling, een beursvennootschap of een financiële instelling als dochteronderneming in een derde land hebben of een deelneming in een dergelijke onderneming hebben.";
9° in artikel 171, § 4 van dezelfde wet moet het zesde lid, ingevoegd bij artikel 96 van deze wet, als volgt worden gelezen:
"Deze paragraaf is niet van toepassing in de in paragraaf 1, 5° bedoelde gevallen wanneer de groep waartoe de betrokken kredietinstelling behoort, geen enkele dochterbeursvennootschap in de EER heeft.";
10° in artikel 180, § 2 van dezelfde wet moet het eerste lid, gewijzigd bij artikel 104 van deze wet, als volgt worden gelezen:
" § 2. De in paragraaf 1 bedoelde informatie wordt als essentieel beschouwd als die de beoordeling van de financiële soliditeit van een kredietinstelling, een beursvennootschap of een financiële instelling wezenlijk zou kunnen beïnvloeden.";
11° in artikel 180, § 2, tweede lid van dezelfde wet moet de bepaling onder 3°, gewijzigd bij artikel 104 van deze wet, als volgt worden gelezen:
"3° ongunstige ontwikkelingen bij entiteiten die deel uitmaken van het geconsolideerde geheel, die ernstige nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kredietinstellingen en de beursvennootschappen in de groep;"
12° in artikel 182 van dezelfde wet moet paragraaf 1, zoals die voortvloeit uit artikel 107, 1°, van deze wet, als volgt worden gelezen:
" § 1. Indien een kredietinstelling, een beursvennootschap, een financiële holding, een gemengde financiële holding of een gemengde holding naar Belgisch recht moederonderneming is van één of meer ondernemingen die verzekeringsondernemingen zijn of van andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten waarvoor een vergunningstelsel geldt, werkt de toezichthouder nauw samen met de autoriteiten die van overheidswege belast zijn met het toezicht op de verzekeringsondernemingen of andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten. Onverminderd hun respectieve bevoegdheden kan de toezichthouder alle inlichtingen vragen of verstrekken aan deze autoriteiten waardoor de vervulling van hun respectieve taken kan worden vergemakkelijkt en toezicht op de activiteit en de financiële positie van alle aan hun toezicht onderworpen ondernemingen kan worden uitgeoefend.";
13° in artikel 212/7, § 1, tweede lid van dezelfde wet moet de bepaling onder 4°, ingevoegd bij artikel 133 van deze wet, als volgt worden gelezen:
"4° aanwijzing, op tijdelijke basis, van een andere financiële holding, gemengde financiële holding, beursvennootschap of kredietinstelling binnen de groep als verantwoordelijke voor de naleving van de vereisten van deze wet en van Verordening nr. 575/2013 op geconsolideerde basis;";
14° in de artikelen 218/1 en 218/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikelen 147 en 148 van deze wet, moeten de woorden "beleggingsonderneming" worden gelezen als "beursvennootschap" en de woorden "beleggingsondernemingen" als "beursvennootschappen".
1° in artikel 3 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen moet de bepaling onder 38°, gewijzigd bij artikel 18 van deze wet, als volgt worden gelezen:
"38° financiële holding: een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk één of meer kredietinstellingen, beursvennootschappen of financiële instellingen zijn, en die geen gemengde financiële holding is. De dochterondernemingen van een financiële instelling zijn hoofdzakelijk instellingen of financiële instellingen wanneer tenminste een van deze instellingen een kredietinstelling of een beursvennootschap is en wanneer meer dan 50 % van het eigen vermogen, van de geconsolideerde activa, van de ontvangsten of van het personeel van de financiële instelling, of van elke andere indicator die relevant wordt geacht door de bevoegde autoriteit, en, indien dit een andere autoriteit is, in overleg met de consoliderende toezichthouder, verband houdt met dochterondernemingen die kredietinstellingen, beursvennootschappen of financiële instellingen zijn;";
2° in artikel 3 van dezelfde wet moet de bepaling onder 41°, gewijzigd bij artikel 18 van deze wet, als volgt worden gelezen:
"41° financiële instelling: een onderneming die geen kredietinstelling of beursvennootschap en evenmin een zuiver industriële holding is en waarvan de hoofdbedrijvigheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of het verrichten van een of meer van de werkzaamheden bedoeld in de punten 2 tot 12 en 15 van de lijst in artikel 4;";
3° in artikel 3 van dezelfde wet moet de bepaling onder 63°, gewijzigd bij artikel 18 van deze wet, als volgt worden gelezen:
"63° strategische beslissing:
1) een beslissing genomen door een kredietinstelling of een beursvennootschap, of door een entiteit waarover zij controle heeft, wanneer deze beslissing een zeker belang heeft en daardoor een globalere impact kan hebben op de instelling, in de mate dat zij gevolgen heeft voor verschillende functies van de instelling, en die betrekking heeft op elke investering, desinvestering, deelneming of strategische samenwerkingsrelatie van de instelling, met name een beslissing tot aankoop of oprichting van een andere instelling, tot oprichting van een joint venture, tot vestiging in een andere staat, tot het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst, tot het inbrengen of het kopen van een bedrijfstak, tot het aangaan van een fusie of een splitsing, of in de mate dat zij leidt tot de initiële toelating van de kapitaalvertegenwoordigende effecten tot de handel op een handelsplatform. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank nader bepalen welke beslissingen als strategisch moeten worden beschouwd in de zin van deze bepaling, met name rekening houdend met het risicoprofiel en de aard van de werkzaamheden van de instellingen, of, in voorkomend geval, de groep waartoe ze behoren. Zij maakt deze nadere bepalingen openbaar;
2) elke beslissing die gelijkaardige gevolgen heeft voor de kredietinstelling of de beursvennootschap en die genomen wordt door een aandeelhouder die controle uitoefent over de kredietinstelling of de beursvennootschap;";
4° in artikel 3 van dezelfde wet moet de bepaling onder 85°, ingevoegd bij artikel 18 van deze wet, als volgt worden gelezen:
"85° groep: een geheel van ondernemingen waarvan er minstens één een kredietinstelling of een beursvennootschap is en dat gevormd wordt door een moederonderneming en haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd;";
5° in artikel 8 van dezelfde wet moet het eerste lid, ingevoegd bij artikel 19 van deze wet, als volgt worden gelezen:
"Bij de vergunningsaanvraag die aan de Bank wordt voorgelegd, wordt een administratief dossier gevoegd dat beantwoordt aan de door de toezichthouder gestelde voorwaarden en waarin met name het programma van werkzaamheden is opgenomen, in het bijzonder de aard en de omvang van de voorgenomen verrichtingen alsook de organisatiestructuur van de instelling, inzonderheid een beschrijving van de in artikel 21, § 1 bedoelde regelingen, processen en mechanismen, en de nauwe banden die zij heeft met andere personen, waarbij met name de moederondernemingen, de financiële holdings en de gemengde financiële holdings binnen de groep worden vermeld. De aanvragers moeten bovendien alle inlichtingen verstrekken die nodig zijn om hun aanvraag te kunnen beoordelen.".
6° in artikel 164, § 1 van dezelfde wet moet de bepaling onder 6°, ingevoegd bij artikel 86 van deze wet, als volgt worden gelezen:
"6° een aangewezen kredietinstelling: een kredietinstelling die is aangewezen overeenkomstig artikel 212/2, § 1, 3° of artikel 212/7, § 1, tweede lid, 4° of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 4, punt c) of lid 6, punt d) van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de vrijgestelde of aan toezichtsmaatregelen onderworpen financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert of een beursvennootschap die is aangewezen overeenkomstig artikel 212/7, § 1, tweede lid, 4° of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21bis, lid 6, punt d) van Richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de vrijgestelde of aan toezichtsmaatregelen onderworpen financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert;";
7° in artikel 164 van dezelfde wet moet paragraaf 2, gewijzigd bij artikel 86 van deze wet als volgt worden gelezen:
" § 2. Onverminderd artikel 3 van deze wet en paragraaf 1 van dit artikel worden voor de toepassing van het geconsolideerde toezicht zoals opgenomen in de Afdelingen II en IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan verstaan onder:
1° moederkredietinstelling in een lidstaat: een kredietinstelling die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een kredietinstelling die een kredietinstelling, een beursvennootschap, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht als dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in een kredietinstelling, een beursvennootschap, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht, en die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder dezelfde lidstaat ressorteert;
2° Belgische moederkredietinstelling: een kredietinstelling die de overkoepelende moederonderneming in België is, d.w.z. een kredietinstelling naar Belgisch recht die een kredietinstelling, een beursvennootschap, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht als dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in een kredietinstelling, een beursvennootschap, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten verricht, en die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling naar Belgisch recht, een beursvennootschap naar Belgisch recht of van een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht;
3° EER-moederkredietinstelling: een kredietinstelling de overkoepelende EER-moederonderneming is, d.w.z. een moederkredietinstelling in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder een andere lidstaat ressorteert;
4° Belgische EER-moederkredietinstelling: een Belgische kredietinstelling die de overkoepelende EER-moederonderneming is, d.w.z. een Belgische moederkredietinstelling die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder een andere lidstaat ressorteert;
5° financiële moederholding in een lidstaat: een financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder dezelfde lidstaat ressorteert;
6° Belgische financiële moederholding: een financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in België is, d.w.z. een financiële holding naar Belgisch recht die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling naar Belgisch recht, van een beursvennootschap naar Belgisch recht of van een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht;
7° financiële EER-moederholding: een financiële holding die de overkoepelende EER-moederonderneming is, d.w.z. een financiële moederholding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder een andere lidstaat ressorteert;
8° Belgische financiële EER-moederholding: een Belgische financiële holding die de overkoepelende EER-moederonderneming is, d.w.z. een Belgische financiële moederholding die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een andere financiële holding of gemengde financiële holding die onder een andere lidstaat ressorteert;
9° gemengde financiële moederholding in een lidstaat: een gemengde financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een gemengde financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder dezelfde lidstaat ressorteert;
10° Belgische gemengde financiële moederholding: een gemengde financiële holding die de overkoepelende moederonderneming in België is, d.w.z. een gemengde financiële holding naar Belgisch recht die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling naar Belgisch recht, van een beursvennootschap naar Belgisch recht of van een financiële holding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht;
11° gemengde financiële EER-moederholding: een gemengde financiële holding die de overkoepelende EER-moederonderneming is, d.w.z. een gemengde financiële moederholding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder een andere lidstaat ressorteert;
12° Belgische gemengde financiële EER-moederholding: een Belgische gemengde financiële holding die de overkoepelende EER-moederonderneming is, d.w.z. een Belgische gemengde financiële moederholding die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder een andere lidstaat ressorteert;
13° moederbeleggingsonderneming in een lidstaat: een beleggingsonderneming die de overkoepelende moederonderneming in een lidstaat is, d.w.z. een beursvennootschap die een kredietinstelling of een beursvennootschap als dochteronderneming heeft en die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in dezelfde lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder dezelfde lidstaat ressorteert;
14° EER-moederbeleggingsonderneming: een beleggingsonderneming die de overkoepelende EER-moederonderneming is, d.w.z. een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend, van een beursvennootschap waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend of van een financiële holding of gemengde financiële holding die onder een andere lidstaat ressorteert.";
8° in artikel 167 van dezelfde wet moet paragraaf 3, gewijzigd bij artikel 90 van deze wet, als volgt worden gelezen:
" § 3. Kredietinstellingen naar Belgisch recht, financiële holdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht waaraan goedkeuring is verleend of die zijn aangewezen, die een dochteronderneming zijn, passen de vereisten van artikel 94 op gesubconsolideerde basis toe als deze kredietinstellingen zelf, of hun moederonderneming, als deze een financiële holding of gemengde financiële moederholding in een lidstaat is, een kredietinstelling, een beursvennootschap of een financiële instelling als dochteronderneming in een derde land hebben of een deelneming in een dergelijke onderneming hebben.";
9° in artikel 171, § 4 van dezelfde wet moet het zesde lid, ingevoegd bij artikel 96 van deze wet, als volgt worden gelezen:
"Deze paragraaf is niet van toepassing in de in paragraaf 1, 5° bedoelde gevallen wanneer de groep waartoe de betrokken kredietinstelling behoort, geen enkele dochterbeursvennootschap in de EER heeft.";
10° in artikel 180, § 2 van dezelfde wet moet het eerste lid, gewijzigd bij artikel 104 van deze wet, als volgt worden gelezen:
" § 2. De in paragraaf 1 bedoelde informatie wordt als essentieel beschouwd als die de beoordeling van de financiële soliditeit van een kredietinstelling, een beursvennootschap of een financiële instelling wezenlijk zou kunnen beïnvloeden.";
11° in artikel 180, § 2, tweede lid van dezelfde wet moet de bepaling onder 3°, gewijzigd bij artikel 104 van deze wet, als volgt worden gelezen:
"3° ongunstige ontwikkelingen bij entiteiten die deel uitmaken van het geconsolideerde geheel, die ernstige nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kredietinstellingen en de beursvennootschappen in de groep;"
12° in artikel 182 van dezelfde wet moet paragraaf 1, zoals die voortvloeit uit artikel 107, 1°, van deze wet, als volgt worden gelezen:
" § 1. Indien een kredietinstelling, een beursvennootschap, een financiële holding, een gemengde financiële holding of een gemengde holding naar Belgisch recht moederonderneming is van één of meer ondernemingen die verzekeringsondernemingen zijn of van andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten waarvoor een vergunningstelsel geldt, werkt de toezichthouder nauw samen met de autoriteiten die van overheidswege belast zijn met het toezicht op de verzekeringsondernemingen of andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten. Onverminderd hun respectieve bevoegdheden kan de toezichthouder alle inlichtingen vragen of verstrekken aan deze autoriteiten waardoor de vervulling van hun respectieve taken kan worden vergemakkelijkt en toezicht op de activiteit en de financiële positie van alle aan hun toezicht onderworpen ondernemingen kan worden uitgeoefend.";
13° in artikel 212/7, § 1, tweede lid van dezelfde wet moet de bepaling onder 4°, ingevoegd bij artikel 133 van deze wet, als volgt worden gelezen:
"4° aanwijzing, op tijdelijke basis, van een andere financiële holding, gemengde financiële holding, beursvennootschap of kredietinstelling binnen de groep als verantwoordelijke voor de naleving van de vereisten van deze wet en van Verordening nr. 575/2013 op geconsolideerde basis;";
14° in de artikelen 218/1 en 218/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikelen 147 en 148 van deze wet, moeten de woorden "beleggingsonderneming" worden gelezen als "beursvennootschap" en de woorden "beleggingsondernemingen" als "beursvennootschappen".
Art. 311. Pendant la période allant de la date d'entrée en vigueur visée à l'article 315, alinéa 1er à la date d'entrée en vigueur visée à l'alinéa 2 du même article :
1° dans l'article 3 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse, le 38°, modifié par l'article 18 de la présente loi, doit se lire comme suit :
"38° compagnie financière : un établissement financier dont les filiales sont exclusivement ou principalement un ou plusieurs établissements de crédit, sociétés de bourse ou établissements financiers, et qui n'est pas une compagnie financière mixte. Les filiales d'un établissement financier sont principalement des établissements ou des établissements financiers lorsqu'au moins l'une d'elles est un établissement de crédit ou une société de bourse et lorsque plus de 50 % des fonds propres, des actifs consolidés, des recettes ou du personnel de l'établissement financier, ou de tout autre indicateur jugé pertinent par l'autorité compétente et, lorsqu'il s'agit d'une autorité différente, en concertation avec l'autorité de surveillance sur base consolidée, sont liés à des filiales qui sont des établissements de crédit, des sociétés de bourse ou des établissements financiers ;" ;
2° dans l'article 3 de la même loi, le 41°, modifié par l'article l'article 18 de la présente loi, doit se lire comme suit :
"41° établissement financier, une entreprise autre qu'un établissement de crédit ou société de bourse et autre qu'une compagnie holding purement industrielle, dont l'activité principale consiste à prendre des participations ou à exercer une ou plusieurs des activités visées aux points 2 à 12 et 15 de la liste reprise à l'article 4 ;" ;
3° dans l'article 3 de la même loi, le 63°, modifié par l'article l'article 18 de la présente loi, doit se lire comme suit :
"63° décision stratégique :
1) une décision prise par un établissement de crédit ou une société de bourse, ou par une entité sous le contrôle de celui-ci ou celle-ci, dès lors qu'une telle décision est d'une certaine importance et dès lors susceptible d'avoir un impact plus global sur l'établissement, dans la mesure où différentes fonctions de l'établissement seraient touchées ou remises en question à la suite de pareille décision, qui concerne tout investissement, désinvestissement, participation ou relation de coopération stratégique de l'établissement, notamment, une décision d'acquisition ou de constitution d'un autre établissement, de constitution d'une joint-venture, d'établissement dans un autre Etat, de conclusion d'accords de coopération, d'apport ou d'acquisition d'une branche d'activité, de fusion ou de scission, ou encore dans la mesure où elle conduit à l'admission initiale à la négociation des titres représentatifs de capital sur une plateforme de négociation. La Banque, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, peut préciser les décisions qui sont à considérer comme stratégiques au sens de la présente disposition en tenant notamment compte du profil de risque et de la nature des activités des établissements, ou, le cas échéant, le groupe auxquels ils appartiennent. Elle publie ces précisions ;
2) tout type de décision produisant des effets similaires dans le chef de l'établissement de crédit ou de la société de bourse, prise par un actionnaire qui exerce le contrôle sur l'établissement de crédit ou la société de bourse ;" ;
4° dans l'article 3 de la même loi, le 85°, inséré par l'article 18 de la présente loi, doit se lire comme suit :
"85° groupe : un ensemble d'entreprises dont l'une au moins est un établissement de crédit ou une société de bourse et qui est constitué d'une entreprise mère et de ses filiales, ainsi que des entreprises qui constituent un consortium et les entreprises contrôlées par ces dernières ;" ;
5° dans l'article 8 de la même loi, l'alinéa 1er, modifié par l'article 19 de la présente loi, doit se lire comme suit :
"La demande d'agrément est soumise à la Banque, accompagnée d'un dossier administratif répondant aux conditions fixées par l'autorité de contrôle et dans lequel sont notamment indiqués le programme d'activités, en particulier la nature et le volume des opérations envisagées ainsi que la structure de l'organisation de l'établissement, en particulier une description des dispositifs, processus et mécanismes visés à l'article 21, § 1er, et ses liens étroits avec d'autres personnes, indiquant notamment les entreprises mères, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes au sein du groupe. Les demandeurs doivent en outre fournir tous renseignements nécessaires à l'appréciation de leur demande.".
6° dans l'article 164, § 1er de la même loi, le 6°, inséré par l'article 86 de la présente loi, doit se lire comme suit :
"6° un établissement de crédit désigné, un établissement de crédit désigné conformément à l'article 212/2, § 1er, 3° ou l'article 212/7, § 1er, alinéa 2, 4° ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 4, c) ou paragraphe 6, d) de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte exemptée ou qui fait l'objet de mesures de surveillance ou une société de bourse désignée conformément à l'article 212/7, § 1er, alinéa 2, 4° ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 6, d) de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte exemptée ou qui fait l'objet de mesures de surveillance ;" ;
7° dans l'article 164 de la même loi, le paragraphe 2, modifié par l'article 86 de la présente loi, doit se lire comme suit :
" § 2. Sans préjudice de l'article 3 de la présente loi et du paragraphe 1er du présent article, il y a lieu d'entendre pour l'application du contrôle sur base consolidée tel que prévu aux Sections II et IV du présent Chapitre et par les arrêtés et règlements pris pour leur exécution, par :
1° établissement de crédit mère dans un Etat membre, un établissement de crédit faîtier dans un Etat membre, c.-à-d. un établissement de crédit qui a comme filiale un établissement de crédit, une société de bourse, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, ou qui détient une participation dans un établissement de crédit, une société de bourse, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, et qui n'est pas lui-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre, d'une société de bourse agréée dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
2° établissement de crédit mère belge, un établissement de crédit faîtier en Belgique, c.-à-d. un établissement de crédit de droit belge qui a comme filiale un établissement de crédit, une société de bourse, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, ou qui détient une participation dans un établissement de crédit, une société de bourse, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, et qui n'est pas lui-même une filiale d'un établissement de crédit de droit belge, d'une société de bourse de droit belge ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte de droit belge ;
3° établissement de crédit mère dans l'EEE, un établissement de crédit faîtier dans l'EEE, c.-à-d. un établissement de crédit mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre, d'une société de bourse agréée dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
4° établissement de crédit mère belge dans l'EEE, un établissement de crédit belge faîtier dans l'EEE, c.-à-d. un établissement de crédit mère belge qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre, d'une société de bourse agréée dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
5° compagnie financière mère dans un Etat membre, une compagnie financière faîtière dans un Etat membre, c.-à-d. une compagnie financière qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre, d'une société de bourse agréée dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
6° compagnie financière mère belge, une compagnie financière faîtière en Belgique, c.-à-d. une compagnie financière de droit belge qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit de droit belge, d'une société de bourse de droit belge ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte de droit belge ;
7° compagnie financière mère dans l'EEE, une compagnie financière faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre, d'une société de bourse agréée dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
8° compagnie financière mère belge dans l'EEE, une compagnie financière belge faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mère belge qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre, d'une société de bourse agréée dans un autre Etat membre ou d'une autre compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
9° compagnie financière mixte mère dans un Etat membre, une compagnie financière mixte faîtière dans un Etat membre, c.-à-d. une compagnie financière mixte qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre, d'une société de bourse agréée dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
10° compagnie financière mixte mère belge, une compagnie financière mixte faîtière en Belgique, c.-à-d. une compagnie financière mixte de droit belge qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit de droit belge, d'une société de bourse de droit belge ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte de droit belge ;
11° compagnie financière mixte mère dans l'EEE, une compagnie financière mixte faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre, d'une société de bourse agréée dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
12° compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE, une compagnie financière mixte belge faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mixte mère belge qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre, d'une société de bourse agréée dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
13° entreprise d'investissement mère dans un Etat membre, une entreprise d'investissement faîtière dans un Etat membre, c.-à-d. une société de bourse qui a comme filiale un établissement de crédit ou une société de bourse, et qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre, d'une société de bourse agréée dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
14° entreprise d'investissement mère dans l'EEE, une entreprise d'investissement faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une entreprise d'investissement mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre, d'une société de bourse agréée dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre." ;
8° dans l'article 167 de la même loi, le paragraphe 3, modifié par l'article 90 de la présente loi, doit se lire comme suit :
" § 3. Les établissements de crédit de droit belge, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge qui sont une filiale appliquent les exigences énoncées à l'article 94 sur une base sous-consolidée lorsqu'eux-mêmes, ou leur entreprise mère s'il s'agit d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte dans un Etat membre, comptent un établissement de crédit, une société de bourse ou un établissement financier comme filiale dans un pays tiers ou y détiennent une participation." ;
9° dans l'article 171, § 4 de la même loi, l'alinéa 6, inséré par l'article 96 de la présente loi, doit se lire comme suit :
"Le présent paragraphe n'est pas applicable dans les situations visées au paragraphe 1er, 5° lorsque le groupe dont fait partie l'établissement de crédit concerné ne détient aucune société de bourse filiale dans l'EEE." ;
10° dans l'article 180, § 2 de la même loi, l'alinéa 1er, modifié par l'article 104 de la présente loi, doit se lire comme suit :
" § 2. Les informations visées au paragraphe 1er sont considérées comme essentielles si elles peuvent avoir une incidence significative sur l'évaluation de la solidité financière d'un établissement de crédit, d'une société de bourse ou d'un établissement financier." ;
11° dans l'article 180, § 2, alinéa 2 de la même loi, le 3°, modifié par l'article 104 de la présente loi, doit se lire comme suit :
"3° les évolutions négatives que connaissent les entités faisant partie de l'ensemble consolidé, et qui sont de nature à nuire gravement aux établissements de crédit et aux sociétés de bourse qui font partie du groupe ;"
12° dans l'article 182 de la même loi, le paragraphe 1er, tel qu'il résulte de l'article 107, 1 de la présente loi, doit se lire comme suit :
" § 1er. Lorsqu'un établissement de crédit, une société de bourse, une compagnie financière, une compagnie financière mixte ou une compagnie mixte de droit belge est l'entreprise mère d'une ou de plusieurs entreprises qui sont des entreprises d'assurance ou d'autres entreprises fournissant des services d'investissement soumises à agrément, l'autorité de contrôle collabore étroitement avec les autorités investies de la mission publique de surveillance des entreprises d'assurance ou d'autres entreprises fournissant des services d'investissement. Sans préjudice de leurs compétences respectives, l'autorité de contrôle peut demander ou fournir à ces autorités toutes les informations susceptibles de faciliter l'exercice de leurs tâches respectives et de permettre la surveillance de l'activité et de la situation financière de l'ensemble des entreprises soumises à leur surveillance." ;
13° dans l'article 212/7, § 1er, alinéa 2 de la même loi, le 4°, inséré par l'article 133 de la présente loi, doit se lire comme suit :
"4° désigner à titre temporaire une autre compagnie financière ou compagnie financière mixte, une société de bourse ou un autre établissement de crédit au sein du groupe comme responsable du respect des exigences prévues par la présente loi et le Règlement n° 575/2013 sur base consolidée ;" ;
14° dans les articles 218/1 et 218/2 de la même loi, insérés par les articles 147 et 148 de la présente loi, les mots "entreprise d'investissement" doivent se lire comme les mots "société de bourse" et les mots "entreprises d'investissement" doivent se lire comme les mots "sociétés de bourse".
1° dans l'article 3 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse, le 38°, modifié par l'article 18 de la présente loi, doit se lire comme suit :
"38° compagnie financière : un établissement financier dont les filiales sont exclusivement ou principalement un ou plusieurs établissements de crédit, sociétés de bourse ou établissements financiers, et qui n'est pas une compagnie financière mixte. Les filiales d'un établissement financier sont principalement des établissements ou des établissements financiers lorsqu'au moins l'une d'elles est un établissement de crédit ou une société de bourse et lorsque plus de 50 % des fonds propres, des actifs consolidés, des recettes ou du personnel de l'établissement financier, ou de tout autre indicateur jugé pertinent par l'autorité compétente et, lorsqu'il s'agit d'une autorité différente, en concertation avec l'autorité de surveillance sur base consolidée, sont liés à des filiales qui sont des établissements de crédit, des sociétés de bourse ou des établissements financiers ;" ;
2° dans l'article 3 de la même loi, le 41°, modifié par l'article l'article 18 de la présente loi, doit se lire comme suit :
"41° établissement financier, une entreprise autre qu'un établissement de crédit ou société de bourse et autre qu'une compagnie holding purement industrielle, dont l'activité principale consiste à prendre des participations ou à exercer une ou plusieurs des activités visées aux points 2 à 12 et 15 de la liste reprise à l'article 4 ;" ;
3° dans l'article 3 de la même loi, le 63°, modifié par l'article l'article 18 de la présente loi, doit se lire comme suit :
"63° décision stratégique :
1) une décision prise par un établissement de crédit ou une société de bourse, ou par une entité sous le contrôle de celui-ci ou celle-ci, dès lors qu'une telle décision est d'une certaine importance et dès lors susceptible d'avoir un impact plus global sur l'établissement, dans la mesure où différentes fonctions de l'établissement seraient touchées ou remises en question à la suite de pareille décision, qui concerne tout investissement, désinvestissement, participation ou relation de coopération stratégique de l'établissement, notamment, une décision d'acquisition ou de constitution d'un autre établissement, de constitution d'une joint-venture, d'établissement dans un autre Etat, de conclusion d'accords de coopération, d'apport ou d'acquisition d'une branche d'activité, de fusion ou de scission, ou encore dans la mesure où elle conduit à l'admission initiale à la négociation des titres représentatifs de capital sur une plateforme de négociation. La Banque, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, peut préciser les décisions qui sont à considérer comme stratégiques au sens de la présente disposition en tenant notamment compte du profil de risque et de la nature des activités des établissements, ou, le cas échéant, le groupe auxquels ils appartiennent. Elle publie ces précisions ;
2) tout type de décision produisant des effets similaires dans le chef de l'établissement de crédit ou de la société de bourse, prise par un actionnaire qui exerce le contrôle sur l'établissement de crédit ou la société de bourse ;" ;
4° dans l'article 3 de la même loi, le 85°, inséré par l'article 18 de la présente loi, doit se lire comme suit :
"85° groupe : un ensemble d'entreprises dont l'une au moins est un établissement de crédit ou une société de bourse et qui est constitué d'une entreprise mère et de ses filiales, ainsi que des entreprises qui constituent un consortium et les entreprises contrôlées par ces dernières ;" ;
5° dans l'article 8 de la même loi, l'alinéa 1er, modifié par l'article 19 de la présente loi, doit se lire comme suit :
"La demande d'agrément est soumise à la Banque, accompagnée d'un dossier administratif répondant aux conditions fixées par l'autorité de contrôle et dans lequel sont notamment indiqués le programme d'activités, en particulier la nature et le volume des opérations envisagées ainsi que la structure de l'organisation de l'établissement, en particulier une description des dispositifs, processus et mécanismes visés à l'article 21, § 1er, et ses liens étroits avec d'autres personnes, indiquant notamment les entreprises mères, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes au sein du groupe. Les demandeurs doivent en outre fournir tous renseignements nécessaires à l'appréciation de leur demande.".
6° dans l'article 164, § 1er de la même loi, le 6°, inséré par l'article 86 de la présente loi, doit se lire comme suit :
"6° un établissement de crédit désigné, un établissement de crédit désigné conformément à l'article 212/2, § 1er, 3° ou l'article 212/7, § 1er, alinéa 2, 4° ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 4, c) ou paragraphe 6, d) de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte exemptée ou qui fait l'objet de mesures de surveillance ou une société de bourse désignée conformément à l'article 212/7, § 1er, alinéa 2, 4° ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21bis, paragraphe 6, d) de la Directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte exemptée ou qui fait l'objet de mesures de surveillance ;" ;
7° dans l'article 164 de la même loi, le paragraphe 2, modifié par l'article 86 de la présente loi, doit se lire comme suit :
" § 2. Sans préjudice de l'article 3 de la présente loi et du paragraphe 1er du présent article, il y a lieu d'entendre pour l'application du contrôle sur base consolidée tel que prévu aux Sections II et IV du présent Chapitre et par les arrêtés et règlements pris pour leur exécution, par :
1° établissement de crédit mère dans un Etat membre, un établissement de crédit faîtier dans un Etat membre, c.-à-d. un établissement de crédit qui a comme filiale un établissement de crédit, une société de bourse, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, ou qui détient une participation dans un établissement de crédit, une société de bourse, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, et qui n'est pas lui-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre, d'une société de bourse agréée dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
2° établissement de crédit mère belge, un établissement de crédit faîtier en Belgique, c.-à-d. un établissement de crédit de droit belge qui a comme filiale un établissement de crédit, une société de bourse, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, ou qui détient une participation dans un établissement de crédit, une société de bourse, un établissement financier ou une entreprise de services auxiliaires, et qui n'est pas lui-même une filiale d'un établissement de crédit de droit belge, d'une société de bourse de droit belge ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte de droit belge ;
3° établissement de crédit mère dans l'EEE, un établissement de crédit faîtier dans l'EEE, c.-à-d. un établissement de crédit mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre, d'une société de bourse agréée dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
4° établissement de crédit mère belge dans l'EEE, un établissement de crédit belge faîtier dans l'EEE, c.-à-d. un établissement de crédit mère belge qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre, d'une société de bourse agréée dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
5° compagnie financière mère dans un Etat membre, une compagnie financière faîtière dans un Etat membre, c.-à-d. une compagnie financière qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre, d'une société de bourse agréée dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
6° compagnie financière mère belge, une compagnie financière faîtière en Belgique, c.-à-d. une compagnie financière de droit belge qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit de droit belge, d'une société de bourse de droit belge ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte de droit belge ;
7° compagnie financière mère dans l'EEE, une compagnie financière faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre, d'une société de bourse agréée dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
8° compagnie financière mère belge dans l'EEE, une compagnie financière belge faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mère belge qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre, d'une société de bourse agréée dans un autre Etat membre ou d'une autre compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
9° compagnie financière mixte mère dans un Etat membre, une compagnie financière mixte faîtière dans un Etat membre, c.-à-d. une compagnie financière mixte qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre, d'une société de bourse agréée dans le même Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
10° compagnie financière mixte mère belge, une compagnie financière mixte faîtière en Belgique, c.-à-d. une compagnie financière mixte de droit belge qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit de droit belge, d'une société de bourse de droit belge ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte de droit belge ;
11° compagnie financière mixte mère dans l'EEE, une compagnie financière mixte faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre, d'une société de bourse agréée dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
12° compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE, une compagnie financière mixte belge faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une compagnie financière mixte mère belge qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre, d'une société de bourse agréée dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre ;
13° entreprise d'investissement mère dans un Etat membre, une entreprise d'investissement faîtière dans un Etat membre, c.-à-d. une société de bourse qui a comme filiale un établissement de crédit ou une société de bourse, et qui n'est pas elle-même une filiale d'un établissement de crédit agréé dans le même Etat membre, d'une société de bourse agréée dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit du même Etat membre ;
14° entreprise d'investissement mère dans l'EEE, une entreprise d'investissement faîtière dans l'EEE, c.-à-d. une entreprise d'investissement mère dans un Etat membre qui n'est pas une filiale d'un établissement de crédit agréé dans un autre Etat membre, d'une société de bourse agréée dans un autre Etat membre ou d'une compagnie financière ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un autre Etat membre." ;
8° dans l'article 167 de la même loi, le paragraphe 3, modifié par l'article 90 de la présente loi, doit se lire comme suit :
" § 3. Les établissements de crédit de droit belge, les compagnies financières et les compagnies financières mixtes approuvées ou désignées de droit belge qui sont une filiale appliquent les exigences énoncées à l'article 94 sur une base sous-consolidée lorsqu'eux-mêmes, ou leur entreprise mère s'il s'agit d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte dans un Etat membre, comptent un établissement de crédit, une société de bourse ou un établissement financier comme filiale dans un pays tiers ou y détiennent une participation." ;
9° dans l'article 171, § 4 de la même loi, l'alinéa 6, inséré par l'article 96 de la présente loi, doit se lire comme suit :
"Le présent paragraphe n'est pas applicable dans les situations visées au paragraphe 1er, 5° lorsque le groupe dont fait partie l'établissement de crédit concerné ne détient aucune société de bourse filiale dans l'EEE." ;
10° dans l'article 180, § 2 de la même loi, l'alinéa 1er, modifié par l'article 104 de la présente loi, doit se lire comme suit :
" § 2. Les informations visées au paragraphe 1er sont considérées comme essentielles si elles peuvent avoir une incidence significative sur l'évaluation de la solidité financière d'un établissement de crédit, d'une société de bourse ou d'un établissement financier." ;
11° dans l'article 180, § 2, alinéa 2 de la même loi, le 3°, modifié par l'article 104 de la présente loi, doit se lire comme suit :
"3° les évolutions négatives que connaissent les entités faisant partie de l'ensemble consolidé, et qui sont de nature à nuire gravement aux établissements de crédit et aux sociétés de bourse qui font partie du groupe ;"
12° dans l'article 182 de la même loi, le paragraphe 1er, tel qu'il résulte de l'article 107, 1 de la présente loi, doit se lire comme suit :
" § 1er. Lorsqu'un établissement de crédit, une société de bourse, une compagnie financière, une compagnie financière mixte ou une compagnie mixte de droit belge est l'entreprise mère d'une ou de plusieurs entreprises qui sont des entreprises d'assurance ou d'autres entreprises fournissant des services d'investissement soumises à agrément, l'autorité de contrôle collabore étroitement avec les autorités investies de la mission publique de surveillance des entreprises d'assurance ou d'autres entreprises fournissant des services d'investissement. Sans préjudice de leurs compétences respectives, l'autorité de contrôle peut demander ou fournir à ces autorités toutes les informations susceptibles de faciliter l'exercice de leurs tâches respectives et de permettre la surveillance de l'activité et de la situation financière de l'ensemble des entreprises soumises à leur surveillance." ;
13° dans l'article 212/7, § 1er, alinéa 2 de la même loi, le 4°, inséré par l'article 133 de la présente loi, doit se lire comme suit :
"4° désigner à titre temporaire une autre compagnie financière ou compagnie financière mixte, une société de bourse ou un autre établissement de crédit au sein du groupe comme responsable du respect des exigences prévues par la présente loi et le Règlement n° 575/2013 sur base consolidée ;" ;
14° dans les articles 218/1 et 218/2 de la même loi, insérés par les articles 147 et 148 de la présente loi, les mots "entreprise d'investissement" doivent se lire comme les mots "société de bourse" et les mots "entreprises d'investissement" doivent se lire comme les mots "sociétés de bourse".
Art. 312. Voor de beursvennootschappen die vallen onder Boek XII van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen, met uitzondering van de in artikel 310 van deze wet bedoelde ondernemingen, geldt voor de periode vanaf de datum van inwerkingtreding bedoeld in artikel 315, eerste lid, tot de datum van inwerkingtreding bedoeld in het tweede lid van hetzelfde artikel, dat de verwijzingen in dit Boek XII naar artikelen van de andere Boeken van die wet, zoals gewijzigd bij deze wet, moeten worden gelezen als verwijzingen naar die artikelen zoals die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van de wijziging ervan door deze wet met uitzondering van de [1 artikelen 18, 19°, 28, 29, 42 en 261]1 van deze wet.
Modifications
Art. 312. En ce qui concerne les sociétés de bourse régies par le Livre XII de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse, à l'exception des entreprises visées par l'article 310 de la présente loi, pendant la période allant de la date d'entrée en vigueur visée à l'article 315, alinéa 1er à la date d'entrée en vigueur visée à l'alinéa 2 du même article, les références dans ledit Livre XII aux articles des autres Livres de ladite loi qui sont modifiés par la présente loi, doivent être lus comme des références à ces articles tels qu'ils étaient applicables avant l'entrée en vigueur de leur modification par la présente loi, à l'exception des [1 articles 18, 19°, 28, 29, 42 et 261]1 de la présente loi.
Modifications
Art. 313. Belgische financiële moederholdings en gemengde financiële moederholdings die reeds bestonden op 27 juni 2019 kunnen goedkeuring of een vrijstelling aanvragen tot uiterlijk 45 dagen na de datum van inwerkingtreding bedoeld in artikel 315, eerste lid van deze wet. Wanneer een dergelijke financiële holding of gemengde financiële holding op die datum geen goedkeurings- of vrijstellingsaanvraag heeft ingediend, zullen passende maatregelen genomen worden overeenkomstig artikel 212/7 of artikel 212/9 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen.
Art. 313. Les compagnies financières mères et les compagnies financières mixtes mères belges qui existaient au 27 juin 2019 peuvent solliciter une approbation ou une exemption jusqu'à 45 jours après la date d'entrée en vigueur prévue à l'article 315, alinéa 1er de la présente loi. Lorsqu'une telle compagnie financière ou une compagnie financière mixte n'a pas introduit une demande d'approbation ou une demande d'exemption à cette date, les mesures appropriées seront prises conformément à l'article 212/7 ou 212/9 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse.
Art. 314. Kredietinstellingen en beleggingsondernemingen naar Belgisch recht en goedgekeurde financiële holdings en gemengde financiële holdings, als bedoeld in artikelen 218/1, paragraaf 1, 1° en 2° en 576/1 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen, waarvan de groep uit een derde land in de Unie actief is via meer dan één kredietinstelling, beleggingsonderneming, financiële holding of gemengde financiële holding en waarvan de totale waarde van de activa in de Unie op 27 juni 2019 gelijk was aan of hoger was dan 40 miljard euro, die bestaan op de datum van inwerkingtreding van deze wet, moeten uiterlijk op 30 december 2023 een intermediaire EER-moederonderneming hebben. Deze bepaling doet geen afbreuk aan artikel 218/2, § 2 van de voornoemde wet van 25 april 2014.
Art. 314. Les établissements de crédit et les entreprises d'investissement de droit belge et les compagnies financières et les compagnies financières mixtes approuvées, visés aux articles 218/1, paragraphe 1er, 1° et 2° et 576/1 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse, dont le groupe de pays tiers opère dans l'Union par l'intermédiaire de plus d'un établissement de crédit, d'une entreprise d'investissement, d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte et dont la valeur totale des actifs dans l'Union était supérieure ou égale à 40 milliards euros au 27 juin 2019, existants à la date de l'entrée en vigueur de la présente loi, sont tenus d'avoir une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE au plus tard le 30 décembre 2023. Cette disposition ne porte pas préjudice à l'article 218/2, § 2 de la loi précitée du 25 avril 2014.
HOOFDSTUK 10. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 10. - Entrée en vigueur
Art. 315. Deze wet treedt in werking op de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Bij wijze van uitzondering, treden de artikelen 16, 17 en 18, 1°, 3°, 4°, 7°, 10° tot 18° en 20° tot 23° en artikelen 20, 21, 22, 27, 30, 1° en 3°, 31, 32, 34, 36 tot 41, 43, 66, 67, 162, 165, 166, 218, 219, 220, 224, 228, 230 tot 232, 259, 263, 266, 2° en 302 in werking op de dag waarop de wet tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU in werking treedt zoals in die wet zal bepaald worden voor de toepassing van het ondehavige lid.
Bij wijze van uitzondering treedt artikel 71 in werking op 28 juni 2021.
Bij wijze van uitzondering treden de [1 artikelen 48, 55, 56, 57, 58, 59, 62, 1°, en 63]1 in werking op 1 januari 2023.
Bij wijze van uitzondering treden de [1 artikelen 271 en 272]1 in werking op 12 maanden na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Bij wijze van uitzondering treden de artikelen 303 tot 309 in werking op 30 juin 2021.
Bij wijze van uitzondering, treden de artikelen 16, 17 en 18, 1°, 3°, 4°, 7°, 10° tot 18° en 20° tot 23° en artikelen 20, 21, 22, 27, 30, 1° en 3°, 31, 32, 34, 36 tot 41, 43, 66, 67, 162, 165, 166, 218, 219, 220, 224, 228, 230 tot 232, 259, 263, 266, 2° en 302 in werking op de dag waarop de wet tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU in werking treedt zoals in die wet zal bepaald worden voor de toepassing van het ondehavige lid.
Bij wijze van uitzondering treedt artikel 71 in werking op 28 juni 2021.
Bij wijze van uitzondering treden de [1 artikelen 48, 55, 56, 57, 58, 59, 62, 1°, en 63]1 in werking op 1 januari 2023.
Bij wijze van uitzondering treden de [1 artikelen 271 en 272]1 in werking op 12 maanden na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Bij wijze van uitzondering treden de artikelen 303 tot 309 in werking op 30 juin 2021.
Modifications
Art. 315. La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Par exception, les articles 16, 17 et 18, 1°, 3°, 4°, 7°, 10° à 18° et 20° à 23° et les articles 20, 21, 22, 27, 30, 1° et 3°, 31, 32, 34, 36 à 41, 43, 66, 67, 162, 165, 166, 218, 219, 220, 224, 228, 230 à 232, 259, 263, 266, 2° et 302 entrent en vigueur le jour auquel la loi transposant la Directive (UE) 2019/2034 du Parlement européen et du Conseil du 27 novembre 2019 concernant la surveillance prudentielle des entreprises d'investissement et modifiant les Directives 2002/87/CE, 2009/65/CE, 2011/61/UE, 2013/36/UE, 2014/59/UE et 2014/65/UE entre en vigueur tel que cette loi le précisera pour les besoins du présent alinéa.
Par exception, l'article 71 entre en vigueur le 28 juin 2021.
Par exception, [1 les articles 48, 55, 56, 57, 58, 59, 62, 1°, et 63 de la présente loi]1 entrent en vigueur le 1er janvier 2023.
Par exception, [1 les articles 271 et 272]1 de la présente loi entrent en vigueur le 12 mois après la publication de la présente loi au Moniteur belge.
Par exception, les articles 303 à 309 entrent en vigueur le 30 juin 2021.
Par exception, les articles 16, 17 et 18, 1°, 3°, 4°, 7°, 10° à 18° et 20° à 23° et les articles 20, 21, 22, 27, 30, 1° et 3°, 31, 32, 34, 36 à 41, 43, 66, 67, 162, 165, 166, 218, 219, 220, 224, 228, 230 à 232, 259, 263, 266, 2° et 302 entrent en vigueur le jour auquel la loi transposant la Directive (UE) 2019/2034 du Parlement européen et du Conseil du 27 novembre 2019 concernant la surveillance prudentielle des entreprises d'investissement et modifiant les Directives 2002/87/CE, 2009/65/CE, 2011/61/UE, 2013/36/UE, 2014/59/UE et 2014/65/UE entre en vigueur tel que cette loi le précisera pour les besoins du présent alinéa.
Par exception, l'article 71 entre en vigueur le 28 juin 2021.
Par exception, [1 les articles 48, 55, 56, 57, 58, 59, 62, 1°, et 63 de la présente loi]1 entrent en vigueur le 1er janvier 2023.
Par exception, [1 les articles 271 et 272]1 de la présente loi entrent en vigueur le 12 mois après la publication de la présente loi au Moniteur belge.
Par exception, les articles 303 à 309 entrent en vigueur le 30 juin 2021.