Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
11 JULI 2021. - Wet tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wat betreft de studenten
Titre
11 JUILLET 2021. - Loi modifiant la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers en ce qui concerne les étudiants
Informations sur le document
Numac: 2021031853
Datum: 2021-07-11
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2021031853
Date: 2021-07-11
Moniteur: Voir
Tekst (34)
Texte (34)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art. 2. Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (herschikking).
Art. 2. La présente loi transpose partiellement la directive 2016/801 du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016 relative aux conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers à des fins de recherche, d'études, de formation, de volontariat et de programmes d'échange d'élèves ou de projets éducatifs et de travail au pair (refonte).
HOOFDSTUK 2. -Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Art. 3. In artikel 1/1, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 19 december 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2020, wordt de bepaling onder 7° vervangen als volgt:
  "7° artikel 60;".
Art. 3. Dans l'article 1/1, § 2, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, inséré par la loi du 19 décembre 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 31 juillet 2020, le 7° est remplacé par ce qui suit:
  "7° l'article 60;".
Art. 4. In artikel 1/2, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 december 2016 en gewijzigd bij de wetten van 5 mei 2019 en 31 juli 2020, wordt de bepaling onder 7° vervangen als volgt:
  "7° de artikelen 60 en 61/1/9;".
Art. 4. Dans l'article 1/2, § 1er, alinéa 2, de la même loi, inséré par la loi du 18 décembre 2016 et modifié par les lois du 5 mai 2019 et du 31 juillet 2020, le 7° est remplacé par ce qui suit:
  "7° les articles 60 et 61/1/9;".
Art. 5. In artikel 10bis, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, worden de woorden "van een tot een verblijf gemachtigde buitenlandse student" vervangen door de woorden "van een vreemdeling die gemachtigd is tot verblijf in de hoedanigheid van student op grond van de bepalingen van Titel II, Hoofdstuk III,".
Art. 5. Dans l'article 10bis, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié par la loi du 4 mai 2016, les mots "d'un étudiant étranger autorisé au séjour" sont remplacés par les mots "d'un étranger autorisé au séjour en qualité d'étudiant sur la base des dispositions du Titre II, Chapitre III,".
Art. 6. In artikel 13, § 4, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "De minister of zijn gemachtigde kan dezelfde maatregel treffen ten opzichte van de in artikel 10bis, § 1, bedoelde familieleden.".
Art. 6. Dans l'article 13, § 4, de la même loi, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié par la loi du 4 mai 2016, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
  "Le ministre ou son délégué peut prendre la même mesure à l'égard des membres de la famille visés à l'article 10bis, § 1er.".
Art. 7. In titel II, hoofdstuk III, van dezelfde wet wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende "Algemene bepalingen".
Art. 7. Dans le titre II, chapitre III, de la même loi, il est inséré une section 1re intitulée "Dispositions générales".
Art. 8. Artikel 58 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 15 juli 1996 en 15 september 2006, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 58. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° student: een onderdaan van een derde land die door een Belgische instelling voor hoger onderwijs is aanvaard en aan wie een machtiging om langer dan negentig dagen in het Rijk te verblijven is verleend om een voltijdse studie te volgen;
  2° voltijdse studie: een inschrijving tot een opleidingsprogramma voor hogere studies dat ten minste 54 studiepunten omvat, of een inschrijving tot een opleidingsprogramma voor hogere studies waarvan het creditsaldo lager is omdat de student zich in zijn laatste studiejaar bevindt of omdat de student buiten zijn wil geen hoger aantal studiepunten kan opnemen, of een voorbereidend jaar dat ten minste 12 lesuren per week omvat gedurende een studiejaar;
  3° instelling voor hoger onderwijs: een door de bevoegde overheid erkende instelling die bevoegd is om hogere studies te organiseren en bevoegd is om de daarmee overeenstemmende titels, academische graden, diploma's en certificaten uit te reiken;
  4° hogere studies: elk opleidingsprogramma van het hoger onderwijs dat afgesloten wordt met een titel, academische graad, diploma of certificaat dat overeenstemt met het niveau 5, 6, 7 of 8 van de kwalificatiestructuur zoals vastgesteld door een van de drie Gemeenschappen;
  5° voorbereidend jaar: het unieke studiejaar, georganiseerd door de instelling voor hoger onderwijs, om een opleiding te volgen ter voorbereiding op de beoogde hogere studies, hetzij om de noodzakelijke aanvullende kennis te verschaffen om vervolgens toegang te kunnen verkrijgen tot de beoogde hogere studies, hetzij om één van de landstalen, die tevens de taal betreft waarin de beoogde studie wordt onderwezen, machtig te worden;
  6° uniale of multilaterale programma's met mobiliteitsmaatregelen: door de Europese Unie of door de lidstaten gefinancierde programma's ter stimulering van de mobiliteit, in de Europese Unie of in de lidstaten, van onderdanen van een derde land die deelnemen aan de betrokken programma's;
  7° mobiliteit: het recht waarover de onderdaan van een derde land die in het bezit is van een door de eerste lidstaat afgegeven geldige vergunning in de hoedanigheid van student beschikt om, voor een periode van ten hoogste 360 dagen, in de tweede lidstaat te verblijven teneinde een deel van zijn studie te voltooien in het kader van een uniaal of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen of in het kader van een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs;
  8° eerste lidstaat: de lidstaat die als eerste een vergunning aflevert aan een onderdaan van een derde land in de hoedanigheid van student;
  9° tweede lidstaat: de lidstaat, niet zijnde de eerste lidstaat, waar de student voornemens is het recht op mobiliteit uit te oefenen, of reeds uitoefent.".
Art. 8. L'article 58 de la même loi, modifié par les lois du 15 juillet 1996 et du 15 septembre 2006, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 58. Pour l'application du présent chapitre, il y a lieu d'entendre par:
  1° étudiant: un ressortissant d'un pays tiers qui a été admis par un établissement d'enseignement supérieur belge et qui s'est vu accorder une autorisation de séjour de plus de nonante jours dans le Royaume afin de suivre des études à temps plein;
  2° études à temps plein: inscription à un programme d'études supérieures comprenant au moins 54 crédits, ou inscription à un programme d'études supérieures dont le solde de crédits est inférieur parce que l'étudiant se trouve dans sa dernière année académique ou parce qu'indépendamment de sa volonté, l'étudiant ne peut pas totaliser un nombre plus élevé de crédits, ou année préparatoire comprenant au moins 12 heures de cours par semaine pendant une année académique;
  3° établissement d'enseignement supérieur: institution, reconnue par l'autorité compétente, qui est habilitée à organiser un programme d'études supérieures et à délivrer les titres, grades académiques, diplômes et certificats correspondants;
  4° études supérieures: tout programme d'enseignement supérieur sanctionné par un titre, grade académique, diplôme ou certificat correspondant au niveau 5, 6, 7 ou 8 du cadre des certifications établi par l'une des trois Communautés;
  5° année préparatoire: année d'études unique pour suivre une formation afin de se préparer aux études supérieures visées, organisée par l'établissement d'enseignement supérieur, soit afin de procurer les connaissances complémentaires requises pour accéder ensuite aux études supérieures visées, soit pour acquérir la maîtrise de l'une des langues nationales, qui concerne également la langue d'enseignement des études visées;
  6° programme de l'Union ou programme multilatéral comportant des mesures de mobilité: programme financé par l'Union européenne ou par des Etats membres qui favorise la mobilité des ressortissants de pays tiers dans l'Union européenne ou dans les Etats membres qui participent au programme concerné;
  7° mobilité: droit du ressortissant d'un pays tiers titulaire d'une autorisation valable délivrée par le premier Etat membre, en qualité d'étudiant, de séjourner dans le deuxième Etat membre pendant une période n'excédant pas 360 jours pour achever une partie de ses études dans le cadre d'un programme de l'Union ou d'un programme multilatéral comportant des mesures de mobilité ou d'une convention entre deux établissements d'enseignement supérieur ou plus;
  8° premier Etat membre: Etat membre qui délivre en premier lieu une autorisation à un ressortissant d'un pays tiers en qualité d'étudiant;
  9° deuxième Etat membre: Etat membre, autre que le premier Etat membre, où l'étudiant a l'intention d'exercer, ou exerce déjà, le droit à la mobilité.".
Art. 9. Artikel 59 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 59. § 1. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de onderdaan van een derde land die verzoekt te worden gemachtigd of die gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven om er te studeren.
  § 2. De bepalingen van deze afdeling gelden onder voorbehoud van de afwijkende bepalingen in de afdelingen 2 en 3.".
Art. 9. L'article 59 de la même loi, modifié par la loi du 15 juillet 1996, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 59. § 1er. Les dispositions de la présente section s'appliquent au ressortissant d'un pays tiers qui demande à être autorisé ou qui est autorisé à séjourner plus de nonante jours sur le territoire du Royaume pour y étudier.
  § 2. Les dispositions de la présente section s'appliquent sous réserve des dispositions dérogatoires des sections 2 et 3.".
Art. 10. Artikel 60 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 60. § 1. De onderdaan van een derde land die op het grondgebied van het Rijk wenst te verblijven in de hoedanigheid van student, dient zijn aanvraag in bij de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats in het buitenland.
  § 2. In afwijking van de eerste paragraaf kan de onderdaan van een derde land die overeenkomstig Titel I, Hoofdstuk II, reeds toegelaten of gemachtigd is om niet langer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven of die reeds in een andere hoedanigheid toegelaten of gemachtigd is om langer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven, zijn aanvraag indienen bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats op het grondgebied van het Rijk, indien hij de aanvraag indient voor het verstrijken van de geldigheidsduur van deze toelating of machtiging en voor zover hij reeds is ingeschreven aan een instelling voor hoger onderwijs om een voltijdse studie te volgen.
  § 3. De onderdaan van een derde land voegt de hiernavolgende documenten bij zijn aanvraag:
  1° een kopie van zijn geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel;
  2° het bewijs dat hij de vereiste retributie, zoals voorzien in artikel 1/1, betaald heeft, indien deze verplichting op hem van toepassing is;
  3° een attest afgegeven door een instelling van hoger onderwijs dat het volgende bewijst:
  a) hetzij dat hij ingeschreven is aan de instelling voor hoger onderwijs om voltijds hogere studies of een voorbereidend jaar te volgen;
  b) hetzij dat hij toegelaten is tot de studies;
  c) hetzij dat hij ingeschreven is voor een toelatingsproef;
  De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan dit attest dient te voldoen.
  4° indien hij jonger dan achttien jaar is, het bewijs van toestemming van zijn ouders of, in voorkomend geval, van de persoon die de voogdij uitoefent;
  5° het bewijs, geleverd conform artikel 61, dat hij gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende bestaansmiddelen, om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk;
  6° het bewijs dat hij beschikt of zal beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt gedurende zijn verblijf;
  Indien de aanvraag in het buitenland werd ingediend en het niet mogelijk is dit bewijs reeds bij de aanvraag te voegen, dan moet dit bewijs binnen de termijn voorzien in artikel 61/1/1, § 4, voorgelegd worden.
  7° een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één van de in de bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
  8° indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht.
  Indien behoorlijk wordt aangetoond dat de documenten bedoeld in 7° en 8°, niet kunnen worden voorgelegd, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de omstandigheden, de vreemdeling echter machtigen op het grondgebied van het Rijk te verblijven om er te studeren.
  § 4. De voorgelegde stukken dienen, indien zij in een andere taal dan één van de drie landstalen of het Engels zijn opgesteld, vergezeld te zijn van een beëdigde vertaling in één van de drie landstalen of het Engels.".
Art. 10. L'article 60 de la même loi, modifié par la loi du 15 juillet 1996, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 60. § 1er. Le ressortissant d'un pays tiers souhaitant séjourner sur le territoire du Royaume en tant qu'étudiant doit introduire sa demande auprès du poste diplomatique ou consulaire compétent pour le lieu de sa résidence à l'étranger.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le ressortissant d'un pays tiers qui est déjà admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pour une durée n'excédant pas nonante jours conformément au Titre I, Chapitre II, ou qui est déjà admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pendant plus de nonante jours en une autre qualité, peut introduire sa demande auprès de l'administration communale du lieu de sa résidence sur le territoire du Royaume s'il introduit la demande avant l'expiration de la durée de validité de ce permis ou de cette autorisation, à condition qu'il soit déjà inscrit dans un établissement d'enseignement supérieur afin d'y suivre des études à temps plein.
  § 3. Le ressortissant d'un pays tiers joint à sa demande les documents suivants:
  1° une copie de son passeport valable ou d'un document de voyage en tenant lieu;
  2° la preuve du paiement de la redevance, comme prévu à l'article 1/1, s'il est soumis à cette obligation;
  3° une attestation délivrée par un établissement d'enseignement supérieur prouvant:
  a) qu'il est inscrit dans un établissement d'enseignement supérieur pour suivre des études supérieures ou une année préparatoire à temps plein, ou
  b) qu'il est admis aux études, ou
  c) qu'il est inscrit à un examen d'admission ou une épreuve d'admission;
  Le Roi fixe les conditions auxquelles cette attestation doit répondre.
  4° s'il est âgé de moins de dix-huit ans, une preuve de l'autorisation de ses parents ou, le cas échéant, de la personne exerçant la tutelle;
  5° la preuve, conformément à l'article 61, qu'il disposera de moyens de subsistance suffisants pour la durée de son séjour, afin de ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour;
  6° la preuve qu'il dispose ou disposera d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique pour la durée de son séjour;
  Si la demande a été introduite à l'étranger et qu'il n'est pas encore possible de joindre cette preuve à la demande, celle-ci doit être produite dans le délai prévu à l'article 61/1/1, § 4.
  7° un certificat médical attestant qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi;
  8° s'il est âgé de plus de dix-huit ans, un extrait du casier judiciaire ou un document équivalent, délivré par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun.
  En cas d'impossibilité dûment justifiée de produire les documents visés au 7° et 8°, le ministre ou son délégué peut toutefois, compte tenu des circonstances, autoriser l'étranger à séjourner sur le territoire du Royaume pour y faire des études.
  § 4. S'ils sont rédigés dans une autre langue qu'une des trois langues nationales ou l'anglais, les documents produits doivent être accompagnés d'une traduction jurée vers l'une des trois langues nationales ou vers l'anglais.".
Art. 11. Artikel 61 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 15 juli 1996 en gewijzigd bij de wet van 15 september 2006, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 61. § 1. Het bewijs van voldoende bestaansmiddelen, zoals bepaald in artikel 60, § 3, eerste lid, 5°, wordt geleverd door het overleggen van een of meerdere van de hiernavolgende documenten:
  1° een attest uitgaande hetzij van een internationale organisatie of een nationale overheid, hetzij van een gemeenschap, gewest, provincie of gemeente, hetzij van een instelling voor hoger onderwijs, luidens hetwelk de onderdaan van een derde land een beurs of een lening geniet of eerstdaags zal genieten;
  2° een verbintenis tot tenlasteneming aangegaan door een natuurlijke persoon, die hetzij de Belgische nationaliteit bezit hetzij als burger van de Unie een verblijfsrecht heeft van meer dan drie maanden op het grondgebied van het Rijk of een andere lidstaat van de Europese Unie hetzij als onderdaan van een derde land toegelaten of gemachtigd is om voor onbepaalde duur op het grondgebied van het Rijk of een andere lidstaat van de Europese Unie te verblijven hetzij een familielid tot in de derde graad is, waarbij deze zich ertoe verbindt, ten opzichte van de onderdaan van een derde land, de Belgische Staat en ieder bevoegd openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, voor de duur van het geplande verblijf vermeerderd met twaalf maanden, de kosten van gezondheidszorgen, verblijf, studie en repatriëring van de onderdaan van een derde land ten laste te nemen;
  3° enig ander bewijsmiddel van voldoende bestaansmiddelen.
  De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan het attest, bedoeld in het eerste lid, 1°, de verbintenis, bedoeld in het eerste lid, 2°, en de persoon die deze verbintenis aangaat, moeten beantwoorden.
  § 2. De Koning bepaalt het minimumbedrag van de bestaansmiddelen waarover de onderdaan van een derde land moet beschikken.
  Bij de beoordeling van deze bestaansmiddelen wordt onder meer rekening gehouden met de middelen die afkomstig zijn van een subsidie, een beurs, een toelage of het wettig en regelmatig uitoefenen van een winstgevende activiteit buiten de tijd die normaal aan de studie moet worden gewijd.
  § 3. De beoordeling of de onderdaan van een derde land over voldoende bestaansmiddelen beschikt is gebaseerd op een individueel onderzoek van het geval.".
Art. 11. L'article 61 de la même loi, remplacé par la loi du 15 juillet 1996 et modifié par la loi du 15 septembre 2006, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 61. § 1er. La preuve de moyens de subsistance suffisants tels que prévus à l'article 60, § 3, alinéa 1er, 5°, est apportée en produisant un ou plusieurs des documents suivant(s):
  1° une attestation émanant soit d'une organisation internationale ou d'une autorité nationale, soit d'une communauté, d'une région, d'une province ou d'une commune, soit d'un établissement d'enseignement supérieur, précisant que le ressortissant d'un pays tiers bénéficie ou bénéficiera prochainement d'une bourse ou d'un prêt;
  2° un engagement de prise en charge souscrit par une personne physique, qui a la nationalité belge ou qui est un citoyen de l'Union bénéficiant d'un droit de séjour de plus de trois mois sur le territoire du Royaume ou d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou qui est un ressortissant d'un pays tiers admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume ou d'un autre Etat membre de l'Union européenne pour une durée illimitée ou qui est un membre de la famille jusqu'au troisième degré inclus, par lequel elle s'engage, vis-à-vis du ressortissant d'un pays tiers, de l'Etat belge et de tout centre public d'aide sociale, pour la durée du séjour projeté, prolongée de douze mois, à supporter les frais des soins de santé, d'hébergement, des études et de rapatriement du ressortissant du pays tiers à charge;
  3° tout autre moyen de preuve de moyens de subsistance suffisants.
  Le Roi fixe les conditions auxquelles doivent répondre l'attestation visée à l'alinéa 1er, 1°, l'engagement visé à l'alinéa 1er, 2°, et la personne qui souscrit cet engagement.
  § 2. Le Roi détermine le montant minimum des moyens d'existence dont doit disposer le ressortissant d'un pays tiers.
  Dans le cadre de l'appréciation de ces moyens d'existence, il est notamment tenu compte des ressources provenant d'une subvention, d'une bourse, d'une indemnité ou de l'exercice légal et régulier d'une activité lucrative en dehors du temps qui doit normalement être consacré aux études.
  § 3. L'examen visant à vérifier si le ressortissant d'un pays tiers dispose de ressources suffisantes est fondé sur un examen individuel du cas d'espèce.".
Art. 12. In afdeling 1 van hoofdstuk III van titel II, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 7, wordt een artikel 61/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/1. § 1. Al naargelang waar de aanvraag werd ingediend, controleert de burgemeester of zijn gemachtigde ofwel de diplomatieke of consulaire post of alle documenten voorzien in artikel 60, § 3, voorgelegd zijn. Indien dit het geval is, wordt de onderdaan van een derde land in het bezit gesteld van een ontvangstbewijs van de aanvraag, waarvan het model door de Koning wordt bepaald.
  § 2. Indien niet alle vereiste documenten werden voorgelegd, dan stelt de overheid bij wie de aanvraag werd ingediend de onderdaan van een derde land schriftelijk in kennis van de documenten die hij nog dient voor te leggen.
  De onderdaan van een derde land beschikt over een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, om zijn aanvraag aan te vullen. Indien de aanvraag werd ingediend op grond van artikel 60, § 2, dienen deze aanvullende documenten in elk geval te worden voorgelegd voor het verstrijken van de geldigheidsduur van diens toelating of machtiging tot verblijf, zelfs indien de termijn van dertig dagen nog niet is afgelopen op het ogenblik dat de toelating of machtiging tot verblijf verstrijkt.
  Indien hij de gevraagde documenten binnen de voorgeschreven termijn voorlegt, dan stelt de overheid bij wie de aanvraag werd ingediend hem in het bezit van een ontvangstbewijs van zijn aanvraag, zoals bedoeld in paragraaf 1.
  § 3. De overheid bij wie de aanvraag werd ingediend, maakt de aanvraag over aan de minister of zijn gemachtigde.
  § 4. De minister of zijn gemachtigde kan de aanvraag onontvankelijk verklaren indien de ontbrekende documenten niet werden voorgelegd binnen de termijn vermeld in paragraaf 2, tweede lid.
  De Koning bepaalt het model van de beslissing tot onontvankelijkheid.".
Art. 12. Dans la section 1re du chapitre III du titre II de la même loi, inséré par l'article 7, il est inséré un article 61/1, rédigé comme suit:
  "Art. 61/1. § 1er. Selon le lieu où la demande a été introduite, le bourgmestre ou son délégué ou le poste diplomatique ou consulaire vérifie si tous les documents prévus à l'article 60, § 3, sont fournis. Le cas échéant, un accusé de réception de la demande, dont le modèle est déterminé par le Roi, est délivré au ressortissant d'un pays tiers.
  § 2. Si tous les documents requis n'ont pas été fournis, l'autorité auprès de laquelle la demande a été introduite informe par écrit le ressortissant de pays tiers des documents qu'il doit encore fournir.
  Le ressortissant d'un pays tiers dispose d'un délai de trente jours à compter de la notification visée à l'alinéa 1er pour compléter sa demande. Si la demande a été introduite sur la base de l'article 60, § 2, ces documents complémentaires doivent en tout cas être fournis avant l'expiration de la durée de validité de son permis ou de son autorisation de séjour, même si le délai de trente jours n'est pas encore écoulé au moment de l'expiration du permis ou de l'autorisation de séjour.
  S'il fournit les documents requis dans le délai prévu, l'autorité auprès de laquelle la demande a été introduite lui délivre un accusé de réception de sa demande, tel que visé au paragraphe 1er.
  § 3. L'autorité auprès de laquelle la demande a été introduite transmet la demande au ministre ou à son délégué.
  § 4. Le ministre ou son délégué peut déclarer la demande irrecevable si les documents manquants n'étaient pas fournis dans le délai mentionné au paragraphe 2, alinéa 2.
  Le Roi fixe le modèle de la décision d'irrecevabilité.".
Art. 13. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 61/1/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/1/1. § 1. De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing en betekent deze aan de onderdaan van een derde land binnen een termijn van negentig dagen na datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag, bedoeld in artikel 61/1, § 1.
  Indien de onderdaan van een derde land zich niet bevindt in één van de gevallen bedoeld in artikel 61/1/3, moet de machtiging tot verblijf worden toegekend.
  § 2. Indien de minister of zijn gemachtigde een positieve beslissing heeft genomen op basis van een attest bedoeld in artikel 60, § 3, eerste lid, 3°, b) of c), dan wordt de student in het bezit gesteld van een voorlopig verblijfsdocument dat zijn verblijf dekt voor een maximale duur van vier maanden vanaf de datum van zijn binnenkomst in het Rijk.
  Ten laatste vijftien dagen voor het einde van deze termijn van vier maanden dient de student een attest bedoeld in artikel 60, § 3, eerste lid, 3°, a) over te maken aan de minister of zijn gemachtigde.
  § 3. Onder voorbehoud van paragraaf 4 bedraagt de duur van de machtiging tot verblijf, indien die op basis van een attest bedoeld in artikel 60, § 3, eerste lid, 3°, a) wordt toegekend, ten minste één jaar.
  Indien de beoogde opleiding deel uitmaakt van een uniaal of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen of van een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs, dat de betrokkene in staat stelt om een deel van zijn studies in een andere lidstaat te volgen, bedraagt de duur van de machtiging tot verblijf ten minste twee jaar, behalve indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden bepaald in artikel 60, § 3, gedurende de twee jaar of tijdens de volledige duur van de studie. In dat laatste geval bedraagt de duur van de machtiging tot verblijf ten minste één jaar.
  In afwijking van het eerste en tweede lid dekt de duur van de machtiging tot verblijf, indien de duur van de beoogde opleiding, naargelang het geval, minder dan een jaar of twee jaar bedraagt, op zijn minst de duur van de opleiding.
  De duur van de machtiging tot verblijf zal niet langer zijn dan de geldigheidsduur van het paspoort of de daarmee gelijkgestelde reistitel.
  § 4. Indien de minister of zijn gemachtigde een positieve beslissing heeft genomen, maar het niet mogelijk was het bewijs bedoeld in artikel 60, § 3, eerste lid, 6°, reeds bij de aanvraag te voegen, dan wordt de student in het bezit gesteld van een voorlopig verblijfsdocument dat zijn verblijf dekt voor een maximale duur van vier maanden vanaf de datum van zijn binnenkomst in het Rijk.
  Ten laatste vijftien dagen voor het einde van deze termijn van vier maanden dient de student het bewijs bedoeld in artikel 60, § 3, eerste lid, 6°, over te zenden aan de minister of zijn gemachtigde.
  § 5. In de gevallen voorzien in de paragrafen 2, 3 en 4 wordt de student door het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats in het vreemdelingenregister ingeschreven, overeenkomstig de nadere regels voorzien in artikel 12, eerste en vierde lid.
  De Koning bepaalt het model van het verblijfsdocument dat na inschrijving in het vreemdelingenregister aan de student wordt afgegeven.".
Art. 13. Dans la même section 1re, il est inséré un article 61/1/1, rédigé comme suit:
  "Art. 61/1/1. § 1er. Le ministre ou son délégué prend une décision et la notifie au ressortissant d'un pays tiers dans un délai de nonante jours suivant la date de l'accusé de réception de la demande, visé à l'article 61/1, § 1er.
  Si le ressortissant d'un pays tiers ne se trouve pas dans l'un des cas visés à l'article 61/1/3, l'autorisation de séjour doit être accordée.
  § 2. Si le ministre ou son délégué a pris une décision positive sur la base d'une attestation visée à l'article 60, § 3, alinéa 1er, 3°, b) ou c), l'étudiant se voit délivrer un document de séjour provisoire qui couvre son séjour pour une durée maximale de quatre mois à partir de la date de son entrée dans le Royaume.
  Au plus tard quinze jours avant l'expiration du délai de quatre mois, l'étudiant doit transmettre au ministre ou à son délégué une attestation telle que visée à l'article 60, § 3, alinéa 1er, 3°, a).
  § 3. Sous réserve du paragraphe 4, si l'autorisation de séjour est accordée sur base d'une attestation visée à l'article 60, § 3, alinéa 1er, 3°, a), sa durée est d'un an au moins.
  Si la formation envisagée fait partie d'un programme de l'Union ou programme multilatéral comportant des mesures de mobilité ou d'une convention entre deux établissements d'enseignement supérieur permettant à l'intéressé de suivre une partie de ses études dans un autre Etat membre, la durée de l'autorisation de séjour est de deux ans au moins, sauf si les conditions fixées à l'article 60, § 3, ne sont pas remplies pour la période de deux ans ou pour toute la durée des études. Dans ce dernier cas, la durée de l'autorisation de séjour est au moins d'un an.
  Par dérogation aux alinéas 1er et 2, si la durée de la formation envisagée est inférieure à un an ou deux ans, selon le cas, la durée de l'autorisation de séjour couvre au moins la durée de la formation.
  La durée de l'autorisation de séjour ne dépassera pas la durée de validité du passeport ou du titre de voyage en tenant lieu.
  § 4. Si le ministre ou son délégué a pris une décision positive, mais qu'il n'était pas possible de joindre déjà à la demande l'attestation visée à l'article 60, § 3, alinéa 1er, 6°, l'étudiant se voit délivrer un document de séjour provisoire qui couvre son séjour pour une durée maximale de quatre mois à partir de la date de son entrée dans le Royaume.
  Au plus tard quinze jours avant l'expiration du délai de quatre mois, l'étudiant doit transmettre une attestation visée à l'article 60, § 3, alinéa 1er, 6°, au ministre ou à son délégué.
  § 5. Dans les cas prévus aux paragraphes 2, 3 et 4, l'étudiant est inscrit au registre des étrangers par l'administration communale du lieu de sa résidence, conformément aux modalités prévues par l'article 12, alinéas 1er et 4.
  Le Roi détermine le modèle du document de séjour délivré à l'étudiant après inscription au registre des étrangers.".
Art. 14. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 61/1/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/1/2. De onderdaan van een derde land die gemachtigd is tot verblijf in de hoedanigheid van student, overeenkomstig artikel 61/1/1, § 3, en die zijn verblijf in deze hoedanigheid wil voortzetten moet zich ten laatste vijftien dagen voor het einde van zijn verblijf bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats aanbieden, om de vernieuwing van zijn verblijfstitel aan te vragen.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor de aanvragen tot vernieuwing van de verblijfstitel in de hoedanigheid van student.
  Indien de onderdaan van een derde land zich niet bevindt in één van de gevallen bedoeld in artikel 61/1/4, wordt de verblijfstitel vernieuwd.".
Art. 14. Dans la même section 1re, il est inséré un article 61/1/2, rédigé comme suit:
  "Art. 61/1/2. Le ressortissant de pays tiers autorisé au séjour en qualité d'étudiant, conformément à l'article 61/1/1, § 3, et qui souhaite continuer à séjourner en cette qualité doit se présenter à l'administration communale du lieu de sa résidence pour demander le renouvellement de son titre de séjour au plus tard quinze jours avant la fin de son séjour.
  Le Roi fixe les conditions et les modalités relatives aux demandes de renouvellement du titre de séjour en qualité d'étudiant.
  Si le ressortissant d'un pays tiers ne se trouve pas dans l'un des cas visés à l'article 61/1/4, le titre de séjour est renouvelé.".
Art. 15. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 61/1/3 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/1/3. § 1. De minister of zijn gemachtigde weigert een aanvraag, ingediend overeenkomstig artikel 60, indien:
  1° er niet is voldaan aan de in artikel 60 gestelde voorwaarden;
  2° de onderdaan van een derde land geacht wordt een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid;
  3° de onderdaan van een derde land valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die bijdragen tot het verkrijgen van het verblijf.
  § 2. De minister of zijn gemachtigde kan een aanvraag, ingediend overeenkomstig artikel 60, weigeren in de volgende gevallen:
  1° de instelling voor hoger onderwijs waar de onderdaan van een derde land is ingeschreven heeft niet voldaan aan haar wettelijke verplichtingen met betrekking tot sociale zekerheid, belastingen, rechten van werknemers of de arbeidsomstandigheden;
  2° de instelling voor hoger onderwijs waar de onderdaan van een derde land is ingeschreven, is bestraft wegens zwartwerk of illegale arbeid;
  3° de instelling voor hoger onderwijs waar de onderdaan van een derde land is ingeschreven is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
  4° de instelling voor hoger onderwijs waar de onderdaan van een derde land is ingeschreven maakt het voorwerp uit of heeft het voorwerp uitgemaakt van een vereffening of faillissement of er vindt geen economische activiteit plaats;
  5° er is bewijs of er zijn ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf andere doeleinden zou dienen dan de studies.".
Art. 15. Dans la même section 1re, il est inséré un article 61/1/3, rédigé comme suit:
  "Art. 61/1/3. § 1er. Le ministre ou son délégué refuse une demande, introduite conformément à l'article 60, si:
  1° les conditions requises à l'article 60 ne sont pas remplies;
  2° le ressortissant d'un pays tiers est considéré comme constituant une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique;
  3° le ressortissant d'un pays tiers a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou lorsque celui-ci a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui contribuent à l'obtention du séjour.
  § 2. Le ministre ou son délégué peut refuser une demande, introduite conformément à l'article 60, dans les cas suivants:
  1° l'établissement d'enseignement supérieur dans lequel le ressortissant d'un pays tiers est inscrit, n'a pas respecté ses obligations légales en matière de sécurité sociale, d'impôts, de droits des travailleurs ou de conditions de travail;
  2° l'établissement d'enseignement supérieur dans lequel le ressortissant d'un pays tiers est inscrit est sanctionné pour le travail au noir ou le travail illégal;
  3° l'établissement d'enseignement supérieur où le ressortissant d'un pays tiers est inscrit a été créé ou opère dans le but principal de faciliter l'entrée de ressortissants de pays tiers dans le Royaume;
  4° lorsque l'établissement d'enseignement supérieur dans lequel le ressortissant de pays tiers est inscrit fait ou a fait l'objet d'une liquidation ou d'une faillite ou si aucune activité économique n'y est exercée;
  5° des preuves ou motifs sérieux et objectifs permettent d'établir que le séjour poursuivrait d'autres finalités que les études.".
Art. 16. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 61/1/4 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/1/4. § 1. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van student of weigert een aanvraag tot vernieuwing van dergelijke machtiging, ingediend overeenkomstig artikel 61/1/2, in de volgende gevallen:
  1° de student voldoet niet langer aan de gestelde voorwaarden, met uitzondering van artikel 60, § 3, eerste lid, 7° en 8° ;
  2° het verblijf van de student dient andere doeleinden dan de studies.
  De minister of zijn gemachtigde trekt de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van student in wanneer de student valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt, of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die hebben bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf.
  § 2. De minister of zijn gemachtigde kan een einde stellen aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van student of een aanvraag tot vernieuwing van dergelijke machtiging, ingediend overeenkomstig artikel 61/1/2, weigeren in de volgende gevallen:
  1° de instelling voor hoger onderwijs waar de student is ingeschreven heeft niet voldaan aan haar wettelijke verplichtingen met betrekking tot sociale zekerheid, belastingen, rechten van werknemers of de arbeidsomstandigheden;
  2° de instelling voor hoger onderwijs waar de student is, ingeschreven is bestraft wegens zwartwerk of illegale arbeid;
  3° de instelling voor hoger onderwijs waar de student is ingeschreven is opgericht of opereert met als voornaamste doel onderdanen van een derde land toegang te verschaffen tot het Rijk;
  4° de instelling voor hoger onderwijs waar de student is ingeschreven maakt het voorwerp uit of heeft het voorwerp uitgemaakt van een vereffening of faillissement of er vindt geen economische activiteit plaats;
  5° de student oefent een illegale beroepsactiviteit uit of levert meer arbeidsprestaties dan voorzien in artikel 10, 2° van het koninklijk besluit van 2 september 2018 houdende de uitvoering van de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden;
  6° de student verlengt zijn studies op overdreven wijze;
  7° de student wordt geacht een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid.
  De Koning bepaalt de gevallen waarin de student geacht wordt zijn studies op overdreven wijze te verlengen, zoals bedoeld in het eerste lid, 6°.
  § 3. Indien de minister of zijn gemachtigde voornemens is de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van student te beëindigen of niet te vernieuwen in de gevallen bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, 2°, 3° of 4°, dan mag de student een aanvraag indienen om bij een andere instelling voor hoger onderwijs een gelijkwaardige studie te volgen om hem toe te laten zijn studies te voltooien.
  De student beschikt over een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf het moment waarop de student in kennis wordt gesteld van het in het eerste lid bedoelde voornemen van de minister of zijn gemachtigde, om een nieuw attest, zoals bedoeld in artikel 60, § 3, eerste lid, 3°, a), uitgaande van een andere instelling voor hoger onderwijs, aan de minister of zijn gemachtigde over te zenden.
  De student mag op het grondgebied van het Rijk verblijven zolang er geen definitieve beslissing is genomen omtrent deze aanvraag.".
Art. 16. Dans la même section 1re, il est inséré un article 61/1/4, rédigé comme suit:
  "Art. 61/1/4. § 1er. Le ministre ou son délégué met fin à l'autorisation de séjour en qualité d'étudiant ou refuse une demande de renouvellement d'une telle autorisation, introduite conformément à l'article 61/1/2, dans les cas suivants:
  1° l'étudiant ne remplit plus les conditions requises, à l'exception de l'article 60, § 3, alinéa 1er, 7° et 8° ;
  2° le séjour poursuit d'autres finalités que les études.
  Le ministre ou son délégué retire l'autorisation de séjour en qualité d'étudiant lorsque l'étudiant a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou lorsque celui-ci a recouru à la fraude ou a employé d'autres moyens illégaux qui ont contribué à l'obtention du séjour.
  § 2. Le ministre ou son délégué peut mettre fin à une autorisation de séjour en qualité d'étudiant ou refuser une demande de renouvellement d'une telle autorisation, introduite conformément à l'article 61/1/2, dans les cas suivants:
  1° l'établissement d'enseignement supérieur dans lequel l'étudiant est inscrit, n'a pas respecté ses obligations légales en matière de sécurité sociale, d'impôts, de droits des travailleurs ou de conditions de travail;
  2° l'établissement d'enseignement supérieur dans lequel l'étudiant est inscrit est sanctionné pour travail au noir ou travail illégal;
  3° l'établissement d'enseignement supérieur où l'étudiant est inscrit a été créé ou opère dans le but principal de faciliter l'entrée de ressortissants de pays tiers dans le Royaume;
  4° lorsque l'établissement d'enseignement supérieur dans lequel le ressortissant de pays tiers est inscrit fait ou a fait l'objet d'une liquidation ou d'une faillite ou si aucune activité économique n'y est exercée;
  5° l'étudiant exerce une activité professionnelle illégale ou effectue plus de prestations de travail que celles prévues à l'article 10, 2°, de l'arrêté royal du 2 septembre 2018 portant exécution de la loi du 9 mai 2018 relative à l'occupation de ressortissants étrangers se trouvant dans une situation particulière de séjour;
  6° l'étudiant prolonge ses études de manière excessive;
  7° l'étudiant est considéré comme constituant une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique.
  Le Roi détermine les cas dans lesquels l'étudiant est réputé prolonger ses études de manière excessive, tel que visé à l'alinéa 1er, 6°.
  § 3. Si le ministre ou son délégué entend mettre fin ou ne pas renouveler l'autorisation de séjour d'un étudiant conformément au paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, 2°, 3° ou 4°, l'étudiant est autorisé à introduire une demande en vue d'être accueilli par un autre établissement d'enseignement supérieur pour y suivre un cursus équivalent afin de lui permettre d'achever ses études.
  A compter du moment où il est avisé de l'intention du ministre ou de son délégué visée à l'alinéa 1er, l'étudiant dispose de trente jours pour fournir au ministre ou à son délégué une nouvelle attestation telle que visée à l'article 60, § 3, alinéa 1er, 3°, a) émanant d'un autre établissement d'enseignement supérieur.
  L'étudiant est autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume tant qu'il n'a pas été statué définitivement sur cette demande.".
Art. 17. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 61/1/5 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/1/5. Elke beslissing tot weigering, beëindiging, intrekking of niet-vernieuwing van de machtiging tot verblijf houdt rekening met de specifieke omstandigheden van elk geval en eerbiedigt het evenredigheidsbeginsel.".
Art. 17. Dans la même section 1re, il est inséré un article 61/1/5, rédigé comme suit:
  "Art. 61/1/5. Toute décision de refus, de retrait, de fin ou de non-renouvellement d'une autorisation de séjour tient compte des circonstances spécifiques du cas d'espèce et respecte le principe de proportionnalité.".
Art. 18. In titel II, hoofdstuk III, van dezelfde wet wordt een afdeling 2 ingevoegd luidende "Mobiliteit".
Art. 18. Dans le titre II, chapitre III, de la même loi, il est inséré une section 2 intitulée "Mobilité".
Art. 19. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 18, wordt een artikel 61/1/6 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/1/6. Een onderdaan van een derde land die, in het kader van mobiliteit, door een andere lidstaat van de Europese Unie werd gemachtigd tot een verblijf in de hoedanigheid van student, wordt toegelaten op het grondgebied van het Rijk voor een verblijf van ten hoogste 360 dagen om er een deel van zijn studie te voltooien, mits het voornemen tot mobiliteit door de instelling van hoger onderwijs waar de student is ingeschreven op het grondgebied van het Rijk ter kennis werd gebracht aan de minister of zijn gemachtigde.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels van deze kennisgeving.".
Art. 19. Dans la section 2 insérée par l'article 18, il est inséré un article 61/1/6, rédigé comme suit:
  "Art. 61/1/6. Un ressortissant d'un pays tiers ayant été autorisé par un autre Etat membre de l'Union européenne à séjourner en qualité d'étudiant dans le cadre d'une mobilité, est admis sur le territoire du Royaume pour un séjour n'excédant pas 360 jours pour y achever une partie de ses études, à condition que le projet de mobilité ait été porté à la connaissance du ministre ou de son délégué par l'établissement d'enseignement supérieur sur le territoire du Royaume où l'étudiant est inscrit.
  Le Roi fixe les conditions et les modalités de cette notification.".
Art. 20. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/1/7 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/1/7. § 1. De minister of zijn gemachtigde kan of, in het in 4° bedoelde geval, moet schriftelijk bezwaar maken tegen de mobiliteit van de student, uiterlijk dertig dagen na ontvangst van de volledige kennisgeving, of kan een einde stellen aan de mobiliteit, indien:
  1° niet aan de voorwaarden in verband met de kennisgeving is voldaan;
  2° de student gebruik heeft gemaakt van valse of misleidende informatie of valse en/of vervalste documenten, fraude heeft gepleegd of andere onwettige en/of ongeoorloofde middelen heeft gebruikt;
  3° de in artikel 61/1/6 bedoelde maximumduur van het verblijf is verstreken;
  4° de student geacht wordt een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid;
  5° de student zich bevindt in een van de gevallen bedoeld in artikel 61/1/3, § 2.
  § 2. Indien er geen of niet tijdig een schriftelijk bezwaar werd ingediend, wordt de mobiliteit geacht goedgekeurd te zijn. De Koning bepaalt het model van het verblijfsdocument dat in dat geval aan de student wordt afgegeven.
  Wanneer de minister of zijn gemachtigde een bezwaar maakt overeenkomstig dit artikel mag de mobiliteit niet aanvangen.
  Het bezwaar is gericht aan de bevoegde autoriteiten van de eerste lidstaat, de instelling voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 61/1/6, die de kennisgeving heeft gedaan, en de student zelf.
  § 3. Indien de student zich op het grondgebied van het Rijk bevindt, kan de minister of zijn gemachtigde, in de gevallen bedoeld in paragraaf 1, aan de student een bevel geven om het grondgebied te verlaten, waarvan het model door de Koning wordt bepaald.".
Art. 20. Dans la même section 2, il est inséré un article 61/1/7, rédigé comme suit:
  "Art. 61/1/7. § 1er. Le ministre ou son délégué peut ou, dans le cas visé à 4°, doit s'opposer par écrit à la mobilité de l'étudiant, au plus tard dans un délai de trente jours à compter de la réception de la notification complète, ou peut mettre fin à la mobilité, lorsque:
  1° les conditions relatives à la notification ne sont pas remplies;
  2° l'étudiant a utilisé des informations fausses ou trompeuses, des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude et/ou a employé d'autres moyens illégaux et/ou illicites;
  3° la durée maximale de séjour fixée à l'article 61/1/6, est atteinte;
  4° l'étudiant est considéré comme constituant une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique.
  5° l'étudiant se trouve dans un des cas visés à l'article 61/1/3, § 2.
  § 2. Lorsqu'aucune objection n'a été émise ou lorsqu'une objection n'a pas été émise par écrit dans le délai imparti, la mobilité est considérée comme approuvée. Le Roi détermine le modèle de document de séjour délivré à l'étudiant dans cette situation.
  Lorsque le ministre ou son délégué émet une objection conformément au présent article, la mobilité ne peut pas commencer.
  L'objection est adressée aux autorités compétentes du premier Etat membre, à l'établissement d'enseignement supérieur visé à l'article 61/1/6, ayant effectué la notification, et à l'étudiant lui-même.
  § 3. Si l'étudiant se trouve sur le territoire du Royaume le ministre ou son délégué peut, dans les cas visés au paragraphe 1er, délivrer à l'étudiant un ordre de quitter le territoire dont le modèle est déterminé par le Roi.".
Art. 21. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/1/8 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/1/8. § 1. Wanneer de minister of zijn gemachtigde een vergunning heeft afgeleverd, zoals bedoeld in artikel 61/1/1, maar deze naderhand beëindigt of intrekt, dan stelt hij, in voorkomend geval, de autoriteiten van de tweede lidstaat daar onmiddellijk van op de hoogte.
  § 2. Indien de student niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor mobiliteit in de tweede lidstaat of indien de door de minister of zijn gemachtigde afgegeven vergunning, bedoeld in artikel 61/1/1, tijdens de periode van mobiliteit in de tweede lidstaat is verstreken, beëindigd of ingetrokken, wordt de student door de minister of zijn gemachtigde, op verzoek van de tweede lidstaat, zonder formaliteiten en onverwijld, toegelaten het Rijk terug binnen te komen.
  De Koning bepaalt het document dat in voorkomend geval aan de student wordt afgegeven.".
Art. 21. Dans la même section 2, il est inséré un article 61/1/8, rédigé comme suit:
  "Art. 61/1/8. § 1er. Lorsque le ministre ou son délégué a octroyé une autorisation telle que visée à l'article 61/1/1, mais que, par la suite, il met fin à cette autorisation ou la retire, il en informe immédiatement les autorités du deuxième Etat membre, le cas échéant.
  § 2. Lorsque l'étudiant ne remplit pas ou plus les conditions de la mobilité dans le deuxième Etat membre ou lorsque l'autorisation, visée à l'article 61/1/1, délivrée par le ministre ou son délégué, a expiré ou qu'il y a été mis fin ou a été retiré au cours de la période de mobilité dans le deuxième Etat membre, le ministre ou son délégué autorise à nouveau l'entrée de l'étudiant dans le Royaume, sans formalités et sans retard, à la demande du deuxième Etat membre.
  Le Roi détermine le document qui sera, le cas échéant, délivré à l'étudiant.".
Art. 22. In titel II, hoofdstuk III, van dezelfde wet wordt een afdeling 3 ingevoegd luidende "Verblijf na studie teneinde werk te zoeken of een onderneming op te richten".
Art. 22. Dans le titre II, chapitre III, de la même loi, il est inséré une section 3 intitulée "Séjour après les études en vue de trouver un emploi ou de créer une entreprise".
Art. 23. In afdeling 3, ingevoegd bij artikel 22, wordt een artikel 61/1/9 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/1/9. § 1. Na de voltooiing van zijn studie op het grondgebied van het Rijk kan de student een aanvraag indienen om gedurende een termijn van maximum 12 maanden op het grondgebied van het Rijk te verblijven teneinde er werk te zoeken of een onderneming op te richten met als doel het verkrijgen van een verblijfsvergunning met het oog op werk.
  Hij dient daartoe, uiterlijk vijftien dagen voor het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning, een aanvraag in bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats op het grondgebied van het Rijk.
  In het geval bedoeld in artikel 61/1/15, wordt, in afwijking van het tweede lid, de aanvraag ten laatste drie maanden na het behalen van het diploma ingediend volgens de nadere regels voorzien in artikel 60, §§ 1 en 2.
  § 2. Ter staving van zijn aanvraag overlegt de student de hiernavolgende documenten:
  1° een geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel;
  2° het bewijs van het behalen van een diploma aan een Belgische instelling voor hoger onderwijs of, indien de student gebruik maakt of heeft gemaakt van zijn recht op mobiliteit, het bewijs van het behalen van een diploma behaald aan een instelling voor hoger onderwijs gelegen in de eerste of tweede lidstaat, andere dan België;
  3° het bewijs dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico's in België dekt;
  4° het bewijs dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt, overeenkomstig artikel 61;
  5° in het geval bedoeld in artikel 61/1/15: het bewijs dat hij, in het kader van mobiliteit, in België, als tweede lidstaat, verblijft of verbleven heeft.".
Art. 23. Dans la section 3 insérée par l'article 22, il est inséré un article 61/1/9, rédigé comme suit:
  "Art. 61/1/9. § 1er. Après l'achèvement de ses études sur le territoire du Royaume, l'étudiant peut introduire une demande afin de séjourner sur le territoire du Royaume pendant 12 mois au maximum en vue de trouver un emploi ou de créer une entreprise dans le but d'obtenir un titre de séjour à des fins de travail.
  A cette fin, il introduit une demande à l'administration communale de son lieu de résidence sur le territoire du Royaume au plus tard quinze jours avant l'expiration de la durée de validité de son autorisation de séjour.
  Dans le cas visé à l'article 61/1/15, par dérogation à l'alinéa 2, la demande est introduite selon les modalités prévues à l'article 60, §§ 1er et 2, au plus tard dans les trois mois suivant l'obtention du diplôme.
  § 2. A l'appui de sa demande, l'étudiant produit les documents suivants:
  1° un passeport ou un titre de voyage en tenant lieu en cours de validité;
  2° la preuve de l'obtention d'un diplôme d'un établissement d'enseignement supérieur en Belgique ou, lorsque l'étudiant fait ou a fait usage de son droit à la mobilité, la preuve de l'obtention d'un diplôme obtenu dans un établissement d'enseignement supérieur dans le premier ou dans le deuxième Etat membre, autre que la Belgique;
  3° la preuve qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique;
  4° la preuve qu'il dispose de moyens de subsistance suffisants, conformément à l'article 61;
  5° dans le cas visé à l'article 61/1/15: la preuve qu'il a séjourné ou séjourne en Belgique en tant que deuxième Etat membre dans le cadre d'une mobilité.".
Art. 24. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 61/1/10 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/1/10. § 1. Na ontvangst van de aanvraag onderzoekt de minister of zijn gemachtigde of aan de voorwaarden gesteld in artikel 61/1/9 is voldaan. Indien dit het geval is, stelt hij de onderdaan van een derde land in het bezit van een ontvangstbewijs van de aanvraag, waarvan het model door de Koning wordt bepaald.
  § 2. Indien de aanvraag werd ingediend binnen de termijn voorzien in artikel 61/1/9, § 1, tweede of derde lid, maar niet alle vereiste documenten werden voorgelegd, dan stelt de minister of zijn gemachtigde de onderdaan van een derde land schriftelijk in kennis van de documenten die hij nog dient over te leggen.
  De onderdaan van een derde land beschikt over een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, om zijn aanvraag aan te vullen.
  Indien hij de gevraagde documenten binnen de voorgeschreven termijn voorlegt, dan stelt de minister of zijn gemachtigde hem in het bezit van een ontvangstbewijs van de aanvraag, zoals bedoeld in paragraaf 1.".
Art. 24. Dans la même section 3, il est inséré un article 61/1/10, rédigé comme suit:
  "Art. 61/1/10. § 1er. Après réception de la demande, le ministre ou son délégué vérifie si les conditions fixées à l'article 61/1/9 sont remplies. Le cas échéant, il délivre au ressortissant d'un pays tiers un accusé de réception de la demande, dont le modèle est déterminé par le Roi.
  § 2. Si la demande a été introduite dans le délai prévu à l'article 61/1/9, § 1er, alinéa 2 ou 3, mais que tous les documents requis n'ont pas été fournis, le ministre ou son délégué informe par écrit le ressortissant d'un pays tiers des documents qu'il doit encore fournir.
  Le ressortissant d'un pays tiers dispose d'un délai de quinze jours à compter de la notification visée à l'alinéa 1er pour compléter sa demande.
  S'il fournit les documents requis dans le délai prévu, le ministre ou son délégué lui délivre un accusé de réception de la demande, tel que visé au paragraphe 1er.".
Art. 25. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 61/1/11 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/1/11. De minister of zijn gemachtigde kan de aanvraag onontvankelijk verklaren in de volgende gevallen:
  1° de aanvraag werd niet ingediend binnen de termijn voorzien in artikel 61/1/9, § 1, tweede of derde lid;
  2° de ontbrekende documenten werden niet voorgelegd binnen de termijn voorzien in artikel 61/1/10, § 2, tweede lid.
  De Koning bepaalt het model van de beslissing tot onontvankelijkheid.".
Art. 25. Dans la même section 3, il est inséré un article 61/1/11, rédigé comme suit:
  "Art. 61/1/11. Le ministre ou son délégué peut déclarer la demande irrecevable dans les cas suivants:
  1° la demande n'a pas été introduite dans le délai visé à l'article 61/1/9, § 1er, alinéa 2 ou 3;
  2° les documents manquants n'ont pas été produits dans le délai prévu à l'article 61/1/10, § 2, alinéa 2.
  Le Roi détermine le modèle de décision d'irrecevabilité.".
Art. 26. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 61/1/12 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/1/12. § 1. De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing en betekent deze aan de onderdaan van een derde land binnen een termijn van negentig dagen na datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag, bedoeld in artikel 61/1/10, § 1.
  Indien de onderdaan van een derde land zich niet bevindt in één van de gevallen bedoeld in artikel 61/1/13, moet de machtiging tot verblijf worden toegekend.
  De Koning bepaalt het model van het verblijfsdocument dat in geval van een positieve beslissing aan de onderdaan van een derde land wordt afgegeven.
  § 2. Indien tijdens de behandeling van deze aanvraag zijn verblijfsvergunning vervalt, ontvangt de onderdaan van een derde land een document dat voorlopig zijn verblijf dekt in afwachting van een beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde.
  De Koning bepaalt het verblijfsdocument dat aan de onderdaan van een derde land wordt afgegeven.".
Art. 26. Dans la même section 3, il est inséré un article 61/1/12, rédigé comme suit:
  "Art. 61/1/12. § 1er. Le ministre ou son délégué prend une décision et la notifie au ressortissant d'un pays tiers dans un délai de nonante jours suivant la date de l'accusé de réception de la demande, visé à l'article 61/1/10, § 1er.
  Si le ressortissant d'un pays tiers ne se trouve pas dans l'un des cas visés à l'article 61/1/13, l'autorisation de séjour doit être accordée.
  Le Roi détermine le modèle de document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers en cas de décision positive.
  § 2. Si, pendant l'examen de cette demande, l'autorisation de séjour vient à échéance, le ressortissant d'un pays tiers reçoit un document qui couvre provisoirement son séjour dans l'attente d'une décision prise par le ministre ou son délégué.
  Le Roi détermine le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers.".
Art. 27. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 61/1/13 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/1/13. De minister of zijn gemachtigde kan een aanvraag tot machtiging voor een verblijf als bedoeld in artikel 61/1/9 weigeren indien de onderdaan van een derde land:
  1° niet aan de in artikel 61/1/9 gestelde voorwaarden voldoet;
  2° geacht wordt een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid.".
Art. 27. Dans la même section 3, il est inséré un article 61/1/13, rédigé comme suit:
  "Art. 61/1/13. Le ministre ou son délégué peut refuser une demande d'autorisation de séjour tel que visée à l'article 61/1/9 si le ressortissant d'un pays tiers:
  1° ne remplit pas les conditions fixées à l'article 61/1/9;
  2° est considéré comme constituant une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique.".
Art. 28. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 61/1/14 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/1/14. De minister of zijn gemachtigde kan in de volgende gevallen een einde stellen aan de machtiging tot verblijf afgegeven krachtens artikel 61/1/12:
  1° indien de minister of zijn gemachtigde ten vroegste drie maanden na de afgifte van de verblijfsvergunning aan de onderdaan van een derde land verzoekt om aan te tonen dat hij een gerede kans maakt om door een werkgever te worden aangeworven of om een onderneming op te starten en hij dit niet binnen een termijn van vijftien dagen na dit verzoek kan aantonen;
  2° indien de onderdaan van een derde land niet langer voldoet aan de in artikel 61/1/9 gestelde voorwaarden;
  3° indien de onderdaan van een derde land geacht wordt een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid.".
Art. 28. Dans la même section 3, il est inséré un article 61/1/14, rédigé comme suit:
  "Art. 61/1/14. Le ministre ou son délégué peut mettre fin à l'autorisation de séjour délivrée conformément à l'article 61/1/12 dans les cas suivants:
  1° si le ministre ou son délégué demande au ressortissant d'un pays tiers au plus tôt trois mois après la délivrance de l'autorisation de séjour de prouver qu'il a des chances réelles de trouver un emploi ou de créer une entreprise et qu'il ne peut pas le prouver dans les quinze jours après cette demande;
  2° si le ressortissant d'un pays tiers ne remplit plus les conditions fixées à l'article 61/1/9;
  3° si le ressortissant d'un pays tiers est considéré comme constituant une menace pour l'ordre public, la sécurité nationale ou la santé publique.".
Art. 29. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 61/1/15 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/1/15. Deze afdeling is ook van toepassing indien de student gebruik maakt of heeft gemaakt van zijn recht op mobiliteit en België de tweede lidstaat is waar de student verblijft of heeft verbleven.".
Art. 29. Dans la même section 3, il est inséré un article 61/1/15, rédigé comme suit:
  "Art. 61/1/15. La présente section s'applique également lorsque l'étudiant fait usage ou a fait usage de son droit à la mobilité et que la Belgique est le deuxième Etat membre dans lequel l'étudiant séjourne ou a séjourné.".
Art. 30. In artikel 61/7, § 1, vierde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, worden de woorden "in de artikelen 58 tot 60" vervangen door de woorden "in artikel 60".
Art. 30. Dans l'article 61/7, § 1er, alinéa 4, de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007, les mots "aux articles 58 à 60" sont remplacés par les mots "à l'article 60".
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepaling
CHAPITRE 3. - Disposition transitoire
Art. 31. De voorwaarden die deze wet invoert waaraan de onderdaan van een derde land moet voldoen in het kader van een eerste aanvraag om een machtiging tot verblijf van meer dan negentig dagen te bekomen, met het oog op een verblijf in de hoedanigheid van student, zijn pas van toepassing op de aanvragen die worden ingediend voor studies die aanvatten in het academiejaar 2022-2023.
Art. 31. Les conditions que la présente loi impose au ressortissant de pays tiers dans le cadre d'une première demande afin d'obtenir une autorisation de séjour de plus de nonante jours en vue d'un séjour en tant qu'étudiant s'appliquent uniquement aux demandes introduites pour des études entreprises à partir de l'année académique 2022-2023.